The Project Gutenberg eBook ofDe vreemde plant

The Project Gutenberg eBook ofDe vreemde plantThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: De vreemde plantAuthor: Herman Johan RobbersRelease date: September 7, 2008 [eBook #26554]Most recently updated: January 4, 2021Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VREEMDE PLANT ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De vreemde plantAuthor: Herman Johan RobbersRelease date: September 7, 2008 [eBook #26554]Most recently updated: January 4, 2021Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net

Title: De vreemde plant

Author: Herman Johan Robbers

Author: Herman Johan Robbers

Release date: September 7, 2008 [eBook #26554]Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VREEMDE PLANT ***

Dedication: Herman Robbers lived from 1868 to 1937. This book is published at Project Gutenberg in celebration of Public Domain Day 2008.

Dedication: Herman Robbers lived from 1868 to 1937. This book is published at Project Gutenberg in celebration of Public Domain Day 2008.

DE VREEMDE PLANTDOOR HERMAN ROBBERSTWEEDE DRUKUITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERSTE AMSTERDAM - MCMXVI.

DOOR HERMAN ROBBERS

TWEEDE DRUK

UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS

TE AMSTERDAM - MCMXVI.

DE ROMAN VAN BERNARD BANDT; vijfde druk, Æ’0.50ingenaaid, Æ’0.75gebonden.

DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH; zesde druk, Æ’0.50ingenaaid, Æ’0.75gebonden.

VAN STILTE EN STEMMING;een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, IJs in de gracht, Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte.) Æ’3.25ingenaaid, Æ’3.90gebonden.

DE ROMAN VAN EEN GEZIN: I. DE GELUKKIGE FAMILIE(derde druk),II. EÉN VOOR EÉN(tweede druk); per deel ƒ1.90ingenaaid, ƒ2.50gebonden in linnen, ƒ2.90gebonden in leer.

HELENE SERVAES; Æ’3.25ingenaaid, Æ’3.90gebonden.

* * * * *

Een vreemde tuin lag stil in den maneschijn. Maar de maan was er niet. De schijn hing over de bloemen, die geurden. Groote bloemen op lange stengels recht op. Trotsch pronkend gloeiden de wijde kelken in het licht. En die eene—die groote witte—dat was zij....!

Zóó was de droom, die sterk als een herinnering lag in haar denken.

Zóó was de droom van haar jeugd, de zalige droom, de troost, de geheimeheerlijkheid van haar jong leven.

De droom....? Was 't dan een droom geweest....? O! zij rook de geur nog, zij voelde de koele nachtlucht, zij hoorde de stilte!

O! die tuin! Waarom was ze er niet meer? Wat ruwe ruk had haar afgeknakt van den sappig-glanzenden stengel?.............................

Van zoolang haar heugde had ze altijd moeten denken aan dien vreemden tuin en aan die eene witte bloem, die zij was. En eens—'t was in haar twaalfde jaar—, op 'n zomeravond, in de schemering, had ze 't plotseling gevoeld, duidelijk gevoeld, zoodat ze rilde van verrukking: in haar, diep geworteld in haar hart stond rechtop de slanke stengel en de bloem bloeide en geurde en zacht togen de geuren door haar gansche lijf.... En toen had ze ook voor 't eerst gevoeld die groote smart, die over haar was gekomen als een bedwelming, mysterieus, zonder oorzaak, 'nonbestemd, onuitsprekelijk zoet lijden!..............................

Haar moeder was gestorven toen haar broertje geboren werd. Ze was vijf jaar toen. Haar vader had haar opgetild en ze had haar moeder zien liggen, wit en stil. Toen had ze zich den tuin herinnerd; was dat de eerste keer geweest? Ze had gedacht: Zou moeder nu naar den tuin gaan? Waarom had ze dat gedacht? Ze had er haar vader niet over durven spreken. Ze sprak nooit met iemand over den tuin, noch—later—over de vreemde plant. 't Was of 't dan alles weg zou gaan!—En 't was haar alles—haar alles!..............................

Want in droomen alléén had ze haar jonge jaren doorgeleefd, hatend de werkelijkheid, het dagelijksche leven, de school, die één lange straf was, vreezend haar vader en alle andere groote menschen, bang in hetgroote leege huis, bang vooral 's nachts, als ze wakker lag in haar bed, midden in de alomme drukkende duisternis, als ze niet durfde kuchen, niet verroeren.

Eén plekje was er maar geweest in het groote huis, een hoekje van een vensterbank, waar ze graag was. Daar zat ze dikwijls te droomen, kijkend naar de drijvende wolken. De wolken waren haar groote vrinden. Ze zag ze komen met herkenning en keek ze vertrouwelijk na. Ook onder de boomen en heesters en bloemen had ze vrinden en vertrouwden. Maar andere waren weer vijandig. En zoo ook de meeste dingen thuis. Er was een kast, waar ze niet voorbij dorst gaan, er was een leuningstoel, waarin ze niet zitten wou. Want doode dingen waren er niet, alles was bezield, de dingen keken haar aan, de dingen dreigden en grijnsden. Ze hield alleen van 'n paar oude etsjes die in de logeerkamer hingen in simpele zwarte lijstjes en die ze heel mooi vond, en van een ouderwetschen blaasbalg, die in dezaal naast den haard hing en van een wollen pop, die ze heel jong van haar moeder gekregen had, en van een koperen plaatje, schijnbaar zonder doel ergens aan den muur geslagen in de wijde gang. Zonder doel—maar voor haar een beschermer tegen de akelige gezichten in de marmeren steenen, de spotoogen en grijparmen.

Ze hield veel van haar broertje, maar hij was altijd bij de kindermeid, die zij haatte.

Van haar vader hield ze soms wel, als hij stil en vriendelijk was en zacht met haar sprak. Maar anders was ze alleen maar bang voor hem. Hij was 'n driftig-drukke man, hij liep hard en sprak luid en ruw. Zij was bang voor al wat ruw was, scherp en hard. Zij schrok er altijd weer van. Zachte geuren en tinten trokken haar aan.

Ze kon 't zichzelve zelden verklaren, waarom ze van den eenen dag wel hield en niet van den anderen. Maar 't was toch zoo. Alle dagengingen om zonder verschil; toch hield ze van den Woensdag en niet van den Dinsdag. Ze begreep 't niet. Ze merkte alleen op dat alle dingen en begrippen een kleur hadden in haar denken en als ze de kleur niet verdragen kon hield ze ook niet van het ding of van de idee, die zoo gekleurd was voor haar ziele-oog. Dinsdag was geelachtig-bruin en daar hield ze niet van.

Toen ze ouder werd en leerde begrijpen wat plichten zijn en dat het haar plicht was haar vader dankbaar te zijn en van hem te houden, veel en altijd, weende ze dikwijls omdat ze 't niet kon en vond zich slecht en trachtte zich te dwingen met teederheid aan hem te denken. Maar zij kon het niet. Zij geloofde wel dat zij iets voor hem zou kunnen doen, iets moeilijks, een groote opoffering, maar zoo aan hem denken, dat kon ze niet.

Hoe ouder ze werd, hoe meer ze zich voelde aangetrokken door distinctie, verfijning, door exquise, bizonderedingen. En wat anderen onbegrijpelijk vonden was haar lief als 'n oude bekende; kleuren die niemand zag, geluiden die niemand hoorde, waren haar dagelijksche zielevoedsel. Zij kon heele concerten aanhooren zonder bewogen te worden en één golf van klanken roerde haar tot tranen toe; zij kon met groote kalmte lange gedichten opzeggen, die ze uit 't hoofd had moeten leeren, met vriendelijke stem en juiste intonatie, precies zooals 't haar voorgedaan was,—en soms was twee regels uit te spreken haar onmogelijk.

Ze had heel graag leeren schilderen: lucht en bloemen, maar haar vader vond dat niets voor 'n meisje. Hij was een koppig man, vergroeid met allerlei verroeste vooroordeelen. Zij moest leeren kooken en een huishouden bestieren. Daarom was ze later wel eens jaloersch op haar broer, die 't wel mocht leeren. Hij was 'n jongen met „lieve talenten.” Hij schilderdeen dichtte en maakte muziek. Zij was trotsch op hem. Maar begrijpen deed ze hem nooit. Want hij schilderde heel anders dan zij 't gedaan zou hebben, zeker voelde hij heel anders dan zij. Toch hield ze veel van hem. Dat kwam door zijn fijne, blanke vel en zijn lenige leden en doordat hij óók lang kon liggen soezen en droomen. Zij begreep hem heelemaal niet. Hij was een slim ventje, lui, en altijd alleen bedacht op zijn eigen genot.

Haar ouder worden was 'n zich meer en meer bewust worden van haar droomleven, 'n steeds inniger voelen van haar neiging tot mijmeren, 'n langzame overgave, maar een volkomen overgave aan den wellust der melancolie. Zij bleef klein, tenger, nietig. Bij haar geen groeien van het lichaam tot volwassen kracht, geen zwellend rijpen van vrouwenvormen, geen wilde uiting van jeugd, geen driftig grijpen naar genot, geen siddering van lentelust, geen vermoedenvan levensrijkdom. Zij bleef klein en tenger, en haar leven werd een reeks van zacht-weemoedige en zoet-smartelijke stemmingen.

Zij leerde wat ze leeren moest op school en ze leerde kooken en al wat bij de huishouding hoort, ze ging met haar vader naar dinétjes en avondjes, ze ontving zelf menschen en deed het met gratie, ja met opgewektheid, vriendelijk pratend met iedereen. Ze deed veel kennissen op en maakte zoogenaamde vrindinnen. Maar dat alles ging buiten haar om, buiten haar eigenlijke leven. 't Luchtig gepraat raakte niet haar stemming, geen menschenstem drong door in de stille dalen van haar mijmering. En zoo leefde ze voort van dag op dag, van maand op maand, van jaar op jaar....

Voor dat haar vader bankroet ging, gebeurde er nooit iets met haar, had ze geen geschiedenis. Eens alleen stoorde een groote verwondering haardroomleven. Een rijk jongman, iemand die haar nauwelijks kende—die ook haar rijk dacht en die een huishoudster lastig vond en duur—had haar tot vrouw verlangd. Hij had haar gevraagd aan haar vader, die 't haar vertelde met ingenomenheid. Verbaasd, verschrikt had ze geweigerd, kortaf, voor goed. Er was niet meer over gesproken. Hij had wel andere dingen aan zijn hoofd, haar vader!

Maar eindelijk kwam de groote verandering, de verwoesting, de ruïne!

Ze was vijf en twintig jaar toen de reuzenramp haar trof, haar greep in haar eenzelvig voortgeleef, haar schudde, schokte, dat ze gansch verbijsterd staarde voor zich uit met wijde oogen. Haar vader smakte die ramp neer op zijn ziekbed. Maar haar broer was 't een ontwaken, hij was de eerste, die zich redde, zichzelf alleen. Hij dacht altijd aan zijn eigen lot alleen.

Zooals 'n eenzaam herder, wienshut verwoest is door den storm de planken weer bijeen zoekt, weer samenvoegt tot muren, tot een dak—maar zoo goed als vroeger wordt het niet—zoo herstelde zij zich na dien vernielenden schok. Voort! voort! moest ze nu. Ze had geen tijd meer om te soezen en te droomen. Ze moest haar vader—den verlamden, den versuften—verzorgen en ze deed het, meer als een zuster, dan als een dochter, als een liefdezuster, trouw doende wat haar plicht is zonder te denken aan eigen lijden.

Ze waren arm...................

Toen was Rubrecht, de boekhouder, een schuchter man, schoorvoetend naar haar toe gekomen en had haar aangeboden al wat hij had, zijn goed, beproefd-trouw hart, zijn pover salaris en zijn dak. Hij had haar verteld dat hij een nieuwe, een betere betrekking gevonden had, dat ze 't goed bij hem hebben zou, dat haar vader—zoolang hij nog zou leven—bij hem zou kunnen inwonen.—'t Was toch zijn goede oude patroon!—Hij had haar ook stotterend van verlegenheid gesproken over zijn „liefde.” Nooit zou hij 't haar hebben durven zeggen als ze gebleven was in haar vroegere „omstandigheden,” hij wist wel dat hij eigenlijk geen partij was voor 'n juffrouw Van Plaswijk, maar nu—nu ze toch immers arm was.... Hij had tranen in de oogen. 't Had haar getroffen. Ze had er iets van gevoeld wat die simpele man waagde in zijn onverstand, in blind vertrouwen op haar. Ze wou wel waard worden zooveel vertrouwen.

Maar 't denkbeeld het allerintiemste te moeten deelen met dien burgerman, die twintig jaar ouder was, 'n kantoorlucht had en groote dikke handen, die een lange gekleede-jas droeg, kaal op de mouwen, en scheef onder zijn smal liggend boordje een oude onoogelijke das,—met dien grofgemanierden, platsprekenden burgerman!

Ze had bedenktijd gevraagd.

Bedenktijd!—Denken, helder denken in armoede en zwaardrukkende zorg! 't Was niet mogelijk. En haar vader, die haar smeekte, bezwoer haar geluk toch niet weg te gooien, het rustig zekere te verkiezen boven 'n—misschien levenslang!—worstelen niet de ellende,—haar vader, die wel niet lang meer leven zou! Gold het niet de rust van zijn laatste dagen, van zijn sterfbed?....

En was 't dan toch niet waar, dat zij in staat was tot een groote opoffering? En was de opoffering dan zóó groot? Welke andere verwachting had ze dan van 't leven? Had ze dan illusies .... illusies .... illusies.... Hoe dikwijls had ze dat woord gehoord en gelezen met een angstige verwondering en een vaag gevoel van gemis.... Had ze nu toch....? Maar haar was immers tot eenig genot gegeven die vreemde plant in haar hart, die bloeide,bloeide en met zijn geuren vulde haar gansche wezen en voor haar blikken had gesponnen dien zilverzwarten sluier waardoor ze de zon zag als een bloedrooden bol hangend in de ruimte zonder straling, zonder doel.—En dat genot, die troost, zou haar immers toch nooit verlaten....

Rubrecht kwam terug—niet vergeefs. En haar vader stierf zonder angst, in haar huis, haar zegenend....

Neen, niet in haar huis!—O hoe scherp had ze 't toen al gevoeld—in het zijne, in het huis van Rubrecht, den boekhouder, 't burgerbovenhuis met zijn bont gebloemde behangsels, zijn roodgestreepte karpetten, bloempotten voor de ramen en buiten 'n spionnetje.

Ze liet het huis precies zooals ze 't vond, zich met martelaarswellust de ziel schrijnend aan 't gezicht van al die leelijke dingen.

Eerst was het nieuwe leven haar meegevallen; haar man ging teer, bescheiden-voorzichtig met haar om, meer als 'n vader dan als 'n minnaar, altijd trachtend haar wat op te wekken, haar vroolijk te stemmen, vol hoop dat 't hem gelukken zou, trotsch als ze maar glimlachte. Maar langzaam was in haar gerezen 't bewustzijn van de beteekenis van haar daad, had ze begrepen dat haar noodlot was dien man, die haar zoo liefhad om haar zelf alleen, ongelukkig te maken voor altijd. Die arme eenvoudige man, wiens wenschen toch niet te hoog gingen, die zich zooveel had voorgesteld van 't leven, als hij maar eens een goede betrekking had en een lieve vrouw, die hem koesteren zou en verzorgen, als hij oud werd, hem aanhooren als hij sprak van zijn kleine belangen, hem aan zijn kleine liefhebberijen zou helpen met geduldige hand, die man moest door haar, teleurgesteld, onbevredigd zijn leven leven tot het einde. Datmoest, datmoest! Want zekonniets voor hem worden, ze was van eenheel ander menschensoort, zij kon geen belangstelling in zich kweeken voor zijn grootboek en zijn kasboek, noch voor zijn postzegelverzameling, noch voor zijn doorgerookte pijpen. En wat zon hij er van begrepen hebben als ze hem gesproken had over de kleuren van de dagen, over de vriendschap van de wolken, over den tuin, den vreemden tuin van haar herinnering.

't Duurde lang, maar eindelijk ging hij 't ook voelen, hij werd stil en in zichzelf gekeerd—soms brommerig, mopperig. Maar hij verweet haar nooit iets.

De twist was onbekend in hun huis.

Maar zij tobde over zijn leed—en zij vond alleen vergetelheid in de bedwelming van melancholische mijmering.

Tot er weer een verandering kwam...

Ze was twee jaar getrouwd toen ze zich zwanger voelde. Ze schrok, ze wilde 't niet voelen, 't niet gelooven.Moest nu ook nog 'n ander mensch door haar leven dit treurige leven?

Het kind werd geboren, 't was 'n jongen. Zij had veel pijn geleden en daar had ze hem dadelijk lief om, haar zoon. Met innige, medelijdende liefde koesterde zij het kind. Als zij 't in haar armen droeg had ze 'n gevoel als moest zij, zij alleen, dat kind beschermen tegen 'n heele vijandige wereld.

En nu kreeg haar leven ook weer 'n richting, nu had ze weer geen tijd om te soezen, te droomen.

't Jongetje groeide. Hij was zwak en fijn. Hij leek op haar, ze zag haar eigen ziel in zijn oogen. O, maar zijn jeugd mocht niet zijn als de hare, koud en grijs, ze zou hem troosten, zij zou zijn vrindin zijn, zijn beschermster, zijn alles! Zij zou over hem waken! Wat ze voor zichzelf altijd versmaad had deed ze voor hem, ze bad. Ze bad den grooten goeden God, den geheimen vader van alle smart en alle vreugde voor hem te doen, watze voor zichzelf nooit had gevraagd, hem gelukkig te maken! Als geluk mogelijk was, dan moest, dan moest hij, haar Wouter, gelukkig worden.

Toen begreep ze wat een illusie is; zij had een illusie, zij ook!

O! hem gelukkig te zien, gelukkig door haar! En voor hem alles te zijn, te blijven, zoodat hij meer van haar zou houden dan van ieder ander—altijd! En als hij soms—over twintig, vijfentwintig jaar, als hij weg zou willen uit haar huis en zich misschien—, o! dan wilde ze sterven, ja, dan sterven!—Maar, weg, weg die gedachte! zij, zijn moeder zou alles voor hem blijven, zijn vertrouwde, zijn eenige vrindin................

Maar als dat toch moest komen, als dat moest, dat, hij zich 'n vrouw zou nemen!....

Dan moest dat zijn een van Gods engelen, dien zij den Vader bidden zou neder te zenden voor hem, haar zoon.Zulk een wezen alleen zou hem mogen aanraken, omarmen, bezitten. Voor 'n engel alleen zou zij afstand van hem doen—misschien!............

Vijf jaar later, onverwacht, 'n tweede kind, een meisje. Dat gaf verwarring in haar denken, maakte haar zenuwziek, veel weken, maanden. Ze hield lang niet zooveel van dat tweede kind als van Wouter. 't Was ook heel anders, 't was grof, 't had haar en Wouters oogen niet. Maar 't was haar kind. Zoo bleef ze haar zorgen verdeelen met volkomen toewijding, met streng plichtgevoel, over haar man, haar zoon en haar dochter.

Maar Wouter was haar lieveling.... En de jonge aanbad haar als 'n heilige. Zelden waren twee menschen meer aan elkaar gehecht.

De Rubrechts dan bewoonden een bovenhuis op een smalle gracht, eengracht van den derden rang, stil, oud, heel oud. 't Was een huis met een donkeren geölieden gevel, een trapgevel en zoo waren al de huizen aan weerszijden. Moe stonden ze tegen elkaar aan en voorover te hangen. Twee sombere rijen.

Zwaar helden over het water, dat stil stond tusschen de steile wallen, de dikke boomkolossen, de een scheever dan de ander, al de stammen grillig gespleten en gebocheld, vreemde gedaanten. Hier en daar ontbrak er een, eindelijk bezweken onder den last van zijn kruin en neergeploft in 't vieze water, en op zoo'n leege plek was dan een lummelig jong boompje gezet met een banaal keurig hekje er om van geverfd ijzer, een boompje als uit een speelgoeddoos, onuitstaanbaar wijsneuzig.

De Rubrechts woonden boven 'n kantoor en links en rechts waren kantoren met bovenhuizen. Maar de oude Rubrecht had niets te maken met hetkantoor beneden, want hij was eerste boekhouder bij Jan Blok, een groote firma ergens op 'n veel voornamer gracht. Hij woonde daar alleen maar omdat 't er zoo goedkoop en toch zoo door en door fatsoenlijk was. En goedkoop en toch fatsoenlijk, dat was alles wat hij wenschte.

't Was op een Zondagmorgen. Die kant van de oude gracht waar de Rubrechts woonden lag in de hitte, die fel brandde op de keisteenen voor het huis, maar 't stilstaande water in de schaduw van den overkant en van de boomen, vuilzwart en donkergroen, bedorven.

't Kantoor beneden was gesloten met hardgele luiken, die brutaal blonken in de zon. Maar boven zag alles er rustig en fatsoenlijk uit. De gordijnen in de beneden voorkamer, de „mooie” kamer, de dikke roomkleurige ophaalgordijnen, ouderwetsche, met plooien en de witte opengewerkte overgordijnen, voor alle driede ramen even hoog en even breed, lieten precies gelijke zeskante stukjes raam vrij voor het licht. De buitenjalouzieën aan de tweede verdieping en het gordijn van het zolderraam hingen strak neer in hun volle lengte, 't Oude hijschblok reikte somber in de ruimte, zijn schaduw werpend op het huis.

Dit was een Zondagmorgen als iedere andere, als de vorige en als verleden jaar en als voor tien jaar. Niemand had die gracht ooit anders gezien op Zondag.

Toch was er juist aan het Rubrechtshuis iets zeer buitengewoons te zien dien morgen en tuurden de overburen over hun vensterbanken en tusschen de takken van de boomen door verbaasd naar de ramen van de benedenvoorkamer. 't Was al ongewoon dat de gordijnen niet heelemaal gesloten waren in de zon, maar het allervreemdst was, dat op het ronde tafeltje voor het middelste raam, waaranders altijd de zilveren inktkoker glansde onder de glazen stolp (altijd tenminste nadat Rubrecht zijn jubileum had gevierd bij Jan Blok)—nu stond een mandje bloemen. Een elegant rond mandje met een deksel, die half openstond en waar de witte en roode rozen onderuitdrongen in gloeienden overvloed. Rozen ook om het hengsel en een wit lint, eindend in een lossen strik. Een buitengemeen mooi mandje, zeker het sierlijkste voorwerp wat nog ooit bij Rubrecht te zien geweest was en toch nog maar een voorbode, een inleiding....

Want Wouters meisje, Wouters mooi meisje zou haar intree komen vieren in Wouters ouderlijk huis!....

Aan weerszijden van het kleine tafeltje stond een leuningstoel en op de linksche zat de oude Rubrecht en keek naar 't mandje. Dat was zijn eenige bezigheid maar niet het doel van zijn zitten daar, want al dadelijk toen 't gekomen was had hij 't aan alle kantenbekeken en beroken, 'n half uur lang. Het doel was negatief: hij wilde zich niet „vuil maken.” En al scheen daartoe weinig gelegenheid in de zorgvuldig afgestofte kamer, 't veiligst was toch maar onbewegelijk te blijven zitten. Zijn gekleede jas zonder kreukje, zonder stofje, zijn witte das recht als die van 'n dominee op zijn portret, zijn breede laarzen glimmend, zat hij daar en keek en wachtte. Zijn dikke doezelkop 'n beetje naar voren en meest naar voren de onderlip. Een glad geschoren egaal-rood gezicht, alleen zijn kale kruin wat blanker en heel wit de dunne haren langs de slapen en de zware wenkbrauwen. Goedige kleine oogen starend langs de dikke neus en onder de oogen groote blazen. De vleezige wangen zakkend in de onderkin.

Alleen de oogen bewogen nu en dan, opkijkend van het mandje naar de bloemen van 't gekalkte plafond, naar de „schilderijen” aan den wand, premieplaten van zoogenaamde prachtwerken, leelijke ouderwetsche staalgravuren, of naar de helder gewreven bonheur, 't cadeau van zijn ouders bij zijn huwelijk, nog altijd ontzien, gevreesd bijna als een voorwerp van buitensporige pracht en weelde. De overige meubelen waren eenvoudig. Een ronde tafel op één gedraaide poot, acht stoelen en een kanapee met zwarte trijpen zittingen.

Op den schoorsteenmantel een ander voorwerp van luxe, ook een cadeau, een vergulde pendule, met een vergulde Ceres en vergulde korenschoven er op, onder een stolp en aan de eene zij een porseleinen herder, met 'n poeslief gezichtje, zijn jasje kleurig gebloemd en een luciferstandaard van geel koper, en aan de andere zij een porseleinen herderin en een geelkoperen aschbak. Deze vijf stukken op gelijke afstanden en de herder en herderin wat naar elkaar toegedraaid uit hartelijkheid. 'n Goed kind, die Anna!

Schielijk ging de deur open en kwam mevrouw Rubrecht de kamer in. Klein nietig vrouwtje in 't zwart, stemmig dofzwart, 'n ernstig, wasbleek gezichtje, ovaal, regelmatig als 'n Mariakop, in een kap van gladweg gekamd donkerblond haar, waarop ze 'n donker dofgrijs tulen mutsje droeg, wat haar ouder deed schijnen dan ze was. Om den schralen hals lag povertjes 'n smal wit kraagje en wat zwarte kant viel uit de mouwen over de magere polsen.

Ze kwam haastig binnen, liet de deur achter zich open. „Daar is Wim,” zei ze. En ook kwam kort daarna, veel bedaarder, een jongmensch naar binnen en stapte op Rubrecht toe. De oude man draaide zich half om. „Zoo! dag Wim,” zei hij. „Goeiemorgen, meneer,” groette Wim hem de hand reikend, „hoe maakt u 't?... Hé!—wat 'n mooie bloemen!”—Rubrecht grinnikte vergenoegd. „Ja, ja!—Woutertje weet 't wel, vindt je niet?”

Mevrouw schoof gejaagd met 'n stofdoek langs de leuning van een stoel. „Ik zal Anna 's even roepen,” zei ze. „Ze is nog aan 'r toilet bezig.... ze heeft je misschien niet gehoord”.... En ze liep de kamer weer uit zonder naar Wim te luisteren, die nog riep: „Doet u geen moeite! Ze zal wel komen!”....

„Ga zitten, Wim,” zei de oude Rubrecht.

Toen nam de heer Willem Teunisse—genaamd Wim—voorzichtig tusschen iedere duim en voorste vinger een pand van zijn gekleede jas en liet zich langzaam en vol waardigheid neer op den anderen leuningstoel.

Rubrecht's aanstaande schoonzoon was boekhouder; hij was een degelijk, solied jongeling, knap in zijn vak, bescheiden tegenover oudere boekhouders, nederig en eerbiedig als hij van zijn patroon sprak; hij zou een schoonzoon worden zooals Rubrecht er zich zeker een gedroomd zou hebben,als hij ooit gedroomd had. 't Was iemand, die zijn plaats in de wereld begreep en die niet, als zoovelen tot hun ongeluk, streefde naar onafhankelijkheid, roem, eer of schatten. Zijn eer lag in de brandkast van zijn patroon, zijn roem was honderd gulden verhooging van salaris en zijn eenige schat was op 't oogenblik aan haar toilet bezig. Zoo hoorde 't! Daarbij kwam dat de heer Wim iemand was van onbesproken levenswandel, zevenentwintig jaar oud, schutter, 'n weinig mottig maar toch niet opvallend leelijk, en eigenaar van 'n miniem erfenisje en 'n gering spaarduitje, samen vormend een ruggesteuntje, dat 'n zekeren roep van welgesteldheid van hem deed uitgaan onder zijn kennissen. Deze heer had dus alle recht zich langzaam en met waardigheid te bewegen.

„Lekker weer, hè Wim,” zei Rubrecht.

„Bizonder lekker weer, meneer,” zei Wim, „bepaald zeer mooi weer, ziet u, haast te mooi voor den tijd van 't jaar! Wat blijft 't lang droog, vindt u ook niet?”

„Wees maar niet bang; voor we 't kwartaal afsluiten zal de regen z'n debet wel aanzuiveren,” zei de oude boekhouder, en beide lachten met deftigen kraaklach om die aardigheid.

Mevrouw Rubrecht kwam weer binnen en kwam ook bij het tafeltje staan. „Ze komt dadelijk,” zei ze, zenuwachtig glimlachend met 'n verstrooiden blik in 't rond. En toen tot Wim: „Vindt je die bloemen niet prachtig?—die Wouter!—goeie, royale vent, hè?—Ja, maar hij heeft nu ook 'n mooie positie!—en 't moet zoo'n lief meisje zijn, Wim—o, zoo'n lief meisje!—ja, zet nu maar niet zoo'n ongeloovig gezicht,—dacht jij misschien, dat ze wat .... wat oppervlakkig was, 'n beetje luchthartig misschien?—-O, nee, Wim!—nee! dan zou Wouter nooit zooveelvan 'r zijn gaan houden—heusch niet!—dat is niets voor Wouter!—Wouter is ernstig, bedaard! Hij is er de jongen niet na' om zich door 't eerste 't beste mooie gezichtje te laten inpakken!—nee! dan ken je Wouter niet!—”

„Maar mevrouw, ik....”

„Nou ja, ik weet wel, Wim, je meent 't goed .... maar, zie je, Wouter!....”

En de moeder begon met een wijden blik, die ver over de hoofden van de twee boekhouders heen aan een heerlijk lichtbeeld scheen te hangen, de moeder begon te praten over haar zoon, haar eenige, haar alles! Hij had nu een goede positie, maar hij verdiende dat ook ten volle, je moest zijn patroon, zijn aanstaanden compagnon, haar knappen broer Frits maar over hem hooren. Neen, dat stond vast, Wouter had zich een vrouw gekozen, die hem waard was! Niet dat hij dat zelf zeggen zou!—pedant was hij heelemaal niet!—Maar 'twas zoo!—Wouter met zijn juisten blik, met zijn menschenkennis!

„Nee, heusch, Wim,” zoo ging ze al maar door, ofschoon haar aanstaande schoonzoon al lang overtuigd scheen, „'tiseen engel van 'n meisje!—Weet je, dat ze zoo jong haar moeder verloren heeft!—net als ik,—treurig, hè?—Haar vader heeft er heel veel van geweten!—goeie man, haar vader!—goeie man!—hij werd gevoelig toen hij er over sprak.—Mevrouwtje, zei hij, je haalt 't zonnetje uit m'n huis!.... Toen me lieve vrouw dood was, is zij hier in huis het middelpunt geworden .... zonder haar zal 't hier uitgestorven lijken.... 't Is misschien niet goed zooveel van 'n kind te houden, zei hij, maar zooals zij ook altijd met me omging, zoo innig lief, zoo aanhankelijk....”

Mevrouw Rubrecht beet zich op de onderlip en snoof een traan op.

Wim keek haar verwonderd aan.

„En weet je, wat haar vader ook zei,” ging ze weer door, „dat is iets voor jou Wim!—Hij zei, dat ze zoo'n knap huishoudstertje is.... In 't laatste jaar heeft zij de kas gehouden, de huishoudkas, .... keurig, keurig! .... 't klopt altijd prompt!”

Wim glimlachte. „Aan diversen zooveel,” zei hij.

„Waarom zeg je dat nu weer, Wim? Kan dat nu weer niet, dat 'n meisje zulke dingen goed doet?....”

„Zeker, zeker!” zei Wim, knikkend met zijn gewichtig hoofd, zoodat zijn glimmende gekamde haren, op en weer wipten in zijn nek, „maar uit een volle beurs is 't makkelijk kas houden!....”

„Wat bedoel je daarmee, Wim?—je dacht toch niet dat Wouter haar om 't geld....? O, Wim, wat ken je Wouter weinig, foei!”

En vader Rubrecht, die tot nu toe al maar goedig glimlachend voor zich uit had zitten kijken zonder 'n woordte zeggen, schraapte zich nu de keel en zei: „Nee, Wim, nee!—dat is niks voor Wouter!....”

„Wie zegt dat dan ook!” zei Wim, „ik denk er niet aan....”

Maar Anna was binnen gekomen. Wim stond bedaard op, liep haar drie stappen tegemoet en gaf haar een kus op iedere wang. Ze kwam ook naar de bloemen kijken en berook de mand aan alle kanten en zei dat 't jammer was dat rozen zoo weinig geur gaven, 't Was of 't haar troostte! Wat ook wel zoo geweest zal zijn, want zelf was ze maar 'n simpel muurbloempje en heel blij dat ze toch geplukt zou worden, al was 't dan maar door 'n boekhouder, die 'n weinig mottig was.

Ze leek op haar vader, ze was een leelijk meisje, met fletse oogen en iets paffigs in haar gezicht.

De moeder liep de kamer weer uit.

„Je ma schijnt in 'r schik, vandaag,” zei Wim tot zijn meisje,—„maar wat is ze zenuwachtig!”

„Gelukkig, dat ze zoo is,” zei Anna—wat korzel door dat ze zoo laat was—„en niet in 'n melancholieke bui zooals eergisteren nog—en zooals zoo dikwijls.”

„Zoo, zoo!—Meer dan vroeger?”

De oude Rubrecht keek op, niet meer glimlachend, 'n beetje wrevelig. „Wel nee!”—bromde hij—„niet meer dan vroeger—je moet daar niet zoo over praten, Anna,—je weet, 't zit in ma's gestel!—nee! niet meer dan vroeger—niet meer dan vroeger!”

„Waar ze nu heen geloopen is?” zei Wim, op zijn horloge kijkend, „'t is half één, Wouter en z'n meisje kunnen ieder oogenblik komen.”

„Ik wed, dat ze boven uit 't raam uitkijkt, of ze 'r al aankomen,” antwoordde Anna. En dat scheen 't ook te zijn geweest, want 'n paar minuten later kwam moeder Rubrecht weer binnen, even maar, om blij-gejaagd te roepen: „Daar komen ze, daar komenze!” En meteen was ze weer weg om zelf open te doen.

De oude heer zette zich in postuur, werd nog rooder dan anders en hoestte herhaaldelijk. Wim knipte zich 'n paar stofjes van de jas, stond op, kuchte ook en was blijkbaar wat verlegen met zijn stijve figuur. Anna ging in de gang over de leuning van de trap staan kijken.

En ze kwamen. 't Moedertje kuste beiden met tranen in de oogen zoodra ze in huis waren. Vroolijk pratend kwamen ze de trap op, Anna tegemoet, die haar aanstaande schoonzuster op iedere wang een klapzoen gaf. Toen ze binnen kwamen zette vader Rubrecht zich geheel overeind, maar bij bleef bij zijn stoel staan en stak 'n hand uit. „Welkom hier,” zei hij, „welkom, welkom!” En Margreetje vatte de hand en drukte haar lippen even op 'n licht plekje van 't roode gezicht. Met stralende oogen ging de oude man weer zitten. En toenkwam ook Wim haar sterk blozend begroeten.

Een kind, een mooi kind, frisch-jong, hel-blond, stralend van dartele levenslust, van dol-vermetele vroolijkheid—zoo stond daar Wouters meisje in het huis van zijn moeder. Ze was heel mooi. Ze had een slanke figuur, zacht-ronde lippen, een gezond-veerkrachtige, fiere houding. Lachend haar ongemeen bekoorlijken, welluidenden lach liet ze zich kussen, mild met lieve blikken en warme woorden. Dadelijk was ze druk aan 't praten; zij had een innemende stem, soms licht geaffecteerd, maar 't was niet hinderlijk, 't was alleen maar een beetje coquet. De bloemen vond ze „beeldig,” 't mandje „dol elegant.” „Wat snoezig van je, Wouter,” zei ze, en opwippend op haar teenen—want ze was veel kleiner—lei ze even tegen hem aan haar mooie lijf en gaf 'm een zoen!

Wouters goedig, onbehaard gezichtglom van innig genoegen. Hij lachte kort, sprak weinig. Hij stond te wippen, keek nu eens vol trots naar zijn meisje, dan weer naar ieder van de anderen, hij trok gekke gezichten, bewegend zonder ophouden zijn wenkbrauwen en zijn mond. Er was stille triomf in zijn houding. Blijkbaar was hij blij met den indruk die zijn meisje maakte op zijn huisgenooten, blijkbaar was hij vol dolle vreugde, had hij 't wel uit willen gillen, maar hield hij zijn aandoening met veel kracht in bedwang. Hij leek op zijn moeder, wat vooral zoo sterk uitkwam doordat hij baard noch snor droeg. Toch had hij een echt mannelijk voorkomen, droog, streng, zeer gunstig, en in zijn oogen een schat van gulle goedhartigheid.

Ze stonden een poosje te praten en te lachen. Moeder Rubrecht dribbelde telkens de kamer uit en in en kwam eindelijk met een glanzend gezichtje vragen „of de kinderen kwamen koffiedrinken.” Toen trokken ze naar de achterkamer met glimlachende monden, de oude vader achteraan. Hij was wat slap in zijn knieën en hij wilde niet dat Margreet dat al dadelijk merken zou.

Er was een zonnige stemming aan de koffietafel; Margreet was het middelpunt, zij moest zonder ophouden haar mooi kopje draaien van rechts naar links om iedereen te woord te staan. Anna was blij dat haar elegante aanstaande schoonzuster zoo vriendelijk tegen haar was, zij keek dankbaar op naar Wim—die naast haar zat—, alsof die 't helpen kon. De moeder tuurde al maar naar dat meisje, dat mooie meisje, die een fee geleek, een fee uit een sprookje en die toch Wouters meisje was, zijn vrouw zou worden. Dat was ze dus, dat was ze dus! En ze keek naar haar met groote oplettendheid, ze nam dat mooie beeld in zich op, niet in ééns, maar minutieus, bekijkend de oogen,de neus, de lippen, de kin, als iemand, die een portret teekent. Margreet bloosde onder dien blik. En de moeder, die dat zag begon om toch door te kunnen kijken met veel nauwkeurigheid en in logische volgorde te vragen naar Margreet's familie, haar ooms en tantes, haar neven en nichten, van vaders zij en van moeders zij. Voor iederen nieuwen naam had ze 'n uitroepje van verwondering of medelijden en het meisje daardoor aangemoedigd vertelde druk pratend door. Wouter lachte er om en plaagde zijn moeder een beetje met die instructie, maar Anna verdedigde haar, zeggend dat zij vrouwen nu eenmaal wat nieuwsgierig waren, ze hadden ook niet zulke gewichtige dingen aan 't hoofd als de heeren. De oude man zei ook nu en dan een paar woorden, maar werd doorgaans niet verstaan. Margreet boog zich dan naar hem toe en vroeg heel vrindelijk wat hij gezegd had. Maar dan kwam er alleenmaar een grijns, die beduiden moest: Oolijkerd, je verstaat me best, je houdt je maar zoo.

Wim vroeg Wouter naar zijn zaken en Wouters gezicht betrok even, maar hij zei dat hij vandaag niet over zaken te spreken was. Zijn moeder hoorde dat, al luisterend naar Margreet en nam zich dadelijk voor, er 's middags haar broer naar te vragen, die kwam eten met zijn vrouw, ter eere van het feest.... Ook Margreet's vader en haar broer zouden komen.

Na de koffie gingen Wouter en Wim met hun meisjes wandelen; 't bleek dat Wim gedroomd had van een plan om met z'n vieren uit te gaan, maar Margreetje lachte hem, schijnbaar onwillekeurig, zoo hartelijk uit, dat hij verlegen werd en zijn Anna voorstelde dan ook maar dadelijk op weg te gaan, terwijl de anderen nog wat talmden in de voorkamer.

De oude heer bleef zijn pijp rooken en zijn krant lezen in een gemakkelijken matten stoel bij het linkerraam, achter, in de huiskamer, die uitzag op een binnenplaats, op een gekalkte blinde muur, vol vuilbruine regenstrepen. Toen zijn kinderen weg waren trok hij zijn jas uit.

Zijn vrouw was dadelijk druk in de weer met de meid, er kwamen immers menschen. Ze was erg gejaagd en toen alles klaar was te moe en te zenuwachtig om zelf wat te eten.

Oom Frits—Wouter's toekomstige compagnon—was een man van talent. Toen zijn vader bankroet ging en de tijding tot hem kwam in Parijs, waar hij studeerde aan 't conservatoire, had hij zich eerst volkomen overgegeven aan zijn droefheid; hij had zichzelf diep beklaagd en zich laten beklagen door zijn vrinden; hij had zijn lange haren vóór over zijn gezicht gehaald en voor zich uitgestaard met wanhoopsblikken. Maar toen hij dan eindelijk goed begon te begrijpen, dat 't nu uit was met zijn lekker-lui leventje—zoogenaamd voor de kunst—met languit liggen op sofa's en gedichten maken op mooie meisjes en gloeiende feesten, met droomerig neerzitten voor een half-af schilderstuk, zacht tokkelend op de snaren van een viool—want hij deed aan alles: muziekmaken, dichten, schilderen—toen was 't hem of hij voor 't eerst in zijn leven goed wakker was! Zijn innerlijk ik, die al die kunst heel aardig vond, maar toch 't meest behoefte had aan lekker eten en drinken en een zacht bed dreef hem voort—weg uit Parijs .... terug naar zijn geboortestad! En hij ging aan 't zoeken! Hij schreef op allerlei advertenties; hij liep zijn oude kennissen af, smeekend om hulp, want zijn innerlijk ik versmaadde weinig middelen!

Zoo was hij gekomen, als „aankomend bediende” op kantoor bij een graankooper, een eenvoudig man, dien hij zoo handig wist in te palmen door zijn slim gekozen woorden en zijn fijnbeschaafde manieren en ook door zijn leepheid in 't zaken doen, dat hij in korten tijd van „aankomend bediende” procuratiehouder werd, bij zijn patroon ontvangen, aan zijn dochter voorgesteld en .... twee jaar later de zaak van zijn schoonvader overnam. Hij had den altijd bezigen ouden man net zoolang aan het hoofd gemaald van „welverdiende rust” en „kalmen ouden dag” en zoo meer, tot hij zich teruggetrokken had op een vervelend buitentje. En toen werden 'n paar nieuwe bedienden aangesteld, de viool en 't penseel weer ter hand genomen en 't ontijdig afgebroken lekker-lui leventje voortgezet. Zijn schoonvader—die den slag niet had van 't rentenieren—ergerde zich dagelijks erger, en dat was heel gevaarlijk voor hem, want hij was eendik, volbloedig man. De gevolgen bleven dan ook niet uit .... een beroerte .... en Louise en haar Frits kregen de erfenis thuis. Nu werd de zaak aan kant gedaan, bij 't huis werd een stal gebouwd, in de opera werd een loge gehuurd. Er kwamen veel gasten, goede, welmeenende vrienden, bewonderaars van oom Frits' talenten.

Tot plotseling bleek dat de zaak toch wel wat al te vroeg aan kant gedaan was, dat er wel wat al te veel verteerd was, dat 't ook al te laat was om in te krimpen wat te veel was uitgezet.... Er kwam een nare tijd van gejaagdheid en zorg en roezemoes voor dien armen oom Frits. Maar de ramp dreigde en trof en bleef niet alleen. Alles werd verkocht, tot de viool toe, en tante Louise stierf. Kinderen waren er gelukkig niet. Zoo stond dan Frits van Plaswijk op een donkeren najaarsmorgen weer heel alleen, was hij weer even ver als twintig jaar geleden en had hij zich weer de oogen uit te wrijven om ten tweeden male te ontwaken.

Maar toen was zijn familie, vervuld van bewondering voor zijn talenten en ingenomenheid voor zijn sympathieke persoon, hem te hulp gekomen. Er was—'n idee van hem natuurlijk!—een stoomwasscherij opgericht onder zijn directeurschap. Ooms en tantes, neven en nichten namen aandeelen en zonden hun wasschen. De inrichting was kranig, vooral het kantoor van den directeur, waar niets ontbrak. Daar werden ook de bestuursvergaderingen gehouden die heel gezellig waren en altijd werden gevolgd door een fijn dinétje, voor rekening van de nieuwe maatschappij. Aan 't dessert werd dan warme hulde gebracht aan den genialen stichter van deze waschinrichting.

In 't begin ging alles goed, telkens sloten zich nieuwe familieleden en goede vrienden aan. Maar toen kwamer stremming, de neefjes en vrindjes waren op. En 't „groote publiek” bleek nog niet rijp voor Van Plaswijks ideeën. Hij besteedde een paar duizend gulden aan reclame, maar 't hielp niet veel. 't Was treurig—maar 't was eenmaal zoo! Men kon toch niet van hem eischen dat hij de menschen zou gaan vragen om hun vuil linnen?

Laat ons trachten, zoo dacht toen oom Frits, de inrichting tot nog grooter volkomenheid te brengen. En hij ging op reis naar Berlijn en naar Parijs om daar stoomwasscherijen te bestudeeren. Maar dat duurde niet lang. Een telegram van een der commissarissen deed hem hals over kop terugkeeren. Zijn boekhouder, die zijn volle vertrouwen bezat, was plotseling ook op reis gegaan om de stoomwasscherijen in Amerika te bestudeeren en hij had de kas meegenomen uit voorzorg. Later schreef hij nog een brief om hulde te brengen aan het inzicht van oomFrits, voor wiens ideeën hij Amerika volkomen rijp bevonden had.

Intusschen kon Van Plaswijk's grootsche stichting 't verlies van haar boekhouder en haar kas niet lijden. Men likwideerde, de familie berustte in 't verlies en had niets dan medelijden voor hem, den man van talent, slachtoffer van zijn genialiteit en te groot vertrouwen in een medemensch!

En voor de derde maal moest Frits van Plaswijk zich wakker schudden en al de gaven, die hem tot nog toe uit den brand geholpen hadden te zamen grijpen en goed uitkijken en scherp denken. Ditmaal hield hij zijn vrienden er buiten. Hij verkocht wat hij bezat en ging ergens in een achterafbuurt wonen, heel eenvoudig. Een tijdlang zag hem niemand. Toen hij zich weer vertoonde, was 't met hangend hoofd. Hij was nu ongelukkiger dan ooit, zuchtte hij, en zijn mooie donkere oogen keken dwalend rond.Hij was verliefd, en .... hopeloos! Zij was een lief, jong weeuwtje .... ze zou hem uitlachen .... wat had ze hem noodig!.... Ze trachtten hem moed in te spreken, maar hij schudde 't hoofd. Ze vreesden, dat hij zich van kant maken zou....

Maar daar kwam opeens de blijde tijding: hij was geëngageerd! Hij was de gelukkigste mensch van de heele wereld!.... Want zij was een engel, hij aanbad haar!.... En, o gelukkig toeval! zij was ver van onbemiddeld. Nu belette ook niets hem meer een plan te verwezenlijken, dat altijd tot zijn illusies behoord had, maar in den laatsten tijd tot rijpheid was gekomen in zijn geest. Een nieuwe onderneming, die zeker slagen zou! Juist iets voor hem,—als geknipt!—Men zou er algauw meer van hooren.

Hij trouwde en openbaarde den nieuwsgierigen familiekring zijn plannen. Een groote drukkerij en uitgeverszaak zou hij oprichten. Dat wasiets in den geest van den tijd. Immers door het meer en meer verbreide onderwijs groeide dagelijks het publiek voor wetenschap en litteraire kunst. 't Zou een schitterende onderneming worden. Wel had hij persoonlijk geen ondervinding van zulke zaken maar daarom zou hij zijn neef Wouter er bij halen, die er een piet in was. Hij zelf zou zich uitsluitend bezighouden met het hoogere hersenwerk, 't uitdenken van grootsche uitgeversplannen, 't confereeren met geleerden, schrijvers, illustrators, 't bijwonen van letterkundige congressen .... en wat dies meer zij.... De firma zou als eerste uitgaaf zijn eigen gedichten doen verschijnen op geschept papier.............................

En hij schreef aan Wouter dat zijn toekomst verzekerd was, als hij maar gauw overkwam. Want Wouter was toen in Londen. Hij zou beginnen als procuratiehouder, maar—wanneer alles goed ging—over een jaar lid van de firma worden. Wouter, die veel wist van zijn vak en er van hield, die anderhalf jaar in verschillende drukkerijen in Leipzig en Parijs gewerkt had en nu in Londen, waar hij zich gelukkig en thuis voelde—hij hield veel van Engelschen—Wouter had er eerst weinig zin in. 't Plan kwam hem te onbekookt voor en zijn ooms brieven deden hem onwillekeurig aan Holloway en Beecham denken. Maar de brieven bleven aandringen en alle bezwaren wegredeneeren—'t begon hem te duizelen—, zijn moeder ried 't hem ook aan—en ze schreef dat ze 't zoo heerlijk vinden zou haar lieveling weer voorgoed bij zich te hebben....

Zoo was hij dan toch gekomen en terstond daarop was een begin gemaakt met de toebereidselen, het inkoopen van machines, letters, het aanstellen van personeel. En alles ging uit een ruime beurs, zoodat 't Wouterwel moest bevallen.... En 't beviel hem dan ook .... zeker .... o, zeker!....

Een van Wouters eerste bezoeken na zijn terugkeer had den man gegolden die hem met de handgrepen van zijn vak vertrouwd gemaakt had, die hem, 'n jongen van zestien jaar, zóó van de lagere school, in de leer genomen had, den bekenden boekdrukker Smit. Een goedig-ruwe, luidruchtig vroolijke man, vol levenslust en werkkracht. Wouter had veel van hem gehouden, hij was een van de menschen geweest die invloed gehad hadden op zijn manier van denken en van doen, op zijn gansche optreden; hij zou hem nooit kunnen vergeten. En ook de drukker, die trotsch was op zijn vak, die er voor gloeide en 't er ver in gebracht had, hield van den leergragen jongen en was blij toen hij 'm weer zag. Vroolijk stakhij hem de groote roode hand toe. „Dat 's goed van je, dat je je ouwen baas éris op komt zoeken, hoor! .... dat 's goed! .... dat 's heel goed! .... kom 's gauw mee naar de zetterij .... kijk 's wat ik heb laten verbouwen!.... Mooi, hè?.... Ja, kijk maar 's goed rond, er is hier heel wat veranderd!.... Twee groote nieuwe persen zul je vinden in de drukkerij .... maar nou eerst mee naar boven, want je moet 'n borrel met me drinken.... En vertel nou 's, wat ga je nu doen hier?....” Zoo praatte hij door, druk, telkens hartelijk lachend tusschen zijn woorden. En dan bekeek hij Wouter weer van top tot teen. „Kerel, wat ben jij 'n mannetjesvent geworden! 'k Zou je toch herkend hebben! Waarachtig! Al had je er nog een sappeursbaard bij gehad!”

En hij de kamer uit en roepen aan de trap: „Komen jelie 's even hier, Margreet, Willem, waar zijn jelie?”

Want ze moesten ook zien wat 'nmannetjesvent Wouter Rubrecht geworden was. Eerst kwam Willem beneden, een echte sportjongen, vier jaar jonger dan Wouter, die hem ternauwernood herkende, die niet op hem gelet had vroeger, en wien hij nu ook vrijwel onverschillig was, want hij stond juist op 't punt om te gaan footballen. „Dag pa! .... bonjour meneer Rubrecht!....” En daarna Margreetje, die hem heel goed herkende en dat ook dadelijk zei met een lieven blos. Maar toen haar vader in zijn ruwe luidruchtigheid platweg vroeg: „Nou .... en .... wat zeg je van 'm .... is 't niet een knappe jongen geworden?” lachte ze maar 's en zei niets, maar bloosde nog sterker. Wouter herinnerde zich Margreet ook nog wel, maar vóór ze was binnengekomen had hij haar in zijn gedachten zóó voor zich gezien: een frisch kind van twaalf jaar met loshangende blonde haren en mooie groote kinderoogen, in een lichtblauwe katoenen jurk, stijf gestreken, met een hoog wit boezelaar er voor en twee tengere bloote armen slaphangend langs het slanke kinderlijf. Jurk en boezelaar tot op de weeke knieën en daar onderuit in helwitte kousen de stevige kuiten en dan de blinkende rijglaarzen in volle glorie!.... En inplaats van dat kind was een jonge vrouw binnengekomen—hij was even verbaasd—maar 't haar was nog even zachtblond en de oogen nog even mooi en groot en kinderlijk brutaal. Wouter werd verlegen en verward, was maar blij toen hij weer met zijn ouden baas in de drukkerij stond en naar de nieuwe machines keek en luisterde naar die vroolijke stem die hem in de ooren klonk als een oude lievelingsmelodie: „Ja, ja! jongen, werken maar, dan kom je er wel!.... Al dat geleuter van slechte tijden!.... Gekheid, hoor!.... Wat had ik toen ik begon, niets! niet dat wat op me hand ligt! ziedaar!” En hij blies op zijnvlakke hand bij wijze van illustratie.

Maar hoeveel lichter Wouter zich ook gevoeld had, toen hij de kamer uit was, waar Margreet hem tegemoet was gekomen met haar lieven lach en dien blos van herkenning, den anderen dag wou hij er wéér wel heen. Maar dat ging natuurlijk niet, hij wachtte behoorlijk een week. En meneer Smit was weer even blij en hartelijk; hij moest 's komen eten! Ook Margreetje scheen niet ontstemd door de haastige herhaling van zijn bezoek. En hij kwam eten, en nog 's, en dikwijls en werd erg verliefd. En hij vroeg haar. En zij zei: ja! En de vader was verrukt; er was geen enkel bezwaar! 't Ging alles heel gewoon!....

En Wouter hield van zijn Margreet zooals een eenvoudig man als hij houdt van de vrouw, die voor hem 't ideaal is en die hem liefde gegeven en trouw beloofd heeft. Zijn gevoel was niet bizonder gedistingeerd, niet gecompliceerd, niet exotisch, hij waser trouwens de man niet naar geweest zich daarvan rekenschap te geven. Hij was eenvoudig dol op haar, de gedachte aan zijn meisje vulde hem gansch en al met warme levensvreugde, met welwillende goedheid en trots; hij droomde zich geen ander geluk dan voor haar te werken, te zorgen, voor haar en met haar te leven, zijn heele leven, o, dat 't lang mocht zijn en zonder rampen!

En zij hield ook veel van hem—heel veel! Zij vond hem een knappen jongen en zoo goedhartig. En vooral dat hij zooveel gezien had van de wereld en zoo'n prettige man was om mee uit te gaan, dat beviel haar!.... En dat hij zoo'n mooie positie krijgen zou.... En zij vond 't heerlijk om geëngageerd te zijn, zij was de eerste van haar kransje; ze was pas achttien!

Een ongewone drukte dien Zondagmiddag in 't stille Rubrechtshuis. Tienmenschen om de ronde tafel in de achterkamer, waar anders de oude boekhouder en zijn vrouw met hun twee kinderen alleen zaten. Druk gepraat en gelach, waar anders zoo nu en dan maar 's wat werd verteld door Wouter of door Anna om de stilte te breken en 't middagmaal een beetje te rekken, dat 't niet zoo erg gauw afgeloopen was. Druk gepraat en gelach van Smit vooral, den stevigen boekdrukker, die rechts naast mevrouw Rubrecht zat en met zijn forsche figuur en zijn joviaal gezicht, rood en baardig, de tafel beheerschte, vroolijkheid uitstralend; van oom Frits ook, die, zittend aan de andere zij van zijn zuster, zich als den voornaamsten gast en als het meest gedistingeerde element van het gezelschap beschouwde, altijd even interessant met zijn bleek gezicht en zwarte haren, zijn ietwat lijdend type, zoo door-en-door sympathiek. Hij praatte veel, coquetteerend met zijn beschaafde uitspraak en met de weeke gebaren van zijn witte handen, waarheen een paar flonkerende diamanten de blikken trokken.

Zijn vrouw, een lief, blond schepseltje, soms innemend schuchter, soms zielig-onderworpen van houding zat rechts van den boekdrukker, naast haar Wouter en dan zijn meisje, die tusschen Wouter en zijn vader geplaatst was, zoodat de gastheer—zooals dat hoort—vlak over zijn vrouw was komen te zitten. Rechts had hij zijn gewaardeerden Wim, die trotsch scheen op zijn plaats en de kleine Anna naast hem door 't gewicht van zijn figuur als verpletterde. Tusschen haar en oom Frits troonde de sport belichaamd in den jongenheer Willem Smit, wiens basstem voortdurend met de woorden: fiets, trainen, racen, football en zoo meer jongleerde. En te midden van al die drukke menschen die haar vriendelijk prezen, haar en haar keukenmeid, om 't lekkere eten, zat moeder Rubrecht, vermoeid, soms weemoedig glimlachend, soms als verbijsterd, met dofdwalende oogen, een vreemd gewas, verdwaald in een burgermansbloembed met veel geel, oranje en hardpaars.

Over haar hoofd heen spraken Smit en oom Frits elkaar toe en waren 't in den regel niet eens. Nu beweerde de boekdrukker, die zijn gastheer iets aangenaams zeggen wou, dat je in zaken de administratieve koppen toch maar niet missen kon en won zich daarmee niet alleen het hart van den ouden Rubrecht, die zat te glimmen van louter genoegen, maar ook dat van Wim, die houterig boog over zijn soep en zei, dat in een zaak als die van meneer Smit technische kennis toch wel de eerste vereischte zijn zou, maar oom Frits merkte zeer bescheiden op dat boekhouden en dat soort van bekwaamheid altijd voor geld te koop was, maar talent, meneer! talent, ziedaar 't eenige noodige, endat was niet te koop! dat was aangeboren!.... Dan weer gaf Van Plaswijk zijn ergernis lucht over die menschen, die Wagner's muziek niet mooi vinden en toen Smit gullachend bekende tot „die menschen” te behooren—want dat hij er „geen laars” van begreep—pakte oom Frits die gelegenheid aan om een „verklaring” van die muziek te geven, een verklaring die bestond in een aaneenschakeling zonder samenhang van woorden en phrasen, die hij hier en daar gelezen had, en hij bracht zooveel kunsttermen te voorschijn dat 't den boekdrukker begon te duizelen. De goede dikkerd maakte er een eind aan door een luide en langdurige schaterbui, waarna Van Plaswijk, geërgerd en verward, over 't onderwerp zweeg en zich met den jongen Smit in de geheimen van het race-roeien begon te verdiepen. Moeder Rubrecht, 'n beetje ongerust door die luidruchtige woordenwisselingen keek angstig rechts en links zoodat Wouter medelijden met haar kreeg en haar bemoedigend toeknikte, waarvoor hij beloond werd met een blik zoo weemoedig-dankbaar, dat hij, in zijn hooge stemming, ontroerde. Tranen sprongen in zijn oogen en hij boog zich snel over zijn bord, dat zijn meisje 't niet zien zou. Maar Margreet, blozend van opgewonden vroolijkheid, zich zalig bewust van haar bekoring, stralend van trots op haar beteekenis aan die tafel, Margreet zag 't niet. Zij lachte juist helder op, om iets wat oom Frits zei; haar mooi welluidend lachen rees en daalde zonder trilling.

't Stilst was tante Amelie, 't jonge weeuwtje dat oom Frits tot den gelukkigsten man der wereld maakte. Zij antwoordde als ze werd aangesproken, met een enkel woord of een glimlach, en at heel weinig. Zij scheen wel weg te willen zinken in het geroes om haar heen.

Werd 't een oogenblik stil aan tafel, dan keken de mannen naar Wouteren zijn meisje en werden zij toegelachen en toegeknikt en geplaagd met hun verliefdheid, een geesteloos welmeenend, goedmoedig burgerlijk, vrindelijk kleinzielig geplaag met afgezaagde phrasen. Anna keek wat spijtig omdat zij niet meer geplaagd werd, zij fluisterde met Wim en gichelde om de aandacht te trekken, maar 't hielp niet.

Aan 't dessert werd getoost. Vader Rubrecht begon—zijn zwager had 'm al een paar maal gewenkt met een gebaar van meerderheid—vader Rubrecht begon kuchend en met een wijnrooden kop en zei, dat hij alleen maar even op de jongelui wou drinken, dat hij geloofde dat Margreet een lief meisje was en een lieve vrouw voor Wouter zou zijn. Hij hoopte maar dat zij, die 't zoo goed gewoon was, de eenvoudige levenswijs van de Rubrechts voor lief zou willen nemen. Hij was maar een pennelikker, zie je!—maar och, nietwaar, die menschen moeten er toch ook zijn—en hij en z'n vrouw, niet waar moeder?—hij en z'n vrouw .... úche, úche .... nou ja, enfin, hij dronk op de jongelui. „Daar gaan ze.”

Ze stonden allen op en klonken en Smit bleef staan en keek Wouter aan en zei: „Woutertje, jongen, dat hadt je toch niet gedacht toen je bij mij op de drukkerij kwam; weet je nog, dien eersten dag, toen ik je 'n lik om je ooren gaf omdat je die zetplank op m'n eksteroogen liet vallen.” En toen draaide hij zich naar den vader en begon over Wouter te praten, zijn leerling, die nu zijn schoonzoon zou worden, en hij zei, dat hij 'm niet pedant wou maken, maar dat hij wel vertrouwde dat er voor hem 'n toekomst was in 't vak, dat 'n mooi vak was, 'n nobel vak, al zei-ie 't zelf! Hij hoopte van harte dat 't 'm voor den wind gaan zou, dat zijn zaak zou bloeien, maar dat hij—en de stem van den zwarenman begon te trillen—dat hij hem, zijn ouden baas, nooit vergeten zou. Oom Frits scheen dezen toost als een compliment aan zijn adres te beschouwen, hij bedankte allerminzaamst en begon met zijn zachte sympathieke stem vlug te praten over zijn groote plannen, waarin Wouter zoo'n belangrijke rol spelen zou. Hij beweerde Wouter oprecht te bewonderen, zoowel om zijn smaak voor het schoone (met een minzaam glimlachend buiginkje naar Margreet, die bloosde) als om zijn bekwaamheden, waartoe meneer Smit zooveel had bijgedragen (met een licht knikje aan 't adres van den drukker). Hij geloofde dat Wouter zeker nooit 't groote vertrouwen beschamen zou, dat hij—oom Frits—in hem stelde. Daarvan hing ook voor een groot deel het welslagen af van hun onderneming, waaraan trouwens hij—oom Frits—niet twijfelde.

En Wim stond ook op en dronk opzijn aanstaande schoonouders en op den hechten band, die naar hij hoopte hun kinderen steeds .... en zoo meer, en zoo meer....

Eindelijk bedankte Wouter. Hij deed 't met groote inspanning; tranen vielen op de hand die zijn glas omknelde. Hij sprak verward van dank en vertrouwen en liefde .... en 't kostte hem zooveel moeite de woorden uit te brengen dat de anderen medelijden met hem kregen. Smit wenkte dat hij 't er bij laten zou. Oom Frits wierp er geestigheden tusschen door, Willem Smit proeste 't luid uit, Margreet had 'n beetje 't land en trok Wouter zachtjes aan zijn mouw. Maar hij wilde 't toch tot 'n eind brengen. Zijn moeder tuurde voor zich uit en hoorde 't niet, toen hij eindelijk ophield met spreken en ging zitten. Zij zat in gepeins met het hoofd naar voren, zacht weenend. Maar Smit stootte haar aan, en zei met zijn ruw-vroolijke stem, nog harder dan anders, om zijn aandoening te loochenen. „Kom, mevrouwtje, laten we 's klinken!” Toen schrok ze op, glimlachte en veegde haar tranen weg.


Back to IndexNext