VI.

Dadelijk toen ze 't gemerkt had, dat Wouter zoo dikwijls naar zijn ouden patroon ging, had moeder Rubrecht begrepen waarom. Maar toen 't voor 't eerst in haar opkwam: 't is om die dochter dat hij er heen gaat, was ze hevig geschrokken en een gevoel van woede was over haar gekomen en van vijandschap, jaloersche vijandschap tegen dat meisje.... Maar gauw was dat gevoel overgegaan in weemoedige smart, in melancholische onderwerping aan het noodlot. 't Moest immers komen, ze was er immers op voorbereid geweest zooveel jaren! Maar hard was 't, bitter hard! Ze was zoo blij geweest dat ze haar jongen weer bij zich had, voorgoed had ze evengedacht, en nu was 't al uit, alles uit!....

Maar plotseling had ze zich diep geschaamd over die egoïstische gedachten. En ze had ze verdrongen met al de kracht van haar liefde voor Wouter. Wat? hij ging zijn geluk tegemoet en zij zou treuren? Zij was wel in staat geweest tot die groote opoffering voor haar vader, van wien ze niet hield, en nu zou ze terugschrikken van een opoffering voor hem, haar afgod? Ze zou Wouter niet willen afstaan aan zijn geluk? Neen! haar liefde was sterk, zij zou 't hem bewijzen, zij zou hem afstaan, hem geven aan haar, .... die hem nu het liefste was (o! wreedschrijnende gedachte). Zij zou hem afstaan, haar lieveling, .... 't deed haar goed zich voor hem te kunnen opofferen.... zij zou hem afstaan aan, .... o, aan een engel natuurlijk .... aan een engel!....

Want anders!.... Maar, 'tmoesteen engel zijn, die Wouter lief had....

En Wouter had Margreet gevraagd en zijn moeder had haar gezien en ze was gekomen, dien Zondag.

't Was een groote dag, een moeilijke dag geweest voor moeder Rubrecht.

Dat was ze dus, dat was ze dus!

Zij trachtte zich de voorstelling weer voor den geest te brengen, die ze zich van Wouter's meisje gemaakt had, vóórdat ze haar gezien had, maar 't ging niet. Aldoor zag ze Margreets gezicht, aldoor hoorde ze haar lach. En dat gezicht herkende ze niet, en die lach vond geen echo in haar ziel. Toch, wat was ze mooi! wat was ze lief en vriendelijk! Ja, ja, ze was een engel! Maar was ze zooals zij zich vroeger Wouters vrouw had gedroomd? Ze wist 't niet! 't Verwarde haar, die gedachte. Ze wist 't niet! Want wat was ze, wie was ze? Waarom was ze zoo vroolijk, was dat geluk? Waarom lachte ze zóó, zóó, zoo helder, zoo zilver, was dat goedheid? Wie was ze, wat was ze? was ze gelukkig omdat zevan Wouter hield en hij van haar? Hield ze van hem? Genoeg? genoeg?

O ja, zeker hield ze van hem, want hoe zou Wouter anders zoo gelukkig zijn, hij zou 't toch wel voelen als 't niet zoo was. En hijwasgelukkig. Een schat van milde humaniteit straalde uit zijn oogen, warm en vol klonk zijn stem als hij liep te zingen door 't huis. Dikwijls was hij dol van uitgelaten vreugde. Hijwasgelukkig.

Toch soesde ze er aldoor over de nu volgende dagen en weken, terwijl het leven in het Rubrechtshuis weer zijn gewonen gang ging. Wouter was weinig thuis, 's avonds ging hij naar zijn meisje, meestal gingen ze samen uit,—'t was zomer! Soms kwamen ze ook even aan samen, soms kwam Margreet koffiedrinken of eten bij de Rubrechts. Dan was het 'r altijd een en al luidruchtige vroolijkheid; Wouter zette 't huis op stelten, ze stoeiden, ze juichten. Soms ook kwam Margreet alleen, 's middags tusschen tweeen vier, correct in 't visite-uur, elegant gekleed en met haar visiteboekje in de hand. Dan was mevrouw Rubrecht blij. Ze praatte met haar tot Margreet ongeduldig werd en korte antwoorden gevend telkens bewegingen van opstaan maakte. Maar Wouters moeder wilde dan niet, dat ze zoo gauw gaan zou. Ze wilde met haar praten, vertrouwelijk met haar worden, om te weten wie ze was. Maar 't lukte niet. Er scheen iets tusschen die twee te hangen, waardoor geen echte vertrouwelijkheid, geen wederzijdsche overgave mogelijk was. Moeder Rubrecht vroeg en vroeg en vertelde veel van Wouter maar niets van zichzelf. En Margreet was altijd lief en attent en behulpzaam, blijkbaar voortdurend er op uit, Wouter's moeder voor zich in te nemen door de bekoring van haar verschijning en van haar stem en lieve maniertjes, maar aan eenige ontboezeming had ze blijkbaar geen behoefte. Als ze wegging kuste ze 't kleine mevrouwtje, twee, drie maal en glimlachend drukte ze zacht de hand, die de hare vasthield om 't afscheid te rekken. En buiten keek ze nog eens op naar het raam en lachte en knikte. Dan zonk moeder Rubrecht weer soezend terug in haar leuningstoel en staarde voor zich uit, nu en dan diep zuchtend, en bleef soms wel een half uur zoo zitten, zoodat Anna, die er niets van begreep, 'n beetje kriegel vroeg: „Maar wat is er dan toch, maatje?” „Niets, kind, niets,” zei ze dan en stond schielijk op en liep de kamer uit of ze werkte door aan haar handwerk om een paar minuten later weer op te houden en weer soezend voor zich te staren. Dikwijls ook glimlachte ze dan plotseling. Dat was als ze dacht aan dingen, die Wouter gezegd had en waaruit zoo duidelijk spraken zijn goedheid en zijn geluk. Dan herhaalde ze die woorden voor Anna, met trotsche liefde warm sprekend over haar zoon, en Anna verdroot 'tdat 'r moeder bijna nooit over haar en Wim sprak.

Eens toen mevrouw Rubrecht met Margreet alleen zat te praten, legde ze plotseling haar hand op 'n arm van 't meisje—'n schichtige beweging, Margreet schrok even en rilde licht—en keek ze haar strak aan en zei zacht: „Zeg, ik moet je 's wat vragen, je houdt toch wel genoeg van Wouter? .... als hij 's ziek werd, erg ziek, zie je, .... hoe zou je 'm dan oppassen? Wat zou je kunnen doen voor hem?”

Margreet lachte even, zenuwachtig, „Maar, mevrouwtje, waar denkt u aan! Of ik van 'm hou—dat weet u toch wel! En hij wordt niet ziek! Daar zal ik wel voor zorgen, hoor!.... En als hij 's 't een of ander heeft, dan zal ik 'm wel troetelen en verwennen; hoor, mevrouwtje, wees u maar niet bezorgd....” „Ja, ja!” zei de moeder, „ja, ja, verzorg 'm dan goed hoor, want .... want, zie je.... als hij 's stierf in jou huis, als ik niet....”Zij kwam niet verder, ze fronsde de wenkbrauwen, strak starend voor zich uit en er was even een uitdrukking van woeste woede in haar gezicht. Margreet vond 't vreemd, ze voelde zich wat onbehagelijk, maar, als een kind dat zijn moeder ziet weenen, zonder dat 't weet waarom, streelde ze enkel zacht de magere handen, die in den schoot waren gevallen, en zoende ze 't grijsbleeke voorhoofd, en fluisterde een paar lief-sussende woordjes. En gauw ging ze weer weg, vroolijk lachend, als altijd.

Maar de moeder bleef zich zelf die eeuwige vraag herhalen: Houd ze van 'm? Genoeg? genoeg? En ze kon zich maar niet duidelijk rekenschap geven van wat ze eigenlijk dacht over haar, ze bleef er over soezen, 's morgens en 's middags en 's avonds vooral, als ze om de tafel zaten onder de brandende lamp, de oude Rubrecht, Anna, Wim en zij. Dan zwierven haar gedachten over haar verleden rond en ze dachtaan haar moeder, zooals ze daar gelegen had, toen 'r vader haar opgetild had, en toen zij voor 't eerst aan den tuin gedacht had .... en aan haar trouwen dacht ze, aan de geboorte van Wouter, aan haar vurig bidden voor zijn behoud en voor zijn geluk. En zij tobde over zijn toekomst....

De oude Rubrecht rookte zijn pijp en las zijn krant, of hij zat te praten met Wim en Anna haakte aan haar sprei.

Zoo ging de zomer voorbij en het najaar.

Nu kwam Wouter wel eens niet zoo vroolijk thuis, liep hij zwijgend de trap op en keek hij bedrukt als hij binnenkwam. Als zijn moeder dan vroeg wat er was, zei hij: „Och! zaken, moedertje, zaken, de drukke tijd komt nu aan, ziet u!” of: „Ja, ja, 't is een slechte tijd voor ons vak, de menschenkoopen geen boeken meer!” Maar den volgenden dag was hij altijd weer vroolijk en zong en lachte.

In 't eerst kwam Margreet ook Anna wel eens afhalen om te gaan wandelen en dan kwam Anna altijd vroolijk thuis en vol over Wouter's meisje. Maar dat kwam al minder en minder voor. 't Was dan ook najaar en 't was geen weer meer om te wandelen, zei de moeder, als Anna zich er over beklaagde. Maar ze zag ook wel, dat Anna dikwijls de kamer uitliep als Margreet er was en ze hoorde wel, dat ze koel en kort tegen haar sprak, zoodat moeder Rubrecht eens op een morgen aan Anna vroeg: „Zeg, heb je wat gehad met Margreetje?”

„Ik? Wel, nee, Ma, hoe komt u daaraan?”

„Waarom ben je dan zoo stroef tegen haar en loop je soms de kamer uit, als ze 'r is?”

„Och! zoo! .... ik weet niet!....”

„Wèl ja, .... wat is dat nou, An?—je weet 't natuurlijk heel goed, waarom wil je 't me niet zeggen?”

„Och, u kunt toch immers geen kwaad van Wouter z'n meisje hooren! Ik heb immers toch ongelijk!”

„Kwaad? Kwaad van Wouter z'n meisje? Wat dan? Wat is er dan? Ik wil, dat je 't me zegt.”

„Nou, goed dan! .... ziet u, Wim en ik vinden haar wel lief, maar niets hartelijk tegen ons. Tegen u en pa is ze eigenlijk ook niet hartelijk, wèl altijd heel lief, maar...., ik weet niet, niet gewoon, zooals iedereen, ze wordt dan toch uw dochter!.... Wim zegt, dat ze trotsch is, maar dat geloof ik niet, want waarop zou in 's hemelsnaam trotsch zijn? Omdat haar pa nou boekdrukker is? Is dat dan voornamer dan boekhouder?—Maar, ziet u, weet u, wat ik ook vind? Waarom verwent Wouter haar zoo? Alles wat ze hebben wil, dat krijgt ze. Altijd opschik! Een ring met een diamant, voor haar verjaardag een vreeselijkdure broche, nu weer pas dat gouden kettinkje, zóó maar 's, omdat ze 't zoo snoezig vond! En hij gaat met haar naar de komedie, soms twee, drie maal in de week, omdat ze er zoo vreeselijk veel van houd, zegt-ie; nou ja, wie zou daar niet van houden, maar waar moet Wouter dat allemaal van betalen? Hij is toch ook maar kantoorbediende net als Wim! En waarom vraagt ze niet vast wat in hun huishouden, daar heeft ze wat aan.... Al die opschik, als je al geëngageerd bent!....” Zoo ratelde Anna door, zich meer en meer opwindend, tot haar moeder, verbaasd, haar in de rede viel: „Maar kind, zoo spreek je nooit! Hoe kom je daar allemaal aan? Je weet toch wel, dat Wouter geen onverstandige dingen doet!.... Geloof dat maar gerust, hoor! Wouter weet wel wat hij doen en laten mag....”

„Maar Wim zegt....”

„Wim moest zich liever met zijn eigen zaken bemoeien!” zei moederRubrecht scherp, maar 't speet haar dadelijk en op Anna toekomend zei ze zacht: „Nou ja, An, je weet wel hoe 'k 't bedoel, hè? Maar heusch, Wim is een goeie jongen, maar over Wouter z'n zaken kan hij niet meepraten.... Je weet toch ook wel dat Wouter tegenwoordig een aandeel in de winst heeft?....”

„Nou ja, die winst! daar gelooft-ie zelf niet aan!”

„Wat?.... Daar heeft-ie mij nooit iets van gezegd!....”

„Niet?.... Nou, 't kan zijn, dat ik 't overdrijf!.... Enfin, spreekt u er hem dan ook maar niet over!.... 't Zijn ook eigenlijk mijn zaken niet!....” En Anna liep de kamer uit.

Moeder Rubrecht was erg geschrokken. Ze had een gevoel alsof haar beenen opzwollen, ze kon ze haast niet verzetten, ze moest gaan zitten. 't Bonsde in haar keel, haar lippen brandden. En in haar gilde een stem: Daar is het! daar heb je 't al! Denheelen dag was 't haar onmogelijk helder te denken. Ze was angstig, gejaagd, ze gaf verstrooide antwoorden. Wouter at dien dag bij zijn meisje, hij kwam laat thuis. Zijn moeder was al naar bed toen hij thuis kwam. Maar zij sliep niet. Zij hoorde hem de voordeur sluiten, de trap opkomen, naar zijn kamertje gaan. 't Was vlak boven haar kamer. Zij hoorde hem stommelen op zijn kamertje. Maar al gauw werd het stil, hoorde ze alleen 't geronk van den ouden man, die naast haar lag, achterover in zijn slaapmuts. Toen draaide ze zich om, duwde 't kleine gezichtje weg in 't kussen en ze bad weer.

Toen week de angst, ze werd kalmer, ze voelde zich wegzinken in doffen weemoed.

Eindelijk sliep ze in.

Den volgenden dag liep Wouter, die druk was geweest aan tafel, na heteten naar zijn kamer. Zijn moeder ging hem daar opzoeken. Hij liep heen en weer, zijn gezicht stond ernstig. „Wouter,” zei ze, toen ze de deur achter zich gesloten had, op gedempten toon, „gaat 't slecht in de zaken?”

Hij keek haar even aan, quasi-verwonderd, maar toen keek hij een anderen kant op. „Hoe komt u daaraan, moedertje, en waarom komt u me dat zoo geheimzinnig vragen?” zei hij met een heldere stem.

„Ik weet niet, hoe 'k er aan kom, jongen,” zei ze,—want Anna had haar gevraagd vooral niet te vertellen, wat zij gezegd had—„maar ik maak me soms zoo ongerust!”

„Maar daar is geen reden voor!” zei hij, haar aldoor niet aankijkend, „ben ik dan niet opgewekt .... niet vroolijk? .... doe ik dan als iemand wiens zaken beroerd gaan?....”

„Nee .... nee! .... maar, zeg, Wouter, zeg 't me nu maar .... Zou je denken, dat 't niet ging op den duur?”

„Och, wel jà .... wel jà!....”

„Waarom kijk je me niet aan?”

Toen keek Wouter haar plotseling strak aan en ze zag, dat zijn gezicht bleek was en heel ernstig. Hij kwam naar haar toe en lei zijn handen op haar schouders, wat haar goed deed, wat ze voelde als een bescherming, als een zegen. „Moeder,” zei hij, en zijn stem trilde nu even, „er is heel veel in onze zaak, wat ik anders wenschen zou, maar ik ben jong, ik kan 'n boel doen, ik zal er wel komen!.... Maar vraag er me nu niet zoo dikwijls meer na', want dat benauwt me zoo! Heusch, vraag me er nu niet meer na'!....”

„Maar .... wat?....”

„Sst! stil nu, moedertje, ik kan u dat toch onmogelijk allemaal uitleggen. Laten we nu maar samen naar beneden gaan en een kopje thee drinken, hè? Want ik moet weg, ik ga van avond met Greet naar de komedie....”

En hij troonde haar mee en sprak over 't stuk, dat ze zouden geven dien avond; hij was vroolijk, hij plaagde Anna met haar nieuwe kapsel en sjouwde zijn moeder in haar stoel van het raam naar de tafel en maakte zijn vader, die, achter, zijn middagdutje genoot, bijna wakker door zijn luidruchtigheid. Maar toen hij 'n kop thee had gehad, zoende hij zijn moeder hartelijk op beide wangen en liep vlug weg.

Dat gesprek had moeder Rubrecht wat gerust gesteld en zij nam zich voor, Wouter voorloopig niet meer te vragen naar zijn zaken. Hij was toch ook immers zoo'n degelijke, verstandige vent, hij zou wel doen wat 't beste was, altijd! Maar zij lette scherp op alles wat hij deed thuis en keek hem altijd aan als hij sprak en lachte, en ontdekte zoo langzamerhand, dat hij eigenlijk nooit meer kalm-vergenoegd, bedaard-vroolijk was, als vroeger, maar altijd opgewonden, onrustig,gejaagd soms. Hij kreeg ook iets nonchalants, iets oppervlakkigs in zijn manier van doen en van vertellen, 't was of hij er nooit heelemaal bij was. Dat verontrustte zijn moeder weer en bracht haar weer meer aan 't soezen over zijn zaken en over zijn meisje. En zij lette ook scherp op haar, maar Margreet was altijd dezelfde.

Ook de winter ging voorbij en 't was op een guren middag in Maart dat mevrouw Rubrecht een briefje uit de bus haalde met Wouter's adres er op. Dat gebeurde heel zelden; Wouter had weinig vrinden door zijn lang verblijf buiten 't land, door zijn engagement zoo kort na zijn terugkomst. 't Was een briefje van een mannehand, geadresseerd: „den heer Wouter Rubrecht ZijnEdele in handen,” een glanzend-witte, vierkante enveloppe,van dat gladde stijve papier, en 't was niet goed dichtgeplakt geweest, want toen zij 't heen en weer schoof in haar handen, gissend naar den afzender, ging 't krakend open. Ze schrok er even van. Nu zou Wouter denken dat 't open gemaakt was! Kom! zij zou 't immers zelf weer dicht plakken! Maar .... nu 't toch eenmaal open was....; zou er een geheim in kunnen staan voor zijn moeder? .... zou er misschien wat in staan....

Zij gaf zich niet helder rekenschap van wat ze meende dat er in zou kunnen staan, maar voor ze 'r verder over nadacht had ze 't briefje uit de enveloppe gehaald en begon ze te lezen. 't Was van een ouden schoolkameraad van Wouter, dien hij later ook nog dikwijls gezien had, Willem Veegens. Hij vroeg geld terug, dat hij Wouter had geleend, vijftig gulden; hij had ze noodig, schreef hij, anders zou hij er niet om vragen. Toen de moeder 't briefje gelezen had,vouwde ze 't schielijk weer toe; ze schrok toen 't even kraakte tusschen haar vingers, ze keek rond of niemand haar bespiedde, ze werd bang. Maar 't kon immers niet, Rubrecht en Wouter waren naar kantoor, Anna uit om boodschappen en de meid hoorde ze in de keuken. Haastig stopte ze 't briefje in de envelop en bracht die aan den mond. Ze sneed zich in de tong met het scherpe papier. Toen sloot ze den brief en liep op haar teenen naar boven, waar ze den brief op den schoorsteen lei, op de gewone plaats.

Angstig verlangde ze naar Wouter's thuiskomst, 't duurde lang. Eindelijk, daar kwam hij de trap op. „Er ligt een brief voor je, Wouter,” zei ze, langzaam, om bedaard te blijven, maar ze voelde dat ze bloosde; ze boog zich diep over haar werkdoos als om een naald te zoeken. Gelukkig was 't in de schemering, 't licht nog niet op. „Aha!” zei Wouter, „dank u.” En hij liep met den brief naar 't raam, waarhij ging staan lezen, de rug naar haar toegekeerd. Zij hoorde 't papier weer kraken, zij was beklemd, angstig. Vergeefs redeneerde ze tot zichzelf, dat 't immers niets was. Wouter zou dat geld voor korten tijd hebben geleend op een oogenblik dat hij er om verlegen was, hij zou 't terug geven en daarmee uit! Zij zag dat hij den brief in zijn zak stak en nog even staan bleef, in gedachten. Hij streek eenige malen met zijn hand door zijn haar; toen draaide hij zich plotseling om: „Moedertje,” zei hij, „'t zal u wel verwonderen, dat ik 't u vraag, maar .... kunt u me ook wat geld leenen?”

Zij schrok hevig, zij beefde, zij moest zich fel in 't gebit bijten om niet te klappertanden. Ze kon niet dadelijk antwoorden. „U verstaat me toch wel, moeder,” zei hij, dichter naar haar toekomend.

„Ja, ja! .... je wat geld leenen .... ja, zeker, Wouter, als je 't noodig hebt....”

„Ja! .... niet voor lang, ziet u, 't is maar om een paar kleine rekeningetjes te betalen, .... bij me kleermaker .... en .... en bij .... bij me barbier, .... ziet u, de volgende maand krijgt u 't terug natuurlijk...., 'n vijftig gulden bijvoorbeeld.”

Hij liegt, hij wil 't me niet zeggen, suisde 't door haar hoofd.

„O, dat hoeft anders niet, Wouter .... maar vijftig gulden, dat is nogal veel!.... Maar ik kan 't je toch wel geven .... uit mijn spaarduiten, zie je! .... wacht! ik zal 't even halen!”

„O, wel nee, moesje, 't heeft geen haast!”

„Jawèl, nu is 't maar 't beste, dan merkt niemand er iets van....” En ze ging de kamer uit. Ze ging naar haar slaapkamer, waar de oude schrijftafel stond, 't eenige stuk uit het huis van haar vader, dat ze had mogen houden—'t oude ding was toch niets waard!—daar, in een van de laadjes, lag 't geld dat ze af en toe had gekregen, alsRubrecht een extratje had gehad van den patroon. Ze had 't nooit gebruikt, waarom ook? Ze had voor zich zelf geene bizondere behoeften, ze had 't altijd maar opzij gelegd voor een cadeau als de kinderen trouwden. Vijftig gulden nam ze er af. Er bleef nog zoowat evenveel liggen.

Haastig liep ze er mee terug en gaf 't geld aan Wouter. „Hier heb je ze,” zei ze „stuur ze nu maar gauw aan Willem.”

Wouter schrok, hij bloosde sterk.

„Aan Willem, moeder? hoe weet u dat....” zei hij zacht, „u hebt toch niet....”

„Ja, ja! .... jawèl! .... ik heb dat briefje opengemaakt .... ik weet wel, ik had 't niet moeten doen .... dan wist ik nu niet .... dan dacht ik nu dat 't voor je kleermaker en voor je barbier was....” Ze zonk in één op haar stoel en begon te snikken. Wouter knielde bij haar neer, hij streelde het zachte donkerblonde haar en dewitte handen die in haar schoot lagen, terwijl ze snikkend voor zich keek. „Moedertje, moedertje,” zei hij, „huil nu niet zoo .... en wees niet hard tegen me .... toe, moedertje.”

Maar 't hielp niet, ze keek hem niet aan, ze staarde zoo diep treurig voor zich uit! Toen zei hij niets meer, maar lei zijn hoofd op haar knie en snikte ook.

„O Wouter,” fluisterde ze toen, „Waarom vertel je me niet meer alles...., zooals vroeger altijd!.... Ik ben toch nooit hard tegen je geweest, ben ik wel?.... Waarom heb je me niet gezegd, dat je geldgebrek hadt...., dat je zaken slecht gaan....?”

„Omdat u je dat zoo zoudt aangetrokken hebben, moedertje....”

„Maar, mijn arme jongen,” zei ze, een hand op zijn hoofd leggend, „ik merk 't immers toch!.... Heb je veel schuld?”

„Nee...., niet veel! .... nog zoowat een honderd gulden, maar ik zal 't heusch allemaal wel inhalen!....”

„En van wien heb je dat alles dan geleend?”

„Van Willem .... en van oom .... en ook wat van .... van Greetje.”

„Van haar? Leent ze je geld? Vraagt ze dan niet waar of dat voor is?”

„Och, ze weet 't wel!...., maar ik zal 't immers allemaal wel inhalen, als de zaken maar wat beter gaan, als er maar .... als.... Och! moeder, laat me maar tobben! u kunt er toch niets aandoen...., 't zal wel weer terecht komen .... heusch!” Daar hoorde ze schellen en de meid naar beneden gaan om open te doen.

„Daar is Anna,” zei toen de moeder, haar tranen wegvegend, vlug, gejaagd, „we kunnen nu niet meer praten, Wouter, 't geeft ook niet .... maar beloof me één ding. (Ze stonden beiden op, zij keek hem vast in de oogen). Vraag jezelf nog 's goed af, nog 's heel goed, zie je, of Margreet wel een goeie vrouw voor je wezen zal....”

„Maar moeder, hoe kunt u zoo ietszeggen!” viel hij driftig in. Maar Anna kwam binnen en groette en bleef in de kamer en dus waren ze weer beiden alleen met hun verdriet.

Den anderen morgen voor hij wegging riep Wouter zijn moeder nog even apart en zei: „Wat ik u bidden mag, moesje, geen woord aan Margreet over wat we gisteren .... bespraken. Belooft u me dat?”

„Als jij me dan belooft....”

„Ja, ja! .... ik weet wel wat u zeggen wilt, goed, goed!” En hij drukte haar zenuwachtig de hand en was weg.

En de moeder tobde en tobde en tobde....

Weer ging een maand voorbij.

De firma Van Plaswijk en Co. opende 's morgens om negen uur haar kantoor,maar in de laatste weken was Wouter er niet op tijd geweest.

Hij had zoo'n moeite met opstaan, hij was zoo moe en loom 's morgens, zei hij. 't Werd tien uur, half elf soms, voor hij wegging. Zijn moeder riep hem, na half negen om 't kwartier, maar in den regel hielp 't niet.

En iederen middag hoorde zij, die wachtte, verlangend, hem thuis komen, en de trap oploopen, zwaar en zwijgend. Zoodra hij de kamer binnenkwam en haar zag zitten, trok hij wel een vroolijk gezicht en deed blijkbaar zijn best heel opgewekt te schijnen, maar er was altijd iets schichtigs, iets gejaagds in zijn bewegingen, hij schrok dikwijls en van een treurig bericht, waar Anna mee thuis kwam, of dat zijn vader voorlas uit de krant, of als hij zelfs eens wat vertelde, al was 't een mop, waar de anderen om lachten, kreeg hij tranen in de oogen.

Eens herinnerde zijn moeder zich plotseling precies hoe hij er een jaargeleden uit gezien had; zij zag hem voor zich zooals hij haar was komen vertellen dat Margreet hem hebben wou, en toen ze hem daarop aankeek schrok ze er van, zooveel ouder was hij geworden.

Hij zei altijd dat hij goed geslapen had, als zijn moeder hem er naar vroeg, 's morgens aan 't ontbijt, maar ééns, toen 't weer 's heel laat was (zijn vader was al lang weg) en zij 't weer vroeg, heel ernstig, en hem er scherp bij aankijkend, antwoordde hij met een geluid van bitteren wrevel in zijn stem, met iets baloorigs in zijn gezicht: „Nee, eigenlijk beroerd slecht, ik heb weer tot vier uur wakker gelegen!”

„Tot vier uur wakker gelegen? weer? .... gebeurt dat dan dikwijls?” vroeg ze verschrikt.

Maar hij had zich al hersteld. „Dikwijls? wel nee, moedertje, gelukkig niet! In den regel slaap ik als een roos, te vast zelfs.” En hij dronkhaastig zijn kop thee uit en ging weg.

Na dien morgen sliep ook de moeder slecht. In bed dacht ze aan hem, die daar boven lag, en ze luisterde met ingehouden adem. Soms verbeeldde ze zich, dat ze wat hoorde, en dan liet ze zich zachtjes uit bed glijden en luisterde aan de open deur van haar kamer. Maar 't was altijd dan weer stil gebleven.

Tobbend leefde ze door.

Op een middag—ze zat te naaien voor 't raam in de achterkamer—kwam plotseling Frits van Plaswijk binnen.

Vreemd! Hij kwam anders nooit in de week, hij had 't te druk zei hij altijd. Hij kwam alleen nu en dan 's Zondags met zijn vrouw. Dan deed hij deftig, voornaam, en sprak over koetjes en kalfjes en lachte witjes en ging gauw weer weg.

Nu was hij ook—als 's Zondags—keurig gekleed, correct in zijn spannende handschoenen; zijn laarzen en zijn hooge boord glommen. Maar hij was wat rooder dan anders en hij sprak vlugger, hij scheen wat opgewonden.

„'t Bevreemdt je zeker, Marie,” zei hij, na een lichten handdruk, „dat ik je zoo midden in de week kom overvallen, maar ik wou je 's alleen spreken, ik ben je 'n raad schuldig.”

Zij keek hem aan zonder antwoord, met open mond, met angst verlangend naar zijn woorden.

„Ik ben je 'n raad schuldig,” herhaalde hij, langzamer en streek met zijn hand langs zijn geschoren kin.

„God! wat is er, Frits,” vroeg ze toen.

„Niets! .... niets! .... zusje, schrik maar zoo niet .... zóó erg is 't niet .... maar, zie je, ik weet, je adoreert je zoon, en dat vind ik heel mooi ....heel mooi .... maar ik dacht zoo, zie je, .... als je 't werkelijk goed met hem meent, dan moet je 'm nu toch 's goed onderhanden nemen!.... Zie je, ik zou 't ook wel kunnen doen! maar, och, wat zal ik je zeggen!—wij schijnen elkaar nu eenmaal niet heel goed te verstaan, Wouter en ik, .... hij kan van mij niets hooren .... en van jou wel, dat weet ik....”

„Maar wat is er dan? Wat moet ik hem zeggen?”

Zijn blik, die tot nog toe van haar afgewend was, trof nu den haren.

„Weet je van niets?” vroeg hij, 'n beetje ongeloovig, met een lachje van spot en meelij.

„Maar wat is er dan? .... wat moet ik weten?”

„Wèl!...., dat Wouter leelijk in de schuld zit!”

Haar gezicht helderde op. „Is 't zoo erg?” vroeg ze.

„Ik geloof, dat 't nog al heel erg is,” zei hij, „altijd voor zijn doen, vat je.”

„Krijg jij ook geld van 'm,” vroeg ze.

„Nou, dat 's maar een kleinigheid,” zei hij, „'n vijftig gulden!.... Maar zie je, .... weet je wie z'n schuld of 't is, dat Wouter er zoo inzit?.... Niet?.... Heb je daar heelemaal geen idee van?.... Nou, ik dan wel!”

„Wie bedoel je? Margreet toch niet?”

„Wel, natuurlijk wèl.... Ze deugt niet voor 'm!”

„Nu overdrijf je toch wel wat, Frits,” zei ze, zenuwachtig grabbelend in het goed van de japon die ze aan 't verstellen was.... Hij haalde zijn schouders op. „'t Kan zijn,” zei hij, „maar wat ik dan maar zeggen wou is dit: in jou plaats zou ik hem 's goed onderhanden nemen.... De jongen loopt anders in zijn verderf,—je begrijpt: onze zaak is jong,veelwordt er nog niet verdiend .... en zijn salaris is .... enfin! .... niet hoog! .... maar 't is zooveel als over 't algemeen in 't vak betaald wordt voor 'n eerste-bediende. Zijn werk, moet je denken,—tot nog toe ten minste—is .... bediendewerk! .... de hoofdzaken rusten op mij! .... hij voert maar uit wat ik beplan, .... wat ik bedenk,” herhaalde hij langzaam met 'n gewichtig gezicht,—„en deed hij dat nog maar altijd goed! .... maar weet je wel, dat als hij jou zoon niet was, dat ik hem dan niet zou willen houden! Hij komt 's morgens om elf uur .... hij werkt loom, laks,—vadsig zou ik haast zeggen .... zonder lust! .... 't is of hij al zijn energie uitgeput heeft in de eerste maanden, .... hij is eigenlijk net als alle andere bedienden; in de eerste maanden zetten ze hun beste beentje voor, maar daarna .... och, maar, geloof me, 't is allemaal dat meisje van 'm!....”

„Maar hij houd toch zoo innig veel van haar, en ze is ook zoo lief .... zoo goedhartig...., zoo....”

Oom Frits floot even zacht voor zich uit. „Daar niet van!” riep hij toenuit, „ze is charmant .... allercharmantst! .... alsikhaar had ontmoet in me jonge jaren! .... maar ze deugt niet voor hem en hij niet voor haar! .... hij is een administratieve kop, net als z'n vader!”

„Ik heb altijd gevonden, dat hij meer van mij heeft,” zei ze, met innige teleurstelling in haar stem.

„Gekheid! .... hij is 'n boekhouder! .... 'n echte boekhouder! .... hij moet 'n dooood-een-voudig, 'n simpel burgerlijk meiske trouwen,—als hij absoluut trouwen wil ten minste!—en Margreet moet zien, dat ze 'n knappen rijken kerel krijgt, en dat zal haar wel lukken ook!”

Zij staarde voor zich in smartelijk gepeins en zei niets.

Hij floot weer zachtjes tusschen zijn tanden.

Eindelijk begon ze weer: „Hij zal haar nooit opgeven, hij houdt zoo dol, zoo dol veel van haar!....”

Hij haalde even zijn schouders op en floot door.

„En zij van hem! .... dat kan niet anders!” zei ze weer, met een zacht-weemoedigen glimlach.

Frits lachte even, spotachtig, en weer opschokkend zijn schouders.

„Geloof je 'tniet,” vroeg ze, angstig, „geloof jij 'tniet, dat ze genoeg van 'm houdt?”

„Ik weet 't niet,” zei hij, ongeduldig, „ik weet 't niet, maar (en hij stond op en nam zijn hoed) .... zooals gezegd, zusjelief, .... hij zal moeten kiezen tusschen mij en haar...., ik kan geen procuratiehouder hebben, die zich in de schuld steekt, dat 's te gevaarlijk!”

„Te gevaarlijk? .... zou je dan denken?....” begon ze met drift.

„Ik zou niets denken! .... zeur toch zoo niet! .... jelie vrouwen hebt geen begrip van geld, heelemaal niet! .... nu, adieu, ik moet weg, .... ik moet 'n auteur gaan opzoeken! .... adieu!....” En hij reikte haar weer de toppen van zijn gehandschoende vingers en ging heen.

En weer ging mevrouw Rubrecht na het eten haar zoon opzoeken op zijn kamer. Hij stond zijn hoed op te schuieren, hij ging weer uit met Margreet. En zij vertelde hem, zenuwachtig, moeilijk sprekend, alles wat oom Frits gezegd had. Ze vertelde 't hem in afgebroken zinnen, met opzet krasse uitdrukkingen verzachtend en toch telkens angstig naar hem opkijkend. Weer stond hij van haar afgewend te luisteren en toen ze alles gezegd had draaide hij zich langzaam om. Hij zag bleek en beet op zijn onderlip.

„Zoo!....,” zei hij, quasi-bedaard, met een schorre doffe stem, „zoo! heeft hij dat allemaal gezegd? .... wel zoo! deugt ze niet voor me?....” En toen, losbarstend in dolle woede, slaande met zijn beenige kneukels op de tafel, schreeuwde hij: „Zoo'n ploert, zoo'n ellendige ploert! Dat wil hij dus ook nog!.... Werken moet ik, zorgen en zwoegen, dat hij luibakken kan, den godganschelijken dag, lanterfanten enkletspraatjes maken—maar dat is niet genoeg! nee! dat meisje moet ook weg, dat ik nog meer tijd kan geven aan zijn zaak, dat ik heelemaal, heelemaal zal leven voor zijn belangen alleen,—die verregaande egoïst!—hij stinkt van egoïsme, die vent!—hij houdt van niemand dan van zichzelf, hij trapt, hij mishandelt ons allemaal, zijn vrouw, mij, zijn andere ondergeschikten! Compagnon zou hij me maken! Jawèl! 'n Aandeel in de winst die niet bestaat, die nooit bestaan zal, zoolang hij zijn zotte plannen zal willen uitvoeren—laten uitvoeren bedoel ik!—maar ik doe 't ook niet langer! .... ik kan me brood nog wel op 'n andere manier verdienen!—ik doe 't niet langer, zeg ik, ik doe 't niet! .... zoo'n ploert, zoo'n misselijke beroerde ploert!”

Hevig geschrokken, lijkbleek, klappertandend was zijn moeder neergezegen op den stoel. Zoo was Wouter nog nooit geweest! O God, o God, watmoest ze nu beginnen, o God, o God!

„Wouter!” zei ze herhaaldelijk, „Wouter!” maar hij hoorde 't niet.

„'k Ga er van daan,” schreeuwde hij, op en neer loopend door zijn kamer, „'k ga weg, morgen nog!—dat zal 'm opfrisschen, dan zal je 'm eens zien kijken!—kan me ook wat schelen!—hij kan naar den bliksem loopen!—Margreet! Natuurlijk! Margreet deugt niet voor me!—omdat ze levenslustig is, omdat ze graag mooie dingen heeft, omdat dat wat geld kost!.... 'k Verdien 't toch! 'k Werk er toch voor! Den heelen dag, .... en nacht!”

„En nacht?” herhaalde zij, dof.

Hij keek haar even aan. „Nou ja, moeder,” zei hij zachter, met tranen in zijn stem, „ik had 't u nooit willen zeggen, omdat ik weet hoe naar u 't vinden zult .... maar, ja! ik heb veel nachten hier op mijn kamertje zitten werken.... U hebt 't nooit gemerkt! ....ik trok mijn schoenen uit en deed alles heel zachtjes.”

Medelijden met zich zelf overmande hem. Hij viel neer op 'n stoel en barstte in snikken uit.

Zijn moeder ging naar hem toe.

Op dat oogenblik werd er geklopt. Toen ging ze eerst naar de deur, deed die half open en vroeg naar buiten: „Wel?” 't Was Anna: „Ma, wat is er toch? Pa is er wakker van geworden en vraagt wat er is....” en toen zachter: „Wat is er, maatje, heeft-ie wat met Margreet gehad.”

„Nee! .... nee! .... stil!.... Ga maar naar beneden, An, en houd je kalm en zeg aan pa ook dat er niets is.—Wouter heeft wat met oom gehad, .... maar 't komt allemaal weer terecht.”

„Nee! .... 't komt niet terecht .... 'k ga er vandaan!” gilde Wouter, opnieuw woedend, doordat hij niet spreken kon door zijn snikken.

„Wouter!” zei zijn moeder met wanhoop in haar stem.

Anna ging. De moeder sloot de deur weer en kwam naar hem toe. Hij snikte voorovergebogen, met zijn arm op de leuning van zijn stoel en zijn hoofd op zijn arm. Zij streelde hem alleen maar zacht over zijn hoofd, en zei: „Arme jongen, arme, arme jongen'” En toen hij opkeek gaf ze 'm een zoen op zijn voorhoofd.

Nu niet boos meer, verteederd, begon hij weer: „Margreet opgeven! mijn lief, lief meisje! mijn alles!.... Nou ja, ik weet wel, ze denkt niet verstandig over geldzaken, ze vraagt te veel, .... maar ze is ook zoo innig levenslustig, zoo echt vroolijk, ze geniet zoo graag! .... ze is toch ook nog zoo jong! .... ik weet ook wel, ik ben zwak, ellendig zwak soms, ik geef te veel uit .... ik kan haar niets weigeren .... ik kan 't niet! .... ik kan 't niet!....” En hij snikte weer, zijn hoofd op zijn arm.

„Maar Wouter, mijn goeie Wouter, dat moet toch,” zei ze, hem aldoorstreelend over zijn haar, „dat moet ze toch begrijpen, .... ze houdt immers zooveel van je, .... als je haar nu zegt dat je 't niet betalenkunt, nietkunt.... dan zal ze toch niet eischen....”

„Haar zeggen!.... Och, moeder, u kent 'r niet!....”

O, hoe goed wist ze dat zelf, de arme moeder! Ze kende Margreet niet, ze wist niet wie ze was, ze begreep niets van dien grooten levenslust, dat grage genieten.

„Maar 't moet toch,” zei ze weer, wanhopig, „'t moet toch....”

„Ja,” snikte hij, „'t moet ook wel! .... 't is waar! .... maar .... o God! o God! .... o, moedertje, u weet niet wat 'n zorg of 't me kost .... o God! o God!”

„Zal ik met haar spreken,” opperde ze, weifelend.

„Nee, moeder!” zei hij, inééns flinker en zijn behuild gezicht afdrogend.... „Nee! nee! .... 'k zal 't zelfwel doen! .... 't moet!.... Maar .... hoe laat is 't? .... half acht al? .... ik zou haar gaan halen; we moeten op visite!”

„Schrijf 't af,” zei ze, „zeg dat je plotseling verhinderd bent, schrijf haar ook 'n briefje!”

„Nee! .... nee! .... dat gaat niet! .... 'k zal me 'n beetje wasschen, zie ik er erg uit? .... ja zeker?.... Gaat u nou maar naar beneden, moeder, kalmeert u nou de menschen beneden maar vast wat, .... ik .... ik ga dan maar ongemerkt uit!....”

En zwijgend ging ze, gebukt onder haar verdriet, beklemd door afmattenden angst. Een kwartier later hoorde ze de voordeur dicht slaan. Ze schrok er van; de anderen keken haar aan en zwegen.

Later op den avond zei de vader tusschen twee trekken aan zijn pijp: „Als 't Wouter niet bevalt bij Frits, dan moet-ie maar wat anders zoeken, .... 'n jongen als hij komt overalterecht! .... er zijn kantoren genoeg!.... De goede bedienden zijn toch tegenwoordig niet opgeschept!....”

Hij kreeg geen antwoord.

En hij rookte zijn pijp maar weer door—zijn pijp, zijn eenigen kameraad!—en soesde over de krant, en zag veel woorden, die hij niet begreep, .... onafhankelijkheid .... eerzucht .... hartstocht....

Dien avond vond Margreet Wouter stil,—maar dat was hij wel meer in gezelschap! Hij bracht haar naar huis, pratend over onverschillige dingen. 't Was niet ver, en 't was laat geworden. Hij was blij dat hij goede reden had dat andere tot morgen uit te stellen.

Den volgenden morgen, toen hij op kantoor kwam, vroeg Wouter zijn oom, of hij 'm een oogenblik alleen kon spreken en toen ze samen waren begon hij dadelijk met nagebootste bedaardheid over dat bezoek aan zijn moeder. Hij zag het spotachtig glimlachend gezicht van zijn oom en al gauw voelde hij, dat, zijn woede hem te machtig werd. Hij voelde zijn hoofd vol bloed, zijn oogen deden hem zeer.

„'t Is 'n laag idee van u,” zei hij, zijn stem met groote inspanning smorend, „den invloed van mijn moeder te willen gebruiken om mij van mijn meisje af te brengen! 't Is lage zelfzucht, niets anders!.... Nee, laat me uitspreken,” riep hij uit, met 'n driftig gebiedend gebaar, ziende dat zijn oom hem in de rede wou vallen, „'t Heet, dat u het voornaamste werk doet en dat ik maar zorgen moet, dat uw bevelen gehoorzaamd worden. Larie! praatjes! u verzint allerlei zotte dingen, ja, en ik moet me doodwerken om groote ongelukken te voorkomen! .... maar, wacht maar! .... 't duurt niet lang meer met u, .... want ik ga weg, vandaag nog! .... 'k kan hier niet langer werken....”

„Je gaat weg?” vroeg Van Plaswijk verschrikt, bleek wordend....

„Waarachtig!” riep Wouter. „Ik zal toch wel zorgen dat 'k aan den kost kom,—zóó schitterend is mijn positie hier toch ook waarachtig niet!.... U weet heel goed, dat de zaken beroerd gaan, dank zij al uw mooie plannen! en over 'n jaar of drie .... is alles uit!.... Dan is 't geld van uw vrouw op en dan zult u weer wat anders moeten beginnen, 't twaalfde ambacht, 't dertiende ongeluk....”

„Vlegel!” riep oom Frits, opstaand, „brutale vlegel!....”

„Ba!” zei Wouter, „als 't op scheldwoorden aankwam, dan zou ik er zooveel weten, die raak waren!.... 'k Groet u!.... 'k Zal me boel natuurlijk allemaal opruimen—u kunt 't van middag van me overnemen—of laten overnemen, want zelf zoudt u er niet veel van snappen!....”

Pas toen hij weer voor zijn lessenaar stond en daar al de dingen zag waar hijzoolang mee verkeerd had, allen dag, kleine dingen waar hij aan gehecht was zonder 't te weten, en den jongste-bediende, die aandachtig een lange punt aan zijn potlood zat te slijpen, toen pas begreep hij wat hij had gedaan. Hij had er geen plan op gehad, dien morgen, maar 't was hem te machtig geworden. Wat 'n wellust was 't geweest dien man zijn verachting in 't gezicht te spuwen. O, lang niet genoeg had hij nog gezegd! lang niet genoeg, .... er was nog zooveel, zooveel! Een oogenblik wou hij weer terug, opnieuw woedend nu hij voelde wat hij ging doen, nu hij met één blik een langen weg van misère voor zich zag: 't aan zijn meisje vertellen, aan haar vader, een nieuwe betrekking, getuigschriften.... Maar hij bedwong zich. Hij leunde een poosje soezend op zijn lessenaar .... en begon toen, kalm, gelaten, alles op te ruimen .... sorteerend zijn papieren .... opschrijvend wat er gedaan moest worden....

't Was twee uur toen hij langzaam, aarzelend, omkijkend, zijn kantoor den rug toedraaide—voorgoed. Maar toen hij den hoek van de straat om was begon hij harder te loopen. Hij verlangde nu naar zijn meisje—hij verlangde naar haar liefkoozende omhelzing—hij had er behoefte aan begrepen en getroost te worden. En zij zou hem begrijpen, zij moest hem begrijpen, .... hij kon daar niet langer blijven, dat was toch duidelijk!.... Hij liep aldoor harder, hijgend kwam hij aan, opgewonden, zenuwachtig. Hij had zich warm geloopen, zijn gezicht was vol roode vlekken. Hij vond Margreet boven op de voorkamer, alleen. Zij schrok toen ze 'm zag. „God, Wouter! wat is er gebeurd,” vroeg ze. „Wat is er?”

„Niets, lieveling, niets,” zei hij, „als ik jou maar weer heb, is al het andere niets!” En hij drukte haar tegen zichaan, vol innige behoefte aan haar liefde en kuste haar op 't voorhoofd en de oogen.

„Maar wat is er dan toch eigenlijk,” vroeg ze angstig, zich losmakend uit zijn armen om hem aan te kijken.

„Ik heb me'n congé genomen, ik .... ik heb ruzie gehad met oom Frits, ik ben er weg! Maar 't is niets! .... 't is allemaal niets! .... ik zal wel wat anders vinden .... ik zal....”

Maar zij luisterde niet. Hevig verschrikt viel ze in: „Wat? ben je weg uit je zaak?.... God! hoe komt dat? .... wat is er gebeurd?....”

Toen begon Wouter 't pijnende verhaal van hoe hij gezorgd en gezwoegd had, opkroppend zijn grieven, aldoor nog hopend, dat 't wel beter gaan zou, maar hoe nu zijn oom zich over hem was komen beklagen bij zijn moeder (hij zei niet wat Frits over haar had gezegd) en dat 't 'm nu vanmorgen de baas geworden was, 't opgehoopte verdriet, de verachting voor dien man,die hem bedrogen had, gemeen bedrogen, de woeste woede tegen dien ploert. Hij wond zich weer op, hij liep door de kamer, hij stampte op den grond, hij sloeg met zijn hand op de tafel van niet-in-woorden-te-uiten ergernis.

Zij luisterde met schrik in haar oogen, met open mond, niet begrijpend. En toen hij uitgewoed had en naar haar toe kwam en, in ééns heel zacht gestemd, fluisterde: „Maar, niet waar, lieveling? jij zult me wel troosten, en helpen?” toen keek ze hem aan met 'n koele verbazing, die hem diep trof. Hij werd bleek, hij stamelde: „Je begrijpt toch wel, dat 't niet anders kon, hè?”

„'k Weet 't niet,” zei ze,.... „nee, ik begrijp je niet, ik begrijp er niets van, niets!.... Wat wil je nu doen?.... Wat wil je nu beginnen?.... Ik heb altijd gedacht dat je zulke mooie vooruitzichten hadt .... waarom heb je 't me niet eer verteld?”

„Maar, lieveling, is 't dan niet altijd vroeg genoeg voor zulke dingen?”

Er kwam meer en meer teleurstelling in haar trekken. Zij begon zich ook op te winden: „Ik had gedacht dat we komend jaar wel zouden trouwen, .... dat je dan een mooie positie hebben zoudt!.... Wat moeten we nou doen?.... Hoe lang zullen we wel geëngageerd moeten zijn?....”

„Maar ik zal er immers dadelijk op uit gaan, .... ik zal wat anders zoeken!”

„Wat anders! .... wat bedoel je?.... Een betrekking als bediende? Zullen ze je daar ook maar dadelijk compagnon maken?”

„Nee .... nee .... maar dat hoeft toch ook niet.... Er zijn wel goede betrekkingen....”

„Zooals die van Wim bijvoorbeeld, hè?” viel ze in, met minachting in haar stem, die hoog klonk, schel.

„Greetjelief .... wind je niet zooop .... toe, blijf kalm! .... ja, ja, bijvoorbeeld zooals Wim, of beter nog....”

Zij lachte schamper. Zij schudde haar mooi kopje met een trotsch gebaar.

„Zooals die pummel .... die .... ba! .... je meent 't toch niet?—bespottelijk! Vergelijk je mij dan ook met Anna, dat schaap....”

„Greetje! .... bedaar! .... spreek zoo niet!....” zei hij, haar handen pakkend.

Maar zij rukte zich los. „Bespottelijk!” riep zij nogmaals uit. „Stel je voor: me man is klerk! .... och nee maar, dat meen je niet!”

„Greetje, .... Greetje, .... och God! spreek nu niet zoo! .... niet op dien toon! .... dat heb je nog nooit gedaan! .... houden we dan niet van elkaar! en is dat niet 't voornaamste, 't eenige, 't eenige noodige?.... Heusch, lieveling, we zouden toch niet op den duur kunnen blijven leven zooals we nu doen. Al dat uitgaanen zoo...., dat zou op den duur toch niet gegaan zijn...., maar dat is immers allemaal niets, mijn lieve lieveling, niets, niets!” En hij sloeg zijn arm om haar heen, wilde haar tegen zich aandrukken.

Maar weer rukte ze zich los. Ze ging tegen de tafel staan leunen met een boos gezicht. Ze was rood geworden, haar donkere oogen gloeiden; heerlijk mooi was ze zooals ze daar stond.

„Greetje,” fluisterde hij wanhopig.

„Och!” zei ze, „je bent 'n driftkop .... je zegt dat je van me houd, maar je denkt niet aan me, .... je doet maar net wat je in 't hoofd komt....”

„Greetje!”

„Je houdt niks van me, heelemaal niks! .... je bent 'n egoïst, ga maar weg, ga maar weg!”

„Greetje,” herhaalde hij nog eens. En toen, in zijn overspanning, verlamd door de onverwachte slagen van haar woorden, viel hij neer op 'n stoel en schreide luid uit en klaagdeover zijn bitter verdriet en smeekte haar toch niet zoo hard, zoo wreed voor hem te zijn. Maar zij zweeg, aldoor leunend tegen de tafel en toornig turend op den grond. Eindelijk werd hij zich weer meester, hij stond op en begon uiterlijk kalm, met een weeke stem, nu en dan nog heftig snikkend, tegen haar te praten van liefde en opoffering, van lief en leed samen deelen, van vertrouwen op elkaar.

Toen liep ze eerst naar 't raam en keek naar buiten. Zij kreeg tranen in de oogen en ze wilde niet, dat hij 't zien zou. Maar eindelijk viel ze neer op een stoel en begon ook luid snikkend te huilen. „Ga nou weg,” kreet ze, „laat me nou huilen!”

„Zeg dan dat je van me houd, Gree, toe, lieveling, zeg dat dan nog alleen,” bad hij.

„Nee! .... nee! later .... misschien .... ga nou eerst weg! ....laat me uithuilen .... laat me alleen! .... ga nou weg .... toe, ga nou weg!”

Toen ging Wouter.

Weer zat moeder Rubrecht alleen voor 't raam in de achterkamer te mazen een wollen sok voor haar man. Alleen, want Anna was gaan wandelen met een vrindin; alleen in 't stille huis; alleen met haar droeve gepeinzen, zich met wellust overgevend aan haar mijmeringen, die in haar hingen, zwaar als wierookwalm, haar vullend gansch en al met bedwelmenden geur. Ze hoorde 't getik van de klok niet, 't eenige geluid in huis, en ze zag haar handenbeweeg zonder bewustzijn. Alleen als ze kuchte schrok ze op en keek naar de klok.

Eerst had ze aan Wouter zitten denken. Of hij vandaag al met Frits zou gesproken hebben en hoe 't zou afloopen en wat Margreet zeggen zou,als hij soms wegging bij Frits, .... ja, wat zij zeggen zou en doen, dat was 't voornaamste, daar hing alles van af. Dan voor 't eerst zou ze weten of Margreet genoeg van Wouter hield.... Maar ze had over Wouter en zijn meisje al zoo veel gedacht, al zoo lang getobd, al zoo lang, dat 't als verlamd was haar denken daarover alleen, dat ze de energie niet meer had haar gedachten scherp daarbij te bepalen, daarop te concentreeren....

En haar gepeinzen zetten uit, ze werden breeder, breeder, wegvloeiend in haar melancholie en 't was haar weer als walmden haar mijmeringen uit haar op, als vulden ze de kamer en de binnenplaats en als kronkelden ze zich over de huizen, neerhangend op de daken en op de straten en over den ganschen grond rondom....

En ze dacht weer aan haar dood.... Ze zag zich liggen geelbleek onder witte lakens in een houten kist, die stond midden in een groote kamer en die kamer midden in een grootleeg huis. En ze hoorde een klok dof brommen, aldoor den zelfden toon: bom .... bom .... bom .... En haar zware gedachten, opgeurend uit de vreemde plant in haar, drongen uit al de ramen van 't huis en overvloeiden overal de zwarte aarde rondom. En eerst als al de gedachten uit haar waren weggevloeid, dan viel de bloem af, dan liet de plant zijn takken hangen en stierf in haar leege lijf.... De klok hield op met luiden en 't was stil in haar .... stil .... dood .... Dan zullen ze, dacht ze, mijn lichaam opnemen en begraven en ze zullen een steen leggen op de aarde daar waar ik lig. En er zal sneeuw vallen overal, .... overal .... en ook de steen zal onzichtbaar zijn .... endanzal ik rusten....

Plotseling sloeg de voordeur dicht met harden slag en kwam iemand driftig de trap oploopen. En haar gemijmer spatte uiteen en was vervlogen en ze voelde een scherpsnijdenden angst. Ze herkende den stap dadelijk, 't was Wouter. Ze stond half op, haar maaswerk in haar rechter hand geklemd, met open mond kijkend naar de deur. Hij kwam binnen, bleek, ontdaan en liep op haar toe: „O, moeder, moeder! wat moet ik nou doen,” kermde hij, en zij zonk neer op haar stoel en hij naast haar op zijn knieën en zij nam zijn hoofd in haar handen. Toen snikte hij 't uit, zijn groot leed. En hij begon te vertellen. Snel sprekend met 'n heesche stem zei hij zijn moeder hoe 't gegaan was, eerst bij oom Frits en toen bij haar, bij Margreet. Hoe ze hem had aangekeken en alles wat ze gezegd had. O! Ieder woord had hij gevoeld als een slag. Hij was er onder bezweken, hij had gehuild en geklaagd en haar gesmeekt niet zóó te zijn tegen hem! Eindelijk had hij zich toch overmand, zich met de uiterste inspanning tot kalmte gedwongen en met haar gepraat.... Maar niets, niets haddat gegeven allemaal! Ze was op 'n kanapee neergevallen en had gesnikt en gehuild en geroepen dat hij nu maar weg moest gaan! aldoor dat hij weg moest gaan!.... Beneden was hij haar vader tegen 't lijf geloopen, die naar boven wou komen om te hooren wat er gaande was, en hij had 't hem gezegd, en de oude man had 't hoofd geschud, hij had erg bedrukt gekeken—maar hij had hem toch op hartelijken toon beloofd, dat hij hem helpen zou en hem gezegd, dat hij dien oom al dadelijk niet best had kunnen zetten. Hij had 't wel gedacht, dat die vent 't achter de mouw had, dat had hij gezegd....

Maar o! dat Margreet hem zoo had kunnen behandelen .... o God! o God!....

En hij snikte met lange snikken, zijn hoofd achterover tegen haar arm leggend, zij voelde 't schokken tegen zich aan.

Zij huilde ook en beklaagde hemen gaf hem lieve naampjes en deed haar best hem te bedaren. Ze stond op, terwijl hij naast den stoel bleef liggen en gaf 'm een glas water. Hij slurpte wat naar binnen. Toen werd hij kalmer en ging op een voetkussen zitten en nam z'n hoofd in z'n beide handen. Zóó voor zich uit starend klaagde hij en morde tegen zijn lot en tegen de menschen. En 't was haar of zij zelf die woorden sprak; zij voelde met weemoedig genot de overeenkomst van hun zielen. Zij liet hem lang alleen praten. Eindelijk boog ze zich over hem en zei zacht: „Wouter! .... 't gaat zoo niet, hoor! .... je moet 't afmaken.”

„O, moeder, moeder! hoe kan dat nou? .... hoe kan dat nou?!....”

„Heusch, mijn jongen, 't moet, 't moet .... je zoudt niet gelukkig kunnen zijn .... geen van beiden.”

„Gelukkig zijn? .... och, maar dat is immers toch onmogelijk!....”

Zij zuchtte. „Voor jou mag 't niet onmogelijk zijn,” zei ze.

„Bent u gelukkig, moeder?.... bent u 't ooit geweest?”

„Nee....” fluisterde ze.

„Och, 't kan ook niet!.... 't kan ook niet! .... je houdt toch altijd je zorg! .... 't leven is nu eenmaal zoo vreeselijk wreed en hard, .... maar daarom hoeftallestoch nog niet uit te zijn! .... o! laat me haar houden! .... u weet niet hoe ik van haar houd, moeder, .... u weet 't niet!”

„Je hebt al zooveel zorg door haar gehad!”

„En altijd ben ik meer van haar gaan houden!”

„Ze heeft je zóóveel verdriet gedaan .... vandaag nog!”

„En toch houd ik van 'r, meer dan ooit!”

„Maar Wouter, als ze nou toch 's niet zooveel van jou hield!”

„O, moeder! zeg dat niet .... zeg dat niet! .... 't is zoo vreeselijk!”

„Arme jongen, .... wees sterk, .... wees sterk! .... denk je dat ik 't zeggen zou, als ik 't niet zeker wist? ... o, ik weet 't, ik voel 't zoo goed, Wouter, .... ze houd niet van je zoo als jij van haar!”

„Maar, moeder! wat moet ik dan doen dat ze meer van me gaat houden!”

„Arme goeie jongen...., ik geloof niet, dat je daar iets aan doen kunt...., je kunt niet anders zijn dan je bent, en, .... nietwaar? dat zou je ook niet willen?....”

„O! moeder! .... ik ben zoo wanhopig!....”

Ze keek even rond, schichtig, alsof ze iets ging doen, wat ze niet doen mocht.—Toen boog ze zich weer over hem en fluisterde: „Wouter, 't is nog tijd nu, .... denk 's hoe vreeselijk 't zijn zou, als je al getrouwd was en je merkte dan, dat je vrouw niet genoeg van je hield...., o maar, dat is zoo verschrikkelijk!.... Ik weet 't .... ik weet 't, geloof me...., ik zelf heb pas toen ik getrouwdwas ingezien, dat ik nooit zooveel van je vader zou kunnen houden als noodig was.... Toen ben ik ook wanhopig geweest...., maar 't was eenmaal zoo .... ik moest mijn leven lang oppassen...., altijd oppassen, dat hij 't niet merken zou.... Toch zal hij 't wel voelen.... Maar jij bent niet zoo als hij, Wouter!.... Jij zoudt er ziek van worden...., 't zou jou dood zijn.... O, Wouter, mijn eenige lieveling, mijn alles, alles! je doet 'n misdaad tegen je zelf als je haar trouwt!”

„In Godsnaam, moeder, dan maar 'n misdaad, ik kan haar niet missen!”

„Ze bedriegt je....”

„Dan wil ik maar bedrogen worden!....”

„Maarikwil 't niet,” zei ze toen opééns met veel vuur, met kracht, niet een heel andere stem, „ik wil 't niet, versta je! .... je zult niet bedrogen worden .... nooit! .... nooit! .... jij bent mijn eenige troost in 't leven,mijn eenige rijkdom, en trots! .... jijzultgelukkig worden, .... 't moet!.... Ik wil niet, dat zij je ongelukkig maakt, hoor-je, Wouter, ik wil 't niet!”

En plotseling stond ze op en liep de kamer uit. Hij bleef nog even zitten, z'n hoofd in z'n handen, maar toen, dof-vermoedend wat zijn moeder ging doen, liep hij haar achterna. Hij hoorde haar boven, hij liep de trap op. Daar stond ze al met 'n hoed op en 'n mantel in de hand. „Waar gaat u heen?” vroeg hij angstig. „Naar Margreet,” zei ze, vlug, met vaste stem, „ik ga haar spreken.”

„U wilt 't gaan afmaken!”

„Dat zal aan haar liggen,” antwoordde ze, ontwijkend.

„Toe, moeder, doe dat nou niet .... doe dat nou niet....” klaagde hij.

Maar zij trok haar mantel aan en gaf geen antwoord meer, bijtend op haar lippen, strafstarend met wijde oogen....

Hij leunde tegen den deurpost methangend hoofd, hij was heelemaal gebroken en op.

„Wat zal ik zeggen als vader thuis komt, en Anna,” vroeg hij.

„Zeg maar, dat ik naar Margreet ben,—ik mag toch zeker wel naar 't meisje van mijn zoon gaan, als ik daar lust in heb?”

Haar stem was hard, brutaal scherp,—heel vreemd.

Wouter kreeg een gevoel van vrees, hij was bang voor zijn moeder—hij dacht plotseling aan waanzin, hij zag ellende overal om zich heen! Strompelend liep hij naar zijn kamertje, boven, zijn zolderkamertje, waar hij neer viel op een stoel, bevend, klappertandend. Telkens gingen er rillingen over zijn rug.

Zijn moeder ging naar beneden. Maar toen ze nog op de boventrap was hoorde ze de voordeur open gaan. Dat was Rubrecht.... Hij zou vragen waar ze heen ging.... 't Was misschien toch niet goed nu te gaan.... Maarmorgen, ja! .... dat was beter, morgen ochtend zou ze gaan .... en eerst nog afwachten wat de avond brengen zou. Ze kwam weer terug.


Back to IndexNext