GEVAARLIJKE MENSCHEN OP REIS.

„Si les filles d’Arles sont reinesQuand le plaisir les rassemble aux arènes,Dans la lande en feu, je crois,Les bouviers aussi sont rois.”

„Si les filles d’Arles sont reinesQuand le plaisir les rassemble aux arènes,Dans la lande en feu, je crois,Les bouviers aussi sont rois.”

Aangezien wij de „reines” niet vinden, laten we dan maar de „rois” opzoeken. Die zullen stellig nog niet naar bed zijn.

Helaas! nog minder „rois” dan „reines”. De schaarsche „rois” die wij in ’t somber-doodsch oud stadje zien, zijn ongeveer gekleed als onze landloopers en schooiers, en staan gebakken visch te eten met olijven, in een openluchtig tentje, bij een walmend oliepitje.

Maar eindelijk vinden wij den dichter zelf.

Hij staat daar, op een voetstuk, midden op het Forum, bij een fontein onder romantische platanen, vlak vóór het hôtel waar hij gewoonlijk afstapt en waar ook wij onder dak zijn gekomen. Hij staat daar, vereeuwigd in brons en kan zich zelf bewonderen, telkens als hij uit zijn geliefdMaillanenaarArleskomt.

Hij lijkt opBuffalo-Bill, zooals hij daar staat. Het is dezelfde mooie kop met breed-geranden flaphoed, dezelfde fiere, nobele, martiale houding. Dezacht-zangerigeFélibreen de ruweCow-boy, ’t is of zij uit het zelfde aardsche stof waren geschapen, en, als ik er even over nadenk voel ik die gelijkenis niet eens zoo disparaat en abnormaal:Mistralis immers „le bouvier de la lande en feu”, zooalsBuffalo-Billde wilde herder uit de „Prairie” is; en zelfs de „lande en feu”, „la Crau” is niet zoo sterk verschillend van het amerikaansche „Far West”. Wat verschilt is het nieuwe en het oude; het oude vol traditie, vol weemoedige zachte poëzie; het nieuwe: hard, wild, ruw, amerikaansch.

De amerikaanscheMistralzal eerst later, veel later geboren worden, als hij ooit geboren wordt.

Wij, noordelijke menschen, gewend aan de eeuwig-durende vochtigheid van ons droef klimaat, kunnen ’s nachts geen water hooren vallen, of wij denken dadelijk aan regen.

Zoo was ’t geval met mij dien nacht, teArles, in het hôtel op de „Place du Forum”.

Ik werd wakker en hoorde gutsend-neerstortende stralen.

—O, wee, zuchtte ik, aan den tocht van den volgenden dag denkend.

Bedroefd stond ik op en keek door het venster.

O, zaligheid, het wás geen regen. ’t Was de fontein vóór ’t standbeeld van mijn zachten vriendMistral, die in helderen sterrennacht haar glinsterende zilverstralen, onder het romantisch loover der platanen, door de nachtelijke stilte sproeide....

Den volgenden ochtend „zagen” wijArles: de nauwe kronkelstraatjes, de kleine pleintjes, de oude geveltjes, de kerken, maar vooral de romeinsche overblijfsels. Ik heb zeker een heidensche ziel: kerken, kloosters, belforten en hallen kunnen mij wel boeien, maar nooit in die mate als een „théâtre antique” of arena mij boeit. Of kan men wellicht niet het eene naast het andere genieten? Wij zagen het klooster vanSt. Trophimeen al dat fijne kantwerk aan zuilen en bogen leek ons vol stemming en schoonheid; maar vlak daarop zagen wij de arena en ’t was of plotseling een eeuwig-jeugdige godin voor ons stond. O, die kalme, eenvoudige,reine, grootsche schoonheid van bogen en lijnen! Die glimlach als ’t ware van stil-verhevene sereenheid, hoog en rustig over alles heen! Wie dacht daar nog aan ’t wonder-kunstig beitelwerk vanSt. Trophime? LeekSt. Trophimehier niet een klein, gerimpeld en chagrijnig oud vrouwtje, vergeleken bij die eeuwen-trotseerende, onvergankelijke, frissche jeugd?

De arena, het „théâtre antique” en „les Alyscamps” de romeinsche begraafplaats, meer hoeft men van het oudeArlesniet te onthouden. In fiere slankheid zijn van hetthéâtre antiqueslechts enkele zuilen, kapiteelen en portieken overgebleven, maar grootsch en schoon nog teekent zich hun goud-glanzende ruïne op den blauwen hemel af!Les Alyscampszijn indrukwekkend van sombere tragiek. Die lange en breede allee vol steenen doodkisten, uitloopend onder eeuwen-oude, wijd-vertakte boomen naar een ruige, oude kerk, is als een nachtmerrie, en deed mij denken aan de doodsallee vol slangen en monsters, langs waar de schoone en vertoorndeAkëdisseryllmet haar reuzenzwaard den bloedigen Brahmanen-tempel ging bestormen.

Er zijn verschillende, gevaarlijke soorten van menschen, die de automobilist op zijn weg, of onderweg, kan ontmoeten. En daarmee bedoel ik hier niet, of althans niet alleen, watMirbeauin zijn628-E 8zoo grappig onder het hoofdstuk „La faune des routes” heeft beschreven, maar ook en vooral dàt soort van wezens, die juist niet over den weg loopen en toch zoo gevaarlijk kunnen hinderen.

Het is ongetwijfeld op zichzelf een zeer groot genoegen in den vreemde een landgenoot, die meteen een goede vriend is, aan te treffen; en toch kan zoo’n vriend een last en een gevaar worden zooals ik dien dag moest ervaren.

Wij reden langzaam en voorzichtig, door de smalle, slecht-geplaveide straten vanArles. Ons doel wasNîmes, een heel kort reisje, in vergelijking met wat we den vorigen dag afgelegd hadden.

Eensklaps roept een van mijn dames, wijzend naar een meneer, die een eindje vóór ons loopt:

„Kijk eens dáár, is dat niet meneer X, uit Gent?”

Meneer X, uit Gent! Hoe zou die hier inArlesloopen! Wel neen, ’t is iemand die op hem lijkt.

—’t Is hem, ’t is hem! verzekert mijn dame, met stijgenden nadruk, zoodat ik, twijfelend, aanzienlijk vertraag, omkijk, stilhoud.

Waarachtig, hij is het!

Kreten van vroolijke verbazing, groeten, handdrukken,verrukt geglimlach van mijn lieve dames!

Meneer X is een aller-vriendelijkste man van een vijftigtal jaren, een mooi gezicht, met vollen, grijzenden baard en heldere oogen, een man met een nobel, innemend voorkomen. Hij is advocaat, interesseert zich zeer voor politiek en zelfs voor kunst, reist gedurende zijn laatste vacantiedagen, door Zuid-Frankrijk. Hij heeft een kort bezoek gebracht aanArles, en gaat nu den trein nemen naarNîmes, waarheen zijn koffer al van uitMarseillegezonden is.

Een plotseling idee komt bij mij op. De wagen is wel flink vol, maar ’t reisje is kort; als alle drie mijn dames op de achterbank willen gaan zitten, dan kan X wel met ons mee. Ik heb niet iederen dag de goede kans van een vriend en landgenoot te ontmoeten; dat kan wel heel, heel aardig zijn.

Uitbundig juichen mijn dames het voorstel toe. Dames zijn altijd voor ietwat gecompliceerde schikkingen te vinden. Dadelijk zitten zij met hun drieën op de achterbank, waar ze ’t nog uitstekend ruim beweren te hebben, en zonder veel moeite laat mijn vriend zich overhalen en neemt naast mij, op de voorbank plaats. De motor, die niet opgehouden heeft te snorren, krijgt een beetje guller gastoevoer, en we gaan voort.

Onze vriend is dadelijk heel druk aan ’t praten. Dit is de eerste maal van zijn leven dat hij in een auto zit, zegt hij, en hij vindt de sensatie heerlijk. En,zonder overgang, zich tot mijn dames omkeerend, vraagt hij, of ze reeds „Les Baux” gezien hebben.

Les Baux!Neen, dat hebben ze niet gezien. Wat is dat:Les Baux?

—Heeft uLes Bauxniet gezien, de nog steeds bewoonde holen van de troglodyten! O, maar, u kunt tochArlesniet verlaten zonder dàt gezien te hebben! beweert onze vriend met een gezicht van bijna ongeloovige verbazing.

Mijn dames kijken mij bepaald verwijtend aan. ’t Is of ik haar iets heb willen onthouden, waar ze recht op hadden; en er is niets aan te doen: zij vragen dringend om „Les Baux” te zien.

Om de waarheid te zeggen had ik er wèl even aan gedacht, maar was van het plan afgestapt. Waarom, zou ik trouwens niet kunnen zeggen; zoo’n idee; ik had er geen zin in.

—O, maar u moet er heusch naartoe, zoo iets ziet u nooit meer in uw leven! herhaalde de vriend nog eens met nadruk.

Ik poogde niet tegen te stribbelen; mijn stuur stond al vast die richting uitgekeerd. Ik vroeg nog even, voor alle zekerheid, den weg, en reed.

—La première route à gauche!had mij de man, die mij den weg wees, toegeroepen; doch meteen kwam het mij voor, alsof hij met de hand naar rechts wees.

Die soort begripsverwarring tusschen rechts en links had ik reeds een paar keer bij de fransche landlui opgemerkt. In sommige streken bedoelenze, volkomen te goeder trouw, met rechts links, en met links rechts. Hoe had ik het hier nu? Ik reed nog ’n flink eind, en riep toen, in ’t voorbij rijden tegen een man op ’t land:

—La route pour „Les Baux”, monsieur?

—Toujours tout droit!

Nu was ik heelemaal de kluts kwijt. En nergens een aanduidingsbord. Gelukkig was daar een eind verder eencantonnieraan ’t werk, ik reed naar hem toe, vroeg hem den weg naarLes Baux.

—Vous l’avez passé depuis longtemps, m’sieu. Fallait prendre à droite.

—Oui, mais, à droite ou à gauche?vroeg ik voor alle zekerheid.

—A droite, à droite, herhaalde de man met nadruk; en wees duidelijk naar links.

’k Begon het warm te krijgen.

De weg was smal, ik moest terug rijden, maar geen kwestie van, dat ik daar kon keeren. Er was niets anders op te vinden, dan nog verder in de verkeerde richting door te snorren en dáár te keeren, waar ik plaats zou vinden. Aldus geschiedde.

Mijn vriend, ondertusschen, was een levendig gesprek met mij begonnen, of, beter gezegd, voerde tegen mij een levendig gesprek. Hij had inArlesbrieven uit België ontvangen, vol belangrijk nieuws over de politieke toestanden aldaar.

Ik interesseer mij gansch bizonder voor de politiek, vooral als ik aan ’t stuur zit van mijn auto,op een pleizierreis, in het buitenland. Met een verstarden folter-glimlach op ’t gezicht begon ik hopeloos rond te kijken.

Mijn vriend, in vuur geraakt, nam daar echter geen notitie van. Wel integendeel: tot meerdere overtuiging ging hij schuins naar mij toe zitten, stak zijn gezicht dicht bij het mijne, lei af en toe zijn hand op mijn arm, die het stuur vasthield.

Als hij ons maar in de sloot niet richt, dacht ik bevend.

—De katholieke partij, ging mijn goede vriend ongestoord voort, de katholieke partij....

—Pardon, viel ik hem ditmaal in de rede, want in zijn opgewondenheid drukte hij met zijn rechtervoet op de remveer; en, tot een man, die juist toevallig op zijn fiets ons tegemoet kwam:

—La route pour Les Baux, monsieur!riep ik gansch ontredderd.

—A droite, la première à droite!antwoordde de man, met groot gebaar naar links wijzend.

Met een zucht van verlossing reed ik, vastberaden, links in.

Wij waren dadelijk op een steile, kronkelige helling, tusschen dorre, kale, rotsachtige heuveltjes. Zoo reden wij een heele poos. Mijn goede vriend, half over mij heen gezeten, zijn rechtervoet benauwend dicht nu bij ’t ontstekingsveertje, zijn rechterhand soms boven op mijn hand aan ’t stuur, vertelde mij verder het aangrijpend politiek nieuws uit ons beider geboorteland. De weg werd langzamerhandzóó steil en smal, dat ik in eerste versnelling moest rijden en het fatale oogenblik voorzag waarop wij, door een verkeerde wending van het stuur, hals over kop in de diepte zouden storten. Het klamme zweet droop van mijn aangezicht, mijn voeten trilden op derem- en uitschakelingsveeren.

Gelukkig werd de weg eensklaps iets ruimer. De rotsachtige, grijze heuvels weken grilligvormig van elkaar tot een soort smal valleitje, en iets, dat vagelijk op een huis leek, stond zijlings van het pad, met een man er voor, die steenen bikte.

—La route pour Les Baux, monsieur, s’il vous plait?

—Vous êtes aux Baux, monsieur!

Algemeene verbazing!

—’t Is waar ook, de man heeft gelijk! riep eensklaps juichend mijn vriend, terwijl ik, bekaf van de inspanning, den wagen stil deed houden.

Wij waren inLes Baux! Om dàt te zien had onze dierbare vriend ons zoover uit onzen koers geleid!

Hij merkte wel de verslagenheid op onze gezichten, maar zenuwachtig sprong hij uit den wagen en zei:

—Kom mee, hier is natuurlijk niet veel te zien, maar daarboven, in ’t dorpje, is ’t wonderbaar.

Wij gingen met hem mee. Over een brokkelig-steil rotspad klommen wij in ’t dorpje en zagen daar werkelijk holen in de rots gehouwen, waarin menschen woonden.

Ik kan het niet helpen, maar op mij heeft het niet veel indruk gemaakt. Een gewoon, oud-Italiaansch dorpje vind ik pittoresker, aardiger. Wat mij ’t meest trof was de doodsch-verlaten stilte in die benauwend-smalle kronkelstraatjes, en, gansch in de hoogte, de woeste, formidabele ruïne van het oud kasteel, als een uitgeplunderd rooversnest.

Wij kwamen door de nauwe kronkelsteegjes weer beneden. Geen mensch in dat verlaten oord. Alleen, op den grijzen drempel van een dier barbaarsche menschenholen, twee grijze poezen, snoet aan snoet, met naar elkaar opglinsterende oogen in een soort kwaadaardig, brommend buikgesprek; en vlak daartegenover, op een tweede drempeltje, een kleine, zwarte hond, die roerloos, met gespitste ooren, ’t schouwspel aankeek. Dat was een leuk gezicht. De dof-kijvende poezen hielden ons en den hond om de beurt met één oog in de gaten, en ik bleef nieuwsgierig stilstaan, om te zien hoe of ’t standje zou afloopen. Maar zelfs dàt was niet mogelijk.

—De socialistische partij, in België,.... begon eensklaps weer mijn goede vriend, mij bij den arm nemend en mij mee trekkend....

De poezen bliezen proestend in elkaar’s gezicht en vluchtten binnen, door een sprong van ’t hondje achtervolgd, en met het hopeloos gedreun der socialistische beweging in mijn ooren kwamen wij terug bij de wachtende auto, en reden verder.

WieArleszegt, noemtMistral; wieTarasconzegt, noemtDaudet.

Een glimlach komt op het gezicht, wanneer menTarasconnadert.Tartarin, Bompard, Costecalde, le pont de Beaucaire et la tour du roi René,.... het zijn ons allen goede, grappige bekenden; ’t is of men een historisch oord betreedt, waar men zeer aparte dingen zal hooren en zien.

O, wondere verbeeldingskracht van een artiest, die ons zijn vizie zóó weet op te dringen, dat wij de werkelijkheid volstrektwillenzien, zooals hij ons die voortooverde, en niet tevreden zijn wanneer de nuchtere realiteit niet aan die fantasie beantwoordt!

Tarasconis een provençaalsch stadje als tal van andere: vaal, vuil, stoffig, de straten rijk belommerd door platanen. Het lijkt zóó sterk op wat we overal gezien hebben, dat ik twijfel of het Tarascon wel is en even ophoud om te vragen.

—Certainemeinn, monsieur, antwoordt een stem die klinkt als koper.

Gezellig, die klank te hooren, de echteTartareinn-klank! Wij komen ietwat in de stemming.

Daar is de brug, en rechts, op den oever, een ronde grijze toren met kanteelen: la tour du roi René. Wij glimlachen....

En toch,.... we zijn teleurgesteld. Het is niet dàt.Tartarin, Bompard, Costecalde, al die drukke,opgewonden lui ontbreken. Waar zou het huis vanTartarinwel staan, het huis met zijn baobab in een reseda-pot en met zijn woeste wapenrekken aan de muren? Daar ergens, rechts, langs de Rhône, op den weg naarAvignon? Zullen we dien kant uit rijden? ’t Bewuste huis gaan zoeken?.... Neen, het gaat niet; het ziet er overal even saai en doodsch uit. De stemming ontbreekt; er is geen animo; de werkelijkheid correspondeert niet metDaudet’s zoo geestige voorstelling. Na een heel kort oponthoud nemen wij maar het besluit onzen weg naarNîmesvoort te zetten. Met een laatsten glimlach op „la tour du roi René” keer ik rechts om en stuur over de brug, aan de andere zijde van deRhône, naarBeaucairetoe.

En dáár wacht ons, toen we die reeds niet meer verwachtten, de echteTarascon-geest onder de gedaante van een levendeTartarin-verschijning!

Een dikke man, ginds, midden op den weg, in hemdsmouwen, zwaaiend met een roode vlag, dicht bij ’toctroi van Beaucaire! Hij zwaait hartstochtelijk, met beide armen te gelijk, schreeuwt ons een klinkend „arrêtez!” toe.

Ik houd stil.

—D’où venez-vous?vraagt hij opgewonden.

—De Tarascon.

—Où allez-vous?

—A Nîmes.

—Qui êtes-vous?

Ik haal mijn internationaal rijbewijs te voorschijn en laat het hem zien.

Hij kijkt er even naar, draait het naar rechts, draait het naar links, staart mij aan in ’t gezicht, barst eensklaps in een luiden proestlach uit, terwijl hij mij vraagt:

—Vous n’avez pas de bombes dans votre auto?

—Des bombes....!

De man heeft dolle pret om mijn verbazing. Hij buldert het letterlijk uit en slaat van vroolijkheid met beide handen op zijn dijen.

—C’est une farce?vraag ik, half wantrouwig.

—Ah, ben oui, c’est une farce!gilt de man. En hij vertelt mij de toedracht.

We waren midden in de groote spoorweg-staking: (daar had ik wel in de couranten van gelezen, maar feitelijk niets van bemerkt) de municipale besturen hadden overal last gegeven, bruggen en sporen te bewaken; enTarasconvoerde dat bevel op een echte Tarasconsche wijze uit: iedere wagen, ieder rijtuig, iedere auto moest op de brug vanBeaucaireaangehouden en onderzocht worden, of er soms ook bommen in verborgen waren.

O,Tartareinn, we hadden u dan toch eindelijk gevonden, en gij, leuke schim vanDaudet, stond zeker met ons mee te glimlachen! Nu had ik wel naar Tarascon willen terugkeeren, daar nog een poosje rondkuieren, misschien er een avondje doorbrengen. Maar mijn goede vriend, en ook mijn dames, voelden er niet zoo veel voor, verlangden verder te rijden.

Met een laatsten blik van spijt en weemoed keek ik nog eens naarla tour du roi Renéen naar het geestig stadje om, en richtte toen mijn stuur opNîmes.

Is het een stemming of een voorgevoel? Ik had vooraf een onaangename gewaarwording, dat wij nu aan een gedeelte van de reis gekomen waren, dat ons minder zou behagen.

MetNîmesreeds was de teleurstelling begonnen. Iemand had mij eens gezegd: O,Nîmesis prachtig, je kunt al niet veel mooiers zien in ’t Zuiden. En nu kon ik het niet helpen, maar ik vondNîmesvrij onbeduidend. Een mooie fontein, jawel; maar zooveel steden hebben mooie fonteinen. De romeinsche baden en de tempel van Venus! Ja,.... nou ja, enfin, maar....La tour Magne, daar op de hoogte, boven dat prachtig park! En danla Maison Carrée, dat eenig juweel! Jawel!.... jawel,.... maar.... kortom, wij waren wellicht wat brommerig gestemd, maar feitelijk vonden wij niets zoo bepaald de moeite waard. Je raakt ook wel blasé op reis. Alleen de arena, de prachtige goud-grijze arena kon ons boeien; en dan nog minder dan die vanArles, omdat ze teArleszoo heelemaal pastin het oude milieu, terwijl ze teNîmesheelemaal apart staat in haar heidensche schoonheid, omringd door banale café’s en hôtels, door luxe-winkels en electrische trams.

Neen, wij waren niet in de echte atmosfeer, in de geschikte stemming. Zelfs het afscheid van onzen goeden vriend, dieNîmeswel zeer bizonder interessant vond, wantNîmesis een kokend-heet centrum van politieke beweging, zelfs dàt afscheid had iets stroefs en gedwongens, en ’t was ook zonder bepaalde geestdrift, dat wij ons op weg zetten naar het wereldberoemdeAigues-Mortes, de onveranderde, midden-eeuwsche vesting, van waarSaint Louismet zijn kruisvaarders naar het Heilig Land vertrok.

Ik kan de omstreken vanAigues-Mortesniet beter vergelijken dan met de Noord-Hollandsche wei. Grasvlakten, moerassen, kanalen, hier en daar een boerderij met enkele boomen. De Noord-Hollandsche wei zonder molens! De plaats zelf: een reuzen vierkant van hooge, breede, grijze vestingmuren met kanteelen en torens, aan den oever eene stille, wijd-uitgestrekte lagune. Daar binnen, in de omheining der wallen, kleine straten van onnoemelijke vuilheid, met vrij stijllooze, bouwvallige huizen en in ’t midden van de kleine stad een markt, waarop het kolossale standbeeld van Lodewijk de Heilige prijkt. ’t Is een teleurstelling, zooals de meeste dingen, die men àl te veel heeft hooren roemen.

Een andere teleurstelling wordt de weg, zoodra wij, teLunel, de erg vies-ruikende geboortestad van den helden-dichterHenri de Bornier, op de groote baan naarMontpellierkomen. Rijden we soms weer, als in Vlaanderen, overdoods- of kinderhoofden? Neen; maar we rijden over een weg die op geen weg meer lijkt, zoo ontzettend vol als hij is met diepe kuilen en voren en gaten. Wij zijn hier volop in het meridionale wijn-distrikt, waar dag en nacht de zwaar-bevrachte wagens rijden. Die ruïneeren den weg en men heeft geen tijd hem te herstellen. Daarbij een stof, een vuil-grijze, aschkleurige, rookfijne stof, die alles bedekt en overal doorheen dringt.

’t Zijn wijngaarden, en nog wijngaarden, en nóg wijngaarden, tot in ’t oneindige. Maar niet de mooie, rijke, zwoele wijngaarden als in Burgondië: de arme, schrale, sjovele wijngaarden, die een goedkoop en zurig wijntje geven, een drankje, waarvan het gezicht vertrekt. Hier heeft Vincent van Gogh gewerkt, en men herkent het landschap door zijn schilderijen. Ik zou niet durven beweren, dat ik in de kleur van de bevolking zijn groenen maaier heb erkend: de afgebeulde man met groen gezicht en groene armen, die, onder een groene zon met groene stralen, zichtbaar als de spaken van een wagenwiel, een brandend-gelen akker afmaait; maar, wat men dadelijk herkent, dat is ’t getormenteerde van dat landschap, die dorre hitte, die droogte, die dorstigheid, waaronder de lage, rood-bruine, alom wijd-uitgestrektewijnakkers zich schijnen te wringen, terwijl de zwarte cypressen, als gefolterde en gerevolteerde Mephisto’s, om lucht en leven uit den barren bodem opspiralen.

Montpellier: aschgrijze stad, aschgrijze stof, banaal-moderne straten en banaal-moderne huizen, een stad zooals er duizend andere zijn. Er is een mooi museum van schilderijen inMontpellier. Zullen we daar even ophouden, bezichtigen? Neen; wij zijn niet in de stemming. Trouwens, wij voelen ons, op deze reis heelemaal niet artistiek of litterair aangelegd. Wij reizen als natuurmenschen, willen enkel de dingen van buiten af, in helderdag- en zonnelichtbekijken. Vooruit dan maar! En steeds meer zon, en stof, en wijngaarden, en slechte wegen, en nóg meer wijngaarden en nóg meer wijngaarden, met wegblauwende bergen in ’t verschiet. En danBéziers, het toppunt van de akeligheid, een land dat als ’t ware onder een aschregen ligt begraven, met wegen zóó slecht, dat het soms geraden is om naast den weg, door ’t kluiterig droog land te rijden.

Maar naBézierswordt het iets beter. Wij raken, Goddank, uit de schrale, stoffige wijngaarden, de veel betere weg wordt sterk-stijgend-en-dalend, het land begint te groenen, alsof er iets van teere lente overheen lag en gansch tegen den einder, links, verrijzen weldra hooge bergen: de eerste kammen van de Pyreneeën!

Op een kruisweg staat een paal:Carcassonne45 kilomètres. Goddank! Goddank! Wij hebben ’t land der grijze nachtmerrie verlaten!

Het is een ondankbare taak over sommige plaatsen te schrijven. Ze zijn zoo onbeduidend, of lijken zooveel op andere, reeds bekende en beschreven plaatsen, dat het niet de moeite waard is er aan te beginnen. Maar er zijn er ook, zóó indrukwekkend en zóó mooi, dat men dadelijk voelt aan kracht te kort te zullen schieten om dat overweldigend schoone of grootsche weer te geven.

Tot de eerste reken ikCarcassonne, de vrij onbeduidende beneden-stad. Tot de tweede „La Cité deCarcassonne”, de oude, saraceensche boven-stad, op ongeveer twintig minuten afstand daar van daan gelegen.

„La Cité de Carcassonne” is als een levende fantasmagorie van op elkaar gestapelde wonderen. Nooit heeft de uitbundigste verbeelding van een fantasmagorist alsGustave Doréin zijn reuzenetsen die als nachtmerries aangrijpen, iets zóó formidabels verzonnen. ’t Zijn torens en torens, bogen en galerijen, schietgaten en kanteelen, valbruggen en valhekken, muren en gewelven, de geweldigste orgie van als ’t ware boven op elkaar gestapelde midden-eeuwscheforteres-gebouwen, die een menschenoog ooit heeft aanschouwd.Aigues-Mortes, het alom ommantelde en ommuurde en omtorendeAigues-Morteslijkt iets uit een kinder-bouwdoos, of een suikertaartje daarbij vergeleken!

Maar ’t is niet te beschrijven. Het is tè imposant en indrukwekkend grootsch! „La France n’a pas de bijou plus rare ni de plus merveilleux en tout son écrin” schrijftLintilhau; en de prentbriefkaarten, die men er ter plaatse koopt, dragen als onderschrift, de woorden vanNadaud:

„Il ne faut pas mourir sans avoir vu Carcassonne.”

Het is een fantasmagorie....

Het is of duizend titanen uit alle oorden van de wereld daar bij elkaar gekomen zijn en of ieder er zijn eigen kolossale forteres uit één stuk heeft neergezet. De gansche rotstop, waarop de „Cité” gebouwd is, staat er proppens vol van. ’t Zijn reuzen naast reuzen, de een al grooter en grootscher en forscher dan de andere, reuzen onaantastbaar geharnast in een formidabelen gordel van graniet, en die door hun honderden schietgaten, als door zooveel loensch-kijkende oogen, de gansche streek bespieden.

Die streek is als een zachte, teere poëzie, in vergelijking met de ontoegankelijke barheid van die oude, grauwe steenen. ’tIswazig-fijn-en-blauw alom, met vreedzaam-golvende, wegdoezelende lijnen, tot waar de forsche Pyreneeën rijzen, als eenscherm van glorie dat de wereld begrenst. Hier, op dien rotstop, is alles werkelijkheid, harde, stugge, barsche werkelijkheid; en ook ginds verre, breed aan den hoogen hemel uitgespannen, is forsche, grandiose werkelijkheid; maar alles wat daaronder en er omheen ligt lijkt droom, illuzie, zachtheid, iets lichts en ijls, iets zonnigs en wazigs, als de eigen, teere atmosfeer, waarin zich alles daar koestert.

Ik ken niets mooiers op de wereld, dan de verrukkelijke streek, welke zich uitstrekt tusschenCarcassonneenLourdes, langs de groene heuvelen en dalen van „l’Ariège”.

InCarcassonnehad ik willen beeldhouwer zijn, om in somber bazalt de tragische grootschheid der oude „Cité” uit te beelden. Hier zou ik willen schilder zijn, om in teere kleuren en lijnen de innige bekoring van dit pastorale land terug te geven.

Het is er een en al zacht-herderlijke poëzie. ’t Is er het land der menschen en der dieren, in volkomen harmonische gemeenschap met elkaar en met de schoone, frissche weelde der natuur.

O! die ossenspannen, die men onophoudendtegenkomt! Het zijn fijngebouwde,lichtgrijs- of lichtgemskleurigebeesten, met groote, wijze, zacht-donkere oogen, als de mooie oogen van een mooie vrouw. Zij hebben niet die domme, lompe uitdrukking van onze koeien, zij hebben iets pensiefs en menschelijks, ’t zijn wezens van ras en traditie, als de Bijbelsche dieren uit het Oude Testament.

De leidsman loopt vóór het gespan, recht, mager, met zijn blauwe, platte, Baskische muts op één oor, een lange, dunne roede in de hand. Hij is als een professor die les geeft, hij keert zich even naar zijn beesten om, maakt een trage beweging met de roede en het gespan gaat langzaam-schommelend naar rechts, naar links, daar waar het wezen moet.

De beide ossen zijn met hun horens door het jukhout aan elkaar gebonden. Een grijze schapenvacht hangt als een bundeltje valsch haar laag op hun voorhoofd, hun mooie peinzers-oogen staren van daaronder droomerig vóór zich uit en uit hun mond kwijlt een lang, dun straaltje slijm tot op den grond. Hun ietwat tot elkaar geneigde koppen schijnen heimelijk een bedaard gesprek te voeren:

„Heb jij begrepen wat de baas verlangt?”

„Jawel; en jij?”

„Ik ook.”

„Goed; laten we dan maar heel kalmpjes doorstappen. Als ’t moet zal de baas wel met zijn stokje waarschuwen.”

En dood, dood-langzaam verdwijnt het stil gespan over de zacht-groene heuvelen, de man voorop, de wagen er achter, terwijl zich aan den horizon, onder de blauwe lucht, het prachtscherm der besneeuwde Pyreneeën, als een reuzengrens van ongeëvenaarde heerlijkheid tusschen aarde en hemel uitspreidt.

’t Is een gezegend land en het wekt geen verwondering, dat zigeuners enchemineauxhet tot hun Beloofde Land schijnen te hebben uitverkoren. Hoeveel hebben wij er reeds gezien van die bekende karretjes: een mager paardje in ’t lemoen, een schurftige hond onder den bok, en daar binnenin een gekrioel van bruine gezichten en halfnaakte boezems, terwijl, om het gespan heen, enkele bengels in lompen rondloopen, opdringerig en vinnig schooiend, en dadelijk obsceen uitscheldend, als ze hun zin niet krijgen? Hoeveel van die heerlijke landloopers, zooals ze alleen en uitsluitend in Frankrijk bestaan, fier en eenzaam, echte vrijheidsvogels, poëeten van den grooten weg, komend en gaande zonder zich ooit ergens, al was ’t maar voor één enkelen, vasten, kalmen dag te willen vestigen, onverschillig voor honger, koude, warmte, en hun gansche aardsch bezit in een pakje op den rug dragend?

Zie, daar zit er weer één, op dien zachten grasberm, onder de schaduw van een boom, met een prachtig vergezicht over de zilvertoppen vande Pyreneeën. Dáár, bij dat heerlijk tafereel, en niet elders, heeft hij willen zitten om te lunchen. Hij eet een groot stuk droog brood met witte kaas en hij drinkt rooden wijn uit een halfvolle flesch; en, aangezien hij toch weleenuurtje tijd mag verliezen.... leest hij zijn krant. Want de Franschechemineauis geen dom en ongeletterd wezen; hij interesseert zich voor de dingen, hij heeft een politieke opinie, hij is een poëet.

Mijn dames zijn door ’t schouwspel getoucheerd. Zij smeeken mij om even op te houden; zij willen met dien man eens spreken. Ik houd op.

—Monsieur, est-ce bien la route pour Lourdes, s’il vous plait?vraagt een van mijn dames.

Als een ridder, met zijn groen-verkleurden deukhoed in de hand, is dechemineaudadelijk opgestaan.

—Le chemin pour Lourdes, madame, ah! je ne suis pas du pays, je ne pourrais pas vous dire....

Hij komt naar ons toe, legt familiair een hand op den wagen, kijkt ons allen om de beurt met oogen vol openhartigheid en haast vol deelnemende bezorgdheid aan, herhaalt opnieuw, emphatisch:

—Ah, je suis tellement au regret, madame, vous comprenez, si je pouvais vous renseigner, mais vraiment, je ne puis pas.... Là-bas, peut être, à cette ferme, ou pourra vous dire.... mais vraiment....

’t Gezicht van mijn dames begint vreemd te vertrekken. Zij bedanken den man, een opkomende lachbui bedwingend, en vragen mij om door te rijden. Heel, heel langzaam zet ik weer in gang.

—N’est-ce pas, madame, vous comprenez bien, si j’étais du pays je ne manquerais pas.... klinkt achter ons de stem van den man, die, óverbeleefd, met ons meeloopt.

—Oui, oui, monsieur, merci bien, merci bien, hoor ik mijn dame met benauwd-hikkende stem antwoorden. En, tot mij, kort, kras, gebiedend:

—Maar rij toch door, ik kàn niet meer!

De wagen heeft geen haast, blijft dood, dood-langzaam voortkuieren.

—Ah! je vous assure, madame, que je suis désolé, mais certainement, là-bas, à cette ferme.... ratelt aldoor de dienstvaardige stem.

Met een stillen glimlach kijk ik even om. Mijn dames zien purper, den zakdoek op den mond gepropt, de schouders schokkend, de oogen vol tranen. En steeds blijft dechemineauden kalmen gang der auto volgen, hoed af, de oogen vol meewarige belangstelling, aldoor, met onverstoorde overtuiging, weer herhalend:

—Ah n’en doutez pas, madame, si je savais....

Mijn dames huilen. Zij kùnnen zich niet meer inhouden; de proesttranen springen uit hun oogen en biggelen over hun wangen, zij wringen zich heen en weer en kreunen het uit. Zij smeeken mij klagend om toch in godsnaam door te rijden, en eensklapskrijgt er een ’n soort van crisis, hoestend, proestend, stikkend, den adem afgesneden, terwijl de stem steeds achter ons blijft galmen:

—Mais là-bas, à la ferme, ah, oui, assurément....

Wij zijn óp. Ook mij wordt het ineens te machtig; ik zie niet meer van ’t lachen, ik kan mijn stuur niet meer vasthouden, ik breng mijn wagen op den zijkant van den weg en „là-bas, ah, oui, assurément, à la ferme” moet ik even stilhouden om ons allen uit te laten blazen.

O! die franschechemineaux, die Don-Quichotten, die heerlijke poëeten van den vrijen, ruimen weg!

Dit had Breughel moeten schilderen....

Een klein stadje met pittoreske oude geveltjes, aan beide oevers van een vlug en helder, over gladde keien stroomend riviertje. Een groote plaats met oude kerk in ’t midden, en op die plaats de groote jaarmarkt!

Een onbeschrijfelijk, onontwarbaar door-elkander gekrioel van menschen, karren en dieren. Een geschreeuw, gehuil, gejank, om er dol van te worden. Koeien, paarden, honden, varkens, ganzen, kippen, eenden en konijnen, alles in één woelende kluwen, bij honderden, bij duizenden!

’t Is als een gekkendans! Wij rijden, stapvoets, door een omgekeerde wereld, door een overweldiging van ’t dierenrijk. ’t Is als een uitgelaten arke Noachs! Zullen we daar ooit doorkomen? Of zullen we ook mee gaan gillen, springen, dansen, brullen, totdat we doof en stom worden? Ik begrijp niet hoe wij er zoo opeens midden in zijn; en ik begrijp nog minder hoe wij er eindelijk uit zullen geraken. Of is ’t een hersenschim geweest, een nachtmerrie?

Neen, het is werkelijkheid. Wij zijn er in geweest, en nu zijn wij er weer uit. Hoor maar: het oorverscheurend noodgebrul klinkt nu áchter ons op, en vóór ons uit, over den blonden, mooien weg, tusschen het heerlijk-frissche groen der heuvelen, rijden alweer de wijze, kalme ossenspannen onder de leiding van hun voerman, die als een professor met zijn roede vooruit stapt.

O! als Breughel zoo iets had gezien....!

Maar wat is dàt? Wat komt er ginder aan?

Een auto?.... Jawel....! Toch niet.... Ja, toch wel!

Een auto; en, aan ’t stuur van de auto, een heer!

Maar dàt is ’t wonderbare en schrikwekkende niet. Het wonderbare en schrikwekkende is wat er vóór de auto gaat.

Vóór de auto, in doodkalm-bedaarden gang, zijn lange roede op den schouder, zijn blauwe muts scheef op één oor, een pijpje in den mond, stapt een lange, magere, Baskische voerman. Zijn ossen volgen hem, hun mooie koppen onder ’t juk licht tot elkaar geneigd, als voerden zij een heimelijk gesprek over de ontzettende gebeurtenis; en, achter de ossen komt de auto, zacht-schommelend voortgetrokken, in een gangetje van drie per uur.

Ik stop.

—Monsieur, peut-on faire quelque chose pour vous?vraag ik den heer achter ’t stuur.

—Hélas! non, monsieur, j’ai cassé mon embrayage, antwoordt hij met een gelaten glimlach, en groet beleefd mijn dames.

’t Is als een lijkstoet, die voorbijtrekt. Op de achterbank der auto liggenplaids, kleurige sluiers, mantels. Daar hebben dames in gezeten. Waar zijn ze heen? In welke kampong afgeladen, terwijl de heer, getrokken door twee ossen, ergens zijn wagen in veiligheid brengt?

Ik keer me totmijndames om. Zij zitten stil, met ernstige gezichten. Ja, ja, zoo iets kan ons ook overkomen. Wie weet of we straks ook niet....

—Schei uit! roepen ze, griezelend; en kijken, vol angstige meewarigheid, den auto na.

Zacht-schommelend op zijn veeren, daalt hij inzijn slakkegangetje de helling af. Toch moet de heer nog even remmen; anders loopt hij van zelf in de hielen der ossen. Wat ’n derisie: een auto te moeten remmen die door ossen voortgetrokken wordt!

Eventjes, als een professor die les geeft, heeft de lang-magere Bask zich met zijn roede omgekeerd. Hij schijnt een woord van diepe wijsheid uit te spreken, en de ossen, koppen naar elkander geneigd, hebben het blijkbaar begrepen.

De heer aan het stuur haalt philosophisch een sigaretje uit en steekt het op.

Wij reizen door land van wonderen.Lourdesligt daar ergens in de groene bergen en iets van het mirakuleuze schijnt over de gansche streek te zweven. Hier, en hier alleen, kon het mirakel zich als een tastbare werkelijkheid openbaren. En het schijnt niet vreemd, dat overal „calvaires” en heilige beelden aan de rotsen hangen en in ieder herderinnetje dat haar ganzen of haar schapen wacht, ziet men een evenbeeld der kleineBernadette, die Onze Lieve Vrouw in ’t grotje zag verschijnen.

Het is het land der mysterieuze grotten en der mirakuleuze bronnen. Hier is „le Mas d’Azil”, hetwereldberoemd wonder: een dorpje als een schilderij, tegen den hoogen groenen berg; en dwars doorheen den berg een grot, electrisch verlicht, die meteen openbare weg is, met in de schemerige diepte een bruischenden stroom, die schuimend over rotsblokken en reuzengroote keien rolt.

De avond daalt. Het schouwspel wordt steeds schooner en aangrijpender. De herderskudden keeren huiswaarts, in ’t zacht geklingel van de belletjes; de trage, wijze ossenspannen schijnen als met goud omgoten en ginds verre, verre, o, zoo hoog en verre, kronen zich de blanke hemelkruinen van de Pyreneeën met fonkelende diademen van oranje en rose en purper. Het is het uur der heilige verschijningen. Een onuitsprekelijke vrede zweeft als een zegen over ’t gansche, stille, langzaam in de duisternis wegdoezelende land. Niemand van ons spreekt meer. De wagen zelf is als verstomd en schuift onvoelbaar, in het zachte snorren van den motor, over den op en neer deinenden weg.

Het wordt weldra te donker om nog verder zonder lichten door te rijden. Ik steek de „phares” aan. Als twee helle zoeklichten schijnen zij, ver vóór ons uit, de wondere geheimen van den nacht te willen peilen.

Wat komt daar eensklaps, in dat klein, armoedig herdersgehuchtje, tusschen de fantastisch-verlichte, leemen hutjes op ons aan? Zijn het de engelen, vijf, zes, zeven kleine engelen, door een grooteren engel vergezeld? Zilverig worden hun roerloos-uitgespreidevleugeltjes van onder door de phares verlicht, terwijl hun engelenkopjes, evenals het hoofdje van de engelen-hoedster, onzichtbaar in ’t grijsnevelige van den nacht versmelten.

Met een schok houd ik stil. Ik weet niet wat ik zie, noch of ik droom of waak. Maar heel kalm komen de engeltjes voorbij en zeggen iets, met vreemde, schrille stemmen.

Het is een kudde ganzen, met hun herderinnetje! Zij zwenken allemaal op zij, met van verbazing uitgestrekte halzen enwijd-uitgespreidevleugelen, zij loopen ’t erf op van een boerderijtje, verdwijnen in het schemerduister, naast hun hoedstertje....

’t Is jammer datLourdeszelf die teere poëzie zoo komt verstoren....Lourdesheeft het mirakuleuze ál te grof gematerialiseerd. Die basiliek, die piscines, dat Lieve-Vrouw-beeld in de grot omringd van honderden en honderden brandende waskaarsen: en dan die groote hôtels, die groote winkels, en dat overal-verspreide aanplakbordje „attention à votre porte-monnaie!” o, wat zijn we verre, vérre, van het nederig herderinnetje en haar poëtische verschijning!

’t Is er nu nog de stille tijd, er komen in het najaar weinig bedevaarten of processies; maar hoe zal het er zijn in de volle drukte, wanneer daar dagelijks honderden en duizenden bedevaarders en boetelingen uit alle wereldstreken aanlanden, wanneermonseigneurde bisschop vanTarbes, in schitterend prachtgewaad, met zijn staf van kanunnikken en priesters, onder vaandels, wierook en gezang aan ’t hoofd van de processies stapt, wanneer het aardig stadje aanhoudend vol lawaai is als een kermis en de hopelooze reizigers en bedevaarders van ’t een hôtel naar het ander moeten jakkeren, op zoek naar een meer dan problematisch onderkomen!

Neen, het mooie, en romantische, en ook het mirakuleuze vanLourdesligt niet inLourdeszelf, maar overal er omheen. ’t Is er verrukkelijk, waar men ook komt, en alles ziet er zoo frisch en groen uit, met witte en roode huisjes in de groene bergen. Terwijl ik even, zoover mogelijk van de bedroevend-gebanaliseerde basiliek en grot verwijderd, door de kleine, oude, sterk-stijgende straatjes van het plaatsje wandelde, weerklonk eensklaps een aller-zachtst en melodieus horengeschal. Ik hield stil en zag uit een steegje een zeer gewoon vrachtkarretje komen, waarop een man zat, die zoo heerlijk musiceerde. Ik dacht, dat hij toeristen opriep voor een mooien rit in de bergen. Neen, ’t was een eenvoudige kruier, die oude vodden of dergelijke rommel opzamelde. Hij verdweentusschen de groene heuvelen en zijn behoorlijk geschalmei echodezacht-wegstervendlangs de grijze rotsen. ’t Was of de stoere heldenziel vanRolanden ’t mystisch-smachtend herderinnezieltje vanBernadetteterzelfdertijd in éénen lofzang werden opgewekt. Ik had wel mee met dien man de bergen in willen gaan....

De weg vanLourdesnaarBiarritzvalt tegen, na de verrukking van de wondertocht tusschenCarcassonneenLourdes.Pau, het rijke, maar benauwendePaumet zijn witte prachthôtels en mooie tuinen kon ons slechts matig boeien en met weemoed keken wij voor ’t laatst naar de glanzend-witte sneeuwtoppen der Pyreneeën, die wij niet meer zouden zien.Paumocht liever „Pot” heeten. Men kan er overvloedig transpireeren, maar hoogst bezwaarlijk ademhalen. Bijna nooit schijnt er een tochtje frissche lucht over die lauwe kuip te waaien. Je krijgt een indruk van stil en gelijkmatig stikken. Zelfs onze zoo kranige motor moet er onder lijden. Hij hijgt merkbaar en vat eerst weer goed adem als wij uit dat stoombad en boven op de hoogte zijn.

Nu rijden wij volop door ’t Baskisch land. Het zegt ons niet veel; het is niet mooi van kleur. Bijna al de bergen, die vol staan met groote, droge varens, hebben een donker-bruine-of-chocolade-tint en de huizen zijn wit, met rood-bruine deuren en luiken. Dat is als de kleur zelve van de geheele Baskische streek. De gezichten der menschen zijn bruin, hun kleeren zijn bruin, hun wagens en ploegen en karren zijn bruin. Zij lijken een stille, ernstige, sobere, ietwat gedrukte bevolking. Ook hun kinderen—en hier komen ze veel talrijker voor dan overal elders in Frankrijk—hebben dat stil-gedrukte over zich. Van hun taal, die men zelden luid hoort spreken, begrijpen wij geen iota.

Cambo!het dorpje waarRostandwoont. Hier moet ik wel even ophouden. Mijn dames zouden ’t mij nooit vergeven als ik er zoo maar langs reed. Waar zou hij toch wonen? Waar zou zijn villa staan, die villa, dat kasteel, dat paleis, waarvan men wonderen vertelt.

—Dáár, zeg ik, op goed geluk af, naar een chaletje, dat boven op een heuvel staat, wijzend.

Mijn dames zijn verontwaardigd, vinden mij een soort van heiligschenner. De geniale dichter bewoont immers een soort van aardsch Paradijsje!

—Pardon, monsieur, vraagt een van mijn dames aan een man die juist langs komt,pourriez-vous me dire où habite monsieur Rostand?

Goeie morgen, ’t is of mijn dame Turksch sprak; de man haalt zijn schouders op, begrijpt geen steek.

—Heusch, het is zoo, hoor maar, daar kraait een haan:Chantecler!herhaal ik ongestoord.

Mijn dames gunnen mij zelfs geen blik meer. Zij beschouwen mij als een láág wezen. Gelukkig komt ginds een oude cantonnier aan; die moet natuurlijk Fransch kennen; en, zoodra hij in ’t bereik is, klinkt opnieuw de vraag:

—Pardon, monsieur, pourriez-vous me dire où habite monsieur Rostand?

—Là, zegt de man, omhoog naar het chaletje wijzend, precies zooals ik zelf gedaan had....

Ik heb mijn triomf met bedaardheid gevierd. Ik heb niet gepoogd mijn ontstelde dames onder mijn onbetwistbare superioriteit te vernederen. Met haar was ik het er eens over dat de woning van den opgeblazen poëet er uiterlijk niet bizonder poëtisch uitzag: een vrij gewone Baskische villa, wit en roodbruin, als alle andere.

—Mais ce n’est pas beau!riepen mijn dames, op een toon van verwijt tot den ouden cantonnier, alsof deze het beteren kon.

—C’est bien beau quand on est là-haut, verzekerde, kalm-bewust, de man.

—Peut-on visiter la propriété?vroeg nog een van mijn dames.

—Oh, non, madame, antwoordde de man meelijdend-glimlachend het hoofd schuddend, alsiemand zou doen aan wien een kind vraagt of het den hemel mag bezoeken.

Mijn lieve dames waren zeer, zeer, zéér teleurgesteld.

Iemand dieBiarritzgoed kent had mij gezegd:

Het mooie, het eenig, álles-overtreffend grootsche en mooie vanBiarritzis er de ongeëvenaarde woeste golfslag van de zee. Het is er, zelfs bij kalm weer, een aanhoudende, bruischende en spattende en schuimende branding van meters hoog, die de gansche kust op fantastische wijze heeft uitgehold en uitgevreten; en de groote rotsen, die ten allen kante langs den oever liggen, zijn als reuzebeesten, telkens door de wilde baren overweldigd en weer bloot gelaten, met gansche plakken en cascaden glinsterend-afstroomend en wegschuimend water, alsof de onwrikbare monsters, na elke formidabele aanranding, half-stikkend uit de diepte opdoken, den stortvloed van zich afschudden en wegspuwden, om opnieuw forsch adem te halen.

Dat schouwspel, dat eenig mooie schouwspel, mochten wij, gedurende de vier dagen van ons verblijf, geen enkele maal bewonderen. De wind zat in het oosten, en de zee was en bleef aldoor van een hopelooze, spiegelgladde eentonigheid.

IsBiarritzook anders mooi? De moeite waard om er een tijd te blijven? Ik weet het niet. Al die cosmopolitische luxe-plaatsen lijken op elkaar. Het eigenaardige is gauw gezien, de groote hôtels zijn overal dezelfde, alsook de menschen, die de groote hôtels bewonen. Waarom zitten ze dáár op elkaar en niet elders? Ik weet het heusch niet. Er is geen reden voor. Er is geen andere reden voor dan dat het toeval of de mode gewild heeft dat ze juist dáár bij elkander kwamen.Biarritz, Nice, Monte-Carlo, Oostende, ’t is allemaal, de eigenaardigheid van iedere streek en het verschil van klimaat daar gelaten, allemaal precies hetzelfde. Het karakteristieke van die plaatsen is, dat ze absoluut geen eigen karakter hebben. ’t Is cosmopolitisme en, als zoodanig, eentonigheid. En het is best te begrijpen, en zelfs onvermijdelijk, dat de speciale aantrekkelijkheid van al die oorden,—in zooverre men van aantrekkelijkheid mag spreken—geheel en al buiten eenige locale stemming om gaat. ’t Is er gedesoeuvreerd, geblaseerd en vooral gebanaliseerd.

Het is er, of wordt er al heel spoedig, met één woord: stom-vervelend!

Wie teBiarritzeen poos verblijft, gaat onvermijdelijk, al was ’t ook maar heel eventjes, overde grens, tot in Spanje. Dat zou niet anders kunnen. Men moet toch, thuisgekomen, mogen zeggen:

—Ik ben ook in Spanje geweest.

Wij zijn er dus ook geweest.

De auto betaalt twaalf frank inkomrecht voor één dag verblijf, twaalf frank, die niet worden teruggegeven. Het land is arm, men moet wel iets voor armen over hebben.

’t Is anders al niet veel de moeite waard. ’t Is al weer het zelfde als aan dezen kant der Pyreneeën. Aan de overzijde derBidassoa, het grensriviertje, staat een douanier die een ander uniform draagt dan de Fransche en dat is alles. Ge zijt in Spanje. Geen speciale typen, geen nationale kleederdracht, geen apart karakter van dorpen of steden. De bruine bergen, de bruine menschen, de bruine ossenspannen, ’t is nog en steeds dezelfde kleurlooze, Baskische streek. Alleen de weg vertoont een gunstig verschil met vele Fransche wegen. Alonzo is eensport-koning, zijn zomerpaleis staat hier in de buurt, teSan Sebastian, en van daar uit tot aan de Fransche grens heeft hij een prachtweg laten aanleggen. Al is het ook een sterk dalende en stijgende, bochtige bergweg, men hoeft niet zoo voorzichtig te rijden: iedere bocht ligt met een schuine, hooge helling aan den buitenkant, als in een wielerbaan, zoodat men geen gevaar loopt er uitgeslingerd te worden.

Zoo komt men al spoedig inSan Sebastianaan. Een tamelijk groote, moderne, banale stad, methooge huizen en rechte straten. Een mooie baai, deConcha, waar ook het nog al onbeduidende koninklijk paleis staat, en daar omheen een massa luxe-villa’s en hôtels, die allemaal gesloten zijn.

Waarom hier allen gesloten en waarom inBiarritzallen bewoond? Het is precies dezelfde streek, precies dezelfde zee, precies hetzelfde klimaat, precies hetzelfde volk, zou ik haast zeggen. Waarom? Omdat de mode, het cosmopolistisch snobbisme het zoo wil. En ’t eigenaardigste is nog wel, dat het in hoofdzaak Spanjaarden zijn, Spanjaarden uitSan Sebastian, die aan de mooie Concha vanSan Sebastianhun villa’s hebben, die nu op ’t oogenblik in de hôtels vanBiarritzop elkaar gehokt zitten. Waarom....?

Explique qui pourra!

Over denzelfden prachtweg van den Spaanschen sport-koning reden wij naarBiarritzterug. Maar in ’t voorbijgaan zouden wij ’t beroemdeFuenterrabiabezoeken. Hoe of dat nu zoo in mijn hoofd zat begrijp ik niet, maar vast als een klinker inden steenweg zat het er in, datFuenterrabianiet in Spanje, doch in Frankrijk lag.

—La route pour Fontarabie, monsieur?vroeg ik aan den Franschen douanier, die ons op de brug derBidassoa, voor de visitatie, even tegenhield.

—Fontarabie, mais vous en venez, monsieur!klonk het verbaasde antwoord.

—Fontarabie n’est donc pas en France?

—Mais non, mais non, monsieur.En de man deed mij uiteen hoe ik, tePasaje, tusschenSan SebastianenIroen, links had moeten inslaan.

—Laten we terugrijden; we willenFuenterrabiazien! riepen eenstemmig mijn dames.

—Zou ik weer over de brug mogen zonder een tweede maal tol te betalen? vroeg ik den Franschen douanier.

De man trok een zeer bedenkelijk gezicht.

—Je n’oserais pas l’affirmer; ça dépend du douanier Espagnol. Vous pourriez toujours essayer, zei de Franschman.

Ik reed mijn wagen op zij, stapte uit, kwam over de brug, bij den Spaanschen tolbeambte.

—Señor, begon ik, in ’t beetje Spaansch dat ik ken, en bracht op beleefden toon mijn verzoek uit.

—No, señor, antwoordde de Spanjaard, kalm maar beslist het hoofd schuddend.

—Ja maar, het is ’n vergissing,señor, ik dacht datFuenterrabiain Frankrijk lag, drong ik aan.

—’t Kan me niet schelen, señor, zei de man.Als ge weer in Spanje wilt, moet ge betalen: twaalf pesetas! En hij dokte met zijn rechterduim in zijn linker handpalm om het mij duidelijk genoeg te maken.

—Als ’t zoo is, stik,señor, jij en je schooiersland, besloot ik in behoorlijk nederlandsch, en keerde terug naar mijn wagen.

—Non?vroeg mij van verre, met een glimlachende hoofdschudding, de fransche douanier.

—Non, hoofdschudde ik, berustend, tot antwoord.

—Si vous lui aviez donné quelques pesetas de pourboire, vous auriez bien passé, zei de Franschman.

Daar had ik niet aan gedacht. Mijn dames, vast beslotenFuenterrabiate zien, wilden dadelijk het fooi-middel probeeren.

—Neen, zei ik, beslist. Die onhebbelijkeseñorkrijgt nu eens geen fooi. En de Spaansche tol krijgt ook geen tweede maal twaalf pesetas. Die gansche streek is heusch geen twaalf pesetas waard.

Maar mijn dames wildenFuenterrabiazien.

Er is een ander middel, zei de Fransche douanier. Rijdt naarHendaye, de eerste weg links, daar boven op den berg, en laat u van daar uit in een bootje naarFuenterrabiaoverzetten.

Wij reden....

Maar ’t was een dag van tegenspoed en van vergissing; ik vond den weg niet boven op den berg, reed door, steeds zoekend, kwam eindelijk, in plaats van teHendaye, inSaint Jean de Luzaan.

—La route pour Fontarabie, monsieur?riepenmijn dames tot den eersten man, dien zij konden aanklampen.

—Vous en venez, mesdames!klonk het verbaasde antwoord, net als op de brug van deBidassoa.

Mijn dames begonnen kwaad te worden, kwaad op mij.

—Hoe is ’t toch mogelijk! riepen zij geërgerd.

—Fuenterrabiabestaat niet meer, antwoordde ik met een ernstig gezicht. Heusch, ik heb onlangs nog gelezen dat het niet meer bestaat. Maar er zijn nog prentbriefkaarten van. Laten we die hier koopen, dan hebben we ’t tòch gezien.

Ik kreeg een parasol-slag op mijn hoofd:

—Wil je wel dadelijk rechtsomkeer maken?

Ik maakte, gedwee als altijd, dadelijk rechtsomkeer, maar de auto, ditmaal, maakte die niet zoo gewillig mee. ’t Was of hij zeggen wou: „Nee, nee, ik heb er nu genoeg van. Laten we nu hier ’n poosje kalmpjes blijven.”

’t Is gek, zei ik, tot mijn dames: ìk wil wel, maar de wagen wil niet meer. En ik steeg uit, om te zien wat er aan scheelde.

Alle twee mijn voorbanden plat! Spijkertjeswee! Spaansche grensspijkertjes!

Dames, zei ik met een wanhoopsgebaar....

’t Hielp niks. Zij wìlden naarFuenterrabia.

—Maar ik kàn niet, lievelingen. Laten we eerst gaan lunchen. Terwijl zal ik hier, in een garage, mijn banden laten repareeren.

Verloren moeite. Zij wìllenFuenterrabiazien. Zij bestellen een rijtuig en vertrekken dadelijk, zonder lunchen, mij gansch alleen, met mijn twee platte banden achterlatend.

Ik sukkel naar een hôtelletje, laat daar, terwijl ik lunch, om een „mécano” telefoneeren. Al spoedig staan een paar kerels, in werkboezeroen, om mijn wagen. Ik laat mijn visch in den steek, kom buiten, vraag hen:

—Komen jullie mijn banden opleggen?

Een hoofdschuddend gegrinnik; geen antwoord. O, ’t zijn kijkers, hinderaars. Ik haast me weer naar binnen. Te laat: de lekkere vischschotel is verdwenen.

Daar zijn er nog twee. Die komen toch wel zeker om te helpen, want de een loopt snuffelend als een speurhond rondom den wagen, terwijl de ander, met zijn handen, de voorbanden nog platter drukt. Weer leg ik vork en mes neer, kom buiten, zeg aan den man, die op de banden duwt:

—Er zit door iederen band een spijker; daar onder in den bak zijn nieuwe binnenbanden.

Een gegrinnik, geen antwoord, maar druk lach-gepraat met de twee andere vlegels, in een onverstaanbare taal.

Als ik in de eetzaal terug kom is mijn bord met roastbeef en groenten opgeruimd.

En weer komen er nieuwe pummels om den wagen....

Ik wensch aan vriend noch vijand teSaint Jean de Luzvóór het hôtelletje „en panne” te staan. Dertig Baskische pummels—ik heb ze geteld—verdrongen elkaar gedurende een uur met de handen in hun zakken, terwijl de banden werden opgelegd. De beide „mécanos”, die eindelijk uit de garage waren opgedaagd, zweetten van ergernis en benauwdheid midden in al dat hinderend volk, dat daar als een inerte en onverdrijfbare massa omheen stond. Zelfs toen alles klaar was en ik aan het stuur van den snorrenden wagen zat, schenen ze niet te begrijpen, dat ze uit den weg moesten gaan om niet omvergereden te worden. Het scheelde bitter weinig of een groote dikkerd met een kleine pet op, die halsstarrig zijn vleezigen poot op het spatbord bleef zetten, werd een eind meegesleept.

En mijn dames....?

Eerst om elf uur ’s nachts, uitgehongerd en opgewonden, kwamen zij, per spoor, inBiarritzterug. Zij waren vreeselijk afgezet geworden, bedrogen, bestolen, zoodat zij nog nauwelijks genoeg over hadden om derde-klasse biljetten te nemen. Maar zij hadden genóten:Fuenterrabiawas heerlijk, prachtig, eenig op de wereld, en, aangezien ze nu goed den weg kenden, wilden zij er den volgenden dag weer met mij heen.

Ik schudde mijn hoofd.

—Waarom niet? Het is prachtig! jammerden mijn dames.

Ik schudde mijn hoofd; ik blééf, zonder een woord te spreken, mijn hoofd schudden.

—Jawel, je gaat mee, drongen zij aan.

Mijn hoofd schudde vanzelf, als een los poppenhoofd op een pinnetje, van neen, van neen, van neen.

Mijn dames haalden minachtend de schouders op.

Aldoor schuddend, van neen, van neen, en nóg van neen, verdween mijn wiebelend, maar stijfkoppig hoofd, door de stille hôtelgangen, naar het slaapvertrek.

En zoo heb ikFuenterrabianietgezien.


Back to IndexNext