VANDIJONNAARLYON.

Dijonis de eerste, echte, aanzienlijke Fransche provinciestad, die wij op onzen weg ontmoeten: levendig in haar voornaamste straten, dood zoodra men in een zijstraat komt; groote winkels, drukke, helder-verlichte café’s en geverfdecocottes, alles „genre Paris”.

Ik begrijp dat de verstandige en ontwikkelde Franschen in zulke steden over de zoo noodige nationale decentralisatie wanhopen. ’t Is toch ellendig dat er in zulke groote steden, en in nog veel grootere, alsLyon, Marseille, Bordeaux, Toulouse, feitelijk geen zelfstandig leven bestaat. Dat daar geen boek wordt gedrukt, dat er geen courant verschijnt, waarvan men den titel of den naam onthoudt. Alles moet alleen en uitsluitend van Parijs komen, moet op Parijs gelijken, aan Parijs herinneren, om in den smaak te vallen.Rue de Paris, Boulevard de Paris, Place de Paris, ’t is overal, in elke groote Fransche stad hetzelfde!

En toch, wat zijn ze interessant en mooi, zoo vol van eigen schoon en van eigen traditie, de meeste Fransche steden! Zie maarNancy, dat zicheindelijk aan den band schijnt te ontknellen, en ookDijon, buiten zijn Parijsche winkels en Parijsche straten, in de oude, stille buurten waar de vreemdeling veel te weinig en de inboorling bijna nooit komt. Wat is er grootscher, imposanter, ontroerender, om maar één te noemen, dan die oude, formidabele kathedraal vanDijon, zooals ze daar eenzaam staat, oprijzend als een forteres boven de kleine pleintjes en vergeten straatjes van haar slaperige omgeving?

En toch.... er is de laatste jaren veel veranderd. De mooie Fransche „province” begint gekend en gewaardeerd te worden, tot haar recht te komen, dank aan den automobiel.

Daar waar de rijke toerist, die benevens geld ook over tijd beschikt, vroeger nooit kwam (en wat spreek ik van toerist: hij bestond niet eens) is hij nu vanzelf genoodzaakt zich soms een poosje op te houden. Zoo’n toerist heeft behoefte aan een modern, comfortabel ingericht hôtel, en het hôtel is er gekomen. Zoo’n toerist heeft enkele uren tijd te besteden, hij gaat de merkwaardigheden van de stad bekijken, is meestal verwonderd en verrukt als bij een onverwachte openbaring, en spreekt er vol geestdrift over met zijn vrienden, die het op hun beurt willen zien.

Die fransche hôtels in de provinciesteden! Men moet daarover hooren vertellen door reizigers van een twintigtal jaren geleden, en dan eens ervaren hoe ze nu geworden zijn!

Het was om zoo te zeggen niet mogelijk eertijds in de fransche „provincie” te reizen. De meeste hôtels waren te walgelijk vuil. Nu, zelfs in de kleinste stadjes, vindt men overal nette kamers, een frissche keuken en eetzaal en een behoorlijkelavatory-inrichting. Dat heeft het modern toerisme, voornamelijk het auto-toerisme, door de alom vertakteTouring Club de Francegesteund, weten te bewerken. Maar dring dan ook als reiziger niet verder door, dan in die afdeelingen, waar je als reiziger hoort te komen. Zoodra je ook maar even buiten die grenzen treedt, stuit je dadelijk, zelfs in de beste en meest modern ingerichte hôtels, op den onnoemelijken, ouderwetschen rommel en de aarts-grondige vuilheid der Franschen. Alles wat uit de nu helder- en frischgeworden vertrekken werd weggeruimd: gescheurde kleeden en bezoedelde lappen, verroeste kastrollen, bebloede kippeveeren, verzuurd, beschimmeld eten, gebroken flesschen, afval van groenten, álles heeft zijn stapelplaats gevonden in de achterhokken en vormt er een vuilnishoop, die alle beschrijving te boven gaat. Dat is eenvoudig niet meer op te ruimen en de toerist moet het dan ook maar beschouwen als „la part du feu” zooals de Franschen zeggen en zich tevreden stellen met het heel veel goede dat hij eindelijk toch verkregen heeft.

TusschenDijonenLyonrijdt men uren lang,meestal over breede prachtwegen, door de weelderige wijnstreek vanBourgogne. De fijne-wijn-liefhebbers kunnen hier, in verbeelding, „genieten”.Nuits, Chambertin, Beaune, Clos Vougeot, ’t is om er van te watertanden! En overal, rechts en links, boven de wijngaarden uit, die prachtkasteelen, waar de heerlijke „crûs” geborgen liggen! Men denkt aan dikke, roode heeren met gloeiende nekken, aan óver-welgedane pastoors en bisschoppen, met stralende gezichten om een reuzendisch gezeten, den vol-glanzenden beker in de hand. Men denkt ook aan het „pootje”, aan ’t vreeslijke, aan ’t pijnlijke, aan ’t pootje dat jammerend doet om water schreeuwen, na al dien overdaad van zwaren wijn. Er is werkelijk tè veel wijn en tè weinig water in die streek. Het is er te rijk, te pléthorisch. Je voelt je ’n indigestie krijgen enkel bij het doorrijden.

Als iemand mij vroeg: „wat zie je nu eigenlijk van ’t land en wat voor soort van landschap is het, tusschenDijonenLyon,”dan zou ik eventjes mijn oogen moeten sluiten en nadenken.

Ja, wat is het? Wat was het? Welke vorm? welke kleur, welk soort afwisselingen?

Het is, eenmaal buiten de rijke wijnstreek, eentonig, zooals het veelal is in Frankrijk, evenals in andere landen: een eindeloos-lange, blonde weg, stijgend en dalend, tusschen verlaten landerijen, van een vale herfstkleur. Weinig boomen, tenzij hier en daar een donker bosch; weinig huizen, behalve nuen dan een armzalig grauw-steenen krot, weinig beweging, weinig menschen, en bijna geen kinderen; en aldoor het gevoel dat er aan dat landschap iets ontbreekt, iets waaraan je gewend was en dat je overal zoekt zonder precies te weten wàt je zoekt, tot je ’t plotseling, als bij intuïtie, ontdekt: ’t totaal gemis aan windmolens, die zoo aardig, overal, ons noorderland stoffeeren!

De zeer zeldzame, vaalkleurige dorpjes, de doorgaans pittoreske kleine, vale stadjes, met hun oude wallen en hun slapend water, geven af en toe wel wat afwisseling aan die eentonigheid; maar ’t wordt toch dadelijk weer hetzelfde, dezelfde troostelooze, vale uitgestrektheid, dat vale over huizen, menschen, landerijen, dat vale over alles, als de doodskleur zelve van die eindelooze, doodsche streek.

Bergen zien is op zichzelf al een genot voor vlakkeland-bewoners. Groene, blauwe, roze en violette bergen, met oude, grijze dorpjes op de zonnige hellingen; bergen met witte wolken om hun top; bergen links en bergen rechts, omlijstend in de diepte een breede, zacht kronkelende rivier....’t is mooi, romantisch-mooi, als de sprookjesvertellingen uit onze jeugd.

Zoo strekt zich voor ons uit hetRhône-dal.

Lyon, in zijn diepe kom, lag, als bijna altijd, nevelgrijs en grauw van rook en mist; maar boven op de hoogte vanSaint-Symphorienwas ’t als een blijde zonnevuur dat op ons wachtte, een heerlijk-zacht-streelende straling in een helderblauwen hemel.

En mijn dames, mijn lieve dames, die den vorigen dag van de zwoele rijkheid derBourgogne-streek maar half genoten hadden en ook verder ’t vale land wel erg eentonig vonden, genoten nu weer en juichten, gansch herlevend in de warme zonnekoestering onder hun van lieverlede neerzakkende plaids en mantels. Zij zagen bloeiende rozen langs de gevels der huisjes en wilden die plukken; zij vroegen of ’t niet mogelijk was zoo maar in eens tot de violette en rose bergen door te rijden, en zij hadden ook wel graag gevaren op het blauwe water van deRhône, steeds rustig zittend in de auto, die dan een schuitje zou geworden zijn.

Ik deed haar de eerste, nog schrale, zilvergrijze olijfboompjes opmerken, en ook de sombere cypressen, die, in dichte, zwarte, tegen den wreeden mistral-wind beschuttende hagen, als langs kerkhoflanen staan, en ook de teer-zacht-groene pijnboomen, de altijd frissche en groene, die als een lenteglimlach zijn naast het te somber harde der cypressen. „Les pins du Midi” noemde ik ze in ’t Fransch, wat aan mijn tweede dame, die wel aan distracties lijdt, de vraag ontlokte:

„Pain du Midi!Waar ziet u dat? Is er hier een bizonder soort brood?”

Zoo reden wij den ganschen dag, langs de rivier tusschen de bergen, onder den blauwen hemel en de warme zon. Wij zagen die vroolijke, zonnige, als ’t ware voortdurend zingende en jubelende steden:Vienne, Tournon, Valence, Montélimar(waar we géén nougat kochten),Orangemet zijn in het oranje avondlicht goudrose wordende, romeinschen triomfboog enthéâtre antique, en nog juist vóór schemering kwamen wij teAvignonaan.

Ditmaal wil ik slechts één enkele impressie vanAvignonin mij bewaren. In de schemering zijn wij naar ’tPalais des Papesgeklommen, en dáár, op het terras, omringd reeds door de duisternis van ’t park, hebben wij, in de diepte, de oude stad met haar omgeving langdurig bekeken.

Het was ontroerend-grootsch!

Als een ontzaglijk reuzengevaarte rees het paleis uit de rots naast ons op,fosfoor-geelin de avondschemering, met zijn torens en kanteelen, als ’t ware tot de eerste, nauw-zichtbare sterren van den somberenden hemel reikend. Er hing een indrukwekkende atmosfeer van macht en stilte omheen.Het was zóó grootsch, en zóó stil, dat het bang maakte. Het was alsof ’t alleen bestond, boven en buiten alles om.

Daaronder, in de diepte, lag de stad, met al haar dicht naast elkaar geschaarde daken. Die hadden, in het twijfellicht, een heel teere, wazig-grijs-mauve kleur, die „couleur tourterelle” zooals Loti in de Perzische steden beschrijft. Hier en daar begonnen reeds zwakke lichtjes te blikkeren en aan den einder, wijd over ’t verre, wegsomberend en golvend land, rees de maan, groot en rond, met doffen nevelgloed, als een dood lichaam, dat met een zwakken naglans nog naar al die verleden en vergeten dingen eener vroegere grootheid komt kijken.

Uit de vage diepte, waar nu talrijker de lichtjes blonken, steeg een vaag geritsel op, als van stil-knetterende kaarsjes om een lijkbaar. ’t Was als een stille, droeve bede in de neerzijgende duisternis. Het was of gansche volkeren biddend zaten neergeknield om een overweldigend reuzenlijk.

En eensklaps sprak dat lijk, met formidabel-diepe bronsstem, gansch alleen in de plechtige stilte, als ’t ware een sombere klacht van toorn en lijden uit. De groote klok van het paleis sloeg het vergankelijk uur en toen die gezwegen had, zweeg ook alles weer in stommen eerbied, en men hoorde enkel nog het zwak geritsel van de knetterende kaarsjes daar beneden, in de biddend-neergeknielde, doodsche stad.

De boomen en de heesters om ons heen warengitzwart geworden. De maan rees hooger in den hemel, met verhelderden glans over de daken; en het Paleis, vaalgeel verlicht, scheen vol hoogmoed die komst te trotseeren, zooals het de komst der eeuwen trotseerde.

Niet op de oude, half in ’t water neergestorte brug „où l’on danse en rond” is het gebeurd; maar op de nieuwe, de moderne, die door voetgangers en rijtuigen gebruikt wordt.

Ik weet niet of het dien dag inAvignonpaardenmarkt of paardencongres was: nog nooit, althans, heb ik ergens zooveel paarden, wagens, karren en rijtuigen bij elkaar gezien! Het was er eenvoudig niet om door te komen. Ik geloof heusch dat er iets-bizonders was voor paarden, op dien dag, inAvignon. Ik blijf overtuigd datAvignonen zijn omgevingdepaardenstreek bij uitstek is, zooals Haarlem en omgevingdestreek is van de bollen.

Men kan een voorgevoel hebben van de dingen die gebeuren zullen. En ’t drong zich aan mij op, dat er, met ál die paarden, fataal iets moest gebeuren.

En, werkelijk, het gebeurde....

Wij waren naarVilleneuvegereden, eertijds hetzomerverblijf der pausen, aan de overzijde van deRhône, en keerden kalm na ons bezoek, over de brug, naarAvignonterug.

Daar komt ons, in stormloop, iets te gemoet gehold. Een paard natuurlijk, een van de duizenden „périlleux imbéciles” zooalsMirbeauze noemt, die ons den ganschen dag gehinderd hebben.

In stormloop, kop omlaag, de vier hoeven te gelijk op de brug dreunende neerbonzend, een uit elkaar gesplinterd stuk hout krakend achter zich meesleurend! Het is toch iets afschuwelijks, die paarden!

Haastig dring ik zooveel mogelijk op zij, mijn wielen tegen het verhoogde gedeelte der vrij smalle brug aanschurend, en als een orkaan stormt het akelig gevaarte rakelings voorbij.

Mijn dames zijn gelukkig niet als gek uit den wagen gesprongen, hebben niet al te vreeselijk gegild, niet naar mijn stuur gegrepen. Wij zijn gered en kijken angstig om, naar wat nu achter ons zal gebeuren.

Ginds verre, aan den kant vanVilleneuve, komt een fransch soldaatje op zijn fiets over de brug gereden. Nauwelijks heeft hij ’t hollend paard gezien, of vlug stapt hij af, zet zijn fiets tegen de brugleuning, stelt zich in positie.

Daar komt het beest donderend op hem afgestormd. Wij zien hem de handen uitstrekken, grijpen, in verwarring, hals over kop, met het paard neerstorten....

Is hij dood? Gewond? Ligt het paard met gebroken beenen boven op hem?

Gelukkig niet! De kluwen ontwart zich, ’t soldaatje springt overeind, rukt aan de leidsels van het dier dat ook weer recht staat, overhandigt het gansch veilig aan een paar toegesnelde mannen.

Wij juichen, opgetogen! Wij willen niet verder doorrijden, vóór wij ’t soldaatje van dichtbij gezien en om zijn kranigen moed geluk gewenscht hebben. Ik keer mij tot mijn dames om en zeg: „Jullie zijn hier de gratie, de schoonheid, de liefelijkheid in dezen wagen; jullie moeten in verbeelding dezen jongen held omkransen en omlauweren, hem de zachte streeling van de vrouwelijke adoratie laten voelen!”

Daar komt hij, te voet, zijn rijwiel aan de hand, met de andere vrije hand het stof van zijn bezoedelde kleeren kloppend.

—Bravo! Bravo! juich ik, het signaal gevend. En mijn dames juichen handklappend mee, in geestdriftige vervoering.

Hij glimlacht bescheiden, dankt en groet. Hij heeft een aardig, vriendelijk-blozend gezicht, met donker haar, dat achter zijn ooren, onder de kepi, een weinig krult. Hij houdt zich niet op, zoekt niet over ’t geval te praten, van zijn triomf te genieten; hij gaat bescheiden en kalm verder zijn gang, als ’t ware alleen bekommerd om zijn uniform, waarvan hij hier en daar, met de vingers het stof nog eens afklopt.

—Wat is hij aardig en bescheiden! zeggen gansch ontroerd, mijn dames.

En hij verdwijnt in de menigte, die, ginds aan deAvignon-zijde der brug, om een gebroken kar, staat op elkaar gepropt.

Er zijn toch nog kranige jongens op de wereld; en zoo eenvoudig, zoo gewoon, alsof het maar niets was. Hetdoetgoed zoo iets bij te wonen; het troost. Alleen spijt het mij, dat ik zijn naam niet heb gevraagd, om er aan den kolonel van zijn regiment over te schrijven. Hij verdient een decoratie, een belooning. Maar hij was ook zoo gauw weg; wij hadden geen gelegenheid met hem te spreken.

Ik hoop van harte, dat een ander het gedaan heeft.

Alweer slingert zich de blonde weg, als een eindeloos-ver uitgestrekt lint, over heuvelen en dalen, door het schoone land.

Helder-frisch-groen golven de bosschen met pijnboomen; sombertragisch-groen, bijna zwartgroen staan de cypressen om de eenzame, vale boerderijen. De wegwijkende bergen schijnen violette en roze wonderen; en in de blauwe, diepblauwe, windlooze lucht, is ’t als een bad van zonnegoud.

De weg ligt open op de heuvelkammen in die zon en in die blauwheid, en doet er denken aan een reuze-hagedis, roerloos zich koesterend in de zachte warmte. Maar al spoedig daalt hij weer de diepte in en verdwijnt onder een lommerrijk gewelf van enorme platanen. Daar ligt ergens een vaalgrijs,provençaalschdorpje of klein stadje, zoo heerlijk koel en frisch beschaduwd, met een fonteintje op de markt, waaruit het water spuit in zilverreine stralen.

Wat staan ze daar mooi, die oude platanen met hun bij plekken afpellende grijze schors en hun groote, breede, nu bruinende bladeren. Zij hebben de kleur van het land en ’t romantisme van de streek. Zij staan daar als de voor-vaderen der geslachten, die van oude, oude dingen weten te vertellen. Zij staan daar als familie-boomen, met al hun zware, krachtige, beschermende vertakkingen, en iedere boom lijkt op zichzelf een gansche generatie.

Zij blijven dan ook in de kleine stadjes en de dorpen. Eenmaal buiten de bebouwde kom vindt men ze niet meer, of ze zijn kleiner, schraler, magerder, zonder opvallende beteekenis. Zij zijn weldra verdwenen zonder dat men het heeft opgemerkt en laten den vagabonden weg zich verder in zijn eenzaamheid over het wijde land heenslingeren.

O! die eenzaamheid derprovençaalschestreken! Die stilte, die roerloosheid overal om je heen! Menkijkt en ziet er niets bewegen; men luistert en hoort er niets verroeren. Men hoort enkel het gesjirp der krekels in het dorre, warme gras. Hoe komt het dat er hier geen enkel dier rondzwerft? Dat er geen enkele vogel die mooie blauwe lucht doorwiekt, noch in ’t geheim der heesters en der bosschen zijn gezang laat hooren....?

Helaas! er zijn geen vrije viervoetige dieren, noch vogels meer in ’t Fransche Zuiden! De jagers hebben alles doodgeschoten. De jagers.... zie, daar loopen ze, met weitasch en geweer. Het zijn nagenoeg de eenige, levende wezens die wij, op dien mooien zondagochtend, langs den weg ontmoeten. Gaat er, per ongeluk, nog ergens een vogel op uit een boom, dadelijk is ’t pan! pan! pan! uit twee of drie geweren te gelijk, zoodat het slachtoffer zelden ontsnapt. Doch meestal vinden zij zelfs niet de minste musch meer om nog op te schieten. Meestal is hun jagen, zooalsDaudethet zoo geestig in zijnTartarinbeschreven heeft. Juist, die jagers zijn deTartarins, de beruchte „pettenjagers”. Geen enkel stuk wild, geen enkele vogel meer vindend, gooien zij hun petten in de lucht en trachten er gaten door te schieten. Dat is wel echt meridionale sport; de jager geniet althans van ’t voornaamste: het knallen van zijn schot, het lawaai-maken! Dat hoort zoo bij de holle bombast van die opgewonden kerels. Het verwondert mij niets, dat er zooveel beroemde politieke redenaars uit ’t Fransche Zuiden komen. ’t Is slechtseen andere vorm van hun traditioneele pettenjacht. Het hol geknal der woorden vervangt het hol geknal van de geweren. Die exuberante, zuidelijke redenaars zijn de pettenjagers van het parlementarisme.

Nog nooit heb ik de Middellandsche Zee zóó blauw, de kust zóó frisch en groen, de lange rijen villa’s, huizen en hôtels zóó glinsterend lief en schoon gezien....

Is ’t omdat alles stil is en verlaten nog in de beroemde luxe-plaatsen? Omdat er nog geen Russen, Duitschers en vooral geen Amerikanen zijn? Omdat er geen stof is van auto’s, geen hinderend ratel-getrappel van rijtuigen en paarden, geen agressieve overweldiging van kellners, lakeien, zigeuners,rastasencocottes?

Misschien wel.Cannes, althans, is werkelijk een zalig wereldoord in deze glanzend-schoone, rustige October-dagen. Alle groote villas en hôtels zijn nog gesloten; ze staan daar op een lange, schitterende rij, met dichte, pervenche-blauwe of fosfoor-gele luiken, en ’t geeft een zoo veilig gevoel, dat ze nog een poos dicht zullen blijven en dat de ruwe invasie van over den grooten plas (deAmerikaansche) niet onmiddellijk te duchten is.

De heerlijk-mooie wandeling langs den lagen zeedijk behoort voorloopig aan de bevolking van de streek. En zij genieten ervan, zij komen er wandelen, in witte of lichte zomerkleeren, met overbloemde stroohoeden, met fijne, in de zachte bries opwuivende sluiers en vroolijk-schitterende parasols.

Wat ’n mooie, frissche, elegante meisjes onder die winkeljuffertjes, die weldra den ganschen winter achter de toonbanken zullen opgeborgen zitten! Maar hoe kan het ook anders in zulk een heerlijk klimaat? De schoonheid van den mensch is er een gewoon verschijnsel, een natuurlijk onderdeel in de algemeene schoonheid der gansche omgeving. Hoe kan men gedrukt, triestig, leelijk zijn, daar waar alles zoo verrukkelijk, zoo zacht en schoon is? De zon alleen, de zon die lacht, en streelt, en warmt en koestert, is voldoende om er de menschen gezond, en vroolijk, en gelukkig te maken. En ik benijd hen die daar geboren zijn, die daar thuis hooren en er mogen en kunnen leven. Wat moeten zij lijden en treuren als zij in onze droeve, grijze modder-streken komen! Maar zij komen er ook niet, of althans blijven er niet. Zij zijn gelukkige, gezonde, schoone menschen in een heerlijk-schoone streek.

Ik hou den wagen even stil om te „genieten”. Ook mijn dames „genieten”. Zij juichen zelfs niet, zoo innig poes-gezellig als ze „genieten”.

Zullen we maar een poosje zwijgen, de oogen sluiten en ons met uitgestrekte armen en beenen zacht in de zon laten roosteren?

O, het is zalig! De zee wuift ons in wiegend geruisch haar heerlijke, gezonde aroma’s toe, het zonnetje doorblakert ons, dringt ons als ’t ware tot in ’t merg der beenderen, en er zijn geen Amerikanen in de buurt.

Je zoudt kunnen slapen, droomen.... Je voelt je werkelijk (en hier klinkt het niet eens triviaal, omdat het zoo echt is) je voelt je werkelijk „gezondheid met lepels ingieten”....

Ik had aanGrassede heerlijkste herinnering bewaard.

Ik was er geweest, enkele jaren geleden, ook per auto, met en bij mijn vriend Maeterlinck, en ongeveer om ’t zelfde tijdstip als nu.

Ik had er valleien en heuvels van bloemen gevonden: mimosa’s, Spaansche brem, rozen, jasmijnen, viooltjes, tuberozen; het was er als een wonderoord voor mij geweest van kleurenpracht en zoete geuren.

En nu....?

Niets of bijna niets meer!

Heb ik mij soms vergist? Ben ik wel op den weg vanCannesnaarGrasse?

’k Houd even stil om het te vragen.

Jawel, ’k ben op den goeden weg. Er is trouwens geen andere. Heel duidelijk herken ik nu de plaatsen: hier stond het goudgeel van mimosa, dàt veld daar beneden was één groot, geurend bed van roze rozen, het gras van déze helling onder de olijfboomen zag paars van de viooltjes, en ginds, achter die bocht, terras-gewijze naar beneden dalend, strekt zich de tuin uit van „Les Quatre Chemins”, Maeterlinck’s winterverblijf in ’t Zuiden.

Hij is er nu wel niet, maar ’k zal er toch eventjes ophouden en zien ofAntoninenThéréson, de oude tuinman en zijn vrouw, nog leven en mij nog herkennen.

Ik duw het houten hekje open. Niets is veranderd. Recht strekt de laan zich tusschen heesters uit naar de grijze „bastide” met haar dichte, groene luiken. ’t Fonteintje in het heel klein vijvertje, dat midden op een pleintje vóór de deur ligt, spuit er nog hetzelfde zilverstraaltje naar omhoog. Onkruid groeit op ’t pad en in de dorre bloemperken (Antoninmag wel eens harken vóór zijn meesters komen) en daar looptAntoninwaarachtig zelf onder de grijze olijfboomen, dezelfde magere, vaalgeleAntoninonder zijn zelfden valen stroohoed, alsof ik hem maar pas verlaten had.

—Bonjour Antonin! Ça va bien?

Natuurlijk herkent hij mij niet meer. Zijn valehand grijpt even naar zijn valen stroohoed, terwijl hij met een schuwen blik van niet-herkennen een onduidelijk „bonjour m’sieu” stamelt.

—Vous ne me reconnaissez pas, Antonin? Je suis venu ici avec monsieur, il y a cinq ans, en auto.

—Ah! ben sur, m’sieu, ben sur, antwoordtAntonin, zonder de minste overtuiging.

—Et Théréson, elle va toujours bien, Antonin?

—Ah? ben sur, m’sieu, ben sur. Tè, la v’là!

EnAntoninwijst op zij naar zijn huisje, waaruitThéréson, met een potje in de hand, werkelijk te voorschijn komt.

Evenmin alsAntoninisThérésonin al die jaren iets veranderd; en ik ben overtuigd, dat ’t grauw-zwart hoedje met de zwarte binders, die zij op het hoofd draagt, nog steeds hetzelfde is, waarmee ik haar, vijf jaar geleden zag. En evenmin alsAntoninherinnert zij zich iets van mij, met dit verschil dat zij er flink voor uitkomt.

—Non, je ne connais pas m’sieu; je n’ai jamais vu m’sieu.

’t Is toch niet vleiend als je maar zoo weinig indruk maakt.

Ik vraag aanAntoninwaardoor het komt, dat er geen bloemen meer zijn teGrasse. EnAntonin, die tot nu toe slechts de strikt noodige woorden heeft gesproken, blijkbaar alleen bezorgd om liefst zoo gauw mogelijk van mijn benauwend bezoek verlost te zijn, schijnt eensklaps te herleven, envertelt mij op een klaagtoon, in een overvloed van woorden, waaraanThérésontrouwens nog het hare toevoegt, dat het in de gansche streek gedaan is met de bloemen, sinds de meeste parfumerie-fabrieken vanGrassegeen bloemen meer willen, maar enkel nog met chemische produkten werken.

’t Is een gejammer zonder einde: ik heb daar een snaartje aangeraakt, waarvan ik de uiterste teergevoeligheid in de verste verte niet vermoedde; zij laten mij niet meer los, zij grijpen mij bij mijn mouwen, zij willen mij doen binnen komen, zij hebben mij op eens herkend, heel goed herkend van vroeger, zij vragen mij, jankend en zuchtend, of ik toch niet denk, dat er nog wel iets aan dien droeven toestand te veranderen is.

Ik krijg het er benauwd onder; ik wijk maar steeds terug, terug, terug, verzoek de beste groeten aan meneer en aan mevrouw, zet aan, wip in mijn wagen, doe mijn motor donderend snorren, en mijn laatste vizie is die van twee rampzalige jammerlingen achter de houten staven van het hek, waar zij als slachtoffers gevangen zitten.

Het spijt me innig, beste menschen, maar ik kan aan den toestand niets veranderen, en al spoedig komt uw meester, die een goede, wijze meester is en u zeer zeker wel zal helpen.

Ik heb aan mijn dames gezegd, dat we maar niet naar dat perverse oord vanMonte-Carlozullen gaan, maar oogenblikkelijk zien die lieve gezichten er zóó betrokken uit en worden er zúlke droeve kreten van teleurstelling geslaakt, dat ik mezelf als een beul heb gevoeld en al spoedig mijn besluit geheel en al gewijzigd heb:

—We zullen wèl naarMonte-Carlogaan!

We zijn teMonte-Carlo, en we zitten in het speelhol, om de groene tafel.

Wij spelen....

Mijn dames weten precies hoe ze moeten spelen; dat wil zeggen: spelen om te winnen. Ik ook weet het precies, en zoo spelen wij, elk op zijn eigen manier, de eenige die hij voor de goede houdt.

Het witte balletje, door de handige vingers van dencroupierbewogen, draait en wipt en buitelt, zet zich eindelijk in een der gleufjes, onder een nummer vast.

—Sept, rouge, impair et manque, klinkt ritueel en kalm de stem van dencroupier.

Een houten harkje strekt zich over ’t groene laken uit en de vijffrankstukken, de gouden „louis”, de ritselende bankbriefjes worden bij elkaar gescharreld: de beweging van een netten tuinbaas, die goed zijn paden onderhoudt. Toch zijn er enkele stukjes blijven liggen, en die worden dadelijk flink vermenigvuldigd, bij wijze van handige bijgooierij,als ter belooning van een, wel niet duidelijk te begrijpen, maar ongetwijfeld mooie of moedige daad.

Ietwat beteuterd, met een vreemden glimlach, kijken mijn dames mij aan.

—’t Is niks; moed houden, zeg ik troostend. En zij beginnen opnieuw.

Het balletje huppelt en ratelt, valt half op een nummer, springt er weer uit, zet zich eindelijk stevig vast.

—Trente-trois, noir, impair et passe, weerklinkt de matte stem van dencroupier.

En terstond is daar weer ’t houten harkje, dat begint te graaien.

Mijn dames hebben een vurige kleur gekregen. Een van mijn dames heeft volop dat nummer gezet en nu regent het een goudregen naar haar toe. Of haar systeem ook ’t goede is! De andere spelers kijken haar met een mengsel van bewondering en afgunst aan.

En weer ratelt het balletje....

Ik ga een beetje in de zaal rondwandelen. Spelende dames, vooral winnende dames, moet je niet storen. ’t Is genoeg dat je naast haar blijft staan om de kans te doen keeren, en, als de kans door jouw manneschuld keert....! Neen, ’t is heusch maar veiliger nu wat rond te kijken.

Een mooi gezicht, al die tafels omringd met spelende menschen! Spelen, dat is immers: zich vermaken; men zal hier niets anders dan prettige gezichten zien!

Hoe vreemd: die menschen lijken eerder op zwaarwichtige wiskundigen of philosophen, in duizelingwekkende problemen verdiept. De trekken staan verwrongen, de wenkbrauwen gefronst, de oogen hebben een strak-starende, als ’t ware hypnotische uitdrukking. Een glimlach zou hier misplaatst zijn; een lach als een onbetamelijkheid weerklinken. ’t Is hier ernst, groote, gewichtige ernst. Men hoort alleen den klank van ’t geld en de strikt-noodige, gesproken woorden; en de somptueus-getooidecocottes, die loerend om de tafels slenteren, schijnen er slechts bij vergissing rond te loopen.

Om een der tafels moet iets zeer belangrijks gebeuren. Het staat er stampvol met reikhalzende menschen. Ik weet er mij nog bij te wringen, en, op mijn teenen staande, kan ik zien:

Vlak vóór mij, onder ’t schijnsel der electrische hanglamp (want in dat schemerhol zijn de lampen reeds bij volle daglicht aangestoken) zitten een heer en een dame op wie alle oogen staan gevestigd.

Hij is een man van middelbaren leeftijd, bleek en mager, gladgeschoren, niets opvallends in zijn uiterlijk. Zij is veel jonger, niet bepaald mooi, maar frisch, gevuld, gezond, van een vleezige bekoorlijkheid zonder distinctie.

Hij speelt, en hij is ook de eenige die speelt van heel die tafel. Naast hem liggen twee ontzaglijke hoopen goudstukken: een hoop „louis” van twintig, een hoop „plaques” van honderd frank. Naast devrouw twee stapels bankbiljetten, als twee bergen gekwiteerde rekeningen.

Zoolang decroupierbezig is met wegharken en uitbetalen, houdt de speler niet op, machinaal, met beide handen, in zijn beide stapels goud te woelen. Hij neemt de stukken bij greepjes op, laat ze door zijn vingers glijden, neemt ze weer op, laat ze weer glijden. Daarbij blijven zijn oogen strak-halsstarrig vóór zich uit op ’t groene kleed gevestigd, en af en toe uit hij dan enkele korte zinnen, waarop de vrouw met enkele korte, doffe woorden, de repliek geeft. Het is heel vreemd de manier waarop hij spreekt. Zijn heele onderkaak trekt even scheef, nu eens naar links, dan weer naar rechts en de woorden schijnen uit zijn onderbuik te komen. Zoodra hij ophoudt met spreken komt zijn onderkaak weer op haar plaats. Het is, zooals ik wel dacht, een Amerikaan; hij komt van over „de groote plas”.

Maar nauwelijks is de tafel schoon en heeft decroupierhet traditioneel: „mesdames et messieurs, faites vos jeux” uitgesproken, of daar geraakt hij zenuwachtig in beweging en begint in te zetten.

Op rood, op zwart, oppairen opimpair, oppasseenmanque, opdouze premiersendouze derniers, opcarrés, chevauxentransversales, en eindelijk op al de nummers, zoolang als hij de tijd heeft, plaatst hij, zonder tellen, stapels goud, waarover hij dan stapels bankbiljetten neerstrijkt, die de vrouw hem overhandigt. Het „rienne va plus” heeft reeds weerklonken; decroupierheeft reeds gezegd:la mise est jusqu’à concurrence du maximum; het ratelend balletje heeft haast zijn dolle sprongen in een der hokjes vastgelegd, dat hij nog maar aldoor, woelend overeind staande, als een gek blijft inzetten. Eindelijk zakt hij op zijn stoel terug, decroupierroept het nummer af, harkt en betaalt, harkt meer in dan hij uitbetaalt, het zal wat schelen!.... terwijl de speler, als ’t ware eensklaps onverschillig geworden, machinaal weer met de vingers door zijn goudshoopen woelt en met zijn scheeftrekkende kinnebak enkele doffe buik-klanken uitstottert, zonder een seconde zijn verstarde oogen van de groene tafel af te wenden.

Zacht wordt er op mijn schouder getikt. Ik keer mij om en sta voor eene van mijn dames. Zij vraagt mij fluisterend of ik niet ’n beetje geld voor haar heb.

—Wat! roep ik verbaasd. En de prachtige winst op nummer 33?

—Alles weer weg, bekent zuchtend mijn dame.

Mijn oogen staren op de goudshoopen van den Amerikaan. Zou ik dáár soms.... Maar ’t lijkt me moeilijk; ’t zou onaangenaamheden kunnen veroorzaken; ik eindig maar met de bekende beweging van duim en wijsvinger die in den vestzak gaan, en blijf mij verder in het prachtig spel van den Amerikaan verdiepen.

Ik leef het mee, alsof ik het zelf speelde. Ik voel beslist wat de man zou móéten doen om te winnen, en ’t ergert mij dat hij dat zelf niet voelt.Ik vóél beslist de nummers; ik voel, b.v. dat nummer 8 moet en zal uitkomen.

De overtuiging wordt zóó overweldigend sterk, dat ik in mijn zak ga en op ’t bewuste nummer zet. Het balletje draait en er komt 32 uit. ’t Doet er niks toe; ik vóél het. Ik herbegin, zet ’t heele nommer vol:en plein, les chevaux et les carrés. Het balletje ratelt en er komt „Zéro” uit. ’t Is gelijk, ik geef het niet op. Ik zet opnieuw,.... en ja, waarachtig, waaràchtig, daar loopt het balletje in de 8 en ik hoor de stem van dencroupier:

—Huit, noir, pair et manque. Le numéro en plein, les chevaux, les carrés!

’t Is toch wel om er eventjes een kleine emotie van te krijgen. De menschen kijken mij aan; zelfs de Amerikaan kijkt even naar mij op en brommelt iets in zijn buik, terwijl zijn onderste kakebeen heelemaal naar links trekt. Hoeveel krijg ik nu ook? Vijf en dertig maal vijf frank voor de „plein”; acht en zestig maal vijf frank voor „les chevaux” en twee en dertig maal vijf frank voor „les carrés”; ’t is om er van te duizelen! Een hoop goud wordt naar mij toegegooid; ik weet haast niet waar het te bergen.

Daarmee was het ook uit. Ik meen: dat ik nog een poosje doorspeelde, maar dat er niets meer kwam. Ik was zoo wijs nog met een aardig overschot te staken en toog opgeruimd naar mijn dames toe.

Zij deden of ze mij niet zagen. Zij zaten alledrie met vuurroode gezichten, als krampachtig in een folterende studie verdiept. Zij keken starend naar het groene kleed en hielden hun handen beschuttend over wat ik vermoedde een hoopje geld te zijn, gedrukt.

—Nou? vroeg ik opgewekt.

—We hebben prachtig gewonnen, zei de oudste mijner dames.

—Hoeveel? vroeg ik.

Deze toch zeer eenvoudige vraag scheen mijn dames eenigszins te verbluffen.

—Hoeveel, dat weet ik niet, maar we „hadden” een oogenblik onze handen vol goud.

—Oo....! je „hadt”; maar nu?

—Ja, nu is ’t weer minder; maar nu weet ik ook precies hoe of ik moet inzetten. We gaan het terug winnen.

—Mag ik de dames op ’n heel lekker déjeuner inviteeren? zei ik glimlachend.

—Heb jij gewonnen? klonk het hartstochtelijk.

—Veel.

—Och, wij hebben geen honger; geef ons dan liever nog elk ’n paar „louis”.

—Waarom? Jullie winnen!

—Och ja, maar....

—Kom, kom, ga nu toch liever met mij dejeuneeren.

—Neen, wij dejeuneeren nièt!

Het antwoord klinkt beslist, afdoende: mijn dames willen niet dejeuneeren. En, met of zonderbezwaar tegen die eigenaardige opvatting, moet ik er mij wel, en ook nog enkele „louis” bij neerleggen. Maar wat komt het er op aan: de bank betaalt!

Wat isMonte-Carlomooi, wanneer men, met een vrachtje „louis” van de bank op zak, uit het schemerig speelhol weer buiten in de frissche, zonnige ruimte komt! O! die roze en violette bergen van de „Haute Corniche”, als een reuzenmuur van pracht in halven cirkel om de blauwe, blauwe zee! Die dichte, sombergroene bosschen van den Kaap Martin aan eene zijde; en aan de andere zij de grijze rots vanMonacomet het prinselijk slot! Maar vlak bij het speelhol liggen de magnifieke tuinen, en in die magnifieke tuinen dechic-querestaurants, waar de roodgerokte „tziganes” op de schitterende bloem-terrassen spelen.

Wat klinkt die muziek verleidend en meesleepend,.... als de bank betaalt! Wat zal ze akelig, tergend en bedroevend klinken, als de bank niet betaalt! Maar ze betaalt wèl, de bank, ze betaalt overvloedig, en ’t is toch zonde dat mijn dames hier nu niet met mij aan het tafeltje zitten om van zooveel heerlijks te genieten. Er zijn namelijk delicieuse stukjes langouste die slechts zeven frank per portie kosten en gebakjes,—eerst dacht ik dat het vingerhoedjes waren—van twee frank ’t stuk! En dan die muziek, die heerlijke muziek, dat meesleepend spel van die mooie, bruine mannenmet hun donkere snorren en hun roode rokken! Een sigaar kost slechts drie frank en aangezien ik toch op mijn lievelingen moet wachten, neem ik ook een „pousje” van 2.50, alles op rekening van die goede, milde bank.

En zoo komen eindelijk mijn dames, laat, heel laat, als de muziek reeds lang gezwegen heeft en al de tafeltjes zijn afgenomen!

Hungezichten zijn gloeiend, alsof ze naast een vuur gezeten hadden en de oogen stralen met een vurigen glans.

—Gewonnen? roep ik van verre.

’t Is mij niet mogelijk uit het verwarde antwoord een duidelijken indruk op te vangen. Zij gaan even in een hoekje zitten, ledigen hun beurs en tellen. Maar ze hebben vergeten, de lievelingen, met hoeveel ze juist begonnen zijn, zoodat de rekening lastig wordt. Trouwens, wat er van daag gebeurd is, heeft al niet veel beteekenis. Nu pas, heel op ’t eind, zijn ze ’r feitelijk achtergekomen hoe of ze precies moeten spelen om te winnen, en als ze maar niet gevreesd hadden dat ik ongeduldig zou worden door ’t lange wachten.....

—Nu zullen jullie wel honger hebben; nu willen jullie toch zeker iets gebruiken? val ik haar voorkomend in de rede.

O, nee, geen kwestie van, ze zouden niet kúnnen....Het eenige wat ze verlangen is eventjes weer in de speelzaal te mogen gaan, met nogenkele „louis” van mij bij wat haar overblijft, om, al was ’t maar een half uurtje, het nieuw en onfeilbaar systeem te probeeren.

Het is een heerlijke verademing om nu over den hoogen weg naarNiceterug te rijden. Eerst zijn mijn lievelingen wel wat teleurgesteld en ik geloof niet dat ze mij bizonder aardig vinden, maar de frissche lucht doet dat onaangenaam gevoel al gauw verwaaien en de schoonheid van het tafereel overtreft alles.

Sinds hoe lang stijgen wij, onder den forschen, dreunenden adem van mijn eenig-moedigen motor? Hoe hoog, hoe ver zijn wij reeds bovenMonte-Carlo? Eensklaps, in een bocht, waar de steile weg in het helder hemelsblauw schijnt uit te loopen, ligt een onmetelijke verte en diepte voor ons uitgestrekt. Een reuzenkom, met groene en roze en oranje wanden, en daar beneden, heel, héél onderaan, bij die eindelooze azuren vlakte, die de Middellandsche Zee is,Monte-Carlo, klein als een wit juweeltje in zijn groene tuinen. Men ziet nog nauwelijks het speelhol, de villa’s en hôtels die er om heen liggen lijken op kinderspeelgoed, op goed geluk af uit een spaandoos omgekeerd, terwijl de scheepjes op het water notedopjes schijnen, waaruit een heel klein streepje rook opzuilt.

O, die heldere, zalige rust en die vrede! Hoe is ’t mogelijk, daar beneden, in dat duffe hol te willen zitten, als men hier in volle frissche vrijheidkan genieten! Wat lijkt het klein, klein, armzalig klein, van zoo hoog en van zoo verre! Zou die sinistere Amerikaan daar nu nog zitten, naast zijn vleezige, vulgaire juf, met zijn scheeftrekkende kinnebak en zijn stapels goudstukken? En hebben wij daar waarlijk ook gezeten, ik, met mijn ongehoorde, gekke chance van één oogenblik, en mijn lieve dames die hun ganschen, mooien middag radeloos tusschen verschillende „systemen” hebben doorzwoegd?

Och, men moet wel alles zien, van alles eens proeven in de wereld; en de bank is toch lief geweest, zij heeft onze moeite beloond.

’t Werd frischjes avond, maar blauw nog op het water en rood-oranje in den hemel, toen we weer inNiceaankwamen.

„La Crau” heeft op mij een groote impressie gemaakt.

„Immense étendue plate, terne et monotone, paysage insignifiant”, zei mijn reisgidsje.

Dat vind ik niet. „La Crau” is een van de zichten, die mij het meest geboeid en geïnteresseerd hebben op de gansche reis.

Het is, van uitSalontot aanArles, een bijnalijnrechte, mooie, breede, vlakke weg, van meer dan zeventig kilometer lengte, door een barre, vale uitgestrektheid, met mager gras begroeid en met groote, gele keien bezaaid. Slechts hier en daar, op groote afstanden, een eenzame, steen-grijze „mas”, een boerderij omringd door sombere cypressen, als een oase in volle woestijn. En verder geen ander leven dan dat van enkele, reusachtige kudden schapen, die van het haast onzichtbaar gras en de verdorde kruidjes tusschen de keien moeten leven.

Het is de absolute desolatie, maar een desolatie, die iets indrukwekkend-grootsch heeft.

’t Was tegen zonsondergang, „à l’heure du berger” zooals de Franschen zeggen, dat wij op den drempel dier woestijn aankwamen. De hemel was vlekkeloos blauw, maar begon te somberen en schuin over de eindelooze westerkim, waar lichte wolken schenen op te komen, hing een kolossale oranje lichtveeg, als een reuzenvlecht van goud.

Het vale land daaronder had een warme, bruin-gebronsde zuidelijke tint. ’t Was als van donker-glanzend leer, waarin de gele keien hier en daar als groote, gouden spijkers blonken. Het had iets Bijbelsch, iets uit de oude, oude tijden, toen de menschen zich met dierenvachten kleedden.

En in die atmosfeer van Oostersche legende, zagen wij de kudden huiswaarts komen.

Nog nooit heb ik zulke talrijke kudden gezien. Het leken wel de legendarische kudden van denVerloren Zoon. Zij kwamen naar ons toe als een grijs-deinende golf, de gansche breedte van den breeden weg bezettend, en er was niets anders op te vinden dan de auto (o, wat stond die daar disparaat!) paalstil te houden.

’t Is de zee, ’t is werkelijk als de zee, die op ons aan komt deinen. Vooruit de herder, met zijn staf, vaalgrijs en bruin in ’t avondlicht, als een profeet uit het Oude Testament. Vlak bij zijn hielen volgt een schaap, één enkel, met een belletje om den hals. Dat schaap is als ’t ware het levend symbool der bezadigde wijsheid. De herder keert zich even om tot het getrouwe beest, praat enkele stille woorden, maakt nauwelijks een beweging met zijn staf, en dadelijk gaat het wijze dier op zij, door al de andere honderden, of duizenden schapen (hoeveel zijn er?) gevolgd.

Rechts en links, op zij van de kudde, loopen, in volle vrijheid, maar met allerlei beladen, twee ezels. Die dragen de tent, proviand, gereedschap, wat weet ik al, dat dienen moet voor tochten die soms dagen duren, en dat lijken wel de clowns en de kwâjongens van de bende: zij huppelen en springen, rollen zich met heel hun last in ’t zand en brengen de kudde, die zoo ordelijk door ’t wijze schaap geleid werd, volkomen in de war. De herder vloekt en scheldt, slaat met zijn staf en gooit met keien, maar het helpt niets; de overladen grappenmakers gaan een eind verder weer aan ’t buitelen en aan ’t stoeien, stuwen de kudde als onder eenwindhoos door elkaar, dringen ze op de auto, doen ze vluchten over de vlakte, brengen een gedeelte ervan op hol. Dat duurt minuten lang, in onbeschrijfelijke wanorde. Nu is het heelemaal of we midden in de zee stonden, met grijs-deinende schuim-golven, overal om ons heen. Eindelijk zijn ze weer goed bij elkaar, en de stille wijsaard met zijn belletje, die al dien tijd, roerloos en gelaten als een filosoof gewacht heeft, gaat weer kalm en trouw met den herder en zijn kudde vooruit, onder een gele stofwolk, die naar wol en muskus ruikt.

’t Is bijkans nacht geworden. De gouden vlecht in ’t Westen is tot een vale streep vertaand, de schaarsche, eenzame hoeven verdwijnen tragisch-somber achter hun zwarte cypressen en in den eindeloozen donker-blauwen hemelkoepel schitteren reeds de eindloos-diepe-en-verre sterren. Alleen de weg, de lange, vlakke, dood-verlaten weg strekt zich nog duidelijk zichtbaar als een strak-gespannen, geelblond lint recht vóór ons uit.

Daar twinkelt een klein lichtje in de verte. ’t Is als een kustlicht van uit zee gezien. Het schijnt ons te wenken, ons de haven aan te duiden. Wij zien in ’t vage een huis, en nog een, en nóg een en eensklaps hooren wij een stem, terwijl een man naar buiten springt:

—L’octroi, m’sieu. Quelque chose à déclarer?

Wij zijn teArles....!

Ik kom gaarne met avondlicht in mij onbekende steden aan. Het geeft er iets nieuws en geheimzinnigs aan, omdat men weet, dat de nuchtere werkelijkheid anders is. Vooral in vermaarde plaatsen, of waar men veel over gehoord heeft, is het aardiger om ’s avonds aan te komen. Zoo blijft er althans voor één nacht een waas van poëzie over hangen, ’t welk de koele ochtend die volgt, maar al te dikwijls komt verscheuren.

Over het hedendaagscheArleszweeft, romantisch-poëtisch, het beeld en de ziel vanMistral.

„Si les filles d’Arles sont reines quand le plaisir les rassemble aux arènes” heeft hij inMireiogezongen; en vol bezieling gaan wij wandelen, op zoek naar de mooie vrouwen vanArles.

Zouden ze reeds allen slapen zijn? Wij zien er geene, althans geen jonge en mooie. Slechts hier en daar een oude vrouw uit het volk en die dan ook de wel flatteuze kap: het heel klein mutsje met het breede zwarte lint draagt.


Back to IndexNext