I.Broeder Sam en broeder Sib.»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Dat waren de namen, die achtereenvolgens in de prachtige »hall” van Helenaburg weerklonken. Dat geroep was een onveranderlijke gewoonte van broeder Sam en van broeder Sib, wanneer zij de huishoudster van het buitenverblijf noodig hadden.Maar in dit oogenblik deden die verkleinwoordjes van Elisabeth evenmin de waardige draagster daarvan te voorschijn komen, als wanneer hare heerschappen haar bij den naam voluit geroepen hadden.Het was de intendant Partridge in persoon, die zich met de muts in de hand aan de deur der hall vertoonde.Zich tot de roependen, twee personen van fatsoenlijk uiterlijk, wendende, die op den kozijnmuur zaten van een venster, welker drie glazen als ruitvormige vakken buiten den gevel der woning uitstaken:»Roepen de heeren juffrouw Bess?” zei hij; »maar die is niet op het buitenverblijf.”»Waar is zij dan, Partridge?”»Zij vergezelt miss Campbell, die in het park wandelt.”Partridge vertrok hoogst ernstig op een teeken, dat hem beide personen gaven.Die personen waren broeder Sam en broeder Sib,—verkleinwoorden, afkomstig van hunne doopnamen Samuel en Sebastiaan—de ooms van Miss Campbell. Het waren Schotten van het oude ras, Schotten van een ouden Clan der Hooglanden, zij telden te zamen honderd twaalf jaar, en scheelden slechts vijftien maanden met elkander. Sam was de oudste, Sib de jongste.Om die twee typen van eer, goedheid en toewijding bij uitnemendheid met weinige trekken te schetsen, zal het voldoende zijn mede te deelen, dat hun geheele bestaan aan hunne nicht gewijd was. Zij waren de broeders van hare moeder, die, nadat zij na een kortstondig huwelijksgeluk van slechts een jaar, weduwe geworden was, door een snelverloopende ziekte in het graf gesleept werd. Sam en Sib Melvill bleven dus alleen op de wereld als verzorgers van het kleine weeskind. Door dezelfde verteedering verbonden, leefden zij voort, dachten aan en droomden over niets anders dan het jonge meisje.Voor haar waren zij ongetrouwd gebleven, het moet er bij verteld worden: zonder eenig berouw; want zij behoorden tot die goedige wezens, die geen andere rol op dit onderaardsche te vervullen hebben dan die van voogd. En dat was nog niet genoeg gezegd: de oudste had zich tot vader, de jongste tot moeder van het kind gesteld. Het gebeurde dan ook, dat miss Campbell er toe kwam hen heel natuurlijk te groeten met een:»Dag papa Sam! hoe vaart mama Sib?”Met wie zou men die beide ooms beter hebben kunnen vergelijken, behoudens hunne geschiktheid voor de zaken, dan met die twee liefdadige kooplieden, zoo goed, zoo eender van gedachten, zoo minzaam, als de broeders Cheeryble uit de London-City, de twee meest volmaakte wezens, die uit het vruchtbare brein van Dickens geboren werden. Het zou onmogelijk geweest zijn, een meer nauwkeurige gelijkenis te treffen, al moest men den schrijver ook beschuldigen, dat type aan het meesterstuk:Nikolaas Nicklebygeheeten, ontleend te hebben; niemand zou zich over dit plagiaat te beklagen hebben.Sam en Sib Melvill, door het huwelijk hunner zuster vermaagschapt aan een zijtak van het oude stamhuis der Campbells, hadden elkander nooit verlaten. Dezelfde opvoeding had hen zedelijk aan elkander gelijk doen worden. Zij hadden te zamen hetzelfde onderwijs in hetzelfde college en in dezelfde klas genoten. Daar zij over het algemeen dezelfde denkbeelden over alle zaken verkondigden in geheel overeenkomstige uitingen, zoo kon de een steeds den volzin van den anderen eindigen met dezelfde uitdrukkingen, onderstreept en gezinteekend door dezelfde gebaren. In ’t kort, die twee wezens vormden slechts één, hoewel er eenig onderscheid in hun lichamelijkgestel te bespeuren was. En inderdaad, Sam was iets grooter dan Sib en Sib was iets dikker dan Sam; maar overigens zouden zij hunne grijze haren hebben kunnen verwisselen, zonder het grondkarakter van hun eerlijk gezicht aan te tasten, waarop de geheele adeldom der afstammelingen van den Clan der Melvill’s geschreven stond.Zal ook verteld moeten worden, dat in de snede hunner eenvoudige en ouderwetsche kleeding, in de keus van de stoffen daarvoor van goed engelsch laken, zij een gelijken smaak aan den dag legden, behalve dat—wie zal die geringe afwijking kunnen verklaren?—Sam de donkerblauwe en Sib donker kastanjekleur scheen te verkiezen.Werkelijk, wie zou niet in een innigen omgang met die twee fatsoenlijke lieden hebben willen leven? Gewoon als zij waren, met denzelfden pas in het leven voort te stappen, zouden zij ongetwijfeld, op weinigen afstand van elkander, stil blijven staan, wanneer het uur van de groote levenshalte gekomen zou zijn. In ieder geval waren die twee zuilen van het stamhuis der Melvill’s nog stevig. Zij zouden nog langen tijd het oude gebouw van hun ras schragen, dat van de veertiende eeuw dagteekende, dat episch tijdperk van Robert Bruce en van Wallace, heldentijdperk, waarin Schotland zijn onafhankelijkheid tegenover Engeland betwistte.Maar al hadden Sam en Sib ook al niet de gelegenheid gehad om voor het welzijn van hun land te strijden, al vlood hun minder bewogen leven ook al heen in de kalmte van dat onbekommerd bestaan, hetwelk door het bezitten van een vermogen te weeg gebracht wordt, zoo moet men hen daarvan geen verwijt maken of meenen, dat zij ontaard waren. Neen, zij vervolgden, door wel te doen, de edelaardige overleveringen hunner voorouders.Zij waren dan ook met de goede gezondheid, die zij genoten, en zich geen enkele levens-onregelmatigheid te verwijten hebbende, bestemd om, zonder oud naar geest en lichaam te worden, een hoogen ouderdom te bereiken.Wellicht kon hun één gebrek ten laste gelegd worden,—wie toch is volmaakt op deze aarde?—en dat was, dat zij hunne gesprekken tooiden met beeldspraken en aanhalingen, aan den beroemden kasteelbewoner van Abbotsford ontleend, en meer bepaaldelijk aan de epische gedichten van Ossian, waarmee zij dweepten. Maar wie zou hun dat in het vaderland van Fingal en van Walter Scott tot grief gemaakt hebben?Om hunne schets met een laatsten potloodstreek te eindigen, moet medegedeeld worden, dat zij groote snuifverbruikers waren. Nu is het bij niemand onbekend, dat het uithangbord der tabaksverkoopers voor het meerendeel een moedigen Schot voorstelt, die, in het nationaal kostuum gekleed, met de snuifdoos in de hand afgebeeldis. Welnu, de gebroeders Melvill zouden waardiglijk overgebracht hebben kunnen worden op de met verf bekladde zinken platen, die boven de tabakswinkels in den wind krassen. Zij snoven zooveel en zelfs meer dan iemand, wie ook, aan deze of gene zijde van de Tweed. Maar, kenmerkende bijzonderheid, zij bezaten slechts één snuifdoos, die evenwel bijzonder groot was. Dat draagbaar voorwerp ging steeds uit den zak van den eenen in dien van den anderen over. Dit was als een band tusschen hen beiden. Er zal wel niet bijgevoegd behoeven te worden, dat zij minstens tien keeren in het uur de behoefte gevoelden, het overheerlijke nikotiaansche kruid, dat zij uit Frankrijk lieten komen, te gebruiken. Wanneer de een de snuifdoos uit de diepte van zijn rok voor den dag haalde, dan haakten beiden naar een goed snuifje, en wanneer zij moesten niezen, dan zeiden zij beiden: »God zegene u!”Overigens waren de broeders, Sam en Sib, waarlijk kinderen, wanneer het de werkelijkheid des levens betrof. Zij waren zeer weinig op de hoogte der wereldsche en geheel en al niet op het gebied van nijverheids-, geld- of handelszaken. Zij beweerden dan ook niet, er iets van te begrijpen. Op staatkundig gebied waren zij nog minder thuis, hoewel zij wellicht Jakobus-Gezinden mochten heeten, die eenige vooringenomenheid jegens het regeerend huis van Hannover koesterden en een gedachte wijdden aan den laatsten der Stuarts, zooals een Franschman aan den laatsten koning uit het huis van Valois zou kunnen denken. Maar in gevoels-kwestiën waren zij geheel vreemdelingen.En toch hadden de gebroeders Melvill slechts één gedachte namelijk een helderen blik te slaan in het hart van miss Campbell, haar meest geheime gedachten te ontraadselen, die gedachten te besturen als het moest, die te ontwikkelen als het noodig was, om haar eindelijk aan een braven jongen hunner keus uit te huwelijken, die niet anders doen kon, dan haar gelukkig maken.Moest men hen gelooven, wanneer men de zaak hoorde bepraten, dan hadden zij juist zoo’n braven jongen gevonden, wien die aangename taak op dit ondermaansche zou ten deel vallen.»Helena is alzoo uit, broeder Sib?”»Ja, broeder Sam, maar daar slaat het vijf uur, zij zal dus weldra te huis komen.”»En zoodra zij te huis zal zijn....”»Zal het zaak zijn, broeder Sam, een zeer ernstig gesprek met haar te hebben.”»Binnen weinige weken, broeder Sib, zal onze dochter den leeftijd van achttien jaar bereikt hebben.”»Den leeftijd van Diana Vernon, broeder Sam. Is zij niet even bekoorlijk als de aanbiddenswaardige heldin van Rob Roy?”Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).»Ja, broeder Sib, en door de bevalligheid harer manieren....”»Door haar geestesgaven....”»Door de oorspronkelijkheid harer denkbeelden....”»Brengt zij meer Diana Vernon in herinnering dan Flora Mac Ivor, de groote en indrukwekkende figuur vanWaverley!”De gebroeders Melvill, trotsch op hunnen nationalen romanschrijver, haalden nog eenige andere heldinnennamen aan uit denOudheidkundige, uitGuy Mannering, uit denAbt, uit hetKlooster, uit deMooie Meid van Perth, uit hetKasteel van Kenilworthenz.; maar alle moesten volgens hunne meening den eerepalm aan miss Campbell laten.»Het is een jonge rozenstruik, die wat snel opgeschoten is, broeder Sib, en die....”»Een steun gegeven moet worden, broeder Sam. Ik heb mij laten zeggen, dat de beste steun voor een jong meisje....”»Klaarblijkelijk een echtgenoot is, broeder Sib, want die schiet wortel naast den rozenstruik....”»En groeit natuurlijk met den struik voort, broeder, dien hij beschermen moet!”Met hun beiden hadden de gebroeders Melvill als ooms die beeldspraak gevonden, die, goed bekeken, toch aan denVolmaakten Hovenierontleend was. Zij waren er ongetwijfeld tevreden over; want zij wekte een zelfden glimlach van tevredenheid op hunne goedige gezichten. De gemeenschappelijke snuifdoos werd door broeder Sib te voorschijn gebracht, die er voorzichtig twee vingers in bracht, waarna hij ze aan broeder Sam overreikte, die, na een flink snuifje genomen te hebben, haar in den zak stak.»Wij komen dus geheel en al overeen, broeder Sam?”»Zooals altijd, broeder Sib.”»Zelfs bij de keus van een steun?”»Zou men een meer met Helena overeenstemmend wezen vinden, een die meer in haar smaak kan vallen dan die jeugdige geleerde, die ons herhaaldelijk zulke waardige....”»En zulke ernstige gevoelens jegens haar liet blijken?”»Dat zou inderdaad moeilijk zijn. Hij is goed onderwezen, heeft zijn graden op de Hooge Scholen van Oxford en Edinburg behaald....”»Hij is knap natuurkundige als Tyndall....”»Scheikundige als Faraday....”»Hij kent het waarom van alle zaken op dit ondermaansche, broeder Sam....”»Hij zal niet betrapt worden op haperen, laat het welk moeilijk vraagstuk ook zijn, broeder Sib....”»Hij stamt af van een belangrijke familie uit het graafschap Fife en is daarenboven bezitter van een voldoend vermogen....”»Zonder van zijn uiterlijk te spreken, dat zelfs met zijnaluminiumbrilzeer aangenaam is!”Al waren de brilleglazen van dien held ook in staal, nickel of goudgevat geweest, dan zouden de gebroeders Melvill dat nog niet als een koopvernietigend gebrek beschouwd hebben. Het is waar, dat die gezichtkundige toestellen aan jeugdige geleerden goed staan en zij hun ietwat ernstig uiterlijk naar wensch voltooien.Maar zou die gegradueerde der bovengenoemde Hooge Scholen, die natuur- en scheikundige, aan miss Campbell bevallen! Neen, wanneer miss Campbell op Diana Vernon geleek. De lezer weet het toch. Diana Vernon koesterde geen ander gevoel voor haren geleerden neef Raleigh, dan dat eener bescheiden vriendschap. Zij trouwt hem dan ook niet op het einde van den roman.Mooi! maar dat kon de twee broeders niet verontrusten. Zij waren geheel en al behept met de onervarenheid van oude jongeheeren, die geheel onbevoegd zijn in zulke zaken te oordeelen.»Zij hebben elkander reeds dikwijls ontmoet, broeder Sib; en onze jonge vriend scheen niet ongevoelig voor de schoonheid van Helena.”»Dat geloof ik wel, broeder Sam! Had de goddelijke Ossian hare deugden, hare schoonheid en hare bevalligheid te verheerlijken gehad, dan zou hij haar Moina genoemd hebben, dat wil zeggen: door iedereen bemind....”»Tenzij hij haar Fiona genoemd had, broeder Sib, dat wil zeggen: de onvergetelijke schoone uit degaëlischetijdperken.”»Had hij geen voorgevoel van het bestaan onzer Helena, broeder Sam, toen hij schreef: »Zij verlaat hare schuilplaats, waar zij in het geheim zuchtte en verschijnt, getooid met hare schoonheid, als de maan in het oosten op den rand eener wolk....”»En het schitterende harer bekoorlijkheden omgeeft haar als lichtstralen, broeder Sib, en het geschuifel van haar lichten tred is welgevallig voor het oor, evenals een heerlijke muziek!”Gelukkig, dat de beide broeders daarbij hunne aanhalingen staakten en uit den nevelachtigen hemel der barden tot het werkelijke leven terugkeerden.»Dat is zeker,” zei de een, »wanneer Helena onzen jeugdigen geleerde bevalt, hij hare genegenheid wel zal verwerven.”»En dat zij van haren kant, broeder Sib, hem nog niet al die opmerkzaamheid geschonken heeft, die de verheven hoedanigheden, waarmede hem de natuur zoo rijkelijk bedeeld heeft, verdienen....”»Dat enkel daaraan te wijten is, broeder Sib, dat wij haar nog niet hebben medegedeeld dat het tijd wordt voor haar om aan het huwelijk te denken.”»Maar wanneer wij eenmaal haar denkbeelden op dat onderwerp zullen gevestigd hebben, verondersteld dan ook al, dat zij eenigen tegenzin, niet tegen den echtgenoot, maar tegen den echtelijken staat zou hebben....”»Dan zal zij toch dadelijk »ja” antwoorden, broeder Sam....”»Zoo als die uitmuntende Benedictus, broeder Sib, die na lang weerstand geboden te hebben....”»In de ontknooping van »Veel geschreeuw en luttel wol” eindigt met Beatrix te trouwen!”Zoobedisseldende goede ooms van miss Campbell die zaak, en die aangegeven ontknooping scheen hun even natuurlijk toe als die uit het komediestuk van Shakespeare.Beiden waren als op een gegeven teeken tegelijkertijd opgestaan en keken elkander met een fijn glimlachje aan. Zij wreven zich de handen op de maat. Dat huwelijk was een geklonken zaak! Welke moeielijkheid zou zich nog kunnen voordoen? De jonkman had hun de hand van het jonge meisje gevraagd en deze zou wel haar antwoord geven, een antwoord, waaromtrent zij zich niet te bekommeren hadden. Alle vormelijkheid was in acht genomen, men had slechts den dag vast te stellen.En waarlijk, dat zou een schoone dag en een fraaie plechtigheid zijn. Zij zou te Glasgow voltrokken worden, maar niet in de kathedraal van Sint Mungo, de eenige kerk van Schotland, die met Sint Magnus der Orkaden in het hervormingstijdperk ongeschonden was gebleven. Neen! zij was een te lomp gevaarte en bij gevolg niet vroolijk genoeg voor een huwelijk, dat volgens de gebroeders Melvill een ontluiking der jeugd, een uitstraling van liefde moet zijn. Men zou eerder Sint Andries of Sint Enoch of zelfs Sint George kiezen, die tot bidplaats van het meest fatsoenlijke kwartier der stad diende.Broeder Sam en broeder Sib gingen voort met het ontwikkelen van hunne plannen en gebruikten daarbij een spreekwijze, die meer van een alleenspraak dan van een gesprek had, omdat het steeds de opvolging van dezelfde denkbeelden was, die op dezelfde wijze uitgedrukt werden. Onderwijl zij zoo praatten, vestigden zich door de ramen hunne blikken op het fraai geboomte, waaronder miss Campbell thans wandelde, op de groene grasperken, door beekjes met ruischend water omzoomd, op de lucht met haren lichtgevenden nevel, die in de Schotsche Hooglanden schijnt te huis te behooren. Zij keken elkander niet aan, dat was onnoodig; maar door een soort van hartelijkinstinctgedreven, grepen zij van tijd tot tijd elkanders arm, drukten elkander de hand, alsof zij door de een of andere magnetische strooming, de mededeeling hunner gedachten wilden bevorderen.Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).Ja! dat zou prachtig zijn! De zaken zouden grootsch en adellijk behandeld worden. De arme lieden van West-George Street, die daar even goed als elders te vinden zijn, zouden bij het feest niet vergeten worden. Mocht miss Campbell, tegen ieders vermoeden in, wenschen, dat het huwelijk meer eenvoudig zou voltrokkenworden, dan zou zij moeite hebben om hare ooms reden te doen verstaan, en die ooms zouden het wel tegen haar opnemen enhunne plannen doordrijven, al was dat ook voor den eersten keer in hun leven. Neen! zij zouden noch daarin, noch in eenig ander geval toegeven. Met de grootste plechtigheid zouden de genoodigden bij het verlovingsmaal volgens het oude gebruik »den dronk op den dakbalk” uitbrengen. En de arm van broeder Sam rondde zich even als die van broeder Sib, alsof zij reeds bezig waren, dien beroemden Schotschen dronk in te stellen.De deur der hall ging in dit oogenblik open, en een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen, het gevolg van een vluggen renloop in het park. Hare hand zwaaide een opengeslagen dagblad. Zij wendde zich tot de gebroeders Melvill en vereerde beiden met twee kussen.»Goeden morgen, oom Sam,” zei zij.»Goeden morgen, lieve dochter.”»En hoe vaart oom Sib?”»Opperbest!”»Helena,” zei broeder Sam, »wij hebben iets met je te bedisselen.”»Te bedisselen! Wat te bedisselen? Kom, welke samenzwering hebben mijn oompjes gesmeed?” vroeg miss Campbell, wier blikken niet zonder ondeugendheid van den een naar den anderen schoten.»Ge kent dat jonge mensch, den heer Aristobulus Beerenkooi?”»Dien ken ik.”»Mishaagt hij je?”»Waarom zou hij mij mishagen, oom Sam?”»Dan bevalt hij je?”»Waarom zou hij mij bevallen, oom Sib?”»Wel, omdat broeder Sam en ik, na rijpe overweging, hem je tot echtgenoot voorstellen.”»Ik trouwen! ik!” riep miss Campbell met den meest welluidenden lach, die ooit binnen de muren der hall weerklonken had.»Je wilt niet trouwen?” vroeg broeder Sam.»Neen!”»Nooit?...” vroeg broeder Sib.»Nooit!” antwoordde miss Campbell met een ernstig gezicht, dat wel in tegenspraak met haar lachend mondje was. »Nooit! mijn lieve ooms... ten minste zoo lang ik niet gezien heb...”»Wat dan?” vroegen broeder Sam en broeder Sib als om strijd.»Zoo lang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben.”II.Helena Campbell.Het buitenverblijf, door miss Campbell en de gebroeders Melvill bewoond, was gelegen op drie mijlen van het kleine gehucht Helenaburg, op den oever van Gare-Loch, een van die schilderachtige inkeepingen, waardoor de boorden van de Clyde grillig ingesneden zijn.Gedurende het winterseizoen bewoonden de gebroeders Melvill te Glasgow een aanzienlijk huis in West-George Street in het aristokratisch kwartier der nieuwe stad, niet ver van Blythswood Square. Daar verbleven zij zes maanden van het jaar, tenzij een gril van Helena, waaraan zij zich steeds zonder tegenspartelen onderwierpen, hen tot een langdurig uitstapje naar den kant van Italië, van Spanje of van Frankrijk noopte. Gedurende zulke reizen zagen zij slechts door de oogen van het jonge meisje, gingen waarheen zij wenschte te gaan, hielden halt, wanneer zij zulks verkoos, en bewonderden slechts dat, wat zij harer aandacht waardig keurde. Wanneer miss Campbell haar reisindrukken òf met eenige potloodhalen òf met eenige inktregels in haar album had overgebracht, dan keerden de brave ooms onderworpen naar het Vereenigd Koninkrijk terug, en betrokken weer, evenwel niet zonder innerlijke voldoening, de gemakkelijk ingerichte woning in West-George Street.Wanneer een drietal weken van de maand Mei verloopen waren, gevoelden broeder Sam en broeder Sib een niet te bedwingen verlangen om naar buiten te gaan. Dat verlangen overviel hen steeds juist op het oogenblik, dat miss Campbell ook het niet te bedwingen verlangen te kennen gaf, om niet alleen Glasgow, maar ook het rumoer eener groote nijverheidsstad vaarwel te kunnen zeggen; om de bedrijvigheid te kunnen ontvluchten der handelaren, die niet zelden zelfs tot in de nabijheid van Blythswood Square, het deftige kwartier, doordrong; om eindelijk een minder met rook bezwangerden hemel te kunnen zien, om een minder met koolzuur bezwangerde lucht te kunnen inademen dan die der oude hoofdstad van Schotland, welker handels-belangrijkheid eenige eeuwen geleden door de »Tabacco Lords”, de tabaklords, gesticht werd.Dan vertrok alles, heerschap en bedienden, naar het buitenverblijf, dat hoogstens op een twintigtal mijlen verwijderd lag. Het was een fraai plekje, dat dorpje Helenaburg. Men heeft er een badplaats van gemaakt, die zeer gezocht was door hen, die tijdgenoeg hadden om de wandelingen langs de Clyde af te wisselen met uitstapjes naar het Katrinemeer en het Lhomondmeer, die zoo dierbaar aan de toeristen zijn.Op een mijl van het dorp en op den oever van het Gare-Loch, hadden de gebroeders Melvill een plekje uitgezocht om hun buitenverblijf te bouwen te midden van prachtig geboomte en te midden van murmelende beekjes, op een golvend terrein, welks oppervlakte als voor het aanleggen van een park bestemd scheen. Frisch lommer, groene grasperken, boschjes van dicht en verschillend struikgewas, bloembeddingen, weilanden, welker »gezondheids-gras” voornamelijk voor de bevoorrechte schaapjes groeide, vijvers met hunne spiegelgladde oppervlakten, bevolkt met wilde zwanen, die bevallige vogels, waarvan Wordsworth zong:»De zwaan dobbert dubbel, hij en zijn beeld!”Alles eindelijk wat de natuur bekoorlijks voor de oogen kan te zaam brengen, zonder dat de menschenhand zich in die schikkingen verraadt; zoodanig was het zomerverblijf van die welgestelde familie.Er moet nog bijgevoegd worden, dat van dat gedeelte van het park, boven het Gare-Loch gelegen, het uitzicht behoorlijk was. Vooreerst rustte het oog aan het uiteinde van dien smallen inham op het schiereiland Roseheat, waarop zich een fraaie italiaansche villa verhief, die aan den hertog van Argyle toebehoorde. Links vertoonde het gehucht Helenaburg de golvende lijn van hare huizen, waarboven een paar klokkentorens uitstaken, met zijn sierlijke pier zich uitstrekkende boven de wateren van den inham, ten behoeve der stoombooten; en daarachter, op dien achtergrond, de kustheuvels, waarop vriendelijk eenige schilderachtige woningen verrezen. Vlak tegenover, op den linkeroever derClyde, verrezen Glasgow-haven, de bouwvallen van het Kasteel Newark, Greenock en daar rondom een woud van masten met hunne veelkleurige vlaggen, waardoor een zeer afwisselend panorama ontstond, hetwelk het oog aangenaam boeide.En dat gezicht werd nog fraaier, wanneer men den voornaamsten toren van het buitenverblijf beklom, waardoor de gezichteinder zich aanmerkelijk uitbreidde.De vierkante toren, met zijn veruitspringende torentjes, in vorm op peperbussen gelijkende, op drie zijner hoeken, was versierd met schietgaten en rondgaande galerijen, terwijl zijn bovenvlak verdedigd was door een borstwering, die als kantwerk in steen uitgehouwen was. De vierde hoek sloot aan een achtkantig torentje, waarop de vlaggestok verrees, waaraan het dundoek wapperde, dat zich in het Vereenigd Koninkrijk boven alle woningen en boven alle vaartuigen ontplooit. Die soort van wachttoren, van nieuweredagteekening, beheerschte alzoo het geheel der gebouwen, die tot het buitenverblijf behoorden, met zijn grillige daken, met zijnvensterramen, die nog grilliger aangebracht waren, met zijn veelvlakkige gevelnokken, met zijn vooruitstekende gedeelten, met zijn slingerende arabesken langs de vensterkozijnen, en met zijn keurig bewerkte schoorsteenen, alle vindingrijke ornamenten, die soms een bevallig uiterlijk verleenden, en aan den anglo-saksischen bouwtrant eigen zijn.Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)Het was op het bovenste plat van dat torentje, dat miss Campbell gaarne gansche uren zat te mijmeren onder de plooien van de nationale vlag, die onder de bries van de Firth of de Clyde wapperde. Zij had zich daar een lief toevluchtsoord bereid, waar zij kon zitten lezen, schrijven en slapen bij ieder weer van dat veranderlijk klimaat van Schotland. Zij zat dan beschut voor den wind, de zonnestralen en den regen. Daar moest men haar meestal gaan zoeken. Was zij daar niet, dan dwaalde zij luimig door de lanen van het park, dan eens alleen, dan eens in gezelschap van juffrouw Bess, tenzij zij te paard, gevolgd door Partridge, de naburige streek doorholde en zij dien trouwen dienaar een taai stuk werk gaf om niet bij zoo’n rit ten achter te blijven.Onder de talrijke bediening van het buitenverblijf moeten wij een oogenblik bij die twee eerlijke dienaren verwijlen, die sedert hunne jeugd de familie Campbell aankleefden.Elisabeth, de »Luckie”, de moeder, zooals de huishoudster in de Hooglanden genoemd wordt, telde net zooveel levensjaren als zij sleutels aan haren sleutelbos droeg, en dat waren er welgeteld zeven en veertig. Zij was een degelijke huisbestierster, ernstig, regelmatig als een uurwerk, en voor hare taak die het geheele huishouden bestreek, berekend. Soms verbeeldde zij zich de gebroeders Melvill grootgebracht te hebben, hoewel die ouder waren dan zij; maar voor miss Campbell had zij voorzeker moederlijke zorgen.Naast die kostelijke intendante blonk de Schot Partridge uit, als een dienaar, die geheel aan zijn meesters gewijd, en steeds getrouw was aan de oude gewoonten van zijn clan. Steeds was hij in het ouderfelijk kostuum der bergbewoners gekleed. Hij droeg de gestreepte blauwe muts, den kilt en den ruitkleurigen tartaan, die hem over den philibey en den pouch, dit laatste een soort van langharigen zak, tot op de knieën reikte, de hooge beenkousen, die door linten ruitvormig over de kuiten opgehouden werden, en eindelijk de broguen, een soort schoeisel van koehuid vervaardigd, die hem voor sandalen dienden.Wat zou er met eene juffrouw Bess, om het huis te bestieren, en een Partridge, om het te bewaken, meer noodig zijn geweest om van den huiselijken vrede op dit ondermaansche verzekerd te zijn?Men zal het reeds opgemerkt hebben dat, toen Partridge op hetgeroep van de gebroeders Melvill toeschoot, hij »miss Campbell” gezegd had toen hij van het jonge meisje sprak.Wanneer de brave Schot haar miss Helena genoemd had, dat wil zeggen, wanneer hij haar met haar doopnaam aangeduid had, zou hij inbreuk gemaakt hebben op de regels, die de trapsgewijze ondergeschiktheid regelen, inbreuk die in het bijzonder door het woord: »snobbisme” aangeduid wordt.En werkelijk de oudste of de eenige dochter uit een fatsoenlijke familie wordt zelfs in hare meest teedere jeugd nimmer met haren doopnaam aangesproken. Ware miss Campbell de dochter van een pair, dan zou zij lady Helena geheeten hebben; maar de tak der Campbells, waartoe zij behoorde, was slechts een zijtak en nog wel een zeer verwijderde zijtak van den hoofdstam, die in den paladijn sir Colin Campbell tot de kruistochten terug te voeren was. In het verloop van eeuwen hadden zich vertakkingen van den algemeenen stamboom van den roemvollen voorzaat afgescheiden, maar zich aangesloten bij de Clans van Argyle, van Breadalbane, van Lochnel en bij anderen; maar hoe verwijderd ook van den hoofdstam, voelde zich Helena toch trotsch op het bloed dier roemrijke familie, dat haar vanwege haren vader in de aderen vloot.Maar al was zij maar eenvoudig miss Campbell, zoo was zij toch een echte Schotsche, een dier edelaardige meisjes van Thulé, met blauwe oogen en blonde haren, welker portret, geschetst door Findon of Edwards, en temidden der afbeeldingen van Minna, van Brenda, van Amy Robsart, van Flora Mac Ivor, van Diana Vernon, van miss Wardour, van Catherina Glover, van Mary Avenel geplaatst, de keepsake niet onwaardig zou geweest zijn, waarin Engelschen de schoonste vrouwentypen van hunnen grooten romanschrijver bijeen brengen.En inderdaad, miss Campbell was een overheerlijk wezen. Men bewonderde haar fraai gesneden gelaat, hare blauwe oogen,—van dat blauw der Schotsche meren,—haar bevallige gestalte, niet te groot en niet te klein, haren tred, die eenige fierheid verried, haar geheel uiterlijk, dat nadenken kenschetste, tenzij een weinig spotlust hare gelaatstrekken kwam verhelderen, en men moest bekennen dat haar geheele wezen den stempel droeg van bevalligheid en voornaamheid.Maar miss Campbell was niet alleen schoon, zij bezat ook een goed karakter. Hoewel rijk vanwege hare ooms, liet zij zich daarop niets voorstaan. En liefdadig was zij, zoo liefdadig, dat zij scheen hetgaëlischspreekwoord tot daadwerkelijkheid te willen maken: »dat de geopende hand steeds gevuld zij!”Vóór alles was zij gehecht aan haar provincie, aan haren clan, aan haar familie. Zij was eene Schotsche met hart en ziel. Zij zou de voorkeur gegeven hebben aan den meest nederigen der Sawneysboven den meest voornamen der John Bulls. Haar vaderlandsliefde trilde als de snaren eener harp, wanneer de stem eens bergbewoners den omtrek met het een of andere nationale pibroch der Hooglanden deed weerklinken.De Maistre heeft ergens gezegd: »Er bestaan in ons twee wezens: eerst het ik en dan de andere.”Het »ik” van miss Campbell was een ernstig, bezonnen wezen, dat het bestaan meer uit het oogpunt der verplichtingen dan uit het oogpunt der rechten beschouwde.De »andere” van miss Campbell was een romanesk, een avontuurlijk wezen, dat een weinig tot lichtgeloovigheid overhelde, en veel van de wonder-verhalen hield, die zoo gemakkelijk in het vaderland van Fingal ontluiken. Daarin verried zich haar maagschap met de Lindamires, die aanbiddenswaardige heldinnen uit de ridder-romans, en bezocht als zoodanig de omliggende glens alleen om »den doedelzak van Strathdearne”, zooals de Hooglanders het zuchten van den wind in eenzame lanen noemen, te hooren.Broeder Sam en broeder Sib hielden evenveel van die beide zoo verschillende wezens, die in miss Campbell huisden; maar toch moet bekend worden, dat, hoewel zij zich bekoord gevoelden door het ernstige schepseltje, zij soms van streek geraakten door de onverwachte snedige antwoorden, de grillige omzwervingen in het denkbeeldige, de plotselinge omdolingen in het rijk der droomen van het andere wezen.En was het dat luimige wezen niet, dat op het voorstel der beide broeders, het zoo zonderlinge antwoord gaf:»Ik trouwen! ik!” had het »ik!” uitgeroepen. »Ik de echtgenoot van mijnheer Beerenkooi worden! Wij zullen daarover eens denken.... en er later over spreken!”»Nooit!....” had die andere geroepen. »Nooit!.... zoolang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben!”De gebroeders Melvill keken elkander aan, zonder er iets van te begrijpen. Broeder Sam nam het oogenblik waar, dat Miss Campbell op een grooten Gothischen armstoel, die bij het venster stond, plaats nam, om te vragen:»Wat wil zij met dien Groenen Straal zeggen?”»En waarom wil zij dien straal zien?” vroeg broeder Sib.Waarom? Men zal het vernemen.Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).III.Het artikel uit de »Morning Post.”Ziehier, wat de liefhebbers van natuurkundige aardigheden dien dag in de »Morning Post” hadden gelezen:»Hebt gij wel eens een zons-ondergang boven een zee-horizon waargenomen? Voorzeker, nietwaar? Hebt gij dat zoo schoone natuurtafereel gevolgd, tot dat de bovenrand der zonneschijf, de watervlakte rakende, op het punt is te verdwijnen? Zeer waarschijnlijk. Maar hebt gij dan het natuurverschijnsel opgemerkt, dat zich in het allerlaatste oogenblik voordoet, waarin de schitterende zon haar laatsten straal doet zien, bij een geheel zuivere lucht, die van iederen nevel vrij is? Dat wellicht niet. Welnu, de eerste maal dat gij in de gelegenheid zult zijn,—en die gelegenheid doet zich zeer zelden voor,—om die waarneming te doen, dan zal het geen roode straal zijn, die volgens uwe meening op het netvlies van uw oog zal weerkaatsten, maar het zal een groene zijn, van een wonderlijk groen, een groen dat geen schilder op zijn verfbord kan te voorschijn tooveren, een groen, welker natuur nimmer bij de zoo afgewisselde kleurmenging van het plantenrijk, noch bij de schakeering van de helderste zeeën is waargenomen kunnen worden! Wanneer er groen in het Paradijs bestaat, dan kan het niet anders dan dat groen zijn, wat dan ongetwijfeld het groen der Hoop is!”Zoo luidde het artikel van deMorning Post, dagblad, hetwelk Miss Campbell bij haar binnentreden in de hall in de hand hield. Dat artikel was voldoende geweest om haar op te winden.Met een geestdriftvolle stem las zij dan ook de weinige regels die met hare stembuiging als een lyrische lofzang de schoonheden van den Groenen Straal bezongen, aan hare ooms voor.Maar wat miss Campbell hun verzweeg, was dat die Groene Straal overeenkwam met een oude legende, welker innige beteekenis haar tot nu toe ontsnapt was. Het was een raadselachtige legende, te midden van zoovele andere, die in de Hooglanden verteld worden en waarbij te verstaan werd gegeven, dat die straal de macht had, den sterveling, die hem gezien had, de gaaf te verleenen zich in hartzaken niet te kunnen vergissen. Door zijne verschijning werden alle onwaarheden en droombeelden vernietigd, zoodat hij,die het geluk had hem eens waar te nemen, helder in zijn eigen hart en in dat van anderen kon lezen.Dat de lezer de dichterlijke lichtgeloovigheid eener jeugdige Schotsche vergeve, die in haar brein door de lezing van dat artikel in deMorning Postweer opgewekt was.Toen broeder Sam en broeder Sib miss Campbell zoo hoorden, keken zij elkander verbouwereerd met verbazend wijd opengespalkte oogen aan. Tot nu toe hadden zij het leven genoten zonder dien Groenen Straal gezien te hebben, en zij meenden, dat men het best zonder hem kon stellen. Dit was evenwel de meening van Helena niet, die de gewichtigste daad haars levens van de waarneming van dat natuurverschijnsel, eenig onder allen, afhankelijk stelde.»Dus, dat is het wat men »de Groene Straal” noemt?” vroeg broeder Sam, terwijl hij zachtkens met hoofd knikte.»Ja, oom Sam,” antwoordde miss Campbell.»Dien ge volstrekt zien wilt?” vroeg broeder Sib.»Met uw verlof, dien ik zien zal, waarde ooms, en zoo spoedig mogelijk, met uw welnemen.”»En dan, als ge hem gezien zult hebben?....”»Als ik hem gezien zal hebben?.... Wel, dan kunnen wij over mijnheer Aristobulus Beerenkooi praten.”Broeder Sam en broeder Sib keken elkander ter sluiks aan en een glimlach van verstandhouding krulde hunne lippen.»Kom, laten wij den Groenen Straal gaan zien,” zei de een.»Kom, zonder een oogenblik te loor te laten gaan!” zei de ander.Maar miss Campbell weerhield hen met een handgebaar, toen zij het venster der hall wilden openen.»Wij moeten op zons-ondergang wachten,” zei zij.»Van avond dus....” knikte broeder Sam.»En dat de zon in een zeer zuiveren dampkring ondergaat,” vervolgde miss Campbell.»Welnu, na het middagmaal zullen wij alle drie naar de punt vanRosenheatwandelen....”»Of nog beter, wij zullen eenvoudig den toren van het buitenverblijf beklimmen,” zei broeder Sam.»Op Rosenheat-punt, zoowel als op dien toren,” antwoordde miss Campbell, »hebben wij geen ander vergezicht dan dat van de oeverstreek der Clyde. Wij moeten evenwel de zon zien ondergaan op zee, wanneer zij achter de wateroppervlakte verdwijnt. Mijn oompjes zijn dus gehouden mij in den kortst mogelijken tijd voor zoo’n zeegezicht te brengen!”Met haar allerliefsten glimlach op de lippen sprak miss Campbell, evenwel zoo ernstig, dat de gebroeders Melvill aaneen zoo te berde gebrachte vordering geen weerstand kon bieden.»Er is toch geen haast bij?....”meende broeder Sam evenwel in het midden te moeten brengen.Broeder Sib schoot te hulp, door er bij te voegen:»Oh! wij hebben den tijd....”Miss Campbell schudde het bevallige hoofdje.»Neen, wij hebben niet den tijd,” antwoordde zij, »integendeel, er is veel haast bij.”»Werkelijk? Zou dat belangstelling voor mijnheer Aristobulus Beerenkooi zijn?....” vroeg broeder Sam.»Wiens geluk, zooals het schijnt, van de waarneming van den Groenen Straal afhangt?....” meende broeder Sib.»Kom die gekheid! Neen, er is haast bij, lieve ooms! omdat wij reeds in Augustus zijn,” antwoordde miss Campbell, »en de nevels weldra onze Schotsche lucht zullen komen bederven! Wij moeten van de weinige schoone avonden gebruik maken, die het einde van den zomer en het begin van den herfst ons schenken zullen! Nu, wanneer vertrekken wij?”Zooveel was zeker, dat wanneer miss Campbell in dat jaar den Groenen Straal nog wilde waarnemen, er geen tijd te verliezen was. Alles wat den broeders overbleef te doen, en dat nog wel zonder een dag verloren te laten gaan, was zich onmiddellijk naar het een of andere punt van de Schotsche kust te begeven, die op het westen lag, zich daar zoo gemakkelijk mogelijk in te richten, om iederen avond den ondergang der zon te gaan waarnemen en haren laatsten straal te bespieden. Wellicht dat dan miss Campbell, met een weinig geluk, haren wensch, die niet van grilligheid vrij te pleiten was, in vervulling zou zien komen, wanneer namelijk de lucht tot de waarneming van het natuurverschijnsel wilde medewerken, wat wel een tref zoude zijn, want, zooals deMorning Postzei, kon die waarneming tot de zeer zeldzame gerekend worden.En dat dagblad was voorzeker goed ingelicht.Vooreerst gold het nu te zoeken en te kiezen een strook der westkust, vanwaar het natuurverschijnsel zichtbaar zoude zijn. Maar om die te vinden, moest men de baai der Clyde verlaten.Want die geheele inham, die de monding der Firth of Clyde vormt, is als bezaaid met hinderpalen, die het gezichtsveld begrenzen. Hier zijn het de Bute’s Kiles en het Arran-eiland, elders weer de schiereilanden van Knapdale, van Gantyre, van Jura en vanIslay, alle reusachtige verbrokkelingen van rotsen in een gewelddadig geologisch tijdperk, die een soort van eilanden-zee ten westen van het graafschap Argyle vormen. Onmogelijk zou het zijn, daar een segment van den zee-horizon te vinden, waarop de blik een zonsondergang kon waarnemen.O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).Dus wilde men Schotland niet verlaten, dan moest men òf meer noordwaarts òf meer zuidwaarts trekken. Men had een onmetelijkonderzoekingsveld voor zich, maar slechts weinig tijd om vóór de herfstnevelen klaar te zijn. Naar welke streek zou men trekken? Dat kon miss Campbell niets schelen. Of het de kust van Ierland, de kust van Frankrijk, de kust van Noorwegen, van Spanje of van Portugal mocht zijn, zij zou overal heen gegaan zijn, waar zij de afscheidsstralen der ondergaande zon had kunnen opvangen. En of dit de gebroedersMelvillgelegen of niet gelegen kwam, daarom bekreunde zij zich niet, zij moesten met haarmeê!De beide ooms, na een blik—maar welk een blik van diplomatische geslepenheid!—met elkander gewisseld te hebben, haastten zich het woord te nemen.»Welnu, liefste Helena,” zei broeder Sam. »Het is zeer gemakkelijk aan uw wensch te voldoen. Kom, laten wij naar Oban gaan.”»Nergens zullen wij voorzeker beter zijn, dan te Oban,” bevestigde broeder Sib.»Welnu, dan maar naar Oban,” antwoordde miss Campbell. »Maar is daar te Oban een zeehorizon?”»Dat zou ik meenen!” riep broeder Sam uit.»Eerder twee dan een!” bevestigde broeder Sib met een uitroep.»Welnu, dan maar op reis!”»Ja, over drie dagen,” zei een der ooms.»Neen over twee dagen,” zei de andere, die het noodig oordeelde inschikkelijkheid te betoonen.»Wat over twee dagen! Neen, morgen reeds!” antwoordde miss Campbell, die opstond, toen de klok voor het middagmaal zich liet hooren.»Morgen.... wel ja.... morgen!” zei broeder Sam.»Ik wou er al zijn,” betuigde broeder Sib.Zij spraken waarheid maar waarom die haast? Omdat Aristobulus Beerenkooi besloten had de zomermaanden te Oban door te brengen, en daar reeds sedert veertien dagen was. Miss Campbell, die deze bijzonderheid niet wist, zou zich daar in de nabijheid van dat jonge mensch bevinden, die onder de geleerdste, maar ook—en dat gisten de gebroeders Melvill niet—onder de vervelendste wezens kon meetellen. Daar, dachten de beide slimmerds, zal miss Campbell, na zich vruchteloos de oogen vermoeid te hebben met het waarnemen van zonsondergangen, hare gril opgeven en eindigen met haar sierlijk gehandschoend handje in de meer plompe hand van haren aanstaande te leggen. En al had Helena dat alles ook kunnen gissen, dan zou zij toch vertrokken zijn; want de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi kon haar niet van streek brengen.»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Die reeks van namen weerklonk weer in de hall. Maar ditmaal verscheen juffrouw Bess en ontving de bevelen om den volgenden morgen voor een dadelijk vertrek klaar te zijn.En werkelijk men moest zich haasten: de barometer, die op dertig en drie tiende streep (769 mm.) stond, kondigde mooi weer aan, dat eenigen tijd zou duren. Wanneer men ’s morgens vroeg vertrok, zou men nog tijdig genoeg te Oban aankomen om den zonsondergang te zien.Juffrouw Bess en Partridge hadden nu met dat ophanden zijnde vertrek natuurlijk de handen vol. De zeven-en-veertig sleutels van de huishoudster tikten en weerklonken in haar zak als de halsbellen van een spaansch muildier.Hoe veel kasten en laden moesten niet geopend, maar vooral gesloten worden! Wellicht zou het buitenverblijf te Helenaburg lang leeg staan, wie zou dat kunnen voorspellen? Moest er geen rekening gehouden worden met het grillig karakter van miss Campbell? En wanneer dat overheerlijke persoontje het in het hoofdje kreeg haren Groenen Straal te achtervolgen? En wanneer die Groene Straal met een soort van behaagzucht behept was en zich verborgen hield? En wanneer de omstreken van Oban niet de noodige helderheid van lucht aanboden, toch zoo noodzakelijk om zoo’n waarneming te doen gelukken? En wanneer men een anderen observatiepost moest kiezen, op een meer zuidelijk gelegen kuststreek, hetzij van Schotland, hetzij van Engeland, hetzij van Ierland, hetzij zelfs van het vaste land? Men zou den volgenden morgen vertrekken, dat was overeengekomen, dat stond vast; maar wanneer zou men op het buitenverblijf terugkeeren? Binnen een of binnen zes maanden? binnen een of over zes jaar?»Waartoe toch die inval om dien Groenen Straal te willen zien?” vroeg juffrouw Bess aan Partridge, die zijn best deed om haar te helpen.»Ik weet het niet,” antwoordde Partridge, »maar dat moet toch niet zonder belangrijkheid zijn; want onze jonge meesteres doet niets zonder er goede redenen voor te hebben. Dat weet gij trouwens, mavourneen.”Mavourneen is een uitdrukking, waarvan men zich in Schotland gaarne bedient. Het komt nagenoeg met de Hollandsche uitdrukking van »mijn waarde” overeen. En het was vooral aan de uitmuntende huishoudster niet ongevallig, aldus door den braven Schot betiteld te worden.»Ik ben het met u eens, Partridge,” antwoordde zij, »dat diegril van onze miss Campbell, zonder dat wij zulks vermoeden kunnen, een geheime gedachte tot grondslag heeft.”»Maar welke?”»Weet ik het? Daar zit òf een formeele weigering, òf minstens een uitstel ten opzichte van de plannen harer ooms achter!”»Zoudt ge kunnen denken? Ik begrijp inderdaad ook niet,” was de meening van Partridge, »waarom die heeren Melvill zoo zeer ingenomen zijn met dien mijnheer Beerenkooi. Komaan, zeg eens ronduit, zou dat wel een goed echtgenoot voor onze jonge juffrouw wezen?”»Wees daarvan overtuigd,” antwoordde de huishoudster, »dat wanneer die meneer haar maar half aanstaat, zij hem in ’t geheel niet tot echtgenoot zal aannemen. Zij zal met haar fijn bekje »neen” tegen haar ooms zeggen, terwijl zij hun een hartelijken kus op beide wangen zal geven, en die ooms zullen dan de verbaasden spelen, dat zij ook maar een oogenblik een gedachte hebben kunnen wijden aan zoo’n minnaar, wiens pretenties mij volstrekt niet aanstaan.”»En mij ook niet, mavourneen!”»Ziet ge, Partridge, het hartje van miss Campbell is als die lade daar, goed gesloten onder haar zekerheidsslot. Zij alleen bezit er den sleutel van, en wil iemand die lade openen, dan moet zij dien sleutel vrijwillig afstaan....”»Tenzij men haar dien ontfutselt;” viel Partridge met een geheimzinnigen maar toch toestemmenden glimlach in.»O! dien ontfutselt men haar zoo niet, of zij moet hem zich willen laten ontfutselen,” antwoordde juffrouw Bess, »en ik mag lijden dat de wind mijn muts afrukke en haar op de punt van den klokkentoren van Sint Mungo brenge, wanneer onze jonge dame ooit dien mijnheer Beerenkooi tot man neemt.”»Een Zuidelijke!” riep Partridge met ietwat kleinachting in zijn stem. »Een Southern, die, al is hij ook in Schotland geboren, toch steeds aan de andere zijde der Tweed gewoond heeft!”Juffrouw Bess schudde met het hoofd bij het hooren dier woorden. Die twee Hooglanders begrepen elkander opperbest. Voor hen maakten de Laaglanders, in weerwil van alle Unie-verdragen, ter nauwernood deel uit van Oud-Caledonië. Komaan, zij konden zich niet onder de bepaalde voorstanders van die huwelijks-plannen rekenen. Zij hoopten op beter voor miss Campbell. Al was dat huwelijk nog zoo voegzaam, volgens hen was voegzaamheid voor zoo’n verbintenis voor het leven niet voldoende.»Och! Partridge!”riep juffrouw Bess uit, »de oude gebruiken der bergbewoners waren nog de beste, en de gewoonten van onzeoude Clans waren volgens mij een betere waarborg voor het geluk bij huwelijken dan de tegenwoordige. Vindt gij ook niet?”Daar wachtte de stoomboot Columbia. (bladz. 28).Daar wachtte de stoombootColumbia. (bladz. 28).»Nooit hebt gij meer waarheid gesproken,mavourneen!” antwoordde Partridge ernstig. »Toen liet men het hart meer spreken; thans zoekt men slechts geld! Het geld heeft zijn waarde, voorzeker, maar toegenegenheid, innige toegenegenheid is toch beter!”»Juist Partridge, en toen wilde men elkander vooral kennen, alvorens in het huwelijksbootje te stappen. Herinnert gij u nog wat op de kermis van Sint-Olla teHirkwallplacht te gebeuren? Gedurende den geheelen tijd dat de kermis duurde, en zelfs sedert het begin van Augustus reeds, vormden de jonge lieden paartjes en die paartjes werden »broertje en zusje van den eersten Augustus” genoemd. Broertje en zusje! vormt dat niet een zacht geleidelijken overgang om man en vrouw te worden: En waarachtig, het is juist heden de eerste Augustus, dag waarop die paartjes zich vormden, en eindelijk de kermis van Sint-Olla begon. Och! dat God toch die prettige lieve kermis weer terug bracht!”»Dat het Opperwezen u verhoore!” sprak Partridge met indrukwekkend gebaar. »Wanneer oom Sib en oom Sam ooit zoo’n paartje met het een of ander aardig Schotsch meisje gevormd hadden, dan zouden zij aan het algemeen noodlot niet ontkomen zijn en miss Campbell zou dan twee tantes meer tellen in hare maagschap!”»Daar ben ik ook zeker van,” antwoordde juffrouw Bess met vuur. »Maar laat nu miss Campbell eens zoo’n paartje vormen met dien mijnheer Beerenkooi, dan zal de Clyde eerder van Helenaburg naar Glasgow terug stroomen, dan dat zoo iets tot een huwelijk zou leiden. Binnen acht dagen had het »zusje” het »broertje” naar de pomp gejaagd.Zonder uittewijden omtrent de onwelvoeglijkheden, die plaats konden hebben bij zulk een gemeenzaamheid als door de gebruiken van Hirkwall, die trouwens uitgeroeid zijn, aangemoedigd werden, willen wij ons bepalen tot de mededeeling dat juffrouw Bess door de omstandigheden wellicht in het gelijk zou worden gesteld. Maar miss Campbell en mijnheer Aristobulus Beerenkooi vormden geen paartje van »broertje en zusje van den eersten Augustus”, zoodat, wanneer het ooit tot een huwelijk kwam, de verloofden nimmer in de gelegenheid waren geweest elkander te leeren kennen, zooals gebeurd zou zijn, wanneer zij het proefvuur van de kermis vanSint-Ollazouden doorstaan hebben!Hoe het ook zij, de kermissen werden vroeger ingesteld om de zaken, niet om de huwelijken te bevorderen. Wij kunnen dus juffrouw Bess en Partridge aan hun gejammer over den goeden ouden tijd overlaten. Wij kunnen er echter bijvoegen, dat die twee al babbelende hun werk ijverig voortzetten en geen oogenblik lieten verloren gaan.Het vertrek was dus besloten. De plek, waar men het buitenzijnzou gaan genieten, was gekozen. De gebroeders Melvill en miss Campbell zouden reeds den volgenden morgen in de dagbladen voor het »High life” onder de rubriek »aangekomen vreemdelingen” in de badplaats Oban voorkomen. Maar hoe zou men de reis derwaarts maken? Dit was het vraagstuk, dat ter oplossing overbleef.Twee verschillende wegen stonden open, om zich naar dat kleine plaatsje te begeven, dat aan de zeeëngte van Mull gelegen is op een paar honderd mijl ten noordwesten van Glasgow.De eerste dier wegen is de weg over land. De reiziger begeeft zich naar Bowling, dan langsDumbartonen den rechteroever van de Leven tot bij Balloch, hetwelk gelegen is aan het uiteinde van het meer Lhomond. Dat schoonste der Schotsche meren met zijn dertigtal eilanden en zijn historische oevers, vervuld met de herinneringen aan de Mac-Gregors, aan Mac-Farlanes, wordt doorsneden. Men is dan ten volle in het schilderachtige land van Rob Roy en van Robert Bruce. Dalmaly wordt dan bereikt, en van daar wordt de reis voortgezet langs een straatweg, die langs berghellingen voert en soms ter halver hoogte daar langs opstijgt; die zich boven en langs bergstroomen en fiords slingert te midden van die eerste voorsprongen van den Grampianbergketen, te midden der glens, overal met heidebloempjes overdekt, gestoffeerd met denneboomen, met eiken, met beuken en met berkeboomen en daalt de opgetogen toerist van het hoogland neder bij de kuststreek van Oban, die, wat schilderachtigheid betreft, aan de meest beroemde van de geheele Atlantische zeekust dienaangaande niets te benijden heeft.Dat is een overheerlijk uitstapje, dat door ieder reiziger in Schotland gemaakt is of moet gemaakt worden. Maar op dien geheelen weg geniet men nergens een zee-horizon. Toen dan ook de gebroeders Melvill dien weg voorsloegen, bemerkten zij ras dat dit vergeefsche moeite was.De tweede weg, die genomen kan worden, is tegelijkertijd een rivier- en een zeeweg. Eerst moet de Clyde afgezakt worden tot waar zij de baai ontmoet, die aan haar haren naam ontleent. Dan voert de weg tusschen de eilanden en eilandjes door, die den grilligen archipel den vorm geven van een overgroote hand van een menschengeraamte, dat daar op dat gedeelte van den Oceaan schijnt te rusten. Men vaart dan langs die reuzenhand op tot aan de haven van Oban. Die weg was wel verleidelijk voor miss Campbell, voor wien de goddelijke streek der Lhomond- en Katrine-meren geen geheimen meer bezat. Daarenboven zou zij langs de zeeëngten tusschen de eilanden en in de baaien vergezichten naar den kant van het westen hebben, welker omtrek duidelijk door die lijn aangegeven wordt, waar land en water elkander schijnen te raken.Welnu, zou het onmogelijk zijn om alsdan gedurende dien overtocht bij zonsondergang, wanneer de kim geheel zuiver zou zijn, dien Groenen Straal op te vangen, welker schittering ter nauwernood het vijfde gedeelte eenersecondeduurt?»Gij begrijpt toch, oom Sam,” zei miss Campbell hoog ernstig, »en ook gij, Oom Sib, gij begrijpt toch, dat die flikkering slechts een oogenblik duurt. Welnu, wanneer ik gezien heb, wat ik wensch te zien, dan is de reis ten einde, dan is het onnoodig om verder naar Oban door te reizen en zich daar in te richten.”Ziedaar juist wat de gebroeders Melvill niet wenschten. Zij verlangden eenigen tijd te Oban te blijven—de lezer herinnert zich waarschijnlijk nog waarom—en hoopten, dat een te spoedige verschijning van den Groenen Straal hunne plannen niet zou komen dwarsboomen.Daar evenwel miss Campbell beslissende stem in het kapittel had, en zij voor de zeereis stemde, werd deze boven de landreis met meerderheid van stemmen verkozen.»De duivel hale dien Groenen Straal!” zei broeder Sam, toen Helena de hall verlaten had.»En dat hij hen medeneme, die hem uitgedacht hebben,” voegde broeder Sib er bij.
I.Broeder Sam en broeder Sib.»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Dat waren de namen, die achtereenvolgens in de prachtige »hall” van Helenaburg weerklonken. Dat geroep was een onveranderlijke gewoonte van broeder Sam en van broeder Sib, wanneer zij de huishoudster van het buitenverblijf noodig hadden.Maar in dit oogenblik deden die verkleinwoordjes van Elisabeth evenmin de waardige draagster daarvan te voorschijn komen, als wanneer hare heerschappen haar bij den naam voluit geroepen hadden.Het was de intendant Partridge in persoon, die zich met de muts in de hand aan de deur der hall vertoonde.Zich tot de roependen, twee personen van fatsoenlijk uiterlijk, wendende, die op den kozijnmuur zaten van een venster, welker drie glazen als ruitvormige vakken buiten den gevel der woning uitstaken:»Roepen de heeren juffrouw Bess?” zei hij; »maar die is niet op het buitenverblijf.”»Waar is zij dan, Partridge?”»Zij vergezelt miss Campbell, die in het park wandelt.”Partridge vertrok hoogst ernstig op een teeken, dat hem beide personen gaven.Die personen waren broeder Sam en broeder Sib,—verkleinwoorden, afkomstig van hunne doopnamen Samuel en Sebastiaan—de ooms van Miss Campbell. Het waren Schotten van het oude ras, Schotten van een ouden Clan der Hooglanden, zij telden te zamen honderd twaalf jaar, en scheelden slechts vijftien maanden met elkander. Sam was de oudste, Sib de jongste.Om die twee typen van eer, goedheid en toewijding bij uitnemendheid met weinige trekken te schetsen, zal het voldoende zijn mede te deelen, dat hun geheele bestaan aan hunne nicht gewijd was. Zij waren de broeders van hare moeder, die, nadat zij na een kortstondig huwelijksgeluk van slechts een jaar, weduwe geworden was, door een snelverloopende ziekte in het graf gesleept werd. Sam en Sib Melvill bleven dus alleen op de wereld als verzorgers van het kleine weeskind. Door dezelfde verteedering verbonden, leefden zij voort, dachten aan en droomden over niets anders dan het jonge meisje.Voor haar waren zij ongetrouwd gebleven, het moet er bij verteld worden: zonder eenig berouw; want zij behoorden tot die goedige wezens, die geen andere rol op dit onderaardsche te vervullen hebben dan die van voogd. En dat was nog niet genoeg gezegd: de oudste had zich tot vader, de jongste tot moeder van het kind gesteld. Het gebeurde dan ook, dat miss Campbell er toe kwam hen heel natuurlijk te groeten met een:»Dag papa Sam! hoe vaart mama Sib?”Met wie zou men die beide ooms beter hebben kunnen vergelijken, behoudens hunne geschiktheid voor de zaken, dan met die twee liefdadige kooplieden, zoo goed, zoo eender van gedachten, zoo minzaam, als de broeders Cheeryble uit de London-City, de twee meest volmaakte wezens, die uit het vruchtbare brein van Dickens geboren werden. Het zou onmogelijk geweest zijn, een meer nauwkeurige gelijkenis te treffen, al moest men den schrijver ook beschuldigen, dat type aan het meesterstuk:Nikolaas Nicklebygeheeten, ontleend te hebben; niemand zou zich over dit plagiaat te beklagen hebben.Sam en Sib Melvill, door het huwelijk hunner zuster vermaagschapt aan een zijtak van het oude stamhuis der Campbells, hadden elkander nooit verlaten. Dezelfde opvoeding had hen zedelijk aan elkander gelijk doen worden. Zij hadden te zamen hetzelfde onderwijs in hetzelfde college en in dezelfde klas genoten. Daar zij over het algemeen dezelfde denkbeelden over alle zaken verkondigden in geheel overeenkomstige uitingen, zoo kon de een steeds den volzin van den anderen eindigen met dezelfde uitdrukkingen, onderstreept en gezinteekend door dezelfde gebaren. In ’t kort, die twee wezens vormden slechts één, hoewel er eenig onderscheid in hun lichamelijkgestel te bespeuren was. En inderdaad, Sam was iets grooter dan Sib en Sib was iets dikker dan Sam; maar overigens zouden zij hunne grijze haren hebben kunnen verwisselen, zonder het grondkarakter van hun eerlijk gezicht aan te tasten, waarop de geheele adeldom der afstammelingen van den Clan der Melvill’s geschreven stond.Zal ook verteld moeten worden, dat in de snede hunner eenvoudige en ouderwetsche kleeding, in de keus van de stoffen daarvoor van goed engelsch laken, zij een gelijken smaak aan den dag legden, behalve dat—wie zal die geringe afwijking kunnen verklaren?—Sam de donkerblauwe en Sib donker kastanjekleur scheen te verkiezen.Werkelijk, wie zou niet in een innigen omgang met die twee fatsoenlijke lieden hebben willen leven? Gewoon als zij waren, met denzelfden pas in het leven voort te stappen, zouden zij ongetwijfeld, op weinigen afstand van elkander, stil blijven staan, wanneer het uur van de groote levenshalte gekomen zou zijn. In ieder geval waren die twee zuilen van het stamhuis der Melvill’s nog stevig. Zij zouden nog langen tijd het oude gebouw van hun ras schragen, dat van de veertiende eeuw dagteekende, dat episch tijdperk van Robert Bruce en van Wallace, heldentijdperk, waarin Schotland zijn onafhankelijkheid tegenover Engeland betwistte.Maar al hadden Sam en Sib ook al niet de gelegenheid gehad om voor het welzijn van hun land te strijden, al vlood hun minder bewogen leven ook al heen in de kalmte van dat onbekommerd bestaan, hetwelk door het bezitten van een vermogen te weeg gebracht wordt, zoo moet men hen daarvan geen verwijt maken of meenen, dat zij ontaard waren. Neen, zij vervolgden, door wel te doen, de edelaardige overleveringen hunner voorouders.Zij waren dan ook met de goede gezondheid, die zij genoten, en zich geen enkele levens-onregelmatigheid te verwijten hebbende, bestemd om, zonder oud naar geest en lichaam te worden, een hoogen ouderdom te bereiken.Wellicht kon hun één gebrek ten laste gelegd worden,—wie toch is volmaakt op deze aarde?—en dat was, dat zij hunne gesprekken tooiden met beeldspraken en aanhalingen, aan den beroemden kasteelbewoner van Abbotsford ontleend, en meer bepaaldelijk aan de epische gedichten van Ossian, waarmee zij dweepten. Maar wie zou hun dat in het vaderland van Fingal en van Walter Scott tot grief gemaakt hebben?Om hunne schets met een laatsten potloodstreek te eindigen, moet medegedeeld worden, dat zij groote snuifverbruikers waren. Nu is het bij niemand onbekend, dat het uithangbord der tabaksverkoopers voor het meerendeel een moedigen Schot voorstelt, die, in het nationaal kostuum gekleed, met de snuifdoos in de hand afgebeeldis. Welnu, de gebroeders Melvill zouden waardiglijk overgebracht hebben kunnen worden op de met verf bekladde zinken platen, die boven de tabakswinkels in den wind krassen. Zij snoven zooveel en zelfs meer dan iemand, wie ook, aan deze of gene zijde van de Tweed. Maar, kenmerkende bijzonderheid, zij bezaten slechts één snuifdoos, die evenwel bijzonder groot was. Dat draagbaar voorwerp ging steeds uit den zak van den eenen in dien van den anderen over. Dit was als een band tusschen hen beiden. Er zal wel niet bijgevoegd behoeven te worden, dat zij minstens tien keeren in het uur de behoefte gevoelden, het overheerlijke nikotiaansche kruid, dat zij uit Frankrijk lieten komen, te gebruiken. Wanneer de een de snuifdoos uit de diepte van zijn rok voor den dag haalde, dan haakten beiden naar een goed snuifje, en wanneer zij moesten niezen, dan zeiden zij beiden: »God zegene u!”Overigens waren de broeders, Sam en Sib, waarlijk kinderen, wanneer het de werkelijkheid des levens betrof. Zij waren zeer weinig op de hoogte der wereldsche en geheel en al niet op het gebied van nijverheids-, geld- of handelszaken. Zij beweerden dan ook niet, er iets van te begrijpen. Op staatkundig gebied waren zij nog minder thuis, hoewel zij wellicht Jakobus-Gezinden mochten heeten, die eenige vooringenomenheid jegens het regeerend huis van Hannover koesterden en een gedachte wijdden aan den laatsten der Stuarts, zooals een Franschman aan den laatsten koning uit het huis van Valois zou kunnen denken. Maar in gevoels-kwestiën waren zij geheel vreemdelingen.En toch hadden de gebroeders Melvill slechts één gedachte namelijk een helderen blik te slaan in het hart van miss Campbell, haar meest geheime gedachten te ontraadselen, die gedachten te besturen als het moest, die te ontwikkelen als het noodig was, om haar eindelijk aan een braven jongen hunner keus uit te huwelijken, die niet anders doen kon, dan haar gelukkig maken.Moest men hen gelooven, wanneer men de zaak hoorde bepraten, dan hadden zij juist zoo’n braven jongen gevonden, wien die aangename taak op dit ondermaansche zou ten deel vallen.»Helena is alzoo uit, broeder Sib?”»Ja, broeder Sam, maar daar slaat het vijf uur, zij zal dus weldra te huis komen.”»En zoodra zij te huis zal zijn....”»Zal het zaak zijn, broeder Sam, een zeer ernstig gesprek met haar te hebben.”»Binnen weinige weken, broeder Sib, zal onze dochter den leeftijd van achttien jaar bereikt hebben.”»Den leeftijd van Diana Vernon, broeder Sam. Is zij niet even bekoorlijk als de aanbiddenswaardige heldin van Rob Roy?”Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).»Ja, broeder Sib, en door de bevalligheid harer manieren....”»Door haar geestesgaven....”»Door de oorspronkelijkheid harer denkbeelden....”»Brengt zij meer Diana Vernon in herinnering dan Flora Mac Ivor, de groote en indrukwekkende figuur vanWaverley!”De gebroeders Melvill, trotsch op hunnen nationalen romanschrijver, haalden nog eenige andere heldinnennamen aan uit denOudheidkundige, uitGuy Mannering, uit denAbt, uit hetKlooster, uit deMooie Meid van Perth, uit hetKasteel van Kenilworthenz.; maar alle moesten volgens hunne meening den eerepalm aan miss Campbell laten.»Het is een jonge rozenstruik, die wat snel opgeschoten is, broeder Sib, en die....”»Een steun gegeven moet worden, broeder Sam. Ik heb mij laten zeggen, dat de beste steun voor een jong meisje....”»Klaarblijkelijk een echtgenoot is, broeder Sib, want die schiet wortel naast den rozenstruik....”»En groeit natuurlijk met den struik voort, broeder, dien hij beschermen moet!”Met hun beiden hadden de gebroeders Melvill als ooms die beeldspraak gevonden, die, goed bekeken, toch aan denVolmaakten Hovenierontleend was. Zij waren er ongetwijfeld tevreden over; want zij wekte een zelfden glimlach van tevredenheid op hunne goedige gezichten. De gemeenschappelijke snuifdoos werd door broeder Sib te voorschijn gebracht, die er voorzichtig twee vingers in bracht, waarna hij ze aan broeder Sam overreikte, die, na een flink snuifje genomen te hebben, haar in den zak stak.»Wij komen dus geheel en al overeen, broeder Sam?”»Zooals altijd, broeder Sib.”»Zelfs bij de keus van een steun?”»Zou men een meer met Helena overeenstemmend wezen vinden, een die meer in haar smaak kan vallen dan die jeugdige geleerde, die ons herhaaldelijk zulke waardige....”»En zulke ernstige gevoelens jegens haar liet blijken?”»Dat zou inderdaad moeilijk zijn. Hij is goed onderwezen, heeft zijn graden op de Hooge Scholen van Oxford en Edinburg behaald....”»Hij is knap natuurkundige als Tyndall....”»Scheikundige als Faraday....”»Hij kent het waarom van alle zaken op dit ondermaansche, broeder Sam....”»Hij zal niet betrapt worden op haperen, laat het welk moeilijk vraagstuk ook zijn, broeder Sib....”»Hij stamt af van een belangrijke familie uit het graafschap Fife en is daarenboven bezitter van een voldoend vermogen....”»Zonder van zijn uiterlijk te spreken, dat zelfs met zijnaluminiumbrilzeer aangenaam is!”Al waren de brilleglazen van dien held ook in staal, nickel of goudgevat geweest, dan zouden de gebroeders Melvill dat nog niet als een koopvernietigend gebrek beschouwd hebben. Het is waar, dat die gezichtkundige toestellen aan jeugdige geleerden goed staan en zij hun ietwat ernstig uiterlijk naar wensch voltooien.Maar zou die gegradueerde der bovengenoemde Hooge Scholen, die natuur- en scheikundige, aan miss Campbell bevallen! Neen, wanneer miss Campbell op Diana Vernon geleek. De lezer weet het toch. Diana Vernon koesterde geen ander gevoel voor haren geleerden neef Raleigh, dan dat eener bescheiden vriendschap. Zij trouwt hem dan ook niet op het einde van den roman.Mooi! maar dat kon de twee broeders niet verontrusten. Zij waren geheel en al behept met de onervarenheid van oude jongeheeren, die geheel onbevoegd zijn in zulke zaken te oordeelen.»Zij hebben elkander reeds dikwijls ontmoet, broeder Sib; en onze jonge vriend scheen niet ongevoelig voor de schoonheid van Helena.”»Dat geloof ik wel, broeder Sam! Had de goddelijke Ossian hare deugden, hare schoonheid en hare bevalligheid te verheerlijken gehad, dan zou hij haar Moina genoemd hebben, dat wil zeggen: door iedereen bemind....”»Tenzij hij haar Fiona genoemd had, broeder Sib, dat wil zeggen: de onvergetelijke schoone uit degaëlischetijdperken.”»Had hij geen voorgevoel van het bestaan onzer Helena, broeder Sam, toen hij schreef: »Zij verlaat hare schuilplaats, waar zij in het geheim zuchtte en verschijnt, getooid met hare schoonheid, als de maan in het oosten op den rand eener wolk....”»En het schitterende harer bekoorlijkheden omgeeft haar als lichtstralen, broeder Sib, en het geschuifel van haar lichten tred is welgevallig voor het oor, evenals een heerlijke muziek!”Gelukkig, dat de beide broeders daarbij hunne aanhalingen staakten en uit den nevelachtigen hemel der barden tot het werkelijke leven terugkeerden.»Dat is zeker,” zei de een, »wanneer Helena onzen jeugdigen geleerde bevalt, hij hare genegenheid wel zal verwerven.”»En dat zij van haren kant, broeder Sib, hem nog niet al die opmerkzaamheid geschonken heeft, die de verheven hoedanigheden, waarmede hem de natuur zoo rijkelijk bedeeld heeft, verdienen....”»Dat enkel daaraan te wijten is, broeder Sib, dat wij haar nog niet hebben medegedeeld dat het tijd wordt voor haar om aan het huwelijk te denken.”»Maar wanneer wij eenmaal haar denkbeelden op dat onderwerp zullen gevestigd hebben, verondersteld dan ook al, dat zij eenigen tegenzin, niet tegen den echtgenoot, maar tegen den echtelijken staat zou hebben....”»Dan zal zij toch dadelijk »ja” antwoorden, broeder Sam....”»Zoo als die uitmuntende Benedictus, broeder Sib, die na lang weerstand geboden te hebben....”»In de ontknooping van »Veel geschreeuw en luttel wol” eindigt met Beatrix te trouwen!”Zoobedisseldende goede ooms van miss Campbell die zaak, en die aangegeven ontknooping scheen hun even natuurlijk toe als die uit het komediestuk van Shakespeare.Beiden waren als op een gegeven teeken tegelijkertijd opgestaan en keken elkander met een fijn glimlachje aan. Zij wreven zich de handen op de maat. Dat huwelijk was een geklonken zaak! Welke moeielijkheid zou zich nog kunnen voordoen? De jonkman had hun de hand van het jonge meisje gevraagd en deze zou wel haar antwoord geven, een antwoord, waaromtrent zij zich niet te bekommeren hadden. Alle vormelijkheid was in acht genomen, men had slechts den dag vast te stellen.En waarlijk, dat zou een schoone dag en een fraaie plechtigheid zijn. Zij zou te Glasgow voltrokken worden, maar niet in de kathedraal van Sint Mungo, de eenige kerk van Schotland, die met Sint Magnus der Orkaden in het hervormingstijdperk ongeschonden was gebleven. Neen! zij was een te lomp gevaarte en bij gevolg niet vroolijk genoeg voor een huwelijk, dat volgens de gebroeders Melvill een ontluiking der jeugd, een uitstraling van liefde moet zijn. Men zou eerder Sint Andries of Sint Enoch of zelfs Sint George kiezen, die tot bidplaats van het meest fatsoenlijke kwartier der stad diende.Broeder Sam en broeder Sib gingen voort met het ontwikkelen van hunne plannen en gebruikten daarbij een spreekwijze, die meer van een alleenspraak dan van een gesprek had, omdat het steeds de opvolging van dezelfde denkbeelden was, die op dezelfde wijze uitgedrukt werden. Onderwijl zij zoo praatten, vestigden zich door de ramen hunne blikken op het fraai geboomte, waaronder miss Campbell thans wandelde, op de groene grasperken, door beekjes met ruischend water omzoomd, op de lucht met haren lichtgevenden nevel, die in de Schotsche Hooglanden schijnt te huis te behooren. Zij keken elkander niet aan, dat was onnoodig; maar door een soort van hartelijkinstinctgedreven, grepen zij van tijd tot tijd elkanders arm, drukten elkander de hand, alsof zij door de een of andere magnetische strooming, de mededeeling hunner gedachten wilden bevorderen.Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).Ja! dat zou prachtig zijn! De zaken zouden grootsch en adellijk behandeld worden. De arme lieden van West-George Street, die daar even goed als elders te vinden zijn, zouden bij het feest niet vergeten worden. Mocht miss Campbell, tegen ieders vermoeden in, wenschen, dat het huwelijk meer eenvoudig zou voltrokkenworden, dan zou zij moeite hebben om hare ooms reden te doen verstaan, en die ooms zouden het wel tegen haar opnemen enhunne plannen doordrijven, al was dat ook voor den eersten keer in hun leven. Neen! zij zouden noch daarin, noch in eenig ander geval toegeven. Met de grootste plechtigheid zouden de genoodigden bij het verlovingsmaal volgens het oude gebruik »den dronk op den dakbalk” uitbrengen. En de arm van broeder Sam rondde zich even als die van broeder Sib, alsof zij reeds bezig waren, dien beroemden Schotschen dronk in te stellen.De deur der hall ging in dit oogenblik open, en een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen, het gevolg van een vluggen renloop in het park. Hare hand zwaaide een opengeslagen dagblad. Zij wendde zich tot de gebroeders Melvill en vereerde beiden met twee kussen.»Goeden morgen, oom Sam,” zei zij.»Goeden morgen, lieve dochter.”»En hoe vaart oom Sib?”»Opperbest!”»Helena,” zei broeder Sam, »wij hebben iets met je te bedisselen.”»Te bedisselen! Wat te bedisselen? Kom, welke samenzwering hebben mijn oompjes gesmeed?” vroeg miss Campbell, wier blikken niet zonder ondeugendheid van den een naar den anderen schoten.»Ge kent dat jonge mensch, den heer Aristobulus Beerenkooi?”»Dien ken ik.”»Mishaagt hij je?”»Waarom zou hij mij mishagen, oom Sam?”»Dan bevalt hij je?”»Waarom zou hij mij bevallen, oom Sib?”»Wel, omdat broeder Sam en ik, na rijpe overweging, hem je tot echtgenoot voorstellen.”»Ik trouwen! ik!” riep miss Campbell met den meest welluidenden lach, die ooit binnen de muren der hall weerklonken had.»Je wilt niet trouwen?” vroeg broeder Sam.»Neen!”»Nooit?...” vroeg broeder Sib.»Nooit!” antwoordde miss Campbell met een ernstig gezicht, dat wel in tegenspraak met haar lachend mondje was. »Nooit! mijn lieve ooms... ten minste zoo lang ik niet gezien heb...”»Wat dan?” vroegen broeder Sam en broeder Sib als om strijd.»Zoo lang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben.”II.Helena Campbell.Het buitenverblijf, door miss Campbell en de gebroeders Melvill bewoond, was gelegen op drie mijlen van het kleine gehucht Helenaburg, op den oever van Gare-Loch, een van die schilderachtige inkeepingen, waardoor de boorden van de Clyde grillig ingesneden zijn.Gedurende het winterseizoen bewoonden de gebroeders Melvill te Glasgow een aanzienlijk huis in West-George Street in het aristokratisch kwartier der nieuwe stad, niet ver van Blythswood Square. Daar verbleven zij zes maanden van het jaar, tenzij een gril van Helena, waaraan zij zich steeds zonder tegenspartelen onderwierpen, hen tot een langdurig uitstapje naar den kant van Italië, van Spanje of van Frankrijk noopte. Gedurende zulke reizen zagen zij slechts door de oogen van het jonge meisje, gingen waarheen zij wenschte te gaan, hielden halt, wanneer zij zulks verkoos, en bewonderden slechts dat, wat zij harer aandacht waardig keurde. Wanneer miss Campbell haar reisindrukken òf met eenige potloodhalen òf met eenige inktregels in haar album had overgebracht, dan keerden de brave ooms onderworpen naar het Vereenigd Koninkrijk terug, en betrokken weer, evenwel niet zonder innerlijke voldoening, de gemakkelijk ingerichte woning in West-George Street.Wanneer een drietal weken van de maand Mei verloopen waren, gevoelden broeder Sam en broeder Sib een niet te bedwingen verlangen om naar buiten te gaan. Dat verlangen overviel hen steeds juist op het oogenblik, dat miss Campbell ook het niet te bedwingen verlangen te kennen gaf, om niet alleen Glasgow, maar ook het rumoer eener groote nijverheidsstad vaarwel te kunnen zeggen; om de bedrijvigheid te kunnen ontvluchten der handelaren, die niet zelden zelfs tot in de nabijheid van Blythswood Square, het deftige kwartier, doordrong; om eindelijk een minder met rook bezwangerden hemel te kunnen zien, om een minder met koolzuur bezwangerde lucht te kunnen inademen dan die der oude hoofdstad van Schotland, welker handels-belangrijkheid eenige eeuwen geleden door de »Tabacco Lords”, de tabaklords, gesticht werd.Dan vertrok alles, heerschap en bedienden, naar het buitenverblijf, dat hoogstens op een twintigtal mijlen verwijderd lag. Het was een fraai plekje, dat dorpje Helenaburg. Men heeft er een badplaats van gemaakt, die zeer gezocht was door hen, die tijdgenoeg hadden om de wandelingen langs de Clyde af te wisselen met uitstapjes naar het Katrinemeer en het Lhomondmeer, die zoo dierbaar aan de toeristen zijn.Op een mijl van het dorp en op den oever van het Gare-Loch, hadden de gebroeders Melvill een plekje uitgezocht om hun buitenverblijf te bouwen te midden van prachtig geboomte en te midden van murmelende beekjes, op een golvend terrein, welks oppervlakte als voor het aanleggen van een park bestemd scheen. Frisch lommer, groene grasperken, boschjes van dicht en verschillend struikgewas, bloembeddingen, weilanden, welker »gezondheids-gras” voornamelijk voor de bevoorrechte schaapjes groeide, vijvers met hunne spiegelgladde oppervlakten, bevolkt met wilde zwanen, die bevallige vogels, waarvan Wordsworth zong:»De zwaan dobbert dubbel, hij en zijn beeld!”Alles eindelijk wat de natuur bekoorlijks voor de oogen kan te zaam brengen, zonder dat de menschenhand zich in die schikkingen verraadt; zoodanig was het zomerverblijf van die welgestelde familie.Er moet nog bijgevoegd worden, dat van dat gedeelte van het park, boven het Gare-Loch gelegen, het uitzicht behoorlijk was. Vooreerst rustte het oog aan het uiteinde van dien smallen inham op het schiereiland Roseheat, waarop zich een fraaie italiaansche villa verhief, die aan den hertog van Argyle toebehoorde. Links vertoonde het gehucht Helenaburg de golvende lijn van hare huizen, waarboven een paar klokkentorens uitstaken, met zijn sierlijke pier zich uitstrekkende boven de wateren van den inham, ten behoeve der stoombooten; en daarachter, op dien achtergrond, de kustheuvels, waarop vriendelijk eenige schilderachtige woningen verrezen. Vlak tegenover, op den linkeroever derClyde, verrezen Glasgow-haven, de bouwvallen van het Kasteel Newark, Greenock en daar rondom een woud van masten met hunne veelkleurige vlaggen, waardoor een zeer afwisselend panorama ontstond, hetwelk het oog aangenaam boeide.En dat gezicht werd nog fraaier, wanneer men den voornaamsten toren van het buitenverblijf beklom, waardoor de gezichteinder zich aanmerkelijk uitbreidde.De vierkante toren, met zijn veruitspringende torentjes, in vorm op peperbussen gelijkende, op drie zijner hoeken, was versierd met schietgaten en rondgaande galerijen, terwijl zijn bovenvlak verdedigd was door een borstwering, die als kantwerk in steen uitgehouwen was. De vierde hoek sloot aan een achtkantig torentje, waarop de vlaggestok verrees, waaraan het dundoek wapperde, dat zich in het Vereenigd Koninkrijk boven alle woningen en boven alle vaartuigen ontplooit. Die soort van wachttoren, van nieuweredagteekening, beheerschte alzoo het geheel der gebouwen, die tot het buitenverblijf behoorden, met zijn grillige daken, met zijnvensterramen, die nog grilliger aangebracht waren, met zijn veelvlakkige gevelnokken, met zijn vooruitstekende gedeelten, met zijn slingerende arabesken langs de vensterkozijnen, en met zijn keurig bewerkte schoorsteenen, alle vindingrijke ornamenten, die soms een bevallig uiterlijk verleenden, en aan den anglo-saksischen bouwtrant eigen zijn.Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)Het was op het bovenste plat van dat torentje, dat miss Campbell gaarne gansche uren zat te mijmeren onder de plooien van de nationale vlag, die onder de bries van de Firth of de Clyde wapperde. Zij had zich daar een lief toevluchtsoord bereid, waar zij kon zitten lezen, schrijven en slapen bij ieder weer van dat veranderlijk klimaat van Schotland. Zij zat dan beschut voor den wind, de zonnestralen en den regen. Daar moest men haar meestal gaan zoeken. Was zij daar niet, dan dwaalde zij luimig door de lanen van het park, dan eens alleen, dan eens in gezelschap van juffrouw Bess, tenzij zij te paard, gevolgd door Partridge, de naburige streek doorholde en zij dien trouwen dienaar een taai stuk werk gaf om niet bij zoo’n rit ten achter te blijven.Onder de talrijke bediening van het buitenverblijf moeten wij een oogenblik bij die twee eerlijke dienaren verwijlen, die sedert hunne jeugd de familie Campbell aankleefden.Elisabeth, de »Luckie”, de moeder, zooals de huishoudster in de Hooglanden genoemd wordt, telde net zooveel levensjaren als zij sleutels aan haren sleutelbos droeg, en dat waren er welgeteld zeven en veertig. Zij was een degelijke huisbestierster, ernstig, regelmatig als een uurwerk, en voor hare taak die het geheele huishouden bestreek, berekend. Soms verbeeldde zij zich de gebroeders Melvill grootgebracht te hebben, hoewel die ouder waren dan zij; maar voor miss Campbell had zij voorzeker moederlijke zorgen.Naast die kostelijke intendante blonk de Schot Partridge uit, als een dienaar, die geheel aan zijn meesters gewijd, en steeds getrouw was aan de oude gewoonten van zijn clan. Steeds was hij in het ouderfelijk kostuum der bergbewoners gekleed. Hij droeg de gestreepte blauwe muts, den kilt en den ruitkleurigen tartaan, die hem over den philibey en den pouch, dit laatste een soort van langharigen zak, tot op de knieën reikte, de hooge beenkousen, die door linten ruitvormig over de kuiten opgehouden werden, en eindelijk de broguen, een soort schoeisel van koehuid vervaardigd, die hem voor sandalen dienden.Wat zou er met eene juffrouw Bess, om het huis te bestieren, en een Partridge, om het te bewaken, meer noodig zijn geweest om van den huiselijken vrede op dit ondermaansche verzekerd te zijn?Men zal het reeds opgemerkt hebben dat, toen Partridge op hetgeroep van de gebroeders Melvill toeschoot, hij »miss Campbell” gezegd had toen hij van het jonge meisje sprak.Wanneer de brave Schot haar miss Helena genoemd had, dat wil zeggen, wanneer hij haar met haar doopnaam aangeduid had, zou hij inbreuk gemaakt hebben op de regels, die de trapsgewijze ondergeschiktheid regelen, inbreuk die in het bijzonder door het woord: »snobbisme” aangeduid wordt.En werkelijk de oudste of de eenige dochter uit een fatsoenlijke familie wordt zelfs in hare meest teedere jeugd nimmer met haren doopnaam aangesproken. Ware miss Campbell de dochter van een pair, dan zou zij lady Helena geheeten hebben; maar de tak der Campbells, waartoe zij behoorde, was slechts een zijtak en nog wel een zeer verwijderde zijtak van den hoofdstam, die in den paladijn sir Colin Campbell tot de kruistochten terug te voeren was. In het verloop van eeuwen hadden zich vertakkingen van den algemeenen stamboom van den roemvollen voorzaat afgescheiden, maar zich aangesloten bij de Clans van Argyle, van Breadalbane, van Lochnel en bij anderen; maar hoe verwijderd ook van den hoofdstam, voelde zich Helena toch trotsch op het bloed dier roemrijke familie, dat haar vanwege haren vader in de aderen vloot.Maar al was zij maar eenvoudig miss Campbell, zoo was zij toch een echte Schotsche, een dier edelaardige meisjes van Thulé, met blauwe oogen en blonde haren, welker portret, geschetst door Findon of Edwards, en temidden der afbeeldingen van Minna, van Brenda, van Amy Robsart, van Flora Mac Ivor, van Diana Vernon, van miss Wardour, van Catherina Glover, van Mary Avenel geplaatst, de keepsake niet onwaardig zou geweest zijn, waarin Engelschen de schoonste vrouwentypen van hunnen grooten romanschrijver bijeen brengen.En inderdaad, miss Campbell was een overheerlijk wezen. Men bewonderde haar fraai gesneden gelaat, hare blauwe oogen,—van dat blauw der Schotsche meren,—haar bevallige gestalte, niet te groot en niet te klein, haren tred, die eenige fierheid verried, haar geheel uiterlijk, dat nadenken kenschetste, tenzij een weinig spotlust hare gelaatstrekken kwam verhelderen, en men moest bekennen dat haar geheele wezen den stempel droeg van bevalligheid en voornaamheid.Maar miss Campbell was niet alleen schoon, zij bezat ook een goed karakter. Hoewel rijk vanwege hare ooms, liet zij zich daarop niets voorstaan. En liefdadig was zij, zoo liefdadig, dat zij scheen hetgaëlischspreekwoord tot daadwerkelijkheid te willen maken: »dat de geopende hand steeds gevuld zij!”Vóór alles was zij gehecht aan haar provincie, aan haren clan, aan haar familie. Zij was eene Schotsche met hart en ziel. Zij zou de voorkeur gegeven hebben aan den meest nederigen der Sawneysboven den meest voornamen der John Bulls. Haar vaderlandsliefde trilde als de snaren eener harp, wanneer de stem eens bergbewoners den omtrek met het een of andere nationale pibroch der Hooglanden deed weerklinken.De Maistre heeft ergens gezegd: »Er bestaan in ons twee wezens: eerst het ik en dan de andere.”Het »ik” van miss Campbell was een ernstig, bezonnen wezen, dat het bestaan meer uit het oogpunt der verplichtingen dan uit het oogpunt der rechten beschouwde.De »andere” van miss Campbell was een romanesk, een avontuurlijk wezen, dat een weinig tot lichtgeloovigheid overhelde, en veel van de wonder-verhalen hield, die zoo gemakkelijk in het vaderland van Fingal ontluiken. Daarin verried zich haar maagschap met de Lindamires, die aanbiddenswaardige heldinnen uit de ridder-romans, en bezocht als zoodanig de omliggende glens alleen om »den doedelzak van Strathdearne”, zooals de Hooglanders het zuchten van den wind in eenzame lanen noemen, te hooren.Broeder Sam en broeder Sib hielden evenveel van die beide zoo verschillende wezens, die in miss Campbell huisden; maar toch moet bekend worden, dat, hoewel zij zich bekoord gevoelden door het ernstige schepseltje, zij soms van streek geraakten door de onverwachte snedige antwoorden, de grillige omzwervingen in het denkbeeldige, de plotselinge omdolingen in het rijk der droomen van het andere wezen.En was het dat luimige wezen niet, dat op het voorstel der beide broeders, het zoo zonderlinge antwoord gaf:»Ik trouwen! ik!” had het »ik!” uitgeroepen. »Ik de echtgenoot van mijnheer Beerenkooi worden! Wij zullen daarover eens denken.... en er later over spreken!”»Nooit!....” had die andere geroepen. »Nooit!.... zoolang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben!”De gebroeders Melvill keken elkander aan, zonder er iets van te begrijpen. Broeder Sam nam het oogenblik waar, dat Miss Campbell op een grooten Gothischen armstoel, die bij het venster stond, plaats nam, om te vragen:»Wat wil zij met dien Groenen Straal zeggen?”»En waarom wil zij dien straal zien?” vroeg broeder Sib.Waarom? Men zal het vernemen.Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).III.Het artikel uit de »Morning Post.”Ziehier, wat de liefhebbers van natuurkundige aardigheden dien dag in de »Morning Post” hadden gelezen:»Hebt gij wel eens een zons-ondergang boven een zee-horizon waargenomen? Voorzeker, nietwaar? Hebt gij dat zoo schoone natuurtafereel gevolgd, tot dat de bovenrand der zonneschijf, de watervlakte rakende, op het punt is te verdwijnen? Zeer waarschijnlijk. Maar hebt gij dan het natuurverschijnsel opgemerkt, dat zich in het allerlaatste oogenblik voordoet, waarin de schitterende zon haar laatsten straal doet zien, bij een geheel zuivere lucht, die van iederen nevel vrij is? Dat wellicht niet. Welnu, de eerste maal dat gij in de gelegenheid zult zijn,—en die gelegenheid doet zich zeer zelden voor,—om die waarneming te doen, dan zal het geen roode straal zijn, die volgens uwe meening op het netvlies van uw oog zal weerkaatsten, maar het zal een groene zijn, van een wonderlijk groen, een groen dat geen schilder op zijn verfbord kan te voorschijn tooveren, een groen, welker natuur nimmer bij de zoo afgewisselde kleurmenging van het plantenrijk, noch bij de schakeering van de helderste zeeën is waargenomen kunnen worden! Wanneer er groen in het Paradijs bestaat, dan kan het niet anders dan dat groen zijn, wat dan ongetwijfeld het groen der Hoop is!”Zoo luidde het artikel van deMorning Post, dagblad, hetwelk Miss Campbell bij haar binnentreden in de hall in de hand hield. Dat artikel was voldoende geweest om haar op te winden.Met een geestdriftvolle stem las zij dan ook de weinige regels die met hare stembuiging als een lyrische lofzang de schoonheden van den Groenen Straal bezongen, aan hare ooms voor.Maar wat miss Campbell hun verzweeg, was dat die Groene Straal overeenkwam met een oude legende, welker innige beteekenis haar tot nu toe ontsnapt was. Het was een raadselachtige legende, te midden van zoovele andere, die in de Hooglanden verteld worden en waarbij te verstaan werd gegeven, dat die straal de macht had, den sterveling, die hem gezien had, de gaaf te verleenen zich in hartzaken niet te kunnen vergissen. Door zijne verschijning werden alle onwaarheden en droombeelden vernietigd, zoodat hij,die het geluk had hem eens waar te nemen, helder in zijn eigen hart en in dat van anderen kon lezen.Dat de lezer de dichterlijke lichtgeloovigheid eener jeugdige Schotsche vergeve, die in haar brein door de lezing van dat artikel in deMorning Postweer opgewekt was.Toen broeder Sam en broeder Sib miss Campbell zoo hoorden, keken zij elkander verbouwereerd met verbazend wijd opengespalkte oogen aan. Tot nu toe hadden zij het leven genoten zonder dien Groenen Straal gezien te hebben, en zij meenden, dat men het best zonder hem kon stellen. Dit was evenwel de meening van Helena niet, die de gewichtigste daad haars levens van de waarneming van dat natuurverschijnsel, eenig onder allen, afhankelijk stelde.»Dus, dat is het wat men »de Groene Straal” noemt?” vroeg broeder Sam, terwijl hij zachtkens met hoofd knikte.»Ja, oom Sam,” antwoordde miss Campbell.»Dien ge volstrekt zien wilt?” vroeg broeder Sib.»Met uw verlof, dien ik zien zal, waarde ooms, en zoo spoedig mogelijk, met uw welnemen.”»En dan, als ge hem gezien zult hebben?....”»Als ik hem gezien zal hebben?.... Wel, dan kunnen wij over mijnheer Aristobulus Beerenkooi praten.”Broeder Sam en broeder Sib keken elkander ter sluiks aan en een glimlach van verstandhouding krulde hunne lippen.»Kom, laten wij den Groenen Straal gaan zien,” zei de een.»Kom, zonder een oogenblik te loor te laten gaan!” zei de ander.Maar miss Campbell weerhield hen met een handgebaar, toen zij het venster der hall wilden openen.»Wij moeten op zons-ondergang wachten,” zei zij.»Van avond dus....” knikte broeder Sam.»En dat de zon in een zeer zuiveren dampkring ondergaat,” vervolgde miss Campbell.»Welnu, na het middagmaal zullen wij alle drie naar de punt vanRosenheatwandelen....”»Of nog beter, wij zullen eenvoudig den toren van het buitenverblijf beklimmen,” zei broeder Sam.»Op Rosenheat-punt, zoowel als op dien toren,” antwoordde miss Campbell, »hebben wij geen ander vergezicht dan dat van de oeverstreek der Clyde. Wij moeten evenwel de zon zien ondergaan op zee, wanneer zij achter de wateroppervlakte verdwijnt. Mijn oompjes zijn dus gehouden mij in den kortst mogelijken tijd voor zoo’n zeegezicht te brengen!”Met haar allerliefsten glimlach op de lippen sprak miss Campbell, evenwel zoo ernstig, dat de gebroeders Melvill aaneen zoo te berde gebrachte vordering geen weerstand kon bieden.»Er is toch geen haast bij?....”meende broeder Sam evenwel in het midden te moeten brengen.Broeder Sib schoot te hulp, door er bij te voegen:»Oh! wij hebben den tijd....”Miss Campbell schudde het bevallige hoofdje.»Neen, wij hebben niet den tijd,” antwoordde zij, »integendeel, er is veel haast bij.”»Werkelijk? Zou dat belangstelling voor mijnheer Aristobulus Beerenkooi zijn?....” vroeg broeder Sam.»Wiens geluk, zooals het schijnt, van de waarneming van den Groenen Straal afhangt?....” meende broeder Sib.»Kom die gekheid! Neen, er is haast bij, lieve ooms! omdat wij reeds in Augustus zijn,” antwoordde miss Campbell, »en de nevels weldra onze Schotsche lucht zullen komen bederven! Wij moeten van de weinige schoone avonden gebruik maken, die het einde van den zomer en het begin van den herfst ons schenken zullen! Nu, wanneer vertrekken wij?”Zooveel was zeker, dat wanneer miss Campbell in dat jaar den Groenen Straal nog wilde waarnemen, er geen tijd te verliezen was. Alles wat den broeders overbleef te doen, en dat nog wel zonder een dag verloren te laten gaan, was zich onmiddellijk naar het een of andere punt van de Schotsche kust te begeven, die op het westen lag, zich daar zoo gemakkelijk mogelijk in te richten, om iederen avond den ondergang der zon te gaan waarnemen en haren laatsten straal te bespieden. Wellicht dat dan miss Campbell, met een weinig geluk, haren wensch, die niet van grilligheid vrij te pleiten was, in vervulling zou zien komen, wanneer namelijk de lucht tot de waarneming van het natuurverschijnsel wilde medewerken, wat wel een tref zoude zijn, want, zooals deMorning Postzei, kon die waarneming tot de zeer zeldzame gerekend worden.En dat dagblad was voorzeker goed ingelicht.Vooreerst gold het nu te zoeken en te kiezen een strook der westkust, vanwaar het natuurverschijnsel zichtbaar zoude zijn. Maar om die te vinden, moest men de baai der Clyde verlaten.Want die geheele inham, die de monding der Firth of Clyde vormt, is als bezaaid met hinderpalen, die het gezichtsveld begrenzen. Hier zijn het de Bute’s Kiles en het Arran-eiland, elders weer de schiereilanden van Knapdale, van Gantyre, van Jura en vanIslay, alle reusachtige verbrokkelingen van rotsen in een gewelddadig geologisch tijdperk, die een soort van eilanden-zee ten westen van het graafschap Argyle vormen. Onmogelijk zou het zijn, daar een segment van den zee-horizon te vinden, waarop de blik een zonsondergang kon waarnemen.O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).Dus wilde men Schotland niet verlaten, dan moest men òf meer noordwaarts òf meer zuidwaarts trekken. Men had een onmetelijkonderzoekingsveld voor zich, maar slechts weinig tijd om vóór de herfstnevelen klaar te zijn. Naar welke streek zou men trekken? Dat kon miss Campbell niets schelen. Of het de kust van Ierland, de kust van Frankrijk, de kust van Noorwegen, van Spanje of van Portugal mocht zijn, zij zou overal heen gegaan zijn, waar zij de afscheidsstralen der ondergaande zon had kunnen opvangen. En of dit de gebroedersMelvillgelegen of niet gelegen kwam, daarom bekreunde zij zich niet, zij moesten met haarmeê!De beide ooms, na een blik—maar welk een blik van diplomatische geslepenheid!—met elkander gewisseld te hebben, haastten zich het woord te nemen.»Welnu, liefste Helena,” zei broeder Sam. »Het is zeer gemakkelijk aan uw wensch te voldoen. Kom, laten wij naar Oban gaan.”»Nergens zullen wij voorzeker beter zijn, dan te Oban,” bevestigde broeder Sib.»Welnu, dan maar naar Oban,” antwoordde miss Campbell. »Maar is daar te Oban een zeehorizon?”»Dat zou ik meenen!” riep broeder Sam uit.»Eerder twee dan een!” bevestigde broeder Sib met een uitroep.»Welnu, dan maar op reis!”»Ja, over drie dagen,” zei een der ooms.»Neen over twee dagen,” zei de andere, die het noodig oordeelde inschikkelijkheid te betoonen.»Wat over twee dagen! Neen, morgen reeds!” antwoordde miss Campbell, die opstond, toen de klok voor het middagmaal zich liet hooren.»Morgen.... wel ja.... morgen!” zei broeder Sam.»Ik wou er al zijn,” betuigde broeder Sib.Zij spraken waarheid maar waarom die haast? Omdat Aristobulus Beerenkooi besloten had de zomermaanden te Oban door te brengen, en daar reeds sedert veertien dagen was. Miss Campbell, die deze bijzonderheid niet wist, zou zich daar in de nabijheid van dat jonge mensch bevinden, die onder de geleerdste, maar ook—en dat gisten de gebroeders Melvill niet—onder de vervelendste wezens kon meetellen. Daar, dachten de beide slimmerds, zal miss Campbell, na zich vruchteloos de oogen vermoeid te hebben met het waarnemen van zonsondergangen, hare gril opgeven en eindigen met haar sierlijk gehandschoend handje in de meer plompe hand van haren aanstaande te leggen. En al had Helena dat alles ook kunnen gissen, dan zou zij toch vertrokken zijn; want de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi kon haar niet van streek brengen.»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Die reeks van namen weerklonk weer in de hall. Maar ditmaal verscheen juffrouw Bess en ontving de bevelen om den volgenden morgen voor een dadelijk vertrek klaar te zijn.En werkelijk men moest zich haasten: de barometer, die op dertig en drie tiende streep (769 mm.) stond, kondigde mooi weer aan, dat eenigen tijd zou duren. Wanneer men ’s morgens vroeg vertrok, zou men nog tijdig genoeg te Oban aankomen om den zonsondergang te zien.Juffrouw Bess en Partridge hadden nu met dat ophanden zijnde vertrek natuurlijk de handen vol. De zeven-en-veertig sleutels van de huishoudster tikten en weerklonken in haar zak als de halsbellen van een spaansch muildier.Hoe veel kasten en laden moesten niet geopend, maar vooral gesloten worden! Wellicht zou het buitenverblijf te Helenaburg lang leeg staan, wie zou dat kunnen voorspellen? Moest er geen rekening gehouden worden met het grillig karakter van miss Campbell? En wanneer dat overheerlijke persoontje het in het hoofdje kreeg haren Groenen Straal te achtervolgen? En wanneer die Groene Straal met een soort van behaagzucht behept was en zich verborgen hield? En wanneer de omstreken van Oban niet de noodige helderheid van lucht aanboden, toch zoo noodzakelijk om zoo’n waarneming te doen gelukken? En wanneer men een anderen observatiepost moest kiezen, op een meer zuidelijk gelegen kuststreek, hetzij van Schotland, hetzij van Engeland, hetzij van Ierland, hetzij zelfs van het vaste land? Men zou den volgenden morgen vertrekken, dat was overeengekomen, dat stond vast; maar wanneer zou men op het buitenverblijf terugkeeren? Binnen een of binnen zes maanden? binnen een of over zes jaar?»Waartoe toch die inval om dien Groenen Straal te willen zien?” vroeg juffrouw Bess aan Partridge, die zijn best deed om haar te helpen.»Ik weet het niet,” antwoordde Partridge, »maar dat moet toch niet zonder belangrijkheid zijn; want onze jonge meesteres doet niets zonder er goede redenen voor te hebben. Dat weet gij trouwens, mavourneen.”Mavourneen is een uitdrukking, waarvan men zich in Schotland gaarne bedient. Het komt nagenoeg met de Hollandsche uitdrukking van »mijn waarde” overeen. En het was vooral aan de uitmuntende huishoudster niet ongevallig, aldus door den braven Schot betiteld te worden.»Ik ben het met u eens, Partridge,” antwoordde zij, »dat diegril van onze miss Campbell, zonder dat wij zulks vermoeden kunnen, een geheime gedachte tot grondslag heeft.”»Maar welke?”»Weet ik het? Daar zit òf een formeele weigering, òf minstens een uitstel ten opzichte van de plannen harer ooms achter!”»Zoudt ge kunnen denken? Ik begrijp inderdaad ook niet,” was de meening van Partridge, »waarom die heeren Melvill zoo zeer ingenomen zijn met dien mijnheer Beerenkooi. Komaan, zeg eens ronduit, zou dat wel een goed echtgenoot voor onze jonge juffrouw wezen?”»Wees daarvan overtuigd,” antwoordde de huishoudster, »dat wanneer die meneer haar maar half aanstaat, zij hem in ’t geheel niet tot echtgenoot zal aannemen. Zij zal met haar fijn bekje »neen” tegen haar ooms zeggen, terwijl zij hun een hartelijken kus op beide wangen zal geven, en die ooms zullen dan de verbaasden spelen, dat zij ook maar een oogenblik een gedachte hebben kunnen wijden aan zoo’n minnaar, wiens pretenties mij volstrekt niet aanstaan.”»En mij ook niet, mavourneen!”»Ziet ge, Partridge, het hartje van miss Campbell is als die lade daar, goed gesloten onder haar zekerheidsslot. Zij alleen bezit er den sleutel van, en wil iemand die lade openen, dan moet zij dien sleutel vrijwillig afstaan....”»Tenzij men haar dien ontfutselt;” viel Partridge met een geheimzinnigen maar toch toestemmenden glimlach in.»O! dien ontfutselt men haar zoo niet, of zij moet hem zich willen laten ontfutselen,” antwoordde juffrouw Bess, »en ik mag lijden dat de wind mijn muts afrukke en haar op de punt van den klokkentoren van Sint Mungo brenge, wanneer onze jonge dame ooit dien mijnheer Beerenkooi tot man neemt.”»Een Zuidelijke!” riep Partridge met ietwat kleinachting in zijn stem. »Een Southern, die, al is hij ook in Schotland geboren, toch steeds aan de andere zijde der Tweed gewoond heeft!”Juffrouw Bess schudde met het hoofd bij het hooren dier woorden. Die twee Hooglanders begrepen elkander opperbest. Voor hen maakten de Laaglanders, in weerwil van alle Unie-verdragen, ter nauwernood deel uit van Oud-Caledonië. Komaan, zij konden zich niet onder de bepaalde voorstanders van die huwelijks-plannen rekenen. Zij hoopten op beter voor miss Campbell. Al was dat huwelijk nog zoo voegzaam, volgens hen was voegzaamheid voor zoo’n verbintenis voor het leven niet voldoende.»Och! Partridge!”riep juffrouw Bess uit, »de oude gebruiken der bergbewoners waren nog de beste, en de gewoonten van onzeoude Clans waren volgens mij een betere waarborg voor het geluk bij huwelijken dan de tegenwoordige. Vindt gij ook niet?”Daar wachtte de stoomboot Columbia. (bladz. 28).Daar wachtte de stoombootColumbia. (bladz. 28).»Nooit hebt gij meer waarheid gesproken,mavourneen!” antwoordde Partridge ernstig. »Toen liet men het hart meer spreken; thans zoekt men slechts geld! Het geld heeft zijn waarde, voorzeker, maar toegenegenheid, innige toegenegenheid is toch beter!”»Juist Partridge, en toen wilde men elkander vooral kennen, alvorens in het huwelijksbootje te stappen. Herinnert gij u nog wat op de kermis van Sint-Olla teHirkwallplacht te gebeuren? Gedurende den geheelen tijd dat de kermis duurde, en zelfs sedert het begin van Augustus reeds, vormden de jonge lieden paartjes en die paartjes werden »broertje en zusje van den eersten Augustus” genoemd. Broertje en zusje! vormt dat niet een zacht geleidelijken overgang om man en vrouw te worden: En waarachtig, het is juist heden de eerste Augustus, dag waarop die paartjes zich vormden, en eindelijk de kermis van Sint-Olla begon. Och! dat God toch die prettige lieve kermis weer terug bracht!”»Dat het Opperwezen u verhoore!” sprak Partridge met indrukwekkend gebaar. »Wanneer oom Sib en oom Sam ooit zoo’n paartje met het een of ander aardig Schotsch meisje gevormd hadden, dan zouden zij aan het algemeen noodlot niet ontkomen zijn en miss Campbell zou dan twee tantes meer tellen in hare maagschap!”»Daar ben ik ook zeker van,” antwoordde juffrouw Bess met vuur. »Maar laat nu miss Campbell eens zoo’n paartje vormen met dien mijnheer Beerenkooi, dan zal de Clyde eerder van Helenaburg naar Glasgow terug stroomen, dan dat zoo iets tot een huwelijk zou leiden. Binnen acht dagen had het »zusje” het »broertje” naar de pomp gejaagd.Zonder uittewijden omtrent de onwelvoeglijkheden, die plaats konden hebben bij zulk een gemeenzaamheid als door de gebruiken van Hirkwall, die trouwens uitgeroeid zijn, aangemoedigd werden, willen wij ons bepalen tot de mededeeling dat juffrouw Bess door de omstandigheden wellicht in het gelijk zou worden gesteld. Maar miss Campbell en mijnheer Aristobulus Beerenkooi vormden geen paartje van »broertje en zusje van den eersten Augustus”, zoodat, wanneer het ooit tot een huwelijk kwam, de verloofden nimmer in de gelegenheid waren geweest elkander te leeren kennen, zooals gebeurd zou zijn, wanneer zij het proefvuur van de kermis vanSint-Ollazouden doorstaan hebben!Hoe het ook zij, de kermissen werden vroeger ingesteld om de zaken, niet om de huwelijken te bevorderen. Wij kunnen dus juffrouw Bess en Partridge aan hun gejammer over den goeden ouden tijd overlaten. Wij kunnen er echter bijvoegen, dat die twee al babbelende hun werk ijverig voortzetten en geen oogenblik lieten verloren gaan.Het vertrek was dus besloten. De plek, waar men het buitenzijnzou gaan genieten, was gekozen. De gebroeders Melvill en miss Campbell zouden reeds den volgenden morgen in de dagbladen voor het »High life” onder de rubriek »aangekomen vreemdelingen” in de badplaats Oban voorkomen. Maar hoe zou men de reis derwaarts maken? Dit was het vraagstuk, dat ter oplossing overbleef.Twee verschillende wegen stonden open, om zich naar dat kleine plaatsje te begeven, dat aan de zeeëngte van Mull gelegen is op een paar honderd mijl ten noordwesten van Glasgow.De eerste dier wegen is de weg over land. De reiziger begeeft zich naar Bowling, dan langsDumbartonen den rechteroever van de Leven tot bij Balloch, hetwelk gelegen is aan het uiteinde van het meer Lhomond. Dat schoonste der Schotsche meren met zijn dertigtal eilanden en zijn historische oevers, vervuld met de herinneringen aan de Mac-Gregors, aan Mac-Farlanes, wordt doorsneden. Men is dan ten volle in het schilderachtige land van Rob Roy en van Robert Bruce. Dalmaly wordt dan bereikt, en van daar wordt de reis voortgezet langs een straatweg, die langs berghellingen voert en soms ter halver hoogte daar langs opstijgt; die zich boven en langs bergstroomen en fiords slingert te midden van die eerste voorsprongen van den Grampianbergketen, te midden der glens, overal met heidebloempjes overdekt, gestoffeerd met denneboomen, met eiken, met beuken en met berkeboomen en daalt de opgetogen toerist van het hoogland neder bij de kuststreek van Oban, die, wat schilderachtigheid betreft, aan de meest beroemde van de geheele Atlantische zeekust dienaangaande niets te benijden heeft.Dat is een overheerlijk uitstapje, dat door ieder reiziger in Schotland gemaakt is of moet gemaakt worden. Maar op dien geheelen weg geniet men nergens een zee-horizon. Toen dan ook de gebroeders Melvill dien weg voorsloegen, bemerkten zij ras dat dit vergeefsche moeite was.De tweede weg, die genomen kan worden, is tegelijkertijd een rivier- en een zeeweg. Eerst moet de Clyde afgezakt worden tot waar zij de baai ontmoet, die aan haar haren naam ontleent. Dan voert de weg tusschen de eilanden en eilandjes door, die den grilligen archipel den vorm geven van een overgroote hand van een menschengeraamte, dat daar op dat gedeelte van den Oceaan schijnt te rusten. Men vaart dan langs die reuzenhand op tot aan de haven van Oban. Die weg was wel verleidelijk voor miss Campbell, voor wien de goddelijke streek der Lhomond- en Katrine-meren geen geheimen meer bezat. Daarenboven zou zij langs de zeeëngten tusschen de eilanden en in de baaien vergezichten naar den kant van het westen hebben, welker omtrek duidelijk door die lijn aangegeven wordt, waar land en water elkander schijnen te raken.Welnu, zou het onmogelijk zijn om alsdan gedurende dien overtocht bij zonsondergang, wanneer de kim geheel zuiver zou zijn, dien Groenen Straal op te vangen, welker schittering ter nauwernood het vijfde gedeelte eenersecondeduurt?»Gij begrijpt toch, oom Sam,” zei miss Campbell hoog ernstig, »en ook gij, Oom Sib, gij begrijpt toch, dat die flikkering slechts een oogenblik duurt. Welnu, wanneer ik gezien heb, wat ik wensch te zien, dan is de reis ten einde, dan is het onnoodig om verder naar Oban door te reizen en zich daar in te richten.”Ziedaar juist wat de gebroeders Melvill niet wenschten. Zij verlangden eenigen tijd te Oban te blijven—de lezer herinnert zich waarschijnlijk nog waarom—en hoopten, dat een te spoedige verschijning van den Groenen Straal hunne plannen niet zou komen dwarsboomen.Daar evenwel miss Campbell beslissende stem in het kapittel had, en zij voor de zeereis stemde, werd deze boven de landreis met meerderheid van stemmen verkozen.»De duivel hale dien Groenen Straal!” zei broeder Sam, toen Helena de hall verlaten had.»En dat hij hen medeneme, die hem uitgedacht hebben,” voegde broeder Sib er bij.
I.Broeder Sam en broeder Sib.»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Dat waren de namen, die achtereenvolgens in de prachtige »hall” van Helenaburg weerklonken. Dat geroep was een onveranderlijke gewoonte van broeder Sam en van broeder Sib, wanneer zij de huishoudster van het buitenverblijf noodig hadden.Maar in dit oogenblik deden die verkleinwoordjes van Elisabeth evenmin de waardige draagster daarvan te voorschijn komen, als wanneer hare heerschappen haar bij den naam voluit geroepen hadden.Het was de intendant Partridge in persoon, die zich met de muts in de hand aan de deur der hall vertoonde.Zich tot de roependen, twee personen van fatsoenlijk uiterlijk, wendende, die op den kozijnmuur zaten van een venster, welker drie glazen als ruitvormige vakken buiten den gevel der woning uitstaken:»Roepen de heeren juffrouw Bess?” zei hij; »maar die is niet op het buitenverblijf.”»Waar is zij dan, Partridge?”»Zij vergezelt miss Campbell, die in het park wandelt.”Partridge vertrok hoogst ernstig op een teeken, dat hem beide personen gaven.Die personen waren broeder Sam en broeder Sib,—verkleinwoorden, afkomstig van hunne doopnamen Samuel en Sebastiaan—de ooms van Miss Campbell. Het waren Schotten van het oude ras, Schotten van een ouden Clan der Hooglanden, zij telden te zamen honderd twaalf jaar, en scheelden slechts vijftien maanden met elkander. Sam was de oudste, Sib de jongste.Om die twee typen van eer, goedheid en toewijding bij uitnemendheid met weinige trekken te schetsen, zal het voldoende zijn mede te deelen, dat hun geheele bestaan aan hunne nicht gewijd was. Zij waren de broeders van hare moeder, die, nadat zij na een kortstondig huwelijksgeluk van slechts een jaar, weduwe geworden was, door een snelverloopende ziekte in het graf gesleept werd. Sam en Sib Melvill bleven dus alleen op de wereld als verzorgers van het kleine weeskind. Door dezelfde verteedering verbonden, leefden zij voort, dachten aan en droomden over niets anders dan het jonge meisje.Voor haar waren zij ongetrouwd gebleven, het moet er bij verteld worden: zonder eenig berouw; want zij behoorden tot die goedige wezens, die geen andere rol op dit onderaardsche te vervullen hebben dan die van voogd. En dat was nog niet genoeg gezegd: de oudste had zich tot vader, de jongste tot moeder van het kind gesteld. Het gebeurde dan ook, dat miss Campbell er toe kwam hen heel natuurlijk te groeten met een:»Dag papa Sam! hoe vaart mama Sib?”Met wie zou men die beide ooms beter hebben kunnen vergelijken, behoudens hunne geschiktheid voor de zaken, dan met die twee liefdadige kooplieden, zoo goed, zoo eender van gedachten, zoo minzaam, als de broeders Cheeryble uit de London-City, de twee meest volmaakte wezens, die uit het vruchtbare brein van Dickens geboren werden. Het zou onmogelijk geweest zijn, een meer nauwkeurige gelijkenis te treffen, al moest men den schrijver ook beschuldigen, dat type aan het meesterstuk:Nikolaas Nicklebygeheeten, ontleend te hebben; niemand zou zich over dit plagiaat te beklagen hebben.Sam en Sib Melvill, door het huwelijk hunner zuster vermaagschapt aan een zijtak van het oude stamhuis der Campbells, hadden elkander nooit verlaten. Dezelfde opvoeding had hen zedelijk aan elkander gelijk doen worden. Zij hadden te zamen hetzelfde onderwijs in hetzelfde college en in dezelfde klas genoten. Daar zij over het algemeen dezelfde denkbeelden over alle zaken verkondigden in geheel overeenkomstige uitingen, zoo kon de een steeds den volzin van den anderen eindigen met dezelfde uitdrukkingen, onderstreept en gezinteekend door dezelfde gebaren. In ’t kort, die twee wezens vormden slechts één, hoewel er eenig onderscheid in hun lichamelijkgestel te bespeuren was. En inderdaad, Sam was iets grooter dan Sib en Sib was iets dikker dan Sam; maar overigens zouden zij hunne grijze haren hebben kunnen verwisselen, zonder het grondkarakter van hun eerlijk gezicht aan te tasten, waarop de geheele adeldom der afstammelingen van den Clan der Melvill’s geschreven stond.Zal ook verteld moeten worden, dat in de snede hunner eenvoudige en ouderwetsche kleeding, in de keus van de stoffen daarvoor van goed engelsch laken, zij een gelijken smaak aan den dag legden, behalve dat—wie zal die geringe afwijking kunnen verklaren?—Sam de donkerblauwe en Sib donker kastanjekleur scheen te verkiezen.Werkelijk, wie zou niet in een innigen omgang met die twee fatsoenlijke lieden hebben willen leven? Gewoon als zij waren, met denzelfden pas in het leven voort te stappen, zouden zij ongetwijfeld, op weinigen afstand van elkander, stil blijven staan, wanneer het uur van de groote levenshalte gekomen zou zijn. In ieder geval waren die twee zuilen van het stamhuis der Melvill’s nog stevig. Zij zouden nog langen tijd het oude gebouw van hun ras schragen, dat van de veertiende eeuw dagteekende, dat episch tijdperk van Robert Bruce en van Wallace, heldentijdperk, waarin Schotland zijn onafhankelijkheid tegenover Engeland betwistte.Maar al hadden Sam en Sib ook al niet de gelegenheid gehad om voor het welzijn van hun land te strijden, al vlood hun minder bewogen leven ook al heen in de kalmte van dat onbekommerd bestaan, hetwelk door het bezitten van een vermogen te weeg gebracht wordt, zoo moet men hen daarvan geen verwijt maken of meenen, dat zij ontaard waren. Neen, zij vervolgden, door wel te doen, de edelaardige overleveringen hunner voorouders.Zij waren dan ook met de goede gezondheid, die zij genoten, en zich geen enkele levens-onregelmatigheid te verwijten hebbende, bestemd om, zonder oud naar geest en lichaam te worden, een hoogen ouderdom te bereiken.Wellicht kon hun één gebrek ten laste gelegd worden,—wie toch is volmaakt op deze aarde?—en dat was, dat zij hunne gesprekken tooiden met beeldspraken en aanhalingen, aan den beroemden kasteelbewoner van Abbotsford ontleend, en meer bepaaldelijk aan de epische gedichten van Ossian, waarmee zij dweepten. Maar wie zou hun dat in het vaderland van Fingal en van Walter Scott tot grief gemaakt hebben?Om hunne schets met een laatsten potloodstreek te eindigen, moet medegedeeld worden, dat zij groote snuifverbruikers waren. Nu is het bij niemand onbekend, dat het uithangbord der tabaksverkoopers voor het meerendeel een moedigen Schot voorstelt, die, in het nationaal kostuum gekleed, met de snuifdoos in de hand afgebeeldis. Welnu, de gebroeders Melvill zouden waardiglijk overgebracht hebben kunnen worden op de met verf bekladde zinken platen, die boven de tabakswinkels in den wind krassen. Zij snoven zooveel en zelfs meer dan iemand, wie ook, aan deze of gene zijde van de Tweed. Maar, kenmerkende bijzonderheid, zij bezaten slechts één snuifdoos, die evenwel bijzonder groot was. Dat draagbaar voorwerp ging steeds uit den zak van den eenen in dien van den anderen over. Dit was als een band tusschen hen beiden. Er zal wel niet bijgevoegd behoeven te worden, dat zij minstens tien keeren in het uur de behoefte gevoelden, het overheerlijke nikotiaansche kruid, dat zij uit Frankrijk lieten komen, te gebruiken. Wanneer de een de snuifdoos uit de diepte van zijn rok voor den dag haalde, dan haakten beiden naar een goed snuifje, en wanneer zij moesten niezen, dan zeiden zij beiden: »God zegene u!”Overigens waren de broeders, Sam en Sib, waarlijk kinderen, wanneer het de werkelijkheid des levens betrof. Zij waren zeer weinig op de hoogte der wereldsche en geheel en al niet op het gebied van nijverheids-, geld- of handelszaken. Zij beweerden dan ook niet, er iets van te begrijpen. Op staatkundig gebied waren zij nog minder thuis, hoewel zij wellicht Jakobus-Gezinden mochten heeten, die eenige vooringenomenheid jegens het regeerend huis van Hannover koesterden en een gedachte wijdden aan den laatsten der Stuarts, zooals een Franschman aan den laatsten koning uit het huis van Valois zou kunnen denken. Maar in gevoels-kwestiën waren zij geheel vreemdelingen.En toch hadden de gebroeders Melvill slechts één gedachte namelijk een helderen blik te slaan in het hart van miss Campbell, haar meest geheime gedachten te ontraadselen, die gedachten te besturen als het moest, die te ontwikkelen als het noodig was, om haar eindelijk aan een braven jongen hunner keus uit te huwelijken, die niet anders doen kon, dan haar gelukkig maken.Moest men hen gelooven, wanneer men de zaak hoorde bepraten, dan hadden zij juist zoo’n braven jongen gevonden, wien die aangename taak op dit ondermaansche zou ten deel vallen.»Helena is alzoo uit, broeder Sib?”»Ja, broeder Sam, maar daar slaat het vijf uur, zij zal dus weldra te huis komen.”»En zoodra zij te huis zal zijn....”»Zal het zaak zijn, broeder Sam, een zeer ernstig gesprek met haar te hebben.”»Binnen weinige weken, broeder Sib, zal onze dochter den leeftijd van achttien jaar bereikt hebben.”»Den leeftijd van Diana Vernon, broeder Sam. Is zij niet even bekoorlijk als de aanbiddenswaardige heldin van Rob Roy?”Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).»Ja, broeder Sib, en door de bevalligheid harer manieren....”»Door haar geestesgaven....”»Door de oorspronkelijkheid harer denkbeelden....”»Brengt zij meer Diana Vernon in herinnering dan Flora Mac Ivor, de groote en indrukwekkende figuur vanWaverley!”De gebroeders Melvill, trotsch op hunnen nationalen romanschrijver, haalden nog eenige andere heldinnennamen aan uit denOudheidkundige, uitGuy Mannering, uit denAbt, uit hetKlooster, uit deMooie Meid van Perth, uit hetKasteel van Kenilworthenz.; maar alle moesten volgens hunne meening den eerepalm aan miss Campbell laten.»Het is een jonge rozenstruik, die wat snel opgeschoten is, broeder Sib, en die....”»Een steun gegeven moet worden, broeder Sam. Ik heb mij laten zeggen, dat de beste steun voor een jong meisje....”»Klaarblijkelijk een echtgenoot is, broeder Sib, want die schiet wortel naast den rozenstruik....”»En groeit natuurlijk met den struik voort, broeder, dien hij beschermen moet!”Met hun beiden hadden de gebroeders Melvill als ooms die beeldspraak gevonden, die, goed bekeken, toch aan denVolmaakten Hovenierontleend was. Zij waren er ongetwijfeld tevreden over; want zij wekte een zelfden glimlach van tevredenheid op hunne goedige gezichten. De gemeenschappelijke snuifdoos werd door broeder Sib te voorschijn gebracht, die er voorzichtig twee vingers in bracht, waarna hij ze aan broeder Sam overreikte, die, na een flink snuifje genomen te hebben, haar in den zak stak.»Wij komen dus geheel en al overeen, broeder Sam?”»Zooals altijd, broeder Sib.”»Zelfs bij de keus van een steun?”»Zou men een meer met Helena overeenstemmend wezen vinden, een die meer in haar smaak kan vallen dan die jeugdige geleerde, die ons herhaaldelijk zulke waardige....”»En zulke ernstige gevoelens jegens haar liet blijken?”»Dat zou inderdaad moeilijk zijn. Hij is goed onderwezen, heeft zijn graden op de Hooge Scholen van Oxford en Edinburg behaald....”»Hij is knap natuurkundige als Tyndall....”»Scheikundige als Faraday....”»Hij kent het waarom van alle zaken op dit ondermaansche, broeder Sam....”»Hij zal niet betrapt worden op haperen, laat het welk moeilijk vraagstuk ook zijn, broeder Sib....”»Hij stamt af van een belangrijke familie uit het graafschap Fife en is daarenboven bezitter van een voldoend vermogen....”»Zonder van zijn uiterlijk te spreken, dat zelfs met zijnaluminiumbrilzeer aangenaam is!”Al waren de brilleglazen van dien held ook in staal, nickel of goudgevat geweest, dan zouden de gebroeders Melvill dat nog niet als een koopvernietigend gebrek beschouwd hebben. Het is waar, dat die gezichtkundige toestellen aan jeugdige geleerden goed staan en zij hun ietwat ernstig uiterlijk naar wensch voltooien.Maar zou die gegradueerde der bovengenoemde Hooge Scholen, die natuur- en scheikundige, aan miss Campbell bevallen! Neen, wanneer miss Campbell op Diana Vernon geleek. De lezer weet het toch. Diana Vernon koesterde geen ander gevoel voor haren geleerden neef Raleigh, dan dat eener bescheiden vriendschap. Zij trouwt hem dan ook niet op het einde van den roman.Mooi! maar dat kon de twee broeders niet verontrusten. Zij waren geheel en al behept met de onervarenheid van oude jongeheeren, die geheel onbevoegd zijn in zulke zaken te oordeelen.»Zij hebben elkander reeds dikwijls ontmoet, broeder Sib; en onze jonge vriend scheen niet ongevoelig voor de schoonheid van Helena.”»Dat geloof ik wel, broeder Sam! Had de goddelijke Ossian hare deugden, hare schoonheid en hare bevalligheid te verheerlijken gehad, dan zou hij haar Moina genoemd hebben, dat wil zeggen: door iedereen bemind....”»Tenzij hij haar Fiona genoemd had, broeder Sib, dat wil zeggen: de onvergetelijke schoone uit degaëlischetijdperken.”»Had hij geen voorgevoel van het bestaan onzer Helena, broeder Sam, toen hij schreef: »Zij verlaat hare schuilplaats, waar zij in het geheim zuchtte en verschijnt, getooid met hare schoonheid, als de maan in het oosten op den rand eener wolk....”»En het schitterende harer bekoorlijkheden omgeeft haar als lichtstralen, broeder Sib, en het geschuifel van haar lichten tred is welgevallig voor het oor, evenals een heerlijke muziek!”Gelukkig, dat de beide broeders daarbij hunne aanhalingen staakten en uit den nevelachtigen hemel der barden tot het werkelijke leven terugkeerden.»Dat is zeker,” zei de een, »wanneer Helena onzen jeugdigen geleerde bevalt, hij hare genegenheid wel zal verwerven.”»En dat zij van haren kant, broeder Sib, hem nog niet al die opmerkzaamheid geschonken heeft, die de verheven hoedanigheden, waarmede hem de natuur zoo rijkelijk bedeeld heeft, verdienen....”»Dat enkel daaraan te wijten is, broeder Sib, dat wij haar nog niet hebben medegedeeld dat het tijd wordt voor haar om aan het huwelijk te denken.”»Maar wanneer wij eenmaal haar denkbeelden op dat onderwerp zullen gevestigd hebben, verondersteld dan ook al, dat zij eenigen tegenzin, niet tegen den echtgenoot, maar tegen den echtelijken staat zou hebben....”»Dan zal zij toch dadelijk »ja” antwoorden, broeder Sam....”»Zoo als die uitmuntende Benedictus, broeder Sib, die na lang weerstand geboden te hebben....”»In de ontknooping van »Veel geschreeuw en luttel wol” eindigt met Beatrix te trouwen!”Zoobedisseldende goede ooms van miss Campbell die zaak, en die aangegeven ontknooping scheen hun even natuurlijk toe als die uit het komediestuk van Shakespeare.Beiden waren als op een gegeven teeken tegelijkertijd opgestaan en keken elkander met een fijn glimlachje aan. Zij wreven zich de handen op de maat. Dat huwelijk was een geklonken zaak! Welke moeielijkheid zou zich nog kunnen voordoen? De jonkman had hun de hand van het jonge meisje gevraagd en deze zou wel haar antwoord geven, een antwoord, waaromtrent zij zich niet te bekommeren hadden. Alle vormelijkheid was in acht genomen, men had slechts den dag vast te stellen.En waarlijk, dat zou een schoone dag en een fraaie plechtigheid zijn. Zij zou te Glasgow voltrokken worden, maar niet in de kathedraal van Sint Mungo, de eenige kerk van Schotland, die met Sint Magnus der Orkaden in het hervormingstijdperk ongeschonden was gebleven. Neen! zij was een te lomp gevaarte en bij gevolg niet vroolijk genoeg voor een huwelijk, dat volgens de gebroeders Melvill een ontluiking der jeugd, een uitstraling van liefde moet zijn. Men zou eerder Sint Andries of Sint Enoch of zelfs Sint George kiezen, die tot bidplaats van het meest fatsoenlijke kwartier der stad diende.Broeder Sam en broeder Sib gingen voort met het ontwikkelen van hunne plannen en gebruikten daarbij een spreekwijze, die meer van een alleenspraak dan van een gesprek had, omdat het steeds de opvolging van dezelfde denkbeelden was, die op dezelfde wijze uitgedrukt werden. Onderwijl zij zoo praatten, vestigden zich door de ramen hunne blikken op het fraai geboomte, waaronder miss Campbell thans wandelde, op de groene grasperken, door beekjes met ruischend water omzoomd, op de lucht met haren lichtgevenden nevel, die in de Schotsche Hooglanden schijnt te huis te behooren. Zij keken elkander niet aan, dat was onnoodig; maar door een soort van hartelijkinstinctgedreven, grepen zij van tijd tot tijd elkanders arm, drukten elkander de hand, alsof zij door de een of andere magnetische strooming, de mededeeling hunner gedachten wilden bevorderen.Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).Ja! dat zou prachtig zijn! De zaken zouden grootsch en adellijk behandeld worden. De arme lieden van West-George Street, die daar even goed als elders te vinden zijn, zouden bij het feest niet vergeten worden. Mocht miss Campbell, tegen ieders vermoeden in, wenschen, dat het huwelijk meer eenvoudig zou voltrokkenworden, dan zou zij moeite hebben om hare ooms reden te doen verstaan, en die ooms zouden het wel tegen haar opnemen enhunne plannen doordrijven, al was dat ook voor den eersten keer in hun leven. Neen! zij zouden noch daarin, noch in eenig ander geval toegeven. Met de grootste plechtigheid zouden de genoodigden bij het verlovingsmaal volgens het oude gebruik »den dronk op den dakbalk” uitbrengen. En de arm van broeder Sam rondde zich even als die van broeder Sib, alsof zij reeds bezig waren, dien beroemden Schotschen dronk in te stellen.De deur der hall ging in dit oogenblik open, en een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen, het gevolg van een vluggen renloop in het park. Hare hand zwaaide een opengeslagen dagblad. Zij wendde zich tot de gebroeders Melvill en vereerde beiden met twee kussen.»Goeden morgen, oom Sam,” zei zij.»Goeden morgen, lieve dochter.”»En hoe vaart oom Sib?”»Opperbest!”»Helena,” zei broeder Sam, »wij hebben iets met je te bedisselen.”»Te bedisselen! Wat te bedisselen? Kom, welke samenzwering hebben mijn oompjes gesmeed?” vroeg miss Campbell, wier blikken niet zonder ondeugendheid van den een naar den anderen schoten.»Ge kent dat jonge mensch, den heer Aristobulus Beerenkooi?”»Dien ken ik.”»Mishaagt hij je?”»Waarom zou hij mij mishagen, oom Sam?”»Dan bevalt hij je?”»Waarom zou hij mij bevallen, oom Sib?”»Wel, omdat broeder Sam en ik, na rijpe overweging, hem je tot echtgenoot voorstellen.”»Ik trouwen! ik!” riep miss Campbell met den meest welluidenden lach, die ooit binnen de muren der hall weerklonken had.»Je wilt niet trouwen?” vroeg broeder Sam.»Neen!”»Nooit?...” vroeg broeder Sib.»Nooit!” antwoordde miss Campbell met een ernstig gezicht, dat wel in tegenspraak met haar lachend mondje was. »Nooit! mijn lieve ooms... ten minste zoo lang ik niet gezien heb...”»Wat dan?” vroegen broeder Sam en broeder Sib als om strijd.»Zoo lang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben.”
»Bet!”
»Beth!”
»Bess!”
»Betsy!”
»Betty!”
Dat waren de namen, die achtereenvolgens in de prachtige »hall” van Helenaburg weerklonken. Dat geroep was een onveranderlijke gewoonte van broeder Sam en van broeder Sib, wanneer zij de huishoudster van het buitenverblijf noodig hadden.
Maar in dit oogenblik deden die verkleinwoordjes van Elisabeth evenmin de waardige draagster daarvan te voorschijn komen, als wanneer hare heerschappen haar bij den naam voluit geroepen hadden.
Het was de intendant Partridge in persoon, die zich met de muts in de hand aan de deur der hall vertoonde.
Zich tot de roependen, twee personen van fatsoenlijk uiterlijk, wendende, die op den kozijnmuur zaten van een venster, welker drie glazen als ruitvormige vakken buiten den gevel der woning uitstaken:
»Roepen de heeren juffrouw Bess?” zei hij; »maar die is niet op het buitenverblijf.”
»Waar is zij dan, Partridge?”
»Zij vergezelt miss Campbell, die in het park wandelt.”
Partridge vertrok hoogst ernstig op een teeken, dat hem beide personen gaven.
Die personen waren broeder Sam en broeder Sib,—verkleinwoorden, afkomstig van hunne doopnamen Samuel en Sebastiaan—de ooms van Miss Campbell. Het waren Schotten van het oude ras, Schotten van een ouden Clan der Hooglanden, zij telden te zamen honderd twaalf jaar, en scheelden slechts vijftien maanden met elkander. Sam was de oudste, Sib de jongste.
Om die twee typen van eer, goedheid en toewijding bij uitnemendheid met weinige trekken te schetsen, zal het voldoende zijn mede te deelen, dat hun geheele bestaan aan hunne nicht gewijd was. Zij waren de broeders van hare moeder, die, nadat zij na een kortstondig huwelijksgeluk van slechts een jaar, weduwe geworden was, door een snelverloopende ziekte in het graf gesleept werd. Sam en Sib Melvill bleven dus alleen op de wereld als verzorgers van het kleine weeskind. Door dezelfde verteedering verbonden, leefden zij voort, dachten aan en droomden over niets anders dan het jonge meisje.
Voor haar waren zij ongetrouwd gebleven, het moet er bij verteld worden: zonder eenig berouw; want zij behoorden tot die goedige wezens, die geen andere rol op dit onderaardsche te vervullen hebben dan die van voogd. En dat was nog niet genoeg gezegd: de oudste had zich tot vader, de jongste tot moeder van het kind gesteld. Het gebeurde dan ook, dat miss Campbell er toe kwam hen heel natuurlijk te groeten met een:
»Dag papa Sam! hoe vaart mama Sib?”
Met wie zou men die beide ooms beter hebben kunnen vergelijken, behoudens hunne geschiktheid voor de zaken, dan met die twee liefdadige kooplieden, zoo goed, zoo eender van gedachten, zoo minzaam, als de broeders Cheeryble uit de London-City, de twee meest volmaakte wezens, die uit het vruchtbare brein van Dickens geboren werden. Het zou onmogelijk geweest zijn, een meer nauwkeurige gelijkenis te treffen, al moest men den schrijver ook beschuldigen, dat type aan het meesterstuk:Nikolaas Nicklebygeheeten, ontleend te hebben; niemand zou zich over dit plagiaat te beklagen hebben.
Sam en Sib Melvill, door het huwelijk hunner zuster vermaagschapt aan een zijtak van het oude stamhuis der Campbells, hadden elkander nooit verlaten. Dezelfde opvoeding had hen zedelijk aan elkander gelijk doen worden. Zij hadden te zamen hetzelfde onderwijs in hetzelfde college en in dezelfde klas genoten. Daar zij over het algemeen dezelfde denkbeelden over alle zaken verkondigden in geheel overeenkomstige uitingen, zoo kon de een steeds den volzin van den anderen eindigen met dezelfde uitdrukkingen, onderstreept en gezinteekend door dezelfde gebaren. In ’t kort, die twee wezens vormden slechts één, hoewel er eenig onderscheid in hun lichamelijkgestel te bespeuren was. En inderdaad, Sam was iets grooter dan Sib en Sib was iets dikker dan Sam; maar overigens zouden zij hunne grijze haren hebben kunnen verwisselen, zonder het grondkarakter van hun eerlijk gezicht aan te tasten, waarop de geheele adeldom der afstammelingen van den Clan der Melvill’s geschreven stond.
Zal ook verteld moeten worden, dat in de snede hunner eenvoudige en ouderwetsche kleeding, in de keus van de stoffen daarvoor van goed engelsch laken, zij een gelijken smaak aan den dag legden, behalve dat—wie zal die geringe afwijking kunnen verklaren?—Sam de donkerblauwe en Sib donker kastanjekleur scheen te verkiezen.
Werkelijk, wie zou niet in een innigen omgang met die twee fatsoenlijke lieden hebben willen leven? Gewoon als zij waren, met denzelfden pas in het leven voort te stappen, zouden zij ongetwijfeld, op weinigen afstand van elkander, stil blijven staan, wanneer het uur van de groote levenshalte gekomen zou zijn. In ieder geval waren die twee zuilen van het stamhuis der Melvill’s nog stevig. Zij zouden nog langen tijd het oude gebouw van hun ras schragen, dat van de veertiende eeuw dagteekende, dat episch tijdperk van Robert Bruce en van Wallace, heldentijdperk, waarin Schotland zijn onafhankelijkheid tegenover Engeland betwistte.
Maar al hadden Sam en Sib ook al niet de gelegenheid gehad om voor het welzijn van hun land te strijden, al vlood hun minder bewogen leven ook al heen in de kalmte van dat onbekommerd bestaan, hetwelk door het bezitten van een vermogen te weeg gebracht wordt, zoo moet men hen daarvan geen verwijt maken of meenen, dat zij ontaard waren. Neen, zij vervolgden, door wel te doen, de edelaardige overleveringen hunner voorouders.
Zij waren dan ook met de goede gezondheid, die zij genoten, en zich geen enkele levens-onregelmatigheid te verwijten hebbende, bestemd om, zonder oud naar geest en lichaam te worden, een hoogen ouderdom te bereiken.
Wellicht kon hun één gebrek ten laste gelegd worden,—wie toch is volmaakt op deze aarde?—en dat was, dat zij hunne gesprekken tooiden met beeldspraken en aanhalingen, aan den beroemden kasteelbewoner van Abbotsford ontleend, en meer bepaaldelijk aan de epische gedichten van Ossian, waarmee zij dweepten. Maar wie zou hun dat in het vaderland van Fingal en van Walter Scott tot grief gemaakt hebben?
Om hunne schets met een laatsten potloodstreek te eindigen, moet medegedeeld worden, dat zij groote snuifverbruikers waren. Nu is het bij niemand onbekend, dat het uithangbord der tabaksverkoopers voor het meerendeel een moedigen Schot voorstelt, die, in het nationaal kostuum gekleed, met de snuifdoos in de hand afgebeeldis. Welnu, de gebroeders Melvill zouden waardiglijk overgebracht hebben kunnen worden op de met verf bekladde zinken platen, die boven de tabakswinkels in den wind krassen. Zij snoven zooveel en zelfs meer dan iemand, wie ook, aan deze of gene zijde van de Tweed. Maar, kenmerkende bijzonderheid, zij bezaten slechts één snuifdoos, die evenwel bijzonder groot was. Dat draagbaar voorwerp ging steeds uit den zak van den eenen in dien van den anderen over. Dit was als een band tusschen hen beiden. Er zal wel niet bijgevoegd behoeven te worden, dat zij minstens tien keeren in het uur de behoefte gevoelden, het overheerlijke nikotiaansche kruid, dat zij uit Frankrijk lieten komen, te gebruiken. Wanneer de een de snuifdoos uit de diepte van zijn rok voor den dag haalde, dan haakten beiden naar een goed snuifje, en wanneer zij moesten niezen, dan zeiden zij beiden: »God zegene u!”
Overigens waren de broeders, Sam en Sib, waarlijk kinderen, wanneer het de werkelijkheid des levens betrof. Zij waren zeer weinig op de hoogte der wereldsche en geheel en al niet op het gebied van nijverheids-, geld- of handelszaken. Zij beweerden dan ook niet, er iets van te begrijpen. Op staatkundig gebied waren zij nog minder thuis, hoewel zij wellicht Jakobus-Gezinden mochten heeten, die eenige vooringenomenheid jegens het regeerend huis van Hannover koesterden en een gedachte wijdden aan den laatsten der Stuarts, zooals een Franschman aan den laatsten koning uit het huis van Valois zou kunnen denken. Maar in gevoels-kwestiën waren zij geheel vreemdelingen.
En toch hadden de gebroeders Melvill slechts één gedachte namelijk een helderen blik te slaan in het hart van miss Campbell, haar meest geheime gedachten te ontraadselen, die gedachten te besturen als het moest, die te ontwikkelen als het noodig was, om haar eindelijk aan een braven jongen hunner keus uit te huwelijken, die niet anders doen kon, dan haar gelukkig maken.
Moest men hen gelooven, wanneer men de zaak hoorde bepraten, dan hadden zij juist zoo’n braven jongen gevonden, wien die aangename taak op dit ondermaansche zou ten deel vallen.
»Helena is alzoo uit, broeder Sib?”
»Ja, broeder Sam, maar daar slaat het vijf uur, zij zal dus weldra te huis komen.”
»En zoodra zij te huis zal zijn....”
»Zal het zaak zijn, broeder Sam, een zeer ernstig gesprek met haar te hebben.”
»Binnen weinige weken, broeder Sib, zal onze dochter den leeftijd van achttien jaar bereikt hebben.”
»Den leeftijd van Diana Vernon, broeder Sam. Is zij niet even bekoorlijk als de aanbiddenswaardige heldin van Rob Roy?”
Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).
Dan haakten beiden naar een goed snuifje (bladz. 4).
»Ja, broeder Sib, en door de bevalligheid harer manieren....”
»Door haar geestesgaven....”
»Door de oorspronkelijkheid harer denkbeelden....”
»Brengt zij meer Diana Vernon in herinnering dan Flora Mac Ivor, de groote en indrukwekkende figuur vanWaverley!”
De gebroeders Melvill, trotsch op hunnen nationalen romanschrijver, haalden nog eenige andere heldinnennamen aan uit denOudheidkundige, uitGuy Mannering, uit denAbt, uit hetKlooster, uit deMooie Meid van Perth, uit hetKasteel van Kenilworthenz.; maar alle moesten volgens hunne meening den eerepalm aan miss Campbell laten.
»Het is een jonge rozenstruik, die wat snel opgeschoten is, broeder Sib, en die....”
»Een steun gegeven moet worden, broeder Sam. Ik heb mij laten zeggen, dat de beste steun voor een jong meisje....”
»Klaarblijkelijk een echtgenoot is, broeder Sib, want die schiet wortel naast den rozenstruik....”
»En groeit natuurlijk met den struik voort, broeder, dien hij beschermen moet!”
Met hun beiden hadden de gebroeders Melvill als ooms die beeldspraak gevonden, die, goed bekeken, toch aan denVolmaakten Hovenierontleend was. Zij waren er ongetwijfeld tevreden over; want zij wekte een zelfden glimlach van tevredenheid op hunne goedige gezichten. De gemeenschappelijke snuifdoos werd door broeder Sib te voorschijn gebracht, die er voorzichtig twee vingers in bracht, waarna hij ze aan broeder Sam overreikte, die, na een flink snuifje genomen te hebben, haar in den zak stak.
»Wij komen dus geheel en al overeen, broeder Sam?”
»Zooals altijd, broeder Sib.”
»Zelfs bij de keus van een steun?”
»Zou men een meer met Helena overeenstemmend wezen vinden, een die meer in haar smaak kan vallen dan die jeugdige geleerde, die ons herhaaldelijk zulke waardige....”
»En zulke ernstige gevoelens jegens haar liet blijken?”
»Dat zou inderdaad moeilijk zijn. Hij is goed onderwezen, heeft zijn graden op de Hooge Scholen van Oxford en Edinburg behaald....”
»Hij is knap natuurkundige als Tyndall....”
»Scheikundige als Faraday....”
»Hij kent het waarom van alle zaken op dit ondermaansche, broeder Sam....”
»Hij zal niet betrapt worden op haperen, laat het welk moeilijk vraagstuk ook zijn, broeder Sib....”
»Hij stamt af van een belangrijke familie uit het graafschap Fife en is daarenboven bezitter van een voldoend vermogen....”
»Zonder van zijn uiterlijk te spreken, dat zelfs met zijnaluminiumbrilzeer aangenaam is!”
Al waren de brilleglazen van dien held ook in staal, nickel of goudgevat geweest, dan zouden de gebroeders Melvill dat nog niet als een koopvernietigend gebrek beschouwd hebben. Het is waar, dat die gezichtkundige toestellen aan jeugdige geleerden goed staan en zij hun ietwat ernstig uiterlijk naar wensch voltooien.
Maar zou die gegradueerde der bovengenoemde Hooge Scholen, die natuur- en scheikundige, aan miss Campbell bevallen! Neen, wanneer miss Campbell op Diana Vernon geleek. De lezer weet het toch. Diana Vernon koesterde geen ander gevoel voor haren geleerden neef Raleigh, dan dat eener bescheiden vriendschap. Zij trouwt hem dan ook niet op het einde van den roman.
Mooi! maar dat kon de twee broeders niet verontrusten. Zij waren geheel en al behept met de onervarenheid van oude jongeheeren, die geheel onbevoegd zijn in zulke zaken te oordeelen.
»Zij hebben elkander reeds dikwijls ontmoet, broeder Sib; en onze jonge vriend scheen niet ongevoelig voor de schoonheid van Helena.”
»Dat geloof ik wel, broeder Sam! Had de goddelijke Ossian hare deugden, hare schoonheid en hare bevalligheid te verheerlijken gehad, dan zou hij haar Moina genoemd hebben, dat wil zeggen: door iedereen bemind....”
»Tenzij hij haar Fiona genoemd had, broeder Sib, dat wil zeggen: de onvergetelijke schoone uit degaëlischetijdperken.”
»Had hij geen voorgevoel van het bestaan onzer Helena, broeder Sam, toen hij schreef: »Zij verlaat hare schuilplaats, waar zij in het geheim zuchtte en verschijnt, getooid met hare schoonheid, als de maan in het oosten op den rand eener wolk....”
»En het schitterende harer bekoorlijkheden omgeeft haar als lichtstralen, broeder Sib, en het geschuifel van haar lichten tred is welgevallig voor het oor, evenals een heerlijke muziek!”
Gelukkig, dat de beide broeders daarbij hunne aanhalingen staakten en uit den nevelachtigen hemel der barden tot het werkelijke leven terugkeerden.
»Dat is zeker,” zei de een, »wanneer Helena onzen jeugdigen geleerde bevalt, hij hare genegenheid wel zal verwerven.”
»En dat zij van haren kant, broeder Sib, hem nog niet al die opmerkzaamheid geschonken heeft, die de verheven hoedanigheden, waarmede hem de natuur zoo rijkelijk bedeeld heeft, verdienen....”
»Dat enkel daaraan te wijten is, broeder Sib, dat wij haar nog niet hebben medegedeeld dat het tijd wordt voor haar om aan het huwelijk te denken.”
»Maar wanneer wij eenmaal haar denkbeelden op dat onderwerp zullen gevestigd hebben, verondersteld dan ook al, dat zij eenigen tegenzin, niet tegen den echtgenoot, maar tegen den echtelijken staat zou hebben....”
»Dan zal zij toch dadelijk »ja” antwoorden, broeder Sam....”
»Zoo als die uitmuntende Benedictus, broeder Sib, die na lang weerstand geboden te hebben....”
»In de ontknooping van »Veel geschreeuw en luttel wol” eindigt met Beatrix te trouwen!”
Zoobedisseldende goede ooms van miss Campbell die zaak, en die aangegeven ontknooping scheen hun even natuurlijk toe als die uit het komediestuk van Shakespeare.
Beiden waren als op een gegeven teeken tegelijkertijd opgestaan en keken elkander met een fijn glimlachje aan. Zij wreven zich de handen op de maat. Dat huwelijk was een geklonken zaak! Welke moeielijkheid zou zich nog kunnen voordoen? De jonkman had hun de hand van het jonge meisje gevraagd en deze zou wel haar antwoord geven, een antwoord, waaromtrent zij zich niet te bekommeren hadden. Alle vormelijkheid was in acht genomen, men had slechts den dag vast te stellen.
En waarlijk, dat zou een schoone dag en een fraaie plechtigheid zijn. Zij zou te Glasgow voltrokken worden, maar niet in de kathedraal van Sint Mungo, de eenige kerk van Schotland, die met Sint Magnus der Orkaden in het hervormingstijdperk ongeschonden was gebleven. Neen! zij was een te lomp gevaarte en bij gevolg niet vroolijk genoeg voor een huwelijk, dat volgens de gebroeders Melvill een ontluiking der jeugd, een uitstraling van liefde moet zijn. Men zou eerder Sint Andries of Sint Enoch of zelfs Sint George kiezen, die tot bidplaats van het meest fatsoenlijke kwartier der stad diende.
Broeder Sam en broeder Sib gingen voort met het ontwikkelen van hunne plannen en gebruikten daarbij een spreekwijze, die meer van een alleenspraak dan van een gesprek had, omdat het steeds de opvolging van dezelfde denkbeelden was, die op dezelfde wijze uitgedrukt werden. Onderwijl zij zoo praatten, vestigden zich door de ramen hunne blikken op het fraai geboomte, waaronder miss Campbell thans wandelde, op de groene grasperken, door beekjes met ruischend water omzoomd, op de lucht met haren lichtgevenden nevel, die in de Schotsche Hooglanden schijnt te huis te behooren. Zij keken elkander niet aan, dat was onnoodig; maar door een soort van hartelijkinstinctgedreven, grepen zij van tijd tot tijd elkanders arm, drukten elkander de hand, alsof zij door de een of andere magnetische strooming, de mededeeling hunner gedachten wilden bevorderen.
Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).
Een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen (bladz. 10).
Ja! dat zou prachtig zijn! De zaken zouden grootsch en adellijk behandeld worden. De arme lieden van West-George Street, die daar even goed als elders te vinden zijn, zouden bij het feest niet vergeten worden. Mocht miss Campbell, tegen ieders vermoeden in, wenschen, dat het huwelijk meer eenvoudig zou voltrokkenworden, dan zou zij moeite hebben om hare ooms reden te doen verstaan, en die ooms zouden het wel tegen haar opnemen enhunne plannen doordrijven, al was dat ook voor den eersten keer in hun leven. Neen! zij zouden noch daarin, noch in eenig ander geval toegeven. Met de grootste plechtigheid zouden de genoodigden bij het verlovingsmaal volgens het oude gebruik »den dronk op den dakbalk” uitbrengen. En de arm van broeder Sam rondde zich even als die van broeder Sib, alsof zij reeds bezig waren, dien beroemden Schotschen dronk in te stellen.
De deur der hall ging in dit oogenblik open, en een jong meisje verscheen met roosjes op de wangen, het gevolg van een vluggen renloop in het park. Hare hand zwaaide een opengeslagen dagblad. Zij wendde zich tot de gebroeders Melvill en vereerde beiden met twee kussen.
»Goeden morgen, oom Sam,” zei zij.
»Goeden morgen, lieve dochter.”
»En hoe vaart oom Sib?”
»Opperbest!”
»Helena,” zei broeder Sam, »wij hebben iets met je te bedisselen.”
»Te bedisselen! Wat te bedisselen? Kom, welke samenzwering hebben mijn oompjes gesmeed?” vroeg miss Campbell, wier blikken niet zonder ondeugendheid van den een naar den anderen schoten.
»Ge kent dat jonge mensch, den heer Aristobulus Beerenkooi?”
»Dien ken ik.”
»Mishaagt hij je?”
»Waarom zou hij mij mishagen, oom Sam?”
»Dan bevalt hij je?”
»Waarom zou hij mij bevallen, oom Sib?”
»Wel, omdat broeder Sam en ik, na rijpe overweging, hem je tot echtgenoot voorstellen.”
»Ik trouwen! ik!” riep miss Campbell met den meest welluidenden lach, die ooit binnen de muren der hall weerklonken had.
»Je wilt niet trouwen?” vroeg broeder Sam.
»Neen!”
»Nooit?...” vroeg broeder Sib.
»Nooit!” antwoordde miss Campbell met een ernstig gezicht, dat wel in tegenspraak met haar lachend mondje was. »Nooit! mijn lieve ooms... ten minste zoo lang ik niet gezien heb...”
»Wat dan?” vroegen broeder Sam en broeder Sib als om strijd.
»Zoo lang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben.”
II.Helena Campbell.Het buitenverblijf, door miss Campbell en de gebroeders Melvill bewoond, was gelegen op drie mijlen van het kleine gehucht Helenaburg, op den oever van Gare-Loch, een van die schilderachtige inkeepingen, waardoor de boorden van de Clyde grillig ingesneden zijn.Gedurende het winterseizoen bewoonden de gebroeders Melvill te Glasgow een aanzienlijk huis in West-George Street in het aristokratisch kwartier der nieuwe stad, niet ver van Blythswood Square. Daar verbleven zij zes maanden van het jaar, tenzij een gril van Helena, waaraan zij zich steeds zonder tegenspartelen onderwierpen, hen tot een langdurig uitstapje naar den kant van Italië, van Spanje of van Frankrijk noopte. Gedurende zulke reizen zagen zij slechts door de oogen van het jonge meisje, gingen waarheen zij wenschte te gaan, hielden halt, wanneer zij zulks verkoos, en bewonderden slechts dat, wat zij harer aandacht waardig keurde. Wanneer miss Campbell haar reisindrukken òf met eenige potloodhalen òf met eenige inktregels in haar album had overgebracht, dan keerden de brave ooms onderworpen naar het Vereenigd Koninkrijk terug, en betrokken weer, evenwel niet zonder innerlijke voldoening, de gemakkelijk ingerichte woning in West-George Street.Wanneer een drietal weken van de maand Mei verloopen waren, gevoelden broeder Sam en broeder Sib een niet te bedwingen verlangen om naar buiten te gaan. Dat verlangen overviel hen steeds juist op het oogenblik, dat miss Campbell ook het niet te bedwingen verlangen te kennen gaf, om niet alleen Glasgow, maar ook het rumoer eener groote nijverheidsstad vaarwel te kunnen zeggen; om de bedrijvigheid te kunnen ontvluchten der handelaren, die niet zelden zelfs tot in de nabijheid van Blythswood Square, het deftige kwartier, doordrong; om eindelijk een minder met rook bezwangerden hemel te kunnen zien, om een minder met koolzuur bezwangerde lucht te kunnen inademen dan die der oude hoofdstad van Schotland, welker handels-belangrijkheid eenige eeuwen geleden door de »Tabacco Lords”, de tabaklords, gesticht werd.Dan vertrok alles, heerschap en bedienden, naar het buitenverblijf, dat hoogstens op een twintigtal mijlen verwijderd lag. Het was een fraai plekje, dat dorpje Helenaburg. Men heeft er een badplaats van gemaakt, die zeer gezocht was door hen, die tijdgenoeg hadden om de wandelingen langs de Clyde af te wisselen met uitstapjes naar het Katrinemeer en het Lhomondmeer, die zoo dierbaar aan de toeristen zijn.Op een mijl van het dorp en op den oever van het Gare-Loch, hadden de gebroeders Melvill een plekje uitgezocht om hun buitenverblijf te bouwen te midden van prachtig geboomte en te midden van murmelende beekjes, op een golvend terrein, welks oppervlakte als voor het aanleggen van een park bestemd scheen. Frisch lommer, groene grasperken, boschjes van dicht en verschillend struikgewas, bloembeddingen, weilanden, welker »gezondheids-gras” voornamelijk voor de bevoorrechte schaapjes groeide, vijvers met hunne spiegelgladde oppervlakten, bevolkt met wilde zwanen, die bevallige vogels, waarvan Wordsworth zong:»De zwaan dobbert dubbel, hij en zijn beeld!”Alles eindelijk wat de natuur bekoorlijks voor de oogen kan te zaam brengen, zonder dat de menschenhand zich in die schikkingen verraadt; zoodanig was het zomerverblijf van die welgestelde familie.Er moet nog bijgevoegd worden, dat van dat gedeelte van het park, boven het Gare-Loch gelegen, het uitzicht behoorlijk was. Vooreerst rustte het oog aan het uiteinde van dien smallen inham op het schiereiland Roseheat, waarop zich een fraaie italiaansche villa verhief, die aan den hertog van Argyle toebehoorde. Links vertoonde het gehucht Helenaburg de golvende lijn van hare huizen, waarboven een paar klokkentorens uitstaken, met zijn sierlijke pier zich uitstrekkende boven de wateren van den inham, ten behoeve der stoombooten; en daarachter, op dien achtergrond, de kustheuvels, waarop vriendelijk eenige schilderachtige woningen verrezen. Vlak tegenover, op den linkeroever derClyde, verrezen Glasgow-haven, de bouwvallen van het Kasteel Newark, Greenock en daar rondom een woud van masten met hunne veelkleurige vlaggen, waardoor een zeer afwisselend panorama ontstond, hetwelk het oog aangenaam boeide.En dat gezicht werd nog fraaier, wanneer men den voornaamsten toren van het buitenverblijf beklom, waardoor de gezichteinder zich aanmerkelijk uitbreidde.De vierkante toren, met zijn veruitspringende torentjes, in vorm op peperbussen gelijkende, op drie zijner hoeken, was versierd met schietgaten en rondgaande galerijen, terwijl zijn bovenvlak verdedigd was door een borstwering, die als kantwerk in steen uitgehouwen was. De vierde hoek sloot aan een achtkantig torentje, waarop de vlaggestok verrees, waaraan het dundoek wapperde, dat zich in het Vereenigd Koninkrijk boven alle woningen en boven alle vaartuigen ontplooit. Die soort van wachttoren, van nieuweredagteekening, beheerschte alzoo het geheel der gebouwen, die tot het buitenverblijf behoorden, met zijn grillige daken, met zijnvensterramen, die nog grilliger aangebracht waren, met zijn veelvlakkige gevelnokken, met zijn vooruitstekende gedeelten, met zijn slingerende arabesken langs de vensterkozijnen, en met zijn keurig bewerkte schoorsteenen, alle vindingrijke ornamenten, die soms een bevallig uiterlijk verleenden, en aan den anglo-saksischen bouwtrant eigen zijn.Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)Het was op het bovenste plat van dat torentje, dat miss Campbell gaarne gansche uren zat te mijmeren onder de plooien van de nationale vlag, die onder de bries van de Firth of de Clyde wapperde. Zij had zich daar een lief toevluchtsoord bereid, waar zij kon zitten lezen, schrijven en slapen bij ieder weer van dat veranderlijk klimaat van Schotland. Zij zat dan beschut voor den wind, de zonnestralen en den regen. Daar moest men haar meestal gaan zoeken. Was zij daar niet, dan dwaalde zij luimig door de lanen van het park, dan eens alleen, dan eens in gezelschap van juffrouw Bess, tenzij zij te paard, gevolgd door Partridge, de naburige streek doorholde en zij dien trouwen dienaar een taai stuk werk gaf om niet bij zoo’n rit ten achter te blijven.Onder de talrijke bediening van het buitenverblijf moeten wij een oogenblik bij die twee eerlijke dienaren verwijlen, die sedert hunne jeugd de familie Campbell aankleefden.Elisabeth, de »Luckie”, de moeder, zooals de huishoudster in de Hooglanden genoemd wordt, telde net zooveel levensjaren als zij sleutels aan haren sleutelbos droeg, en dat waren er welgeteld zeven en veertig. Zij was een degelijke huisbestierster, ernstig, regelmatig als een uurwerk, en voor hare taak die het geheele huishouden bestreek, berekend. Soms verbeeldde zij zich de gebroeders Melvill grootgebracht te hebben, hoewel die ouder waren dan zij; maar voor miss Campbell had zij voorzeker moederlijke zorgen.Naast die kostelijke intendante blonk de Schot Partridge uit, als een dienaar, die geheel aan zijn meesters gewijd, en steeds getrouw was aan de oude gewoonten van zijn clan. Steeds was hij in het ouderfelijk kostuum der bergbewoners gekleed. Hij droeg de gestreepte blauwe muts, den kilt en den ruitkleurigen tartaan, die hem over den philibey en den pouch, dit laatste een soort van langharigen zak, tot op de knieën reikte, de hooge beenkousen, die door linten ruitvormig over de kuiten opgehouden werden, en eindelijk de broguen, een soort schoeisel van koehuid vervaardigd, die hem voor sandalen dienden.Wat zou er met eene juffrouw Bess, om het huis te bestieren, en een Partridge, om het te bewaken, meer noodig zijn geweest om van den huiselijken vrede op dit ondermaansche verzekerd te zijn?Men zal het reeds opgemerkt hebben dat, toen Partridge op hetgeroep van de gebroeders Melvill toeschoot, hij »miss Campbell” gezegd had toen hij van het jonge meisje sprak.Wanneer de brave Schot haar miss Helena genoemd had, dat wil zeggen, wanneer hij haar met haar doopnaam aangeduid had, zou hij inbreuk gemaakt hebben op de regels, die de trapsgewijze ondergeschiktheid regelen, inbreuk die in het bijzonder door het woord: »snobbisme” aangeduid wordt.En werkelijk de oudste of de eenige dochter uit een fatsoenlijke familie wordt zelfs in hare meest teedere jeugd nimmer met haren doopnaam aangesproken. Ware miss Campbell de dochter van een pair, dan zou zij lady Helena geheeten hebben; maar de tak der Campbells, waartoe zij behoorde, was slechts een zijtak en nog wel een zeer verwijderde zijtak van den hoofdstam, die in den paladijn sir Colin Campbell tot de kruistochten terug te voeren was. In het verloop van eeuwen hadden zich vertakkingen van den algemeenen stamboom van den roemvollen voorzaat afgescheiden, maar zich aangesloten bij de Clans van Argyle, van Breadalbane, van Lochnel en bij anderen; maar hoe verwijderd ook van den hoofdstam, voelde zich Helena toch trotsch op het bloed dier roemrijke familie, dat haar vanwege haren vader in de aderen vloot.Maar al was zij maar eenvoudig miss Campbell, zoo was zij toch een echte Schotsche, een dier edelaardige meisjes van Thulé, met blauwe oogen en blonde haren, welker portret, geschetst door Findon of Edwards, en temidden der afbeeldingen van Minna, van Brenda, van Amy Robsart, van Flora Mac Ivor, van Diana Vernon, van miss Wardour, van Catherina Glover, van Mary Avenel geplaatst, de keepsake niet onwaardig zou geweest zijn, waarin Engelschen de schoonste vrouwentypen van hunnen grooten romanschrijver bijeen brengen.En inderdaad, miss Campbell was een overheerlijk wezen. Men bewonderde haar fraai gesneden gelaat, hare blauwe oogen,—van dat blauw der Schotsche meren,—haar bevallige gestalte, niet te groot en niet te klein, haren tred, die eenige fierheid verried, haar geheel uiterlijk, dat nadenken kenschetste, tenzij een weinig spotlust hare gelaatstrekken kwam verhelderen, en men moest bekennen dat haar geheele wezen den stempel droeg van bevalligheid en voornaamheid.Maar miss Campbell was niet alleen schoon, zij bezat ook een goed karakter. Hoewel rijk vanwege hare ooms, liet zij zich daarop niets voorstaan. En liefdadig was zij, zoo liefdadig, dat zij scheen hetgaëlischspreekwoord tot daadwerkelijkheid te willen maken: »dat de geopende hand steeds gevuld zij!”Vóór alles was zij gehecht aan haar provincie, aan haren clan, aan haar familie. Zij was eene Schotsche met hart en ziel. Zij zou de voorkeur gegeven hebben aan den meest nederigen der Sawneysboven den meest voornamen der John Bulls. Haar vaderlandsliefde trilde als de snaren eener harp, wanneer de stem eens bergbewoners den omtrek met het een of andere nationale pibroch der Hooglanden deed weerklinken.De Maistre heeft ergens gezegd: »Er bestaan in ons twee wezens: eerst het ik en dan de andere.”Het »ik” van miss Campbell was een ernstig, bezonnen wezen, dat het bestaan meer uit het oogpunt der verplichtingen dan uit het oogpunt der rechten beschouwde.De »andere” van miss Campbell was een romanesk, een avontuurlijk wezen, dat een weinig tot lichtgeloovigheid overhelde, en veel van de wonder-verhalen hield, die zoo gemakkelijk in het vaderland van Fingal ontluiken. Daarin verried zich haar maagschap met de Lindamires, die aanbiddenswaardige heldinnen uit de ridder-romans, en bezocht als zoodanig de omliggende glens alleen om »den doedelzak van Strathdearne”, zooals de Hooglanders het zuchten van den wind in eenzame lanen noemen, te hooren.Broeder Sam en broeder Sib hielden evenveel van die beide zoo verschillende wezens, die in miss Campbell huisden; maar toch moet bekend worden, dat, hoewel zij zich bekoord gevoelden door het ernstige schepseltje, zij soms van streek geraakten door de onverwachte snedige antwoorden, de grillige omzwervingen in het denkbeeldige, de plotselinge omdolingen in het rijk der droomen van het andere wezen.En was het dat luimige wezen niet, dat op het voorstel der beide broeders, het zoo zonderlinge antwoord gaf:»Ik trouwen! ik!” had het »ik!” uitgeroepen. »Ik de echtgenoot van mijnheer Beerenkooi worden! Wij zullen daarover eens denken.... en er later over spreken!”»Nooit!....” had die andere geroepen. »Nooit!.... zoolang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben!”De gebroeders Melvill keken elkander aan, zonder er iets van te begrijpen. Broeder Sam nam het oogenblik waar, dat Miss Campbell op een grooten Gothischen armstoel, die bij het venster stond, plaats nam, om te vragen:»Wat wil zij met dien Groenen Straal zeggen?”»En waarom wil zij dien straal zien?” vroeg broeder Sib.Waarom? Men zal het vernemen.Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).
Het buitenverblijf, door miss Campbell en de gebroeders Melvill bewoond, was gelegen op drie mijlen van het kleine gehucht Helenaburg, op den oever van Gare-Loch, een van die schilderachtige inkeepingen, waardoor de boorden van de Clyde grillig ingesneden zijn.
Gedurende het winterseizoen bewoonden de gebroeders Melvill te Glasgow een aanzienlijk huis in West-George Street in het aristokratisch kwartier der nieuwe stad, niet ver van Blythswood Square. Daar verbleven zij zes maanden van het jaar, tenzij een gril van Helena, waaraan zij zich steeds zonder tegenspartelen onderwierpen, hen tot een langdurig uitstapje naar den kant van Italië, van Spanje of van Frankrijk noopte. Gedurende zulke reizen zagen zij slechts door de oogen van het jonge meisje, gingen waarheen zij wenschte te gaan, hielden halt, wanneer zij zulks verkoos, en bewonderden slechts dat, wat zij harer aandacht waardig keurde. Wanneer miss Campbell haar reisindrukken òf met eenige potloodhalen òf met eenige inktregels in haar album had overgebracht, dan keerden de brave ooms onderworpen naar het Vereenigd Koninkrijk terug, en betrokken weer, evenwel niet zonder innerlijke voldoening, de gemakkelijk ingerichte woning in West-George Street.
Wanneer een drietal weken van de maand Mei verloopen waren, gevoelden broeder Sam en broeder Sib een niet te bedwingen verlangen om naar buiten te gaan. Dat verlangen overviel hen steeds juist op het oogenblik, dat miss Campbell ook het niet te bedwingen verlangen te kennen gaf, om niet alleen Glasgow, maar ook het rumoer eener groote nijverheidsstad vaarwel te kunnen zeggen; om de bedrijvigheid te kunnen ontvluchten der handelaren, die niet zelden zelfs tot in de nabijheid van Blythswood Square, het deftige kwartier, doordrong; om eindelijk een minder met rook bezwangerden hemel te kunnen zien, om een minder met koolzuur bezwangerde lucht te kunnen inademen dan die der oude hoofdstad van Schotland, welker handels-belangrijkheid eenige eeuwen geleden door de »Tabacco Lords”, de tabaklords, gesticht werd.
Dan vertrok alles, heerschap en bedienden, naar het buitenverblijf, dat hoogstens op een twintigtal mijlen verwijderd lag. Het was een fraai plekje, dat dorpje Helenaburg. Men heeft er een badplaats van gemaakt, die zeer gezocht was door hen, die tijdgenoeg hadden om de wandelingen langs de Clyde af te wisselen met uitstapjes naar het Katrinemeer en het Lhomondmeer, die zoo dierbaar aan de toeristen zijn.
Op een mijl van het dorp en op den oever van het Gare-Loch, hadden de gebroeders Melvill een plekje uitgezocht om hun buitenverblijf te bouwen te midden van prachtig geboomte en te midden van murmelende beekjes, op een golvend terrein, welks oppervlakte als voor het aanleggen van een park bestemd scheen. Frisch lommer, groene grasperken, boschjes van dicht en verschillend struikgewas, bloembeddingen, weilanden, welker »gezondheids-gras” voornamelijk voor de bevoorrechte schaapjes groeide, vijvers met hunne spiegelgladde oppervlakten, bevolkt met wilde zwanen, die bevallige vogels, waarvan Wordsworth zong:
»De zwaan dobbert dubbel, hij en zijn beeld!”
»De zwaan dobbert dubbel, hij en zijn beeld!”
Alles eindelijk wat de natuur bekoorlijks voor de oogen kan te zaam brengen, zonder dat de menschenhand zich in die schikkingen verraadt; zoodanig was het zomerverblijf van die welgestelde familie.
Er moet nog bijgevoegd worden, dat van dat gedeelte van het park, boven het Gare-Loch gelegen, het uitzicht behoorlijk was. Vooreerst rustte het oog aan het uiteinde van dien smallen inham op het schiereiland Roseheat, waarop zich een fraaie italiaansche villa verhief, die aan den hertog van Argyle toebehoorde. Links vertoonde het gehucht Helenaburg de golvende lijn van hare huizen, waarboven een paar klokkentorens uitstaken, met zijn sierlijke pier zich uitstrekkende boven de wateren van den inham, ten behoeve der stoombooten; en daarachter, op dien achtergrond, de kustheuvels, waarop vriendelijk eenige schilderachtige woningen verrezen. Vlak tegenover, op den linkeroever derClyde, verrezen Glasgow-haven, de bouwvallen van het Kasteel Newark, Greenock en daar rondom een woud van masten met hunne veelkleurige vlaggen, waardoor een zeer afwisselend panorama ontstond, hetwelk het oog aangenaam boeide.
En dat gezicht werd nog fraaier, wanneer men den voornaamsten toren van het buitenverblijf beklom, waardoor de gezichteinder zich aanmerkelijk uitbreidde.
De vierkante toren, met zijn veruitspringende torentjes, in vorm op peperbussen gelijkende, op drie zijner hoeken, was versierd met schietgaten en rondgaande galerijen, terwijl zijn bovenvlak verdedigd was door een borstwering, die als kantwerk in steen uitgehouwen was. De vierde hoek sloot aan een achtkantig torentje, waarop de vlaggestok verrees, waaraan het dundoek wapperde, dat zich in het Vereenigd Koninkrijk boven alle woningen en boven alle vaartuigen ontplooit. Die soort van wachttoren, van nieuweredagteekening, beheerschte alzoo het geheel der gebouwen, die tot het buitenverblijf behoorden, met zijn grillige daken, met zijnvensterramen, die nog grilliger aangebracht waren, met zijn veelvlakkige gevelnokken, met zijn vooruitstekende gedeelten, met zijn slingerende arabesken langs de vensterkozijnen, en met zijn keurig bewerkte schoorsteenen, alle vindingrijke ornamenten, die soms een bevallig uiterlijk verleenden, en aan den anglo-saksischen bouwtrant eigen zijn.
Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)
Het buitenverblijf te Helenaburg (bladz. 12.)
Het was op het bovenste plat van dat torentje, dat miss Campbell gaarne gansche uren zat te mijmeren onder de plooien van de nationale vlag, die onder de bries van de Firth of de Clyde wapperde. Zij had zich daar een lief toevluchtsoord bereid, waar zij kon zitten lezen, schrijven en slapen bij ieder weer van dat veranderlijk klimaat van Schotland. Zij zat dan beschut voor den wind, de zonnestralen en den regen. Daar moest men haar meestal gaan zoeken. Was zij daar niet, dan dwaalde zij luimig door de lanen van het park, dan eens alleen, dan eens in gezelschap van juffrouw Bess, tenzij zij te paard, gevolgd door Partridge, de naburige streek doorholde en zij dien trouwen dienaar een taai stuk werk gaf om niet bij zoo’n rit ten achter te blijven.
Onder de talrijke bediening van het buitenverblijf moeten wij een oogenblik bij die twee eerlijke dienaren verwijlen, die sedert hunne jeugd de familie Campbell aankleefden.
Elisabeth, de »Luckie”, de moeder, zooals de huishoudster in de Hooglanden genoemd wordt, telde net zooveel levensjaren als zij sleutels aan haren sleutelbos droeg, en dat waren er welgeteld zeven en veertig. Zij was een degelijke huisbestierster, ernstig, regelmatig als een uurwerk, en voor hare taak die het geheele huishouden bestreek, berekend. Soms verbeeldde zij zich de gebroeders Melvill grootgebracht te hebben, hoewel die ouder waren dan zij; maar voor miss Campbell had zij voorzeker moederlijke zorgen.
Naast die kostelijke intendante blonk de Schot Partridge uit, als een dienaar, die geheel aan zijn meesters gewijd, en steeds getrouw was aan de oude gewoonten van zijn clan. Steeds was hij in het ouderfelijk kostuum der bergbewoners gekleed. Hij droeg de gestreepte blauwe muts, den kilt en den ruitkleurigen tartaan, die hem over den philibey en den pouch, dit laatste een soort van langharigen zak, tot op de knieën reikte, de hooge beenkousen, die door linten ruitvormig over de kuiten opgehouden werden, en eindelijk de broguen, een soort schoeisel van koehuid vervaardigd, die hem voor sandalen dienden.
Wat zou er met eene juffrouw Bess, om het huis te bestieren, en een Partridge, om het te bewaken, meer noodig zijn geweest om van den huiselijken vrede op dit ondermaansche verzekerd te zijn?
Men zal het reeds opgemerkt hebben dat, toen Partridge op hetgeroep van de gebroeders Melvill toeschoot, hij »miss Campbell” gezegd had toen hij van het jonge meisje sprak.
Wanneer de brave Schot haar miss Helena genoemd had, dat wil zeggen, wanneer hij haar met haar doopnaam aangeduid had, zou hij inbreuk gemaakt hebben op de regels, die de trapsgewijze ondergeschiktheid regelen, inbreuk die in het bijzonder door het woord: »snobbisme” aangeduid wordt.
En werkelijk de oudste of de eenige dochter uit een fatsoenlijke familie wordt zelfs in hare meest teedere jeugd nimmer met haren doopnaam aangesproken. Ware miss Campbell de dochter van een pair, dan zou zij lady Helena geheeten hebben; maar de tak der Campbells, waartoe zij behoorde, was slechts een zijtak en nog wel een zeer verwijderde zijtak van den hoofdstam, die in den paladijn sir Colin Campbell tot de kruistochten terug te voeren was. In het verloop van eeuwen hadden zich vertakkingen van den algemeenen stamboom van den roemvollen voorzaat afgescheiden, maar zich aangesloten bij de Clans van Argyle, van Breadalbane, van Lochnel en bij anderen; maar hoe verwijderd ook van den hoofdstam, voelde zich Helena toch trotsch op het bloed dier roemrijke familie, dat haar vanwege haren vader in de aderen vloot.
Maar al was zij maar eenvoudig miss Campbell, zoo was zij toch een echte Schotsche, een dier edelaardige meisjes van Thulé, met blauwe oogen en blonde haren, welker portret, geschetst door Findon of Edwards, en temidden der afbeeldingen van Minna, van Brenda, van Amy Robsart, van Flora Mac Ivor, van Diana Vernon, van miss Wardour, van Catherina Glover, van Mary Avenel geplaatst, de keepsake niet onwaardig zou geweest zijn, waarin Engelschen de schoonste vrouwentypen van hunnen grooten romanschrijver bijeen brengen.
En inderdaad, miss Campbell was een overheerlijk wezen. Men bewonderde haar fraai gesneden gelaat, hare blauwe oogen,—van dat blauw der Schotsche meren,—haar bevallige gestalte, niet te groot en niet te klein, haren tred, die eenige fierheid verried, haar geheel uiterlijk, dat nadenken kenschetste, tenzij een weinig spotlust hare gelaatstrekken kwam verhelderen, en men moest bekennen dat haar geheele wezen den stempel droeg van bevalligheid en voornaamheid.
Maar miss Campbell was niet alleen schoon, zij bezat ook een goed karakter. Hoewel rijk vanwege hare ooms, liet zij zich daarop niets voorstaan. En liefdadig was zij, zoo liefdadig, dat zij scheen hetgaëlischspreekwoord tot daadwerkelijkheid te willen maken: »dat de geopende hand steeds gevuld zij!”
Vóór alles was zij gehecht aan haar provincie, aan haren clan, aan haar familie. Zij was eene Schotsche met hart en ziel. Zij zou de voorkeur gegeven hebben aan den meest nederigen der Sawneysboven den meest voornamen der John Bulls. Haar vaderlandsliefde trilde als de snaren eener harp, wanneer de stem eens bergbewoners den omtrek met het een of andere nationale pibroch der Hooglanden deed weerklinken.
De Maistre heeft ergens gezegd: »Er bestaan in ons twee wezens: eerst het ik en dan de andere.”
Het »ik” van miss Campbell was een ernstig, bezonnen wezen, dat het bestaan meer uit het oogpunt der verplichtingen dan uit het oogpunt der rechten beschouwde.
De »andere” van miss Campbell was een romanesk, een avontuurlijk wezen, dat een weinig tot lichtgeloovigheid overhelde, en veel van de wonder-verhalen hield, die zoo gemakkelijk in het vaderland van Fingal ontluiken. Daarin verried zich haar maagschap met de Lindamires, die aanbiddenswaardige heldinnen uit de ridder-romans, en bezocht als zoodanig de omliggende glens alleen om »den doedelzak van Strathdearne”, zooals de Hooglanders het zuchten van den wind in eenzame lanen noemen, te hooren.
Broeder Sam en broeder Sib hielden evenveel van die beide zoo verschillende wezens, die in miss Campbell huisden; maar toch moet bekend worden, dat, hoewel zij zich bekoord gevoelden door het ernstige schepseltje, zij soms van streek geraakten door de onverwachte snedige antwoorden, de grillige omzwervingen in het denkbeeldige, de plotselinge omdolingen in het rijk der droomen van het andere wezen.
En was het dat luimige wezen niet, dat op het voorstel der beide broeders, het zoo zonderlinge antwoord gaf:
»Ik trouwen! ik!” had het »ik!” uitgeroepen. »Ik de echtgenoot van mijnheer Beerenkooi worden! Wij zullen daarover eens denken.... en er later over spreken!”
»Nooit!....” had die andere geroepen. »Nooit!.... zoolang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben!”
De gebroeders Melvill keken elkander aan, zonder er iets van te begrijpen. Broeder Sam nam het oogenblik waar, dat Miss Campbell op een grooten Gothischen armstoel, die bij het venster stond, plaats nam, om te vragen:
»Wat wil zij met dien Groenen Straal zeggen?”
»En waarom wil zij dien straal zien?” vroeg broeder Sib.
Waarom? Men zal het vernemen.
Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).
Tenzij te paard, gevolgd door Partridge (bladz. 14).
III.Het artikel uit de »Morning Post.”Ziehier, wat de liefhebbers van natuurkundige aardigheden dien dag in de »Morning Post” hadden gelezen:»Hebt gij wel eens een zons-ondergang boven een zee-horizon waargenomen? Voorzeker, nietwaar? Hebt gij dat zoo schoone natuurtafereel gevolgd, tot dat de bovenrand der zonneschijf, de watervlakte rakende, op het punt is te verdwijnen? Zeer waarschijnlijk. Maar hebt gij dan het natuurverschijnsel opgemerkt, dat zich in het allerlaatste oogenblik voordoet, waarin de schitterende zon haar laatsten straal doet zien, bij een geheel zuivere lucht, die van iederen nevel vrij is? Dat wellicht niet. Welnu, de eerste maal dat gij in de gelegenheid zult zijn,—en die gelegenheid doet zich zeer zelden voor,—om die waarneming te doen, dan zal het geen roode straal zijn, die volgens uwe meening op het netvlies van uw oog zal weerkaatsten, maar het zal een groene zijn, van een wonderlijk groen, een groen dat geen schilder op zijn verfbord kan te voorschijn tooveren, een groen, welker natuur nimmer bij de zoo afgewisselde kleurmenging van het plantenrijk, noch bij de schakeering van de helderste zeeën is waargenomen kunnen worden! Wanneer er groen in het Paradijs bestaat, dan kan het niet anders dan dat groen zijn, wat dan ongetwijfeld het groen der Hoop is!”Zoo luidde het artikel van deMorning Post, dagblad, hetwelk Miss Campbell bij haar binnentreden in de hall in de hand hield. Dat artikel was voldoende geweest om haar op te winden.Met een geestdriftvolle stem las zij dan ook de weinige regels die met hare stembuiging als een lyrische lofzang de schoonheden van den Groenen Straal bezongen, aan hare ooms voor.Maar wat miss Campbell hun verzweeg, was dat die Groene Straal overeenkwam met een oude legende, welker innige beteekenis haar tot nu toe ontsnapt was. Het was een raadselachtige legende, te midden van zoovele andere, die in de Hooglanden verteld worden en waarbij te verstaan werd gegeven, dat die straal de macht had, den sterveling, die hem gezien had, de gaaf te verleenen zich in hartzaken niet te kunnen vergissen. Door zijne verschijning werden alle onwaarheden en droombeelden vernietigd, zoodat hij,die het geluk had hem eens waar te nemen, helder in zijn eigen hart en in dat van anderen kon lezen.Dat de lezer de dichterlijke lichtgeloovigheid eener jeugdige Schotsche vergeve, die in haar brein door de lezing van dat artikel in deMorning Postweer opgewekt was.Toen broeder Sam en broeder Sib miss Campbell zoo hoorden, keken zij elkander verbouwereerd met verbazend wijd opengespalkte oogen aan. Tot nu toe hadden zij het leven genoten zonder dien Groenen Straal gezien te hebben, en zij meenden, dat men het best zonder hem kon stellen. Dit was evenwel de meening van Helena niet, die de gewichtigste daad haars levens van de waarneming van dat natuurverschijnsel, eenig onder allen, afhankelijk stelde.»Dus, dat is het wat men »de Groene Straal” noemt?” vroeg broeder Sam, terwijl hij zachtkens met hoofd knikte.»Ja, oom Sam,” antwoordde miss Campbell.»Dien ge volstrekt zien wilt?” vroeg broeder Sib.»Met uw verlof, dien ik zien zal, waarde ooms, en zoo spoedig mogelijk, met uw welnemen.”»En dan, als ge hem gezien zult hebben?....”»Als ik hem gezien zal hebben?.... Wel, dan kunnen wij over mijnheer Aristobulus Beerenkooi praten.”Broeder Sam en broeder Sib keken elkander ter sluiks aan en een glimlach van verstandhouding krulde hunne lippen.»Kom, laten wij den Groenen Straal gaan zien,” zei de een.»Kom, zonder een oogenblik te loor te laten gaan!” zei de ander.Maar miss Campbell weerhield hen met een handgebaar, toen zij het venster der hall wilden openen.»Wij moeten op zons-ondergang wachten,” zei zij.»Van avond dus....” knikte broeder Sam.»En dat de zon in een zeer zuiveren dampkring ondergaat,” vervolgde miss Campbell.»Welnu, na het middagmaal zullen wij alle drie naar de punt vanRosenheatwandelen....”»Of nog beter, wij zullen eenvoudig den toren van het buitenverblijf beklimmen,” zei broeder Sam.»Op Rosenheat-punt, zoowel als op dien toren,” antwoordde miss Campbell, »hebben wij geen ander vergezicht dan dat van de oeverstreek der Clyde. Wij moeten evenwel de zon zien ondergaan op zee, wanneer zij achter de wateroppervlakte verdwijnt. Mijn oompjes zijn dus gehouden mij in den kortst mogelijken tijd voor zoo’n zeegezicht te brengen!”Met haar allerliefsten glimlach op de lippen sprak miss Campbell, evenwel zoo ernstig, dat de gebroeders Melvill aaneen zoo te berde gebrachte vordering geen weerstand kon bieden.»Er is toch geen haast bij?....”meende broeder Sam evenwel in het midden te moeten brengen.Broeder Sib schoot te hulp, door er bij te voegen:»Oh! wij hebben den tijd....”Miss Campbell schudde het bevallige hoofdje.»Neen, wij hebben niet den tijd,” antwoordde zij, »integendeel, er is veel haast bij.”»Werkelijk? Zou dat belangstelling voor mijnheer Aristobulus Beerenkooi zijn?....” vroeg broeder Sam.»Wiens geluk, zooals het schijnt, van de waarneming van den Groenen Straal afhangt?....” meende broeder Sib.»Kom die gekheid! Neen, er is haast bij, lieve ooms! omdat wij reeds in Augustus zijn,” antwoordde miss Campbell, »en de nevels weldra onze Schotsche lucht zullen komen bederven! Wij moeten van de weinige schoone avonden gebruik maken, die het einde van den zomer en het begin van den herfst ons schenken zullen! Nu, wanneer vertrekken wij?”Zooveel was zeker, dat wanneer miss Campbell in dat jaar den Groenen Straal nog wilde waarnemen, er geen tijd te verliezen was. Alles wat den broeders overbleef te doen, en dat nog wel zonder een dag verloren te laten gaan, was zich onmiddellijk naar het een of andere punt van de Schotsche kust te begeven, die op het westen lag, zich daar zoo gemakkelijk mogelijk in te richten, om iederen avond den ondergang der zon te gaan waarnemen en haren laatsten straal te bespieden. Wellicht dat dan miss Campbell, met een weinig geluk, haren wensch, die niet van grilligheid vrij te pleiten was, in vervulling zou zien komen, wanneer namelijk de lucht tot de waarneming van het natuurverschijnsel wilde medewerken, wat wel een tref zoude zijn, want, zooals deMorning Postzei, kon die waarneming tot de zeer zeldzame gerekend worden.En dat dagblad was voorzeker goed ingelicht.Vooreerst gold het nu te zoeken en te kiezen een strook der westkust, vanwaar het natuurverschijnsel zichtbaar zoude zijn. Maar om die te vinden, moest men de baai der Clyde verlaten.Want die geheele inham, die de monding der Firth of Clyde vormt, is als bezaaid met hinderpalen, die het gezichtsveld begrenzen. Hier zijn het de Bute’s Kiles en het Arran-eiland, elders weer de schiereilanden van Knapdale, van Gantyre, van Jura en vanIslay, alle reusachtige verbrokkelingen van rotsen in een gewelddadig geologisch tijdperk, die een soort van eilanden-zee ten westen van het graafschap Argyle vormen. Onmogelijk zou het zijn, daar een segment van den zee-horizon te vinden, waarop de blik een zonsondergang kon waarnemen.O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).Dus wilde men Schotland niet verlaten, dan moest men òf meer noordwaarts òf meer zuidwaarts trekken. Men had een onmetelijkonderzoekingsveld voor zich, maar slechts weinig tijd om vóór de herfstnevelen klaar te zijn. Naar welke streek zou men trekken? Dat kon miss Campbell niets schelen. Of het de kust van Ierland, de kust van Frankrijk, de kust van Noorwegen, van Spanje of van Portugal mocht zijn, zij zou overal heen gegaan zijn, waar zij de afscheidsstralen der ondergaande zon had kunnen opvangen. En of dit de gebroedersMelvillgelegen of niet gelegen kwam, daarom bekreunde zij zich niet, zij moesten met haarmeê!De beide ooms, na een blik—maar welk een blik van diplomatische geslepenheid!—met elkander gewisseld te hebben, haastten zich het woord te nemen.»Welnu, liefste Helena,” zei broeder Sam. »Het is zeer gemakkelijk aan uw wensch te voldoen. Kom, laten wij naar Oban gaan.”»Nergens zullen wij voorzeker beter zijn, dan te Oban,” bevestigde broeder Sib.»Welnu, dan maar naar Oban,” antwoordde miss Campbell. »Maar is daar te Oban een zeehorizon?”»Dat zou ik meenen!” riep broeder Sam uit.»Eerder twee dan een!” bevestigde broeder Sib met een uitroep.»Welnu, dan maar op reis!”»Ja, over drie dagen,” zei een der ooms.»Neen over twee dagen,” zei de andere, die het noodig oordeelde inschikkelijkheid te betoonen.»Wat over twee dagen! Neen, morgen reeds!” antwoordde miss Campbell, die opstond, toen de klok voor het middagmaal zich liet hooren.»Morgen.... wel ja.... morgen!” zei broeder Sam.»Ik wou er al zijn,” betuigde broeder Sib.Zij spraken waarheid maar waarom die haast? Omdat Aristobulus Beerenkooi besloten had de zomermaanden te Oban door te brengen, en daar reeds sedert veertien dagen was. Miss Campbell, die deze bijzonderheid niet wist, zou zich daar in de nabijheid van dat jonge mensch bevinden, die onder de geleerdste, maar ook—en dat gisten de gebroeders Melvill niet—onder de vervelendste wezens kon meetellen. Daar, dachten de beide slimmerds, zal miss Campbell, na zich vruchteloos de oogen vermoeid te hebben met het waarnemen van zonsondergangen, hare gril opgeven en eindigen met haar sierlijk gehandschoend handje in de meer plompe hand van haren aanstaande te leggen. En al had Helena dat alles ook kunnen gissen, dan zou zij toch vertrokken zijn; want de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi kon haar niet van streek brengen.»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Die reeks van namen weerklonk weer in de hall. Maar ditmaal verscheen juffrouw Bess en ontving de bevelen om den volgenden morgen voor een dadelijk vertrek klaar te zijn.En werkelijk men moest zich haasten: de barometer, die op dertig en drie tiende streep (769 mm.) stond, kondigde mooi weer aan, dat eenigen tijd zou duren. Wanneer men ’s morgens vroeg vertrok, zou men nog tijdig genoeg te Oban aankomen om den zonsondergang te zien.Juffrouw Bess en Partridge hadden nu met dat ophanden zijnde vertrek natuurlijk de handen vol. De zeven-en-veertig sleutels van de huishoudster tikten en weerklonken in haar zak als de halsbellen van een spaansch muildier.Hoe veel kasten en laden moesten niet geopend, maar vooral gesloten worden! Wellicht zou het buitenverblijf te Helenaburg lang leeg staan, wie zou dat kunnen voorspellen? Moest er geen rekening gehouden worden met het grillig karakter van miss Campbell? En wanneer dat overheerlijke persoontje het in het hoofdje kreeg haren Groenen Straal te achtervolgen? En wanneer die Groene Straal met een soort van behaagzucht behept was en zich verborgen hield? En wanneer de omstreken van Oban niet de noodige helderheid van lucht aanboden, toch zoo noodzakelijk om zoo’n waarneming te doen gelukken? En wanneer men een anderen observatiepost moest kiezen, op een meer zuidelijk gelegen kuststreek, hetzij van Schotland, hetzij van Engeland, hetzij van Ierland, hetzij zelfs van het vaste land? Men zou den volgenden morgen vertrekken, dat was overeengekomen, dat stond vast; maar wanneer zou men op het buitenverblijf terugkeeren? Binnen een of binnen zes maanden? binnen een of over zes jaar?»Waartoe toch die inval om dien Groenen Straal te willen zien?” vroeg juffrouw Bess aan Partridge, die zijn best deed om haar te helpen.»Ik weet het niet,” antwoordde Partridge, »maar dat moet toch niet zonder belangrijkheid zijn; want onze jonge meesteres doet niets zonder er goede redenen voor te hebben. Dat weet gij trouwens, mavourneen.”Mavourneen is een uitdrukking, waarvan men zich in Schotland gaarne bedient. Het komt nagenoeg met de Hollandsche uitdrukking van »mijn waarde” overeen. En het was vooral aan de uitmuntende huishoudster niet ongevallig, aldus door den braven Schot betiteld te worden.»Ik ben het met u eens, Partridge,” antwoordde zij, »dat diegril van onze miss Campbell, zonder dat wij zulks vermoeden kunnen, een geheime gedachte tot grondslag heeft.”»Maar welke?”»Weet ik het? Daar zit òf een formeele weigering, òf minstens een uitstel ten opzichte van de plannen harer ooms achter!”»Zoudt ge kunnen denken? Ik begrijp inderdaad ook niet,” was de meening van Partridge, »waarom die heeren Melvill zoo zeer ingenomen zijn met dien mijnheer Beerenkooi. Komaan, zeg eens ronduit, zou dat wel een goed echtgenoot voor onze jonge juffrouw wezen?”»Wees daarvan overtuigd,” antwoordde de huishoudster, »dat wanneer die meneer haar maar half aanstaat, zij hem in ’t geheel niet tot echtgenoot zal aannemen. Zij zal met haar fijn bekje »neen” tegen haar ooms zeggen, terwijl zij hun een hartelijken kus op beide wangen zal geven, en die ooms zullen dan de verbaasden spelen, dat zij ook maar een oogenblik een gedachte hebben kunnen wijden aan zoo’n minnaar, wiens pretenties mij volstrekt niet aanstaan.”»En mij ook niet, mavourneen!”»Ziet ge, Partridge, het hartje van miss Campbell is als die lade daar, goed gesloten onder haar zekerheidsslot. Zij alleen bezit er den sleutel van, en wil iemand die lade openen, dan moet zij dien sleutel vrijwillig afstaan....”»Tenzij men haar dien ontfutselt;” viel Partridge met een geheimzinnigen maar toch toestemmenden glimlach in.»O! dien ontfutselt men haar zoo niet, of zij moet hem zich willen laten ontfutselen,” antwoordde juffrouw Bess, »en ik mag lijden dat de wind mijn muts afrukke en haar op de punt van den klokkentoren van Sint Mungo brenge, wanneer onze jonge dame ooit dien mijnheer Beerenkooi tot man neemt.”»Een Zuidelijke!” riep Partridge met ietwat kleinachting in zijn stem. »Een Southern, die, al is hij ook in Schotland geboren, toch steeds aan de andere zijde der Tweed gewoond heeft!”Juffrouw Bess schudde met het hoofd bij het hooren dier woorden. Die twee Hooglanders begrepen elkander opperbest. Voor hen maakten de Laaglanders, in weerwil van alle Unie-verdragen, ter nauwernood deel uit van Oud-Caledonië. Komaan, zij konden zich niet onder de bepaalde voorstanders van die huwelijks-plannen rekenen. Zij hoopten op beter voor miss Campbell. Al was dat huwelijk nog zoo voegzaam, volgens hen was voegzaamheid voor zoo’n verbintenis voor het leven niet voldoende.»Och! Partridge!”riep juffrouw Bess uit, »de oude gebruiken der bergbewoners waren nog de beste, en de gewoonten van onzeoude Clans waren volgens mij een betere waarborg voor het geluk bij huwelijken dan de tegenwoordige. Vindt gij ook niet?”Daar wachtte de stoomboot Columbia. (bladz. 28).Daar wachtte de stoombootColumbia. (bladz. 28).»Nooit hebt gij meer waarheid gesproken,mavourneen!” antwoordde Partridge ernstig. »Toen liet men het hart meer spreken; thans zoekt men slechts geld! Het geld heeft zijn waarde, voorzeker, maar toegenegenheid, innige toegenegenheid is toch beter!”»Juist Partridge, en toen wilde men elkander vooral kennen, alvorens in het huwelijksbootje te stappen. Herinnert gij u nog wat op de kermis van Sint-Olla teHirkwallplacht te gebeuren? Gedurende den geheelen tijd dat de kermis duurde, en zelfs sedert het begin van Augustus reeds, vormden de jonge lieden paartjes en die paartjes werden »broertje en zusje van den eersten Augustus” genoemd. Broertje en zusje! vormt dat niet een zacht geleidelijken overgang om man en vrouw te worden: En waarachtig, het is juist heden de eerste Augustus, dag waarop die paartjes zich vormden, en eindelijk de kermis van Sint-Olla begon. Och! dat God toch die prettige lieve kermis weer terug bracht!”»Dat het Opperwezen u verhoore!” sprak Partridge met indrukwekkend gebaar. »Wanneer oom Sib en oom Sam ooit zoo’n paartje met het een of ander aardig Schotsch meisje gevormd hadden, dan zouden zij aan het algemeen noodlot niet ontkomen zijn en miss Campbell zou dan twee tantes meer tellen in hare maagschap!”»Daar ben ik ook zeker van,” antwoordde juffrouw Bess met vuur. »Maar laat nu miss Campbell eens zoo’n paartje vormen met dien mijnheer Beerenkooi, dan zal de Clyde eerder van Helenaburg naar Glasgow terug stroomen, dan dat zoo iets tot een huwelijk zou leiden. Binnen acht dagen had het »zusje” het »broertje” naar de pomp gejaagd.Zonder uittewijden omtrent de onwelvoeglijkheden, die plaats konden hebben bij zulk een gemeenzaamheid als door de gebruiken van Hirkwall, die trouwens uitgeroeid zijn, aangemoedigd werden, willen wij ons bepalen tot de mededeeling dat juffrouw Bess door de omstandigheden wellicht in het gelijk zou worden gesteld. Maar miss Campbell en mijnheer Aristobulus Beerenkooi vormden geen paartje van »broertje en zusje van den eersten Augustus”, zoodat, wanneer het ooit tot een huwelijk kwam, de verloofden nimmer in de gelegenheid waren geweest elkander te leeren kennen, zooals gebeurd zou zijn, wanneer zij het proefvuur van de kermis vanSint-Ollazouden doorstaan hebben!Hoe het ook zij, de kermissen werden vroeger ingesteld om de zaken, niet om de huwelijken te bevorderen. Wij kunnen dus juffrouw Bess en Partridge aan hun gejammer over den goeden ouden tijd overlaten. Wij kunnen er echter bijvoegen, dat die twee al babbelende hun werk ijverig voortzetten en geen oogenblik lieten verloren gaan.Het vertrek was dus besloten. De plek, waar men het buitenzijnzou gaan genieten, was gekozen. De gebroeders Melvill en miss Campbell zouden reeds den volgenden morgen in de dagbladen voor het »High life” onder de rubriek »aangekomen vreemdelingen” in de badplaats Oban voorkomen. Maar hoe zou men de reis derwaarts maken? Dit was het vraagstuk, dat ter oplossing overbleef.Twee verschillende wegen stonden open, om zich naar dat kleine plaatsje te begeven, dat aan de zeeëngte van Mull gelegen is op een paar honderd mijl ten noordwesten van Glasgow.De eerste dier wegen is de weg over land. De reiziger begeeft zich naar Bowling, dan langsDumbartonen den rechteroever van de Leven tot bij Balloch, hetwelk gelegen is aan het uiteinde van het meer Lhomond. Dat schoonste der Schotsche meren met zijn dertigtal eilanden en zijn historische oevers, vervuld met de herinneringen aan de Mac-Gregors, aan Mac-Farlanes, wordt doorsneden. Men is dan ten volle in het schilderachtige land van Rob Roy en van Robert Bruce. Dalmaly wordt dan bereikt, en van daar wordt de reis voortgezet langs een straatweg, die langs berghellingen voert en soms ter halver hoogte daar langs opstijgt; die zich boven en langs bergstroomen en fiords slingert te midden van die eerste voorsprongen van den Grampianbergketen, te midden der glens, overal met heidebloempjes overdekt, gestoffeerd met denneboomen, met eiken, met beuken en met berkeboomen en daalt de opgetogen toerist van het hoogland neder bij de kuststreek van Oban, die, wat schilderachtigheid betreft, aan de meest beroemde van de geheele Atlantische zeekust dienaangaande niets te benijden heeft.Dat is een overheerlijk uitstapje, dat door ieder reiziger in Schotland gemaakt is of moet gemaakt worden. Maar op dien geheelen weg geniet men nergens een zee-horizon. Toen dan ook de gebroeders Melvill dien weg voorsloegen, bemerkten zij ras dat dit vergeefsche moeite was.De tweede weg, die genomen kan worden, is tegelijkertijd een rivier- en een zeeweg. Eerst moet de Clyde afgezakt worden tot waar zij de baai ontmoet, die aan haar haren naam ontleent. Dan voert de weg tusschen de eilanden en eilandjes door, die den grilligen archipel den vorm geven van een overgroote hand van een menschengeraamte, dat daar op dat gedeelte van den Oceaan schijnt te rusten. Men vaart dan langs die reuzenhand op tot aan de haven van Oban. Die weg was wel verleidelijk voor miss Campbell, voor wien de goddelijke streek der Lhomond- en Katrine-meren geen geheimen meer bezat. Daarenboven zou zij langs de zeeëngten tusschen de eilanden en in de baaien vergezichten naar den kant van het westen hebben, welker omtrek duidelijk door die lijn aangegeven wordt, waar land en water elkander schijnen te raken.Welnu, zou het onmogelijk zijn om alsdan gedurende dien overtocht bij zonsondergang, wanneer de kim geheel zuiver zou zijn, dien Groenen Straal op te vangen, welker schittering ter nauwernood het vijfde gedeelte eenersecondeduurt?»Gij begrijpt toch, oom Sam,” zei miss Campbell hoog ernstig, »en ook gij, Oom Sib, gij begrijpt toch, dat die flikkering slechts een oogenblik duurt. Welnu, wanneer ik gezien heb, wat ik wensch te zien, dan is de reis ten einde, dan is het onnoodig om verder naar Oban door te reizen en zich daar in te richten.”Ziedaar juist wat de gebroeders Melvill niet wenschten. Zij verlangden eenigen tijd te Oban te blijven—de lezer herinnert zich waarschijnlijk nog waarom—en hoopten, dat een te spoedige verschijning van den Groenen Straal hunne plannen niet zou komen dwarsboomen.Daar evenwel miss Campbell beslissende stem in het kapittel had, en zij voor de zeereis stemde, werd deze boven de landreis met meerderheid van stemmen verkozen.»De duivel hale dien Groenen Straal!” zei broeder Sam, toen Helena de hall verlaten had.»En dat hij hen medeneme, die hem uitgedacht hebben,” voegde broeder Sib er bij.
Ziehier, wat de liefhebbers van natuurkundige aardigheden dien dag in de »Morning Post” hadden gelezen:
»Hebt gij wel eens een zons-ondergang boven een zee-horizon waargenomen? Voorzeker, nietwaar? Hebt gij dat zoo schoone natuurtafereel gevolgd, tot dat de bovenrand der zonneschijf, de watervlakte rakende, op het punt is te verdwijnen? Zeer waarschijnlijk. Maar hebt gij dan het natuurverschijnsel opgemerkt, dat zich in het allerlaatste oogenblik voordoet, waarin de schitterende zon haar laatsten straal doet zien, bij een geheel zuivere lucht, die van iederen nevel vrij is? Dat wellicht niet. Welnu, de eerste maal dat gij in de gelegenheid zult zijn,—en die gelegenheid doet zich zeer zelden voor,—om die waarneming te doen, dan zal het geen roode straal zijn, die volgens uwe meening op het netvlies van uw oog zal weerkaatsten, maar het zal een groene zijn, van een wonderlijk groen, een groen dat geen schilder op zijn verfbord kan te voorschijn tooveren, een groen, welker natuur nimmer bij de zoo afgewisselde kleurmenging van het plantenrijk, noch bij de schakeering van de helderste zeeën is waargenomen kunnen worden! Wanneer er groen in het Paradijs bestaat, dan kan het niet anders dan dat groen zijn, wat dan ongetwijfeld het groen der Hoop is!”
Zoo luidde het artikel van deMorning Post, dagblad, hetwelk Miss Campbell bij haar binnentreden in de hall in de hand hield. Dat artikel was voldoende geweest om haar op te winden.
Met een geestdriftvolle stem las zij dan ook de weinige regels die met hare stembuiging als een lyrische lofzang de schoonheden van den Groenen Straal bezongen, aan hare ooms voor.
Maar wat miss Campbell hun verzweeg, was dat die Groene Straal overeenkwam met een oude legende, welker innige beteekenis haar tot nu toe ontsnapt was. Het was een raadselachtige legende, te midden van zoovele andere, die in de Hooglanden verteld worden en waarbij te verstaan werd gegeven, dat die straal de macht had, den sterveling, die hem gezien had, de gaaf te verleenen zich in hartzaken niet te kunnen vergissen. Door zijne verschijning werden alle onwaarheden en droombeelden vernietigd, zoodat hij,die het geluk had hem eens waar te nemen, helder in zijn eigen hart en in dat van anderen kon lezen.
Dat de lezer de dichterlijke lichtgeloovigheid eener jeugdige Schotsche vergeve, die in haar brein door de lezing van dat artikel in deMorning Postweer opgewekt was.
Toen broeder Sam en broeder Sib miss Campbell zoo hoorden, keken zij elkander verbouwereerd met verbazend wijd opengespalkte oogen aan. Tot nu toe hadden zij het leven genoten zonder dien Groenen Straal gezien te hebben, en zij meenden, dat men het best zonder hem kon stellen. Dit was evenwel de meening van Helena niet, die de gewichtigste daad haars levens van de waarneming van dat natuurverschijnsel, eenig onder allen, afhankelijk stelde.
»Dus, dat is het wat men »de Groene Straal” noemt?” vroeg broeder Sam, terwijl hij zachtkens met hoofd knikte.
»Ja, oom Sam,” antwoordde miss Campbell.
»Dien ge volstrekt zien wilt?” vroeg broeder Sib.
»Met uw verlof, dien ik zien zal, waarde ooms, en zoo spoedig mogelijk, met uw welnemen.”
»En dan, als ge hem gezien zult hebben?....”
»Als ik hem gezien zal hebben?.... Wel, dan kunnen wij over mijnheer Aristobulus Beerenkooi praten.”
Broeder Sam en broeder Sib keken elkander ter sluiks aan en een glimlach van verstandhouding krulde hunne lippen.
»Kom, laten wij den Groenen Straal gaan zien,” zei de een.
»Kom, zonder een oogenblik te loor te laten gaan!” zei de ander.
Maar miss Campbell weerhield hen met een handgebaar, toen zij het venster der hall wilden openen.
»Wij moeten op zons-ondergang wachten,” zei zij.
»Van avond dus....” knikte broeder Sam.
»En dat de zon in een zeer zuiveren dampkring ondergaat,” vervolgde miss Campbell.
»Welnu, na het middagmaal zullen wij alle drie naar de punt vanRosenheatwandelen....”
»Of nog beter, wij zullen eenvoudig den toren van het buitenverblijf beklimmen,” zei broeder Sam.
»Op Rosenheat-punt, zoowel als op dien toren,” antwoordde miss Campbell, »hebben wij geen ander vergezicht dan dat van de oeverstreek der Clyde. Wij moeten evenwel de zon zien ondergaan op zee, wanneer zij achter de wateroppervlakte verdwijnt. Mijn oompjes zijn dus gehouden mij in den kortst mogelijken tijd voor zoo’n zeegezicht te brengen!”
Met haar allerliefsten glimlach op de lippen sprak miss Campbell, evenwel zoo ernstig, dat de gebroeders Melvill aaneen zoo te berde gebrachte vordering geen weerstand kon bieden.
»Er is toch geen haast bij?....”meende broeder Sam evenwel in het midden te moeten brengen.
Broeder Sib schoot te hulp, door er bij te voegen:
»Oh! wij hebben den tijd....”
Miss Campbell schudde het bevallige hoofdje.
»Neen, wij hebben niet den tijd,” antwoordde zij, »integendeel, er is veel haast bij.”
»Werkelijk? Zou dat belangstelling voor mijnheer Aristobulus Beerenkooi zijn?....” vroeg broeder Sam.
»Wiens geluk, zooals het schijnt, van de waarneming van den Groenen Straal afhangt?....” meende broeder Sib.
»Kom die gekheid! Neen, er is haast bij, lieve ooms! omdat wij reeds in Augustus zijn,” antwoordde miss Campbell, »en de nevels weldra onze Schotsche lucht zullen komen bederven! Wij moeten van de weinige schoone avonden gebruik maken, die het einde van den zomer en het begin van den herfst ons schenken zullen! Nu, wanneer vertrekken wij?”
Zooveel was zeker, dat wanneer miss Campbell in dat jaar den Groenen Straal nog wilde waarnemen, er geen tijd te verliezen was. Alles wat den broeders overbleef te doen, en dat nog wel zonder een dag verloren te laten gaan, was zich onmiddellijk naar het een of andere punt van de Schotsche kust te begeven, die op het westen lag, zich daar zoo gemakkelijk mogelijk in te richten, om iederen avond den ondergang der zon te gaan waarnemen en haren laatsten straal te bespieden. Wellicht dat dan miss Campbell, met een weinig geluk, haren wensch, die niet van grilligheid vrij te pleiten was, in vervulling zou zien komen, wanneer namelijk de lucht tot de waarneming van het natuurverschijnsel wilde medewerken, wat wel een tref zoude zijn, want, zooals deMorning Postzei, kon die waarneming tot de zeer zeldzame gerekend worden.
En dat dagblad was voorzeker goed ingelicht.
Vooreerst gold het nu te zoeken en te kiezen een strook der westkust, vanwaar het natuurverschijnsel zichtbaar zoude zijn. Maar om die te vinden, moest men de baai der Clyde verlaten.
Want die geheele inham, die de monding der Firth of Clyde vormt, is als bezaaid met hinderpalen, die het gezichtsveld begrenzen. Hier zijn het de Bute’s Kiles en het Arran-eiland, elders weer de schiereilanden van Knapdale, van Gantyre, van Jura en vanIslay, alle reusachtige verbrokkelingen van rotsen in een gewelddadig geologisch tijdperk, die een soort van eilanden-zee ten westen van het graafschap Argyle vormen. Onmogelijk zou het zijn, daar een segment van den zee-horizon te vinden, waarop de blik een zonsondergang kon waarnemen.
O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).
O! dien ontfutselt men haar zoo niet. (bladz. 24).
Dus wilde men Schotland niet verlaten, dan moest men òf meer noordwaarts òf meer zuidwaarts trekken. Men had een onmetelijkonderzoekingsveld voor zich, maar slechts weinig tijd om vóór de herfstnevelen klaar te zijn. Naar welke streek zou men trekken? Dat kon miss Campbell niets schelen. Of het de kust van Ierland, de kust van Frankrijk, de kust van Noorwegen, van Spanje of van Portugal mocht zijn, zij zou overal heen gegaan zijn, waar zij de afscheidsstralen der ondergaande zon had kunnen opvangen. En of dit de gebroedersMelvillgelegen of niet gelegen kwam, daarom bekreunde zij zich niet, zij moesten met haarmeê!
De beide ooms, na een blik—maar welk een blik van diplomatische geslepenheid!—met elkander gewisseld te hebben, haastten zich het woord te nemen.
»Welnu, liefste Helena,” zei broeder Sam. »Het is zeer gemakkelijk aan uw wensch te voldoen. Kom, laten wij naar Oban gaan.”
»Nergens zullen wij voorzeker beter zijn, dan te Oban,” bevestigde broeder Sib.
»Welnu, dan maar naar Oban,” antwoordde miss Campbell. »Maar is daar te Oban een zeehorizon?”
»Dat zou ik meenen!” riep broeder Sam uit.
»Eerder twee dan een!” bevestigde broeder Sib met een uitroep.
»Welnu, dan maar op reis!”
»Ja, over drie dagen,” zei een der ooms.
»Neen over twee dagen,” zei de andere, die het noodig oordeelde inschikkelijkheid te betoonen.
»Wat over twee dagen! Neen, morgen reeds!” antwoordde miss Campbell, die opstond, toen de klok voor het middagmaal zich liet hooren.
»Morgen.... wel ja.... morgen!” zei broeder Sam.
»Ik wou er al zijn,” betuigde broeder Sib.
Zij spraken waarheid maar waarom die haast? Omdat Aristobulus Beerenkooi besloten had de zomermaanden te Oban door te brengen, en daar reeds sedert veertien dagen was. Miss Campbell, die deze bijzonderheid niet wist, zou zich daar in de nabijheid van dat jonge mensch bevinden, die onder de geleerdste, maar ook—en dat gisten de gebroeders Melvill niet—onder de vervelendste wezens kon meetellen. Daar, dachten de beide slimmerds, zal miss Campbell, na zich vruchteloos de oogen vermoeid te hebben met het waarnemen van zonsondergangen, hare gril opgeven en eindigen met haar sierlijk gehandschoend handje in de meer plompe hand van haren aanstaande te leggen. En al had Helena dat alles ook kunnen gissen, dan zou zij toch vertrokken zijn; want de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi kon haar niet van streek brengen.
»Bet!”
»Beth!”
»Bess!”
»Betsy!”
»Betty!”
Die reeks van namen weerklonk weer in de hall. Maar ditmaal verscheen juffrouw Bess en ontving de bevelen om den volgenden morgen voor een dadelijk vertrek klaar te zijn.
En werkelijk men moest zich haasten: de barometer, die op dertig en drie tiende streep (769 mm.) stond, kondigde mooi weer aan, dat eenigen tijd zou duren. Wanneer men ’s morgens vroeg vertrok, zou men nog tijdig genoeg te Oban aankomen om den zonsondergang te zien.
Juffrouw Bess en Partridge hadden nu met dat ophanden zijnde vertrek natuurlijk de handen vol. De zeven-en-veertig sleutels van de huishoudster tikten en weerklonken in haar zak als de halsbellen van een spaansch muildier.
Hoe veel kasten en laden moesten niet geopend, maar vooral gesloten worden! Wellicht zou het buitenverblijf te Helenaburg lang leeg staan, wie zou dat kunnen voorspellen? Moest er geen rekening gehouden worden met het grillig karakter van miss Campbell? En wanneer dat overheerlijke persoontje het in het hoofdje kreeg haren Groenen Straal te achtervolgen? En wanneer die Groene Straal met een soort van behaagzucht behept was en zich verborgen hield? En wanneer de omstreken van Oban niet de noodige helderheid van lucht aanboden, toch zoo noodzakelijk om zoo’n waarneming te doen gelukken? En wanneer men een anderen observatiepost moest kiezen, op een meer zuidelijk gelegen kuststreek, hetzij van Schotland, hetzij van Engeland, hetzij van Ierland, hetzij zelfs van het vaste land? Men zou den volgenden morgen vertrekken, dat was overeengekomen, dat stond vast; maar wanneer zou men op het buitenverblijf terugkeeren? Binnen een of binnen zes maanden? binnen een of over zes jaar?
»Waartoe toch die inval om dien Groenen Straal te willen zien?” vroeg juffrouw Bess aan Partridge, die zijn best deed om haar te helpen.
»Ik weet het niet,” antwoordde Partridge, »maar dat moet toch niet zonder belangrijkheid zijn; want onze jonge meesteres doet niets zonder er goede redenen voor te hebben. Dat weet gij trouwens, mavourneen.”
Mavourneen is een uitdrukking, waarvan men zich in Schotland gaarne bedient. Het komt nagenoeg met de Hollandsche uitdrukking van »mijn waarde” overeen. En het was vooral aan de uitmuntende huishoudster niet ongevallig, aldus door den braven Schot betiteld te worden.
»Ik ben het met u eens, Partridge,” antwoordde zij, »dat diegril van onze miss Campbell, zonder dat wij zulks vermoeden kunnen, een geheime gedachte tot grondslag heeft.”
»Maar welke?”
»Weet ik het? Daar zit òf een formeele weigering, òf minstens een uitstel ten opzichte van de plannen harer ooms achter!”
»Zoudt ge kunnen denken? Ik begrijp inderdaad ook niet,” was de meening van Partridge, »waarom die heeren Melvill zoo zeer ingenomen zijn met dien mijnheer Beerenkooi. Komaan, zeg eens ronduit, zou dat wel een goed echtgenoot voor onze jonge juffrouw wezen?”
»Wees daarvan overtuigd,” antwoordde de huishoudster, »dat wanneer die meneer haar maar half aanstaat, zij hem in ’t geheel niet tot echtgenoot zal aannemen. Zij zal met haar fijn bekje »neen” tegen haar ooms zeggen, terwijl zij hun een hartelijken kus op beide wangen zal geven, en die ooms zullen dan de verbaasden spelen, dat zij ook maar een oogenblik een gedachte hebben kunnen wijden aan zoo’n minnaar, wiens pretenties mij volstrekt niet aanstaan.”
»En mij ook niet, mavourneen!”
»Ziet ge, Partridge, het hartje van miss Campbell is als die lade daar, goed gesloten onder haar zekerheidsslot. Zij alleen bezit er den sleutel van, en wil iemand die lade openen, dan moet zij dien sleutel vrijwillig afstaan....”
»Tenzij men haar dien ontfutselt;” viel Partridge met een geheimzinnigen maar toch toestemmenden glimlach in.
»O! dien ontfutselt men haar zoo niet, of zij moet hem zich willen laten ontfutselen,” antwoordde juffrouw Bess, »en ik mag lijden dat de wind mijn muts afrukke en haar op de punt van den klokkentoren van Sint Mungo brenge, wanneer onze jonge dame ooit dien mijnheer Beerenkooi tot man neemt.”
»Een Zuidelijke!” riep Partridge met ietwat kleinachting in zijn stem. »Een Southern, die, al is hij ook in Schotland geboren, toch steeds aan de andere zijde der Tweed gewoond heeft!”
Juffrouw Bess schudde met het hoofd bij het hooren dier woorden. Die twee Hooglanders begrepen elkander opperbest. Voor hen maakten de Laaglanders, in weerwil van alle Unie-verdragen, ter nauwernood deel uit van Oud-Caledonië. Komaan, zij konden zich niet onder de bepaalde voorstanders van die huwelijks-plannen rekenen. Zij hoopten op beter voor miss Campbell. Al was dat huwelijk nog zoo voegzaam, volgens hen was voegzaamheid voor zoo’n verbintenis voor het leven niet voldoende.
»Och! Partridge!”riep juffrouw Bess uit, »de oude gebruiken der bergbewoners waren nog de beste, en de gewoonten van onzeoude Clans waren volgens mij een betere waarborg voor het geluk bij huwelijken dan de tegenwoordige. Vindt gij ook niet?”
Daar wachtte de stoomboot Columbia. (bladz. 28).Daar wachtte de stoombootColumbia. (bladz. 28).
Daar wachtte de stoombootColumbia. (bladz. 28).
»Nooit hebt gij meer waarheid gesproken,mavourneen!” antwoordde Partridge ernstig. »Toen liet men het hart meer spreken; thans zoekt men slechts geld! Het geld heeft zijn waarde, voorzeker, maar toegenegenheid, innige toegenegenheid is toch beter!”
»Juist Partridge, en toen wilde men elkander vooral kennen, alvorens in het huwelijksbootje te stappen. Herinnert gij u nog wat op de kermis van Sint-Olla teHirkwallplacht te gebeuren? Gedurende den geheelen tijd dat de kermis duurde, en zelfs sedert het begin van Augustus reeds, vormden de jonge lieden paartjes en die paartjes werden »broertje en zusje van den eersten Augustus” genoemd. Broertje en zusje! vormt dat niet een zacht geleidelijken overgang om man en vrouw te worden: En waarachtig, het is juist heden de eerste Augustus, dag waarop die paartjes zich vormden, en eindelijk de kermis van Sint-Olla begon. Och! dat God toch die prettige lieve kermis weer terug bracht!”
»Dat het Opperwezen u verhoore!” sprak Partridge met indrukwekkend gebaar. »Wanneer oom Sib en oom Sam ooit zoo’n paartje met het een of ander aardig Schotsch meisje gevormd hadden, dan zouden zij aan het algemeen noodlot niet ontkomen zijn en miss Campbell zou dan twee tantes meer tellen in hare maagschap!”
»Daar ben ik ook zeker van,” antwoordde juffrouw Bess met vuur. »Maar laat nu miss Campbell eens zoo’n paartje vormen met dien mijnheer Beerenkooi, dan zal de Clyde eerder van Helenaburg naar Glasgow terug stroomen, dan dat zoo iets tot een huwelijk zou leiden. Binnen acht dagen had het »zusje” het »broertje” naar de pomp gejaagd.
Zonder uittewijden omtrent de onwelvoeglijkheden, die plaats konden hebben bij zulk een gemeenzaamheid als door de gebruiken van Hirkwall, die trouwens uitgeroeid zijn, aangemoedigd werden, willen wij ons bepalen tot de mededeeling dat juffrouw Bess door de omstandigheden wellicht in het gelijk zou worden gesteld. Maar miss Campbell en mijnheer Aristobulus Beerenkooi vormden geen paartje van »broertje en zusje van den eersten Augustus”, zoodat, wanneer het ooit tot een huwelijk kwam, de verloofden nimmer in de gelegenheid waren geweest elkander te leeren kennen, zooals gebeurd zou zijn, wanneer zij het proefvuur van de kermis vanSint-Ollazouden doorstaan hebben!
Hoe het ook zij, de kermissen werden vroeger ingesteld om de zaken, niet om de huwelijken te bevorderen. Wij kunnen dus juffrouw Bess en Partridge aan hun gejammer over den goeden ouden tijd overlaten. Wij kunnen er echter bijvoegen, dat die twee al babbelende hun werk ijverig voortzetten en geen oogenblik lieten verloren gaan.
Het vertrek was dus besloten. De plek, waar men het buitenzijnzou gaan genieten, was gekozen. De gebroeders Melvill en miss Campbell zouden reeds den volgenden morgen in de dagbladen voor het »High life” onder de rubriek »aangekomen vreemdelingen” in de badplaats Oban voorkomen. Maar hoe zou men de reis derwaarts maken? Dit was het vraagstuk, dat ter oplossing overbleef.
Twee verschillende wegen stonden open, om zich naar dat kleine plaatsje te begeven, dat aan de zeeëngte van Mull gelegen is op een paar honderd mijl ten noordwesten van Glasgow.
De eerste dier wegen is de weg over land. De reiziger begeeft zich naar Bowling, dan langsDumbartonen den rechteroever van de Leven tot bij Balloch, hetwelk gelegen is aan het uiteinde van het meer Lhomond. Dat schoonste der Schotsche meren met zijn dertigtal eilanden en zijn historische oevers, vervuld met de herinneringen aan de Mac-Gregors, aan Mac-Farlanes, wordt doorsneden. Men is dan ten volle in het schilderachtige land van Rob Roy en van Robert Bruce. Dalmaly wordt dan bereikt, en van daar wordt de reis voortgezet langs een straatweg, die langs berghellingen voert en soms ter halver hoogte daar langs opstijgt; die zich boven en langs bergstroomen en fiords slingert te midden van die eerste voorsprongen van den Grampianbergketen, te midden der glens, overal met heidebloempjes overdekt, gestoffeerd met denneboomen, met eiken, met beuken en met berkeboomen en daalt de opgetogen toerist van het hoogland neder bij de kuststreek van Oban, die, wat schilderachtigheid betreft, aan de meest beroemde van de geheele Atlantische zeekust dienaangaande niets te benijden heeft.
Dat is een overheerlijk uitstapje, dat door ieder reiziger in Schotland gemaakt is of moet gemaakt worden. Maar op dien geheelen weg geniet men nergens een zee-horizon. Toen dan ook de gebroeders Melvill dien weg voorsloegen, bemerkten zij ras dat dit vergeefsche moeite was.
De tweede weg, die genomen kan worden, is tegelijkertijd een rivier- en een zeeweg. Eerst moet de Clyde afgezakt worden tot waar zij de baai ontmoet, die aan haar haren naam ontleent. Dan voert de weg tusschen de eilanden en eilandjes door, die den grilligen archipel den vorm geven van een overgroote hand van een menschengeraamte, dat daar op dat gedeelte van den Oceaan schijnt te rusten. Men vaart dan langs die reuzenhand op tot aan de haven van Oban. Die weg was wel verleidelijk voor miss Campbell, voor wien de goddelijke streek der Lhomond- en Katrine-meren geen geheimen meer bezat. Daarenboven zou zij langs de zeeëngten tusschen de eilanden en in de baaien vergezichten naar den kant van het westen hebben, welker omtrek duidelijk door die lijn aangegeven wordt, waar land en water elkander schijnen te raken.
Welnu, zou het onmogelijk zijn om alsdan gedurende dien overtocht bij zonsondergang, wanneer de kim geheel zuiver zou zijn, dien Groenen Straal op te vangen, welker schittering ter nauwernood het vijfde gedeelte eenersecondeduurt?
»Gij begrijpt toch, oom Sam,” zei miss Campbell hoog ernstig, »en ook gij, Oom Sib, gij begrijpt toch, dat die flikkering slechts een oogenblik duurt. Welnu, wanneer ik gezien heb, wat ik wensch te zien, dan is de reis ten einde, dan is het onnoodig om verder naar Oban door te reizen en zich daar in te richten.”
Ziedaar juist wat de gebroeders Melvill niet wenschten. Zij verlangden eenigen tijd te Oban te blijven—de lezer herinnert zich waarschijnlijk nog waarom—en hoopten, dat een te spoedige verschijning van den Groenen Straal hunne plannen niet zou komen dwarsboomen.
Daar evenwel miss Campbell beslissende stem in het kapittel had, en zij voor de zeereis stemde, werd deze boven de landreis met meerderheid van stemmen verkozen.
»De duivel hale dien Groenen Straal!” zei broeder Sam, toen Helena de hall verlaten had.
»En dat hij hen medeneme, die hem uitgedacht hebben,” voegde broeder Sib er bij.