IV.De Clyde stroomafwaarts.Daags daarna, den 2denAugustus al heel vroeg, stapte miss Campbell, vergezeld door hare ooms, de gebroeders Melvill en gevolgd door Partridge en juffrouw Bess, op het station van de spoorwegbaan van Helenaburg in den trein. Men zou zich te Glasgow inschepen op de stoomboot, die den dagelijkschen dienst tusschen die stad en Oban verricht, en geen andere plaats aan de kust gelegen aandoet.Tegen zeven uur bracht de trein onze vijf reizigers in het aankomst-station te Glasgow aan, van waar een rijtuig hen naarBroomielawBridge vervoerde.Daar wachtte de stoombootColumbiareeds de passagiers. Een dikke rook ontsnapte uit haar beide schoorsteenen en vermengde zich met den dikken nevel, die nog over de Clyde hing. Maar die morgendampen begonnen zich op te lossen, en de loodkleurachtigeschijf der zon vertoonde reeds eenige gulden schakeeringen. Dat was de voorbode van een schoonen dag.De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).Miss Campbell en haar reisgenooten scheepten zich dadelijk in, nadat hun bagage behoorlijk verzorgd en aan boord gebracht was.De bel liet in dit oogenblik haar derde en laatste geklingel weergalmen om de te-laat-komers tot spoed aan te zetten. Daarop zette de machinist de machine aan; de schoepen der raderen sloegen een paar slagen vooruit, een paar achteruit, en wierpen groote golven geelachtig water omhoog, waarna een scherp fluitje weerklonk. De trossen werden toen losgegooid en deColumbiaschoot weldra in den stoomdraad vooruit.De reizigers, die in het Vereenigd Koninkrijk reden tot klachten meenen te hebben, handelen veelal onbillijk. Want het zijn prachtige vaartuigen, die hen vanwege de stoomboot-maatschappijen ter beschikking worden gesteld. Er is niet zoo’n smalle waterstroom, geen zoo’n klein meer, geen zoo’n zeeboezemtje, welks oppervlakten niet dagelijks doorploegd worden door bevallige stoomvaartuigen. Het is dan ook hoegenaamd niet bevreemdend, dat de Clyde in dat opzicht onder de meest begunstigde behoort. Langs de Broomielaw Street, alwaar de aanlegplaats of beter de stoomboot-kade gevonden wordt, wemelt het letterlijk van stoomvaartuigen, die met hunne met de levendigste kleuren beschilderde raderkasten, waarin het verguldsel strijd voert met het Cinaber-geel, steeds stoom op hebben en gereed zijn om in alle richtingen te vertrekken.DeColumbiamaakte op den algemeenen regel geen uitzondering. Zij was zeer lang, zeer scherp van boeg en vertoonde een zuivere waterlijn. Zij had een krachtvolle machine, die raderen van een machtigen omvang in beweging bracht, en was een vaartuig van groote snelheid. Inwendig heerschte de meest mogelijke comfort in de salons en eetkamers. Op het dek was een halfdek aangebracht dat behoorlijk tegen de zonnestralen beschut was door een tent, sierlijk gefestonneerd, waaronder zich banken en stoelen met zachte kussens bevonden. Dat was een bekoorlijk plekje, waar de reizigers een uitmuntend uitzicht genoten en geen last hadden van rook of andere onaangename geuren.Aan reizigers was geen gebrek. Zij kwamen zoowat van alle kanten opdagen, zoowel van Schotland als van Engeland. De maand Augustus is de meest gunstige voor de uitstapjes. Vooral die op de Clyde en naar de Hebriden vallen buitengewoon in den smaak. Er bevonden zich daar op dat dek een paar van die huisgezinnen op groot compleet, wier echtvereeniging buitengewoon edelmoedig door den hemel gezegend was; zeer vroolijke jonge meisjes en meer bedaarde jonge mannen, ook kinderen, die evenwel reeds eenigermate met de verrassingen van het omzwervend leven vertrouwd geraakt waren; verder predikanten, die steeds zoo talrijk aan boord der stoombooten aanwezig zijn, met den hoogen zijden hoed ophet hoofd, den zwarten jas met staanden kraag aan, de witte das, boven het vest prijkende, om den hals; verder eenige pachters met de Schotsche muts getooid en door hun zwaren stap aan de oude »Bonnet-lords” herinnerende van een zestig jaar geleden; dan nog een half dozijn vreemdelingen, waaronder Duitschers, die zelfs buiten Duitschland hunne zwaarwichtigheid niet verliezen, en twee of drie Franschen, wier geestige beminnelijkheid hen zelfs niet buiten Frankrijk verlaat.Wanneer miss Campbell als de meeste harer landgenootengehandeldhad en zich, zoodra zij aan boord kwam, in het een of ander hoekje had neergezet, om dit gedurende de geheele reis niet meer te verlaten, en zelfs het hoofd niet te durven omkeeren, dan zou zij van de oevers der Clyde slechts dat gezien hebben, wat zich recht voor hare oogen voorbij bewoog. Maar zij had pret er in om heen en weer te trippelen, nu eens op het voorschip, dan weer op het achterschip. Zij beschouwde de steden, de burchten, de dorpen en gehuchten, waarmede die oevers als bezaaid zijn. Hieruit volgde de noodzakelijkheid, dat broeder Sam en broeder Sib, die haar overal vergezelden, haar vragen beantwoorden, haar opmerkingen en waarnemingen goedkeurden of bevestigden, tusschen Glasgow en Oban geen oogenblik rust hadden. Zij dachten er evenwel niet aan zich daarover te beklagen, dat was aan hun baantje van eerewacht van het jonge meisje verbonden, en zij volgden haar als uit instinct, terwijl zij elkander een snuifje aanboden, dat meewerkte om hen in goede luim te houden.Juffrouw Bess en Partridge hadden op het voorste gedeelte van het halfdek plaats genomen en keuvelden vriendschappelijk over den ouden tijd, over de in onbruik geraakte zeden en gewoonten, over de clans, die in ontbinding geraakten. Waar waren die zoo te betreuren tijden van weleer? Toen verdween de zuivere gezichteinder van de Clyde nog niet achter de uitgebraakte rookwolken van de fabrieken; haar oevers weerklonken niet van de doffe slagen, te weeg gebracht door de stoomhamers; haar kalme wateren werden niet opgezweept door die machtige inspanning van de duizenden stoom-paarden-krachten!»O! die tijd zal terugkomen!” zei juffrouw Bess met innige overtuiging in hare stem. »En misschien vroeger dan wij denken.”»Het is te hopen,”antwoordde Partridge ernstig en deftig,»en met hem zullen wij de oude zeden en gewoonte onzer voorouders zien terugkeeren!”De oevers der Clyde ontrolden zich middelerwijl voor hen, die zich aan boord derColumbiabevonden, met snelheid van voren naar achteren, evenals de tafereelen van een beweeglijk panorama. Ter rechterzijde vertoonden zich het dorpje Patrick, aan de uitwateringvan de Kelvin, met zijn uitgestrekte dokken, waarin de ijzeren zeeschepen vervaardigd worden, die zich vlak tegenover de dokken van Goivan, op den anderen oever der Clyde gelegen, bevonden. Wat een gehamer en een getiktak op ijzeren platen, welke machtige rook- en stoomwolken daar, die het gehoor en het gezicht van Partridge en van zijn gezellin zoo onaangenaam aandeden!Maar al dat nijverheids-spektakel, al die kolendamp zou langzamerhand ophouden en voor het oog verdwijnen. In plaats van scheepstimmerwerven, van overdekte dokken, van hooge fabrieksschoorsteenen, van die reusachtige ijzeren stellingen, die zoozeer op vergroote kooien van een zoölogischen tuin van mastodonten en andere voorwereldlijke dieren gelijken, begonnen behaaglijke woningen te verschijnen, buitenverblijven, onder het groene loof van hoog geboomte verscholen villa’s van de anglo-saksische bouworde, die zich als verspreid op de omliggende heuvelen verhieven. Het was toen als een onafgebroken opvolging van fraaie villa’s en kasteelen, die zich als gezaaid op een groenen band van de eene tot de andere stad ontrolden.Na den ouden koninklijken burcht van Renfrew, op den linkeroever van de rivier gelegen, voorbij gestoomd te zijn, kwamen de dicht begroeide heuvels van Kilpatrick ter rechterzijde boven het dorp van dien naam te voorschijn. Langs die plek kan geen Ierlander voorbijgaan, zonder zich het hoofd te ontblooten, want daar is Sint-Patrick, de beschermheilige van Ierland, geboren.De Clyde begon van rivier of stroom, die zij tot nu toe slechts geweest was, nu een ware zeearm te worden. Juffrouw Bess en Partridge groetten eerbiedig de bouwvallen van Douglas-Castle, die eenige oude herinneringen uit de geschiedenis van Schotland in hun brein te voorschijn riepen; maar hunne oogen wendden zich af van de zuil die opgericht werd ter eere van Harry Bell, den uitvinder en de vervaardiger van het eerste schip, dat zich met behulp van werktuigen bewoog en welks raderen door hun geklepper deze stille wateren beroerden.Eenige mijlen verder aanschouwden de reizigers, met hun Murray in de hand, het kasteel van Dumbarton, dat zich op een basaltrots van meer dan vijfhonderd voet hoogte verheft.Een der beide kegelvormige toppen, door die rots gedragen, en wel de hoogste, wordt nog de »Troon van Wallace”, naar een der helden van denonafhankelijkheidsoorlog, genoemd.Juist op dit oogenblik begon een heer, die boven op de loopbrug stond,—zonder dat hij daartoe uitgenoodigd was, maar ook zonder dat iemand zulks onaangenaam vond—een kleine geschiedkundige verhandeling, ter voorlichting van zijn reisgezellenDe Columbia stoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).DeColumbiastoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).Een half uur later kon niemand van hen, die zich aan boord van deColumbiabevonden, tenzij dat hij met doofheid geslagenwas, onbekendheid voorwenden met de omstandigheid, dat de Romeinen Dumbarton zeer waarschijnlijk versterkt hadden; dat die historische rotsklomp in het begin der dertiende eeuw in een koninklijke vesting herschapen werd; dat hij, bevoordeeld door het Unie-traktaat, tot de vier sterke plaatsen van het koninkrijk Schotland behoort, die niet ontmanteld mogen worden; dat Maria Stuart van uit die haven in 1548 naar Frankrijk vertrok, om daar door haar huwelijk met Frans den Tweeden, koningin voor één dag te zijn, dat daar eindelijk Napoleon in 1845 had moeten opgesloten worden, voor dat het ministerie Castlereagh tot een besluit kwam, den grooten man naar Sint Helena te verbannen.»Zoo’n verhandeling is zeer leerrijk.”»Leerrijk en belangwekkend,” antwoordde broeder Sib. »Die gentleman verdient ten volle onze loftuigingen!”En inderdaad, de beide ooms hadden geen enkel woord van de geheele verhandeling willen missen. Zij achtten zich dan ook verplicht, dien geïmproviseerden professor in de geschiedenis een blijk hunner innige tevredenheid te geven. Miss Campbell, in haar gedachten verzonken, had niets gehoord van die geschiedenis-les in de vlucht. Zoo iets kon haar, althans in deze oogenblikken, niet boeien. Zij gunde zelfs geen blik aan de bouwvallen van het kasteel van Cadross, dat op den rechteroever van den stroom gelegen was, en waar Robert Bruce stierf. Een zee-gezichteinder, dat was het wat hare oogen tot nu toe te vergeefs zochten. Zij zou dien evenwel niet zien, voor dat deColumbiauit die voortdurende opvolging van oevers, van voorgebergten, van kuststreken, die de baai van de Clyde omzoomen, te voorschijn zou getreden zijn. Daarenboven, deColumbiastoomde thans het dorpje Helenaburg voorbij. Port-Glasgow, de bouwvallen van het kasteel van Newark, het schiereilandRosenheat, dat alles was haar bekend, dat zag het jonge meisje iederen dag uit de ramen van haar buitenverblijf. Zij vroeg zich dan ook af, of de stoomboot niet op de grillig aangelegde waterpartijen van haar park voer.En waarom zouden haar oog en haar gedachten, toen het vaartuig verder gekomen was, verdwalen te midden van honderden schepen, die zich in de havenkommen van Greenock bij de uitwatering van den stroom als verdrongen? Wat kon het haar schelen, dat de onsterfelijke Watt geboren was in die stad van veertig duizend zielen, die als de nijverheids- en handels-voorkamer van Glasgow te beschouwen is? Waarom toch zou zij drie mijl verder, haar blikken laten rusten op het dorp Gouroch ter linkerzijde, of op het dorp Dunoon ter rechter zijde, op de getande en bochtige fiords, die zoo diepe inhammen in de kuststreken van het graafschap van Argyle vormen en die aan de kust van Noorwegen gelijk stellen?Neen! miss Campbell zocht met ongeduldig oog de bouwvallen van den toren van Leven. Hoopte zij er een geestverschijning te ontwaren? Geenszins, maar zij wilde de eerste zijn, die den vuurtoren in het oog kreeg van Clock, die den uitgang van de Firth of Clyde verlicht.De vuurtoren verscheen eindelijk als een reuzenlamp, toen het stoomschip een hoek, dien de kuststreek vormde, rondde.»Clock, oom Sam,” zeide zij. »Clock, Clock!”»Ja, Clock,” antwoordde broeder Sam met de nauwkeurigheid van een Hooglandsche echo.»De zee, oom Sib!”»Ja, inderdaad de zee,” antwoordde broeder Sib.»O! wat is dat mooi!” riepen de beide ooms te gelijk.Het was alsof zij de zee voor den eersten keer van hun leven aanschouwden.Neen, er was geen vergissing mogelijk. Toen de baai zich voor het oog opende, vertoonde zich daar goed en wel een uitgestrekte zee-horizon.Maar de zon had nog niet eens de helft van haar loopbaan afgelegd. Onder den zes en vijftigsten breedtegraad moesten nog minstens zeven uur verloopen, alvorens zij in de zilte golven zou onderduiken,—dus nog zeven uur van ongeduldig wachten voor miss Campbell. Daarenboven, die gezichteinder strekte zich in het zuidwesten uit, dat wil zeggen over dat segment van den cirkelboog, waarin de zonneschijf zich bij haar ondergaan niet laat zien dan bij den winterzonnestilstand. Daar moest dus de verschijning van den Groenen Straal niet gezocht worden; neen men zou den blik meer westelijk, zelfs ietswat naar het noorden moeten richten, daar de eerste Augustusdagen de dag- en nachtevening van September zes weken voorafgaan.Maar dat kwam er minder op aan. Het was de zee, die zich thans voor het oog van miss Campbell uitstrekte. Tusschen de Cambray-eilanden, daar voorbij het groote eiland van Bute, welks scherpe omtrekken door een lichten nevel afgerond werden, dan voorbij de kleine toppen en ruggen van Aisla-Craig en der Arran-bergen, vormden de hemel en de zee te zamen een lijn zoo zuiver, alsof zij langs de liniaal met een fijn aangepunt potlood getrokken was.Miss Campbell nam dien gezichteinder waar, terwijl zij er hare geheele gedachten aan wijdde, en sprak daarbij geen woord. Zij stond rechtop en onbeweeglijk op de loopbrug, en de zon vormde aan haar voeten een zeer verkorte schaduw van haar persoon. Met het oog scheen zij de lengte van den boog te meten, dien de dagvorstin nog scheidde van het punt waar zij in de wateren van den hybridischen archipel zou ondergaan.... Wanneer slechts in dat oogenblik dehemel, zoo helder thans, niet door de dampen van den schemeravond verduisterd zoude worden!Een stem ontvoerde de jeugdige dweepster aan hare droomerijen.»Het is tijd,” zei broeder Sib.»Tijd! welke tijd, waarde oompjes?”»Tijd om te ontbijten,” zei broeder Sam.»Kom, laten wij dan ontbijten!” antwoordde miss Campbell.V.Van de eene boot op de andere.Na het half-koude, half-warme maal, waaruit het ontbijt bestond—dat, tusschen twee haakjes gezegd, overheerlijk was—en in het eetsalon van deColumbiavoorgediend werd, stegen miss Campbell en de gebroeders Melvill andermaal op het dek.Helena kon een kreet van teleurstelling niet weerhouden, toen zij haar plaats op het halfdek weer ingenomen had.»Waar is mijn zee-horizon?” vroeg zij.Hare ooms moesten bekennen, dat die horizon er niet meer was. Sedert eenige minuten was hij verdwenen. De stoomboot, die noordelijk voorlag, stevende op dat oogenblik door de Straat van Kyles of van Bute.»Dat is niet mooi, oom Sam!” sprak Miss Campbell met een lichten toon van verwijt in de stem en met een zweem van pruilen op de schoone lippen.»Maar, mijn lief kind....”»Dat zal ik niet licht vergeten, oom Sib!”De twee broeders wisten geen antwoord te geven, en toch kon men hun de schuld niet geven, dat deColumbia, na haren koers gewijzigd te hebben, verdernoordwaartsstevende.Er bestaan inderdaad twee wegen, of beter twee vaarwaters, die nog al sterk uiteenloopen, om over zee van Glasgow naar Oban te geraken.»Een sloep!” riep hij uit. (bladz. 43.)»Een sloep!” riep hij uit.(bladz. 43.)De een—die door deColumbianiet ingeslagen was—is de langste. Die voert langs Bothesay, de hoofdplaats van het eiland Bute, welke natuurlijk aangedaan wordt. Dat stadje wordt beheerscht door een oud kasteel, dat uit de elfde eeuw dagteekent, en is in het westen omgeven door hooge glens, die haar haven tegen destormwinden uit volle zee dekken. Van Rothesay kan de stoomboot verder de Clyde-baai afzakken, vervolgens de wester kuststreek vanhet Bute-eiland langs stevenen, groot en klein Cumbray in het gezicht loopen en verder in die richting voortstoomen, totdat de meest zuidelijke punt van het eiland Arran bereikt is. Dat eiland behoort in zijn geheel, van zijn grondvesten van rotslagen tot op den top van den Goatfell, die zich op nagenoeg achthonderd meter boven de oppervlakte der zee verheft, aan den hertog van Hamilton. Bij die zuidpunt gekomen, legt de roerganger zijn roer te boord, totdat de weststreek van het kompas met de zeilstreek overeenkomt, waardoor het eiland Arran gerond wordt. Men stevent verder rond om den grooten vinger van het schiereiland Cantyre, om langs de westkust daarvan op te stoomen, waarna men in de Gigha-engte komt, die het smalste gedeelte uitmaakt van de Sond-straat, die tusschen de eilanden Islay en Jura doorvoert, waarna men in het meest opene gedeelte, van de Forth- of Lorn-baai geraakt, welker teruggetrokken hoek zich een weinig boven Oban sluit.Goed gerekend, wanneer miss Campbell eenige reden tot pruilen had, dan zouden de beide ooms toch ook reden hebben om te betreuren, dat die weg niet was ingeslagen. Wanneer men toch die kuststreek van het eiland Islay gevolgd had, dan zouden zij met eigen oogen gezien hebben de verblijfplaats der Mac Donalds, die, in het begin der zeventiende eeuw overwonnen en verjaagd, de plaats moesten ruimen voor de Campbells. Bij het gezicht van de plaats, waar die historische feiten voorgevallen waren, die de beide broeders van nabij betroffen, zouden zij niet alleen hun hart hebben voelen kloppen, maar ook Juffrouw Bess en Partridge zouden hunne aandoening niet meester gebleven zijn.En wat miss Campbell betrof, voor haar oogen zou die zoo zeer betreurde gezichteinder zich gedurende veel langer tijd uitgestrekt hebben. Want inderdaad, van de punt van de Arran tot aan het voorgebergte van Cantyre heeft men de volle zee in het zuiden en van die punt van Cantyre tot aan het uiteinde van Islay heeft men de volle zee in het westen, dat wil zeggen die vloeibare onmetelijkheid, die slechts op een afstand van ruim drie duizend mijl door het Amerikaanschvastelandbegrensd wordt.Maar die weg is, zooals gezegd werd, de langste; hij is ook de meest moeitevolle en niet van gevaren ontbloot. Men heeft met dat slag van toeristen rekening moeten houden, die afgeschrikt worden door de gebeurlijkheden van een overtocht soms bij ruw weer, wanneer de zee veelal hol staat in die streken der Hebriden.De ingenieurs hebben dan ook, in navolging van de Lesseps de gedachte geopperd en uitgevoerd, om van dat schiereiland Cantyre een eiland te maken. Onder hunne leiding werd het kanaal van Crinan in het noordelijkste gedeelte van het schiereiland gegraven. Daardoor wordt de reis minstens tweehonderd mijl bekort, en eenvaartuig heeft slechts drie of vier uur noodig om het door te stevenen.Door dien weg zou deColumbiatusschen al die inhammen en zeeëngten, met geen ander uitzicht dan kale stranden, dan bergen en wouden, den overtocht van Glasgow naar Oban beëindigen. Van al de passagiers aan boord was miss Campbell zeer waarschijnlijk de eenige die de niet gevolgde reisroute betreurde, maar zij moest wel in het onvermijdelijke berusten. Daarenboven zou zij dien zee-gezichteinder niet weervinden, wanneer men eenige uren later het kanaal van Crinan zou verlaten hebben, nog lang voordat de zon de kim met haar schijf zou aanraken?Terzelfder tijd, toen de naplakkers aan tafel de eetzaal verlieten om zich op het dek te begeven, stoomde deColumbiahet kleine eiland Elbangreig voorbij, hetwelk aan den ingang van Loch Ridden gelegen is. Op dat eilandje bestaat een versterkte plaats, die tot laatste schuiloord strekte aan den hertog van Argyle, toen die held, ten onder gebracht in den strijd voor de staatkundige en godsdienstige onafhankelijkheid van Schotland naarEdinburggebracht werd, om daar het leven onder de valbijl zijns vaderlands te laten.Toen stevende de stoomboot zuidwaarts, alsof zij op haar schreden wilde terugkeeren, volvoerde den doortocht door de zeeëngte van Bute, te midden van dat bewonderenswaardige panorama van eilanden, die òf kaal en onvruchtbaar, òf met zwaar bosch bedekt waren, en welker scherpe en woeste omtrekken door een lichten nevel verzacht waren. Eindelijk na de kaap Ardlamont gerond te hebben, werd de noordwaartsche richting hernomen door Loch Fyne waarbij het dorp East-Farbert op de kust van Cantyre gelegen, ter linkerzijde gelaten werd. Vervolgens werd Kaap Ardrishaig voorbijgestoomd, en zoo het gehucht Lochgilphead bereikt, waar zich de monding van het kanaal Crinan bevindt.Daar moesten de reizigers deColumbiaverlaten, omdat zij van te groot charter was voor de vaart op het kanaal. Door dien doorsteek, die een sterk waterverval heeft, waardoor niet minder dan vijftien sluizen benoodigd zijn op haar lengte van slechts negen mijl, kunnen slechts smalle vaartuigen van weinig diepgang varen.De kleine stoombootthe Linnetwachtte de passagiers van deColumbia. De overscheping had in weinige oogenblikken plaats. Ieder zocht een goed plekje op het halfdek, waarop men evenwel zeer opeengedrongen zat. Daarna stoomdethe Linnetmet spoed tusschen de kanaaloevers voort, terwijl een »bagpiper”, een doedelzakartist, in het nationaal kostuum gekleed, zijn bevreemdend instrument liet weerklinken. Niets weemoediger dan die vreemdsoortige muziek, welker ontwikkeling slechts de uitgestrektheid van een octaaf bereikt en waarbij de gevoelsnoot ontbreekt even als in de deuntjes uit den tijd der vervlogen eeuwen.Het is een bevallige vaart op dit kanaal, dat nu eens tusschen hooge oevers is uitgegraven, dan eens langs de hellingen van een met heideplanten begroeiden heuvel voert, waaraan het als vastgehaakt schijnt; dat hier een uitgestrekt vlak bouwland doorsnijdt, om elders weer tusschen de zware muren van de schutkolken besloten te worden. In het sas is er telkenmale oponthoud. Terwijl de sluiswachters zich haasten om het vaartuig te schutten, komen jonge lieden, jonge meisjes en kinderen de reizigers met beleefden groet versch gewonnen melk aanbieden, en babbelen daarbij de gaëlische volkstaal, die door de Kelten vroeger algemeen gebruikt werd, en meestal onverstaanbaar is, zelfs voor Engelsche ooren.Zes uren later—er had oponthoud plaats gehad bij een sluis, welker deuren slecht sloten—waren de gehuchten en de pachthoeven van dit wel wat droefgeestig land, alsook de uitgestrekte moerassen van de Add, die op den rechteroever van het kanaal, aangetroffen werden, voorbij gestevend.The Linnetstopte een oogenblik later bij het dorp Ballanoch. Daar had een tweede overscheping plaats en werden de passagiers van deColumbiade passagiers van deGlengarry. Die boot stevende noordwestwaarts, om de baai van Crinan uittestoomen en de punt te ronden, waarop zich het oude feodale kasteel van Duntroon Castle verheft.Sedert men het eiland Bute voorbijgestevend was, alwaar men er een stukje van had kunnen snappen, was geen zee-gezichteinder meer te zien geweest.Men kan begrijpen welk ongeduld miss Campbell bezielde. Op die wateren, wier gezichtskring overal begrensd was, kon zij zich verbeelden ten volle in Schotland te zijn, in de meerstreken, te midden van het land van Rob Roy. Overal werden schilderachtige eilanden aangetroffen, met hunne zachte afrondingen en begroeid met berke- en beukeboomen.Eindelijk stevende deGlengarryde noorder punt van het eiland Jura om, en toen vertoonde zich de zee tusschen dit punt en het eilandjeScarba, dat er als afgescheurd is in al haar uitgestrektheid, tot waar de hemel de waterlijn schijnt te ontmoeten.»Daar is ze! waarde Helena!” riep broeder Sam, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte.»Het was waarachtig onze schuld niet,” vervolgde broeder Sib, »dat die verwenschte eilanden, die de oude Nick hale! ze voor uwe oogen verborgen.”»Vergiffenis zij u geschonken, waarde oompjes,” antwoordde miss Campbell met een bekoorlijken glimlach. »Maar... dat het niet weer gebeure!”»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).VI.De kolk van Corryvrekan.Het was toen ongeveer zes uur des avonds. De zon had nog slechts vier vijfden van haar loopbaan volbracht. Ongetwijfeld zou deGlengarry, voor dat de dagvorstin in de wateren van den Atlantischen Oceaan onderduiken zou, te Oban aangekomen zijn. Miss Campbell kon dus hoop koesteren, dat haar wenschen ten opzichte van den Groenen Straal denzelfden avond vervuld zouden worden. Want waarachtig, het uitspansel vertoonde zich zonder wolken of nevels, en scheen voor de waarneming van dat natuurverschijnsel als geknipt, terwijl de zee-horizon tusschen de eilandenOronsay, Colonsay, en Huil gedurende het overige gedeelte van den overtocht volmaakt zichtbaar zou blijven.Maar een geheel onvoorzien voorval zou den gang van de stoomboot eenigermate komen vertragen.Miss Campbell, geheel ingenomen door haar vast denkbeeld, dat haar niet begaf, hield het oog sterk gevestigd op dat gedeelte van den gezichteinder. Zij alleen merkte dan ook op, hoe woelig de zee tusschen de punt van het eiland Jura en het eilandje Scarba was. Terzelfder tijd bereikte een ver verwijderd geluid, als van golven die tegen elkaar in klotsten, haar oor. En toch rimpelde een flauwe bries ternauwernood de watervlakte, die er olieachtig uitzag, zoo kalm was zij, zelfs toen zij door den boeg van het stoomvaartuig gesneden werd.»Wat veroorzaakt die woeligheid en dat gedruisch?” vroeg miss Campbell aan hare ooms.Maar hare ooms konden haar onmogelijk antwoorden, want zij zelf begrepen evenmin als zij, wat daar op drie mijl afstand van hem in dien nauwen doorgang voorviel.Miss Campbell wendde zich toen tot den kapitein, die in dat oogenblik op de loopbrug op en neer wandelde, en vroeg hem naar de oorzaak van dat golfgeklots, dat zich zoo helder zien en hooren liet.»Dat wordt eenvoudig door den opkomenden vloed veroorzaakt,” antwoordde de kapitein. »Dat geluid, wat gij hoort, is afkomstig van de kolk van Corryvrekan.»Maar het weer is overheerlijk,” merkte miss Campbell op, »en de bries laat zich ternauwernood voelen.”»Het weer heeft ook geen invloed op dat natuurverschijnsel. Het wordt veroorzaakt door de opkomende zee, die bij het doorkomen uit den Jura-Sond geen anderen doortocht vindt dan tusschen de beide eilanden Jura en Scarba. In dien doortocht stort de vloed zich met een buitengewoon groote kracht, en het zou zeer gevaarlijk zijn voor een eenigszins klein vaartuig, zich er in te wagen.”De kolk van Corryvrekan is te recht gevreesd in die streken, en wordt als een der meest merkwaardige plekken van den Hebriden-archipel genoemd. Zij is wellicht te vergelijken met de kolk van Sein, die door de verenging van de zee tusschen den weg van dien naam en de baai der Trépassés op de kust van Bretagne of met de kolk Blanchart, die door de wateren der Hoofden gevormd wordt, welke zich tusschen het eiland Aurigny en den vasten wal van Cherbourg storten. De legende verzekert, dat zij haar naam verschuldigd is aan een Scandinavischen prins, wier schip daar ter plaatse in de Keltische tijden met man en muis verging. Het is inderdaad een gevaarlijke doortocht, waarin veel schepen schipbreuk geleden hebben en die, wat ongelukken betreft, de vergelijking met den noodlottigen Maalstroom op de kusten van Noorwegen doorstaan kan.Miss Campbell hield middelerwijl niet op met naar de hevige golvingen van die kolk te kijken, toen eensklaps haar aandacht meer in het bijzonder geboeid werd door een punt in die zeeëngte. Eerst meende zij dat daar een rots boven de watervlakte uitstak, maar hetgeen zij zag ging met de hevige golvingen der zee op en neer.»Zie, zie toch, kapitein,” zei het jonge meisje, »indien dat geen rots is, wat is het dan?”»Waarlijk,” antwoordde de kapitein, »een rots is het niet. Het kan niet anders dan een stuk wrakhout zijn, dat door den stroom meegevoerd is of het is ook wel....”En zijn kijker grijpende:»Een sloep!” riep hij uit.»Een sloep!” kreet miss Campbell.»Ja!.... ik vergis mij niet!.... Een sloep op de wateren van de Corryvrekan-kolk!.... Oh, zij zal vergaan, dat kan niet anders!”Toen de kapitein die woorden meer uitschreeuwde dan wel zei verdrongen zich de passagiers op de loopbrug en keken allen in de richting van de kolk. Er was geen twijfel meer mogelijk! Het vaartuig was ongetwijfeld door den stroom in de zeeëngte meegesleurd. Dat was zeer zeker door den opkomenden vloed veroorzaakt. Het bevond zich thans in de werking der zuiging van de tegenstroomingen en liep zijn ondergang te gemoet.Aller blikken waren op dat punt van de kolk gevestigd, hetwelk op vier of vijf mijl van deGlengarrygelegen was.»Waarschijnlijk is het maar een sloep, die losgeraakt en afgedreven is,” was de bemerking van een der passagiers.»Neen, dat is het niet! want ik zie er een man in,” antwoordde een ander.»Een man.... twee mannen!” riep Partridge, die in de nabijheid van miss Campbell post gevat had.En inderdaad daar waren twee menschen in die sloep. Zij waren hun vaartuig niet meer meester. Het weinigje bries, dat van de landzijde woei, was onmachtig om hun zeil te vullen en hen buiten de omstroomingen te voeren, en met de riemen was het onmogelijk uit de schrikkelijke zuiging van de Corryvrekan-kolk te geraken.»Kapitein!” riep miss Campbell,»wij kunnen die ongelukkigen toch niet onder onze oogen laten omkomen.... Zij zijn verloren, wanneer men hen aan hun lot overlaat!.... Zij moeten geholpen worden!.... daar valt niets aan te doen!.... het moet!....”Allen die aan boord waren, koesterden dezelfde gedachten, die het edele meisje uitte. Het antwoord van den kapitein werd dan ook angstvallig afgewacht.»DeGlengarry,”sprak hij, »mag zich niet te midden van de Corryvrekan-kolk wagen. Maar wij zullen zoo veel als mogelijk is naderen, misschien komen wij dan binnen het bereik dier sloep!”En zich tot de passagiers keerende, scheen hij een teeken van goedkeuring te verzoeken.Miss Campbell ging tot hem.»Het moet, kapitein, het moet!....” zeide zij met opgewonden stem en gebaar. »Mijn reisgenooten zijn van dezelfde meening!.... Het geldt twee menschenlevens, die gij redden kunt! Och! kapitein! .... Ik smeek er u om!....”»Ja!.... ja!....” riepen eenige der passagiers, opgewekt en bewogen door de warme tusschenkomst van dat jonge meisje.De kapitein greep zijn kijker, nam met de uiterste nauwkeurigheid de richting van de stroomingen in de zeeëngte waar; toen zich tot den roerganger wendende, die bij hem aan het stuurrad op de brug stond:»Opgelet bij het sturen!” zei hij. »Het roer stuurboord te boord!”Het stoomschip wendde onder de werking van het roer naar het westen. De machinist kreeg bevel om zijn stoomkleppen te bezwaren en alle kracht aan te wenden. Weldra schoot deGlengarryde uiterste punt van het eiland Jura ter linkerzijde voorbij.Niemand sprak aan boord. Aller oogen waren angstvallig op dat vaartuigje gevestigd, hetwelk al meer en meer zichtbaar werd.Het was slechts een kleine visschersloep, waarvan men den mast had neergelaten om den terugstoot te vermijden der hevige schokken, door de golven teweeggebracht.»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).Een der twee mannen, die zich in de sloep bevonden, lag in het achterste gedeelte uitgestrekt; de andere roeide met alle inspanningvan krachten, en trachtte buiten den kring der zuiging te geraken. Wanneer hij daarin niet slaagde, waren beide verloren!DeGlengarrykwam een half uur later op de grens van de Corryvrekankolk en begon door den invloed der golven sterk te stampen, maar niemand aan boord toonde zich ontevreden; hoewel de snelheid der stroomingen wel van dien aard was, dat zij eenvoudige toeristen zou hebben kunnen afschrikken.Inderdaad, in dit gedeelte van de zeeëngte vertoonde zich de zee wit van het schuim, alsof een dichtgereefd marszeilskoeltje woei. Men zag slechts een uitgestrekte oppervlakte van schuim, die tengevolge van de weinige diepte der wateren, door grondzeeën in hooge zuilen werd opgeworpen.De sloep was nog slechts op een halve mijl verwijderd. Diegene van de twee mannen, die roeide, deed de uiterste inspanning om buiten de neerstroomingen te geraken. Hij begreep, dat deGlengarryhem te hulp kwam, maar hij besefte ook dat de stoomboot niet veel verder kon komen, en dat het dus van zijn krachten afhankelijk was, om haar te bereiken. Wat zijn makker betrof, deze lag steeds in het achterste gedeelte der sloep uitgestrekt en scheen buiten kennis te zijn.Miss Campbell, aan de grootste opgewondenheid ten prooi, wendde geen oog af van dat vaartuig welks nood zij het eerste aangeduid had op de golven van de kolk, waarheen deGlengarryop haar vurige smeekingen thans stevende.De toestand werd middelerwijl bedenkelijker, en het was te vreezen dat de stoomboot niet bij tijds zou aankomen. Zij kon nog slechts met half werk vooruitslaan, ten einde belangrijke averij te voorkomen en toch dreigden reeds de zeeën, die over den boeg sloegen, de stookplaats der machine te bereiken, en deden dus het gevaar ontstaan van de vuren te blusschen, hetgeen een schrikkelijke gebeurlijkheid moest genoemd worden, daar te midden van die wilde stroomingen.De kapitein, die zich aan de bruggestutten vastgekneld hield, waakte er voor, dat zijn schip niet buiten het vaarwater kwam, en manoeuvreerde met alle behendigheid om niet dwarszee’s te geraken.Middelerwijl gelukte het de sloep niet om buiten de neerstroomingen te komen. Soms verdween zij plotseling achter een breker; in een ander oogenblik werd zij door de ronddraaiende stroomingen van de kolk, die evenredig in kracht toenamen, meegesleurd en stevende in een kring rond met de snelheid van een voortgeschoten pijl, of nog beter uitgedrukt, met de snelheid van een steen, die door den slinger rondggedraaid wordt, alvorens hem te laten ontsnappen.»Sneller! nog sneller!” riep miss Campbell, die haar gemoedsaandoeningen niet kon onderdrukken.Maar op het gezicht van die vreeselijke golven, die tegen de boot aansloegen, lieten reeds eenige vrouwelijke passagiers angstkreten hooren. De kapitein, de verantwoordelijkheid begrijpende, die hij droeg, aarzelde om verder binnen den kring van de Corryvrekan-kolk te dringen.En toch, de afstand, die de sloep van deGlengarryscheidde, bedroeg thans in dat oogenblik nog slechts een halve kabellengte of ongeveer drie honderd voet; men kon dan ook van boord gemakkelijk de ongelukkigen onderscheiden, die daar met hunne sloep naar hun verderf werden meegesleurd.Het was een oud zeeman en een jongmensch. De eerste lag in het achterste gedeelte van het vaartuig uitgestrekt, de andere roeide met inspanning van alle krachten.Een vreeselijke golf klotste in dit oogenblik tegen de wanden van deGlengarryen maakte haar toestand vrij moeielijk.En waarlijk, de kapitein kon niet verder de zeeëngte instevenen, en hij moest zoo manoeuvreeren, dat hij met den kop in den stroom bleef, hetgeen niet zonder moeielijkheid te veroorzaken, ten uitvoer gebracht kon worden.Plotseling gleed de sloep, na een oogenblik op de kruin van een hooge golf verschenen te zijn, omlaag en verdween voor ieders oog.Een kreet weerklonk aan boord. Een kreet van angst en schrik!Was het vaartuig omgeslagen en gezonken?.... Neen, daar verscheen het weer op den rug van een andere golf en een nieuwe inspanning van den roeier bracht het iets nader bij de stoomboot.»Flink! flink doorgeroeid!!”riepen de zeelieden, die op de voorplecht van het schip stonden.En zij zwaaiden rollen touw en bespiedden het gunstige oogenblik om die in de sloep te werpen.Plotseling gaf de kapitein, die eenig glad water tusschen de keerstroomingen opmerkte, bevel aan den machinist om de meest mogelijke stoomkracht aan te wenden. De snelheid derGlengarrynam spoedig toe en het schip stevende koen tusschen de beide eilanden in, terwijl de sloep van haren kant ook eenigermate naderde. Toen werden de touwen voortgeslingerd, door den roeier gegrepen en om den mast bevestigd. DeGlengarrysloeg vervolgens met kracht achteruit, om des te eerder uit de wieling te geraken, terwijl de sloep, langs zij getrokken, zoo door haar gesleept werd.Toen eerst wierp de jongeling de riemen neer, tilde zijn makker in de armen op, en werd die oude zeeman met behulp dermatrozen van de boot aan boord geheschen. Terwijl de sloep naar de Corryvrekan-kolk voortgesleurd werd, had een groote golf haar een hevigen slag toegebracht, die haar buiten staat gesteld had, verder de inspanningen van den jonkman te steunen, waardoor deze laatste geheel en al aan eigen krachten was overgelaten.Deze was middelerwijl op het dek van deGlengarrygesprongen. Hij had niets van zijn tegenwoordigheid van geest verloren, zijn gelaat ademde rustige kalmte en zijn geheele houding gaf te kennen dat zedelijke moed hem evenmin ontbrak als physieke, en hem aangeboren scheen.Hij beijverde zich dan ook dadelijk om zijn makker behoorlijk te doen verzorgen. Dat was de eigenaar van de sloep. Een flink glas brandewijn bracht dezen weer spoedig op de been.»Mijnheer Olivier!” zei hij.»Oh! mijn ouwe zeeman,” antwoordde de jongeling. »En die klap van die golf?.... Hoe is het er mee?....”»Dat’s niets! Ik heb wel wat anders beleefd! Ik voel er niets meer van!....”»Den hemel zij dank!... maar mijn onvoorzichtigheid om steeds vooruit te stevenen, zou ons duur te staan hebben kunnen komen!... maar wij zijn gered!”»Met uwe hulp, mijnheer Olivier.”»Neen.... met Gods hulp!”En de jonkman, den ouden zeerob aan zijn borst drukkende, poogde niet zijn aandoeningen te bedwingen, maar uitte ze vrij en zag ze trouwens door al de omstanders gedeeld.Toen, zich tot den kapitein van deGlengarrywendende, die in dat oogenblik juist de trap van de loopbrug afklom:»Kapitein,” zeide hij, »ik zal u nimmer mijn dankbaarheid voor den dienst, dien gij ons bewezen hebt, voldoende kunnen betuigen...”»Ik heb slechts mijn plicht gedaan, mijnheer,” antwoordde de gezagvoerder, »en om de waarheid te huldigen, moet ik verklaren, dat mijn passagiers meer recht op uw dankbetuigingen hebben dan ik.”De jonkman drukte den kapitein hartelijk de hand; toen zijn hoed afnemende, groette hij al de passagiers met een uiterst bevallig gebaar.Daarvan hield hij zich overtuigd, dat zonder de tusschenkomst van deGlengarry, zijn makker en hij, voortgesleurd tot in het middelpunt van de Corryvrekan-kolk, ellendig omgekomen zouden zijn.Miss Campbell had middelerwijl gemeend zich gedurende die beleefdheidswisselingen een weinig te moeten terugtrekken. Zij verlangde niet dat het deel, hetwelk zij aan de ontknooping van die dramatische redding gehad had, ter sprake kwam. Daarom vertoefde zij vóór op de loopbrug, toen haar eensklaps, alsof haargrilligheid weer de bovenhand genomen had, die woorden ontsnapten, terwijl zij zich naar het westen keerde:Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).»En de Groene Straal?.... En de zon?”»Geen zon meer!” zei broeder Sam.»En geen straal!” zei broeder Sib.En waarlijk, het was te laat. De zonneschijf, die achter een gezichteinder van een bewonderenswaardige zuiverheid ondergegaan was, had haren Groenen Straal, onopgemerkt door iedereen, in het luchtruim laten schitteren. Maar in dat oogenblik dwaalden de gedachten van miss Campbell elders, en haar verstrooide blik had deze gelegenheid gemist, die wellicht zich zoo spoedig niet meer zou voordoen!»Het is jammer!” mompelde zij binnensmonds, zonder eenige spijt evenwel bij de herinnering aan hetgeen er plaats had gehad.DeGlengarrymanoeuvreerde intusschen, om uit de zeeëngte van de Corryvrekan-kolk te komen, en hernam haren noordwaartschen koers. Toen wisselde de oude zeeman een hartelijken maar laatsten handdruk met zijn makker, stapte in zijn sloep, heesch zijn zeil en vertrok naar het eiland Jura.Wat den jonkman betreft, wiens »dorlach”, een soort van lederen reisvalies, aan ’t dek gebracht was, hij was een toerist te meer, die door deGlengarrynaar Oban zou overgevoerd worden.De stoomboot, na de eilanden Shuna en Luing, waar de rijke leigroeven, toebehoorende aan den markies vanBreadalbane, aangetroffen worden, rechts te hebben laten liggen, stevende langs het eiland Seil, hetwelk dat gedeelte van de Schotsche kust dekt. Daarna stoomde het vaartuig de Firth van Lorne binnen, voer tusschen het vulkanische eiland Kerrera en de vaste kust door, en wierp eindelijk zijn trossen uit, om aan de staketpalen van de haven van Oban gemeerd te worden.VII.Aristobulus Beerenkooi.Zelfs wanneer Oban op zijn strand een zoo groote menigte badgasten zou aangetrokken hebben als de badplaatsen te Brighton, Margate of Ramsgate, dan nog zou een zoo belangwekkend persoon, als Aristobulus Beerenkooi was, eenig opzien veroorzaakt hebben.Zonder nu op één lijn met die mededingsters geplaatst te kunnen worden, is toch Oban een badplaats, die door de leegloopers van het Vereenigd Koninkrijk zeer gezocht is. Hare ligging aan de zeeëngte van Mull, gedekt tegen de westenwinden, wier rechtstreeksche invloed door het eiland Kerrera getemperd wordt, trekt zeer veel vreemdelingen aan. Een gedeelte daarvan komt om herstel van krachten in hare heilzame wateren zoeken, de anderen komen daar als in een lustoord, een centraalpunt, vanwaar de wegen naar Glasgow, Inverness en de meest merkwaardige eilanden der Hebriden uitgaan. Er moet nog bijgevoegd worden, dat Oban geen soort hospitaal is, zooals zoovele andere badplaatsen zijn. Het meerendeel van hen, die er het warme jaargetij komen doorbrengen, is zeer welvarend, en men loopt er geen gevaar, zooals in sommige andere »Kurorten”, zijn whistje met twee zieken en een »doode” te moeten maken.Oban telt ter nauwernood een honderd vijftig jarig bestaan. Zij vertoont dus in haar bouworde, in de afwerking en inrichting harer woningen, in de gedaante harer openbare pleinen en in de rechtlijnige richting harer straten, den stempel van den modernen tijd. Toch wijst de bouworde van de kerk, waarboven een fraaie klokkentoren zich verheft, op het Normandische tijdvak, terwijl het oude kasteel van Dunolly, welks muren geheel met klimop bedekt zijn, zich op een alleenstaande rots, ten noorden van de plaats gelegen, verheft en het heerlijke panorama van witte huizen en veelkleurige villa’s, die op de hellingen van den achtergrond verrijzen, de stille wateren van de baai, waarop bevallige pleizierjachten voor hunne ankers liggen te wiegelen, een schilderachtig geheel opleveren, dat het oog boeit en verrukt.Ook dit jaar ontbraken in de maand Augustus noch de vreemdelingen, noch de toeristen, noch de badlustigen in de kleine stad Oban. In het vreemdelingenboek van een der beste hotels van de plaats prijkte reeds sedert verscheidene weken tusschen veelvuldige namen die van Aristobulus Beerenkooi van Dumfries (Neder-Schotland).Het was een personage, die acht-en-twintig jaar telde en nimmer jong was geweest, maar waarschijnlijk ook nooit oud zou worden. Hij was klaarblijkelijk in den leeftijd geboren, dien hij zijn geheel leven lang zou schijnen te bezitten. Hij was noch van fraaie noch van leelijke gestalte, had een onbeduidend gelaat, waarboven al te blonde haren voor een man sluik neerhingen. Achter zijn brilglazen ontwaarde men een paar kippige oogen zonder glans, waartusschen een korte dikke neus neerdaalde, die niet de neus van dat aangezicht scheen te zijn. Van de honderd dertig duizend haren, die ieder fatsoenlijk menschenhoofd moet dragen, bleven hem nog slechts zestig duizend slechte over. Een ringbaard omlijstte zijn wangenen zijn kin, waardoor hij wel eenige gelijkenis op een aap vertoonde. Zoo hij werkelijk een aap geweest ware, zou hij een mooie sim geweest zijn, misschien wel van de soort, die als schakel in de keten der Darwinisten ontbreekt, waarmede zij pogen den mensch van het dier te laten afstammen.Aristobulus Beerenkooi was rijk aan geld, maar nog rijker aan denkbeelden. Voor een jong geleerde, die slechts anderen met zijn algemeene kennis, en zijn akademische graden van Oxford, Edinburg en Londen kan vervelen, was hij veel te geleerd. Hij was meer doorkneed in de natuurwetenschappen, in de scheikunde, in de sterrenkunde, in de wiskunde, dan wel in de letterkunde. Hij was zeer met zich zelven ingenomen en het scheelde maar bitter weinig om een dwaas te mogen heeten. Zijn voornaamste gewoonte, die tot een ware monomanie aangegroeid was, bestond daarin, dat hij gevraagd of ongevraagd, te pas of te onpas, verklaring wilde leveren van alles, wat de natuurwetenschappen raakte. Hij was in één woord een pedant wezen, wiens omgang van onaangenamen aard was. Men lachte niet over hem, omdat hij volstrekt niet lachverwekkend was, maar wellicht lachte men hem uit, omdat hij zich bespottelijk aanstelde. Niemand mocht minder aanspraak maken dan dat jongmensch op de toepassing der spreuk van de Engelsche vrijmetselaren!Audi, vide, tace, hetgeen zeggen wil:hoor, zie, zwijg. Hij hoorde niet, hij zag niet, en zweeg nooit. Men kon gevoegelijk in dit land van Walter Scott een gelegenheids-vergelijking gebruiken, en beweren dat Aristobulus Beerenkooi, met zijn daadwerkelijken nijverheidszin, oneindig meer den schout Nicol Jarvie in herinnering bracht, dan zijn dichterlijken neef Rob Roy Mac Gregor.En welke dochter der Schotsche Hooglanden, zonder van miss Campbell een uitzondering te maken, zou niet de voorkeur aan Rob Roy dan aan Nicol Jarvie gegeven hebben?Zoo zag Aristobulus Beerenkooi er uit, en zoo was hij bewerktuigd. Hoe nu de gebroedersMelvillop dat pedante wezen verzot hadden kunnen worden, en wel zoodanig, dat zij er aan dachten hunnen neef er van te maken, is onmogelijk te verklaren. Hoe was het hem toch gelukt, die waardige zestigjarige grijsaards te behagen? Misschien wel alleen door de eerste te zijn, die omtrent hunne nicht huwelijksneigingen had laten blijken. In een soort van kinderlijke verrukking had broeder Sam ongetwijfeld tegen broeder Sib gezegd:»Ziedaar een jonkman, die rijk is en een onafhankelijk fortuin bezit, welke van erfenissen van bloedverwanten en nabestaanden afkomstig is, die tot een aanzienlijke familie behoort en daarenboven een buitengewoon geleerde is! Dat zal een uitmuntende partij voor onze lieve Helena zijn! Dat huwelijk zal van een leien dak loopen.”Gedurende de uren, die hem bij zijn verblijf op Helenaburg als vrijaf zouden gegund worden, zou de jeugdige geleerde in staat zijn, desnuifdoos aan broeder Sib over te reiken, na haar met een droog tikje dicht gemaakt te hebben, wat dan een punt moest beteekenen, achter zijn ontboezeming geplaatst, en zeggen wilde:In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)»Ziedaar een beklonken zaak!”De gebroeders Melvill meenden dan ook al heel slim te werk gegaan te zijn, door miss Campbell, dank zij hare zonderlinge gril ten opzichte van den Groenen Straal, naar Oban geleid te hebben. Daar zoude haar samenzijn met Aristobulus Beerenkooi, dat door zijn afwezigheid kortstondig verbroken was, hervat kunnen worden, zonder den schijn te hebben dat zulks voorbereid was.Voor de schoonste vertrekken in Caledonian Hotel hadden de gebroeders Melvill en miss Campbell het buitenverblijf te Helenaburg verwisseld. Mocht hun verblijf te Oban van eenigen duur worden, dan zou het wellicht voegzaam zijn, de een of andere villa, gelegen op de hoogten die de stad beheerschten, te huren. Maar middelerwijl dat daartoe beslist zoude worden, was men met behulp van juffrouw Bess en van Partridge zoo gemakkelijk mogelijk ingericht bij baas Mac Fyne. Later zou men verder zien.Daags na hunne aankomst te Oban verlieten de gebroeders Melvill des morgens ten negen uur het Caledonian Hotel, dat op den zeeoever bijna tegenover het staketsel gelegen is. Miss Campbell sliep nog in hare kamer op de eerste verdieping, en bevroedde niet dat hare ooms op het pad waren om Aristobulus Beerenkooi op te zoeken.Die tweeonafscheidelijkebroertjes gingen het strand langs, en daar zij wisten, dat hun »pretendent” in een der hotels logeerde, die ten noorden van de baai gebouwd zijn, richtten zij dan ook derwaarts hunne schreden.Men zal wel moeten aannemen, dat een voorgevoel hen geleidde; want waarlijk, tien minuten na hun hotel verlaten te hebben, ontmoetten zij Aristobulus Beerenkooi, die zijn dagelijksche wetenschappelijke wandeling maakte, en een banalen, werktuigelijken handdruk met hen wisselde, terwijl hij de bewegingen van den stijgenden vloed gadesloeg.»Mijnheer Beerenkooi!” zeiden de gebroeders Melvill met plichtpleging.»Mijne heeren Melvill!” antwoordde Aristobulus met een gemaaktheid van stem, die verwondering moest aanduiden. »Gij.... heeren Melvill.... hier.... te Oban?”»Sedert gisteren avond!” zei broeder Sam.»En het verheugt ons, u in goede gezondheid aan te treffen, mijnheer Beerenkooi,” zeide broeder Sib.»Waarlijk, ik dank u, heeren.—Maar hebt gij reeds kennis genomen van het telegram, dat zooeven aangekomen is?”»Een telegram?” vroeg broeder Sam. »Zou het ministerie Gladstone reeds?....”»Het geldt volstrekt niet het ministerie Gladstone,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi met tamelijk wel uitgesproken kleinachting, »maar wel een weerkundig telegram.”»Waarlijk!” riepen de beide ooms te gelijkertijd uit.»Ja zeker! er is geseind, dat het depressie centrum van Swinemunde noordwaarts voortgeschreden en aanmerkelijk in diepte toegenomen is. Dat centrum bevindt zich thans in de nabijheid van Stokholm, waar de barometer ruim een duim,—wat ongeveer vijf en twintig millimeter vertegenwoordigt, om de taal der geleerden te spreken—gedaald is en alzoo op acht en twintig en zes tiende duim staat, hetwelk overeenkomt met een stand van zevenhonderd zes en twintig millimeter. Heeft ook al de luchtdruk in Engeland en in Schotland weinig verandering ondergaan, zoo is zij toch een tiende te Valencia en twee tiende te Stornoway verminderd.”»Maar wat moet uit die depressie?....” vroeg broeder Sam.»Besloten worden?....” vulde broeder Sib aan.»Dat het mooi weer niet standvastig is,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en dat de lucht weldra betrekken zal onder den invloed van den zuidwestenwind, die de dampen van den Noord-Atlantischen Oceaan met zich voeren zal.”De gebroeders Melvill bedankten den jongen geleerde voor de mededeeling van die belangwekkende voorspellingen, en leidden er de gevolgtrekking uit af, dat de Groene Straal wel eens op zich kon laten wachten, wat hun niet onaangenaam was, daar dat hun verblijf te Oban zou rekken.»En het doel van uwe komst, mijne heeren, is?”.... vroeg Aristobulus Beerenkooi, die zijn volzin zelf afbrak om een keisteen op te rapen, dien hij met de grootste aandacht bekeek.De beide ooms wachtten zich wel die belangrijke studie te storen.Maar toen die keisteen de verzameling van een menigte andere in den zak van den jongen geleerde was gaan vermeerderen, antwoordde broeder Sib.»Het doel van onze komst is zeer natuurlijk om hier eenige dagen door te brengen.”»En wij moeten er bij voegen, dat miss Campbell ons vergezeld heeft....” zei broeder Sam.»Ah!.... miss Campbell!” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik geloof dat die keisteen uit het gaëlische tijdperk afkomstig is. Er zijn sporen te zien van.... Maar waarlijk, het zal mij verheugen miss Campbell weer te zien!.... sporen van meteorisch ijzer.—De luchtgesteldheid hier, die buitengewoon zacht is, zal haar uitermate goed doen.”»Zij geniet een goede gezondheid en is hier niet om herstel van eenige ziekte te zoeken.”»Om het even,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. De atmosfeer is hier overheerlijk. Nul, komma, een en twintig zuurstof, en nul, komma, negen en zeventig stikstof met een weinig waterdamp gemengd, zeer voordeelig voor de gezondheid. Wat het koolzuur betreft, er zijn slechts sporen aanwezig in de lucht, die ik iederen morgen ontleed.”De gebroeders Melvill meenden in die verhandeling, een lieve bezorgdheid ten opzichte van miss Campbell te bemerken.»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »indien gij niet voor gezondheidsredenen hier gekomen zijt, mag ik dan weten, mijne heeren, waarom gij uw buitenverblijf te Helenaburg verlaten hebt?”»Wij hebben geen enkele reden om, in de verhouding, waarin wij tot elkander staan, dat voor u te verbergen....” antwoordde broeder Sib.»Kan ik dus in die verhuizing een overigens natuurlijk verlangen ontwaren,” viel de jonge geleerde den spreker in de rede, »om tot een samenkomst met miss Campbell mede te werken, die de gelegenheid kan openen elkander beter te leeren kennen en dat tot wederzijdsche achting zal moeten leiden?”»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam. »Wij hebben gedacht, dat zoo het doel sneller bereikt zou worden.”»Ik keur uwe handeling goed, mijne heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Hier op dit onzijdig terrein zullen miss Campbell en ik bij gelegenheid kunnen spreken over de oorzaken van het op en neergaan der zee, van de windrichtingen, van de hoogte der golven, van het verspringen der getijen en over meer andere natuurverschijnselen, waarin zij ten zeerste belang moet stellen!”Nadat de gebroeders Melvill een glimlach van voldoening gewisseld hadden, bogen zij bij wijze van toestemming. Zij verklaarden verder, dat zij zich gelukkig zouden achten, wanneer zij, na hun terugkeer op het buitenverblijf Helenaburg, den jongen geleerde onder een meer dierbaren titel dan dien van gast zouden kunnen ontvangen. Aristobulus Beerenkooi antwoordde, dat hij zich alsdan des te gelukkiger zoude gevoelen, daar het gouvernement belangrijke baggerwerken, juist tusschen Helenaburg en Greenock wilde doen uitvoeren, welke werken onder geheel nieuwe omstandigheden door middel van elektrische werktuigen zouden worden tot stand gebracht. Dus, wanneer hij eenmaal zijn verblijf op Helenaburg gevestigd had, zou hij de toepassing van die werktuigen waarnemen en den uitslag daarvan berekenen kunnen.De gebroeders Melvill erkenden gaarne, dat die samenloop van omstandigheden hunnen plannen ten goede zou komen en hetgeheel en al in hun kader paste.Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)En daarop hadden zij een snuifje genomen om de gemeenschappelijkeverschillende tijdperken van dien uiterst belangwekkenden arbeid gade te slaan.»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »gij hebt ongetwijfeld het een of ander voorwendsel bedacht, om mij hier te Oban te komen ontmoeten.”»Inderdaad,” antwoordde broeder Sib, »en dat voorwendsel heeft miss Campbell zelf ons aan de hand gedaan.”»Zoo,” zei de jonge geleerde, »en dat is....?»Het geldt de waarneming van een natuurverschijnsel, dat zich slechts onder bepaalde gelegenheden voordoet, en dat te Helenaburg onmogelijk kan voorkomen.”»Waarlijk! heeren,” hernam Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij met duim en vinger zijn bril recht op zijn neus zette. »Daarin ligt het bewijs, dat er tusschen miss Campbell en mij wel eenige innige met elkaar overeenkomende verwantschap bestaat!—Mag ik ook weten welk natuurverschijnsel het is, dat op het buitenverblijf niet kan waargenomen worden?”»Dat natuurverschijnsel? Wel, is eenvoudig de Groene Straal,” antwoordde broeder Sam.»De Groene Straal?” vroeg Aristobulus Beerenkooi niet zonder verwondering. »Daarvan heb ik nimmer hooren spreken. Is het mij vergund te vragen, wat die Groene Straal beduidt?”De beide broeders Melvill legden hem zoo goed zij konden uit, waarin het natuurverschijnsel bestond, dat door deMorning Postonlangs onder de aandacht van het publiek was gebracht.»Pouah!” riep Aristobulus Beerenkooi, »dat is slechts een aardigheid zonder eenig belang, die tot het kinderachtige domein van de vermakelijke natuurkunde behoort.”»Miss Campbell is slechts een jong meisje,” antwoordde broeder Sib, »en zij schijnt een buitengewoon groot belang in dit natuurverschijnsel te stellen.”»Want zij wil niet trouwen, heeft zij verzekerd, voor dat zij het gezien heeft,” vulde broeder Sam aan.»Welnu, heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »wij zullen hem haar toonen, dien Groenen Straal!”Na die verzekering wandelden de drie mannen door de weilanden, die zich langs het strand uitstrekten en waardoor een pad zich slingerde, naar Caledonian-Hotel terug.Aristobulus Beerenkooi liet de gelegenheid niet ontsnappen om de gebroeders Melvill te doen opmerken, hoezeer de geest der vrouwen behagen schept in nietigheden, waaruit hij in groote trekken voortredeneerende, tot de gevolgtrekking kwam van hetgeen verricht zou moeten worden om hunne niet goed opgevatte opvoeding te verbeteren. Hij verwierp de stelling, dat de hersenen dervrouw minder met hersenzelfstandigheid zouden bedeeld zijn dan die van den man, en dat door het groote verschil in de bewerktuiging der kwabben, de vrouw nimmer zoude kunnen geraken tot opvatting van grootsche denkbeelden. Neen, zoover ging hij niet; hij meende integendeel dat door een voortgezet onderwijs verandering in dien toestand te weeg zou te brengen zijn; hoewel hij van een anderen kant niet loochenen kon, dat sedert de vrouw in de Schepping verschenen was, nimmer een harer zich onderscheiden had door eenige dier uitvindingen, die bij voorbeeld Aristoteles, Euclides, Harvey, Hahnenman, Pascal, Newton, Laplace, Arago, Humphrey-Davy, Edison, Pasteur enz., beroemd gemaakt hebben. Eindelijk verdiepte hij zich in de uitlegging van verscheidene natuurtafereelen en redekaveldede omni re scibili, zonder meer omtrent miss Campbell te gewagen.De gebroeders Melvill hoorden eerlijk toe en deden dat zooveel te eerder, daar het voor hen onmogelijk was een woord tusschen beiden te brengen in die alleenspraak, waarbij Aristobulus Beerenkooi zonder rustpunt voortdraafde en die hij doorspekte met gebiedend en schoolmeesterachtig gehemm!Zoo naderden zij het Caledonian-Hotel tot op ongeveer een honderd pas, en bleven toen een poos staan, om afscheid van elkaar te nemen.Middelerwijl bevond zich een zeker iemand aan het venster harer kamer. Zij scheen geheel in de war, ja geheel van haar stuk gebracht. Zij keek nu eens vóór haar dan weer rechts of links en scheen met het dwalend oog een horizon te zoeken, die zij niet kon ontdekken.Eensklaps bemerkte miss Campbell—want zij was die zeker iemand—hare ooms. Dadelijk werd het venster met levendig gebaar gesloten en verscheen het jonge meisje eenige oogenblikken later op het strand, de armen half gekruist over de borst, met ernstig gelaat en het voorhoofd bezwangerd van verwijtingen. De gebroeders Melvill keken elkander aan. Tegen wien had Helena iets? Was het de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi, die deze verschijnselen van abnormale opwinding veroorzaakte?De jeugdige geleerde naderde intusschen en groette miss Campbell met een buiging zoo stijf als die van een knipmes.»Aristobulus Beerenkooi....”zeide broeder Sam, die den jonkman vormelijk en met plichtpleging voorstelde.»Die door een wonder van toevalligheid.... zich juist te Oban bevindt....” voegde broeder Sib er bij.»Ah?.... mijnheer Beerenkooi?”.... mompelde het jonge meisje, terwijl zij zijn groet ter nauwernood beantwoordde.Toen zich tot de gebroeders Melvill wendend, die daar uit het veld geslagen stonden en niet wisten wat te zeggen of welke houding aan te nemen:»Mijn ooms!” sprak zij met gestrengheid.»Lieve Helena!” antwoordden de beide ooms met den zelfden toon van waarneembare ongerustheid in stem en gebaren.»Zijn wij wel te Oban?”vroeg zij.»Te Oban?.... Wel zeker.”»Te Oban.... aan de zee der Hebriden gelegen?”»Voorzeker.”»Welnu, over een uur zullen wij er niet meer zijn!”»Over een uur?....”»Ik had om een zee-horizon verzocht?”»Ongetwijfeld, lieve meid....”»Wilt gij dan zoo vriendelijk wezen, mij dien te wijzen?”Ontzet draaiden en keerden de gebroeders Melvill zich om en keken rond.Vóór hen, noch in het zuidwesten, noch in het noordwesten was eenige doorgang tusschen de eilanden, die in volle zee lagen, te bespeuren, geen plekje waar hemel en water in elkander liepen.De eilanden Seil, Kerrera, Kismore vormden een onafgebroken slagboom, die de kim onzichtbaar maakte. De erkenning moest volgen, dat de beloofde en verzochte horizon aan het landschap van Oban ontbrak.De twee broeders hadden dat niet eens bemerkt bij hunne wandeling langs het strand. Toen zij hunne misvatting inzagen, lieten zij dan ook die twee Schotsche uitroepingen hooren, die een waarlijke teleurstelling, gemengd met ietwat kwade luim, levendig aanduidden:»Pooh!” zei een.»Pswha!” antwoordde de andere.
IV.De Clyde stroomafwaarts.Daags daarna, den 2denAugustus al heel vroeg, stapte miss Campbell, vergezeld door hare ooms, de gebroeders Melvill en gevolgd door Partridge en juffrouw Bess, op het station van de spoorwegbaan van Helenaburg in den trein. Men zou zich te Glasgow inschepen op de stoomboot, die den dagelijkschen dienst tusschen die stad en Oban verricht, en geen andere plaats aan de kust gelegen aandoet.Tegen zeven uur bracht de trein onze vijf reizigers in het aankomst-station te Glasgow aan, van waar een rijtuig hen naarBroomielawBridge vervoerde.Daar wachtte de stoombootColumbiareeds de passagiers. Een dikke rook ontsnapte uit haar beide schoorsteenen en vermengde zich met den dikken nevel, die nog over de Clyde hing. Maar die morgendampen begonnen zich op te lossen, en de loodkleurachtigeschijf der zon vertoonde reeds eenige gulden schakeeringen. Dat was de voorbode van een schoonen dag.De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).Miss Campbell en haar reisgenooten scheepten zich dadelijk in, nadat hun bagage behoorlijk verzorgd en aan boord gebracht was.De bel liet in dit oogenblik haar derde en laatste geklingel weergalmen om de te-laat-komers tot spoed aan te zetten. Daarop zette de machinist de machine aan; de schoepen der raderen sloegen een paar slagen vooruit, een paar achteruit, en wierpen groote golven geelachtig water omhoog, waarna een scherp fluitje weerklonk. De trossen werden toen losgegooid en deColumbiaschoot weldra in den stoomdraad vooruit.De reizigers, die in het Vereenigd Koninkrijk reden tot klachten meenen te hebben, handelen veelal onbillijk. Want het zijn prachtige vaartuigen, die hen vanwege de stoomboot-maatschappijen ter beschikking worden gesteld. Er is niet zoo’n smalle waterstroom, geen zoo’n klein meer, geen zoo’n zeeboezemtje, welks oppervlakten niet dagelijks doorploegd worden door bevallige stoomvaartuigen. Het is dan ook hoegenaamd niet bevreemdend, dat de Clyde in dat opzicht onder de meest begunstigde behoort. Langs de Broomielaw Street, alwaar de aanlegplaats of beter de stoomboot-kade gevonden wordt, wemelt het letterlijk van stoomvaartuigen, die met hunne met de levendigste kleuren beschilderde raderkasten, waarin het verguldsel strijd voert met het Cinaber-geel, steeds stoom op hebben en gereed zijn om in alle richtingen te vertrekken.DeColumbiamaakte op den algemeenen regel geen uitzondering. Zij was zeer lang, zeer scherp van boeg en vertoonde een zuivere waterlijn. Zij had een krachtvolle machine, die raderen van een machtigen omvang in beweging bracht, en was een vaartuig van groote snelheid. Inwendig heerschte de meest mogelijke comfort in de salons en eetkamers. Op het dek was een halfdek aangebracht dat behoorlijk tegen de zonnestralen beschut was door een tent, sierlijk gefestonneerd, waaronder zich banken en stoelen met zachte kussens bevonden. Dat was een bekoorlijk plekje, waar de reizigers een uitmuntend uitzicht genoten en geen last hadden van rook of andere onaangename geuren.Aan reizigers was geen gebrek. Zij kwamen zoowat van alle kanten opdagen, zoowel van Schotland als van Engeland. De maand Augustus is de meest gunstige voor de uitstapjes. Vooral die op de Clyde en naar de Hebriden vallen buitengewoon in den smaak. Er bevonden zich daar op dat dek een paar van die huisgezinnen op groot compleet, wier echtvereeniging buitengewoon edelmoedig door den hemel gezegend was; zeer vroolijke jonge meisjes en meer bedaarde jonge mannen, ook kinderen, die evenwel reeds eenigermate met de verrassingen van het omzwervend leven vertrouwd geraakt waren; verder predikanten, die steeds zoo talrijk aan boord der stoombooten aanwezig zijn, met den hoogen zijden hoed ophet hoofd, den zwarten jas met staanden kraag aan, de witte das, boven het vest prijkende, om den hals; verder eenige pachters met de Schotsche muts getooid en door hun zwaren stap aan de oude »Bonnet-lords” herinnerende van een zestig jaar geleden; dan nog een half dozijn vreemdelingen, waaronder Duitschers, die zelfs buiten Duitschland hunne zwaarwichtigheid niet verliezen, en twee of drie Franschen, wier geestige beminnelijkheid hen zelfs niet buiten Frankrijk verlaat.Wanneer miss Campbell als de meeste harer landgenootengehandeldhad en zich, zoodra zij aan boord kwam, in het een of ander hoekje had neergezet, om dit gedurende de geheele reis niet meer te verlaten, en zelfs het hoofd niet te durven omkeeren, dan zou zij van de oevers der Clyde slechts dat gezien hebben, wat zich recht voor hare oogen voorbij bewoog. Maar zij had pret er in om heen en weer te trippelen, nu eens op het voorschip, dan weer op het achterschip. Zij beschouwde de steden, de burchten, de dorpen en gehuchten, waarmede die oevers als bezaaid zijn. Hieruit volgde de noodzakelijkheid, dat broeder Sam en broeder Sib, die haar overal vergezelden, haar vragen beantwoorden, haar opmerkingen en waarnemingen goedkeurden of bevestigden, tusschen Glasgow en Oban geen oogenblik rust hadden. Zij dachten er evenwel niet aan zich daarover te beklagen, dat was aan hun baantje van eerewacht van het jonge meisje verbonden, en zij volgden haar als uit instinct, terwijl zij elkander een snuifje aanboden, dat meewerkte om hen in goede luim te houden.Juffrouw Bess en Partridge hadden op het voorste gedeelte van het halfdek plaats genomen en keuvelden vriendschappelijk over den ouden tijd, over de in onbruik geraakte zeden en gewoonten, over de clans, die in ontbinding geraakten. Waar waren die zoo te betreuren tijden van weleer? Toen verdween de zuivere gezichteinder van de Clyde nog niet achter de uitgebraakte rookwolken van de fabrieken; haar oevers weerklonken niet van de doffe slagen, te weeg gebracht door de stoomhamers; haar kalme wateren werden niet opgezweept door die machtige inspanning van de duizenden stoom-paarden-krachten!»O! die tijd zal terugkomen!” zei juffrouw Bess met innige overtuiging in hare stem. »En misschien vroeger dan wij denken.”»Het is te hopen,”antwoordde Partridge ernstig en deftig,»en met hem zullen wij de oude zeden en gewoonte onzer voorouders zien terugkeeren!”De oevers der Clyde ontrolden zich middelerwijl voor hen, die zich aan boord derColumbiabevonden, met snelheid van voren naar achteren, evenals de tafereelen van een beweeglijk panorama. Ter rechterzijde vertoonden zich het dorpje Patrick, aan de uitwateringvan de Kelvin, met zijn uitgestrekte dokken, waarin de ijzeren zeeschepen vervaardigd worden, die zich vlak tegenover de dokken van Goivan, op den anderen oever der Clyde gelegen, bevonden. Wat een gehamer en een getiktak op ijzeren platen, welke machtige rook- en stoomwolken daar, die het gehoor en het gezicht van Partridge en van zijn gezellin zoo onaangenaam aandeden!Maar al dat nijverheids-spektakel, al die kolendamp zou langzamerhand ophouden en voor het oog verdwijnen. In plaats van scheepstimmerwerven, van overdekte dokken, van hooge fabrieksschoorsteenen, van die reusachtige ijzeren stellingen, die zoozeer op vergroote kooien van een zoölogischen tuin van mastodonten en andere voorwereldlijke dieren gelijken, begonnen behaaglijke woningen te verschijnen, buitenverblijven, onder het groene loof van hoog geboomte verscholen villa’s van de anglo-saksische bouworde, die zich als verspreid op de omliggende heuvelen verhieven. Het was toen als een onafgebroken opvolging van fraaie villa’s en kasteelen, die zich als gezaaid op een groenen band van de eene tot de andere stad ontrolden.Na den ouden koninklijken burcht van Renfrew, op den linkeroever van de rivier gelegen, voorbij gestoomd te zijn, kwamen de dicht begroeide heuvels van Kilpatrick ter rechterzijde boven het dorp van dien naam te voorschijn. Langs die plek kan geen Ierlander voorbijgaan, zonder zich het hoofd te ontblooten, want daar is Sint-Patrick, de beschermheilige van Ierland, geboren.De Clyde begon van rivier of stroom, die zij tot nu toe slechts geweest was, nu een ware zeearm te worden. Juffrouw Bess en Partridge groetten eerbiedig de bouwvallen van Douglas-Castle, die eenige oude herinneringen uit de geschiedenis van Schotland in hun brein te voorschijn riepen; maar hunne oogen wendden zich af van de zuil die opgericht werd ter eere van Harry Bell, den uitvinder en de vervaardiger van het eerste schip, dat zich met behulp van werktuigen bewoog en welks raderen door hun geklepper deze stille wateren beroerden.Eenige mijlen verder aanschouwden de reizigers, met hun Murray in de hand, het kasteel van Dumbarton, dat zich op een basaltrots van meer dan vijfhonderd voet hoogte verheft.Een der beide kegelvormige toppen, door die rots gedragen, en wel de hoogste, wordt nog de »Troon van Wallace”, naar een der helden van denonafhankelijkheidsoorlog, genoemd.Juist op dit oogenblik begon een heer, die boven op de loopbrug stond,—zonder dat hij daartoe uitgenoodigd was, maar ook zonder dat iemand zulks onaangenaam vond—een kleine geschiedkundige verhandeling, ter voorlichting van zijn reisgezellenDe Columbia stoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).DeColumbiastoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).Een half uur later kon niemand van hen, die zich aan boord van deColumbiabevonden, tenzij dat hij met doofheid geslagenwas, onbekendheid voorwenden met de omstandigheid, dat de Romeinen Dumbarton zeer waarschijnlijk versterkt hadden; dat die historische rotsklomp in het begin der dertiende eeuw in een koninklijke vesting herschapen werd; dat hij, bevoordeeld door het Unie-traktaat, tot de vier sterke plaatsen van het koninkrijk Schotland behoort, die niet ontmanteld mogen worden; dat Maria Stuart van uit die haven in 1548 naar Frankrijk vertrok, om daar door haar huwelijk met Frans den Tweeden, koningin voor één dag te zijn, dat daar eindelijk Napoleon in 1845 had moeten opgesloten worden, voor dat het ministerie Castlereagh tot een besluit kwam, den grooten man naar Sint Helena te verbannen.»Zoo’n verhandeling is zeer leerrijk.”»Leerrijk en belangwekkend,” antwoordde broeder Sib. »Die gentleman verdient ten volle onze loftuigingen!”En inderdaad, de beide ooms hadden geen enkel woord van de geheele verhandeling willen missen. Zij achtten zich dan ook verplicht, dien geïmproviseerden professor in de geschiedenis een blijk hunner innige tevredenheid te geven. Miss Campbell, in haar gedachten verzonken, had niets gehoord van die geschiedenis-les in de vlucht. Zoo iets kon haar, althans in deze oogenblikken, niet boeien. Zij gunde zelfs geen blik aan de bouwvallen van het kasteel van Cadross, dat op den rechteroever van den stroom gelegen was, en waar Robert Bruce stierf. Een zee-gezichteinder, dat was het wat hare oogen tot nu toe te vergeefs zochten. Zij zou dien evenwel niet zien, voor dat deColumbiauit die voortdurende opvolging van oevers, van voorgebergten, van kuststreken, die de baai van de Clyde omzoomen, te voorschijn zou getreden zijn. Daarenboven, deColumbiastoomde thans het dorpje Helenaburg voorbij. Port-Glasgow, de bouwvallen van het kasteel van Newark, het schiereilandRosenheat, dat alles was haar bekend, dat zag het jonge meisje iederen dag uit de ramen van haar buitenverblijf. Zij vroeg zich dan ook af, of de stoomboot niet op de grillig aangelegde waterpartijen van haar park voer.En waarom zouden haar oog en haar gedachten, toen het vaartuig verder gekomen was, verdwalen te midden van honderden schepen, die zich in de havenkommen van Greenock bij de uitwatering van den stroom als verdrongen? Wat kon het haar schelen, dat de onsterfelijke Watt geboren was in die stad van veertig duizend zielen, die als de nijverheids- en handels-voorkamer van Glasgow te beschouwen is? Waarom toch zou zij drie mijl verder, haar blikken laten rusten op het dorp Gouroch ter linkerzijde, of op het dorp Dunoon ter rechter zijde, op de getande en bochtige fiords, die zoo diepe inhammen in de kuststreken van het graafschap van Argyle vormen en die aan de kust van Noorwegen gelijk stellen?Neen! miss Campbell zocht met ongeduldig oog de bouwvallen van den toren van Leven. Hoopte zij er een geestverschijning te ontwaren? Geenszins, maar zij wilde de eerste zijn, die den vuurtoren in het oog kreeg van Clock, die den uitgang van de Firth of Clyde verlicht.De vuurtoren verscheen eindelijk als een reuzenlamp, toen het stoomschip een hoek, dien de kuststreek vormde, rondde.»Clock, oom Sam,” zeide zij. »Clock, Clock!”»Ja, Clock,” antwoordde broeder Sam met de nauwkeurigheid van een Hooglandsche echo.»De zee, oom Sib!”»Ja, inderdaad de zee,” antwoordde broeder Sib.»O! wat is dat mooi!” riepen de beide ooms te gelijk.Het was alsof zij de zee voor den eersten keer van hun leven aanschouwden.Neen, er was geen vergissing mogelijk. Toen de baai zich voor het oog opende, vertoonde zich daar goed en wel een uitgestrekte zee-horizon.Maar de zon had nog niet eens de helft van haar loopbaan afgelegd. Onder den zes en vijftigsten breedtegraad moesten nog minstens zeven uur verloopen, alvorens zij in de zilte golven zou onderduiken,—dus nog zeven uur van ongeduldig wachten voor miss Campbell. Daarenboven, die gezichteinder strekte zich in het zuidwesten uit, dat wil zeggen over dat segment van den cirkelboog, waarin de zonneschijf zich bij haar ondergaan niet laat zien dan bij den winterzonnestilstand. Daar moest dus de verschijning van den Groenen Straal niet gezocht worden; neen men zou den blik meer westelijk, zelfs ietswat naar het noorden moeten richten, daar de eerste Augustusdagen de dag- en nachtevening van September zes weken voorafgaan.Maar dat kwam er minder op aan. Het was de zee, die zich thans voor het oog van miss Campbell uitstrekte. Tusschen de Cambray-eilanden, daar voorbij het groote eiland van Bute, welks scherpe omtrekken door een lichten nevel afgerond werden, dan voorbij de kleine toppen en ruggen van Aisla-Craig en der Arran-bergen, vormden de hemel en de zee te zamen een lijn zoo zuiver, alsof zij langs de liniaal met een fijn aangepunt potlood getrokken was.Miss Campbell nam dien gezichteinder waar, terwijl zij er hare geheele gedachten aan wijdde, en sprak daarbij geen woord. Zij stond rechtop en onbeweeglijk op de loopbrug, en de zon vormde aan haar voeten een zeer verkorte schaduw van haar persoon. Met het oog scheen zij de lengte van den boog te meten, dien de dagvorstin nog scheidde van het punt waar zij in de wateren van den hybridischen archipel zou ondergaan.... Wanneer slechts in dat oogenblik dehemel, zoo helder thans, niet door de dampen van den schemeravond verduisterd zoude worden!Een stem ontvoerde de jeugdige dweepster aan hare droomerijen.»Het is tijd,” zei broeder Sib.»Tijd! welke tijd, waarde oompjes?”»Tijd om te ontbijten,” zei broeder Sam.»Kom, laten wij dan ontbijten!” antwoordde miss Campbell.V.Van de eene boot op de andere.Na het half-koude, half-warme maal, waaruit het ontbijt bestond—dat, tusschen twee haakjes gezegd, overheerlijk was—en in het eetsalon van deColumbiavoorgediend werd, stegen miss Campbell en de gebroeders Melvill andermaal op het dek.Helena kon een kreet van teleurstelling niet weerhouden, toen zij haar plaats op het halfdek weer ingenomen had.»Waar is mijn zee-horizon?” vroeg zij.Hare ooms moesten bekennen, dat die horizon er niet meer was. Sedert eenige minuten was hij verdwenen. De stoomboot, die noordelijk voorlag, stevende op dat oogenblik door de Straat van Kyles of van Bute.»Dat is niet mooi, oom Sam!” sprak Miss Campbell met een lichten toon van verwijt in de stem en met een zweem van pruilen op de schoone lippen.»Maar, mijn lief kind....”»Dat zal ik niet licht vergeten, oom Sib!”De twee broeders wisten geen antwoord te geven, en toch kon men hun de schuld niet geven, dat deColumbia, na haren koers gewijzigd te hebben, verdernoordwaartsstevende.Er bestaan inderdaad twee wegen, of beter twee vaarwaters, die nog al sterk uiteenloopen, om over zee van Glasgow naar Oban te geraken.»Een sloep!” riep hij uit. (bladz. 43.)»Een sloep!” riep hij uit.(bladz. 43.)De een—die door deColumbianiet ingeslagen was—is de langste. Die voert langs Bothesay, de hoofdplaats van het eiland Bute, welke natuurlijk aangedaan wordt. Dat stadje wordt beheerscht door een oud kasteel, dat uit de elfde eeuw dagteekent, en is in het westen omgeven door hooge glens, die haar haven tegen destormwinden uit volle zee dekken. Van Rothesay kan de stoomboot verder de Clyde-baai afzakken, vervolgens de wester kuststreek vanhet Bute-eiland langs stevenen, groot en klein Cumbray in het gezicht loopen en verder in die richting voortstoomen, totdat de meest zuidelijke punt van het eiland Arran bereikt is. Dat eiland behoort in zijn geheel, van zijn grondvesten van rotslagen tot op den top van den Goatfell, die zich op nagenoeg achthonderd meter boven de oppervlakte der zee verheft, aan den hertog van Hamilton. Bij die zuidpunt gekomen, legt de roerganger zijn roer te boord, totdat de weststreek van het kompas met de zeilstreek overeenkomt, waardoor het eiland Arran gerond wordt. Men stevent verder rond om den grooten vinger van het schiereiland Cantyre, om langs de westkust daarvan op te stoomen, waarna men in de Gigha-engte komt, die het smalste gedeelte uitmaakt van de Sond-straat, die tusschen de eilanden Islay en Jura doorvoert, waarna men in het meest opene gedeelte, van de Forth- of Lorn-baai geraakt, welker teruggetrokken hoek zich een weinig boven Oban sluit.Goed gerekend, wanneer miss Campbell eenige reden tot pruilen had, dan zouden de beide ooms toch ook reden hebben om te betreuren, dat die weg niet was ingeslagen. Wanneer men toch die kuststreek van het eiland Islay gevolgd had, dan zouden zij met eigen oogen gezien hebben de verblijfplaats der Mac Donalds, die, in het begin der zeventiende eeuw overwonnen en verjaagd, de plaats moesten ruimen voor de Campbells. Bij het gezicht van de plaats, waar die historische feiten voorgevallen waren, die de beide broeders van nabij betroffen, zouden zij niet alleen hun hart hebben voelen kloppen, maar ook Juffrouw Bess en Partridge zouden hunne aandoening niet meester gebleven zijn.En wat miss Campbell betrof, voor haar oogen zou die zoo zeer betreurde gezichteinder zich gedurende veel langer tijd uitgestrekt hebben. Want inderdaad, van de punt van de Arran tot aan het voorgebergte van Cantyre heeft men de volle zee in het zuiden en van die punt van Cantyre tot aan het uiteinde van Islay heeft men de volle zee in het westen, dat wil zeggen die vloeibare onmetelijkheid, die slechts op een afstand van ruim drie duizend mijl door het Amerikaanschvastelandbegrensd wordt.Maar die weg is, zooals gezegd werd, de langste; hij is ook de meest moeitevolle en niet van gevaren ontbloot. Men heeft met dat slag van toeristen rekening moeten houden, die afgeschrikt worden door de gebeurlijkheden van een overtocht soms bij ruw weer, wanneer de zee veelal hol staat in die streken der Hebriden.De ingenieurs hebben dan ook, in navolging van de Lesseps de gedachte geopperd en uitgevoerd, om van dat schiereiland Cantyre een eiland te maken. Onder hunne leiding werd het kanaal van Crinan in het noordelijkste gedeelte van het schiereiland gegraven. Daardoor wordt de reis minstens tweehonderd mijl bekort, en eenvaartuig heeft slechts drie of vier uur noodig om het door te stevenen.Door dien weg zou deColumbiatusschen al die inhammen en zeeëngten, met geen ander uitzicht dan kale stranden, dan bergen en wouden, den overtocht van Glasgow naar Oban beëindigen. Van al de passagiers aan boord was miss Campbell zeer waarschijnlijk de eenige die de niet gevolgde reisroute betreurde, maar zij moest wel in het onvermijdelijke berusten. Daarenboven zou zij dien zee-gezichteinder niet weervinden, wanneer men eenige uren later het kanaal van Crinan zou verlaten hebben, nog lang voordat de zon de kim met haar schijf zou aanraken?Terzelfder tijd, toen de naplakkers aan tafel de eetzaal verlieten om zich op het dek te begeven, stoomde deColumbiahet kleine eiland Elbangreig voorbij, hetwelk aan den ingang van Loch Ridden gelegen is. Op dat eilandje bestaat een versterkte plaats, die tot laatste schuiloord strekte aan den hertog van Argyle, toen die held, ten onder gebracht in den strijd voor de staatkundige en godsdienstige onafhankelijkheid van Schotland naarEdinburggebracht werd, om daar het leven onder de valbijl zijns vaderlands te laten.Toen stevende de stoomboot zuidwaarts, alsof zij op haar schreden wilde terugkeeren, volvoerde den doortocht door de zeeëngte van Bute, te midden van dat bewonderenswaardige panorama van eilanden, die òf kaal en onvruchtbaar, òf met zwaar bosch bedekt waren, en welker scherpe en woeste omtrekken door een lichten nevel verzacht waren. Eindelijk na de kaap Ardlamont gerond te hebben, werd de noordwaartsche richting hernomen door Loch Fyne waarbij het dorp East-Farbert op de kust van Cantyre gelegen, ter linkerzijde gelaten werd. Vervolgens werd Kaap Ardrishaig voorbijgestoomd, en zoo het gehucht Lochgilphead bereikt, waar zich de monding van het kanaal Crinan bevindt.Daar moesten de reizigers deColumbiaverlaten, omdat zij van te groot charter was voor de vaart op het kanaal. Door dien doorsteek, die een sterk waterverval heeft, waardoor niet minder dan vijftien sluizen benoodigd zijn op haar lengte van slechts negen mijl, kunnen slechts smalle vaartuigen van weinig diepgang varen.De kleine stoombootthe Linnetwachtte de passagiers van deColumbia. De overscheping had in weinige oogenblikken plaats. Ieder zocht een goed plekje op het halfdek, waarop men evenwel zeer opeengedrongen zat. Daarna stoomdethe Linnetmet spoed tusschen de kanaaloevers voort, terwijl een »bagpiper”, een doedelzakartist, in het nationaal kostuum gekleed, zijn bevreemdend instrument liet weerklinken. Niets weemoediger dan die vreemdsoortige muziek, welker ontwikkeling slechts de uitgestrektheid van een octaaf bereikt en waarbij de gevoelsnoot ontbreekt even als in de deuntjes uit den tijd der vervlogen eeuwen.Het is een bevallige vaart op dit kanaal, dat nu eens tusschen hooge oevers is uitgegraven, dan eens langs de hellingen van een met heideplanten begroeiden heuvel voert, waaraan het als vastgehaakt schijnt; dat hier een uitgestrekt vlak bouwland doorsnijdt, om elders weer tusschen de zware muren van de schutkolken besloten te worden. In het sas is er telkenmale oponthoud. Terwijl de sluiswachters zich haasten om het vaartuig te schutten, komen jonge lieden, jonge meisjes en kinderen de reizigers met beleefden groet versch gewonnen melk aanbieden, en babbelen daarbij de gaëlische volkstaal, die door de Kelten vroeger algemeen gebruikt werd, en meestal onverstaanbaar is, zelfs voor Engelsche ooren.Zes uren later—er had oponthoud plaats gehad bij een sluis, welker deuren slecht sloten—waren de gehuchten en de pachthoeven van dit wel wat droefgeestig land, alsook de uitgestrekte moerassen van de Add, die op den rechteroever van het kanaal, aangetroffen werden, voorbij gestevend.The Linnetstopte een oogenblik later bij het dorp Ballanoch. Daar had een tweede overscheping plaats en werden de passagiers van deColumbiade passagiers van deGlengarry. Die boot stevende noordwestwaarts, om de baai van Crinan uittestoomen en de punt te ronden, waarop zich het oude feodale kasteel van Duntroon Castle verheft.Sedert men het eiland Bute voorbijgestevend was, alwaar men er een stukje van had kunnen snappen, was geen zee-gezichteinder meer te zien geweest.Men kan begrijpen welk ongeduld miss Campbell bezielde. Op die wateren, wier gezichtskring overal begrensd was, kon zij zich verbeelden ten volle in Schotland te zijn, in de meerstreken, te midden van het land van Rob Roy. Overal werden schilderachtige eilanden aangetroffen, met hunne zachte afrondingen en begroeid met berke- en beukeboomen.Eindelijk stevende deGlengarryde noorder punt van het eiland Jura om, en toen vertoonde zich de zee tusschen dit punt en het eilandjeScarba, dat er als afgescheurd is in al haar uitgestrektheid, tot waar de hemel de waterlijn schijnt te ontmoeten.»Daar is ze! waarde Helena!” riep broeder Sam, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte.»Het was waarachtig onze schuld niet,” vervolgde broeder Sib, »dat die verwenschte eilanden, die de oude Nick hale! ze voor uwe oogen verborgen.”»Vergiffenis zij u geschonken, waarde oompjes,” antwoordde miss Campbell met een bekoorlijken glimlach. »Maar... dat het niet weer gebeure!”»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).VI.De kolk van Corryvrekan.Het was toen ongeveer zes uur des avonds. De zon had nog slechts vier vijfden van haar loopbaan volbracht. Ongetwijfeld zou deGlengarry, voor dat de dagvorstin in de wateren van den Atlantischen Oceaan onderduiken zou, te Oban aangekomen zijn. Miss Campbell kon dus hoop koesteren, dat haar wenschen ten opzichte van den Groenen Straal denzelfden avond vervuld zouden worden. Want waarachtig, het uitspansel vertoonde zich zonder wolken of nevels, en scheen voor de waarneming van dat natuurverschijnsel als geknipt, terwijl de zee-horizon tusschen de eilandenOronsay, Colonsay, en Huil gedurende het overige gedeelte van den overtocht volmaakt zichtbaar zou blijven.Maar een geheel onvoorzien voorval zou den gang van de stoomboot eenigermate komen vertragen.Miss Campbell, geheel ingenomen door haar vast denkbeeld, dat haar niet begaf, hield het oog sterk gevestigd op dat gedeelte van den gezichteinder. Zij alleen merkte dan ook op, hoe woelig de zee tusschen de punt van het eiland Jura en het eilandje Scarba was. Terzelfder tijd bereikte een ver verwijderd geluid, als van golven die tegen elkaar in klotsten, haar oor. En toch rimpelde een flauwe bries ternauwernood de watervlakte, die er olieachtig uitzag, zoo kalm was zij, zelfs toen zij door den boeg van het stoomvaartuig gesneden werd.»Wat veroorzaakt die woeligheid en dat gedruisch?” vroeg miss Campbell aan hare ooms.Maar hare ooms konden haar onmogelijk antwoorden, want zij zelf begrepen evenmin als zij, wat daar op drie mijl afstand van hem in dien nauwen doorgang voorviel.Miss Campbell wendde zich toen tot den kapitein, die in dat oogenblik op de loopbrug op en neer wandelde, en vroeg hem naar de oorzaak van dat golfgeklots, dat zich zoo helder zien en hooren liet.»Dat wordt eenvoudig door den opkomenden vloed veroorzaakt,” antwoordde de kapitein. »Dat geluid, wat gij hoort, is afkomstig van de kolk van Corryvrekan.»Maar het weer is overheerlijk,” merkte miss Campbell op, »en de bries laat zich ternauwernood voelen.”»Het weer heeft ook geen invloed op dat natuurverschijnsel. Het wordt veroorzaakt door de opkomende zee, die bij het doorkomen uit den Jura-Sond geen anderen doortocht vindt dan tusschen de beide eilanden Jura en Scarba. In dien doortocht stort de vloed zich met een buitengewoon groote kracht, en het zou zeer gevaarlijk zijn voor een eenigszins klein vaartuig, zich er in te wagen.”De kolk van Corryvrekan is te recht gevreesd in die streken, en wordt als een der meest merkwaardige plekken van den Hebriden-archipel genoemd. Zij is wellicht te vergelijken met de kolk van Sein, die door de verenging van de zee tusschen den weg van dien naam en de baai der Trépassés op de kust van Bretagne of met de kolk Blanchart, die door de wateren der Hoofden gevormd wordt, welke zich tusschen het eiland Aurigny en den vasten wal van Cherbourg storten. De legende verzekert, dat zij haar naam verschuldigd is aan een Scandinavischen prins, wier schip daar ter plaatse in de Keltische tijden met man en muis verging. Het is inderdaad een gevaarlijke doortocht, waarin veel schepen schipbreuk geleden hebben en die, wat ongelukken betreft, de vergelijking met den noodlottigen Maalstroom op de kusten van Noorwegen doorstaan kan.Miss Campbell hield middelerwijl niet op met naar de hevige golvingen van die kolk te kijken, toen eensklaps haar aandacht meer in het bijzonder geboeid werd door een punt in die zeeëngte. Eerst meende zij dat daar een rots boven de watervlakte uitstak, maar hetgeen zij zag ging met de hevige golvingen der zee op en neer.»Zie, zie toch, kapitein,” zei het jonge meisje, »indien dat geen rots is, wat is het dan?”»Waarlijk,” antwoordde de kapitein, »een rots is het niet. Het kan niet anders dan een stuk wrakhout zijn, dat door den stroom meegevoerd is of het is ook wel....”En zijn kijker grijpende:»Een sloep!” riep hij uit.»Een sloep!” kreet miss Campbell.»Ja!.... ik vergis mij niet!.... Een sloep op de wateren van de Corryvrekan-kolk!.... Oh, zij zal vergaan, dat kan niet anders!”Toen de kapitein die woorden meer uitschreeuwde dan wel zei verdrongen zich de passagiers op de loopbrug en keken allen in de richting van de kolk. Er was geen twijfel meer mogelijk! Het vaartuig was ongetwijfeld door den stroom in de zeeëngte meegesleurd. Dat was zeer zeker door den opkomenden vloed veroorzaakt. Het bevond zich thans in de werking der zuiging van de tegenstroomingen en liep zijn ondergang te gemoet.Aller blikken waren op dat punt van de kolk gevestigd, hetwelk op vier of vijf mijl van deGlengarrygelegen was.»Waarschijnlijk is het maar een sloep, die losgeraakt en afgedreven is,” was de bemerking van een der passagiers.»Neen, dat is het niet! want ik zie er een man in,” antwoordde een ander.»Een man.... twee mannen!” riep Partridge, die in de nabijheid van miss Campbell post gevat had.En inderdaad daar waren twee menschen in die sloep. Zij waren hun vaartuig niet meer meester. Het weinigje bries, dat van de landzijde woei, was onmachtig om hun zeil te vullen en hen buiten de omstroomingen te voeren, en met de riemen was het onmogelijk uit de schrikkelijke zuiging van de Corryvrekan-kolk te geraken.»Kapitein!” riep miss Campbell,»wij kunnen die ongelukkigen toch niet onder onze oogen laten omkomen.... Zij zijn verloren, wanneer men hen aan hun lot overlaat!.... Zij moeten geholpen worden!.... daar valt niets aan te doen!.... het moet!....”Allen die aan boord waren, koesterden dezelfde gedachten, die het edele meisje uitte. Het antwoord van den kapitein werd dan ook angstvallig afgewacht.»DeGlengarry,”sprak hij, »mag zich niet te midden van de Corryvrekan-kolk wagen. Maar wij zullen zoo veel als mogelijk is naderen, misschien komen wij dan binnen het bereik dier sloep!”En zich tot de passagiers keerende, scheen hij een teeken van goedkeuring te verzoeken.Miss Campbell ging tot hem.»Het moet, kapitein, het moet!....” zeide zij met opgewonden stem en gebaar. »Mijn reisgenooten zijn van dezelfde meening!.... Het geldt twee menschenlevens, die gij redden kunt! Och! kapitein! .... Ik smeek er u om!....”»Ja!.... ja!....” riepen eenige der passagiers, opgewekt en bewogen door de warme tusschenkomst van dat jonge meisje.De kapitein greep zijn kijker, nam met de uiterste nauwkeurigheid de richting van de stroomingen in de zeeëngte waar; toen zich tot den roerganger wendende, die bij hem aan het stuurrad op de brug stond:»Opgelet bij het sturen!” zei hij. »Het roer stuurboord te boord!”Het stoomschip wendde onder de werking van het roer naar het westen. De machinist kreeg bevel om zijn stoomkleppen te bezwaren en alle kracht aan te wenden. Weldra schoot deGlengarryde uiterste punt van het eiland Jura ter linkerzijde voorbij.Niemand sprak aan boord. Aller oogen waren angstvallig op dat vaartuigje gevestigd, hetwelk al meer en meer zichtbaar werd.Het was slechts een kleine visschersloep, waarvan men den mast had neergelaten om den terugstoot te vermijden der hevige schokken, door de golven teweeggebracht.»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).Een der twee mannen, die zich in de sloep bevonden, lag in het achterste gedeelte uitgestrekt; de andere roeide met alle inspanningvan krachten, en trachtte buiten den kring der zuiging te geraken. Wanneer hij daarin niet slaagde, waren beide verloren!DeGlengarrykwam een half uur later op de grens van de Corryvrekankolk en begon door den invloed der golven sterk te stampen, maar niemand aan boord toonde zich ontevreden; hoewel de snelheid der stroomingen wel van dien aard was, dat zij eenvoudige toeristen zou hebben kunnen afschrikken.Inderdaad, in dit gedeelte van de zeeëngte vertoonde zich de zee wit van het schuim, alsof een dichtgereefd marszeilskoeltje woei. Men zag slechts een uitgestrekte oppervlakte van schuim, die tengevolge van de weinige diepte der wateren, door grondzeeën in hooge zuilen werd opgeworpen.De sloep was nog slechts op een halve mijl verwijderd. Diegene van de twee mannen, die roeide, deed de uiterste inspanning om buiten de neerstroomingen te geraken. Hij begreep, dat deGlengarryhem te hulp kwam, maar hij besefte ook dat de stoomboot niet veel verder kon komen, en dat het dus van zijn krachten afhankelijk was, om haar te bereiken. Wat zijn makker betrof, deze lag steeds in het achterste gedeelte der sloep uitgestrekt en scheen buiten kennis te zijn.Miss Campbell, aan de grootste opgewondenheid ten prooi, wendde geen oog af van dat vaartuig welks nood zij het eerste aangeduid had op de golven van de kolk, waarheen deGlengarryop haar vurige smeekingen thans stevende.De toestand werd middelerwijl bedenkelijker, en het was te vreezen dat de stoomboot niet bij tijds zou aankomen. Zij kon nog slechts met half werk vooruitslaan, ten einde belangrijke averij te voorkomen en toch dreigden reeds de zeeën, die over den boeg sloegen, de stookplaats der machine te bereiken, en deden dus het gevaar ontstaan van de vuren te blusschen, hetgeen een schrikkelijke gebeurlijkheid moest genoemd worden, daar te midden van die wilde stroomingen.De kapitein, die zich aan de bruggestutten vastgekneld hield, waakte er voor, dat zijn schip niet buiten het vaarwater kwam, en manoeuvreerde met alle behendigheid om niet dwarszee’s te geraken.Middelerwijl gelukte het de sloep niet om buiten de neerstroomingen te komen. Soms verdween zij plotseling achter een breker; in een ander oogenblik werd zij door de ronddraaiende stroomingen van de kolk, die evenredig in kracht toenamen, meegesleurd en stevende in een kring rond met de snelheid van een voortgeschoten pijl, of nog beter uitgedrukt, met de snelheid van een steen, die door den slinger rondggedraaid wordt, alvorens hem te laten ontsnappen.»Sneller! nog sneller!” riep miss Campbell, die haar gemoedsaandoeningen niet kon onderdrukken.Maar op het gezicht van die vreeselijke golven, die tegen de boot aansloegen, lieten reeds eenige vrouwelijke passagiers angstkreten hooren. De kapitein, de verantwoordelijkheid begrijpende, die hij droeg, aarzelde om verder binnen den kring van de Corryvrekan-kolk te dringen.En toch, de afstand, die de sloep van deGlengarryscheidde, bedroeg thans in dat oogenblik nog slechts een halve kabellengte of ongeveer drie honderd voet; men kon dan ook van boord gemakkelijk de ongelukkigen onderscheiden, die daar met hunne sloep naar hun verderf werden meegesleurd.Het was een oud zeeman en een jongmensch. De eerste lag in het achterste gedeelte van het vaartuig uitgestrekt, de andere roeide met inspanning van alle krachten.Een vreeselijke golf klotste in dit oogenblik tegen de wanden van deGlengarryen maakte haar toestand vrij moeielijk.En waarlijk, de kapitein kon niet verder de zeeëngte instevenen, en hij moest zoo manoeuvreeren, dat hij met den kop in den stroom bleef, hetgeen niet zonder moeielijkheid te veroorzaken, ten uitvoer gebracht kon worden.Plotseling gleed de sloep, na een oogenblik op de kruin van een hooge golf verschenen te zijn, omlaag en verdween voor ieders oog.Een kreet weerklonk aan boord. Een kreet van angst en schrik!Was het vaartuig omgeslagen en gezonken?.... Neen, daar verscheen het weer op den rug van een andere golf en een nieuwe inspanning van den roeier bracht het iets nader bij de stoomboot.»Flink! flink doorgeroeid!!”riepen de zeelieden, die op de voorplecht van het schip stonden.En zij zwaaiden rollen touw en bespiedden het gunstige oogenblik om die in de sloep te werpen.Plotseling gaf de kapitein, die eenig glad water tusschen de keerstroomingen opmerkte, bevel aan den machinist om de meest mogelijke stoomkracht aan te wenden. De snelheid derGlengarrynam spoedig toe en het schip stevende koen tusschen de beide eilanden in, terwijl de sloep van haren kant ook eenigermate naderde. Toen werden de touwen voortgeslingerd, door den roeier gegrepen en om den mast bevestigd. DeGlengarrysloeg vervolgens met kracht achteruit, om des te eerder uit de wieling te geraken, terwijl de sloep, langs zij getrokken, zoo door haar gesleept werd.Toen eerst wierp de jongeling de riemen neer, tilde zijn makker in de armen op, en werd die oude zeeman met behulp dermatrozen van de boot aan boord geheschen. Terwijl de sloep naar de Corryvrekan-kolk voortgesleurd werd, had een groote golf haar een hevigen slag toegebracht, die haar buiten staat gesteld had, verder de inspanningen van den jonkman te steunen, waardoor deze laatste geheel en al aan eigen krachten was overgelaten.Deze was middelerwijl op het dek van deGlengarrygesprongen. Hij had niets van zijn tegenwoordigheid van geest verloren, zijn gelaat ademde rustige kalmte en zijn geheele houding gaf te kennen dat zedelijke moed hem evenmin ontbrak als physieke, en hem aangeboren scheen.Hij beijverde zich dan ook dadelijk om zijn makker behoorlijk te doen verzorgen. Dat was de eigenaar van de sloep. Een flink glas brandewijn bracht dezen weer spoedig op de been.»Mijnheer Olivier!” zei hij.»Oh! mijn ouwe zeeman,” antwoordde de jongeling. »En die klap van die golf?.... Hoe is het er mee?....”»Dat’s niets! Ik heb wel wat anders beleefd! Ik voel er niets meer van!....”»Den hemel zij dank!... maar mijn onvoorzichtigheid om steeds vooruit te stevenen, zou ons duur te staan hebben kunnen komen!... maar wij zijn gered!”»Met uwe hulp, mijnheer Olivier.”»Neen.... met Gods hulp!”En de jonkman, den ouden zeerob aan zijn borst drukkende, poogde niet zijn aandoeningen te bedwingen, maar uitte ze vrij en zag ze trouwens door al de omstanders gedeeld.Toen, zich tot den kapitein van deGlengarrywendende, die in dat oogenblik juist de trap van de loopbrug afklom:»Kapitein,” zeide hij, »ik zal u nimmer mijn dankbaarheid voor den dienst, dien gij ons bewezen hebt, voldoende kunnen betuigen...”»Ik heb slechts mijn plicht gedaan, mijnheer,” antwoordde de gezagvoerder, »en om de waarheid te huldigen, moet ik verklaren, dat mijn passagiers meer recht op uw dankbetuigingen hebben dan ik.”De jonkman drukte den kapitein hartelijk de hand; toen zijn hoed afnemende, groette hij al de passagiers met een uiterst bevallig gebaar.Daarvan hield hij zich overtuigd, dat zonder de tusschenkomst van deGlengarry, zijn makker en hij, voortgesleurd tot in het middelpunt van de Corryvrekan-kolk, ellendig omgekomen zouden zijn.Miss Campbell had middelerwijl gemeend zich gedurende die beleefdheidswisselingen een weinig te moeten terugtrekken. Zij verlangde niet dat het deel, hetwelk zij aan de ontknooping van die dramatische redding gehad had, ter sprake kwam. Daarom vertoefde zij vóór op de loopbrug, toen haar eensklaps, alsof haargrilligheid weer de bovenhand genomen had, die woorden ontsnapten, terwijl zij zich naar het westen keerde:Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).»En de Groene Straal?.... En de zon?”»Geen zon meer!” zei broeder Sam.»En geen straal!” zei broeder Sib.En waarlijk, het was te laat. De zonneschijf, die achter een gezichteinder van een bewonderenswaardige zuiverheid ondergegaan was, had haren Groenen Straal, onopgemerkt door iedereen, in het luchtruim laten schitteren. Maar in dat oogenblik dwaalden de gedachten van miss Campbell elders, en haar verstrooide blik had deze gelegenheid gemist, die wellicht zich zoo spoedig niet meer zou voordoen!»Het is jammer!” mompelde zij binnensmonds, zonder eenige spijt evenwel bij de herinnering aan hetgeen er plaats had gehad.DeGlengarrymanoeuvreerde intusschen, om uit de zeeëngte van de Corryvrekan-kolk te komen, en hernam haren noordwaartschen koers. Toen wisselde de oude zeeman een hartelijken maar laatsten handdruk met zijn makker, stapte in zijn sloep, heesch zijn zeil en vertrok naar het eiland Jura.Wat den jonkman betreft, wiens »dorlach”, een soort van lederen reisvalies, aan ’t dek gebracht was, hij was een toerist te meer, die door deGlengarrynaar Oban zou overgevoerd worden.De stoomboot, na de eilanden Shuna en Luing, waar de rijke leigroeven, toebehoorende aan den markies vanBreadalbane, aangetroffen worden, rechts te hebben laten liggen, stevende langs het eiland Seil, hetwelk dat gedeelte van de Schotsche kust dekt. Daarna stoomde het vaartuig de Firth van Lorne binnen, voer tusschen het vulkanische eiland Kerrera en de vaste kust door, en wierp eindelijk zijn trossen uit, om aan de staketpalen van de haven van Oban gemeerd te worden.VII.Aristobulus Beerenkooi.Zelfs wanneer Oban op zijn strand een zoo groote menigte badgasten zou aangetrokken hebben als de badplaatsen te Brighton, Margate of Ramsgate, dan nog zou een zoo belangwekkend persoon, als Aristobulus Beerenkooi was, eenig opzien veroorzaakt hebben.Zonder nu op één lijn met die mededingsters geplaatst te kunnen worden, is toch Oban een badplaats, die door de leegloopers van het Vereenigd Koninkrijk zeer gezocht is. Hare ligging aan de zeeëngte van Mull, gedekt tegen de westenwinden, wier rechtstreeksche invloed door het eiland Kerrera getemperd wordt, trekt zeer veel vreemdelingen aan. Een gedeelte daarvan komt om herstel van krachten in hare heilzame wateren zoeken, de anderen komen daar als in een lustoord, een centraalpunt, vanwaar de wegen naar Glasgow, Inverness en de meest merkwaardige eilanden der Hebriden uitgaan. Er moet nog bijgevoegd worden, dat Oban geen soort hospitaal is, zooals zoovele andere badplaatsen zijn. Het meerendeel van hen, die er het warme jaargetij komen doorbrengen, is zeer welvarend, en men loopt er geen gevaar, zooals in sommige andere »Kurorten”, zijn whistje met twee zieken en een »doode” te moeten maken.Oban telt ter nauwernood een honderd vijftig jarig bestaan. Zij vertoont dus in haar bouworde, in de afwerking en inrichting harer woningen, in de gedaante harer openbare pleinen en in de rechtlijnige richting harer straten, den stempel van den modernen tijd. Toch wijst de bouworde van de kerk, waarboven een fraaie klokkentoren zich verheft, op het Normandische tijdvak, terwijl het oude kasteel van Dunolly, welks muren geheel met klimop bedekt zijn, zich op een alleenstaande rots, ten noorden van de plaats gelegen, verheft en het heerlijke panorama van witte huizen en veelkleurige villa’s, die op de hellingen van den achtergrond verrijzen, de stille wateren van de baai, waarop bevallige pleizierjachten voor hunne ankers liggen te wiegelen, een schilderachtig geheel opleveren, dat het oog boeit en verrukt.Ook dit jaar ontbraken in de maand Augustus noch de vreemdelingen, noch de toeristen, noch de badlustigen in de kleine stad Oban. In het vreemdelingenboek van een der beste hotels van de plaats prijkte reeds sedert verscheidene weken tusschen veelvuldige namen die van Aristobulus Beerenkooi van Dumfries (Neder-Schotland).Het was een personage, die acht-en-twintig jaar telde en nimmer jong was geweest, maar waarschijnlijk ook nooit oud zou worden. Hij was klaarblijkelijk in den leeftijd geboren, dien hij zijn geheel leven lang zou schijnen te bezitten. Hij was noch van fraaie noch van leelijke gestalte, had een onbeduidend gelaat, waarboven al te blonde haren voor een man sluik neerhingen. Achter zijn brilglazen ontwaarde men een paar kippige oogen zonder glans, waartusschen een korte dikke neus neerdaalde, die niet de neus van dat aangezicht scheen te zijn. Van de honderd dertig duizend haren, die ieder fatsoenlijk menschenhoofd moet dragen, bleven hem nog slechts zestig duizend slechte over. Een ringbaard omlijstte zijn wangenen zijn kin, waardoor hij wel eenige gelijkenis op een aap vertoonde. Zoo hij werkelijk een aap geweest ware, zou hij een mooie sim geweest zijn, misschien wel van de soort, die als schakel in de keten der Darwinisten ontbreekt, waarmede zij pogen den mensch van het dier te laten afstammen.Aristobulus Beerenkooi was rijk aan geld, maar nog rijker aan denkbeelden. Voor een jong geleerde, die slechts anderen met zijn algemeene kennis, en zijn akademische graden van Oxford, Edinburg en Londen kan vervelen, was hij veel te geleerd. Hij was meer doorkneed in de natuurwetenschappen, in de scheikunde, in de sterrenkunde, in de wiskunde, dan wel in de letterkunde. Hij was zeer met zich zelven ingenomen en het scheelde maar bitter weinig om een dwaas te mogen heeten. Zijn voornaamste gewoonte, die tot een ware monomanie aangegroeid was, bestond daarin, dat hij gevraagd of ongevraagd, te pas of te onpas, verklaring wilde leveren van alles, wat de natuurwetenschappen raakte. Hij was in één woord een pedant wezen, wiens omgang van onaangenamen aard was. Men lachte niet over hem, omdat hij volstrekt niet lachverwekkend was, maar wellicht lachte men hem uit, omdat hij zich bespottelijk aanstelde. Niemand mocht minder aanspraak maken dan dat jongmensch op de toepassing der spreuk van de Engelsche vrijmetselaren!Audi, vide, tace, hetgeen zeggen wil:hoor, zie, zwijg. Hij hoorde niet, hij zag niet, en zweeg nooit. Men kon gevoegelijk in dit land van Walter Scott een gelegenheids-vergelijking gebruiken, en beweren dat Aristobulus Beerenkooi, met zijn daadwerkelijken nijverheidszin, oneindig meer den schout Nicol Jarvie in herinnering bracht, dan zijn dichterlijken neef Rob Roy Mac Gregor.En welke dochter der Schotsche Hooglanden, zonder van miss Campbell een uitzondering te maken, zou niet de voorkeur aan Rob Roy dan aan Nicol Jarvie gegeven hebben?Zoo zag Aristobulus Beerenkooi er uit, en zoo was hij bewerktuigd. Hoe nu de gebroedersMelvillop dat pedante wezen verzot hadden kunnen worden, en wel zoodanig, dat zij er aan dachten hunnen neef er van te maken, is onmogelijk te verklaren. Hoe was het hem toch gelukt, die waardige zestigjarige grijsaards te behagen? Misschien wel alleen door de eerste te zijn, die omtrent hunne nicht huwelijksneigingen had laten blijken. In een soort van kinderlijke verrukking had broeder Sam ongetwijfeld tegen broeder Sib gezegd:»Ziedaar een jonkman, die rijk is en een onafhankelijk fortuin bezit, welke van erfenissen van bloedverwanten en nabestaanden afkomstig is, die tot een aanzienlijke familie behoort en daarenboven een buitengewoon geleerde is! Dat zal een uitmuntende partij voor onze lieve Helena zijn! Dat huwelijk zal van een leien dak loopen.”Gedurende de uren, die hem bij zijn verblijf op Helenaburg als vrijaf zouden gegund worden, zou de jeugdige geleerde in staat zijn, desnuifdoos aan broeder Sib over te reiken, na haar met een droog tikje dicht gemaakt te hebben, wat dan een punt moest beteekenen, achter zijn ontboezeming geplaatst, en zeggen wilde:In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)»Ziedaar een beklonken zaak!”De gebroeders Melvill meenden dan ook al heel slim te werk gegaan te zijn, door miss Campbell, dank zij hare zonderlinge gril ten opzichte van den Groenen Straal, naar Oban geleid te hebben. Daar zoude haar samenzijn met Aristobulus Beerenkooi, dat door zijn afwezigheid kortstondig verbroken was, hervat kunnen worden, zonder den schijn te hebben dat zulks voorbereid was.Voor de schoonste vertrekken in Caledonian Hotel hadden de gebroeders Melvill en miss Campbell het buitenverblijf te Helenaburg verwisseld. Mocht hun verblijf te Oban van eenigen duur worden, dan zou het wellicht voegzaam zijn, de een of andere villa, gelegen op de hoogten die de stad beheerschten, te huren. Maar middelerwijl dat daartoe beslist zoude worden, was men met behulp van juffrouw Bess en van Partridge zoo gemakkelijk mogelijk ingericht bij baas Mac Fyne. Later zou men verder zien.Daags na hunne aankomst te Oban verlieten de gebroeders Melvill des morgens ten negen uur het Caledonian Hotel, dat op den zeeoever bijna tegenover het staketsel gelegen is. Miss Campbell sliep nog in hare kamer op de eerste verdieping, en bevroedde niet dat hare ooms op het pad waren om Aristobulus Beerenkooi op te zoeken.Die tweeonafscheidelijkebroertjes gingen het strand langs, en daar zij wisten, dat hun »pretendent” in een der hotels logeerde, die ten noorden van de baai gebouwd zijn, richtten zij dan ook derwaarts hunne schreden.Men zal wel moeten aannemen, dat een voorgevoel hen geleidde; want waarlijk, tien minuten na hun hotel verlaten te hebben, ontmoetten zij Aristobulus Beerenkooi, die zijn dagelijksche wetenschappelijke wandeling maakte, en een banalen, werktuigelijken handdruk met hen wisselde, terwijl hij de bewegingen van den stijgenden vloed gadesloeg.»Mijnheer Beerenkooi!” zeiden de gebroeders Melvill met plichtpleging.»Mijne heeren Melvill!” antwoordde Aristobulus met een gemaaktheid van stem, die verwondering moest aanduiden. »Gij.... heeren Melvill.... hier.... te Oban?”»Sedert gisteren avond!” zei broeder Sam.»En het verheugt ons, u in goede gezondheid aan te treffen, mijnheer Beerenkooi,” zeide broeder Sib.»Waarlijk, ik dank u, heeren.—Maar hebt gij reeds kennis genomen van het telegram, dat zooeven aangekomen is?”»Een telegram?” vroeg broeder Sam. »Zou het ministerie Gladstone reeds?....”»Het geldt volstrekt niet het ministerie Gladstone,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi met tamelijk wel uitgesproken kleinachting, »maar wel een weerkundig telegram.”»Waarlijk!” riepen de beide ooms te gelijkertijd uit.»Ja zeker! er is geseind, dat het depressie centrum van Swinemunde noordwaarts voortgeschreden en aanmerkelijk in diepte toegenomen is. Dat centrum bevindt zich thans in de nabijheid van Stokholm, waar de barometer ruim een duim,—wat ongeveer vijf en twintig millimeter vertegenwoordigt, om de taal der geleerden te spreken—gedaald is en alzoo op acht en twintig en zes tiende duim staat, hetwelk overeenkomt met een stand van zevenhonderd zes en twintig millimeter. Heeft ook al de luchtdruk in Engeland en in Schotland weinig verandering ondergaan, zoo is zij toch een tiende te Valencia en twee tiende te Stornoway verminderd.”»Maar wat moet uit die depressie?....” vroeg broeder Sam.»Besloten worden?....” vulde broeder Sib aan.»Dat het mooi weer niet standvastig is,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en dat de lucht weldra betrekken zal onder den invloed van den zuidwestenwind, die de dampen van den Noord-Atlantischen Oceaan met zich voeren zal.”De gebroeders Melvill bedankten den jongen geleerde voor de mededeeling van die belangwekkende voorspellingen, en leidden er de gevolgtrekking uit af, dat de Groene Straal wel eens op zich kon laten wachten, wat hun niet onaangenaam was, daar dat hun verblijf te Oban zou rekken.»En het doel van uwe komst, mijne heeren, is?”.... vroeg Aristobulus Beerenkooi, die zijn volzin zelf afbrak om een keisteen op te rapen, dien hij met de grootste aandacht bekeek.De beide ooms wachtten zich wel die belangrijke studie te storen.Maar toen die keisteen de verzameling van een menigte andere in den zak van den jongen geleerde was gaan vermeerderen, antwoordde broeder Sib.»Het doel van onze komst is zeer natuurlijk om hier eenige dagen door te brengen.”»En wij moeten er bij voegen, dat miss Campbell ons vergezeld heeft....” zei broeder Sam.»Ah!.... miss Campbell!” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik geloof dat die keisteen uit het gaëlische tijdperk afkomstig is. Er zijn sporen te zien van.... Maar waarlijk, het zal mij verheugen miss Campbell weer te zien!.... sporen van meteorisch ijzer.—De luchtgesteldheid hier, die buitengewoon zacht is, zal haar uitermate goed doen.”»Zij geniet een goede gezondheid en is hier niet om herstel van eenige ziekte te zoeken.”»Om het even,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. De atmosfeer is hier overheerlijk. Nul, komma, een en twintig zuurstof, en nul, komma, negen en zeventig stikstof met een weinig waterdamp gemengd, zeer voordeelig voor de gezondheid. Wat het koolzuur betreft, er zijn slechts sporen aanwezig in de lucht, die ik iederen morgen ontleed.”De gebroeders Melvill meenden in die verhandeling, een lieve bezorgdheid ten opzichte van miss Campbell te bemerken.»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »indien gij niet voor gezondheidsredenen hier gekomen zijt, mag ik dan weten, mijne heeren, waarom gij uw buitenverblijf te Helenaburg verlaten hebt?”»Wij hebben geen enkele reden om, in de verhouding, waarin wij tot elkander staan, dat voor u te verbergen....” antwoordde broeder Sib.»Kan ik dus in die verhuizing een overigens natuurlijk verlangen ontwaren,” viel de jonge geleerde den spreker in de rede, »om tot een samenkomst met miss Campbell mede te werken, die de gelegenheid kan openen elkander beter te leeren kennen en dat tot wederzijdsche achting zal moeten leiden?”»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam. »Wij hebben gedacht, dat zoo het doel sneller bereikt zou worden.”»Ik keur uwe handeling goed, mijne heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Hier op dit onzijdig terrein zullen miss Campbell en ik bij gelegenheid kunnen spreken over de oorzaken van het op en neergaan der zee, van de windrichtingen, van de hoogte der golven, van het verspringen der getijen en over meer andere natuurverschijnselen, waarin zij ten zeerste belang moet stellen!”Nadat de gebroeders Melvill een glimlach van voldoening gewisseld hadden, bogen zij bij wijze van toestemming. Zij verklaarden verder, dat zij zich gelukkig zouden achten, wanneer zij, na hun terugkeer op het buitenverblijf Helenaburg, den jongen geleerde onder een meer dierbaren titel dan dien van gast zouden kunnen ontvangen. Aristobulus Beerenkooi antwoordde, dat hij zich alsdan des te gelukkiger zoude gevoelen, daar het gouvernement belangrijke baggerwerken, juist tusschen Helenaburg en Greenock wilde doen uitvoeren, welke werken onder geheel nieuwe omstandigheden door middel van elektrische werktuigen zouden worden tot stand gebracht. Dus, wanneer hij eenmaal zijn verblijf op Helenaburg gevestigd had, zou hij de toepassing van die werktuigen waarnemen en den uitslag daarvan berekenen kunnen.De gebroeders Melvill erkenden gaarne, dat die samenloop van omstandigheden hunnen plannen ten goede zou komen en hetgeheel en al in hun kader paste.Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)En daarop hadden zij een snuifje genomen om de gemeenschappelijkeverschillende tijdperken van dien uiterst belangwekkenden arbeid gade te slaan.»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »gij hebt ongetwijfeld het een of ander voorwendsel bedacht, om mij hier te Oban te komen ontmoeten.”»Inderdaad,” antwoordde broeder Sib, »en dat voorwendsel heeft miss Campbell zelf ons aan de hand gedaan.”»Zoo,” zei de jonge geleerde, »en dat is....?»Het geldt de waarneming van een natuurverschijnsel, dat zich slechts onder bepaalde gelegenheden voordoet, en dat te Helenaburg onmogelijk kan voorkomen.”»Waarlijk! heeren,” hernam Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij met duim en vinger zijn bril recht op zijn neus zette. »Daarin ligt het bewijs, dat er tusschen miss Campbell en mij wel eenige innige met elkaar overeenkomende verwantschap bestaat!—Mag ik ook weten welk natuurverschijnsel het is, dat op het buitenverblijf niet kan waargenomen worden?”»Dat natuurverschijnsel? Wel, is eenvoudig de Groene Straal,” antwoordde broeder Sam.»De Groene Straal?” vroeg Aristobulus Beerenkooi niet zonder verwondering. »Daarvan heb ik nimmer hooren spreken. Is het mij vergund te vragen, wat die Groene Straal beduidt?”De beide broeders Melvill legden hem zoo goed zij konden uit, waarin het natuurverschijnsel bestond, dat door deMorning Postonlangs onder de aandacht van het publiek was gebracht.»Pouah!” riep Aristobulus Beerenkooi, »dat is slechts een aardigheid zonder eenig belang, die tot het kinderachtige domein van de vermakelijke natuurkunde behoort.”»Miss Campbell is slechts een jong meisje,” antwoordde broeder Sib, »en zij schijnt een buitengewoon groot belang in dit natuurverschijnsel te stellen.”»Want zij wil niet trouwen, heeft zij verzekerd, voor dat zij het gezien heeft,” vulde broeder Sam aan.»Welnu, heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »wij zullen hem haar toonen, dien Groenen Straal!”Na die verzekering wandelden de drie mannen door de weilanden, die zich langs het strand uitstrekten en waardoor een pad zich slingerde, naar Caledonian-Hotel terug.Aristobulus Beerenkooi liet de gelegenheid niet ontsnappen om de gebroeders Melvill te doen opmerken, hoezeer de geest der vrouwen behagen schept in nietigheden, waaruit hij in groote trekken voortredeneerende, tot de gevolgtrekking kwam van hetgeen verricht zou moeten worden om hunne niet goed opgevatte opvoeding te verbeteren. Hij verwierp de stelling, dat de hersenen dervrouw minder met hersenzelfstandigheid zouden bedeeld zijn dan die van den man, en dat door het groote verschil in de bewerktuiging der kwabben, de vrouw nimmer zoude kunnen geraken tot opvatting van grootsche denkbeelden. Neen, zoover ging hij niet; hij meende integendeel dat door een voortgezet onderwijs verandering in dien toestand te weeg zou te brengen zijn; hoewel hij van een anderen kant niet loochenen kon, dat sedert de vrouw in de Schepping verschenen was, nimmer een harer zich onderscheiden had door eenige dier uitvindingen, die bij voorbeeld Aristoteles, Euclides, Harvey, Hahnenman, Pascal, Newton, Laplace, Arago, Humphrey-Davy, Edison, Pasteur enz., beroemd gemaakt hebben. Eindelijk verdiepte hij zich in de uitlegging van verscheidene natuurtafereelen en redekaveldede omni re scibili, zonder meer omtrent miss Campbell te gewagen.De gebroeders Melvill hoorden eerlijk toe en deden dat zooveel te eerder, daar het voor hen onmogelijk was een woord tusschen beiden te brengen in die alleenspraak, waarbij Aristobulus Beerenkooi zonder rustpunt voortdraafde en die hij doorspekte met gebiedend en schoolmeesterachtig gehemm!Zoo naderden zij het Caledonian-Hotel tot op ongeveer een honderd pas, en bleven toen een poos staan, om afscheid van elkaar te nemen.Middelerwijl bevond zich een zeker iemand aan het venster harer kamer. Zij scheen geheel in de war, ja geheel van haar stuk gebracht. Zij keek nu eens vóór haar dan weer rechts of links en scheen met het dwalend oog een horizon te zoeken, die zij niet kon ontdekken.Eensklaps bemerkte miss Campbell—want zij was die zeker iemand—hare ooms. Dadelijk werd het venster met levendig gebaar gesloten en verscheen het jonge meisje eenige oogenblikken later op het strand, de armen half gekruist over de borst, met ernstig gelaat en het voorhoofd bezwangerd van verwijtingen. De gebroeders Melvill keken elkander aan. Tegen wien had Helena iets? Was het de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi, die deze verschijnselen van abnormale opwinding veroorzaakte?De jeugdige geleerde naderde intusschen en groette miss Campbell met een buiging zoo stijf als die van een knipmes.»Aristobulus Beerenkooi....”zeide broeder Sam, die den jonkman vormelijk en met plichtpleging voorstelde.»Die door een wonder van toevalligheid.... zich juist te Oban bevindt....” voegde broeder Sib er bij.»Ah?.... mijnheer Beerenkooi?”.... mompelde het jonge meisje, terwijl zij zijn groet ter nauwernood beantwoordde.Toen zich tot de gebroeders Melvill wendend, die daar uit het veld geslagen stonden en niet wisten wat te zeggen of welke houding aan te nemen:»Mijn ooms!” sprak zij met gestrengheid.»Lieve Helena!” antwoordden de beide ooms met den zelfden toon van waarneembare ongerustheid in stem en gebaren.»Zijn wij wel te Oban?”vroeg zij.»Te Oban?.... Wel zeker.”»Te Oban.... aan de zee der Hebriden gelegen?”»Voorzeker.”»Welnu, over een uur zullen wij er niet meer zijn!”»Over een uur?....”»Ik had om een zee-horizon verzocht?”»Ongetwijfeld, lieve meid....”»Wilt gij dan zoo vriendelijk wezen, mij dien te wijzen?”Ontzet draaiden en keerden de gebroeders Melvill zich om en keken rond.Vóór hen, noch in het zuidwesten, noch in het noordwesten was eenige doorgang tusschen de eilanden, die in volle zee lagen, te bespeuren, geen plekje waar hemel en water in elkander liepen.De eilanden Seil, Kerrera, Kismore vormden een onafgebroken slagboom, die de kim onzichtbaar maakte. De erkenning moest volgen, dat de beloofde en verzochte horizon aan het landschap van Oban ontbrak.De twee broeders hadden dat niet eens bemerkt bij hunne wandeling langs het strand. Toen zij hunne misvatting inzagen, lieten zij dan ook die twee Schotsche uitroepingen hooren, die een waarlijke teleurstelling, gemengd met ietwat kwade luim, levendig aanduidden:»Pooh!” zei een.»Pswha!” antwoordde de andere.
IV.De Clyde stroomafwaarts.Daags daarna, den 2denAugustus al heel vroeg, stapte miss Campbell, vergezeld door hare ooms, de gebroeders Melvill en gevolgd door Partridge en juffrouw Bess, op het station van de spoorwegbaan van Helenaburg in den trein. Men zou zich te Glasgow inschepen op de stoomboot, die den dagelijkschen dienst tusschen die stad en Oban verricht, en geen andere plaats aan de kust gelegen aandoet.Tegen zeven uur bracht de trein onze vijf reizigers in het aankomst-station te Glasgow aan, van waar een rijtuig hen naarBroomielawBridge vervoerde.Daar wachtte de stoombootColumbiareeds de passagiers. Een dikke rook ontsnapte uit haar beide schoorsteenen en vermengde zich met den dikken nevel, die nog over de Clyde hing. Maar die morgendampen begonnen zich op te lossen, en de loodkleurachtigeschijf der zon vertoonde reeds eenige gulden schakeeringen. Dat was de voorbode van een schoonen dag.De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).Miss Campbell en haar reisgenooten scheepten zich dadelijk in, nadat hun bagage behoorlijk verzorgd en aan boord gebracht was.De bel liet in dit oogenblik haar derde en laatste geklingel weergalmen om de te-laat-komers tot spoed aan te zetten. Daarop zette de machinist de machine aan; de schoepen der raderen sloegen een paar slagen vooruit, een paar achteruit, en wierpen groote golven geelachtig water omhoog, waarna een scherp fluitje weerklonk. De trossen werden toen losgegooid en deColumbiaschoot weldra in den stoomdraad vooruit.De reizigers, die in het Vereenigd Koninkrijk reden tot klachten meenen te hebben, handelen veelal onbillijk. Want het zijn prachtige vaartuigen, die hen vanwege de stoomboot-maatschappijen ter beschikking worden gesteld. Er is niet zoo’n smalle waterstroom, geen zoo’n klein meer, geen zoo’n zeeboezemtje, welks oppervlakten niet dagelijks doorploegd worden door bevallige stoomvaartuigen. Het is dan ook hoegenaamd niet bevreemdend, dat de Clyde in dat opzicht onder de meest begunstigde behoort. Langs de Broomielaw Street, alwaar de aanlegplaats of beter de stoomboot-kade gevonden wordt, wemelt het letterlijk van stoomvaartuigen, die met hunne met de levendigste kleuren beschilderde raderkasten, waarin het verguldsel strijd voert met het Cinaber-geel, steeds stoom op hebben en gereed zijn om in alle richtingen te vertrekken.DeColumbiamaakte op den algemeenen regel geen uitzondering. Zij was zeer lang, zeer scherp van boeg en vertoonde een zuivere waterlijn. Zij had een krachtvolle machine, die raderen van een machtigen omvang in beweging bracht, en was een vaartuig van groote snelheid. Inwendig heerschte de meest mogelijke comfort in de salons en eetkamers. Op het dek was een halfdek aangebracht dat behoorlijk tegen de zonnestralen beschut was door een tent, sierlijk gefestonneerd, waaronder zich banken en stoelen met zachte kussens bevonden. Dat was een bekoorlijk plekje, waar de reizigers een uitmuntend uitzicht genoten en geen last hadden van rook of andere onaangename geuren.Aan reizigers was geen gebrek. Zij kwamen zoowat van alle kanten opdagen, zoowel van Schotland als van Engeland. De maand Augustus is de meest gunstige voor de uitstapjes. Vooral die op de Clyde en naar de Hebriden vallen buitengewoon in den smaak. Er bevonden zich daar op dat dek een paar van die huisgezinnen op groot compleet, wier echtvereeniging buitengewoon edelmoedig door den hemel gezegend was; zeer vroolijke jonge meisjes en meer bedaarde jonge mannen, ook kinderen, die evenwel reeds eenigermate met de verrassingen van het omzwervend leven vertrouwd geraakt waren; verder predikanten, die steeds zoo talrijk aan boord der stoombooten aanwezig zijn, met den hoogen zijden hoed ophet hoofd, den zwarten jas met staanden kraag aan, de witte das, boven het vest prijkende, om den hals; verder eenige pachters met de Schotsche muts getooid en door hun zwaren stap aan de oude »Bonnet-lords” herinnerende van een zestig jaar geleden; dan nog een half dozijn vreemdelingen, waaronder Duitschers, die zelfs buiten Duitschland hunne zwaarwichtigheid niet verliezen, en twee of drie Franschen, wier geestige beminnelijkheid hen zelfs niet buiten Frankrijk verlaat.Wanneer miss Campbell als de meeste harer landgenootengehandeldhad en zich, zoodra zij aan boord kwam, in het een of ander hoekje had neergezet, om dit gedurende de geheele reis niet meer te verlaten, en zelfs het hoofd niet te durven omkeeren, dan zou zij van de oevers der Clyde slechts dat gezien hebben, wat zich recht voor hare oogen voorbij bewoog. Maar zij had pret er in om heen en weer te trippelen, nu eens op het voorschip, dan weer op het achterschip. Zij beschouwde de steden, de burchten, de dorpen en gehuchten, waarmede die oevers als bezaaid zijn. Hieruit volgde de noodzakelijkheid, dat broeder Sam en broeder Sib, die haar overal vergezelden, haar vragen beantwoorden, haar opmerkingen en waarnemingen goedkeurden of bevestigden, tusschen Glasgow en Oban geen oogenblik rust hadden. Zij dachten er evenwel niet aan zich daarover te beklagen, dat was aan hun baantje van eerewacht van het jonge meisje verbonden, en zij volgden haar als uit instinct, terwijl zij elkander een snuifje aanboden, dat meewerkte om hen in goede luim te houden.Juffrouw Bess en Partridge hadden op het voorste gedeelte van het halfdek plaats genomen en keuvelden vriendschappelijk over den ouden tijd, over de in onbruik geraakte zeden en gewoonten, over de clans, die in ontbinding geraakten. Waar waren die zoo te betreuren tijden van weleer? Toen verdween de zuivere gezichteinder van de Clyde nog niet achter de uitgebraakte rookwolken van de fabrieken; haar oevers weerklonken niet van de doffe slagen, te weeg gebracht door de stoomhamers; haar kalme wateren werden niet opgezweept door die machtige inspanning van de duizenden stoom-paarden-krachten!»O! die tijd zal terugkomen!” zei juffrouw Bess met innige overtuiging in hare stem. »En misschien vroeger dan wij denken.”»Het is te hopen,”antwoordde Partridge ernstig en deftig,»en met hem zullen wij de oude zeden en gewoonte onzer voorouders zien terugkeeren!”De oevers der Clyde ontrolden zich middelerwijl voor hen, die zich aan boord derColumbiabevonden, met snelheid van voren naar achteren, evenals de tafereelen van een beweeglijk panorama. Ter rechterzijde vertoonden zich het dorpje Patrick, aan de uitwateringvan de Kelvin, met zijn uitgestrekte dokken, waarin de ijzeren zeeschepen vervaardigd worden, die zich vlak tegenover de dokken van Goivan, op den anderen oever der Clyde gelegen, bevonden. Wat een gehamer en een getiktak op ijzeren platen, welke machtige rook- en stoomwolken daar, die het gehoor en het gezicht van Partridge en van zijn gezellin zoo onaangenaam aandeden!Maar al dat nijverheids-spektakel, al die kolendamp zou langzamerhand ophouden en voor het oog verdwijnen. In plaats van scheepstimmerwerven, van overdekte dokken, van hooge fabrieksschoorsteenen, van die reusachtige ijzeren stellingen, die zoozeer op vergroote kooien van een zoölogischen tuin van mastodonten en andere voorwereldlijke dieren gelijken, begonnen behaaglijke woningen te verschijnen, buitenverblijven, onder het groene loof van hoog geboomte verscholen villa’s van de anglo-saksische bouworde, die zich als verspreid op de omliggende heuvelen verhieven. Het was toen als een onafgebroken opvolging van fraaie villa’s en kasteelen, die zich als gezaaid op een groenen band van de eene tot de andere stad ontrolden.Na den ouden koninklijken burcht van Renfrew, op den linkeroever van de rivier gelegen, voorbij gestoomd te zijn, kwamen de dicht begroeide heuvels van Kilpatrick ter rechterzijde boven het dorp van dien naam te voorschijn. Langs die plek kan geen Ierlander voorbijgaan, zonder zich het hoofd te ontblooten, want daar is Sint-Patrick, de beschermheilige van Ierland, geboren.De Clyde begon van rivier of stroom, die zij tot nu toe slechts geweest was, nu een ware zeearm te worden. Juffrouw Bess en Partridge groetten eerbiedig de bouwvallen van Douglas-Castle, die eenige oude herinneringen uit de geschiedenis van Schotland in hun brein te voorschijn riepen; maar hunne oogen wendden zich af van de zuil die opgericht werd ter eere van Harry Bell, den uitvinder en de vervaardiger van het eerste schip, dat zich met behulp van werktuigen bewoog en welks raderen door hun geklepper deze stille wateren beroerden.Eenige mijlen verder aanschouwden de reizigers, met hun Murray in de hand, het kasteel van Dumbarton, dat zich op een basaltrots van meer dan vijfhonderd voet hoogte verheft.Een der beide kegelvormige toppen, door die rots gedragen, en wel de hoogste, wordt nog de »Troon van Wallace”, naar een der helden van denonafhankelijkheidsoorlog, genoemd.Juist op dit oogenblik begon een heer, die boven op de loopbrug stond,—zonder dat hij daartoe uitgenoodigd was, maar ook zonder dat iemand zulks onaangenaam vond—een kleine geschiedkundige verhandeling, ter voorlichting van zijn reisgezellenDe Columbia stoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).DeColumbiastoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).Een half uur later kon niemand van hen, die zich aan boord van deColumbiabevonden, tenzij dat hij met doofheid geslagenwas, onbekendheid voorwenden met de omstandigheid, dat de Romeinen Dumbarton zeer waarschijnlijk versterkt hadden; dat die historische rotsklomp in het begin der dertiende eeuw in een koninklijke vesting herschapen werd; dat hij, bevoordeeld door het Unie-traktaat, tot de vier sterke plaatsen van het koninkrijk Schotland behoort, die niet ontmanteld mogen worden; dat Maria Stuart van uit die haven in 1548 naar Frankrijk vertrok, om daar door haar huwelijk met Frans den Tweeden, koningin voor één dag te zijn, dat daar eindelijk Napoleon in 1845 had moeten opgesloten worden, voor dat het ministerie Castlereagh tot een besluit kwam, den grooten man naar Sint Helena te verbannen.»Zoo’n verhandeling is zeer leerrijk.”»Leerrijk en belangwekkend,” antwoordde broeder Sib. »Die gentleman verdient ten volle onze loftuigingen!”En inderdaad, de beide ooms hadden geen enkel woord van de geheele verhandeling willen missen. Zij achtten zich dan ook verplicht, dien geïmproviseerden professor in de geschiedenis een blijk hunner innige tevredenheid te geven. Miss Campbell, in haar gedachten verzonken, had niets gehoord van die geschiedenis-les in de vlucht. Zoo iets kon haar, althans in deze oogenblikken, niet boeien. Zij gunde zelfs geen blik aan de bouwvallen van het kasteel van Cadross, dat op den rechteroever van den stroom gelegen was, en waar Robert Bruce stierf. Een zee-gezichteinder, dat was het wat hare oogen tot nu toe te vergeefs zochten. Zij zou dien evenwel niet zien, voor dat deColumbiauit die voortdurende opvolging van oevers, van voorgebergten, van kuststreken, die de baai van de Clyde omzoomen, te voorschijn zou getreden zijn. Daarenboven, deColumbiastoomde thans het dorpje Helenaburg voorbij. Port-Glasgow, de bouwvallen van het kasteel van Newark, het schiereilandRosenheat, dat alles was haar bekend, dat zag het jonge meisje iederen dag uit de ramen van haar buitenverblijf. Zij vroeg zich dan ook af, of de stoomboot niet op de grillig aangelegde waterpartijen van haar park voer.En waarom zouden haar oog en haar gedachten, toen het vaartuig verder gekomen was, verdwalen te midden van honderden schepen, die zich in de havenkommen van Greenock bij de uitwatering van den stroom als verdrongen? Wat kon het haar schelen, dat de onsterfelijke Watt geboren was in die stad van veertig duizend zielen, die als de nijverheids- en handels-voorkamer van Glasgow te beschouwen is? Waarom toch zou zij drie mijl verder, haar blikken laten rusten op het dorp Gouroch ter linkerzijde, of op het dorp Dunoon ter rechter zijde, op de getande en bochtige fiords, die zoo diepe inhammen in de kuststreken van het graafschap van Argyle vormen en die aan de kust van Noorwegen gelijk stellen?Neen! miss Campbell zocht met ongeduldig oog de bouwvallen van den toren van Leven. Hoopte zij er een geestverschijning te ontwaren? Geenszins, maar zij wilde de eerste zijn, die den vuurtoren in het oog kreeg van Clock, die den uitgang van de Firth of Clyde verlicht.De vuurtoren verscheen eindelijk als een reuzenlamp, toen het stoomschip een hoek, dien de kuststreek vormde, rondde.»Clock, oom Sam,” zeide zij. »Clock, Clock!”»Ja, Clock,” antwoordde broeder Sam met de nauwkeurigheid van een Hooglandsche echo.»De zee, oom Sib!”»Ja, inderdaad de zee,” antwoordde broeder Sib.»O! wat is dat mooi!” riepen de beide ooms te gelijk.Het was alsof zij de zee voor den eersten keer van hun leven aanschouwden.Neen, er was geen vergissing mogelijk. Toen de baai zich voor het oog opende, vertoonde zich daar goed en wel een uitgestrekte zee-horizon.Maar de zon had nog niet eens de helft van haar loopbaan afgelegd. Onder den zes en vijftigsten breedtegraad moesten nog minstens zeven uur verloopen, alvorens zij in de zilte golven zou onderduiken,—dus nog zeven uur van ongeduldig wachten voor miss Campbell. Daarenboven, die gezichteinder strekte zich in het zuidwesten uit, dat wil zeggen over dat segment van den cirkelboog, waarin de zonneschijf zich bij haar ondergaan niet laat zien dan bij den winterzonnestilstand. Daar moest dus de verschijning van den Groenen Straal niet gezocht worden; neen men zou den blik meer westelijk, zelfs ietswat naar het noorden moeten richten, daar de eerste Augustusdagen de dag- en nachtevening van September zes weken voorafgaan.Maar dat kwam er minder op aan. Het was de zee, die zich thans voor het oog van miss Campbell uitstrekte. Tusschen de Cambray-eilanden, daar voorbij het groote eiland van Bute, welks scherpe omtrekken door een lichten nevel afgerond werden, dan voorbij de kleine toppen en ruggen van Aisla-Craig en der Arran-bergen, vormden de hemel en de zee te zamen een lijn zoo zuiver, alsof zij langs de liniaal met een fijn aangepunt potlood getrokken was.Miss Campbell nam dien gezichteinder waar, terwijl zij er hare geheele gedachten aan wijdde, en sprak daarbij geen woord. Zij stond rechtop en onbeweeglijk op de loopbrug, en de zon vormde aan haar voeten een zeer verkorte schaduw van haar persoon. Met het oog scheen zij de lengte van den boog te meten, dien de dagvorstin nog scheidde van het punt waar zij in de wateren van den hybridischen archipel zou ondergaan.... Wanneer slechts in dat oogenblik dehemel, zoo helder thans, niet door de dampen van den schemeravond verduisterd zoude worden!Een stem ontvoerde de jeugdige dweepster aan hare droomerijen.»Het is tijd,” zei broeder Sib.»Tijd! welke tijd, waarde oompjes?”»Tijd om te ontbijten,” zei broeder Sam.»Kom, laten wij dan ontbijten!” antwoordde miss Campbell.
Daags daarna, den 2denAugustus al heel vroeg, stapte miss Campbell, vergezeld door hare ooms, de gebroeders Melvill en gevolgd door Partridge en juffrouw Bess, op het station van de spoorwegbaan van Helenaburg in den trein. Men zou zich te Glasgow inschepen op de stoomboot, die den dagelijkschen dienst tusschen die stad en Oban verricht, en geen andere plaats aan de kust gelegen aandoet.
Tegen zeven uur bracht de trein onze vijf reizigers in het aankomst-station te Glasgow aan, van waar een rijtuig hen naarBroomielawBridge vervoerde.
Daar wachtte de stoombootColumbiareeds de passagiers. Een dikke rook ontsnapte uit haar beide schoorsteenen en vermengde zich met den dikken nevel, die nog over de Clyde hing. Maar die morgendampen begonnen zich op te lossen, en de loodkleurachtigeschijf der zon vertoonde reeds eenige gulden schakeeringen. Dat was de voorbode van een schoonen dag.
De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).
De oevers der Clyde ontrolden zich (bladz. 31).
Miss Campbell en haar reisgenooten scheepten zich dadelijk in, nadat hun bagage behoorlijk verzorgd en aan boord gebracht was.
De bel liet in dit oogenblik haar derde en laatste geklingel weergalmen om de te-laat-komers tot spoed aan te zetten. Daarop zette de machinist de machine aan; de schoepen der raderen sloegen een paar slagen vooruit, een paar achteruit, en wierpen groote golven geelachtig water omhoog, waarna een scherp fluitje weerklonk. De trossen werden toen losgegooid en deColumbiaschoot weldra in den stoomdraad vooruit.
De reizigers, die in het Vereenigd Koninkrijk reden tot klachten meenen te hebben, handelen veelal onbillijk. Want het zijn prachtige vaartuigen, die hen vanwege de stoomboot-maatschappijen ter beschikking worden gesteld. Er is niet zoo’n smalle waterstroom, geen zoo’n klein meer, geen zoo’n zeeboezemtje, welks oppervlakten niet dagelijks doorploegd worden door bevallige stoomvaartuigen. Het is dan ook hoegenaamd niet bevreemdend, dat de Clyde in dat opzicht onder de meest begunstigde behoort. Langs de Broomielaw Street, alwaar de aanlegplaats of beter de stoomboot-kade gevonden wordt, wemelt het letterlijk van stoomvaartuigen, die met hunne met de levendigste kleuren beschilderde raderkasten, waarin het verguldsel strijd voert met het Cinaber-geel, steeds stoom op hebben en gereed zijn om in alle richtingen te vertrekken.
DeColumbiamaakte op den algemeenen regel geen uitzondering. Zij was zeer lang, zeer scherp van boeg en vertoonde een zuivere waterlijn. Zij had een krachtvolle machine, die raderen van een machtigen omvang in beweging bracht, en was een vaartuig van groote snelheid. Inwendig heerschte de meest mogelijke comfort in de salons en eetkamers. Op het dek was een halfdek aangebracht dat behoorlijk tegen de zonnestralen beschut was door een tent, sierlijk gefestonneerd, waaronder zich banken en stoelen met zachte kussens bevonden. Dat was een bekoorlijk plekje, waar de reizigers een uitmuntend uitzicht genoten en geen last hadden van rook of andere onaangename geuren.
Aan reizigers was geen gebrek. Zij kwamen zoowat van alle kanten opdagen, zoowel van Schotland als van Engeland. De maand Augustus is de meest gunstige voor de uitstapjes. Vooral die op de Clyde en naar de Hebriden vallen buitengewoon in den smaak. Er bevonden zich daar op dat dek een paar van die huisgezinnen op groot compleet, wier echtvereeniging buitengewoon edelmoedig door den hemel gezegend was; zeer vroolijke jonge meisjes en meer bedaarde jonge mannen, ook kinderen, die evenwel reeds eenigermate met de verrassingen van het omzwervend leven vertrouwd geraakt waren; verder predikanten, die steeds zoo talrijk aan boord der stoombooten aanwezig zijn, met den hoogen zijden hoed ophet hoofd, den zwarten jas met staanden kraag aan, de witte das, boven het vest prijkende, om den hals; verder eenige pachters met de Schotsche muts getooid en door hun zwaren stap aan de oude »Bonnet-lords” herinnerende van een zestig jaar geleden; dan nog een half dozijn vreemdelingen, waaronder Duitschers, die zelfs buiten Duitschland hunne zwaarwichtigheid niet verliezen, en twee of drie Franschen, wier geestige beminnelijkheid hen zelfs niet buiten Frankrijk verlaat.
Wanneer miss Campbell als de meeste harer landgenootengehandeldhad en zich, zoodra zij aan boord kwam, in het een of ander hoekje had neergezet, om dit gedurende de geheele reis niet meer te verlaten, en zelfs het hoofd niet te durven omkeeren, dan zou zij van de oevers der Clyde slechts dat gezien hebben, wat zich recht voor hare oogen voorbij bewoog. Maar zij had pret er in om heen en weer te trippelen, nu eens op het voorschip, dan weer op het achterschip. Zij beschouwde de steden, de burchten, de dorpen en gehuchten, waarmede die oevers als bezaaid zijn. Hieruit volgde de noodzakelijkheid, dat broeder Sam en broeder Sib, die haar overal vergezelden, haar vragen beantwoorden, haar opmerkingen en waarnemingen goedkeurden of bevestigden, tusschen Glasgow en Oban geen oogenblik rust hadden. Zij dachten er evenwel niet aan zich daarover te beklagen, dat was aan hun baantje van eerewacht van het jonge meisje verbonden, en zij volgden haar als uit instinct, terwijl zij elkander een snuifje aanboden, dat meewerkte om hen in goede luim te houden.
Juffrouw Bess en Partridge hadden op het voorste gedeelte van het halfdek plaats genomen en keuvelden vriendschappelijk over den ouden tijd, over de in onbruik geraakte zeden en gewoonten, over de clans, die in ontbinding geraakten. Waar waren die zoo te betreuren tijden van weleer? Toen verdween de zuivere gezichteinder van de Clyde nog niet achter de uitgebraakte rookwolken van de fabrieken; haar oevers weerklonken niet van de doffe slagen, te weeg gebracht door de stoomhamers; haar kalme wateren werden niet opgezweept door die machtige inspanning van de duizenden stoom-paarden-krachten!
»O! die tijd zal terugkomen!” zei juffrouw Bess met innige overtuiging in hare stem. »En misschien vroeger dan wij denken.”
»Het is te hopen,”antwoordde Partridge ernstig en deftig,»en met hem zullen wij de oude zeden en gewoonte onzer voorouders zien terugkeeren!”
De oevers der Clyde ontrolden zich middelerwijl voor hen, die zich aan boord derColumbiabevonden, met snelheid van voren naar achteren, evenals de tafereelen van een beweeglijk panorama. Ter rechterzijde vertoonden zich het dorpje Patrick, aan de uitwateringvan de Kelvin, met zijn uitgestrekte dokken, waarin de ijzeren zeeschepen vervaardigd worden, die zich vlak tegenover de dokken van Goivan, op den anderen oever der Clyde gelegen, bevonden. Wat een gehamer en een getiktak op ijzeren platen, welke machtige rook- en stoomwolken daar, die het gehoor en het gezicht van Partridge en van zijn gezellin zoo onaangenaam aandeden!
Maar al dat nijverheids-spektakel, al die kolendamp zou langzamerhand ophouden en voor het oog verdwijnen. In plaats van scheepstimmerwerven, van overdekte dokken, van hooge fabrieksschoorsteenen, van die reusachtige ijzeren stellingen, die zoozeer op vergroote kooien van een zoölogischen tuin van mastodonten en andere voorwereldlijke dieren gelijken, begonnen behaaglijke woningen te verschijnen, buitenverblijven, onder het groene loof van hoog geboomte verscholen villa’s van de anglo-saksische bouworde, die zich als verspreid op de omliggende heuvelen verhieven. Het was toen als een onafgebroken opvolging van fraaie villa’s en kasteelen, die zich als gezaaid op een groenen band van de eene tot de andere stad ontrolden.
Na den ouden koninklijken burcht van Renfrew, op den linkeroever van de rivier gelegen, voorbij gestoomd te zijn, kwamen de dicht begroeide heuvels van Kilpatrick ter rechterzijde boven het dorp van dien naam te voorschijn. Langs die plek kan geen Ierlander voorbijgaan, zonder zich het hoofd te ontblooten, want daar is Sint-Patrick, de beschermheilige van Ierland, geboren.
De Clyde begon van rivier of stroom, die zij tot nu toe slechts geweest was, nu een ware zeearm te worden. Juffrouw Bess en Partridge groetten eerbiedig de bouwvallen van Douglas-Castle, die eenige oude herinneringen uit de geschiedenis van Schotland in hun brein te voorschijn riepen; maar hunne oogen wendden zich af van de zuil die opgericht werd ter eere van Harry Bell, den uitvinder en de vervaardiger van het eerste schip, dat zich met behulp van werktuigen bewoog en welks raderen door hun geklepper deze stille wateren beroerden.
Eenige mijlen verder aanschouwden de reizigers, met hun Murray in de hand, het kasteel van Dumbarton, dat zich op een basaltrots van meer dan vijfhonderd voet hoogte verheft.
Een der beide kegelvormige toppen, door die rots gedragen, en wel de hoogste, wordt nog de »Troon van Wallace”, naar een der helden van denonafhankelijkheidsoorlog, genoemd.
Juist op dit oogenblik begon een heer, die boven op de loopbrug stond,—zonder dat hij daartoe uitgenoodigd was, maar ook zonder dat iemand zulks onaangenaam vond—een kleine geschiedkundige verhandeling, ter voorlichting van zijn reisgezellen
De Columbia stoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).DeColumbiastoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).
DeColumbiastoomde het dorpje Helenaburg voorbij. (bladz. 34).
Een half uur later kon niemand van hen, die zich aan boord van deColumbiabevonden, tenzij dat hij met doofheid geslagenwas, onbekendheid voorwenden met de omstandigheid, dat de Romeinen Dumbarton zeer waarschijnlijk versterkt hadden; dat die historische rotsklomp in het begin der dertiende eeuw in een koninklijke vesting herschapen werd; dat hij, bevoordeeld door het Unie-traktaat, tot de vier sterke plaatsen van het koninkrijk Schotland behoort, die niet ontmanteld mogen worden; dat Maria Stuart van uit die haven in 1548 naar Frankrijk vertrok, om daar door haar huwelijk met Frans den Tweeden, koningin voor één dag te zijn, dat daar eindelijk Napoleon in 1845 had moeten opgesloten worden, voor dat het ministerie Castlereagh tot een besluit kwam, den grooten man naar Sint Helena te verbannen.
»Zoo’n verhandeling is zeer leerrijk.”
»Leerrijk en belangwekkend,” antwoordde broeder Sib. »Die gentleman verdient ten volle onze loftuigingen!”
En inderdaad, de beide ooms hadden geen enkel woord van de geheele verhandeling willen missen. Zij achtten zich dan ook verplicht, dien geïmproviseerden professor in de geschiedenis een blijk hunner innige tevredenheid te geven. Miss Campbell, in haar gedachten verzonken, had niets gehoord van die geschiedenis-les in de vlucht. Zoo iets kon haar, althans in deze oogenblikken, niet boeien. Zij gunde zelfs geen blik aan de bouwvallen van het kasteel van Cadross, dat op den rechteroever van den stroom gelegen was, en waar Robert Bruce stierf. Een zee-gezichteinder, dat was het wat hare oogen tot nu toe te vergeefs zochten. Zij zou dien evenwel niet zien, voor dat deColumbiauit die voortdurende opvolging van oevers, van voorgebergten, van kuststreken, die de baai van de Clyde omzoomen, te voorschijn zou getreden zijn. Daarenboven, deColumbiastoomde thans het dorpje Helenaburg voorbij. Port-Glasgow, de bouwvallen van het kasteel van Newark, het schiereilandRosenheat, dat alles was haar bekend, dat zag het jonge meisje iederen dag uit de ramen van haar buitenverblijf. Zij vroeg zich dan ook af, of de stoomboot niet op de grillig aangelegde waterpartijen van haar park voer.
En waarom zouden haar oog en haar gedachten, toen het vaartuig verder gekomen was, verdwalen te midden van honderden schepen, die zich in de havenkommen van Greenock bij de uitwatering van den stroom als verdrongen? Wat kon het haar schelen, dat de onsterfelijke Watt geboren was in die stad van veertig duizend zielen, die als de nijverheids- en handels-voorkamer van Glasgow te beschouwen is? Waarom toch zou zij drie mijl verder, haar blikken laten rusten op het dorp Gouroch ter linkerzijde, of op het dorp Dunoon ter rechter zijde, op de getande en bochtige fiords, die zoo diepe inhammen in de kuststreken van het graafschap van Argyle vormen en die aan de kust van Noorwegen gelijk stellen?
Neen! miss Campbell zocht met ongeduldig oog de bouwvallen van den toren van Leven. Hoopte zij er een geestverschijning te ontwaren? Geenszins, maar zij wilde de eerste zijn, die den vuurtoren in het oog kreeg van Clock, die den uitgang van de Firth of Clyde verlicht.
De vuurtoren verscheen eindelijk als een reuzenlamp, toen het stoomschip een hoek, dien de kuststreek vormde, rondde.
»Clock, oom Sam,” zeide zij. »Clock, Clock!”
»Ja, Clock,” antwoordde broeder Sam met de nauwkeurigheid van een Hooglandsche echo.
»De zee, oom Sib!”
»Ja, inderdaad de zee,” antwoordde broeder Sib.
»O! wat is dat mooi!” riepen de beide ooms te gelijk.
Het was alsof zij de zee voor den eersten keer van hun leven aanschouwden.
Neen, er was geen vergissing mogelijk. Toen de baai zich voor het oog opende, vertoonde zich daar goed en wel een uitgestrekte zee-horizon.
Maar de zon had nog niet eens de helft van haar loopbaan afgelegd. Onder den zes en vijftigsten breedtegraad moesten nog minstens zeven uur verloopen, alvorens zij in de zilte golven zou onderduiken,—dus nog zeven uur van ongeduldig wachten voor miss Campbell. Daarenboven, die gezichteinder strekte zich in het zuidwesten uit, dat wil zeggen over dat segment van den cirkelboog, waarin de zonneschijf zich bij haar ondergaan niet laat zien dan bij den winterzonnestilstand. Daar moest dus de verschijning van den Groenen Straal niet gezocht worden; neen men zou den blik meer westelijk, zelfs ietswat naar het noorden moeten richten, daar de eerste Augustusdagen de dag- en nachtevening van September zes weken voorafgaan.
Maar dat kwam er minder op aan. Het was de zee, die zich thans voor het oog van miss Campbell uitstrekte. Tusschen de Cambray-eilanden, daar voorbij het groote eiland van Bute, welks scherpe omtrekken door een lichten nevel afgerond werden, dan voorbij de kleine toppen en ruggen van Aisla-Craig en der Arran-bergen, vormden de hemel en de zee te zamen een lijn zoo zuiver, alsof zij langs de liniaal met een fijn aangepunt potlood getrokken was.
Miss Campbell nam dien gezichteinder waar, terwijl zij er hare geheele gedachten aan wijdde, en sprak daarbij geen woord. Zij stond rechtop en onbeweeglijk op de loopbrug, en de zon vormde aan haar voeten een zeer verkorte schaduw van haar persoon. Met het oog scheen zij de lengte van den boog te meten, dien de dagvorstin nog scheidde van het punt waar zij in de wateren van den hybridischen archipel zou ondergaan.... Wanneer slechts in dat oogenblik dehemel, zoo helder thans, niet door de dampen van den schemeravond verduisterd zoude worden!
Een stem ontvoerde de jeugdige dweepster aan hare droomerijen.
»Het is tijd,” zei broeder Sib.
»Tijd! welke tijd, waarde oompjes?”
»Tijd om te ontbijten,” zei broeder Sam.
»Kom, laten wij dan ontbijten!” antwoordde miss Campbell.
V.Van de eene boot op de andere.Na het half-koude, half-warme maal, waaruit het ontbijt bestond—dat, tusschen twee haakjes gezegd, overheerlijk was—en in het eetsalon van deColumbiavoorgediend werd, stegen miss Campbell en de gebroeders Melvill andermaal op het dek.Helena kon een kreet van teleurstelling niet weerhouden, toen zij haar plaats op het halfdek weer ingenomen had.»Waar is mijn zee-horizon?” vroeg zij.Hare ooms moesten bekennen, dat die horizon er niet meer was. Sedert eenige minuten was hij verdwenen. De stoomboot, die noordelijk voorlag, stevende op dat oogenblik door de Straat van Kyles of van Bute.»Dat is niet mooi, oom Sam!” sprak Miss Campbell met een lichten toon van verwijt in de stem en met een zweem van pruilen op de schoone lippen.»Maar, mijn lief kind....”»Dat zal ik niet licht vergeten, oom Sib!”De twee broeders wisten geen antwoord te geven, en toch kon men hun de schuld niet geven, dat deColumbia, na haren koers gewijzigd te hebben, verdernoordwaartsstevende.Er bestaan inderdaad twee wegen, of beter twee vaarwaters, die nog al sterk uiteenloopen, om over zee van Glasgow naar Oban te geraken.»Een sloep!” riep hij uit. (bladz. 43.)»Een sloep!” riep hij uit.(bladz. 43.)De een—die door deColumbianiet ingeslagen was—is de langste. Die voert langs Bothesay, de hoofdplaats van het eiland Bute, welke natuurlijk aangedaan wordt. Dat stadje wordt beheerscht door een oud kasteel, dat uit de elfde eeuw dagteekent, en is in het westen omgeven door hooge glens, die haar haven tegen destormwinden uit volle zee dekken. Van Rothesay kan de stoomboot verder de Clyde-baai afzakken, vervolgens de wester kuststreek vanhet Bute-eiland langs stevenen, groot en klein Cumbray in het gezicht loopen en verder in die richting voortstoomen, totdat de meest zuidelijke punt van het eiland Arran bereikt is. Dat eiland behoort in zijn geheel, van zijn grondvesten van rotslagen tot op den top van den Goatfell, die zich op nagenoeg achthonderd meter boven de oppervlakte der zee verheft, aan den hertog van Hamilton. Bij die zuidpunt gekomen, legt de roerganger zijn roer te boord, totdat de weststreek van het kompas met de zeilstreek overeenkomt, waardoor het eiland Arran gerond wordt. Men stevent verder rond om den grooten vinger van het schiereiland Cantyre, om langs de westkust daarvan op te stoomen, waarna men in de Gigha-engte komt, die het smalste gedeelte uitmaakt van de Sond-straat, die tusschen de eilanden Islay en Jura doorvoert, waarna men in het meest opene gedeelte, van de Forth- of Lorn-baai geraakt, welker teruggetrokken hoek zich een weinig boven Oban sluit.Goed gerekend, wanneer miss Campbell eenige reden tot pruilen had, dan zouden de beide ooms toch ook reden hebben om te betreuren, dat die weg niet was ingeslagen. Wanneer men toch die kuststreek van het eiland Islay gevolgd had, dan zouden zij met eigen oogen gezien hebben de verblijfplaats der Mac Donalds, die, in het begin der zeventiende eeuw overwonnen en verjaagd, de plaats moesten ruimen voor de Campbells. Bij het gezicht van de plaats, waar die historische feiten voorgevallen waren, die de beide broeders van nabij betroffen, zouden zij niet alleen hun hart hebben voelen kloppen, maar ook Juffrouw Bess en Partridge zouden hunne aandoening niet meester gebleven zijn.En wat miss Campbell betrof, voor haar oogen zou die zoo zeer betreurde gezichteinder zich gedurende veel langer tijd uitgestrekt hebben. Want inderdaad, van de punt van de Arran tot aan het voorgebergte van Cantyre heeft men de volle zee in het zuiden en van die punt van Cantyre tot aan het uiteinde van Islay heeft men de volle zee in het westen, dat wil zeggen die vloeibare onmetelijkheid, die slechts op een afstand van ruim drie duizend mijl door het Amerikaanschvastelandbegrensd wordt.Maar die weg is, zooals gezegd werd, de langste; hij is ook de meest moeitevolle en niet van gevaren ontbloot. Men heeft met dat slag van toeristen rekening moeten houden, die afgeschrikt worden door de gebeurlijkheden van een overtocht soms bij ruw weer, wanneer de zee veelal hol staat in die streken der Hebriden.De ingenieurs hebben dan ook, in navolging van de Lesseps de gedachte geopperd en uitgevoerd, om van dat schiereiland Cantyre een eiland te maken. Onder hunne leiding werd het kanaal van Crinan in het noordelijkste gedeelte van het schiereiland gegraven. Daardoor wordt de reis minstens tweehonderd mijl bekort, en eenvaartuig heeft slechts drie of vier uur noodig om het door te stevenen.Door dien weg zou deColumbiatusschen al die inhammen en zeeëngten, met geen ander uitzicht dan kale stranden, dan bergen en wouden, den overtocht van Glasgow naar Oban beëindigen. Van al de passagiers aan boord was miss Campbell zeer waarschijnlijk de eenige die de niet gevolgde reisroute betreurde, maar zij moest wel in het onvermijdelijke berusten. Daarenboven zou zij dien zee-gezichteinder niet weervinden, wanneer men eenige uren later het kanaal van Crinan zou verlaten hebben, nog lang voordat de zon de kim met haar schijf zou aanraken?Terzelfder tijd, toen de naplakkers aan tafel de eetzaal verlieten om zich op het dek te begeven, stoomde deColumbiahet kleine eiland Elbangreig voorbij, hetwelk aan den ingang van Loch Ridden gelegen is. Op dat eilandje bestaat een versterkte plaats, die tot laatste schuiloord strekte aan den hertog van Argyle, toen die held, ten onder gebracht in den strijd voor de staatkundige en godsdienstige onafhankelijkheid van Schotland naarEdinburggebracht werd, om daar het leven onder de valbijl zijns vaderlands te laten.Toen stevende de stoomboot zuidwaarts, alsof zij op haar schreden wilde terugkeeren, volvoerde den doortocht door de zeeëngte van Bute, te midden van dat bewonderenswaardige panorama van eilanden, die òf kaal en onvruchtbaar, òf met zwaar bosch bedekt waren, en welker scherpe en woeste omtrekken door een lichten nevel verzacht waren. Eindelijk na de kaap Ardlamont gerond te hebben, werd de noordwaartsche richting hernomen door Loch Fyne waarbij het dorp East-Farbert op de kust van Cantyre gelegen, ter linkerzijde gelaten werd. Vervolgens werd Kaap Ardrishaig voorbijgestoomd, en zoo het gehucht Lochgilphead bereikt, waar zich de monding van het kanaal Crinan bevindt.Daar moesten de reizigers deColumbiaverlaten, omdat zij van te groot charter was voor de vaart op het kanaal. Door dien doorsteek, die een sterk waterverval heeft, waardoor niet minder dan vijftien sluizen benoodigd zijn op haar lengte van slechts negen mijl, kunnen slechts smalle vaartuigen van weinig diepgang varen.De kleine stoombootthe Linnetwachtte de passagiers van deColumbia. De overscheping had in weinige oogenblikken plaats. Ieder zocht een goed plekje op het halfdek, waarop men evenwel zeer opeengedrongen zat. Daarna stoomdethe Linnetmet spoed tusschen de kanaaloevers voort, terwijl een »bagpiper”, een doedelzakartist, in het nationaal kostuum gekleed, zijn bevreemdend instrument liet weerklinken. Niets weemoediger dan die vreemdsoortige muziek, welker ontwikkeling slechts de uitgestrektheid van een octaaf bereikt en waarbij de gevoelsnoot ontbreekt even als in de deuntjes uit den tijd der vervlogen eeuwen.Het is een bevallige vaart op dit kanaal, dat nu eens tusschen hooge oevers is uitgegraven, dan eens langs de hellingen van een met heideplanten begroeiden heuvel voert, waaraan het als vastgehaakt schijnt; dat hier een uitgestrekt vlak bouwland doorsnijdt, om elders weer tusschen de zware muren van de schutkolken besloten te worden. In het sas is er telkenmale oponthoud. Terwijl de sluiswachters zich haasten om het vaartuig te schutten, komen jonge lieden, jonge meisjes en kinderen de reizigers met beleefden groet versch gewonnen melk aanbieden, en babbelen daarbij de gaëlische volkstaal, die door de Kelten vroeger algemeen gebruikt werd, en meestal onverstaanbaar is, zelfs voor Engelsche ooren.Zes uren later—er had oponthoud plaats gehad bij een sluis, welker deuren slecht sloten—waren de gehuchten en de pachthoeven van dit wel wat droefgeestig land, alsook de uitgestrekte moerassen van de Add, die op den rechteroever van het kanaal, aangetroffen werden, voorbij gestevend.The Linnetstopte een oogenblik later bij het dorp Ballanoch. Daar had een tweede overscheping plaats en werden de passagiers van deColumbiade passagiers van deGlengarry. Die boot stevende noordwestwaarts, om de baai van Crinan uittestoomen en de punt te ronden, waarop zich het oude feodale kasteel van Duntroon Castle verheft.Sedert men het eiland Bute voorbijgestevend was, alwaar men er een stukje van had kunnen snappen, was geen zee-gezichteinder meer te zien geweest.Men kan begrijpen welk ongeduld miss Campbell bezielde. Op die wateren, wier gezichtskring overal begrensd was, kon zij zich verbeelden ten volle in Schotland te zijn, in de meerstreken, te midden van het land van Rob Roy. Overal werden schilderachtige eilanden aangetroffen, met hunne zachte afrondingen en begroeid met berke- en beukeboomen.Eindelijk stevende deGlengarryde noorder punt van het eiland Jura om, en toen vertoonde zich de zee tusschen dit punt en het eilandjeScarba, dat er als afgescheurd is in al haar uitgestrektheid, tot waar de hemel de waterlijn schijnt te ontmoeten.»Daar is ze! waarde Helena!” riep broeder Sam, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte.»Het was waarachtig onze schuld niet,” vervolgde broeder Sib, »dat die verwenschte eilanden, die de oude Nick hale! ze voor uwe oogen verborgen.”»Vergiffenis zij u geschonken, waarde oompjes,” antwoordde miss Campbell met een bekoorlijken glimlach. »Maar... dat het niet weer gebeure!”»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).
Na het half-koude, half-warme maal, waaruit het ontbijt bestond—dat, tusschen twee haakjes gezegd, overheerlijk was—en in het eetsalon van deColumbiavoorgediend werd, stegen miss Campbell en de gebroeders Melvill andermaal op het dek.
Helena kon een kreet van teleurstelling niet weerhouden, toen zij haar plaats op het halfdek weer ingenomen had.
»Waar is mijn zee-horizon?” vroeg zij.
Hare ooms moesten bekennen, dat die horizon er niet meer was. Sedert eenige minuten was hij verdwenen. De stoomboot, die noordelijk voorlag, stevende op dat oogenblik door de Straat van Kyles of van Bute.
»Dat is niet mooi, oom Sam!” sprak Miss Campbell met een lichten toon van verwijt in de stem en met een zweem van pruilen op de schoone lippen.
»Maar, mijn lief kind....”
»Dat zal ik niet licht vergeten, oom Sib!”
De twee broeders wisten geen antwoord te geven, en toch kon men hun de schuld niet geven, dat deColumbia, na haren koers gewijzigd te hebben, verdernoordwaartsstevende.
Er bestaan inderdaad twee wegen, of beter twee vaarwaters, die nog al sterk uiteenloopen, om over zee van Glasgow naar Oban te geraken.
»Een sloep!” riep hij uit. (bladz. 43.)»Een sloep!” riep hij uit.(bladz. 43.)
»Een sloep!” riep hij uit.(bladz. 43.)
De een—die door deColumbianiet ingeslagen was—is de langste. Die voert langs Bothesay, de hoofdplaats van het eiland Bute, welke natuurlijk aangedaan wordt. Dat stadje wordt beheerscht door een oud kasteel, dat uit de elfde eeuw dagteekent, en is in het westen omgeven door hooge glens, die haar haven tegen destormwinden uit volle zee dekken. Van Rothesay kan de stoomboot verder de Clyde-baai afzakken, vervolgens de wester kuststreek vanhet Bute-eiland langs stevenen, groot en klein Cumbray in het gezicht loopen en verder in die richting voortstoomen, totdat de meest zuidelijke punt van het eiland Arran bereikt is. Dat eiland behoort in zijn geheel, van zijn grondvesten van rotslagen tot op den top van den Goatfell, die zich op nagenoeg achthonderd meter boven de oppervlakte der zee verheft, aan den hertog van Hamilton. Bij die zuidpunt gekomen, legt de roerganger zijn roer te boord, totdat de weststreek van het kompas met de zeilstreek overeenkomt, waardoor het eiland Arran gerond wordt. Men stevent verder rond om den grooten vinger van het schiereiland Cantyre, om langs de westkust daarvan op te stoomen, waarna men in de Gigha-engte komt, die het smalste gedeelte uitmaakt van de Sond-straat, die tusschen de eilanden Islay en Jura doorvoert, waarna men in het meest opene gedeelte, van de Forth- of Lorn-baai geraakt, welker teruggetrokken hoek zich een weinig boven Oban sluit.
Goed gerekend, wanneer miss Campbell eenige reden tot pruilen had, dan zouden de beide ooms toch ook reden hebben om te betreuren, dat die weg niet was ingeslagen. Wanneer men toch die kuststreek van het eiland Islay gevolgd had, dan zouden zij met eigen oogen gezien hebben de verblijfplaats der Mac Donalds, die, in het begin der zeventiende eeuw overwonnen en verjaagd, de plaats moesten ruimen voor de Campbells. Bij het gezicht van de plaats, waar die historische feiten voorgevallen waren, die de beide broeders van nabij betroffen, zouden zij niet alleen hun hart hebben voelen kloppen, maar ook Juffrouw Bess en Partridge zouden hunne aandoening niet meester gebleven zijn.
En wat miss Campbell betrof, voor haar oogen zou die zoo zeer betreurde gezichteinder zich gedurende veel langer tijd uitgestrekt hebben. Want inderdaad, van de punt van de Arran tot aan het voorgebergte van Cantyre heeft men de volle zee in het zuiden en van die punt van Cantyre tot aan het uiteinde van Islay heeft men de volle zee in het westen, dat wil zeggen die vloeibare onmetelijkheid, die slechts op een afstand van ruim drie duizend mijl door het Amerikaanschvastelandbegrensd wordt.
Maar die weg is, zooals gezegd werd, de langste; hij is ook de meest moeitevolle en niet van gevaren ontbloot. Men heeft met dat slag van toeristen rekening moeten houden, die afgeschrikt worden door de gebeurlijkheden van een overtocht soms bij ruw weer, wanneer de zee veelal hol staat in die streken der Hebriden.
De ingenieurs hebben dan ook, in navolging van de Lesseps de gedachte geopperd en uitgevoerd, om van dat schiereiland Cantyre een eiland te maken. Onder hunne leiding werd het kanaal van Crinan in het noordelijkste gedeelte van het schiereiland gegraven. Daardoor wordt de reis minstens tweehonderd mijl bekort, en eenvaartuig heeft slechts drie of vier uur noodig om het door te stevenen.
Door dien weg zou deColumbiatusschen al die inhammen en zeeëngten, met geen ander uitzicht dan kale stranden, dan bergen en wouden, den overtocht van Glasgow naar Oban beëindigen. Van al de passagiers aan boord was miss Campbell zeer waarschijnlijk de eenige die de niet gevolgde reisroute betreurde, maar zij moest wel in het onvermijdelijke berusten. Daarenboven zou zij dien zee-gezichteinder niet weervinden, wanneer men eenige uren later het kanaal van Crinan zou verlaten hebben, nog lang voordat de zon de kim met haar schijf zou aanraken?
Terzelfder tijd, toen de naplakkers aan tafel de eetzaal verlieten om zich op het dek te begeven, stoomde deColumbiahet kleine eiland Elbangreig voorbij, hetwelk aan den ingang van Loch Ridden gelegen is. Op dat eilandje bestaat een versterkte plaats, die tot laatste schuiloord strekte aan den hertog van Argyle, toen die held, ten onder gebracht in den strijd voor de staatkundige en godsdienstige onafhankelijkheid van Schotland naarEdinburggebracht werd, om daar het leven onder de valbijl zijns vaderlands te laten.
Toen stevende de stoomboot zuidwaarts, alsof zij op haar schreden wilde terugkeeren, volvoerde den doortocht door de zeeëngte van Bute, te midden van dat bewonderenswaardige panorama van eilanden, die òf kaal en onvruchtbaar, òf met zwaar bosch bedekt waren, en welker scherpe en woeste omtrekken door een lichten nevel verzacht waren. Eindelijk na de kaap Ardlamont gerond te hebben, werd de noordwaartsche richting hernomen door Loch Fyne waarbij het dorp East-Farbert op de kust van Cantyre gelegen, ter linkerzijde gelaten werd. Vervolgens werd Kaap Ardrishaig voorbijgestoomd, en zoo het gehucht Lochgilphead bereikt, waar zich de monding van het kanaal Crinan bevindt.
Daar moesten de reizigers deColumbiaverlaten, omdat zij van te groot charter was voor de vaart op het kanaal. Door dien doorsteek, die een sterk waterverval heeft, waardoor niet minder dan vijftien sluizen benoodigd zijn op haar lengte van slechts negen mijl, kunnen slechts smalle vaartuigen van weinig diepgang varen.
De kleine stoombootthe Linnetwachtte de passagiers van deColumbia. De overscheping had in weinige oogenblikken plaats. Ieder zocht een goed plekje op het halfdek, waarop men evenwel zeer opeengedrongen zat. Daarna stoomdethe Linnetmet spoed tusschen de kanaaloevers voort, terwijl een »bagpiper”, een doedelzakartist, in het nationaal kostuum gekleed, zijn bevreemdend instrument liet weerklinken. Niets weemoediger dan die vreemdsoortige muziek, welker ontwikkeling slechts de uitgestrektheid van een octaaf bereikt en waarbij de gevoelsnoot ontbreekt even als in de deuntjes uit den tijd der vervlogen eeuwen.
Het is een bevallige vaart op dit kanaal, dat nu eens tusschen hooge oevers is uitgegraven, dan eens langs de hellingen van een met heideplanten begroeiden heuvel voert, waaraan het als vastgehaakt schijnt; dat hier een uitgestrekt vlak bouwland doorsnijdt, om elders weer tusschen de zware muren van de schutkolken besloten te worden. In het sas is er telkenmale oponthoud. Terwijl de sluiswachters zich haasten om het vaartuig te schutten, komen jonge lieden, jonge meisjes en kinderen de reizigers met beleefden groet versch gewonnen melk aanbieden, en babbelen daarbij de gaëlische volkstaal, die door de Kelten vroeger algemeen gebruikt werd, en meestal onverstaanbaar is, zelfs voor Engelsche ooren.
Zes uren later—er had oponthoud plaats gehad bij een sluis, welker deuren slecht sloten—waren de gehuchten en de pachthoeven van dit wel wat droefgeestig land, alsook de uitgestrekte moerassen van de Add, die op den rechteroever van het kanaal, aangetroffen werden, voorbij gestevend.The Linnetstopte een oogenblik later bij het dorp Ballanoch. Daar had een tweede overscheping plaats en werden de passagiers van deColumbiade passagiers van deGlengarry. Die boot stevende noordwestwaarts, om de baai van Crinan uittestoomen en de punt te ronden, waarop zich het oude feodale kasteel van Duntroon Castle verheft.
Sedert men het eiland Bute voorbijgestevend was, alwaar men er een stukje van had kunnen snappen, was geen zee-gezichteinder meer te zien geweest.
Men kan begrijpen welk ongeduld miss Campbell bezielde. Op die wateren, wier gezichtskring overal begrensd was, kon zij zich verbeelden ten volle in Schotland te zijn, in de meerstreken, te midden van het land van Rob Roy. Overal werden schilderachtige eilanden aangetroffen, met hunne zachte afrondingen en begroeid met berke- en beukeboomen.
Eindelijk stevende deGlengarryde noorder punt van het eiland Jura om, en toen vertoonde zich de zee tusschen dit punt en het eilandjeScarba, dat er als afgescheurd is in al haar uitgestrektheid, tot waar de hemel de waterlijn schijnt te ontmoeten.
»Daar is ze! waarde Helena!” riep broeder Sam, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte.
»Het was waarachtig onze schuld niet,” vervolgde broeder Sib, »dat die verwenschte eilanden, die de oude Nick hale! ze voor uwe oogen verborgen.”
»Vergiffenis zij u geschonken, waarde oompjes,” antwoordde miss Campbell met een bekoorlijken glimlach. »Maar... dat het niet weer gebeure!”
»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).
»Oh! mijn ouwe zeeman.” (bladz. 48).
VI.De kolk van Corryvrekan.Het was toen ongeveer zes uur des avonds. De zon had nog slechts vier vijfden van haar loopbaan volbracht. Ongetwijfeld zou deGlengarry, voor dat de dagvorstin in de wateren van den Atlantischen Oceaan onderduiken zou, te Oban aangekomen zijn. Miss Campbell kon dus hoop koesteren, dat haar wenschen ten opzichte van den Groenen Straal denzelfden avond vervuld zouden worden. Want waarachtig, het uitspansel vertoonde zich zonder wolken of nevels, en scheen voor de waarneming van dat natuurverschijnsel als geknipt, terwijl de zee-horizon tusschen de eilandenOronsay, Colonsay, en Huil gedurende het overige gedeelte van den overtocht volmaakt zichtbaar zou blijven.Maar een geheel onvoorzien voorval zou den gang van de stoomboot eenigermate komen vertragen.Miss Campbell, geheel ingenomen door haar vast denkbeeld, dat haar niet begaf, hield het oog sterk gevestigd op dat gedeelte van den gezichteinder. Zij alleen merkte dan ook op, hoe woelig de zee tusschen de punt van het eiland Jura en het eilandje Scarba was. Terzelfder tijd bereikte een ver verwijderd geluid, als van golven die tegen elkaar in klotsten, haar oor. En toch rimpelde een flauwe bries ternauwernood de watervlakte, die er olieachtig uitzag, zoo kalm was zij, zelfs toen zij door den boeg van het stoomvaartuig gesneden werd.»Wat veroorzaakt die woeligheid en dat gedruisch?” vroeg miss Campbell aan hare ooms.Maar hare ooms konden haar onmogelijk antwoorden, want zij zelf begrepen evenmin als zij, wat daar op drie mijl afstand van hem in dien nauwen doorgang voorviel.Miss Campbell wendde zich toen tot den kapitein, die in dat oogenblik op de loopbrug op en neer wandelde, en vroeg hem naar de oorzaak van dat golfgeklots, dat zich zoo helder zien en hooren liet.»Dat wordt eenvoudig door den opkomenden vloed veroorzaakt,” antwoordde de kapitein. »Dat geluid, wat gij hoort, is afkomstig van de kolk van Corryvrekan.»Maar het weer is overheerlijk,” merkte miss Campbell op, »en de bries laat zich ternauwernood voelen.”»Het weer heeft ook geen invloed op dat natuurverschijnsel. Het wordt veroorzaakt door de opkomende zee, die bij het doorkomen uit den Jura-Sond geen anderen doortocht vindt dan tusschen de beide eilanden Jura en Scarba. In dien doortocht stort de vloed zich met een buitengewoon groote kracht, en het zou zeer gevaarlijk zijn voor een eenigszins klein vaartuig, zich er in te wagen.”De kolk van Corryvrekan is te recht gevreesd in die streken, en wordt als een der meest merkwaardige plekken van den Hebriden-archipel genoemd. Zij is wellicht te vergelijken met de kolk van Sein, die door de verenging van de zee tusschen den weg van dien naam en de baai der Trépassés op de kust van Bretagne of met de kolk Blanchart, die door de wateren der Hoofden gevormd wordt, welke zich tusschen het eiland Aurigny en den vasten wal van Cherbourg storten. De legende verzekert, dat zij haar naam verschuldigd is aan een Scandinavischen prins, wier schip daar ter plaatse in de Keltische tijden met man en muis verging. Het is inderdaad een gevaarlijke doortocht, waarin veel schepen schipbreuk geleden hebben en die, wat ongelukken betreft, de vergelijking met den noodlottigen Maalstroom op de kusten van Noorwegen doorstaan kan.Miss Campbell hield middelerwijl niet op met naar de hevige golvingen van die kolk te kijken, toen eensklaps haar aandacht meer in het bijzonder geboeid werd door een punt in die zeeëngte. Eerst meende zij dat daar een rots boven de watervlakte uitstak, maar hetgeen zij zag ging met de hevige golvingen der zee op en neer.»Zie, zie toch, kapitein,” zei het jonge meisje, »indien dat geen rots is, wat is het dan?”»Waarlijk,” antwoordde de kapitein, »een rots is het niet. Het kan niet anders dan een stuk wrakhout zijn, dat door den stroom meegevoerd is of het is ook wel....”En zijn kijker grijpende:»Een sloep!” riep hij uit.»Een sloep!” kreet miss Campbell.»Ja!.... ik vergis mij niet!.... Een sloep op de wateren van de Corryvrekan-kolk!.... Oh, zij zal vergaan, dat kan niet anders!”Toen de kapitein die woorden meer uitschreeuwde dan wel zei verdrongen zich de passagiers op de loopbrug en keken allen in de richting van de kolk. Er was geen twijfel meer mogelijk! Het vaartuig was ongetwijfeld door den stroom in de zeeëngte meegesleurd. Dat was zeer zeker door den opkomenden vloed veroorzaakt. Het bevond zich thans in de werking der zuiging van de tegenstroomingen en liep zijn ondergang te gemoet.Aller blikken waren op dat punt van de kolk gevestigd, hetwelk op vier of vijf mijl van deGlengarrygelegen was.»Waarschijnlijk is het maar een sloep, die losgeraakt en afgedreven is,” was de bemerking van een der passagiers.»Neen, dat is het niet! want ik zie er een man in,” antwoordde een ander.»Een man.... twee mannen!” riep Partridge, die in de nabijheid van miss Campbell post gevat had.En inderdaad daar waren twee menschen in die sloep. Zij waren hun vaartuig niet meer meester. Het weinigje bries, dat van de landzijde woei, was onmachtig om hun zeil te vullen en hen buiten de omstroomingen te voeren, en met de riemen was het onmogelijk uit de schrikkelijke zuiging van de Corryvrekan-kolk te geraken.»Kapitein!” riep miss Campbell,»wij kunnen die ongelukkigen toch niet onder onze oogen laten omkomen.... Zij zijn verloren, wanneer men hen aan hun lot overlaat!.... Zij moeten geholpen worden!.... daar valt niets aan te doen!.... het moet!....”Allen die aan boord waren, koesterden dezelfde gedachten, die het edele meisje uitte. Het antwoord van den kapitein werd dan ook angstvallig afgewacht.»DeGlengarry,”sprak hij, »mag zich niet te midden van de Corryvrekan-kolk wagen. Maar wij zullen zoo veel als mogelijk is naderen, misschien komen wij dan binnen het bereik dier sloep!”En zich tot de passagiers keerende, scheen hij een teeken van goedkeuring te verzoeken.Miss Campbell ging tot hem.»Het moet, kapitein, het moet!....” zeide zij met opgewonden stem en gebaar. »Mijn reisgenooten zijn van dezelfde meening!.... Het geldt twee menschenlevens, die gij redden kunt! Och! kapitein! .... Ik smeek er u om!....”»Ja!.... ja!....” riepen eenige der passagiers, opgewekt en bewogen door de warme tusschenkomst van dat jonge meisje.De kapitein greep zijn kijker, nam met de uiterste nauwkeurigheid de richting van de stroomingen in de zeeëngte waar; toen zich tot den roerganger wendende, die bij hem aan het stuurrad op de brug stond:»Opgelet bij het sturen!” zei hij. »Het roer stuurboord te boord!”Het stoomschip wendde onder de werking van het roer naar het westen. De machinist kreeg bevel om zijn stoomkleppen te bezwaren en alle kracht aan te wenden. Weldra schoot deGlengarryde uiterste punt van het eiland Jura ter linkerzijde voorbij.Niemand sprak aan boord. Aller oogen waren angstvallig op dat vaartuigje gevestigd, hetwelk al meer en meer zichtbaar werd.Het was slechts een kleine visschersloep, waarvan men den mast had neergelaten om den terugstoot te vermijden der hevige schokken, door de golven teweeggebracht.»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).Een der twee mannen, die zich in de sloep bevonden, lag in het achterste gedeelte uitgestrekt; de andere roeide met alle inspanningvan krachten, en trachtte buiten den kring der zuiging te geraken. Wanneer hij daarin niet slaagde, waren beide verloren!DeGlengarrykwam een half uur later op de grens van de Corryvrekankolk en begon door den invloed der golven sterk te stampen, maar niemand aan boord toonde zich ontevreden; hoewel de snelheid der stroomingen wel van dien aard was, dat zij eenvoudige toeristen zou hebben kunnen afschrikken.Inderdaad, in dit gedeelte van de zeeëngte vertoonde zich de zee wit van het schuim, alsof een dichtgereefd marszeilskoeltje woei. Men zag slechts een uitgestrekte oppervlakte van schuim, die tengevolge van de weinige diepte der wateren, door grondzeeën in hooge zuilen werd opgeworpen.De sloep was nog slechts op een halve mijl verwijderd. Diegene van de twee mannen, die roeide, deed de uiterste inspanning om buiten de neerstroomingen te geraken. Hij begreep, dat deGlengarryhem te hulp kwam, maar hij besefte ook dat de stoomboot niet veel verder kon komen, en dat het dus van zijn krachten afhankelijk was, om haar te bereiken. Wat zijn makker betrof, deze lag steeds in het achterste gedeelte der sloep uitgestrekt en scheen buiten kennis te zijn.Miss Campbell, aan de grootste opgewondenheid ten prooi, wendde geen oog af van dat vaartuig welks nood zij het eerste aangeduid had op de golven van de kolk, waarheen deGlengarryop haar vurige smeekingen thans stevende.De toestand werd middelerwijl bedenkelijker, en het was te vreezen dat de stoomboot niet bij tijds zou aankomen. Zij kon nog slechts met half werk vooruitslaan, ten einde belangrijke averij te voorkomen en toch dreigden reeds de zeeën, die over den boeg sloegen, de stookplaats der machine te bereiken, en deden dus het gevaar ontstaan van de vuren te blusschen, hetgeen een schrikkelijke gebeurlijkheid moest genoemd worden, daar te midden van die wilde stroomingen.De kapitein, die zich aan de bruggestutten vastgekneld hield, waakte er voor, dat zijn schip niet buiten het vaarwater kwam, en manoeuvreerde met alle behendigheid om niet dwarszee’s te geraken.Middelerwijl gelukte het de sloep niet om buiten de neerstroomingen te komen. Soms verdween zij plotseling achter een breker; in een ander oogenblik werd zij door de ronddraaiende stroomingen van de kolk, die evenredig in kracht toenamen, meegesleurd en stevende in een kring rond met de snelheid van een voortgeschoten pijl, of nog beter uitgedrukt, met de snelheid van een steen, die door den slinger rondggedraaid wordt, alvorens hem te laten ontsnappen.»Sneller! nog sneller!” riep miss Campbell, die haar gemoedsaandoeningen niet kon onderdrukken.Maar op het gezicht van die vreeselijke golven, die tegen de boot aansloegen, lieten reeds eenige vrouwelijke passagiers angstkreten hooren. De kapitein, de verantwoordelijkheid begrijpende, die hij droeg, aarzelde om verder binnen den kring van de Corryvrekan-kolk te dringen.En toch, de afstand, die de sloep van deGlengarryscheidde, bedroeg thans in dat oogenblik nog slechts een halve kabellengte of ongeveer drie honderd voet; men kon dan ook van boord gemakkelijk de ongelukkigen onderscheiden, die daar met hunne sloep naar hun verderf werden meegesleurd.Het was een oud zeeman en een jongmensch. De eerste lag in het achterste gedeelte van het vaartuig uitgestrekt, de andere roeide met inspanning van alle krachten.Een vreeselijke golf klotste in dit oogenblik tegen de wanden van deGlengarryen maakte haar toestand vrij moeielijk.En waarlijk, de kapitein kon niet verder de zeeëngte instevenen, en hij moest zoo manoeuvreeren, dat hij met den kop in den stroom bleef, hetgeen niet zonder moeielijkheid te veroorzaken, ten uitvoer gebracht kon worden.Plotseling gleed de sloep, na een oogenblik op de kruin van een hooge golf verschenen te zijn, omlaag en verdween voor ieders oog.Een kreet weerklonk aan boord. Een kreet van angst en schrik!Was het vaartuig omgeslagen en gezonken?.... Neen, daar verscheen het weer op den rug van een andere golf en een nieuwe inspanning van den roeier bracht het iets nader bij de stoomboot.»Flink! flink doorgeroeid!!”riepen de zeelieden, die op de voorplecht van het schip stonden.En zij zwaaiden rollen touw en bespiedden het gunstige oogenblik om die in de sloep te werpen.Plotseling gaf de kapitein, die eenig glad water tusschen de keerstroomingen opmerkte, bevel aan den machinist om de meest mogelijke stoomkracht aan te wenden. De snelheid derGlengarrynam spoedig toe en het schip stevende koen tusschen de beide eilanden in, terwijl de sloep van haren kant ook eenigermate naderde. Toen werden de touwen voortgeslingerd, door den roeier gegrepen en om den mast bevestigd. DeGlengarrysloeg vervolgens met kracht achteruit, om des te eerder uit de wieling te geraken, terwijl de sloep, langs zij getrokken, zoo door haar gesleept werd.Toen eerst wierp de jongeling de riemen neer, tilde zijn makker in de armen op, en werd die oude zeeman met behulp dermatrozen van de boot aan boord geheschen. Terwijl de sloep naar de Corryvrekan-kolk voortgesleurd werd, had een groote golf haar een hevigen slag toegebracht, die haar buiten staat gesteld had, verder de inspanningen van den jonkman te steunen, waardoor deze laatste geheel en al aan eigen krachten was overgelaten.Deze was middelerwijl op het dek van deGlengarrygesprongen. Hij had niets van zijn tegenwoordigheid van geest verloren, zijn gelaat ademde rustige kalmte en zijn geheele houding gaf te kennen dat zedelijke moed hem evenmin ontbrak als physieke, en hem aangeboren scheen.Hij beijverde zich dan ook dadelijk om zijn makker behoorlijk te doen verzorgen. Dat was de eigenaar van de sloep. Een flink glas brandewijn bracht dezen weer spoedig op de been.»Mijnheer Olivier!” zei hij.»Oh! mijn ouwe zeeman,” antwoordde de jongeling. »En die klap van die golf?.... Hoe is het er mee?....”»Dat’s niets! Ik heb wel wat anders beleefd! Ik voel er niets meer van!....”»Den hemel zij dank!... maar mijn onvoorzichtigheid om steeds vooruit te stevenen, zou ons duur te staan hebben kunnen komen!... maar wij zijn gered!”»Met uwe hulp, mijnheer Olivier.”»Neen.... met Gods hulp!”En de jonkman, den ouden zeerob aan zijn borst drukkende, poogde niet zijn aandoeningen te bedwingen, maar uitte ze vrij en zag ze trouwens door al de omstanders gedeeld.Toen, zich tot den kapitein van deGlengarrywendende, die in dat oogenblik juist de trap van de loopbrug afklom:»Kapitein,” zeide hij, »ik zal u nimmer mijn dankbaarheid voor den dienst, dien gij ons bewezen hebt, voldoende kunnen betuigen...”»Ik heb slechts mijn plicht gedaan, mijnheer,” antwoordde de gezagvoerder, »en om de waarheid te huldigen, moet ik verklaren, dat mijn passagiers meer recht op uw dankbetuigingen hebben dan ik.”De jonkman drukte den kapitein hartelijk de hand; toen zijn hoed afnemende, groette hij al de passagiers met een uiterst bevallig gebaar.Daarvan hield hij zich overtuigd, dat zonder de tusschenkomst van deGlengarry, zijn makker en hij, voortgesleurd tot in het middelpunt van de Corryvrekan-kolk, ellendig omgekomen zouden zijn.Miss Campbell had middelerwijl gemeend zich gedurende die beleefdheidswisselingen een weinig te moeten terugtrekken. Zij verlangde niet dat het deel, hetwelk zij aan de ontknooping van die dramatische redding gehad had, ter sprake kwam. Daarom vertoefde zij vóór op de loopbrug, toen haar eensklaps, alsof haargrilligheid weer de bovenhand genomen had, die woorden ontsnapten, terwijl zij zich naar het westen keerde:Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).»En de Groene Straal?.... En de zon?”»Geen zon meer!” zei broeder Sam.»En geen straal!” zei broeder Sib.En waarlijk, het was te laat. De zonneschijf, die achter een gezichteinder van een bewonderenswaardige zuiverheid ondergegaan was, had haren Groenen Straal, onopgemerkt door iedereen, in het luchtruim laten schitteren. Maar in dat oogenblik dwaalden de gedachten van miss Campbell elders, en haar verstrooide blik had deze gelegenheid gemist, die wellicht zich zoo spoedig niet meer zou voordoen!»Het is jammer!” mompelde zij binnensmonds, zonder eenige spijt evenwel bij de herinnering aan hetgeen er plaats had gehad.DeGlengarrymanoeuvreerde intusschen, om uit de zeeëngte van de Corryvrekan-kolk te komen, en hernam haren noordwaartschen koers. Toen wisselde de oude zeeman een hartelijken maar laatsten handdruk met zijn makker, stapte in zijn sloep, heesch zijn zeil en vertrok naar het eiland Jura.Wat den jonkman betreft, wiens »dorlach”, een soort van lederen reisvalies, aan ’t dek gebracht was, hij was een toerist te meer, die door deGlengarrynaar Oban zou overgevoerd worden.De stoomboot, na de eilanden Shuna en Luing, waar de rijke leigroeven, toebehoorende aan den markies vanBreadalbane, aangetroffen worden, rechts te hebben laten liggen, stevende langs het eiland Seil, hetwelk dat gedeelte van de Schotsche kust dekt. Daarna stoomde het vaartuig de Firth van Lorne binnen, voer tusschen het vulkanische eiland Kerrera en de vaste kust door, en wierp eindelijk zijn trossen uit, om aan de staketpalen van de haven van Oban gemeerd te worden.
Het was toen ongeveer zes uur des avonds. De zon had nog slechts vier vijfden van haar loopbaan volbracht. Ongetwijfeld zou deGlengarry, voor dat de dagvorstin in de wateren van den Atlantischen Oceaan onderduiken zou, te Oban aangekomen zijn. Miss Campbell kon dus hoop koesteren, dat haar wenschen ten opzichte van den Groenen Straal denzelfden avond vervuld zouden worden. Want waarachtig, het uitspansel vertoonde zich zonder wolken of nevels, en scheen voor de waarneming van dat natuurverschijnsel als geknipt, terwijl de zee-horizon tusschen de eilandenOronsay, Colonsay, en Huil gedurende het overige gedeelte van den overtocht volmaakt zichtbaar zou blijven.
Maar een geheel onvoorzien voorval zou den gang van de stoomboot eenigermate komen vertragen.
Miss Campbell, geheel ingenomen door haar vast denkbeeld, dat haar niet begaf, hield het oog sterk gevestigd op dat gedeelte van den gezichteinder. Zij alleen merkte dan ook op, hoe woelig de zee tusschen de punt van het eiland Jura en het eilandje Scarba was. Terzelfder tijd bereikte een ver verwijderd geluid, als van golven die tegen elkaar in klotsten, haar oor. En toch rimpelde een flauwe bries ternauwernood de watervlakte, die er olieachtig uitzag, zoo kalm was zij, zelfs toen zij door den boeg van het stoomvaartuig gesneden werd.
»Wat veroorzaakt die woeligheid en dat gedruisch?” vroeg miss Campbell aan hare ooms.
Maar hare ooms konden haar onmogelijk antwoorden, want zij zelf begrepen evenmin als zij, wat daar op drie mijl afstand van hem in dien nauwen doorgang voorviel.
Miss Campbell wendde zich toen tot den kapitein, die in dat oogenblik op de loopbrug op en neer wandelde, en vroeg hem naar de oorzaak van dat golfgeklots, dat zich zoo helder zien en hooren liet.
»Dat wordt eenvoudig door den opkomenden vloed veroorzaakt,” antwoordde de kapitein. »Dat geluid, wat gij hoort, is afkomstig van de kolk van Corryvrekan.
»Maar het weer is overheerlijk,” merkte miss Campbell op, »en de bries laat zich ternauwernood voelen.”
»Het weer heeft ook geen invloed op dat natuurverschijnsel. Het wordt veroorzaakt door de opkomende zee, die bij het doorkomen uit den Jura-Sond geen anderen doortocht vindt dan tusschen de beide eilanden Jura en Scarba. In dien doortocht stort de vloed zich met een buitengewoon groote kracht, en het zou zeer gevaarlijk zijn voor een eenigszins klein vaartuig, zich er in te wagen.”
De kolk van Corryvrekan is te recht gevreesd in die streken, en wordt als een der meest merkwaardige plekken van den Hebriden-archipel genoemd. Zij is wellicht te vergelijken met de kolk van Sein, die door de verenging van de zee tusschen den weg van dien naam en de baai der Trépassés op de kust van Bretagne of met de kolk Blanchart, die door de wateren der Hoofden gevormd wordt, welke zich tusschen het eiland Aurigny en den vasten wal van Cherbourg storten. De legende verzekert, dat zij haar naam verschuldigd is aan een Scandinavischen prins, wier schip daar ter plaatse in de Keltische tijden met man en muis verging. Het is inderdaad een gevaarlijke doortocht, waarin veel schepen schipbreuk geleden hebben en die, wat ongelukken betreft, de vergelijking met den noodlottigen Maalstroom op de kusten van Noorwegen doorstaan kan.
Miss Campbell hield middelerwijl niet op met naar de hevige golvingen van die kolk te kijken, toen eensklaps haar aandacht meer in het bijzonder geboeid werd door een punt in die zeeëngte. Eerst meende zij dat daar een rots boven de watervlakte uitstak, maar hetgeen zij zag ging met de hevige golvingen der zee op en neer.
»Zie, zie toch, kapitein,” zei het jonge meisje, »indien dat geen rots is, wat is het dan?”
»Waarlijk,” antwoordde de kapitein, »een rots is het niet. Het kan niet anders dan een stuk wrakhout zijn, dat door den stroom meegevoerd is of het is ook wel....”
En zijn kijker grijpende:
»Een sloep!” riep hij uit.
»Een sloep!” kreet miss Campbell.
»Ja!.... ik vergis mij niet!.... Een sloep op de wateren van de Corryvrekan-kolk!.... Oh, zij zal vergaan, dat kan niet anders!”
Toen de kapitein die woorden meer uitschreeuwde dan wel zei verdrongen zich de passagiers op de loopbrug en keken allen in de richting van de kolk. Er was geen twijfel meer mogelijk! Het vaartuig was ongetwijfeld door den stroom in de zeeëngte meegesleurd. Dat was zeer zeker door den opkomenden vloed veroorzaakt. Het bevond zich thans in de werking der zuiging van de tegenstroomingen en liep zijn ondergang te gemoet.
Aller blikken waren op dat punt van de kolk gevestigd, hetwelk op vier of vijf mijl van deGlengarrygelegen was.
»Waarschijnlijk is het maar een sloep, die losgeraakt en afgedreven is,” was de bemerking van een der passagiers.
»Neen, dat is het niet! want ik zie er een man in,” antwoordde een ander.
»Een man.... twee mannen!” riep Partridge, die in de nabijheid van miss Campbell post gevat had.
En inderdaad daar waren twee menschen in die sloep. Zij waren hun vaartuig niet meer meester. Het weinigje bries, dat van de landzijde woei, was onmachtig om hun zeil te vullen en hen buiten de omstroomingen te voeren, en met de riemen was het onmogelijk uit de schrikkelijke zuiging van de Corryvrekan-kolk te geraken.
»Kapitein!” riep miss Campbell,»wij kunnen die ongelukkigen toch niet onder onze oogen laten omkomen.... Zij zijn verloren, wanneer men hen aan hun lot overlaat!.... Zij moeten geholpen worden!.... daar valt niets aan te doen!.... het moet!....”
Allen die aan boord waren, koesterden dezelfde gedachten, die het edele meisje uitte. Het antwoord van den kapitein werd dan ook angstvallig afgewacht.
»DeGlengarry,”sprak hij, »mag zich niet te midden van de Corryvrekan-kolk wagen. Maar wij zullen zoo veel als mogelijk is naderen, misschien komen wij dan binnen het bereik dier sloep!”
En zich tot de passagiers keerende, scheen hij een teeken van goedkeuring te verzoeken.
Miss Campbell ging tot hem.
»Het moet, kapitein, het moet!....” zeide zij met opgewonden stem en gebaar. »Mijn reisgenooten zijn van dezelfde meening!.... Het geldt twee menschenlevens, die gij redden kunt! Och! kapitein! .... Ik smeek er u om!....”
»Ja!.... ja!....” riepen eenige der passagiers, opgewekt en bewogen door de warme tusschenkomst van dat jonge meisje.
De kapitein greep zijn kijker, nam met de uiterste nauwkeurigheid de richting van de stroomingen in de zeeëngte waar; toen zich tot den roerganger wendende, die bij hem aan het stuurrad op de brug stond:
»Opgelet bij het sturen!” zei hij. »Het roer stuurboord te boord!”
Het stoomschip wendde onder de werking van het roer naar het westen. De machinist kreeg bevel om zijn stoomkleppen te bezwaren en alle kracht aan te wenden. Weldra schoot deGlengarryde uiterste punt van het eiland Jura ter linkerzijde voorbij.
Niemand sprak aan boord. Aller oogen waren angstvallig op dat vaartuigje gevestigd, hetwelk al meer en meer zichtbaar werd.
Het was slechts een kleine visschersloep, waarvan men den mast had neergelaten om den terugstoot te vermijden der hevige schokken, door de golven teweeggebracht.
»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).
»Kapitein, ik zal u nimmer mijne dankbaarheid voldoende kunnen betuigen.” (bladz. 48).
Een der twee mannen, die zich in de sloep bevonden, lag in het achterste gedeelte uitgestrekt; de andere roeide met alle inspanningvan krachten, en trachtte buiten den kring der zuiging te geraken. Wanneer hij daarin niet slaagde, waren beide verloren!
DeGlengarrykwam een half uur later op de grens van de Corryvrekankolk en begon door den invloed der golven sterk te stampen, maar niemand aan boord toonde zich ontevreden; hoewel de snelheid der stroomingen wel van dien aard was, dat zij eenvoudige toeristen zou hebben kunnen afschrikken.
Inderdaad, in dit gedeelte van de zeeëngte vertoonde zich de zee wit van het schuim, alsof een dichtgereefd marszeilskoeltje woei. Men zag slechts een uitgestrekte oppervlakte van schuim, die tengevolge van de weinige diepte der wateren, door grondzeeën in hooge zuilen werd opgeworpen.
De sloep was nog slechts op een halve mijl verwijderd. Diegene van de twee mannen, die roeide, deed de uiterste inspanning om buiten de neerstroomingen te geraken. Hij begreep, dat deGlengarryhem te hulp kwam, maar hij besefte ook dat de stoomboot niet veel verder kon komen, en dat het dus van zijn krachten afhankelijk was, om haar te bereiken. Wat zijn makker betrof, deze lag steeds in het achterste gedeelte der sloep uitgestrekt en scheen buiten kennis te zijn.
Miss Campbell, aan de grootste opgewondenheid ten prooi, wendde geen oog af van dat vaartuig welks nood zij het eerste aangeduid had op de golven van de kolk, waarheen deGlengarryop haar vurige smeekingen thans stevende.
De toestand werd middelerwijl bedenkelijker, en het was te vreezen dat de stoomboot niet bij tijds zou aankomen. Zij kon nog slechts met half werk vooruitslaan, ten einde belangrijke averij te voorkomen en toch dreigden reeds de zeeën, die over den boeg sloegen, de stookplaats der machine te bereiken, en deden dus het gevaar ontstaan van de vuren te blusschen, hetgeen een schrikkelijke gebeurlijkheid moest genoemd worden, daar te midden van die wilde stroomingen.
De kapitein, die zich aan de bruggestutten vastgekneld hield, waakte er voor, dat zijn schip niet buiten het vaarwater kwam, en manoeuvreerde met alle behendigheid om niet dwarszee’s te geraken.
Middelerwijl gelukte het de sloep niet om buiten de neerstroomingen te komen. Soms verdween zij plotseling achter een breker; in een ander oogenblik werd zij door de ronddraaiende stroomingen van de kolk, die evenredig in kracht toenamen, meegesleurd en stevende in een kring rond met de snelheid van een voortgeschoten pijl, of nog beter uitgedrukt, met de snelheid van een steen, die door den slinger rondggedraaid wordt, alvorens hem te laten ontsnappen.
»Sneller! nog sneller!” riep miss Campbell, die haar gemoedsaandoeningen niet kon onderdrukken.
Maar op het gezicht van die vreeselijke golven, die tegen de boot aansloegen, lieten reeds eenige vrouwelijke passagiers angstkreten hooren. De kapitein, de verantwoordelijkheid begrijpende, die hij droeg, aarzelde om verder binnen den kring van de Corryvrekan-kolk te dringen.
En toch, de afstand, die de sloep van deGlengarryscheidde, bedroeg thans in dat oogenblik nog slechts een halve kabellengte of ongeveer drie honderd voet; men kon dan ook van boord gemakkelijk de ongelukkigen onderscheiden, die daar met hunne sloep naar hun verderf werden meegesleurd.
Het was een oud zeeman en een jongmensch. De eerste lag in het achterste gedeelte van het vaartuig uitgestrekt, de andere roeide met inspanning van alle krachten.
Een vreeselijke golf klotste in dit oogenblik tegen de wanden van deGlengarryen maakte haar toestand vrij moeielijk.
En waarlijk, de kapitein kon niet verder de zeeëngte instevenen, en hij moest zoo manoeuvreeren, dat hij met den kop in den stroom bleef, hetgeen niet zonder moeielijkheid te veroorzaken, ten uitvoer gebracht kon worden.
Plotseling gleed de sloep, na een oogenblik op de kruin van een hooge golf verschenen te zijn, omlaag en verdween voor ieders oog.
Een kreet weerklonk aan boord. Een kreet van angst en schrik!
Was het vaartuig omgeslagen en gezonken?.... Neen, daar verscheen het weer op den rug van een andere golf en een nieuwe inspanning van den roeier bracht het iets nader bij de stoomboot.
»Flink! flink doorgeroeid!!”riepen de zeelieden, die op de voorplecht van het schip stonden.
En zij zwaaiden rollen touw en bespiedden het gunstige oogenblik om die in de sloep te werpen.
Plotseling gaf de kapitein, die eenig glad water tusschen de keerstroomingen opmerkte, bevel aan den machinist om de meest mogelijke stoomkracht aan te wenden. De snelheid derGlengarrynam spoedig toe en het schip stevende koen tusschen de beide eilanden in, terwijl de sloep van haren kant ook eenigermate naderde. Toen werden de touwen voortgeslingerd, door den roeier gegrepen en om den mast bevestigd. DeGlengarrysloeg vervolgens met kracht achteruit, om des te eerder uit de wieling te geraken, terwijl de sloep, langs zij getrokken, zoo door haar gesleept werd.
Toen eerst wierp de jongeling de riemen neer, tilde zijn makker in de armen op, en werd die oude zeeman met behulp dermatrozen van de boot aan boord geheschen. Terwijl de sloep naar de Corryvrekan-kolk voortgesleurd werd, had een groote golf haar een hevigen slag toegebracht, die haar buiten staat gesteld had, verder de inspanningen van den jonkman te steunen, waardoor deze laatste geheel en al aan eigen krachten was overgelaten.
Deze was middelerwijl op het dek van deGlengarrygesprongen. Hij had niets van zijn tegenwoordigheid van geest verloren, zijn gelaat ademde rustige kalmte en zijn geheele houding gaf te kennen dat zedelijke moed hem evenmin ontbrak als physieke, en hem aangeboren scheen.
Hij beijverde zich dan ook dadelijk om zijn makker behoorlijk te doen verzorgen. Dat was de eigenaar van de sloep. Een flink glas brandewijn bracht dezen weer spoedig op de been.
»Mijnheer Olivier!” zei hij.
»Oh! mijn ouwe zeeman,” antwoordde de jongeling. »En die klap van die golf?.... Hoe is het er mee?....”
»Dat’s niets! Ik heb wel wat anders beleefd! Ik voel er niets meer van!....”
»Den hemel zij dank!... maar mijn onvoorzichtigheid om steeds vooruit te stevenen, zou ons duur te staan hebben kunnen komen!... maar wij zijn gered!”
»Met uwe hulp, mijnheer Olivier.”
»Neen.... met Gods hulp!”
En de jonkman, den ouden zeerob aan zijn borst drukkende, poogde niet zijn aandoeningen te bedwingen, maar uitte ze vrij en zag ze trouwens door al de omstanders gedeeld.
Toen, zich tot den kapitein van deGlengarrywendende, die in dat oogenblik juist de trap van de loopbrug afklom:
»Kapitein,” zeide hij, »ik zal u nimmer mijn dankbaarheid voor den dienst, dien gij ons bewezen hebt, voldoende kunnen betuigen...”
»Ik heb slechts mijn plicht gedaan, mijnheer,” antwoordde de gezagvoerder, »en om de waarheid te huldigen, moet ik verklaren, dat mijn passagiers meer recht op uw dankbetuigingen hebben dan ik.”
De jonkman drukte den kapitein hartelijk de hand; toen zijn hoed afnemende, groette hij al de passagiers met een uiterst bevallig gebaar.
Daarvan hield hij zich overtuigd, dat zonder de tusschenkomst van deGlengarry, zijn makker en hij, voortgesleurd tot in het middelpunt van de Corryvrekan-kolk, ellendig omgekomen zouden zijn.
Miss Campbell had middelerwijl gemeend zich gedurende die beleefdheidswisselingen een weinig te moeten terugtrekken. Zij verlangde niet dat het deel, hetwelk zij aan de ontknooping van die dramatische redding gehad had, ter sprake kwam. Daarom vertoefde zij vóór op de loopbrug, toen haar eensklaps, alsof haargrilligheid weer de bovenhand genomen had, die woorden ontsnapten, terwijl zij zich naar het westen keerde:
Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).
Is toch Oban ook een badplaats. (bladz. 51).
»En de Groene Straal?.... En de zon?”
»Geen zon meer!” zei broeder Sam.
»En geen straal!” zei broeder Sib.
En waarlijk, het was te laat. De zonneschijf, die achter een gezichteinder van een bewonderenswaardige zuiverheid ondergegaan was, had haren Groenen Straal, onopgemerkt door iedereen, in het luchtruim laten schitteren. Maar in dat oogenblik dwaalden de gedachten van miss Campbell elders, en haar verstrooide blik had deze gelegenheid gemist, die wellicht zich zoo spoedig niet meer zou voordoen!
»Het is jammer!” mompelde zij binnensmonds, zonder eenige spijt evenwel bij de herinnering aan hetgeen er plaats had gehad.
DeGlengarrymanoeuvreerde intusschen, om uit de zeeëngte van de Corryvrekan-kolk te komen, en hernam haren noordwaartschen koers. Toen wisselde de oude zeeman een hartelijken maar laatsten handdruk met zijn makker, stapte in zijn sloep, heesch zijn zeil en vertrok naar het eiland Jura.
Wat den jonkman betreft, wiens »dorlach”, een soort van lederen reisvalies, aan ’t dek gebracht was, hij was een toerist te meer, die door deGlengarrynaar Oban zou overgevoerd worden.
De stoomboot, na de eilanden Shuna en Luing, waar de rijke leigroeven, toebehoorende aan den markies vanBreadalbane, aangetroffen worden, rechts te hebben laten liggen, stevende langs het eiland Seil, hetwelk dat gedeelte van de Schotsche kust dekt. Daarna stoomde het vaartuig de Firth van Lorne binnen, voer tusschen het vulkanische eiland Kerrera en de vaste kust door, en wierp eindelijk zijn trossen uit, om aan de staketpalen van de haven van Oban gemeerd te worden.
VII.Aristobulus Beerenkooi.Zelfs wanneer Oban op zijn strand een zoo groote menigte badgasten zou aangetrokken hebben als de badplaatsen te Brighton, Margate of Ramsgate, dan nog zou een zoo belangwekkend persoon, als Aristobulus Beerenkooi was, eenig opzien veroorzaakt hebben.Zonder nu op één lijn met die mededingsters geplaatst te kunnen worden, is toch Oban een badplaats, die door de leegloopers van het Vereenigd Koninkrijk zeer gezocht is. Hare ligging aan de zeeëngte van Mull, gedekt tegen de westenwinden, wier rechtstreeksche invloed door het eiland Kerrera getemperd wordt, trekt zeer veel vreemdelingen aan. Een gedeelte daarvan komt om herstel van krachten in hare heilzame wateren zoeken, de anderen komen daar als in een lustoord, een centraalpunt, vanwaar de wegen naar Glasgow, Inverness en de meest merkwaardige eilanden der Hebriden uitgaan. Er moet nog bijgevoegd worden, dat Oban geen soort hospitaal is, zooals zoovele andere badplaatsen zijn. Het meerendeel van hen, die er het warme jaargetij komen doorbrengen, is zeer welvarend, en men loopt er geen gevaar, zooals in sommige andere »Kurorten”, zijn whistje met twee zieken en een »doode” te moeten maken.Oban telt ter nauwernood een honderd vijftig jarig bestaan. Zij vertoont dus in haar bouworde, in de afwerking en inrichting harer woningen, in de gedaante harer openbare pleinen en in de rechtlijnige richting harer straten, den stempel van den modernen tijd. Toch wijst de bouworde van de kerk, waarboven een fraaie klokkentoren zich verheft, op het Normandische tijdvak, terwijl het oude kasteel van Dunolly, welks muren geheel met klimop bedekt zijn, zich op een alleenstaande rots, ten noorden van de plaats gelegen, verheft en het heerlijke panorama van witte huizen en veelkleurige villa’s, die op de hellingen van den achtergrond verrijzen, de stille wateren van de baai, waarop bevallige pleizierjachten voor hunne ankers liggen te wiegelen, een schilderachtig geheel opleveren, dat het oog boeit en verrukt.Ook dit jaar ontbraken in de maand Augustus noch de vreemdelingen, noch de toeristen, noch de badlustigen in de kleine stad Oban. In het vreemdelingenboek van een der beste hotels van de plaats prijkte reeds sedert verscheidene weken tusschen veelvuldige namen die van Aristobulus Beerenkooi van Dumfries (Neder-Schotland).Het was een personage, die acht-en-twintig jaar telde en nimmer jong was geweest, maar waarschijnlijk ook nooit oud zou worden. Hij was klaarblijkelijk in den leeftijd geboren, dien hij zijn geheel leven lang zou schijnen te bezitten. Hij was noch van fraaie noch van leelijke gestalte, had een onbeduidend gelaat, waarboven al te blonde haren voor een man sluik neerhingen. Achter zijn brilglazen ontwaarde men een paar kippige oogen zonder glans, waartusschen een korte dikke neus neerdaalde, die niet de neus van dat aangezicht scheen te zijn. Van de honderd dertig duizend haren, die ieder fatsoenlijk menschenhoofd moet dragen, bleven hem nog slechts zestig duizend slechte over. Een ringbaard omlijstte zijn wangenen zijn kin, waardoor hij wel eenige gelijkenis op een aap vertoonde. Zoo hij werkelijk een aap geweest ware, zou hij een mooie sim geweest zijn, misschien wel van de soort, die als schakel in de keten der Darwinisten ontbreekt, waarmede zij pogen den mensch van het dier te laten afstammen.Aristobulus Beerenkooi was rijk aan geld, maar nog rijker aan denkbeelden. Voor een jong geleerde, die slechts anderen met zijn algemeene kennis, en zijn akademische graden van Oxford, Edinburg en Londen kan vervelen, was hij veel te geleerd. Hij was meer doorkneed in de natuurwetenschappen, in de scheikunde, in de sterrenkunde, in de wiskunde, dan wel in de letterkunde. Hij was zeer met zich zelven ingenomen en het scheelde maar bitter weinig om een dwaas te mogen heeten. Zijn voornaamste gewoonte, die tot een ware monomanie aangegroeid was, bestond daarin, dat hij gevraagd of ongevraagd, te pas of te onpas, verklaring wilde leveren van alles, wat de natuurwetenschappen raakte. Hij was in één woord een pedant wezen, wiens omgang van onaangenamen aard was. Men lachte niet over hem, omdat hij volstrekt niet lachverwekkend was, maar wellicht lachte men hem uit, omdat hij zich bespottelijk aanstelde. Niemand mocht minder aanspraak maken dan dat jongmensch op de toepassing der spreuk van de Engelsche vrijmetselaren!Audi, vide, tace, hetgeen zeggen wil:hoor, zie, zwijg. Hij hoorde niet, hij zag niet, en zweeg nooit. Men kon gevoegelijk in dit land van Walter Scott een gelegenheids-vergelijking gebruiken, en beweren dat Aristobulus Beerenkooi, met zijn daadwerkelijken nijverheidszin, oneindig meer den schout Nicol Jarvie in herinnering bracht, dan zijn dichterlijken neef Rob Roy Mac Gregor.En welke dochter der Schotsche Hooglanden, zonder van miss Campbell een uitzondering te maken, zou niet de voorkeur aan Rob Roy dan aan Nicol Jarvie gegeven hebben?Zoo zag Aristobulus Beerenkooi er uit, en zoo was hij bewerktuigd. Hoe nu de gebroedersMelvillop dat pedante wezen verzot hadden kunnen worden, en wel zoodanig, dat zij er aan dachten hunnen neef er van te maken, is onmogelijk te verklaren. Hoe was het hem toch gelukt, die waardige zestigjarige grijsaards te behagen? Misschien wel alleen door de eerste te zijn, die omtrent hunne nicht huwelijksneigingen had laten blijken. In een soort van kinderlijke verrukking had broeder Sam ongetwijfeld tegen broeder Sib gezegd:»Ziedaar een jonkman, die rijk is en een onafhankelijk fortuin bezit, welke van erfenissen van bloedverwanten en nabestaanden afkomstig is, die tot een aanzienlijke familie behoort en daarenboven een buitengewoon geleerde is! Dat zal een uitmuntende partij voor onze lieve Helena zijn! Dat huwelijk zal van een leien dak loopen.”Gedurende de uren, die hem bij zijn verblijf op Helenaburg als vrijaf zouden gegund worden, zou de jeugdige geleerde in staat zijn, desnuifdoos aan broeder Sib over te reiken, na haar met een droog tikje dicht gemaakt te hebben, wat dan een punt moest beteekenen, achter zijn ontboezeming geplaatst, en zeggen wilde:In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)»Ziedaar een beklonken zaak!”De gebroeders Melvill meenden dan ook al heel slim te werk gegaan te zijn, door miss Campbell, dank zij hare zonderlinge gril ten opzichte van den Groenen Straal, naar Oban geleid te hebben. Daar zoude haar samenzijn met Aristobulus Beerenkooi, dat door zijn afwezigheid kortstondig verbroken was, hervat kunnen worden, zonder den schijn te hebben dat zulks voorbereid was.Voor de schoonste vertrekken in Caledonian Hotel hadden de gebroeders Melvill en miss Campbell het buitenverblijf te Helenaburg verwisseld. Mocht hun verblijf te Oban van eenigen duur worden, dan zou het wellicht voegzaam zijn, de een of andere villa, gelegen op de hoogten die de stad beheerschten, te huren. Maar middelerwijl dat daartoe beslist zoude worden, was men met behulp van juffrouw Bess en van Partridge zoo gemakkelijk mogelijk ingericht bij baas Mac Fyne. Later zou men verder zien.Daags na hunne aankomst te Oban verlieten de gebroeders Melvill des morgens ten negen uur het Caledonian Hotel, dat op den zeeoever bijna tegenover het staketsel gelegen is. Miss Campbell sliep nog in hare kamer op de eerste verdieping, en bevroedde niet dat hare ooms op het pad waren om Aristobulus Beerenkooi op te zoeken.Die tweeonafscheidelijkebroertjes gingen het strand langs, en daar zij wisten, dat hun »pretendent” in een der hotels logeerde, die ten noorden van de baai gebouwd zijn, richtten zij dan ook derwaarts hunne schreden.Men zal wel moeten aannemen, dat een voorgevoel hen geleidde; want waarlijk, tien minuten na hun hotel verlaten te hebben, ontmoetten zij Aristobulus Beerenkooi, die zijn dagelijksche wetenschappelijke wandeling maakte, en een banalen, werktuigelijken handdruk met hen wisselde, terwijl hij de bewegingen van den stijgenden vloed gadesloeg.»Mijnheer Beerenkooi!” zeiden de gebroeders Melvill met plichtpleging.»Mijne heeren Melvill!” antwoordde Aristobulus met een gemaaktheid van stem, die verwondering moest aanduiden. »Gij.... heeren Melvill.... hier.... te Oban?”»Sedert gisteren avond!” zei broeder Sam.»En het verheugt ons, u in goede gezondheid aan te treffen, mijnheer Beerenkooi,” zeide broeder Sib.»Waarlijk, ik dank u, heeren.—Maar hebt gij reeds kennis genomen van het telegram, dat zooeven aangekomen is?”»Een telegram?” vroeg broeder Sam. »Zou het ministerie Gladstone reeds?....”»Het geldt volstrekt niet het ministerie Gladstone,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi met tamelijk wel uitgesproken kleinachting, »maar wel een weerkundig telegram.”»Waarlijk!” riepen de beide ooms te gelijkertijd uit.»Ja zeker! er is geseind, dat het depressie centrum van Swinemunde noordwaarts voortgeschreden en aanmerkelijk in diepte toegenomen is. Dat centrum bevindt zich thans in de nabijheid van Stokholm, waar de barometer ruim een duim,—wat ongeveer vijf en twintig millimeter vertegenwoordigt, om de taal der geleerden te spreken—gedaald is en alzoo op acht en twintig en zes tiende duim staat, hetwelk overeenkomt met een stand van zevenhonderd zes en twintig millimeter. Heeft ook al de luchtdruk in Engeland en in Schotland weinig verandering ondergaan, zoo is zij toch een tiende te Valencia en twee tiende te Stornoway verminderd.”»Maar wat moet uit die depressie?....” vroeg broeder Sam.»Besloten worden?....” vulde broeder Sib aan.»Dat het mooi weer niet standvastig is,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en dat de lucht weldra betrekken zal onder den invloed van den zuidwestenwind, die de dampen van den Noord-Atlantischen Oceaan met zich voeren zal.”De gebroeders Melvill bedankten den jongen geleerde voor de mededeeling van die belangwekkende voorspellingen, en leidden er de gevolgtrekking uit af, dat de Groene Straal wel eens op zich kon laten wachten, wat hun niet onaangenaam was, daar dat hun verblijf te Oban zou rekken.»En het doel van uwe komst, mijne heeren, is?”.... vroeg Aristobulus Beerenkooi, die zijn volzin zelf afbrak om een keisteen op te rapen, dien hij met de grootste aandacht bekeek.De beide ooms wachtten zich wel die belangrijke studie te storen.Maar toen die keisteen de verzameling van een menigte andere in den zak van den jongen geleerde was gaan vermeerderen, antwoordde broeder Sib.»Het doel van onze komst is zeer natuurlijk om hier eenige dagen door te brengen.”»En wij moeten er bij voegen, dat miss Campbell ons vergezeld heeft....” zei broeder Sam.»Ah!.... miss Campbell!” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik geloof dat die keisteen uit het gaëlische tijdperk afkomstig is. Er zijn sporen te zien van.... Maar waarlijk, het zal mij verheugen miss Campbell weer te zien!.... sporen van meteorisch ijzer.—De luchtgesteldheid hier, die buitengewoon zacht is, zal haar uitermate goed doen.”»Zij geniet een goede gezondheid en is hier niet om herstel van eenige ziekte te zoeken.”»Om het even,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. De atmosfeer is hier overheerlijk. Nul, komma, een en twintig zuurstof, en nul, komma, negen en zeventig stikstof met een weinig waterdamp gemengd, zeer voordeelig voor de gezondheid. Wat het koolzuur betreft, er zijn slechts sporen aanwezig in de lucht, die ik iederen morgen ontleed.”De gebroeders Melvill meenden in die verhandeling, een lieve bezorgdheid ten opzichte van miss Campbell te bemerken.»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »indien gij niet voor gezondheidsredenen hier gekomen zijt, mag ik dan weten, mijne heeren, waarom gij uw buitenverblijf te Helenaburg verlaten hebt?”»Wij hebben geen enkele reden om, in de verhouding, waarin wij tot elkander staan, dat voor u te verbergen....” antwoordde broeder Sib.»Kan ik dus in die verhuizing een overigens natuurlijk verlangen ontwaren,” viel de jonge geleerde den spreker in de rede, »om tot een samenkomst met miss Campbell mede te werken, die de gelegenheid kan openen elkander beter te leeren kennen en dat tot wederzijdsche achting zal moeten leiden?”»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam. »Wij hebben gedacht, dat zoo het doel sneller bereikt zou worden.”»Ik keur uwe handeling goed, mijne heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Hier op dit onzijdig terrein zullen miss Campbell en ik bij gelegenheid kunnen spreken over de oorzaken van het op en neergaan der zee, van de windrichtingen, van de hoogte der golven, van het verspringen der getijen en over meer andere natuurverschijnselen, waarin zij ten zeerste belang moet stellen!”Nadat de gebroeders Melvill een glimlach van voldoening gewisseld hadden, bogen zij bij wijze van toestemming. Zij verklaarden verder, dat zij zich gelukkig zouden achten, wanneer zij, na hun terugkeer op het buitenverblijf Helenaburg, den jongen geleerde onder een meer dierbaren titel dan dien van gast zouden kunnen ontvangen. Aristobulus Beerenkooi antwoordde, dat hij zich alsdan des te gelukkiger zoude gevoelen, daar het gouvernement belangrijke baggerwerken, juist tusschen Helenaburg en Greenock wilde doen uitvoeren, welke werken onder geheel nieuwe omstandigheden door middel van elektrische werktuigen zouden worden tot stand gebracht. Dus, wanneer hij eenmaal zijn verblijf op Helenaburg gevestigd had, zou hij de toepassing van die werktuigen waarnemen en den uitslag daarvan berekenen kunnen.De gebroeders Melvill erkenden gaarne, dat die samenloop van omstandigheden hunnen plannen ten goede zou komen en hetgeheel en al in hun kader paste.Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)En daarop hadden zij een snuifje genomen om de gemeenschappelijkeverschillende tijdperken van dien uiterst belangwekkenden arbeid gade te slaan.»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »gij hebt ongetwijfeld het een of ander voorwendsel bedacht, om mij hier te Oban te komen ontmoeten.”»Inderdaad,” antwoordde broeder Sib, »en dat voorwendsel heeft miss Campbell zelf ons aan de hand gedaan.”»Zoo,” zei de jonge geleerde, »en dat is....?»Het geldt de waarneming van een natuurverschijnsel, dat zich slechts onder bepaalde gelegenheden voordoet, en dat te Helenaburg onmogelijk kan voorkomen.”»Waarlijk! heeren,” hernam Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij met duim en vinger zijn bril recht op zijn neus zette. »Daarin ligt het bewijs, dat er tusschen miss Campbell en mij wel eenige innige met elkaar overeenkomende verwantschap bestaat!—Mag ik ook weten welk natuurverschijnsel het is, dat op het buitenverblijf niet kan waargenomen worden?”»Dat natuurverschijnsel? Wel, is eenvoudig de Groene Straal,” antwoordde broeder Sam.»De Groene Straal?” vroeg Aristobulus Beerenkooi niet zonder verwondering. »Daarvan heb ik nimmer hooren spreken. Is het mij vergund te vragen, wat die Groene Straal beduidt?”De beide broeders Melvill legden hem zoo goed zij konden uit, waarin het natuurverschijnsel bestond, dat door deMorning Postonlangs onder de aandacht van het publiek was gebracht.»Pouah!” riep Aristobulus Beerenkooi, »dat is slechts een aardigheid zonder eenig belang, die tot het kinderachtige domein van de vermakelijke natuurkunde behoort.”»Miss Campbell is slechts een jong meisje,” antwoordde broeder Sib, »en zij schijnt een buitengewoon groot belang in dit natuurverschijnsel te stellen.”»Want zij wil niet trouwen, heeft zij verzekerd, voor dat zij het gezien heeft,” vulde broeder Sam aan.»Welnu, heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »wij zullen hem haar toonen, dien Groenen Straal!”Na die verzekering wandelden de drie mannen door de weilanden, die zich langs het strand uitstrekten en waardoor een pad zich slingerde, naar Caledonian-Hotel terug.Aristobulus Beerenkooi liet de gelegenheid niet ontsnappen om de gebroeders Melvill te doen opmerken, hoezeer de geest der vrouwen behagen schept in nietigheden, waaruit hij in groote trekken voortredeneerende, tot de gevolgtrekking kwam van hetgeen verricht zou moeten worden om hunne niet goed opgevatte opvoeding te verbeteren. Hij verwierp de stelling, dat de hersenen dervrouw minder met hersenzelfstandigheid zouden bedeeld zijn dan die van den man, en dat door het groote verschil in de bewerktuiging der kwabben, de vrouw nimmer zoude kunnen geraken tot opvatting van grootsche denkbeelden. Neen, zoover ging hij niet; hij meende integendeel dat door een voortgezet onderwijs verandering in dien toestand te weeg zou te brengen zijn; hoewel hij van een anderen kant niet loochenen kon, dat sedert de vrouw in de Schepping verschenen was, nimmer een harer zich onderscheiden had door eenige dier uitvindingen, die bij voorbeeld Aristoteles, Euclides, Harvey, Hahnenman, Pascal, Newton, Laplace, Arago, Humphrey-Davy, Edison, Pasteur enz., beroemd gemaakt hebben. Eindelijk verdiepte hij zich in de uitlegging van verscheidene natuurtafereelen en redekaveldede omni re scibili, zonder meer omtrent miss Campbell te gewagen.De gebroeders Melvill hoorden eerlijk toe en deden dat zooveel te eerder, daar het voor hen onmogelijk was een woord tusschen beiden te brengen in die alleenspraak, waarbij Aristobulus Beerenkooi zonder rustpunt voortdraafde en die hij doorspekte met gebiedend en schoolmeesterachtig gehemm!Zoo naderden zij het Caledonian-Hotel tot op ongeveer een honderd pas, en bleven toen een poos staan, om afscheid van elkaar te nemen.Middelerwijl bevond zich een zeker iemand aan het venster harer kamer. Zij scheen geheel in de war, ja geheel van haar stuk gebracht. Zij keek nu eens vóór haar dan weer rechts of links en scheen met het dwalend oog een horizon te zoeken, die zij niet kon ontdekken.Eensklaps bemerkte miss Campbell—want zij was die zeker iemand—hare ooms. Dadelijk werd het venster met levendig gebaar gesloten en verscheen het jonge meisje eenige oogenblikken later op het strand, de armen half gekruist over de borst, met ernstig gelaat en het voorhoofd bezwangerd van verwijtingen. De gebroeders Melvill keken elkander aan. Tegen wien had Helena iets? Was het de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi, die deze verschijnselen van abnormale opwinding veroorzaakte?De jeugdige geleerde naderde intusschen en groette miss Campbell met een buiging zoo stijf als die van een knipmes.»Aristobulus Beerenkooi....”zeide broeder Sam, die den jonkman vormelijk en met plichtpleging voorstelde.»Die door een wonder van toevalligheid.... zich juist te Oban bevindt....” voegde broeder Sib er bij.»Ah?.... mijnheer Beerenkooi?”.... mompelde het jonge meisje, terwijl zij zijn groet ter nauwernood beantwoordde.Toen zich tot de gebroeders Melvill wendend, die daar uit het veld geslagen stonden en niet wisten wat te zeggen of welke houding aan te nemen:»Mijn ooms!” sprak zij met gestrengheid.»Lieve Helena!” antwoordden de beide ooms met den zelfden toon van waarneembare ongerustheid in stem en gebaren.»Zijn wij wel te Oban?”vroeg zij.»Te Oban?.... Wel zeker.”»Te Oban.... aan de zee der Hebriden gelegen?”»Voorzeker.”»Welnu, over een uur zullen wij er niet meer zijn!”»Over een uur?....”»Ik had om een zee-horizon verzocht?”»Ongetwijfeld, lieve meid....”»Wilt gij dan zoo vriendelijk wezen, mij dien te wijzen?”Ontzet draaiden en keerden de gebroeders Melvill zich om en keken rond.Vóór hen, noch in het zuidwesten, noch in het noordwesten was eenige doorgang tusschen de eilanden, die in volle zee lagen, te bespeuren, geen plekje waar hemel en water in elkander liepen.De eilanden Seil, Kerrera, Kismore vormden een onafgebroken slagboom, die de kim onzichtbaar maakte. De erkenning moest volgen, dat de beloofde en verzochte horizon aan het landschap van Oban ontbrak.De twee broeders hadden dat niet eens bemerkt bij hunne wandeling langs het strand. Toen zij hunne misvatting inzagen, lieten zij dan ook die twee Schotsche uitroepingen hooren, die een waarlijke teleurstelling, gemengd met ietwat kwade luim, levendig aanduidden:»Pooh!” zei een.»Pswha!” antwoordde de andere.
Zelfs wanneer Oban op zijn strand een zoo groote menigte badgasten zou aangetrokken hebben als de badplaatsen te Brighton, Margate of Ramsgate, dan nog zou een zoo belangwekkend persoon, als Aristobulus Beerenkooi was, eenig opzien veroorzaakt hebben.
Zonder nu op één lijn met die mededingsters geplaatst te kunnen worden, is toch Oban een badplaats, die door de leegloopers van het Vereenigd Koninkrijk zeer gezocht is. Hare ligging aan de zeeëngte van Mull, gedekt tegen de westenwinden, wier rechtstreeksche invloed door het eiland Kerrera getemperd wordt, trekt zeer veel vreemdelingen aan. Een gedeelte daarvan komt om herstel van krachten in hare heilzame wateren zoeken, de anderen komen daar als in een lustoord, een centraalpunt, vanwaar de wegen naar Glasgow, Inverness en de meest merkwaardige eilanden der Hebriden uitgaan. Er moet nog bijgevoegd worden, dat Oban geen soort hospitaal is, zooals zoovele andere badplaatsen zijn. Het meerendeel van hen, die er het warme jaargetij komen doorbrengen, is zeer welvarend, en men loopt er geen gevaar, zooals in sommige andere »Kurorten”, zijn whistje met twee zieken en een »doode” te moeten maken.
Oban telt ter nauwernood een honderd vijftig jarig bestaan. Zij vertoont dus in haar bouworde, in de afwerking en inrichting harer woningen, in de gedaante harer openbare pleinen en in de rechtlijnige richting harer straten, den stempel van den modernen tijd. Toch wijst de bouworde van de kerk, waarboven een fraaie klokkentoren zich verheft, op het Normandische tijdvak, terwijl het oude kasteel van Dunolly, welks muren geheel met klimop bedekt zijn, zich op een alleenstaande rots, ten noorden van de plaats gelegen, verheft en het heerlijke panorama van witte huizen en veelkleurige villa’s, die op de hellingen van den achtergrond verrijzen, de stille wateren van de baai, waarop bevallige pleizierjachten voor hunne ankers liggen te wiegelen, een schilderachtig geheel opleveren, dat het oog boeit en verrukt.
Ook dit jaar ontbraken in de maand Augustus noch de vreemdelingen, noch de toeristen, noch de badlustigen in de kleine stad Oban. In het vreemdelingenboek van een der beste hotels van de plaats prijkte reeds sedert verscheidene weken tusschen veelvuldige namen die van Aristobulus Beerenkooi van Dumfries (Neder-Schotland).
Het was een personage, die acht-en-twintig jaar telde en nimmer jong was geweest, maar waarschijnlijk ook nooit oud zou worden. Hij was klaarblijkelijk in den leeftijd geboren, dien hij zijn geheel leven lang zou schijnen te bezitten. Hij was noch van fraaie noch van leelijke gestalte, had een onbeduidend gelaat, waarboven al te blonde haren voor een man sluik neerhingen. Achter zijn brilglazen ontwaarde men een paar kippige oogen zonder glans, waartusschen een korte dikke neus neerdaalde, die niet de neus van dat aangezicht scheen te zijn. Van de honderd dertig duizend haren, die ieder fatsoenlijk menschenhoofd moet dragen, bleven hem nog slechts zestig duizend slechte over. Een ringbaard omlijstte zijn wangenen zijn kin, waardoor hij wel eenige gelijkenis op een aap vertoonde. Zoo hij werkelijk een aap geweest ware, zou hij een mooie sim geweest zijn, misschien wel van de soort, die als schakel in de keten der Darwinisten ontbreekt, waarmede zij pogen den mensch van het dier te laten afstammen.
Aristobulus Beerenkooi was rijk aan geld, maar nog rijker aan denkbeelden. Voor een jong geleerde, die slechts anderen met zijn algemeene kennis, en zijn akademische graden van Oxford, Edinburg en Londen kan vervelen, was hij veel te geleerd. Hij was meer doorkneed in de natuurwetenschappen, in de scheikunde, in de sterrenkunde, in de wiskunde, dan wel in de letterkunde. Hij was zeer met zich zelven ingenomen en het scheelde maar bitter weinig om een dwaas te mogen heeten. Zijn voornaamste gewoonte, die tot een ware monomanie aangegroeid was, bestond daarin, dat hij gevraagd of ongevraagd, te pas of te onpas, verklaring wilde leveren van alles, wat de natuurwetenschappen raakte. Hij was in één woord een pedant wezen, wiens omgang van onaangenamen aard was. Men lachte niet over hem, omdat hij volstrekt niet lachverwekkend was, maar wellicht lachte men hem uit, omdat hij zich bespottelijk aanstelde. Niemand mocht minder aanspraak maken dan dat jongmensch op de toepassing der spreuk van de Engelsche vrijmetselaren!Audi, vide, tace, hetgeen zeggen wil:hoor, zie, zwijg. Hij hoorde niet, hij zag niet, en zweeg nooit. Men kon gevoegelijk in dit land van Walter Scott een gelegenheids-vergelijking gebruiken, en beweren dat Aristobulus Beerenkooi, met zijn daadwerkelijken nijverheidszin, oneindig meer den schout Nicol Jarvie in herinnering bracht, dan zijn dichterlijken neef Rob Roy Mac Gregor.
En welke dochter der Schotsche Hooglanden, zonder van miss Campbell een uitzondering te maken, zou niet de voorkeur aan Rob Roy dan aan Nicol Jarvie gegeven hebben?
Zoo zag Aristobulus Beerenkooi er uit, en zoo was hij bewerktuigd. Hoe nu de gebroedersMelvillop dat pedante wezen verzot hadden kunnen worden, en wel zoodanig, dat zij er aan dachten hunnen neef er van te maken, is onmogelijk te verklaren. Hoe was het hem toch gelukt, die waardige zestigjarige grijsaards te behagen? Misschien wel alleen door de eerste te zijn, die omtrent hunne nicht huwelijksneigingen had laten blijken. In een soort van kinderlijke verrukking had broeder Sam ongetwijfeld tegen broeder Sib gezegd:
»Ziedaar een jonkman, die rijk is en een onafhankelijk fortuin bezit, welke van erfenissen van bloedverwanten en nabestaanden afkomstig is, die tot een aanzienlijke familie behoort en daarenboven een buitengewoon geleerde is! Dat zal een uitmuntende partij voor onze lieve Helena zijn! Dat huwelijk zal van een leien dak loopen.”Gedurende de uren, die hem bij zijn verblijf op Helenaburg als vrijaf zouden gegund worden, zou de jeugdige geleerde in staat zijn, desnuifdoos aan broeder Sib over te reiken, na haar met een droog tikje dicht gemaakt te hebben, wat dan een punt moest beteekenen, achter zijn ontboezeming geplaatst, en zeggen wilde:
In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)
In dit jaar ontbraken noch de toeristen, noch de vreemdelingen. (bladz. 51.)
»Ziedaar een beklonken zaak!”
De gebroeders Melvill meenden dan ook al heel slim te werk gegaan te zijn, door miss Campbell, dank zij hare zonderlinge gril ten opzichte van den Groenen Straal, naar Oban geleid te hebben. Daar zoude haar samenzijn met Aristobulus Beerenkooi, dat door zijn afwezigheid kortstondig verbroken was, hervat kunnen worden, zonder den schijn te hebben dat zulks voorbereid was.
Voor de schoonste vertrekken in Caledonian Hotel hadden de gebroeders Melvill en miss Campbell het buitenverblijf te Helenaburg verwisseld. Mocht hun verblijf te Oban van eenigen duur worden, dan zou het wellicht voegzaam zijn, de een of andere villa, gelegen op de hoogten die de stad beheerschten, te huren. Maar middelerwijl dat daartoe beslist zoude worden, was men met behulp van juffrouw Bess en van Partridge zoo gemakkelijk mogelijk ingericht bij baas Mac Fyne. Later zou men verder zien.
Daags na hunne aankomst te Oban verlieten de gebroeders Melvill des morgens ten negen uur het Caledonian Hotel, dat op den zeeoever bijna tegenover het staketsel gelegen is. Miss Campbell sliep nog in hare kamer op de eerste verdieping, en bevroedde niet dat hare ooms op het pad waren om Aristobulus Beerenkooi op te zoeken.
Die tweeonafscheidelijkebroertjes gingen het strand langs, en daar zij wisten, dat hun »pretendent” in een der hotels logeerde, die ten noorden van de baai gebouwd zijn, richtten zij dan ook derwaarts hunne schreden.
Men zal wel moeten aannemen, dat een voorgevoel hen geleidde; want waarlijk, tien minuten na hun hotel verlaten te hebben, ontmoetten zij Aristobulus Beerenkooi, die zijn dagelijksche wetenschappelijke wandeling maakte, en een banalen, werktuigelijken handdruk met hen wisselde, terwijl hij de bewegingen van den stijgenden vloed gadesloeg.
»Mijnheer Beerenkooi!” zeiden de gebroeders Melvill met plichtpleging.
»Mijne heeren Melvill!” antwoordde Aristobulus met een gemaaktheid van stem, die verwondering moest aanduiden. »Gij.... heeren Melvill.... hier.... te Oban?”
»Sedert gisteren avond!” zei broeder Sam.
»En het verheugt ons, u in goede gezondheid aan te treffen, mijnheer Beerenkooi,” zeide broeder Sib.
»Waarlijk, ik dank u, heeren.—Maar hebt gij reeds kennis genomen van het telegram, dat zooeven aangekomen is?”
»Een telegram?” vroeg broeder Sam. »Zou het ministerie Gladstone reeds?....”
»Het geldt volstrekt niet het ministerie Gladstone,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi met tamelijk wel uitgesproken kleinachting, »maar wel een weerkundig telegram.”
»Waarlijk!” riepen de beide ooms te gelijkertijd uit.
»Ja zeker! er is geseind, dat het depressie centrum van Swinemunde noordwaarts voortgeschreden en aanmerkelijk in diepte toegenomen is. Dat centrum bevindt zich thans in de nabijheid van Stokholm, waar de barometer ruim een duim,—wat ongeveer vijf en twintig millimeter vertegenwoordigt, om de taal der geleerden te spreken—gedaald is en alzoo op acht en twintig en zes tiende duim staat, hetwelk overeenkomt met een stand van zevenhonderd zes en twintig millimeter. Heeft ook al de luchtdruk in Engeland en in Schotland weinig verandering ondergaan, zoo is zij toch een tiende te Valencia en twee tiende te Stornoway verminderd.”
»Maar wat moet uit die depressie?....” vroeg broeder Sam.
»Besloten worden?....” vulde broeder Sib aan.
»Dat het mooi weer niet standvastig is,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en dat de lucht weldra betrekken zal onder den invloed van den zuidwestenwind, die de dampen van den Noord-Atlantischen Oceaan met zich voeren zal.”
De gebroeders Melvill bedankten den jongen geleerde voor de mededeeling van die belangwekkende voorspellingen, en leidden er de gevolgtrekking uit af, dat de Groene Straal wel eens op zich kon laten wachten, wat hun niet onaangenaam was, daar dat hun verblijf te Oban zou rekken.
»En het doel van uwe komst, mijne heeren, is?”.... vroeg Aristobulus Beerenkooi, die zijn volzin zelf afbrak om een keisteen op te rapen, dien hij met de grootste aandacht bekeek.
De beide ooms wachtten zich wel die belangrijke studie te storen.
Maar toen die keisteen de verzameling van een menigte andere in den zak van den jongen geleerde was gaan vermeerderen, antwoordde broeder Sib.
»Het doel van onze komst is zeer natuurlijk om hier eenige dagen door te brengen.”
»En wij moeten er bij voegen, dat miss Campbell ons vergezeld heeft....” zei broeder Sam.
»Ah!.... miss Campbell!” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik geloof dat die keisteen uit het gaëlische tijdperk afkomstig is. Er zijn sporen te zien van.... Maar waarlijk, het zal mij verheugen miss Campbell weer te zien!.... sporen van meteorisch ijzer.—De luchtgesteldheid hier, die buitengewoon zacht is, zal haar uitermate goed doen.”
»Zij geniet een goede gezondheid en is hier niet om herstel van eenige ziekte te zoeken.”
»Om het even,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. De atmosfeer is hier overheerlijk. Nul, komma, een en twintig zuurstof, en nul, komma, negen en zeventig stikstof met een weinig waterdamp gemengd, zeer voordeelig voor de gezondheid. Wat het koolzuur betreft, er zijn slechts sporen aanwezig in de lucht, die ik iederen morgen ontleed.”
De gebroeders Melvill meenden in die verhandeling, een lieve bezorgdheid ten opzichte van miss Campbell te bemerken.
»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »indien gij niet voor gezondheidsredenen hier gekomen zijt, mag ik dan weten, mijne heeren, waarom gij uw buitenverblijf te Helenaburg verlaten hebt?”
»Wij hebben geen enkele reden om, in de verhouding, waarin wij tot elkander staan, dat voor u te verbergen....” antwoordde broeder Sib.
»Kan ik dus in die verhuizing een overigens natuurlijk verlangen ontwaren,” viel de jonge geleerde den spreker in de rede, »om tot een samenkomst met miss Campbell mede te werken, die de gelegenheid kan openen elkander beter te leeren kennen en dat tot wederzijdsche achting zal moeten leiden?”
»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam. »Wij hebben gedacht, dat zoo het doel sneller bereikt zou worden.”
»Ik keur uwe handeling goed, mijne heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Hier op dit onzijdig terrein zullen miss Campbell en ik bij gelegenheid kunnen spreken over de oorzaken van het op en neergaan der zee, van de windrichtingen, van de hoogte der golven, van het verspringen der getijen en over meer andere natuurverschijnselen, waarin zij ten zeerste belang moet stellen!”
Nadat de gebroeders Melvill een glimlach van voldoening gewisseld hadden, bogen zij bij wijze van toestemming. Zij verklaarden verder, dat zij zich gelukkig zouden achten, wanneer zij, na hun terugkeer op het buitenverblijf Helenaburg, den jongen geleerde onder een meer dierbaren titel dan dien van gast zouden kunnen ontvangen. Aristobulus Beerenkooi antwoordde, dat hij zich alsdan des te gelukkiger zoude gevoelen, daar het gouvernement belangrijke baggerwerken, juist tusschen Helenaburg en Greenock wilde doen uitvoeren, welke werken onder geheel nieuwe omstandigheden door middel van elektrische werktuigen zouden worden tot stand gebracht. Dus, wanneer hij eenmaal zijn verblijf op Helenaburg gevestigd had, zou hij de toepassing van die werktuigen waarnemen en den uitslag daarvan berekenen kunnen.
De gebroeders Melvill erkenden gaarne, dat die samenloop van omstandigheden hunnen plannen ten goede zou komen en hetgeheel en al in hun kader paste.
Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)
Ik geloof dat die keisteen. (bladz. 55.)
En daarop hadden zij een snuifje genomen om de gemeenschappelijkeverschillende tijdperken van dien uiterst belangwekkenden arbeid gade te slaan.
»Maar,” vroeg Aristobulus Beerenkooi, »gij hebt ongetwijfeld het een of ander voorwendsel bedacht, om mij hier te Oban te komen ontmoeten.”
»Inderdaad,” antwoordde broeder Sib, »en dat voorwendsel heeft miss Campbell zelf ons aan de hand gedaan.”
»Zoo,” zei de jonge geleerde, »en dat is....?
»Het geldt de waarneming van een natuurverschijnsel, dat zich slechts onder bepaalde gelegenheden voordoet, en dat te Helenaburg onmogelijk kan voorkomen.”
»Waarlijk! heeren,” hernam Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij met duim en vinger zijn bril recht op zijn neus zette. »Daarin ligt het bewijs, dat er tusschen miss Campbell en mij wel eenige innige met elkaar overeenkomende verwantschap bestaat!—Mag ik ook weten welk natuurverschijnsel het is, dat op het buitenverblijf niet kan waargenomen worden?”
»Dat natuurverschijnsel? Wel, is eenvoudig de Groene Straal,” antwoordde broeder Sam.
»De Groene Straal?” vroeg Aristobulus Beerenkooi niet zonder verwondering. »Daarvan heb ik nimmer hooren spreken. Is het mij vergund te vragen, wat die Groene Straal beduidt?”
De beide broeders Melvill legden hem zoo goed zij konden uit, waarin het natuurverschijnsel bestond, dat door deMorning Postonlangs onder de aandacht van het publiek was gebracht.
»Pouah!” riep Aristobulus Beerenkooi, »dat is slechts een aardigheid zonder eenig belang, die tot het kinderachtige domein van de vermakelijke natuurkunde behoort.”
»Miss Campbell is slechts een jong meisje,” antwoordde broeder Sib, »en zij schijnt een buitengewoon groot belang in dit natuurverschijnsel te stellen.”
»Want zij wil niet trouwen, heeft zij verzekerd, voor dat zij het gezien heeft,” vulde broeder Sam aan.
»Welnu, heeren,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »wij zullen hem haar toonen, dien Groenen Straal!”
Na die verzekering wandelden de drie mannen door de weilanden, die zich langs het strand uitstrekten en waardoor een pad zich slingerde, naar Caledonian-Hotel terug.
Aristobulus Beerenkooi liet de gelegenheid niet ontsnappen om de gebroeders Melvill te doen opmerken, hoezeer de geest der vrouwen behagen schept in nietigheden, waaruit hij in groote trekken voortredeneerende, tot de gevolgtrekking kwam van hetgeen verricht zou moeten worden om hunne niet goed opgevatte opvoeding te verbeteren. Hij verwierp de stelling, dat de hersenen dervrouw minder met hersenzelfstandigheid zouden bedeeld zijn dan die van den man, en dat door het groote verschil in de bewerktuiging der kwabben, de vrouw nimmer zoude kunnen geraken tot opvatting van grootsche denkbeelden. Neen, zoover ging hij niet; hij meende integendeel dat door een voortgezet onderwijs verandering in dien toestand te weeg zou te brengen zijn; hoewel hij van een anderen kant niet loochenen kon, dat sedert de vrouw in de Schepping verschenen was, nimmer een harer zich onderscheiden had door eenige dier uitvindingen, die bij voorbeeld Aristoteles, Euclides, Harvey, Hahnenman, Pascal, Newton, Laplace, Arago, Humphrey-Davy, Edison, Pasteur enz., beroemd gemaakt hebben. Eindelijk verdiepte hij zich in de uitlegging van verscheidene natuurtafereelen en redekaveldede omni re scibili, zonder meer omtrent miss Campbell te gewagen.
De gebroeders Melvill hoorden eerlijk toe en deden dat zooveel te eerder, daar het voor hen onmogelijk was een woord tusschen beiden te brengen in die alleenspraak, waarbij Aristobulus Beerenkooi zonder rustpunt voortdraafde en die hij doorspekte met gebiedend en schoolmeesterachtig gehemm!
Zoo naderden zij het Caledonian-Hotel tot op ongeveer een honderd pas, en bleven toen een poos staan, om afscheid van elkaar te nemen.
Middelerwijl bevond zich een zeker iemand aan het venster harer kamer. Zij scheen geheel in de war, ja geheel van haar stuk gebracht. Zij keek nu eens vóór haar dan weer rechts of links en scheen met het dwalend oog een horizon te zoeken, die zij niet kon ontdekken.
Eensklaps bemerkte miss Campbell—want zij was die zeker iemand—hare ooms. Dadelijk werd het venster met levendig gebaar gesloten en verscheen het jonge meisje eenige oogenblikken later op het strand, de armen half gekruist over de borst, met ernstig gelaat en het voorhoofd bezwangerd van verwijtingen. De gebroeders Melvill keken elkander aan. Tegen wien had Helena iets? Was het de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi, die deze verschijnselen van abnormale opwinding veroorzaakte?
De jeugdige geleerde naderde intusschen en groette miss Campbell met een buiging zoo stijf als die van een knipmes.
»Aristobulus Beerenkooi....”zeide broeder Sam, die den jonkman vormelijk en met plichtpleging voorstelde.
»Die door een wonder van toevalligheid.... zich juist te Oban bevindt....” voegde broeder Sib er bij.
»Ah?.... mijnheer Beerenkooi?”.... mompelde het jonge meisje, terwijl zij zijn groet ter nauwernood beantwoordde.
Toen zich tot de gebroeders Melvill wendend, die daar uit het veld geslagen stonden en niet wisten wat te zeggen of welke houding aan te nemen:
»Mijn ooms!” sprak zij met gestrengheid.
»Lieve Helena!” antwoordden de beide ooms met den zelfden toon van waarneembare ongerustheid in stem en gebaren.
»Zijn wij wel te Oban?”vroeg zij.
»Te Oban?.... Wel zeker.”
»Te Oban.... aan de zee der Hebriden gelegen?”
»Voorzeker.”
»Welnu, over een uur zullen wij er niet meer zijn!”
»Over een uur?....”
»Ik had om een zee-horizon verzocht?”
»Ongetwijfeld, lieve meid....”
»Wilt gij dan zoo vriendelijk wezen, mij dien te wijzen?”
Ontzet draaiden en keerden de gebroeders Melvill zich om en keken rond.
Vóór hen, noch in het zuidwesten, noch in het noordwesten was eenige doorgang tusschen de eilanden, die in volle zee lagen, te bespeuren, geen plekje waar hemel en water in elkander liepen.
De eilanden Seil, Kerrera, Kismore vormden een onafgebroken slagboom, die de kim onzichtbaar maakte. De erkenning moest volgen, dat de beloofde en verzochte horizon aan het landschap van Oban ontbrak.
De twee broeders hadden dat niet eens bemerkt bij hunne wandeling langs het strand. Toen zij hunne misvatting inzagen, lieten zij dan ook die twee Schotsche uitroepingen hooren, die een waarlijke teleurstelling, gemengd met ietwat kwade luim, levendig aanduidden:
»Pooh!” zei een.
»Pswha!” antwoordde de andere.