VIII.

VIII.Een teleurstellend wolkje.Een opheldering was noodzakelijk geworden; maar daar Aristobulus Beerenkooi met die opheldering niets te maken had, groette miss Campbell hem koel en keerde naar het Caledonian Hotel terug.Aristobulus Beerenkooi had het jonge meisje niet minder koel teruggegroet. Klaarblijkelijk voelde hij zich gekrenkt, dat hij inmededinging met een straal gekomen was, van welke kleur die dan ook wezen mocht.Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).Hij keerde langs het strand naar zijn hotel terug, terwijl hij een redevoering voor zich zelven in de meest gepaste bewoordingen hield.Broeder Sam en broeder Sib waren volstrekt niet in hun knollentuin. Toen zij dan ook in het kleine salon waren binnengetreden, wachtten zij met gebukten hoofde tot dat het jonge meisje hun het woord zoude toevoegen.De opheldering was kort maar uitermate helder. Men was te Oban gekomen om een zuivere kim te zien en men zag er niets of zoo weinig van, dat het der moeite niet waard was er van te spreken.De beide ooms konden zich slechts op hun goede trouw beroepen. Zij kenden Oban in het geheel niet! Wie had kunnen denken dat de zee, de ware zee daar niet te vinden was! En toch wemelde het van badgasten. Dat was misschien het eenige punt der kust, waar, ten gevolge van dien ongelukkigen Hebriden-archipel, de kringvormige lijn, waar hemel en water elkander schijnen te raken, niet te zien was.»Welnu,” zei miss Campbell op een toon, dien zij zoo gestreng mogelijk trachtte te uiten, »men had een ander punt dan Oban moeten kiezen, al had daaraan het voordeel opgeofferd moeten worden van de ontmoeting met mijnheer Aristobulus Beerenkooi!”De broeders Melvill bogeninstinctmatighet hoofd enbeantwoorddendien rechtstreekschen aanval niet.»Wij gaan onze beschikkingen treffen,” zei miss Campbell, »en heden vertrekken wij nog!”»Welnu, vertrekken wij dan!” antwoordden de twee ooms, die hunne onbezonnenheid slechts door een geheel lijdelijke gehoorzaamheid konden trachten goed te maken.En volgens ouder gewoonte weerklonken weer de uitroepen:»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Juffrouw Bess verscheen, vergezeld van Partridge. Beiden werden dadelijk op de hoogte gesteld, en bij ondervinding wetende, dat hunne jonge meesteres steeds gelijk moest hebben, vroegen zij zelfs de redenen van dat overhaaste vertrek niet.Maar men had zonder baas Mac-Fyne, den eigenaar van het Caledonian Hotel, gerekend.Men zou zelfs in het gastvrije Schotland weinig menschenkennis ten opzichte van die achtenswaardige nijverheidslieden aan den dag leggen, wanneer men een hunner in staat zou achten een gezin, bestaande uit drie heerschappen en twee bedienden, te laten vertrekken,zonder alles in het werk gesteld te hebben, om dat te behouden. En dat gebeurde juist in deze omstandigheid.Toen baas Mac-Fyne op de hoogte van deze ernstige zaak gebracht was, verklaarde hij deftig, dat alles ten algemeenen genoegen geschikt kon worden, zonder nog van zijn bizonder genoegen te spreken, dat hij smaken zou, wanneer hij zoo edele reizigers zoo lang mogelijk ten zijnent behouden mocht.Wat verlangde miss Campbell en wat eischten bijgevolg de heeren Sib en Sam Melvill? Een onbeperkt zeegezicht met uitgestrekten gezichteinder. Niets gemakkelijker te verschaffen dan dat, daar het slechts gold dien gezichteinder bij zons-ondergang waar te nemen. Dat kon men van het strand van Oban niet doen! Dat is zoo! Maar zou het voldoende zijn naar het eiland Kerrera over te steken? Neen. Het groote eiland Mull zou ook dáár een beletsel zijn, om iets meer dan een klein hoekje van den Atlantischen Oceaan waar te nemen, dat bovendien nog in het zuidwesten bespeurd werd. Maar wanneer men de kust langs wandelde, dan kwam men bij het eiland Seil, dat door middel van eene brug met de Schotsche kust verbonden was, waarlangs men de noordelijkste punt van het eiland kon bereiken. Daar kon niets den gezichtskring naar den westkant en over twee vijfden van de noordstreken van het kompas belemmeren.Om nu op dat eiland over te gaan, gold het slechts een eenvoudige wandeling van vier ofvijfmijl, niet meer. En wanneer het weder gunstig was, dan kon een overheerlijk rijtuig miss Campbell en haar gevolg in een of in anderhalf uur overbrengen.Tot bevestiging van zijn beweren, toonde de waard de kaart op groote schaal, die in het voorportaal van het hotel aan den wand hing. Miss Campbell kon zich dus overtuigen, dat baas Mac-Fyne geen praatjes verkocht. En werkelijk, meer zeewaarts van het eiland Seil opende zich een breede sector, die een derde gedeelte van die gezichteinder-lijn bevatte, waarachter de zon wegduikt gedurende de weken, die de dag- en nachtevening voorafgaan of onmiddellijk volgen.De zaak kwam dan ook tot groote voldoening van baas Mac-Fyne en tot groot gemak van de gebroeders Melvill in orde. Miss Campbell verleende edelmoedig vergiffenis en liet zich geen enkele onaangename toespeling op de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi weer ontsnappen.»Maar,” merkte broeder Sam op, »het is toch op zijn minst genomen zonderling, dat een zee-gezichteinder te Oban ontbreekt!”»De natuur is zoo grillig!” antwoordde broeder Sib.Aristobulus gevoelde zich ongetwijfeld zeer gelukkig, toen hij vernam, dat miss Campbell niet elders een meer gunstige plek zou gaan opzoeken voor haarmeteorologischewaarnemingen. Maar hij waszoo verdiept in zijn vraagstukken, dat hij vergat van zijn tevredenheid te doen blijken.Het grillige schoone kind weet hem waarschijnlijk dank voor die bescheidenheid, want hoewel zij geheel onverschillig voor hem bleef, ontving zij hem toch minder koel dan bij hunne eerste ontmoeting.Intusschen was er een lichte verandering in den toestand van den dampkring gekomen. Wel bleef het weer op onveranderlijk »mooi”, maar toch benevelden eenige wolken, die door de middaghitte verdreven werden, bij zonsop- en ondergang den gezichteinder. Het was dus vrij overbodig op het eiland Seil een waarnemingspost te gaan zoeken. Dat zou volkomen verloren moeite zijn en men moest derhalve geduld oefenen.Miss Campbell liet hare ooms gedurende die lange dagen in gezelschap van den bruidegom hunner keuze, en ging, somtijds door juffrouw Bess vergezeld, maar meestal alleen op het strand van de baai dwalen. Zij ontvluchtte volgaarne die geheele menigte van leegloopers, die de vlottende bevolking in de badplaatsen van de geheele wereld uitmaakt, zooals geheele huisgezinnen, wier eenige bezigheid daarin bestaat om de zee te zien rijzen en dalen, terwijl meisjes en jongens zich met een vrijpostigheid van houdingen, alleen in Brittannië in zwang, in het natte zand rondwentelen; of wel ernstige en flegmatische heeren, die in hun soms al te oorspronkelijk badkostuum rondkuieren, en welker voornaamste bedrijvigheid kan genoemd worden, zich dagelijks gedurende zes minuten in het zoute water van den Oceaan te dompelen; of ook wel heeren en dames van groote achtbaarheid, die stijf en onbeweeglijk in de teenen badstoelen gedoken, in die soort boeken met veelkleurige bordpapieren omslagen en dien fijnen druk, waarvan de Engelsche uitgevers eenigermate misbruik maken, zitten te turen; verder van die voetreizigers met den kijker aan een riem over den schouder hangende, en den helmhoed op het hoofd, de kuiten met lange slobkousen bedekt, het zonnescherm in de hand, die vandaag aangekomen, morgen reeds vertrokken zullen zijn. En dan te midden van die menigte, wemelende nijverheidsbeoefenaars, wier nijverheidstoestellen bij uitstek vervoerbaar zijn, als: elektriek-mannen, die de liefhebbers voor een paar stuivers een aangename kitteling of een minder aangenamen schok doen ondergaan; artisten, wier draaiorgels op wielen, de landsdeuntjes met verwrongen Fransche airs afwisselen; photografen in de open lucht, die bij dozijnen de oogenblikkelijke afdrukken afleveren aan de families, die zich voor zoo’n gelegenheid gegroepeerd hebben laten opnemen; fruitventers met hunne zwarte jassen en fruitventsters met hare bloemruikers op den hoed, die hunne kleine karretjes voortduwen, waarin het schoonste ooft der wereld ligt te pronken; eindelijk minnestreels met hunne grijnzende gezichten onderde laag schoensmeer, die het bedekt, geven volksvoorstellingen en gillen te midden van een groep kinderen, eigenaardige klaagliederen,welker refreinen door allen met den meesten ernst herhaald worden.Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).Neen, dat gewriemel van het badgastleven had voor miss Campbell geen geheimen meer en trok haar ook niet aan. Zij vermeed zoo veel mogelijk die gaanden en komenden, die elkander zoo vreemd schenen, alsof zij van de vier uiteinden van Europa waren te zamen gebracht.Wanneer hare ooms dan ook, eenigszins ongerust, haar bij zich wenschten te hebben, dan moesten zij haar op een eenzaam strandgedeelte, bij voorbeeld op een der vooruitspringende landspitsen, die de baai begrenzen, gaan zoeken.Daar zat miss Campbell dan, als de peinzende Mina uit denZeeschuimermet den elleboog op eenige vooruitstekende punt van een rots geleund, het hoofd in de eene hand, en door de andere bessen latende glijden, die zij tusschen de steenen geplukt had, alwaar de struikjes, waaraan zij groeiden, gevonden werden. Haar verstrooide blik zweefde van een »stack”, welker rotsachtige top zich loodrecht verhief, naar de een of andere donkere grot, een van die »helgers”, zoo als men ze in Schotland noemt, waarin de zee bij stijgenden vloed zoo’n brullend geluid kon doen hooren.In de verte zaten zeeraven, als in gelid gerangschikt, met de onbeweeglijkheid alsof ze in steen gehouwen waren. Het jonge meisje volgde hen met den blik, wanneer zij in hunne rust gestoord opvlogen enoverde kleine getijgolfjes met de punten hunner vleugels scheerden.Waaraan dacht dan het jonge meisje? Aristobulus Beerenkooi zou ongetwijfeld de onbeschaamdheid hebben, de meening te koesteren, dat zij aan hem hare gedachten wijdde, welke meening door de beide ooms in hunnen kinderlijken eenvoud zoude gedeeld zijn. En toch konden zij zich vergist hebben.In haar herinneringen doemden dan de gebeurtenissen bij de Corryvrekan-kolk op. Zij zag andermaal die sloep in nood, deGlengarry, die de zeeëngte inschoot, om hulp te bieden. Zij voelde andermaal de aandoeningen, die haar hart zoo hadden doen kloppen, die dat hart zoo hadden samengesnoerd, wanneer de schipbreukelingen in de uitholling tusschen twee golven verdwenen.... Dan verscheen de redding haar vervolgens voor den geest, het zoo behendig uitgeworpen touw, die bevallige jonkman, die minder ontroerd was dan zij, en kalm en glimlachend op het dek sprong, terwijl hij de passagiers van de boot met vriendelijk gebaar groette.Voor een dichterlijk brein bestond daar de kiem van een roman, maar het had er alles van, alsof de roman bij het eerste hoofdstuk zou blijven steken. Het begonnen boekdeel was plotseling tusschen de schoone handen van miss Campbell dichtgeslagen. Op welke bladzij zoude zij het weer kunnen openen, nu »haar held,” aanden een of anderen Wodan uit deGaëlischeheldentijdperken gelijk, verdwenen en niet meer te voorschijn getreden was?Maar had zij hem wel te midden van die onverschillige menigte, die op het strand van Oban wemelden, gezocht? Misschien. Maar, had zij hem gevonden? Neen. Hij zou haar ongetwijfeld niet kunnen herkennen. Om welke reden zou hij haar aan boord van deGlengarryopgemerkt hebben? Waarom zou hij tot haar gekomen zijn? Hoe zou hij hebben kunnen raden, dat hij zijn redding grootendeels aan haar verschuldigd was? En zij was het toch, die vóór alle anderen het vaartuigje in nood ontwaard had; zij was het, die den kapitein het eerst gesmeekt had, hulp te gaan bieden. En in werkelijkheid was die omstandigheid haar dien avond zeer waarschijnlijk op de waarneming van den Groenen Straal te staan gekomen!Dit was inderdaad zoo goed als zeker.Gedurende de drie eerste dagen na de aankomst der familie Melvill te Oban, zou de dampkring de wanhoop opgewekt hebben van de sterrenkundigen der sterrenwachten van Edinburg of Greenwich. Het was of het uitspansel met katoenvlokken bekleed was door den nevel, die nog meer misleidde en teleurstelde dan wolken het konden doen. Noch kijkers, noch telescopen van de meest machtige afmetingen, noch de reflector van Cambridge, evenmin als die van Parsontown, zouden er in geslaagd zijn, het oog gelegenheid te geven dien nevel te doorboren. De zon alleen zou de kracht bezitten haar stralen er door te schieten; maar bij haren ondergang verdikte zich die nevel bij den gezichteinder. Het geheele westen werd dan met het heerlijkste en schitterendste purper overgoten, en het was dan den Groenen Straal onmogelijk, het netvlies van het oog des waarnemers te bereiken.In de droomerijen van miss Campbell smolten, ten gevolge van haar grillige verbeelding, de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk met den Groenen Straal tot één wezen te zamen. Dat was zeker, dat noch de een noch de andere te bespeuren was. Bedekten de nevelen den eenen, de andere was achter een stipt incognito verscholen.De gebroeders Melvill kwamen slecht terecht, wanneer zij hunne nicht geduld meenden te moeten aanprijzen. Miss Campbell zag er niet tegen op, om hen voor die dampkrings-afwijkingen aansprakelijk te stellen. Zij gaven dan de schuld aan den voortreffelijken aneroïde-barometer, dien zij van Helenaburg medegebracht hadden, en welker naald maar geen verhoogden luchtdruk wilde aanwijzen. Waarlijk! zij hadden hunne gemeenschappelijke snuifdoos wel willen weggeven, om bij den ondergang van de schoone dagvorstin een heldere kim te mogen waarnemen.Wat de geleerde Beerenkooi betreft, hij had eens, toen de nevelen,die het uitspansel bezwangerden, besproken werden, de overgroote onhandigheid, hunne vorming geheel natuurlijk te vinden. Dat voerde hem er geleidelijk toe, een kleine natuurkundige verhandeling in tegenwoordigheid van miss Campbell te houden. Hij sprak over de vorming der wolken in het algemeen, over hunne beweging wanneer het afnemen der warmte hen den gezichteinder nabij brengt, over den blaasjesvormigen toestand van den waterdamp, van de wetenschappelijke verdeeling der wolken in nimbi, strati, cumuli en cyrry! Het is onnoodig te zeggen, dat het jonge meisje geen enkel oogenblik naar dat geleerd gewauwel luisterde.En dat liet zij zoo nadrukkelijk merken, dat de gebroeders Melvill niet wisten, welke houding zij gedurende die ontijdige verhandeling zouden aannemen!Ja! miss Campbell bracht den jeugdigen geleerde in den letterlijken zin des woords van zijn stuk. Eerst keek zij met voordacht een geheel anderen kant uit, om Aristobulus Beerenkooi niet te hooren; toen hief zij onafgewend den blik op het kasteel Dunolly, om hem niet aan te zien; eindelijk bekeek zij de punten van haar fijne badschoentjes, wat het teeken is van de minst vermomde onverschilligheid, het bewijs van de meest mogelijke geringschatting, die een Schotsche schoone aan den dag kan leggen, zoo wel voor hetgeen de woordvoerder zegt als voor zijn eigen persoon.Aristobulus Beerenkooi, die in den regel niemand anders zag of hoorde dan zich zelf, en die ook nimmer voor iemand anders dan voor zich zelven sprak, ontwaarde de bewegingen van het jonge meisje niet, of deed althans alsof hij er niets van merkte.Zoo gingen de dagen van den derden tot en met den zesden Augustus om. Gedurende dien laatsten dag evenwel rees de barometer tot overgroot genoegen van de gebroeders Melvill eenige strepen boven »veranderlijk.”De volgende dag kondigde zich onder de meest gunstige voorteekens aan. De zon scheen des morgens ten tien ure met luisterrijken glans, en het uitspansel weerspiegelde met de meest onberispelijke zuiverheid zijn azuurblauw in de wateren der zee.Zulk een gelegenheid kon miss Campbell niet laten ontsnappen. Een sierlijk rijtuig stond steeds ter harer beschikking in de stalhouderij van het Caledonian Hotel. Het was nú het oogenblik of nooit om daarvan gebruik te maken.Het was omstreeks vijf uur in den namiddag, toen miss Campbell en de gebroeders Melvill plaats namen in de kalès, die door een behendigen koetsier, gewoon aan het rijden met »de vier,” gemend werd. Partridge klom in den achterbak en de vier paarden, door het uiteinde der zweep lichtelijk gekitteld, sprongen in galop en vlogen den weg van Oban naar Glachan op.Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).Aristobulus Beerenkooi was tot zijn groote spijt—niet van miss Campbell—verhinderd van de partij te zijn, daar zijn tijd ingenomenwerd door het opstellen van een belangrijk wetenschappelijk rapport.Het uitstapje viel in allen deele overheerlijk uit. Het rijtuig hield den weg langs de kust, die zich langs de zeeëngte uitstrekt, die het eiland Kerrera van de Schotsche kust scheidt. Dat eiland, van vulkanischen oorsprong, was zeer schilderachtig, maar had een groot gebrek in het oog van miss Campbell, en dat was, dat het den zeegezichteinder geheel bedekte. Daar evenwel slechts vier en een halve mijl af te leggen waren in die omstandigheden, leenden deze er zich allergunstigst toe om de harmonische omtrekken van dat eiland te bewonderen, die zich op een helder lichten achtergrond afteekenden, en waarboven de bouwvallen uitstaken van het Deensche kasteel hetwelk het zuidelijk uiteinde bekroonde.»Dat was voorheen de residentie der Mac-Douglas van Lorne,” merkte broeder Sam op.»Voor onze familie heeft dat kasteel groote historische herinneringen,” vervolgde broeder Sib; »want het werd door de Campbells vernietigd, die het verbrandden, na al de bewoners zonder mededoogen over de kling gejaagd te hebben!”Dat schitterende wapenfeit scheen voornamelijk de goedkeuring van Partridge weg te dragen. Althans hij klapte ter eere van den Clan zachtkens in de handen.Toen men het eiland Kerrera voorbijgereden was, sloeg het rijtuig een smallen weg in, die zachtjes heuvel op en heuvel af naar het dorp Glachan voerde. Daar werd een landengte overgestoken in den vorm eener brug, die over het nauwe vaarwater toegang verleende en het eiland Seil met het Schotsche vastland verbond. De tochtgenooten beklommen, na hun rijtuig beneden in een ravijn gelaten te hebben, de vrij scherpe helling van een heuvel en gingen zitten op het buitenboord van een rotsachtigen rand, die den zoom der kuststreek uitmaakte.Ditmaal kon niets den blik der waarnemers, naar het westen gekeerd, hinderen. Noch het eilandje Eastdale, noch dat van Inish, dat als bij het eiland Seil gerand ligt. Tusschen kaap Ardanalish en het eiland Mull, een der grootsten van den Hebriden-archipel, in het noordwesten en het eilandColonsayin het zuidwesten, vertoonde zich een breed zeevak, waarlangs de zon weldra haar stralen in de oppervlakte zou dompelen.Geheel in gedachten verdiept, zat miss Campbell iets vóór hare beide ooms. Eenige roofvogels, arenden of valken, die deze eenzaamheid alleen bevolkten, zweefden boven de »dens”, soort van dalen, uitgehold als trechters met rotsachtige wanden.Volgens sterrentijd zou de zon in dit tijdperk des jaars, en op deze breedte, ten zeven ure vier en vijftig minuten ondergaan, juist in de richting van kaap Ardanalish.Eenige weken later evenwel, zou het onmogelijk zijn, de dagvorstin achter de waterlijn te zien verdwijnen; want dan zou het eilandColonsayhaar bij het ondergaan voor het oog verbergen.Dien avond dus, waren tijd en plaats uitmuntend voor de waarneming van het natuurverschijnsel gekozen.In dat oogenblik schreed de zon in een schuine richting op den zuiver ontwikkelden horizon toe.De oogen verdroegen moeielijk den glans van hare schijf, die thans vuurrood scheen, en door de wateren in een langen gulden lichtstreep weerkaatst werd.En toch, noch miss Campbell, noch hare ooms zouden er toe overgegaan zijn met de oogleden te knippen, neen, zelfs niet gedurende een ondeelbaar oogenblik.Maar voor dat de zonneschijn den gezichteinder met haren benedenrand aangeraakt had, stiet miss Campbell een kreet van teleurstelling uit.Een kleine wolk was verschenen, fijn als een streep, lang als de wimpel van een oorlogsschip. Die wolk sneed de zonneschijf in twee gelijke deelen en scheen met haar naar de kim te dalen.Het was alsof een windzuchtje, hoe licht ook, voldoende zou zijn om dat wolkje te verdrijven, op te lossen!... maar dat zuchtje kwam niet.En toen de zon tot een zeer kleinen boog teruggebracht was, die boven de watervlakte zweefde, toen was het dat uiterst ijle wolkje, dat ter plaatse waar de dagvorstin wegdook, de kim benevelde.Onmogelijk had de Groene Straal, gebroken zijnde door die kleine wolk, het netvlies der waarnemers kunnen bereiken.IX.Praatjes van Juffrouw Bess.De terugtocht naar Oban werd in alle stilte volbracht. Miss Campbell sprak geen enkel woord; en de gebroeders Melvill durfden den mond niet roeren. Het was toch hunne schuld niet, dat die jobswolk juist verschenen was om den laatsten zonnestraal te verdooven. Maar men moest daarom niet wanhopen. Men had nog ruim zes weken van het fraaie seizoen voor den boeg. Het zou toch ongelukkiggenoemd moeten worden, wanneer gedurende den geheelen herfsttijd geen enkele schoonen dag met onbenevelden gezichteinder zou verschijnen!Toch was daar een bewonderenswaardige zonsondergang verloren gegaan, en, moest men het weerglas gelooven, dan zou een dergelijke niet zoo spoedig weer verschijnen. En inderdaad, gedurende de nacht liep de grillige wijzer van den aneroïde-barometer zachtkens terug tot op »veranderlijk”. Maar wat nog door iedereen mooi weer genoemd werd, kon miss Campbell onmogelijk voldoen.Daags daarna, den 8stenAugustus, werden de zonnestralen door warme neveldampen gebroken en was de middagbries ditmaal niet in staat om die dampen te verdrijven. Een schitterend purper kleurde des avonds het uitspansel. Al de nuanceeringen smolten in elkander, van af het chromaatgeel tot het donkere ultramarijn, en vervormden den gezichteinder tot een schitterend en veelkleurig schilders-palet. Onder haren sluier van kleine vlakvormige wolken, tintte de zon bij haren ondergang den achtergrond van de kuststreek met al de kleuren van het spectrum, behalve met die, welke de grillige en bijgeloovige miss Campbell wenschte te zien.En dat was zoo den volgenden en daarop volgende dagen. De kalès bleef dus in het koetshuis van het hotel. Wat zou het ook geven een waarneming te gemoet te ijlen, die door den toestand des hemels onmogelijk te doen was. De hoogten van het eiland Seil konden niet meer begunstigd zijn dan het strand van Oban, en het was beter een zekere teleurstelling te vermijden.Zonder nu meer kwaad geluimd te zijn dan betamelijk was, vergenoegde miss Campbell zich bij het vallen van den avond naar hare kamer te gaan, om daar over die weinig bereidwillige zon te pruilen. Zij rustte dan uit van haar langdurige wandelingen en droomde met de oogen open. Waarover? Over het sprookje dat zich aan den Groenen Straal vastknoopte? Zou zij dien straal nog noodig hebben om helder in haar hart te kunnen lezen? In haar hart? neen wellicht! maar in dat van iemand anders?Dien dag had Helena, vergezeld van juffrouw Bess, hare wandeling tot bij de bouwvallen van Dunolly-Castle uitgestrekt, om daar verstrooiing voor haar teleurstelling te vinden. Daar gezeten aan den voet van een hoogen muur, die geheel en dik met klimop begroeid was, ontwikkelde zich voor haar het meest bewonderenswaardige vergezicht op de baai van Oban, op de woeste landouwen van Kerrera, op de eilandjes die zich als gezaaid op de oppervlakte der Hebridenzee vertoonden, op het groote eiland Mull, welker westelijke rotsbeddingen de eerste aanvallen te verduren hebben van de stormen, die uit den West-Atlantischen Oceaan opdoemen.»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).Miss Campbell keek naar dat prachtige vergezicht, dat daar aanhaar voeten uitgespreid lag. Maar zag zij het wel? Was er niet eenige herinnering, die niet naliet haar te verstrooien? In ieder geval, ditkan verzekerd worden, dat het het beeld van Aristobulus Beerenkooi niet was, dat haar kwelde. En waarlijk, dat jeugdige pedante wezen zou niets in zijn knollentuin geweest zijn, wanneer hij de praatjes, die juffrouw Bess dien dag, hem betreffende, maakte, had kunnen aanhooren.»Hij staat mij niets aan,” herhaalde zij. »Neen! hij staat mij niets aan. Hij denkt er slechts aan zich zelven te behagen? Wat een vertooning zou die man op Helenaburg geven? Hij behoort tot den clan der »Mac-Egoïsten” of ik heb er geen verstand meer van. Hoe hebben de heeren Melvill ooit de gedachte kunnen koesteren, om daarvan hun neef te willen maken? Partridge mag hem evenmin lijden als ik, en Partridge is geen domoor! op lange na niet! Komaan, miss Campbell, vertel eens, bevalt hij u?”»Over wien spreekt ge?” vroeg het jonge meisje, dat naar de praatjes van juffrouw Bess in het geheel niet geluisterd had.»Wel, van hem, aan wien gij onmogelijk denken kunt, al was het maar ter wille van den clan!”»En wie is het dan toch, aan wien zou ik niet kunnen denken?”»Heere mijn tijd! aan mijnheer Aristobulus, die beter zou doen op den anderen oever der Tweed te gaan kijken of er ooit Campbells bestaan hebben, die op Beerenkooien verlekkerd waren.”Gewoonlijk was juffrouw Bess niet op haar mondje gevallen; toch moest zij zeer opgewonden zijn, om zoo in tegenspraak met hare meesters te geraken. Het is waar, het geschiedde uit genegenheid voor hare jonge meesteres! Zij gevoelde daarenboven wel, dat Helena niets anders dan onverschilligheid voor dien pretendent in het hart koesterde. Maar van een anderen kant kon zij niet gissen, dat die onverschilligheid door een meer levendig gevoel voor een ander versterkt werd.Misschien kwam een zweempje argwaan bij juffrouw Bess dienaangaande op, toen miss Campbell haar vroeg, of zij te Oban, dat jonge mensch terug gezien had, wien deGlengarryzoo gelukkiglijk hulp en redding verleend had.»Neen, miss Campbell,” antwoordde juffrouw Bess, »ik heb hem niet gezien; maar Partridge vermeent hem opgemerkt te hebben....”»Wanneer?”»Gisteren op den weg naar Dalmaly. Hij kwam met den randsel op den rug terug, even als een artist, die op reis is! Ah! dat is een onvoorzichtig jong mensch! Zich zoo in de nabijheid van de Corryvrekan-kolk te wagen! dat is een slecht voorteeken voor de toekomst. Er zal niet altijd een vaartuig in de nabijheid zijn om hem hulp te bieden, en dan overkomt hem een ongeluk!”»Zoudt ge dat gelooven, juffrouw Bess? Ja, hij is onvoorzichtig geweest; maar hij betoonde moed te bezitten in die omstandigheden,en bij het gevaar, waarin hij zich bevond, begaf hem zijn koelbloedigheid geen enkel oogenblik!”»Dat’s mogelijk,” hernam juffrouw Bess; »maar voorzeker heeft dat jongmensch nimmer geweten, dat hij zijn redding aan u te danken heeft. Anders zou hij toch minstens bij zijn aankomst tot u gekomen zijn, om u te bedanken....”»Mij bedanken?” vroeg miss Campbell. »Mij bedanken? En waarvoor? Ik heb voor hem slechts gedaan, wat ik voor ieder ander en wat ook ieder ander in mijn plaats zou gedaan hebben.”»Zoudt gij hem herkennen?” vroeg juffrouw Bess, terwijl zij het jonge meisje oplettend aankeek.»Voorzeker,” antwoordde miss Campbell openhartig, »en ik wil wel bekennen, dat het karakter van dien man, de bedaarde moed, dien hij bij zijn verschijnen op het dek ten toon spreidde, alsof hij een oogenblik te voren niet aan den dood ontsnapt was, de hartelijke woorden, die hij tot zijn bejaarden metgezel sprak, terwijl hij dezen aan zijn borst drukte, dat dit alles mij levendig getroffen heeft!”»Maar op wien gelijkt hij toch?” vroeg de waardige huishoudster. »Waarlijk, ik kan hem niet te huis brengen; maar dat weet ik zeker, dat hij niet op dien mijnheer Aristobulus Beerenkooi gelijkt.”Miss Campbell vergenoegde zich met te glimlachen zonder te antwoorden. Zij stond vervolgens op, bleef een oogenblik onbeweeglijk, en liet een laatsten blik tot aan de hoogten van het eiland Mull waren; toen daalde zij, steeds vergezeld van juffrouw Bess, het stille pad af, dat haar op den weg naar Oban terugvoerde.Dien dag ging de zon onder te midden van een soort lichtende stofdeeltjes, die zich, aan een net van luchtig tulleweefsel gelijk, langs den gezichteinder uitstrekte, en werd de laatste straal der dagvorstin door de avondnevelen opgeslorpt.Miss Campbell keerde dus naar het hotel terug en deed het diner dat hare ooms ter harer eer besteld hadden, weinig eer aan. Zij maakte daarna een kleine wandeling op het strand en keerde toen naar haar kamer terug.X.Een Croquet-partij.Ja, het moet erkend worden! de gebroeders Melvill begonnen de dagen te tellen; het zou niet lang meer duren of zij zouden de uren tellen. Dat ging volstrekt niet zoo als zij het verlangden. Zichtbaarwerd hunne nicht door de verveling overmeesterd. De behoefte aan eenzaamheid, die haar overviel, de weinige voorkomendheid, die zij den geleerden Beerenkooi betoonde, wat deze zich minder aantrok, dan zij zelven deden, dat alles was niet geschikt om hun verblijf te Oban te veraangenamen. Zij wisten niet wat te verzinnen, om afwisseling in die eentonigheid te brengen. Te vergeefs bespiedden zij iedere weersverandering. Zij vertelden elkander, dat miss Campbell, wanneer eenmaal aan haren wensch voldaan was, meer handelbaar althans voor hen zou worden.Want het is ergerlijk om te vertellen; sedert twee dagen vergat Helena—meer afgetrokken dan gewoonlijk—de twee oudjes hunnen morgenkus te geven, die hen voor het overige gedeelte van den dag in zoo’n goede luim bracht.De barometer evenwel bleef ongevoelig voor de verwijten der beide ooms en weigerde een aanstaande weersverandering te voorspellen. Met hoeveel zorgen zij ook wel tienmaal per dag met een kleinen, korten slag op het werktuig tikten, om een wijzer-slingering te veroorzaken, helaas! de wijzer steeg geen enkele streep! O! die barometers! fatale dingen!Intusschen baarde het vernuftig brein der gebroeders Melvill een denkbeeld. In den namiddag van den 11denAugustus kwam hun in de gedachte, een partij croquet aan miss Campbell voor te stellen, ten einde haar, zoo mogelijk, eenige verstrooiing te bezorgen. Helena weigerde niet, hoewel zij wist, dat Aristobulus Beerenkooi meê zou doen; maar zij wist dat zij met haar toestemming hare ooms zeer veel genoegen zou doen.Hier dient gezegd, dat broeder Sam zoowel als broeder Sib, er een eer in stelde, den roem weg te dragen van tot de eerste spelers gerekend te worden in dit spel, hetwelk in het Vereenigd Koninkrijk zoo zeer geliefkoosd is. Dat spel is niets anders, zooals men weet, dan het oude »mail”, dat meer geschikt gemaakt is voor de vrouwelijke jeugd.Juist waren er te Oban verscheidene banen geopend, en kon een ieder zich in de geheimen van het croquet-spel inwijden. Dat men zich in het meerendeel der badplaatsen vergenoegt met een baan min of meer gewaterpast, op een grasveld of op het strand, bewijst het min-eischende der spelers of hun weinigen ijver voor deze edele uitspanning. Hier waren de banen niet zanderig; maar met graszoden belegd, zooals het behoort. Het waren zoogenaamde »croquet-grounds”, die iederen avond door middel van sproeipompen bevochtigd en iederen morgen met een bijzonder werktuig gewalsd werden, zoodat zij er zacht en glad uitzagen als zijden stof, die gemangeld was. Kleine steenen teerlings, die met de oppervlakte van den grond gelijk kwamen, waren bestemd om er èn de paaltjes èn deringen in te planten. Een grachtje, eenige duimen diep gegraven, begrensde daarenboven iedere baan, die haar twaalf honderdvierkante meters besloeg, een uitgestrektheid, die voor de ontwikkeling van het spel noodig is. Hoe dikwijls hadden de gebroeders Melvill niet met geheim verlangen, ja met afgunst, de jongelieden en de jonge meisjes waargenomen, die zich op de fraaie banen oefenden. Maar welk genot ook voor hen, toen miss Campbell hunne uitnoodiging aannam. Zij zouden haar dus eenige afleiding kunnen bezorgen en te gelijkertijd hun zoo geliefkoosd spel beoefenen te midden van een groot aantal toeschouwers, die hun hier, evenmin als te Helenaburg zouden ontbreken. Die ijdele gekken!Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).Toen Aristobulus Beerenkooi verwittigd werd, stemde hij er in toe zijn werkzaamheden te schorsen, en verscheen op het bepaalde uur in het strijdperk. Hij had de verwaandheid te meenen, dat hij theoretisch zoowel als praktisch sterk in het croquet-spel was, dat hij het als wetenschappelijk man, als meet- en wiskundige, in één woord door a + b speelde, zooals het een ijdel xhoofd betaamde.Wat miss Campbell maar half aanstond, was dat zij dien jeugdigen pedant natuurlijk tot partner zoude hebben. En kon dat ook wel anders? Zou zij haar beide ooms het verdriet aandoen, om hen in den strijd te scheiden, om hen den een’ tegenover den anderen te plaatsen, zij die steeds zoo met hart en ziel vereenigd waren, die nooit dan als partners te samen gespeeld hadden? Neen, dat zou zij niet over haar hart kunnen krijgen.»Wat ben ik gelukkig,” zei Aristobulus Beerenkooi in den beginne, »uw meespeler te zijn, en wanneer gij mij toestaat, dan zal ik de bepaalde oorzaken van de bewegingen der ballen uitleggen....”»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Helena, terwijl zij hem een oogenblik terzijde nam, »wij moeten mijn ooms laten winnen.”»Winnen?....”»Ja... maar zonder zulks te laten merken.”»Maar, miss Campbell....”»Zij zouden zich te ongelukkig gevoelen, wanneer zij verloren.”»Maar.... met uw verlof!...” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »dat croquet-spel is mij meetkundig bekend, daarop kan ik mij verhoovaardigen! Ik heb het verband der rechte lijnen, en de waarde der kromme lijnen berekend, en ik meen de pretentie te mogen koesteren, dat....”»En ik koester geenerlei pretentie, dan om aan onze tegenstanders aangenaam te zijn. Zij zijn daarenboven zeer sterk in het croquet-spel, zijt dus gewaarschuwd; want ik geloof niet, dat al uw geleerdheid in het krijt kan treden met hunne behendigheid.”»Dat zullen wij zien,” mompelde Aristobulus Beerenkooi, wien geen overweging, welke ook, kon overhalen, zich vrijwillig te laten overwinnen, zelfs niet wanneer het gold miss Campbell aangenaam te zijn.Middelerwijl was de kist, waarin de piketten, de teekens, de ringen, de ballen en de houten hamers besloten waren, door een der bedienden op den »crocket ground” gebracht.De ringen, ten getale van negen, werden ruitvormig op de kleine teerlingsteenen geplaatst, en de beide piketten wezen de uiteinden aan van de groote as van die ruit.»Nu moeten wij trekken,” zei broeder Sam.De marken werden in een hoed gedaan en ieder trok er een blindweg.Het lot had de navolgende kleuren voor de volgorde der partij uitgedeeld: een blauwen bal en hamer aan broeder Sam, een rooden bal en hamer aan Beerenkooi, een gelen bal en hamer aan broeder Sib en eindelijk een groenen bal en hamer aan miss Campbell.»In afwachting dat de straal van dezelfde kleur voor mij verschijne,” lachte zij. »Dat is waarlijk een goed voorteeken!”Het was aan broeder Sam om te beginnen, hetgeen hij deed, na eerst een duchtig snuifje met zijn partner gewisseld te hebben.Gij moest hem hebben kunnen zien, het lichaam noch te rechtop noch te veel voorover gebogen, het hoofd licht gedraaid, om den bal op de goede plaats te kunnen treffen, de beide handen, de een naast de andere op den steel van den hamer, de linker onder, de rechter boven, de beenen tegen elkander gesloten, de knieën lichtelijk doorgebogen, om veerkrachtig den invloed van den slag tegen te gaan, de linkervoet geplaatst vóór den bal, de rechtervoet eenigszins achterwaarts! In één woord, het type van den echten croquetspeler!Toen verhief broeder Sam zijn hamer. Zachtkens liet hij hem een halven cirkel beschrijven, toen gaf hij zijn bal, die juist op achttien duim van den »fock” of eersten piketpaal geplaatst was, een slag, en had niet noodig om dienzelfden eersten slag driemaal uit te voeren, een recht dat hem onbetwistbaar toekwam.En waarlijk, zijn bal, behendig voortgestuwd, vloog onder den eersten ring en daarna onder den tweeden ring door, een andere slag bracht den bal onder door den derden ring en het was eerst bij den vierden, dat hij bleef liggen, omdat hij te veel het ijzer geraakt had.Dat was prachtig voor een eerste begin. Een vleiend gemompel liet zich dan ook onder de toeschouwers hooren, die buiten het grachtsboord stonden hetwelk de bezode baan omgaf.Het was toen de beurt van Aristobulus Beerenkooi om te spelen. Dat liep minder gelukkig af. Gebrek aan behendigheid of ongeluk, hoe het ook zij, hij moest driemaal overdoen, alvorens zijn bal onder den eersten ring door te brengen, maar hij miste den tweeden.»Wellicht heeft die bal geen gelijkmatig evenwicht,” legde hij aanmiss Campbell uit. In dat geval doet het zwaartepunt, dat buiten het middelpunt gelegen is, den bal in zijn baan afwijken.”»Aan u, oom Sib, om te spelen!” riep miss Campbell, zonder naar die wetenschappelijke uitlegging te luisteren.Broeder Sib was zijn broeder Sam ten volle waardig. Zijn bal vloog door twee ringen heen en bleef bij dien van Aristobulus Beerenkooi liggen, die hem, nadat hij hem geroqueerd had, dat wil zeggen: achterwaarts geslagen, behulpzaam was om door den derden ring te komen, waarna hij den bal van den jongen geleerde andermaal roqueerde. Deze laatste vertoonde een uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: »dat zullen we straks beter doen”. Eindelijk lei broeder Sib de beide ballen naast elkander, zette den voet op zijn eigen bal, en gaf dien een forschen slag met den hamer, om dien van zijn tegenpartij te croquetteeren, dat wil zeggen, dat hij hem door den terugslag op ruim zestig pas ver over de grensgracht voortstuwde.Aristobulus Beerenkooi moest zijn bal naloopen, maar hij deed dat met deftigheid, als een bezonnen mensch, en wachtte daarna in de houding van een generaal, die nadenkt en een grooten slag voorbereidt.Miss Campbell plaatste op hare beurt haar groenen bal en deed hem behendig de beide eerste ringen doorgaan.De partij werd zoo voortgezet en verliep op de meest gunstige wijze voor de gebroeders Melvill, die hun hart konden ophalen met de ballen van hunne tegenpartij te roqueeren en te croqueeren. Welk een moord! Zij gaven elkaar kleine teekens, zij verstonden elkander op een blik, zonder noodig te hebben te spreken, en geraakten eindelijk tot groot genoegen van hunne nicht, maar tot groot ongenoegen van Aristobulus Beerenkooi, in het voordeel.Toen miss Campbell evenwel, nadat het spel ongeveer vijf minuten geduurd had, bemerkte, dat zij genoegzaam ten achteren was; begon zij meer ernstig te spelen en ontwikkelde meer behendigheid dan haar partner, die haar niettemin zijn wetenschappelijke raadgevingen niet onthield.»De weerkaatsingshoek,” zeide hij tot het jonge meisje, »is gelijk aan den invallingshoek, en dat zal u de richting, die de ballen nemen moeten aanduiden. Gij moet dus uw voordeel doen met....”»Doet gij er uw voordeel maar mede,” antwoordde miss Campbell hem. »Kijk mijnheer, ik ben u al drie ringen vooruit!”En waarlijk, Aristobulus Beerenkooi bleef erbarmelijk achter. Tien maal had hij reeds getracht door den dubbelen middenring te geraken zonder dat het hem gelukt was. Hij gaf toen de schuld aan dien ring; hij liet hem rechtbuigen en de opening wijzigen en beproefde toen andermaal zijn goed geluk. Maar dat was hem al evenmin gunstig.Zijn bal raakte telkenmale het ijzer, en de arme Aristobulus slaagde niet er door te komen.Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).Waarlijk, miss Campbell zou redenen gehad hebben, zich over haren partner te beklagen. Zij speelde zeer goed en verdiende ten volle de loftuigingen, waarmede hare ooms niet kwistig omsprongen. Er was niets bekoorlijkers te zien, dan haar zoo ongedwongen overgave aan dit spel, dat zich uitmuntend leent, om de bevalligheden des lichaams te doen uitkomen. Haar rechter voet half opgeheven bij de punt, ten einde haren bal in het oogenblik van croqueeren in bedwang te houden; hare armen kittig afgerond, wanneer zij den hamer een halven boog liet beschrijven; de opgewektheid van haar lief gelaat, dat lichtelijk naar den grond gekeerd was; haar fraaie leest, die veerkrachtig heerlijk zich bewoog; alles vormde een geheel, dat aanbiddelijk en wel beschouwenswaard was. En toch zag Aristobulus Beerenkooi er niets van.Het moet erkend, dat die jeugdige geleerde woedend was. En inderdaad, de gebroeders Melvill hadden thans een voorsprong, die bijna onmogelijk meer in te halen was. De afwisselingen van het croquetspel zijn evenwel zoo onverwacht, dat men aan de overwinning nimmer moet wanhopen.De partij werd dus onder die ongelijke omstandigheden voortgezet, toen plotseling een gebeurtenis plaats greep.De gelegenheid opende zich voor Aristobulus Beerenkooi, om den bal van broeder Sam, die door den middenring reeds terug gekomen was, waarvoor hij halsstarrig liggen bleef, te roqueeren. Hij gevoelde zich waarlijk ontstemd, hoewel hij moeite deed, om er niets van voor de omstanders te laten blijken, en wilde zich door een meesterstuk weer verheffen. Voornamelijk wilde hij zijn tegenpartij met gelijke munt betalen, en zijn bal buiten de grenzen van de baan zenden. Hij plaatste dus zijn bal tegen dien van broeder Sam, hij zorgde er voor, dat de beide ballen elkander aanraakten, door de grassprietjes er nauwkeurig tusschen weg te nemen, hij plaatste zijn linker voet op zijn bal en, zijn hamer bijna een geheelen boog latende beschrijven om meer kracht aan den slag te geven, zwaaide hij gezwind met dit werktuig.Maar welken schreeuw ontsnapte hem! Het was een gehuil van pijn! De hamer, slecht bestuurd, had niet den bal, maar den enkel van den lomperd geraakt, die daar nu stond op éen been rond te hinken, terwijl hij, ongetwijfeld zeer natuurlijk, kreten uitstiet, die hem evenwel vrij bespottelijk maakten.De gebroeders Melvill ijlden tot hem. Gelukkig had het leer van zijn halve laars den slag gebroken; de kneuzing had dan ook eigenlijk niet veel te beteekenen. Maar Aristobulus Beerenkooi vermeende aldus zijn ongelukkig wedervaren te moeten uitleggen:»De straal, door mijn hamer voorgesteld,” zei hij doceerende, terwijl hij een grijns van pijn niet kon onderdrukken, »heeft eenconcentrischen cirkel beschreven, ten opzichte van dien, welke den tangens van den grond had moeten uitmaken, door dat ik den straal te kort nam. Vandaar de schok....”»En dus zullen wij de partij maar opgeven?” viel miss Campbell hem vragenderwijs in de rede.»De partij opgeven?” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Ons gewonnen geven? Dat nooit! Wanneer men de kansformules van de waarschijnlijkheids-rekening betracht, zal men zien, dat....”»Welnu, laat ons dan doorspelen!” antwoordde miss Campbell.Maar alle kansformules der wereld zouden niet veel kansen verschaft hebben aan de tegenstanders van de twee ooms. Reeds was broeder Sam »rover”, dat wil zeggen, dat hij zijn bal door al de ringen gebracht had, en den »besan” of het aankomstpaaltje geraakt had, zoodat zijn spel nog maar bestond in het croqueeren en roqeeren van al de ballen, die hem daartoe wenschelijk voorkwamen.En inderdaad was de partij eenige oogenblikken later onherroepelijk gewonnen, en triomfeerden de gebroeders Melvill, maar met bescheidenheid, zoo als het grooten meesters betaamt. Wat den grooten Aristobulus Beerenkooi aangaat, dien was het, in weerwil van zijn aanmatiging, niet gelukt zijn bal door den middenring te brengen.Toen wilde miss Campbell waarschijnlijk meer spijt te kennen geven, dan zij werkelijk gevoelde, en bracht zij haren bal een flinken slag met haren hamer toe, zonder evenwel eenigermate de richting te berekenen.De bal vloog buiten den omtrek der baan, door het grachtje aangegeven. Hij rolde naar den kant der zee, trof een strandkeisteen, sprong op en—zooals Aristobulus Beerenkooi zou zeggen,—onder den invloed zijner zwaarte, vermenigvuldigd met het vierkant der snelheid, bereikte hij aldus het strand.Maar daar trof hij al zeer ongelukkig!Een jeugdig artist zat daar voor zijn schildersezel en was bezig een zeegezicht te schetsen, dat door de zuiderpunt van de reede van Oban begrensd werd. De bal vloog midden in het doek en besmeerde haar groen kleed met al de kleuren van het palet, dat hij rakelings voorbij snorde, wierp den schildersezel omver en stuwde dien eenige passen voort.De jonge schilder keerde zich om en sprak bedaard:»Het is gewoonte, alvorens een bombardement te beginnen, de menschen te waarschuwen! Wij zijn waarlijk hier niet veilig!”Miss Campbell, die een voorgevoel van het ongeluk had, nog vóór de bal zijn doel bereikte, snelde zoo hard zij kon naar het strand.»Och! mijnheer,” sprak zij tot den jeugdigen kunstenaar, »wil mij mijn onhandigheid vergeven!”De jonkman stond op en groette het mooie meisje, dat geheelbeteuterd vóór hem stond, en haar verontschuldigingen stamelde....Het was de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk!

VIII.Een teleurstellend wolkje.Een opheldering was noodzakelijk geworden; maar daar Aristobulus Beerenkooi met die opheldering niets te maken had, groette miss Campbell hem koel en keerde naar het Caledonian Hotel terug.Aristobulus Beerenkooi had het jonge meisje niet minder koel teruggegroet. Klaarblijkelijk voelde hij zich gekrenkt, dat hij inmededinging met een straal gekomen was, van welke kleur die dan ook wezen mocht.Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).Hij keerde langs het strand naar zijn hotel terug, terwijl hij een redevoering voor zich zelven in de meest gepaste bewoordingen hield.Broeder Sam en broeder Sib waren volstrekt niet in hun knollentuin. Toen zij dan ook in het kleine salon waren binnengetreden, wachtten zij met gebukten hoofde tot dat het jonge meisje hun het woord zoude toevoegen.De opheldering was kort maar uitermate helder. Men was te Oban gekomen om een zuivere kim te zien en men zag er niets of zoo weinig van, dat het der moeite niet waard was er van te spreken.De beide ooms konden zich slechts op hun goede trouw beroepen. Zij kenden Oban in het geheel niet! Wie had kunnen denken dat de zee, de ware zee daar niet te vinden was! En toch wemelde het van badgasten. Dat was misschien het eenige punt der kust, waar, ten gevolge van dien ongelukkigen Hebriden-archipel, de kringvormige lijn, waar hemel en water elkander schijnen te raken, niet te zien was.»Welnu,” zei miss Campbell op een toon, dien zij zoo gestreng mogelijk trachtte te uiten, »men had een ander punt dan Oban moeten kiezen, al had daaraan het voordeel opgeofferd moeten worden van de ontmoeting met mijnheer Aristobulus Beerenkooi!”De broeders Melvill bogeninstinctmatighet hoofd enbeantwoorddendien rechtstreekschen aanval niet.»Wij gaan onze beschikkingen treffen,” zei miss Campbell, »en heden vertrekken wij nog!”»Welnu, vertrekken wij dan!” antwoordden de twee ooms, die hunne onbezonnenheid slechts door een geheel lijdelijke gehoorzaamheid konden trachten goed te maken.En volgens ouder gewoonte weerklonken weer de uitroepen:»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Juffrouw Bess verscheen, vergezeld van Partridge. Beiden werden dadelijk op de hoogte gesteld, en bij ondervinding wetende, dat hunne jonge meesteres steeds gelijk moest hebben, vroegen zij zelfs de redenen van dat overhaaste vertrek niet.Maar men had zonder baas Mac-Fyne, den eigenaar van het Caledonian Hotel, gerekend.Men zou zelfs in het gastvrije Schotland weinig menschenkennis ten opzichte van die achtenswaardige nijverheidslieden aan den dag leggen, wanneer men een hunner in staat zou achten een gezin, bestaande uit drie heerschappen en twee bedienden, te laten vertrekken,zonder alles in het werk gesteld te hebben, om dat te behouden. En dat gebeurde juist in deze omstandigheid.Toen baas Mac-Fyne op de hoogte van deze ernstige zaak gebracht was, verklaarde hij deftig, dat alles ten algemeenen genoegen geschikt kon worden, zonder nog van zijn bizonder genoegen te spreken, dat hij smaken zou, wanneer hij zoo edele reizigers zoo lang mogelijk ten zijnent behouden mocht.Wat verlangde miss Campbell en wat eischten bijgevolg de heeren Sib en Sam Melvill? Een onbeperkt zeegezicht met uitgestrekten gezichteinder. Niets gemakkelijker te verschaffen dan dat, daar het slechts gold dien gezichteinder bij zons-ondergang waar te nemen. Dat kon men van het strand van Oban niet doen! Dat is zoo! Maar zou het voldoende zijn naar het eiland Kerrera over te steken? Neen. Het groote eiland Mull zou ook dáár een beletsel zijn, om iets meer dan een klein hoekje van den Atlantischen Oceaan waar te nemen, dat bovendien nog in het zuidwesten bespeurd werd. Maar wanneer men de kust langs wandelde, dan kwam men bij het eiland Seil, dat door middel van eene brug met de Schotsche kust verbonden was, waarlangs men de noordelijkste punt van het eiland kon bereiken. Daar kon niets den gezichtskring naar den westkant en over twee vijfden van de noordstreken van het kompas belemmeren.Om nu op dat eiland over te gaan, gold het slechts een eenvoudige wandeling van vier ofvijfmijl, niet meer. En wanneer het weder gunstig was, dan kon een overheerlijk rijtuig miss Campbell en haar gevolg in een of in anderhalf uur overbrengen.Tot bevestiging van zijn beweren, toonde de waard de kaart op groote schaal, die in het voorportaal van het hotel aan den wand hing. Miss Campbell kon zich dus overtuigen, dat baas Mac-Fyne geen praatjes verkocht. En werkelijk, meer zeewaarts van het eiland Seil opende zich een breede sector, die een derde gedeelte van die gezichteinder-lijn bevatte, waarachter de zon wegduikt gedurende de weken, die de dag- en nachtevening voorafgaan of onmiddellijk volgen.De zaak kwam dan ook tot groote voldoening van baas Mac-Fyne en tot groot gemak van de gebroeders Melvill in orde. Miss Campbell verleende edelmoedig vergiffenis en liet zich geen enkele onaangename toespeling op de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi weer ontsnappen.»Maar,” merkte broeder Sam op, »het is toch op zijn minst genomen zonderling, dat een zee-gezichteinder te Oban ontbreekt!”»De natuur is zoo grillig!” antwoordde broeder Sib.Aristobulus gevoelde zich ongetwijfeld zeer gelukkig, toen hij vernam, dat miss Campbell niet elders een meer gunstige plek zou gaan opzoeken voor haarmeteorologischewaarnemingen. Maar hij waszoo verdiept in zijn vraagstukken, dat hij vergat van zijn tevredenheid te doen blijken.Het grillige schoone kind weet hem waarschijnlijk dank voor die bescheidenheid, want hoewel zij geheel onverschillig voor hem bleef, ontving zij hem toch minder koel dan bij hunne eerste ontmoeting.Intusschen was er een lichte verandering in den toestand van den dampkring gekomen. Wel bleef het weer op onveranderlijk »mooi”, maar toch benevelden eenige wolken, die door de middaghitte verdreven werden, bij zonsop- en ondergang den gezichteinder. Het was dus vrij overbodig op het eiland Seil een waarnemingspost te gaan zoeken. Dat zou volkomen verloren moeite zijn en men moest derhalve geduld oefenen.Miss Campbell liet hare ooms gedurende die lange dagen in gezelschap van den bruidegom hunner keuze, en ging, somtijds door juffrouw Bess vergezeld, maar meestal alleen op het strand van de baai dwalen. Zij ontvluchtte volgaarne die geheele menigte van leegloopers, die de vlottende bevolking in de badplaatsen van de geheele wereld uitmaakt, zooals geheele huisgezinnen, wier eenige bezigheid daarin bestaat om de zee te zien rijzen en dalen, terwijl meisjes en jongens zich met een vrijpostigheid van houdingen, alleen in Brittannië in zwang, in het natte zand rondwentelen; of wel ernstige en flegmatische heeren, die in hun soms al te oorspronkelijk badkostuum rondkuieren, en welker voornaamste bedrijvigheid kan genoemd worden, zich dagelijks gedurende zes minuten in het zoute water van den Oceaan te dompelen; of ook wel heeren en dames van groote achtbaarheid, die stijf en onbeweeglijk in de teenen badstoelen gedoken, in die soort boeken met veelkleurige bordpapieren omslagen en dien fijnen druk, waarvan de Engelsche uitgevers eenigermate misbruik maken, zitten te turen; verder van die voetreizigers met den kijker aan een riem over den schouder hangende, en den helmhoed op het hoofd, de kuiten met lange slobkousen bedekt, het zonnescherm in de hand, die vandaag aangekomen, morgen reeds vertrokken zullen zijn. En dan te midden van die menigte, wemelende nijverheidsbeoefenaars, wier nijverheidstoestellen bij uitstek vervoerbaar zijn, als: elektriek-mannen, die de liefhebbers voor een paar stuivers een aangename kitteling of een minder aangenamen schok doen ondergaan; artisten, wier draaiorgels op wielen, de landsdeuntjes met verwrongen Fransche airs afwisselen; photografen in de open lucht, die bij dozijnen de oogenblikkelijke afdrukken afleveren aan de families, die zich voor zoo’n gelegenheid gegroepeerd hebben laten opnemen; fruitventers met hunne zwarte jassen en fruitventsters met hare bloemruikers op den hoed, die hunne kleine karretjes voortduwen, waarin het schoonste ooft der wereld ligt te pronken; eindelijk minnestreels met hunne grijnzende gezichten onderde laag schoensmeer, die het bedekt, geven volksvoorstellingen en gillen te midden van een groep kinderen, eigenaardige klaagliederen,welker refreinen door allen met den meesten ernst herhaald worden.Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).Neen, dat gewriemel van het badgastleven had voor miss Campbell geen geheimen meer en trok haar ook niet aan. Zij vermeed zoo veel mogelijk die gaanden en komenden, die elkander zoo vreemd schenen, alsof zij van de vier uiteinden van Europa waren te zamen gebracht.Wanneer hare ooms dan ook, eenigszins ongerust, haar bij zich wenschten te hebben, dan moesten zij haar op een eenzaam strandgedeelte, bij voorbeeld op een der vooruitspringende landspitsen, die de baai begrenzen, gaan zoeken.Daar zat miss Campbell dan, als de peinzende Mina uit denZeeschuimermet den elleboog op eenige vooruitstekende punt van een rots geleund, het hoofd in de eene hand, en door de andere bessen latende glijden, die zij tusschen de steenen geplukt had, alwaar de struikjes, waaraan zij groeiden, gevonden werden. Haar verstrooide blik zweefde van een »stack”, welker rotsachtige top zich loodrecht verhief, naar de een of andere donkere grot, een van die »helgers”, zoo als men ze in Schotland noemt, waarin de zee bij stijgenden vloed zoo’n brullend geluid kon doen hooren.In de verte zaten zeeraven, als in gelid gerangschikt, met de onbeweeglijkheid alsof ze in steen gehouwen waren. Het jonge meisje volgde hen met den blik, wanneer zij in hunne rust gestoord opvlogen enoverde kleine getijgolfjes met de punten hunner vleugels scheerden.Waaraan dacht dan het jonge meisje? Aristobulus Beerenkooi zou ongetwijfeld de onbeschaamdheid hebben, de meening te koesteren, dat zij aan hem hare gedachten wijdde, welke meening door de beide ooms in hunnen kinderlijken eenvoud zoude gedeeld zijn. En toch konden zij zich vergist hebben.In haar herinneringen doemden dan de gebeurtenissen bij de Corryvrekan-kolk op. Zij zag andermaal die sloep in nood, deGlengarry, die de zeeëngte inschoot, om hulp te bieden. Zij voelde andermaal de aandoeningen, die haar hart zoo hadden doen kloppen, die dat hart zoo hadden samengesnoerd, wanneer de schipbreukelingen in de uitholling tusschen twee golven verdwenen.... Dan verscheen de redding haar vervolgens voor den geest, het zoo behendig uitgeworpen touw, die bevallige jonkman, die minder ontroerd was dan zij, en kalm en glimlachend op het dek sprong, terwijl hij de passagiers van de boot met vriendelijk gebaar groette.Voor een dichterlijk brein bestond daar de kiem van een roman, maar het had er alles van, alsof de roman bij het eerste hoofdstuk zou blijven steken. Het begonnen boekdeel was plotseling tusschen de schoone handen van miss Campbell dichtgeslagen. Op welke bladzij zoude zij het weer kunnen openen, nu »haar held,” aanden een of anderen Wodan uit deGaëlischeheldentijdperken gelijk, verdwenen en niet meer te voorschijn getreden was?Maar had zij hem wel te midden van die onverschillige menigte, die op het strand van Oban wemelden, gezocht? Misschien. Maar, had zij hem gevonden? Neen. Hij zou haar ongetwijfeld niet kunnen herkennen. Om welke reden zou hij haar aan boord van deGlengarryopgemerkt hebben? Waarom zou hij tot haar gekomen zijn? Hoe zou hij hebben kunnen raden, dat hij zijn redding grootendeels aan haar verschuldigd was? En zij was het toch, die vóór alle anderen het vaartuigje in nood ontwaard had; zij was het, die den kapitein het eerst gesmeekt had, hulp te gaan bieden. En in werkelijkheid was die omstandigheid haar dien avond zeer waarschijnlijk op de waarneming van den Groenen Straal te staan gekomen!Dit was inderdaad zoo goed als zeker.Gedurende de drie eerste dagen na de aankomst der familie Melvill te Oban, zou de dampkring de wanhoop opgewekt hebben van de sterrenkundigen der sterrenwachten van Edinburg of Greenwich. Het was of het uitspansel met katoenvlokken bekleed was door den nevel, die nog meer misleidde en teleurstelde dan wolken het konden doen. Noch kijkers, noch telescopen van de meest machtige afmetingen, noch de reflector van Cambridge, evenmin als die van Parsontown, zouden er in geslaagd zijn, het oog gelegenheid te geven dien nevel te doorboren. De zon alleen zou de kracht bezitten haar stralen er door te schieten; maar bij haren ondergang verdikte zich die nevel bij den gezichteinder. Het geheele westen werd dan met het heerlijkste en schitterendste purper overgoten, en het was dan den Groenen Straal onmogelijk, het netvlies van het oog des waarnemers te bereiken.In de droomerijen van miss Campbell smolten, ten gevolge van haar grillige verbeelding, de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk met den Groenen Straal tot één wezen te zamen. Dat was zeker, dat noch de een noch de andere te bespeuren was. Bedekten de nevelen den eenen, de andere was achter een stipt incognito verscholen.De gebroeders Melvill kwamen slecht terecht, wanneer zij hunne nicht geduld meenden te moeten aanprijzen. Miss Campbell zag er niet tegen op, om hen voor die dampkrings-afwijkingen aansprakelijk te stellen. Zij gaven dan de schuld aan den voortreffelijken aneroïde-barometer, dien zij van Helenaburg medegebracht hadden, en welker naald maar geen verhoogden luchtdruk wilde aanwijzen. Waarlijk! zij hadden hunne gemeenschappelijke snuifdoos wel willen weggeven, om bij den ondergang van de schoone dagvorstin een heldere kim te mogen waarnemen.Wat de geleerde Beerenkooi betreft, hij had eens, toen de nevelen,die het uitspansel bezwangerden, besproken werden, de overgroote onhandigheid, hunne vorming geheel natuurlijk te vinden. Dat voerde hem er geleidelijk toe, een kleine natuurkundige verhandeling in tegenwoordigheid van miss Campbell te houden. Hij sprak over de vorming der wolken in het algemeen, over hunne beweging wanneer het afnemen der warmte hen den gezichteinder nabij brengt, over den blaasjesvormigen toestand van den waterdamp, van de wetenschappelijke verdeeling der wolken in nimbi, strati, cumuli en cyrry! Het is onnoodig te zeggen, dat het jonge meisje geen enkel oogenblik naar dat geleerd gewauwel luisterde.En dat liet zij zoo nadrukkelijk merken, dat de gebroeders Melvill niet wisten, welke houding zij gedurende die ontijdige verhandeling zouden aannemen!Ja! miss Campbell bracht den jeugdigen geleerde in den letterlijken zin des woords van zijn stuk. Eerst keek zij met voordacht een geheel anderen kant uit, om Aristobulus Beerenkooi niet te hooren; toen hief zij onafgewend den blik op het kasteel Dunolly, om hem niet aan te zien; eindelijk bekeek zij de punten van haar fijne badschoentjes, wat het teeken is van de minst vermomde onverschilligheid, het bewijs van de meest mogelijke geringschatting, die een Schotsche schoone aan den dag kan leggen, zoo wel voor hetgeen de woordvoerder zegt als voor zijn eigen persoon.Aristobulus Beerenkooi, die in den regel niemand anders zag of hoorde dan zich zelf, en die ook nimmer voor iemand anders dan voor zich zelven sprak, ontwaarde de bewegingen van het jonge meisje niet, of deed althans alsof hij er niets van merkte.Zoo gingen de dagen van den derden tot en met den zesden Augustus om. Gedurende dien laatsten dag evenwel rees de barometer tot overgroot genoegen van de gebroeders Melvill eenige strepen boven »veranderlijk.”De volgende dag kondigde zich onder de meest gunstige voorteekens aan. De zon scheen des morgens ten tien ure met luisterrijken glans, en het uitspansel weerspiegelde met de meest onberispelijke zuiverheid zijn azuurblauw in de wateren der zee.Zulk een gelegenheid kon miss Campbell niet laten ontsnappen. Een sierlijk rijtuig stond steeds ter harer beschikking in de stalhouderij van het Caledonian Hotel. Het was nú het oogenblik of nooit om daarvan gebruik te maken.Het was omstreeks vijf uur in den namiddag, toen miss Campbell en de gebroeders Melvill plaats namen in de kalès, die door een behendigen koetsier, gewoon aan het rijden met »de vier,” gemend werd. Partridge klom in den achterbak en de vier paarden, door het uiteinde der zweep lichtelijk gekitteld, sprongen in galop en vlogen den weg van Oban naar Glachan op.Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).Aristobulus Beerenkooi was tot zijn groote spijt—niet van miss Campbell—verhinderd van de partij te zijn, daar zijn tijd ingenomenwerd door het opstellen van een belangrijk wetenschappelijk rapport.Het uitstapje viel in allen deele overheerlijk uit. Het rijtuig hield den weg langs de kust, die zich langs de zeeëngte uitstrekt, die het eiland Kerrera van de Schotsche kust scheidt. Dat eiland, van vulkanischen oorsprong, was zeer schilderachtig, maar had een groot gebrek in het oog van miss Campbell, en dat was, dat het den zeegezichteinder geheel bedekte. Daar evenwel slechts vier en een halve mijl af te leggen waren in die omstandigheden, leenden deze er zich allergunstigst toe om de harmonische omtrekken van dat eiland te bewonderen, die zich op een helder lichten achtergrond afteekenden, en waarboven de bouwvallen uitstaken van het Deensche kasteel hetwelk het zuidelijk uiteinde bekroonde.»Dat was voorheen de residentie der Mac-Douglas van Lorne,” merkte broeder Sam op.»Voor onze familie heeft dat kasteel groote historische herinneringen,” vervolgde broeder Sib; »want het werd door de Campbells vernietigd, die het verbrandden, na al de bewoners zonder mededoogen over de kling gejaagd te hebben!”Dat schitterende wapenfeit scheen voornamelijk de goedkeuring van Partridge weg te dragen. Althans hij klapte ter eere van den Clan zachtkens in de handen.Toen men het eiland Kerrera voorbijgereden was, sloeg het rijtuig een smallen weg in, die zachtjes heuvel op en heuvel af naar het dorp Glachan voerde. Daar werd een landengte overgestoken in den vorm eener brug, die over het nauwe vaarwater toegang verleende en het eiland Seil met het Schotsche vastland verbond. De tochtgenooten beklommen, na hun rijtuig beneden in een ravijn gelaten te hebben, de vrij scherpe helling van een heuvel en gingen zitten op het buitenboord van een rotsachtigen rand, die den zoom der kuststreek uitmaakte.Ditmaal kon niets den blik der waarnemers, naar het westen gekeerd, hinderen. Noch het eilandje Eastdale, noch dat van Inish, dat als bij het eiland Seil gerand ligt. Tusschen kaap Ardanalish en het eiland Mull, een der grootsten van den Hebriden-archipel, in het noordwesten en het eilandColonsayin het zuidwesten, vertoonde zich een breed zeevak, waarlangs de zon weldra haar stralen in de oppervlakte zou dompelen.Geheel in gedachten verdiept, zat miss Campbell iets vóór hare beide ooms. Eenige roofvogels, arenden of valken, die deze eenzaamheid alleen bevolkten, zweefden boven de »dens”, soort van dalen, uitgehold als trechters met rotsachtige wanden.Volgens sterrentijd zou de zon in dit tijdperk des jaars, en op deze breedte, ten zeven ure vier en vijftig minuten ondergaan, juist in de richting van kaap Ardanalish.Eenige weken later evenwel, zou het onmogelijk zijn, de dagvorstin achter de waterlijn te zien verdwijnen; want dan zou het eilandColonsayhaar bij het ondergaan voor het oog verbergen.Dien avond dus, waren tijd en plaats uitmuntend voor de waarneming van het natuurverschijnsel gekozen.In dat oogenblik schreed de zon in een schuine richting op den zuiver ontwikkelden horizon toe.De oogen verdroegen moeielijk den glans van hare schijf, die thans vuurrood scheen, en door de wateren in een langen gulden lichtstreep weerkaatst werd.En toch, noch miss Campbell, noch hare ooms zouden er toe overgegaan zijn met de oogleden te knippen, neen, zelfs niet gedurende een ondeelbaar oogenblik.Maar voor dat de zonneschijn den gezichteinder met haren benedenrand aangeraakt had, stiet miss Campbell een kreet van teleurstelling uit.Een kleine wolk was verschenen, fijn als een streep, lang als de wimpel van een oorlogsschip. Die wolk sneed de zonneschijf in twee gelijke deelen en scheen met haar naar de kim te dalen.Het was alsof een windzuchtje, hoe licht ook, voldoende zou zijn om dat wolkje te verdrijven, op te lossen!... maar dat zuchtje kwam niet.En toen de zon tot een zeer kleinen boog teruggebracht was, die boven de watervlakte zweefde, toen was het dat uiterst ijle wolkje, dat ter plaatse waar de dagvorstin wegdook, de kim benevelde.Onmogelijk had de Groene Straal, gebroken zijnde door die kleine wolk, het netvlies der waarnemers kunnen bereiken.IX.Praatjes van Juffrouw Bess.De terugtocht naar Oban werd in alle stilte volbracht. Miss Campbell sprak geen enkel woord; en de gebroeders Melvill durfden den mond niet roeren. Het was toch hunne schuld niet, dat die jobswolk juist verschenen was om den laatsten zonnestraal te verdooven. Maar men moest daarom niet wanhopen. Men had nog ruim zes weken van het fraaie seizoen voor den boeg. Het zou toch ongelukkiggenoemd moeten worden, wanneer gedurende den geheelen herfsttijd geen enkele schoonen dag met onbenevelden gezichteinder zou verschijnen!Toch was daar een bewonderenswaardige zonsondergang verloren gegaan, en, moest men het weerglas gelooven, dan zou een dergelijke niet zoo spoedig weer verschijnen. En inderdaad, gedurende de nacht liep de grillige wijzer van den aneroïde-barometer zachtkens terug tot op »veranderlijk”. Maar wat nog door iedereen mooi weer genoemd werd, kon miss Campbell onmogelijk voldoen.Daags daarna, den 8stenAugustus, werden de zonnestralen door warme neveldampen gebroken en was de middagbries ditmaal niet in staat om die dampen te verdrijven. Een schitterend purper kleurde des avonds het uitspansel. Al de nuanceeringen smolten in elkander, van af het chromaatgeel tot het donkere ultramarijn, en vervormden den gezichteinder tot een schitterend en veelkleurig schilders-palet. Onder haren sluier van kleine vlakvormige wolken, tintte de zon bij haren ondergang den achtergrond van de kuststreek met al de kleuren van het spectrum, behalve met die, welke de grillige en bijgeloovige miss Campbell wenschte te zien.En dat was zoo den volgenden en daarop volgende dagen. De kalès bleef dus in het koetshuis van het hotel. Wat zou het ook geven een waarneming te gemoet te ijlen, die door den toestand des hemels onmogelijk te doen was. De hoogten van het eiland Seil konden niet meer begunstigd zijn dan het strand van Oban, en het was beter een zekere teleurstelling te vermijden.Zonder nu meer kwaad geluimd te zijn dan betamelijk was, vergenoegde miss Campbell zich bij het vallen van den avond naar hare kamer te gaan, om daar over die weinig bereidwillige zon te pruilen. Zij rustte dan uit van haar langdurige wandelingen en droomde met de oogen open. Waarover? Over het sprookje dat zich aan den Groenen Straal vastknoopte? Zou zij dien straal nog noodig hebben om helder in haar hart te kunnen lezen? In haar hart? neen wellicht! maar in dat van iemand anders?Dien dag had Helena, vergezeld van juffrouw Bess, hare wandeling tot bij de bouwvallen van Dunolly-Castle uitgestrekt, om daar verstrooiing voor haar teleurstelling te vinden. Daar gezeten aan den voet van een hoogen muur, die geheel en dik met klimop begroeid was, ontwikkelde zich voor haar het meest bewonderenswaardige vergezicht op de baai van Oban, op de woeste landouwen van Kerrera, op de eilandjes die zich als gezaaid op de oppervlakte der Hebridenzee vertoonden, op het groote eiland Mull, welker westelijke rotsbeddingen de eerste aanvallen te verduren hebben van de stormen, die uit den West-Atlantischen Oceaan opdoemen.»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).Miss Campbell keek naar dat prachtige vergezicht, dat daar aanhaar voeten uitgespreid lag. Maar zag zij het wel? Was er niet eenige herinnering, die niet naliet haar te verstrooien? In ieder geval, ditkan verzekerd worden, dat het het beeld van Aristobulus Beerenkooi niet was, dat haar kwelde. En waarlijk, dat jeugdige pedante wezen zou niets in zijn knollentuin geweest zijn, wanneer hij de praatjes, die juffrouw Bess dien dag, hem betreffende, maakte, had kunnen aanhooren.»Hij staat mij niets aan,” herhaalde zij. »Neen! hij staat mij niets aan. Hij denkt er slechts aan zich zelven te behagen? Wat een vertooning zou die man op Helenaburg geven? Hij behoort tot den clan der »Mac-Egoïsten” of ik heb er geen verstand meer van. Hoe hebben de heeren Melvill ooit de gedachte kunnen koesteren, om daarvan hun neef te willen maken? Partridge mag hem evenmin lijden als ik, en Partridge is geen domoor! op lange na niet! Komaan, miss Campbell, vertel eens, bevalt hij u?”»Over wien spreekt ge?” vroeg het jonge meisje, dat naar de praatjes van juffrouw Bess in het geheel niet geluisterd had.»Wel, van hem, aan wien gij onmogelijk denken kunt, al was het maar ter wille van den clan!”»En wie is het dan toch, aan wien zou ik niet kunnen denken?”»Heere mijn tijd! aan mijnheer Aristobulus, die beter zou doen op den anderen oever der Tweed te gaan kijken of er ooit Campbells bestaan hebben, die op Beerenkooien verlekkerd waren.”Gewoonlijk was juffrouw Bess niet op haar mondje gevallen; toch moest zij zeer opgewonden zijn, om zoo in tegenspraak met hare meesters te geraken. Het is waar, het geschiedde uit genegenheid voor hare jonge meesteres! Zij gevoelde daarenboven wel, dat Helena niets anders dan onverschilligheid voor dien pretendent in het hart koesterde. Maar van een anderen kant kon zij niet gissen, dat die onverschilligheid door een meer levendig gevoel voor een ander versterkt werd.Misschien kwam een zweempje argwaan bij juffrouw Bess dienaangaande op, toen miss Campbell haar vroeg, of zij te Oban, dat jonge mensch terug gezien had, wien deGlengarryzoo gelukkiglijk hulp en redding verleend had.»Neen, miss Campbell,” antwoordde juffrouw Bess, »ik heb hem niet gezien; maar Partridge vermeent hem opgemerkt te hebben....”»Wanneer?”»Gisteren op den weg naar Dalmaly. Hij kwam met den randsel op den rug terug, even als een artist, die op reis is! Ah! dat is een onvoorzichtig jong mensch! Zich zoo in de nabijheid van de Corryvrekan-kolk te wagen! dat is een slecht voorteeken voor de toekomst. Er zal niet altijd een vaartuig in de nabijheid zijn om hem hulp te bieden, en dan overkomt hem een ongeluk!”»Zoudt ge dat gelooven, juffrouw Bess? Ja, hij is onvoorzichtig geweest; maar hij betoonde moed te bezitten in die omstandigheden,en bij het gevaar, waarin hij zich bevond, begaf hem zijn koelbloedigheid geen enkel oogenblik!”»Dat’s mogelijk,” hernam juffrouw Bess; »maar voorzeker heeft dat jongmensch nimmer geweten, dat hij zijn redding aan u te danken heeft. Anders zou hij toch minstens bij zijn aankomst tot u gekomen zijn, om u te bedanken....”»Mij bedanken?” vroeg miss Campbell. »Mij bedanken? En waarvoor? Ik heb voor hem slechts gedaan, wat ik voor ieder ander en wat ook ieder ander in mijn plaats zou gedaan hebben.”»Zoudt gij hem herkennen?” vroeg juffrouw Bess, terwijl zij het jonge meisje oplettend aankeek.»Voorzeker,” antwoordde miss Campbell openhartig, »en ik wil wel bekennen, dat het karakter van dien man, de bedaarde moed, dien hij bij zijn verschijnen op het dek ten toon spreidde, alsof hij een oogenblik te voren niet aan den dood ontsnapt was, de hartelijke woorden, die hij tot zijn bejaarden metgezel sprak, terwijl hij dezen aan zijn borst drukte, dat dit alles mij levendig getroffen heeft!”»Maar op wien gelijkt hij toch?” vroeg de waardige huishoudster. »Waarlijk, ik kan hem niet te huis brengen; maar dat weet ik zeker, dat hij niet op dien mijnheer Aristobulus Beerenkooi gelijkt.”Miss Campbell vergenoegde zich met te glimlachen zonder te antwoorden. Zij stond vervolgens op, bleef een oogenblik onbeweeglijk, en liet een laatsten blik tot aan de hoogten van het eiland Mull waren; toen daalde zij, steeds vergezeld van juffrouw Bess, het stille pad af, dat haar op den weg naar Oban terugvoerde.Dien dag ging de zon onder te midden van een soort lichtende stofdeeltjes, die zich, aan een net van luchtig tulleweefsel gelijk, langs den gezichteinder uitstrekte, en werd de laatste straal der dagvorstin door de avondnevelen opgeslorpt.Miss Campbell keerde dus naar het hotel terug en deed het diner dat hare ooms ter harer eer besteld hadden, weinig eer aan. Zij maakte daarna een kleine wandeling op het strand en keerde toen naar haar kamer terug.X.Een Croquet-partij.Ja, het moet erkend worden! de gebroeders Melvill begonnen de dagen te tellen; het zou niet lang meer duren of zij zouden de uren tellen. Dat ging volstrekt niet zoo als zij het verlangden. Zichtbaarwerd hunne nicht door de verveling overmeesterd. De behoefte aan eenzaamheid, die haar overviel, de weinige voorkomendheid, die zij den geleerden Beerenkooi betoonde, wat deze zich minder aantrok, dan zij zelven deden, dat alles was niet geschikt om hun verblijf te Oban te veraangenamen. Zij wisten niet wat te verzinnen, om afwisseling in die eentonigheid te brengen. Te vergeefs bespiedden zij iedere weersverandering. Zij vertelden elkander, dat miss Campbell, wanneer eenmaal aan haren wensch voldaan was, meer handelbaar althans voor hen zou worden.Want het is ergerlijk om te vertellen; sedert twee dagen vergat Helena—meer afgetrokken dan gewoonlijk—de twee oudjes hunnen morgenkus te geven, die hen voor het overige gedeelte van den dag in zoo’n goede luim bracht.De barometer evenwel bleef ongevoelig voor de verwijten der beide ooms en weigerde een aanstaande weersverandering te voorspellen. Met hoeveel zorgen zij ook wel tienmaal per dag met een kleinen, korten slag op het werktuig tikten, om een wijzer-slingering te veroorzaken, helaas! de wijzer steeg geen enkele streep! O! die barometers! fatale dingen!Intusschen baarde het vernuftig brein der gebroeders Melvill een denkbeeld. In den namiddag van den 11denAugustus kwam hun in de gedachte, een partij croquet aan miss Campbell voor te stellen, ten einde haar, zoo mogelijk, eenige verstrooiing te bezorgen. Helena weigerde niet, hoewel zij wist, dat Aristobulus Beerenkooi meê zou doen; maar zij wist dat zij met haar toestemming hare ooms zeer veel genoegen zou doen.Hier dient gezegd, dat broeder Sam zoowel als broeder Sib, er een eer in stelde, den roem weg te dragen van tot de eerste spelers gerekend te worden in dit spel, hetwelk in het Vereenigd Koninkrijk zoo zeer geliefkoosd is. Dat spel is niets anders, zooals men weet, dan het oude »mail”, dat meer geschikt gemaakt is voor de vrouwelijke jeugd.Juist waren er te Oban verscheidene banen geopend, en kon een ieder zich in de geheimen van het croquet-spel inwijden. Dat men zich in het meerendeel der badplaatsen vergenoegt met een baan min of meer gewaterpast, op een grasveld of op het strand, bewijst het min-eischende der spelers of hun weinigen ijver voor deze edele uitspanning. Hier waren de banen niet zanderig; maar met graszoden belegd, zooals het behoort. Het waren zoogenaamde »croquet-grounds”, die iederen avond door middel van sproeipompen bevochtigd en iederen morgen met een bijzonder werktuig gewalsd werden, zoodat zij er zacht en glad uitzagen als zijden stof, die gemangeld was. Kleine steenen teerlings, die met de oppervlakte van den grond gelijk kwamen, waren bestemd om er èn de paaltjes èn deringen in te planten. Een grachtje, eenige duimen diep gegraven, begrensde daarenboven iedere baan, die haar twaalf honderdvierkante meters besloeg, een uitgestrektheid, die voor de ontwikkeling van het spel noodig is. Hoe dikwijls hadden de gebroeders Melvill niet met geheim verlangen, ja met afgunst, de jongelieden en de jonge meisjes waargenomen, die zich op de fraaie banen oefenden. Maar welk genot ook voor hen, toen miss Campbell hunne uitnoodiging aannam. Zij zouden haar dus eenige afleiding kunnen bezorgen en te gelijkertijd hun zoo geliefkoosd spel beoefenen te midden van een groot aantal toeschouwers, die hun hier, evenmin als te Helenaburg zouden ontbreken. Die ijdele gekken!Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).Toen Aristobulus Beerenkooi verwittigd werd, stemde hij er in toe zijn werkzaamheden te schorsen, en verscheen op het bepaalde uur in het strijdperk. Hij had de verwaandheid te meenen, dat hij theoretisch zoowel als praktisch sterk in het croquet-spel was, dat hij het als wetenschappelijk man, als meet- en wiskundige, in één woord door a + b speelde, zooals het een ijdel xhoofd betaamde.Wat miss Campbell maar half aanstond, was dat zij dien jeugdigen pedant natuurlijk tot partner zoude hebben. En kon dat ook wel anders? Zou zij haar beide ooms het verdriet aandoen, om hen in den strijd te scheiden, om hen den een’ tegenover den anderen te plaatsen, zij die steeds zoo met hart en ziel vereenigd waren, die nooit dan als partners te samen gespeeld hadden? Neen, dat zou zij niet over haar hart kunnen krijgen.»Wat ben ik gelukkig,” zei Aristobulus Beerenkooi in den beginne, »uw meespeler te zijn, en wanneer gij mij toestaat, dan zal ik de bepaalde oorzaken van de bewegingen der ballen uitleggen....”»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Helena, terwijl zij hem een oogenblik terzijde nam, »wij moeten mijn ooms laten winnen.”»Winnen?....”»Ja... maar zonder zulks te laten merken.”»Maar, miss Campbell....”»Zij zouden zich te ongelukkig gevoelen, wanneer zij verloren.”»Maar.... met uw verlof!...” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »dat croquet-spel is mij meetkundig bekend, daarop kan ik mij verhoovaardigen! Ik heb het verband der rechte lijnen, en de waarde der kromme lijnen berekend, en ik meen de pretentie te mogen koesteren, dat....”»En ik koester geenerlei pretentie, dan om aan onze tegenstanders aangenaam te zijn. Zij zijn daarenboven zeer sterk in het croquet-spel, zijt dus gewaarschuwd; want ik geloof niet, dat al uw geleerdheid in het krijt kan treden met hunne behendigheid.”»Dat zullen wij zien,” mompelde Aristobulus Beerenkooi, wien geen overweging, welke ook, kon overhalen, zich vrijwillig te laten overwinnen, zelfs niet wanneer het gold miss Campbell aangenaam te zijn.Middelerwijl was de kist, waarin de piketten, de teekens, de ringen, de ballen en de houten hamers besloten waren, door een der bedienden op den »crocket ground” gebracht.De ringen, ten getale van negen, werden ruitvormig op de kleine teerlingsteenen geplaatst, en de beide piketten wezen de uiteinden aan van de groote as van die ruit.»Nu moeten wij trekken,” zei broeder Sam.De marken werden in een hoed gedaan en ieder trok er een blindweg.Het lot had de navolgende kleuren voor de volgorde der partij uitgedeeld: een blauwen bal en hamer aan broeder Sam, een rooden bal en hamer aan Beerenkooi, een gelen bal en hamer aan broeder Sib en eindelijk een groenen bal en hamer aan miss Campbell.»In afwachting dat de straal van dezelfde kleur voor mij verschijne,” lachte zij. »Dat is waarlijk een goed voorteeken!”Het was aan broeder Sam om te beginnen, hetgeen hij deed, na eerst een duchtig snuifje met zijn partner gewisseld te hebben.Gij moest hem hebben kunnen zien, het lichaam noch te rechtop noch te veel voorover gebogen, het hoofd licht gedraaid, om den bal op de goede plaats te kunnen treffen, de beide handen, de een naast de andere op den steel van den hamer, de linker onder, de rechter boven, de beenen tegen elkander gesloten, de knieën lichtelijk doorgebogen, om veerkrachtig den invloed van den slag tegen te gaan, de linkervoet geplaatst vóór den bal, de rechtervoet eenigszins achterwaarts! In één woord, het type van den echten croquetspeler!Toen verhief broeder Sam zijn hamer. Zachtkens liet hij hem een halven cirkel beschrijven, toen gaf hij zijn bal, die juist op achttien duim van den »fock” of eersten piketpaal geplaatst was, een slag, en had niet noodig om dienzelfden eersten slag driemaal uit te voeren, een recht dat hem onbetwistbaar toekwam.En waarlijk, zijn bal, behendig voortgestuwd, vloog onder den eersten ring en daarna onder den tweeden ring door, een andere slag bracht den bal onder door den derden ring en het was eerst bij den vierden, dat hij bleef liggen, omdat hij te veel het ijzer geraakt had.Dat was prachtig voor een eerste begin. Een vleiend gemompel liet zich dan ook onder de toeschouwers hooren, die buiten het grachtsboord stonden hetwelk de bezode baan omgaf.Het was toen de beurt van Aristobulus Beerenkooi om te spelen. Dat liep minder gelukkig af. Gebrek aan behendigheid of ongeluk, hoe het ook zij, hij moest driemaal overdoen, alvorens zijn bal onder den eersten ring door te brengen, maar hij miste den tweeden.»Wellicht heeft die bal geen gelijkmatig evenwicht,” legde hij aanmiss Campbell uit. In dat geval doet het zwaartepunt, dat buiten het middelpunt gelegen is, den bal in zijn baan afwijken.”»Aan u, oom Sib, om te spelen!” riep miss Campbell, zonder naar die wetenschappelijke uitlegging te luisteren.Broeder Sib was zijn broeder Sam ten volle waardig. Zijn bal vloog door twee ringen heen en bleef bij dien van Aristobulus Beerenkooi liggen, die hem, nadat hij hem geroqueerd had, dat wil zeggen: achterwaarts geslagen, behulpzaam was om door den derden ring te komen, waarna hij den bal van den jongen geleerde andermaal roqueerde. Deze laatste vertoonde een uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: »dat zullen we straks beter doen”. Eindelijk lei broeder Sib de beide ballen naast elkander, zette den voet op zijn eigen bal, en gaf dien een forschen slag met den hamer, om dien van zijn tegenpartij te croquetteeren, dat wil zeggen, dat hij hem door den terugslag op ruim zestig pas ver over de grensgracht voortstuwde.Aristobulus Beerenkooi moest zijn bal naloopen, maar hij deed dat met deftigheid, als een bezonnen mensch, en wachtte daarna in de houding van een generaal, die nadenkt en een grooten slag voorbereidt.Miss Campbell plaatste op hare beurt haar groenen bal en deed hem behendig de beide eerste ringen doorgaan.De partij werd zoo voortgezet en verliep op de meest gunstige wijze voor de gebroeders Melvill, die hun hart konden ophalen met de ballen van hunne tegenpartij te roqueeren en te croqueeren. Welk een moord! Zij gaven elkaar kleine teekens, zij verstonden elkander op een blik, zonder noodig te hebben te spreken, en geraakten eindelijk tot groot genoegen van hunne nicht, maar tot groot ongenoegen van Aristobulus Beerenkooi, in het voordeel.Toen miss Campbell evenwel, nadat het spel ongeveer vijf minuten geduurd had, bemerkte, dat zij genoegzaam ten achteren was; begon zij meer ernstig te spelen en ontwikkelde meer behendigheid dan haar partner, die haar niettemin zijn wetenschappelijke raadgevingen niet onthield.»De weerkaatsingshoek,” zeide hij tot het jonge meisje, »is gelijk aan den invallingshoek, en dat zal u de richting, die de ballen nemen moeten aanduiden. Gij moet dus uw voordeel doen met....”»Doet gij er uw voordeel maar mede,” antwoordde miss Campbell hem. »Kijk mijnheer, ik ben u al drie ringen vooruit!”En waarlijk, Aristobulus Beerenkooi bleef erbarmelijk achter. Tien maal had hij reeds getracht door den dubbelen middenring te geraken zonder dat het hem gelukt was. Hij gaf toen de schuld aan dien ring; hij liet hem rechtbuigen en de opening wijzigen en beproefde toen andermaal zijn goed geluk. Maar dat was hem al evenmin gunstig.Zijn bal raakte telkenmale het ijzer, en de arme Aristobulus slaagde niet er door te komen.Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).Waarlijk, miss Campbell zou redenen gehad hebben, zich over haren partner te beklagen. Zij speelde zeer goed en verdiende ten volle de loftuigingen, waarmede hare ooms niet kwistig omsprongen. Er was niets bekoorlijkers te zien, dan haar zoo ongedwongen overgave aan dit spel, dat zich uitmuntend leent, om de bevalligheden des lichaams te doen uitkomen. Haar rechter voet half opgeheven bij de punt, ten einde haren bal in het oogenblik van croqueeren in bedwang te houden; hare armen kittig afgerond, wanneer zij den hamer een halven boog liet beschrijven; de opgewektheid van haar lief gelaat, dat lichtelijk naar den grond gekeerd was; haar fraaie leest, die veerkrachtig heerlijk zich bewoog; alles vormde een geheel, dat aanbiddelijk en wel beschouwenswaard was. En toch zag Aristobulus Beerenkooi er niets van.Het moet erkend, dat die jeugdige geleerde woedend was. En inderdaad, de gebroeders Melvill hadden thans een voorsprong, die bijna onmogelijk meer in te halen was. De afwisselingen van het croquetspel zijn evenwel zoo onverwacht, dat men aan de overwinning nimmer moet wanhopen.De partij werd dus onder die ongelijke omstandigheden voortgezet, toen plotseling een gebeurtenis plaats greep.De gelegenheid opende zich voor Aristobulus Beerenkooi, om den bal van broeder Sam, die door den middenring reeds terug gekomen was, waarvoor hij halsstarrig liggen bleef, te roqueeren. Hij gevoelde zich waarlijk ontstemd, hoewel hij moeite deed, om er niets van voor de omstanders te laten blijken, en wilde zich door een meesterstuk weer verheffen. Voornamelijk wilde hij zijn tegenpartij met gelijke munt betalen, en zijn bal buiten de grenzen van de baan zenden. Hij plaatste dus zijn bal tegen dien van broeder Sam, hij zorgde er voor, dat de beide ballen elkander aanraakten, door de grassprietjes er nauwkeurig tusschen weg te nemen, hij plaatste zijn linker voet op zijn bal en, zijn hamer bijna een geheelen boog latende beschrijven om meer kracht aan den slag te geven, zwaaide hij gezwind met dit werktuig.Maar welken schreeuw ontsnapte hem! Het was een gehuil van pijn! De hamer, slecht bestuurd, had niet den bal, maar den enkel van den lomperd geraakt, die daar nu stond op éen been rond te hinken, terwijl hij, ongetwijfeld zeer natuurlijk, kreten uitstiet, die hem evenwel vrij bespottelijk maakten.De gebroeders Melvill ijlden tot hem. Gelukkig had het leer van zijn halve laars den slag gebroken; de kneuzing had dan ook eigenlijk niet veel te beteekenen. Maar Aristobulus Beerenkooi vermeende aldus zijn ongelukkig wedervaren te moeten uitleggen:»De straal, door mijn hamer voorgesteld,” zei hij doceerende, terwijl hij een grijns van pijn niet kon onderdrukken, »heeft eenconcentrischen cirkel beschreven, ten opzichte van dien, welke den tangens van den grond had moeten uitmaken, door dat ik den straal te kort nam. Vandaar de schok....”»En dus zullen wij de partij maar opgeven?” viel miss Campbell hem vragenderwijs in de rede.»De partij opgeven?” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Ons gewonnen geven? Dat nooit! Wanneer men de kansformules van de waarschijnlijkheids-rekening betracht, zal men zien, dat....”»Welnu, laat ons dan doorspelen!” antwoordde miss Campbell.Maar alle kansformules der wereld zouden niet veel kansen verschaft hebben aan de tegenstanders van de twee ooms. Reeds was broeder Sam »rover”, dat wil zeggen, dat hij zijn bal door al de ringen gebracht had, en den »besan” of het aankomstpaaltje geraakt had, zoodat zijn spel nog maar bestond in het croqueeren en roqeeren van al de ballen, die hem daartoe wenschelijk voorkwamen.En inderdaad was de partij eenige oogenblikken later onherroepelijk gewonnen, en triomfeerden de gebroeders Melvill, maar met bescheidenheid, zoo als het grooten meesters betaamt. Wat den grooten Aristobulus Beerenkooi aangaat, dien was het, in weerwil van zijn aanmatiging, niet gelukt zijn bal door den middenring te brengen.Toen wilde miss Campbell waarschijnlijk meer spijt te kennen geven, dan zij werkelijk gevoelde, en bracht zij haren bal een flinken slag met haren hamer toe, zonder evenwel eenigermate de richting te berekenen.De bal vloog buiten den omtrek der baan, door het grachtje aangegeven. Hij rolde naar den kant der zee, trof een strandkeisteen, sprong op en—zooals Aristobulus Beerenkooi zou zeggen,—onder den invloed zijner zwaarte, vermenigvuldigd met het vierkant der snelheid, bereikte hij aldus het strand.Maar daar trof hij al zeer ongelukkig!Een jeugdig artist zat daar voor zijn schildersezel en was bezig een zeegezicht te schetsen, dat door de zuiderpunt van de reede van Oban begrensd werd. De bal vloog midden in het doek en besmeerde haar groen kleed met al de kleuren van het palet, dat hij rakelings voorbij snorde, wierp den schildersezel omver en stuwde dien eenige passen voort.De jonge schilder keerde zich om en sprak bedaard:»Het is gewoonte, alvorens een bombardement te beginnen, de menschen te waarschuwen! Wij zijn waarlijk hier niet veilig!”Miss Campbell, die een voorgevoel van het ongeluk had, nog vóór de bal zijn doel bereikte, snelde zoo hard zij kon naar het strand.»Och! mijnheer,” sprak zij tot den jeugdigen kunstenaar, »wil mij mijn onhandigheid vergeven!”De jonkman stond op en groette het mooie meisje, dat geheelbeteuterd vóór hem stond, en haar verontschuldigingen stamelde....Het was de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk!

VIII.Een teleurstellend wolkje.Een opheldering was noodzakelijk geworden; maar daar Aristobulus Beerenkooi met die opheldering niets te maken had, groette miss Campbell hem koel en keerde naar het Caledonian Hotel terug.Aristobulus Beerenkooi had het jonge meisje niet minder koel teruggegroet. Klaarblijkelijk voelde hij zich gekrenkt, dat hij inmededinging met een straal gekomen was, van welke kleur die dan ook wezen mocht.Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).Hij keerde langs het strand naar zijn hotel terug, terwijl hij een redevoering voor zich zelven in de meest gepaste bewoordingen hield.Broeder Sam en broeder Sib waren volstrekt niet in hun knollentuin. Toen zij dan ook in het kleine salon waren binnengetreden, wachtten zij met gebukten hoofde tot dat het jonge meisje hun het woord zoude toevoegen.De opheldering was kort maar uitermate helder. Men was te Oban gekomen om een zuivere kim te zien en men zag er niets of zoo weinig van, dat het der moeite niet waard was er van te spreken.De beide ooms konden zich slechts op hun goede trouw beroepen. Zij kenden Oban in het geheel niet! Wie had kunnen denken dat de zee, de ware zee daar niet te vinden was! En toch wemelde het van badgasten. Dat was misschien het eenige punt der kust, waar, ten gevolge van dien ongelukkigen Hebriden-archipel, de kringvormige lijn, waar hemel en water elkander schijnen te raken, niet te zien was.»Welnu,” zei miss Campbell op een toon, dien zij zoo gestreng mogelijk trachtte te uiten, »men had een ander punt dan Oban moeten kiezen, al had daaraan het voordeel opgeofferd moeten worden van de ontmoeting met mijnheer Aristobulus Beerenkooi!”De broeders Melvill bogeninstinctmatighet hoofd enbeantwoorddendien rechtstreekschen aanval niet.»Wij gaan onze beschikkingen treffen,” zei miss Campbell, »en heden vertrekken wij nog!”»Welnu, vertrekken wij dan!” antwoordden de twee ooms, die hunne onbezonnenheid slechts door een geheel lijdelijke gehoorzaamheid konden trachten goed te maken.En volgens ouder gewoonte weerklonken weer de uitroepen:»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Juffrouw Bess verscheen, vergezeld van Partridge. Beiden werden dadelijk op de hoogte gesteld, en bij ondervinding wetende, dat hunne jonge meesteres steeds gelijk moest hebben, vroegen zij zelfs de redenen van dat overhaaste vertrek niet.Maar men had zonder baas Mac-Fyne, den eigenaar van het Caledonian Hotel, gerekend.Men zou zelfs in het gastvrije Schotland weinig menschenkennis ten opzichte van die achtenswaardige nijverheidslieden aan den dag leggen, wanneer men een hunner in staat zou achten een gezin, bestaande uit drie heerschappen en twee bedienden, te laten vertrekken,zonder alles in het werk gesteld te hebben, om dat te behouden. En dat gebeurde juist in deze omstandigheid.Toen baas Mac-Fyne op de hoogte van deze ernstige zaak gebracht was, verklaarde hij deftig, dat alles ten algemeenen genoegen geschikt kon worden, zonder nog van zijn bizonder genoegen te spreken, dat hij smaken zou, wanneer hij zoo edele reizigers zoo lang mogelijk ten zijnent behouden mocht.Wat verlangde miss Campbell en wat eischten bijgevolg de heeren Sib en Sam Melvill? Een onbeperkt zeegezicht met uitgestrekten gezichteinder. Niets gemakkelijker te verschaffen dan dat, daar het slechts gold dien gezichteinder bij zons-ondergang waar te nemen. Dat kon men van het strand van Oban niet doen! Dat is zoo! Maar zou het voldoende zijn naar het eiland Kerrera over te steken? Neen. Het groote eiland Mull zou ook dáár een beletsel zijn, om iets meer dan een klein hoekje van den Atlantischen Oceaan waar te nemen, dat bovendien nog in het zuidwesten bespeurd werd. Maar wanneer men de kust langs wandelde, dan kwam men bij het eiland Seil, dat door middel van eene brug met de Schotsche kust verbonden was, waarlangs men de noordelijkste punt van het eiland kon bereiken. Daar kon niets den gezichtskring naar den westkant en over twee vijfden van de noordstreken van het kompas belemmeren.Om nu op dat eiland over te gaan, gold het slechts een eenvoudige wandeling van vier ofvijfmijl, niet meer. En wanneer het weder gunstig was, dan kon een overheerlijk rijtuig miss Campbell en haar gevolg in een of in anderhalf uur overbrengen.Tot bevestiging van zijn beweren, toonde de waard de kaart op groote schaal, die in het voorportaal van het hotel aan den wand hing. Miss Campbell kon zich dus overtuigen, dat baas Mac-Fyne geen praatjes verkocht. En werkelijk, meer zeewaarts van het eiland Seil opende zich een breede sector, die een derde gedeelte van die gezichteinder-lijn bevatte, waarachter de zon wegduikt gedurende de weken, die de dag- en nachtevening voorafgaan of onmiddellijk volgen.De zaak kwam dan ook tot groote voldoening van baas Mac-Fyne en tot groot gemak van de gebroeders Melvill in orde. Miss Campbell verleende edelmoedig vergiffenis en liet zich geen enkele onaangename toespeling op de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi weer ontsnappen.»Maar,” merkte broeder Sam op, »het is toch op zijn minst genomen zonderling, dat een zee-gezichteinder te Oban ontbreekt!”»De natuur is zoo grillig!” antwoordde broeder Sib.Aristobulus gevoelde zich ongetwijfeld zeer gelukkig, toen hij vernam, dat miss Campbell niet elders een meer gunstige plek zou gaan opzoeken voor haarmeteorologischewaarnemingen. Maar hij waszoo verdiept in zijn vraagstukken, dat hij vergat van zijn tevredenheid te doen blijken.Het grillige schoone kind weet hem waarschijnlijk dank voor die bescheidenheid, want hoewel zij geheel onverschillig voor hem bleef, ontving zij hem toch minder koel dan bij hunne eerste ontmoeting.Intusschen was er een lichte verandering in den toestand van den dampkring gekomen. Wel bleef het weer op onveranderlijk »mooi”, maar toch benevelden eenige wolken, die door de middaghitte verdreven werden, bij zonsop- en ondergang den gezichteinder. Het was dus vrij overbodig op het eiland Seil een waarnemingspost te gaan zoeken. Dat zou volkomen verloren moeite zijn en men moest derhalve geduld oefenen.Miss Campbell liet hare ooms gedurende die lange dagen in gezelschap van den bruidegom hunner keuze, en ging, somtijds door juffrouw Bess vergezeld, maar meestal alleen op het strand van de baai dwalen. Zij ontvluchtte volgaarne die geheele menigte van leegloopers, die de vlottende bevolking in de badplaatsen van de geheele wereld uitmaakt, zooals geheele huisgezinnen, wier eenige bezigheid daarin bestaat om de zee te zien rijzen en dalen, terwijl meisjes en jongens zich met een vrijpostigheid van houdingen, alleen in Brittannië in zwang, in het natte zand rondwentelen; of wel ernstige en flegmatische heeren, die in hun soms al te oorspronkelijk badkostuum rondkuieren, en welker voornaamste bedrijvigheid kan genoemd worden, zich dagelijks gedurende zes minuten in het zoute water van den Oceaan te dompelen; of ook wel heeren en dames van groote achtbaarheid, die stijf en onbeweeglijk in de teenen badstoelen gedoken, in die soort boeken met veelkleurige bordpapieren omslagen en dien fijnen druk, waarvan de Engelsche uitgevers eenigermate misbruik maken, zitten te turen; verder van die voetreizigers met den kijker aan een riem over den schouder hangende, en den helmhoed op het hoofd, de kuiten met lange slobkousen bedekt, het zonnescherm in de hand, die vandaag aangekomen, morgen reeds vertrokken zullen zijn. En dan te midden van die menigte, wemelende nijverheidsbeoefenaars, wier nijverheidstoestellen bij uitstek vervoerbaar zijn, als: elektriek-mannen, die de liefhebbers voor een paar stuivers een aangename kitteling of een minder aangenamen schok doen ondergaan; artisten, wier draaiorgels op wielen, de landsdeuntjes met verwrongen Fransche airs afwisselen; photografen in de open lucht, die bij dozijnen de oogenblikkelijke afdrukken afleveren aan de families, die zich voor zoo’n gelegenheid gegroepeerd hebben laten opnemen; fruitventers met hunne zwarte jassen en fruitventsters met hare bloemruikers op den hoed, die hunne kleine karretjes voortduwen, waarin het schoonste ooft der wereld ligt te pronken; eindelijk minnestreels met hunne grijnzende gezichten onderde laag schoensmeer, die het bedekt, geven volksvoorstellingen en gillen te midden van een groep kinderen, eigenaardige klaagliederen,welker refreinen door allen met den meesten ernst herhaald worden.Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).Neen, dat gewriemel van het badgastleven had voor miss Campbell geen geheimen meer en trok haar ook niet aan. Zij vermeed zoo veel mogelijk die gaanden en komenden, die elkander zoo vreemd schenen, alsof zij van de vier uiteinden van Europa waren te zamen gebracht.Wanneer hare ooms dan ook, eenigszins ongerust, haar bij zich wenschten te hebben, dan moesten zij haar op een eenzaam strandgedeelte, bij voorbeeld op een der vooruitspringende landspitsen, die de baai begrenzen, gaan zoeken.Daar zat miss Campbell dan, als de peinzende Mina uit denZeeschuimermet den elleboog op eenige vooruitstekende punt van een rots geleund, het hoofd in de eene hand, en door de andere bessen latende glijden, die zij tusschen de steenen geplukt had, alwaar de struikjes, waaraan zij groeiden, gevonden werden. Haar verstrooide blik zweefde van een »stack”, welker rotsachtige top zich loodrecht verhief, naar de een of andere donkere grot, een van die »helgers”, zoo als men ze in Schotland noemt, waarin de zee bij stijgenden vloed zoo’n brullend geluid kon doen hooren.In de verte zaten zeeraven, als in gelid gerangschikt, met de onbeweeglijkheid alsof ze in steen gehouwen waren. Het jonge meisje volgde hen met den blik, wanneer zij in hunne rust gestoord opvlogen enoverde kleine getijgolfjes met de punten hunner vleugels scheerden.Waaraan dacht dan het jonge meisje? Aristobulus Beerenkooi zou ongetwijfeld de onbeschaamdheid hebben, de meening te koesteren, dat zij aan hem hare gedachten wijdde, welke meening door de beide ooms in hunnen kinderlijken eenvoud zoude gedeeld zijn. En toch konden zij zich vergist hebben.In haar herinneringen doemden dan de gebeurtenissen bij de Corryvrekan-kolk op. Zij zag andermaal die sloep in nood, deGlengarry, die de zeeëngte inschoot, om hulp te bieden. Zij voelde andermaal de aandoeningen, die haar hart zoo hadden doen kloppen, die dat hart zoo hadden samengesnoerd, wanneer de schipbreukelingen in de uitholling tusschen twee golven verdwenen.... Dan verscheen de redding haar vervolgens voor den geest, het zoo behendig uitgeworpen touw, die bevallige jonkman, die minder ontroerd was dan zij, en kalm en glimlachend op het dek sprong, terwijl hij de passagiers van de boot met vriendelijk gebaar groette.Voor een dichterlijk brein bestond daar de kiem van een roman, maar het had er alles van, alsof de roman bij het eerste hoofdstuk zou blijven steken. Het begonnen boekdeel was plotseling tusschen de schoone handen van miss Campbell dichtgeslagen. Op welke bladzij zoude zij het weer kunnen openen, nu »haar held,” aanden een of anderen Wodan uit deGaëlischeheldentijdperken gelijk, verdwenen en niet meer te voorschijn getreden was?Maar had zij hem wel te midden van die onverschillige menigte, die op het strand van Oban wemelden, gezocht? Misschien. Maar, had zij hem gevonden? Neen. Hij zou haar ongetwijfeld niet kunnen herkennen. Om welke reden zou hij haar aan boord van deGlengarryopgemerkt hebben? Waarom zou hij tot haar gekomen zijn? Hoe zou hij hebben kunnen raden, dat hij zijn redding grootendeels aan haar verschuldigd was? En zij was het toch, die vóór alle anderen het vaartuigje in nood ontwaard had; zij was het, die den kapitein het eerst gesmeekt had, hulp te gaan bieden. En in werkelijkheid was die omstandigheid haar dien avond zeer waarschijnlijk op de waarneming van den Groenen Straal te staan gekomen!Dit was inderdaad zoo goed als zeker.Gedurende de drie eerste dagen na de aankomst der familie Melvill te Oban, zou de dampkring de wanhoop opgewekt hebben van de sterrenkundigen der sterrenwachten van Edinburg of Greenwich. Het was of het uitspansel met katoenvlokken bekleed was door den nevel, die nog meer misleidde en teleurstelde dan wolken het konden doen. Noch kijkers, noch telescopen van de meest machtige afmetingen, noch de reflector van Cambridge, evenmin als die van Parsontown, zouden er in geslaagd zijn, het oog gelegenheid te geven dien nevel te doorboren. De zon alleen zou de kracht bezitten haar stralen er door te schieten; maar bij haren ondergang verdikte zich die nevel bij den gezichteinder. Het geheele westen werd dan met het heerlijkste en schitterendste purper overgoten, en het was dan den Groenen Straal onmogelijk, het netvlies van het oog des waarnemers te bereiken.In de droomerijen van miss Campbell smolten, ten gevolge van haar grillige verbeelding, de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk met den Groenen Straal tot één wezen te zamen. Dat was zeker, dat noch de een noch de andere te bespeuren was. Bedekten de nevelen den eenen, de andere was achter een stipt incognito verscholen.De gebroeders Melvill kwamen slecht terecht, wanneer zij hunne nicht geduld meenden te moeten aanprijzen. Miss Campbell zag er niet tegen op, om hen voor die dampkrings-afwijkingen aansprakelijk te stellen. Zij gaven dan de schuld aan den voortreffelijken aneroïde-barometer, dien zij van Helenaburg medegebracht hadden, en welker naald maar geen verhoogden luchtdruk wilde aanwijzen. Waarlijk! zij hadden hunne gemeenschappelijke snuifdoos wel willen weggeven, om bij den ondergang van de schoone dagvorstin een heldere kim te mogen waarnemen.Wat de geleerde Beerenkooi betreft, hij had eens, toen de nevelen,die het uitspansel bezwangerden, besproken werden, de overgroote onhandigheid, hunne vorming geheel natuurlijk te vinden. Dat voerde hem er geleidelijk toe, een kleine natuurkundige verhandeling in tegenwoordigheid van miss Campbell te houden. Hij sprak over de vorming der wolken in het algemeen, over hunne beweging wanneer het afnemen der warmte hen den gezichteinder nabij brengt, over den blaasjesvormigen toestand van den waterdamp, van de wetenschappelijke verdeeling der wolken in nimbi, strati, cumuli en cyrry! Het is onnoodig te zeggen, dat het jonge meisje geen enkel oogenblik naar dat geleerd gewauwel luisterde.En dat liet zij zoo nadrukkelijk merken, dat de gebroeders Melvill niet wisten, welke houding zij gedurende die ontijdige verhandeling zouden aannemen!Ja! miss Campbell bracht den jeugdigen geleerde in den letterlijken zin des woords van zijn stuk. Eerst keek zij met voordacht een geheel anderen kant uit, om Aristobulus Beerenkooi niet te hooren; toen hief zij onafgewend den blik op het kasteel Dunolly, om hem niet aan te zien; eindelijk bekeek zij de punten van haar fijne badschoentjes, wat het teeken is van de minst vermomde onverschilligheid, het bewijs van de meest mogelijke geringschatting, die een Schotsche schoone aan den dag kan leggen, zoo wel voor hetgeen de woordvoerder zegt als voor zijn eigen persoon.Aristobulus Beerenkooi, die in den regel niemand anders zag of hoorde dan zich zelf, en die ook nimmer voor iemand anders dan voor zich zelven sprak, ontwaarde de bewegingen van het jonge meisje niet, of deed althans alsof hij er niets van merkte.Zoo gingen de dagen van den derden tot en met den zesden Augustus om. Gedurende dien laatsten dag evenwel rees de barometer tot overgroot genoegen van de gebroeders Melvill eenige strepen boven »veranderlijk.”De volgende dag kondigde zich onder de meest gunstige voorteekens aan. De zon scheen des morgens ten tien ure met luisterrijken glans, en het uitspansel weerspiegelde met de meest onberispelijke zuiverheid zijn azuurblauw in de wateren der zee.Zulk een gelegenheid kon miss Campbell niet laten ontsnappen. Een sierlijk rijtuig stond steeds ter harer beschikking in de stalhouderij van het Caledonian Hotel. Het was nú het oogenblik of nooit om daarvan gebruik te maken.Het was omstreeks vijf uur in den namiddag, toen miss Campbell en de gebroeders Melvill plaats namen in de kalès, die door een behendigen koetsier, gewoon aan het rijden met »de vier,” gemend werd. Partridge klom in den achterbak en de vier paarden, door het uiteinde der zweep lichtelijk gekitteld, sprongen in galop en vlogen den weg van Oban naar Glachan op.Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).Aristobulus Beerenkooi was tot zijn groote spijt—niet van miss Campbell—verhinderd van de partij te zijn, daar zijn tijd ingenomenwerd door het opstellen van een belangrijk wetenschappelijk rapport.Het uitstapje viel in allen deele overheerlijk uit. Het rijtuig hield den weg langs de kust, die zich langs de zeeëngte uitstrekt, die het eiland Kerrera van de Schotsche kust scheidt. Dat eiland, van vulkanischen oorsprong, was zeer schilderachtig, maar had een groot gebrek in het oog van miss Campbell, en dat was, dat het den zeegezichteinder geheel bedekte. Daar evenwel slechts vier en een halve mijl af te leggen waren in die omstandigheden, leenden deze er zich allergunstigst toe om de harmonische omtrekken van dat eiland te bewonderen, die zich op een helder lichten achtergrond afteekenden, en waarboven de bouwvallen uitstaken van het Deensche kasteel hetwelk het zuidelijk uiteinde bekroonde.»Dat was voorheen de residentie der Mac-Douglas van Lorne,” merkte broeder Sam op.»Voor onze familie heeft dat kasteel groote historische herinneringen,” vervolgde broeder Sib; »want het werd door de Campbells vernietigd, die het verbrandden, na al de bewoners zonder mededoogen over de kling gejaagd te hebben!”Dat schitterende wapenfeit scheen voornamelijk de goedkeuring van Partridge weg te dragen. Althans hij klapte ter eere van den Clan zachtkens in de handen.Toen men het eiland Kerrera voorbijgereden was, sloeg het rijtuig een smallen weg in, die zachtjes heuvel op en heuvel af naar het dorp Glachan voerde. Daar werd een landengte overgestoken in den vorm eener brug, die over het nauwe vaarwater toegang verleende en het eiland Seil met het Schotsche vastland verbond. De tochtgenooten beklommen, na hun rijtuig beneden in een ravijn gelaten te hebben, de vrij scherpe helling van een heuvel en gingen zitten op het buitenboord van een rotsachtigen rand, die den zoom der kuststreek uitmaakte.Ditmaal kon niets den blik der waarnemers, naar het westen gekeerd, hinderen. Noch het eilandje Eastdale, noch dat van Inish, dat als bij het eiland Seil gerand ligt. Tusschen kaap Ardanalish en het eiland Mull, een der grootsten van den Hebriden-archipel, in het noordwesten en het eilandColonsayin het zuidwesten, vertoonde zich een breed zeevak, waarlangs de zon weldra haar stralen in de oppervlakte zou dompelen.Geheel in gedachten verdiept, zat miss Campbell iets vóór hare beide ooms. Eenige roofvogels, arenden of valken, die deze eenzaamheid alleen bevolkten, zweefden boven de »dens”, soort van dalen, uitgehold als trechters met rotsachtige wanden.Volgens sterrentijd zou de zon in dit tijdperk des jaars, en op deze breedte, ten zeven ure vier en vijftig minuten ondergaan, juist in de richting van kaap Ardanalish.Eenige weken later evenwel, zou het onmogelijk zijn, de dagvorstin achter de waterlijn te zien verdwijnen; want dan zou het eilandColonsayhaar bij het ondergaan voor het oog verbergen.Dien avond dus, waren tijd en plaats uitmuntend voor de waarneming van het natuurverschijnsel gekozen.In dat oogenblik schreed de zon in een schuine richting op den zuiver ontwikkelden horizon toe.De oogen verdroegen moeielijk den glans van hare schijf, die thans vuurrood scheen, en door de wateren in een langen gulden lichtstreep weerkaatst werd.En toch, noch miss Campbell, noch hare ooms zouden er toe overgegaan zijn met de oogleden te knippen, neen, zelfs niet gedurende een ondeelbaar oogenblik.Maar voor dat de zonneschijn den gezichteinder met haren benedenrand aangeraakt had, stiet miss Campbell een kreet van teleurstelling uit.Een kleine wolk was verschenen, fijn als een streep, lang als de wimpel van een oorlogsschip. Die wolk sneed de zonneschijf in twee gelijke deelen en scheen met haar naar de kim te dalen.Het was alsof een windzuchtje, hoe licht ook, voldoende zou zijn om dat wolkje te verdrijven, op te lossen!... maar dat zuchtje kwam niet.En toen de zon tot een zeer kleinen boog teruggebracht was, die boven de watervlakte zweefde, toen was het dat uiterst ijle wolkje, dat ter plaatse waar de dagvorstin wegdook, de kim benevelde.Onmogelijk had de Groene Straal, gebroken zijnde door die kleine wolk, het netvlies der waarnemers kunnen bereiken.

Een opheldering was noodzakelijk geworden; maar daar Aristobulus Beerenkooi met die opheldering niets te maken had, groette miss Campbell hem koel en keerde naar het Caledonian Hotel terug.

Aristobulus Beerenkooi had het jonge meisje niet minder koel teruggegroet. Klaarblijkelijk voelde hij zich gekrenkt, dat hij inmededinging met een straal gekomen was, van welke kleur die dan ook wezen mocht.

Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).

Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).

Hij keerde langs het strand naar zijn hotel terug, terwijl hij een redevoering voor zich zelven in de meest gepaste bewoordingen hield.

Broeder Sam en broeder Sib waren volstrekt niet in hun knollentuin. Toen zij dan ook in het kleine salon waren binnengetreden, wachtten zij met gebukten hoofde tot dat het jonge meisje hun het woord zoude toevoegen.

De opheldering was kort maar uitermate helder. Men was te Oban gekomen om een zuivere kim te zien en men zag er niets of zoo weinig van, dat het der moeite niet waard was er van te spreken.

De beide ooms konden zich slechts op hun goede trouw beroepen. Zij kenden Oban in het geheel niet! Wie had kunnen denken dat de zee, de ware zee daar niet te vinden was! En toch wemelde het van badgasten. Dat was misschien het eenige punt der kust, waar, ten gevolge van dien ongelukkigen Hebriden-archipel, de kringvormige lijn, waar hemel en water elkander schijnen te raken, niet te zien was.

»Welnu,” zei miss Campbell op een toon, dien zij zoo gestreng mogelijk trachtte te uiten, »men had een ander punt dan Oban moeten kiezen, al had daaraan het voordeel opgeofferd moeten worden van de ontmoeting met mijnheer Aristobulus Beerenkooi!”

De broeders Melvill bogeninstinctmatighet hoofd enbeantwoorddendien rechtstreekschen aanval niet.

»Wij gaan onze beschikkingen treffen,” zei miss Campbell, »en heden vertrekken wij nog!”

»Welnu, vertrekken wij dan!” antwoordden de twee ooms, die hunne onbezonnenheid slechts door een geheel lijdelijke gehoorzaamheid konden trachten goed te maken.

En volgens ouder gewoonte weerklonken weer de uitroepen:

»Bet!”

»Beth!”

»Bess!”

»Betsy!”

»Betty!”

Juffrouw Bess verscheen, vergezeld van Partridge. Beiden werden dadelijk op de hoogte gesteld, en bij ondervinding wetende, dat hunne jonge meesteres steeds gelijk moest hebben, vroegen zij zelfs de redenen van dat overhaaste vertrek niet.

Maar men had zonder baas Mac-Fyne, den eigenaar van het Caledonian Hotel, gerekend.

Men zou zelfs in het gastvrije Schotland weinig menschenkennis ten opzichte van die achtenswaardige nijverheidslieden aan den dag leggen, wanneer men een hunner in staat zou achten een gezin, bestaande uit drie heerschappen en twee bedienden, te laten vertrekken,zonder alles in het werk gesteld te hebben, om dat te behouden. En dat gebeurde juist in deze omstandigheid.

Toen baas Mac-Fyne op de hoogte van deze ernstige zaak gebracht was, verklaarde hij deftig, dat alles ten algemeenen genoegen geschikt kon worden, zonder nog van zijn bizonder genoegen te spreken, dat hij smaken zou, wanneer hij zoo edele reizigers zoo lang mogelijk ten zijnent behouden mocht.

Wat verlangde miss Campbell en wat eischten bijgevolg de heeren Sib en Sam Melvill? Een onbeperkt zeegezicht met uitgestrekten gezichteinder. Niets gemakkelijker te verschaffen dan dat, daar het slechts gold dien gezichteinder bij zons-ondergang waar te nemen. Dat kon men van het strand van Oban niet doen! Dat is zoo! Maar zou het voldoende zijn naar het eiland Kerrera over te steken? Neen. Het groote eiland Mull zou ook dáár een beletsel zijn, om iets meer dan een klein hoekje van den Atlantischen Oceaan waar te nemen, dat bovendien nog in het zuidwesten bespeurd werd. Maar wanneer men de kust langs wandelde, dan kwam men bij het eiland Seil, dat door middel van eene brug met de Schotsche kust verbonden was, waarlangs men de noordelijkste punt van het eiland kon bereiken. Daar kon niets den gezichtskring naar den westkant en over twee vijfden van de noordstreken van het kompas belemmeren.

Om nu op dat eiland over te gaan, gold het slechts een eenvoudige wandeling van vier ofvijfmijl, niet meer. En wanneer het weder gunstig was, dan kon een overheerlijk rijtuig miss Campbell en haar gevolg in een of in anderhalf uur overbrengen.

Tot bevestiging van zijn beweren, toonde de waard de kaart op groote schaal, die in het voorportaal van het hotel aan den wand hing. Miss Campbell kon zich dus overtuigen, dat baas Mac-Fyne geen praatjes verkocht. En werkelijk, meer zeewaarts van het eiland Seil opende zich een breede sector, die een derde gedeelte van die gezichteinder-lijn bevatte, waarachter de zon wegduikt gedurende de weken, die de dag- en nachtevening voorafgaan of onmiddellijk volgen.

De zaak kwam dan ook tot groote voldoening van baas Mac-Fyne en tot groot gemak van de gebroeders Melvill in orde. Miss Campbell verleende edelmoedig vergiffenis en liet zich geen enkele onaangename toespeling op de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi weer ontsnappen.

»Maar,” merkte broeder Sam op, »het is toch op zijn minst genomen zonderling, dat een zee-gezichteinder te Oban ontbreekt!”

»De natuur is zoo grillig!” antwoordde broeder Sib.

Aristobulus gevoelde zich ongetwijfeld zeer gelukkig, toen hij vernam, dat miss Campbell niet elders een meer gunstige plek zou gaan opzoeken voor haarmeteorologischewaarnemingen. Maar hij waszoo verdiept in zijn vraagstukken, dat hij vergat van zijn tevredenheid te doen blijken.

Het grillige schoone kind weet hem waarschijnlijk dank voor die bescheidenheid, want hoewel zij geheel onverschillig voor hem bleef, ontving zij hem toch minder koel dan bij hunne eerste ontmoeting.

Intusschen was er een lichte verandering in den toestand van den dampkring gekomen. Wel bleef het weer op onveranderlijk »mooi”, maar toch benevelden eenige wolken, die door de middaghitte verdreven werden, bij zonsop- en ondergang den gezichteinder. Het was dus vrij overbodig op het eiland Seil een waarnemingspost te gaan zoeken. Dat zou volkomen verloren moeite zijn en men moest derhalve geduld oefenen.

Miss Campbell liet hare ooms gedurende die lange dagen in gezelschap van den bruidegom hunner keuze, en ging, somtijds door juffrouw Bess vergezeld, maar meestal alleen op het strand van de baai dwalen. Zij ontvluchtte volgaarne die geheele menigte van leegloopers, die de vlottende bevolking in de badplaatsen van de geheele wereld uitmaakt, zooals geheele huisgezinnen, wier eenige bezigheid daarin bestaat om de zee te zien rijzen en dalen, terwijl meisjes en jongens zich met een vrijpostigheid van houdingen, alleen in Brittannië in zwang, in het natte zand rondwentelen; of wel ernstige en flegmatische heeren, die in hun soms al te oorspronkelijk badkostuum rondkuieren, en welker voornaamste bedrijvigheid kan genoemd worden, zich dagelijks gedurende zes minuten in het zoute water van den Oceaan te dompelen; of ook wel heeren en dames van groote achtbaarheid, die stijf en onbeweeglijk in de teenen badstoelen gedoken, in die soort boeken met veelkleurige bordpapieren omslagen en dien fijnen druk, waarvan de Engelsche uitgevers eenigermate misbruik maken, zitten te turen; verder van die voetreizigers met den kijker aan een riem over den schouder hangende, en den helmhoed op het hoofd, de kuiten met lange slobkousen bedekt, het zonnescherm in de hand, die vandaag aangekomen, morgen reeds vertrokken zullen zijn. En dan te midden van die menigte, wemelende nijverheidsbeoefenaars, wier nijverheidstoestellen bij uitstek vervoerbaar zijn, als: elektriek-mannen, die de liefhebbers voor een paar stuivers een aangename kitteling of een minder aangenamen schok doen ondergaan; artisten, wier draaiorgels op wielen, de landsdeuntjes met verwrongen Fransche airs afwisselen; photografen in de open lucht, die bij dozijnen de oogenblikkelijke afdrukken afleveren aan de families, die zich voor zoo’n gelegenheid gegroepeerd hebben laten opnemen; fruitventers met hunne zwarte jassen en fruitventsters met hare bloemruikers op den hoed, die hunne kleine karretjes voortduwen, waarin het schoonste ooft der wereld ligt te pronken; eindelijk minnestreels met hunne grijnzende gezichten onderde laag schoensmeer, die het bedekt, geven volksvoorstellingen en gillen te midden van een groep kinderen, eigenaardige klaagliederen,welker refreinen door allen met den meesten ernst herhaald worden.

Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).

Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).

Neen, dat gewriemel van het badgastleven had voor miss Campbell geen geheimen meer en trok haar ook niet aan. Zij vermeed zoo veel mogelijk die gaanden en komenden, die elkander zoo vreemd schenen, alsof zij van de vier uiteinden van Europa waren te zamen gebracht.

Wanneer hare ooms dan ook, eenigszins ongerust, haar bij zich wenschten te hebben, dan moesten zij haar op een eenzaam strandgedeelte, bij voorbeeld op een der vooruitspringende landspitsen, die de baai begrenzen, gaan zoeken.

Daar zat miss Campbell dan, als de peinzende Mina uit denZeeschuimermet den elleboog op eenige vooruitstekende punt van een rots geleund, het hoofd in de eene hand, en door de andere bessen latende glijden, die zij tusschen de steenen geplukt had, alwaar de struikjes, waaraan zij groeiden, gevonden werden. Haar verstrooide blik zweefde van een »stack”, welker rotsachtige top zich loodrecht verhief, naar de een of andere donkere grot, een van die »helgers”, zoo als men ze in Schotland noemt, waarin de zee bij stijgenden vloed zoo’n brullend geluid kon doen hooren.

In de verte zaten zeeraven, als in gelid gerangschikt, met de onbeweeglijkheid alsof ze in steen gehouwen waren. Het jonge meisje volgde hen met den blik, wanneer zij in hunne rust gestoord opvlogen enoverde kleine getijgolfjes met de punten hunner vleugels scheerden.

Waaraan dacht dan het jonge meisje? Aristobulus Beerenkooi zou ongetwijfeld de onbeschaamdheid hebben, de meening te koesteren, dat zij aan hem hare gedachten wijdde, welke meening door de beide ooms in hunnen kinderlijken eenvoud zoude gedeeld zijn. En toch konden zij zich vergist hebben.

In haar herinneringen doemden dan de gebeurtenissen bij de Corryvrekan-kolk op. Zij zag andermaal die sloep in nood, deGlengarry, die de zeeëngte inschoot, om hulp te bieden. Zij voelde andermaal de aandoeningen, die haar hart zoo hadden doen kloppen, die dat hart zoo hadden samengesnoerd, wanneer de schipbreukelingen in de uitholling tusschen twee golven verdwenen.... Dan verscheen de redding haar vervolgens voor den geest, het zoo behendig uitgeworpen touw, die bevallige jonkman, die minder ontroerd was dan zij, en kalm en glimlachend op het dek sprong, terwijl hij de passagiers van de boot met vriendelijk gebaar groette.

Voor een dichterlijk brein bestond daar de kiem van een roman, maar het had er alles van, alsof de roman bij het eerste hoofdstuk zou blijven steken. Het begonnen boekdeel was plotseling tusschen de schoone handen van miss Campbell dichtgeslagen. Op welke bladzij zoude zij het weer kunnen openen, nu »haar held,” aanden een of anderen Wodan uit deGaëlischeheldentijdperken gelijk, verdwenen en niet meer te voorschijn getreden was?

Maar had zij hem wel te midden van die onverschillige menigte, die op het strand van Oban wemelden, gezocht? Misschien. Maar, had zij hem gevonden? Neen. Hij zou haar ongetwijfeld niet kunnen herkennen. Om welke reden zou hij haar aan boord van deGlengarryopgemerkt hebben? Waarom zou hij tot haar gekomen zijn? Hoe zou hij hebben kunnen raden, dat hij zijn redding grootendeels aan haar verschuldigd was? En zij was het toch, die vóór alle anderen het vaartuigje in nood ontwaard had; zij was het, die den kapitein het eerst gesmeekt had, hulp te gaan bieden. En in werkelijkheid was die omstandigheid haar dien avond zeer waarschijnlijk op de waarneming van den Groenen Straal te staan gekomen!

Dit was inderdaad zoo goed als zeker.

Gedurende de drie eerste dagen na de aankomst der familie Melvill te Oban, zou de dampkring de wanhoop opgewekt hebben van de sterrenkundigen der sterrenwachten van Edinburg of Greenwich. Het was of het uitspansel met katoenvlokken bekleed was door den nevel, die nog meer misleidde en teleurstelde dan wolken het konden doen. Noch kijkers, noch telescopen van de meest machtige afmetingen, noch de reflector van Cambridge, evenmin als die van Parsontown, zouden er in geslaagd zijn, het oog gelegenheid te geven dien nevel te doorboren. De zon alleen zou de kracht bezitten haar stralen er door te schieten; maar bij haren ondergang verdikte zich die nevel bij den gezichteinder. Het geheele westen werd dan met het heerlijkste en schitterendste purper overgoten, en het was dan den Groenen Straal onmogelijk, het netvlies van het oog des waarnemers te bereiken.

In de droomerijen van miss Campbell smolten, ten gevolge van haar grillige verbeelding, de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk met den Groenen Straal tot één wezen te zamen. Dat was zeker, dat noch de een noch de andere te bespeuren was. Bedekten de nevelen den eenen, de andere was achter een stipt incognito verscholen.

De gebroeders Melvill kwamen slecht terecht, wanneer zij hunne nicht geduld meenden te moeten aanprijzen. Miss Campbell zag er niet tegen op, om hen voor die dampkrings-afwijkingen aansprakelijk te stellen. Zij gaven dan de schuld aan den voortreffelijken aneroïde-barometer, dien zij van Helenaburg medegebracht hadden, en welker naald maar geen verhoogden luchtdruk wilde aanwijzen. Waarlijk! zij hadden hunne gemeenschappelijke snuifdoos wel willen weggeven, om bij den ondergang van de schoone dagvorstin een heldere kim te mogen waarnemen.

Wat de geleerde Beerenkooi betreft, hij had eens, toen de nevelen,die het uitspansel bezwangerden, besproken werden, de overgroote onhandigheid, hunne vorming geheel natuurlijk te vinden. Dat voerde hem er geleidelijk toe, een kleine natuurkundige verhandeling in tegenwoordigheid van miss Campbell te houden. Hij sprak over de vorming der wolken in het algemeen, over hunne beweging wanneer het afnemen der warmte hen den gezichteinder nabij brengt, over den blaasjesvormigen toestand van den waterdamp, van de wetenschappelijke verdeeling der wolken in nimbi, strati, cumuli en cyrry! Het is onnoodig te zeggen, dat het jonge meisje geen enkel oogenblik naar dat geleerd gewauwel luisterde.

En dat liet zij zoo nadrukkelijk merken, dat de gebroeders Melvill niet wisten, welke houding zij gedurende die ontijdige verhandeling zouden aannemen!

Ja! miss Campbell bracht den jeugdigen geleerde in den letterlijken zin des woords van zijn stuk. Eerst keek zij met voordacht een geheel anderen kant uit, om Aristobulus Beerenkooi niet te hooren; toen hief zij onafgewend den blik op het kasteel Dunolly, om hem niet aan te zien; eindelijk bekeek zij de punten van haar fijne badschoentjes, wat het teeken is van de minst vermomde onverschilligheid, het bewijs van de meest mogelijke geringschatting, die een Schotsche schoone aan den dag kan leggen, zoo wel voor hetgeen de woordvoerder zegt als voor zijn eigen persoon.

Aristobulus Beerenkooi, die in den regel niemand anders zag of hoorde dan zich zelf, en die ook nimmer voor iemand anders dan voor zich zelven sprak, ontwaarde de bewegingen van het jonge meisje niet, of deed althans alsof hij er niets van merkte.

Zoo gingen de dagen van den derden tot en met den zesden Augustus om. Gedurende dien laatsten dag evenwel rees de barometer tot overgroot genoegen van de gebroeders Melvill eenige strepen boven »veranderlijk.”

De volgende dag kondigde zich onder de meest gunstige voorteekens aan. De zon scheen des morgens ten tien ure met luisterrijken glans, en het uitspansel weerspiegelde met de meest onberispelijke zuiverheid zijn azuurblauw in de wateren der zee.

Zulk een gelegenheid kon miss Campbell niet laten ontsnappen. Een sierlijk rijtuig stond steeds ter harer beschikking in de stalhouderij van het Caledonian Hotel. Het was nú het oogenblik of nooit om daarvan gebruik te maken.

Het was omstreeks vijf uur in den namiddag, toen miss Campbell en de gebroeders Melvill plaats namen in de kalès, die door een behendigen koetsier, gewoon aan het rijden met »de vier,” gemend werd. Partridge klom in den achterbak en de vier paarden, door het uiteinde der zweep lichtelijk gekitteld, sprongen in galop en vlogen den weg van Oban naar Glachan op.

Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).

Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).

Aristobulus Beerenkooi was tot zijn groote spijt—niet van miss Campbell—verhinderd van de partij te zijn, daar zijn tijd ingenomenwerd door het opstellen van een belangrijk wetenschappelijk rapport.

Het uitstapje viel in allen deele overheerlijk uit. Het rijtuig hield den weg langs de kust, die zich langs de zeeëngte uitstrekt, die het eiland Kerrera van de Schotsche kust scheidt. Dat eiland, van vulkanischen oorsprong, was zeer schilderachtig, maar had een groot gebrek in het oog van miss Campbell, en dat was, dat het den zeegezichteinder geheel bedekte. Daar evenwel slechts vier en een halve mijl af te leggen waren in die omstandigheden, leenden deze er zich allergunstigst toe om de harmonische omtrekken van dat eiland te bewonderen, die zich op een helder lichten achtergrond afteekenden, en waarboven de bouwvallen uitstaken van het Deensche kasteel hetwelk het zuidelijk uiteinde bekroonde.

»Dat was voorheen de residentie der Mac-Douglas van Lorne,” merkte broeder Sam op.

»Voor onze familie heeft dat kasteel groote historische herinneringen,” vervolgde broeder Sib; »want het werd door de Campbells vernietigd, die het verbrandden, na al de bewoners zonder mededoogen over de kling gejaagd te hebben!”

Dat schitterende wapenfeit scheen voornamelijk de goedkeuring van Partridge weg te dragen. Althans hij klapte ter eere van den Clan zachtkens in de handen.

Toen men het eiland Kerrera voorbijgereden was, sloeg het rijtuig een smallen weg in, die zachtjes heuvel op en heuvel af naar het dorp Glachan voerde. Daar werd een landengte overgestoken in den vorm eener brug, die over het nauwe vaarwater toegang verleende en het eiland Seil met het Schotsche vastland verbond. De tochtgenooten beklommen, na hun rijtuig beneden in een ravijn gelaten te hebben, de vrij scherpe helling van een heuvel en gingen zitten op het buitenboord van een rotsachtigen rand, die den zoom der kuststreek uitmaakte.

Ditmaal kon niets den blik der waarnemers, naar het westen gekeerd, hinderen. Noch het eilandje Eastdale, noch dat van Inish, dat als bij het eiland Seil gerand ligt. Tusschen kaap Ardanalish en het eiland Mull, een der grootsten van den Hebriden-archipel, in het noordwesten en het eilandColonsayin het zuidwesten, vertoonde zich een breed zeevak, waarlangs de zon weldra haar stralen in de oppervlakte zou dompelen.

Geheel in gedachten verdiept, zat miss Campbell iets vóór hare beide ooms. Eenige roofvogels, arenden of valken, die deze eenzaamheid alleen bevolkten, zweefden boven de »dens”, soort van dalen, uitgehold als trechters met rotsachtige wanden.

Volgens sterrentijd zou de zon in dit tijdperk des jaars, en op deze breedte, ten zeven ure vier en vijftig minuten ondergaan, juist in de richting van kaap Ardanalish.

Eenige weken later evenwel, zou het onmogelijk zijn, de dagvorstin achter de waterlijn te zien verdwijnen; want dan zou het eilandColonsayhaar bij het ondergaan voor het oog verbergen.

Dien avond dus, waren tijd en plaats uitmuntend voor de waarneming van het natuurverschijnsel gekozen.

In dat oogenblik schreed de zon in een schuine richting op den zuiver ontwikkelden horizon toe.

De oogen verdroegen moeielijk den glans van hare schijf, die thans vuurrood scheen, en door de wateren in een langen gulden lichtstreep weerkaatst werd.

En toch, noch miss Campbell, noch hare ooms zouden er toe overgegaan zijn met de oogleden te knippen, neen, zelfs niet gedurende een ondeelbaar oogenblik.

Maar voor dat de zonneschijn den gezichteinder met haren benedenrand aangeraakt had, stiet miss Campbell een kreet van teleurstelling uit.

Een kleine wolk was verschenen, fijn als een streep, lang als de wimpel van een oorlogsschip. Die wolk sneed de zonneschijf in twee gelijke deelen en scheen met haar naar de kim te dalen.

Het was alsof een windzuchtje, hoe licht ook, voldoende zou zijn om dat wolkje te verdrijven, op te lossen!... maar dat zuchtje kwam niet.

En toen de zon tot een zeer kleinen boog teruggebracht was, die boven de watervlakte zweefde, toen was het dat uiterst ijle wolkje, dat ter plaatse waar de dagvorstin wegdook, de kim benevelde.

Onmogelijk had de Groene Straal, gebroken zijnde door die kleine wolk, het netvlies der waarnemers kunnen bereiken.

IX.Praatjes van Juffrouw Bess.De terugtocht naar Oban werd in alle stilte volbracht. Miss Campbell sprak geen enkel woord; en de gebroeders Melvill durfden den mond niet roeren. Het was toch hunne schuld niet, dat die jobswolk juist verschenen was om den laatsten zonnestraal te verdooven. Maar men moest daarom niet wanhopen. Men had nog ruim zes weken van het fraaie seizoen voor den boeg. Het zou toch ongelukkiggenoemd moeten worden, wanneer gedurende den geheelen herfsttijd geen enkele schoonen dag met onbenevelden gezichteinder zou verschijnen!Toch was daar een bewonderenswaardige zonsondergang verloren gegaan, en, moest men het weerglas gelooven, dan zou een dergelijke niet zoo spoedig weer verschijnen. En inderdaad, gedurende de nacht liep de grillige wijzer van den aneroïde-barometer zachtkens terug tot op »veranderlijk”. Maar wat nog door iedereen mooi weer genoemd werd, kon miss Campbell onmogelijk voldoen.Daags daarna, den 8stenAugustus, werden de zonnestralen door warme neveldampen gebroken en was de middagbries ditmaal niet in staat om die dampen te verdrijven. Een schitterend purper kleurde des avonds het uitspansel. Al de nuanceeringen smolten in elkander, van af het chromaatgeel tot het donkere ultramarijn, en vervormden den gezichteinder tot een schitterend en veelkleurig schilders-palet. Onder haren sluier van kleine vlakvormige wolken, tintte de zon bij haren ondergang den achtergrond van de kuststreek met al de kleuren van het spectrum, behalve met die, welke de grillige en bijgeloovige miss Campbell wenschte te zien.En dat was zoo den volgenden en daarop volgende dagen. De kalès bleef dus in het koetshuis van het hotel. Wat zou het ook geven een waarneming te gemoet te ijlen, die door den toestand des hemels onmogelijk te doen was. De hoogten van het eiland Seil konden niet meer begunstigd zijn dan het strand van Oban, en het was beter een zekere teleurstelling te vermijden.Zonder nu meer kwaad geluimd te zijn dan betamelijk was, vergenoegde miss Campbell zich bij het vallen van den avond naar hare kamer te gaan, om daar over die weinig bereidwillige zon te pruilen. Zij rustte dan uit van haar langdurige wandelingen en droomde met de oogen open. Waarover? Over het sprookje dat zich aan den Groenen Straal vastknoopte? Zou zij dien straal nog noodig hebben om helder in haar hart te kunnen lezen? In haar hart? neen wellicht! maar in dat van iemand anders?Dien dag had Helena, vergezeld van juffrouw Bess, hare wandeling tot bij de bouwvallen van Dunolly-Castle uitgestrekt, om daar verstrooiing voor haar teleurstelling te vinden. Daar gezeten aan den voet van een hoogen muur, die geheel en dik met klimop begroeid was, ontwikkelde zich voor haar het meest bewonderenswaardige vergezicht op de baai van Oban, op de woeste landouwen van Kerrera, op de eilandjes die zich als gezaaid op de oppervlakte der Hebridenzee vertoonden, op het groote eiland Mull, welker westelijke rotsbeddingen de eerste aanvallen te verduren hebben van de stormen, die uit den West-Atlantischen Oceaan opdoemen.»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).Miss Campbell keek naar dat prachtige vergezicht, dat daar aanhaar voeten uitgespreid lag. Maar zag zij het wel? Was er niet eenige herinnering, die niet naliet haar te verstrooien? In ieder geval, ditkan verzekerd worden, dat het het beeld van Aristobulus Beerenkooi niet was, dat haar kwelde. En waarlijk, dat jeugdige pedante wezen zou niets in zijn knollentuin geweest zijn, wanneer hij de praatjes, die juffrouw Bess dien dag, hem betreffende, maakte, had kunnen aanhooren.»Hij staat mij niets aan,” herhaalde zij. »Neen! hij staat mij niets aan. Hij denkt er slechts aan zich zelven te behagen? Wat een vertooning zou die man op Helenaburg geven? Hij behoort tot den clan der »Mac-Egoïsten” of ik heb er geen verstand meer van. Hoe hebben de heeren Melvill ooit de gedachte kunnen koesteren, om daarvan hun neef te willen maken? Partridge mag hem evenmin lijden als ik, en Partridge is geen domoor! op lange na niet! Komaan, miss Campbell, vertel eens, bevalt hij u?”»Over wien spreekt ge?” vroeg het jonge meisje, dat naar de praatjes van juffrouw Bess in het geheel niet geluisterd had.»Wel, van hem, aan wien gij onmogelijk denken kunt, al was het maar ter wille van den clan!”»En wie is het dan toch, aan wien zou ik niet kunnen denken?”»Heere mijn tijd! aan mijnheer Aristobulus, die beter zou doen op den anderen oever der Tweed te gaan kijken of er ooit Campbells bestaan hebben, die op Beerenkooien verlekkerd waren.”Gewoonlijk was juffrouw Bess niet op haar mondje gevallen; toch moest zij zeer opgewonden zijn, om zoo in tegenspraak met hare meesters te geraken. Het is waar, het geschiedde uit genegenheid voor hare jonge meesteres! Zij gevoelde daarenboven wel, dat Helena niets anders dan onverschilligheid voor dien pretendent in het hart koesterde. Maar van een anderen kant kon zij niet gissen, dat die onverschilligheid door een meer levendig gevoel voor een ander versterkt werd.Misschien kwam een zweempje argwaan bij juffrouw Bess dienaangaande op, toen miss Campbell haar vroeg, of zij te Oban, dat jonge mensch terug gezien had, wien deGlengarryzoo gelukkiglijk hulp en redding verleend had.»Neen, miss Campbell,” antwoordde juffrouw Bess, »ik heb hem niet gezien; maar Partridge vermeent hem opgemerkt te hebben....”»Wanneer?”»Gisteren op den weg naar Dalmaly. Hij kwam met den randsel op den rug terug, even als een artist, die op reis is! Ah! dat is een onvoorzichtig jong mensch! Zich zoo in de nabijheid van de Corryvrekan-kolk te wagen! dat is een slecht voorteeken voor de toekomst. Er zal niet altijd een vaartuig in de nabijheid zijn om hem hulp te bieden, en dan overkomt hem een ongeluk!”»Zoudt ge dat gelooven, juffrouw Bess? Ja, hij is onvoorzichtig geweest; maar hij betoonde moed te bezitten in die omstandigheden,en bij het gevaar, waarin hij zich bevond, begaf hem zijn koelbloedigheid geen enkel oogenblik!”»Dat’s mogelijk,” hernam juffrouw Bess; »maar voorzeker heeft dat jongmensch nimmer geweten, dat hij zijn redding aan u te danken heeft. Anders zou hij toch minstens bij zijn aankomst tot u gekomen zijn, om u te bedanken....”»Mij bedanken?” vroeg miss Campbell. »Mij bedanken? En waarvoor? Ik heb voor hem slechts gedaan, wat ik voor ieder ander en wat ook ieder ander in mijn plaats zou gedaan hebben.”»Zoudt gij hem herkennen?” vroeg juffrouw Bess, terwijl zij het jonge meisje oplettend aankeek.»Voorzeker,” antwoordde miss Campbell openhartig, »en ik wil wel bekennen, dat het karakter van dien man, de bedaarde moed, dien hij bij zijn verschijnen op het dek ten toon spreidde, alsof hij een oogenblik te voren niet aan den dood ontsnapt was, de hartelijke woorden, die hij tot zijn bejaarden metgezel sprak, terwijl hij dezen aan zijn borst drukte, dat dit alles mij levendig getroffen heeft!”»Maar op wien gelijkt hij toch?” vroeg de waardige huishoudster. »Waarlijk, ik kan hem niet te huis brengen; maar dat weet ik zeker, dat hij niet op dien mijnheer Aristobulus Beerenkooi gelijkt.”Miss Campbell vergenoegde zich met te glimlachen zonder te antwoorden. Zij stond vervolgens op, bleef een oogenblik onbeweeglijk, en liet een laatsten blik tot aan de hoogten van het eiland Mull waren; toen daalde zij, steeds vergezeld van juffrouw Bess, het stille pad af, dat haar op den weg naar Oban terugvoerde.Dien dag ging de zon onder te midden van een soort lichtende stofdeeltjes, die zich, aan een net van luchtig tulleweefsel gelijk, langs den gezichteinder uitstrekte, en werd de laatste straal der dagvorstin door de avondnevelen opgeslorpt.Miss Campbell keerde dus naar het hotel terug en deed het diner dat hare ooms ter harer eer besteld hadden, weinig eer aan. Zij maakte daarna een kleine wandeling op het strand en keerde toen naar haar kamer terug.

De terugtocht naar Oban werd in alle stilte volbracht. Miss Campbell sprak geen enkel woord; en de gebroeders Melvill durfden den mond niet roeren. Het was toch hunne schuld niet, dat die jobswolk juist verschenen was om den laatsten zonnestraal te verdooven. Maar men moest daarom niet wanhopen. Men had nog ruim zes weken van het fraaie seizoen voor den boeg. Het zou toch ongelukkiggenoemd moeten worden, wanneer gedurende den geheelen herfsttijd geen enkele schoonen dag met onbenevelden gezichteinder zou verschijnen!

Toch was daar een bewonderenswaardige zonsondergang verloren gegaan, en, moest men het weerglas gelooven, dan zou een dergelijke niet zoo spoedig weer verschijnen. En inderdaad, gedurende de nacht liep de grillige wijzer van den aneroïde-barometer zachtkens terug tot op »veranderlijk”. Maar wat nog door iedereen mooi weer genoemd werd, kon miss Campbell onmogelijk voldoen.

Daags daarna, den 8stenAugustus, werden de zonnestralen door warme neveldampen gebroken en was de middagbries ditmaal niet in staat om die dampen te verdrijven. Een schitterend purper kleurde des avonds het uitspansel. Al de nuanceeringen smolten in elkander, van af het chromaatgeel tot het donkere ultramarijn, en vervormden den gezichteinder tot een schitterend en veelkleurig schilders-palet. Onder haren sluier van kleine vlakvormige wolken, tintte de zon bij haren ondergang den achtergrond van de kuststreek met al de kleuren van het spectrum, behalve met die, welke de grillige en bijgeloovige miss Campbell wenschte te zien.

En dat was zoo den volgenden en daarop volgende dagen. De kalès bleef dus in het koetshuis van het hotel. Wat zou het ook geven een waarneming te gemoet te ijlen, die door den toestand des hemels onmogelijk te doen was. De hoogten van het eiland Seil konden niet meer begunstigd zijn dan het strand van Oban, en het was beter een zekere teleurstelling te vermijden.

Zonder nu meer kwaad geluimd te zijn dan betamelijk was, vergenoegde miss Campbell zich bij het vallen van den avond naar hare kamer te gaan, om daar over die weinig bereidwillige zon te pruilen. Zij rustte dan uit van haar langdurige wandelingen en droomde met de oogen open. Waarover? Over het sprookje dat zich aan den Groenen Straal vastknoopte? Zou zij dien straal nog noodig hebben om helder in haar hart te kunnen lezen? In haar hart? neen wellicht! maar in dat van iemand anders?

Dien dag had Helena, vergezeld van juffrouw Bess, hare wandeling tot bij de bouwvallen van Dunolly-Castle uitgestrekt, om daar verstrooiing voor haar teleurstelling te vinden. Daar gezeten aan den voet van een hoogen muur, die geheel en dik met klimop begroeid was, ontwikkelde zich voor haar het meest bewonderenswaardige vergezicht op de baai van Oban, op de woeste landouwen van Kerrera, op de eilandjes die zich als gezaaid op de oppervlakte der Hebridenzee vertoonden, op het groote eiland Mull, welker westelijke rotsbeddingen de eerste aanvallen te verduren hebben van de stormen, die uit den West-Atlantischen Oceaan opdoemen.

»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).

»Wil mij mijn onhandigheid vergeven!” (bladz. 83).

Miss Campbell keek naar dat prachtige vergezicht, dat daar aanhaar voeten uitgespreid lag. Maar zag zij het wel? Was er niet eenige herinnering, die niet naliet haar te verstrooien? In ieder geval, ditkan verzekerd worden, dat het het beeld van Aristobulus Beerenkooi niet was, dat haar kwelde. En waarlijk, dat jeugdige pedante wezen zou niets in zijn knollentuin geweest zijn, wanneer hij de praatjes, die juffrouw Bess dien dag, hem betreffende, maakte, had kunnen aanhooren.

»Hij staat mij niets aan,” herhaalde zij. »Neen! hij staat mij niets aan. Hij denkt er slechts aan zich zelven te behagen? Wat een vertooning zou die man op Helenaburg geven? Hij behoort tot den clan der »Mac-Egoïsten” of ik heb er geen verstand meer van. Hoe hebben de heeren Melvill ooit de gedachte kunnen koesteren, om daarvan hun neef te willen maken? Partridge mag hem evenmin lijden als ik, en Partridge is geen domoor! op lange na niet! Komaan, miss Campbell, vertel eens, bevalt hij u?”

»Over wien spreekt ge?” vroeg het jonge meisje, dat naar de praatjes van juffrouw Bess in het geheel niet geluisterd had.

»Wel, van hem, aan wien gij onmogelijk denken kunt, al was het maar ter wille van den clan!”

»En wie is het dan toch, aan wien zou ik niet kunnen denken?”

»Heere mijn tijd! aan mijnheer Aristobulus, die beter zou doen op den anderen oever der Tweed te gaan kijken of er ooit Campbells bestaan hebben, die op Beerenkooien verlekkerd waren.”

Gewoonlijk was juffrouw Bess niet op haar mondje gevallen; toch moest zij zeer opgewonden zijn, om zoo in tegenspraak met hare meesters te geraken. Het is waar, het geschiedde uit genegenheid voor hare jonge meesteres! Zij gevoelde daarenboven wel, dat Helena niets anders dan onverschilligheid voor dien pretendent in het hart koesterde. Maar van een anderen kant kon zij niet gissen, dat die onverschilligheid door een meer levendig gevoel voor een ander versterkt werd.

Misschien kwam een zweempje argwaan bij juffrouw Bess dienaangaande op, toen miss Campbell haar vroeg, of zij te Oban, dat jonge mensch terug gezien had, wien deGlengarryzoo gelukkiglijk hulp en redding verleend had.

»Neen, miss Campbell,” antwoordde juffrouw Bess, »ik heb hem niet gezien; maar Partridge vermeent hem opgemerkt te hebben....”

»Wanneer?”

»Gisteren op den weg naar Dalmaly. Hij kwam met den randsel op den rug terug, even als een artist, die op reis is! Ah! dat is een onvoorzichtig jong mensch! Zich zoo in de nabijheid van de Corryvrekan-kolk te wagen! dat is een slecht voorteeken voor de toekomst. Er zal niet altijd een vaartuig in de nabijheid zijn om hem hulp te bieden, en dan overkomt hem een ongeluk!”

»Zoudt ge dat gelooven, juffrouw Bess? Ja, hij is onvoorzichtig geweest; maar hij betoonde moed te bezitten in die omstandigheden,en bij het gevaar, waarin hij zich bevond, begaf hem zijn koelbloedigheid geen enkel oogenblik!”

»Dat’s mogelijk,” hernam juffrouw Bess; »maar voorzeker heeft dat jongmensch nimmer geweten, dat hij zijn redding aan u te danken heeft. Anders zou hij toch minstens bij zijn aankomst tot u gekomen zijn, om u te bedanken....”

»Mij bedanken?” vroeg miss Campbell. »Mij bedanken? En waarvoor? Ik heb voor hem slechts gedaan, wat ik voor ieder ander en wat ook ieder ander in mijn plaats zou gedaan hebben.”

»Zoudt gij hem herkennen?” vroeg juffrouw Bess, terwijl zij het jonge meisje oplettend aankeek.

»Voorzeker,” antwoordde miss Campbell openhartig, »en ik wil wel bekennen, dat het karakter van dien man, de bedaarde moed, dien hij bij zijn verschijnen op het dek ten toon spreidde, alsof hij een oogenblik te voren niet aan den dood ontsnapt was, de hartelijke woorden, die hij tot zijn bejaarden metgezel sprak, terwijl hij dezen aan zijn borst drukte, dat dit alles mij levendig getroffen heeft!”

»Maar op wien gelijkt hij toch?” vroeg de waardige huishoudster. »Waarlijk, ik kan hem niet te huis brengen; maar dat weet ik zeker, dat hij niet op dien mijnheer Aristobulus Beerenkooi gelijkt.”

Miss Campbell vergenoegde zich met te glimlachen zonder te antwoorden. Zij stond vervolgens op, bleef een oogenblik onbeweeglijk, en liet een laatsten blik tot aan de hoogten van het eiland Mull waren; toen daalde zij, steeds vergezeld van juffrouw Bess, het stille pad af, dat haar op den weg naar Oban terugvoerde.

Dien dag ging de zon onder te midden van een soort lichtende stofdeeltjes, die zich, aan een net van luchtig tulleweefsel gelijk, langs den gezichteinder uitstrekte, en werd de laatste straal der dagvorstin door de avondnevelen opgeslorpt.

Miss Campbell keerde dus naar het hotel terug en deed het diner dat hare ooms ter harer eer besteld hadden, weinig eer aan. Zij maakte daarna een kleine wandeling op het strand en keerde toen naar haar kamer terug.

X.Een Croquet-partij.Ja, het moet erkend worden! de gebroeders Melvill begonnen de dagen te tellen; het zou niet lang meer duren of zij zouden de uren tellen. Dat ging volstrekt niet zoo als zij het verlangden. Zichtbaarwerd hunne nicht door de verveling overmeesterd. De behoefte aan eenzaamheid, die haar overviel, de weinige voorkomendheid, die zij den geleerden Beerenkooi betoonde, wat deze zich minder aantrok, dan zij zelven deden, dat alles was niet geschikt om hun verblijf te Oban te veraangenamen. Zij wisten niet wat te verzinnen, om afwisseling in die eentonigheid te brengen. Te vergeefs bespiedden zij iedere weersverandering. Zij vertelden elkander, dat miss Campbell, wanneer eenmaal aan haren wensch voldaan was, meer handelbaar althans voor hen zou worden.Want het is ergerlijk om te vertellen; sedert twee dagen vergat Helena—meer afgetrokken dan gewoonlijk—de twee oudjes hunnen morgenkus te geven, die hen voor het overige gedeelte van den dag in zoo’n goede luim bracht.De barometer evenwel bleef ongevoelig voor de verwijten der beide ooms en weigerde een aanstaande weersverandering te voorspellen. Met hoeveel zorgen zij ook wel tienmaal per dag met een kleinen, korten slag op het werktuig tikten, om een wijzer-slingering te veroorzaken, helaas! de wijzer steeg geen enkele streep! O! die barometers! fatale dingen!Intusschen baarde het vernuftig brein der gebroeders Melvill een denkbeeld. In den namiddag van den 11denAugustus kwam hun in de gedachte, een partij croquet aan miss Campbell voor te stellen, ten einde haar, zoo mogelijk, eenige verstrooiing te bezorgen. Helena weigerde niet, hoewel zij wist, dat Aristobulus Beerenkooi meê zou doen; maar zij wist dat zij met haar toestemming hare ooms zeer veel genoegen zou doen.Hier dient gezegd, dat broeder Sam zoowel als broeder Sib, er een eer in stelde, den roem weg te dragen van tot de eerste spelers gerekend te worden in dit spel, hetwelk in het Vereenigd Koninkrijk zoo zeer geliefkoosd is. Dat spel is niets anders, zooals men weet, dan het oude »mail”, dat meer geschikt gemaakt is voor de vrouwelijke jeugd.Juist waren er te Oban verscheidene banen geopend, en kon een ieder zich in de geheimen van het croquet-spel inwijden. Dat men zich in het meerendeel der badplaatsen vergenoegt met een baan min of meer gewaterpast, op een grasveld of op het strand, bewijst het min-eischende der spelers of hun weinigen ijver voor deze edele uitspanning. Hier waren de banen niet zanderig; maar met graszoden belegd, zooals het behoort. Het waren zoogenaamde »croquet-grounds”, die iederen avond door middel van sproeipompen bevochtigd en iederen morgen met een bijzonder werktuig gewalsd werden, zoodat zij er zacht en glad uitzagen als zijden stof, die gemangeld was. Kleine steenen teerlings, die met de oppervlakte van den grond gelijk kwamen, waren bestemd om er èn de paaltjes èn deringen in te planten. Een grachtje, eenige duimen diep gegraven, begrensde daarenboven iedere baan, die haar twaalf honderdvierkante meters besloeg, een uitgestrektheid, die voor de ontwikkeling van het spel noodig is. Hoe dikwijls hadden de gebroeders Melvill niet met geheim verlangen, ja met afgunst, de jongelieden en de jonge meisjes waargenomen, die zich op de fraaie banen oefenden. Maar welk genot ook voor hen, toen miss Campbell hunne uitnoodiging aannam. Zij zouden haar dus eenige afleiding kunnen bezorgen en te gelijkertijd hun zoo geliefkoosd spel beoefenen te midden van een groot aantal toeschouwers, die hun hier, evenmin als te Helenaburg zouden ontbreken. Die ijdele gekken!Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).Toen Aristobulus Beerenkooi verwittigd werd, stemde hij er in toe zijn werkzaamheden te schorsen, en verscheen op het bepaalde uur in het strijdperk. Hij had de verwaandheid te meenen, dat hij theoretisch zoowel als praktisch sterk in het croquet-spel was, dat hij het als wetenschappelijk man, als meet- en wiskundige, in één woord door a + b speelde, zooals het een ijdel xhoofd betaamde.Wat miss Campbell maar half aanstond, was dat zij dien jeugdigen pedant natuurlijk tot partner zoude hebben. En kon dat ook wel anders? Zou zij haar beide ooms het verdriet aandoen, om hen in den strijd te scheiden, om hen den een’ tegenover den anderen te plaatsen, zij die steeds zoo met hart en ziel vereenigd waren, die nooit dan als partners te samen gespeeld hadden? Neen, dat zou zij niet over haar hart kunnen krijgen.»Wat ben ik gelukkig,” zei Aristobulus Beerenkooi in den beginne, »uw meespeler te zijn, en wanneer gij mij toestaat, dan zal ik de bepaalde oorzaken van de bewegingen der ballen uitleggen....”»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Helena, terwijl zij hem een oogenblik terzijde nam, »wij moeten mijn ooms laten winnen.”»Winnen?....”»Ja... maar zonder zulks te laten merken.”»Maar, miss Campbell....”»Zij zouden zich te ongelukkig gevoelen, wanneer zij verloren.”»Maar.... met uw verlof!...” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »dat croquet-spel is mij meetkundig bekend, daarop kan ik mij verhoovaardigen! Ik heb het verband der rechte lijnen, en de waarde der kromme lijnen berekend, en ik meen de pretentie te mogen koesteren, dat....”»En ik koester geenerlei pretentie, dan om aan onze tegenstanders aangenaam te zijn. Zij zijn daarenboven zeer sterk in het croquet-spel, zijt dus gewaarschuwd; want ik geloof niet, dat al uw geleerdheid in het krijt kan treden met hunne behendigheid.”»Dat zullen wij zien,” mompelde Aristobulus Beerenkooi, wien geen overweging, welke ook, kon overhalen, zich vrijwillig te laten overwinnen, zelfs niet wanneer het gold miss Campbell aangenaam te zijn.Middelerwijl was de kist, waarin de piketten, de teekens, de ringen, de ballen en de houten hamers besloten waren, door een der bedienden op den »crocket ground” gebracht.De ringen, ten getale van negen, werden ruitvormig op de kleine teerlingsteenen geplaatst, en de beide piketten wezen de uiteinden aan van de groote as van die ruit.»Nu moeten wij trekken,” zei broeder Sam.De marken werden in een hoed gedaan en ieder trok er een blindweg.Het lot had de navolgende kleuren voor de volgorde der partij uitgedeeld: een blauwen bal en hamer aan broeder Sam, een rooden bal en hamer aan Beerenkooi, een gelen bal en hamer aan broeder Sib en eindelijk een groenen bal en hamer aan miss Campbell.»In afwachting dat de straal van dezelfde kleur voor mij verschijne,” lachte zij. »Dat is waarlijk een goed voorteeken!”Het was aan broeder Sam om te beginnen, hetgeen hij deed, na eerst een duchtig snuifje met zijn partner gewisseld te hebben.Gij moest hem hebben kunnen zien, het lichaam noch te rechtop noch te veel voorover gebogen, het hoofd licht gedraaid, om den bal op de goede plaats te kunnen treffen, de beide handen, de een naast de andere op den steel van den hamer, de linker onder, de rechter boven, de beenen tegen elkander gesloten, de knieën lichtelijk doorgebogen, om veerkrachtig den invloed van den slag tegen te gaan, de linkervoet geplaatst vóór den bal, de rechtervoet eenigszins achterwaarts! In één woord, het type van den echten croquetspeler!Toen verhief broeder Sam zijn hamer. Zachtkens liet hij hem een halven cirkel beschrijven, toen gaf hij zijn bal, die juist op achttien duim van den »fock” of eersten piketpaal geplaatst was, een slag, en had niet noodig om dienzelfden eersten slag driemaal uit te voeren, een recht dat hem onbetwistbaar toekwam.En waarlijk, zijn bal, behendig voortgestuwd, vloog onder den eersten ring en daarna onder den tweeden ring door, een andere slag bracht den bal onder door den derden ring en het was eerst bij den vierden, dat hij bleef liggen, omdat hij te veel het ijzer geraakt had.Dat was prachtig voor een eerste begin. Een vleiend gemompel liet zich dan ook onder de toeschouwers hooren, die buiten het grachtsboord stonden hetwelk de bezode baan omgaf.Het was toen de beurt van Aristobulus Beerenkooi om te spelen. Dat liep minder gelukkig af. Gebrek aan behendigheid of ongeluk, hoe het ook zij, hij moest driemaal overdoen, alvorens zijn bal onder den eersten ring door te brengen, maar hij miste den tweeden.»Wellicht heeft die bal geen gelijkmatig evenwicht,” legde hij aanmiss Campbell uit. In dat geval doet het zwaartepunt, dat buiten het middelpunt gelegen is, den bal in zijn baan afwijken.”»Aan u, oom Sib, om te spelen!” riep miss Campbell, zonder naar die wetenschappelijke uitlegging te luisteren.Broeder Sib was zijn broeder Sam ten volle waardig. Zijn bal vloog door twee ringen heen en bleef bij dien van Aristobulus Beerenkooi liggen, die hem, nadat hij hem geroqueerd had, dat wil zeggen: achterwaarts geslagen, behulpzaam was om door den derden ring te komen, waarna hij den bal van den jongen geleerde andermaal roqueerde. Deze laatste vertoonde een uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: »dat zullen we straks beter doen”. Eindelijk lei broeder Sib de beide ballen naast elkander, zette den voet op zijn eigen bal, en gaf dien een forschen slag met den hamer, om dien van zijn tegenpartij te croquetteeren, dat wil zeggen, dat hij hem door den terugslag op ruim zestig pas ver over de grensgracht voortstuwde.Aristobulus Beerenkooi moest zijn bal naloopen, maar hij deed dat met deftigheid, als een bezonnen mensch, en wachtte daarna in de houding van een generaal, die nadenkt en een grooten slag voorbereidt.Miss Campbell plaatste op hare beurt haar groenen bal en deed hem behendig de beide eerste ringen doorgaan.De partij werd zoo voortgezet en verliep op de meest gunstige wijze voor de gebroeders Melvill, die hun hart konden ophalen met de ballen van hunne tegenpartij te roqueeren en te croqueeren. Welk een moord! Zij gaven elkaar kleine teekens, zij verstonden elkander op een blik, zonder noodig te hebben te spreken, en geraakten eindelijk tot groot genoegen van hunne nicht, maar tot groot ongenoegen van Aristobulus Beerenkooi, in het voordeel.Toen miss Campbell evenwel, nadat het spel ongeveer vijf minuten geduurd had, bemerkte, dat zij genoegzaam ten achteren was; begon zij meer ernstig te spelen en ontwikkelde meer behendigheid dan haar partner, die haar niettemin zijn wetenschappelijke raadgevingen niet onthield.»De weerkaatsingshoek,” zeide hij tot het jonge meisje, »is gelijk aan den invallingshoek, en dat zal u de richting, die de ballen nemen moeten aanduiden. Gij moet dus uw voordeel doen met....”»Doet gij er uw voordeel maar mede,” antwoordde miss Campbell hem. »Kijk mijnheer, ik ben u al drie ringen vooruit!”En waarlijk, Aristobulus Beerenkooi bleef erbarmelijk achter. Tien maal had hij reeds getracht door den dubbelen middenring te geraken zonder dat het hem gelukt was. Hij gaf toen de schuld aan dien ring; hij liet hem rechtbuigen en de opening wijzigen en beproefde toen andermaal zijn goed geluk. Maar dat was hem al evenmin gunstig.Zijn bal raakte telkenmale het ijzer, en de arme Aristobulus slaagde niet er door te komen.Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).Waarlijk, miss Campbell zou redenen gehad hebben, zich over haren partner te beklagen. Zij speelde zeer goed en verdiende ten volle de loftuigingen, waarmede hare ooms niet kwistig omsprongen. Er was niets bekoorlijkers te zien, dan haar zoo ongedwongen overgave aan dit spel, dat zich uitmuntend leent, om de bevalligheden des lichaams te doen uitkomen. Haar rechter voet half opgeheven bij de punt, ten einde haren bal in het oogenblik van croqueeren in bedwang te houden; hare armen kittig afgerond, wanneer zij den hamer een halven boog liet beschrijven; de opgewektheid van haar lief gelaat, dat lichtelijk naar den grond gekeerd was; haar fraaie leest, die veerkrachtig heerlijk zich bewoog; alles vormde een geheel, dat aanbiddelijk en wel beschouwenswaard was. En toch zag Aristobulus Beerenkooi er niets van.Het moet erkend, dat die jeugdige geleerde woedend was. En inderdaad, de gebroeders Melvill hadden thans een voorsprong, die bijna onmogelijk meer in te halen was. De afwisselingen van het croquetspel zijn evenwel zoo onverwacht, dat men aan de overwinning nimmer moet wanhopen.De partij werd dus onder die ongelijke omstandigheden voortgezet, toen plotseling een gebeurtenis plaats greep.De gelegenheid opende zich voor Aristobulus Beerenkooi, om den bal van broeder Sam, die door den middenring reeds terug gekomen was, waarvoor hij halsstarrig liggen bleef, te roqueeren. Hij gevoelde zich waarlijk ontstemd, hoewel hij moeite deed, om er niets van voor de omstanders te laten blijken, en wilde zich door een meesterstuk weer verheffen. Voornamelijk wilde hij zijn tegenpartij met gelijke munt betalen, en zijn bal buiten de grenzen van de baan zenden. Hij plaatste dus zijn bal tegen dien van broeder Sam, hij zorgde er voor, dat de beide ballen elkander aanraakten, door de grassprietjes er nauwkeurig tusschen weg te nemen, hij plaatste zijn linker voet op zijn bal en, zijn hamer bijna een geheelen boog latende beschrijven om meer kracht aan den slag te geven, zwaaide hij gezwind met dit werktuig.Maar welken schreeuw ontsnapte hem! Het was een gehuil van pijn! De hamer, slecht bestuurd, had niet den bal, maar den enkel van den lomperd geraakt, die daar nu stond op éen been rond te hinken, terwijl hij, ongetwijfeld zeer natuurlijk, kreten uitstiet, die hem evenwel vrij bespottelijk maakten.De gebroeders Melvill ijlden tot hem. Gelukkig had het leer van zijn halve laars den slag gebroken; de kneuzing had dan ook eigenlijk niet veel te beteekenen. Maar Aristobulus Beerenkooi vermeende aldus zijn ongelukkig wedervaren te moeten uitleggen:»De straal, door mijn hamer voorgesteld,” zei hij doceerende, terwijl hij een grijns van pijn niet kon onderdrukken, »heeft eenconcentrischen cirkel beschreven, ten opzichte van dien, welke den tangens van den grond had moeten uitmaken, door dat ik den straal te kort nam. Vandaar de schok....”»En dus zullen wij de partij maar opgeven?” viel miss Campbell hem vragenderwijs in de rede.»De partij opgeven?” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Ons gewonnen geven? Dat nooit! Wanneer men de kansformules van de waarschijnlijkheids-rekening betracht, zal men zien, dat....”»Welnu, laat ons dan doorspelen!” antwoordde miss Campbell.Maar alle kansformules der wereld zouden niet veel kansen verschaft hebben aan de tegenstanders van de twee ooms. Reeds was broeder Sam »rover”, dat wil zeggen, dat hij zijn bal door al de ringen gebracht had, en den »besan” of het aankomstpaaltje geraakt had, zoodat zijn spel nog maar bestond in het croqueeren en roqeeren van al de ballen, die hem daartoe wenschelijk voorkwamen.En inderdaad was de partij eenige oogenblikken later onherroepelijk gewonnen, en triomfeerden de gebroeders Melvill, maar met bescheidenheid, zoo als het grooten meesters betaamt. Wat den grooten Aristobulus Beerenkooi aangaat, dien was het, in weerwil van zijn aanmatiging, niet gelukt zijn bal door den middenring te brengen.Toen wilde miss Campbell waarschijnlijk meer spijt te kennen geven, dan zij werkelijk gevoelde, en bracht zij haren bal een flinken slag met haren hamer toe, zonder evenwel eenigermate de richting te berekenen.De bal vloog buiten den omtrek der baan, door het grachtje aangegeven. Hij rolde naar den kant der zee, trof een strandkeisteen, sprong op en—zooals Aristobulus Beerenkooi zou zeggen,—onder den invloed zijner zwaarte, vermenigvuldigd met het vierkant der snelheid, bereikte hij aldus het strand.Maar daar trof hij al zeer ongelukkig!Een jeugdig artist zat daar voor zijn schildersezel en was bezig een zeegezicht te schetsen, dat door de zuiderpunt van de reede van Oban begrensd werd. De bal vloog midden in het doek en besmeerde haar groen kleed met al de kleuren van het palet, dat hij rakelings voorbij snorde, wierp den schildersezel omver en stuwde dien eenige passen voort.De jonge schilder keerde zich om en sprak bedaard:»Het is gewoonte, alvorens een bombardement te beginnen, de menschen te waarschuwen! Wij zijn waarlijk hier niet veilig!”Miss Campbell, die een voorgevoel van het ongeluk had, nog vóór de bal zijn doel bereikte, snelde zoo hard zij kon naar het strand.»Och! mijnheer,” sprak zij tot den jeugdigen kunstenaar, »wil mij mijn onhandigheid vergeven!”De jonkman stond op en groette het mooie meisje, dat geheelbeteuterd vóór hem stond, en haar verontschuldigingen stamelde....Het was de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk!

Ja, het moet erkend worden! de gebroeders Melvill begonnen de dagen te tellen; het zou niet lang meer duren of zij zouden de uren tellen. Dat ging volstrekt niet zoo als zij het verlangden. Zichtbaarwerd hunne nicht door de verveling overmeesterd. De behoefte aan eenzaamheid, die haar overviel, de weinige voorkomendheid, die zij den geleerden Beerenkooi betoonde, wat deze zich minder aantrok, dan zij zelven deden, dat alles was niet geschikt om hun verblijf te Oban te veraangenamen. Zij wisten niet wat te verzinnen, om afwisseling in die eentonigheid te brengen. Te vergeefs bespiedden zij iedere weersverandering. Zij vertelden elkander, dat miss Campbell, wanneer eenmaal aan haren wensch voldaan was, meer handelbaar althans voor hen zou worden.

Want het is ergerlijk om te vertellen; sedert twee dagen vergat Helena—meer afgetrokken dan gewoonlijk—de twee oudjes hunnen morgenkus te geven, die hen voor het overige gedeelte van den dag in zoo’n goede luim bracht.

De barometer evenwel bleef ongevoelig voor de verwijten der beide ooms en weigerde een aanstaande weersverandering te voorspellen. Met hoeveel zorgen zij ook wel tienmaal per dag met een kleinen, korten slag op het werktuig tikten, om een wijzer-slingering te veroorzaken, helaas! de wijzer steeg geen enkele streep! O! die barometers! fatale dingen!

Intusschen baarde het vernuftig brein der gebroeders Melvill een denkbeeld. In den namiddag van den 11denAugustus kwam hun in de gedachte, een partij croquet aan miss Campbell voor te stellen, ten einde haar, zoo mogelijk, eenige verstrooiing te bezorgen. Helena weigerde niet, hoewel zij wist, dat Aristobulus Beerenkooi meê zou doen; maar zij wist dat zij met haar toestemming hare ooms zeer veel genoegen zou doen.

Hier dient gezegd, dat broeder Sam zoowel als broeder Sib, er een eer in stelde, den roem weg te dragen van tot de eerste spelers gerekend te worden in dit spel, hetwelk in het Vereenigd Koninkrijk zoo zeer geliefkoosd is. Dat spel is niets anders, zooals men weet, dan het oude »mail”, dat meer geschikt gemaakt is voor de vrouwelijke jeugd.

Juist waren er te Oban verscheidene banen geopend, en kon een ieder zich in de geheimen van het croquet-spel inwijden. Dat men zich in het meerendeel der badplaatsen vergenoegt met een baan min of meer gewaterpast, op een grasveld of op het strand, bewijst het min-eischende der spelers of hun weinigen ijver voor deze edele uitspanning. Hier waren de banen niet zanderig; maar met graszoden belegd, zooals het behoort. Het waren zoogenaamde »croquet-grounds”, die iederen avond door middel van sproeipompen bevochtigd en iederen morgen met een bijzonder werktuig gewalsd werden, zoodat zij er zacht en glad uitzagen als zijden stof, die gemangeld was. Kleine steenen teerlings, die met de oppervlakte van den grond gelijk kwamen, waren bestemd om er èn de paaltjes èn deringen in te planten. Een grachtje, eenige duimen diep gegraven, begrensde daarenboven iedere baan, die haar twaalf honderdvierkante meters besloeg, een uitgestrektheid, die voor de ontwikkeling van het spel noodig is. Hoe dikwijls hadden de gebroeders Melvill niet met geheim verlangen, ja met afgunst, de jongelieden en de jonge meisjes waargenomen, die zich op de fraaie banen oefenden. Maar welk genot ook voor hen, toen miss Campbell hunne uitnoodiging aannam. Zij zouden haar dus eenige afleiding kunnen bezorgen en te gelijkertijd hun zoo geliefkoosd spel beoefenen te midden van een groot aantal toeschouwers, die hun hier, evenmin als te Helenaburg zouden ontbreken. Die ijdele gekken!

Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).

Hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. (bladz. 92).

Toen Aristobulus Beerenkooi verwittigd werd, stemde hij er in toe zijn werkzaamheden te schorsen, en verscheen op het bepaalde uur in het strijdperk. Hij had de verwaandheid te meenen, dat hij theoretisch zoowel als praktisch sterk in het croquet-spel was, dat hij het als wetenschappelijk man, als meet- en wiskundige, in één woord door a + b speelde, zooals het een ijdel xhoofd betaamde.

Wat miss Campbell maar half aanstond, was dat zij dien jeugdigen pedant natuurlijk tot partner zoude hebben. En kon dat ook wel anders? Zou zij haar beide ooms het verdriet aandoen, om hen in den strijd te scheiden, om hen den een’ tegenover den anderen te plaatsen, zij die steeds zoo met hart en ziel vereenigd waren, die nooit dan als partners te samen gespeeld hadden? Neen, dat zou zij niet over haar hart kunnen krijgen.

»Wat ben ik gelukkig,” zei Aristobulus Beerenkooi in den beginne, »uw meespeler te zijn, en wanneer gij mij toestaat, dan zal ik de bepaalde oorzaken van de bewegingen der ballen uitleggen....”

»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Helena, terwijl zij hem een oogenblik terzijde nam, »wij moeten mijn ooms laten winnen.”

»Winnen?....”

»Ja... maar zonder zulks te laten merken.”

»Maar, miss Campbell....”

»Zij zouden zich te ongelukkig gevoelen, wanneer zij verloren.”

»Maar.... met uw verlof!...” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »dat croquet-spel is mij meetkundig bekend, daarop kan ik mij verhoovaardigen! Ik heb het verband der rechte lijnen, en de waarde der kromme lijnen berekend, en ik meen de pretentie te mogen koesteren, dat....”

»En ik koester geenerlei pretentie, dan om aan onze tegenstanders aangenaam te zijn. Zij zijn daarenboven zeer sterk in het croquet-spel, zijt dus gewaarschuwd; want ik geloof niet, dat al uw geleerdheid in het krijt kan treden met hunne behendigheid.”

»Dat zullen wij zien,” mompelde Aristobulus Beerenkooi, wien geen overweging, welke ook, kon overhalen, zich vrijwillig te laten overwinnen, zelfs niet wanneer het gold miss Campbell aangenaam te zijn.

Middelerwijl was de kist, waarin de piketten, de teekens, de ringen, de ballen en de houten hamers besloten waren, door een der bedienden op den »crocket ground” gebracht.

De ringen, ten getale van negen, werden ruitvormig op de kleine teerlingsteenen geplaatst, en de beide piketten wezen de uiteinden aan van de groote as van die ruit.

»Nu moeten wij trekken,” zei broeder Sam.

De marken werden in een hoed gedaan en ieder trok er een blindweg.

Het lot had de navolgende kleuren voor de volgorde der partij uitgedeeld: een blauwen bal en hamer aan broeder Sam, een rooden bal en hamer aan Beerenkooi, een gelen bal en hamer aan broeder Sib en eindelijk een groenen bal en hamer aan miss Campbell.

»In afwachting dat de straal van dezelfde kleur voor mij verschijne,” lachte zij. »Dat is waarlijk een goed voorteeken!”

Het was aan broeder Sam om te beginnen, hetgeen hij deed, na eerst een duchtig snuifje met zijn partner gewisseld te hebben.

Gij moest hem hebben kunnen zien, het lichaam noch te rechtop noch te veel voorover gebogen, het hoofd licht gedraaid, om den bal op de goede plaats te kunnen treffen, de beide handen, de een naast de andere op den steel van den hamer, de linker onder, de rechter boven, de beenen tegen elkander gesloten, de knieën lichtelijk doorgebogen, om veerkrachtig den invloed van den slag tegen te gaan, de linkervoet geplaatst vóór den bal, de rechtervoet eenigszins achterwaarts! In één woord, het type van den echten croquetspeler!

Toen verhief broeder Sam zijn hamer. Zachtkens liet hij hem een halven cirkel beschrijven, toen gaf hij zijn bal, die juist op achttien duim van den »fock” of eersten piketpaal geplaatst was, een slag, en had niet noodig om dienzelfden eersten slag driemaal uit te voeren, een recht dat hem onbetwistbaar toekwam.

En waarlijk, zijn bal, behendig voortgestuwd, vloog onder den eersten ring en daarna onder den tweeden ring door, een andere slag bracht den bal onder door den derden ring en het was eerst bij den vierden, dat hij bleef liggen, omdat hij te veel het ijzer geraakt had.

Dat was prachtig voor een eerste begin. Een vleiend gemompel liet zich dan ook onder de toeschouwers hooren, die buiten het grachtsboord stonden hetwelk de bezode baan omgaf.

Het was toen de beurt van Aristobulus Beerenkooi om te spelen. Dat liep minder gelukkig af. Gebrek aan behendigheid of ongeluk, hoe het ook zij, hij moest driemaal overdoen, alvorens zijn bal onder den eersten ring door te brengen, maar hij miste den tweeden.

»Wellicht heeft die bal geen gelijkmatig evenwicht,” legde hij aanmiss Campbell uit. In dat geval doet het zwaartepunt, dat buiten het middelpunt gelegen is, den bal in zijn baan afwijken.”

»Aan u, oom Sib, om te spelen!” riep miss Campbell, zonder naar die wetenschappelijke uitlegging te luisteren.

Broeder Sib was zijn broeder Sam ten volle waardig. Zijn bal vloog door twee ringen heen en bleef bij dien van Aristobulus Beerenkooi liggen, die hem, nadat hij hem geroqueerd had, dat wil zeggen: achterwaarts geslagen, behulpzaam was om door den derden ring te komen, waarna hij den bal van den jongen geleerde andermaal roqueerde. Deze laatste vertoonde een uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: »dat zullen we straks beter doen”. Eindelijk lei broeder Sib de beide ballen naast elkander, zette den voet op zijn eigen bal, en gaf dien een forschen slag met den hamer, om dien van zijn tegenpartij te croquetteeren, dat wil zeggen, dat hij hem door den terugslag op ruim zestig pas ver over de grensgracht voortstuwde.

Aristobulus Beerenkooi moest zijn bal naloopen, maar hij deed dat met deftigheid, als een bezonnen mensch, en wachtte daarna in de houding van een generaal, die nadenkt en een grooten slag voorbereidt.

Miss Campbell plaatste op hare beurt haar groenen bal en deed hem behendig de beide eerste ringen doorgaan.

De partij werd zoo voortgezet en verliep op de meest gunstige wijze voor de gebroeders Melvill, die hun hart konden ophalen met de ballen van hunne tegenpartij te roqueeren en te croqueeren. Welk een moord! Zij gaven elkaar kleine teekens, zij verstonden elkander op een blik, zonder noodig te hebben te spreken, en geraakten eindelijk tot groot genoegen van hunne nicht, maar tot groot ongenoegen van Aristobulus Beerenkooi, in het voordeel.

Toen miss Campbell evenwel, nadat het spel ongeveer vijf minuten geduurd had, bemerkte, dat zij genoegzaam ten achteren was; begon zij meer ernstig te spelen en ontwikkelde meer behendigheid dan haar partner, die haar niettemin zijn wetenschappelijke raadgevingen niet onthield.

»De weerkaatsingshoek,” zeide hij tot het jonge meisje, »is gelijk aan den invallingshoek, en dat zal u de richting, die de ballen nemen moeten aanduiden. Gij moet dus uw voordeel doen met....”

»Doet gij er uw voordeel maar mede,” antwoordde miss Campbell hem. »Kijk mijnheer, ik ben u al drie ringen vooruit!”

En waarlijk, Aristobulus Beerenkooi bleef erbarmelijk achter. Tien maal had hij reeds getracht door den dubbelen middenring te geraken zonder dat het hem gelukt was. Hij gaf toen de schuld aan dien ring; hij liet hem rechtbuigen en de opening wijzigen en beproefde toen andermaal zijn goed geluk. Maar dat was hem al evenmin gunstig.Zijn bal raakte telkenmale het ijzer, en de arme Aristobulus slaagde niet er door te komen.

Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).

Terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren (bladz. 94).

Waarlijk, miss Campbell zou redenen gehad hebben, zich over haren partner te beklagen. Zij speelde zeer goed en verdiende ten volle de loftuigingen, waarmede hare ooms niet kwistig omsprongen. Er was niets bekoorlijkers te zien, dan haar zoo ongedwongen overgave aan dit spel, dat zich uitmuntend leent, om de bevalligheden des lichaams te doen uitkomen. Haar rechter voet half opgeheven bij de punt, ten einde haren bal in het oogenblik van croqueeren in bedwang te houden; hare armen kittig afgerond, wanneer zij den hamer een halven boog liet beschrijven; de opgewektheid van haar lief gelaat, dat lichtelijk naar den grond gekeerd was; haar fraaie leest, die veerkrachtig heerlijk zich bewoog; alles vormde een geheel, dat aanbiddelijk en wel beschouwenswaard was. En toch zag Aristobulus Beerenkooi er niets van.

Het moet erkend, dat die jeugdige geleerde woedend was. En inderdaad, de gebroeders Melvill hadden thans een voorsprong, die bijna onmogelijk meer in te halen was. De afwisselingen van het croquetspel zijn evenwel zoo onverwacht, dat men aan de overwinning nimmer moet wanhopen.

De partij werd dus onder die ongelijke omstandigheden voortgezet, toen plotseling een gebeurtenis plaats greep.

De gelegenheid opende zich voor Aristobulus Beerenkooi, om den bal van broeder Sam, die door den middenring reeds terug gekomen was, waarvoor hij halsstarrig liggen bleef, te roqueeren. Hij gevoelde zich waarlijk ontstemd, hoewel hij moeite deed, om er niets van voor de omstanders te laten blijken, en wilde zich door een meesterstuk weer verheffen. Voornamelijk wilde hij zijn tegenpartij met gelijke munt betalen, en zijn bal buiten de grenzen van de baan zenden. Hij plaatste dus zijn bal tegen dien van broeder Sam, hij zorgde er voor, dat de beide ballen elkander aanraakten, door de grassprietjes er nauwkeurig tusschen weg te nemen, hij plaatste zijn linker voet op zijn bal en, zijn hamer bijna een geheelen boog latende beschrijven om meer kracht aan den slag te geven, zwaaide hij gezwind met dit werktuig.

Maar welken schreeuw ontsnapte hem! Het was een gehuil van pijn! De hamer, slecht bestuurd, had niet den bal, maar den enkel van den lomperd geraakt, die daar nu stond op éen been rond te hinken, terwijl hij, ongetwijfeld zeer natuurlijk, kreten uitstiet, die hem evenwel vrij bespottelijk maakten.

De gebroeders Melvill ijlden tot hem. Gelukkig had het leer van zijn halve laars den slag gebroken; de kneuzing had dan ook eigenlijk niet veel te beteekenen. Maar Aristobulus Beerenkooi vermeende aldus zijn ongelukkig wedervaren te moeten uitleggen:

»De straal, door mijn hamer voorgesteld,” zei hij doceerende, terwijl hij een grijns van pijn niet kon onderdrukken, »heeft eenconcentrischen cirkel beschreven, ten opzichte van dien, welke den tangens van den grond had moeten uitmaken, door dat ik den straal te kort nam. Vandaar de schok....”

»En dus zullen wij de partij maar opgeven?” viel miss Campbell hem vragenderwijs in de rede.

»De partij opgeven?” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Ons gewonnen geven? Dat nooit! Wanneer men de kansformules van de waarschijnlijkheids-rekening betracht, zal men zien, dat....”

»Welnu, laat ons dan doorspelen!” antwoordde miss Campbell.

Maar alle kansformules der wereld zouden niet veel kansen verschaft hebben aan de tegenstanders van de twee ooms. Reeds was broeder Sam »rover”, dat wil zeggen, dat hij zijn bal door al de ringen gebracht had, en den »besan” of het aankomstpaaltje geraakt had, zoodat zijn spel nog maar bestond in het croqueeren en roqeeren van al de ballen, die hem daartoe wenschelijk voorkwamen.

En inderdaad was de partij eenige oogenblikken later onherroepelijk gewonnen, en triomfeerden de gebroeders Melvill, maar met bescheidenheid, zoo als het grooten meesters betaamt. Wat den grooten Aristobulus Beerenkooi aangaat, dien was het, in weerwil van zijn aanmatiging, niet gelukt zijn bal door den middenring te brengen.

Toen wilde miss Campbell waarschijnlijk meer spijt te kennen geven, dan zij werkelijk gevoelde, en bracht zij haren bal een flinken slag met haren hamer toe, zonder evenwel eenigermate de richting te berekenen.

De bal vloog buiten den omtrek der baan, door het grachtje aangegeven. Hij rolde naar den kant der zee, trof een strandkeisteen, sprong op en—zooals Aristobulus Beerenkooi zou zeggen,—onder den invloed zijner zwaarte, vermenigvuldigd met het vierkant der snelheid, bereikte hij aldus het strand.

Maar daar trof hij al zeer ongelukkig!

Een jeugdig artist zat daar voor zijn schildersezel en was bezig een zeegezicht te schetsen, dat door de zuiderpunt van de reede van Oban begrensd werd. De bal vloog midden in het doek en besmeerde haar groen kleed met al de kleuren van het palet, dat hij rakelings voorbij snorde, wierp den schildersezel omver en stuwde dien eenige passen voort.

De jonge schilder keerde zich om en sprak bedaard:

»Het is gewoonte, alvorens een bombardement te beginnen, de menschen te waarschuwen! Wij zijn waarlijk hier niet veilig!”

Miss Campbell, die een voorgevoel van het ongeluk had, nog vóór de bal zijn doel bereikte, snelde zoo hard zij kon naar het strand.

»Och! mijnheer,” sprak zij tot den jeugdigen kunstenaar, »wil mij mijn onhandigheid vergeven!”

De jonkman stond op en groette het mooie meisje, dat geheelbeteuterd vóór hem stond, en haar verontschuldigingen stamelde....

Het was de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk!


Back to IndexNext