XI.Olivier Sinclair.Olivier Sinclair was een »mooi man,” volgens de vroeger gebruikelijke uitdrukking in Schotland, wanneer van flinke, behendige en vlugge jongelieden gesproken wordt. Maar die uitdrukking was hier niet alleen toepasselijk op het innerlijke, maar ook op het uiterlijke van den jonkman.Laatste afstammeling uit een achtenswaardige familie van Edinburg, was deze jeugdige spruit uit het Noordsch Athene, de zoon van een ouden raadsheer in de hoofdstad van Mid-Lothian. Al vroeg ouderloos, was hij opgevoed geworden door zijn oom, een der vier baljuws van het stedelijk bestuur, en had zeer goede studiën aan de Hooge School gemaakt. Toen hij twintig jaar oud was, en ten gevolge van een matig fortuin geheel onafhankelijk, voelde hij den wensch opkomen, om de wereld te zien, en bezocht dientengevolge de voornaamste staten van Europa, van Indië en van Amerika, en nam de beroemdeRevue van Edinburgherhaaldelijk volgaarne zijn reis-aanteekeningen in hare kolommen op. Hij was een verdienstelijk schilder, die, wanneer hij slechts wilde, voor zijn werken hooge prijzen zou kunnen verwerven, en was ook dichter op zijn tijd. Wie is dat niet in dien zaligen leeftijd der jeugd, waarin alles iemand toelacht? Hij had een warm hart, daarenboven een kunstenaarsziel, en behaagde iedereen, zonder moeite daarvoor te doen en zonder opgeblazenheid.In de hoofdstad van Oud-Caledonië is het niet moeielijk in het huwelijk te treden. Want de getal-verhoudingen der beide geslachten zijn daar zeer ongelijk, en het zwakkere staat, wat getalsterkte aangaat, ver boven het sterkere. Een goed onderwezen en opgevoed, beminnelijk jongmensch, van een aangenaam uiterlijk, kan daar meer dan één rijke erfdochter naar zijn smaak aantreffen.Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).En toch scheen Olivier Sinclair, hoewel hij reeds zes en twintig jaar oud was, nog geen roeping voor het huwelijksleven te gevoelen. Kwam hem het levenspad te nauw voor om dit, elleboog tegen elleboog gesloten, af te wandelen? Voorzeker neen, maar het is meer waarschijnlijk, dat hij er meer van hield de dwars- of zijwegen in te slaan, volgens zijn luim voort te schrijden, een luim die met zijnkunstenaarszielwel eens grillig kon genoemd worden.Het voorkomen van Olivier Sinclair was echter wel geschikt, om nog meer dan enkel een gevoel van overeenstemming bij de een of anderejonge blonde dochter van Schotland op te wekken. Zijn elegante leest, zijn open gelaat, zijn vrijmoedig uiterlijk, zijn mannelijke wezenstrekken, die van veel wilskracht getuigden, hoewel de oogopslag van zachtmoedigheid sprak, de bevalligheid zijner bewegingen, de voornaamheid zijner manieren, de gemakkelijke en geestige wijze om zich uit te drukken, de ongedwongenheid van zijn gang, de glimlach, die hem om de lippen speelde, dat alles in één woord moest een jeugdig hart tot hem aantrekken. Hij giste al die voordeelen niet, was volstrekt niet verwaand of kwasterig, en dacht er niet aan zijn bestaan aan een ander vast te ketenen. Maar niet alleen dat zijn uiterlijk een zoo gunstige waardeering bij den vrouwelijken Clan van »Auld Reeky”1ondervond, hij was ook zeer gezien bij de gezellen zijner jeugd, bij zijn medestudenten van de Hoogeschool, en had, volgens de overschoone gaëlische uitdrukking, den naam verworven, van »nimmer den rug naar vriend of vijand toe te keeren.”Evenwel moet erkend worden, dat hij juist dien dag bij den aanval den rug naar miss Campbell toekeerde. Het is waar, miss Campbell was noch zijn vijandin noch zijn vriendin. Op de plaats, die hij innam, had hij dan ook den bal onmogelijk kunnen zien aankomen, die door het jonge meisje zoo heftig was voortgestuwd. Zoo kon het gebeuren, dat die nieuwe soort granaat het doek in het volle midden trof en het geheele schilderstoestel het onderste boven wierp.Reeds bij den eersten blik had miss Campbell haren »held” van de Corryvrekan-kolk herkend, maar de held kon onmogelijk de jeugdige passagieres van deGlengarryherkennen. Ter nauwernood had hij miss Campbell bij het einde van den overtocht van het eiland Scarba naar Oban aan boord ontwaard. Indien hij evenwel geweten had, welk persoonlijk aandeel zij aan zijn redding genomen had, dan zou hij haar, al was het maar uit beleefdheid, van harte bedankt hebben: maar hij wist het niet, en waarschijnlijk zou hij daaromtrent altijd onkundig blijven.Want inderdaad, dien zelfden dag verbood—ja, dit is het woord—verbood miss Campbell uitdrukkelijk, zoowel aan hare ooms als aan juffrouw Bess, alsook aan Partridge, ooit in tegenwoordigheid van dien jonkman, eenige toespeling te maken op hetgeen vóór en na de redding aan boord van deGlengarrywas voorgevallen.Middelerwijl hadden de gebroeders Melvill na dat ongelukkig toeval met den bal, zich bij hunne nicht vervoegd, en waren zoo mogelijk nog meer uit het veld geslagen dan het jonge meisje. Zij begonnen met verontschuldigingen te stamelen jegens den jongen schilder, toen deze hen in de rede viel, zeggende:»Mejuffrouw... Mijnheeren... ik verzeker u, dat het zoo veel woorden niet waard is!”»Mijnheer...” zei broeder Sib met aandrang. »Wij zijn waarlijk ontsteld....”»En wanneer de ramp onherstelbaar is, zooals het zich laat aanzien ....” voegde Sam er bij.»Het is slechts een klein ongeluk en geen ramp!” antwoordde de jonkman lachende. »Het was slechts kladwerk, anders niet: ik verzeker het u. De bal heeft volkomen gerechtigheid gepleegd!”Olivier Sinclair sprak die woorden zoo welgemoed uit, dat de gebroeders Melvill hem gaarne dadelijk de hand zouden gereikt hebben, wanneer dat zoo zonder voorafgaande plichtpleging had kunnen geschieden. Nu meenden zij verplicht te zijn de een aan den anderen voor te stellen, zoo als dat onder fatsoenlijke lieden betaamt.»Mijnheer Samuel Melvill,” zei de een.»Mijnheer Sebastiaan Melvill,” zei de ander.»En hunne nicht, miss Campbell,” voegde Helena er bij, die zich er niet om bekreunde of zij wellicht ook de welvoegelijkheid te kort deed, door zich zelve voor te stellen.Dat was een uitnoodiging tot den jonkman gericht, om ook zijn namen en kwaliteit bekend te maken.»Miss Campbell en mijn heeren Melvill,” sprak hij met den meest mogelijken ernst, »ik zou kunnen volstaan met te zeggen, dat ik »Fock” heet, zoo als een der piketpaaltjes van uw spel, daar ik door den bal ben aangeraakt geworden. Maar openhartig, ik heet Olivier Sinclair.”»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, die niet recht wist, hoe zij dit antwoord moest opvatten. »Nogmaals bied ik u mijn verontschuldiging aan voor...”»En de onze ook,” riepen de gebroeders Melvill.»Miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik herhaal dat het niets te beduiden heeft. Ik zocht een effect van deinende golven op het doek te brengen, en het is waarschijnlijk dat uw bal, even als de spons van ik weet niet meer welken schilder der oudheid, het gezochte effekt heeft te weeg gebracht, wat mijn penseel niet kan bereiken.”Dat werd op zoo’n vriendelijken toon gezegd, dat miss Campbell en de gebroeders Melvill moesten lachen.Olivier Sinclair raapte het doek op, dat evenwel geheel onbruikbaar gemaakt was. Hij moest dus opnieuw beginnen.Het zal niet overbodig zijn op te merken, dat Aristobulus Beerenkooi zich weerhouden had, aan de wisseling van die verontschuldigingen en beleefdheidsvormen deel te nemen.De partij was geëindigd en de jeugdige geleerde was nijdig, dat hij zijn theoretische kennis niet in overeenstemming met zijn practische bekwaamheid had kunnen brengen. Hij nam afscheid om weer naar zijn hotel terug te keeren; men zou hem in drie, vier dagen niet ziet, want hij vertrok naar het eiland Luing, een der kleine Hebriden, dat ten zuiden van het eiland Seil gelegen was, en alwaar hij uit een geologisch oogpunt de rijke leigroeven wilde bestudeeren.Hij kon zich dus niet overgeven aan zijn uitleggingen over de projectielen-baan, wat hij voorzeker zou gedaan hebben, wanneer de gelegenheid zich daartoe had voorgedaan.Olivier Sinclair vernam toen, dat hij niet geheel en al een onbekende was voor de gasten van Caledonian Hotel, en hij werd vervolgens op de hoogte gebracht omtrent de bizonderheden van den overtocht derGlengarry.»Wat, miss Campbell, en gij mijn heeren!” riep hij uit, gij waart aan boord van dat stoomschip, hetwelk mij zoo juist van pas opgevischt heeft?”»Ja, mijnheer Sinclair.”»En gij hebt ons wel angstig gemaakt,” zei broeder Sib,»toen wij door een groot toeval uw schuitje ontwaarden, als verloren te midden van den maalstroom van de Corryvrekan-kolk.”»Neen, geen toeval maar goddelijke bestiering,” zei broeder Sam, »en waarschijnlijk zonder de tusschenkomst van....”Door een teeken gaf miss Campbell te kennen, dat zij niet als redster wenschte op te treden. De rol van onze lieve Vrouw der Schipbreukelingen zou zij nimmer willen vervullen.»Maar mijnheer Sinclair, hoe kon die oude visscher, die u vergezelde, zoo onvoorzichtig zijn,” vroeg broeder Sam,»om zijn vaartuig in die vreeselijke stroomingen te sturen?....”»Welker gevaren hij toch moest kennen, daar hij in deze streken te huis hoort?” vulde broeder Sib aan.»Schort uw oordeel, heeren Melvill,”antwoorddeOlivier Sinclair. »de onvoorzichtigheid kwam van mijn kant, en is mij alleen te wijten. Een oogenblik vreesde ik, dat ik oorzaak van den dood van dien braven kerel zou zijn! Maar er waren zulke wonderlijke kleuren op de oppervlakte van die keerstroomingen, waar de zee aan een onmetelijk kantwerk gelijk was, uitgespreid op een blauwzijden ondergrond! En zonder er gevaar in te zien, naderde ik al meer en meer, om te midden van dat lichtend schuim eenige nieuwe schakeeringen op te vangen. En ik ging al meer en meer vooruit, steeds vooruit. De oude visscher bespeurde het gevaar wel, hij hield mij vertoogen, hij wilde naar de kust van het eiland Jura terugkeeren; maar ik had er geen ooren naar, totdat ons vaartuig in den stroom geraakte en onweerstaanbaar naar de kolk gesleept werd. Wij wildendie aantrekkingskracht weerstand bieden!.... Mijn makker werd door een golf gewond, en kon mij dus niet meer helpen, en ongetwijfeldzonder de aankomst van deGlengarry, zonder de toewijding van haren kapitein, zonder de menschlievendheid der passagiers zouden wij, mijn visscher en ik, reeds tot de legende behooren, en onze namen op de doodenlijst van de Corryvrekan-kolk prijken!”De vlugge Pioneer stevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)De vluggePioneerstevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)Miss Campbell had, zonder een woord te laten ontsnappen, den jonkman aangehoord. Verscheidene malen vestigde zij haar schoone oogen op hem. Hij van zijn kant vermeed haar met zijn blikken te hinderen. Zij kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij zijn jacht, of beter zijn visscherij op zeeschakeeringen schetste. Vervolgde zij ook niet een dergelijk droombeeld, wel is waar minder gevaarlijk? Was de jacht op den groenen Straal ook niet een jacht op een schakeering, niet der zee maar van het luchtgewelf? Zelfs de gebroeders Melvill maakten er de opmerking van en verhaalden het motief, dat hen naar Oban gevoerd had, namelijk de waarneming van een natuurverschijnsel, waarvan men den aard aan den jongen schilder mededeelde.»De Groene Straal!” riep Sinclair uit.»Zoudt gij hem reeds gezien hebben, mijnheer?” vroeg het jonge meisje levendig. »Zoudt gij hem reeds gezien hebben?”»Neen, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik weet zelfs niet of er ergens een Groene Straal bestaat! Neen, waarlijk niet! Welnu, ook ik wensch hem thans te zien. De zon zal geen enkele maal meer achter de kim wegduiken, zonder dat ik daarvan getuige zal zijn! En ik zweer bij Sint Dunstan! dat ik geen ander groen op mijn palet zal gebruiken, dan het groen van dien laatsten straal!”Het was moeilijk uit te maken, of Olivier Sinclair hier niet een weinig spot bedoelde, of dat hij zich door zijn kunstzin liet vervoeren. Een geheime stem fluisterde miss Campbell toe, dat de jonkman niet spotte.»Mijnheer Sinclair,” sprak zij, »de Groene Straal is mijn eigendom niet. Hij schittert voor iedereen! Hij verliest niets in waarde, omdat hij zich aan verschillende belangstellenden te gelijkertijd vertoont. Wij zouden dus kunnen trachten hem samen te zien.”»Zeer gaarne, miss Campbell!”»Maar, gij zult zeer veel geduld moeten oefenen.”»Welnu, dat zullen wij! Wij zullen....”»Niet mogen vreezen om pijn aan de oogen te krijgen,” zei broeder Sam.»Mij dunkt dat de Groene Straal wel waard is, dat er aan te wagen,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ik zal Oban niet verlaten, zonder hem gezien te hebben, dat beloof ik.”»Wij zijn reeds naar het eiland Seil gegaan, om dien Straalwaartenemen, maar een klein wolkje benevelde de kim, juist op het oogenblik toen de zon onderging.”»Dat was een ware noodlottigheid!”»Ja, inderdaad een noodlottigheid, mijnheer Sinclair; want sedert dien dag hebben wij geen volmaakt helderen dampkring meer gehad.”»Wij moeten den moed niet laten zakken, miss Campbell. De zomer is nog niet ten einde en voor dat het kwade seizoen zal ingetreden zijn, zal de zon wel de mildheid hebben ons haren Groenen Straal te vertoonen, weest daar verzekerd van.”»Moet ik u alles bekennen, mijnheer Sinclair?” hernam miss Campbell. »Welnu, wij zouden in den avondstond van den 2denAugustus dien Groenen Straal zeker op de kim van de Corryvrekan kolk hebben kunnen waarnemen, wanneer onze aandacht niet ware afgeleid door een zekere redding....”»Wat, miss Campbell, ik zou lomp genoeg geweest zijn om in zoo’n oogenblik uw blikken af te leiden! mijn dwaze onvoorzichtigheid komt u den Groenen Straal te staan. Maar dan moet ik u verontschuldiging aanbieden, en ik betuig u hiermede mijn leedwezen over die ontijdige verschijning van mijn persoon! Wees verzekerd, dat het niet weer zal gebeuren.”En men keuvelde over koetjes en kalfjes, terwijl men naar het Caledonian Hotel terug wandelde, waarin ook Olivier Sinclair zeer toevallig den vorigen avond, bij zijn terugkeer van een uitstapje in de omstreken van Dalmaly, zijn intrek had genomen. Het jonge mensch, wiens ronde manieren en wiens aanstekelijke opgeruimdheid de gebroeders Melvill volstrekt niet mishaagden, kwam in den loop van het gesprek er toe om van Edinburg en van zijn oom den baljuw Patrick Oldimer te praten. Toen bleek het, dat de gebroeders Melvill vroeger gedurende eenige jaren met den baljuw Oldimer hadden omgegaan. Weleer hadden vriendschappelijke banden tusschen de beide familiën bestaan, die alleen door den verren afstand van elkander gestaakt waren geworden. Men was elkander dus niet meer vreemd. Olivier Sinclair ontving dan ook de uitnoodiging om de vriendschapsbanden met de Melvills te vernieuwen, wat hij gaarne deed, vooral omdat er geen enkele reden bestond, om zich elders dan te Oban te vestigen. Hij verklaarde dan ook, dat hij er blijven wilde, om deel te nemen aan de opsporing van den befaamden Straal.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij ontmoetten elkander veelvuldig op het strand van Oban in de daarop volgende dagen. Te zamen deden zij waarnemingen omtrent de vermoedelijke weersveranderingen. Tien keeren op een dag raadpleegden zij den barometer, die wel eenige neiging tot stijgen vertoonde. En waarlijk, in den morgen van den 14denAugustusoverschreed de beminnenswaardigewijzer van het instrument dertig duim en zeven tiende.Met welk gevoel van tevredenheid bracht Olivier Sinclair die goede tijding aan miss Campbell! De hemel was helder en rein als het oog eener madonna. Een fraai azuur tintte het uitspansel, zacht overgaande in de meest uiteenloopende nuanceeringen van af het indigo- tot het ultramarijn-blauw! Geen enkele damp van hygrometrischen aard was te bespeuren. Het vooruitzicht bestond, dat de avond overheerlijk zou zijn, en dat men een zonsondergang zou genieten, zoo scherp zuiver, als de sterrenkundigen van eenige sterrenwacht zouden kunnen verlangen!»Als wij nu bij zonsondergang onzen straal niet zien zullen, dan moeten wij blind zijn!” zei Olivier Sinclair.»Hoort gij, waarde oompjes!” zei miss Campbell. »Hoort gij wel, het zal van avond plaats hebben!”Men kwam overeen dat men vóór het diner naar het eiland Seil zou vertrekken, wat dan ook tegen ongeveer vijf uur geschiedde.Miss Campbell zat overgelukkig met den niet minder gelukkigen Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, die zich ook al vroolijk en tevreden gevoelden in het rijtuig, dat hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. Men zou waarlijk kunnen beweren, dat zij de zon met zich op den bok van het rijtuig voerden, en het vierspan, dat flink voortspoedde, de vurige paarden van Apollo, den god des dags, waren!Op het eiland Seil aangekomen, hadden de reeds bij voorbaat verrukte waarnemers een gezichteinder voor zich, waarvan de helderheid door niets bevlekt werd. Zij kozen tot waarnemingspost het uiteinde van een zeer smalle kaap, die zich een mijl ver in zee uitstrekte en twee kleine inhammen in de kust van elkander scheidde. Niets kon daar over een vierde gedeelte van den gezichtseindersboog het panorama van het westen belemmeren.»Hij kan ons dus niet ontsnappen, die grillige straal, die zoo veel preutschheid aan den dag legt om zich te laten zien,” zei Olivier Sinclair.»Dat geloof ik ook,” antwoordde broeder Sam.»En ik ben er zeker van,”vulde broeder Sib aan.»En ik hoop het,” uitte miss Campbell, terwijl zij den vlekkeloozen hemel en de zee beschouwde, die zich daar eenzaam voor haar uitstrekte. Waarlijk, alles kondigde aan dat het natuurverschijnsel zich bij zonsondergang in al zijn pracht zou vertoonen. Reeds daalde de schitterende dagvorstin langs een schuine lijn, en bevond zich nog slechts weinige graden boven den horizon. Haar roode schijf tintte den achtergrond van het uitspansel gelijkmatig als met vuur en trok een lange verblindende streep over de oppervlakte van het kalme water der zee.De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)Allen stonden daar opgetogen over dat fraaie gezicht, de verschijningaf te wachten, en zagen de zon, die langzaam, aan een overgrooten luchtsteen gelijk, onderdook. Plotseling ontsnapte een onwillekeurigekreet aan miss Campbell, die met een angstigen uitroep, door de gebroeders Melvill en door Olivier Sinclair uitgestooten, beantwoord werd.Een sloep kwam van achter het eilandje Eastdale, dat in de nabijheid als aan den voet van het eiland Seil gelegen is. Die sloep stevende langzaam westwaarts. Haar zeil, als in een vuurscherm gevat, stak helder boven de kim uit. Zou dat nu de zon gaan bedekken, juist op het oogenblik, dat zij zou ondergaan?Het was hier een kwestie vanseconden. Men kon niet meer terug, om rechts of links een andere waarnemingsplek te kiezen, ten einde de zon weer ongehinderd te kunnen aanschouwen. Daartoe was geen tijd meer, de geringe oppervlakte der kaap liet niet toe zich zoover te bewegen om weer in de as der zon te geraken.Miss Campbell was wanhopig over dien tegenspoed. Zij liep heen en weer over de rotsen, terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren de aandacht van den opvarende dier sloep tot zich zocht te trekken, en zoo hard hij kon schreeuwde, dat zij hun zeil zouden strijken.Alles te vergeefs. Men zag hem niet en men kon hem onmogelijk hooren. De sloep, door een zachte bries voortgestuwd, stevende steeds westwaarts op.Juist toen de bovenrand der zonneschijf zou verdwijnen, gleed het zeil der sloep tusschen haar en de toeschouwers, en werd zij door datondoorzichtbaartrapezium bedekt.Dat was een ware teleurstelling! Ditmaal had de Groene Straal te midden van die zuivere kim geschitterd. Hij was evenwel afgestuit op dat lompje zeil, zonder het voorgebergte te kunnen bereiken, alwaar zoo vele blikken hem gretig bespiedden.Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill stonden daar als versteend op die plek, teleurgesteld als zij waren, en meer verbitterd dan zulk een ongelukkig toeval eigenlijk wel waard was. Zij vergaten werkelijk heen te gaan, en verwenschten dat vaartuig en de personen die er in waren.De sloep legde evenwel aan in een kleine kreek van het eiland Seil, die zich aan den voet van het voorgebergte bevond.Een passagier sprong daaruit in dit oogenblik, en liet aan boord twee zeelieden, die hem van het eiland Luing langs den weg der volle zee overgevoerd hadden. Hij naderde langs het strand en beklom de voorste rotsen, met het doel om het uiteinde der kaap te bereiken.De onwelkome gast had voorzeker de groep waarnemers, die op het plat van het voorgebergte stond, herkend; want hij groette de aanwezigen met een gebaar dat een zekere gemeenzaamheid verried.»Mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell.»Hij! was hij het?!” riepen de gebroeders Melvill.»Wie kan die mijnheer zijn?” dacht Olivier Sinclair.Ja, het was Aristobulus Beerenkooi in persoon, die een wetenschappelijk uitstapje, dat verscheidene dagen geduurd had, naar het eiland Luing had gemaakt.Het zal wel onnoodig zijn te zeggen, hoedanig hij verwelkomd werd door hen, wier dierbaarsten wensch hij in zijn vervulling had verijdeld.Broeder Sam en broeder Sib vergaten in zooverre de welvoegelijkheid, dat zij er zelfs niet aan dachten Olivier Sinclair aan Aristobulus Beerenkooi voor te stellen. Zij sloegen beiden de oogen neer en vermochten tegenover Helena’s ontevredenheid den blik niet te slaan op dien aanstaande hunner keuze.Miss Campbell, de kleine handjes te zamen geknepen, de armen over de borst gekruist, keek hem aan met bliksemende oogen, zonder een woord te spreken. Eindelijk na een poos ontsnapten deze woorden aan haren mond:»Mijnheer Beerenkooi, gij hadt kunnen nalaten zoo van pas te komen om een onhandigheid te bedrijven.”1Auld Reeky beteekent oude berookte, en is een bijnaam van Edinburg.XII.Nieuwe plannen.De terugtocht naar Oban werd onder veel minder aangename omstandigheden volbracht dan de heenreis naar het eiland Seil. Men was vertrokken in den waan van een goeden uitslag te verkrijgen en men kwam terug onder den invloed eener teleurstelling.Kon de tegenspoed, die miss Campbell ondervond, door iets gelenigd worden, dan was het dat hij door Aristobulus Beerenkooi veroorzaakt was. Zij had het recht dien grooten schuldige met verwijten te overladen, en hem de uitwerksels van haren toorn te doen gevoelen. En zij maakte van dat recht gebruik. De gebroedersMelvillzouden het niet gewaagd hebben, hem bij haar te verontschuldigen. Neen! het vaartuig van dien lomperd, waaraan niemand zijn aandacht geschonken had, was gekomen juist op het oogenblik, dat de zon haar laatsten straal schoot, om den horizon voor de waarnemers te bedekken! Ziet, dat zijn van die zaken, die niet vergeten kunnen worden!Het behoeft niet gezegd, dat Aristobulus Beerenkooi die, na die lompheid, zich nog een spotternij met betrekking tot den GroenenStraal veroorloofd had, weer in zijn sloep was gestapt, om naar Oban terug te zeilen. En hij had daarin zeer wijselijk gehandeld; want meer dan waarschijnlijk zou men hem geen plaats in dekalès, zelfs niet in het bakje van achteren, aangeboden hebben.Zoo had dus de Zonsondergang tweemaal plaats gehad, onder omstandigheden, waarbij de waarneming van het natuurverschijnsel een onmogelijkheid bleek. Reeds twee maal had de vurige blik van miss Campbell zich te vergeefs blootgesteld aan de schitterende liefkoozingen der dagvorstin, die een beneveling van haar gezicht voor den duur van eenige uren veroorzaakten! Eerst had de redding van Olivier Sinclair, nu de voorbijtocht van Aristobulus Beerenkooi haar een gelegenheid doen missen, die zich wellicht in langen tijd niet weer zou voordoen! In beide gevallen waren, wel is waar, die verhinderende omstandigheden niet gelijk geweest, waardoor zij den eenen met zooveel vuur verontschuldigde, als zij den andere hard viel. Wie zou den moed hebben, haar van partijdigheid te betichten?Den volgenden ochtend wandelde Olivier Sinclair, in zijn droomerijen verzonken, op het strand te Oban.Wie was toch die mijnheer Aristobulus Beerenkooi! Een bloedverwant van miss Campbell en der gebroeders Melvill? Of slechts een vriend? In ieder geval was het toch een bekende in huis, dat was wel op te maken uit de wijze waarop miss Campbell zich aan haar verwijtingen over zijn onhandigheid overgegeven had. Welnu wat kon hem, Olivier Sinclair, dat schelen? Wanneer hij wilde weten waaraan zich daaromtrent te houden, dan had hij immers slechts broeder Sam of broeder Sib te ondervragen.... Maar dit was het juist wat hij wenschte te vermijden en wat hij dan ook niet deed.Toch ontbraken hem de gelegenheden daartoe niet; want iederen dag ontmoette hij de twee broeders, die steeds te zamen wandelden; want niemand kon er zich op beroemen ooit den eenen zonder den anderen ontmoet te hebben. Somtijds begeleidden zij hunne nicht bij haar wandelingen op het strand. Men keuvelde over duizenderlei zaken, maar voornamelijk over het weer, hetgeen bij de gegeven omstandigheden en personen precies geen onderwerp genoemd kan worden, om over te praten zonder iets te zeggen. Zou men ooit nog in dit seizoen een dier kalme avonden beleven, wier terugkeer men bespiedde om weer naar het eiland Seil te gaan? Het was te betwijfelen. Want inderdaad, sedert die twee prachtige avonden van den 2denen den 14denAugustus, heerschte slechts ongestadig weer, vertoonden zich slechts onweerswolken; de warmte veroorzaakte dichte dampen bij de kim, die door electriciteitsontladingen verscheurd werden, en zoo die niet den gezichteinder bedekten, dan waren het dichte avondnevels, in een woord, het alleste zamen was wel geschikt om een leerling in de sterrenkunde diezich aan zijn kijker vastklemt en van een herziening van de hemelkaart droomt, tot vertwijfeling te brengen!Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)Waarom niet ronduit bekennen, dat de jonge schilder nu even zoo verzot op den Groenen Straal was als miss Campbell? Hij had dat stokpaardje in gezelschap van dat schoone lieve meisje bestegen. Hij dwaalde thans met haar in de onmetelijke uitgestrektheid van het luchtruim rond. Hij koesterde die gril met niet minder vuur, om niet te zeggen: met niet minder ongeduld dan zijn jeugdige gezellin. Oh! hij was geen Aristobulus Beerenkooi, wiens brein verloren was in de nevelachtige hoogten en diepten der hoogere wetenschap en koesterde geen geringschatting voor een eenvoudig optisch natuurverschijnsel. Beiden begrepen elkander en beiden verlangden tot die zeldzaam bevoorrechte wezens te hooren, die door de verschijning van den Groenen Straal vereerd zouden worden.»O! wij zullen hem zien, miss Campbell,” herhaalde Olivier Sinclair, »wij zullen hem zien, al moest ik hem zelf gaan ontvonken! Want goed gerekend, is het mijn schuld, dat hij u dien eersten keer ontsnapte, en ik ben net zoo schuldig, als die mijnheer Beerenkooi.... uw bloedverwant.... geloof ik?”»Neen.... mijn verloofde.... zoo als het schijnt,” antwoordde dien dag miss Campbell in de grootste verwarring, terwijl zij zich met eenigen spoed verwijderde, om zich bij haar ooms te voegen, die te zamen iets vooruit kuierden en elkander een snuifje aanboden.Haar verloofde! De uitwerking door dat eenvoudig antwoord, maar nog meer door den toon, waarop het gegeven werd, op Olivier Sinclair te weeg gebracht, was merkwaardig! Welnu, wat zou dat? waarom zou dat jeugdige pedante wezen haar verloofde niet zijn? Onder die omstandigheden kon ten minste zijn tegenwoordigheid te Oban verklaard worden. Dat hij zoo onbehendig geweest was, om zijn persoon tusschen de ondergaande zon en miss Campbell te plaatsen, daaruit volgde nog niet... Wat volgde daar niet uit? Waarachtig, Olivier Sinclair zou wel verlegen gestaan hebben, wanneer hij die vraag had moeten beantwoorden.Na twee dagen afwezig geweest te zijn, was Aristobulus Beerenkooi intusschen weer te voorschijn gekomen. Olivier Sinclair zag hem verscheidene malen, als hij in gezelschap der gebroeders Melvill wandelde, die hem geen kwaad hart hadden blijven toedragen. Hij scheen goed bevriend met hen te zijn. De jeugdige geleerde en de jeugdige artist hadden elkander reeds herhaaldelijk, hetzij op het strand, hetzij in de salons van het Caledonian-Hôtel ontmoet. Eindelijk waren de twee ooms er toe overgegaan hen aan elkander voor te stellen.»Mijnheer Aristobulus Beerenkooi, van Dumfries!”»Mijnheer Olivier Sinclair, van Edinburg!”Die plichtpleging had den beiden jongelieden een middelmatigengroet gekost, een van die eenvoudige hoofdbuigingen, waaraan het lichaam in een bovenmatige stijve houding geen deel neemt. Klaarblijkelijk zou nimmer eenige sympathie tusschen die twee uiteenloopende karakters geboren worden. De een verdiepte zichin ’s Blaue hinein, alsof hij sterren wilde plukken; de andere beijverde zich, de loopbanen van die sterren te berekenen; de een als artist zocht geen wetenschappelijken roem te verwerven, de andere vervaardigde zich van de wetenschap een voetstuk, waarop hij de houding van een beroemd man aannam.Wat miss Campbell aangaat, zij mokte tegen Aristobulus Beerenkooi. Was hij in de nabijheid, dan deed zij of zij zijn tegenwoordigheid niet bemerkte; ging hij voorbij, dan wendde zij zichtbaar het hoofd af. In één woord, zij bejegende hem met al de stijfheid der Britsche vormelijkheid. De gebroeders Melvill gaven zich veel moeite om weer goed te maken, wat het schoone kind bedierf. Volgens hun meening zou dat alles wel weer te recht komen, vooral wanneer die grillige straal zich maar wilde vertoonen.In afwachting daarvan nam Aristobulus Beerenkooi Olivier Sinclair met scherpen blik op, over zijn brilleglazen heen. Dat is een zeer gewone wijze van handelen bij de kortzichtigen, die steeds willen waarnemen en zien, zonder er den schijn van te hebben. En wat nam hij waar? De overgroote zucht van den jonkman om zich in de nabijheid van miss Campbell te bevinden, het vriendelijk onthaal, dat het jonge meisje hem bij iedere gelegenheid bereidde. Dit alles stond hem voorzeker niet aan. Maar aan zijn bekoorlijkheden niet twijfelende, was hij niet ongerust, en hield zich op den achtergrond.Bij den ongestadigen dampkring, bij den barometer, welks wijzer geen rustpunt kon vinden, en zich slechts in de nabijheid van »veranderlijk” bewoog, werd aller geduld wel op een harde proef gesteld. Er werden nog twee of drie uitstapjes naar het eiland Seil ondernomen, in de hoop om, al was het maar voor weinige oogenblikken, bij zonsondergang een geheel wolkeloozen horizon aan te treffen. Het was vergeefsche moeite! Het eenige wat de teleurstelling lenigde, was dat Aristobulus Beerenkooi er geen deel aan nam. Zoo werd het 23 Augustus, zonder dat het luchtverschijnsel de moeite genomen had, zich te vertoonen.Toen werd die gril een allesbeheerschend denkbeeld, dat ieder ander uitsloot. Het had er wel wat van of onze bekenden bezeten waren. Zij droomden er dag en nacht van en wel zoo, dat er voor een nieuwe soort monomanie gevreesd werd, en dat in een tijd dat die soorten reeds ontelbaar zijn. Onder dien geestesdwang, veranderden alle kleuren in een eenige: de blauwe hemel scheen groen, de wegen waren groen, het strand was groen, de rotsen waren groen, het water en de wijn waren zelfs groen als absinth. De gebroedersMelvill verbeeldden zich, dat zij in het groen gekleed waren, en zagen elkander voor groote groene papegaaien aan, die groene snuif uit een groene snuifdoos snoven. In één woord was het een groene waanzin! Zij waren allen met een soort daltonisme geslagen, en de professoren in oog- en gezichtkunde zouden daar een heerlijk onderwerp aangetroffen hebben, om zeer belangrijke behandelingen in hun oogheelkundige werken op te nemen. Dat kon niet lang meer zoo duren.Olivier Sinclair kwam gelukkig op een gedachte.»Miss Campbell,” zei hij dien dag, »en gij heeren Melvill, vergeeft mij, maar mij dunkt, dat wij, alles wel beschouwd, zeer slecht te Oban zijn om het natuurverschijnsel in kwestie waar te kunnen nemen.”»Aan wien de schuld?” vroeg miss Campbell, waarbij zij met strengen blik de beide misdadigers monsterde, die de oogen verlegen neersloegen.»Hier te Oban is geen zeehorizon!” hernam de jonge schilder. »Vandaar de verplichting om dien op het eiland Seil te gaan opzoeken, op gevaar af om er niet te zijn, wanneer wij er wezen moesten!”»Dat ’s helder als de dag!” antwoordde miss Campbell. »Inderdaad, ik begrijp niet, waarom mijn ooms juist dit verschrikkelijk oord voor onze waarneming gekozen hebben!”»Waardste Helena!” prevelde oom Sam, die in zijn verlegenheid eigenlijk niet wist wat te antwoorden. »Wij hadden gedacht....”»Ja.... wij hadden.... hetzelfde gedacht....” vulde broeder Sib aan, alsof hij hem te hulp wilde komen.»Dat de zon zich verwaardigen zou, ook ten aanschouwe van Oban, in de golven onder te gaan....”»Daar Oban toch aan den zeeoever gelegen is!”»Dat alles hebben mijn ooms slecht bedacht,” antwoordde miss Campbell, »zeer slecht bedacht, daar de zon, zooals gij ziet, er niet in zee ondergaat.”»Waarlijk!” hernam broeder Sam. »Er doen zich van die ongelukseilanden voor, die den gezichtskring beperken!”»Gij hadt toch het plan niet om die eilanden te doen springen....?” vroeg miss Campbell.»O! als dat mogelijk was geweest, zou het reeds geschied zijn!” antwoordde broeder Sib op vastberaden toon.»Wij kunnen toch op het eiland Seil niet gaan kampeeren!” merkte broeder Sam op.»En waarom niet?”»Waarde Helena, als ge dat volstrekt wilt....”»Ja, volstrekt!”»Kom, laten wij dan vertrekken!” antwoordden broeder Sam en broeder Sib met gelatenheid.En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)En die beide goedige onderworpen wezens verklaarden, dat zij gereedwaren om dadelijk Oban te verlaten. Maar Olivier Sinclair kwam tusschen beiden.»Miss Campbell,” zei hij, »veroorloof mij, dat ik in meening met u verschil. Er valt heel wat beters te doen, dan zich op het eiland Seil te gaan vestigen.”»Spreek, mijnheer Sinclair, en wanneer uw raad beter is, dan zullen mijn ooms niet weigeren hem op te volgen, daarvan ben ik verzekerd.”De gebroeders Melvill maakten een hoofdbuiging, die zóó volmaakt gelijktijdig was, dat die twee ooms nooit meer op elkander geleken dan in dat oogenblik.»Het eiland Seil,” hernam Olivier Sinclair, »is waarlijk niet geschikt om er te kunnen wonen, al was het maar voor weinige dagen. Zijt gij in de noodzakelijkheid om geduld te oefenen, miss Campbell, dan behoeft gij dat toch niet ten koste van uw welzijn te doen. Ik heb bovendien opgemerkt, dat ook te Seil de gezichteinder door de gesteldheid der kusten eenigermate beperkt is. Wanneer wij tegen aller verwachting langer moeten wachten dan wij hopen, wanneer ons verblijf tot eenige weken zou moeten aangroeien, zou de zon, die thans meer en meer naar het zuiden afzakt, achter het eiland Colonsay of achter het eiland Oronsay of zelfs achter het groote Islay ondergaan, en zou onze waarneming ook door gebrek aan een voldoende kim even onmogelijk worden.”»Waarlijk,” zei Miss Campbell, »dat zou de genadeslag moeten heeten!”»Maar dien kunnen wij ontgaan, wanneer wij een oord opzoeken, buiten den Hebriden-archipel gelegen, een oord, dat de onmetelijkheid van den geheelen Atlantischen Oceaan voor zich heeft.”»Kent gij zoo’n oord, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell met levendigheid.De gebroeders Melvill hingen aan de lippen van den jonkman. Wat ging hij antwoorden? Waarheen voor den drommel zou die gril hunner nicht hen bij slot van rekening voeren? Op welke uiterste grens van de beschaafde wereld zouden zij zich moeten vestigen, om aan dat vreemde verlangen te voldoen?Olivier Sinclair stelde hen al dadelijk gerust, althans voorshands.»Er bestaat een oord, miss Campbell,” zei hij, »niet ver van hier, dat naar mijn meening alle mogelijke voorwaarden in zich vereenigt. Het is achter de hoogten van Mull gelegen, die nu den gezichteinder van Oban ten Westen beperken. Het is een der kleine Hebriden-eilanden, dat het verste in den Atlantischen Oceaan uitspringt, het is het bekoorlijke eiland Jona.”»Jona!” riep miss Campbell uit. »Jona! hoort ge niet, oom Sam, oom Sib? Zijn we er nog niet?”»Wij zullen er morgen zijn,” antwoordde broeder Sib.»Morgen vóór zonsondergang,” bevestigde broeder Sam.»Kom, op reis dan!” zei miss Campbell,»en vinden wij te Jona dien uitgestrekten gezichteinder niet, dien wij verlangen, dan zullen wij een ander punt der kuststrook opzoeken van af John O’Groats, het meest noordelijke einde van Schotland tot Landsend, de meest zuidelijke punt van Engeland toe en als wij dan niet vinden, dan...!”»Wel dan zullen wij een reis rondom de wereld maken, dat is zeer eenvoudig,” lachte Olivier Sinclair.XIII.De heerlijkheden der zee.Het was de kastelein van Caledonian-Hotel, die zich wanhopig aanstelde, toen hij het besluit zijner gasten vernam. Oh! als hij er de macht toe had, hoe zou baas Mac Fyne al die eilanden en die eilandjes, die het uitzicht van Oban aan de zeezijde benemen, hebben laten uit elkaar springen. Hij troostte zich evenwel, toen zij vertrokken waren met aan de andere gasten zijn leedwezen te betuigen, dat hij zulke dwazen geherbergd had.Te acht uur des morgens stapten de gebroeders Melvill, miss Campbell, juffrouw Bess en Partridge aan boord van den »swift-SteamerPioneer,” zooals dat vaartuig op de prospectussen genoemd werd en dat het eiland Mull zoude rondvaren, om Jona en Staffa aan te doen en des avonds weer te Oban terug te zijn.Olivier Sinclair was zijn tochtgenooten vooruitgesneld, had spoedig de inschepingsplaats bereikt en wachtte hen op de brug, die zich van de eene raderkast van de stoomboot tot de andere uitstrekte.Ten opzichte van Aristobulus Beerenkooi was geen sprake van deze reis geweest. De gebroeders Melvill hadden hem toch van dat overhaaste vertrek verwittigd. Dat was een eenvoudige beleefdheidsvorm, en wij weten het, die heeren waren de meest beleefden van de geheele wereld.Aristobulus Beerenkooi had de mededeeling van de beide ooms nog al koel aangehoord en had zich eenvoudig met een dankbetuiging vergenoegd, zonder zich over zijne plannen uit te laten.De gebroeders Melvill hadden dan ook afscheid van hem genomen met de gedachte, dat, al toonde hun gunsteling ook een groote mate van terughouding, en al had miss Campbell een soort van afkeer tegen hem opgevat, dat alles vergeten zou zijn, wanneer maar bij het eindigen van een fraaien herfstdag de zon onberispelijk zou zijn ondergegaan. Dat was ten minste hunne opvatting, en het eiland Jona zou hen niet in den steek laten.Toen al de passagiers aan boord waren, werden na het derde gegil van de stoomfluit de trossen losgegooid, en stevende dePioneerde baai uit, om zuidwaarts door de zeeëngte van Kerrera te sturen.Er was een groot aantal van die toeristen aan boord, die twee of driemaal ’s weeks, door dat overheerlijk uitstapje rondom het eiland Mull aangetrokken worden. Miss Campbell en haar metgezellen zouden hen reeds bij de eerste aanlegplaats verlaten.En inderdaad, zij waren ongeduldig om te Jona aan te komen, in dat nieuwe oord, alwaar zij hunne waarnemingen zouden hervatten. Het weer was prachtig en de zee kalm als een meer. De overtocht zou gunstig zijn. Wanneer deze avond de verwezenlijking van hun verlangen niet medebracht, welnu! het besluit was genomen; zij zouden zich op het eiland inrichten en geduldig afwachten. Daar zou het scherm steeds omhoog gehaald en allen tot de voorstelling gereed zijn. Alleen slecht weer zou tot uitstel doen besluiten.Om kort te gaan, vóór het middaguur zou het doel der reis bereikt zijn. De vluggePioneerstevende de straat Kerrera door, rondde de zuid-punt van het eiland, doorkliefde de Firth of Lorne in haar breedste gedeelte, liet het eiland Colonsay met zijn oude abdy, die door de beroemde Lords der eilanden in de veertiende eeuw gesticht werd, ter linkerzij liggen, stoomde langs de zuidkust van Mull, welk eiland als een buitensporige groote krab scheen, die gestrand zoude zijn, en wier ééne schaar zich lichtelijk naar het zuidwesten wendde.De Ben More vertoonde zich gedurende een kort oogenblik ter hoogte ongeveer van drie duizend vijf honderd voet boven de verafgelegen heuvelen, die zich woest en steil voordeden, terwijl hun hellingen slechts het heidekruid tot natuurlijke bedekking had, en zijn ronde top die weilanden beheerschte, welke met rundvee als bezaaid zijn. De Ardanalish-top bedekte hem plotseling voor het gezicht met zijn zware massa.Toen trad het schilderachtige Jona in het noord-westen op den voorgrond, op het uiteinde van den zuidelijken knijper van Mull gelegen. De Atlantische oceaan, strekte zich verder onmetelijk en verheven naar het westen uit.»Houdt gij van den Oceaan, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell aan haren jeugdigen metgezel, die bij haar op de brug vandePioneergezeten was en met haar dat prachtige schouwspel bewonderde.Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)»Of ik van den Oceaan houd, miss Campbell?!” riep hij uit. »Jazeker, en ik behoor niet tot de ongevoeligen, die er het gezicht eentonig van vinden! Voor mij bestaat er niets, wat meer afwisseling biedt dan zijn aanblik; maar men moet hem onder zijn verschillend voorkomen weten te beschouwen. Waarlijk, de zee vertoont zooveel verschillende nuanceeringen, die zoo verwonderlijk geleidelijk in elkander smelten, dat het voor den schilder de grootste moeielijkheid oplevert, dat geheel, hetwelk zoo eentonig schijnt en toch zoo afwisselend is, weer te geven. Het is veel moeilijker dan het schilderen van een gelaat, hoe beweeglijk de trekken zich ook mogen voordoen.”»Ja waarlijk,” zei miss Campbell, »de zee verandert voortdurend van gedaante onder het minste zuchtje, dat voorbijsnelt, en onder de lichtstralen, die haar op ieder uur van den dag onder verschillende hoeken treffen.”»Zie haar thans, miss Campbell,” hernam Olivier Sinclair. »Zij is nu volmaakt kalm! Zou men niet zeggen het fraaie gelaat eener ingeslapen schoone, waarvan niets de reinheid besmet. Zij vertoont geen enkelen rimpel; zij is jong, zij is schoon! Of liever, het is een onmetelijke spiegel, waarin het uitspansel weerkaatst, en waarin God zich zien kan!”»Ja, een spiegel, maar waarvan de glans, helaas, te dikwijls door den adem des storms verdoofd wordt,” vulde miss Campbell aan.»Maar dat is het, wat de groote afwisseling in het voorkomen van den Oceaan vormt!” antwoordde Olivier Sinclair. »Laat de wind slechts matig opsteken, dan zal dat gelaat veranderen; het zal zich met rimpels overdekken, het schuim der golftoppen zullen het als met witte haren tooien, in een oogenblik zal het veranderd schijnen, het zal een eeuw tellen, maar immer indrukwekkend blijven met zijn grillige lichteffecten, en zijn borduursels van helder wit schuim!”»Gelooft gij, mijnheer Sinclair,”vroeg miss Campbell, »dat een schilder, een groot schilder meen ik, er in slagen zou al de schoonheden der zee op het doek te brengen?”»Neen, dat geloof ik niet, miss Campbell! Hoe zou hij dat kunnen? De zee heeft werkelijk geen kleur. Zij is slechts een weerkaatsing van den hemel! Is zij blauw? Toch kan men haar met blauw niet weergeven! Is zij groen? Neen, ook met groen niet! Men zou haar eerder kunnen treffen, wanneer zij woedend is, wanneer zij somber, vaalbleek, boos is. Dan is het alsof de hemel al die wolken in de wateren mengt, die hij er boven uitgespannen houdt. Oh! miss Campbell, hoe meer ik den Oceaan beschouw, hoe meer verheven ik hem vind. Oceaan! dat woord zegt alles; dat beteekent onmetelijkheid! Hij verbergt in zijn schoot de onpeilbare diepten, onbegrensde weilanden, waarbij de onze ledig en verlaten schijnen,zegt Darwin. Wat zijn, in vergelijking met hem, de meest uitgestrekte vastlanden? Het zijn slechts eilanden, die hij met zijn wateren omgeeft. Hij bedekt vier vijfden van den aardbol! Door een soort van onafgebroken omloop—even als een levend schepsel, welks hart bij de evenachtslijn klopt—voedt hij zich zelf met de dampen, die van hem uitgaan. Hij onderhoudt de bronnen, die door de stroomen tot hem wederkeeren, of die in vorm van regen den schoot weer bereiken, waaruit zij geboren werden! Ja, de Oceaan, dat is de onbegrensdheid, de onmetelijkheid, die men niet ziet, maar die men gevoelt, volgens de uitdrukking des dichters, onmetelijk als de ruimte, die hij in zijn wateren weerkaatst!”»Oh! ik hoor u zoo gaarne met die geestdrift spreken, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell, en wezenlijk, »ik deel die geestdrift ten volle! Ja, ik houd evenveel van de zee als gij!”»En zoudt gij niet vreezen haar gevaren te trotseeren?” vroeg Olivier Sinclair.»Neen waarlijk niet, ik zou niet bang zijn! Kan men vrees koesteren voor hetgeen men bewondert?”»Gij zoudt een moedige reizigster zijn!”»Misschien, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell. »In ieder geval, van al de reizen, welker verhalen ik gelezen heb, geef ik de voorkeur aan die, welke ontdekkingen in de verre zeeën tot doel hebben. Hoe dikwijls heb ik die niet in gezelschap met de groote zeevaarders doorgestevend! Hoe dikwijls ben ik niet met hen dat onmetelijk onbekende ingedrongen—wel is waar in de gedachte slechts, maar ik ken, dunkt mij, niets meer benijdenswaardig, dan de levensbestemming van die zeehelden, die zoo groote ontdekkingen deden, zoo groote zaken tot stand brachten!”»Ja, miss Campbell, er is in de geschiedenis der menschheid niets schooner dan die ontdekkingen! Den Atlantischen Oceaan voor de eerste maal met Columbus oversteken; de Stille Zuidzee met Magelaan en Tasman, de Poolzeeën met Parry, Franklin, d’Urville, Heemskerk en zoo veel anderen! Oh! wat een droom! Ik kan geen vaartuig zien vertrekken, of het een oorlog- of een koopvaardijschip of een eenvoudige visscherspink is, zonder dat mijn geheele wezen trilt, zonder dat ik een onmetelijk verlangen in mij voel opkomen, om mij aan boord in te schepen! Ik geloof, dat ik in de wieg gelegd ben, om zeeman te zijn, en dat die loopbaan niet de mijne geworden is, betreur ik dagelijks innig!”»Maar hebt gij minstens op zee gereisd?” vroeg miss Campbell.»Zooveel het mij mogelijk geweest is,” antwoordde Olivier Sinclair.»Ik heb de Middellandsche zee bezocht van af Straat Gibraltar tot de Levantsche stapelplaaten; ik heb den Atlantischen Oceaan een weinig doorkruist tot Noord-Amerika; vervolgens heb ik de Noordelijkezeeën van Europa bevaren, en ik kan er mij op beroemen, dat ik al deze wateren hier ken, die de natuur zoowel aan Engeland als aan Schotland zoo mild verkwist heeft....”»Zoo mild en zoo prachtig, mijnheer Sinclair!”»Ja zeker, miss Campbell, en ik weet geen land te vergelijken met deze streken onzer Hebriden, waartusschen ons stoomschip ons doorvoert! Het is een ware archipel, wel is waar met een minder blauwen hemel dan de Oostersche, maar meer dichterlijk, wanneer hij in zijn geheel genomen wordt met zijn woest rotsgesteente, met zijn nevelachtigen dampkring. De grieksche archipel heeft het licht geschonken aan een heel gezelschap van goden en godinnen. Dat is zoo. Maar gij zult gelieven op te merken, dat het slechts zeer burgerlijke godheden waren, die nog al positief waren uitgevallen, en van een stoffelijk bestaan hielden, en daarbij in weerwil van hun pretmaken, goed aanteekening hielden van de uitgaven. Volgens mij was de Olympus aan een salon gelijk, waarvan de bezoekers, hoewel goden, toch nog al uiteenloopend van stand waren, zoodat het gezelschap wel gemêleerd was. Het was een vergadering van goden die te veel op menschen geleken, wier zwakheden hun aankleefden! Zoo is het niet op onze Hebriden. Die zijn het verblijf van bovennatuurlijke wezens! De scandinavische godheden zijn onstoffelijk, éthérisch, zij hebben ontastbare vormen, maar geen lichamen. Daar is Odin, Ossian, Fingal, in éen woord, de geheele zwerm dier dichterlijke geesten, uit de Sagas-boeken ontsnapt! Wat zijn die figuren schoon, die in onze herinnering te midden der nevelen der poolzeeën, te midden der noordsche sneeuwstormen kunnen te voorschijn getooverd worden! Dat is een meer goddelijke Olympus dan die grieksche poespas. De onze heeft niets aardsch, en zoekt men naar een waardig verblijf voor zulke gasten, dan moeten de Hebriden gekozen worden. Ja, miss Campbell, het zou hier zijn, dat ik onze godheden zou gaan aanbidden, en als echte zoon van ons Oud-Caledonië, zou ik onzen archipel met zijn twee honderd eilanden, zijn met dampen bezwangerd uitspansel, zijn woeste vloedgetijen, die de warmte van den Golfstroom aanbrengen, niet ruilen voor al de eilanden-zeeën van het Oosten!”»En hij behoort ons Schotten der Hooglanden wel toe!” antwoordde miss Campbell, geheel ontvlamd door de vurige geestdrift van den jongen man, »aan ons, Schotten van het graafschap Argyle. Ah! mijnheer Sinclair, evenals gij bemin ik onzen Caledonischen archipel hartstochtelijk! Hij is overheerlijk, en ik bemin die eilandenzee tot in haar woede!”Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)»En die woede is inderdaad verheven!” juichte Olivier Sinclair. »Niets weerstaat het geweld der windvlagen, die er op los stormen, na ongehinderd een ruimte van drie duizend mijl afgelegd te hebben!Het is de Amerikaansche kust, die tegenover de Schotsche kust gelegen is! Wanneer daar, aan de overzij van den Atlantischen Oceaan,de groote stormen ontstaan, dan ontketenen zij hier de aanvallen der aanrollende golven en de huilende winden, die zich op westelijk Europa storten. Maar wat kunnen zij tegen onze Hebriden, die veel stoutmoediger zijn dan die man, van wien Livingstone spreekt, die geen leeuwen vreesde maar die bang was voor den oceaan. Nu, onze eilanden behoeven niet bang te zijn; zij, met hun stevige graniet-grondvesten, kunnen lachen om het geweld van storm en zee!...”»De zee!.... Een scheikundige verbinding van zuurstof met waterstof, met anderhalf percent chloruur van sodium! Niets zoo schoon als de woede van chloruur van sodium!”Miss Campbell en Olivier hadden zich bij het hooren van die woorden, die blijkbaar tot hen gericht waren, en als een antwoord op hun geestdrift klonken, omgekeerd.Aristobulus Beerenkooi stond daar achter hen op de brug.Dat lastige mensch had het verlangen niet kunnen weerstaan, om te gelijkertijd met miss Campbell Oban te verlaten, omdat hij wist dat Olivier Sinclair haar naar Jona begeleidde. Hij had dan ook gezorgd vóór hen aan boord te zijn, en had zich gedurende den geheelen overtocht in het salon opgehouden, en kwam nu naar boven toen het eiland in het gezicht was.De woede van het chloruur van sodium! Welk een wetenschappelijke vuistslag in de droomerijen van Olivier Sinclair en miss Campbell!
XI.Olivier Sinclair.Olivier Sinclair was een »mooi man,” volgens de vroeger gebruikelijke uitdrukking in Schotland, wanneer van flinke, behendige en vlugge jongelieden gesproken wordt. Maar die uitdrukking was hier niet alleen toepasselijk op het innerlijke, maar ook op het uiterlijke van den jonkman.Laatste afstammeling uit een achtenswaardige familie van Edinburg, was deze jeugdige spruit uit het Noordsch Athene, de zoon van een ouden raadsheer in de hoofdstad van Mid-Lothian. Al vroeg ouderloos, was hij opgevoed geworden door zijn oom, een der vier baljuws van het stedelijk bestuur, en had zeer goede studiën aan de Hooge School gemaakt. Toen hij twintig jaar oud was, en ten gevolge van een matig fortuin geheel onafhankelijk, voelde hij den wensch opkomen, om de wereld te zien, en bezocht dientengevolge de voornaamste staten van Europa, van Indië en van Amerika, en nam de beroemdeRevue van Edinburgherhaaldelijk volgaarne zijn reis-aanteekeningen in hare kolommen op. Hij was een verdienstelijk schilder, die, wanneer hij slechts wilde, voor zijn werken hooge prijzen zou kunnen verwerven, en was ook dichter op zijn tijd. Wie is dat niet in dien zaligen leeftijd der jeugd, waarin alles iemand toelacht? Hij had een warm hart, daarenboven een kunstenaarsziel, en behaagde iedereen, zonder moeite daarvoor te doen en zonder opgeblazenheid.In de hoofdstad van Oud-Caledonië is het niet moeielijk in het huwelijk te treden. Want de getal-verhoudingen der beide geslachten zijn daar zeer ongelijk, en het zwakkere staat, wat getalsterkte aangaat, ver boven het sterkere. Een goed onderwezen en opgevoed, beminnelijk jongmensch, van een aangenaam uiterlijk, kan daar meer dan één rijke erfdochter naar zijn smaak aantreffen.Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).En toch scheen Olivier Sinclair, hoewel hij reeds zes en twintig jaar oud was, nog geen roeping voor het huwelijksleven te gevoelen. Kwam hem het levenspad te nauw voor om dit, elleboog tegen elleboog gesloten, af te wandelen? Voorzeker neen, maar het is meer waarschijnlijk, dat hij er meer van hield de dwars- of zijwegen in te slaan, volgens zijn luim voort te schrijden, een luim die met zijnkunstenaarszielwel eens grillig kon genoemd worden.Het voorkomen van Olivier Sinclair was echter wel geschikt, om nog meer dan enkel een gevoel van overeenstemming bij de een of anderejonge blonde dochter van Schotland op te wekken. Zijn elegante leest, zijn open gelaat, zijn vrijmoedig uiterlijk, zijn mannelijke wezenstrekken, die van veel wilskracht getuigden, hoewel de oogopslag van zachtmoedigheid sprak, de bevalligheid zijner bewegingen, de voornaamheid zijner manieren, de gemakkelijke en geestige wijze om zich uit te drukken, de ongedwongenheid van zijn gang, de glimlach, die hem om de lippen speelde, dat alles in één woord moest een jeugdig hart tot hem aantrekken. Hij giste al die voordeelen niet, was volstrekt niet verwaand of kwasterig, en dacht er niet aan zijn bestaan aan een ander vast te ketenen. Maar niet alleen dat zijn uiterlijk een zoo gunstige waardeering bij den vrouwelijken Clan van »Auld Reeky”1ondervond, hij was ook zeer gezien bij de gezellen zijner jeugd, bij zijn medestudenten van de Hoogeschool, en had, volgens de overschoone gaëlische uitdrukking, den naam verworven, van »nimmer den rug naar vriend of vijand toe te keeren.”Evenwel moet erkend worden, dat hij juist dien dag bij den aanval den rug naar miss Campbell toekeerde. Het is waar, miss Campbell was noch zijn vijandin noch zijn vriendin. Op de plaats, die hij innam, had hij dan ook den bal onmogelijk kunnen zien aankomen, die door het jonge meisje zoo heftig was voortgestuwd. Zoo kon het gebeuren, dat die nieuwe soort granaat het doek in het volle midden trof en het geheele schilderstoestel het onderste boven wierp.Reeds bij den eersten blik had miss Campbell haren »held” van de Corryvrekan-kolk herkend, maar de held kon onmogelijk de jeugdige passagieres van deGlengarryherkennen. Ter nauwernood had hij miss Campbell bij het einde van den overtocht van het eiland Scarba naar Oban aan boord ontwaard. Indien hij evenwel geweten had, welk persoonlijk aandeel zij aan zijn redding genomen had, dan zou hij haar, al was het maar uit beleefdheid, van harte bedankt hebben: maar hij wist het niet, en waarschijnlijk zou hij daaromtrent altijd onkundig blijven.Want inderdaad, dien zelfden dag verbood—ja, dit is het woord—verbood miss Campbell uitdrukkelijk, zoowel aan hare ooms als aan juffrouw Bess, alsook aan Partridge, ooit in tegenwoordigheid van dien jonkman, eenige toespeling te maken op hetgeen vóór en na de redding aan boord van deGlengarrywas voorgevallen.Middelerwijl hadden de gebroeders Melvill na dat ongelukkig toeval met den bal, zich bij hunne nicht vervoegd, en waren zoo mogelijk nog meer uit het veld geslagen dan het jonge meisje. Zij begonnen met verontschuldigingen te stamelen jegens den jongen schilder, toen deze hen in de rede viel, zeggende:»Mejuffrouw... Mijnheeren... ik verzeker u, dat het zoo veel woorden niet waard is!”»Mijnheer...” zei broeder Sib met aandrang. »Wij zijn waarlijk ontsteld....”»En wanneer de ramp onherstelbaar is, zooals het zich laat aanzien ....” voegde Sam er bij.»Het is slechts een klein ongeluk en geen ramp!” antwoordde de jonkman lachende. »Het was slechts kladwerk, anders niet: ik verzeker het u. De bal heeft volkomen gerechtigheid gepleegd!”Olivier Sinclair sprak die woorden zoo welgemoed uit, dat de gebroeders Melvill hem gaarne dadelijk de hand zouden gereikt hebben, wanneer dat zoo zonder voorafgaande plichtpleging had kunnen geschieden. Nu meenden zij verplicht te zijn de een aan den anderen voor te stellen, zoo als dat onder fatsoenlijke lieden betaamt.»Mijnheer Samuel Melvill,” zei de een.»Mijnheer Sebastiaan Melvill,” zei de ander.»En hunne nicht, miss Campbell,” voegde Helena er bij, die zich er niet om bekreunde of zij wellicht ook de welvoegelijkheid te kort deed, door zich zelve voor te stellen.Dat was een uitnoodiging tot den jonkman gericht, om ook zijn namen en kwaliteit bekend te maken.»Miss Campbell en mijn heeren Melvill,” sprak hij met den meest mogelijken ernst, »ik zou kunnen volstaan met te zeggen, dat ik »Fock” heet, zoo als een der piketpaaltjes van uw spel, daar ik door den bal ben aangeraakt geworden. Maar openhartig, ik heet Olivier Sinclair.”»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, die niet recht wist, hoe zij dit antwoord moest opvatten. »Nogmaals bied ik u mijn verontschuldiging aan voor...”»En de onze ook,” riepen de gebroeders Melvill.»Miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik herhaal dat het niets te beduiden heeft. Ik zocht een effect van deinende golven op het doek te brengen, en het is waarschijnlijk dat uw bal, even als de spons van ik weet niet meer welken schilder der oudheid, het gezochte effekt heeft te weeg gebracht, wat mijn penseel niet kan bereiken.”Dat werd op zoo’n vriendelijken toon gezegd, dat miss Campbell en de gebroeders Melvill moesten lachen.Olivier Sinclair raapte het doek op, dat evenwel geheel onbruikbaar gemaakt was. Hij moest dus opnieuw beginnen.Het zal niet overbodig zijn op te merken, dat Aristobulus Beerenkooi zich weerhouden had, aan de wisseling van die verontschuldigingen en beleefdheidsvormen deel te nemen.De partij was geëindigd en de jeugdige geleerde was nijdig, dat hij zijn theoretische kennis niet in overeenstemming met zijn practische bekwaamheid had kunnen brengen. Hij nam afscheid om weer naar zijn hotel terug te keeren; men zou hem in drie, vier dagen niet ziet, want hij vertrok naar het eiland Luing, een der kleine Hebriden, dat ten zuiden van het eiland Seil gelegen was, en alwaar hij uit een geologisch oogpunt de rijke leigroeven wilde bestudeeren.Hij kon zich dus niet overgeven aan zijn uitleggingen over de projectielen-baan, wat hij voorzeker zou gedaan hebben, wanneer de gelegenheid zich daartoe had voorgedaan.Olivier Sinclair vernam toen, dat hij niet geheel en al een onbekende was voor de gasten van Caledonian Hotel, en hij werd vervolgens op de hoogte gebracht omtrent de bizonderheden van den overtocht derGlengarry.»Wat, miss Campbell, en gij mijn heeren!” riep hij uit, gij waart aan boord van dat stoomschip, hetwelk mij zoo juist van pas opgevischt heeft?”»Ja, mijnheer Sinclair.”»En gij hebt ons wel angstig gemaakt,” zei broeder Sib,»toen wij door een groot toeval uw schuitje ontwaarden, als verloren te midden van den maalstroom van de Corryvrekan-kolk.”»Neen, geen toeval maar goddelijke bestiering,” zei broeder Sam, »en waarschijnlijk zonder de tusschenkomst van....”Door een teeken gaf miss Campbell te kennen, dat zij niet als redster wenschte op te treden. De rol van onze lieve Vrouw der Schipbreukelingen zou zij nimmer willen vervullen.»Maar mijnheer Sinclair, hoe kon die oude visscher, die u vergezelde, zoo onvoorzichtig zijn,” vroeg broeder Sam,»om zijn vaartuig in die vreeselijke stroomingen te sturen?....”»Welker gevaren hij toch moest kennen, daar hij in deze streken te huis hoort?” vulde broeder Sib aan.»Schort uw oordeel, heeren Melvill,”antwoorddeOlivier Sinclair. »de onvoorzichtigheid kwam van mijn kant, en is mij alleen te wijten. Een oogenblik vreesde ik, dat ik oorzaak van den dood van dien braven kerel zou zijn! Maar er waren zulke wonderlijke kleuren op de oppervlakte van die keerstroomingen, waar de zee aan een onmetelijk kantwerk gelijk was, uitgespreid op een blauwzijden ondergrond! En zonder er gevaar in te zien, naderde ik al meer en meer, om te midden van dat lichtend schuim eenige nieuwe schakeeringen op te vangen. En ik ging al meer en meer vooruit, steeds vooruit. De oude visscher bespeurde het gevaar wel, hij hield mij vertoogen, hij wilde naar de kust van het eiland Jura terugkeeren; maar ik had er geen ooren naar, totdat ons vaartuig in den stroom geraakte en onweerstaanbaar naar de kolk gesleept werd. Wij wildendie aantrekkingskracht weerstand bieden!.... Mijn makker werd door een golf gewond, en kon mij dus niet meer helpen, en ongetwijfeldzonder de aankomst van deGlengarry, zonder de toewijding van haren kapitein, zonder de menschlievendheid der passagiers zouden wij, mijn visscher en ik, reeds tot de legende behooren, en onze namen op de doodenlijst van de Corryvrekan-kolk prijken!”De vlugge Pioneer stevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)De vluggePioneerstevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)Miss Campbell had, zonder een woord te laten ontsnappen, den jonkman aangehoord. Verscheidene malen vestigde zij haar schoone oogen op hem. Hij van zijn kant vermeed haar met zijn blikken te hinderen. Zij kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij zijn jacht, of beter zijn visscherij op zeeschakeeringen schetste. Vervolgde zij ook niet een dergelijk droombeeld, wel is waar minder gevaarlijk? Was de jacht op den groenen Straal ook niet een jacht op een schakeering, niet der zee maar van het luchtgewelf? Zelfs de gebroeders Melvill maakten er de opmerking van en verhaalden het motief, dat hen naar Oban gevoerd had, namelijk de waarneming van een natuurverschijnsel, waarvan men den aard aan den jongen schilder mededeelde.»De Groene Straal!” riep Sinclair uit.»Zoudt gij hem reeds gezien hebben, mijnheer?” vroeg het jonge meisje levendig. »Zoudt gij hem reeds gezien hebben?”»Neen, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik weet zelfs niet of er ergens een Groene Straal bestaat! Neen, waarlijk niet! Welnu, ook ik wensch hem thans te zien. De zon zal geen enkele maal meer achter de kim wegduiken, zonder dat ik daarvan getuige zal zijn! En ik zweer bij Sint Dunstan! dat ik geen ander groen op mijn palet zal gebruiken, dan het groen van dien laatsten straal!”Het was moeilijk uit te maken, of Olivier Sinclair hier niet een weinig spot bedoelde, of dat hij zich door zijn kunstzin liet vervoeren. Een geheime stem fluisterde miss Campbell toe, dat de jonkman niet spotte.»Mijnheer Sinclair,” sprak zij, »de Groene Straal is mijn eigendom niet. Hij schittert voor iedereen! Hij verliest niets in waarde, omdat hij zich aan verschillende belangstellenden te gelijkertijd vertoont. Wij zouden dus kunnen trachten hem samen te zien.”»Zeer gaarne, miss Campbell!”»Maar, gij zult zeer veel geduld moeten oefenen.”»Welnu, dat zullen wij! Wij zullen....”»Niet mogen vreezen om pijn aan de oogen te krijgen,” zei broeder Sam.»Mij dunkt dat de Groene Straal wel waard is, dat er aan te wagen,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ik zal Oban niet verlaten, zonder hem gezien te hebben, dat beloof ik.”»Wij zijn reeds naar het eiland Seil gegaan, om dien Straalwaartenemen, maar een klein wolkje benevelde de kim, juist op het oogenblik toen de zon onderging.”»Dat was een ware noodlottigheid!”»Ja, inderdaad een noodlottigheid, mijnheer Sinclair; want sedert dien dag hebben wij geen volmaakt helderen dampkring meer gehad.”»Wij moeten den moed niet laten zakken, miss Campbell. De zomer is nog niet ten einde en voor dat het kwade seizoen zal ingetreden zijn, zal de zon wel de mildheid hebben ons haren Groenen Straal te vertoonen, weest daar verzekerd van.”»Moet ik u alles bekennen, mijnheer Sinclair?” hernam miss Campbell. »Welnu, wij zouden in den avondstond van den 2denAugustus dien Groenen Straal zeker op de kim van de Corryvrekan kolk hebben kunnen waarnemen, wanneer onze aandacht niet ware afgeleid door een zekere redding....”»Wat, miss Campbell, ik zou lomp genoeg geweest zijn om in zoo’n oogenblik uw blikken af te leiden! mijn dwaze onvoorzichtigheid komt u den Groenen Straal te staan. Maar dan moet ik u verontschuldiging aanbieden, en ik betuig u hiermede mijn leedwezen over die ontijdige verschijning van mijn persoon! Wees verzekerd, dat het niet weer zal gebeuren.”En men keuvelde over koetjes en kalfjes, terwijl men naar het Caledonian Hotel terug wandelde, waarin ook Olivier Sinclair zeer toevallig den vorigen avond, bij zijn terugkeer van een uitstapje in de omstreken van Dalmaly, zijn intrek had genomen. Het jonge mensch, wiens ronde manieren en wiens aanstekelijke opgeruimdheid de gebroeders Melvill volstrekt niet mishaagden, kwam in den loop van het gesprek er toe om van Edinburg en van zijn oom den baljuw Patrick Oldimer te praten. Toen bleek het, dat de gebroeders Melvill vroeger gedurende eenige jaren met den baljuw Oldimer hadden omgegaan. Weleer hadden vriendschappelijke banden tusschen de beide familiën bestaan, die alleen door den verren afstand van elkander gestaakt waren geworden. Men was elkander dus niet meer vreemd. Olivier Sinclair ontving dan ook de uitnoodiging om de vriendschapsbanden met de Melvills te vernieuwen, wat hij gaarne deed, vooral omdat er geen enkele reden bestond, om zich elders dan te Oban te vestigen. Hij verklaarde dan ook, dat hij er blijven wilde, om deel te nemen aan de opsporing van den befaamden Straal.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij ontmoetten elkander veelvuldig op het strand van Oban in de daarop volgende dagen. Te zamen deden zij waarnemingen omtrent de vermoedelijke weersveranderingen. Tien keeren op een dag raadpleegden zij den barometer, die wel eenige neiging tot stijgen vertoonde. En waarlijk, in den morgen van den 14denAugustusoverschreed de beminnenswaardigewijzer van het instrument dertig duim en zeven tiende.Met welk gevoel van tevredenheid bracht Olivier Sinclair die goede tijding aan miss Campbell! De hemel was helder en rein als het oog eener madonna. Een fraai azuur tintte het uitspansel, zacht overgaande in de meest uiteenloopende nuanceeringen van af het indigo- tot het ultramarijn-blauw! Geen enkele damp van hygrometrischen aard was te bespeuren. Het vooruitzicht bestond, dat de avond overheerlijk zou zijn, en dat men een zonsondergang zou genieten, zoo scherp zuiver, als de sterrenkundigen van eenige sterrenwacht zouden kunnen verlangen!»Als wij nu bij zonsondergang onzen straal niet zien zullen, dan moeten wij blind zijn!” zei Olivier Sinclair.»Hoort gij, waarde oompjes!” zei miss Campbell. »Hoort gij wel, het zal van avond plaats hebben!”Men kwam overeen dat men vóór het diner naar het eiland Seil zou vertrekken, wat dan ook tegen ongeveer vijf uur geschiedde.Miss Campbell zat overgelukkig met den niet minder gelukkigen Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, die zich ook al vroolijk en tevreden gevoelden in het rijtuig, dat hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. Men zou waarlijk kunnen beweren, dat zij de zon met zich op den bok van het rijtuig voerden, en het vierspan, dat flink voortspoedde, de vurige paarden van Apollo, den god des dags, waren!Op het eiland Seil aangekomen, hadden de reeds bij voorbaat verrukte waarnemers een gezichteinder voor zich, waarvan de helderheid door niets bevlekt werd. Zij kozen tot waarnemingspost het uiteinde van een zeer smalle kaap, die zich een mijl ver in zee uitstrekte en twee kleine inhammen in de kust van elkander scheidde. Niets kon daar over een vierde gedeelte van den gezichtseindersboog het panorama van het westen belemmeren.»Hij kan ons dus niet ontsnappen, die grillige straal, die zoo veel preutschheid aan den dag legt om zich te laten zien,” zei Olivier Sinclair.»Dat geloof ik ook,” antwoordde broeder Sam.»En ik ben er zeker van,”vulde broeder Sib aan.»En ik hoop het,” uitte miss Campbell, terwijl zij den vlekkeloozen hemel en de zee beschouwde, die zich daar eenzaam voor haar uitstrekte. Waarlijk, alles kondigde aan dat het natuurverschijnsel zich bij zonsondergang in al zijn pracht zou vertoonen. Reeds daalde de schitterende dagvorstin langs een schuine lijn, en bevond zich nog slechts weinige graden boven den horizon. Haar roode schijf tintte den achtergrond van het uitspansel gelijkmatig als met vuur en trok een lange verblindende streep over de oppervlakte van het kalme water der zee.De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)Allen stonden daar opgetogen over dat fraaie gezicht, de verschijningaf te wachten, en zagen de zon, die langzaam, aan een overgrooten luchtsteen gelijk, onderdook. Plotseling ontsnapte een onwillekeurigekreet aan miss Campbell, die met een angstigen uitroep, door de gebroeders Melvill en door Olivier Sinclair uitgestooten, beantwoord werd.Een sloep kwam van achter het eilandje Eastdale, dat in de nabijheid als aan den voet van het eiland Seil gelegen is. Die sloep stevende langzaam westwaarts. Haar zeil, als in een vuurscherm gevat, stak helder boven de kim uit. Zou dat nu de zon gaan bedekken, juist op het oogenblik, dat zij zou ondergaan?Het was hier een kwestie vanseconden. Men kon niet meer terug, om rechts of links een andere waarnemingsplek te kiezen, ten einde de zon weer ongehinderd te kunnen aanschouwen. Daartoe was geen tijd meer, de geringe oppervlakte der kaap liet niet toe zich zoover te bewegen om weer in de as der zon te geraken.Miss Campbell was wanhopig over dien tegenspoed. Zij liep heen en weer over de rotsen, terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren de aandacht van den opvarende dier sloep tot zich zocht te trekken, en zoo hard hij kon schreeuwde, dat zij hun zeil zouden strijken.Alles te vergeefs. Men zag hem niet en men kon hem onmogelijk hooren. De sloep, door een zachte bries voortgestuwd, stevende steeds westwaarts op.Juist toen de bovenrand der zonneschijf zou verdwijnen, gleed het zeil der sloep tusschen haar en de toeschouwers, en werd zij door datondoorzichtbaartrapezium bedekt.Dat was een ware teleurstelling! Ditmaal had de Groene Straal te midden van die zuivere kim geschitterd. Hij was evenwel afgestuit op dat lompje zeil, zonder het voorgebergte te kunnen bereiken, alwaar zoo vele blikken hem gretig bespiedden.Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill stonden daar als versteend op die plek, teleurgesteld als zij waren, en meer verbitterd dan zulk een ongelukkig toeval eigenlijk wel waard was. Zij vergaten werkelijk heen te gaan, en verwenschten dat vaartuig en de personen die er in waren.De sloep legde evenwel aan in een kleine kreek van het eiland Seil, die zich aan den voet van het voorgebergte bevond.Een passagier sprong daaruit in dit oogenblik, en liet aan boord twee zeelieden, die hem van het eiland Luing langs den weg der volle zee overgevoerd hadden. Hij naderde langs het strand en beklom de voorste rotsen, met het doel om het uiteinde der kaap te bereiken.De onwelkome gast had voorzeker de groep waarnemers, die op het plat van het voorgebergte stond, herkend; want hij groette de aanwezigen met een gebaar dat een zekere gemeenzaamheid verried.»Mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell.»Hij! was hij het?!” riepen de gebroeders Melvill.»Wie kan die mijnheer zijn?” dacht Olivier Sinclair.Ja, het was Aristobulus Beerenkooi in persoon, die een wetenschappelijk uitstapje, dat verscheidene dagen geduurd had, naar het eiland Luing had gemaakt.Het zal wel onnoodig zijn te zeggen, hoedanig hij verwelkomd werd door hen, wier dierbaarsten wensch hij in zijn vervulling had verijdeld.Broeder Sam en broeder Sib vergaten in zooverre de welvoegelijkheid, dat zij er zelfs niet aan dachten Olivier Sinclair aan Aristobulus Beerenkooi voor te stellen. Zij sloegen beiden de oogen neer en vermochten tegenover Helena’s ontevredenheid den blik niet te slaan op dien aanstaande hunner keuze.Miss Campbell, de kleine handjes te zamen geknepen, de armen over de borst gekruist, keek hem aan met bliksemende oogen, zonder een woord te spreken. Eindelijk na een poos ontsnapten deze woorden aan haren mond:»Mijnheer Beerenkooi, gij hadt kunnen nalaten zoo van pas te komen om een onhandigheid te bedrijven.”1Auld Reeky beteekent oude berookte, en is een bijnaam van Edinburg.XII.Nieuwe plannen.De terugtocht naar Oban werd onder veel minder aangename omstandigheden volbracht dan de heenreis naar het eiland Seil. Men was vertrokken in den waan van een goeden uitslag te verkrijgen en men kwam terug onder den invloed eener teleurstelling.Kon de tegenspoed, die miss Campbell ondervond, door iets gelenigd worden, dan was het dat hij door Aristobulus Beerenkooi veroorzaakt was. Zij had het recht dien grooten schuldige met verwijten te overladen, en hem de uitwerksels van haren toorn te doen gevoelen. En zij maakte van dat recht gebruik. De gebroedersMelvillzouden het niet gewaagd hebben, hem bij haar te verontschuldigen. Neen! het vaartuig van dien lomperd, waaraan niemand zijn aandacht geschonken had, was gekomen juist op het oogenblik, dat de zon haar laatsten straal schoot, om den horizon voor de waarnemers te bedekken! Ziet, dat zijn van die zaken, die niet vergeten kunnen worden!Het behoeft niet gezegd, dat Aristobulus Beerenkooi die, na die lompheid, zich nog een spotternij met betrekking tot den GroenenStraal veroorloofd had, weer in zijn sloep was gestapt, om naar Oban terug te zeilen. En hij had daarin zeer wijselijk gehandeld; want meer dan waarschijnlijk zou men hem geen plaats in dekalès, zelfs niet in het bakje van achteren, aangeboden hebben.Zoo had dus de Zonsondergang tweemaal plaats gehad, onder omstandigheden, waarbij de waarneming van het natuurverschijnsel een onmogelijkheid bleek. Reeds twee maal had de vurige blik van miss Campbell zich te vergeefs blootgesteld aan de schitterende liefkoozingen der dagvorstin, die een beneveling van haar gezicht voor den duur van eenige uren veroorzaakten! Eerst had de redding van Olivier Sinclair, nu de voorbijtocht van Aristobulus Beerenkooi haar een gelegenheid doen missen, die zich wellicht in langen tijd niet weer zou voordoen! In beide gevallen waren, wel is waar, die verhinderende omstandigheden niet gelijk geweest, waardoor zij den eenen met zooveel vuur verontschuldigde, als zij den andere hard viel. Wie zou den moed hebben, haar van partijdigheid te betichten?Den volgenden ochtend wandelde Olivier Sinclair, in zijn droomerijen verzonken, op het strand te Oban.Wie was toch die mijnheer Aristobulus Beerenkooi! Een bloedverwant van miss Campbell en der gebroeders Melvill? Of slechts een vriend? In ieder geval was het toch een bekende in huis, dat was wel op te maken uit de wijze waarop miss Campbell zich aan haar verwijtingen over zijn onhandigheid overgegeven had. Welnu wat kon hem, Olivier Sinclair, dat schelen? Wanneer hij wilde weten waaraan zich daaromtrent te houden, dan had hij immers slechts broeder Sam of broeder Sib te ondervragen.... Maar dit was het juist wat hij wenschte te vermijden en wat hij dan ook niet deed.Toch ontbraken hem de gelegenheden daartoe niet; want iederen dag ontmoette hij de twee broeders, die steeds te zamen wandelden; want niemand kon er zich op beroemen ooit den eenen zonder den anderen ontmoet te hebben. Somtijds begeleidden zij hunne nicht bij haar wandelingen op het strand. Men keuvelde over duizenderlei zaken, maar voornamelijk over het weer, hetgeen bij de gegeven omstandigheden en personen precies geen onderwerp genoemd kan worden, om over te praten zonder iets te zeggen. Zou men ooit nog in dit seizoen een dier kalme avonden beleven, wier terugkeer men bespiedde om weer naar het eiland Seil te gaan? Het was te betwijfelen. Want inderdaad, sedert die twee prachtige avonden van den 2denen den 14denAugustus, heerschte slechts ongestadig weer, vertoonden zich slechts onweerswolken; de warmte veroorzaakte dichte dampen bij de kim, die door electriciteitsontladingen verscheurd werden, en zoo die niet den gezichteinder bedekten, dan waren het dichte avondnevels, in een woord, het alleste zamen was wel geschikt om een leerling in de sterrenkunde diezich aan zijn kijker vastklemt en van een herziening van de hemelkaart droomt, tot vertwijfeling te brengen!Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)Waarom niet ronduit bekennen, dat de jonge schilder nu even zoo verzot op den Groenen Straal was als miss Campbell? Hij had dat stokpaardje in gezelschap van dat schoone lieve meisje bestegen. Hij dwaalde thans met haar in de onmetelijke uitgestrektheid van het luchtruim rond. Hij koesterde die gril met niet minder vuur, om niet te zeggen: met niet minder ongeduld dan zijn jeugdige gezellin. Oh! hij was geen Aristobulus Beerenkooi, wiens brein verloren was in de nevelachtige hoogten en diepten der hoogere wetenschap en koesterde geen geringschatting voor een eenvoudig optisch natuurverschijnsel. Beiden begrepen elkander en beiden verlangden tot die zeldzaam bevoorrechte wezens te hooren, die door de verschijning van den Groenen Straal vereerd zouden worden.»O! wij zullen hem zien, miss Campbell,” herhaalde Olivier Sinclair, »wij zullen hem zien, al moest ik hem zelf gaan ontvonken! Want goed gerekend, is het mijn schuld, dat hij u dien eersten keer ontsnapte, en ik ben net zoo schuldig, als die mijnheer Beerenkooi.... uw bloedverwant.... geloof ik?”»Neen.... mijn verloofde.... zoo als het schijnt,” antwoordde dien dag miss Campbell in de grootste verwarring, terwijl zij zich met eenigen spoed verwijderde, om zich bij haar ooms te voegen, die te zamen iets vooruit kuierden en elkander een snuifje aanboden.Haar verloofde! De uitwerking door dat eenvoudig antwoord, maar nog meer door den toon, waarop het gegeven werd, op Olivier Sinclair te weeg gebracht, was merkwaardig! Welnu, wat zou dat? waarom zou dat jeugdige pedante wezen haar verloofde niet zijn? Onder die omstandigheden kon ten minste zijn tegenwoordigheid te Oban verklaard worden. Dat hij zoo onbehendig geweest was, om zijn persoon tusschen de ondergaande zon en miss Campbell te plaatsen, daaruit volgde nog niet... Wat volgde daar niet uit? Waarachtig, Olivier Sinclair zou wel verlegen gestaan hebben, wanneer hij die vraag had moeten beantwoorden.Na twee dagen afwezig geweest te zijn, was Aristobulus Beerenkooi intusschen weer te voorschijn gekomen. Olivier Sinclair zag hem verscheidene malen, als hij in gezelschap der gebroeders Melvill wandelde, die hem geen kwaad hart hadden blijven toedragen. Hij scheen goed bevriend met hen te zijn. De jeugdige geleerde en de jeugdige artist hadden elkander reeds herhaaldelijk, hetzij op het strand, hetzij in de salons van het Caledonian-Hôtel ontmoet. Eindelijk waren de twee ooms er toe overgegaan hen aan elkander voor te stellen.»Mijnheer Aristobulus Beerenkooi, van Dumfries!”»Mijnheer Olivier Sinclair, van Edinburg!”Die plichtpleging had den beiden jongelieden een middelmatigengroet gekost, een van die eenvoudige hoofdbuigingen, waaraan het lichaam in een bovenmatige stijve houding geen deel neemt. Klaarblijkelijk zou nimmer eenige sympathie tusschen die twee uiteenloopende karakters geboren worden. De een verdiepte zichin ’s Blaue hinein, alsof hij sterren wilde plukken; de andere beijverde zich, de loopbanen van die sterren te berekenen; de een als artist zocht geen wetenschappelijken roem te verwerven, de andere vervaardigde zich van de wetenschap een voetstuk, waarop hij de houding van een beroemd man aannam.Wat miss Campbell aangaat, zij mokte tegen Aristobulus Beerenkooi. Was hij in de nabijheid, dan deed zij of zij zijn tegenwoordigheid niet bemerkte; ging hij voorbij, dan wendde zij zichtbaar het hoofd af. In één woord, zij bejegende hem met al de stijfheid der Britsche vormelijkheid. De gebroeders Melvill gaven zich veel moeite om weer goed te maken, wat het schoone kind bedierf. Volgens hun meening zou dat alles wel weer te recht komen, vooral wanneer die grillige straal zich maar wilde vertoonen.In afwachting daarvan nam Aristobulus Beerenkooi Olivier Sinclair met scherpen blik op, over zijn brilleglazen heen. Dat is een zeer gewone wijze van handelen bij de kortzichtigen, die steeds willen waarnemen en zien, zonder er den schijn van te hebben. En wat nam hij waar? De overgroote zucht van den jonkman om zich in de nabijheid van miss Campbell te bevinden, het vriendelijk onthaal, dat het jonge meisje hem bij iedere gelegenheid bereidde. Dit alles stond hem voorzeker niet aan. Maar aan zijn bekoorlijkheden niet twijfelende, was hij niet ongerust, en hield zich op den achtergrond.Bij den ongestadigen dampkring, bij den barometer, welks wijzer geen rustpunt kon vinden, en zich slechts in de nabijheid van »veranderlijk” bewoog, werd aller geduld wel op een harde proef gesteld. Er werden nog twee of drie uitstapjes naar het eiland Seil ondernomen, in de hoop om, al was het maar voor weinige oogenblikken, bij zonsondergang een geheel wolkeloozen horizon aan te treffen. Het was vergeefsche moeite! Het eenige wat de teleurstelling lenigde, was dat Aristobulus Beerenkooi er geen deel aan nam. Zoo werd het 23 Augustus, zonder dat het luchtverschijnsel de moeite genomen had, zich te vertoonen.Toen werd die gril een allesbeheerschend denkbeeld, dat ieder ander uitsloot. Het had er wel wat van of onze bekenden bezeten waren. Zij droomden er dag en nacht van en wel zoo, dat er voor een nieuwe soort monomanie gevreesd werd, en dat in een tijd dat die soorten reeds ontelbaar zijn. Onder dien geestesdwang, veranderden alle kleuren in een eenige: de blauwe hemel scheen groen, de wegen waren groen, het strand was groen, de rotsen waren groen, het water en de wijn waren zelfs groen als absinth. De gebroedersMelvill verbeeldden zich, dat zij in het groen gekleed waren, en zagen elkander voor groote groene papegaaien aan, die groene snuif uit een groene snuifdoos snoven. In één woord was het een groene waanzin! Zij waren allen met een soort daltonisme geslagen, en de professoren in oog- en gezichtkunde zouden daar een heerlijk onderwerp aangetroffen hebben, om zeer belangrijke behandelingen in hun oogheelkundige werken op te nemen. Dat kon niet lang meer zoo duren.Olivier Sinclair kwam gelukkig op een gedachte.»Miss Campbell,” zei hij dien dag, »en gij heeren Melvill, vergeeft mij, maar mij dunkt, dat wij, alles wel beschouwd, zeer slecht te Oban zijn om het natuurverschijnsel in kwestie waar te kunnen nemen.”»Aan wien de schuld?” vroeg miss Campbell, waarbij zij met strengen blik de beide misdadigers monsterde, die de oogen verlegen neersloegen.»Hier te Oban is geen zeehorizon!” hernam de jonge schilder. »Vandaar de verplichting om dien op het eiland Seil te gaan opzoeken, op gevaar af om er niet te zijn, wanneer wij er wezen moesten!”»Dat ’s helder als de dag!” antwoordde miss Campbell. »Inderdaad, ik begrijp niet, waarom mijn ooms juist dit verschrikkelijk oord voor onze waarneming gekozen hebben!”»Waardste Helena!” prevelde oom Sam, die in zijn verlegenheid eigenlijk niet wist wat te antwoorden. »Wij hadden gedacht....”»Ja.... wij hadden.... hetzelfde gedacht....” vulde broeder Sib aan, alsof hij hem te hulp wilde komen.»Dat de zon zich verwaardigen zou, ook ten aanschouwe van Oban, in de golven onder te gaan....”»Daar Oban toch aan den zeeoever gelegen is!”»Dat alles hebben mijn ooms slecht bedacht,” antwoordde miss Campbell, »zeer slecht bedacht, daar de zon, zooals gij ziet, er niet in zee ondergaat.”»Waarlijk!” hernam broeder Sam. »Er doen zich van die ongelukseilanden voor, die den gezichtskring beperken!”»Gij hadt toch het plan niet om die eilanden te doen springen....?” vroeg miss Campbell.»O! als dat mogelijk was geweest, zou het reeds geschied zijn!” antwoordde broeder Sib op vastberaden toon.»Wij kunnen toch op het eiland Seil niet gaan kampeeren!” merkte broeder Sam op.»En waarom niet?”»Waarde Helena, als ge dat volstrekt wilt....”»Ja, volstrekt!”»Kom, laten wij dan vertrekken!” antwoordden broeder Sam en broeder Sib met gelatenheid.En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)En die beide goedige onderworpen wezens verklaarden, dat zij gereedwaren om dadelijk Oban te verlaten. Maar Olivier Sinclair kwam tusschen beiden.»Miss Campbell,” zei hij, »veroorloof mij, dat ik in meening met u verschil. Er valt heel wat beters te doen, dan zich op het eiland Seil te gaan vestigen.”»Spreek, mijnheer Sinclair, en wanneer uw raad beter is, dan zullen mijn ooms niet weigeren hem op te volgen, daarvan ben ik verzekerd.”De gebroeders Melvill maakten een hoofdbuiging, die zóó volmaakt gelijktijdig was, dat die twee ooms nooit meer op elkander geleken dan in dat oogenblik.»Het eiland Seil,” hernam Olivier Sinclair, »is waarlijk niet geschikt om er te kunnen wonen, al was het maar voor weinige dagen. Zijt gij in de noodzakelijkheid om geduld te oefenen, miss Campbell, dan behoeft gij dat toch niet ten koste van uw welzijn te doen. Ik heb bovendien opgemerkt, dat ook te Seil de gezichteinder door de gesteldheid der kusten eenigermate beperkt is. Wanneer wij tegen aller verwachting langer moeten wachten dan wij hopen, wanneer ons verblijf tot eenige weken zou moeten aangroeien, zou de zon, die thans meer en meer naar het zuiden afzakt, achter het eiland Colonsay of achter het eiland Oronsay of zelfs achter het groote Islay ondergaan, en zou onze waarneming ook door gebrek aan een voldoende kim even onmogelijk worden.”»Waarlijk,” zei Miss Campbell, »dat zou de genadeslag moeten heeten!”»Maar dien kunnen wij ontgaan, wanneer wij een oord opzoeken, buiten den Hebriden-archipel gelegen, een oord, dat de onmetelijkheid van den geheelen Atlantischen Oceaan voor zich heeft.”»Kent gij zoo’n oord, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell met levendigheid.De gebroeders Melvill hingen aan de lippen van den jonkman. Wat ging hij antwoorden? Waarheen voor den drommel zou die gril hunner nicht hen bij slot van rekening voeren? Op welke uiterste grens van de beschaafde wereld zouden zij zich moeten vestigen, om aan dat vreemde verlangen te voldoen?Olivier Sinclair stelde hen al dadelijk gerust, althans voorshands.»Er bestaat een oord, miss Campbell,” zei hij, »niet ver van hier, dat naar mijn meening alle mogelijke voorwaarden in zich vereenigt. Het is achter de hoogten van Mull gelegen, die nu den gezichteinder van Oban ten Westen beperken. Het is een der kleine Hebriden-eilanden, dat het verste in den Atlantischen Oceaan uitspringt, het is het bekoorlijke eiland Jona.”»Jona!” riep miss Campbell uit. »Jona! hoort ge niet, oom Sam, oom Sib? Zijn we er nog niet?”»Wij zullen er morgen zijn,” antwoordde broeder Sib.»Morgen vóór zonsondergang,” bevestigde broeder Sam.»Kom, op reis dan!” zei miss Campbell,»en vinden wij te Jona dien uitgestrekten gezichteinder niet, dien wij verlangen, dan zullen wij een ander punt der kuststrook opzoeken van af John O’Groats, het meest noordelijke einde van Schotland tot Landsend, de meest zuidelijke punt van Engeland toe en als wij dan niet vinden, dan...!”»Wel dan zullen wij een reis rondom de wereld maken, dat is zeer eenvoudig,” lachte Olivier Sinclair.XIII.De heerlijkheden der zee.Het was de kastelein van Caledonian-Hotel, die zich wanhopig aanstelde, toen hij het besluit zijner gasten vernam. Oh! als hij er de macht toe had, hoe zou baas Mac Fyne al die eilanden en die eilandjes, die het uitzicht van Oban aan de zeezijde benemen, hebben laten uit elkaar springen. Hij troostte zich evenwel, toen zij vertrokken waren met aan de andere gasten zijn leedwezen te betuigen, dat hij zulke dwazen geherbergd had.Te acht uur des morgens stapten de gebroeders Melvill, miss Campbell, juffrouw Bess en Partridge aan boord van den »swift-SteamerPioneer,” zooals dat vaartuig op de prospectussen genoemd werd en dat het eiland Mull zoude rondvaren, om Jona en Staffa aan te doen en des avonds weer te Oban terug te zijn.Olivier Sinclair was zijn tochtgenooten vooruitgesneld, had spoedig de inschepingsplaats bereikt en wachtte hen op de brug, die zich van de eene raderkast van de stoomboot tot de andere uitstrekte.Ten opzichte van Aristobulus Beerenkooi was geen sprake van deze reis geweest. De gebroeders Melvill hadden hem toch van dat overhaaste vertrek verwittigd. Dat was een eenvoudige beleefdheidsvorm, en wij weten het, die heeren waren de meest beleefden van de geheele wereld.Aristobulus Beerenkooi had de mededeeling van de beide ooms nog al koel aangehoord en had zich eenvoudig met een dankbetuiging vergenoegd, zonder zich over zijne plannen uit te laten.De gebroeders Melvill hadden dan ook afscheid van hem genomen met de gedachte, dat, al toonde hun gunsteling ook een groote mate van terughouding, en al had miss Campbell een soort van afkeer tegen hem opgevat, dat alles vergeten zou zijn, wanneer maar bij het eindigen van een fraaien herfstdag de zon onberispelijk zou zijn ondergegaan. Dat was ten minste hunne opvatting, en het eiland Jona zou hen niet in den steek laten.Toen al de passagiers aan boord waren, werden na het derde gegil van de stoomfluit de trossen losgegooid, en stevende dePioneerde baai uit, om zuidwaarts door de zeeëngte van Kerrera te sturen.Er was een groot aantal van die toeristen aan boord, die twee of driemaal ’s weeks, door dat overheerlijk uitstapje rondom het eiland Mull aangetrokken worden. Miss Campbell en haar metgezellen zouden hen reeds bij de eerste aanlegplaats verlaten.En inderdaad, zij waren ongeduldig om te Jona aan te komen, in dat nieuwe oord, alwaar zij hunne waarnemingen zouden hervatten. Het weer was prachtig en de zee kalm als een meer. De overtocht zou gunstig zijn. Wanneer deze avond de verwezenlijking van hun verlangen niet medebracht, welnu! het besluit was genomen; zij zouden zich op het eiland inrichten en geduldig afwachten. Daar zou het scherm steeds omhoog gehaald en allen tot de voorstelling gereed zijn. Alleen slecht weer zou tot uitstel doen besluiten.Om kort te gaan, vóór het middaguur zou het doel der reis bereikt zijn. De vluggePioneerstevende de straat Kerrera door, rondde de zuid-punt van het eiland, doorkliefde de Firth of Lorne in haar breedste gedeelte, liet het eiland Colonsay met zijn oude abdy, die door de beroemde Lords der eilanden in de veertiende eeuw gesticht werd, ter linkerzij liggen, stoomde langs de zuidkust van Mull, welk eiland als een buitensporige groote krab scheen, die gestrand zoude zijn, en wier ééne schaar zich lichtelijk naar het zuidwesten wendde.De Ben More vertoonde zich gedurende een kort oogenblik ter hoogte ongeveer van drie duizend vijf honderd voet boven de verafgelegen heuvelen, die zich woest en steil voordeden, terwijl hun hellingen slechts het heidekruid tot natuurlijke bedekking had, en zijn ronde top die weilanden beheerschte, welke met rundvee als bezaaid zijn. De Ardanalish-top bedekte hem plotseling voor het gezicht met zijn zware massa.Toen trad het schilderachtige Jona in het noord-westen op den voorgrond, op het uiteinde van den zuidelijken knijper van Mull gelegen. De Atlantische oceaan, strekte zich verder onmetelijk en verheven naar het westen uit.»Houdt gij van den Oceaan, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell aan haren jeugdigen metgezel, die bij haar op de brug vandePioneergezeten was en met haar dat prachtige schouwspel bewonderde.Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)»Of ik van den Oceaan houd, miss Campbell?!” riep hij uit. »Jazeker, en ik behoor niet tot de ongevoeligen, die er het gezicht eentonig van vinden! Voor mij bestaat er niets, wat meer afwisseling biedt dan zijn aanblik; maar men moet hem onder zijn verschillend voorkomen weten te beschouwen. Waarlijk, de zee vertoont zooveel verschillende nuanceeringen, die zoo verwonderlijk geleidelijk in elkander smelten, dat het voor den schilder de grootste moeielijkheid oplevert, dat geheel, hetwelk zoo eentonig schijnt en toch zoo afwisselend is, weer te geven. Het is veel moeilijker dan het schilderen van een gelaat, hoe beweeglijk de trekken zich ook mogen voordoen.”»Ja waarlijk,” zei miss Campbell, »de zee verandert voortdurend van gedaante onder het minste zuchtje, dat voorbijsnelt, en onder de lichtstralen, die haar op ieder uur van den dag onder verschillende hoeken treffen.”»Zie haar thans, miss Campbell,” hernam Olivier Sinclair. »Zij is nu volmaakt kalm! Zou men niet zeggen het fraaie gelaat eener ingeslapen schoone, waarvan niets de reinheid besmet. Zij vertoont geen enkelen rimpel; zij is jong, zij is schoon! Of liever, het is een onmetelijke spiegel, waarin het uitspansel weerkaatst, en waarin God zich zien kan!”»Ja, een spiegel, maar waarvan de glans, helaas, te dikwijls door den adem des storms verdoofd wordt,” vulde miss Campbell aan.»Maar dat is het, wat de groote afwisseling in het voorkomen van den Oceaan vormt!” antwoordde Olivier Sinclair. »Laat de wind slechts matig opsteken, dan zal dat gelaat veranderen; het zal zich met rimpels overdekken, het schuim der golftoppen zullen het als met witte haren tooien, in een oogenblik zal het veranderd schijnen, het zal een eeuw tellen, maar immer indrukwekkend blijven met zijn grillige lichteffecten, en zijn borduursels van helder wit schuim!”»Gelooft gij, mijnheer Sinclair,”vroeg miss Campbell, »dat een schilder, een groot schilder meen ik, er in slagen zou al de schoonheden der zee op het doek te brengen?”»Neen, dat geloof ik niet, miss Campbell! Hoe zou hij dat kunnen? De zee heeft werkelijk geen kleur. Zij is slechts een weerkaatsing van den hemel! Is zij blauw? Toch kan men haar met blauw niet weergeven! Is zij groen? Neen, ook met groen niet! Men zou haar eerder kunnen treffen, wanneer zij woedend is, wanneer zij somber, vaalbleek, boos is. Dan is het alsof de hemel al die wolken in de wateren mengt, die hij er boven uitgespannen houdt. Oh! miss Campbell, hoe meer ik den Oceaan beschouw, hoe meer verheven ik hem vind. Oceaan! dat woord zegt alles; dat beteekent onmetelijkheid! Hij verbergt in zijn schoot de onpeilbare diepten, onbegrensde weilanden, waarbij de onze ledig en verlaten schijnen,zegt Darwin. Wat zijn, in vergelijking met hem, de meest uitgestrekte vastlanden? Het zijn slechts eilanden, die hij met zijn wateren omgeeft. Hij bedekt vier vijfden van den aardbol! Door een soort van onafgebroken omloop—even als een levend schepsel, welks hart bij de evenachtslijn klopt—voedt hij zich zelf met de dampen, die van hem uitgaan. Hij onderhoudt de bronnen, die door de stroomen tot hem wederkeeren, of die in vorm van regen den schoot weer bereiken, waaruit zij geboren werden! Ja, de Oceaan, dat is de onbegrensdheid, de onmetelijkheid, die men niet ziet, maar die men gevoelt, volgens de uitdrukking des dichters, onmetelijk als de ruimte, die hij in zijn wateren weerkaatst!”»Oh! ik hoor u zoo gaarne met die geestdrift spreken, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell, en wezenlijk, »ik deel die geestdrift ten volle! Ja, ik houd evenveel van de zee als gij!”»En zoudt gij niet vreezen haar gevaren te trotseeren?” vroeg Olivier Sinclair.»Neen waarlijk niet, ik zou niet bang zijn! Kan men vrees koesteren voor hetgeen men bewondert?”»Gij zoudt een moedige reizigster zijn!”»Misschien, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell. »In ieder geval, van al de reizen, welker verhalen ik gelezen heb, geef ik de voorkeur aan die, welke ontdekkingen in de verre zeeën tot doel hebben. Hoe dikwijls heb ik die niet in gezelschap met de groote zeevaarders doorgestevend! Hoe dikwijls ben ik niet met hen dat onmetelijk onbekende ingedrongen—wel is waar in de gedachte slechts, maar ik ken, dunkt mij, niets meer benijdenswaardig, dan de levensbestemming van die zeehelden, die zoo groote ontdekkingen deden, zoo groote zaken tot stand brachten!”»Ja, miss Campbell, er is in de geschiedenis der menschheid niets schooner dan die ontdekkingen! Den Atlantischen Oceaan voor de eerste maal met Columbus oversteken; de Stille Zuidzee met Magelaan en Tasman, de Poolzeeën met Parry, Franklin, d’Urville, Heemskerk en zoo veel anderen! Oh! wat een droom! Ik kan geen vaartuig zien vertrekken, of het een oorlog- of een koopvaardijschip of een eenvoudige visscherspink is, zonder dat mijn geheele wezen trilt, zonder dat ik een onmetelijk verlangen in mij voel opkomen, om mij aan boord in te schepen! Ik geloof, dat ik in de wieg gelegd ben, om zeeman te zijn, en dat die loopbaan niet de mijne geworden is, betreur ik dagelijks innig!”»Maar hebt gij minstens op zee gereisd?” vroeg miss Campbell.»Zooveel het mij mogelijk geweest is,” antwoordde Olivier Sinclair.»Ik heb de Middellandsche zee bezocht van af Straat Gibraltar tot de Levantsche stapelplaaten; ik heb den Atlantischen Oceaan een weinig doorkruist tot Noord-Amerika; vervolgens heb ik de Noordelijkezeeën van Europa bevaren, en ik kan er mij op beroemen, dat ik al deze wateren hier ken, die de natuur zoowel aan Engeland als aan Schotland zoo mild verkwist heeft....”»Zoo mild en zoo prachtig, mijnheer Sinclair!”»Ja zeker, miss Campbell, en ik weet geen land te vergelijken met deze streken onzer Hebriden, waartusschen ons stoomschip ons doorvoert! Het is een ware archipel, wel is waar met een minder blauwen hemel dan de Oostersche, maar meer dichterlijk, wanneer hij in zijn geheel genomen wordt met zijn woest rotsgesteente, met zijn nevelachtigen dampkring. De grieksche archipel heeft het licht geschonken aan een heel gezelschap van goden en godinnen. Dat is zoo. Maar gij zult gelieven op te merken, dat het slechts zeer burgerlijke godheden waren, die nog al positief waren uitgevallen, en van een stoffelijk bestaan hielden, en daarbij in weerwil van hun pretmaken, goed aanteekening hielden van de uitgaven. Volgens mij was de Olympus aan een salon gelijk, waarvan de bezoekers, hoewel goden, toch nog al uiteenloopend van stand waren, zoodat het gezelschap wel gemêleerd was. Het was een vergadering van goden die te veel op menschen geleken, wier zwakheden hun aankleefden! Zoo is het niet op onze Hebriden. Die zijn het verblijf van bovennatuurlijke wezens! De scandinavische godheden zijn onstoffelijk, éthérisch, zij hebben ontastbare vormen, maar geen lichamen. Daar is Odin, Ossian, Fingal, in éen woord, de geheele zwerm dier dichterlijke geesten, uit de Sagas-boeken ontsnapt! Wat zijn die figuren schoon, die in onze herinnering te midden der nevelen der poolzeeën, te midden der noordsche sneeuwstormen kunnen te voorschijn getooverd worden! Dat is een meer goddelijke Olympus dan die grieksche poespas. De onze heeft niets aardsch, en zoekt men naar een waardig verblijf voor zulke gasten, dan moeten de Hebriden gekozen worden. Ja, miss Campbell, het zou hier zijn, dat ik onze godheden zou gaan aanbidden, en als echte zoon van ons Oud-Caledonië, zou ik onzen archipel met zijn twee honderd eilanden, zijn met dampen bezwangerd uitspansel, zijn woeste vloedgetijen, die de warmte van den Golfstroom aanbrengen, niet ruilen voor al de eilanden-zeeën van het Oosten!”»En hij behoort ons Schotten der Hooglanden wel toe!” antwoordde miss Campbell, geheel ontvlamd door de vurige geestdrift van den jongen man, »aan ons, Schotten van het graafschap Argyle. Ah! mijnheer Sinclair, evenals gij bemin ik onzen Caledonischen archipel hartstochtelijk! Hij is overheerlijk, en ik bemin die eilandenzee tot in haar woede!”Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)»En die woede is inderdaad verheven!” juichte Olivier Sinclair. »Niets weerstaat het geweld der windvlagen, die er op los stormen, na ongehinderd een ruimte van drie duizend mijl afgelegd te hebben!Het is de Amerikaansche kust, die tegenover de Schotsche kust gelegen is! Wanneer daar, aan de overzij van den Atlantischen Oceaan,de groote stormen ontstaan, dan ontketenen zij hier de aanvallen der aanrollende golven en de huilende winden, die zich op westelijk Europa storten. Maar wat kunnen zij tegen onze Hebriden, die veel stoutmoediger zijn dan die man, van wien Livingstone spreekt, die geen leeuwen vreesde maar die bang was voor den oceaan. Nu, onze eilanden behoeven niet bang te zijn; zij, met hun stevige graniet-grondvesten, kunnen lachen om het geweld van storm en zee!...”»De zee!.... Een scheikundige verbinding van zuurstof met waterstof, met anderhalf percent chloruur van sodium! Niets zoo schoon als de woede van chloruur van sodium!”Miss Campbell en Olivier hadden zich bij het hooren van die woorden, die blijkbaar tot hen gericht waren, en als een antwoord op hun geestdrift klonken, omgekeerd.Aristobulus Beerenkooi stond daar achter hen op de brug.Dat lastige mensch had het verlangen niet kunnen weerstaan, om te gelijkertijd met miss Campbell Oban te verlaten, omdat hij wist dat Olivier Sinclair haar naar Jona begeleidde. Hij had dan ook gezorgd vóór hen aan boord te zijn, en had zich gedurende den geheelen overtocht in het salon opgehouden, en kwam nu naar boven toen het eiland in het gezicht was.De woede van het chloruur van sodium! Welk een wetenschappelijke vuistslag in de droomerijen van Olivier Sinclair en miss Campbell!
XI.Olivier Sinclair.Olivier Sinclair was een »mooi man,” volgens de vroeger gebruikelijke uitdrukking in Schotland, wanneer van flinke, behendige en vlugge jongelieden gesproken wordt. Maar die uitdrukking was hier niet alleen toepasselijk op het innerlijke, maar ook op het uiterlijke van den jonkman.Laatste afstammeling uit een achtenswaardige familie van Edinburg, was deze jeugdige spruit uit het Noordsch Athene, de zoon van een ouden raadsheer in de hoofdstad van Mid-Lothian. Al vroeg ouderloos, was hij opgevoed geworden door zijn oom, een der vier baljuws van het stedelijk bestuur, en had zeer goede studiën aan de Hooge School gemaakt. Toen hij twintig jaar oud was, en ten gevolge van een matig fortuin geheel onafhankelijk, voelde hij den wensch opkomen, om de wereld te zien, en bezocht dientengevolge de voornaamste staten van Europa, van Indië en van Amerika, en nam de beroemdeRevue van Edinburgherhaaldelijk volgaarne zijn reis-aanteekeningen in hare kolommen op. Hij was een verdienstelijk schilder, die, wanneer hij slechts wilde, voor zijn werken hooge prijzen zou kunnen verwerven, en was ook dichter op zijn tijd. Wie is dat niet in dien zaligen leeftijd der jeugd, waarin alles iemand toelacht? Hij had een warm hart, daarenboven een kunstenaarsziel, en behaagde iedereen, zonder moeite daarvoor te doen en zonder opgeblazenheid.In de hoofdstad van Oud-Caledonië is het niet moeielijk in het huwelijk te treden. Want de getal-verhoudingen der beide geslachten zijn daar zeer ongelijk, en het zwakkere staat, wat getalsterkte aangaat, ver boven het sterkere. Een goed onderwezen en opgevoed, beminnelijk jongmensch, van een aangenaam uiterlijk, kan daar meer dan één rijke erfdochter naar zijn smaak aantreffen.Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).En toch scheen Olivier Sinclair, hoewel hij reeds zes en twintig jaar oud was, nog geen roeping voor het huwelijksleven te gevoelen. Kwam hem het levenspad te nauw voor om dit, elleboog tegen elleboog gesloten, af te wandelen? Voorzeker neen, maar het is meer waarschijnlijk, dat hij er meer van hield de dwars- of zijwegen in te slaan, volgens zijn luim voort te schrijden, een luim die met zijnkunstenaarszielwel eens grillig kon genoemd worden.Het voorkomen van Olivier Sinclair was echter wel geschikt, om nog meer dan enkel een gevoel van overeenstemming bij de een of anderejonge blonde dochter van Schotland op te wekken. Zijn elegante leest, zijn open gelaat, zijn vrijmoedig uiterlijk, zijn mannelijke wezenstrekken, die van veel wilskracht getuigden, hoewel de oogopslag van zachtmoedigheid sprak, de bevalligheid zijner bewegingen, de voornaamheid zijner manieren, de gemakkelijke en geestige wijze om zich uit te drukken, de ongedwongenheid van zijn gang, de glimlach, die hem om de lippen speelde, dat alles in één woord moest een jeugdig hart tot hem aantrekken. Hij giste al die voordeelen niet, was volstrekt niet verwaand of kwasterig, en dacht er niet aan zijn bestaan aan een ander vast te ketenen. Maar niet alleen dat zijn uiterlijk een zoo gunstige waardeering bij den vrouwelijken Clan van »Auld Reeky”1ondervond, hij was ook zeer gezien bij de gezellen zijner jeugd, bij zijn medestudenten van de Hoogeschool, en had, volgens de overschoone gaëlische uitdrukking, den naam verworven, van »nimmer den rug naar vriend of vijand toe te keeren.”Evenwel moet erkend worden, dat hij juist dien dag bij den aanval den rug naar miss Campbell toekeerde. Het is waar, miss Campbell was noch zijn vijandin noch zijn vriendin. Op de plaats, die hij innam, had hij dan ook den bal onmogelijk kunnen zien aankomen, die door het jonge meisje zoo heftig was voortgestuwd. Zoo kon het gebeuren, dat die nieuwe soort granaat het doek in het volle midden trof en het geheele schilderstoestel het onderste boven wierp.Reeds bij den eersten blik had miss Campbell haren »held” van de Corryvrekan-kolk herkend, maar de held kon onmogelijk de jeugdige passagieres van deGlengarryherkennen. Ter nauwernood had hij miss Campbell bij het einde van den overtocht van het eiland Scarba naar Oban aan boord ontwaard. Indien hij evenwel geweten had, welk persoonlijk aandeel zij aan zijn redding genomen had, dan zou hij haar, al was het maar uit beleefdheid, van harte bedankt hebben: maar hij wist het niet, en waarschijnlijk zou hij daaromtrent altijd onkundig blijven.Want inderdaad, dien zelfden dag verbood—ja, dit is het woord—verbood miss Campbell uitdrukkelijk, zoowel aan hare ooms als aan juffrouw Bess, alsook aan Partridge, ooit in tegenwoordigheid van dien jonkman, eenige toespeling te maken op hetgeen vóór en na de redding aan boord van deGlengarrywas voorgevallen.Middelerwijl hadden de gebroeders Melvill na dat ongelukkig toeval met den bal, zich bij hunne nicht vervoegd, en waren zoo mogelijk nog meer uit het veld geslagen dan het jonge meisje. Zij begonnen met verontschuldigingen te stamelen jegens den jongen schilder, toen deze hen in de rede viel, zeggende:»Mejuffrouw... Mijnheeren... ik verzeker u, dat het zoo veel woorden niet waard is!”»Mijnheer...” zei broeder Sib met aandrang. »Wij zijn waarlijk ontsteld....”»En wanneer de ramp onherstelbaar is, zooals het zich laat aanzien ....” voegde Sam er bij.»Het is slechts een klein ongeluk en geen ramp!” antwoordde de jonkman lachende. »Het was slechts kladwerk, anders niet: ik verzeker het u. De bal heeft volkomen gerechtigheid gepleegd!”Olivier Sinclair sprak die woorden zoo welgemoed uit, dat de gebroeders Melvill hem gaarne dadelijk de hand zouden gereikt hebben, wanneer dat zoo zonder voorafgaande plichtpleging had kunnen geschieden. Nu meenden zij verplicht te zijn de een aan den anderen voor te stellen, zoo als dat onder fatsoenlijke lieden betaamt.»Mijnheer Samuel Melvill,” zei de een.»Mijnheer Sebastiaan Melvill,” zei de ander.»En hunne nicht, miss Campbell,” voegde Helena er bij, die zich er niet om bekreunde of zij wellicht ook de welvoegelijkheid te kort deed, door zich zelve voor te stellen.Dat was een uitnoodiging tot den jonkman gericht, om ook zijn namen en kwaliteit bekend te maken.»Miss Campbell en mijn heeren Melvill,” sprak hij met den meest mogelijken ernst, »ik zou kunnen volstaan met te zeggen, dat ik »Fock” heet, zoo als een der piketpaaltjes van uw spel, daar ik door den bal ben aangeraakt geworden. Maar openhartig, ik heet Olivier Sinclair.”»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, die niet recht wist, hoe zij dit antwoord moest opvatten. »Nogmaals bied ik u mijn verontschuldiging aan voor...”»En de onze ook,” riepen de gebroeders Melvill.»Miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik herhaal dat het niets te beduiden heeft. Ik zocht een effect van deinende golven op het doek te brengen, en het is waarschijnlijk dat uw bal, even als de spons van ik weet niet meer welken schilder der oudheid, het gezochte effekt heeft te weeg gebracht, wat mijn penseel niet kan bereiken.”Dat werd op zoo’n vriendelijken toon gezegd, dat miss Campbell en de gebroeders Melvill moesten lachen.Olivier Sinclair raapte het doek op, dat evenwel geheel onbruikbaar gemaakt was. Hij moest dus opnieuw beginnen.Het zal niet overbodig zijn op te merken, dat Aristobulus Beerenkooi zich weerhouden had, aan de wisseling van die verontschuldigingen en beleefdheidsvormen deel te nemen.De partij was geëindigd en de jeugdige geleerde was nijdig, dat hij zijn theoretische kennis niet in overeenstemming met zijn practische bekwaamheid had kunnen brengen. Hij nam afscheid om weer naar zijn hotel terug te keeren; men zou hem in drie, vier dagen niet ziet, want hij vertrok naar het eiland Luing, een der kleine Hebriden, dat ten zuiden van het eiland Seil gelegen was, en alwaar hij uit een geologisch oogpunt de rijke leigroeven wilde bestudeeren.Hij kon zich dus niet overgeven aan zijn uitleggingen over de projectielen-baan, wat hij voorzeker zou gedaan hebben, wanneer de gelegenheid zich daartoe had voorgedaan.Olivier Sinclair vernam toen, dat hij niet geheel en al een onbekende was voor de gasten van Caledonian Hotel, en hij werd vervolgens op de hoogte gebracht omtrent de bizonderheden van den overtocht derGlengarry.»Wat, miss Campbell, en gij mijn heeren!” riep hij uit, gij waart aan boord van dat stoomschip, hetwelk mij zoo juist van pas opgevischt heeft?”»Ja, mijnheer Sinclair.”»En gij hebt ons wel angstig gemaakt,” zei broeder Sib,»toen wij door een groot toeval uw schuitje ontwaarden, als verloren te midden van den maalstroom van de Corryvrekan-kolk.”»Neen, geen toeval maar goddelijke bestiering,” zei broeder Sam, »en waarschijnlijk zonder de tusschenkomst van....”Door een teeken gaf miss Campbell te kennen, dat zij niet als redster wenschte op te treden. De rol van onze lieve Vrouw der Schipbreukelingen zou zij nimmer willen vervullen.»Maar mijnheer Sinclair, hoe kon die oude visscher, die u vergezelde, zoo onvoorzichtig zijn,” vroeg broeder Sam,»om zijn vaartuig in die vreeselijke stroomingen te sturen?....”»Welker gevaren hij toch moest kennen, daar hij in deze streken te huis hoort?” vulde broeder Sib aan.»Schort uw oordeel, heeren Melvill,”antwoorddeOlivier Sinclair. »de onvoorzichtigheid kwam van mijn kant, en is mij alleen te wijten. Een oogenblik vreesde ik, dat ik oorzaak van den dood van dien braven kerel zou zijn! Maar er waren zulke wonderlijke kleuren op de oppervlakte van die keerstroomingen, waar de zee aan een onmetelijk kantwerk gelijk was, uitgespreid op een blauwzijden ondergrond! En zonder er gevaar in te zien, naderde ik al meer en meer, om te midden van dat lichtend schuim eenige nieuwe schakeeringen op te vangen. En ik ging al meer en meer vooruit, steeds vooruit. De oude visscher bespeurde het gevaar wel, hij hield mij vertoogen, hij wilde naar de kust van het eiland Jura terugkeeren; maar ik had er geen ooren naar, totdat ons vaartuig in den stroom geraakte en onweerstaanbaar naar de kolk gesleept werd. Wij wildendie aantrekkingskracht weerstand bieden!.... Mijn makker werd door een golf gewond, en kon mij dus niet meer helpen, en ongetwijfeldzonder de aankomst van deGlengarry, zonder de toewijding van haren kapitein, zonder de menschlievendheid der passagiers zouden wij, mijn visscher en ik, reeds tot de legende behooren, en onze namen op de doodenlijst van de Corryvrekan-kolk prijken!”De vlugge Pioneer stevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)De vluggePioneerstevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)Miss Campbell had, zonder een woord te laten ontsnappen, den jonkman aangehoord. Verscheidene malen vestigde zij haar schoone oogen op hem. Hij van zijn kant vermeed haar met zijn blikken te hinderen. Zij kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij zijn jacht, of beter zijn visscherij op zeeschakeeringen schetste. Vervolgde zij ook niet een dergelijk droombeeld, wel is waar minder gevaarlijk? Was de jacht op den groenen Straal ook niet een jacht op een schakeering, niet der zee maar van het luchtgewelf? Zelfs de gebroeders Melvill maakten er de opmerking van en verhaalden het motief, dat hen naar Oban gevoerd had, namelijk de waarneming van een natuurverschijnsel, waarvan men den aard aan den jongen schilder mededeelde.»De Groene Straal!” riep Sinclair uit.»Zoudt gij hem reeds gezien hebben, mijnheer?” vroeg het jonge meisje levendig. »Zoudt gij hem reeds gezien hebben?”»Neen, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik weet zelfs niet of er ergens een Groene Straal bestaat! Neen, waarlijk niet! Welnu, ook ik wensch hem thans te zien. De zon zal geen enkele maal meer achter de kim wegduiken, zonder dat ik daarvan getuige zal zijn! En ik zweer bij Sint Dunstan! dat ik geen ander groen op mijn palet zal gebruiken, dan het groen van dien laatsten straal!”Het was moeilijk uit te maken, of Olivier Sinclair hier niet een weinig spot bedoelde, of dat hij zich door zijn kunstzin liet vervoeren. Een geheime stem fluisterde miss Campbell toe, dat de jonkman niet spotte.»Mijnheer Sinclair,” sprak zij, »de Groene Straal is mijn eigendom niet. Hij schittert voor iedereen! Hij verliest niets in waarde, omdat hij zich aan verschillende belangstellenden te gelijkertijd vertoont. Wij zouden dus kunnen trachten hem samen te zien.”»Zeer gaarne, miss Campbell!”»Maar, gij zult zeer veel geduld moeten oefenen.”»Welnu, dat zullen wij! Wij zullen....”»Niet mogen vreezen om pijn aan de oogen te krijgen,” zei broeder Sam.»Mij dunkt dat de Groene Straal wel waard is, dat er aan te wagen,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ik zal Oban niet verlaten, zonder hem gezien te hebben, dat beloof ik.”»Wij zijn reeds naar het eiland Seil gegaan, om dien Straalwaartenemen, maar een klein wolkje benevelde de kim, juist op het oogenblik toen de zon onderging.”»Dat was een ware noodlottigheid!”»Ja, inderdaad een noodlottigheid, mijnheer Sinclair; want sedert dien dag hebben wij geen volmaakt helderen dampkring meer gehad.”»Wij moeten den moed niet laten zakken, miss Campbell. De zomer is nog niet ten einde en voor dat het kwade seizoen zal ingetreden zijn, zal de zon wel de mildheid hebben ons haren Groenen Straal te vertoonen, weest daar verzekerd van.”»Moet ik u alles bekennen, mijnheer Sinclair?” hernam miss Campbell. »Welnu, wij zouden in den avondstond van den 2denAugustus dien Groenen Straal zeker op de kim van de Corryvrekan kolk hebben kunnen waarnemen, wanneer onze aandacht niet ware afgeleid door een zekere redding....”»Wat, miss Campbell, ik zou lomp genoeg geweest zijn om in zoo’n oogenblik uw blikken af te leiden! mijn dwaze onvoorzichtigheid komt u den Groenen Straal te staan. Maar dan moet ik u verontschuldiging aanbieden, en ik betuig u hiermede mijn leedwezen over die ontijdige verschijning van mijn persoon! Wees verzekerd, dat het niet weer zal gebeuren.”En men keuvelde over koetjes en kalfjes, terwijl men naar het Caledonian Hotel terug wandelde, waarin ook Olivier Sinclair zeer toevallig den vorigen avond, bij zijn terugkeer van een uitstapje in de omstreken van Dalmaly, zijn intrek had genomen. Het jonge mensch, wiens ronde manieren en wiens aanstekelijke opgeruimdheid de gebroeders Melvill volstrekt niet mishaagden, kwam in den loop van het gesprek er toe om van Edinburg en van zijn oom den baljuw Patrick Oldimer te praten. Toen bleek het, dat de gebroeders Melvill vroeger gedurende eenige jaren met den baljuw Oldimer hadden omgegaan. Weleer hadden vriendschappelijke banden tusschen de beide familiën bestaan, die alleen door den verren afstand van elkander gestaakt waren geworden. Men was elkander dus niet meer vreemd. Olivier Sinclair ontving dan ook de uitnoodiging om de vriendschapsbanden met de Melvills te vernieuwen, wat hij gaarne deed, vooral omdat er geen enkele reden bestond, om zich elders dan te Oban te vestigen. Hij verklaarde dan ook, dat hij er blijven wilde, om deel te nemen aan de opsporing van den befaamden Straal.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij ontmoetten elkander veelvuldig op het strand van Oban in de daarop volgende dagen. Te zamen deden zij waarnemingen omtrent de vermoedelijke weersveranderingen. Tien keeren op een dag raadpleegden zij den barometer, die wel eenige neiging tot stijgen vertoonde. En waarlijk, in den morgen van den 14denAugustusoverschreed de beminnenswaardigewijzer van het instrument dertig duim en zeven tiende.Met welk gevoel van tevredenheid bracht Olivier Sinclair die goede tijding aan miss Campbell! De hemel was helder en rein als het oog eener madonna. Een fraai azuur tintte het uitspansel, zacht overgaande in de meest uiteenloopende nuanceeringen van af het indigo- tot het ultramarijn-blauw! Geen enkele damp van hygrometrischen aard was te bespeuren. Het vooruitzicht bestond, dat de avond overheerlijk zou zijn, en dat men een zonsondergang zou genieten, zoo scherp zuiver, als de sterrenkundigen van eenige sterrenwacht zouden kunnen verlangen!»Als wij nu bij zonsondergang onzen straal niet zien zullen, dan moeten wij blind zijn!” zei Olivier Sinclair.»Hoort gij, waarde oompjes!” zei miss Campbell. »Hoort gij wel, het zal van avond plaats hebben!”Men kwam overeen dat men vóór het diner naar het eiland Seil zou vertrekken, wat dan ook tegen ongeveer vijf uur geschiedde.Miss Campbell zat overgelukkig met den niet minder gelukkigen Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, die zich ook al vroolijk en tevreden gevoelden in het rijtuig, dat hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. Men zou waarlijk kunnen beweren, dat zij de zon met zich op den bok van het rijtuig voerden, en het vierspan, dat flink voortspoedde, de vurige paarden van Apollo, den god des dags, waren!Op het eiland Seil aangekomen, hadden de reeds bij voorbaat verrukte waarnemers een gezichteinder voor zich, waarvan de helderheid door niets bevlekt werd. Zij kozen tot waarnemingspost het uiteinde van een zeer smalle kaap, die zich een mijl ver in zee uitstrekte en twee kleine inhammen in de kust van elkander scheidde. Niets kon daar over een vierde gedeelte van den gezichtseindersboog het panorama van het westen belemmeren.»Hij kan ons dus niet ontsnappen, die grillige straal, die zoo veel preutschheid aan den dag legt om zich te laten zien,” zei Olivier Sinclair.»Dat geloof ik ook,” antwoordde broeder Sam.»En ik ben er zeker van,”vulde broeder Sib aan.»En ik hoop het,” uitte miss Campbell, terwijl zij den vlekkeloozen hemel en de zee beschouwde, die zich daar eenzaam voor haar uitstrekte. Waarlijk, alles kondigde aan dat het natuurverschijnsel zich bij zonsondergang in al zijn pracht zou vertoonen. Reeds daalde de schitterende dagvorstin langs een schuine lijn, en bevond zich nog slechts weinige graden boven den horizon. Haar roode schijf tintte den achtergrond van het uitspansel gelijkmatig als met vuur en trok een lange verblindende streep over de oppervlakte van het kalme water der zee.De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)Allen stonden daar opgetogen over dat fraaie gezicht, de verschijningaf te wachten, en zagen de zon, die langzaam, aan een overgrooten luchtsteen gelijk, onderdook. Plotseling ontsnapte een onwillekeurigekreet aan miss Campbell, die met een angstigen uitroep, door de gebroeders Melvill en door Olivier Sinclair uitgestooten, beantwoord werd.Een sloep kwam van achter het eilandje Eastdale, dat in de nabijheid als aan den voet van het eiland Seil gelegen is. Die sloep stevende langzaam westwaarts. Haar zeil, als in een vuurscherm gevat, stak helder boven de kim uit. Zou dat nu de zon gaan bedekken, juist op het oogenblik, dat zij zou ondergaan?Het was hier een kwestie vanseconden. Men kon niet meer terug, om rechts of links een andere waarnemingsplek te kiezen, ten einde de zon weer ongehinderd te kunnen aanschouwen. Daartoe was geen tijd meer, de geringe oppervlakte der kaap liet niet toe zich zoover te bewegen om weer in de as der zon te geraken.Miss Campbell was wanhopig over dien tegenspoed. Zij liep heen en weer over de rotsen, terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren de aandacht van den opvarende dier sloep tot zich zocht te trekken, en zoo hard hij kon schreeuwde, dat zij hun zeil zouden strijken.Alles te vergeefs. Men zag hem niet en men kon hem onmogelijk hooren. De sloep, door een zachte bries voortgestuwd, stevende steeds westwaarts op.Juist toen de bovenrand der zonneschijf zou verdwijnen, gleed het zeil der sloep tusschen haar en de toeschouwers, en werd zij door datondoorzichtbaartrapezium bedekt.Dat was een ware teleurstelling! Ditmaal had de Groene Straal te midden van die zuivere kim geschitterd. Hij was evenwel afgestuit op dat lompje zeil, zonder het voorgebergte te kunnen bereiken, alwaar zoo vele blikken hem gretig bespiedden.Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill stonden daar als versteend op die plek, teleurgesteld als zij waren, en meer verbitterd dan zulk een ongelukkig toeval eigenlijk wel waard was. Zij vergaten werkelijk heen te gaan, en verwenschten dat vaartuig en de personen die er in waren.De sloep legde evenwel aan in een kleine kreek van het eiland Seil, die zich aan den voet van het voorgebergte bevond.Een passagier sprong daaruit in dit oogenblik, en liet aan boord twee zeelieden, die hem van het eiland Luing langs den weg der volle zee overgevoerd hadden. Hij naderde langs het strand en beklom de voorste rotsen, met het doel om het uiteinde der kaap te bereiken.De onwelkome gast had voorzeker de groep waarnemers, die op het plat van het voorgebergte stond, herkend; want hij groette de aanwezigen met een gebaar dat een zekere gemeenzaamheid verried.»Mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell.»Hij! was hij het?!” riepen de gebroeders Melvill.»Wie kan die mijnheer zijn?” dacht Olivier Sinclair.Ja, het was Aristobulus Beerenkooi in persoon, die een wetenschappelijk uitstapje, dat verscheidene dagen geduurd had, naar het eiland Luing had gemaakt.Het zal wel onnoodig zijn te zeggen, hoedanig hij verwelkomd werd door hen, wier dierbaarsten wensch hij in zijn vervulling had verijdeld.Broeder Sam en broeder Sib vergaten in zooverre de welvoegelijkheid, dat zij er zelfs niet aan dachten Olivier Sinclair aan Aristobulus Beerenkooi voor te stellen. Zij sloegen beiden de oogen neer en vermochten tegenover Helena’s ontevredenheid den blik niet te slaan op dien aanstaande hunner keuze.Miss Campbell, de kleine handjes te zamen geknepen, de armen over de borst gekruist, keek hem aan met bliksemende oogen, zonder een woord te spreken. Eindelijk na een poos ontsnapten deze woorden aan haren mond:»Mijnheer Beerenkooi, gij hadt kunnen nalaten zoo van pas te komen om een onhandigheid te bedrijven.”1Auld Reeky beteekent oude berookte, en is een bijnaam van Edinburg.
Olivier Sinclair was een »mooi man,” volgens de vroeger gebruikelijke uitdrukking in Schotland, wanneer van flinke, behendige en vlugge jongelieden gesproken wordt. Maar die uitdrukking was hier niet alleen toepasselijk op het innerlijke, maar ook op het uiterlijke van den jonkman.
Laatste afstammeling uit een achtenswaardige familie van Edinburg, was deze jeugdige spruit uit het Noordsch Athene, de zoon van een ouden raadsheer in de hoofdstad van Mid-Lothian. Al vroeg ouderloos, was hij opgevoed geworden door zijn oom, een der vier baljuws van het stedelijk bestuur, en had zeer goede studiën aan de Hooge School gemaakt. Toen hij twintig jaar oud was, en ten gevolge van een matig fortuin geheel onafhankelijk, voelde hij den wensch opkomen, om de wereld te zien, en bezocht dientengevolge de voornaamste staten van Europa, van Indië en van Amerika, en nam de beroemdeRevue van Edinburgherhaaldelijk volgaarne zijn reis-aanteekeningen in hare kolommen op. Hij was een verdienstelijk schilder, die, wanneer hij slechts wilde, voor zijn werken hooge prijzen zou kunnen verwerven, en was ook dichter op zijn tijd. Wie is dat niet in dien zaligen leeftijd der jeugd, waarin alles iemand toelacht? Hij had een warm hart, daarenboven een kunstenaarsziel, en behaagde iedereen, zonder moeite daarvoor te doen en zonder opgeblazenheid.
In de hoofdstad van Oud-Caledonië is het niet moeielijk in het huwelijk te treden. Want de getal-verhoudingen der beide geslachten zijn daar zeer ongelijk, en het zwakkere staat, wat getalsterkte aangaat, ver boven het sterkere. Een goed onderwezen en opgevoed, beminnelijk jongmensch, van een aangenaam uiterlijk, kan daar meer dan één rijke erfdochter naar zijn smaak aantreffen.
Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).
Men keuvelde over duizenderlei zaken (bladz. 96).
En toch scheen Olivier Sinclair, hoewel hij reeds zes en twintig jaar oud was, nog geen roeping voor het huwelijksleven te gevoelen. Kwam hem het levenspad te nauw voor om dit, elleboog tegen elleboog gesloten, af te wandelen? Voorzeker neen, maar het is meer waarschijnlijk, dat hij er meer van hield de dwars- of zijwegen in te slaan, volgens zijn luim voort te schrijden, een luim die met zijnkunstenaarszielwel eens grillig kon genoemd worden.Het voorkomen van Olivier Sinclair was echter wel geschikt, om nog meer dan enkel een gevoel van overeenstemming bij de een of anderejonge blonde dochter van Schotland op te wekken. Zijn elegante leest, zijn open gelaat, zijn vrijmoedig uiterlijk, zijn mannelijke wezenstrekken, die van veel wilskracht getuigden, hoewel de oogopslag van zachtmoedigheid sprak, de bevalligheid zijner bewegingen, de voornaamheid zijner manieren, de gemakkelijke en geestige wijze om zich uit te drukken, de ongedwongenheid van zijn gang, de glimlach, die hem om de lippen speelde, dat alles in één woord moest een jeugdig hart tot hem aantrekken. Hij giste al die voordeelen niet, was volstrekt niet verwaand of kwasterig, en dacht er niet aan zijn bestaan aan een ander vast te ketenen. Maar niet alleen dat zijn uiterlijk een zoo gunstige waardeering bij den vrouwelijken Clan van »Auld Reeky”1ondervond, hij was ook zeer gezien bij de gezellen zijner jeugd, bij zijn medestudenten van de Hoogeschool, en had, volgens de overschoone gaëlische uitdrukking, den naam verworven, van »nimmer den rug naar vriend of vijand toe te keeren.”
Evenwel moet erkend worden, dat hij juist dien dag bij den aanval den rug naar miss Campbell toekeerde. Het is waar, miss Campbell was noch zijn vijandin noch zijn vriendin. Op de plaats, die hij innam, had hij dan ook den bal onmogelijk kunnen zien aankomen, die door het jonge meisje zoo heftig was voortgestuwd. Zoo kon het gebeuren, dat die nieuwe soort granaat het doek in het volle midden trof en het geheele schilderstoestel het onderste boven wierp.
Reeds bij den eersten blik had miss Campbell haren »held” van de Corryvrekan-kolk herkend, maar de held kon onmogelijk de jeugdige passagieres van deGlengarryherkennen. Ter nauwernood had hij miss Campbell bij het einde van den overtocht van het eiland Scarba naar Oban aan boord ontwaard. Indien hij evenwel geweten had, welk persoonlijk aandeel zij aan zijn redding genomen had, dan zou hij haar, al was het maar uit beleefdheid, van harte bedankt hebben: maar hij wist het niet, en waarschijnlijk zou hij daaromtrent altijd onkundig blijven.
Want inderdaad, dien zelfden dag verbood—ja, dit is het woord—verbood miss Campbell uitdrukkelijk, zoowel aan hare ooms als aan juffrouw Bess, alsook aan Partridge, ooit in tegenwoordigheid van dien jonkman, eenige toespeling te maken op hetgeen vóór en na de redding aan boord van deGlengarrywas voorgevallen.
Middelerwijl hadden de gebroeders Melvill na dat ongelukkig toeval met den bal, zich bij hunne nicht vervoegd, en waren zoo mogelijk nog meer uit het veld geslagen dan het jonge meisje. Zij begonnen met verontschuldigingen te stamelen jegens den jongen schilder, toen deze hen in de rede viel, zeggende:
»Mejuffrouw... Mijnheeren... ik verzeker u, dat het zoo veel woorden niet waard is!”
»Mijnheer...” zei broeder Sib met aandrang. »Wij zijn waarlijk ontsteld....”
»En wanneer de ramp onherstelbaar is, zooals het zich laat aanzien ....” voegde Sam er bij.
»Het is slechts een klein ongeluk en geen ramp!” antwoordde de jonkman lachende. »Het was slechts kladwerk, anders niet: ik verzeker het u. De bal heeft volkomen gerechtigheid gepleegd!”
Olivier Sinclair sprak die woorden zoo welgemoed uit, dat de gebroeders Melvill hem gaarne dadelijk de hand zouden gereikt hebben, wanneer dat zoo zonder voorafgaande plichtpleging had kunnen geschieden. Nu meenden zij verplicht te zijn de een aan den anderen voor te stellen, zoo als dat onder fatsoenlijke lieden betaamt.
»Mijnheer Samuel Melvill,” zei de een.
»Mijnheer Sebastiaan Melvill,” zei de ander.
»En hunne nicht, miss Campbell,” voegde Helena er bij, die zich er niet om bekreunde of zij wellicht ook de welvoegelijkheid te kort deed, door zich zelve voor te stellen.
Dat was een uitnoodiging tot den jonkman gericht, om ook zijn namen en kwaliteit bekend te maken.
»Miss Campbell en mijn heeren Melvill,” sprak hij met den meest mogelijken ernst, »ik zou kunnen volstaan met te zeggen, dat ik »Fock” heet, zoo als een der piketpaaltjes van uw spel, daar ik door den bal ben aangeraakt geworden. Maar openhartig, ik heet Olivier Sinclair.”
»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, die niet recht wist, hoe zij dit antwoord moest opvatten. »Nogmaals bied ik u mijn verontschuldiging aan voor...”
»En de onze ook,” riepen de gebroeders Melvill.
»Miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik herhaal dat het niets te beduiden heeft. Ik zocht een effect van deinende golven op het doek te brengen, en het is waarschijnlijk dat uw bal, even als de spons van ik weet niet meer welken schilder der oudheid, het gezochte effekt heeft te weeg gebracht, wat mijn penseel niet kan bereiken.”
Dat werd op zoo’n vriendelijken toon gezegd, dat miss Campbell en de gebroeders Melvill moesten lachen.
Olivier Sinclair raapte het doek op, dat evenwel geheel onbruikbaar gemaakt was. Hij moest dus opnieuw beginnen.
Het zal niet overbodig zijn op te merken, dat Aristobulus Beerenkooi zich weerhouden had, aan de wisseling van die verontschuldigingen en beleefdheidsvormen deel te nemen.
De partij was geëindigd en de jeugdige geleerde was nijdig, dat hij zijn theoretische kennis niet in overeenstemming met zijn practische bekwaamheid had kunnen brengen. Hij nam afscheid om weer naar zijn hotel terug te keeren; men zou hem in drie, vier dagen niet ziet, want hij vertrok naar het eiland Luing, een der kleine Hebriden, dat ten zuiden van het eiland Seil gelegen was, en alwaar hij uit een geologisch oogpunt de rijke leigroeven wilde bestudeeren.
Hij kon zich dus niet overgeven aan zijn uitleggingen over de projectielen-baan, wat hij voorzeker zou gedaan hebben, wanneer de gelegenheid zich daartoe had voorgedaan.
Olivier Sinclair vernam toen, dat hij niet geheel en al een onbekende was voor de gasten van Caledonian Hotel, en hij werd vervolgens op de hoogte gebracht omtrent de bizonderheden van den overtocht derGlengarry.
»Wat, miss Campbell, en gij mijn heeren!” riep hij uit, gij waart aan boord van dat stoomschip, hetwelk mij zoo juist van pas opgevischt heeft?”
»Ja, mijnheer Sinclair.”
»En gij hebt ons wel angstig gemaakt,” zei broeder Sib,»toen wij door een groot toeval uw schuitje ontwaarden, als verloren te midden van den maalstroom van de Corryvrekan-kolk.”
»Neen, geen toeval maar goddelijke bestiering,” zei broeder Sam, »en waarschijnlijk zonder de tusschenkomst van....”
Door een teeken gaf miss Campbell te kennen, dat zij niet als redster wenschte op te treden. De rol van onze lieve Vrouw der Schipbreukelingen zou zij nimmer willen vervullen.
»Maar mijnheer Sinclair, hoe kon die oude visscher, die u vergezelde, zoo onvoorzichtig zijn,” vroeg broeder Sam,»om zijn vaartuig in die vreeselijke stroomingen te sturen?....”
»Welker gevaren hij toch moest kennen, daar hij in deze streken te huis hoort?” vulde broeder Sib aan.
»Schort uw oordeel, heeren Melvill,”antwoorddeOlivier Sinclair. »de onvoorzichtigheid kwam van mijn kant, en is mij alleen te wijten. Een oogenblik vreesde ik, dat ik oorzaak van den dood van dien braven kerel zou zijn! Maar er waren zulke wonderlijke kleuren op de oppervlakte van die keerstroomingen, waar de zee aan een onmetelijk kantwerk gelijk was, uitgespreid op een blauwzijden ondergrond! En zonder er gevaar in te zien, naderde ik al meer en meer, om te midden van dat lichtend schuim eenige nieuwe schakeeringen op te vangen. En ik ging al meer en meer vooruit, steeds vooruit. De oude visscher bespeurde het gevaar wel, hij hield mij vertoogen, hij wilde naar de kust van het eiland Jura terugkeeren; maar ik had er geen ooren naar, totdat ons vaartuig in den stroom geraakte en onweerstaanbaar naar de kolk gesleept werd. Wij wildendie aantrekkingskracht weerstand bieden!.... Mijn makker werd door een golf gewond, en kon mij dus niet meer helpen, en ongetwijfeldzonder de aankomst van deGlengarry, zonder de toewijding van haren kapitein, zonder de menschlievendheid der passagiers zouden wij, mijn visscher en ik, reeds tot de legende behooren, en onze namen op de doodenlijst van de Corryvrekan-kolk prijken!”
De vlugge Pioneer stevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)De vluggePioneerstevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)
De vluggePioneerstevende Straat Kerrera door (bladz. 104.)
Miss Campbell had, zonder een woord te laten ontsnappen, den jonkman aangehoord. Verscheidene malen vestigde zij haar schoone oogen op hem. Hij van zijn kant vermeed haar met zijn blikken te hinderen. Zij kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij zijn jacht, of beter zijn visscherij op zeeschakeeringen schetste. Vervolgde zij ook niet een dergelijk droombeeld, wel is waar minder gevaarlijk? Was de jacht op den groenen Straal ook niet een jacht op een schakeering, niet der zee maar van het luchtgewelf? Zelfs de gebroeders Melvill maakten er de opmerking van en verhaalden het motief, dat hen naar Oban gevoerd had, namelijk de waarneming van een natuurverschijnsel, waarvan men den aard aan den jongen schilder mededeelde.
»De Groene Straal!” riep Sinclair uit.
»Zoudt gij hem reeds gezien hebben, mijnheer?” vroeg het jonge meisje levendig. »Zoudt gij hem reeds gezien hebben?”
»Neen, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik weet zelfs niet of er ergens een Groene Straal bestaat! Neen, waarlijk niet! Welnu, ook ik wensch hem thans te zien. De zon zal geen enkele maal meer achter de kim wegduiken, zonder dat ik daarvan getuige zal zijn! En ik zweer bij Sint Dunstan! dat ik geen ander groen op mijn palet zal gebruiken, dan het groen van dien laatsten straal!”
Het was moeilijk uit te maken, of Olivier Sinclair hier niet een weinig spot bedoelde, of dat hij zich door zijn kunstzin liet vervoeren. Een geheime stem fluisterde miss Campbell toe, dat de jonkman niet spotte.
»Mijnheer Sinclair,” sprak zij, »de Groene Straal is mijn eigendom niet. Hij schittert voor iedereen! Hij verliest niets in waarde, omdat hij zich aan verschillende belangstellenden te gelijkertijd vertoont. Wij zouden dus kunnen trachten hem samen te zien.”
»Zeer gaarne, miss Campbell!”
»Maar, gij zult zeer veel geduld moeten oefenen.”
»Welnu, dat zullen wij! Wij zullen....”
»Niet mogen vreezen om pijn aan de oogen te krijgen,” zei broeder Sam.
»Mij dunkt dat de Groene Straal wel waard is, dat er aan te wagen,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ik zal Oban niet verlaten, zonder hem gezien te hebben, dat beloof ik.”
»Wij zijn reeds naar het eiland Seil gegaan, om dien Straalwaartenemen, maar een klein wolkje benevelde de kim, juist op het oogenblik toen de zon onderging.”
»Dat was een ware noodlottigheid!”
»Ja, inderdaad een noodlottigheid, mijnheer Sinclair; want sedert dien dag hebben wij geen volmaakt helderen dampkring meer gehad.”
»Wij moeten den moed niet laten zakken, miss Campbell. De zomer is nog niet ten einde en voor dat het kwade seizoen zal ingetreden zijn, zal de zon wel de mildheid hebben ons haren Groenen Straal te vertoonen, weest daar verzekerd van.”
»Moet ik u alles bekennen, mijnheer Sinclair?” hernam miss Campbell. »Welnu, wij zouden in den avondstond van den 2denAugustus dien Groenen Straal zeker op de kim van de Corryvrekan kolk hebben kunnen waarnemen, wanneer onze aandacht niet ware afgeleid door een zekere redding....”
»Wat, miss Campbell, ik zou lomp genoeg geweest zijn om in zoo’n oogenblik uw blikken af te leiden! mijn dwaze onvoorzichtigheid komt u den Groenen Straal te staan. Maar dan moet ik u verontschuldiging aanbieden, en ik betuig u hiermede mijn leedwezen over die ontijdige verschijning van mijn persoon! Wees verzekerd, dat het niet weer zal gebeuren.”
En men keuvelde over koetjes en kalfjes, terwijl men naar het Caledonian Hotel terug wandelde, waarin ook Olivier Sinclair zeer toevallig den vorigen avond, bij zijn terugkeer van een uitstapje in de omstreken van Dalmaly, zijn intrek had genomen. Het jonge mensch, wiens ronde manieren en wiens aanstekelijke opgeruimdheid de gebroeders Melvill volstrekt niet mishaagden, kwam in den loop van het gesprek er toe om van Edinburg en van zijn oom den baljuw Patrick Oldimer te praten. Toen bleek het, dat de gebroeders Melvill vroeger gedurende eenige jaren met den baljuw Oldimer hadden omgegaan. Weleer hadden vriendschappelijke banden tusschen de beide familiën bestaan, die alleen door den verren afstand van elkander gestaakt waren geworden. Men was elkander dus niet meer vreemd. Olivier Sinclair ontving dan ook de uitnoodiging om de vriendschapsbanden met de Melvills te vernieuwen, wat hij gaarne deed, vooral omdat er geen enkele reden bestond, om zich elders dan te Oban te vestigen. Hij verklaarde dan ook, dat hij er blijven wilde, om deel te nemen aan de opsporing van den befaamden Straal.
Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij ontmoetten elkander veelvuldig op het strand van Oban in de daarop volgende dagen. Te zamen deden zij waarnemingen omtrent de vermoedelijke weersveranderingen. Tien keeren op een dag raadpleegden zij den barometer, die wel eenige neiging tot stijgen vertoonde. En waarlijk, in den morgen van den 14denAugustusoverschreed de beminnenswaardigewijzer van het instrument dertig duim en zeven tiende.
Met welk gevoel van tevredenheid bracht Olivier Sinclair die goede tijding aan miss Campbell! De hemel was helder en rein als het oog eener madonna. Een fraai azuur tintte het uitspansel, zacht overgaande in de meest uiteenloopende nuanceeringen van af het indigo- tot het ultramarijn-blauw! Geen enkele damp van hygrometrischen aard was te bespeuren. Het vooruitzicht bestond, dat de avond overheerlijk zou zijn, en dat men een zonsondergang zou genieten, zoo scherp zuiver, als de sterrenkundigen van eenige sterrenwacht zouden kunnen verlangen!
»Als wij nu bij zonsondergang onzen straal niet zien zullen, dan moeten wij blind zijn!” zei Olivier Sinclair.
»Hoort gij, waarde oompjes!” zei miss Campbell. »Hoort gij wel, het zal van avond plaats hebben!”
Men kwam overeen dat men vóór het diner naar het eiland Seil zou vertrekken, wat dan ook tegen ongeveer vijf uur geschiedde.
Miss Campbell zat overgelukkig met den niet minder gelukkigen Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, die zich ook al vroolijk en tevreden gevoelden in het rijtuig, dat hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. Men zou waarlijk kunnen beweren, dat zij de zon met zich op den bok van het rijtuig voerden, en het vierspan, dat flink voortspoedde, de vurige paarden van Apollo, den god des dags, waren!
Op het eiland Seil aangekomen, hadden de reeds bij voorbaat verrukte waarnemers een gezichteinder voor zich, waarvan de helderheid door niets bevlekt werd. Zij kozen tot waarnemingspost het uiteinde van een zeer smalle kaap, die zich een mijl ver in zee uitstrekte en twee kleine inhammen in de kust van elkander scheidde. Niets kon daar over een vierde gedeelte van den gezichtseindersboog het panorama van het westen belemmeren.
»Hij kan ons dus niet ontsnappen, die grillige straal, die zoo veel preutschheid aan den dag legt om zich te laten zien,” zei Olivier Sinclair.
»Dat geloof ik ook,” antwoordde broeder Sam.
»En ik ben er zeker van,”vulde broeder Sib aan.
»En ik hoop het,” uitte miss Campbell, terwijl zij den vlekkeloozen hemel en de zee beschouwde, die zich daar eenzaam voor haar uitstrekte. Waarlijk, alles kondigde aan dat het natuurverschijnsel zich bij zonsondergang in al zijn pracht zou vertoonen. Reeds daalde de schitterende dagvorstin langs een schuine lijn, en bevond zich nog slechts weinige graden boven den horizon. Haar roode schijf tintte den achtergrond van het uitspansel gelijkmatig als met vuur en trok een lange verblindende streep over de oppervlakte van het kalme water der zee.
De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)
De zee!.... Een scheikundige verbinding. (bladz. 110.)
Allen stonden daar opgetogen over dat fraaie gezicht, de verschijningaf te wachten, en zagen de zon, die langzaam, aan een overgrooten luchtsteen gelijk, onderdook. Plotseling ontsnapte een onwillekeurigekreet aan miss Campbell, die met een angstigen uitroep, door de gebroeders Melvill en door Olivier Sinclair uitgestooten, beantwoord werd.
Een sloep kwam van achter het eilandje Eastdale, dat in de nabijheid als aan den voet van het eiland Seil gelegen is. Die sloep stevende langzaam westwaarts. Haar zeil, als in een vuurscherm gevat, stak helder boven de kim uit. Zou dat nu de zon gaan bedekken, juist op het oogenblik, dat zij zou ondergaan?
Het was hier een kwestie vanseconden. Men kon niet meer terug, om rechts of links een andere waarnemingsplek te kiezen, ten einde de zon weer ongehinderd te kunnen aanschouwen. Daartoe was geen tijd meer, de geringe oppervlakte der kaap liet niet toe zich zoover te bewegen om weer in de as der zon te geraken.
Miss Campbell was wanhopig over dien tegenspoed. Zij liep heen en weer over de rotsen, terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren de aandacht van den opvarende dier sloep tot zich zocht te trekken, en zoo hard hij kon schreeuwde, dat zij hun zeil zouden strijken.
Alles te vergeefs. Men zag hem niet en men kon hem onmogelijk hooren. De sloep, door een zachte bries voortgestuwd, stevende steeds westwaarts op.
Juist toen de bovenrand der zonneschijf zou verdwijnen, gleed het zeil der sloep tusschen haar en de toeschouwers, en werd zij door datondoorzichtbaartrapezium bedekt.
Dat was een ware teleurstelling! Ditmaal had de Groene Straal te midden van die zuivere kim geschitterd. Hij was evenwel afgestuit op dat lompje zeil, zonder het voorgebergte te kunnen bereiken, alwaar zoo vele blikken hem gretig bespiedden.
Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill stonden daar als versteend op die plek, teleurgesteld als zij waren, en meer verbitterd dan zulk een ongelukkig toeval eigenlijk wel waard was. Zij vergaten werkelijk heen te gaan, en verwenschten dat vaartuig en de personen die er in waren.
De sloep legde evenwel aan in een kleine kreek van het eiland Seil, die zich aan den voet van het voorgebergte bevond.
Een passagier sprong daaruit in dit oogenblik, en liet aan boord twee zeelieden, die hem van het eiland Luing langs den weg der volle zee overgevoerd hadden. Hij naderde langs het strand en beklom de voorste rotsen, met het doel om het uiteinde der kaap te bereiken.
De onwelkome gast had voorzeker de groep waarnemers, die op het plat van het voorgebergte stond, herkend; want hij groette de aanwezigen met een gebaar dat een zekere gemeenzaamheid verried.
»Mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell.
»Hij! was hij het?!” riepen de gebroeders Melvill.
»Wie kan die mijnheer zijn?” dacht Olivier Sinclair.
Ja, het was Aristobulus Beerenkooi in persoon, die een wetenschappelijk uitstapje, dat verscheidene dagen geduurd had, naar het eiland Luing had gemaakt.
Het zal wel onnoodig zijn te zeggen, hoedanig hij verwelkomd werd door hen, wier dierbaarsten wensch hij in zijn vervulling had verijdeld.
Broeder Sam en broeder Sib vergaten in zooverre de welvoegelijkheid, dat zij er zelfs niet aan dachten Olivier Sinclair aan Aristobulus Beerenkooi voor te stellen. Zij sloegen beiden de oogen neer en vermochten tegenover Helena’s ontevredenheid den blik niet te slaan op dien aanstaande hunner keuze.
Miss Campbell, de kleine handjes te zamen geknepen, de armen over de borst gekruist, keek hem aan met bliksemende oogen, zonder een woord te spreken. Eindelijk na een poos ontsnapten deze woorden aan haren mond:
»Mijnheer Beerenkooi, gij hadt kunnen nalaten zoo van pas te komen om een onhandigheid te bedrijven.”
1Auld Reeky beteekent oude berookte, en is een bijnaam van Edinburg.
1Auld Reeky beteekent oude berookte, en is een bijnaam van Edinburg.
XII.Nieuwe plannen.De terugtocht naar Oban werd onder veel minder aangename omstandigheden volbracht dan de heenreis naar het eiland Seil. Men was vertrokken in den waan van een goeden uitslag te verkrijgen en men kwam terug onder den invloed eener teleurstelling.Kon de tegenspoed, die miss Campbell ondervond, door iets gelenigd worden, dan was het dat hij door Aristobulus Beerenkooi veroorzaakt was. Zij had het recht dien grooten schuldige met verwijten te overladen, en hem de uitwerksels van haren toorn te doen gevoelen. En zij maakte van dat recht gebruik. De gebroedersMelvillzouden het niet gewaagd hebben, hem bij haar te verontschuldigen. Neen! het vaartuig van dien lomperd, waaraan niemand zijn aandacht geschonken had, was gekomen juist op het oogenblik, dat de zon haar laatsten straal schoot, om den horizon voor de waarnemers te bedekken! Ziet, dat zijn van die zaken, die niet vergeten kunnen worden!Het behoeft niet gezegd, dat Aristobulus Beerenkooi die, na die lompheid, zich nog een spotternij met betrekking tot den GroenenStraal veroorloofd had, weer in zijn sloep was gestapt, om naar Oban terug te zeilen. En hij had daarin zeer wijselijk gehandeld; want meer dan waarschijnlijk zou men hem geen plaats in dekalès, zelfs niet in het bakje van achteren, aangeboden hebben.Zoo had dus de Zonsondergang tweemaal plaats gehad, onder omstandigheden, waarbij de waarneming van het natuurverschijnsel een onmogelijkheid bleek. Reeds twee maal had de vurige blik van miss Campbell zich te vergeefs blootgesteld aan de schitterende liefkoozingen der dagvorstin, die een beneveling van haar gezicht voor den duur van eenige uren veroorzaakten! Eerst had de redding van Olivier Sinclair, nu de voorbijtocht van Aristobulus Beerenkooi haar een gelegenheid doen missen, die zich wellicht in langen tijd niet weer zou voordoen! In beide gevallen waren, wel is waar, die verhinderende omstandigheden niet gelijk geweest, waardoor zij den eenen met zooveel vuur verontschuldigde, als zij den andere hard viel. Wie zou den moed hebben, haar van partijdigheid te betichten?Den volgenden ochtend wandelde Olivier Sinclair, in zijn droomerijen verzonken, op het strand te Oban.Wie was toch die mijnheer Aristobulus Beerenkooi! Een bloedverwant van miss Campbell en der gebroeders Melvill? Of slechts een vriend? In ieder geval was het toch een bekende in huis, dat was wel op te maken uit de wijze waarop miss Campbell zich aan haar verwijtingen over zijn onhandigheid overgegeven had. Welnu wat kon hem, Olivier Sinclair, dat schelen? Wanneer hij wilde weten waaraan zich daaromtrent te houden, dan had hij immers slechts broeder Sam of broeder Sib te ondervragen.... Maar dit was het juist wat hij wenschte te vermijden en wat hij dan ook niet deed.Toch ontbraken hem de gelegenheden daartoe niet; want iederen dag ontmoette hij de twee broeders, die steeds te zamen wandelden; want niemand kon er zich op beroemen ooit den eenen zonder den anderen ontmoet te hebben. Somtijds begeleidden zij hunne nicht bij haar wandelingen op het strand. Men keuvelde over duizenderlei zaken, maar voornamelijk over het weer, hetgeen bij de gegeven omstandigheden en personen precies geen onderwerp genoemd kan worden, om over te praten zonder iets te zeggen. Zou men ooit nog in dit seizoen een dier kalme avonden beleven, wier terugkeer men bespiedde om weer naar het eiland Seil te gaan? Het was te betwijfelen. Want inderdaad, sedert die twee prachtige avonden van den 2denen den 14denAugustus, heerschte slechts ongestadig weer, vertoonden zich slechts onweerswolken; de warmte veroorzaakte dichte dampen bij de kim, die door electriciteitsontladingen verscheurd werden, en zoo die niet den gezichteinder bedekten, dan waren het dichte avondnevels, in een woord, het alleste zamen was wel geschikt om een leerling in de sterrenkunde diezich aan zijn kijker vastklemt en van een herziening van de hemelkaart droomt, tot vertwijfeling te brengen!Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)Waarom niet ronduit bekennen, dat de jonge schilder nu even zoo verzot op den Groenen Straal was als miss Campbell? Hij had dat stokpaardje in gezelschap van dat schoone lieve meisje bestegen. Hij dwaalde thans met haar in de onmetelijke uitgestrektheid van het luchtruim rond. Hij koesterde die gril met niet minder vuur, om niet te zeggen: met niet minder ongeduld dan zijn jeugdige gezellin. Oh! hij was geen Aristobulus Beerenkooi, wiens brein verloren was in de nevelachtige hoogten en diepten der hoogere wetenschap en koesterde geen geringschatting voor een eenvoudig optisch natuurverschijnsel. Beiden begrepen elkander en beiden verlangden tot die zeldzaam bevoorrechte wezens te hooren, die door de verschijning van den Groenen Straal vereerd zouden worden.»O! wij zullen hem zien, miss Campbell,” herhaalde Olivier Sinclair, »wij zullen hem zien, al moest ik hem zelf gaan ontvonken! Want goed gerekend, is het mijn schuld, dat hij u dien eersten keer ontsnapte, en ik ben net zoo schuldig, als die mijnheer Beerenkooi.... uw bloedverwant.... geloof ik?”»Neen.... mijn verloofde.... zoo als het schijnt,” antwoordde dien dag miss Campbell in de grootste verwarring, terwijl zij zich met eenigen spoed verwijderde, om zich bij haar ooms te voegen, die te zamen iets vooruit kuierden en elkander een snuifje aanboden.Haar verloofde! De uitwerking door dat eenvoudig antwoord, maar nog meer door den toon, waarop het gegeven werd, op Olivier Sinclair te weeg gebracht, was merkwaardig! Welnu, wat zou dat? waarom zou dat jeugdige pedante wezen haar verloofde niet zijn? Onder die omstandigheden kon ten minste zijn tegenwoordigheid te Oban verklaard worden. Dat hij zoo onbehendig geweest was, om zijn persoon tusschen de ondergaande zon en miss Campbell te plaatsen, daaruit volgde nog niet... Wat volgde daar niet uit? Waarachtig, Olivier Sinclair zou wel verlegen gestaan hebben, wanneer hij die vraag had moeten beantwoorden.Na twee dagen afwezig geweest te zijn, was Aristobulus Beerenkooi intusschen weer te voorschijn gekomen. Olivier Sinclair zag hem verscheidene malen, als hij in gezelschap der gebroeders Melvill wandelde, die hem geen kwaad hart hadden blijven toedragen. Hij scheen goed bevriend met hen te zijn. De jeugdige geleerde en de jeugdige artist hadden elkander reeds herhaaldelijk, hetzij op het strand, hetzij in de salons van het Caledonian-Hôtel ontmoet. Eindelijk waren de twee ooms er toe overgegaan hen aan elkander voor te stellen.»Mijnheer Aristobulus Beerenkooi, van Dumfries!”»Mijnheer Olivier Sinclair, van Edinburg!”Die plichtpleging had den beiden jongelieden een middelmatigengroet gekost, een van die eenvoudige hoofdbuigingen, waaraan het lichaam in een bovenmatige stijve houding geen deel neemt. Klaarblijkelijk zou nimmer eenige sympathie tusschen die twee uiteenloopende karakters geboren worden. De een verdiepte zichin ’s Blaue hinein, alsof hij sterren wilde plukken; de andere beijverde zich, de loopbanen van die sterren te berekenen; de een als artist zocht geen wetenschappelijken roem te verwerven, de andere vervaardigde zich van de wetenschap een voetstuk, waarop hij de houding van een beroemd man aannam.Wat miss Campbell aangaat, zij mokte tegen Aristobulus Beerenkooi. Was hij in de nabijheid, dan deed zij of zij zijn tegenwoordigheid niet bemerkte; ging hij voorbij, dan wendde zij zichtbaar het hoofd af. In één woord, zij bejegende hem met al de stijfheid der Britsche vormelijkheid. De gebroeders Melvill gaven zich veel moeite om weer goed te maken, wat het schoone kind bedierf. Volgens hun meening zou dat alles wel weer te recht komen, vooral wanneer die grillige straal zich maar wilde vertoonen.In afwachting daarvan nam Aristobulus Beerenkooi Olivier Sinclair met scherpen blik op, over zijn brilleglazen heen. Dat is een zeer gewone wijze van handelen bij de kortzichtigen, die steeds willen waarnemen en zien, zonder er den schijn van te hebben. En wat nam hij waar? De overgroote zucht van den jonkman om zich in de nabijheid van miss Campbell te bevinden, het vriendelijk onthaal, dat het jonge meisje hem bij iedere gelegenheid bereidde. Dit alles stond hem voorzeker niet aan. Maar aan zijn bekoorlijkheden niet twijfelende, was hij niet ongerust, en hield zich op den achtergrond.Bij den ongestadigen dampkring, bij den barometer, welks wijzer geen rustpunt kon vinden, en zich slechts in de nabijheid van »veranderlijk” bewoog, werd aller geduld wel op een harde proef gesteld. Er werden nog twee of drie uitstapjes naar het eiland Seil ondernomen, in de hoop om, al was het maar voor weinige oogenblikken, bij zonsondergang een geheel wolkeloozen horizon aan te treffen. Het was vergeefsche moeite! Het eenige wat de teleurstelling lenigde, was dat Aristobulus Beerenkooi er geen deel aan nam. Zoo werd het 23 Augustus, zonder dat het luchtverschijnsel de moeite genomen had, zich te vertoonen.Toen werd die gril een allesbeheerschend denkbeeld, dat ieder ander uitsloot. Het had er wel wat van of onze bekenden bezeten waren. Zij droomden er dag en nacht van en wel zoo, dat er voor een nieuwe soort monomanie gevreesd werd, en dat in een tijd dat die soorten reeds ontelbaar zijn. Onder dien geestesdwang, veranderden alle kleuren in een eenige: de blauwe hemel scheen groen, de wegen waren groen, het strand was groen, de rotsen waren groen, het water en de wijn waren zelfs groen als absinth. De gebroedersMelvill verbeeldden zich, dat zij in het groen gekleed waren, en zagen elkander voor groote groene papegaaien aan, die groene snuif uit een groene snuifdoos snoven. In één woord was het een groene waanzin! Zij waren allen met een soort daltonisme geslagen, en de professoren in oog- en gezichtkunde zouden daar een heerlijk onderwerp aangetroffen hebben, om zeer belangrijke behandelingen in hun oogheelkundige werken op te nemen. Dat kon niet lang meer zoo duren.Olivier Sinclair kwam gelukkig op een gedachte.»Miss Campbell,” zei hij dien dag, »en gij heeren Melvill, vergeeft mij, maar mij dunkt, dat wij, alles wel beschouwd, zeer slecht te Oban zijn om het natuurverschijnsel in kwestie waar te kunnen nemen.”»Aan wien de schuld?” vroeg miss Campbell, waarbij zij met strengen blik de beide misdadigers monsterde, die de oogen verlegen neersloegen.»Hier te Oban is geen zeehorizon!” hernam de jonge schilder. »Vandaar de verplichting om dien op het eiland Seil te gaan opzoeken, op gevaar af om er niet te zijn, wanneer wij er wezen moesten!”»Dat ’s helder als de dag!” antwoordde miss Campbell. »Inderdaad, ik begrijp niet, waarom mijn ooms juist dit verschrikkelijk oord voor onze waarneming gekozen hebben!”»Waardste Helena!” prevelde oom Sam, die in zijn verlegenheid eigenlijk niet wist wat te antwoorden. »Wij hadden gedacht....”»Ja.... wij hadden.... hetzelfde gedacht....” vulde broeder Sib aan, alsof hij hem te hulp wilde komen.»Dat de zon zich verwaardigen zou, ook ten aanschouwe van Oban, in de golven onder te gaan....”»Daar Oban toch aan den zeeoever gelegen is!”»Dat alles hebben mijn ooms slecht bedacht,” antwoordde miss Campbell, »zeer slecht bedacht, daar de zon, zooals gij ziet, er niet in zee ondergaat.”»Waarlijk!” hernam broeder Sam. »Er doen zich van die ongelukseilanden voor, die den gezichtskring beperken!”»Gij hadt toch het plan niet om die eilanden te doen springen....?” vroeg miss Campbell.»O! als dat mogelijk was geweest, zou het reeds geschied zijn!” antwoordde broeder Sib op vastberaden toon.»Wij kunnen toch op het eiland Seil niet gaan kampeeren!” merkte broeder Sam op.»En waarom niet?”»Waarde Helena, als ge dat volstrekt wilt....”»Ja, volstrekt!”»Kom, laten wij dan vertrekken!” antwoordden broeder Sam en broeder Sib met gelatenheid.En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)En die beide goedige onderworpen wezens verklaarden, dat zij gereedwaren om dadelijk Oban te verlaten. Maar Olivier Sinclair kwam tusschen beiden.»Miss Campbell,” zei hij, »veroorloof mij, dat ik in meening met u verschil. Er valt heel wat beters te doen, dan zich op het eiland Seil te gaan vestigen.”»Spreek, mijnheer Sinclair, en wanneer uw raad beter is, dan zullen mijn ooms niet weigeren hem op te volgen, daarvan ben ik verzekerd.”De gebroeders Melvill maakten een hoofdbuiging, die zóó volmaakt gelijktijdig was, dat die twee ooms nooit meer op elkander geleken dan in dat oogenblik.»Het eiland Seil,” hernam Olivier Sinclair, »is waarlijk niet geschikt om er te kunnen wonen, al was het maar voor weinige dagen. Zijt gij in de noodzakelijkheid om geduld te oefenen, miss Campbell, dan behoeft gij dat toch niet ten koste van uw welzijn te doen. Ik heb bovendien opgemerkt, dat ook te Seil de gezichteinder door de gesteldheid der kusten eenigermate beperkt is. Wanneer wij tegen aller verwachting langer moeten wachten dan wij hopen, wanneer ons verblijf tot eenige weken zou moeten aangroeien, zou de zon, die thans meer en meer naar het zuiden afzakt, achter het eiland Colonsay of achter het eiland Oronsay of zelfs achter het groote Islay ondergaan, en zou onze waarneming ook door gebrek aan een voldoende kim even onmogelijk worden.”»Waarlijk,” zei Miss Campbell, »dat zou de genadeslag moeten heeten!”»Maar dien kunnen wij ontgaan, wanneer wij een oord opzoeken, buiten den Hebriden-archipel gelegen, een oord, dat de onmetelijkheid van den geheelen Atlantischen Oceaan voor zich heeft.”»Kent gij zoo’n oord, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell met levendigheid.De gebroeders Melvill hingen aan de lippen van den jonkman. Wat ging hij antwoorden? Waarheen voor den drommel zou die gril hunner nicht hen bij slot van rekening voeren? Op welke uiterste grens van de beschaafde wereld zouden zij zich moeten vestigen, om aan dat vreemde verlangen te voldoen?Olivier Sinclair stelde hen al dadelijk gerust, althans voorshands.»Er bestaat een oord, miss Campbell,” zei hij, »niet ver van hier, dat naar mijn meening alle mogelijke voorwaarden in zich vereenigt. Het is achter de hoogten van Mull gelegen, die nu den gezichteinder van Oban ten Westen beperken. Het is een der kleine Hebriden-eilanden, dat het verste in den Atlantischen Oceaan uitspringt, het is het bekoorlijke eiland Jona.”»Jona!” riep miss Campbell uit. »Jona! hoort ge niet, oom Sam, oom Sib? Zijn we er nog niet?”»Wij zullen er morgen zijn,” antwoordde broeder Sib.»Morgen vóór zonsondergang,” bevestigde broeder Sam.»Kom, op reis dan!” zei miss Campbell,»en vinden wij te Jona dien uitgestrekten gezichteinder niet, dien wij verlangen, dan zullen wij een ander punt der kuststrook opzoeken van af John O’Groats, het meest noordelijke einde van Schotland tot Landsend, de meest zuidelijke punt van Engeland toe en als wij dan niet vinden, dan...!”»Wel dan zullen wij een reis rondom de wereld maken, dat is zeer eenvoudig,” lachte Olivier Sinclair.
De terugtocht naar Oban werd onder veel minder aangename omstandigheden volbracht dan de heenreis naar het eiland Seil. Men was vertrokken in den waan van een goeden uitslag te verkrijgen en men kwam terug onder den invloed eener teleurstelling.
Kon de tegenspoed, die miss Campbell ondervond, door iets gelenigd worden, dan was het dat hij door Aristobulus Beerenkooi veroorzaakt was. Zij had het recht dien grooten schuldige met verwijten te overladen, en hem de uitwerksels van haren toorn te doen gevoelen. En zij maakte van dat recht gebruik. De gebroedersMelvillzouden het niet gewaagd hebben, hem bij haar te verontschuldigen. Neen! het vaartuig van dien lomperd, waaraan niemand zijn aandacht geschonken had, was gekomen juist op het oogenblik, dat de zon haar laatsten straal schoot, om den horizon voor de waarnemers te bedekken! Ziet, dat zijn van die zaken, die niet vergeten kunnen worden!
Het behoeft niet gezegd, dat Aristobulus Beerenkooi die, na die lompheid, zich nog een spotternij met betrekking tot den GroenenStraal veroorloofd had, weer in zijn sloep was gestapt, om naar Oban terug te zeilen. En hij had daarin zeer wijselijk gehandeld; want meer dan waarschijnlijk zou men hem geen plaats in dekalès, zelfs niet in het bakje van achteren, aangeboden hebben.
Zoo had dus de Zonsondergang tweemaal plaats gehad, onder omstandigheden, waarbij de waarneming van het natuurverschijnsel een onmogelijkheid bleek. Reeds twee maal had de vurige blik van miss Campbell zich te vergeefs blootgesteld aan de schitterende liefkoozingen der dagvorstin, die een beneveling van haar gezicht voor den duur van eenige uren veroorzaakten! Eerst had de redding van Olivier Sinclair, nu de voorbijtocht van Aristobulus Beerenkooi haar een gelegenheid doen missen, die zich wellicht in langen tijd niet weer zou voordoen! In beide gevallen waren, wel is waar, die verhinderende omstandigheden niet gelijk geweest, waardoor zij den eenen met zooveel vuur verontschuldigde, als zij den andere hard viel. Wie zou den moed hebben, haar van partijdigheid te betichten?
Den volgenden ochtend wandelde Olivier Sinclair, in zijn droomerijen verzonken, op het strand te Oban.
Wie was toch die mijnheer Aristobulus Beerenkooi! Een bloedverwant van miss Campbell en der gebroeders Melvill? Of slechts een vriend? In ieder geval was het toch een bekende in huis, dat was wel op te maken uit de wijze waarop miss Campbell zich aan haar verwijtingen over zijn onhandigheid overgegeven had. Welnu wat kon hem, Olivier Sinclair, dat schelen? Wanneer hij wilde weten waaraan zich daaromtrent te houden, dan had hij immers slechts broeder Sam of broeder Sib te ondervragen.... Maar dit was het juist wat hij wenschte te vermijden en wat hij dan ook niet deed.
Toch ontbraken hem de gelegenheden daartoe niet; want iederen dag ontmoette hij de twee broeders, die steeds te zamen wandelden; want niemand kon er zich op beroemen ooit den eenen zonder den anderen ontmoet te hebben. Somtijds begeleidden zij hunne nicht bij haar wandelingen op het strand. Men keuvelde over duizenderlei zaken, maar voornamelijk over het weer, hetgeen bij de gegeven omstandigheden en personen precies geen onderwerp genoemd kan worden, om over te praten zonder iets te zeggen. Zou men ooit nog in dit seizoen een dier kalme avonden beleven, wier terugkeer men bespiedde om weer naar het eiland Seil te gaan? Het was te betwijfelen. Want inderdaad, sedert die twee prachtige avonden van den 2denen den 14denAugustus, heerschte slechts ongestadig weer, vertoonden zich slechts onweerswolken; de warmte veroorzaakte dichte dampen bij de kim, die door electriciteitsontladingen verscheurd werden, en zoo die niet den gezichteinder bedekten, dan waren het dichte avondnevels, in een woord, het alleste zamen was wel geschikt om een leerling in de sterrenkunde diezich aan zijn kijker vastklemt en van een herziening van de hemelkaart droomt, tot vertwijfeling te brengen!
Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)
Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)
Waarom niet ronduit bekennen, dat de jonge schilder nu even zoo verzot op den Groenen Straal was als miss Campbell? Hij had dat stokpaardje in gezelschap van dat schoone lieve meisje bestegen. Hij dwaalde thans met haar in de onmetelijke uitgestrektheid van het luchtruim rond. Hij koesterde die gril met niet minder vuur, om niet te zeggen: met niet minder ongeduld dan zijn jeugdige gezellin. Oh! hij was geen Aristobulus Beerenkooi, wiens brein verloren was in de nevelachtige hoogten en diepten der hoogere wetenschap en koesterde geen geringschatting voor een eenvoudig optisch natuurverschijnsel. Beiden begrepen elkander en beiden verlangden tot die zeldzaam bevoorrechte wezens te hooren, die door de verschijning van den Groenen Straal vereerd zouden worden.
»O! wij zullen hem zien, miss Campbell,” herhaalde Olivier Sinclair, »wij zullen hem zien, al moest ik hem zelf gaan ontvonken! Want goed gerekend, is het mijn schuld, dat hij u dien eersten keer ontsnapte, en ik ben net zoo schuldig, als die mijnheer Beerenkooi.... uw bloedverwant.... geloof ik?”
»Neen.... mijn verloofde.... zoo als het schijnt,” antwoordde dien dag miss Campbell in de grootste verwarring, terwijl zij zich met eenigen spoed verwijderde, om zich bij haar ooms te voegen, die te zamen iets vooruit kuierden en elkander een snuifje aanboden.
Haar verloofde! De uitwerking door dat eenvoudig antwoord, maar nog meer door den toon, waarop het gegeven werd, op Olivier Sinclair te weeg gebracht, was merkwaardig! Welnu, wat zou dat? waarom zou dat jeugdige pedante wezen haar verloofde niet zijn? Onder die omstandigheden kon ten minste zijn tegenwoordigheid te Oban verklaard worden. Dat hij zoo onbehendig geweest was, om zijn persoon tusschen de ondergaande zon en miss Campbell te plaatsen, daaruit volgde nog niet... Wat volgde daar niet uit? Waarachtig, Olivier Sinclair zou wel verlegen gestaan hebben, wanneer hij die vraag had moeten beantwoorden.
Na twee dagen afwezig geweest te zijn, was Aristobulus Beerenkooi intusschen weer te voorschijn gekomen. Olivier Sinclair zag hem verscheidene malen, als hij in gezelschap der gebroeders Melvill wandelde, die hem geen kwaad hart hadden blijven toedragen. Hij scheen goed bevriend met hen te zijn. De jeugdige geleerde en de jeugdige artist hadden elkander reeds herhaaldelijk, hetzij op het strand, hetzij in de salons van het Caledonian-Hôtel ontmoet. Eindelijk waren de twee ooms er toe overgegaan hen aan elkander voor te stellen.
»Mijnheer Aristobulus Beerenkooi, van Dumfries!”
»Mijnheer Olivier Sinclair, van Edinburg!”
Die plichtpleging had den beiden jongelieden een middelmatigengroet gekost, een van die eenvoudige hoofdbuigingen, waaraan het lichaam in een bovenmatige stijve houding geen deel neemt. Klaarblijkelijk zou nimmer eenige sympathie tusschen die twee uiteenloopende karakters geboren worden. De een verdiepte zichin ’s Blaue hinein, alsof hij sterren wilde plukken; de andere beijverde zich, de loopbanen van die sterren te berekenen; de een als artist zocht geen wetenschappelijken roem te verwerven, de andere vervaardigde zich van de wetenschap een voetstuk, waarop hij de houding van een beroemd man aannam.
Wat miss Campbell aangaat, zij mokte tegen Aristobulus Beerenkooi. Was hij in de nabijheid, dan deed zij of zij zijn tegenwoordigheid niet bemerkte; ging hij voorbij, dan wendde zij zichtbaar het hoofd af. In één woord, zij bejegende hem met al de stijfheid der Britsche vormelijkheid. De gebroeders Melvill gaven zich veel moeite om weer goed te maken, wat het schoone kind bedierf. Volgens hun meening zou dat alles wel weer te recht komen, vooral wanneer die grillige straal zich maar wilde vertoonen.
In afwachting daarvan nam Aristobulus Beerenkooi Olivier Sinclair met scherpen blik op, over zijn brilleglazen heen. Dat is een zeer gewone wijze van handelen bij de kortzichtigen, die steeds willen waarnemen en zien, zonder er den schijn van te hebben. En wat nam hij waar? De overgroote zucht van den jonkman om zich in de nabijheid van miss Campbell te bevinden, het vriendelijk onthaal, dat het jonge meisje hem bij iedere gelegenheid bereidde. Dit alles stond hem voorzeker niet aan. Maar aan zijn bekoorlijkheden niet twijfelende, was hij niet ongerust, en hield zich op den achtergrond.
Bij den ongestadigen dampkring, bij den barometer, welks wijzer geen rustpunt kon vinden, en zich slechts in de nabijheid van »veranderlijk” bewoog, werd aller geduld wel op een harde proef gesteld. Er werden nog twee of drie uitstapjes naar het eiland Seil ondernomen, in de hoop om, al was het maar voor weinige oogenblikken, bij zonsondergang een geheel wolkeloozen horizon aan te treffen. Het was vergeefsche moeite! Het eenige wat de teleurstelling lenigde, was dat Aristobulus Beerenkooi er geen deel aan nam. Zoo werd het 23 Augustus, zonder dat het luchtverschijnsel de moeite genomen had, zich te vertoonen.
Toen werd die gril een allesbeheerschend denkbeeld, dat ieder ander uitsloot. Het had er wel wat van of onze bekenden bezeten waren. Zij droomden er dag en nacht van en wel zoo, dat er voor een nieuwe soort monomanie gevreesd werd, en dat in een tijd dat die soorten reeds ontelbaar zijn. Onder dien geestesdwang, veranderden alle kleuren in een eenige: de blauwe hemel scheen groen, de wegen waren groen, het strand was groen, de rotsen waren groen, het water en de wijn waren zelfs groen als absinth. De gebroedersMelvill verbeeldden zich, dat zij in het groen gekleed waren, en zagen elkander voor groote groene papegaaien aan, die groene snuif uit een groene snuifdoos snoven. In één woord was het een groene waanzin! Zij waren allen met een soort daltonisme geslagen, en de professoren in oog- en gezichtkunde zouden daar een heerlijk onderwerp aangetroffen hebben, om zeer belangrijke behandelingen in hun oogheelkundige werken op te nemen. Dat kon niet lang meer zoo duren.
Olivier Sinclair kwam gelukkig op een gedachte.
»Miss Campbell,” zei hij dien dag, »en gij heeren Melvill, vergeeft mij, maar mij dunkt, dat wij, alles wel beschouwd, zeer slecht te Oban zijn om het natuurverschijnsel in kwestie waar te kunnen nemen.”
»Aan wien de schuld?” vroeg miss Campbell, waarbij zij met strengen blik de beide misdadigers monsterde, die de oogen verlegen neersloegen.
»Hier te Oban is geen zeehorizon!” hernam de jonge schilder. »Vandaar de verplichting om dien op het eiland Seil te gaan opzoeken, op gevaar af om er niet te zijn, wanneer wij er wezen moesten!”
»Dat ’s helder als de dag!” antwoordde miss Campbell. »Inderdaad, ik begrijp niet, waarom mijn ooms juist dit verschrikkelijk oord voor onze waarneming gekozen hebben!”
»Waardste Helena!” prevelde oom Sam, die in zijn verlegenheid eigenlijk niet wist wat te antwoorden. »Wij hadden gedacht....”
»Ja.... wij hadden.... hetzelfde gedacht....” vulde broeder Sib aan, alsof hij hem te hulp wilde komen.
»Dat de zon zich verwaardigen zou, ook ten aanschouwe van Oban, in de golven onder te gaan....”
»Daar Oban toch aan den zeeoever gelegen is!”
»Dat alles hebben mijn ooms slecht bedacht,” antwoordde miss Campbell, »zeer slecht bedacht, daar de zon, zooals gij ziet, er niet in zee ondergaat.”
»Waarlijk!” hernam broeder Sam. »Er doen zich van die ongelukseilanden voor, die den gezichtskring beperken!”
»Gij hadt toch het plan niet om die eilanden te doen springen....?” vroeg miss Campbell.
»O! als dat mogelijk was geweest, zou het reeds geschied zijn!” antwoordde broeder Sib op vastberaden toon.
»Wij kunnen toch op het eiland Seil niet gaan kampeeren!” merkte broeder Sam op.
»En waarom niet?”
»Waarde Helena, als ge dat volstrekt wilt....”
»Ja, volstrekt!”
»Kom, laten wij dan vertrekken!” antwoordden broeder Sam en broeder Sib met gelatenheid.
En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)
En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)
En die beide goedige onderworpen wezens verklaarden, dat zij gereedwaren om dadelijk Oban te verlaten. Maar Olivier Sinclair kwam tusschen beiden.
»Miss Campbell,” zei hij, »veroorloof mij, dat ik in meening met u verschil. Er valt heel wat beters te doen, dan zich op het eiland Seil te gaan vestigen.”
»Spreek, mijnheer Sinclair, en wanneer uw raad beter is, dan zullen mijn ooms niet weigeren hem op te volgen, daarvan ben ik verzekerd.”
De gebroeders Melvill maakten een hoofdbuiging, die zóó volmaakt gelijktijdig was, dat die twee ooms nooit meer op elkander geleken dan in dat oogenblik.
»Het eiland Seil,” hernam Olivier Sinclair, »is waarlijk niet geschikt om er te kunnen wonen, al was het maar voor weinige dagen. Zijt gij in de noodzakelijkheid om geduld te oefenen, miss Campbell, dan behoeft gij dat toch niet ten koste van uw welzijn te doen. Ik heb bovendien opgemerkt, dat ook te Seil de gezichteinder door de gesteldheid der kusten eenigermate beperkt is. Wanneer wij tegen aller verwachting langer moeten wachten dan wij hopen, wanneer ons verblijf tot eenige weken zou moeten aangroeien, zou de zon, die thans meer en meer naar het zuiden afzakt, achter het eiland Colonsay of achter het eiland Oronsay of zelfs achter het groote Islay ondergaan, en zou onze waarneming ook door gebrek aan een voldoende kim even onmogelijk worden.”
»Waarlijk,” zei Miss Campbell, »dat zou de genadeslag moeten heeten!”
»Maar dien kunnen wij ontgaan, wanneer wij een oord opzoeken, buiten den Hebriden-archipel gelegen, een oord, dat de onmetelijkheid van den geheelen Atlantischen Oceaan voor zich heeft.”
»Kent gij zoo’n oord, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell met levendigheid.
De gebroeders Melvill hingen aan de lippen van den jonkman. Wat ging hij antwoorden? Waarheen voor den drommel zou die gril hunner nicht hen bij slot van rekening voeren? Op welke uiterste grens van de beschaafde wereld zouden zij zich moeten vestigen, om aan dat vreemde verlangen te voldoen?
Olivier Sinclair stelde hen al dadelijk gerust, althans voorshands.
»Er bestaat een oord, miss Campbell,” zei hij, »niet ver van hier, dat naar mijn meening alle mogelijke voorwaarden in zich vereenigt. Het is achter de hoogten van Mull gelegen, die nu den gezichteinder van Oban ten Westen beperken. Het is een der kleine Hebriden-eilanden, dat het verste in den Atlantischen Oceaan uitspringt, het is het bekoorlijke eiland Jona.”
»Jona!” riep miss Campbell uit. »Jona! hoort ge niet, oom Sam, oom Sib? Zijn we er nog niet?”
»Wij zullen er morgen zijn,” antwoordde broeder Sib.
»Morgen vóór zonsondergang,” bevestigde broeder Sam.
»Kom, op reis dan!” zei miss Campbell,»en vinden wij te Jona dien uitgestrekten gezichteinder niet, dien wij verlangen, dan zullen wij een ander punt der kuststrook opzoeken van af John O’Groats, het meest noordelijke einde van Schotland tot Landsend, de meest zuidelijke punt van Engeland toe en als wij dan niet vinden, dan...!”
»Wel dan zullen wij een reis rondom de wereld maken, dat is zeer eenvoudig,” lachte Olivier Sinclair.
XIII.De heerlijkheden der zee.Het was de kastelein van Caledonian-Hotel, die zich wanhopig aanstelde, toen hij het besluit zijner gasten vernam. Oh! als hij er de macht toe had, hoe zou baas Mac Fyne al die eilanden en die eilandjes, die het uitzicht van Oban aan de zeezijde benemen, hebben laten uit elkaar springen. Hij troostte zich evenwel, toen zij vertrokken waren met aan de andere gasten zijn leedwezen te betuigen, dat hij zulke dwazen geherbergd had.Te acht uur des morgens stapten de gebroeders Melvill, miss Campbell, juffrouw Bess en Partridge aan boord van den »swift-SteamerPioneer,” zooals dat vaartuig op de prospectussen genoemd werd en dat het eiland Mull zoude rondvaren, om Jona en Staffa aan te doen en des avonds weer te Oban terug te zijn.Olivier Sinclair was zijn tochtgenooten vooruitgesneld, had spoedig de inschepingsplaats bereikt en wachtte hen op de brug, die zich van de eene raderkast van de stoomboot tot de andere uitstrekte.Ten opzichte van Aristobulus Beerenkooi was geen sprake van deze reis geweest. De gebroeders Melvill hadden hem toch van dat overhaaste vertrek verwittigd. Dat was een eenvoudige beleefdheidsvorm, en wij weten het, die heeren waren de meest beleefden van de geheele wereld.Aristobulus Beerenkooi had de mededeeling van de beide ooms nog al koel aangehoord en had zich eenvoudig met een dankbetuiging vergenoegd, zonder zich over zijne plannen uit te laten.De gebroeders Melvill hadden dan ook afscheid van hem genomen met de gedachte, dat, al toonde hun gunsteling ook een groote mate van terughouding, en al had miss Campbell een soort van afkeer tegen hem opgevat, dat alles vergeten zou zijn, wanneer maar bij het eindigen van een fraaien herfstdag de zon onberispelijk zou zijn ondergegaan. Dat was ten minste hunne opvatting, en het eiland Jona zou hen niet in den steek laten.Toen al de passagiers aan boord waren, werden na het derde gegil van de stoomfluit de trossen losgegooid, en stevende dePioneerde baai uit, om zuidwaarts door de zeeëngte van Kerrera te sturen.Er was een groot aantal van die toeristen aan boord, die twee of driemaal ’s weeks, door dat overheerlijk uitstapje rondom het eiland Mull aangetrokken worden. Miss Campbell en haar metgezellen zouden hen reeds bij de eerste aanlegplaats verlaten.En inderdaad, zij waren ongeduldig om te Jona aan te komen, in dat nieuwe oord, alwaar zij hunne waarnemingen zouden hervatten. Het weer was prachtig en de zee kalm als een meer. De overtocht zou gunstig zijn. Wanneer deze avond de verwezenlijking van hun verlangen niet medebracht, welnu! het besluit was genomen; zij zouden zich op het eiland inrichten en geduldig afwachten. Daar zou het scherm steeds omhoog gehaald en allen tot de voorstelling gereed zijn. Alleen slecht weer zou tot uitstel doen besluiten.Om kort te gaan, vóór het middaguur zou het doel der reis bereikt zijn. De vluggePioneerstevende de straat Kerrera door, rondde de zuid-punt van het eiland, doorkliefde de Firth of Lorne in haar breedste gedeelte, liet het eiland Colonsay met zijn oude abdy, die door de beroemde Lords der eilanden in de veertiende eeuw gesticht werd, ter linkerzij liggen, stoomde langs de zuidkust van Mull, welk eiland als een buitensporige groote krab scheen, die gestrand zoude zijn, en wier ééne schaar zich lichtelijk naar het zuidwesten wendde.De Ben More vertoonde zich gedurende een kort oogenblik ter hoogte ongeveer van drie duizend vijf honderd voet boven de verafgelegen heuvelen, die zich woest en steil voordeden, terwijl hun hellingen slechts het heidekruid tot natuurlijke bedekking had, en zijn ronde top die weilanden beheerschte, welke met rundvee als bezaaid zijn. De Ardanalish-top bedekte hem plotseling voor het gezicht met zijn zware massa.Toen trad het schilderachtige Jona in het noord-westen op den voorgrond, op het uiteinde van den zuidelijken knijper van Mull gelegen. De Atlantische oceaan, strekte zich verder onmetelijk en verheven naar het westen uit.»Houdt gij van den Oceaan, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell aan haren jeugdigen metgezel, die bij haar op de brug vandePioneergezeten was en met haar dat prachtige schouwspel bewonderde.Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)»Of ik van den Oceaan houd, miss Campbell?!” riep hij uit. »Jazeker, en ik behoor niet tot de ongevoeligen, die er het gezicht eentonig van vinden! Voor mij bestaat er niets, wat meer afwisseling biedt dan zijn aanblik; maar men moet hem onder zijn verschillend voorkomen weten te beschouwen. Waarlijk, de zee vertoont zooveel verschillende nuanceeringen, die zoo verwonderlijk geleidelijk in elkander smelten, dat het voor den schilder de grootste moeielijkheid oplevert, dat geheel, hetwelk zoo eentonig schijnt en toch zoo afwisselend is, weer te geven. Het is veel moeilijker dan het schilderen van een gelaat, hoe beweeglijk de trekken zich ook mogen voordoen.”»Ja waarlijk,” zei miss Campbell, »de zee verandert voortdurend van gedaante onder het minste zuchtje, dat voorbijsnelt, en onder de lichtstralen, die haar op ieder uur van den dag onder verschillende hoeken treffen.”»Zie haar thans, miss Campbell,” hernam Olivier Sinclair. »Zij is nu volmaakt kalm! Zou men niet zeggen het fraaie gelaat eener ingeslapen schoone, waarvan niets de reinheid besmet. Zij vertoont geen enkelen rimpel; zij is jong, zij is schoon! Of liever, het is een onmetelijke spiegel, waarin het uitspansel weerkaatst, en waarin God zich zien kan!”»Ja, een spiegel, maar waarvan de glans, helaas, te dikwijls door den adem des storms verdoofd wordt,” vulde miss Campbell aan.»Maar dat is het, wat de groote afwisseling in het voorkomen van den Oceaan vormt!” antwoordde Olivier Sinclair. »Laat de wind slechts matig opsteken, dan zal dat gelaat veranderen; het zal zich met rimpels overdekken, het schuim der golftoppen zullen het als met witte haren tooien, in een oogenblik zal het veranderd schijnen, het zal een eeuw tellen, maar immer indrukwekkend blijven met zijn grillige lichteffecten, en zijn borduursels van helder wit schuim!”»Gelooft gij, mijnheer Sinclair,”vroeg miss Campbell, »dat een schilder, een groot schilder meen ik, er in slagen zou al de schoonheden der zee op het doek te brengen?”»Neen, dat geloof ik niet, miss Campbell! Hoe zou hij dat kunnen? De zee heeft werkelijk geen kleur. Zij is slechts een weerkaatsing van den hemel! Is zij blauw? Toch kan men haar met blauw niet weergeven! Is zij groen? Neen, ook met groen niet! Men zou haar eerder kunnen treffen, wanneer zij woedend is, wanneer zij somber, vaalbleek, boos is. Dan is het alsof de hemel al die wolken in de wateren mengt, die hij er boven uitgespannen houdt. Oh! miss Campbell, hoe meer ik den Oceaan beschouw, hoe meer verheven ik hem vind. Oceaan! dat woord zegt alles; dat beteekent onmetelijkheid! Hij verbergt in zijn schoot de onpeilbare diepten, onbegrensde weilanden, waarbij de onze ledig en verlaten schijnen,zegt Darwin. Wat zijn, in vergelijking met hem, de meest uitgestrekte vastlanden? Het zijn slechts eilanden, die hij met zijn wateren omgeeft. Hij bedekt vier vijfden van den aardbol! Door een soort van onafgebroken omloop—even als een levend schepsel, welks hart bij de evenachtslijn klopt—voedt hij zich zelf met de dampen, die van hem uitgaan. Hij onderhoudt de bronnen, die door de stroomen tot hem wederkeeren, of die in vorm van regen den schoot weer bereiken, waaruit zij geboren werden! Ja, de Oceaan, dat is de onbegrensdheid, de onmetelijkheid, die men niet ziet, maar die men gevoelt, volgens de uitdrukking des dichters, onmetelijk als de ruimte, die hij in zijn wateren weerkaatst!”»Oh! ik hoor u zoo gaarne met die geestdrift spreken, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell, en wezenlijk, »ik deel die geestdrift ten volle! Ja, ik houd evenveel van de zee als gij!”»En zoudt gij niet vreezen haar gevaren te trotseeren?” vroeg Olivier Sinclair.»Neen waarlijk niet, ik zou niet bang zijn! Kan men vrees koesteren voor hetgeen men bewondert?”»Gij zoudt een moedige reizigster zijn!”»Misschien, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell. »In ieder geval, van al de reizen, welker verhalen ik gelezen heb, geef ik de voorkeur aan die, welke ontdekkingen in de verre zeeën tot doel hebben. Hoe dikwijls heb ik die niet in gezelschap met de groote zeevaarders doorgestevend! Hoe dikwijls ben ik niet met hen dat onmetelijk onbekende ingedrongen—wel is waar in de gedachte slechts, maar ik ken, dunkt mij, niets meer benijdenswaardig, dan de levensbestemming van die zeehelden, die zoo groote ontdekkingen deden, zoo groote zaken tot stand brachten!”»Ja, miss Campbell, er is in de geschiedenis der menschheid niets schooner dan die ontdekkingen! Den Atlantischen Oceaan voor de eerste maal met Columbus oversteken; de Stille Zuidzee met Magelaan en Tasman, de Poolzeeën met Parry, Franklin, d’Urville, Heemskerk en zoo veel anderen! Oh! wat een droom! Ik kan geen vaartuig zien vertrekken, of het een oorlog- of een koopvaardijschip of een eenvoudige visscherspink is, zonder dat mijn geheele wezen trilt, zonder dat ik een onmetelijk verlangen in mij voel opkomen, om mij aan boord in te schepen! Ik geloof, dat ik in de wieg gelegd ben, om zeeman te zijn, en dat die loopbaan niet de mijne geworden is, betreur ik dagelijks innig!”»Maar hebt gij minstens op zee gereisd?” vroeg miss Campbell.»Zooveel het mij mogelijk geweest is,” antwoordde Olivier Sinclair.»Ik heb de Middellandsche zee bezocht van af Straat Gibraltar tot de Levantsche stapelplaaten; ik heb den Atlantischen Oceaan een weinig doorkruist tot Noord-Amerika; vervolgens heb ik de Noordelijkezeeën van Europa bevaren, en ik kan er mij op beroemen, dat ik al deze wateren hier ken, die de natuur zoowel aan Engeland als aan Schotland zoo mild verkwist heeft....”»Zoo mild en zoo prachtig, mijnheer Sinclair!”»Ja zeker, miss Campbell, en ik weet geen land te vergelijken met deze streken onzer Hebriden, waartusschen ons stoomschip ons doorvoert! Het is een ware archipel, wel is waar met een minder blauwen hemel dan de Oostersche, maar meer dichterlijk, wanneer hij in zijn geheel genomen wordt met zijn woest rotsgesteente, met zijn nevelachtigen dampkring. De grieksche archipel heeft het licht geschonken aan een heel gezelschap van goden en godinnen. Dat is zoo. Maar gij zult gelieven op te merken, dat het slechts zeer burgerlijke godheden waren, die nog al positief waren uitgevallen, en van een stoffelijk bestaan hielden, en daarbij in weerwil van hun pretmaken, goed aanteekening hielden van de uitgaven. Volgens mij was de Olympus aan een salon gelijk, waarvan de bezoekers, hoewel goden, toch nog al uiteenloopend van stand waren, zoodat het gezelschap wel gemêleerd was. Het was een vergadering van goden die te veel op menschen geleken, wier zwakheden hun aankleefden! Zoo is het niet op onze Hebriden. Die zijn het verblijf van bovennatuurlijke wezens! De scandinavische godheden zijn onstoffelijk, éthérisch, zij hebben ontastbare vormen, maar geen lichamen. Daar is Odin, Ossian, Fingal, in éen woord, de geheele zwerm dier dichterlijke geesten, uit de Sagas-boeken ontsnapt! Wat zijn die figuren schoon, die in onze herinnering te midden der nevelen der poolzeeën, te midden der noordsche sneeuwstormen kunnen te voorschijn getooverd worden! Dat is een meer goddelijke Olympus dan die grieksche poespas. De onze heeft niets aardsch, en zoekt men naar een waardig verblijf voor zulke gasten, dan moeten de Hebriden gekozen worden. Ja, miss Campbell, het zou hier zijn, dat ik onze godheden zou gaan aanbidden, en als echte zoon van ons Oud-Caledonië, zou ik onzen archipel met zijn twee honderd eilanden, zijn met dampen bezwangerd uitspansel, zijn woeste vloedgetijen, die de warmte van den Golfstroom aanbrengen, niet ruilen voor al de eilanden-zeeën van het Oosten!”»En hij behoort ons Schotten der Hooglanden wel toe!” antwoordde miss Campbell, geheel ontvlamd door de vurige geestdrift van den jongen man, »aan ons, Schotten van het graafschap Argyle. Ah! mijnheer Sinclair, evenals gij bemin ik onzen Caledonischen archipel hartstochtelijk! Hij is overheerlijk, en ik bemin die eilandenzee tot in haar woede!”Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)»En die woede is inderdaad verheven!” juichte Olivier Sinclair. »Niets weerstaat het geweld der windvlagen, die er op los stormen, na ongehinderd een ruimte van drie duizend mijl afgelegd te hebben!Het is de Amerikaansche kust, die tegenover de Schotsche kust gelegen is! Wanneer daar, aan de overzij van den Atlantischen Oceaan,de groote stormen ontstaan, dan ontketenen zij hier de aanvallen der aanrollende golven en de huilende winden, die zich op westelijk Europa storten. Maar wat kunnen zij tegen onze Hebriden, die veel stoutmoediger zijn dan die man, van wien Livingstone spreekt, die geen leeuwen vreesde maar die bang was voor den oceaan. Nu, onze eilanden behoeven niet bang te zijn; zij, met hun stevige graniet-grondvesten, kunnen lachen om het geweld van storm en zee!...”»De zee!.... Een scheikundige verbinding van zuurstof met waterstof, met anderhalf percent chloruur van sodium! Niets zoo schoon als de woede van chloruur van sodium!”Miss Campbell en Olivier hadden zich bij het hooren van die woorden, die blijkbaar tot hen gericht waren, en als een antwoord op hun geestdrift klonken, omgekeerd.Aristobulus Beerenkooi stond daar achter hen op de brug.Dat lastige mensch had het verlangen niet kunnen weerstaan, om te gelijkertijd met miss Campbell Oban te verlaten, omdat hij wist dat Olivier Sinclair haar naar Jona begeleidde. Hij had dan ook gezorgd vóór hen aan boord te zijn, en had zich gedurende den geheelen overtocht in het salon opgehouden, en kwam nu naar boven toen het eiland in het gezicht was.De woede van het chloruur van sodium! Welk een wetenschappelijke vuistslag in de droomerijen van Olivier Sinclair en miss Campbell!
Het was de kastelein van Caledonian-Hotel, die zich wanhopig aanstelde, toen hij het besluit zijner gasten vernam. Oh! als hij er de macht toe had, hoe zou baas Mac Fyne al die eilanden en die eilandjes, die het uitzicht van Oban aan de zeezijde benemen, hebben laten uit elkaar springen. Hij troostte zich evenwel, toen zij vertrokken waren met aan de andere gasten zijn leedwezen te betuigen, dat hij zulke dwazen geherbergd had.
Te acht uur des morgens stapten de gebroeders Melvill, miss Campbell, juffrouw Bess en Partridge aan boord van den »swift-SteamerPioneer,” zooals dat vaartuig op de prospectussen genoemd werd en dat het eiland Mull zoude rondvaren, om Jona en Staffa aan te doen en des avonds weer te Oban terug te zijn.
Olivier Sinclair was zijn tochtgenooten vooruitgesneld, had spoedig de inschepingsplaats bereikt en wachtte hen op de brug, die zich van de eene raderkast van de stoomboot tot de andere uitstrekte.
Ten opzichte van Aristobulus Beerenkooi was geen sprake van deze reis geweest. De gebroeders Melvill hadden hem toch van dat overhaaste vertrek verwittigd. Dat was een eenvoudige beleefdheidsvorm, en wij weten het, die heeren waren de meest beleefden van de geheele wereld.
Aristobulus Beerenkooi had de mededeeling van de beide ooms nog al koel aangehoord en had zich eenvoudig met een dankbetuiging vergenoegd, zonder zich over zijne plannen uit te laten.
De gebroeders Melvill hadden dan ook afscheid van hem genomen met de gedachte, dat, al toonde hun gunsteling ook een groote mate van terughouding, en al had miss Campbell een soort van afkeer tegen hem opgevat, dat alles vergeten zou zijn, wanneer maar bij het eindigen van een fraaien herfstdag de zon onberispelijk zou zijn ondergegaan. Dat was ten minste hunne opvatting, en het eiland Jona zou hen niet in den steek laten.
Toen al de passagiers aan boord waren, werden na het derde gegil van de stoomfluit de trossen losgegooid, en stevende dePioneerde baai uit, om zuidwaarts door de zeeëngte van Kerrera te sturen.
Er was een groot aantal van die toeristen aan boord, die twee of driemaal ’s weeks, door dat overheerlijk uitstapje rondom het eiland Mull aangetrokken worden. Miss Campbell en haar metgezellen zouden hen reeds bij de eerste aanlegplaats verlaten.
En inderdaad, zij waren ongeduldig om te Jona aan te komen, in dat nieuwe oord, alwaar zij hunne waarnemingen zouden hervatten. Het weer was prachtig en de zee kalm als een meer. De overtocht zou gunstig zijn. Wanneer deze avond de verwezenlijking van hun verlangen niet medebracht, welnu! het besluit was genomen; zij zouden zich op het eiland inrichten en geduldig afwachten. Daar zou het scherm steeds omhoog gehaald en allen tot de voorstelling gereed zijn. Alleen slecht weer zou tot uitstel doen besluiten.
Om kort te gaan, vóór het middaguur zou het doel der reis bereikt zijn. De vluggePioneerstevende de straat Kerrera door, rondde de zuid-punt van het eiland, doorkliefde de Firth of Lorne in haar breedste gedeelte, liet het eiland Colonsay met zijn oude abdy, die door de beroemde Lords der eilanden in de veertiende eeuw gesticht werd, ter linkerzij liggen, stoomde langs de zuidkust van Mull, welk eiland als een buitensporige groote krab scheen, die gestrand zoude zijn, en wier ééne schaar zich lichtelijk naar het zuidwesten wendde.
De Ben More vertoonde zich gedurende een kort oogenblik ter hoogte ongeveer van drie duizend vijf honderd voet boven de verafgelegen heuvelen, die zich woest en steil voordeden, terwijl hun hellingen slechts het heidekruid tot natuurlijke bedekking had, en zijn ronde top die weilanden beheerschte, welke met rundvee als bezaaid zijn. De Ardanalish-top bedekte hem plotseling voor het gezicht met zijn zware massa.
Toen trad het schilderachtige Jona in het noord-westen op den voorgrond, op het uiteinde van den zuidelijken knijper van Mull gelegen. De Atlantische oceaan, strekte zich verder onmetelijk en verheven naar het westen uit.
»Houdt gij van den Oceaan, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell aan haren jeugdigen metgezel, die bij haar op de brug vandePioneergezeten was en met haar dat prachtige schouwspel bewonderde.
Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)
Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)
»Of ik van den Oceaan houd, miss Campbell?!” riep hij uit. »Jazeker, en ik behoor niet tot de ongevoeligen, die er het gezicht eentonig van vinden! Voor mij bestaat er niets, wat meer afwisseling biedt dan zijn aanblik; maar men moet hem onder zijn verschillend voorkomen weten te beschouwen. Waarlijk, de zee vertoont zooveel verschillende nuanceeringen, die zoo verwonderlijk geleidelijk in elkander smelten, dat het voor den schilder de grootste moeielijkheid oplevert, dat geheel, hetwelk zoo eentonig schijnt en toch zoo afwisselend is, weer te geven. Het is veel moeilijker dan het schilderen van een gelaat, hoe beweeglijk de trekken zich ook mogen voordoen.”
»Ja waarlijk,” zei miss Campbell, »de zee verandert voortdurend van gedaante onder het minste zuchtje, dat voorbijsnelt, en onder de lichtstralen, die haar op ieder uur van den dag onder verschillende hoeken treffen.”
»Zie haar thans, miss Campbell,” hernam Olivier Sinclair. »Zij is nu volmaakt kalm! Zou men niet zeggen het fraaie gelaat eener ingeslapen schoone, waarvan niets de reinheid besmet. Zij vertoont geen enkelen rimpel; zij is jong, zij is schoon! Of liever, het is een onmetelijke spiegel, waarin het uitspansel weerkaatst, en waarin God zich zien kan!”
»Ja, een spiegel, maar waarvan de glans, helaas, te dikwijls door den adem des storms verdoofd wordt,” vulde miss Campbell aan.
»Maar dat is het, wat de groote afwisseling in het voorkomen van den Oceaan vormt!” antwoordde Olivier Sinclair. »Laat de wind slechts matig opsteken, dan zal dat gelaat veranderen; het zal zich met rimpels overdekken, het schuim der golftoppen zullen het als met witte haren tooien, in een oogenblik zal het veranderd schijnen, het zal een eeuw tellen, maar immer indrukwekkend blijven met zijn grillige lichteffecten, en zijn borduursels van helder wit schuim!”
»Gelooft gij, mijnheer Sinclair,”vroeg miss Campbell, »dat een schilder, een groot schilder meen ik, er in slagen zou al de schoonheden der zee op het doek te brengen?”
»Neen, dat geloof ik niet, miss Campbell! Hoe zou hij dat kunnen? De zee heeft werkelijk geen kleur. Zij is slechts een weerkaatsing van den hemel! Is zij blauw? Toch kan men haar met blauw niet weergeven! Is zij groen? Neen, ook met groen niet! Men zou haar eerder kunnen treffen, wanneer zij woedend is, wanneer zij somber, vaalbleek, boos is. Dan is het alsof de hemel al die wolken in de wateren mengt, die hij er boven uitgespannen houdt. Oh! miss Campbell, hoe meer ik den Oceaan beschouw, hoe meer verheven ik hem vind. Oceaan! dat woord zegt alles; dat beteekent onmetelijkheid! Hij verbergt in zijn schoot de onpeilbare diepten, onbegrensde weilanden, waarbij de onze ledig en verlaten schijnen,zegt Darwin. Wat zijn, in vergelijking met hem, de meest uitgestrekte vastlanden? Het zijn slechts eilanden, die hij met zijn wateren omgeeft. Hij bedekt vier vijfden van den aardbol! Door een soort van onafgebroken omloop—even als een levend schepsel, welks hart bij de evenachtslijn klopt—voedt hij zich zelf met de dampen, die van hem uitgaan. Hij onderhoudt de bronnen, die door de stroomen tot hem wederkeeren, of die in vorm van regen den schoot weer bereiken, waaruit zij geboren werden! Ja, de Oceaan, dat is de onbegrensdheid, de onmetelijkheid, die men niet ziet, maar die men gevoelt, volgens de uitdrukking des dichters, onmetelijk als de ruimte, die hij in zijn wateren weerkaatst!”
»Oh! ik hoor u zoo gaarne met die geestdrift spreken, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell, en wezenlijk, »ik deel die geestdrift ten volle! Ja, ik houd evenveel van de zee als gij!”
»En zoudt gij niet vreezen haar gevaren te trotseeren?” vroeg Olivier Sinclair.
»Neen waarlijk niet, ik zou niet bang zijn! Kan men vrees koesteren voor hetgeen men bewondert?”
»Gij zoudt een moedige reizigster zijn!”
»Misschien, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell. »In ieder geval, van al de reizen, welker verhalen ik gelezen heb, geef ik de voorkeur aan die, welke ontdekkingen in de verre zeeën tot doel hebben. Hoe dikwijls heb ik die niet in gezelschap met de groote zeevaarders doorgestevend! Hoe dikwijls ben ik niet met hen dat onmetelijk onbekende ingedrongen—wel is waar in de gedachte slechts, maar ik ken, dunkt mij, niets meer benijdenswaardig, dan de levensbestemming van die zeehelden, die zoo groote ontdekkingen deden, zoo groote zaken tot stand brachten!”
»Ja, miss Campbell, er is in de geschiedenis der menschheid niets schooner dan die ontdekkingen! Den Atlantischen Oceaan voor de eerste maal met Columbus oversteken; de Stille Zuidzee met Magelaan en Tasman, de Poolzeeën met Parry, Franklin, d’Urville, Heemskerk en zoo veel anderen! Oh! wat een droom! Ik kan geen vaartuig zien vertrekken, of het een oorlog- of een koopvaardijschip of een eenvoudige visscherspink is, zonder dat mijn geheele wezen trilt, zonder dat ik een onmetelijk verlangen in mij voel opkomen, om mij aan boord in te schepen! Ik geloof, dat ik in de wieg gelegd ben, om zeeman te zijn, en dat die loopbaan niet de mijne geworden is, betreur ik dagelijks innig!”
»Maar hebt gij minstens op zee gereisd?” vroeg miss Campbell.
»Zooveel het mij mogelijk geweest is,” antwoordde Olivier Sinclair.»Ik heb de Middellandsche zee bezocht van af Straat Gibraltar tot de Levantsche stapelplaaten; ik heb den Atlantischen Oceaan een weinig doorkruist tot Noord-Amerika; vervolgens heb ik de Noordelijkezeeën van Europa bevaren, en ik kan er mij op beroemen, dat ik al deze wateren hier ken, die de natuur zoowel aan Engeland als aan Schotland zoo mild verkwist heeft....”
»Zoo mild en zoo prachtig, mijnheer Sinclair!”
»Ja zeker, miss Campbell, en ik weet geen land te vergelijken met deze streken onzer Hebriden, waartusschen ons stoomschip ons doorvoert! Het is een ware archipel, wel is waar met een minder blauwen hemel dan de Oostersche, maar meer dichterlijk, wanneer hij in zijn geheel genomen wordt met zijn woest rotsgesteente, met zijn nevelachtigen dampkring. De grieksche archipel heeft het licht geschonken aan een heel gezelschap van goden en godinnen. Dat is zoo. Maar gij zult gelieven op te merken, dat het slechts zeer burgerlijke godheden waren, die nog al positief waren uitgevallen, en van een stoffelijk bestaan hielden, en daarbij in weerwil van hun pretmaken, goed aanteekening hielden van de uitgaven. Volgens mij was de Olympus aan een salon gelijk, waarvan de bezoekers, hoewel goden, toch nog al uiteenloopend van stand waren, zoodat het gezelschap wel gemêleerd was. Het was een vergadering van goden die te veel op menschen geleken, wier zwakheden hun aankleefden! Zoo is het niet op onze Hebriden. Die zijn het verblijf van bovennatuurlijke wezens! De scandinavische godheden zijn onstoffelijk, éthérisch, zij hebben ontastbare vormen, maar geen lichamen. Daar is Odin, Ossian, Fingal, in éen woord, de geheele zwerm dier dichterlijke geesten, uit de Sagas-boeken ontsnapt! Wat zijn die figuren schoon, die in onze herinnering te midden der nevelen der poolzeeën, te midden der noordsche sneeuwstormen kunnen te voorschijn getooverd worden! Dat is een meer goddelijke Olympus dan die grieksche poespas. De onze heeft niets aardsch, en zoekt men naar een waardig verblijf voor zulke gasten, dan moeten de Hebriden gekozen worden. Ja, miss Campbell, het zou hier zijn, dat ik onze godheden zou gaan aanbidden, en als echte zoon van ons Oud-Caledonië, zou ik onzen archipel met zijn twee honderd eilanden, zijn met dampen bezwangerd uitspansel, zijn woeste vloedgetijen, die de warmte van den Golfstroom aanbrengen, niet ruilen voor al de eilanden-zeeën van het Oosten!”
»En hij behoort ons Schotten der Hooglanden wel toe!” antwoordde miss Campbell, geheel ontvlamd door de vurige geestdrift van den jongen man, »aan ons, Schotten van het graafschap Argyle. Ah! mijnheer Sinclair, evenals gij bemin ik onzen Caledonischen archipel hartstochtelijk! Hij is overheerlijk, en ik bemin die eilandenzee tot in haar woede!”
Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)
Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)
»En die woede is inderdaad verheven!” juichte Olivier Sinclair. »Niets weerstaat het geweld der windvlagen, die er op los stormen, na ongehinderd een ruimte van drie duizend mijl afgelegd te hebben!Het is de Amerikaansche kust, die tegenover de Schotsche kust gelegen is! Wanneer daar, aan de overzij van den Atlantischen Oceaan,de groote stormen ontstaan, dan ontketenen zij hier de aanvallen der aanrollende golven en de huilende winden, die zich op westelijk Europa storten. Maar wat kunnen zij tegen onze Hebriden, die veel stoutmoediger zijn dan die man, van wien Livingstone spreekt, die geen leeuwen vreesde maar die bang was voor den oceaan. Nu, onze eilanden behoeven niet bang te zijn; zij, met hun stevige graniet-grondvesten, kunnen lachen om het geweld van storm en zee!...”
»De zee!.... Een scheikundige verbinding van zuurstof met waterstof, met anderhalf percent chloruur van sodium! Niets zoo schoon als de woede van chloruur van sodium!”
Miss Campbell en Olivier hadden zich bij het hooren van die woorden, die blijkbaar tot hen gericht waren, en als een antwoord op hun geestdrift klonken, omgekeerd.
Aristobulus Beerenkooi stond daar achter hen op de brug.
Dat lastige mensch had het verlangen niet kunnen weerstaan, om te gelijkertijd met miss Campbell Oban te verlaten, omdat hij wist dat Olivier Sinclair haar naar Jona begeleidde. Hij had dan ook gezorgd vóór hen aan boord te zijn, en had zich gedurende den geheelen overtocht in het salon opgehouden, en kwam nu naar boven toen het eiland in het gezicht was.
De woede van het chloruur van sodium! Welk een wetenschappelijke vuistslag in de droomerijen van Olivier Sinclair en miss Campbell!