XIV.

XIV.Het leven te Jona.Intusschen kwam Jona—dat oudtijds het Golfeiland genoemd werd—met zijn heuvel, die den Abt heette, en een hoogte van niet meer dan vier honderd voet boven de oppervlakte der zee bereikte, al meer en meer te voorschijn, en naderde de stoomboot het thans met snelheid.Het was ongeveer middag, toen dePioneerbij een kleinen dam aanlegde, die van rotsen opgetrokken was, welke ter nauwernood vierkant bekapt waren, en er slijmerig groen van het water uitzagen. De passagiers ontscheepten, het meerendeel evenwel slechts kortstondig, om een uur later weer te vertrekken, en langs de zeeëngte van Mull naar Oban terug te keeren; de anderen evenwel, slechts weinigen—de lezer weet hoeveel—met het doel om te Jona te verblijven.Eigenlijk heeft het eiland geen haven. Een steenen kade beschermt een kleinen inham tegen de deining uit volle zee. Dat is alles. Daar zoeken gedurende het fraaie seizoen eenige plezierjachten en de visschersschuiten, die deze streken afvisschen, bescherming tegen den machtigen golfslag.Miss Campbell en haar reisgezellen, lieten de overige toeristen, die slechts twee uur voor zich hebben om het eiland te bezichtigen, aan hun lot over, en beijverden zich onverwijld om een doelmatig onderkomen te vinden.Men moest evenwel niet te veeleischend zijn. Te Jona is de comfort, welke in de rijke steden van het Vereenigd Koninkrijk aangetroffen wordt, nagenoeg onbekend.En inderdaad, het geheele eiland Jona heeft geen grootere uitgestrektheid dan van drie mijl lengte, en van één breedte, en telt ter nauwernood vijfhonderd inwoners. De hertog van Argyle, wien het eiland toebehoort, trekt er van een inkomen slechts eenige honderden ponden. Een stad, of een dorp, zelfs een gehucht bestaat er eigenlijk niet. Eenige verspreide huizen, voor het meerendeel slechts hutten, schilderachtig zoo men wil, maar bekrompen oorspronkelijk, bijna zonder vensters, terwijl het daglicht slechts door de deur toegang heeft, met een gat in het dak, dat de rol van schoorsteen vervult, met muren, kaal en naakt, van klipsteen opgetrokken, met een dakbedekking van riet of van heidekruid, dat met grofvezelig zeewier wordt saamgehouden.Wie zou echter kunnen gelooven, dat Jona in de eerste tijdperken van de Scandinavische geschiedenis de bakermat is geweest der Druïden? Wie zou kunnen gissen, dat na hen Sint Columban—de Ierlander, wiens naam het eiland ook draagt—er in de zesde eeuw het eerste klooster in Schotland stichtte, met het doel om van daar uit de nieuwe leer van Christus te prediken, en dat monniken van Cluny daar woonden, tot dat de Hervorming ingevoerd werd. Maar waar thans die uitgestrekte gebouwen te vinden, die vroeger de kweekschool waren, waaruit de bisschoppen en de groote abten van het geheele Vereenigde Koninkrijk voortsproten? Waar thans te vinden, te midden van de hoopen puin, de overblijfselen van de boekerij, die zoo rijk aan oude archiefstukken was, zoo rijk aan allerlei handschriften, betrekking hebbende op de romeinsche geschiedenis, en waaraan toen der tijd de geleerden zich kwamen laven? Neen! thans bestaan slechts puinhoopen en bouwvallen, waar vroeger de beschaving, die het noorden van Europa zoo veranderen zou, hare wieg had staan. Van het Sint Columba van voorheen blijft niets dan het tegenwoordige Jona over, dat Jona met zijn weinige ruwe boeren, die met moeite op dien zandgrond een middelmatigen oogst van gerst, koren en aardappelen teelen, met zijn weinige visschers,wier sloepen de vischrijke wateren der kleine Hebriden beploegen.»Vindt miss Campbell,” vroeg Aristobulus Beerenkooi op smadelijken toon, »dat dit nest hier op het eerste gezicht een vergelijking met Oban kan doorstaan?”»Wel zeker, en het is boven Oban te verkiezen!” antwoordde miss Campbell, hoewel zij er ongetwijfeld bij dacht, dat er een bewoner te veel op het eiland zoude wezen.Bij gebrek van een Casino of van een hotel slaagden de gebroeders Melvill er in, een herberg te ontdekken, die dragelijk was. Zij werd gewoonlijk in beslag genomen door de toeristen, die zich niet tevreden lieten stellen met den tijd, dien de boot hun beschikbaar liet om de druïdische en christelijke bouwvallen van Jona te bezichtigen. Zij namen dus dienzelfden dag hun intrek inhet Wapen van Duncan, terwijl Olivier Sinclair en Aristobulus Beerenkooi ieder voor zich een zoo goed mogelijk onderkomen in een visschershut zochten.Maar miss Campbell, het bedorven kind, was zoodanig in haar nopjes in haar kleine kamer, welker vensters op het westen en op de zee uitzagen, alsof zij zich op het boventerras van het hooge torentje van Helenaburg bevond; in ieder geval was zij er liever dan in het salon van het Caledonian Hôtel. Als zij aan haar venster zat, dan ontwikkelde zich voor haren blik een gezichteinder, welks cirkelvorm door geen enkel eilandje gebroken werd, en met een beetje verbeeldingskracht kon zij zich op drie mijl afstands de Amerikaansche kust voor oogen tooveren, hoewel die aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan was gelegen. Waarlijk, de zon had daar een schoone gelegenheid, om in al haar pracht onder te gaan!Het gemeenschappelijk leven was dus gemakkelijk en spoedig geregeld. Men zou gezamenlijk de maaltijden in de eetkamer van de herberg nuttigen. Volgens een oud eerbiedwaardig gebruik namen juffrouw Bess en Partridge bij hun meesters plaats aan tafel. Misschien liet Aristobulus Beerenkooi daarover eenige verwondering blijken, Olivier Sinclair vond dat heel natuurlijk. Hij had zelfs reeds eenige genegenheid opgevat voor die beide dienaren, die ook hem begonnen lief te krijgen.Toen leidde dat gezin het oude Schotsche bestaan in zijn geheele eenvoudigheid. Na de wandeluren rondom en door het eiland, na de verhandelingen over den ouden tijd, waartusschen Aristobulus Beerenkooi nimmer naliet zijn moderne wetenschap te luchten, vereenigde men zich aan het gemeenschappelijk diner dat te twaalf uur en aan het avondmaal, dat te acht uur genuttigd werd. Dan kwam de zonsondergang, en miss Campbell ging dien steeds waarnemen, welk weer het ook was. Het kan toch zijn, wie weet dat een openingzich in de lagere wolkenmassa voordeed, een scheur, een spleet, inéén woord, een kleine ruimte om den laatsten straal doortocht te verleenen.Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).Maar welke maaltijden deed men daar te Jona! De Caledonische lekkerbekken van Walter Scott bij het diner van Fergus Mac-Gregor, of bij het avondmaal van Oldbeck den Oudheidkundige, zouden geen aanmerkingen te maken hebben gehad op de spijzen, die volgens de kookwijze van het oude Schotland toebereid waren. Juffrouw Bess en Partridge gevoelden zich alsof zij in den loop der tijden een eeuw terug gevoerd waren en achtten zich gelukkig, alsof zij ten tijde hunner voorouders geleefd hadden. Broeder Sam en broeder Sib ontvingen met een genadig goedkeuren en met een blijkbaar genoegen de heerlijke gerechten, die vroeger bij de familie Melvill in eere waren.En ziehier de gesprekken die in de eetkamer plaats vonden:»Nog een weinig van die »cakes” van havermeel, die anders smakelijker zijn dan de dodderige gebakken van Glasgow.”»Nog een weinig van die »sowens”, die nog steeds door de bergbewoners in de Hooglanden gegeten worden.”»Nog wat van die »haggis”, die door onzen grooten dichter Burns waardiglijk als de eerste, de beste, de meest vaderlandlievende van al de puddings van geheel Schotland in zijn verzen bezongen is.”»Nog wat van die »cockylecky!”O! al is de haan, die het bestanddeel er van uitmaakt, een weinig taai, de er bij gevoegde peertjes zijn overheerlijk.”»Mag ik voor de derde maal van dien »hotpotch”, die beter smaakt dan welke schotel ook van Helenaburg!”Waarachtig men at goed in het Wapen van Duncan. Men moest evenwel alle twee dagen voorraad opdoen van de stoombooten, die den dienst langs de kleine Hebriden verrichten. Maar men dronk ook goed.Men moest de gebroeders Melvill zien met het glas in de hand, elkanders gezondheid drinken en zich inschenken uit de groote kannen, die een inhoud van niet minder dan vier engelsche pinten hebben en waarin de »usquebaugh”, het nationale bier bij uitnemendheid, schuimde, of de »hummok”, die bepaald voor hen gebrouwen werd! En de whisky, uit gerot graan getrokken, waarvan de gisting zich in de maag der drinkebroers schijnt voort te zetten! En had ook al het krachtige bier ontbroken, dan nog zouden zij zich met eenvoudige »mum”, uit graan gestookt, vergenoegd hebben, of wel met »two-penny”, die altijd met een glaasje gin opgefleurd kon worden. Waarlijk zij dachten er niet aan de sherry en den portwijn van de kelders van Helenaburg of van Glasgow te betreuren!En al beklaagde Aristobulus Beerenkooi, meer verslaafd aan het moderne comfort, zich ook meer dan betamelijk was, niemand bewees hem de eer zijn klacht aan te hooren.Viel hèm de tijd lang, voor de anderen snelde hij met spoed heen en mejuffrouw Campbell pruttelde niet meer over de dampen die iederen avond de kim benevelden.Neen, Jona is niet groot; maar is er wel veel ruimte noodig voor hem, die slechts zuivere lucht zoekt? Kan men de onmetelijkheid van een koninklijk park niet in een kleinen tuin vinden? Men wandelde dus. Olivier Sinclair nam hier en daar dan een landschap op. Miss Campbell keek bij het schilderen toe en zoo vloog de tijd om.De 26, 27, 28 en 29steAugustus snelden voorbij zonder een oogenblik verveling veroorzaakt te hebben. Dat oorspronkelijk bestaan kwam geheel met het wilde eiland overeen, welks woeste rotsen voortdurend door de golven van den Oceaan gebeukt werden.Miss Campbell gevoelde zich gelukkig, de nieuwsgierige, praatzuchtige wereld der badplaatsen ontvlucht te zijn. Zij ging uit, zoo als zij in het park van Helenaburg rondgedrenteld zou hebben, gekleed met het »rokelay,” hetwelk haar als een mantille omgaf en het kapsel met de eenige »snod” versierd, een lint in de haren gewonden, dat den jeugdigen schotschen schoonen zoo lief staat. Olivier Sinclair bewonderde natuurlijk haar bevalligheid, en de bekoorlijkheid van haar persoon. Hij ondervond die aantrekkingskracht en gevoelde heel goed, waarheen die hem zou voeren. Dikwijls dwaalden beiden tot aan het uiterste einde van het strand van het eiland. Zij keuvelden dan, zij keken, zij droomden, en bevonden zich, soms onbewust, aan de uiterste grens, waar de golven het zeewier komen lekken. Bij zwermen vlogen dan de schotsche duikertjes, de »tamnie-mories” op, wier eenzaamheid zij stoorden, de »pictarnies”, die kleine vischjes bespieden, welke door de aanrollende vloedgolf op het strand geworpen worden en de Bussan-vogels, wier zwarte vederen-tooi door witte vleugeltoppen en gelen kop en hals aangenaam afgewisseld wordt, en die de voornaamste vertegenwoordigers zijn der zwemvliesvoetigen van de vogelenwereld der Hebriden.Wanneer dan na zonsondergang, die nog steeds door eenige dampen beneveld werd, de avond inviel, welke bekoorlijkheid was er dan niet voor miss Campbell en de haren, om de eerste uren van den stillen nacht op het eenzame strand door te brengen! Zij zagen dan de sterren aan den horizon verschijnen en met haar keerden al de herinneringen uit de gedichten van Ossian weer. Te midden van de plechtige stilte hoorden miss Campbell en Olivier Sinclair de twee broeders beurtelings de coupletten over den ongelukkigen Fingal, dien bardenzang opzeggen:»O ster, gezellin van den nacht, wier schitterend gelaat door de westelijke wolken heenboort en die als in een vurige baan op het hemel-azuur voortschrijdt, zeg, wat ziet gij in de vlakte?”»De stormwind, die over dag loeide, zwijgt; de bedarende golfslag kruipt als het ware aan den voet der rotsen; de avondmuggen, op hunne lichte vleugelen gedragen, vervullen de stilte der lucht met hun gegons.”»Schitterende ster, wat aanschouwt gij in de vlakte? Maar ik zie u reeds met een glimlach den horizon naderen. Vaarwel, stilzwijgende ster, vaarwel!”En dan zwegen broeder Sam en broeder Sib en dan keerden allen naar hunne kleine kamer in de herberg terug.Hoe weinig helderziend de gebroeders Melvill ook waren, zoo zagen zij toch, dat Aristobulus Beerenkooi juist in de meening van miss Campbell verloor, wat Olivier Sinclair er in won. De beide jongelieden vermeden elkander zooveel mogelijk. De twee ooms beijverden zich dan ook om, niet zonder moeite, die kleine wereld vereenigd te houden, om toenaderingen te bewerken, op gevaar af zich aan een kippenkuur hunner nicht bloot te stellen. Ja, zij zou gelukkig geweest zijn, wanneer Beerenkooi en Sinclair elkander zochten, in plaats van elkaar te ontvluchten, in plaats van een min of meer smadelijke terughoudendheid jegens elkander in acht te nemen. Verbeeldden die goede sullen zich dan, dat alle menschen broeders zijn en nog wel zij, zooals zij waren!Zij manoeuvreerden evenwel zoo goed, dat overeengekomen werd, op den 30stenAugustus gezamenlijk de bouwvallen van de kerk, van het klooster en van het kerkhof te gaan zien, die ten noordoosten en ten zuiden van den Abtheuvel gelegen zijn. Deze wandeling die ternauwernood twee uren vereischt, was nog niet door de nieuwe gasten van Jona ondernomen. Dat kan als een inbreuk op den eerbied aangemerkt worden jegens de legendarische schimmen van de kluizenaar-monniken, die eertijds de hutten der kuststreek bevolkten, een gebrek aan achting voor de groote dooden uit de koninklijke huizen, sedert Fergus II tot aan Macbeth.XV.De bouwvallen van Jona.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en de twee jongelieden vertrokken den gezegden dag terstond na het ontbijt. Het was zeer fraai herfstweder. Ieder oogenblik drong, of beter nog, zijpelde eenlichtstraal, als ontsnapt aan den kerker, door de scheuren in het dikke wolkendak, om dan een poos daarna weer te verdwijnen. Onder de afwisseling van licht en donker vertoonden de bouwvallen, die dit gedeelte van het eiland bekronen, en de zoo schilderachtig gegroepeerde rotsen van de kuststrook, en de verstrooid liggende huizen op het dalend en rijzend terrein van Jona, alsook in de verte de zee, die er als gestreept onder de liefkoozingen van een briesje uitzag, zich telkenmale onder een vernieuwd voorkomen en vroolijkten onder den invloed der zon op.Het was niet de toeristendag. Daags te voren had de stoomboot een vijftigtal ontscheept; ongetwijfeld zou zij den volgenden dag een gelijk getal overbrengen; maar heden behoorde het eiland Jona geheel en al aan haar nieuwe bewoners. Men zou dus niemand bij de bouwvallen aantreffen.In een vroolijke stemming werd de weg afgelegd. De opgeruimdheid van broeder Sam en van broeder Sib was voor de twee jongelieden aanstekelijk geweest. Zij koutten, zij gingen en kwamen, verwijderden zich en verschenen weer te midden van de kleine rotsachtige paden, tusschen de lage bouwvallen van muren, van gedroogden steen vervaardigd.Alles ging dus naar wensch, toen men vlak voor den kruisberg van Mac Lean stil hield. Dit fraaie rotsblok, uit een stuk rood graniet bestaande, is veertien voet hoog en beheerscht den straatweg van Main Street. Het is het eenig overblijfsel der drie honderd zestig kruisen, die tot aan het tijdperk der Hervorming op het eiland in het midden der XVIe eeuw geplaatst werden.Olivier Sinclair wilde zeer natuurlijk een schets maken van dien monumentalen steen, die goed afgewerkt is en een fraai effekt maakt te midden eener dorre vlakte, die met een grijsachtig gras bekleed is.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij hadden op een vijftig pas afstand van den kruisberg plaats genomen, om er een algemeen overzicht van te genieten. Olivier Sinclair ging op een afgebrokkelden kleinen muur zitten en begon de eerste omtrekken van het terrein, waarop het kruis van Mac Lean zich verhief, te schetsen.Eenige oogenblikken later kwam het hun voor, alsof een menschelijk wezen poogde de eerste grondvesten van dien kruisberg te beklimmen.»Wat komt die ongenoode gast nu hier doen?” vroeg Olivier. »Als hij nog in een monnikspij gehuld was, zou hij met dat monument overeenkomen en kon ik hem aan den voet van dat oude kruis laten knielen.”»Het is eenvoudig een nieuwsgierige, die u wat hinderen gaat, mijnheer Sinclair,” zei miss Campbell.»Maar is het Aristobulus Beerenkooi niet, die ons vooruitgesneld is?” vroeg broeder Sam.»Ja, hij is het,” zei broeder Sib.En inderdaad het was Aristobulus Beerenkooi, die op het voetstuk van den kruisberg was geklommen en de rots met duchtige hamerslagen aanviel.Miss Campbell was verwoed over dat ongegeneerde van den mineralogist en ging dadelijk tot hem.»Wat doet gij daar, mijnheer?” vroeg zij.»Zooals gij ziet, miss Campbell,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »ik poog een stuk van dat graniet af te slaan.”»Waartoe die gekheid? Ik dacht dat de tijd der beeldstormers voorbij was!”»Ik ben geen beeldstormer, maar een geoloog,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en als zoodanig wensch ik het samenstel van dat blok te kennen.”Een nog hardere slag met den hamer had het schendend werk volbracht. Een stuk steen van het voetstuk rolde op den grond.Aristobulus Beerenkooi raapte het op, en op het vermeerderend gezichtsvermogen van zijn bril niet vertrouwende, greep hij een loep uit haren koker en bracht die bij zijn oog.»Net als ik dacht,” zeide hij. »Het is rood graniet van zeer fijnen ineengedrongen korrel en bezit veel weerstandsvermogen. Die moet afkomstig zijn van het Nonneneiland en is geheel gelijk aan de granietsoort, welke de bouwmeesters in de XIIdeeeuw bezigden om de kathedraal van Jona op te richten.En Aristobulus Beerenkooi liet zich een zoo schoone gelegenheid niet ontsnappen om zich in een archeologische verhandeling te verdiepen, welke de gebroeders Melvill, toen zij zich bij hem vervoegd hadden, meenden te moeten aanhooren.Miss Campbell was, zonder veel omslag te maken naar Olivier Sinclair teruggekeerd en allen bevonden zich, toen de teekening klaar was, in het portaal de kathedraal bij elkander.Dat monument was een zeer samengesteld gebouw, gevormd door twee aan elkander gekoppelde kerken, welker dikke muren en stevige pilaren als rotsen, de aanvallen van dit ruwe klimaat sedert dertien honderd jaren weerstaan hadden.De bezoekers wandelden gedurende eenige oogenblikken in de eerste kerk, die van romaanschen oorsprong blijkt, afgaande op den boog harer gewelven; vervolgens in de tweede, die als een gothisch gebouw van de XIIdeeeuw erkend werd en het middenschip met de kruisvleugels der eerste vormde. Zij drentelden zoo te midden dier bouwvallen, gingen van het eene tijdperk tot het andere over, en betraden de groote vierkante vloersteenen, welker voegen de aardelieten ontzien. Hier waren het grafdeksels, elders grafsteenen, die de hoeken van het gebouw met hun uitgebeitelde beelden versierden.Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).Uit dit alles, dat zich gestreng en ernstig voordeed, sprak de dichterlijkheid der vervlogen tijden.Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill hadden niet bespeurd, dat hun geleerde metgezel was achtergebleven. Zij drongen door tot onder het dikke gewelf van den vierkanten toren. Dit gewelf beheerschte vroeger het portaal der eerste kerk en verhief zich later bij het aansluitingspunt der twee kerken.Eenige oogenblikken later werden regelmatige stappen, die op den luid weerklinkenden vloer dreunden, waargenomen als van iemand die zwaarwichtig voortschreed, even als het standbeeld van den Kommandeur in de zaal van Don Juan.Het was Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas, de uitgestrektheid der kathedraal opnam.»Een honderd en zestig van het oosten naar het westen,” zei hij en noteerde dat getal in zijn zakboekje, terwijl hij de tweede kerk binnentrad.»Ah! zijt gij het, mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell spottend. »Na den mineralogist de landmeter?”»En zeventig voet slechts langs de aslijn der kruisvleugels,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi.»En hoeveel duim?” vroeg Olivier Sinclair.Aristobulus Beerenkooi keek Sinclair aan als iemand, die niet recht weet of hij zich boos zal maken of niet. De gebroeders Melvill kwamen evenwel ter geschikter ure tusschen beiden en noodigden miss Campbell en de beide jongelieden uit, hen bij het bezoeken van het klooster te vergezellen.Dit gebouw heeft slechts onherkenbare overblijfselen nagelaten, hoewel het de verminkingen der Hervorming overleefd heeft. Na dat tijdvak diende het tot vereenigingspunt van eenige stiftsdames van Sint Augustijn, waaraan de Staat die schuilplaats aanwees. Het zijn thans slechts nog maar ellendige bouwvallen van een klooster, door de stormen geteisterd, die noch gewelven, noch bogen, noch romaansche pilaren bezitten, om straffeloos de ruwheden van dit noordsche luchtgestel te kunnen trotseeren.De bezoekers konden evenwel, na de overblijfselen van het klooster, dat vroeger zoo bloeiend was, bezocht te hebben, de kapel nog bewonderen, die beter bewaard was gebleven. Aristobulus Beerenkooi vermeende die niet te behoeven op te meten. Aan die kapel, die of later of hechter gebouwd was dan de eet- en slaapzalen van het klooster, ontbrak alleen het dak. Het koor, dat evenwel geheel ongeschonden is, wordt door de oudheidkundigen, als een bouwstuk van groote verdiensten, zeer gewaardeerd.In het westergedeelte daarvan wordt het graf aangetroffen van haar, die de laatste abdis der gemeenschap was. Op den zwartmarmerenzerksteen is tusschen twee engelen een heilige Maagd uitgebeiteld, die het kind Jezus in hare armen draagt.»Even als de Maagd op den Stoel en de Madonna van Sint Sixtus, de twee eenige O. L. Vrouwenbeelden van Raphael zonder neergeslagen oogleden, kijkt ook deze rechtuit terwijl een glimlach uit hare oogen straalt!”Deze opmerking werd door miss Campbell zeer ter snede gemaakt. Zij had echter geen ander gevolg dan op de lippen van Aristobulus Beerenkooi een trek van vrij duidelijke spotternij en van minachting te voorschijn te roepen.»Waar hebt gij ooit gezien, miss Campbell,” vroeg hij, »dat een glimlach uit iemands oogen kan stralen?”Wellicht had miss Campbell wel trek hem te antwoorden, dat men bij hem zoo iets niet kon waarnemen, wanneer men hem aankeek. Zij zweeg echter.»Het is een algemeen verspreide dwaling,” sprak Aristobulus Beerenkooi op een toon, alsof hijex cathedradoceerde, »wanneer men van den glimlach der oogen spreekt. De gezichtsorganen zijn juist geheel misdeeld van uitdrukking, zoo als ons de gezichtkunde leert. Ten bewijze: stel een masker voor een gelaat en bekijk dan de oogen door de daarin overeenkomstige gaten, en ik tart u alsdan uit te maken, of dat gelaat opgeruimdheid, droefgeestigheid of toorn verraadt.”»Ah! waarlijk?” vroeg broeder Sam, die in de les belang scheen te stellen.»Hé! dat wist ik niet!” vulde broeder Sib aan.»Het is toch zoo,” hernam Aristobulus Beerenkooi. »Wanneer ik een masker had, dan....”Maar dat vreemdsoortig jongmensch had geen masker, de proefneming kon dus niet afdoend geschieden, om iederen twijfel weg te nemen.Daarenboven hadden miss Campbell en Olivier Sinclair reeds het klooster verlaten en richtten hunne schreden naar het kerkhof van Jona.Die plek werd de relikwiekast van Oban genaamd, ter herinnering aan den makker van Sint Columban, wien men de stichting van de kapel verschuldigd is, welker bouwvallen te midden van den doodenakker verrijzen.Dat terrein, bezaaid met grafsteenen, is een wonderlijke plek, waar acht en veertig schotsche koningen, acht onderkoningen der Hebriden, vier onderkoningen van Ierland en een koning van Frankrijk den eeuwigen slaap slapen. Van laatstbedoelde is de naam verloren geraakt, alsof hij reeds tot de voorhistorische tijden behoort. Men zou die plek bij een Druïdenveld hebben kunnen vergelijken,waarvan steenen monumenten door grafsteenen vervangen zouden zijn. Daartusschen strekt zich de granietsteen uit, die het graf dekt van Duncan, den Schotschen koning, die door het sombere treurspel van Macbeth vereeuwigd is. Op sommige dier steenen zijn slechts eenvoudige geometrische figuren gebeiteld, op anderen zijn eenige woeste Celtische koningen voorgesteld, die daar stijf als een lijk uitgestrekt liggen.Welke herinneringen doemen uit dien doodenakker van Jona op! Welk een terugkeer tot het verledene doorkruist het denkvermogen bij het betreden van die koninklijke begraafplaats!En hoe zou het mogelijk zijn, zich dit vers van Ossian niet te herinneren, dat den dichter hier ter plaatse ongetwijfeld bezield heeft?»Vreemdeling, gij betreedt een met helden overdekten grond. Bezing somwijlen den roem van die gedenkwaardige dooden. Dat hunne lichte schimmen zich rondom u mogen verblijden!”Miss Campbell en hare metgezellen waren geheel oogen, maar zwegen. Zij werden niet gedwongen de verveling van een beëedigden gids te ondervinden, die den sluier der geschiedenis voor de toeristen opheft. Zij konden zich verbeelden die afstammelingen van den beheerscher der eilanden van Angus Og, den metgezel van Robert Bruce, den wapenbroeder van dien held, die voor de onafhankelijkheid zijns lands streed, voor zich te zien.»O! wat zou ik hier gaarne bij het vallen van den avond terugkomen,” zei miss Campbell. »Mij dunkt, dat dit het gunstigste tijdstip zou wezen, om die herinneringen op te roepen! O, ik zou dan het ontzielde lichaam van den ongelukkigen Duncan zien aandragen. Ik zou dan de gesprekken der doodgravers hooren, terwijl zij hem in het graf legden, in de aarde, die aan zijn voorouders gewijd is. Wel, mijnheer Sinclair, zou dat het goede oogenblik niet zijn, om de geesten, die de koninklijke begraafplaats bewaken, op te roepen?”»Ja, miss Campbell, en ik meen dat zij niet zouden kunnen weigeren op uwe stem te verschijnen.”»Hoe, miss Campbell, gelooft gij aan geesten?” riep Aristobulus Beerenkooi uit.»Ja, daar geloof ik aan, mijnheer; als echte Schotsche, geloof ik aan geesten!” antwoordde miss Campbell.»Maar gij weet toch, dat dit slechts denkbeeldig is, dat niets van al dat wonderbaarlijke in werkelijkheid bestaat!”»En als ik er aan wil gelooven!” antwoordde miss Campbell onder den aandrang van een ontijdige zucht tot tegenspraak. »En als ik er behagen in schep om te gelooven aan de huis-brownies, die den huiselijken haard bewaken, aan de heksen, wier betoovering toe teschrijven is aan de runische verzen, die zij uitgalmen, aan de Valkyriën, de noodlottige jonkvrouwen uit de scandinavische mythologie, die de lijken der gesneuvelde strijders van het slagveld weghalen, aan die goedige toovergodinnen, door onzen dichter Burns in onsterfelijke verzen bezongen, die door geen waren zoon der Hooglanden vergeten worden:»Heden nacht dansen de feeën op Casselis Dawnans of begeven zij zich bij het bleeke maanlicht naar Colzean, om te gaan dwalen in de Coves te midden der rotsen en der beken.”»Maar miss Campbell,” hernam de stijfhoofdige dwaas, »denkt gij dan, dat de dichters zelven aan die droombeelden hunner verbeelding gelooven?”»Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ware dat niet, dan zou hunnen dichtstukken een valsche klank aankleven, zoo als iedere gedachte die niet uit een onwrikbare overtuiging geboren is.”»Zoo, gij ook, mijnheer,” grinnikte Aristobulus Beerenkooi. »Ik wist wel dat gij schilder, maar niet dat gij dichter waart.”»Dat staat geheel en al gelijk!” viel miss Campbell in. »De kunst is slechts één onder verschillende vormen!”»Maar neen.... neen!.... dat is onaanneembaar!.... Gij kunt aan al die fabelen der oude barden niet gelooven! Hunne gekrenkte hersenen riepen slechts denkbeeldige godheden in het leven!”»Oh! mijnheer Beerenkooi!” riep broeder Sam zeer gebelgd uit. »Mishandel zoo onze voorouders niet, die ons oud Schotland hebben bezongen!”»Leen er liever het oor aan,” zei broeder Sib, die de gelegenheid niet liet voorbijgaan om aanhalingen te doen uit het door hen beiden zoo geliefkoosd dichtstuk:»Ik dweep met den zang der barden. Het is voor mij bekoorlijk naar de verhalen uit lang vervlogen tijden te luisteren. Die zijn voor mij als de heilige kalmte van den morgenstond, als de verkwikkelijke frischheid van den dauw, die de heuvelen bevochtigt....”»Wanneer de zon nog slechts matte stralen op hare hellingen werpt,” vulde broeder Sam aan. »Zij zijn voor mij, even als het stille en blauwachtige meer in de diepte van het dal!”De beide ooms zouden ongetwijfeld voortgegaan zijn met de verrukkelijke verzen van Ossian aan te halen, wanneer slechts Aristobulus Beerenkooi niet goedgevonden had, hen plotseling in de rede te vallen:»Mijne heeren!” vroeg hij, »hebt gij wel ooit eens een dier geesten ontmoet, die u zoo verrukken? Neen! En zijn ze te zien? Ook niet, nietwaar?”»Daarin dwaalt gij, mijnheer,” antwoordde miss Campbell, die harentegenstanders geen haarbreed wilde toegeven, »en ik beklaag u, dat gij ze nog nimmer bespeurd hebt. Men ziet ze verschijnen door geheel Schotland. Zij glijden langs de verlaten glens; zij stijgen op uit de diepte der ravijnen; zij zweven huppelend langs de oppervlakte der meren; zij spelen in de vreedzame wateren der Hebriden; zij dartelen te midden van de stormen, die de noordsche winter hier aanbrengt. En ziet ge, die Groene Straal, dien ik zoo hardnekkig najaag, waarom zou die niet de sjerp kunnen zijn van de een of andere Valkyrie, die bij den horizont in de wateren der zee sleept?»Waarachtig niet!” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Neen, dat niet! Ik zal u uitleggen, wat uw Groene Straal is....”»Doe het niet, mijnheer,” antwoordde miss Campbell met drift, »ik wil het niet weten!”»Jawel, jawel!” riep Aristobulus Beerenkooi, geheel en al meegesleept door zijn geest van dispuut.»Ik verbied het u stellig!....”»Ik zal het u toch zeggen, miss Campbell. Wanneer de laatste straal, dien de zon werpt, als de bovenrand van hare schijf den horizon raakt, groen is, dan komt dit wellicht uit het feit, dat hij door eene dunne waterlaag van de zee glijdt en daarvan de kleur opneemt....”»Zwijg...., mijnheer Beerenkooi!....”»Of het moest zijn, dat de groene kleur geheel natuurlijk volgde op het purperrood van de schijf na haar plotselinge verdwijning, en waarvan het netvlies van ons oog den indruk bewaard heeft. Gij weet, dat in de gezichtkunde het groen de aanvullingskleur is van het rood!”»Och mijnheer, uw natuurkundige redeneeringen....”»Mijn redeneeringen komen geheel en al met den aard der dingen overeen,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik ben juist bezig een verhandeling over dit onderwerp op te stellen, die ik eerstdaags zal uitgeven.”»Kom, laten wij weggaan!” zei miss Campbell, werkelijk vertoornd, tot hare ooms. »Die mijnheer Beerenkooi zou mij met zijn uitleggingen mijn Groenen Straal bederven!”Olivier Sinclair wendde zich toen tot den pedanten geleerde:»Mijnheer,” zei hij, »ik denk dat uw verhandeling nopens den Groenen Straal voorzeker belangrijk zal zijn; maar veroorloof mij u op een anderen arbeid te wijzen, die misschien nog belangwekkender is.”»En welke dan, mijnheer?” vroeg Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij zich op zijn hakken verhief, evenals een haan op zijn sporen.»Gij zult voorzeker weten, dat eenige geleerden het zoo belangrijke vraagstuk:Over den invloed van den staart der visschen op de golvingen der zeewetenschappelijk behandeld hebben?....”De Clorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).DeClorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).»Mijnheer!!!....”»Welnu, er is nog een ander werk, dat ik u ook in het bizonderaanbeveel, om in geleerde overweging te worden genomen. Dat luidt:Over den invloed van de blaasinstrumenten op het ontstaan der stormen.”XVI.Twee geweerschoten.Daags daarna en ook in de eerste daarop volgende dagen van September zag men Aristobulus Beerenkooi niet weerom. Had hij Jona met de toeristen-boot verlaten, nadat het besef bij hem wakker was geworden, dat hij vergeefsche moeite aanwendde om de genegenheid van miss Campbell te winnen? Dat kon niemand zeggen. Hij deed in ieder geval goed, zich niet te vertoonen; want hij was niet meer onverschillig voor het jonge meisje, hij boezemde haar thans een soort van afkeer in. Het dichterlijk waas had hij aan haren straal ontrukt, haren droom belichaamd, de fladderende sjerp eener Valkyrie was door hem in een dom gezichtkundig verschijnsel veranderd! Zij zou hem wellicht alles hebben vergeven, alles, maar dat niet!De gebroeders Melvill konden zelfs geen verlof bekomen, om na te gaan waar Aristobulus Beerenkooi was gebleven.Waartoe zou dat ook dienen? Wat zouden de broeders hem te zeggen hebben, en welke hoop konden zij nog koesteren? Viel er nog te denken aan de voorgenomen vereeniging tusschen twee wezens van nature zoo afkeerig van elkander, die zoo gescheiden waren als het plat proza dit is van de verheven poëzie. Hij met zijn waanzin, om alles onder wetenschappelijke formules te willen brengen, zij met haar droombeelden, die haar slechts in een denkbeeldige wereld lieten verwijlen en haar de oorzaken en gevolgen deden minachten, om zich slechts aan haar dichterlijke indrukken te kunnen overgeven.Partridge intusschen, daartoe aangezet door juffrouw Bess, vernam dat de »jonge oude geleerde,” zooals hij hem noemde, nog niet vertrokken was, maar nog steeds zijn visschershut opzocht, alwaar hij eenzaam zijn maaltijden gebruikte.Maar dat deed er niet toe; het voornaamste was, dat men Aristobulus Beerenkooi niet meer zag. De waarheid in deze was, dat wanneer hij opgesloten in zijn kamer zich niet onledig hield met het een of ander hoogstgewichtig wetenschappelijk vraagstuk, hijmet het geweer op den rug op het strand ronddwaalde en daar zijn kwade luim bot vierde te midden van een waar bloedbad, op arme zwarte kuifduikers of op meeuwen, die aan niets schuld hadden, gepleegd. Zou hij nog eenige hoop koesteren? Spiegelde hij zich voor, dat miss Campbell, wanneer eenmaal haar gril ten opzichte van den Groenen Straal bevredigd was, tot betere gevoelens zou terugkeeren. Bij dat lieve persoontje, was, wel beschouwd, alles mogelijk.Maar er overkwam hem eens een vrij onaangenaam voorval, dat hem zeer slecht had kunnen bekomen, zonder de zoo edelmoedige als onverwachte tusschenkomst van zijn mededinger.Dit viel voor in den namiddag van den 2denSeptember. Aristobulus had zich op weg begeven om de rotsen te bestudeeren, die het uiterste uiteinde van de zuidelijke punt van Jona uitmaken. Een van die granietmassa’s, een »stack”, trok in ’t bizonder zijn aandacht, en wel zoodanig, dat hij besloot den top daarvan te beklimmen. Dit kon wel onvoorzichtig genoemd worden, want de rots was zeer glibberig en bood geen plekje aan, waarop de voet zou kunnen rusten of waaraan de hand zich kon vastklemmen.Toch liet Aristobulus Beerenkooi zich niet afschrikken. Hij begon dus langs de wanden naar boven te klimmen en kon met behulp van eenige struiken, die tusschen de rotsaderen wortel hadden geschoten, zich naar boven hijschen. Hij bereikte zoo, evenwel niet zonder moeite, den top van dien stack.Eenmaal daar aangekomen, hield hij zich met zijn mineralogischen arbeid onledig. Maar toen hij weer omlaag wilde klimmen, was de moeielijkheid grooter. En inderdaad, nadat hij zorgvuldig opgespoord had, langs welken kant van den wand hij zich naar beneden zou laten glijden, wilde hij daartoe overgaan. Maar juist in dat oogenblik gleed zijn voet uit en rolde hij, zonder zich te kunnen weerhouden, naar beneden. Hij zou in de zware branding die aan den voet der rots bruiste, terecht gekomen zijn, wanneer hij niet door een afgebroken boomstam gestuit was.Aristobulus Beerenkooi bevond zich toen in een toestand, die hoewel gevaarlijk, toch belachelijk was. Hij kon niet naar boven klimmen, maar ook niet neerdalen.Zoo verstreek een geruime tijd—meer dan een uur,—en wie weet wat gebeurd zou zijn, wanneer Olivier Sinclair, die met zijn schildersrandsel op den rug rondkuierde, in dit oogenblik niet voorbijgekomen was. Deze hoorde geschreeuw en stond stil om te luisteren. Toen hij evenwel Aristobulus Beerenkooi, dertig voet hoog in de lucht vastgehaakt, zich zag bewegen als een draaipop in een Jan-Klaassen-spel, kon hij eerst, zooals wel te begrijpen valt, zijn lachen niet bedwingen, maar daarna aarzelde hij geen oogenblik om alles te wagen, ten einde hem uit dien noodlottigen toestand te redden.Dat ging evenwel niet zonder moeielijkheid. Olivier Sinclair moest op den top van den stack klimmen, om den hangenden Beerenkooi weder naar boven te hijschen, ten einde hem vervolgens aan den anderen kant weer naar beneden te laten.»Mijnheer Sinclair”, zei Aristobulus Beerenkooi, zoodra hij weer vasten grond onder de voeten voelde, »ik had den hellingshoek van dien wand met de loodlijn fout berekend. Van daar dat ik uitgleed en zoo vasthaakte....”»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik ben gelukkig, dat het toeval mij veroorloofd heeft u te hulp te kunnen komen!”»Laat mij ten minste u bedanken....”»Och, het heeft zooveel niet om het lijf, mijnheer. Gij zoudt net zoo gehandeld hebben als ik in dit geval.”»Ongetwijfeld!”»Welnu, bij voorkomende gelegenheid houd ik mij aanbevolen!”En de twee jongelieden scheidden van elkander.Olivier Sinclair meende over dit voorval, waaraan hij geen te groot gewicht hechtte, te moeten zwijgen. Ook Aristobulus Beerenkooi sprak er niet over. Maar daar hij nog al aan zijn ongeschonden huid gehecht was, voelde hij zich toch dankbaar gestemd jegens zijn mededinger, die hem uit dien naren toestand gered had.Hoe ging het intusschen met den beruchten Straal? Het moest erkend worden, dat hij zich vreemdsoortig genoeg uitnoodigen liet! En toch was er geen tijd meer te verliezen. De herfst zou niet nalaten zijn nevelsluier aan den hemel uit te spreiden. Dan zouden er geen heldere avonden meer bestaan; want September is er zeer gierig mede onder deze hooge breedte. Dan geen scherpe kim meer, die eerder met den passer van een landmeter getrokken scheen dan met het penseel van een schilder. Zou de hoop moeten opgegeven worden, het natuurverschijnsel te zien, dat tot zooveel verhuizingen aanleiding had gegeven? Zou men de waarneming tot het volgende jaar moeten uitstellen? Of moest men haar hardnekkig in andere luchtstreken gaan vervolgen?Waarlijk, het was zoowel voor miss Campbell als voor Olivier Sinclair om er kregel van te worden. Beiden waren ernstig woedend dat de gezichteinder der Hebriden steeds beneveld was.Zoo gingen de vier eerste dagen van de nevelachtige Septembermaand voorbij.Iederen avond waren miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge, op de een of andere rots waartegen de golfjes klotsten, gezeten, en woonden den ondergang bij der zon, die meestal plaats had te midden van bewonderenswaardigelichteffecten, oneindigprachtvoller, dan wanneer de hemel volmaakt helder ware geweest.Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt. (bladz. 138).Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt.(bladz. 138).Een kunstenaarsziel moet de verheven schouwspelen toejuichen, die zich iederen avond bij het dalen der zon ontwikkelen, wanneer de oogenverblindende kleurenschaal, die als van de eene wolk tot de andere overgaat, van het violette af, dat in het toppunt verschijnt, tot het gulden rood van den horizon, zich voor het oog vertoont, wanneer de vuurweerkaatsingen zich op de wolken als op gloeiende rotsen laten waarnemen, wanneer die wolken de zonneschijf schijnen aantetasten en haar laatste stralen opslorpen, vooral die welke onze waarnemers zoo gaarne gezien hadden.Wanneer dan na de verdwijning van de dagvorstin allen opstonden, dan gevoelden zij zich teleurgesteld, evenals de toeschouwers van een tooverballet, waarvan het sloteffect door de schuld van den tooneelwerktuigkundige gemist was, en keerden zij naar de herberg »het wapen van Duncan” terug.»Tot morgen!” zei miss Campbell.»Tot morgen!” antwoordden de beide ooms. »Wij hebben een voorgevoel, dat morgen....”Iederen avond hadden de gebroeders Melvill een voorgevoel en iederen avond kwam dat bedrogen uit.De dag van den 5denSeptember begon evenwel prachtig. De morgennevel loste zich door de warmte van de eerste zonnestralen op.De wijzer van den barometer, die reeds sedert eenige dagen vooruitgaande was, rees nog en bleef op »bestendig”. Het was niet meer warm genoeg om de luchttrilling te doen ontstaan, die in de heete zomerdagen wordt waargenomen. De droogte van den dampkring was dien dag bij de oppervlakte der zee gelijk aan die, welke op een berg, eenige duizenden voeten hoog, te midden van ijle lucht te vinden was.Het zou onmogelijk zijn de angstige spanning te schetsen, waarmede allen de verschillende overgangstijdperken op dien dag nagingen. Met welk kloppend hart zij uitkeken of niet eenige wolk in het uitspansel was te bespeuren, is niet te beschrijven. En het zou vermetel genoemd moeten worden, te trachten weer te geven, met welke benauwdheid zij de zonnebaan gadesloegen.Gelukkig blies de bries zacht, maar bestendig van de landzij. Terwijl zij over de bergen heenstreek of langs de oppervlakte der weilanden gleed, kon zij geen waterdeelen opnemen, zooals zij doet, wanneer zij over den uitgestrekten Oceaan waait en die zij dan ook aanbrengt, wanneer zij van den zeekant komt.Maar wat viel die dag lang! Miss Campbell kon onmogelijk rustig op haar plaats blijven. Zij gaf niets om de warmte, maar trippelde heen en weer, terwijl Olivier Sinclair op de hoogste punten van het eiland ronddwaalde, om een ruimeren gezichtskring te hebben.De twee ooms snoven met hun beiden een geheele snuifdoos leeg en Partridge, alsof hij een schildwacht op post was, had de houding aangenomen van een onbezoldigd rijksveldwachter, die de hemelsche dreven moest bewaken.Men was overeengekomen, dien dag te vijf uur te dineeren, om bij tijds op den waarnemingspost te kunnen zijn. De zon zou eerst ten zes uren negen en veertig minuten ondergaan, men zou dan tijd genoeg hebben, om haar op dat oogenblik te kunnen volgen.»Ik geloof, dat wij den straal dezen keer te pakken krijgen!” zei broeder Sam, terwijl hij zich in de handen wreef.»Dat geloof ik ook!” bevestigde broeder Sib, met hetzelfde gebaar.Tegen drie uur ongeveer ontstond er een loos alarm. Een dikke nevelvlok, met den vorm van een saamgepakte wolk, kwam in het oosten op en dreef door de landbries voortgestuwd naar den Oceaan.Miss Campbell zag haar het eerst. Zij kon een kreet van teleurstelling niet onderdrukken.»O! het is alleen die wolk,” zei een harer ooms. »Van die hebben wij niets te vreezen. Zij zal spoedig opgelost worden....”»Of zij spoedt sneller dan de zon voort,” beaamde Olivier Sinclair,»en zal vóór haar achter den horizon verdwijnen.”»Maar is de wolk de voorloopster niet van een mistbank?” vroeg miss Campbell.»Dat zullen we moeten afwachten.”Olivier Sinclair spoedde zich wat hij loopen kon, naar de kloosterbouwvallen. Van daar kon zijn blik meer oostwaarts tot ver achter de bergen van Mull doordringen.Die bergen staken scherp af tegen het blauw der lucht, hun kam scheen een met potlood getrokken lijn op een volmaakt zuiveren achtergrond.Er waren geen andere dampen in het uitspansel, en de scherpe omtrek van den Ben More, die zich op drie duizend voet boven de oppervlakte van de zee verheft, was door geen nevellagen verduisterd.Olivier Sinclair kwam een half uur later met geruststellende verzekeringen terug. Die wolk was slechts een verloren vlokje in de ruimte. In den drogen dampkring zou zij zich niet kunnen uitbreiden en onderweg wel opgelost worden.De witachtige vlok schreed evenwel naar het zenith voort. Het verwekte algemeen misnoegen, dat die wolk juist de baan der zon volgde. Zij naderde haar reeds onder den invloed der bries. Terwijl zij in de ruimte voortgleed, wijzigden zich haar vormen onder den aandrang van de tegenbewegingen in den luchtstroom. Eerst had zij den vorm van een hondskop, daarna van een platvisch, zoo iets als van een reuzenrog; toen rolde zij zich op als een bal, was donkerin het midden en schitterend aan haren zoom. Eindelijk bereikte zij de zonneschijf en schoof er voor.Een kreet ontsnapte miss Campbell. Zij strekte haar beide armen ten hemel uit.De schitterende dagvorstin, achter dat gordijn van dampen verborgen, schoot geen enkele harer stralen op het eiland af. Jona, buiten den direkten uitstralingskegel gelegen, was door een breede schaduw omsluierd.Maar die groote schaduw verplaatste zich. De zon verscheen weer in haren vollen glans. De wolk daalde naar den horizon. Zij zou dien zelfs niet bereiken; zij verdween als door een opening, die in den hemel als het ware geboord was.»Eindelijk is zij weg!” riep het jonge meisje, »en God geve, dat zij door geen andere gevolgd worde!”»Neen, miss Campbell, wees daaromtrent gerustgesteld,” antwoordde Olivier Sinclair. »Dat die wolk zoo spoedig en op deze wijze verdwenen is, kan als bewijs gerekend worden, dat er geen andere dampen in de lucht zijn, en dus de ruimte in het westen volmaakt zuiver is.”Ten zes uur des avonds waren de waarnemers op een open plek gegroepeerd, op hun post.Dat was een plek op het noordelijkste uiteinde van het eiland, op den hoogsten top van den Abtsheuvel. Van dien top kon de blik in het oosten als in een kring het hooger gedeelte van het eiland Mull omvatten. Ten noorden verscheen het eilandje Staffa als een ontzaglijke schildpadschaal, die in deHebridischewateren gestrand zou zijn. Iets verder verschenen Elva en Gometra als afgescheurde gedeelten van de kuststreek van het groote eiland. Naar den kant van het westen, het zuidwesten en het noordwesten was niets te zien dan de onmetelijke zee. De zon daalde snel langs een schuine baan. De omtrek van den gezichteinder vertoonde zich zwart, alsof hij met Chineeschen inkt was getrokken. Aan den tegenovergestelden kant glinsterden al de vensters van Jona vlammend, als de weerkaatsing van een brand, welker vlammen met gulden spitsen woedden.Miss Campbell en Olivier Sinclair, de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, geboeid door dat overschoone schouwspel, zaten eerbiedig stilzwijgend neder. Zij aanschouwden, terwijl zij de oogleden half toeknepen, de schijf, die zich bij de waterlijn afplatte en den vorm aannam van een scharlaken halven bol. Er was geen spoor van damp aan den zeekant te zien.»Ik geloof, dat wij hem ditmaal te pakken hebben,” begon broeder Sam.»Ik geloof het ook,” antwoordde broeder Sib.»Stil, waarde ooms!...” riep miss Campbell.Zij zwegen en hielden hun adem in, alsof zij vreesden dat de waterdeelen daarvan zich zouden kunnen verdichten en den vorm aannemen eener wolk om den zonneschijn te benevelen.De zon had reeds den horizon met haren onderrand aangeraakt. Zij verbreidde en verstrooide zich alsof zij inwendig met een lichtgevende vloeistof gevuld was.Allen zogen als het ware hare laatste stralen op.Zoo moet Arago hebben zitten turen, toen hij in de woestenijen van Palma op de kust van Spanje, het vuursignaal bespiedde, dat op den top van het eiland Ivika moest verschijnen, om hem te veroorlooven den laatsten driehoek zijner graadmeting te sluiten.Eindelijk bleef nog een klein segment van den bovensten boog boven de watervlakte over. Nog weinige seconden, en de laatste straal zou schitteren voor de oogen, die gereed waren hem op te vangen, en het paradijsachtig groen laten schijnen!...Plotseling werden twee geweerschoten vernomen, die beneden aan den heuvel te midden der rotsen van de kuststrook weerklonken. Men zag een rookwolkje, tusschen welks kronkels een zwerm van zeevogels: meeuwen, stormvogels en eiders, door ontijdige geweerschoten verschrikt, rondfladderde.Die wolk steeg recht op en schoof als een gordijn tusschen den gezichteinder en het eiland; zij zweefde voor de ondergaande zon, juist op het oogenblik, dat zij haar laatsten lichtstraal over de oppervlakte der wateren schoot.Men kon in dit oogenblik den onvermijdelijken Aristobulus Beerenkooi op een punt van de steile kust bespeuren, die met het nog rookend geweer in de handen, den vogelenzwerm met de oogen volgde.»O! ditmaal hebben we er genoeg van!” riep broeder Sib uit.»Neen, wij hebben er te veel van!” riep broeder Sam.»Ik had hem aan zijn rots moeten laten hangen,” mompelde Olivier Sinclair. »Dan zou hij ten minste hier niet zijn.”Miss Campbell, staroogende en met de lippen op elkaar geklemd, sprak geen enkel woord.Andermaal had zij door de schuld van Aristobulus Beerenkooi den Groenen straal gemist.

XIV.Het leven te Jona.Intusschen kwam Jona—dat oudtijds het Golfeiland genoemd werd—met zijn heuvel, die den Abt heette, en een hoogte van niet meer dan vier honderd voet boven de oppervlakte der zee bereikte, al meer en meer te voorschijn, en naderde de stoomboot het thans met snelheid.Het was ongeveer middag, toen dePioneerbij een kleinen dam aanlegde, die van rotsen opgetrokken was, welke ter nauwernood vierkant bekapt waren, en er slijmerig groen van het water uitzagen. De passagiers ontscheepten, het meerendeel evenwel slechts kortstondig, om een uur later weer te vertrekken, en langs de zeeëngte van Mull naar Oban terug te keeren; de anderen evenwel, slechts weinigen—de lezer weet hoeveel—met het doel om te Jona te verblijven.Eigenlijk heeft het eiland geen haven. Een steenen kade beschermt een kleinen inham tegen de deining uit volle zee. Dat is alles. Daar zoeken gedurende het fraaie seizoen eenige plezierjachten en de visschersschuiten, die deze streken afvisschen, bescherming tegen den machtigen golfslag.Miss Campbell en haar reisgezellen, lieten de overige toeristen, die slechts twee uur voor zich hebben om het eiland te bezichtigen, aan hun lot over, en beijverden zich onverwijld om een doelmatig onderkomen te vinden.Men moest evenwel niet te veeleischend zijn. Te Jona is de comfort, welke in de rijke steden van het Vereenigd Koninkrijk aangetroffen wordt, nagenoeg onbekend.En inderdaad, het geheele eiland Jona heeft geen grootere uitgestrektheid dan van drie mijl lengte, en van één breedte, en telt ter nauwernood vijfhonderd inwoners. De hertog van Argyle, wien het eiland toebehoort, trekt er van een inkomen slechts eenige honderden ponden. Een stad, of een dorp, zelfs een gehucht bestaat er eigenlijk niet. Eenige verspreide huizen, voor het meerendeel slechts hutten, schilderachtig zoo men wil, maar bekrompen oorspronkelijk, bijna zonder vensters, terwijl het daglicht slechts door de deur toegang heeft, met een gat in het dak, dat de rol van schoorsteen vervult, met muren, kaal en naakt, van klipsteen opgetrokken, met een dakbedekking van riet of van heidekruid, dat met grofvezelig zeewier wordt saamgehouden.Wie zou echter kunnen gelooven, dat Jona in de eerste tijdperken van de Scandinavische geschiedenis de bakermat is geweest der Druïden? Wie zou kunnen gissen, dat na hen Sint Columban—de Ierlander, wiens naam het eiland ook draagt—er in de zesde eeuw het eerste klooster in Schotland stichtte, met het doel om van daar uit de nieuwe leer van Christus te prediken, en dat monniken van Cluny daar woonden, tot dat de Hervorming ingevoerd werd. Maar waar thans die uitgestrekte gebouwen te vinden, die vroeger de kweekschool waren, waaruit de bisschoppen en de groote abten van het geheele Vereenigde Koninkrijk voortsproten? Waar thans te vinden, te midden van de hoopen puin, de overblijfselen van de boekerij, die zoo rijk aan oude archiefstukken was, zoo rijk aan allerlei handschriften, betrekking hebbende op de romeinsche geschiedenis, en waaraan toen der tijd de geleerden zich kwamen laven? Neen! thans bestaan slechts puinhoopen en bouwvallen, waar vroeger de beschaving, die het noorden van Europa zoo veranderen zou, hare wieg had staan. Van het Sint Columba van voorheen blijft niets dan het tegenwoordige Jona over, dat Jona met zijn weinige ruwe boeren, die met moeite op dien zandgrond een middelmatigen oogst van gerst, koren en aardappelen teelen, met zijn weinige visschers,wier sloepen de vischrijke wateren der kleine Hebriden beploegen.»Vindt miss Campbell,” vroeg Aristobulus Beerenkooi op smadelijken toon, »dat dit nest hier op het eerste gezicht een vergelijking met Oban kan doorstaan?”»Wel zeker, en het is boven Oban te verkiezen!” antwoordde miss Campbell, hoewel zij er ongetwijfeld bij dacht, dat er een bewoner te veel op het eiland zoude wezen.Bij gebrek van een Casino of van een hotel slaagden de gebroeders Melvill er in, een herberg te ontdekken, die dragelijk was. Zij werd gewoonlijk in beslag genomen door de toeristen, die zich niet tevreden lieten stellen met den tijd, dien de boot hun beschikbaar liet om de druïdische en christelijke bouwvallen van Jona te bezichtigen. Zij namen dus dienzelfden dag hun intrek inhet Wapen van Duncan, terwijl Olivier Sinclair en Aristobulus Beerenkooi ieder voor zich een zoo goed mogelijk onderkomen in een visschershut zochten.Maar miss Campbell, het bedorven kind, was zoodanig in haar nopjes in haar kleine kamer, welker vensters op het westen en op de zee uitzagen, alsof zij zich op het boventerras van het hooge torentje van Helenaburg bevond; in ieder geval was zij er liever dan in het salon van het Caledonian Hôtel. Als zij aan haar venster zat, dan ontwikkelde zich voor haren blik een gezichteinder, welks cirkelvorm door geen enkel eilandje gebroken werd, en met een beetje verbeeldingskracht kon zij zich op drie mijl afstands de Amerikaansche kust voor oogen tooveren, hoewel die aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan was gelegen. Waarlijk, de zon had daar een schoone gelegenheid, om in al haar pracht onder te gaan!Het gemeenschappelijk leven was dus gemakkelijk en spoedig geregeld. Men zou gezamenlijk de maaltijden in de eetkamer van de herberg nuttigen. Volgens een oud eerbiedwaardig gebruik namen juffrouw Bess en Partridge bij hun meesters plaats aan tafel. Misschien liet Aristobulus Beerenkooi daarover eenige verwondering blijken, Olivier Sinclair vond dat heel natuurlijk. Hij had zelfs reeds eenige genegenheid opgevat voor die beide dienaren, die ook hem begonnen lief te krijgen.Toen leidde dat gezin het oude Schotsche bestaan in zijn geheele eenvoudigheid. Na de wandeluren rondom en door het eiland, na de verhandelingen over den ouden tijd, waartusschen Aristobulus Beerenkooi nimmer naliet zijn moderne wetenschap te luchten, vereenigde men zich aan het gemeenschappelijk diner dat te twaalf uur en aan het avondmaal, dat te acht uur genuttigd werd. Dan kwam de zonsondergang, en miss Campbell ging dien steeds waarnemen, welk weer het ook was. Het kan toch zijn, wie weet dat een openingzich in de lagere wolkenmassa voordeed, een scheur, een spleet, inéén woord, een kleine ruimte om den laatsten straal doortocht te verleenen.Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).Maar welke maaltijden deed men daar te Jona! De Caledonische lekkerbekken van Walter Scott bij het diner van Fergus Mac-Gregor, of bij het avondmaal van Oldbeck den Oudheidkundige, zouden geen aanmerkingen te maken hebben gehad op de spijzen, die volgens de kookwijze van het oude Schotland toebereid waren. Juffrouw Bess en Partridge gevoelden zich alsof zij in den loop der tijden een eeuw terug gevoerd waren en achtten zich gelukkig, alsof zij ten tijde hunner voorouders geleefd hadden. Broeder Sam en broeder Sib ontvingen met een genadig goedkeuren en met een blijkbaar genoegen de heerlijke gerechten, die vroeger bij de familie Melvill in eere waren.En ziehier de gesprekken die in de eetkamer plaats vonden:»Nog een weinig van die »cakes” van havermeel, die anders smakelijker zijn dan de dodderige gebakken van Glasgow.”»Nog een weinig van die »sowens”, die nog steeds door de bergbewoners in de Hooglanden gegeten worden.”»Nog wat van die »haggis”, die door onzen grooten dichter Burns waardiglijk als de eerste, de beste, de meest vaderlandlievende van al de puddings van geheel Schotland in zijn verzen bezongen is.”»Nog wat van die »cockylecky!”O! al is de haan, die het bestanddeel er van uitmaakt, een weinig taai, de er bij gevoegde peertjes zijn overheerlijk.”»Mag ik voor de derde maal van dien »hotpotch”, die beter smaakt dan welke schotel ook van Helenaburg!”Waarachtig men at goed in het Wapen van Duncan. Men moest evenwel alle twee dagen voorraad opdoen van de stoombooten, die den dienst langs de kleine Hebriden verrichten. Maar men dronk ook goed.Men moest de gebroeders Melvill zien met het glas in de hand, elkanders gezondheid drinken en zich inschenken uit de groote kannen, die een inhoud van niet minder dan vier engelsche pinten hebben en waarin de »usquebaugh”, het nationale bier bij uitnemendheid, schuimde, of de »hummok”, die bepaald voor hen gebrouwen werd! En de whisky, uit gerot graan getrokken, waarvan de gisting zich in de maag der drinkebroers schijnt voort te zetten! En had ook al het krachtige bier ontbroken, dan nog zouden zij zich met eenvoudige »mum”, uit graan gestookt, vergenoegd hebben, of wel met »two-penny”, die altijd met een glaasje gin opgefleurd kon worden. Waarlijk zij dachten er niet aan de sherry en den portwijn van de kelders van Helenaburg of van Glasgow te betreuren!En al beklaagde Aristobulus Beerenkooi, meer verslaafd aan het moderne comfort, zich ook meer dan betamelijk was, niemand bewees hem de eer zijn klacht aan te hooren.Viel hèm de tijd lang, voor de anderen snelde hij met spoed heen en mejuffrouw Campbell pruttelde niet meer over de dampen die iederen avond de kim benevelden.Neen, Jona is niet groot; maar is er wel veel ruimte noodig voor hem, die slechts zuivere lucht zoekt? Kan men de onmetelijkheid van een koninklijk park niet in een kleinen tuin vinden? Men wandelde dus. Olivier Sinclair nam hier en daar dan een landschap op. Miss Campbell keek bij het schilderen toe en zoo vloog de tijd om.De 26, 27, 28 en 29steAugustus snelden voorbij zonder een oogenblik verveling veroorzaakt te hebben. Dat oorspronkelijk bestaan kwam geheel met het wilde eiland overeen, welks woeste rotsen voortdurend door de golven van den Oceaan gebeukt werden.Miss Campbell gevoelde zich gelukkig, de nieuwsgierige, praatzuchtige wereld der badplaatsen ontvlucht te zijn. Zij ging uit, zoo als zij in het park van Helenaburg rondgedrenteld zou hebben, gekleed met het »rokelay,” hetwelk haar als een mantille omgaf en het kapsel met de eenige »snod” versierd, een lint in de haren gewonden, dat den jeugdigen schotschen schoonen zoo lief staat. Olivier Sinclair bewonderde natuurlijk haar bevalligheid, en de bekoorlijkheid van haar persoon. Hij ondervond die aantrekkingskracht en gevoelde heel goed, waarheen die hem zou voeren. Dikwijls dwaalden beiden tot aan het uiterste einde van het strand van het eiland. Zij keuvelden dan, zij keken, zij droomden, en bevonden zich, soms onbewust, aan de uiterste grens, waar de golven het zeewier komen lekken. Bij zwermen vlogen dan de schotsche duikertjes, de »tamnie-mories” op, wier eenzaamheid zij stoorden, de »pictarnies”, die kleine vischjes bespieden, welke door de aanrollende vloedgolf op het strand geworpen worden en de Bussan-vogels, wier zwarte vederen-tooi door witte vleugeltoppen en gelen kop en hals aangenaam afgewisseld wordt, en die de voornaamste vertegenwoordigers zijn der zwemvliesvoetigen van de vogelenwereld der Hebriden.Wanneer dan na zonsondergang, die nog steeds door eenige dampen beneveld werd, de avond inviel, welke bekoorlijkheid was er dan niet voor miss Campbell en de haren, om de eerste uren van den stillen nacht op het eenzame strand door te brengen! Zij zagen dan de sterren aan den horizon verschijnen en met haar keerden al de herinneringen uit de gedichten van Ossian weer. Te midden van de plechtige stilte hoorden miss Campbell en Olivier Sinclair de twee broeders beurtelings de coupletten over den ongelukkigen Fingal, dien bardenzang opzeggen:»O ster, gezellin van den nacht, wier schitterend gelaat door de westelijke wolken heenboort en die als in een vurige baan op het hemel-azuur voortschrijdt, zeg, wat ziet gij in de vlakte?”»De stormwind, die over dag loeide, zwijgt; de bedarende golfslag kruipt als het ware aan den voet der rotsen; de avondmuggen, op hunne lichte vleugelen gedragen, vervullen de stilte der lucht met hun gegons.”»Schitterende ster, wat aanschouwt gij in de vlakte? Maar ik zie u reeds met een glimlach den horizon naderen. Vaarwel, stilzwijgende ster, vaarwel!”En dan zwegen broeder Sam en broeder Sib en dan keerden allen naar hunne kleine kamer in de herberg terug.Hoe weinig helderziend de gebroeders Melvill ook waren, zoo zagen zij toch, dat Aristobulus Beerenkooi juist in de meening van miss Campbell verloor, wat Olivier Sinclair er in won. De beide jongelieden vermeden elkander zooveel mogelijk. De twee ooms beijverden zich dan ook om, niet zonder moeite, die kleine wereld vereenigd te houden, om toenaderingen te bewerken, op gevaar af zich aan een kippenkuur hunner nicht bloot te stellen. Ja, zij zou gelukkig geweest zijn, wanneer Beerenkooi en Sinclair elkander zochten, in plaats van elkaar te ontvluchten, in plaats van een min of meer smadelijke terughoudendheid jegens elkander in acht te nemen. Verbeeldden die goede sullen zich dan, dat alle menschen broeders zijn en nog wel zij, zooals zij waren!Zij manoeuvreerden evenwel zoo goed, dat overeengekomen werd, op den 30stenAugustus gezamenlijk de bouwvallen van de kerk, van het klooster en van het kerkhof te gaan zien, die ten noordoosten en ten zuiden van den Abtheuvel gelegen zijn. Deze wandeling die ternauwernood twee uren vereischt, was nog niet door de nieuwe gasten van Jona ondernomen. Dat kan als een inbreuk op den eerbied aangemerkt worden jegens de legendarische schimmen van de kluizenaar-monniken, die eertijds de hutten der kuststreek bevolkten, een gebrek aan achting voor de groote dooden uit de koninklijke huizen, sedert Fergus II tot aan Macbeth.XV.De bouwvallen van Jona.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en de twee jongelieden vertrokken den gezegden dag terstond na het ontbijt. Het was zeer fraai herfstweder. Ieder oogenblik drong, of beter nog, zijpelde eenlichtstraal, als ontsnapt aan den kerker, door de scheuren in het dikke wolkendak, om dan een poos daarna weer te verdwijnen. Onder de afwisseling van licht en donker vertoonden de bouwvallen, die dit gedeelte van het eiland bekronen, en de zoo schilderachtig gegroepeerde rotsen van de kuststrook, en de verstrooid liggende huizen op het dalend en rijzend terrein van Jona, alsook in de verte de zee, die er als gestreept onder de liefkoozingen van een briesje uitzag, zich telkenmale onder een vernieuwd voorkomen en vroolijkten onder den invloed der zon op.Het was niet de toeristendag. Daags te voren had de stoomboot een vijftigtal ontscheept; ongetwijfeld zou zij den volgenden dag een gelijk getal overbrengen; maar heden behoorde het eiland Jona geheel en al aan haar nieuwe bewoners. Men zou dus niemand bij de bouwvallen aantreffen.In een vroolijke stemming werd de weg afgelegd. De opgeruimdheid van broeder Sam en van broeder Sib was voor de twee jongelieden aanstekelijk geweest. Zij koutten, zij gingen en kwamen, verwijderden zich en verschenen weer te midden van de kleine rotsachtige paden, tusschen de lage bouwvallen van muren, van gedroogden steen vervaardigd.Alles ging dus naar wensch, toen men vlak voor den kruisberg van Mac Lean stil hield. Dit fraaie rotsblok, uit een stuk rood graniet bestaande, is veertien voet hoog en beheerscht den straatweg van Main Street. Het is het eenig overblijfsel der drie honderd zestig kruisen, die tot aan het tijdperk der Hervorming op het eiland in het midden der XVIe eeuw geplaatst werden.Olivier Sinclair wilde zeer natuurlijk een schets maken van dien monumentalen steen, die goed afgewerkt is en een fraai effekt maakt te midden eener dorre vlakte, die met een grijsachtig gras bekleed is.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij hadden op een vijftig pas afstand van den kruisberg plaats genomen, om er een algemeen overzicht van te genieten. Olivier Sinclair ging op een afgebrokkelden kleinen muur zitten en begon de eerste omtrekken van het terrein, waarop het kruis van Mac Lean zich verhief, te schetsen.Eenige oogenblikken later kwam het hun voor, alsof een menschelijk wezen poogde de eerste grondvesten van dien kruisberg te beklimmen.»Wat komt die ongenoode gast nu hier doen?” vroeg Olivier. »Als hij nog in een monnikspij gehuld was, zou hij met dat monument overeenkomen en kon ik hem aan den voet van dat oude kruis laten knielen.”»Het is eenvoudig een nieuwsgierige, die u wat hinderen gaat, mijnheer Sinclair,” zei miss Campbell.»Maar is het Aristobulus Beerenkooi niet, die ons vooruitgesneld is?” vroeg broeder Sam.»Ja, hij is het,” zei broeder Sib.En inderdaad het was Aristobulus Beerenkooi, die op het voetstuk van den kruisberg was geklommen en de rots met duchtige hamerslagen aanviel.Miss Campbell was verwoed over dat ongegeneerde van den mineralogist en ging dadelijk tot hem.»Wat doet gij daar, mijnheer?” vroeg zij.»Zooals gij ziet, miss Campbell,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »ik poog een stuk van dat graniet af te slaan.”»Waartoe die gekheid? Ik dacht dat de tijd der beeldstormers voorbij was!”»Ik ben geen beeldstormer, maar een geoloog,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en als zoodanig wensch ik het samenstel van dat blok te kennen.”Een nog hardere slag met den hamer had het schendend werk volbracht. Een stuk steen van het voetstuk rolde op den grond.Aristobulus Beerenkooi raapte het op, en op het vermeerderend gezichtsvermogen van zijn bril niet vertrouwende, greep hij een loep uit haren koker en bracht die bij zijn oog.»Net als ik dacht,” zeide hij. »Het is rood graniet van zeer fijnen ineengedrongen korrel en bezit veel weerstandsvermogen. Die moet afkomstig zijn van het Nonneneiland en is geheel gelijk aan de granietsoort, welke de bouwmeesters in de XIIdeeeuw bezigden om de kathedraal van Jona op te richten.En Aristobulus Beerenkooi liet zich een zoo schoone gelegenheid niet ontsnappen om zich in een archeologische verhandeling te verdiepen, welke de gebroeders Melvill, toen zij zich bij hem vervoegd hadden, meenden te moeten aanhooren.Miss Campbell was, zonder veel omslag te maken naar Olivier Sinclair teruggekeerd en allen bevonden zich, toen de teekening klaar was, in het portaal de kathedraal bij elkander.Dat monument was een zeer samengesteld gebouw, gevormd door twee aan elkander gekoppelde kerken, welker dikke muren en stevige pilaren als rotsen, de aanvallen van dit ruwe klimaat sedert dertien honderd jaren weerstaan hadden.De bezoekers wandelden gedurende eenige oogenblikken in de eerste kerk, die van romaanschen oorsprong blijkt, afgaande op den boog harer gewelven; vervolgens in de tweede, die als een gothisch gebouw van de XIIdeeeuw erkend werd en het middenschip met de kruisvleugels der eerste vormde. Zij drentelden zoo te midden dier bouwvallen, gingen van het eene tijdperk tot het andere over, en betraden de groote vierkante vloersteenen, welker voegen de aardelieten ontzien. Hier waren het grafdeksels, elders grafsteenen, die de hoeken van het gebouw met hun uitgebeitelde beelden versierden.Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).Uit dit alles, dat zich gestreng en ernstig voordeed, sprak de dichterlijkheid der vervlogen tijden.Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill hadden niet bespeurd, dat hun geleerde metgezel was achtergebleven. Zij drongen door tot onder het dikke gewelf van den vierkanten toren. Dit gewelf beheerschte vroeger het portaal der eerste kerk en verhief zich later bij het aansluitingspunt der twee kerken.Eenige oogenblikken later werden regelmatige stappen, die op den luid weerklinkenden vloer dreunden, waargenomen als van iemand die zwaarwichtig voortschreed, even als het standbeeld van den Kommandeur in de zaal van Don Juan.Het was Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas, de uitgestrektheid der kathedraal opnam.»Een honderd en zestig van het oosten naar het westen,” zei hij en noteerde dat getal in zijn zakboekje, terwijl hij de tweede kerk binnentrad.»Ah! zijt gij het, mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell spottend. »Na den mineralogist de landmeter?”»En zeventig voet slechts langs de aslijn der kruisvleugels,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi.»En hoeveel duim?” vroeg Olivier Sinclair.Aristobulus Beerenkooi keek Sinclair aan als iemand, die niet recht weet of hij zich boos zal maken of niet. De gebroeders Melvill kwamen evenwel ter geschikter ure tusschen beiden en noodigden miss Campbell en de beide jongelieden uit, hen bij het bezoeken van het klooster te vergezellen.Dit gebouw heeft slechts onherkenbare overblijfselen nagelaten, hoewel het de verminkingen der Hervorming overleefd heeft. Na dat tijdvak diende het tot vereenigingspunt van eenige stiftsdames van Sint Augustijn, waaraan de Staat die schuilplaats aanwees. Het zijn thans slechts nog maar ellendige bouwvallen van een klooster, door de stormen geteisterd, die noch gewelven, noch bogen, noch romaansche pilaren bezitten, om straffeloos de ruwheden van dit noordsche luchtgestel te kunnen trotseeren.De bezoekers konden evenwel, na de overblijfselen van het klooster, dat vroeger zoo bloeiend was, bezocht te hebben, de kapel nog bewonderen, die beter bewaard was gebleven. Aristobulus Beerenkooi vermeende die niet te behoeven op te meten. Aan die kapel, die of later of hechter gebouwd was dan de eet- en slaapzalen van het klooster, ontbrak alleen het dak. Het koor, dat evenwel geheel ongeschonden is, wordt door de oudheidkundigen, als een bouwstuk van groote verdiensten, zeer gewaardeerd.In het westergedeelte daarvan wordt het graf aangetroffen van haar, die de laatste abdis der gemeenschap was. Op den zwartmarmerenzerksteen is tusschen twee engelen een heilige Maagd uitgebeiteld, die het kind Jezus in hare armen draagt.»Even als de Maagd op den Stoel en de Madonna van Sint Sixtus, de twee eenige O. L. Vrouwenbeelden van Raphael zonder neergeslagen oogleden, kijkt ook deze rechtuit terwijl een glimlach uit hare oogen straalt!”Deze opmerking werd door miss Campbell zeer ter snede gemaakt. Zij had echter geen ander gevolg dan op de lippen van Aristobulus Beerenkooi een trek van vrij duidelijke spotternij en van minachting te voorschijn te roepen.»Waar hebt gij ooit gezien, miss Campbell,” vroeg hij, »dat een glimlach uit iemands oogen kan stralen?”Wellicht had miss Campbell wel trek hem te antwoorden, dat men bij hem zoo iets niet kon waarnemen, wanneer men hem aankeek. Zij zweeg echter.»Het is een algemeen verspreide dwaling,” sprak Aristobulus Beerenkooi op een toon, alsof hijex cathedradoceerde, »wanneer men van den glimlach der oogen spreekt. De gezichtsorganen zijn juist geheel misdeeld van uitdrukking, zoo als ons de gezichtkunde leert. Ten bewijze: stel een masker voor een gelaat en bekijk dan de oogen door de daarin overeenkomstige gaten, en ik tart u alsdan uit te maken, of dat gelaat opgeruimdheid, droefgeestigheid of toorn verraadt.”»Ah! waarlijk?” vroeg broeder Sam, die in de les belang scheen te stellen.»Hé! dat wist ik niet!” vulde broeder Sib aan.»Het is toch zoo,” hernam Aristobulus Beerenkooi. »Wanneer ik een masker had, dan....”Maar dat vreemdsoortig jongmensch had geen masker, de proefneming kon dus niet afdoend geschieden, om iederen twijfel weg te nemen.Daarenboven hadden miss Campbell en Olivier Sinclair reeds het klooster verlaten en richtten hunne schreden naar het kerkhof van Jona.Die plek werd de relikwiekast van Oban genaamd, ter herinnering aan den makker van Sint Columban, wien men de stichting van de kapel verschuldigd is, welker bouwvallen te midden van den doodenakker verrijzen.Dat terrein, bezaaid met grafsteenen, is een wonderlijke plek, waar acht en veertig schotsche koningen, acht onderkoningen der Hebriden, vier onderkoningen van Ierland en een koning van Frankrijk den eeuwigen slaap slapen. Van laatstbedoelde is de naam verloren geraakt, alsof hij reeds tot de voorhistorische tijden behoort. Men zou die plek bij een Druïdenveld hebben kunnen vergelijken,waarvan steenen monumenten door grafsteenen vervangen zouden zijn. Daartusschen strekt zich de granietsteen uit, die het graf dekt van Duncan, den Schotschen koning, die door het sombere treurspel van Macbeth vereeuwigd is. Op sommige dier steenen zijn slechts eenvoudige geometrische figuren gebeiteld, op anderen zijn eenige woeste Celtische koningen voorgesteld, die daar stijf als een lijk uitgestrekt liggen.Welke herinneringen doemen uit dien doodenakker van Jona op! Welk een terugkeer tot het verledene doorkruist het denkvermogen bij het betreden van die koninklijke begraafplaats!En hoe zou het mogelijk zijn, zich dit vers van Ossian niet te herinneren, dat den dichter hier ter plaatse ongetwijfeld bezield heeft?»Vreemdeling, gij betreedt een met helden overdekten grond. Bezing somwijlen den roem van die gedenkwaardige dooden. Dat hunne lichte schimmen zich rondom u mogen verblijden!”Miss Campbell en hare metgezellen waren geheel oogen, maar zwegen. Zij werden niet gedwongen de verveling van een beëedigden gids te ondervinden, die den sluier der geschiedenis voor de toeristen opheft. Zij konden zich verbeelden die afstammelingen van den beheerscher der eilanden van Angus Og, den metgezel van Robert Bruce, den wapenbroeder van dien held, die voor de onafhankelijkheid zijns lands streed, voor zich te zien.»O! wat zou ik hier gaarne bij het vallen van den avond terugkomen,” zei miss Campbell. »Mij dunkt, dat dit het gunstigste tijdstip zou wezen, om die herinneringen op te roepen! O, ik zou dan het ontzielde lichaam van den ongelukkigen Duncan zien aandragen. Ik zou dan de gesprekken der doodgravers hooren, terwijl zij hem in het graf legden, in de aarde, die aan zijn voorouders gewijd is. Wel, mijnheer Sinclair, zou dat het goede oogenblik niet zijn, om de geesten, die de koninklijke begraafplaats bewaken, op te roepen?”»Ja, miss Campbell, en ik meen dat zij niet zouden kunnen weigeren op uwe stem te verschijnen.”»Hoe, miss Campbell, gelooft gij aan geesten?” riep Aristobulus Beerenkooi uit.»Ja, daar geloof ik aan, mijnheer; als echte Schotsche, geloof ik aan geesten!” antwoordde miss Campbell.»Maar gij weet toch, dat dit slechts denkbeeldig is, dat niets van al dat wonderbaarlijke in werkelijkheid bestaat!”»En als ik er aan wil gelooven!” antwoordde miss Campbell onder den aandrang van een ontijdige zucht tot tegenspraak. »En als ik er behagen in schep om te gelooven aan de huis-brownies, die den huiselijken haard bewaken, aan de heksen, wier betoovering toe teschrijven is aan de runische verzen, die zij uitgalmen, aan de Valkyriën, de noodlottige jonkvrouwen uit de scandinavische mythologie, die de lijken der gesneuvelde strijders van het slagveld weghalen, aan die goedige toovergodinnen, door onzen dichter Burns in onsterfelijke verzen bezongen, die door geen waren zoon der Hooglanden vergeten worden:»Heden nacht dansen de feeën op Casselis Dawnans of begeven zij zich bij het bleeke maanlicht naar Colzean, om te gaan dwalen in de Coves te midden der rotsen en der beken.”»Maar miss Campbell,” hernam de stijfhoofdige dwaas, »denkt gij dan, dat de dichters zelven aan die droombeelden hunner verbeelding gelooven?”»Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ware dat niet, dan zou hunnen dichtstukken een valsche klank aankleven, zoo als iedere gedachte die niet uit een onwrikbare overtuiging geboren is.”»Zoo, gij ook, mijnheer,” grinnikte Aristobulus Beerenkooi. »Ik wist wel dat gij schilder, maar niet dat gij dichter waart.”»Dat staat geheel en al gelijk!” viel miss Campbell in. »De kunst is slechts één onder verschillende vormen!”»Maar neen.... neen!.... dat is onaanneembaar!.... Gij kunt aan al die fabelen der oude barden niet gelooven! Hunne gekrenkte hersenen riepen slechts denkbeeldige godheden in het leven!”»Oh! mijnheer Beerenkooi!” riep broeder Sam zeer gebelgd uit. »Mishandel zoo onze voorouders niet, die ons oud Schotland hebben bezongen!”»Leen er liever het oor aan,” zei broeder Sib, die de gelegenheid niet liet voorbijgaan om aanhalingen te doen uit het door hen beiden zoo geliefkoosd dichtstuk:»Ik dweep met den zang der barden. Het is voor mij bekoorlijk naar de verhalen uit lang vervlogen tijden te luisteren. Die zijn voor mij als de heilige kalmte van den morgenstond, als de verkwikkelijke frischheid van den dauw, die de heuvelen bevochtigt....”»Wanneer de zon nog slechts matte stralen op hare hellingen werpt,” vulde broeder Sam aan. »Zij zijn voor mij, even als het stille en blauwachtige meer in de diepte van het dal!”De beide ooms zouden ongetwijfeld voortgegaan zijn met de verrukkelijke verzen van Ossian aan te halen, wanneer slechts Aristobulus Beerenkooi niet goedgevonden had, hen plotseling in de rede te vallen:»Mijne heeren!” vroeg hij, »hebt gij wel ooit eens een dier geesten ontmoet, die u zoo verrukken? Neen! En zijn ze te zien? Ook niet, nietwaar?”»Daarin dwaalt gij, mijnheer,” antwoordde miss Campbell, die harentegenstanders geen haarbreed wilde toegeven, »en ik beklaag u, dat gij ze nog nimmer bespeurd hebt. Men ziet ze verschijnen door geheel Schotland. Zij glijden langs de verlaten glens; zij stijgen op uit de diepte der ravijnen; zij zweven huppelend langs de oppervlakte der meren; zij spelen in de vreedzame wateren der Hebriden; zij dartelen te midden van de stormen, die de noordsche winter hier aanbrengt. En ziet ge, die Groene Straal, dien ik zoo hardnekkig najaag, waarom zou die niet de sjerp kunnen zijn van de een of andere Valkyrie, die bij den horizont in de wateren der zee sleept?»Waarachtig niet!” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Neen, dat niet! Ik zal u uitleggen, wat uw Groene Straal is....”»Doe het niet, mijnheer,” antwoordde miss Campbell met drift, »ik wil het niet weten!”»Jawel, jawel!” riep Aristobulus Beerenkooi, geheel en al meegesleept door zijn geest van dispuut.»Ik verbied het u stellig!....”»Ik zal het u toch zeggen, miss Campbell. Wanneer de laatste straal, dien de zon werpt, als de bovenrand van hare schijf den horizon raakt, groen is, dan komt dit wellicht uit het feit, dat hij door eene dunne waterlaag van de zee glijdt en daarvan de kleur opneemt....”»Zwijg...., mijnheer Beerenkooi!....”»Of het moest zijn, dat de groene kleur geheel natuurlijk volgde op het purperrood van de schijf na haar plotselinge verdwijning, en waarvan het netvlies van ons oog den indruk bewaard heeft. Gij weet, dat in de gezichtkunde het groen de aanvullingskleur is van het rood!”»Och mijnheer, uw natuurkundige redeneeringen....”»Mijn redeneeringen komen geheel en al met den aard der dingen overeen,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik ben juist bezig een verhandeling over dit onderwerp op te stellen, die ik eerstdaags zal uitgeven.”»Kom, laten wij weggaan!” zei miss Campbell, werkelijk vertoornd, tot hare ooms. »Die mijnheer Beerenkooi zou mij met zijn uitleggingen mijn Groenen Straal bederven!”Olivier Sinclair wendde zich toen tot den pedanten geleerde:»Mijnheer,” zei hij, »ik denk dat uw verhandeling nopens den Groenen Straal voorzeker belangrijk zal zijn; maar veroorloof mij u op een anderen arbeid te wijzen, die misschien nog belangwekkender is.”»En welke dan, mijnheer?” vroeg Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij zich op zijn hakken verhief, evenals een haan op zijn sporen.»Gij zult voorzeker weten, dat eenige geleerden het zoo belangrijke vraagstuk:Over den invloed van den staart der visschen op de golvingen der zeewetenschappelijk behandeld hebben?....”De Clorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).DeClorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).»Mijnheer!!!....”»Welnu, er is nog een ander werk, dat ik u ook in het bizonderaanbeveel, om in geleerde overweging te worden genomen. Dat luidt:Over den invloed van de blaasinstrumenten op het ontstaan der stormen.”XVI.Twee geweerschoten.Daags daarna en ook in de eerste daarop volgende dagen van September zag men Aristobulus Beerenkooi niet weerom. Had hij Jona met de toeristen-boot verlaten, nadat het besef bij hem wakker was geworden, dat hij vergeefsche moeite aanwendde om de genegenheid van miss Campbell te winnen? Dat kon niemand zeggen. Hij deed in ieder geval goed, zich niet te vertoonen; want hij was niet meer onverschillig voor het jonge meisje, hij boezemde haar thans een soort van afkeer in. Het dichterlijk waas had hij aan haren straal ontrukt, haren droom belichaamd, de fladderende sjerp eener Valkyrie was door hem in een dom gezichtkundig verschijnsel veranderd! Zij zou hem wellicht alles hebben vergeven, alles, maar dat niet!De gebroeders Melvill konden zelfs geen verlof bekomen, om na te gaan waar Aristobulus Beerenkooi was gebleven.Waartoe zou dat ook dienen? Wat zouden de broeders hem te zeggen hebben, en welke hoop konden zij nog koesteren? Viel er nog te denken aan de voorgenomen vereeniging tusschen twee wezens van nature zoo afkeerig van elkander, die zoo gescheiden waren als het plat proza dit is van de verheven poëzie. Hij met zijn waanzin, om alles onder wetenschappelijke formules te willen brengen, zij met haar droombeelden, die haar slechts in een denkbeeldige wereld lieten verwijlen en haar de oorzaken en gevolgen deden minachten, om zich slechts aan haar dichterlijke indrukken te kunnen overgeven.Partridge intusschen, daartoe aangezet door juffrouw Bess, vernam dat de »jonge oude geleerde,” zooals hij hem noemde, nog niet vertrokken was, maar nog steeds zijn visschershut opzocht, alwaar hij eenzaam zijn maaltijden gebruikte.Maar dat deed er niet toe; het voornaamste was, dat men Aristobulus Beerenkooi niet meer zag. De waarheid in deze was, dat wanneer hij opgesloten in zijn kamer zich niet onledig hield met het een of ander hoogstgewichtig wetenschappelijk vraagstuk, hijmet het geweer op den rug op het strand ronddwaalde en daar zijn kwade luim bot vierde te midden van een waar bloedbad, op arme zwarte kuifduikers of op meeuwen, die aan niets schuld hadden, gepleegd. Zou hij nog eenige hoop koesteren? Spiegelde hij zich voor, dat miss Campbell, wanneer eenmaal haar gril ten opzichte van den Groenen Straal bevredigd was, tot betere gevoelens zou terugkeeren. Bij dat lieve persoontje, was, wel beschouwd, alles mogelijk.Maar er overkwam hem eens een vrij onaangenaam voorval, dat hem zeer slecht had kunnen bekomen, zonder de zoo edelmoedige als onverwachte tusschenkomst van zijn mededinger.Dit viel voor in den namiddag van den 2denSeptember. Aristobulus had zich op weg begeven om de rotsen te bestudeeren, die het uiterste uiteinde van de zuidelijke punt van Jona uitmaken. Een van die granietmassa’s, een »stack”, trok in ’t bizonder zijn aandacht, en wel zoodanig, dat hij besloot den top daarvan te beklimmen. Dit kon wel onvoorzichtig genoemd worden, want de rots was zeer glibberig en bood geen plekje aan, waarop de voet zou kunnen rusten of waaraan de hand zich kon vastklemmen.Toch liet Aristobulus Beerenkooi zich niet afschrikken. Hij begon dus langs de wanden naar boven te klimmen en kon met behulp van eenige struiken, die tusschen de rotsaderen wortel hadden geschoten, zich naar boven hijschen. Hij bereikte zoo, evenwel niet zonder moeite, den top van dien stack.Eenmaal daar aangekomen, hield hij zich met zijn mineralogischen arbeid onledig. Maar toen hij weer omlaag wilde klimmen, was de moeielijkheid grooter. En inderdaad, nadat hij zorgvuldig opgespoord had, langs welken kant van den wand hij zich naar beneden zou laten glijden, wilde hij daartoe overgaan. Maar juist in dat oogenblik gleed zijn voet uit en rolde hij, zonder zich te kunnen weerhouden, naar beneden. Hij zou in de zware branding die aan den voet der rots bruiste, terecht gekomen zijn, wanneer hij niet door een afgebroken boomstam gestuit was.Aristobulus Beerenkooi bevond zich toen in een toestand, die hoewel gevaarlijk, toch belachelijk was. Hij kon niet naar boven klimmen, maar ook niet neerdalen.Zoo verstreek een geruime tijd—meer dan een uur,—en wie weet wat gebeurd zou zijn, wanneer Olivier Sinclair, die met zijn schildersrandsel op den rug rondkuierde, in dit oogenblik niet voorbijgekomen was. Deze hoorde geschreeuw en stond stil om te luisteren. Toen hij evenwel Aristobulus Beerenkooi, dertig voet hoog in de lucht vastgehaakt, zich zag bewegen als een draaipop in een Jan-Klaassen-spel, kon hij eerst, zooals wel te begrijpen valt, zijn lachen niet bedwingen, maar daarna aarzelde hij geen oogenblik om alles te wagen, ten einde hem uit dien noodlottigen toestand te redden.Dat ging evenwel niet zonder moeielijkheid. Olivier Sinclair moest op den top van den stack klimmen, om den hangenden Beerenkooi weder naar boven te hijschen, ten einde hem vervolgens aan den anderen kant weer naar beneden te laten.»Mijnheer Sinclair”, zei Aristobulus Beerenkooi, zoodra hij weer vasten grond onder de voeten voelde, »ik had den hellingshoek van dien wand met de loodlijn fout berekend. Van daar dat ik uitgleed en zoo vasthaakte....”»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik ben gelukkig, dat het toeval mij veroorloofd heeft u te hulp te kunnen komen!”»Laat mij ten minste u bedanken....”»Och, het heeft zooveel niet om het lijf, mijnheer. Gij zoudt net zoo gehandeld hebben als ik in dit geval.”»Ongetwijfeld!”»Welnu, bij voorkomende gelegenheid houd ik mij aanbevolen!”En de twee jongelieden scheidden van elkander.Olivier Sinclair meende over dit voorval, waaraan hij geen te groot gewicht hechtte, te moeten zwijgen. Ook Aristobulus Beerenkooi sprak er niet over. Maar daar hij nog al aan zijn ongeschonden huid gehecht was, voelde hij zich toch dankbaar gestemd jegens zijn mededinger, die hem uit dien naren toestand gered had.Hoe ging het intusschen met den beruchten Straal? Het moest erkend worden, dat hij zich vreemdsoortig genoeg uitnoodigen liet! En toch was er geen tijd meer te verliezen. De herfst zou niet nalaten zijn nevelsluier aan den hemel uit te spreiden. Dan zouden er geen heldere avonden meer bestaan; want September is er zeer gierig mede onder deze hooge breedte. Dan geen scherpe kim meer, die eerder met den passer van een landmeter getrokken scheen dan met het penseel van een schilder. Zou de hoop moeten opgegeven worden, het natuurverschijnsel te zien, dat tot zooveel verhuizingen aanleiding had gegeven? Zou men de waarneming tot het volgende jaar moeten uitstellen? Of moest men haar hardnekkig in andere luchtstreken gaan vervolgen?Waarlijk, het was zoowel voor miss Campbell als voor Olivier Sinclair om er kregel van te worden. Beiden waren ernstig woedend dat de gezichteinder der Hebriden steeds beneveld was.Zoo gingen de vier eerste dagen van de nevelachtige Septembermaand voorbij.Iederen avond waren miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge, op de een of andere rots waartegen de golfjes klotsten, gezeten, en woonden den ondergang bij der zon, die meestal plaats had te midden van bewonderenswaardigelichteffecten, oneindigprachtvoller, dan wanneer de hemel volmaakt helder ware geweest.Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt. (bladz. 138).Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt.(bladz. 138).Een kunstenaarsziel moet de verheven schouwspelen toejuichen, die zich iederen avond bij het dalen der zon ontwikkelen, wanneer de oogenverblindende kleurenschaal, die als van de eene wolk tot de andere overgaat, van het violette af, dat in het toppunt verschijnt, tot het gulden rood van den horizon, zich voor het oog vertoont, wanneer de vuurweerkaatsingen zich op de wolken als op gloeiende rotsen laten waarnemen, wanneer die wolken de zonneschijf schijnen aantetasten en haar laatste stralen opslorpen, vooral die welke onze waarnemers zoo gaarne gezien hadden.Wanneer dan na de verdwijning van de dagvorstin allen opstonden, dan gevoelden zij zich teleurgesteld, evenals de toeschouwers van een tooverballet, waarvan het sloteffect door de schuld van den tooneelwerktuigkundige gemist was, en keerden zij naar de herberg »het wapen van Duncan” terug.»Tot morgen!” zei miss Campbell.»Tot morgen!” antwoordden de beide ooms. »Wij hebben een voorgevoel, dat morgen....”Iederen avond hadden de gebroeders Melvill een voorgevoel en iederen avond kwam dat bedrogen uit.De dag van den 5denSeptember begon evenwel prachtig. De morgennevel loste zich door de warmte van de eerste zonnestralen op.De wijzer van den barometer, die reeds sedert eenige dagen vooruitgaande was, rees nog en bleef op »bestendig”. Het was niet meer warm genoeg om de luchttrilling te doen ontstaan, die in de heete zomerdagen wordt waargenomen. De droogte van den dampkring was dien dag bij de oppervlakte der zee gelijk aan die, welke op een berg, eenige duizenden voeten hoog, te midden van ijle lucht te vinden was.Het zou onmogelijk zijn de angstige spanning te schetsen, waarmede allen de verschillende overgangstijdperken op dien dag nagingen. Met welk kloppend hart zij uitkeken of niet eenige wolk in het uitspansel was te bespeuren, is niet te beschrijven. En het zou vermetel genoemd moeten worden, te trachten weer te geven, met welke benauwdheid zij de zonnebaan gadesloegen.Gelukkig blies de bries zacht, maar bestendig van de landzij. Terwijl zij over de bergen heenstreek of langs de oppervlakte der weilanden gleed, kon zij geen waterdeelen opnemen, zooals zij doet, wanneer zij over den uitgestrekten Oceaan waait en die zij dan ook aanbrengt, wanneer zij van den zeekant komt.Maar wat viel die dag lang! Miss Campbell kon onmogelijk rustig op haar plaats blijven. Zij gaf niets om de warmte, maar trippelde heen en weer, terwijl Olivier Sinclair op de hoogste punten van het eiland ronddwaalde, om een ruimeren gezichtskring te hebben.De twee ooms snoven met hun beiden een geheele snuifdoos leeg en Partridge, alsof hij een schildwacht op post was, had de houding aangenomen van een onbezoldigd rijksveldwachter, die de hemelsche dreven moest bewaken.Men was overeengekomen, dien dag te vijf uur te dineeren, om bij tijds op den waarnemingspost te kunnen zijn. De zon zou eerst ten zes uren negen en veertig minuten ondergaan, men zou dan tijd genoeg hebben, om haar op dat oogenblik te kunnen volgen.»Ik geloof, dat wij den straal dezen keer te pakken krijgen!” zei broeder Sam, terwijl hij zich in de handen wreef.»Dat geloof ik ook!” bevestigde broeder Sib, met hetzelfde gebaar.Tegen drie uur ongeveer ontstond er een loos alarm. Een dikke nevelvlok, met den vorm van een saamgepakte wolk, kwam in het oosten op en dreef door de landbries voortgestuwd naar den Oceaan.Miss Campbell zag haar het eerst. Zij kon een kreet van teleurstelling niet onderdrukken.»O! het is alleen die wolk,” zei een harer ooms. »Van die hebben wij niets te vreezen. Zij zal spoedig opgelost worden....”»Of zij spoedt sneller dan de zon voort,” beaamde Olivier Sinclair,»en zal vóór haar achter den horizon verdwijnen.”»Maar is de wolk de voorloopster niet van een mistbank?” vroeg miss Campbell.»Dat zullen we moeten afwachten.”Olivier Sinclair spoedde zich wat hij loopen kon, naar de kloosterbouwvallen. Van daar kon zijn blik meer oostwaarts tot ver achter de bergen van Mull doordringen.Die bergen staken scherp af tegen het blauw der lucht, hun kam scheen een met potlood getrokken lijn op een volmaakt zuiveren achtergrond.Er waren geen andere dampen in het uitspansel, en de scherpe omtrek van den Ben More, die zich op drie duizend voet boven de oppervlakte van de zee verheft, was door geen nevellagen verduisterd.Olivier Sinclair kwam een half uur later met geruststellende verzekeringen terug. Die wolk was slechts een verloren vlokje in de ruimte. In den drogen dampkring zou zij zich niet kunnen uitbreiden en onderweg wel opgelost worden.De witachtige vlok schreed evenwel naar het zenith voort. Het verwekte algemeen misnoegen, dat die wolk juist de baan der zon volgde. Zij naderde haar reeds onder den invloed der bries. Terwijl zij in de ruimte voortgleed, wijzigden zich haar vormen onder den aandrang van de tegenbewegingen in den luchtstroom. Eerst had zij den vorm van een hondskop, daarna van een platvisch, zoo iets als van een reuzenrog; toen rolde zij zich op als een bal, was donkerin het midden en schitterend aan haren zoom. Eindelijk bereikte zij de zonneschijf en schoof er voor.Een kreet ontsnapte miss Campbell. Zij strekte haar beide armen ten hemel uit.De schitterende dagvorstin, achter dat gordijn van dampen verborgen, schoot geen enkele harer stralen op het eiland af. Jona, buiten den direkten uitstralingskegel gelegen, was door een breede schaduw omsluierd.Maar die groote schaduw verplaatste zich. De zon verscheen weer in haren vollen glans. De wolk daalde naar den horizon. Zij zou dien zelfs niet bereiken; zij verdween als door een opening, die in den hemel als het ware geboord was.»Eindelijk is zij weg!” riep het jonge meisje, »en God geve, dat zij door geen andere gevolgd worde!”»Neen, miss Campbell, wees daaromtrent gerustgesteld,” antwoordde Olivier Sinclair. »Dat die wolk zoo spoedig en op deze wijze verdwenen is, kan als bewijs gerekend worden, dat er geen andere dampen in de lucht zijn, en dus de ruimte in het westen volmaakt zuiver is.”Ten zes uur des avonds waren de waarnemers op een open plek gegroepeerd, op hun post.Dat was een plek op het noordelijkste uiteinde van het eiland, op den hoogsten top van den Abtsheuvel. Van dien top kon de blik in het oosten als in een kring het hooger gedeelte van het eiland Mull omvatten. Ten noorden verscheen het eilandje Staffa als een ontzaglijke schildpadschaal, die in deHebridischewateren gestrand zou zijn. Iets verder verschenen Elva en Gometra als afgescheurde gedeelten van de kuststreek van het groote eiland. Naar den kant van het westen, het zuidwesten en het noordwesten was niets te zien dan de onmetelijke zee. De zon daalde snel langs een schuine baan. De omtrek van den gezichteinder vertoonde zich zwart, alsof hij met Chineeschen inkt was getrokken. Aan den tegenovergestelden kant glinsterden al de vensters van Jona vlammend, als de weerkaatsing van een brand, welker vlammen met gulden spitsen woedden.Miss Campbell en Olivier Sinclair, de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, geboeid door dat overschoone schouwspel, zaten eerbiedig stilzwijgend neder. Zij aanschouwden, terwijl zij de oogleden half toeknepen, de schijf, die zich bij de waterlijn afplatte en den vorm aannam van een scharlaken halven bol. Er was geen spoor van damp aan den zeekant te zien.»Ik geloof, dat wij hem ditmaal te pakken hebben,” begon broeder Sam.»Ik geloof het ook,” antwoordde broeder Sib.»Stil, waarde ooms!...” riep miss Campbell.Zij zwegen en hielden hun adem in, alsof zij vreesden dat de waterdeelen daarvan zich zouden kunnen verdichten en den vorm aannemen eener wolk om den zonneschijn te benevelen.De zon had reeds den horizon met haren onderrand aangeraakt. Zij verbreidde en verstrooide zich alsof zij inwendig met een lichtgevende vloeistof gevuld was.Allen zogen als het ware hare laatste stralen op.Zoo moet Arago hebben zitten turen, toen hij in de woestenijen van Palma op de kust van Spanje, het vuursignaal bespiedde, dat op den top van het eiland Ivika moest verschijnen, om hem te veroorlooven den laatsten driehoek zijner graadmeting te sluiten.Eindelijk bleef nog een klein segment van den bovensten boog boven de watervlakte over. Nog weinige seconden, en de laatste straal zou schitteren voor de oogen, die gereed waren hem op te vangen, en het paradijsachtig groen laten schijnen!...Plotseling werden twee geweerschoten vernomen, die beneden aan den heuvel te midden der rotsen van de kuststrook weerklonken. Men zag een rookwolkje, tusschen welks kronkels een zwerm van zeevogels: meeuwen, stormvogels en eiders, door ontijdige geweerschoten verschrikt, rondfladderde.Die wolk steeg recht op en schoof als een gordijn tusschen den gezichteinder en het eiland; zij zweefde voor de ondergaande zon, juist op het oogenblik, dat zij haar laatsten lichtstraal over de oppervlakte der wateren schoot.Men kon in dit oogenblik den onvermijdelijken Aristobulus Beerenkooi op een punt van de steile kust bespeuren, die met het nog rookend geweer in de handen, den vogelenzwerm met de oogen volgde.»O! ditmaal hebben we er genoeg van!” riep broeder Sib uit.»Neen, wij hebben er te veel van!” riep broeder Sam.»Ik had hem aan zijn rots moeten laten hangen,” mompelde Olivier Sinclair. »Dan zou hij ten minste hier niet zijn.”Miss Campbell, staroogende en met de lippen op elkaar geklemd, sprak geen enkel woord.Andermaal had zij door de schuld van Aristobulus Beerenkooi den Groenen straal gemist.

XIV.Het leven te Jona.Intusschen kwam Jona—dat oudtijds het Golfeiland genoemd werd—met zijn heuvel, die den Abt heette, en een hoogte van niet meer dan vier honderd voet boven de oppervlakte der zee bereikte, al meer en meer te voorschijn, en naderde de stoomboot het thans met snelheid.Het was ongeveer middag, toen dePioneerbij een kleinen dam aanlegde, die van rotsen opgetrokken was, welke ter nauwernood vierkant bekapt waren, en er slijmerig groen van het water uitzagen. De passagiers ontscheepten, het meerendeel evenwel slechts kortstondig, om een uur later weer te vertrekken, en langs de zeeëngte van Mull naar Oban terug te keeren; de anderen evenwel, slechts weinigen—de lezer weet hoeveel—met het doel om te Jona te verblijven.Eigenlijk heeft het eiland geen haven. Een steenen kade beschermt een kleinen inham tegen de deining uit volle zee. Dat is alles. Daar zoeken gedurende het fraaie seizoen eenige plezierjachten en de visschersschuiten, die deze streken afvisschen, bescherming tegen den machtigen golfslag.Miss Campbell en haar reisgezellen, lieten de overige toeristen, die slechts twee uur voor zich hebben om het eiland te bezichtigen, aan hun lot over, en beijverden zich onverwijld om een doelmatig onderkomen te vinden.Men moest evenwel niet te veeleischend zijn. Te Jona is de comfort, welke in de rijke steden van het Vereenigd Koninkrijk aangetroffen wordt, nagenoeg onbekend.En inderdaad, het geheele eiland Jona heeft geen grootere uitgestrektheid dan van drie mijl lengte, en van één breedte, en telt ter nauwernood vijfhonderd inwoners. De hertog van Argyle, wien het eiland toebehoort, trekt er van een inkomen slechts eenige honderden ponden. Een stad, of een dorp, zelfs een gehucht bestaat er eigenlijk niet. Eenige verspreide huizen, voor het meerendeel slechts hutten, schilderachtig zoo men wil, maar bekrompen oorspronkelijk, bijna zonder vensters, terwijl het daglicht slechts door de deur toegang heeft, met een gat in het dak, dat de rol van schoorsteen vervult, met muren, kaal en naakt, van klipsteen opgetrokken, met een dakbedekking van riet of van heidekruid, dat met grofvezelig zeewier wordt saamgehouden.Wie zou echter kunnen gelooven, dat Jona in de eerste tijdperken van de Scandinavische geschiedenis de bakermat is geweest der Druïden? Wie zou kunnen gissen, dat na hen Sint Columban—de Ierlander, wiens naam het eiland ook draagt—er in de zesde eeuw het eerste klooster in Schotland stichtte, met het doel om van daar uit de nieuwe leer van Christus te prediken, en dat monniken van Cluny daar woonden, tot dat de Hervorming ingevoerd werd. Maar waar thans die uitgestrekte gebouwen te vinden, die vroeger de kweekschool waren, waaruit de bisschoppen en de groote abten van het geheele Vereenigde Koninkrijk voortsproten? Waar thans te vinden, te midden van de hoopen puin, de overblijfselen van de boekerij, die zoo rijk aan oude archiefstukken was, zoo rijk aan allerlei handschriften, betrekking hebbende op de romeinsche geschiedenis, en waaraan toen der tijd de geleerden zich kwamen laven? Neen! thans bestaan slechts puinhoopen en bouwvallen, waar vroeger de beschaving, die het noorden van Europa zoo veranderen zou, hare wieg had staan. Van het Sint Columba van voorheen blijft niets dan het tegenwoordige Jona over, dat Jona met zijn weinige ruwe boeren, die met moeite op dien zandgrond een middelmatigen oogst van gerst, koren en aardappelen teelen, met zijn weinige visschers,wier sloepen de vischrijke wateren der kleine Hebriden beploegen.»Vindt miss Campbell,” vroeg Aristobulus Beerenkooi op smadelijken toon, »dat dit nest hier op het eerste gezicht een vergelijking met Oban kan doorstaan?”»Wel zeker, en het is boven Oban te verkiezen!” antwoordde miss Campbell, hoewel zij er ongetwijfeld bij dacht, dat er een bewoner te veel op het eiland zoude wezen.Bij gebrek van een Casino of van een hotel slaagden de gebroeders Melvill er in, een herberg te ontdekken, die dragelijk was. Zij werd gewoonlijk in beslag genomen door de toeristen, die zich niet tevreden lieten stellen met den tijd, dien de boot hun beschikbaar liet om de druïdische en christelijke bouwvallen van Jona te bezichtigen. Zij namen dus dienzelfden dag hun intrek inhet Wapen van Duncan, terwijl Olivier Sinclair en Aristobulus Beerenkooi ieder voor zich een zoo goed mogelijk onderkomen in een visschershut zochten.Maar miss Campbell, het bedorven kind, was zoodanig in haar nopjes in haar kleine kamer, welker vensters op het westen en op de zee uitzagen, alsof zij zich op het boventerras van het hooge torentje van Helenaburg bevond; in ieder geval was zij er liever dan in het salon van het Caledonian Hôtel. Als zij aan haar venster zat, dan ontwikkelde zich voor haren blik een gezichteinder, welks cirkelvorm door geen enkel eilandje gebroken werd, en met een beetje verbeeldingskracht kon zij zich op drie mijl afstands de Amerikaansche kust voor oogen tooveren, hoewel die aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan was gelegen. Waarlijk, de zon had daar een schoone gelegenheid, om in al haar pracht onder te gaan!Het gemeenschappelijk leven was dus gemakkelijk en spoedig geregeld. Men zou gezamenlijk de maaltijden in de eetkamer van de herberg nuttigen. Volgens een oud eerbiedwaardig gebruik namen juffrouw Bess en Partridge bij hun meesters plaats aan tafel. Misschien liet Aristobulus Beerenkooi daarover eenige verwondering blijken, Olivier Sinclair vond dat heel natuurlijk. Hij had zelfs reeds eenige genegenheid opgevat voor die beide dienaren, die ook hem begonnen lief te krijgen.Toen leidde dat gezin het oude Schotsche bestaan in zijn geheele eenvoudigheid. Na de wandeluren rondom en door het eiland, na de verhandelingen over den ouden tijd, waartusschen Aristobulus Beerenkooi nimmer naliet zijn moderne wetenschap te luchten, vereenigde men zich aan het gemeenschappelijk diner dat te twaalf uur en aan het avondmaal, dat te acht uur genuttigd werd. Dan kwam de zonsondergang, en miss Campbell ging dien steeds waarnemen, welk weer het ook was. Het kan toch zijn, wie weet dat een openingzich in de lagere wolkenmassa voordeed, een scheur, een spleet, inéén woord, een kleine ruimte om den laatsten straal doortocht te verleenen.Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).Maar welke maaltijden deed men daar te Jona! De Caledonische lekkerbekken van Walter Scott bij het diner van Fergus Mac-Gregor, of bij het avondmaal van Oldbeck den Oudheidkundige, zouden geen aanmerkingen te maken hebben gehad op de spijzen, die volgens de kookwijze van het oude Schotland toebereid waren. Juffrouw Bess en Partridge gevoelden zich alsof zij in den loop der tijden een eeuw terug gevoerd waren en achtten zich gelukkig, alsof zij ten tijde hunner voorouders geleefd hadden. Broeder Sam en broeder Sib ontvingen met een genadig goedkeuren en met een blijkbaar genoegen de heerlijke gerechten, die vroeger bij de familie Melvill in eere waren.En ziehier de gesprekken die in de eetkamer plaats vonden:»Nog een weinig van die »cakes” van havermeel, die anders smakelijker zijn dan de dodderige gebakken van Glasgow.”»Nog een weinig van die »sowens”, die nog steeds door de bergbewoners in de Hooglanden gegeten worden.”»Nog wat van die »haggis”, die door onzen grooten dichter Burns waardiglijk als de eerste, de beste, de meest vaderlandlievende van al de puddings van geheel Schotland in zijn verzen bezongen is.”»Nog wat van die »cockylecky!”O! al is de haan, die het bestanddeel er van uitmaakt, een weinig taai, de er bij gevoegde peertjes zijn overheerlijk.”»Mag ik voor de derde maal van dien »hotpotch”, die beter smaakt dan welke schotel ook van Helenaburg!”Waarachtig men at goed in het Wapen van Duncan. Men moest evenwel alle twee dagen voorraad opdoen van de stoombooten, die den dienst langs de kleine Hebriden verrichten. Maar men dronk ook goed.Men moest de gebroeders Melvill zien met het glas in de hand, elkanders gezondheid drinken en zich inschenken uit de groote kannen, die een inhoud van niet minder dan vier engelsche pinten hebben en waarin de »usquebaugh”, het nationale bier bij uitnemendheid, schuimde, of de »hummok”, die bepaald voor hen gebrouwen werd! En de whisky, uit gerot graan getrokken, waarvan de gisting zich in de maag der drinkebroers schijnt voort te zetten! En had ook al het krachtige bier ontbroken, dan nog zouden zij zich met eenvoudige »mum”, uit graan gestookt, vergenoegd hebben, of wel met »two-penny”, die altijd met een glaasje gin opgefleurd kon worden. Waarlijk zij dachten er niet aan de sherry en den portwijn van de kelders van Helenaburg of van Glasgow te betreuren!En al beklaagde Aristobulus Beerenkooi, meer verslaafd aan het moderne comfort, zich ook meer dan betamelijk was, niemand bewees hem de eer zijn klacht aan te hooren.Viel hèm de tijd lang, voor de anderen snelde hij met spoed heen en mejuffrouw Campbell pruttelde niet meer over de dampen die iederen avond de kim benevelden.Neen, Jona is niet groot; maar is er wel veel ruimte noodig voor hem, die slechts zuivere lucht zoekt? Kan men de onmetelijkheid van een koninklijk park niet in een kleinen tuin vinden? Men wandelde dus. Olivier Sinclair nam hier en daar dan een landschap op. Miss Campbell keek bij het schilderen toe en zoo vloog de tijd om.De 26, 27, 28 en 29steAugustus snelden voorbij zonder een oogenblik verveling veroorzaakt te hebben. Dat oorspronkelijk bestaan kwam geheel met het wilde eiland overeen, welks woeste rotsen voortdurend door de golven van den Oceaan gebeukt werden.Miss Campbell gevoelde zich gelukkig, de nieuwsgierige, praatzuchtige wereld der badplaatsen ontvlucht te zijn. Zij ging uit, zoo als zij in het park van Helenaburg rondgedrenteld zou hebben, gekleed met het »rokelay,” hetwelk haar als een mantille omgaf en het kapsel met de eenige »snod” versierd, een lint in de haren gewonden, dat den jeugdigen schotschen schoonen zoo lief staat. Olivier Sinclair bewonderde natuurlijk haar bevalligheid, en de bekoorlijkheid van haar persoon. Hij ondervond die aantrekkingskracht en gevoelde heel goed, waarheen die hem zou voeren. Dikwijls dwaalden beiden tot aan het uiterste einde van het strand van het eiland. Zij keuvelden dan, zij keken, zij droomden, en bevonden zich, soms onbewust, aan de uiterste grens, waar de golven het zeewier komen lekken. Bij zwermen vlogen dan de schotsche duikertjes, de »tamnie-mories” op, wier eenzaamheid zij stoorden, de »pictarnies”, die kleine vischjes bespieden, welke door de aanrollende vloedgolf op het strand geworpen worden en de Bussan-vogels, wier zwarte vederen-tooi door witte vleugeltoppen en gelen kop en hals aangenaam afgewisseld wordt, en die de voornaamste vertegenwoordigers zijn der zwemvliesvoetigen van de vogelenwereld der Hebriden.Wanneer dan na zonsondergang, die nog steeds door eenige dampen beneveld werd, de avond inviel, welke bekoorlijkheid was er dan niet voor miss Campbell en de haren, om de eerste uren van den stillen nacht op het eenzame strand door te brengen! Zij zagen dan de sterren aan den horizon verschijnen en met haar keerden al de herinneringen uit de gedichten van Ossian weer. Te midden van de plechtige stilte hoorden miss Campbell en Olivier Sinclair de twee broeders beurtelings de coupletten over den ongelukkigen Fingal, dien bardenzang opzeggen:»O ster, gezellin van den nacht, wier schitterend gelaat door de westelijke wolken heenboort en die als in een vurige baan op het hemel-azuur voortschrijdt, zeg, wat ziet gij in de vlakte?”»De stormwind, die over dag loeide, zwijgt; de bedarende golfslag kruipt als het ware aan den voet der rotsen; de avondmuggen, op hunne lichte vleugelen gedragen, vervullen de stilte der lucht met hun gegons.”»Schitterende ster, wat aanschouwt gij in de vlakte? Maar ik zie u reeds met een glimlach den horizon naderen. Vaarwel, stilzwijgende ster, vaarwel!”En dan zwegen broeder Sam en broeder Sib en dan keerden allen naar hunne kleine kamer in de herberg terug.Hoe weinig helderziend de gebroeders Melvill ook waren, zoo zagen zij toch, dat Aristobulus Beerenkooi juist in de meening van miss Campbell verloor, wat Olivier Sinclair er in won. De beide jongelieden vermeden elkander zooveel mogelijk. De twee ooms beijverden zich dan ook om, niet zonder moeite, die kleine wereld vereenigd te houden, om toenaderingen te bewerken, op gevaar af zich aan een kippenkuur hunner nicht bloot te stellen. Ja, zij zou gelukkig geweest zijn, wanneer Beerenkooi en Sinclair elkander zochten, in plaats van elkaar te ontvluchten, in plaats van een min of meer smadelijke terughoudendheid jegens elkander in acht te nemen. Verbeeldden die goede sullen zich dan, dat alle menschen broeders zijn en nog wel zij, zooals zij waren!Zij manoeuvreerden evenwel zoo goed, dat overeengekomen werd, op den 30stenAugustus gezamenlijk de bouwvallen van de kerk, van het klooster en van het kerkhof te gaan zien, die ten noordoosten en ten zuiden van den Abtheuvel gelegen zijn. Deze wandeling die ternauwernood twee uren vereischt, was nog niet door de nieuwe gasten van Jona ondernomen. Dat kan als een inbreuk op den eerbied aangemerkt worden jegens de legendarische schimmen van de kluizenaar-monniken, die eertijds de hutten der kuststreek bevolkten, een gebrek aan achting voor de groote dooden uit de koninklijke huizen, sedert Fergus II tot aan Macbeth.

Intusschen kwam Jona—dat oudtijds het Golfeiland genoemd werd—met zijn heuvel, die den Abt heette, en een hoogte van niet meer dan vier honderd voet boven de oppervlakte der zee bereikte, al meer en meer te voorschijn, en naderde de stoomboot het thans met snelheid.

Het was ongeveer middag, toen dePioneerbij een kleinen dam aanlegde, die van rotsen opgetrokken was, welke ter nauwernood vierkant bekapt waren, en er slijmerig groen van het water uitzagen. De passagiers ontscheepten, het meerendeel evenwel slechts kortstondig, om een uur later weer te vertrekken, en langs de zeeëngte van Mull naar Oban terug te keeren; de anderen evenwel, slechts weinigen—de lezer weet hoeveel—met het doel om te Jona te verblijven.

Eigenlijk heeft het eiland geen haven. Een steenen kade beschermt een kleinen inham tegen de deining uit volle zee. Dat is alles. Daar zoeken gedurende het fraaie seizoen eenige plezierjachten en de visschersschuiten, die deze streken afvisschen, bescherming tegen den machtigen golfslag.

Miss Campbell en haar reisgezellen, lieten de overige toeristen, die slechts twee uur voor zich hebben om het eiland te bezichtigen, aan hun lot over, en beijverden zich onverwijld om een doelmatig onderkomen te vinden.

Men moest evenwel niet te veeleischend zijn. Te Jona is de comfort, welke in de rijke steden van het Vereenigd Koninkrijk aangetroffen wordt, nagenoeg onbekend.

En inderdaad, het geheele eiland Jona heeft geen grootere uitgestrektheid dan van drie mijl lengte, en van één breedte, en telt ter nauwernood vijfhonderd inwoners. De hertog van Argyle, wien het eiland toebehoort, trekt er van een inkomen slechts eenige honderden ponden. Een stad, of een dorp, zelfs een gehucht bestaat er eigenlijk niet. Eenige verspreide huizen, voor het meerendeel slechts hutten, schilderachtig zoo men wil, maar bekrompen oorspronkelijk, bijna zonder vensters, terwijl het daglicht slechts door de deur toegang heeft, met een gat in het dak, dat de rol van schoorsteen vervult, met muren, kaal en naakt, van klipsteen opgetrokken, met een dakbedekking van riet of van heidekruid, dat met grofvezelig zeewier wordt saamgehouden.

Wie zou echter kunnen gelooven, dat Jona in de eerste tijdperken van de Scandinavische geschiedenis de bakermat is geweest der Druïden? Wie zou kunnen gissen, dat na hen Sint Columban—de Ierlander, wiens naam het eiland ook draagt—er in de zesde eeuw het eerste klooster in Schotland stichtte, met het doel om van daar uit de nieuwe leer van Christus te prediken, en dat monniken van Cluny daar woonden, tot dat de Hervorming ingevoerd werd. Maar waar thans die uitgestrekte gebouwen te vinden, die vroeger de kweekschool waren, waaruit de bisschoppen en de groote abten van het geheele Vereenigde Koninkrijk voortsproten? Waar thans te vinden, te midden van de hoopen puin, de overblijfselen van de boekerij, die zoo rijk aan oude archiefstukken was, zoo rijk aan allerlei handschriften, betrekking hebbende op de romeinsche geschiedenis, en waaraan toen der tijd de geleerden zich kwamen laven? Neen! thans bestaan slechts puinhoopen en bouwvallen, waar vroeger de beschaving, die het noorden van Europa zoo veranderen zou, hare wieg had staan. Van het Sint Columba van voorheen blijft niets dan het tegenwoordige Jona over, dat Jona met zijn weinige ruwe boeren, die met moeite op dien zandgrond een middelmatigen oogst van gerst, koren en aardappelen teelen, met zijn weinige visschers,wier sloepen de vischrijke wateren der kleine Hebriden beploegen.

»Vindt miss Campbell,” vroeg Aristobulus Beerenkooi op smadelijken toon, »dat dit nest hier op het eerste gezicht een vergelijking met Oban kan doorstaan?”

»Wel zeker, en het is boven Oban te verkiezen!” antwoordde miss Campbell, hoewel zij er ongetwijfeld bij dacht, dat er een bewoner te veel op het eiland zoude wezen.

Bij gebrek van een Casino of van een hotel slaagden de gebroeders Melvill er in, een herberg te ontdekken, die dragelijk was. Zij werd gewoonlijk in beslag genomen door de toeristen, die zich niet tevreden lieten stellen met den tijd, dien de boot hun beschikbaar liet om de druïdische en christelijke bouwvallen van Jona te bezichtigen. Zij namen dus dienzelfden dag hun intrek inhet Wapen van Duncan, terwijl Olivier Sinclair en Aristobulus Beerenkooi ieder voor zich een zoo goed mogelijk onderkomen in een visschershut zochten.

Maar miss Campbell, het bedorven kind, was zoodanig in haar nopjes in haar kleine kamer, welker vensters op het westen en op de zee uitzagen, alsof zij zich op het boventerras van het hooge torentje van Helenaburg bevond; in ieder geval was zij er liever dan in het salon van het Caledonian Hôtel. Als zij aan haar venster zat, dan ontwikkelde zich voor haren blik een gezichteinder, welks cirkelvorm door geen enkel eilandje gebroken werd, en met een beetje verbeeldingskracht kon zij zich op drie mijl afstands de Amerikaansche kust voor oogen tooveren, hoewel die aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan was gelegen. Waarlijk, de zon had daar een schoone gelegenheid, om in al haar pracht onder te gaan!

Het gemeenschappelijk leven was dus gemakkelijk en spoedig geregeld. Men zou gezamenlijk de maaltijden in de eetkamer van de herberg nuttigen. Volgens een oud eerbiedwaardig gebruik namen juffrouw Bess en Partridge bij hun meesters plaats aan tafel. Misschien liet Aristobulus Beerenkooi daarover eenige verwondering blijken, Olivier Sinclair vond dat heel natuurlijk. Hij had zelfs reeds eenige genegenheid opgevat voor die beide dienaren, die ook hem begonnen lief te krijgen.

Toen leidde dat gezin het oude Schotsche bestaan in zijn geheele eenvoudigheid. Na de wandeluren rondom en door het eiland, na de verhandelingen over den ouden tijd, waartusschen Aristobulus Beerenkooi nimmer naliet zijn moderne wetenschap te luchten, vereenigde men zich aan het gemeenschappelijk diner dat te twaalf uur en aan het avondmaal, dat te acht uur genuttigd werd. Dan kwam de zonsondergang, en miss Campbell ging dien steeds waarnemen, welk weer het ook was. Het kan toch zijn, wie weet dat een openingzich in de lagere wolkenmassa voordeed, een scheur, een spleet, inéén woord, een kleine ruimte om den laatsten straal doortocht te verleenen.

Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).

Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).

Maar welke maaltijden deed men daar te Jona! De Caledonische lekkerbekken van Walter Scott bij het diner van Fergus Mac-Gregor, of bij het avondmaal van Oldbeck den Oudheidkundige, zouden geen aanmerkingen te maken hebben gehad op de spijzen, die volgens de kookwijze van het oude Schotland toebereid waren. Juffrouw Bess en Partridge gevoelden zich alsof zij in den loop der tijden een eeuw terug gevoerd waren en achtten zich gelukkig, alsof zij ten tijde hunner voorouders geleefd hadden. Broeder Sam en broeder Sib ontvingen met een genadig goedkeuren en met een blijkbaar genoegen de heerlijke gerechten, die vroeger bij de familie Melvill in eere waren.

En ziehier de gesprekken die in de eetkamer plaats vonden:

»Nog een weinig van die »cakes” van havermeel, die anders smakelijker zijn dan de dodderige gebakken van Glasgow.”

»Nog een weinig van die »sowens”, die nog steeds door de bergbewoners in de Hooglanden gegeten worden.”

»Nog wat van die »haggis”, die door onzen grooten dichter Burns waardiglijk als de eerste, de beste, de meest vaderlandlievende van al de puddings van geheel Schotland in zijn verzen bezongen is.”

»Nog wat van die »cockylecky!”O! al is de haan, die het bestanddeel er van uitmaakt, een weinig taai, de er bij gevoegde peertjes zijn overheerlijk.”

»Mag ik voor de derde maal van dien »hotpotch”, die beter smaakt dan welke schotel ook van Helenaburg!”

Waarachtig men at goed in het Wapen van Duncan. Men moest evenwel alle twee dagen voorraad opdoen van de stoombooten, die den dienst langs de kleine Hebriden verrichten. Maar men dronk ook goed.

Men moest de gebroeders Melvill zien met het glas in de hand, elkanders gezondheid drinken en zich inschenken uit de groote kannen, die een inhoud van niet minder dan vier engelsche pinten hebben en waarin de »usquebaugh”, het nationale bier bij uitnemendheid, schuimde, of de »hummok”, die bepaald voor hen gebrouwen werd! En de whisky, uit gerot graan getrokken, waarvan de gisting zich in de maag der drinkebroers schijnt voort te zetten! En had ook al het krachtige bier ontbroken, dan nog zouden zij zich met eenvoudige »mum”, uit graan gestookt, vergenoegd hebben, of wel met »two-penny”, die altijd met een glaasje gin opgefleurd kon worden. Waarlijk zij dachten er niet aan de sherry en den portwijn van de kelders van Helenaburg of van Glasgow te betreuren!

En al beklaagde Aristobulus Beerenkooi, meer verslaafd aan het moderne comfort, zich ook meer dan betamelijk was, niemand bewees hem de eer zijn klacht aan te hooren.

Viel hèm de tijd lang, voor de anderen snelde hij met spoed heen en mejuffrouw Campbell pruttelde niet meer over de dampen die iederen avond de kim benevelden.

Neen, Jona is niet groot; maar is er wel veel ruimte noodig voor hem, die slechts zuivere lucht zoekt? Kan men de onmetelijkheid van een koninklijk park niet in een kleinen tuin vinden? Men wandelde dus. Olivier Sinclair nam hier en daar dan een landschap op. Miss Campbell keek bij het schilderen toe en zoo vloog de tijd om.

De 26, 27, 28 en 29steAugustus snelden voorbij zonder een oogenblik verveling veroorzaakt te hebben. Dat oorspronkelijk bestaan kwam geheel met het wilde eiland overeen, welks woeste rotsen voortdurend door de golven van den Oceaan gebeukt werden.

Miss Campbell gevoelde zich gelukkig, de nieuwsgierige, praatzuchtige wereld der badplaatsen ontvlucht te zijn. Zij ging uit, zoo als zij in het park van Helenaburg rondgedrenteld zou hebben, gekleed met het »rokelay,” hetwelk haar als een mantille omgaf en het kapsel met de eenige »snod” versierd, een lint in de haren gewonden, dat den jeugdigen schotschen schoonen zoo lief staat. Olivier Sinclair bewonderde natuurlijk haar bevalligheid, en de bekoorlijkheid van haar persoon. Hij ondervond die aantrekkingskracht en gevoelde heel goed, waarheen die hem zou voeren. Dikwijls dwaalden beiden tot aan het uiterste einde van het strand van het eiland. Zij keuvelden dan, zij keken, zij droomden, en bevonden zich, soms onbewust, aan de uiterste grens, waar de golven het zeewier komen lekken. Bij zwermen vlogen dan de schotsche duikertjes, de »tamnie-mories” op, wier eenzaamheid zij stoorden, de »pictarnies”, die kleine vischjes bespieden, welke door de aanrollende vloedgolf op het strand geworpen worden en de Bussan-vogels, wier zwarte vederen-tooi door witte vleugeltoppen en gelen kop en hals aangenaam afgewisseld wordt, en die de voornaamste vertegenwoordigers zijn der zwemvliesvoetigen van de vogelenwereld der Hebriden.

Wanneer dan na zonsondergang, die nog steeds door eenige dampen beneveld werd, de avond inviel, welke bekoorlijkheid was er dan niet voor miss Campbell en de haren, om de eerste uren van den stillen nacht op het eenzame strand door te brengen! Zij zagen dan de sterren aan den horizon verschijnen en met haar keerden al de herinneringen uit de gedichten van Ossian weer. Te midden van de plechtige stilte hoorden miss Campbell en Olivier Sinclair de twee broeders beurtelings de coupletten over den ongelukkigen Fingal, dien bardenzang opzeggen:

»O ster, gezellin van den nacht, wier schitterend gelaat door de westelijke wolken heenboort en die als in een vurige baan op het hemel-azuur voortschrijdt, zeg, wat ziet gij in de vlakte?”

»De stormwind, die over dag loeide, zwijgt; de bedarende golfslag kruipt als het ware aan den voet der rotsen; de avondmuggen, op hunne lichte vleugelen gedragen, vervullen de stilte der lucht met hun gegons.”

»Schitterende ster, wat aanschouwt gij in de vlakte? Maar ik zie u reeds met een glimlach den horizon naderen. Vaarwel, stilzwijgende ster, vaarwel!”

En dan zwegen broeder Sam en broeder Sib en dan keerden allen naar hunne kleine kamer in de herberg terug.

Hoe weinig helderziend de gebroeders Melvill ook waren, zoo zagen zij toch, dat Aristobulus Beerenkooi juist in de meening van miss Campbell verloor, wat Olivier Sinclair er in won. De beide jongelieden vermeden elkander zooveel mogelijk. De twee ooms beijverden zich dan ook om, niet zonder moeite, die kleine wereld vereenigd te houden, om toenaderingen te bewerken, op gevaar af zich aan een kippenkuur hunner nicht bloot te stellen. Ja, zij zou gelukkig geweest zijn, wanneer Beerenkooi en Sinclair elkander zochten, in plaats van elkaar te ontvluchten, in plaats van een min of meer smadelijke terughoudendheid jegens elkander in acht te nemen. Verbeeldden die goede sullen zich dan, dat alle menschen broeders zijn en nog wel zij, zooals zij waren!

Zij manoeuvreerden evenwel zoo goed, dat overeengekomen werd, op den 30stenAugustus gezamenlijk de bouwvallen van de kerk, van het klooster en van het kerkhof te gaan zien, die ten noordoosten en ten zuiden van den Abtheuvel gelegen zijn. Deze wandeling die ternauwernood twee uren vereischt, was nog niet door de nieuwe gasten van Jona ondernomen. Dat kan als een inbreuk op den eerbied aangemerkt worden jegens de legendarische schimmen van de kluizenaar-monniken, die eertijds de hutten der kuststreek bevolkten, een gebrek aan achting voor de groote dooden uit de koninklijke huizen, sedert Fergus II tot aan Macbeth.

XV.De bouwvallen van Jona.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en de twee jongelieden vertrokken den gezegden dag terstond na het ontbijt. Het was zeer fraai herfstweder. Ieder oogenblik drong, of beter nog, zijpelde eenlichtstraal, als ontsnapt aan den kerker, door de scheuren in het dikke wolkendak, om dan een poos daarna weer te verdwijnen. Onder de afwisseling van licht en donker vertoonden de bouwvallen, die dit gedeelte van het eiland bekronen, en de zoo schilderachtig gegroepeerde rotsen van de kuststrook, en de verstrooid liggende huizen op het dalend en rijzend terrein van Jona, alsook in de verte de zee, die er als gestreept onder de liefkoozingen van een briesje uitzag, zich telkenmale onder een vernieuwd voorkomen en vroolijkten onder den invloed der zon op.Het was niet de toeristendag. Daags te voren had de stoomboot een vijftigtal ontscheept; ongetwijfeld zou zij den volgenden dag een gelijk getal overbrengen; maar heden behoorde het eiland Jona geheel en al aan haar nieuwe bewoners. Men zou dus niemand bij de bouwvallen aantreffen.In een vroolijke stemming werd de weg afgelegd. De opgeruimdheid van broeder Sam en van broeder Sib was voor de twee jongelieden aanstekelijk geweest. Zij koutten, zij gingen en kwamen, verwijderden zich en verschenen weer te midden van de kleine rotsachtige paden, tusschen de lage bouwvallen van muren, van gedroogden steen vervaardigd.Alles ging dus naar wensch, toen men vlak voor den kruisberg van Mac Lean stil hield. Dit fraaie rotsblok, uit een stuk rood graniet bestaande, is veertien voet hoog en beheerscht den straatweg van Main Street. Het is het eenig overblijfsel der drie honderd zestig kruisen, die tot aan het tijdperk der Hervorming op het eiland in het midden der XVIe eeuw geplaatst werden.Olivier Sinclair wilde zeer natuurlijk een schets maken van dien monumentalen steen, die goed afgewerkt is en een fraai effekt maakt te midden eener dorre vlakte, die met een grijsachtig gras bekleed is.Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij hadden op een vijftig pas afstand van den kruisberg plaats genomen, om er een algemeen overzicht van te genieten. Olivier Sinclair ging op een afgebrokkelden kleinen muur zitten en begon de eerste omtrekken van het terrein, waarop het kruis van Mac Lean zich verhief, te schetsen.Eenige oogenblikken later kwam het hun voor, alsof een menschelijk wezen poogde de eerste grondvesten van dien kruisberg te beklimmen.»Wat komt die ongenoode gast nu hier doen?” vroeg Olivier. »Als hij nog in een monnikspij gehuld was, zou hij met dat monument overeenkomen en kon ik hem aan den voet van dat oude kruis laten knielen.”»Het is eenvoudig een nieuwsgierige, die u wat hinderen gaat, mijnheer Sinclair,” zei miss Campbell.»Maar is het Aristobulus Beerenkooi niet, die ons vooruitgesneld is?” vroeg broeder Sam.»Ja, hij is het,” zei broeder Sib.En inderdaad het was Aristobulus Beerenkooi, die op het voetstuk van den kruisberg was geklommen en de rots met duchtige hamerslagen aanviel.Miss Campbell was verwoed over dat ongegeneerde van den mineralogist en ging dadelijk tot hem.»Wat doet gij daar, mijnheer?” vroeg zij.»Zooals gij ziet, miss Campbell,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »ik poog een stuk van dat graniet af te slaan.”»Waartoe die gekheid? Ik dacht dat de tijd der beeldstormers voorbij was!”»Ik ben geen beeldstormer, maar een geoloog,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en als zoodanig wensch ik het samenstel van dat blok te kennen.”Een nog hardere slag met den hamer had het schendend werk volbracht. Een stuk steen van het voetstuk rolde op den grond.Aristobulus Beerenkooi raapte het op, en op het vermeerderend gezichtsvermogen van zijn bril niet vertrouwende, greep hij een loep uit haren koker en bracht die bij zijn oog.»Net als ik dacht,” zeide hij. »Het is rood graniet van zeer fijnen ineengedrongen korrel en bezit veel weerstandsvermogen. Die moet afkomstig zijn van het Nonneneiland en is geheel gelijk aan de granietsoort, welke de bouwmeesters in de XIIdeeeuw bezigden om de kathedraal van Jona op te richten.En Aristobulus Beerenkooi liet zich een zoo schoone gelegenheid niet ontsnappen om zich in een archeologische verhandeling te verdiepen, welke de gebroeders Melvill, toen zij zich bij hem vervoegd hadden, meenden te moeten aanhooren.Miss Campbell was, zonder veel omslag te maken naar Olivier Sinclair teruggekeerd en allen bevonden zich, toen de teekening klaar was, in het portaal de kathedraal bij elkander.Dat monument was een zeer samengesteld gebouw, gevormd door twee aan elkander gekoppelde kerken, welker dikke muren en stevige pilaren als rotsen, de aanvallen van dit ruwe klimaat sedert dertien honderd jaren weerstaan hadden.De bezoekers wandelden gedurende eenige oogenblikken in de eerste kerk, die van romaanschen oorsprong blijkt, afgaande op den boog harer gewelven; vervolgens in de tweede, die als een gothisch gebouw van de XIIdeeeuw erkend werd en het middenschip met de kruisvleugels der eerste vormde. Zij drentelden zoo te midden dier bouwvallen, gingen van het eene tijdperk tot het andere over, en betraden de groote vierkante vloersteenen, welker voegen de aardelieten ontzien. Hier waren het grafdeksels, elders grafsteenen, die de hoeken van het gebouw met hun uitgebeitelde beelden versierden.Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).Uit dit alles, dat zich gestreng en ernstig voordeed, sprak de dichterlijkheid der vervlogen tijden.Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill hadden niet bespeurd, dat hun geleerde metgezel was achtergebleven. Zij drongen door tot onder het dikke gewelf van den vierkanten toren. Dit gewelf beheerschte vroeger het portaal der eerste kerk en verhief zich later bij het aansluitingspunt der twee kerken.Eenige oogenblikken later werden regelmatige stappen, die op den luid weerklinkenden vloer dreunden, waargenomen als van iemand die zwaarwichtig voortschreed, even als het standbeeld van den Kommandeur in de zaal van Don Juan.Het was Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas, de uitgestrektheid der kathedraal opnam.»Een honderd en zestig van het oosten naar het westen,” zei hij en noteerde dat getal in zijn zakboekje, terwijl hij de tweede kerk binnentrad.»Ah! zijt gij het, mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell spottend. »Na den mineralogist de landmeter?”»En zeventig voet slechts langs de aslijn der kruisvleugels,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi.»En hoeveel duim?” vroeg Olivier Sinclair.Aristobulus Beerenkooi keek Sinclair aan als iemand, die niet recht weet of hij zich boos zal maken of niet. De gebroeders Melvill kwamen evenwel ter geschikter ure tusschen beiden en noodigden miss Campbell en de beide jongelieden uit, hen bij het bezoeken van het klooster te vergezellen.Dit gebouw heeft slechts onherkenbare overblijfselen nagelaten, hoewel het de verminkingen der Hervorming overleefd heeft. Na dat tijdvak diende het tot vereenigingspunt van eenige stiftsdames van Sint Augustijn, waaraan de Staat die schuilplaats aanwees. Het zijn thans slechts nog maar ellendige bouwvallen van een klooster, door de stormen geteisterd, die noch gewelven, noch bogen, noch romaansche pilaren bezitten, om straffeloos de ruwheden van dit noordsche luchtgestel te kunnen trotseeren.De bezoekers konden evenwel, na de overblijfselen van het klooster, dat vroeger zoo bloeiend was, bezocht te hebben, de kapel nog bewonderen, die beter bewaard was gebleven. Aristobulus Beerenkooi vermeende die niet te behoeven op te meten. Aan die kapel, die of later of hechter gebouwd was dan de eet- en slaapzalen van het klooster, ontbrak alleen het dak. Het koor, dat evenwel geheel ongeschonden is, wordt door de oudheidkundigen, als een bouwstuk van groote verdiensten, zeer gewaardeerd.In het westergedeelte daarvan wordt het graf aangetroffen van haar, die de laatste abdis der gemeenschap was. Op den zwartmarmerenzerksteen is tusschen twee engelen een heilige Maagd uitgebeiteld, die het kind Jezus in hare armen draagt.»Even als de Maagd op den Stoel en de Madonna van Sint Sixtus, de twee eenige O. L. Vrouwenbeelden van Raphael zonder neergeslagen oogleden, kijkt ook deze rechtuit terwijl een glimlach uit hare oogen straalt!”Deze opmerking werd door miss Campbell zeer ter snede gemaakt. Zij had echter geen ander gevolg dan op de lippen van Aristobulus Beerenkooi een trek van vrij duidelijke spotternij en van minachting te voorschijn te roepen.»Waar hebt gij ooit gezien, miss Campbell,” vroeg hij, »dat een glimlach uit iemands oogen kan stralen?”Wellicht had miss Campbell wel trek hem te antwoorden, dat men bij hem zoo iets niet kon waarnemen, wanneer men hem aankeek. Zij zweeg echter.»Het is een algemeen verspreide dwaling,” sprak Aristobulus Beerenkooi op een toon, alsof hijex cathedradoceerde, »wanneer men van den glimlach der oogen spreekt. De gezichtsorganen zijn juist geheel misdeeld van uitdrukking, zoo als ons de gezichtkunde leert. Ten bewijze: stel een masker voor een gelaat en bekijk dan de oogen door de daarin overeenkomstige gaten, en ik tart u alsdan uit te maken, of dat gelaat opgeruimdheid, droefgeestigheid of toorn verraadt.”»Ah! waarlijk?” vroeg broeder Sam, die in de les belang scheen te stellen.»Hé! dat wist ik niet!” vulde broeder Sib aan.»Het is toch zoo,” hernam Aristobulus Beerenkooi. »Wanneer ik een masker had, dan....”Maar dat vreemdsoortig jongmensch had geen masker, de proefneming kon dus niet afdoend geschieden, om iederen twijfel weg te nemen.Daarenboven hadden miss Campbell en Olivier Sinclair reeds het klooster verlaten en richtten hunne schreden naar het kerkhof van Jona.Die plek werd de relikwiekast van Oban genaamd, ter herinnering aan den makker van Sint Columban, wien men de stichting van de kapel verschuldigd is, welker bouwvallen te midden van den doodenakker verrijzen.Dat terrein, bezaaid met grafsteenen, is een wonderlijke plek, waar acht en veertig schotsche koningen, acht onderkoningen der Hebriden, vier onderkoningen van Ierland en een koning van Frankrijk den eeuwigen slaap slapen. Van laatstbedoelde is de naam verloren geraakt, alsof hij reeds tot de voorhistorische tijden behoort. Men zou die plek bij een Druïdenveld hebben kunnen vergelijken,waarvan steenen monumenten door grafsteenen vervangen zouden zijn. Daartusschen strekt zich de granietsteen uit, die het graf dekt van Duncan, den Schotschen koning, die door het sombere treurspel van Macbeth vereeuwigd is. Op sommige dier steenen zijn slechts eenvoudige geometrische figuren gebeiteld, op anderen zijn eenige woeste Celtische koningen voorgesteld, die daar stijf als een lijk uitgestrekt liggen.Welke herinneringen doemen uit dien doodenakker van Jona op! Welk een terugkeer tot het verledene doorkruist het denkvermogen bij het betreden van die koninklijke begraafplaats!En hoe zou het mogelijk zijn, zich dit vers van Ossian niet te herinneren, dat den dichter hier ter plaatse ongetwijfeld bezield heeft?»Vreemdeling, gij betreedt een met helden overdekten grond. Bezing somwijlen den roem van die gedenkwaardige dooden. Dat hunne lichte schimmen zich rondom u mogen verblijden!”Miss Campbell en hare metgezellen waren geheel oogen, maar zwegen. Zij werden niet gedwongen de verveling van een beëedigden gids te ondervinden, die den sluier der geschiedenis voor de toeristen opheft. Zij konden zich verbeelden die afstammelingen van den beheerscher der eilanden van Angus Og, den metgezel van Robert Bruce, den wapenbroeder van dien held, die voor de onafhankelijkheid zijns lands streed, voor zich te zien.»O! wat zou ik hier gaarne bij het vallen van den avond terugkomen,” zei miss Campbell. »Mij dunkt, dat dit het gunstigste tijdstip zou wezen, om die herinneringen op te roepen! O, ik zou dan het ontzielde lichaam van den ongelukkigen Duncan zien aandragen. Ik zou dan de gesprekken der doodgravers hooren, terwijl zij hem in het graf legden, in de aarde, die aan zijn voorouders gewijd is. Wel, mijnheer Sinclair, zou dat het goede oogenblik niet zijn, om de geesten, die de koninklijke begraafplaats bewaken, op te roepen?”»Ja, miss Campbell, en ik meen dat zij niet zouden kunnen weigeren op uwe stem te verschijnen.”»Hoe, miss Campbell, gelooft gij aan geesten?” riep Aristobulus Beerenkooi uit.»Ja, daar geloof ik aan, mijnheer; als echte Schotsche, geloof ik aan geesten!” antwoordde miss Campbell.»Maar gij weet toch, dat dit slechts denkbeeldig is, dat niets van al dat wonderbaarlijke in werkelijkheid bestaat!”»En als ik er aan wil gelooven!” antwoordde miss Campbell onder den aandrang van een ontijdige zucht tot tegenspraak. »En als ik er behagen in schep om te gelooven aan de huis-brownies, die den huiselijken haard bewaken, aan de heksen, wier betoovering toe teschrijven is aan de runische verzen, die zij uitgalmen, aan de Valkyriën, de noodlottige jonkvrouwen uit de scandinavische mythologie, die de lijken der gesneuvelde strijders van het slagveld weghalen, aan die goedige toovergodinnen, door onzen dichter Burns in onsterfelijke verzen bezongen, die door geen waren zoon der Hooglanden vergeten worden:»Heden nacht dansen de feeën op Casselis Dawnans of begeven zij zich bij het bleeke maanlicht naar Colzean, om te gaan dwalen in de Coves te midden der rotsen en der beken.”»Maar miss Campbell,” hernam de stijfhoofdige dwaas, »denkt gij dan, dat de dichters zelven aan die droombeelden hunner verbeelding gelooven?”»Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ware dat niet, dan zou hunnen dichtstukken een valsche klank aankleven, zoo als iedere gedachte die niet uit een onwrikbare overtuiging geboren is.”»Zoo, gij ook, mijnheer,” grinnikte Aristobulus Beerenkooi. »Ik wist wel dat gij schilder, maar niet dat gij dichter waart.”»Dat staat geheel en al gelijk!” viel miss Campbell in. »De kunst is slechts één onder verschillende vormen!”»Maar neen.... neen!.... dat is onaanneembaar!.... Gij kunt aan al die fabelen der oude barden niet gelooven! Hunne gekrenkte hersenen riepen slechts denkbeeldige godheden in het leven!”»Oh! mijnheer Beerenkooi!” riep broeder Sam zeer gebelgd uit. »Mishandel zoo onze voorouders niet, die ons oud Schotland hebben bezongen!”»Leen er liever het oor aan,” zei broeder Sib, die de gelegenheid niet liet voorbijgaan om aanhalingen te doen uit het door hen beiden zoo geliefkoosd dichtstuk:»Ik dweep met den zang der barden. Het is voor mij bekoorlijk naar de verhalen uit lang vervlogen tijden te luisteren. Die zijn voor mij als de heilige kalmte van den morgenstond, als de verkwikkelijke frischheid van den dauw, die de heuvelen bevochtigt....”»Wanneer de zon nog slechts matte stralen op hare hellingen werpt,” vulde broeder Sam aan. »Zij zijn voor mij, even als het stille en blauwachtige meer in de diepte van het dal!”De beide ooms zouden ongetwijfeld voortgegaan zijn met de verrukkelijke verzen van Ossian aan te halen, wanneer slechts Aristobulus Beerenkooi niet goedgevonden had, hen plotseling in de rede te vallen:»Mijne heeren!” vroeg hij, »hebt gij wel ooit eens een dier geesten ontmoet, die u zoo verrukken? Neen! En zijn ze te zien? Ook niet, nietwaar?”»Daarin dwaalt gij, mijnheer,” antwoordde miss Campbell, die harentegenstanders geen haarbreed wilde toegeven, »en ik beklaag u, dat gij ze nog nimmer bespeurd hebt. Men ziet ze verschijnen door geheel Schotland. Zij glijden langs de verlaten glens; zij stijgen op uit de diepte der ravijnen; zij zweven huppelend langs de oppervlakte der meren; zij spelen in de vreedzame wateren der Hebriden; zij dartelen te midden van de stormen, die de noordsche winter hier aanbrengt. En ziet ge, die Groene Straal, dien ik zoo hardnekkig najaag, waarom zou die niet de sjerp kunnen zijn van de een of andere Valkyrie, die bij den horizont in de wateren der zee sleept?»Waarachtig niet!” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Neen, dat niet! Ik zal u uitleggen, wat uw Groene Straal is....”»Doe het niet, mijnheer,” antwoordde miss Campbell met drift, »ik wil het niet weten!”»Jawel, jawel!” riep Aristobulus Beerenkooi, geheel en al meegesleept door zijn geest van dispuut.»Ik verbied het u stellig!....”»Ik zal het u toch zeggen, miss Campbell. Wanneer de laatste straal, dien de zon werpt, als de bovenrand van hare schijf den horizon raakt, groen is, dan komt dit wellicht uit het feit, dat hij door eene dunne waterlaag van de zee glijdt en daarvan de kleur opneemt....”»Zwijg...., mijnheer Beerenkooi!....”»Of het moest zijn, dat de groene kleur geheel natuurlijk volgde op het purperrood van de schijf na haar plotselinge verdwijning, en waarvan het netvlies van ons oog den indruk bewaard heeft. Gij weet, dat in de gezichtkunde het groen de aanvullingskleur is van het rood!”»Och mijnheer, uw natuurkundige redeneeringen....”»Mijn redeneeringen komen geheel en al met den aard der dingen overeen,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik ben juist bezig een verhandeling over dit onderwerp op te stellen, die ik eerstdaags zal uitgeven.”»Kom, laten wij weggaan!” zei miss Campbell, werkelijk vertoornd, tot hare ooms. »Die mijnheer Beerenkooi zou mij met zijn uitleggingen mijn Groenen Straal bederven!”Olivier Sinclair wendde zich toen tot den pedanten geleerde:»Mijnheer,” zei hij, »ik denk dat uw verhandeling nopens den Groenen Straal voorzeker belangrijk zal zijn; maar veroorloof mij u op een anderen arbeid te wijzen, die misschien nog belangwekkender is.”»En welke dan, mijnheer?” vroeg Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij zich op zijn hakken verhief, evenals een haan op zijn sporen.»Gij zult voorzeker weten, dat eenige geleerden het zoo belangrijke vraagstuk:Over den invloed van den staart der visschen op de golvingen der zeewetenschappelijk behandeld hebben?....”De Clorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).DeClorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).»Mijnheer!!!....”»Welnu, er is nog een ander werk, dat ik u ook in het bizonderaanbeveel, om in geleerde overweging te worden genomen. Dat luidt:Over den invloed van de blaasinstrumenten op het ontstaan der stormen.”

Miss Campbell, de gebroeders Melvill en de twee jongelieden vertrokken den gezegden dag terstond na het ontbijt. Het was zeer fraai herfstweder. Ieder oogenblik drong, of beter nog, zijpelde eenlichtstraal, als ontsnapt aan den kerker, door de scheuren in het dikke wolkendak, om dan een poos daarna weer te verdwijnen. Onder de afwisseling van licht en donker vertoonden de bouwvallen, die dit gedeelte van het eiland bekronen, en de zoo schilderachtig gegroepeerde rotsen van de kuststrook, en de verstrooid liggende huizen op het dalend en rijzend terrein van Jona, alsook in de verte de zee, die er als gestreept onder de liefkoozingen van een briesje uitzag, zich telkenmale onder een vernieuwd voorkomen en vroolijkten onder den invloed der zon op.

Het was niet de toeristendag. Daags te voren had de stoomboot een vijftigtal ontscheept; ongetwijfeld zou zij den volgenden dag een gelijk getal overbrengen; maar heden behoorde het eiland Jona geheel en al aan haar nieuwe bewoners. Men zou dus niemand bij de bouwvallen aantreffen.

In een vroolijke stemming werd de weg afgelegd. De opgeruimdheid van broeder Sam en van broeder Sib was voor de twee jongelieden aanstekelijk geweest. Zij koutten, zij gingen en kwamen, verwijderden zich en verschenen weer te midden van de kleine rotsachtige paden, tusschen de lage bouwvallen van muren, van gedroogden steen vervaardigd.

Alles ging dus naar wensch, toen men vlak voor den kruisberg van Mac Lean stil hield. Dit fraaie rotsblok, uit een stuk rood graniet bestaande, is veertien voet hoog en beheerscht den straatweg van Main Street. Het is het eenig overblijfsel der drie honderd zestig kruisen, die tot aan het tijdperk der Hervorming op het eiland in het midden der XVIe eeuw geplaatst werden.

Olivier Sinclair wilde zeer natuurlijk een schets maken van dien monumentalen steen, die goed afgewerkt is en een fraai effekt maakt te midden eener dorre vlakte, die met een grijsachtig gras bekleed is.

Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij hadden op een vijftig pas afstand van den kruisberg plaats genomen, om er een algemeen overzicht van te genieten. Olivier Sinclair ging op een afgebrokkelden kleinen muur zitten en begon de eerste omtrekken van het terrein, waarop het kruis van Mac Lean zich verhief, te schetsen.

Eenige oogenblikken later kwam het hun voor, alsof een menschelijk wezen poogde de eerste grondvesten van dien kruisberg te beklimmen.

»Wat komt die ongenoode gast nu hier doen?” vroeg Olivier. »Als hij nog in een monnikspij gehuld was, zou hij met dat monument overeenkomen en kon ik hem aan den voet van dat oude kruis laten knielen.”

»Het is eenvoudig een nieuwsgierige, die u wat hinderen gaat, mijnheer Sinclair,” zei miss Campbell.

»Maar is het Aristobulus Beerenkooi niet, die ons vooruitgesneld is?” vroeg broeder Sam.

»Ja, hij is het,” zei broeder Sib.

En inderdaad het was Aristobulus Beerenkooi, die op het voetstuk van den kruisberg was geklommen en de rots met duchtige hamerslagen aanviel.

Miss Campbell was verwoed over dat ongegeneerde van den mineralogist en ging dadelijk tot hem.

»Wat doet gij daar, mijnheer?” vroeg zij.

»Zooals gij ziet, miss Campbell,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »ik poog een stuk van dat graniet af te slaan.”

»Waartoe die gekheid? Ik dacht dat de tijd der beeldstormers voorbij was!”

»Ik ben geen beeldstormer, maar een geoloog,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en als zoodanig wensch ik het samenstel van dat blok te kennen.”

Een nog hardere slag met den hamer had het schendend werk volbracht. Een stuk steen van het voetstuk rolde op den grond.

Aristobulus Beerenkooi raapte het op, en op het vermeerderend gezichtsvermogen van zijn bril niet vertrouwende, greep hij een loep uit haren koker en bracht die bij zijn oog.

»Net als ik dacht,” zeide hij. »Het is rood graniet van zeer fijnen ineengedrongen korrel en bezit veel weerstandsvermogen. Die moet afkomstig zijn van het Nonneneiland en is geheel gelijk aan de granietsoort, welke de bouwmeesters in de XIIdeeeuw bezigden om de kathedraal van Jona op te richten.

En Aristobulus Beerenkooi liet zich een zoo schoone gelegenheid niet ontsnappen om zich in een archeologische verhandeling te verdiepen, welke de gebroeders Melvill, toen zij zich bij hem vervoegd hadden, meenden te moeten aanhooren.

Miss Campbell was, zonder veel omslag te maken naar Olivier Sinclair teruggekeerd en allen bevonden zich, toen de teekening klaar was, in het portaal de kathedraal bij elkander.

Dat monument was een zeer samengesteld gebouw, gevormd door twee aan elkander gekoppelde kerken, welker dikke muren en stevige pilaren als rotsen, de aanvallen van dit ruwe klimaat sedert dertien honderd jaren weerstaan hadden.

De bezoekers wandelden gedurende eenige oogenblikken in de eerste kerk, die van romaanschen oorsprong blijkt, afgaande op den boog harer gewelven; vervolgens in de tweede, die als een gothisch gebouw van de XIIdeeeuw erkend werd en het middenschip met de kruisvleugels der eerste vormde. Zij drentelden zoo te midden dier bouwvallen, gingen van het eene tijdperk tot het andere over, en betraden de groote vierkante vloersteenen, welker voegen de aardelieten ontzien. Hier waren het grafdeksels, elders grafsteenen, die de hoeken van het gebouw met hun uitgebeitelde beelden versierden.

Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).

Den vogelenzwerm met de oogen volgende (bladz. 133).

Uit dit alles, dat zich gestreng en ernstig voordeed, sprak de dichterlijkheid der vervlogen tijden.

Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill hadden niet bespeurd, dat hun geleerde metgezel was achtergebleven. Zij drongen door tot onder het dikke gewelf van den vierkanten toren. Dit gewelf beheerschte vroeger het portaal der eerste kerk en verhief zich later bij het aansluitingspunt der twee kerken.

Eenige oogenblikken later werden regelmatige stappen, die op den luid weerklinkenden vloer dreunden, waargenomen als van iemand die zwaarwichtig voortschreed, even als het standbeeld van den Kommandeur in de zaal van Don Juan.

Het was Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas, de uitgestrektheid der kathedraal opnam.

»Een honderd en zestig van het oosten naar het westen,” zei hij en noteerde dat getal in zijn zakboekje, terwijl hij de tweede kerk binnentrad.

»Ah! zijt gij het, mijnheer Beerenkooi!” riep miss Campbell spottend. »Na den mineralogist de landmeter?”

»En zeventig voet slechts langs de aslijn der kruisvleugels,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi.

»En hoeveel duim?” vroeg Olivier Sinclair.

Aristobulus Beerenkooi keek Sinclair aan als iemand, die niet recht weet of hij zich boos zal maken of niet. De gebroeders Melvill kwamen evenwel ter geschikter ure tusschen beiden en noodigden miss Campbell en de beide jongelieden uit, hen bij het bezoeken van het klooster te vergezellen.

Dit gebouw heeft slechts onherkenbare overblijfselen nagelaten, hoewel het de verminkingen der Hervorming overleefd heeft. Na dat tijdvak diende het tot vereenigingspunt van eenige stiftsdames van Sint Augustijn, waaraan de Staat die schuilplaats aanwees. Het zijn thans slechts nog maar ellendige bouwvallen van een klooster, door de stormen geteisterd, die noch gewelven, noch bogen, noch romaansche pilaren bezitten, om straffeloos de ruwheden van dit noordsche luchtgestel te kunnen trotseeren.

De bezoekers konden evenwel, na de overblijfselen van het klooster, dat vroeger zoo bloeiend was, bezocht te hebben, de kapel nog bewonderen, die beter bewaard was gebleven. Aristobulus Beerenkooi vermeende die niet te behoeven op te meten. Aan die kapel, die of later of hechter gebouwd was dan de eet- en slaapzalen van het klooster, ontbrak alleen het dak. Het koor, dat evenwel geheel ongeschonden is, wordt door de oudheidkundigen, als een bouwstuk van groote verdiensten, zeer gewaardeerd.

In het westergedeelte daarvan wordt het graf aangetroffen van haar, die de laatste abdis der gemeenschap was. Op den zwartmarmerenzerksteen is tusschen twee engelen een heilige Maagd uitgebeiteld, die het kind Jezus in hare armen draagt.

»Even als de Maagd op den Stoel en de Madonna van Sint Sixtus, de twee eenige O. L. Vrouwenbeelden van Raphael zonder neergeslagen oogleden, kijkt ook deze rechtuit terwijl een glimlach uit hare oogen straalt!”

Deze opmerking werd door miss Campbell zeer ter snede gemaakt. Zij had echter geen ander gevolg dan op de lippen van Aristobulus Beerenkooi een trek van vrij duidelijke spotternij en van minachting te voorschijn te roepen.

»Waar hebt gij ooit gezien, miss Campbell,” vroeg hij, »dat een glimlach uit iemands oogen kan stralen?”

Wellicht had miss Campbell wel trek hem te antwoorden, dat men bij hem zoo iets niet kon waarnemen, wanneer men hem aankeek. Zij zweeg echter.

»Het is een algemeen verspreide dwaling,” sprak Aristobulus Beerenkooi op een toon, alsof hijex cathedradoceerde, »wanneer men van den glimlach der oogen spreekt. De gezichtsorganen zijn juist geheel misdeeld van uitdrukking, zoo als ons de gezichtkunde leert. Ten bewijze: stel een masker voor een gelaat en bekijk dan de oogen door de daarin overeenkomstige gaten, en ik tart u alsdan uit te maken, of dat gelaat opgeruimdheid, droefgeestigheid of toorn verraadt.”

»Ah! waarlijk?” vroeg broeder Sam, die in de les belang scheen te stellen.

»Hé! dat wist ik niet!” vulde broeder Sib aan.

»Het is toch zoo,” hernam Aristobulus Beerenkooi. »Wanneer ik een masker had, dan....”

Maar dat vreemdsoortig jongmensch had geen masker, de proefneming kon dus niet afdoend geschieden, om iederen twijfel weg te nemen.

Daarenboven hadden miss Campbell en Olivier Sinclair reeds het klooster verlaten en richtten hunne schreden naar het kerkhof van Jona.

Die plek werd de relikwiekast van Oban genaamd, ter herinnering aan den makker van Sint Columban, wien men de stichting van de kapel verschuldigd is, welker bouwvallen te midden van den doodenakker verrijzen.

Dat terrein, bezaaid met grafsteenen, is een wonderlijke plek, waar acht en veertig schotsche koningen, acht onderkoningen der Hebriden, vier onderkoningen van Ierland en een koning van Frankrijk den eeuwigen slaap slapen. Van laatstbedoelde is de naam verloren geraakt, alsof hij reeds tot de voorhistorische tijden behoort. Men zou die plek bij een Druïdenveld hebben kunnen vergelijken,waarvan steenen monumenten door grafsteenen vervangen zouden zijn. Daartusschen strekt zich de granietsteen uit, die het graf dekt van Duncan, den Schotschen koning, die door het sombere treurspel van Macbeth vereeuwigd is. Op sommige dier steenen zijn slechts eenvoudige geometrische figuren gebeiteld, op anderen zijn eenige woeste Celtische koningen voorgesteld, die daar stijf als een lijk uitgestrekt liggen.

Welke herinneringen doemen uit dien doodenakker van Jona op! Welk een terugkeer tot het verledene doorkruist het denkvermogen bij het betreden van die koninklijke begraafplaats!

En hoe zou het mogelijk zijn, zich dit vers van Ossian niet te herinneren, dat den dichter hier ter plaatse ongetwijfeld bezield heeft?

»Vreemdeling, gij betreedt een met helden overdekten grond. Bezing somwijlen den roem van die gedenkwaardige dooden. Dat hunne lichte schimmen zich rondom u mogen verblijden!”

Miss Campbell en hare metgezellen waren geheel oogen, maar zwegen. Zij werden niet gedwongen de verveling van een beëedigden gids te ondervinden, die den sluier der geschiedenis voor de toeristen opheft. Zij konden zich verbeelden die afstammelingen van den beheerscher der eilanden van Angus Og, den metgezel van Robert Bruce, den wapenbroeder van dien held, die voor de onafhankelijkheid zijns lands streed, voor zich te zien.

»O! wat zou ik hier gaarne bij het vallen van den avond terugkomen,” zei miss Campbell. »Mij dunkt, dat dit het gunstigste tijdstip zou wezen, om die herinneringen op te roepen! O, ik zou dan het ontzielde lichaam van den ongelukkigen Duncan zien aandragen. Ik zou dan de gesprekken der doodgravers hooren, terwijl zij hem in het graf legden, in de aarde, die aan zijn voorouders gewijd is. Wel, mijnheer Sinclair, zou dat het goede oogenblik niet zijn, om de geesten, die de koninklijke begraafplaats bewaken, op te roepen?”

»Ja, miss Campbell, en ik meen dat zij niet zouden kunnen weigeren op uwe stem te verschijnen.”

»Hoe, miss Campbell, gelooft gij aan geesten?” riep Aristobulus Beerenkooi uit.

»Ja, daar geloof ik aan, mijnheer; als echte Schotsche, geloof ik aan geesten!” antwoordde miss Campbell.

»Maar gij weet toch, dat dit slechts denkbeeldig is, dat niets van al dat wonderbaarlijke in werkelijkheid bestaat!”

»En als ik er aan wil gelooven!” antwoordde miss Campbell onder den aandrang van een ontijdige zucht tot tegenspraak. »En als ik er behagen in schep om te gelooven aan de huis-brownies, die den huiselijken haard bewaken, aan de heksen, wier betoovering toe teschrijven is aan de runische verzen, die zij uitgalmen, aan de Valkyriën, de noodlottige jonkvrouwen uit de scandinavische mythologie, die de lijken der gesneuvelde strijders van het slagveld weghalen, aan die goedige toovergodinnen, door onzen dichter Burns in onsterfelijke verzen bezongen, die door geen waren zoon der Hooglanden vergeten worden:

»Heden nacht dansen de feeën op Casselis Dawnans of begeven zij zich bij het bleeke maanlicht naar Colzean, om te gaan dwalen in de Coves te midden der rotsen en der beken.”

»Maar miss Campbell,” hernam de stijfhoofdige dwaas, »denkt gij dan, dat de dichters zelven aan die droombeelden hunner verbeelding gelooven?”

»Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ware dat niet, dan zou hunnen dichtstukken een valsche klank aankleven, zoo als iedere gedachte die niet uit een onwrikbare overtuiging geboren is.”

»Zoo, gij ook, mijnheer,” grinnikte Aristobulus Beerenkooi. »Ik wist wel dat gij schilder, maar niet dat gij dichter waart.”

»Dat staat geheel en al gelijk!” viel miss Campbell in. »De kunst is slechts één onder verschillende vormen!”

»Maar neen.... neen!.... dat is onaanneembaar!.... Gij kunt aan al die fabelen der oude barden niet gelooven! Hunne gekrenkte hersenen riepen slechts denkbeeldige godheden in het leven!”

»Oh! mijnheer Beerenkooi!” riep broeder Sam zeer gebelgd uit. »Mishandel zoo onze voorouders niet, die ons oud Schotland hebben bezongen!”

»Leen er liever het oor aan,” zei broeder Sib, die de gelegenheid niet liet voorbijgaan om aanhalingen te doen uit het door hen beiden zoo geliefkoosd dichtstuk:

»Ik dweep met den zang der barden. Het is voor mij bekoorlijk naar de verhalen uit lang vervlogen tijden te luisteren. Die zijn voor mij als de heilige kalmte van den morgenstond, als de verkwikkelijke frischheid van den dauw, die de heuvelen bevochtigt....”

»Wanneer de zon nog slechts matte stralen op hare hellingen werpt,” vulde broeder Sam aan. »Zij zijn voor mij, even als het stille en blauwachtige meer in de diepte van het dal!”

De beide ooms zouden ongetwijfeld voortgegaan zijn met de verrukkelijke verzen van Ossian aan te halen, wanneer slechts Aristobulus Beerenkooi niet goedgevonden had, hen plotseling in de rede te vallen:

»Mijne heeren!” vroeg hij, »hebt gij wel ooit eens een dier geesten ontmoet, die u zoo verrukken? Neen! En zijn ze te zien? Ook niet, nietwaar?”

»Daarin dwaalt gij, mijnheer,” antwoordde miss Campbell, die harentegenstanders geen haarbreed wilde toegeven, »en ik beklaag u, dat gij ze nog nimmer bespeurd hebt. Men ziet ze verschijnen door geheel Schotland. Zij glijden langs de verlaten glens; zij stijgen op uit de diepte der ravijnen; zij zweven huppelend langs de oppervlakte der meren; zij spelen in de vreedzame wateren der Hebriden; zij dartelen te midden van de stormen, die de noordsche winter hier aanbrengt. En ziet ge, die Groene Straal, dien ik zoo hardnekkig najaag, waarom zou die niet de sjerp kunnen zijn van de een of andere Valkyrie, die bij den horizont in de wateren der zee sleept?

»Waarachtig niet!” riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Neen, dat niet! Ik zal u uitleggen, wat uw Groene Straal is....”

»Doe het niet, mijnheer,” antwoordde miss Campbell met drift, »ik wil het niet weten!”

»Jawel, jawel!” riep Aristobulus Beerenkooi, geheel en al meegesleept door zijn geest van dispuut.

»Ik verbied het u stellig!....”

»Ik zal het u toch zeggen, miss Campbell. Wanneer de laatste straal, dien de zon werpt, als de bovenrand van hare schijf den horizon raakt, groen is, dan komt dit wellicht uit het feit, dat hij door eene dunne waterlaag van de zee glijdt en daarvan de kleur opneemt....”

»Zwijg...., mijnheer Beerenkooi!....”

»Of het moest zijn, dat de groene kleur geheel natuurlijk volgde op het purperrood van de schijf na haar plotselinge verdwijning, en waarvan het netvlies van ons oog den indruk bewaard heeft. Gij weet, dat in de gezichtkunde het groen de aanvullingskleur is van het rood!”

»Och mijnheer, uw natuurkundige redeneeringen....”

»Mijn redeneeringen komen geheel en al met den aard der dingen overeen,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik ben juist bezig een verhandeling over dit onderwerp op te stellen, die ik eerstdaags zal uitgeven.”

»Kom, laten wij weggaan!” zei miss Campbell, werkelijk vertoornd, tot hare ooms. »Die mijnheer Beerenkooi zou mij met zijn uitleggingen mijn Groenen Straal bederven!”

Olivier Sinclair wendde zich toen tot den pedanten geleerde:

»Mijnheer,” zei hij, »ik denk dat uw verhandeling nopens den Groenen Straal voorzeker belangrijk zal zijn; maar veroorloof mij u op een anderen arbeid te wijzen, die misschien nog belangwekkender is.”

»En welke dan, mijnheer?” vroeg Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij zich op zijn hakken verhief, evenals een haan op zijn sporen.

»Gij zult voorzeker weten, dat eenige geleerden het zoo belangrijke vraagstuk:Over den invloed van den staart der visschen op de golvingen der zeewetenschappelijk behandeld hebben?....”

De Clorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).DeClorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).

DeClorinda, een bevallig vaartuig. (bladz. 133).

»Mijnheer!!!....”

»Welnu, er is nog een ander werk, dat ik u ook in het bizonderaanbeveel, om in geleerde overweging te worden genomen. Dat luidt:Over den invloed van de blaasinstrumenten op het ontstaan der stormen.”

XVI.Twee geweerschoten.Daags daarna en ook in de eerste daarop volgende dagen van September zag men Aristobulus Beerenkooi niet weerom. Had hij Jona met de toeristen-boot verlaten, nadat het besef bij hem wakker was geworden, dat hij vergeefsche moeite aanwendde om de genegenheid van miss Campbell te winnen? Dat kon niemand zeggen. Hij deed in ieder geval goed, zich niet te vertoonen; want hij was niet meer onverschillig voor het jonge meisje, hij boezemde haar thans een soort van afkeer in. Het dichterlijk waas had hij aan haren straal ontrukt, haren droom belichaamd, de fladderende sjerp eener Valkyrie was door hem in een dom gezichtkundig verschijnsel veranderd! Zij zou hem wellicht alles hebben vergeven, alles, maar dat niet!De gebroeders Melvill konden zelfs geen verlof bekomen, om na te gaan waar Aristobulus Beerenkooi was gebleven.Waartoe zou dat ook dienen? Wat zouden de broeders hem te zeggen hebben, en welke hoop konden zij nog koesteren? Viel er nog te denken aan de voorgenomen vereeniging tusschen twee wezens van nature zoo afkeerig van elkander, die zoo gescheiden waren als het plat proza dit is van de verheven poëzie. Hij met zijn waanzin, om alles onder wetenschappelijke formules te willen brengen, zij met haar droombeelden, die haar slechts in een denkbeeldige wereld lieten verwijlen en haar de oorzaken en gevolgen deden minachten, om zich slechts aan haar dichterlijke indrukken te kunnen overgeven.Partridge intusschen, daartoe aangezet door juffrouw Bess, vernam dat de »jonge oude geleerde,” zooals hij hem noemde, nog niet vertrokken was, maar nog steeds zijn visschershut opzocht, alwaar hij eenzaam zijn maaltijden gebruikte.Maar dat deed er niet toe; het voornaamste was, dat men Aristobulus Beerenkooi niet meer zag. De waarheid in deze was, dat wanneer hij opgesloten in zijn kamer zich niet onledig hield met het een of ander hoogstgewichtig wetenschappelijk vraagstuk, hijmet het geweer op den rug op het strand ronddwaalde en daar zijn kwade luim bot vierde te midden van een waar bloedbad, op arme zwarte kuifduikers of op meeuwen, die aan niets schuld hadden, gepleegd. Zou hij nog eenige hoop koesteren? Spiegelde hij zich voor, dat miss Campbell, wanneer eenmaal haar gril ten opzichte van den Groenen Straal bevredigd was, tot betere gevoelens zou terugkeeren. Bij dat lieve persoontje, was, wel beschouwd, alles mogelijk.Maar er overkwam hem eens een vrij onaangenaam voorval, dat hem zeer slecht had kunnen bekomen, zonder de zoo edelmoedige als onverwachte tusschenkomst van zijn mededinger.Dit viel voor in den namiddag van den 2denSeptember. Aristobulus had zich op weg begeven om de rotsen te bestudeeren, die het uiterste uiteinde van de zuidelijke punt van Jona uitmaken. Een van die granietmassa’s, een »stack”, trok in ’t bizonder zijn aandacht, en wel zoodanig, dat hij besloot den top daarvan te beklimmen. Dit kon wel onvoorzichtig genoemd worden, want de rots was zeer glibberig en bood geen plekje aan, waarop de voet zou kunnen rusten of waaraan de hand zich kon vastklemmen.Toch liet Aristobulus Beerenkooi zich niet afschrikken. Hij begon dus langs de wanden naar boven te klimmen en kon met behulp van eenige struiken, die tusschen de rotsaderen wortel hadden geschoten, zich naar boven hijschen. Hij bereikte zoo, evenwel niet zonder moeite, den top van dien stack.Eenmaal daar aangekomen, hield hij zich met zijn mineralogischen arbeid onledig. Maar toen hij weer omlaag wilde klimmen, was de moeielijkheid grooter. En inderdaad, nadat hij zorgvuldig opgespoord had, langs welken kant van den wand hij zich naar beneden zou laten glijden, wilde hij daartoe overgaan. Maar juist in dat oogenblik gleed zijn voet uit en rolde hij, zonder zich te kunnen weerhouden, naar beneden. Hij zou in de zware branding die aan den voet der rots bruiste, terecht gekomen zijn, wanneer hij niet door een afgebroken boomstam gestuit was.Aristobulus Beerenkooi bevond zich toen in een toestand, die hoewel gevaarlijk, toch belachelijk was. Hij kon niet naar boven klimmen, maar ook niet neerdalen.Zoo verstreek een geruime tijd—meer dan een uur,—en wie weet wat gebeurd zou zijn, wanneer Olivier Sinclair, die met zijn schildersrandsel op den rug rondkuierde, in dit oogenblik niet voorbijgekomen was. Deze hoorde geschreeuw en stond stil om te luisteren. Toen hij evenwel Aristobulus Beerenkooi, dertig voet hoog in de lucht vastgehaakt, zich zag bewegen als een draaipop in een Jan-Klaassen-spel, kon hij eerst, zooals wel te begrijpen valt, zijn lachen niet bedwingen, maar daarna aarzelde hij geen oogenblik om alles te wagen, ten einde hem uit dien noodlottigen toestand te redden.Dat ging evenwel niet zonder moeielijkheid. Olivier Sinclair moest op den top van den stack klimmen, om den hangenden Beerenkooi weder naar boven te hijschen, ten einde hem vervolgens aan den anderen kant weer naar beneden te laten.»Mijnheer Sinclair”, zei Aristobulus Beerenkooi, zoodra hij weer vasten grond onder de voeten voelde, »ik had den hellingshoek van dien wand met de loodlijn fout berekend. Van daar dat ik uitgleed en zoo vasthaakte....”»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik ben gelukkig, dat het toeval mij veroorloofd heeft u te hulp te kunnen komen!”»Laat mij ten minste u bedanken....”»Och, het heeft zooveel niet om het lijf, mijnheer. Gij zoudt net zoo gehandeld hebben als ik in dit geval.”»Ongetwijfeld!”»Welnu, bij voorkomende gelegenheid houd ik mij aanbevolen!”En de twee jongelieden scheidden van elkander.Olivier Sinclair meende over dit voorval, waaraan hij geen te groot gewicht hechtte, te moeten zwijgen. Ook Aristobulus Beerenkooi sprak er niet over. Maar daar hij nog al aan zijn ongeschonden huid gehecht was, voelde hij zich toch dankbaar gestemd jegens zijn mededinger, die hem uit dien naren toestand gered had.Hoe ging het intusschen met den beruchten Straal? Het moest erkend worden, dat hij zich vreemdsoortig genoeg uitnoodigen liet! En toch was er geen tijd meer te verliezen. De herfst zou niet nalaten zijn nevelsluier aan den hemel uit te spreiden. Dan zouden er geen heldere avonden meer bestaan; want September is er zeer gierig mede onder deze hooge breedte. Dan geen scherpe kim meer, die eerder met den passer van een landmeter getrokken scheen dan met het penseel van een schilder. Zou de hoop moeten opgegeven worden, het natuurverschijnsel te zien, dat tot zooveel verhuizingen aanleiding had gegeven? Zou men de waarneming tot het volgende jaar moeten uitstellen? Of moest men haar hardnekkig in andere luchtstreken gaan vervolgen?Waarlijk, het was zoowel voor miss Campbell als voor Olivier Sinclair om er kregel van te worden. Beiden waren ernstig woedend dat de gezichteinder der Hebriden steeds beneveld was.Zoo gingen de vier eerste dagen van de nevelachtige Septembermaand voorbij.Iederen avond waren miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge, op de een of andere rots waartegen de golfjes klotsten, gezeten, en woonden den ondergang bij der zon, die meestal plaats had te midden van bewonderenswaardigelichteffecten, oneindigprachtvoller, dan wanneer de hemel volmaakt helder ware geweest.Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt. (bladz. 138).Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt.(bladz. 138).Een kunstenaarsziel moet de verheven schouwspelen toejuichen, die zich iederen avond bij het dalen der zon ontwikkelen, wanneer de oogenverblindende kleurenschaal, die als van de eene wolk tot de andere overgaat, van het violette af, dat in het toppunt verschijnt, tot het gulden rood van den horizon, zich voor het oog vertoont, wanneer de vuurweerkaatsingen zich op de wolken als op gloeiende rotsen laten waarnemen, wanneer die wolken de zonneschijf schijnen aantetasten en haar laatste stralen opslorpen, vooral die welke onze waarnemers zoo gaarne gezien hadden.Wanneer dan na de verdwijning van de dagvorstin allen opstonden, dan gevoelden zij zich teleurgesteld, evenals de toeschouwers van een tooverballet, waarvan het sloteffect door de schuld van den tooneelwerktuigkundige gemist was, en keerden zij naar de herberg »het wapen van Duncan” terug.»Tot morgen!” zei miss Campbell.»Tot morgen!” antwoordden de beide ooms. »Wij hebben een voorgevoel, dat morgen....”Iederen avond hadden de gebroeders Melvill een voorgevoel en iederen avond kwam dat bedrogen uit.De dag van den 5denSeptember begon evenwel prachtig. De morgennevel loste zich door de warmte van de eerste zonnestralen op.De wijzer van den barometer, die reeds sedert eenige dagen vooruitgaande was, rees nog en bleef op »bestendig”. Het was niet meer warm genoeg om de luchttrilling te doen ontstaan, die in de heete zomerdagen wordt waargenomen. De droogte van den dampkring was dien dag bij de oppervlakte der zee gelijk aan die, welke op een berg, eenige duizenden voeten hoog, te midden van ijle lucht te vinden was.Het zou onmogelijk zijn de angstige spanning te schetsen, waarmede allen de verschillende overgangstijdperken op dien dag nagingen. Met welk kloppend hart zij uitkeken of niet eenige wolk in het uitspansel was te bespeuren, is niet te beschrijven. En het zou vermetel genoemd moeten worden, te trachten weer te geven, met welke benauwdheid zij de zonnebaan gadesloegen.Gelukkig blies de bries zacht, maar bestendig van de landzij. Terwijl zij over de bergen heenstreek of langs de oppervlakte der weilanden gleed, kon zij geen waterdeelen opnemen, zooals zij doet, wanneer zij over den uitgestrekten Oceaan waait en die zij dan ook aanbrengt, wanneer zij van den zeekant komt.Maar wat viel die dag lang! Miss Campbell kon onmogelijk rustig op haar plaats blijven. Zij gaf niets om de warmte, maar trippelde heen en weer, terwijl Olivier Sinclair op de hoogste punten van het eiland ronddwaalde, om een ruimeren gezichtskring te hebben.De twee ooms snoven met hun beiden een geheele snuifdoos leeg en Partridge, alsof hij een schildwacht op post was, had de houding aangenomen van een onbezoldigd rijksveldwachter, die de hemelsche dreven moest bewaken.Men was overeengekomen, dien dag te vijf uur te dineeren, om bij tijds op den waarnemingspost te kunnen zijn. De zon zou eerst ten zes uren negen en veertig minuten ondergaan, men zou dan tijd genoeg hebben, om haar op dat oogenblik te kunnen volgen.»Ik geloof, dat wij den straal dezen keer te pakken krijgen!” zei broeder Sam, terwijl hij zich in de handen wreef.»Dat geloof ik ook!” bevestigde broeder Sib, met hetzelfde gebaar.Tegen drie uur ongeveer ontstond er een loos alarm. Een dikke nevelvlok, met den vorm van een saamgepakte wolk, kwam in het oosten op en dreef door de landbries voortgestuwd naar den Oceaan.Miss Campbell zag haar het eerst. Zij kon een kreet van teleurstelling niet onderdrukken.»O! het is alleen die wolk,” zei een harer ooms. »Van die hebben wij niets te vreezen. Zij zal spoedig opgelost worden....”»Of zij spoedt sneller dan de zon voort,” beaamde Olivier Sinclair,»en zal vóór haar achter den horizon verdwijnen.”»Maar is de wolk de voorloopster niet van een mistbank?” vroeg miss Campbell.»Dat zullen we moeten afwachten.”Olivier Sinclair spoedde zich wat hij loopen kon, naar de kloosterbouwvallen. Van daar kon zijn blik meer oostwaarts tot ver achter de bergen van Mull doordringen.Die bergen staken scherp af tegen het blauw der lucht, hun kam scheen een met potlood getrokken lijn op een volmaakt zuiveren achtergrond.Er waren geen andere dampen in het uitspansel, en de scherpe omtrek van den Ben More, die zich op drie duizend voet boven de oppervlakte van de zee verheft, was door geen nevellagen verduisterd.Olivier Sinclair kwam een half uur later met geruststellende verzekeringen terug. Die wolk was slechts een verloren vlokje in de ruimte. In den drogen dampkring zou zij zich niet kunnen uitbreiden en onderweg wel opgelost worden.De witachtige vlok schreed evenwel naar het zenith voort. Het verwekte algemeen misnoegen, dat die wolk juist de baan der zon volgde. Zij naderde haar reeds onder den invloed der bries. Terwijl zij in de ruimte voortgleed, wijzigden zich haar vormen onder den aandrang van de tegenbewegingen in den luchtstroom. Eerst had zij den vorm van een hondskop, daarna van een platvisch, zoo iets als van een reuzenrog; toen rolde zij zich op als een bal, was donkerin het midden en schitterend aan haren zoom. Eindelijk bereikte zij de zonneschijf en schoof er voor.Een kreet ontsnapte miss Campbell. Zij strekte haar beide armen ten hemel uit.De schitterende dagvorstin, achter dat gordijn van dampen verborgen, schoot geen enkele harer stralen op het eiland af. Jona, buiten den direkten uitstralingskegel gelegen, was door een breede schaduw omsluierd.Maar die groote schaduw verplaatste zich. De zon verscheen weer in haren vollen glans. De wolk daalde naar den horizon. Zij zou dien zelfs niet bereiken; zij verdween als door een opening, die in den hemel als het ware geboord was.»Eindelijk is zij weg!” riep het jonge meisje, »en God geve, dat zij door geen andere gevolgd worde!”»Neen, miss Campbell, wees daaromtrent gerustgesteld,” antwoordde Olivier Sinclair. »Dat die wolk zoo spoedig en op deze wijze verdwenen is, kan als bewijs gerekend worden, dat er geen andere dampen in de lucht zijn, en dus de ruimte in het westen volmaakt zuiver is.”Ten zes uur des avonds waren de waarnemers op een open plek gegroepeerd, op hun post.Dat was een plek op het noordelijkste uiteinde van het eiland, op den hoogsten top van den Abtsheuvel. Van dien top kon de blik in het oosten als in een kring het hooger gedeelte van het eiland Mull omvatten. Ten noorden verscheen het eilandje Staffa als een ontzaglijke schildpadschaal, die in deHebridischewateren gestrand zou zijn. Iets verder verschenen Elva en Gometra als afgescheurde gedeelten van de kuststreek van het groote eiland. Naar den kant van het westen, het zuidwesten en het noordwesten was niets te zien dan de onmetelijke zee. De zon daalde snel langs een schuine baan. De omtrek van den gezichteinder vertoonde zich zwart, alsof hij met Chineeschen inkt was getrokken. Aan den tegenovergestelden kant glinsterden al de vensters van Jona vlammend, als de weerkaatsing van een brand, welker vlammen met gulden spitsen woedden.Miss Campbell en Olivier Sinclair, de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, geboeid door dat overschoone schouwspel, zaten eerbiedig stilzwijgend neder. Zij aanschouwden, terwijl zij de oogleden half toeknepen, de schijf, die zich bij de waterlijn afplatte en den vorm aannam van een scharlaken halven bol. Er was geen spoor van damp aan den zeekant te zien.»Ik geloof, dat wij hem ditmaal te pakken hebben,” begon broeder Sam.»Ik geloof het ook,” antwoordde broeder Sib.»Stil, waarde ooms!...” riep miss Campbell.Zij zwegen en hielden hun adem in, alsof zij vreesden dat de waterdeelen daarvan zich zouden kunnen verdichten en den vorm aannemen eener wolk om den zonneschijn te benevelen.De zon had reeds den horizon met haren onderrand aangeraakt. Zij verbreidde en verstrooide zich alsof zij inwendig met een lichtgevende vloeistof gevuld was.Allen zogen als het ware hare laatste stralen op.Zoo moet Arago hebben zitten turen, toen hij in de woestenijen van Palma op de kust van Spanje, het vuursignaal bespiedde, dat op den top van het eiland Ivika moest verschijnen, om hem te veroorlooven den laatsten driehoek zijner graadmeting te sluiten.Eindelijk bleef nog een klein segment van den bovensten boog boven de watervlakte over. Nog weinige seconden, en de laatste straal zou schitteren voor de oogen, die gereed waren hem op te vangen, en het paradijsachtig groen laten schijnen!...Plotseling werden twee geweerschoten vernomen, die beneden aan den heuvel te midden der rotsen van de kuststrook weerklonken. Men zag een rookwolkje, tusschen welks kronkels een zwerm van zeevogels: meeuwen, stormvogels en eiders, door ontijdige geweerschoten verschrikt, rondfladderde.Die wolk steeg recht op en schoof als een gordijn tusschen den gezichteinder en het eiland; zij zweefde voor de ondergaande zon, juist op het oogenblik, dat zij haar laatsten lichtstraal over de oppervlakte der wateren schoot.Men kon in dit oogenblik den onvermijdelijken Aristobulus Beerenkooi op een punt van de steile kust bespeuren, die met het nog rookend geweer in de handen, den vogelenzwerm met de oogen volgde.»O! ditmaal hebben we er genoeg van!” riep broeder Sib uit.»Neen, wij hebben er te veel van!” riep broeder Sam.»Ik had hem aan zijn rots moeten laten hangen,” mompelde Olivier Sinclair. »Dan zou hij ten minste hier niet zijn.”Miss Campbell, staroogende en met de lippen op elkaar geklemd, sprak geen enkel woord.Andermaal had zij door de schuld van Aristobulus Beerenkooi den Groenen straal gemist.

Daags daarna en ook in de eerste daarop volgende dagen van September zag men Aristobulus Beerenkooi niet weerom. Had hij Jona met de toeristen-boot verlaten, nadat het besef bij hem wakker was geworden, dat hij vergeefsche moeite aanwendde om de genegenheid van miss Campbell te winnen? Dat kon niemand zeggen. Hij deed in ieder geval goed, zich niet te vertoonen; want hij was niet meer onverschillig voor het jonge meisje, hij boezemde haar thans een soort van afkeer in. Het dichterlijk waas had hij aan haren straal ontrukt, haren droom belichaamd, de fladderende sjerp eener Valkyrie was door hem in een dom gezichtkundig verschijnsel veranderd! Zij zou hem wellicht alles hebben vergeven, alles, maar dat niet!

De gebroeders Melvill konden zelfs geen verlof bekomen, om na te gaan waar Aristobulus Beerenkooi was gebleven.

Waartoe zou dat ook dienen? Wat zouden de broeders hem te zeggen hebben, en welke hoop konden zij nog koesteren? Viel er nog te denken aan de voorgenomen vereeniging tusschen twee wezens van nature zoo afkeerig van elkander, die zoo gescheiden waren als het plat proza dit is van de verheven poëzie. Hij met zijn waanzin, om alles onder wetenschappelijke formules te willen brengen, zij met haar droombeelden, die haar slechts in een denkbeeldige wereld lieten verwijlen en haar de oorzaken en gevolgen deden minachten, om zich slechts aan haar dichterlijke indrukken te kunnen overgeven.

Partridge intusschen, daartoe aangezet door juffrouw Bess, vernam dat de »jonge oude geleerde,” zooals hij hem noemde, nog niet vertrokken was, maar nog steeds zijn visschershut opzocht, alwaar hij eenzaam zijn maaltijden gebruikte.

Maar dat deed er niet toe; het voornaamste was, dat men Aristobulus Beerenkooi niet meer zag. De waarheid in deze was, dat wanneer hij opgesloten in zijn kamer zich niet onledig hield met het een of ander hoogstgewichtig wetenschappelijk vraagstuk, hijmet het geweer op den rug op het strand ronddwaalde en daar zijn kwade luim bot vierde te midden van een waar bloedbad, op arme zwarte kuifduikers of op meeuwen, die aan niets schuld hadden, gepleegd. Zou hij nog eenige hoop koesteren? Spiegelde hij zich voor, dat miss Campbell, wanneer eenmaal haar gril ten opzichte van den Groenen Straal bevredigd was, tot betere gevoelens zou terugkeeren. Bij dat lieve persoontje, was, wel beschouwd, alles mogelijk.

Maar er overkwam hem eens een vrij onaangenaam voorval, dat hem zeer slecht had kunnen bekomen, zonder de zoo edelmoedige als onverwachte tusschenkomst van zijn mededinger.

Dit viel voor in den namiddag van den 2denSeptember. Aristobulus had zich op weg begeven om de rotsen te bestudeeren, die het uiterste uiteinde van de zuidelijke punt van Jona uitmaken. Een van die granietmassa’s, een »stack”, trok in ’t bizonder zijn aandacht, en wel zoodanig, dat hij besloot den top daarvan te beklimmen. Dit kon wel onvoorzichtig genoemd worden, want de rots was zeer glibberig en bood geen plekje aan, waarop de voet zou kunnen rusten of waaraan de hand zich kon vastklemmen.

Toch liet Aristobulus Beerenkooi zich niet afschrikken. Hij begon dus langs de wanden naar boven te klimmen en kon met behulp van eenige struiken, die tusschen de rotsaderen wortel hadden geschoten, zich naar boven hijschen. Hij bereikte zoo, evenwel niet zonder moeite, den top van dien stack.

Eenmaal daar aangekomen, hield hij zich met zijn mineralogischen arbeid onledig. Maar toen hij weer omlaag wilde klimmen, was de moeielijkheid grooter. En inderdaad, nadat hij zorgvuldig opgespoord had, langs welken kant van den wand hij zich naar beneden zou laten glijden, wilde hij daartoe overgaan. Maar juist in dat oogenblik gleed zijn voet uit en rolde hij, zonder zich te kunnen weerhouden, naar beneden. Hij zou in de zware branding die aan den voet der rots bruiste, terecht gekomen zijn, wanneer hij niet door een afgebroken boomstam gestuit was.

Aristobulus Beerenkooi bevond zich toen in een toestand, die hoewel gevaarlijk, toch belachelijk was. Hij kon niet naar boven klimmen, maar ook niet neerdalen.

Zoo verstreek een geruime tijd—meer dan een uur,—en wie weet wat gebeurd zou zijn, wanneer Olivier Sinclair, die met zijn schildersrandsel op den rug rondkuierde, in dit oogenblik niet voorbijgekomen was. Deze hoorde geschreeuw en stond stil om te luisteren. Toen hij evenwel Aristobulus Beerenkooi, dertig voet hoog in de lucht vastgehaakt, zich zag bewegen als een draaipop in een Jan-Klaassen-spel, kon hij eerst, zooals wel te begrijpen valt, zijn lachen niet bedwingen, maar daarna aarzelde hij geen oogenblik om alles te wagen, ten einde hem uit dien noodlottigen toestand te redden.

Dat ging evenwel niet zonder moeielijkheid. Olivier Sinclair moest op den top van den stack klimmen, om den hangenden Beerenkooi weder naar boven te hijschen, ten einde hem vervolgens aan den anderen kant weer naar beneden te laten.

»Mijnheer Sinclair”, zei Aristobulus Beerenkooi, zoodra hij weer vasten grond onder de voeten voelde, »ik had den hellingshoek van dien wand met de loodlijn fout berekend. Van daar dat ik uitgleed en zoo vasthaakte....”

»Mijnheer Beerenkooi,” antwoordde Olivier Sinclair, »ik ben gelukkig, dat het toeval mij veroorloofd heeft u te hulp te kunnen komen!”

»Laat mij ten minste u bedanken....”

»Och, het heeft zooveel niet om het lijf, mijnheer. Gij zoudt net zoo gehandeld hebben als ik in dit geval.”

»Ongetwijfeld!”

»Welnu, bij voorkomende gelegenheid houd ik mij aanbevolen!”

En de twee jongelieden scheidden van elkander.

Olivier Sinclair meende over dit voorval, waaraan hij geen te groot gewicht hechtte, te moeten zwijgen. Ook Aristobulus Beerenkooi sprak er niet over. Maar daar hij nog al aan zijn ongeschonden huid gehecht was, voelde hij zich toch dankbaar gestemd jegens zijn mededinger, die hem uit dien naren toestand gered had.

Hoe ging het intusschen met den beruchten Straal? Het moest erkend worden, dat hij zich vreemdsoortig genoeg uitnoodigen liet! En toch was er geen tijd meer te verliezen. De herfst zou niet nalaten zijn nevelsluier aan den hemel uit te spreiden. Dan zouden er geen heldere avonden meer bestaan; want September is er zeer gierig mede onder deze hooge breedte. Dan geen scherpe kim meer, die eerder met den passer van een landmeter getrokken scheen dan met het penseel van een schilder. Zou de hoop moeten opgegeven worden, het natuurverschijnsel te zien, dat tot zooveel verhuizingen aanleiding had gegeven? Zou men de waarneming tot het volgende jaar moeten uitstellen? Of moest men haar hardnekkig in andere luchtstreken gaan vervolgen?

Waarlijk, het was zoowel voor miss Campbell als voor Olivier Sinclair om er kregel van te worden. Beiden waren ernstig woedend dat de gezichteinder der Hebriden steeds beneveld was.

Zoo gingen de vier eerste dagen van de nevelachtige Septembermaand voorbij.

Iederen avond waren miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge, op de een of andere rots waartegen de golfjes klotsten, gezeten, en woonden den ondergang bij der zon, die meestal plaats had te midden van bewonderenswaardigelichteffecten, oneindigprachtvoller, dan wanneer de hemel volmaakt helder ware geweest.

Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt. (bladz. 138).Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt.(bladz. 138).

Miss Campbell had zich op een van de kussens uitgestrekt.(bladz. 138).

Een kunstenaarsziel moet de verheven schouwspelen toejuichen, die zich iederen avond bij het dalen der zon ontwikkelen, wanneer de oogenverblindende kleurenschaal, die als van de eene wolk tot de andere overgaat, van het violette af, dat in het toppunt verschijnt, tot het gulden rood van den horizon, zich voor het oog vertoont, wanneer de vuurweerkaatsingen zich op de wolken als op gloeiende rotsen laten waarnemen, wanneer die wolken de zonneschijf schijnen aantetasten en haar laatste stralen opslorpen, vooral die welke onze waarnemers zoo gaarne gezien hadden.

Wanneer dan na de verdwijning van de dagvorstin allen opstonden, dan gevoelden zij zich teleurgesteld, evenals de toeschouwers van een tooverballet, waarvan het sloteffect door de schuld van den tooneelwerktuigkundige gemist was, en keerden zij naar de herberg »het wapen van Duncan” terug.

»Tot morgen!” zei miss Campbell.

»Tot morgen!” antwoordden de beide ooms. »Wij hebben een voorgevoel, dat morgen....”

Iederen avond hadden de gebroeders Melvill een voorgevoel en iederen avond kwam dat bedrogen uit.

De dag van den 5denSeptember begon evenwel prachtig. De morgennevel loste zich door de warmte van de eerste zonnestralen op.

De wijzer van den barometer, die reeds sedert eenige dagen vooruitgaande was, rees nog en bleef op »bestendig”. Het was niet meer warm genoeg om de luchttrilling te doen ontstaan, die in de heete zomerdagen wordt waargenomen. De droogte van den dampkring was dien dag bij de oppervlakte der zee gelijk aan die, welke op een berg, eenige duizenden voeten hoog, te midden van ijle lucht te vinden was.

Het zou onmogelijk zijn de angstige spanning te schetsen, waarmede allen de verschillende overgangstijdperken op dien dag nagingen. Met welk kloppend hart zij uitkeken of niet eenige wolk in het uitspansel was te bespeuren, is niet te beschrijven. En het zou vermetel genoemd moeten worden, te trachten weer te geven, met welke benauwdheid zij de zonnebaan gadesloegen.

Gelukkig blies de bries zacht, maar bestendig van de landzij. Terwijl zij over de bergen heenstreek of langs de oppervlakte der weilanden gleed, kon zij geen waterdeelen opnemen, zooals zij doet, wanneer zij over den uitgestrekten Oceaan waait en die zij dan ook aanbrengt, wanneer zij van den zeekant komt.

Maar wat viel die dag lang! Miss Campbell kon onmogelijk rustig op haar plaats blijven. Zij gaf niets om de warmte, maar trippelde heen en weer, terwijl Olivier Sinclair op de hoogste punten van het eiland ronddwaalde, om een ruimeren gezichtskring te hebben.De twee ooms snoven met hun beiden een geheele snuifdoos leeg en Partridge, alsof hij een schildwacht op post was, had de houding aangenomen van een onbezoldigd rijksveldwachter, die de hemelsche dreven moest bewaken.

Men was overeengekomen, dien dag te vijf uur te dineeren, om bij tijds op den waarnemingspost te kunnen zijn. De zon zou eerst ten zes uren negen en veertig minuten ondergaan, men zou dan tijd genoeg hebben, om haar op dat oogenblik te kunnen volgen.

»Ik geloof, dat wij den straal dezen keer te pakken krijgen!” zei broeder Sam, terwijl hij zich in de handen wreef.

»Dat geloof ik ook!” bevestigde broeder Sib, met hetzelfde gebaar.

Tegen drie uur ongeveer ontstond er een loos alarm. Een dikke nevelvlok, met den vorm van een saamgepakte wolk, kwam in het oosten op en dreef door de landbries voortgestuwd naar den Oceaan.

Miss Campbell zag haar het eerst. Zij kon een kreet van teleurstelling niet onderdrukken.

»O! het is alleen die wolk,” zei een harer ooms. »Van die hebben wij niets te vreezen. Zij zal spoedig opgelost worden....”

»Of zij spoedt sneller dan de zon voort,” beaamde Olivier Sinclair,»en zal vóór haar achter den horizon verdwijnen.”

»Maar is de wolk de voorloopster niet van een mistbank?” vroeg miss Campbell.

»Dat zullen we moeten afwachten.”

Olivier Sinclair spoedde zich wat hij loopen kon, naar de kloosterbouwvallen. Van daar kon zijn blik meer oostwaarts tot ver achter de bergen van Mull doordringen.

Die bergen staken scherp af tegen het blauw der lucht, hun kam scheen een met potlood getrokken lijn op een volmaakt zuiveren achtergrond.

Er waren geen andere dampen in het uitspansel, en de scherpe omtrek van den Ben More, die zich op drie duizend voet boven de oppervlakte van de zee verheft, was door geen nevellagen verduisterd.

Olivier Sinclair kwam een half uur later met geruststellende verzekeringen terug. Die wolk was slechts een verloren vlokje in de ruimte. In den drogen dampkring zou zij zich niet kunnen uitbreiden en onderweg wel opgelost worden.

De witachtige vlok schreed evenwel naar het zenith voort. Het verwekte algemeen misnoegen, dat die wolk juist de baan der zon volgde. Zij naderde haar reeds onder den invloed der bries. Terwijl zij in de ruimte voortgleed, wijzigden zich haar vormen onder den aandrang van de tegenbewegingen in den luchtstroom. Eerst had zij den vorm van een hondskop, daarna van een platvisch, zoo iets als van een reuzenrog; toen rolde zij zich op als een bal, was donkerin het midden en schitterend aan haren zoom. Eindelijk bereikte zij de zonneschijf en schoof er voor.

Een kreet ontsnapte miss Campbell. Zij strekte haar beide armen ten hemel uit.

De schitterende dagvorstin, achter dat gordijn van dampen verborgen, schoot geen enkele harer stralen op het eiland af. Jona, buiten den direkten uitstralingskegel gelegen, was door een breede schaduw omsluierd.

Maar die groote schaduw verplaatste zich. De zon verscheen weer in haren vollen glans. De wolk daalde naar den horizon. Zij zou dien zelfs niet bereiken; zij verdween als door een opening, die in den hemel als het ware geboord was.

»Eindelijk is zij weg!” riep het jonge meisje, »en God geve, dat zij door geen andere gevolgd worde!”

»Neen, miss Campbell, wees daaromtrent gerustgesteld,” antwoordde Olivier Sinclair. »Dat die wolk zoo spoedig en op deze wijze verdwenen is, kan als bewijs gerekend worden, dat er geen andere dampen in de lucht zijn, en dus de ruimte in het westen volmaakt zuiver is.”

Ten zes uur des avonds waren de waarnemers op een open plek gegroepeerd, op hun post.

Dat was een plek op het noordelijkste uiteinde van het eiland, op den hoogsten top van den Abtsheuvel. Van dien top kon de blik in het oosten als in een kring het hooger gedeelte van het eiland Mull omvatten. Ten noorden verscheen het eilandje Staffa als een ontzaglijke schildpadschaal, die in deHebridischewateren gestrand zou zijn. Iets verder verschenen Elva en Gometra als afgescheurde gedeelten van de kuststreek van het groote eiland. Naar den kant van het westen, het zuidwesten en het noordwesten was niets te zien dan de onmetelijke zee. De zon daalde snel langs een schuine baan. De omtrek van den gezichteinder vertoonde zich zwart, alsof hij met Chineeschen inkt was getrokken. Aan den tegenovergestelden kant glinsterden al de vensters van Jona vlammend, als de weerkaatsing van een brand, welker vlammen met gulden spitsen woedden.

Miss Campbell en Olivier Sinclair, de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, geboeid door dat overschoone schouwspel, zaten eerbiedig stilzwijgend neder. Zij aanschouwden, terwijl zij de oogleden half toeknepen, de schijf, die zich bij de waterlijn afplatte en den vorm aannam van een scharlaken halven bol. Er was geen spoor van damp aan den zeekant te zien.

»Ik geloof, dat wij hem ditmaal te pakken hebben,” begon broeder Sam.

»Ik geloof het ook,” antwoordde broeder Sib.

»Stil, waarde ooms!...” riep miss Campbell.

Zij zwegen en hielden hun adem in, alsof zij vreesden dat de waterdeelen daarvan zich zouden kunnen verdichten en den vorm aannemen eener wolk om den zonneschijn te benevelen.

De zon had reeds den horizon met haren onderrand aangeraakt. Zij verbreidde en verstrooide zich alsof zij inwendig met een lichtgevende vloeistof gevuld was.

Allen zogen als het ware hare laatste stralen op.

Zoo moet Arago hebben zitten turen, toen hij in de woestenijen van Palma op de kust van Spanje, het vuursignaal bespiedde, dat op den top van het eiland Ivika moest verschijnen, om hem te veroorlooven den laatsten driehoek zijner graadmeting te sluiten.

Eindelijk bleef nog een klein segment van den bovensten boog boven de watervlakte over. Nog weinige seconden, en de laatste straal zou schitteren voor de oogen, die gereed waren hem op te vangen, en het paradijsachtig groen laten schijnen!...

Plotseling werden twee geweerschoten vernomen, die beneden aan den heuvel te midden der rotsen van de kuststrook weerklonken. Men zag een rookwolkje, tusschen welks kronkels een zwerm van zeevogels: meeuwen, stormvogels en eiders, door ontijdige geweerschoten verschrikt, rondfladderde.

Die wolk steeg recht op en schoof als een gordijn tusschen den gezichteinder en het eiland; zij zweefde voor de ondergaande zon, juist op het oogenblik, dat zij haar laatsten lichtstraal over de oppervlakte der wateren schoot.

Men kon in dit oogenblik den onvermijdelijken Aristobulus Beerenkooi op een punt van de steile kust bespeuren, die met het nog rookend geweer in de handen, den vogelenzwerm met de oogen volgde.

»O! ditmaal hebben we er genoeg van!” riep broeder Sib uit.

»Neen, wij hebben er te veel van!” riep broeder Sam.

»Ik had hem aan zijn rots moeten laten hangen,” mompelde Olivier Sinclair. »Dan zou hij ten minste hier niet zijn.”

Miss Campbell, staroogende en met de lippen op elkaar geklemd, sprak geen enkel woord.

Andermaal had zij door de schuld van Aristobulus Beerenkooi den Groenen straal gemist.


Back to IndexNext