XVII.Aan boord van de »Clorinda”.Den volgenden morgen reeds ten zes uur vertrok uit de kleine haven van Jona deClorinda, een bevallig vaartuig van vijfenveertigof vijftig ton, dat bij een lichte noordwesterbries, met stuurboordshalzen over, zoo scherp mogelijk bij den wind de open zee trachtte te bereiken.DeClorindahad miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge aan boord.Er behoeft niet bijgevoegd, dat de onhandige Aristobulus Beerenkooi te huis was gelaten.Ziehier wat men overeengekomen was en waartoe men onmiddellijk na het voorval van daags te voren had besloten.Terwijl men den Abtsheuvel afdaalde om zich naar de herberg te begeven, had miss Campbell kortaf gezegd:»Waarde ooms, daar mijnheer Beerenkooi in weerwil van alles, te Jona wenscht te blijven, zullen wij mijnheer Aristobulus Beerenkooi te Jona laten. Door zijn schuld hebben wij een eerste maal te Oban, een tweede maal hier te Jona onze waarneming gemist. Wij blijven geen oogenblik langer op een plaats waar die lastige man zijn onhandigheid laat blijken.”Tegen dit voorstel, zoo kortaf en helder uitgesproken, hadden de gebroeders Melvill niets in het midden te brengen. Zij deelden ook het algemeen misnoegen en verwenschten Aristobulus Beerenkooi. De toekomst was inderdaad voor hun gunsteling verloren. Nooit zou miss Campbell voortaan iets van hem willen hooren. Zij gevoelden het, zij moesten de hoop op de vervulling van hun plan, dat onmogelijk geworden was, laten varen.»Welnu, alles wel beschouwd,” merkte broeder Sam tot broeder Sib, dien hij tot een apartje genoodigd had, zacht fluisterend op, »zulke onvoorzichtige beloften zijn geen ijzeren handboeien!”Wat met andere woorden beteekende, dat men nimmer door een voorbarig uitgesproken toezegging zich onherroepelijk gebonden kan achten. Broeder Sib had dan ook met een afdoend gebaar zijn goedkeuring aan dit Schotsche spreekwoord geschonken.Toen men elkander goeden nacht wenschte in de algemeene zaal van het wapen van Duncan, had miss Campbell gezegd:»Wij zullen morgen ochtend vertrekken; ik blijf geen dag meer hier!”»Goed, dat is uitgemaakt, waarde Helena,” antwoordde broeder Sam; »maar waarheen zullen wij gaan?”»Dat is mij onverschillig. Slechts daarheen, waar wij zeker zijn dien mijnheer Beerenkooi niet te ontmoeten.”»Het is dus van groot gewicht dat niemand wete, dat wij Jona verlaten en nog minder waar we naar toe gaan. Zou de Schotsche kust niet ergens een onbewoonde en onbewoonbare plek kunnen aanbieden, waar wij onze waarnemingen konden voortzetten?”Voorzeker zouden de gebroeders Melvill met hun tweeën die dubbelevraag, die noch uitvluchten, noch nevengedachten gedoogde, niet hebben kunnen beantwoorden.Staffa (bladz. 140).Staffa (bladz. 140).Maar Olivier Sinclair was daar—en gelukkig ook.»Miss Campbell,” zei hij, »alles kan terecht komen. Ziehier, hoe. Hier in de nabijheid is een eiland, of beter gezegd een eilandje gelegen, dat voor onze waarnemingen zeer geschikt is. Op dat eilandje zal geen mensch ons komen storen.”»Hoe heet dat eiland?”»Staffa is de naam. Gij kunt het van hier zien op hoogstens twee mijlen afstands ten noorden van Jona.”»Kan men er leven, en bestaat er mogelijkheid om er heen te komen?” vroeg miss Campbell.»Ja, en zeer gemakkelijk zelfs,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb in de haven van Jona een van die jachten gezien, die steeds gereed zijn om zee te kiezen, zooals men in iedere engelsche haven gedurende het zomerseizoen aantreft. De kapitein en verdere bemanning zijn geheel ter beschikking van den eersten den besten toerist, die hunne diensten, hetzij voor het Kanaal, voor de Noordzee of voor de Iersche zee wenscht te gebruiken. Welnu, wat belet ons, om dat jacht te huren, er de noodige provisiën voor een veertien dagen in te schepen, daar Staffa hoegenaamd geen hulpmiddelen aanbiedt, en reeds morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken?”»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, »wanneer wij morgen dit eiland in het geheim verlaten zullen hebben, zal ik u oprechte dankbaarheid verschuldigd zijn.”»Morgen vóór het middaguur zullen wij, wanneer ten minste wat bries, bij het doorkomen der zon, opsteekt, te Staffa zijn,” betuigde Olivier Sinclair. »Daar zullen wij, behalve op de toeristendagen, die tweemaal per week plaats hebben en dan slechts een uur duren, door niemand gestoord worden.”Volgens oude gewoonte der gebroeders Melvill, klonken de bijnamen van de huishoudster weer:»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Juffrouw Bess verscheen ditmaal terstond.»Wij vertrekken morgen!” zei broeder Sam.»Morgen, bij het krieken van den dag!” vulde broeder Sib aan.Dat was voldoende; zonder naar meer te vragen, beijverden juffrouw Bess en Partridge zich, alles dadelijk voor het vertrek gereed te maken.Middelerwijl ging Olivier Sinclair naar de haven en trof daar de noodige beschikkingen met John Olduck.John Olduck was de kapitein van deClorinda, een echte zeerob met zijn ouderwetsch mutsje met gouden lis op het hoofd, zijn buisje met metalen knoopen en zijn broek van grof blauw laken. Zoodra de zaak haar beslag had gekregen, beijverden hij en zijn zes matrozen zich, om alles voor het vertrek in gereedheid te brengen. Het was uitgelezen volk, dat aan boord was, en zich gedurende den winter aan de visscherij wijdde, maar des zomers een bemanning van een onbetwistbare voortreffelijkheid boven al de zeelieden van andere landen voor de pleiziervaart leverde.Ten zes uur des morgens scheepten zich de nieuwe passagiers van deClorindain, zonder iets, aan wien ook, gezegd te hebben, omtrent de bestemming van het jacht. Men had zich meester gemaakt van al de levensmiddelen, versch vleesch of verduurzaamd en van al de dranken, die maar te krijgen waren. Daarenboven zou de kok van deClorindanog steeds het hulpmiddel hebben om den voorraad aan te vullen uit de stoomboot, die den geregelden dienst van Oban naar Staffa onderhoudt.Miss Campbell had bij het aanbreken van den dag bezit genomen van een lief en bevallig kamertje, dat zich in het achteruit van het jacht bevond. De beide broeders betrokken de hutten van de »Main Cabin,” die in de nabijheid van het salon in het breedste gedeelte van het schip zeer gemakkelijk ingericht waren. Olivier Sinclair had een hut achter de groote trap, die naar het salon voerde. Ter weerszijde van de eetzaal, waarin de groote mast stond, beschikten juffrouw Bess en Partridge ieder over een kribkooi. Meer vooruit stond de keuken in wier nabijheid de kok logeerde. Nog verder vooruit bevond zich het matrozen-logies, waarin de noodige hangmatten voor de zes matrozen. Niets ontbrak aan dit fraaie vaartuig, dat door Rotsey en Cowes gebouwd was. Bij gladde zee en stijve bries had het steeds eer ingelegd tijdens de zeilwedstrijden van de »Royal Thames yacht Club.”Het was een waar genoegen voor allen, toen deClorindazeil gemaakt had en, nadat haar anker gelicht was, den wind begon te vatten in haar groot zeil, haar achterzeil, haar stagfok en vlieger. Zij boog bevallig onder den druk der bries, zonder dat haar witgeschuurd dek, van Canada-pijnboomen dekbalken vervaardigd, ook maar een spatje overnam van de golfjes, welke door den steven gesneden werden, die zich loodrecht boven de waterlijn verhief.De afstand, die deze beidenHebriden-eilandenJona en Staffa van elkander scheidt, is zeer klein. Met goeden wind zouden twintig à vijfentwintig minuten voldoende zijn geweest om dien af te leggen voor een jacht, dat zonder moeite en zonder met zeil overladen te worden, zijn acht mijlen loopt in het uur. Maar het had in dit oogenblik den wind, die slechts flauw blies, tegen; de eb liep en hetwas tegen een vrij merkbaren stroom in, dat gelaveerd moest worden om ter hoogte van Staffa te komen.Maar dat alles kon miss Campbell weinig schelen. Dat deClorindaonder zeil was, kon als het voornaamste gerekend worden. Een uur later was Jona in den morgennevel verdwenen en met dat eiland ook het verafschuwde beeld van dien plezier-bederver, wiens naam Helena zelfs wilde vergeten.Openhartig bekende zij dat aan haar ooms:»Heb ik geen gelijk, papa Sam?”»Volkomen gelijk, mijn waarde Helena.”»En keurt mama Sib mijn meening niet goed?”»Ten volle.”»Welnu,” voegde zij er bij, terwijl zij aan ieder hunner een zoen gaf, »gij moet mij toch toegeven, dat ooms, die mij zoo’n man wilden doen huwen, een wonderlijk denkbeeld gekoesterd hebben.”Beiden ontkenden het niet.Alles wel beschouwd, was het een overheerlijke spelevaart, waaraan slechts het gebrek kleefde van te kort te duren. Maar wie belette die te verlengen en het vaartuig den Groenen Straal te gemoet te laten gaan, hem in den vollen Atlantischen Oceaan op te zoeken? Maar neen! Men was overeengekomen naar Staffa te stevenen, en John Olduck nam zijn maatregelen, om dit eilandje, dat het meest beroemde van al deHebridischeeilanden is, bij het doorkomen van den vloed te bereiken.Tegen acht uur, werd het eerste ontbijt, bestaande uit thee, boter en »sandwich’s” in de eetzaal van deClorindavoorgezet. De gasten allen goed gemutst, deden de tafel aan boord alle eer aan en betreurden den wal niet. Die ondankbaren!Toen miss Campbell op het dek terug kwam, was het jacht over stag gegaan en lag bakboord over. Het stevende naar den prachtigen vuurtoren terug, die op de Skerryvoren rots gebouwd is en op honderd vijftig voet boven hoogwater zijn licht van den eersten rang des nachts laat schijnen. De bries stak op; deClorindaworstelde onder haar groote waterzeilen tegen den stroom, maar won weinig in de richting van Staffa. En toch, zij »schoor als over de veeren”, om de schotsche uitdrukking te bezigen voor de snelheid van haar vaart.Miss Campbell had zich op een van de dikke kussens van grof linnen uitgestrekt, die aan boord van alle britsche pleizier-vaartuigen worden aangetroffen. Zij was verrukt over die snelheid van beweging, die noch door het geschok van een straatweg, noch door het getril van een spoorweg veronaangenaamd werd, over de snelheid, als van een schaatsenrijder, die met volle vaart over de spiegelgladde oppervlakte heenglijdt van een bevroren meer.Niets was bevalliger te zien dan de eleganteClorinda, die lichtelijk over één zij gebogen, met de deining op en neer ging. Soms scheen zij in de lucht te zweven als een buitengewoon groote vogel, die door zijn machtige wieken wordt gedragen.De zee, waarop men voer, was van het noorden naar het zuiden door de grooteHebridenen ten oosten door de vaste kust gedekt. Zij vormt daar een binnenwater, welks oppervlakte door de bries nog niet was bewogen.Het jacht liep in schuine richting op het eiland Staffa aan, dat zich voordoet als een groote dikke rots, die eenzaam meer zeewaarts van het eiland Mull is gelegen en zich niet hooger dan honderd voet boven de hoogste springvloeden verheft. Men kon gelooven, dat die rots het was, die van plaats veranderde en nu eens haar steile basaltachtige oevers van den westkant en dan weer de ruwe opeenstapeling van rotsblokken op haren oostkant te zien gaf. Door een soort van gezichtsbedrog scheen zij te draaien op haar grondvlak naar gelang de hoeken, waaronder deClorindahaar nu eens naderde en dan zich weer van haar verwijderde.Toch won het jacht een weinig, in weerwil van den stroom en van de bries. Wanneer het buiten de uiterste punten van Mull westwaarts opstevende, dan schudde de zee het heviger, maar het hield zich daarbij uitstekend tegen den golfslag, die uit volle zee aanrolde. Bij den volgenden slag kwam het weer in stiller water, die het bewoog als ware het de wieg van een pasgeboren kind.Tegen elf uur was deClorindagenoegzaam in het noorden opgestoken om te kunnen afhouden op Staffa. De schooten werden gevierd, de vlieger gegeid en de kapitein maakte zich gereed om ten anker te gaan.Er is geen haven te Staffa, maar het is bij alle winden aldaar gemakkelijk langs de steile oostkust te glijden, te midden van de grillig verspreide rotsen ten tijde der schommelingen van de aardkorst in de geologische tijdperken. Evenwel zou het bij zeer bar weer een zeer slecht vaarwater zijn voor een vaartuig van een zekeren diepgang.DeClorindastevende dus vrij dicht langs een opeenhooping van zware basaltrotsen. Zij bewoog zich behendig, liet ter eene zijde de Bouchaillie rots liggen, aan wier voet bij den lagen stand der eb, de prismatische zuilen, die als in bundels zijn samengevat boven water uitsteken, aan de andere zijde den straatweg, die ter linkerzij langs de kuststrook voert. Daar is de beste ankerplaats van het geheele eiland, daar nemen de sloepen de toeristen weer op, die zij aangebracht hebben, na hun wandeling op de hoogten van Staffa.DeClorindadrong een kleine kreek binnen, bijna aan den ingang van de Clam-Shell-grot gelegen. De zeilen werden geborgen en weldra plompte het anker in het water en vond een goeden ankergrond.Miss Campbell en haar metgezellen ontscheepten een oogenblik later op de eerste treden van basalt ter linkerzijde van de grot. Een houten trap, voorzien van een stevige leuning, voerde van de oppervlakte der zee tot op den afgeronden top van het eiland.Allen klommen daar langs op en bereikten het bovenste plat.Zij waren alzoo eindelijk te Staffa en zoodanig van de bewoonde wereld afgescheiden, alsof een storm hen op het meest verlaten eiland der Stille Zuidzee had geworpen.XVIII.Staffa.Staffa is maar een eilandje, dat ’s waar; maar de natuur heeft er het meest belangwekkende van den geheelenHebriden-Archipelvan gemaakt. Het groote eivormige rotsblok, dat een mijl lang en een halve breed is, verbergt onder zijn korst bewonderenswaardige grotten van basaltischen oorsprong. Het is dan ook een zeer gezocht punt van samenkomst, zoowel voor de geologen, als voor de toeristen. Noch miss Campbell noch de gebroeders Melvill hadden evenwel vroeger Staffa bezocht. Alleen Olivier Sinclair kende er de bewonderenswaardigheden van. Hij was dus de aangewezen persoon om de eer van het eiland op te houden, waarheen zij gekomen waren om voor eenige dagen gastvrijheid te genieten.De rots heeft alleen het aanzijn te danken aan de kristalvorming van een overgrooten basaltknoest, die daar in de eerste tijdperken van wording der aardkorst gestold is. En dat dagteekent niet van gisteren; want volgens de waarnemingen van Hemholtz—welke als gevolgtrekkingen van de proefnemingen van Bisschof over de afkoeling van den basalt, die niet in gesmolten toestand heeft kunnen voorkomen dan bij een hitte van twee duizend graden, te beschouwen zijn—is er niet minder noodig geweest om de geheele afkoeling van dat blok te bewerken, dan drie honderd vijftig millioen jaren. Het is dus fabelachtig lang geleden, dat de aarde na eerst in den gasvormigen, daarna in den vloeibaren toestand bestaan te hebben, begon met een vaste korst te vertoonen.Zoo Aristobulus Beerenkooi tegenwoordig ware geweest, zou hij stof te over hebben gehad voor de een of andere verhandeling over de verschijnselen uit de geologische tijdperken. Maar gelukkig was hij ver af; miss Campbell dacht niet meer aan hem en, broederSam fluisterde in het oor van broeder Sib:De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).»Men moet die vlieg stil op den muur laten zitten.”Schotsch spreekwoord: gelijk aan het Nederlandsche: »men moet geen slapende honden wakker maken.”.Men vergenoegde zich met rond te kijken en men keek elkaar ook eens aan.»Wij moeten eerst bezit nemen van ons nieuw domein,” zei Olivier Sinclair.»Zonder uit het oog te verliezen, waarom wij er gekomen zijn,” sprak miss Campbell met een bekoorlijken glimlach.»Zonder dat uit het oog te verliezen, zou ik meenen!” bevestigde Olivier Sinclair. »Kom, laat ons een waarnemingspost kiezen en nagaan welken gezichteinder zich westwaarts van ons eiland uitstrekt.”»Zeker,” zei miss Campbell. »Maar de lucht is een weinig beneveld vandaag. Ik geloof niet, dat wij gunstige verwachtingen van den zons-ondergang te koesteren hebben.”»Wij kunnen wachten, miss Campbell, en willen dit, desnoods totdat de equinoxiable stormen intreden.”»Ja, wij zullen wachten!” verzekerden de gebroeders Melvill,... »tenzij Helena bevelen geeft te vertrekken.”»Oh! ik heb geen haast,” antwoordde het jonge meisje, dat zich sedert hun vertrek van Jona zeer gelukkig gevoelde. »Neen, ik heb geen haast. De ligging van dit eilandje is heerlijk. Een villa, die hier op dit weiland, dat zich als een fraai groen tapijt uitstrekt, gebouwd werd, zou niet onaangenaam te bewonen zijn, zelfs wanneer de windvlagen, die Amerika ons zoo mild toezendt, over de rotsen van Staffa huilen.”»Hm! hm! die moeten toch schrikkelijk zijn, hier op die uiterste grens van den Atlantischen Oceaan!” zei broeder Sib.»En dat zijn ze ook waarlijk,” verzekerde Olivier Sinclair. »Staffa staat geheel en al bloot aan al de winden, die uit volle zee waaien en biedt slechts eenige beschutting op zijn oosterstrand aan, aan de zijde, waar deClorindavoor anker ligt. Het slechte seizoen duurt negen maanden van de twaalf op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan.»Dat is zeker de reden,” merkte broeder Sam op, »dat wij geen enkelen boom bespeuren. Iedere plant moet hier op dit plateau te niet gaan, wanneer zij zich slechts weinige voeten boven den grond verheft.”»Welnu, zou het u niet kunnen bekoren, hier op dit eilandje twee of drie zomermaanden door te brengen?” vroeg miss Campbell.—»Gij moest Staffa koopen, oompjeslief, wanneer Staffa te koop is.”Broeder Sam en broeder Sib hadden reeds de hand in den zak gestoken, alsof het dadelijk gold, dien aankoop komptant te betalen enhandelden daarbij als ooms, die geen enkele gril hunner nicht onvervuld willen laten.»Wien behoort Staffa?” vroeg broeder Sib.»Aan de familie der Mac Donald’s,” antwoordde Olivier Sinclair. »Zij verpacht het voor twaalf pond (honderd vier en veertig gulden) ’s jaars; maar ik geloof, dat zij het voor geen som ter wereld zouden willen verkoopen.”»Dat ’s jammer!” zei miss Campbell, die, zooals men weet, van een geestdriftvolle geaardheid was en zich nu in een geestesvervoering bevond, die haar opgetogenheid nog vermeerderde.Al keuvelende doorkruisten de nieuwe gasten van Staffa de oneffen oppervlakte van hun eiland, die hier en daar met groenende grasstrooken bedeeld is. Het was de dag niet, door de Stoomvaart-maatschappij te Oban bestemd voor het bezoek der kleineHebriden. Miss Campbell en haar geleiders hadden dan ook niets te vreezen van lastige toeristen. Zij bevonden zich alleen op de eenzame rots. Eenige paarden van zeer klein ras en enkele zwarte koeien graasden er en vonden in het magere gras niet veel voedsel. Hier en daar staken lava-beddingen door de dunne humuslaag heen. Geen herder paste op die dieren en bewaakte men de viervoetige eilandbewoners, dan was het van uit de verte—misschien van Jona of zelfs van de kuststrook van Mull, dat vijftien mijlen oostwaarts gelegen is.Er was ook geen huis te bekennen. Alleen stonden er de overblijfselen eener hut, welke door de verschrikkelijke stormen, die zich gewoonlijk tusschen de herfst- en lente-evening ontketenen, verwoest was. Waarlijk, twaalf pond was een mooie pachtschat voor eenige bunders weiland, dat er geschoren uitzag, alsof het oud fluweel was, dat tot op den ketting was versleten.Het onderzoek van de oppervlakte van het eilandje was gauw genoeg afgeloopen; men kon toen overgaan om den gezichteinder waar te nemen.Klaarblijkelijk had men dien avond niets van den zonsondergang te verwachten. Met de veranderlijkheid, die de Septemberdagen kenschetsen, was de hemel, die daags te voren zoo helder was, weer geheel beneveld. Tegen zes uur vertoonden zich eenige roodachtige wolken, van de soort, die een aanstaande storing in den dampkring aanduiden, en ontdekten zij den westelijken horizon. De gebroeders Melvill moesten zelfs, hoewel tot hun leedwezen, erkennen dat de aneroïde barometer van deClorindanaar »veranderlijk” terugkeerde, en zelfs een neiging vertoonde dat te overschrijden.Allen keerden dan ook naar boord terug, nadat de zon was ondergegaan achter een donkere kim, die door de deinende golven, welke uit volle zee aanrolden, nog onzuiverder gemaakt was. Denacht werd rustig doorgebracht in de kleine kreek, die door de ribben van Clam-Shell gevormd was.Daags daarna, den 7denSeptember, werd tot een zeer ernstige verkenning van het eilandje besloten. Na het onderzoek van het bovendek, betaamde het, dat hetgeen er onder zat ook doorsnuffeld werd. Moest men den tijd niet dooden, nu door een waar noodlot—alleen aan Aristobulus Beerenkooi te wijten—tot nu toe de waarneming van het natuurverschijnsel verhinderd was? Daarenboven, zou men het uitstapje naar de grotten, die dat onnoozel eilandje derHebridenzoo beroemd gemaakt hebben, niet behoeven te betreuren.Allereerst werd dien dag overgegaan om den kelder van Clam-Shell, voor welks opening het jacht ten anker lag te onderzoeken. De kok nam, op raadgeving van Olivier Sinclair, alle voorbereidende maatregelen om zelfs het ontbijt daarin te kunnen voordienen. Daar zouden de gasten wanen, in het hol van een schip opgesloten te zitten. En inderdaad, die veertig of vijftig voet lange prisma’s, die als het geraamte der grot vormden, konden zeer wel met de gebinten van een schip vergeleken worden.De grot, welke dertig voet hoog, vijftien breed en honderd diep was, kon gemakkelijk binnen gedrongen worden. Haar opening is nagenoeg oostwaarts gekeerd, waardoor zij tegen de stormvlagen gedekt is. De groote golven, die door de orkanen in de andere grotten van het eilandje gezweept worden, konden haar niet bereiken. Maar zij was daarom wellicht niet minder belangwekkend.En toch is de aard van die basaltbogen, die eerder door ’s menschen handen dan door de natuur gevormd schijnen, wel geschikt om bewondering uit te lokken.Miss Campbell was zeer opgetogen over haar bezoek aan die grot. Olivier Sinclair deed haar de schoonheden van Clam Shell opmerken, met minder wetenschappelijken omhaal den Aristobulus Beerenkooi zulks zou gedaan hebben, maar daarentegen met meer kunstzin voorzeker.»Ik wenschte wel een herinnering aan ons bezoek aan de Clam-Shell-grot te hebben,” zei miss Campbell.»Niets is gemakkelijker,” antwoordde Olivier Sinclair.En met weinige potloodstreepen vervaardigde hij een schets van de grot genomen van de rots, die aan het uiteinde van den basaltweg uitsteekt. De opening der grot, het uiterlijke van een overgroot zee-zoogdier, dat afgaande op de wanden tot geraamte vergaan was; de lichte trap, die naar den top van het eiland voert; het zoo stille en zoo heldere water bij den ingang en waarin de geheele basaltmassa zich spiegelt, dat alles werd heel kunstig op een albumblaadje te voorschijn getooverd.Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)De jeugdige schilder plaatste aan den voet der teekening het navolgend onderschrift, dat volstrekt niet schaden kon:Olivier Sinclair aan Miss Campbell.Staffa, 7 September 1881.Toen het ontbijt genuttigd was, liet John Olduck de grootste der twee sloepen van deClorindaoptuigen. De passagiers stapten er in, en, de schilderachtige oevers van het eiland omzeilende, begaven zij zich naar de grot de Schuit, aldus genaamd, omdat de zee de geheele binnenruimte bespoelt en men er niet zonder vaartuig binnen kan dringen.Deze grot is op het zuidwestelijk gedeelte van het eiland gelegen. Bij eenigszins hooggaande deining, zoude het zeer onvoorzichtig zijn er in te varen; want dan is de beweging van het water daarbinnen hevig. Maar dien dag was de wind nog niet opgestoken, hoewel het dreigend weer was. Het bezoek aan die grot leverde dus geen gevaar op.Juist toen de sloep van deClorindavóór de opening van die diepe uitholling was aangekomen, liet de stoomboot, met toeristen van Oban bevracht, haar anker in het gezicht van het eiland vallen. Gelukkig zouden onze vrienden, gedurende het tijdsverloop van twee uur, dat Staffa aan de passagiers van dePioneertoebehoorde, niet gehinderd worden. Zij bleven onopgemerkt in hunne grot de Schuit, terwijl de anderen het voorgeschreven bezoek aan de Fingalsgrot brachten en de oppervlakte van het eiland doorkruisten. De gelegenheid ontbrak dus, om met die wel wat levendige bezoekers in aanraking te komen, waarover miss Campbell en haar metgezellen niet rouwig waren. En inderdaad, waarom zou Aristobulus Beerenkooi, nadat zijn reisgezellen zoo plotseling verdwenen waren, niet aan boord van de stoomboot, die te Jona aanlegde, gestapt zijn, om naar Oban terug te keeren. Van alle ontmoetingen, was men er wel op uit omdiete mijden.Maar hoe het ook zij, of de teleurgestelde minnaar zich bevond onder de bezoekers van den 7denSeptember of niet, zooveel is zeker, dat geen enkele op Staffa was teruggebleven, toen de stoomboot vertrokken was. Toen miss Campbell, de gebroeders Melvill en Olivier Sinclair uit de lange schacht traden, uit een soort tunnel zonder uitgang, die in het basalt zou geboord zijn, was de kalmte op het rotsige eiland Staffa, daar aan de uiterste grens van den Atlantischen Oceaan, weergekeerd.Men gewaagt van een zeker aantal beroemde spelonken, die in menige streek van den aardbol, maar voornamelijk in de vulkanische aardlagen worden aangetroffen. Zij zijn, naarmate van hun oorsprong, onderscheiden in neptunische of plutonische.En inderdaad, de eene soort van die holen is gevormd door de uitwerking van het water, dat zelfs de granietmassa’s invreet, afslijt,oplost, zelfs zoodanig, dat uitgestrekte holen ontstaan. Zoo zijn de grotten van Crozen in Bretagne, die van Bonifacio op Corsica, van Morghatten in Noorwegen, van Sint Michiel te Gibraltar, van Saratchel op de kust van het eiland Wight, van Han en Rochefort in België, van Tourana in de steile marmerkust van Cochinchina.De andere soort, op geheel andere wijze gevormd, heeft haar ontstaan te danken aan de inkrimping der graniet- of basalt-wanden, teweeggebracht door de afkoeling van de heete rotsen in het plutonisch tijdperk. Zij bezitten in den regel een grootscher karakter, dat aan de grotten van neptunischen oorsprong ontbreekt.Bij de eerste heeft de natuur, haar grondbeginselen steeds getrouw, krachtsinspanning, bij de tweede tijd bezuinigd.Onder de plutonische grotten, die door de werking van het vuur ontstaan zijn, behoort in de eerste plaats genoemd de Fingal’s grot—de Fingal’s kelder, zooals de prozaïsche uitdrukking der Engelschen luidt.Aan het bezoek van dat wereldwonder zou de volgende dag worden gewijd.XIX.De Fingal’s grot.Indien de kapitein van deClorindagedurende de laatste vier en twintig uren zich in een der havens van het Vereenigd Koninkrijk bevonden had, zou hij kennis hebben bekomen van een meteorologisch bericht, dat weinig geruststellends bevatte voor de schepen, die zich zeilende of stoomende op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan bevonden.En inderdaad, de telegraaf van New-York had een stormvlaag aangekondigd. Die stormvlaag dreigde, na den Atlantischen Oceaan van het westen naar het noord-oosten te zijn overgestoken, zich met alle woestheid op de kusten van Ierland en Schotland te werpen, alvorens haar krachten op de kusten van Noorwegen te verspillen.Maar bij gebrek aan dat weerbericht, duidde de barometer van het jacht toch een groote atmospherische stoornis aan, waarmede ieder voorzichtig zeeman rekening moest houden.Dien morgen van den 8stenSeptember dus beklom John Olduck, nog al verontrust, den rotsrand, die Staffa in het westen begrenst, ten einde den toestand van de zee en van den dampkring te onderzoeken.Wolken met zeer onscherpe vormen, eigenlijk meer nevelflarden joegen reeds met groote snelheid door de luchtruimte. De bries stak meer en meer op en zou weldra aangroeien tot storm. De zee, met schuim overdekt, was melkwit. De golven braken met kracht op de basaltkegels, die den grondslag van het eilandje vormen.John Olduck was lang niet gerustgesteld. Hoewel deClorindain de kreek van Clam Shell eenigermate gedekt lag, zoo was dit toch geen veilige ankerplaats, zelfs voor een vaartuig van geringe afmeting. De aandrang van het water, dat tusschen de eilandjes en den ooster straatweg gezweept werd, moest een zeer gevaarlijke branding doen ontstaan, die den toestand van het jacht hachelijk zou maken. Het was dus zaak een besluit te nemen, en dat wel spoedig ook, althans voor dat de doorgangen tusschen de eilandjes door den zwaren golfslag ontoegankelijk zouden zijn.Toen de kapitein aan boord terug was, vond hij zijn passagiers op het dek vereenigd. Hij deelde hun zijn vermoedens mede en wees hen op de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk het anker te lichten. Draalde men daarmede, dan was het te vreezen, dat men een onhoudbare zee zou vinden in de engte van vijftien mijlen breed, die Staffa van het eiland Mull scheidt. En men moest achter dat eiland een toevlucht gaan zoeken, meer in het bizonder in de kleine haven van Achnagraig, waar deClorindaniets dan de winden uit volle zee had te vreezen.»Staffa verlaten!” begon miss Campbell uit te roepen. »Zoo’n heerlijken gezichteinder prijsgeven!”»Ik geloof, dat het zeer gevaarlijk zou zijn hier op de ankerplaats van Clam Shell te blijven,” antwoordde John Olduck.»Maar als het moet! waarde Helena,” zei broeder Sam.»Ja, als het moet!” herhaalde broeder Sib.Olivier Sinclair, die het ongenoegen bespeurde, dat het overhaast vertrek bij miss Campbell te weeg bracht, kwam tusschenbeide.»Kapitein Olduck,” vroeg hij, »hoelang kan die storm duren?”»In dit jaargetij,” antwoordde de kapitein, »hoogstens twee of drie dagen.”»En gij oordeelt het vertrek noodzakelijk?”»Noodzakelijk en daarbij spoed dringend!”»Wat zijn dan uw plannen?”»Om terstond onder zeil te gaan. Met den meer en meer opstekenden wind zullen wij, voor dat de avond invalt, te Achnagraig zijn.Wij kunnen te Staffa weerom komen, wanneer de storm overgewaaid is.»Maar waarom niet naar Jona teruggekeerd, wat deClorindabinnen het uur zou kunnen bereiken?” vroeg broeder Sam.»Neen... neen... in Godsnaam niet naar Jona!” riep miss Campbell, die reeds de schaduw van Aristobulus Beerenkooi zag opdoemen.»Wij zouden in de haven van Jona niet veiliger zijn dan hier op de ankerplaats van Staffa,” merkte John Olduck op.»Welnu, vertrek, kapitein,” zei Olivier Sinclair, »vertrek onmiddellijk naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa.”»Hier te Staffa,” antwoordde John Olduck. »Hier te Staffa, waar gij zelfs geen huis hebt om in te schuilen!”»Zou de grot van Clam-Shell voor die weinige dagen niet voldoende zijn?” hernam Olivier Sinclair. »Welk gebrek zullen wij daarin hebben? Geen nietwaar? Wij hebben aan boord voldoenden leeftocht, wij hebben het beddegoed onzer kooien, wij hebben kleêren genoeg tot wisseling. Dat alles kan onmiddellijk ontscheept worden. En eindelijk een kok; welnu, die zal niets liever doen dan bij ons blijven.”»Ja!... ja!...” juichte miss Campbell, terwijl zij van vervoering in de handen klapte. »Vertrek terstond met uw jacht naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa achter. Wij zullen hier als verlatenen op een woest eiland zijn. Wij zullen er het leven van vrijwillige schipbreukelingen leiden. Wij zullen den terugkeer van deClorindabespieden met evenveel ontroering, met evenveel benauwdheden, met evenveel doodsangsten als Robinson Crusoë ondervonden heeft, toen hij een schip in volle zee ontwaarde en met inspanning van zijn geheel gezichtsvermogen uitkeek of dat vaartuig zijn eiland naderde. Wat zijn wij hier komen doen? Een roman in de werkelijkheid beleven, is het niet zoo, mijnheer Sinclair? En, waarde oompjes, wat zal er meer romanesk te bedenken zijn dan onze toestand hier? Daarenboven een storm, een windvlaag doorstaan op dit dichterlijk eiland, het woelen te mogen aanschouwen van deze noordelijke zee, den verheven strijd der ontketende elementen te kunnen waarnemen. O! ik zou het mij mijn geheele leven lang verwijten, zulke grootste natuurtafereelen gemist te hebben! Vertrek dus, kapitein Olduck, wij blijven hier en zullen u afwachten!”»Maar...” begonnen de gebroeders Melvill, wien dit vreesachtig woord bijna te gelijker tijd ontsnapte.»Ik meen, dat de oompjes een tegenwerping willen maken,” viel miss Campbell in. »Ik geloof echter een middel te hebben om die tegenwerping te bestrijden, en hen onfeilbaar tot mijn gevoelen over te halen.”Zij stond op en gaf aan ieder hunner den morgenzoen.»Ziedaar, dat is voor u, oom Sam!”»En dit voor u, oom Sib!”»Ik wed dat niemand uwer nog iets in te brengen zal hebben!”De goede ooms dachten er niet meer aan nog een enkele tegenwerping te maken. Zoodra het hunne nicht voegde om te Staffa te blijven, waarom zou men dat verlangen niet inwilligen? Het kwam hun vreemd voor, dat zij niet allereerst dat zoo eenvoudig, zoo natuurlijk denkbeeld opgevat hadden, dat zoo goed aller belangen en aller inzichten waarborgde en voldeed?Maar het denkbeeld was van Olivier Sinclair uitgegaan, en miss Campbell vermeende hem daarvoor in het bizonder te moeten bedanken.Toen het besluit om te blijven genomen was, ontscheepten de matrozen de voorwerpen, die voor het verblijf der toeristen op het eiland benoodigd waren. Clam Shell was spoedig tot een voorloopige woning hervormd en werd met den weidschen naam van Melvill House gedoopt. Men zou er evengoed, ja zelfs beter zijn dan in de herberg van Jona. De kok beijverde zich een doelmatige plek voor zijn keukenwerkzaamheden bij den ingang der grot op te sporen, en vond die achter een uitstekende rots, die tot dat doel klaarblijkelijk geschapen was.Toen verlieten miss Campbell met Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, alsook juffrouw Bess en Partridge, deClorinda, en liet John Olduck het anker lichten, na de kleine vlet van het jacht, die den toeristen van groot nut kon zijn om van de eene rots naar de andere te komen, ter hunner beschikking gesteld te hebben.Een uur later was deClorindamet dubbel gereefde zeilen en met neergelaten stengen en onder haar stormfok onder weg en manoeuvreerde, om het eiland Mull ten noorden te ronden, ten einde Achnagraig langs de zeeëngte, die dat eiland van den vasten wal scheidt, te bereiken. Haar passagiers, op het hoogste punt van Staffa staande, volgden haar met de oogen, zoolang hun zulks mogelijk was. Onder den druk van den wind stuurboord overhellende, geleek zij een witte meeuw, die met rappe wiek de golftoppen scheert. Een half uur later was zij achter het eilandje Gometra verdwenen.Maar, hoewel het weer dreigde, de dampkring was niet geheel en al beneveld. De zon drong nog door de groote wolkenscheuren, die de wind in het zenith veroorzaakte. Men kon nog over het eiland wandelen en den voet der basaltrotsen, waarop het rust, rondom volgen. Het eerste verlangen, dat miss Campbell te kennen gaf, was met hare ooms, de gebroeders Melvill, evenwel onder geleidde van Olivier Sinclair, de grot van Fingal te bezoeken.Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)De toeristen, die van den kant van Jona aankomen, doen ditgewoonlijk met de sloepen van de stoomboot van Oban. De mogelijkheid bestaat evenwel, om tot in haar volle diepte door tedringen, wanneer men op de rotsen ter rechter zijde ontscheepte, waar die als het ware eene soort bruikbare kaai vormden. Men kon zelfs op dien oever zonder vaartuig komen.Olivier Sinclair besloot dan ook om de grot langs dien kant binnen te dringen, zonder de vlet van deClorindate gebruiken.Men verliet dus Clam Shell. Men nam den natuurlijken weg, die de oostkust van het eiland omzoomt. Het uiteinde der loodrecht vlak naast elkander staande achtkante spijlen of zuilen vormde, alsof een ingenieur er zich mede bemoeid had, een stevigen en volkomen drogen straatweg aan den voet der groote rotsen. De wandeling werd al keuvelende afgelegd, terwijl men de eilandjes bewonderde, die soms door de branding werden gestreeld en wier grondvlak toch in het groene water tot op een groote diepte was te ontwaren. Er is geen bewonderenswaardiger pad uittedenken dan de weg, die naar die grot voert, welke overwaard is door den een of anderen held uit deDuizend en één nachtbewoond te worden.Bij het zuid-oostelijke uiteinde van het eiland aangekomen, deed Olivier Sinclair zijn metgezellen eenige natuurlijke treden opklimmen, die de eeretrap van een paleis niet zouden ontsierd hebben.In den hoek van het trapportaal verheffen zich de buitenpijlers, die, even als de zuilen van den kleinen tempel van Vesta te Rome, zich tegen de wanden der grot groepeeren, maar zoodanig naast elkander geplaatst zijn, dat zij het ruwe van den achtergrond bemantelen. Op hun toppeneind rust het ontzaglijk rotsgevaarte, dat dien hoek van het eilandje vormt. De schuine kloofvlakken dier rotsen, die volgens demeetkundigedoorsnee der sluitsteenen van een verwulfsel schijnen gevormd te zijn, steken zonderling af bij den loodrechten stand der zuilen, die haar dragen.Aan den voet van die traptreden rees en daalde de zee, wel is waar nog rustig, maar toch reeds minder kalm en reeds onder den invloed van het weer buiten, even als door de ademhaling van een levend wezen bewogen. Daar weerkaatsten de geheele grondvesten van de vervaarlijke rotsmassa hun beeld en wierpen een zwartachtige schaduw op de golvende wateren.Op het boventrapportaal aangekomen, wendde Olivier Sinclair links om en toonde aan miss Campbell een soort smalle kade, of beter een door de natuur gevormde bank, die den wand tot bij het binnenste uiteinde der grot volgde. Eene leuning, gedragen door ijzeren spijlen, die in het basalt verankerd waren, diende tot handgeleide tusschen wand en den scherpen rotskant van die smalle kade.»Oh!” zei miss Campbell, »die leuning bederft wel wat het tooverpaleis van Fingal.”»Maar wanneer zij nuttig is, moet men haar gebruiken,” zei broeder Sam.»En zie, ik gebruik haar,” vulde broeder Sib aan.Op raad van hun gids stonden de bezoekers een oogenblik stil bij den ingang van Fingals’ spelonk.Voor hen opende zich iets als een kerkgewelf, hoog en diep, gevuld met een geheimzinnig halfduister. De afstand van de beide zijwanden, aan het zeevlak genomen, bedroeg ongeveer vier en dertig voet. Ter rechter en ter linker zijde verborgen basaltzuilen, de eene tegen de andere gedrongen, zooals wel in sommige kathedralen uit het laatste gedeelte van het gothische tijdperk waargenomen wordt, de massa der stutmuren. Op de kapiteelen dier zuilen rustten de hellingen van een onmetelijk ogiefvormig gewelf, dat bij haar sluitstuk zich ruim vijftig voet boven den gemiddelden stand der water-oppervlakte verhief.Miss Campbell en hare metgezellen, opgetogen bij dat eerste gezicht, moesten zich met geweld ontrukken aan hunne bewonderende beschouwing, om dit uitsteeksel, dat de innerlijke bank vormde te volgen.Daar rangschikten zich in volmaakte orde honderden prismatische zuilen, van ongelijken omvang, geheel gelijk aan de voortbrengselen eener reusachtige kristalvorming. De fijne scherpe kanten komen zoo zuiver uit, alsof de beitel eens beeldhouwers ze bewerkt heeft. In de inspringende hoeken der eene sluiten de uitspringende hoeken der anderen aan. Deze zijn drievlakkig, de andere vier- vijf- zes- en zelfs zeven- en achtvlakkig, hetgeen bij de algemeene uniformiteit van het bouwstuk toch eene afwisseling aanbiedt, die den kunstzin der natuur voordeelig doet uitkomen.Het licht, van buiten binnendringende, speelt op al die veelvlakkige hoeken. Op het binnenwater als door een spiegel teruggekaatst, gevoed als het ware op de schitterende vlakken der onderzeesche gesteenten, door de waterplanten groen of somber rood en helder geel getint, ontlokte dat licht duizende schitteringen op de hoeken en uitstekende punten der basaltrotsen, die de innerlijke nokken van dit overgelijkelijk onderaardsche gewelf met onregelmatige vakken tooide.Binnen die grot heerschte een klankvolle stilte,—wanneer deze twee woorden in zoo ééne uitdrukking aan elkander mogen gekoppeld worden.—Dat is eene stilte, aan diepe holen eigen, die de bezoekers niet poogden te storen. Slechts de wind deed er een stroom van langgerekte akkoorden hooren, die uit eene droefgeestige serie van halfnoten schijnen te bestaan, welke zich verheffen en dan langzaam wegsterven. Men zou meenen al die prisma’s onder dien machtigen adem te hooren weerklinken evenals de triltonen van een machtigen harp. Wellicht is aan dat zonderling geluid, de naam van An-Na-Vine, »de geheimzinnige grot,” zooals die spelonk in de keltische taal genoemd wordt, te danken.»En welke naam zou haar beter voegen?” vroeg Olivier Sinclair, »daar Fingal de vader van Ossian was, wiens genie de poëzie en de muziek als in ééne kunst heeft weten te vereenigen.”»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam, »maar zoo als Ossian het zelf zeide: »Wanneer zal mijn oor den zang der barden hooren? Wanneer zal mijn hart trillen en kloppen bij het verhaal van de heldendaden mijner voorvaderen. De harp doet de bosschen van Sebora niet meer weergalmen!”»Ja,” vulde broeder Sib aan, »het paleis is thans eenzaam en verlaten, en de echo’s zullen de gezangen van weleer niet meer herhalen!”De geheele diepte der grot wordt op ongeveer honderdvijftig voet geschat. Op den achtergrond van het hooge gewelf, verschijnt een soort van buffetorgel, waarop een zeker aantal zuilen verrijzen van minder omvang dan die bij den ingang, maar even volmaakt van lijnen als de laatstbedoelde.Daar wilden miss Campbell, Olivier Sinclair en de beide ooms een oogenblik verwijlen.Van dat punt was het verschiet, dat zich naar den kant van de volle lucht opende, bewonderenswaardig. Het water, als doortrokken van lichtdeelen, gaf de gesteldheid te zien van den onderzeeschen bodem der grot, die uit de toppeneinden van vier- tot zevenvlakkige zuilen bestond, welke zoodanig in elkander passen, dat zij als de vlakken van een mozaiekwerk aansluiten; op de zijwanden vertoonden zich verwonderlijke licht- en schaduweffekten. Alles verdween, doofde uit, wanneer een wolk voor den ingang der grot als voor het voorgedeelte van een tooneel voorbijgleed. Maar alles schitterde ook daarentegen en verlevendigde onder de zeven prisma-kleuren, wanneer een zonnestraal, door het kristalheldere water van den bodem teruggekaatst, in lichtgevende strooken tot zelfs het sluitstuk van het bovengewelf bescheen.Buiten de grot brak de zee op de eerste grondvesten van den reusachtigen boog. Die omlijsting, zwart als een boordsel van ebbenhout, maakt geen inbreuk hoegenaamd op de fraaiheden van den achtergrond. Daar buiten verscheen de gezichteinder bij de aanraking van den hemel met het water in zijn geheelen luister, met het vergezicht op Jona, waar, op een afstand van twee mijlen, de bouwvallen van zijn klooster zich als wit uitgebeeld tegen de lucht afteekenden.Allen, opgetogen over de tooverachtige tooneelversiering, wisten niet, hoe hunne bewonderende gevoelens te uiten.»Welk tooverpaleis!” zei eindelijk miss Campbell, »en wat zou de man, met een prozaïschen geest bedeeld zijn, die weigeren mocht te gelooven, dat God het geschapen heeft voor de luchtgeesten en waternimfen. Voor wien toch zouden die tonen van de grooteaeolische harp, door den adem der winden voortgebracht, weerklinken? Is dat niet de bovennatuurlijke muziek, die Waverley in zijn droomen hoorde; de stem van Selma, waarvan de zanger de akkoorden onder noten gebracht heeft, om er zijn helden mede te verrukken?”»Gij hebt gelijk, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ongetwijfeld heeft Walter Scott, wanneer hij zijn beelden in dat dichterlijk verleden der Schotsche Hooglanden zocht, aan het paleis van Fingal gedacht.”»Hier zou ik de schim van Ossian wenschen op te roepen,” hernam het jonge meisje geestdrift vol. »Waarom zou de onzichtbare bard, na een slaap van vijftien eeuwen niet op mijn stem verschijnen? O! het is mij een weelderige behoefte te denken, dat die ongelukkige, blind als Homerus, dichter evenals hij, meer dan eens, wanneer hij de heldendaden van zijn tijdperk bezong een toevlucht in dit paleis heeft gezocht, dat nog den naam zijn vaders draagt! Hier hebben ongetwijfeld de echo’s van Fingal zijn epische en lyrische ontboezemingen in den zuiversten gaëlischen tongval herhaald. Gelooft gij niet, mijnheer Sinclair, dat Ossian neergezeten was op de plek, waarop wij ons thans bevinden en dat de tonen zijner harp zich met de ruwe klanken van Selma’s stem vermengd hebben?”»Hoe zou het mogelijk zijn,” antwoordde Olivier Sinclair, »geen geloof te slaan aan hetgeen gij met zoo innige overtuiging zegt?”»Indien ik hem opriep?” mompelde miss Campbell.En met haar frissche stem liet zij herhaalde malen den naam van den ouden bard te midden der windtrillingen weerklinken.Maar al was het innig verlangen van miss Campbell ook groot, en al had zij hem ook tot driemaal toe opgeroepen, de echo alleen antwoordde haar. De schim van Ossian verscheen niet in zijn vaderlijk paleis.De zon was middelerwijl achter dikke dampen verdwenen. De grot werd met zwarte schaduwen vervuld; de zee begon buiten op te komen, haar lange deininggolven kwamen reeds breken op de laatste basaltlagen in het achterste gedeelte der grot.De bezoekers betraden dus weer het smalle pad, dat reeds meer dan half met de spatten der golven overdekt was. Ze sloegen den hoek van het eilandje om, waartegen de wind van uit volle zee met kracht loeide; toen bevonden zij zich, althans voor het oogenblik, in veiligheid op den straatweg.Tijdens de twee uren, dat zij in de grot vertoefden, was het slechte weer aanmerkelijk toegenomen. De windvlagen wakkerden aan, terwijl zij zich op de kusten van Schotland wierpen, en dreigden aan te groeien tot een orkaan.Maar miss Campbell en haar tochtgenooten, beschermd als zij waren door de basaltkusten, konden gemakkelijk de grot van Clam Shell bereiken.Den volgenden dag vertoonde de kwikkolom van den barometer een nieuwe daling en ontketende zich de wind met groote woestheid. Zware en zwarte wolken vervulden het luchtruim, terwijl zij het aardrijk naderden.Het regende nog niet, maar de zon bleef onzichtbaar en vertoonde zich zelfs niet bij korte tusschenpoozen.Miss Campbell scheen niet zoo teleurgesteld door het slechte weder, als men meende te moeten duchten. Het verblijf op een verlaten eiland, dat door den storm gezweept werd, kwam met haar warmbloedig gestel overeen. Als een heldin van Walter Scott vond zij er genoegen in tusschen de rotsen van Staffa meestal alleen rond te dolen, en was dan in haren nieuwen gedachtenkring afgetrokken. Iedereen eerbiedigde haar zucht tot eenzaamheid.Zij was ook verscheidene malen naar de grot van Fingal, welker dichterlijke vreemdsoortigheid haar aantrok, teruggekeerd. Daar bracht zij geheele uren in mijmering door en hield al heel weinig rekening met de aanbevelingen, die haar gedaan waren, om er niet onvoorzichtig in te dringen.Daags daarna, den 9denSeptember, bevond het maximum van de dampkringspressie zich ter hoogte van de Schotsche kusten. In de nabijheid van dat stormcentrum verplaatsten zich de luchtlagen met een weergaloos geweld. Het was in den volsten zin des woords een orkaan. Niets zou hem op de bovenste punt van het eiland kunnen weerstand bieden.Tegen zeven uur des avonds, tijdstip, waarop het diner in Clam Shell werd opgedragen, hadden Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill alle redenen om zich zeer ongerust te gevoelen.Miss Campbell was tegen drie uur uitgegaan, zonder te zeggen waarheen, en nog was zij niet terug gekeerd.Men oefende geduld tot zes uur, evenwel niet zonder dat de angstige ongerustheid voortdurend stijgende was. Miss Campbell kwam echter niet opdagen.Olivier Sinclair was herhaalde malen op het bovenplat van het eiland geklommen, zonder haar te bespeuren....De storm loeide met een onvergelijkelijke woede en de zee zweepte met haar torenhoog opgejaagde golven zonder verpoozen het gedeelte van het eilandje, dat naar het zuidwesten gekeerd was.»Ongelukkige miss Campbell!” riep Olivier Sinclair eensklaps uit; »wanneer zij nog in de grot van Fingal is, dan moet zij er uitgehaald worden of zij is verloren!”»Helena! Helena!!” (bladz. 159).»Helena! Helena!!” (bladz. 159).
XVII.Aan boord van de »Clorinda”.Den volgenden morgen reeds ten zes uur vertrok uit de kleine haven van Jona deClorinda, een bevallig vaartuig van vijfenveertigof vijftig ton, dat bij een lichte noordwesterbries, met stuurboordshalzen over, zoo scherp mogelijk bij den wind de open zee trachtte te bereiken.DeClorindahad miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge aan boord.Er behoeft niet bijgevoegd, dat de onhandige Aristobulus Beerenkooi te huis was gelaten.Ziehier wat men overeengekomen was en waartoe men onmiddellijk na het voorval van daags te voren had besloten.Terwijl men den Abtsheuvel afdaalde om zich naar de herberg te begeven, had miss Campbell kortaf gezegd:»Waarde ooms, daar mijnheer Beerenkooi in weerwil van alles, te Jona wenscht te blijven, zullen wij mijnheer Aristobulus Beerenkooi te Jona laten. Door zijn schuld hebben wij een eerste maal te Oban, een tweede maal hier te Jona onze waarneming gemist. Wij blijven geen oogenblik langer op een plaats waar die lastige man zijn onhandigheid laat blijken.”Tegen dit voorstel, zoo kortaf en helder uitgesproken, hadden de gebroeders Melvill niets in het midden te brengen. Zij deelden ook het algemeen misnoegen en verwenschten Aristobulus Beerenkooi. De toekomst was inderdaad voor hun gunsteling verloren. Nooit zou miss Campbell voortaan iets van hem willen hooren. Zij gevoelden het, zij moesten de hoop op de vervulling van hun plan, dat onmogelijk geworden was, laten varen.»Welnu, alles wel beschouwd,” merkte broeder Sam tot broeder Sib, dien hij tot een apartje genoodigd had, zacht fluisterend op, »zulke onvoorzichtige beloften zijn geen ijzeren handboeien!”Wat met andere woorden beteekende, dat men nimmer door een voorbarig uitgesproken toezegging zich onherroepelijk gebonden kan achten. Broeder Sib had dan ook met een afdoend gebaar zijn goedkeuring aan dit Schotsche spreekwoord geschonken.Toen men elkander goeden nacht wenschte in de algemeene zaal van het wapen van Duncan, had miss Campbell gezegd:»Wij zullen morgen ochtend vertrekken; ik blijf geen dag meer hier!”»Goed, dat is uitgemaakt, waarde Helena,” antwoordde broeder Sam; »maar waarheen zullen wij gaan?”»Dat is mij onverschillig. Slechts daarheen, waar wij zeker zijn dien mijnheer Beerenkooi niet te ontmoeten.”»Het is dus van groot gewicht dat niemand wete, dat wij Jona verlaten en nog minder waar we naar toe gaan. Zou de Schotsche kust niet ergens een onbewoonde en onbewoonbare plek kunnen aanbieden, waar wij onze waarnemingen konden voortzetten?”Voorzeker zouden de gebroeders Melvill met hun tweeën die dubbelevraag, die noch uitvluchten, noch nevengedachten gedoogde, niet hebben kunnen beantwoorden.Staffa (bladz. 140).Staffa (bladz. 140).Maar Olivier Sinclair was daar—en gelukkig ook.»Miss Campbell,” zei hij, »alles kan terecht komen. Ziehier, hoe. Hier in de nabijheid is een eiland, of beter gezegd een eilandje gelegen, dat voor onze waarnemingen zeer geschikt is. Op dat eilandje zal geen mensch ons komen storen.”»Hoe heet dat eiland?”»Staffa is de naam. Gij kunt het van hier zien op hoogstens twee mijlen afstands ten noorden van Jona.”»Kan men er leven, en bestaat er mogelijkheid om er heen te komen?” vroeg miss Campbell.»Ja, en zeer gemakkelijk zelfs,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb in de haven van Jona een van die jachten gezien, die steeds gereed zijn om zee te kiezen, zooals men in iedere engelsche haven gedurende het zomerseizoen aantreft. De kapitein en verdere bemanning zijn geheel ter beschikking van den eersten den besten toerist, die hunne diensten, hetzij voor het Kanaal, voor de Noordzee of voor de Iersche zee wenscht te gebruiken. Welnu, wat belet ons, om dat jacht te huren, er de noodige provisiën voor een veertien dagen in te schepen, daar Staffa hoegenaamd geen hulpmiddelen aanbiedt, en reeds morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken?”»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, »wanneer wij morgen dit eiland in het geheim verlaten zullen hebben, zal ik u oprechte dankbaarheid verschuldigd zijn.”»Morgen vóór het middaguur zullen wij, wanneer ten minste wat bries, bij het doorkomen der zon, opsteekt, te Staffa zijn,” betuigde Olivier Sinclair. »Daar zullen wij, behalve op de toeristendagen, die tweemaal per week plaats hebben en dan slechts een uur duren, door niemand gestoord worden.”Volgens oude gewoonte der gebroeders Melvill, klonken de bijnamen van de huishoudster weer:»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Juffrouw Bess verscheen ditmaal terstond.»Wij vertrekken morgen!” zei broeder Sam.»Morgen, bij het krieken van den dag!” vulde broeder Sib aan.Dat was voldoende; zonder naar meer te vragen, beijverden juffrouw Bess en Partridge zich, alles dadelijk voor het vertrek gereed te maken.Middelerwijl ging Olivier Sinclair naar de haven en trof daar de noodige beschikkingen met John Olduck.John Olduck was de kapitein van deClorinda, een echte zeerob met zijn ouderwetsch mutsje met gouden lis op het hoofd, zijn buisje met metalen knoopen en zijn broek van grof blauw laken. Zoodra de zaak haar beslag had gekregen, beijverden hij en zijn zes matrozen zich, om alles voor het vertrek in gereedheid te brengen. Het was uitgelezen volk, dat aan boord was, en zich gedurende den winter aan de visscherij wijdde, maar des zomers een bemanning van een onbetwistbare voortreffelijkheid boven al de zeelieden van andere landen voor de pleiziervaart leverde.Ten zes uur des morgens scheepten zich de nieuwe passagiers van deClorindain, zonder iets, aan wien ook, gezegd te hebben, omtrent de bestemming van het jacht. Men had zich meester gemaakt van al de levensmiddelen, versch vleesch of verduurzaamd en van al de dranken, die maar te krijgen waren. Daarenboven zou de kok van deClorindanog steeds het hulpmiddel hebben om den voorraad aan te vullen uit de stoomboot, die den geregelden dienst van Oban naar Staffa onderhoudt.Miss Campbell had bij het aanbreken van den dag bezit genomen van een lief en bevallig kamertje, dat zich in het achteruit van het jacht bevond. De beide broeders betrokken de hutten van de »Main Cabin,” die in de nabijheid van het salon in het breedste gedeelte van het schip zeer gemakkelijk ingericht waren. Olivier Sinclair had een hut achter de groote trap, die naar het salon voerde. Ter weerszijde van de eetzaal, waarin de groote mast stond, beschikten juffrouw Bess en Partridge ieder over een kribkooi. Meer vooruit stond de keuken in wier nabijheid de kok logeerde. Nog verder vooruit bevond zich het matrozen-logies, waarin de noodige hangmatten voor de zes matrozen. Niets ontbrak aan dit fraaie vaartuig, dat door Rotsey en Cowes gebouwd was. Bij gladde zee en stijve bries had het steeds eer ingelegd tijdens de zeilwedstrijden van de »Royal Thames yacht Club.”Het was een waar genoegen voor allen, toen deClorindazeil gemaakt had en, nadat haar anker gelicht was, den wind begon te vatten in haar groot zeil, haar achterzeil, haar stagfok en vlieger. Zij boog bevallig onder den druk der bries, zonder dat haar witgeschuurd dek, van Canada-pijnboomen dekbalken vervaardigd, ook maar een spatje overnam van de golfjes, welke door den steven gesneden werden, die zich loodrecht boven de waterlijn verhief.De afstand, die deze beidenHebriden-eilandenJona en Staffa van elkander scheidt, is zeer klein. Met goeden wind zouden twintig à vijfentwintig minuten voldoende zijn geweest om dien af te leggen voor een jacht, dat zonder moeite en zonder met zeil overladen te worden, zijn acht mijlen loopt in het uur. Maar het had in dit oogenblik den wind, die slechts flauw blies, tegen; de eb liep en hetwas tegen een vrij merkbaren stroom in, dat gelaveerd moest worden om ter hoogte van Staffa te komen.Maar dat alles kon miss Campbell weinig schelen. Dat deClorindaonder zeil was, kon als het voornaamste gerekend worden. Een uur later was Jona in den morgennevel verdwenen en met dat eiland ook het verafschuwde beeld van dien plezier-bederver, wiens naam Helena zelfs wilde vergeten.Openhartig bekende zij dat aan haar ooms:»Heb ik geen gelijk, papa Sam?”»Volkomen gelijk, mijn waarde Helena.”»En keurt mama Sib mijn meening niet goed?”»Ten volle.”»Welnu,” voegde zij er bij, terwijl zij aan ieder hunner een zoen gaf, »gij moet mij toch toegeven, dat ooms, die mij zoo’n man wilden doen huwen, een wonderlijk denkbeeld gekoesterd hebben.”Beiden ontkenden het niet.Alles wel beschouwd, was het een overheerlijke spelevaart, waaraan slechts het gebrek kleefde van te kort te duren. Maar wie belette die te verlengen en het vaartuig den Groenen Straal te gemoet te laten gaan, hem in den vollen Atlantischen Oceaan op te zoeken? Maar neen! Men was overeengekomen naar Staffa te stevenen, en John Olduck nam zijn maatregelen, om dit eilandje, dat het meest beroemde van al deHebridischeeilanden is, bij het doorkomen van den vloed te bereiken.Tegen acht uur, werd het eerste ontbijt, bestaande uit thee, boter en »sandwich’s” in de eetzaal van deClorindavoorgezet. De gasten allen goed gemutst, deden de tafel aan boord alle eer aan en betreurden den wal niet. Die ondankbaren!Toen miss Campbell op het dek terug kwam, was het jacht over stag gegaan en lag bakboord over. Het stevende naar den prachtigen vuurtoren terug, die op de Skerryvoren rots gebouwd is en op honderd vijftig voet boven hoogwater zijn licht van den eersten rang des nachts laat schijnen. De bries stak op; deClorindaworstelde onder haar groote waterzeilen tegen den stroom, maar won weinig in de richting van Staffa. En toch, zij »schoor als over de veeren”, om de schotsche uitdrukking te bezigen voor de snelheid van haar vaart.Miss Campbell had zich op een van de dikke kussens van grof linnen uitgestrekt, die aan boord van alle britsche pleizier-vaartuigen worden aangetroffen. Zij was verrukt over die snelheid van beweging, die noch door het geschok van een straatweg, noch door het getril van een spoorweg veronaangenaamd werd, over de snelheid, als van een schaatsenrijder, die met volle vaart over de spiegelgladde oppervlakte heenglijdt van een bevroren meer.Niets was bevalliger te zien dan de eleganteClorinda, die lichtelijk over één zij gebogen, met de deining op en neer ging. Soms scheen zij in de lucht te zweven als een buitengewoon groote vogel, die door zijn machtige wieken wordt gedragen.De zee, waarop men voer, was van het noorden naar het zuiden door de grooteHebridenen ten oosten door de vaste kust gedekt. Zij vormt daar een binnenwater, welks oppervlakte door de bries nog niet was bewogen.Het jacht liep in schuine richting op het eiland Staffa aan, dat zich voordoet als een groote dikke rots, die eenzaam meer zeewaarts van het eiland Mull is gelegen en zich niet hooger dan honderd voet boven de hoogste springvloeden verheft. Men kon gelooven, dat die rots het was, die van plaats veranderde en nu eens haar steile basaltachtige oevers van den westkant en dan weer de ruwe opeenstapeling van rotsblokken op haren oostkant te zien gaf. Door een soort van gezichtsbedrog scheen zij te draaien op haar grondvlak naar gelang de hoeken, waaronder deClorindahaar nu eens naderde en dan zich weer van haar verwijderde.Toch won het jacht een weinig, in weerwil van den stroom en van de bries. Wanneer het buiten de uiterste punten van Mull westwaarts opstevende, dan schudde de zee het heviger, maar het hield zich daarbij uitstekend tegen den golfslag, die uit volle zee aanrolde. Bij den volgenden slag kwam het weer in stiller water, die het bewoog als ware het de wieg van een pasgeboren kind.Tegen elf uur was deClorindagenoegzaam in het noorden opgestoken om te kunnen afhouden op Staffa. De schooten werden gevierd, de vlieger gegeid en de kapitein maakte zich gereed om ten anker te gaan.Er is geen haven te Staffa, maar het is bij alle winden aldaar gemakkelijk langs de steile oostkust te glijden, te midden van de grillig verspreide rotsen ten tijde der schommelingen van de aardkorst in de geologische tijdperken. Evenwel zou het bij zeer bar weer een zeer slecht vaarwater zijn voor een vaartuig van een zekeren diepgang.DeClorindastevende dus vrij dicht langs een opeenhooping van zware basaltrotsen. Zij bewoog zich behendig, liet ter eene zijde de Bouchaillie rots liggen, aan wier voet bij den lagen stand der eb, de prismatische zuilen, die als in bundels zijn samengevat boven water uitsteken, aan de andere zijde den straatweg, die ter linkerzij langs de kuststrook voert. Daar is de beste ankerplaats van het geheele eiland, daar nemen de sloepen de toeristen weer op, die zij aangebracht hebben, na hun wandeling op de hoogten van Staffa.DeClorindadrong een kleine kreek binnen, bijna aan den ingang van de Clam-Shell-grot gelegen. De zeilen werden geborgen en weldra plompte het anker in het water en vond een goeden ankergrond.Miss Campbell en haar metgezellen ontscheepten een oogenblik later op de eerste treden van basalt ter linkerzijde van de grot. Een houten trap, voorzien van een stevige leuning, voerde van de oppervlakte der zee tot op den afgeronden top van het eiland.Allen klommen daar langs op en bereikten het bovenste plat.Zij waren alzoo eindelijk te Staffa en zoodanig van de bewoonde wereld afgescheiden, alsof een storm hen op het meest verlaten eiland der Stille Zuidzee had geworpen.XVIII.Staffa.Staffa is maar een eilandje, dat ’s waar; maar de natuur heeft er het meest belangwekkende van den geheelenHebriden-Archipelvan gemaakt. Het groote eivormige rotsblok, dat een mijl lang en een halve breed is, verbergt onder zijn korst bewonderenswaardige grotten van basaltischen oorsprong. Het is dan ook een zeer gezocht punt van samenkomst, zoowel voor de geologen, als voor de toeristen. Noch miss Campbell noch de gebroeders Melvill hadden evenwel vroeger Staffa bezocht. Alleen Olivier Sinclair kende er de bewonderenswaardigheden van. Hij was dus de aangewezen persoon om de eer van het eiland op te houden, waarheen zij gekomen waren om voor eenige dagen gastvrijheid te genieten.De rots heeft alleen het aanzijn te danken aan de kristalvorming van een overgrooten basaltknoest, die daar in de eerste tijdperken van wording der aardkorst gestold is. En dat dagteekent niet van gisteren; want volgens de waarnemingen van Hemholtz—welke als gevolgtrekkingen van de proefnemingen van Bisschof over de afkoeling van den basalt, die niet in gesmolten toestand heeft kunnen voorkomen dan bij een hitte van twee duizend graden, te beschouwen zijn—is er niet minder noodig geweest om de geheele afkoeling van dat blok te bewerken, dan drie honderd vijftig millioen jaren. Het is dus fabelachtig lang geleden, dat de aarde na eerst in den gasvormigen, daarna in den vloeibaren toestand bestaan te hebben, begon met een vaste korst te vertoonen.Zoo Aristobulus Beerenkooi tegenwoordig ware geweest, zou hij stof te over hebben gehad voor de een of andere verhandeling over de verschijnselen uit de geologische tijdperken. Maar gelukkig was hij ver af; miss Campbell dacht niet meer aan hem en, broederSam fluisterde in het oor van broeder Sib:De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).»Men moet die vlieg stil op den muur laten zitten.”Schotsch spreekwoord: gelijk aan het Nederlandsche: »men moet geen slapende honden wakker maken.”.Men vergenoegde zich met rond te kijken en men keek elkaar ook eens aan.»Wij moeten eerst bezit nemen van ons nieuw domein,” zei Olivier Sinclair.»Zonder uit het oog te verliezen, waarom wij er gekomen zijn,” sprak miss Campbell met een bekoorlijken glimlach.»Zonder dat uit het oog te verliezen, zou ik meenen!” bevestigde Olivier Sinclair. »Kom, laat ons een waarnemingspost kiezen en nagaan welken gezichteinder zich westwaarts van ons eiland uitstrekt.”»Zeker,” zei miss Campbell. »Maar de lucht is een weinig beneveld vandaag. Ik geloof niet, dat wij gunstige verwachtingen van den zons-ondergang te koesteren hebben.”»Wij kunnen wachten, miss Campbell, en willen dit, desnoods totdat de equinoxiable stormen intreden.”»Ja, wij zullen wachten!” verzekerden de gebroeders Melvill,... »tenzij Helena bevelen geeft te vertrekken.”»Oh! ik heb geen haast,” antwoordde het jonge meisje, dat zich sedert hun vertrek van Jona zeer gelukkig gevoelde. »Neen, ik heb geen haast. De ligging van dit eilandje is heerlijk. Een villa, die hier op dit weiland, dat zich als een fraai groen tapijt uitstrekt, gebouwd werd, zou niet onaangenaam te bewonen zijn, zelfs wanneer de windvlagen, die Amerika ons zoo mild toezendt, over de rotsen van Staffa huilen.”»Hm! hm! die moeten toch schrikkelijk zijn, hier op die uiterste grens van den Atlantischen Oceaan!” zei broeder Sib.»En dat zijn ze ook waarlijk,” verzekerde Olivier Sinclair. »Staffa staat geheel en al bloot aan al de winden, die uit volle zee waaien en biedt slechts eenige beschutting op zijn oosterstrand aan, aan de zijde, waar deClorindavoor anker ligt. Het slechte seizoen duurt negen maanden van de twaalf op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan.»Dat is zeker de reden,” merkte broeder Sam op, »dat wij geen enkelen boom bespeuren. Iedere plant moet hier op dit plateau te niet gaan, wanneer zij zich slechts weinige voeten boven den grond verheft.”»Welnu, zou het u niet kunnen bekoren, hier op dit eilandje twee of drie zomermaanden door te brengen?” vroeg miss Campbell.—»Gij moest Staffa koopen, oompjeslief, wanneer Staffa te koop is.”Broeder Sam en broeder Sib hadden reeds de hand in den zak gestoken, alsof het dadelijk gold, dien aankoop komptant te betalen enhandelden daarbij als ooms, die geen enkele gril hunner nicht onvervuld willen laten.»Wien behoort Staffa?” vroeg broeder Sib.»Aan de familie der Mac Donald’s,” antwoordde Olivier Sinclair. »Zij verpacht het voor twaalf pond (honderd vier en veertig gulden) ’s jaars; maar ik geloof, dat zij het voor geen som ter wereld zouden willen verkoopen.”»Dat ’s jammer!” zei miss Campbell, die, zooals men weet, van een geestdriftvolle geaardheid was en zich nu in een geestesvervoering bevond, die haar opgetogenheid nog vermeerderde.Al keuvelende doorkruisten de nieuwe gasten van Staffa de oneffen oppervlakte van hun eiland, die hier en daar met groenende grasstrooken bedeeld is. Het was de dag niet, door de Stoomvaart-maatschappij te Oban bestemd voor het bezoek der kleineHebriden. Miss Campbell en haar geleiders hadden dan ook niets te vreezen van lastige toeristen. Zij bevonden zich alleen op de eenzame rots. Eenige paarden van zeer klein ras en enkele zwarte koeien graasden er en vonden in het magere gras niet veel voedsel. Hier en daar staken lava-beddingen door de dunne humuslaag heen. Geen herder paste op die dieren en bewaakte men de viervoetige eilandbewoners, dan was het van uit de verte—misschien van Jona of zelfs van de kuststrook van Mull, dat vijftien mijlen oostwaarts gelegen is.Er was ook geen huis te bekennen. Alleen stonden er de overblijfselen eener hut, welke door de verschrikkelijke stormen, die zich gewoonlijk tusschen de herfst- en lente-evening ontketenen, verwoest was. Waarlijk, twaalf pond was een mooie pachtschat voor eenige bunders weiland, dat er geschoren uitzag, alsof het oud fluweel was, dat tot op den ketting was versleten.Het onderzoek van de oppervlakte van het eilandje was gauw genoeg afgeloopen; men kon toen overgaan om den gezichteinder waar te nemen.Klaarblijkelijk had men dien avond niets van den zonsondergang te verwachten. Met de veranderlijkheid, die de Septemberdagen kenschetsen, was de hemel, die daags te voren zoo helder was, weer geheel beneveld. Tegen zes uur vertoonden zich eenige roodachtige wolken, van de soort, die een aanstaande storing in den dampkring aanduiden, en ontdekten zij den westelijken horizon. De gebroeders Melvill moesten zelfs, hoewel tot hun leedwezen, erkennen dat de aneroïde barometer van deClorindanaar »veranderlijk” terugkeerde, en zelfs een neiging vertoonde dat te overschrijden.Allen keerden dan ook naar boord terug, nadat de zon was ondergegaan achter een donkere kim, die door de deinende golven, welke uit volle zee aanrolden, nog onzuiverder gemaakt was. Denacht werd rustig doorgebracht in de kleine kreek, die door de ribben van Clam-Shell gevormd was.Daags daarna, den 7denSeptember, werd tot een zeer ernstige verkenning van het eilandje besloten. Na het onderzoek van het bovendek, betaamde het, dat hetgeen er onder zat ook doorsnuffeld werd. Moest men den tijd niet dooden, nu door een waar noodlot—alleen aan Aristobulus Beerenkooi te wijten—tot nu toe de waarneming van het natuurverschijnsel verhinderd was? Daarenboven, zou men het uitstapje naar de grotten, die dat onnoozel eilandje derHebridenzoo beroemd gemaakt hebben, niet behoeven te betreuren.Allereerst werd dien dag overgegaan om den kelder van Clam-Shell, voor welks opening het jacht ten anker lag te onderzoeken. De kok nam, op raadgeving van Olivier Sinclair, alle voorbereidende maatregelen om zelfs het ontbijt daarin te kunnen voordienen. Daar zouden de gasten wanen, in het hol van een schip opgesloten te zitten. En inderdaad, die veertig of vijftig voet lange prisma’s, die als het geraamte der grot vormden, konden zeer wel met de gebinten van een schip vergeleken worden.De grot, welke dertig voet hoog, vijftien breed en honderd diep was, kon gemakkelijk binnen gedrongen worden. Haar opening is nagenoeg oostwaarts gekeerd, waardoor zij tegen de stormvlagen gedekt is. De groote golven, die door de orkanen in de andere grotten van het eilandje gezweept worden, konden haar niet bereiken. Maar zij was daarom wellicht niet minder belangwekkend.En toch is de aard van die basaltbogen, die eerder door ’s menschen handen dan door de natuur gevormd schijnen, wel geschikt om bewondering uit te lokken.Miss Campbell was zeer opgetogen over haar bezoek aan die grot. Olivier Sinclair deed haar de schoonheden van Clam Shell opmerken, met minder wetenschappelijken omhaal den Aristobulus Beerenkooi zulks zou gedaan hebben, maar daarentegen met meer kunstzin voorzeker.»Ik wenschte wel een herinnering aan ons bezoek aan de Clam-Shell-grot te hebben,” zei miss Campbell.»Niets is gemakkelijker,” antwoordde Olivier Sinclair.En met weinige potloodstreepen vervaardigde hij een schets van de grot genomen van de rots, die aan het uiteinde van den basaltweg uitsteekt. De opening der grot, het uiterlijke van een overgroot zee-zoogdier, dat afgaande op de wanden tot geraamte vergaan was; de lichte trap, die naar den top van het eiland voert; het zoo stille en zoo heldere water bij den ingang en waarin de geheele basaltmassa zich spiegelt, dat alles werd heel kunstig op een albumblaadje te voorschijn getooverd.Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)De jeugdige schilder plaatste aan den voet der teekening het navolgend onderschrift, dat volstrekt niet schaden kon:Olivier Sinclair aan Miss Campbell.Staffa, 7 September 1881.Toen het ontbijt genuttigd was, liet John Olduck de grootste der twee sloepen van deClorindaoptuigen. De passagiers stapten er in, en, de schilderachtige oevers van het eiland omzeilende, begaven zij zich naar de grot de Schuit, aldus genaamd, omdat de zee de geheele binnenruimte bespoelt en men er niet zonder vaartuig binnen kan dringen.Deze grot is op het zuidwestelijk gedeelte van het eiland gelegen. Bij eenigszins hooggaande deining, zoude het zeer onvoorzichtig zijn er in te varen; want dan is de beweging van het water daarbinnen hevig. Maar dien dag was de wind nog niet opgestoken, hoewel het dreigend weer was. Het bezoek aan die grot leverde dus geen gevaar op.Juist toen de sloep van deClorindavóór de opening van die diepe uitholling was aangekomen, liet de stoomboot, met toeristen van Oban bevracht, haar anker in het gezicht van het eiland vallen. Gelukkig zouden onze vrienden, gedurende het tijdsverloop van twee uur, dat Staffa aan de passagiers van dePioneertoebehoorde, niet gehinderd worden. Zij bleven onopgemerkt in hunne grot de Schuit, terwijl de anderen het voorgeschreven bezoek aan de Fingalsgrot brachten en de oppervlakte van het eiland doorkruisten. De gelegenheid ontbrak dus, om met die wel wat levendige bezoekers in aanraking te komen, waarover miss Campbell en haar metgezellen niet rouwig waren. En inderdaad, waarom zou Aristobulus Beerenkooi, nadat zijn reisgezellen zoo plotseling verdwenen waren, niet aan boord van de stoomboot, die te Jona aanlegde, gestapt zijn, om naar Oban terug te keeren. Van alle ontmoetingen, was men er wel op uit omdiete mijden.Maar hoe het ook zij, of de teleurgestelde minnaar zich bevond onder de bezoekers van den 7denSeptember of niet, zooveel is zeker, dat geen enkele op Staffa was teruggebleven, toen de stoomboot vertrokken was. Toen miss Campbell, de gebroeders Melvill en Olivier Sinclair uit de lange schacht traden, uit een soort tunnel zonder uitgang, die in het basalt zou geboord zijn, was de kalmte op het rotsige eiland Staffa, daar aan de uiterste grens van den Atlantischen Oceaan, weergekeerd.Men gewaagt van een zeker aantal beroemde spelonken, die in menige streek van den aardbol, maar voornamelijk in de vulkanische aardlagen worden aangetroffen. Zij zijn, naarmate van hun oorsprong, onderscheiden in neptunische of plutonische.En inderdaad, de eene soort van die holen is gevormd door de uitwerking van het water, dat zelfs de granietmassa’s invreet, afslijt,oplost, zelfs zoodanig, dat uitgestrekte holen ontstaan. Zoo zijn de grotten van Crozen in Bretagne, die van Bonifacio op Corsica, van Morghatten in Noorwegen, van Sint Michiel te Gibraltar, van Saratchel op de kust van het eiland Wight, van Han en Rochefort in België, van Tourana in de steile marmerkust van Cochinchina.De andere soort, op geheel andere wijze gevormd, heeft haar ontstaan te danken aan de inkrimping der graniet- of basalt-wanden, teweeggebracht door de afkoeling van de heete rotsen in het plutonisch tijdperk. Zij bezitten in den regel een grootscher karakter, dat aan de grotten van neptunischen oorsprong ontbreekt.Bij de eerste heeft de natuur, haar grondbeginselen steeds getrouw, krachtsinspanning, bij de tweede tijd bezuinigd.Onder de plutonische grotten, die door de werking van het vuur ontstaan zijn, behoort in de eerste plaats genoemd de Fingal’s grot—de Fingal’s kelder, zooals de prozaïsche uitdrukking der Engelschen luidt.Aan het bezoek van dat wereldwonder zou de volgende dag worden gewijd.XIX.De Fingal’s grot.Indien de kapitein van deClorindagedurende de laatste vier en twintig uren zich in een der havens van het Vereenigd Koninkrijk bevonden had, zou hij kennis hebben bekomen van een meteorologisch bericht, dat weinig geruststellends bevatte voor de schepen, die zich zeilende of stoomende op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan bevonden.En inderdaad, de telegraaf van New-York had een stormvlaag aangekondigd. Die stormvlaag dreigde, na den Atlantischen Oceaan van het westen naar het noord-oosten te zijn overgestoken, zich met alle woestheid op de kusten van Ierland en Schotland te werpen, alvorens haar krachten op de kusten van Noorwegen te verspillen.Maar bij gebrek aan dat weerbericht, duidde de barometer van het jacht toch een groote atmospherische stoornis aan, waarmede ieder voorzichtig zeeman rekening moest houden.Dien morgen van den 8stenSeptember dus beklom John Olduck, nog al verontrust, den rotsrand, die Staffa in het westen begrenst, ten einde den toestand van de zee en van den dampkring te onderzoeken.Wolken met zeer onscherpe vormen, eigenlijk meer nevelflarden joegen reeds met groote snelheid door de luchtruimte. De bries stak meer en meer op en zou weldra aangroeien tot storm. De zee, met schuim overdekt, was melkwit. De golven braken met kracht op de basaltkegels, die den grondslag van het eilandje vormen.John Olduck was lang niet gerustgesteld. Hoewel deClorindain de kreek van Clam Shell eenigermate gedekt lag, zoo was dit toch geen veilige ankerplaats, zelfs voor een vaartuig van geringe afmeting. De aandrang van het water, dat tusschen de eilandjes en den ooster straatweg gezweept werd, moest een zeer gevaarlijke branding doen ontstaan, die den toestand van het jacht hachelijk zou maken. Het was dus zaak een besluit te nemen, en dat wel spoedig ook, althans voor dat de doorgangen tusschen de eilandjes door den zwaren golfslag ontoegankelijk zouden zijn.Toen de kapitein aan boord terug was, vond hij zijn passagiers op het dek vereenigd. Hij deelde hun zijn vermoedens mede en wees hen op de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk het anker te lichten. Draalde men daarmede, dan was het te vreezen, dat men een onhoudbare zee zou vinden in de engte van vijftien mijlen breed, die Staffa van het eiland Mull scheidt. En men moest achter dat eiland een toevlucht gaan zoeken, meer in het bizonder in de kleine haven van Achnagraig, waar deClorindaniets dan de winden uit volle zee had te vreezen.»Staffa verlaten!” begon miss Campbell uit te roepen. »Zoo’n heerlijken gezichteinder prijsgeven!”»Ik geloof, dat het zeer gevaarlijk zou zijn hier op de ankerplaats van Clam Shell te blijven,” antwoordde John Olduck.»Maar als het moet! waarde Helena,” zei broeder Sam.»Ja, als het moet!” herhaalde broeder Sib.Olivier Sinclair, die het ongenoegen bespeurde, dat het overhaast vertrek bij miss Campbell te weeg bracht, kwam tusschenbeide.»Kapitein Olduck,” vroeg hij, »hoelang kan die storm duren?”»In dit jaargetij,” antwoordde de kapitein, »hoogstens twee of drie dagen.”»En gij oordeelt het vertrek noodzakelijk?”»Noodzakelijk en daarbij spoed dringend!”»Wat zijn dan uw plannen?”»Om terstond onder zeil te gaan. Met den meer en meer opstekenden wind zullen wij, voor dat de avond invalt, te Achnagraig zijn.Wij kunnen te Staffa weerom komen, wanneer de storm overgewaaid is.»Maar waarom niet naar Jona teruggekeerd, wat deClorindabinnen het uur zou kunnen bereiken?” vroeg broeder Sam.»Neen... neen... in Godsnaam niet naar Jona!” riep miss Campbell, die reeds de schaduw van Aristobulus Beerenkooi zag opdoemen.»Wij zouden in de haven van Jona niet veiliger zijn dan hier op de ankerplaats van Staffa,” merkte John Olduck op.»Welnu, vertrek, kapitein,” zei Olivier Sinclair, »vertrek onmiddellijk naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa.”»Hier te Staffa,” antwoordde John Olduck. »Hier te Staffa, waar gij zelfs geen huis hebt om in te schuilen!”»Zou de grot van Clam-Shell voor die weinige dagen niet voldoende zijn?” hernam Olivier Sinclair. »Welk gebrek zullen wij daarin hebben? Geen nietwaar? Wij hebben aan boord voldoenden leeftocht, wij hebben het beddegoed onzer kooien, wij hebben kleêren genoeg tot wisseling. Dat alles kan onmiddellijk ontscheept worden. En eindelijk een kok; welnu, die zal niets liever doen dan bij ons blijven.”»Ja!... ja!...” juichte miss Campbell, terwijl zij van vervoering in de handen klapte. »Vertrek terstond met uw jacht naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa achter. Wij zullen hier als verlatenen op een woest eiland zijn. Wij zullen er het leven van vrijwillige schipbreukelingen leiden. Wij zullen den terugkeer van deClorindabespieden met evenveel ontroering, met evenveel benauwdheden, met evenveel doodsangsten als Robinson Crusoë ondervonden heeft, toen hij een schip in volle zee ontwaarde en met inspanning van zijn geheel gezichtsvermogen uitkeek of dat vaartuig zijn eiland naderde. Wat zijn wij hier komen doen? Een roman in de werkelijkheid beleven, is het niet zoo, mijnheer Sinclair? En, waarde oompjes, wat zal er meer romanesk te bedenken zijn dan onze toestand hier? Daarenboven een storm, een windvlaag doorstaan op dit dichterlijk eiland, het woelen te mogen aanschouwen van deze noordelijke zee, den verheven strijd der ontketende elementen te kunnen waarnemen. O! ik zou het mij mijn geheele leven lang verwijten, zulke grootste natuurtafereelen gemist te hebben! Vertrek dus, kapitein Olduck, wij blijven hier en zullen u afwachten!”»Maar...” begonnen de gebroeders Melvill, wien dit vreesachtig woord bijna te gelijker tijd ontsnapte.»Ik meen, dat de oompjes een tegenwerping willen maken,” viel miss Campbell in. »Ik geloof echter een middel te hebben om die tegenwerping te bestrijden, en hen onfeilbaar tot mijn gevoelen over te halen.”Zij stond op en gaf aan ieder hunner den morgenzoen.»Ziedaar, dat is voor u, oom Sam!”»En dit voor u, oom Sib!”»Ik wed dat niemand uwer nog iets in te brengen zal hebben!”De goede ooms dachten er niet meer aan nog een enkele tegenwerping te maken. Zoodra het hunne nicht voegde om te Staffa te blijven, waarom zou men dat verlangen niet inwilligen? Het kwam hun vreemd voor, dat zij niet allereerst dat zoo eenvoudig, zoo natuurlijk denkbeeld opgevat hadden, dat zoo goed aller belangen en aller inzichten waarborgde en voldeed?Maar het denkbeeld was van Olivier Sinclair uitgegaan, en miss Campbell vermeende hem daarvoor in het bizonder te moeten bedanken.Toen het besluit om te blijven genomen was, ontscheepten de matrozen de voorwerpen, die voor het verblijf der toeristen op het eiland benoodigd waren. Clam Shell was spoedig tot een voorloopige woning hervormd en werd met den weidschen naam van Melvill House gedoopt. Men zou er evengoed, ja zelfs beter zijn dan in de herberg van Jona. De kok beijverde zich een doelmatige plek voor zijn keukenwerkzaamheden bij den ingang der grot op te sporen, en vond die achter een uitstekende rots, die tot dat doel klaarblijkelijk geschapen was.Toen verlieten miss Campbell met Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, alsook juffrouw Bess en Partridge, deClorinda, en liet John Olduck het anker lichten, na de kleine vlet van het jacht, die den toeristen van groot nut kon zijn om van de eene rots naar de andere te komen, ter hunner beschikking gesteld te hebben.Een uur later was deClorindamet dubbel gereefde zeilen en met neergelaten stengen en onder haar stormfok onder weg en manoeuvreerde, om het eiland Mull ten noorden te ronden, ten einde Achnagraig langs de zeeëngte, die dat eiland van den vasten wal scheidt, te bereiken. Haar passagiers, op het hoogste punt van Staffa staande, volgden haar met de oogen, zoolang hun zulks mogelijk was. Onder den druk van den wind stuurboord overhellende, geleek zij een witte meeuw, die met rappe wiek de golftoppen scheert. Een half uur later was zij achter het eilandje Gometra verdwenen.Maar, hoewel het weer dreigde, de dampkring was niet geheel en al beneveld. De zon drong nog door de groote wolkenscheuren, die de wind in het zenith veroorzaakte. Men kon nog over het eiland wandelen en den voet der basaltrotsen, waarop het rust, rondom volgen. Het eerste verlangen, dat miss Campbell te kennen gaf, was met hare ooms, de gebroeders Melvill, evenwel onder geleidde van Olivier Sinclair, de grot van Fingal te bezoeken.Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)De toeristen, die van den kant van Jona aankomen, doen ditgewoonlijk met de sloepen van de stoomboot van Oban. De mogelijkheid bestaat evenwel, om tot in haar volle diepte door tedringen, wanneer men op de rotsen ter rechter zijde ontscheepte, waar die als het ware eene soort bruikbare kaai vormden. Men kon zelfs op dien oever zonder vaartuig komen.Olivier Sinclair besloot dan ook om de grot langs dien kant binnen te dringen, zonder de vlet van deClorindate gebruiken.Men verliet dus Clam Shell. Men nam den natuurlijken weg, die de oostkust van het eiland omzoomt. Het uiteinde der loodrecht vlak naast elkander staande achtkante spijlen of zuilen vormde, alsof een ingenieur er zich mede bemoeid had, een stevigen en volkomen drogen straatweg aan den voet der groote rotsen. De wandeling werd al keuvelende afgelegd, terwijl men de eilandjes bewonderde, die soms door de branding werden gestreeld en wier grondvlak toch in het groene water tot op een groote diepte was te ontwaren. Er is geen bewonderenswaardiger pad uittedenken dan de weg, die naar die grot voert, welke overwaard is door den een of anderen held uit deDuizend en één nachtbewoond te worden.Bij het zuid-oostelijke uiteinde van het eiland aangekomen, deed Olivier Sinclair zijn metgezellen eenige natuurlijke treden opklimmen, die de eeretrap van een paleis niet zouden ontsierd hebben.In den hoek van het trapportaal verheffen zich de buitenpijlers, die, even als de zuilen van den kleinen tempel van Vesta te Rome, zich tegen de wanden der grot groepeeren, maar zoodanig naast elkander geplaatst zijn, dat zij het ruwe van den achtergrond bemantelen. Op hun toppeneind rust het ontzaglijk rotsgevaarte, dat dien hoek van het eilandje vormt. De schuine kloofvlakken dier rotsen, die volgens demeetkundigedoorsnee der sluitsteenen van een verwulfsel schijnen gevormd te zijn, steken zonderling af bij den loodrechten stand der zuilen, die haar dragen.Aan den voet van die traptreden rees en daalde de zee, wel is waar nog rustig, maar toch reeds minder kalm en reeds onder den invloed van het weer buiten, even als door de ademhaling van een levend wezen bewogen. Daar weerkaatsten de geheele grondvesten van de vervaarlijke rotsmassa hun beeld en wierpen een zwartachtige schaduw op de golvende wateren.Op het boventrapportaal aangekomen, wendde Olivier Sinclair links om en toonde aan miss Campbell een soort smalle kade, of beter een door de natuur gevormde bank, die den wand tot bij het binnenste uiteinde der grot volgde. Eene leuning, gedragen door ijzeren spijlen, die in het basalt verankerd waren, diende tot handgeleide tusschen wand en den scherpen rotskant van die smalle kade.»Oh!” zei miss Campbell, »die leuning bederft wel wat het tooverpaleis van Fingal.”»Maar wanneer zij nuttig is, moet men haar gebruiken,” zei broeder Sam.»En zie, ik gebruik haar,” vulde broeder Sib aan.Op raad van hun gids stonden de bezoekers een oogenblik stil bij den ingang van Fingals’ spelonk.Voor hen opende zich iets als een kerkgewelf, hoog en diep, gevuld met een geheimzinnig halfduister. De afstand van de beide zijwanden, aan het zeevlak genomen, bedroeg ongeveer vier en dertig voet. Ter rechter en ter linker zijde verborgen basaltzuilen, de eene tegen de andere gedrongen, zooals wel in sommige kathedralen uit het laatste gedeelte van het gothische tijdperk waargenomen wordt, de massa der stutmuren. Op de kapiteelen dier zuilen rustten de hellingen van een onmetelijk ogiefvormig gewelf, dat bij haar sluitstuk zich ruim vijftig voet boven den gemiddelden stand der water-oppervlakte verhief.Miss Campbell en hare metgezellen, opgetogen bij dat eerste gezicht, moesten zich met geweld ontrukken aan hunne bewonderende beschouwing, om dit uitsteeksel, dat de innerlijke bank vormde te volgen.Daar rangschikten zich in volmaakte orde honderden prismatische zuilen, van ongelijken omvang, geheel gelijk aan de voortbrengselen eener reusachtige kristalvorming. De fijne scherpe kanten komen zoo zuiver uit, alsof de beitel eens beeldhouwers ze bewerkt heeft. In de inspringende hoeken der eene sluiten de uitspringende hoeken der anderen aan. Deze zijn drievlakkig, de andere vier- vijf- zes- en zelfs zeven- en achtvlakkig, hetgeen bij de algemeene uniformiteit van het bouwstuk toch eene afwisseling aanbiedt, die den kunstzin der natuur voordeelig doet uitkomen.Het licht, van buiten binnendringende, speelt op al die veelvlakkige hoeken. Op het binnenwater als door een spiegel teruggekaatst, gevoed als het ware op de schitterende vlakken der onderzeesche gesteenten, door de waterplanten groen of somber rood en helder geel getint, ontlokte dat licht duizende schitteringen op de hoeken en uitstekende punten der basaltrotsen, die de innerlijke nokken van dit overgelijkelijk onderaardsche gewelf met onregelmatige vakken tooide.Binnen die grot heerschte een klankvolle stilte,—wanneer deze twee woorden in zoo ééne uitdrukking aan elkander mogen gekoppeld worden.—Dat is eene stilte, aan diepe holen eigen, die de bezoekers niet poogden te storen. Slechts de wind deed er een stroom van langgerekte akkoorden hooren, die uit eene droefgeestige serie van halfnoten schijnen te bestaan, welke zich verheffen en dan langzaam wegsterven. Men zou meenen al die prisma’s onder dien machtigen adem te hooren weerklinken evenals de triltonen van een machtigen harp. Wellicht is aan dat zonderling geluid, de naam van An-Na-Vine, »de geheimzinnige grot,” zooals die spelonk in de keltische taal genoemd wordt, te danken.»En welke naam zou haar beter voegen?” vroeg Olivier Sinclair, »daar Fingal de vader van Ossian was, wiens genie de poëzie en de muziek als in ééne kunst heeft weten te vereenigen.”»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam, »maar zoo als Ossian het zelf zeide: »Wanneer zal mijn oor den zang der barden hooren? Wanneer zal mijn hart trillen en kloppen bij het verhaal van de heldendaden mijner voorvaderen. De harp doet de bosschen van Sebora niet meer weergalmen!”»Ja,” vulde broeder Sib aan, »het paleis is thans eenzaam en verlaten, en de echo’s zullen de gezangen van weleer niet meer herhalen!”De geheele diepte der grot wordt op ongeveer honderdvijftig voet geschat. Op den achtergrond van het hooge gewelf, verschijnt een soort van buffetorgel, waarop een zeker aantal zuilen verrijzen van minder omvang dan die bij den ingang, maar even volmaakt van lijnen als de laatstbedoelde.Daar wilden miss Campbell, Olivier Sinclair en de beide ooms een oogenblik verwijlen.Van dat punt was het verschiet, dat zich naar den kant van de volle lucht opende, bewonderenswaardig. Het water, als doortrokken van lichtdeelen, gaf de gesteldheid te zien van den onderzeeschen bodem der grot, die uit de toppeneinden van vier- tot zevenvlakkige zuilen bestond, welke zoodanig in elkander passen, dat zij als de vlakken van een mozaiekwerk aansluiten; op de zijwanden vertoonden zich verwonderlijke licht- en schaduweffekten. Alles verdween, doofde uit, wanneer een wolk voor den ingang der grot als voor het voorgedeelte van een tooneel voorbijgleed. Maar alles schitterde ook daarentegen en verlevendigde onder de zeven prisma-kleuren, wanneer een zonnestraal, door het kristalheldere water van den bodem teruggekaatst, in lichtgevende strooken tot zelfs het sluitstuk van het bovengewelf bescheen.Buiten de grot brak de zee op de eerste grondvesten van den reusachtigen boog. Die omlijsting, zwart als een boordsel van ebbenhout, maakt geen inbreuk hoegenaamd op de fraaiheden van den achtergrond. Daar buiten verscheen de gezichteinder bij de aanraking van den hemel met het water in zijn geheelen luister, met het vergezicht op Jona, waar, op een afstand van twee mijlen, de bouwvallen van zijn klooster zich als wit uitgebeeld tegen de lucht afteekenden.Allen, opgetogen over de tooverachtige tooneelversiering, wisten niet, hoe hunne bewonderende gevoelens te uiten.»Welk tooverpaleis!” zei eindelijk miss Campbell, »en wat zou de man, met een prozaïschen geest bedeeld zijn, die weigeren mocht te gelooven, dat God het geschapen heeft voor de luchtgeesten en waternimfen. Voor wien toch zouden die tonen van de grooteaeolische harp, door den adem der winden voortgebracht, weerklinken? Is dat niet de bovennatuurlijke muziek, die Waverley in zijn droomen hoorde; de stem van Selma, waarvan de zanger de akkoorden onder noten gebracht heeft, om er zijn helden mede te verrukken?”»Gij hebt gelijk, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ongetwijfeld heeft Walter Scott, wanneer hij zijn beelden in dat dichterlijk verleden der Schotsche Hooglanden zocht, aan het paleis van Fingal gedacht.”»Hier zou ik de schim van Ossian wenschen op te roepen,” hernam het jonge meisje geestdrift vol. »Waarom zou de onzichtbare bard, na een slaap van vijftien eeuwen niet op mijn stem verschijnen? O! het is mij een weelderige behoefte te denken, dat die ongelukkige, blind als Homerus, dichter evenals hij, meer dan eens, wanneer hij de heldendaden van zijn tijdperk bezong een toevlucht in dit paleis heeft gezocht, dat nog den naam zijn vaders draagt! Hier hebben ongetwijfeld de echo’s van Fingal zijn epische en lyrische ontboezemingen in den zuiversten gaëlischen tongval herhaald. Gelooft gij niet, mijnheer Sinclair, dat Ossian neergezeten was op de plek, waarop wij ons thans bevinden en dat de tonen zijner harp zich met de ruwe klanken van Selma’s stem vermengd hebben?”»Hoe zou het mogelijk zijn,” antwoordde Olivier Sinclair, »geen geloof te slaan aan hetgeen gij met zoo innige overtuiging zegt?”»Indien ik hem opriep?” mompelde miss Campbell.En met haar frissche stem liet zij herhaalde malen den naam van den ouden bard te midden der windtrillingen weerklinken.Maar al was het innig verlangen van miss Campbell ook groot, en al had zij hem ook tot driemaal toe opgeroepen, de echo alleen antwoordde haar. De schim van Ossian verscheen niet in zijn vaderlijk paleis.De zon was middelerwijl achter dikke dampen verdwenen. De grot werd met zwarte schaduwen vervuld; de zee begon buiten op te komen, haar lange deininggolven kwamen reeds breken op de laatste basaltlagen in het achterste gedeelte der grot.De bezoekers betraden dus weer het smalle pad, dat reeds meer dan half met de spatten der golven overdekt was. Ze sloegen den hoek van het eilandje om, waartegen de wind van uit volle zee met kracht loeide; toen bevonden zij zich, althans voor het oogenblik, in veiligheid op den straatweg.Tijdens de twee uren, dat zij in de grot vertoefden, was het slechte weer aanmerkelijk toegenomen. De windvlagen wakkerden aan, terwijl zij zich op de kusten van Schotland wierpen, en dreigden aan te groeien tot een orkaan.Maar miss Campbell en haar tochtgenooten, beschermd als zij waren door de basaltkusten, konden gemakkelijk de grot van Clam Shell bereiken.Den volgenden dag vertoonde de kwikkolom van den barometer een nieuwe daling en ontketende zich de wind met groote woestheid. Zware en zwarte wolken vervulden het luchtruim, terwijl zij het aardrijk naderden.Het regende nog niet, maar de zon bleef onzichtbaar en vertoonde zich zelfs niet bij korte tusschenpoozen.Miss Campbell scheen niet zoo teleurgesteld door het slechte weder, als men meende te moeten duchten. Het verblijf op een verlaten eiland, dat door den storm gezweept werd, kwam met haar warmbloedig gestel overeen. Als een heldin van Walter Scott vond zij er genoegen in tusschen de rotsen van Staffa meestal alleen rond te dolen, en was dan in haren nieuwen gedachtenkring afgetrokken. Iedereen eerbiedigde haar zucht tot eenzaamheid.Zij was ook verscheidene malen naar de grot van Fingal, welker dichterlijke vreemdsoortigheid haar aantrok, teruggekeerd. Daar bracht zij geheele uren in mijmering door en hield al heel weinig rekening met de aanbevelingen, die haar gedaan waren, om er niet onvoorzichtig in te dringen.Daags daarna, den 9denSeptember, bevond het maximum van de dampkringspressie zich ter hoogte van de Schotsche kusten. In de nabijheid van dat stormcentrum verplaatsten zich de luchtlagen met een weergaloos geweld. Het was in den volsten zin des woords een orkaan. Niets zou hem op de bovenste punt van het eiland kunnen weerstand bieden.Tegen zeven uur des avonds, tijdstip, waarop het diner in Clam Shell werd opgedragen, hadden Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill alle redenen om zich zeer ongerust te gevoelen.Miss Campbell was tegen drie uur uitgegaan, zonder te zeggen waarheen, en nog was zij niet terug gekeerd.Men oefende geduld tot zes uur, evenwel niet zonder dat de angstige ongerustheid voortdurend stijgende was. Miss Campbell kwam echter niet opdagen.Olivier Sinclair was herhaalde malen op het bovenplat van het eiland geklommen, zonder haar te bespeuren....De storm loeide met een onvergelijkelijke woede en de zee zweepte met haar torenhoog opgejaagde golven zonder verpoozen het gedeelte van het eilandje, dat naar het zuidwesten gekeerd was.»Ongelukkige miss Campbell!” riep Olivier Sinclair eensklaps uit; »wanneer zij nog in de grot van Fingal is, dan moet zij er uitgehaald worden of zij is verloren!”»Helena! Helena!!” (bladz. 159).»Helena! Helena!!” (bladz. 159).
XVII.Aan boord van de »Clorinda”.Den volgenden morgen reeds ten zes uur vertrok uit de kleine haven van Jona deClorinda, een bevallig vaartuig van vijfenveertigof vijftig ton, dat bij een lichte noordwesterbries, met stuurboordshalzen over, zoo scherp mogelijk bij den wind de open zee trachtte te bereiken.DeClorindahad miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge aan boord.Er behoeft niet bijgevoegd, dat de onhandige Aristobulus Beerenkooi te huis was gelaten.Ziehier wat men overeengekomen was en waartoe men onmiddellijk na het voorval van daags te voren had besloten.Terwijl men den Abtsheuvel afdaalde om zich naar de herberg te begeven, had miss Campbell kortaf gezegd:»Waarde ooms, daar mijnheer Beerenkooi in weerwil van alles, te Jona wenscht te blijven, zullen wij mijnheer Aristobulus Beerenkooi te Jona laten. Door zijn schuld hebben wij een eerste maal te Oban, een tweede maal hier te Jona onze waarneming gemist. Wij blijven geen oogenblik langer op een plaats waar die lastige man zijn onhandigheid laat blijken.”Tegen dit voorstel, zoo kortaf en helder uitgesproken, hadden de gebroeders Melvill niets in het midden te brengen. Zij deelden ook het algemeen misnoegen en verwenschten Aristobulus Beerenkooi. De toekomst was inderdaad voor hun gunsteling verloren. Nooit zou miss Campbell voortaan iets van hem willen hooren. Zij gevoelden het, zij moesten de hoop op de vervulling van hun plan, dat onmogelijk geworden was, laten varen.»Welnu, alles wel beschouwd,” merkte broeder Sam tot broeder Sib, dien hij tot een apartje genoodigd had, zacht fluisterend op, »zulke onvoorzichtige beloften zijn geen ijzeren handboeien!”Wat met andere woorden beteekende, dat men nimmer door een voorbarig uitgesproken toezegging zich onherroepelijk gebonden kan achten. Broeder Sib had dan ook met een afdoend gebaar zijn goedkeuring aan dit Schotsche spreekwoord geschonken.Toen men elkander goeden nacht wenschte in de algemeene zaal van het wapen van Duncan, had miss Campbell gezegd:»Wij zullen morgen ochtend vertrekken; ik blijf geen dag meer hier!”»Goed, dat is uitgemaakt, waarde Helena,” antwoordde broeder Sam; »maar waarheen zullen wij gaan?”»Dat is mij onverschillig. Slechts daarheen, waar wij zeker zijn dien mijnheer Beerenkooi niet te ontmoeten.”»Het is dus van groot gewicht dat niemand wete, dat wij Jona verlaten en nog minder waar we naar toe gaan. Zou de Schotsche kust niet ergens een onbewoonde en onbewoonbare plek kunnen aanbieden, waar wij onze waarnemingen konden voortzetten?”Voorzeker zouden de gebroeders Melvill met hun tweeën die dubbelevraag, die noch uitvluchten, noch nevengedachten gedoogde, niet hebben kunnen beantwoorden.Staffa (bladz. 140).Staffa (bladz. 140).Maar Olivier Sinclair was daar—en gelukkig ook.»Miss Campbell,” zei hij, »alles kan terecht komen. Ziehier, hoe. Hier in de nabijheid is een eiland, of beter gezegd een eilandje gelegen, dat voor onze waarnemingen zeer geschikt is. Op dat eilandje zal geen mensch ons komen storen.”»Hoe heet dat eiland?”»Staffa is de naam. Gij kunt het van hier zien op hoogstens twee mijlen afstands ten noorden van Jona.”»Kan men er leven, en bestaat er mogelijkheid om er heen te komen?” vroeg miss Campbell.»Ja, en zeer gemakkelijk zelfs,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb in de haven van Jona een van die jachten gezien, die steeds gereed zijn om zee te kiezen, zooals men in iedere engelsche haven gedurende het zomerseizoen aantreft. De kapitein en verdere bemanning zijn geheel ter beschikking van den eersten den besten toerist, die hunne diensten, hetzij voor het Kanaal, voor de Noordzee of voor de Iersche zee wenscht te gebruiken. Welnu, wat belet ons, om dat jacht te huren, er de noodige provisiën voor een veertien dagen in te schepen, daar Staffa hoegenaamd geen hulpmiddelen aanbiedt, en reeds morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken?”»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, »wanneer wij morgen dit eiland in het geheim verlaten zullen hebben, zal ik u oprechte dankbaarheid verschuldigd zijn.”»Morgen vóór het middaguur zullen wij, wanneer ten minste wat bries, bij het doorkomen der zon, opsteekt, te Staffa zijn,” betuigde Olivier Sinclair. »Daar zullen wij, behalve op de toeristendagen, die tweemaal per week plaats hebben en dan slechts een uur duren, door niemand gestoord worden.”Volgens oude gewoonte der gebroeders Melvill, klonken de bijnamen van de huishoudster weer:»Bet!”»Beth!”»Bess!”»Betsy!”»Betty!”Juffrouw Bess verscheen ditmaal terstond.»Wij vertrekken morgen!” zei broeder Sam.»Morgen, bij het krieken van den dag!” vulde broeder Sib aan.Dat was voldoende; zonder naar meer te vragen, beijverden juffrouw Bess en Partridge zich, alles dadelijk voor het vertrek gereed te maken.Middelerwijl ging Olivier Sinclair naar de haven en trof daar de noodige beschikkingen met John Olduck.John Olduck was de kapitein van deClorinda, een echte zeerob met zijn ouderwetsch mutsje met gouden lis op het hoofd, zijn buisje met metalen knoopen en zijn broek van grof blauw laken. Zoodra de zaak haar beslag had gekregen, beijverden hij en zijn zes matrozen zich, om alles voor het vertrek in gereedheid te brengen. Het was uitgelezen volk, dat aan boord was, en zich gedurende den winter aan de visscherij wijdde, maar des zomers een bemanning van een onbetwistbare voortreffelijkheid boven al de zeelieden van andere landen voor de pleiziervaart leverde.Ten zes uur des morgens scheepten zich de nieuwe passagiers van deClorindain, zonder iets, aan wien ook, gezegd te hebben, omtrent de bestemming van het jacht. Men had zich meester gemaakt van al de levensmiddelen, versch vleesch of verduurzaamd en van al de dranken, die maar te krijgen waren. Daarenboven zou de kok van deClorindanog steeds het hulpmiddel hebben om den voorraad aan te vullen uit de stoomboot, die den geregelden dienst van Oban naar Staffa onderhoudt.Miss Campbell had bij het aanbreken van den dag bezit genomen van een lief en bevallig kamertje, dat zich in het achteruit van het jacht bevond. De beide broeders betrokken de hutten van de »Main Cabin,” die in de nabijheid van het salon in het breedste gedeelte van het schip zeer gemakkelijk ingericht waren. Olivier Sinclair had een hut achter de groote trap, die naar het salon voerde. Ter weerszijde van de eetzaal, waarin de groote mast stond, beschikten juffrouw Bess en Partridge ieder over een kribkooi. Meer vooruit stond de keuken in wier nabijheid de kok logeerde. Nog verder vooruit bevond zich het matrozen-logies, waarin de noodige hangmatten voor de zes matrozen. Niets ontbrak aan dit fraaie vaartuig, dat door Rotsey en Cowes gebouwd was. Bij gladde zee en stijve bries had het steeds eer ingelegd tijdens de zeilwedstrijden van de »Royal Thames yacht Club.”Het was een waar genoegen voor allen, toen deClorindazeil gemaakt had en, nadat haar anker gelicht was, den wind begon te vatten in haar groot zeil, haar achterzeil, haar stagfok en vlieger. Zij boog bevallig onder den druk der bries, zonder dat haar witgeschuurd dek, van Canada-pijnboomen dekbalken vervaardigd, ook maar een spatje overnam van de golfjes, welke door den steven gesneden werden, die zich loodrecht boven de waterlijn verhief.De afstand, die deze beidenHebriden-eilandenJona en Staffa van elkander scheidt, is zeer klein. Met goeden wind zouden twintig à vijfentwintig minuten voldoende zijn geweest om dien af te leggen voor een jacht, dat zonder moeite en zonder met zeil overladen te worden, zijn acht mijlen loopt in het uur. Maar het had in dit oogenblik den wind, die slechts flauw blies, tegen; de eb liep en hetwas tegen een vrij merkbaren stroom in, dat gelaveerd moest worden om ter hoogte van Staffa te komen.Maar dat alles kon miss Campbell weinig schelen. Dat deClorindaonder zeil was, kon als het voornaamste gerekend worden. Een uur later was Jona in den morgennevel verdwenen en met dat eiland ook het verafschuwde beeld van dien plezier-bederver, wiens naam Helena zelfs wilde vergeten.Openhartig bekende zij dat aan haar ooms:»Heb ik geen gelijk, papa Sam?”»Volkomen gelijk, mijn waarde Helena.”»En keurt mama Sib mijn meening niet goed?”»Ten volle.”»Welnu,” voegde zij er bij, terwijl zij aan ieder hunner een zoen gaf, »gij moet mij toch toegeven, dat ooms, die mij zoo’n man wilden doen huwen, een wonderlijk denkbeeld gekoesterd hebben.”Beiden ontkenden het niet.Alles wel beschouwd, was het een overheerlijke spelevaart, waaraan slechts het gebrek kleefde van te kort te duren. Maar wie belette die te verlengen en het vaartuig den Groenen Straal te gemoet te laten gaan, hem in den vollen Atlantischen Oceaan op te zoeken? Maar neen! Men was overeengekomen naar Staffa te stevenen, en John Olduck nam zijn maatregelen, om dit eilandje, dat het meest beroemde van al deHebridischeeilanden is, bij het doorkomen van den vloed te bereiken.Tegen acht uur, werd het eerste ontbijt, bestaande uit thee, boter en »sandwich’s” in de eetzaal van deClorindavoorgezet. De gasten allen goed gemutst, deden de tafel aan boord alle eer aan en betreurden den wal niet. Die ondankbaren!Toen miss Campbell op het dek terug kwam, was het jacht over stag gegaan en lag bakboord over. Het stevende naar den prachtigen vuurtoren terug, die op de Skerryvoren rots gebouwd is en op honderd vijftig voet boven hoogwater zijn licht van den eersten rang des nachts laat schijnen. De bries stak op; deClorindaworstelde onder haar groote waterzeilen tegen den stroom, maar won weinig in de richting van Staffa. En toch, zij »schoor als over de veeren”, om de schotsche uitdrukking te bezigen voor de snelheid van haar vaart.Miss Campbell had zich op een van de dikke kussens van grof linnen uitgestrekt, die aan boord van alle britsche pleizier-vaartuigen worden aangetroffen. Zij was verrukt over die snelheid van beweging, die noch door het geschok van een straatweg, noch door het getril van een spoorweg veronaangenaamd werd, over de snelheid, als van een schaatsenrijder, die met volle vaart over de spiegelgladde oppervlakte heenglijdt van een bevroren meer.Niets was bevalliger te zien dan de eleganteClorinda, die lichtelijk over één zij gebogen, met de deining op en neer ging. Soms scheen zij in de lucht te zweven als een buitengewoon groote vogel, die door zijn machtige wieken wordt gedragen.De zee, waarop men voer, was van het noorden naar het zuiden door de grooteHebridenen ten oosten door de vaste kust gedekt. Zij vormt daar een binnenwater, welks oppervlakte door de bries nog niet was bewogen.Het jacht liep in schuine richting op het eiland Staffa aan, dat zich voordoet als een groote dikke rots, die eenzaam meer zeewaarts van het eiland Mull is gelegen en zich niet hooger dan honderd voet boven de hoogste springvloeden verheft. Men kon gelooven, dat die rots het was, die van plaats veranderde en nu eens haar steile basaltachtige oevers van den westkant en dan weer de ruwe opeenstapeling van rotsblokken op haren oostkant te zien gaf. Door een soort van gezichtsbedrog scheen zij te draaien op haar grondvlak naar gelang de hoeken, waaronder deClorindahaar nu eens naderde en dan zich weer van haar verwijderde.Toch won het jacht een weinig, in weerwil van den stroom en van de bries. Wanneer het buiten de uiterste punten van Mull westwaarts opstevende, dan schudde de zee het heviger, maar het hield zich daarbij uitstekend tegen den golfslag, die uit volle zee aanrolde. Bij den volgenden slag kwam het weer in stiller water, die het bewoog als ware het de wieg van een pasgeboren kind.Tegen elf uur was deClorindagenoegzaam in het noorden opgestoken om te kunnen afhouden op Staffa. De schooten werden gevierd, de vlieger gegeid en de kapitein maakte zich gereed om ten anker te gaan.Er is geen haven te Staffa, maar het is bij alle winden aldaar gemakkelijk langs de steile oostkust te glijden, te midden van de grillig verspreide rotsen ten tijde der schommelingen van de aardkorst in de geologische tijdperken. Evenwel zou het bij zeer bar weer een zeer slecht vaarwater zijn voor een vaartuig van een zekeren diepgang.DeClorindastevende dus vrij dicht langs een opeenhooping van zware basaltrotsen. Zij bewoog zich behendig, liet ter eene zijde de Bouchaillie rots liggen, aan wier voet bij den lagen stand der eb, de prismatische zuilen, die als in bundels zijn samengevat boven water uitsteken, aan de andere zijde den straatweg, die ter linkerzij langs de kuststrook voert. Daar is de beste ankerplaats van het geheele eiland, daar nemen de sloepen de toeristen weer op, die zij aangebracht hebben, na hun wandeling op de hoogten van Staffa.DeClorindadrong een kleine kreek binnen, bijna aan den ingang van de Clam-Shell-grot gelegen. De zeilen werden geborgen en weldra plompte het anker in het water en vond een goeden ankergrond.Miss Campbell en haar metgezellen ontscheepten een oogenblik later op de eerste treden van basalt ter linkerzijde van de grot. Een houten trap, voorzien van een stevige leuning, voerde van de oppervlakte der zee tot op den afgeronden top van het eiland.Allen klommen daar langs op en bereikten het bovenste plat.Zij waren alzoo eindelijk te Staffa en zoodanig van de bewoonde wereld afgescheiden, alsof een storm hen op het meest verlaten eiland der Stille Zuidzee had geworpen.
Den volgenden morgen reeds ten zes uur vertrok uit de kleine haven van Jona deClorinda, een bevallig vaartuig van vijfenveertigof vijftig ton, dat bij een lichte noordwesterbries, met stuurboordshalzen over, zoo scherp mogelijk bij den wind de open zee trachtte te bereiken.
DeClorindahad miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge aan boord.
Er behoeft niet bijgevoegd, dat de onhandige Aristobulus Beerenkooi te huis was gelaten.
Ziehier wat men overeengekomen was en waartoe men onmiddellijk na het voorval van daags te voren had besloten.
Terwijl men den Abtsheuvel afdaalde om zich naar de herberg te begeven, had miss Campbell kortaf gezegd:
»Waarde ooms, daar mijnheer Beerenkooi in weerwil van alles, te Jona wenscht te blijven, zullen wij mijnheer Aristobulus Beerenkooi te Jona laten. Door zijn schuld hebben wij een eerste maal te Oban, een tweede maal hier te Jona onze waarneming gemist. Wij blijven geen oogenblik langer op een plaats waar die lastige man zijn onhandigheid laat blijken.”
Tegen dit voorstel, zoo kortaf en helder uitgesproken, hadden de gebroeders Melvill niets in het midden te brengen. Zij deelden ook het algemeen misnoegen en verwenschten Aristobulus Beerenkooi. De toekomst was inderdaad voor hun gunsteling verloren. Nooit zou miss Campbell voortaan iets van hem willen hooren. Zij gevoelden het, zij moesten de hoop op de vervulling van hun plan, dat onmogelijk geworden was, laten varen.
»Welnu, alles wel beschouwd,” merkte broeder Sam tot broeder Sib, dien hij tot een apartje genoodigd had, zacht fluisterend op, »zulke onvoorzichtige beloften zijn geen ijzeren handboeien!”
Wat met andere woorden beteekende, dat men nimmer door een voorbarig uitgesproken toezegging zich onherroepelijk gebonden kan achten. Broeder Sib had dan ook met een afdoend gebaar zijn goedkeuring aan dit Schotsche spreekwoord geschonken.
Toen men elkander goeden nacht wenschte in de algemeene zaal van het wapen van Duncan, had miss Campbell gezegd:
»Wij zullen morgen ochtend vertrekken; ik blijf geen dag meer hier!”
»Goed, dat is uitgemaakt, waarde Helena,” antwoordde broeder Sam; »maar waarheen zullen wij gaan?”
»Dat is mij onverschillig. Slechts daarheen, waar wij zeker zijn dien mijnheer Beerenkooi niet te ontmoeten.”
»Het is dus van groot gewicht dat niemand wete, dat wij Jona verlaten en nog minder waar we naar toe gaan. Zou de Schotsche kust niet ergens een onbewoonde en onbewoonbare plek kunnen aanbieden, waar wij onze waarnemingen konden voortzetten?”
Voorzeker zouden de gebroeders Melvill met hun tweeën die dubbelevraag, die noch uitvluchten, noch nevengedachten gedoogde, niet hebben kunnen beantwoorden.
Staffa (bladz. 140).Staffa (bladz. 140).
Staffa (bladz. 140).
Maar Olivier Sinclair was daar—en gelukkig ook.
»Miss Campbell,” zei hij, »alles kan terecht komen. Ziehier, hoe. Hier in de nabijheid is een eiland, of beter gezegd een eilandje gelegen, dat voor onze waarnemingen zeer geschikt is. Op dat eilandje zal geen mensch ons komen storen.”
»Hoe heet dat eiland?”
»Staffa is de naam. Gij kunt het van hier zien op hoogstens twee mijlen afstands ten noorden van Jona.”
»Kan men er leven, en bestaat er mogelijkheid om er heen te komen?” vroeg miss Campbell.
»Ja, en zeer gemakkelijk zelfs,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb in de haven van Jona een van die jachten gezien, die steeds gereed zijn om zee te kiezen, zooals men in iedere engelsche haven gedurende het zomerseizoen aantreft. De kapitein en verdere bemanning zijn geheel ter beschikking van den eersten den besten toerist, die hunne diensten, hetzij voor het Kanaal, voor de Noordzee of voor de Iersche zee wenscht te gebruiken. Welnu, wat belet ons, om dat jacht te huren, er de noodige provisiën voor een veertien dagen in te schepen, daar Staffa hoegenaamd geen hulpmiddelen aanbiedt, en reeds morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken?”
»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, »wanneer wij morgen dit eiland in het geheim verlaten zullen hebben, zal ik u oprechte dankbaarheid verschuldigd zijn.”
»Morgen vóór het middaguur zullen wij, wanneer ten minste wat bries, bij het doorkomen der zon, opsteekt, te Staffa zijn,” betuigde Olivier Sinclair. »Daar zullen wij, behalve op de toeristendagen, die tweemaal per week plaats hebben en dan slechts een uur duren, door niemand gestoord worden.”
Volgens oude gewoonte der gebroeders Melvill, klonken de bijnamen van de huishoudster weer:
»Bet!”
»Beth!”
»Bess!”
»Betsy!”
»Betty!”
Juffrouw Bess verscheen ditmaal terstond.
»Wij vertrekken morgen!” zei broeder Sam.
»Morgen, bij het krieken van den dag!” vulde broeder Sib aan.
Dat was voldoende; zonder naar meer te vragen, beijverden juffrouw Bess en Partridge zich, alles dadelijk voor het vertrek gereed te maken.
Middelerwijl ging Olivier Sinclair naar de haven en trof daar de noodige beschikkingen met John Olduck.
John Olduck was de kapitein van deClorinda, een echte zeerob met zijn ouderwetsch mutsje met gouden lis op het hoofd, zijn buisje met metalen knoopen en zijn broek van grof blauw laken. Zoodra de zaak haar beslag had gekregen, beijverden hij en zijn zes matrozen zich, om alles voor het vertrek in gereedheid te brengen. Het was uitgelezen volk, dat aan boord was, en zich gedurende den winter aan de visscherij wijdde, maar des zomers een bemanning van een onbetwistbare voortreffelijkheid boven al de zeelieden van andere landen voor de pleiziervaart leverde.
Ten zes uur des morgens scheepten zich de nieuwe passagiers van deClorindain, zonder iets, aan wien ook, gezegd te hebben, omtrent de bestemming van het jacht. Men had zich meester gemaakt van al de levensmiddelen, versch vleesch of verduurzaamd en van al de dranken, die maar te krijgen waren. Daarenboven zou de kok van deClorindanog steeds het hulpmiddel hebben om den voorraad aan te vullen uit de stoomboot, die den geregelden dienst van Oban naar Staffa onderhoudt.
Miss Campbell had bij het aanbreken van den dag bezit genomen van een lief en bevallig kamertje, dat zich in het achteruit van het jacht bevond. De beide broeders betrokken de hutten van de »Main Cabin,” die in de nabijheid van het salon in het breedste gedeelte van het schip zeer gemakkelijk ingericht waren. Olivier Sinclair had een hut achter de groote trap, die naar het salon voerde. Ter weerszijde van de eetzaal, waarin de groote mast stond, beschikten juffrouw Bess en Partridge ieder over een kribkooi. Meer vooruit stond de keuken in wier nabijheid de kok logeerde. Nog verder vooruit bevond zich het matrozen-logies, waarin de noodige hangmatten voor de zes matrozen. Niets ontbrak aan dit fraaie vaartuig, dat door Rotsey en Cowes gebouwd was. Bij gladde zee en stijve bries had het steeds eer ingelegd tijdens de zeilwedstrijden van de »Royal Thames yacht Club.”
Het was een waar genoegen voor allen, toen deClorindazeil gemaakt had en, nadat haar anker gelicht was, den wind begon te vatten in haar groot zeil, haar achterzeil, haar stagfok en vlieger. Zij boog bevallig onder den druk der bries, zonder dat haar witgeschuurd dek, van Canada-pijnboomen dekbalken vervaardigd, ook maar een spatje overnam van de golfjes, welke door den steven gesneden werden, die zich loodrecht boven de waterlijn verhief.
De afstand, die deze beidenHebriden-eilandenJona en Staffa van elkander scheidt, is zeer klein. Met goeden wind zouden twintig à vijfentwintig minuten voldoende zijn geweest om dien af te leggen voor een jacht, dat zonder moeite en zonder met zeil overladen te worden, zijn acht mijlen loopt in het uur. Maar het had in dit oogenblik den wind, die slechts flauw blies, tegen; de eb liep en hetwas tegen een vrij merkbaren stroom in, dat gelaveerd moest worden om ter hoogte van Staffa te komen.
Maar dat alles kon miss Campbell weinig schelen. Dat deClorindaonder zeil was, kon als het voornaamste gerekend worden. Een uur later was Jona in den morgennevel verdwenen en met dat eiland ook het verafschuwde beeld van dien plezier-bederver, wiens naam Helena zelfs wilde vergeten.
Openhartig bekende zij dat aan haar ooms:
»Heb ik geen gelijk, papa Sam?”
»Volkomen gelijk, mijn waarde Helena.”
»En keurt mama Sib mijn meening niet goed?”
»Ten volle.”
»Welnu,” voegde zij er bij, terwijl zij aan ieder hunner een zoen gaf, »gij moet mij toch toegeven, dat ooms, die mij zoo’n man wilden doen huwen, een wonderlijk denkbeeld gekoesterd hebben.”
Beiden ontkenden het niet.
Alles wel beschouwd, was het een overheerlijke spelevaart, waaraan slechts het gebrek kleefde van te kort te duren. Maar wie belette die te verlengen en het vaartuig den Groenen Straal te gemoet te laten gaan, hem in den vollen Atlantischen Oceaan op te zoeken? Maar neen! Men was overeengekomen naar Staffa te stevenen, en John Olduck nam zijn maatregelen, om dit eilandje, dat het meest beroemde van al deHebridischeeilanden is, bij het doorkomen van den vloed te bereiken.
Tegen acht uur, werd het eerste ontbijt, bestaande uit thee, boter en »sandwich’s” in de eetzaal van deClorindavoorgezet. De gasten allen goed gemutst, deden de tafel aan boord alle eer aan en betreurden den wal niet. Die ondankbaren!
Toen miss Campbell op het dek terug kwam, was het jacht over stag gegaan en lag bakboord over. Het stevende naar den prachtigen vuurtoren terug, die op de Skerryvoren rots gebouwd is en op honderd vijftig voet boven hoogwater zijn licht van den eersten rang des nachts laat schijnen. De bries stak op; deClorindaworstelde onder haar groote waterzeilen tegen den stroom, maar won weinig in de richting van Staffa. En toch, zij »schoor als over de veeren”, om de schotsche uitdrukking te bezigen voor de snelheid van haar vaart.
Miss Campbell had zich op een van de dikke kussens van grof linnen uitgestrekt, die aan boord van alle britsche pleizier-vaartuigen worden aangetroffen. Zij was verrukt over die snelheid van beweging, die noch door het geschok van een straatweg, noch door het getril van een spoorweg veronaangenaamd werd, over de snelheid, als van een schaatsenrijder, die met volle vaart over de spiegelgladde oppervlakte heenglijdt van een bevroren meer.Niets was bevalliger te zien dan de eleganteClorinda, die lichtelijk over één zij gebogen, met de deining op en neer ging. Soms scheen zij in de lucht te zweven als een buitengewoon groote vogel, die door zijn machtige wieken wordt gedragen.
De zee, waarop men voer, was van het noorden naar het zuiden door de grooteHebridenen ten oosten door de vaste kust gedekt. Zij vormt daar een binnenwater, welks oppervlakte door de bries nog niet was bewogen.
Het jacht liep in schuine richting op het eiland Staffa aan, dat zich voordoet als een groote dikke rots, die eenzaam meer zeewaarts van het eiland Mull is gelegen en zich niet hooger dan honderd voet boven de hoogste springvloeden verheft. Men kon gelooven, dat die rots het was, die van plaats veranderde en nu eens haar steile basaltachtige oevers van den westkant en dan weer de ruwe opeenstapeling van rotsblokken op haren oostkant te zien gaf. Door een soort van gezichtsbedrog scheen zij te draaien op haar grondvlak naar gelang de hoeken, waaronder deClorindahaar nu eens naderde en dan zich weer van haar verwijderde.
Toch won het jacht een weinig, in weerwil van den stroom en van de bries. Wanneer het buiten de uiterste punten van Mull westwaarts opstevende, dan schudde de zee het heviger, maar het hield zich daarbij uitstekend tegen den golfslag, die uit volle zee aanrolde. Bij den volgenden slag kwam het weer in stiller water, die het bewoog als ware het de wieg van een pasgeboren kind.
Tegen elf uur was deClorindagenoegzaam in het noorden opgestoken om te kunnen afhouden op Staffa. De schooten werden gevierd, de vlieger gegeid en de kapitein maakte zich gereed om ten anker te gaan.
Er is geen haven te Staffa, maar het is bij alle winden aldaar gemakkelijk langs de steile oostkust te glijden, te midden van de grillig verspreide rotsen ten tijde der schommelingen van de aardkorst in de geologische tijdperken. Evenwel zou het bij zeer bar weer een zeer slecht vaarwater zijn voor een vaartuig van een zekeren diepgang.
DeClorindastevende dus vrij dicht langs een opeenhooping van zware basaltrotsen. Zij bewoog zich behendig, liet ter eene zijde de Bouchaillie rots liggen, aan wier voet bij den lagen stand der eb, de prismatische zuilen, die als in bundels zijn samengevat boven water uitsteken, aan de andere zijde den straatweg, die ter linkerzij langs de kuststrook voert. Daar is de beste ankerplaats van het geheele eiland, daar nemen de sloepen de toeristen weer op, die zij aangebracht hebben, na hun wandeling op de hoogten van Staffa.
DeClorindadrong een kleine kreek binnen, bijna aan den ingang van de Clam-Shell-grot gelegen. De zeilen werden geborgen en weldra plompte het anker in het water en vond een goeden ankergrond.
Miss Campbell en haar metgezellen ontscheepten een oogenblik later op de eerste treden van basalt ter linkerzijde van de grot. Een houten trap, voorzien van een stevige leuning, voerde van de oppervlakte der zee tot op den afgeronden top van het eiland.
Allen klommen daar langs op en bereikten het bovenste plat.
Zij waren alzoo eindelijk te Staffa en zoodanig van de bewoonde wereld afgescheiden, alsof een storm hen op het meest verlaten eiland der Stille Zuidzee had geworpen.
XVIII.Staffa.Staffa is maar een eilandje, dat ’s waar; maar de natuur heeft er het meest belangwekkende van den geheelenHebriden-Archipelvan gemaakt. Het groote eivormige rotsblok, dat een mijl lang en een halve breed is, verbergt onder zijn korst bewonderenswaardige grotten van basaltischen oorsprong. Het is dan ook een zeer gezocht punt van samenkomst, zoowel voor de geologen, als voor de toeristen. Noch miss Campbell noch de gebroeders Melvill hadden evenwel vroeger Staffa bezocht. Alleen Olivier Sinclair kende er de bewonderenswaardigheden van. Hij was dus de aangewezen persoon om de eer van het eiland op te houden, waarheen zij gekomen waren om voor eenige dagen gastvrijheid te genieten.De rots heeft alleen het aanzijn te danken aan de kristalvorming van een overgrooten basaltknoest, die daar in de eerste tijdperken van wording der aardkorst gestold is. En dat dagteekent niet van gisteren; want volgens de waarnemingen van Hemholtz—welke als gevolgtrekkingen van de proefnemingen van Bisschof over de afkoeling van den basalt, die niet in gesmolten toestand heeft kunnen voorkomen dan bij een hitte van twee duizend graden, te beschouwen zijn—is er niet minder noodig geweest om de geheele afkoeling van dat blok te bewerken, dan drie honderd vijftig millioen jaren. Het is dus fabelachtig lang geleden, dat de aarde na eerst in den gasvormigen, daarna in den vloeibaren toestand bestaan te hebben, begon met een vaste korst te vertoonen.Zoo Aristobulus Beerenkooi tegenwoordig ware geweest, zou hij stof te over hebben gehad voor de een of andere verhandeling over de verschijnselen uit de geologische tijdperken. Maar gelukkig was hij ver af; miss Campbell dacht niet meer aan hem en, broederSam fluisterde in het oor van broeder Sib:De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).»Men moet die vlieg stil op den muur laten zitten.”Schotsch spreekwoord: gelijk aan het Nederlandsche: »men moet geen slapende honden wakker maken.”.Men vergenoegde zich met rond te kijken en men keek elkaar ook eens aan.»Wij moeten eerst bezit nemen van ons nieuw domein,” zei Olivier Sinclair.»Zonder uit het oog te verliezen, waarom wij er gekomen zijn,” sprak miss Campbell met een bekoorlijken glimlach.»Zonder dat uit het oog te verliezen, zou ik meenen!” bevestigde Olivier Sinclair. »Kom, laat ons een waarnemingspost kiezen en nagaan welken gezichteinder zich westwaarts van ons eiland uitstrekt.”»Zeker,” zei miss Campbell. »Maar de lucht is een weinig beneveld vandaag. Ik geloof niet, dat wij gunstige verwachtingen van den zons-ondergang te koesteren hebben.”»Wij kunnen wachten, miss Campbell, en willen dit, desnoods totdat de equinoxiable stormen intreden.”»Ja, wij zullen wachten!” verzekerden de gebroeders Melvill,... »tenzij Helena bevelen geeft te vertrekken.”»Oh! ik heb geen haast,” antwoordde het jonge meisje, dat zich sedert hun vertrek van Jona zeer gelukkig gevoelde. »Neen, ik heb geen haast. De ligging van dit eilandje is heerlijk. Een villa, die hier op dit weiland, dat zich als een fraai groen tapijt uitstrekt, gebouwd werd, zou niet onaangenaam te bewonen zijn, zelfs wanneer de windvlagen, die Amerika ons zoo mild toezendt, over de rotsen van Staffa huilen.”»Hm! hm! die moeten toch schrikkelijk zijn, hier op die uiterste grens van den Atlantischen Oceaan!” zei broeder Sib.»En dat zijn ze ook waarlijk,” verzekerde Olivier Sinclair. »Staffa staat geheel en al bloot aan al de winden, die uit volle zee waaien en biedt slechts eenige beschutting op zijn oosterstrand aan, aan de zijde, waar deClorindavoor anker ligt. Het slechte seizoen duurt negen maanden van de twaalf op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan.»Dat is zeker de reden,” merkte broeder Sam op, »dat wij geen enkelen boom bespeuren. Iedere plant moet hier op dit plateau te niet gaan, wanneer zij zich slechts weinige voeten boven den grond verheft.”»Welnu, zou het u niet kunnen bekoren, hier op dit eilandje twee of drie zomermaanden door te brengen?” vroeg miss Campbell.—»Gij moest Staffa koopen, oompjeslief, wanneer Staffa te koop is.”Broeder Sam en broeder Sib hadden reeds de hand in den zak gestoken, alsof het dadelijk gold, dien aankoop komptant te betalen enhandelden daarbij als ooms, die geen enkele gril hunner nicht onvervuld willen laten.»Wien behoort Staffa?” vroeg broeder Sib.»Aan de familie der Mac Donald’s,” antwoordde Olivier Sinclair. »Zij verpacht het voor twaalf pond (honderd vier en veertig gulden) ’s jaars; maar ik geloof, dat zij het voor geen som ter wereld zouden willen verkoopen.”»Dat ’s jammer!” zei miss Campbell, die, zooals men weet, van een geestdriftvolle geaardheid was en zich nu in een geestesvervoering bevond, die haar opgetogenheid nog vermeerderde.Al keuvelende doorkruisten de nieuwe gasten van Staffa de oneffen oppervlakte van hun eiland, die hier en daar met groenende grasstrooken bedeeld is. Het was de dag niet, door de Stoomvaart-maatschappij te Oban bestemd voor het bezoek der kleineHebriden. Miss Campbell en haar geleiders hadden dan ook niets te vreezen van lastige toeristen. Zij bevonden zich alleen op de eenzame rots. Eenige paarden van zeer klein ras en enkele zwarte koeien graasden er en vonden in het magere gras niet veel voedsel. Hier en daar staken lava-beddingen door de dunne humuslaag heen. Geen herder paste op die dieren en bewaakte men de viervoetige eilandbewoners, dan was het van uit de verte—misschien van Jona of zelfs van de kuststrook van Mull, dat vijftien mijlen oostwaarts gelegen is.Er was ook geen huis te bekennen. Alleen stonden er de overblijfselen eener hut, welke door de verschrikkelijke stormen, die zich gewoonlijk tusschen de herfst- en lente-evening ontketenen, verwoest was. Waarlijk, twaalf pond was een mooie pachtschat voor eenige bunders weiland, dat er geschoren uitzag, alsof het oud fluweel was, dat tot op den ketting was versleten.Het onderzoek van de oppervlakte van het eilandje was gauw genoeg afgeloopen; men kon toen overgaan om den gezichteinder waar te nemen.Klaarblijkelijk had men dien avond niets van den zonsondergang te verwachten. Met de veranderlijkheid, die de Septemberdagen kenschetsen, was de hemel, die daags te voren zoo helder was, weer geheel beneveld. Tegen zes uur vertoonden zich eenige roodachtige wolken, van de soort, die een aanstaande storing in den dampkring aanduiden, en ontdekten zij den westelijken horizon. De gebroeders Melvill moesten zelfs, hoewel tot hun leedwezen, erkennen dat de aneroïde barometer van deClorindanaar »veranderlijk” terugkeerde, en zelfs een neiging vertoonde dat te overschrijden.Allen keerden dan ook naar boord terug, nadat de zon was ondergegaan achter een donkere kim, die door de deinende golven, welke uit volle zee aanrolden, nog onzuiverder gemaakt was. Denacht werd rustig doorgebracht in de kleine kreek, die door de ribben van Clam-Shell gevormd was.Daags daarna, den 7denSeptember, werd tot een zeer ernstige verkenning van het eilandje besloten. Na het onderzoek van het bovendek, betaamde het, dat hetgeen er onder zat ook doorsnuffeld werd. Moest men den tijd niet dooden, nu door een waar noodlot—alleen aan Aristobulus Beerenkooi te wijten—tot nu toe de waarneming van het natuurverschijnsel verhinderd was? Daarenboven, zou men het uitstapje naar de grotten, die dat onnoozel eilandje derHebridenzoo beroemd gemaakt hebben, niet behoeven te betreuren.Allereerst werd dien dag overgegaan om den kelder van Clam-Shell, voor welks opening het jacht ten anker lag te onderzoeken. De kok nam, op raadgeving van Olivier Sinclair, alle voorbereidende maatregelen om zelfs het ontbijt daarin te kunnen voordienen. Daar zouden de gasten wanen, in het hol van een schip opgesloten te zitten. En inderdaad, die veertig of vijftig voet lange prisma’s, die als het geraamte der grot vormden, konden zeer wel met de gebinten van een schip vergeleken worden.De grot, welke dertig voet hoog, vijftien breed en honderd diep was, kon gemakkelijk binnen gedrongen worden. Haar opening is nagenoeg oostwaarts gekeerd, waardoor zij tegen de stormvlagen gedekt is. De groote golven, die door de orkanen in de andere grotten van het eilandje gezweept worden, konden haar niet bereiken. Maar zij was daarom wellicht niet minder belangwekkend.En toch is de aard van die basaltbogen, die eerder door ’s menschen handen dan door de natuur gevormd schijnen, wel geschikt om bewondering uit te lokken.Miss Campbell was zeer opgetogen over haar bezoek aan die grot. Olivier Sinclair deed haar de schoonheden van Clam Shell opmerken, met minder wetenschappelijken omhaal den Aristobulus Beerenkooi zulks zou gedaan hebben, maar daarentegen met meer kunstzin voorzeker.»Ik wenschte wel een herinnering aan ons bezoek aan de Clam-Shell-grot te hebben,” zei miss Campbell.»Niets is gemakkelijker,” antwoordde Olivier Sinclair.En met weinige potloodstreepen vervaardigde hij een schets van de grot genomen van de rots, die aan het uiteinde van den basaltweg uitsteekt. De opening der grot, het uiterlijke van een overgroot zee-zoogdier, dat afgaande op de wanden tot geraamte vergaan was; de lichte trap, die naar den top van het eiland voert; het zoo stille en zoo heldere water bij den ingang en waarin de geheele basaltmassa zich spiegelt, dat alles werd heel kunstig op een albumblaadje te voorschijn getooverd.Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)De jeugdige schilder plaatste aan den voet der teekening het navolgend onderschrift, dat volstrekt niet schaden kon:Olivier Sinclair aan Miss Campbell.Staffa, 7 September 1881.Toen het ontbijt genuttigd was, liet John Olduck de grootste der twee sloepen van deClorindaoptuigen. De passagiers stapten er in, en, de schilderachtige oevers van het eiland omzeilende, begaven zij zich naar de grot de Schuit, aldus genaamd, omdat de zee de geheele binnenruimte bespoelt en men er niet zonder vaartuig binnen kan dringen.Deze grot is op het zuidwestelijk gedeelte van het eiland gelegen. Bij eenigszins hooggaande deining, zoude het zeer onvoorzichtig zijn er in te varen; want dan is de beweging van het water daarbinnen hevig. Maar dien dag was de wind nog niet opgestoken, hoewel het dreigend weer was. Het bezoek aan die grot leverde dus geen gevaar op.Juist toen de sloep van deClorindavóór de opening van die diepe uitholling was aangekomen, liet de stoomboot, met toeristen van Oban bevracht, haar anker in het gezicht van het eiland vallen. Gelukkig zouden onze vrienden, gedurende het tijdsverloop van twee uur, dat Staffa aan de passagiers van dePioneertoebehoorde, niet gehinderd worden. Zij bleven onopgemerkt in hunne grot de Schuit, terwijl de anderen het voorgeschreven bezoek aan de Fingalsgrot brachten en de oppervlakte van het eiland doorkruisten. De gelegenheid ontbrak dus, om met die wel wat levendige bezoekers in aanraking te komen, waarover miss Campbell en haar metgezellen niet rouwig waren. En inderdaad, waarom zou Aristobulus Beerenkooi, nadat zijn reisgezellen zoo plotseling verdwenen waren, niet aan boord van de stoomboot, die te Jona aanlegde, gestapt zijn, om naar Oban terug te keeren. Van alle ontmoetingen, was men er wel op uit omdiete mijden.Maar hoe het ook zij, of de teleurgestelde minnaar zich bevond onder de bezoekers van den 7denSeptember of niet, zooveel is zeker, dat geen enkele op Staffa was teruggebleven, toen de stoomboot vertrokken was. Toen miss Campbell, de gebroeders Melvill en Olivier Sinclair uit de lange schacht traden, uit een soort tunnel zonder uitgang, die in het basalt zou geboord zijn, was de kalmte op het rotsige eiland Staffa, daar aan de uiterste grens van den Atlantischen Oceaan, weergekeerd.Men gewaagt van een zeker aantal beroemde spelonken, die in menige streek van den aardbol, maar voornamelijk in de vulkanische aardlagen worden aangetroffen. Zij zijn, naarmate van hun oorsprong, onderscheiden in neptunische of plutonische.En inderdaad, de eene soort van die holen is gevormd door de uitwerking van het water, dat zelfs de granietmassa’s invreet, afslijt,oplost, zelfs zoodanig, dat uitgestrekte holen ontstaan. Zoo zijn de grotten van Crozen in Bretagne, die van Bonifacio op Corsica, van Morghatten in Noorwegen, van Sint Michiel te Gibraltar, van Saratchel op de kust van het eiland Wight, van Han en Rochefort in België, van Tourana in de steile marmerkust van Cochinchina.De andere soort, op geheel andere wijze gevormd, heeft haar ontstaan te danken aan de inkrimping der graniet- of basalt-wanden, teweeggebracht door de afkoeling van de heete rotsen in het plutonisch tijdperk. Zij bezitten in den regel een grootscher karakter, dat aan de grotten van neptunischen oorsprong ontbreekt.Bij de eerste heeft de natuur, haar grondbeginselen steeds getrouw, krachtsinspanning, bij de tweede tijd bezuinigd.Onder de plutonische grotten, die door de werking van het vuur ontstaan zijn, behoort in de eerste plaats genoemd de Fingal’s grot—de Fingal’s kelder, zooals de prozaïsche uitdrukking der Engelschen luidt.Aan het bezoek van dat wereldwonder zou de volgende dag worden gewijd.
Staffa is maar een eilandje, dat ’s waar; maar de natuur heeft er het meest belangwekkende van den geheelenHebriden-Archipelvan gemaakt. Het groote eivormige rotsblok, dat een mijl lang en een halve breed is, verbergt onder zijn korst bewonderenswaardige grotten van basaltischen oorsprong. Het is dan ook een zeer gezocht punt van samenkomst, zoowel voor de geologen, als voor de toeristen. Noch miss Campbell noch de gebroeders Melvill hadden evenwel vroeger Staffa bezocht. Alleen Olivier Sinclair kende er de bewonderenswaardigheden van. Hij was dus de aangewezen persoon om de eer van het eiland op te houden, waarheen zij gekomen waren om voor eenige dagen gastvrijheid te genieten.
De rots heeft alleen het aanzijn te danken aan de kristalvorming van een overgrooten basaltknoest, die daar in de eerste tijdperken van wording der aardkorst gestold is. En dat dagteekent niet van gisteren; want volgens de waarnemingen van Hemholtz—welke als gevolgtrekkingen van de proefnemingen van Bisschof over de afkoeling van den basalt, die niet in gesmolten toestand heeft kunnen voorkomen dan bij een hitte van twee duizend graden, te beschouwen zijn—is er niet minder noodig geweest om de geheele afkoeling van dat blok te bewerken, dan drie honderd vijftig millioen jaren. Het is dus fabelachtig lang geleden, dat de aarde na eerst in den gasvormigen, daarna in den vloeibaren toestand bestaan te hebben, begon met een vaste korst te vertoonen.
Zoo Aristobulus Beerenkooi tegenwoordig ware geweest, zou hij stof te over hebben gehad voor de een of andere verhandeling over de verschijnselen uit de geologische tijdperken. Maar gelukkig was hij ver af; miss Campbell dacht niet meer aan hem en, broederSam fluisterde in het oor van broeder Sib:
De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).
De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).
»Men moet die vlieg stil op den muur laten zitten.”
Schotsch spreekwoord: gelijk aan het Nederlandsche: »men moet geen slapende honden wakker maken.”.
Men vergenoegde zich met rond te kijken en men keek elkaar ook eens aan.
»Wij moeten eerst bezit nemen van ons nieuw domein,” zei Olivier Sinclair.
»Zonder uit het oog te verliezen, waarom wij er gekomen zijn,” sprak miss Campbell met een bekoorlijken glimlach.
»Zonder dat uit het oog te verliezen, zou ik meenen!” bevestigde Olivier Sinclair. »Kom, laat ons een waarnemingspost kiezen en nagaan welken gezichteinder zich westwaarts van ons eiland uitstrekt.”
»Zeker,” zei miss Campbell. »Maar de lucht is een weinig beneveld vandaag. Ik geloof niet, dat wij gunstige verwachtingen van den zons-ondergang te koesteren hebben.”
»Wij kunnen wachten, miss Campbell, en willen dit, desnoods totdat de equinoxiable stormen intreden.”
»Ja, wij zullen wachten!” verzekerden de gebroeders Melvill,... »tenzij Helena bevelen geeft te vertrekken.”
»Oh! ik heb geen haast,” antwoordde het jonge meisje, dat zich sedert hun vertrek van Jona zeer gelukkig gevoelde. »Neen, ik heb geen haast. De ligging van dit eilandje is heerlijk. Een villa, die hier op dit weiland, dat zich als een fraai groen tapijt uitstrekt, gebouwd werd, zou niet onaangenaam te bewonen zijn, zelfs wanneer de windvlagen, die Amerika ons zoo mild toezendt, over de rotsen van Staffa huilen.”
»Hm! hm! die moeten toch schrikkelijk zijn, hier op die uiterste grens van den Atlantischen Oceaan!” zei broeder Sib.
»En dat zijn ze ook waarlijk,” verzekerde Olivier Sinclair. »Staffa staat geheel en al bloot aan al de winden, die uit volle zee waaien en biedt slechts eenige beschutting op zijn oosterstrand aan, aan de zijde, waar deClorindavoor anker ligt. Het slechte seizoen duurt negen maanden van de twaalf op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan.
»Dat is zeker de reden,” merkte broeder Sam op, »dat wij geen enkelen boom bespeuren. Iedere plant moet hier op dit plateau te niet gaan, wanneer zij zich slechts weinige voeten boven den grond verheft.”
»Welnu, zou het u niet kunnen bekoren, hier op dit eilandje twee of drie zomermaanden door te brengen?” vroeg miss Campbell.—»Gij moest Staffa koopen, oompjeslief, wanneer Staffa te koop is.”
Broeder Sam en broeder Sib hadden reeds de hand in den zak gestoken, alsof het dadelijk gold, dien aankoop komptant te betalen enhandelden daarbij als ooms, die geen enkele gril hunner nicht onvervuld willen laten.
»Wien behoort Staffa?” vroeg broeder Sib.
»Aan de familie der Mac Donald’s,” antwoordde Olivier Sinclair. »Zij verpacht het voor twaalf pond (honderd vier en veertig gulden) ’s jaars; maar ik geloof, dat zij het voor geen som ter wereld zouden willen verkoopen.”
»Dat ’s jammer!” zei miss Campbell, die, zooals men weet, van een geestdriftvolle geaardheid was en zich nu in een geestesvervoering bevond, die haar opgetogenheid nog vermeerderde.
Al keuvelende doorkruisten de nieuwe gasten van Staffa de oneffen oppervlakte van hun eiland, die hier en daar met groenende grasstrooken bedeeld is. Het was de dag niet, door de Stoomvaart-maatschappij te Oban bestemd voor het bezoek der kleineHebriden. Miss Campbell en haar geleiders hadden dan ook niets te vreezen van lastige toeristen. Zij bevonden zich alleen op de eenzame rots. Eenige paarden van zeer klein ras en enkele zwarte koeien graasden er en vonden in het magere gras niet veel voedsel. Hier en daar staken lava-beddingen door de dunne humuslaag heen. Geen herder paste op die dieren en bewaakte men de viervoetige eilandbewoners, dan was het van uit de verte—misschien van Jona of zelfs van de kuststrook van Mull, dat vijftien mijlen oostwaarts gelegen is.
Er was ook geen huis te bekennen. Alleen stonden er de overblijfselen eener hut, welke door de verschrikkelijke stormen, die zich gewoonlijk tusschen de herfst- en lente-evening ontketenen, verwoest was. Waarlijk, twaalf pond was een mooie pachtschat voor eenige bunders weiland, dat er geschoren uitzag, alsof het oud fluweel was, dat tot op den ketting was versleten.
Het onderzoek van de oppervlakte van het eilandje was gauw genoeg afgeloopen; men kon toen overgaan om den gezichteinder waar te nemen.
Klaarblijkelijk had men dien avond niets van den zonsondergang te verwachten. Met de veranderlijkheid, die de Septemberdagen kenschetsen, was de hemel, die daags te voren zoo helder was, weer geheel beneveld. Tegen zes uur vertoonden zich eenige roodachtige wolken, van de soort, die een aanstaande storing in den dampkring aanduiden, en ontdekten zij den westelijken horizon. De gebroeders Melvill moesten zelfs, hoewel tot hun leedwezen, erkennen dat de aneroïde barometer van deClorindanaar »veranderlijk” terugkeerde, en zelfs een neiging vertoonde dat te overschrijden.
Allen keerden dan ook naar boord terug, nadat de zon was ondergegaan achter een donkere kim, die door de deinende golven, welke uit volle zee aanrolden, nog onzuiverder gemaakt was. Denacht werd rustig doorgebracht in de kleine kreek, die door de ribben van Clam-Shell gevormd was.
Daags daarna, den 7denSeptember, werd tot een zeer ernstige verkenning van het eilandje besloten. Na het onderzoek van het bovendek, betaamde het, dat hetgeen er onder zat ook doorsnuffeld werd. Moest men den tijd niet dooden, nu door een waar noodlot—alleen aan Aristobulus Beerenkooi te wijten—tot nu toe de waarneming van het natuurverschijnsel verhinderd was? Daarenboven, zou men het uitstapje naar de grotten, die dat onnoozel eilandje derHebridenzoo beroemd gemaakt hebben, niet behoeven te betreuren.
Allereerst werd dien dag overgegaan om den kelder van Clam-Shell, voor welks opening het jacht ten anker lag te onderzoeken. De kok nam, op raadgeving van Olivier Sinclair, alle voorbereidende maatregelen om zelfs het ontbijt daarin te kunnen voordienen. Daar zouden de gasten wanen, in het hol van een schip opgesloten te zitten. En inderdaad, die veertig of vijftig voet lange prisma’s, die als het geraamte der grot vormden, konden zeer wel met de gebinten van een schip vergeleken worden.
De grot, welke dertig voet hoog, vijftien breed en honderd diep was, kon gemakkelijk binnen gedrongen worden. Haar opening is nagenoeg oostwaarts gekeerd, waardoor zij tegen de stormvlagen gedekt is. De groote golven, die door de orkanen in de andere grotten van het eilandje gezweept worden, konden haar niet bereiken. Maar zij was daarom wellicht niet minder belangwekkend.
En toch is de aard van die basaltbogen, die eerder door ’s menschen handen dan door de natuur gevormd schijnen, wel geschikt om bewondering uit te lokken.
Miss Campbell was zeer opgetogen over haar bezoek aan die grot. Olivier Sinclair deed haar de schoonheden van Clam Shell opmerken, met minder wetenschappelijken omhaal den Aristobulus Beerenkooi zulks zou gedaan hebben, maar daarentegen met meer kunstzin voorzeker.
»Ik wenschte wel een herinnering aan ons bezoek aan de Clam-Shell-grot te hebben,” zei miss Campbell.
»Niets is gemakkelijker,” antwoordde Olivier Sinclair.
En met weinige potloodstreepen vervaardigde hij een schets van de grot genomen van de rots, die aan het uiteinde van den basaltweg uitsteekt. De opening der grot, het uiterlijke van een overgroot zee-zoogdier, dat afgaande op de wanden tot geraamte vergaan was; de lichte trap, die naar den top van het eiland voert; het zoo stille en zoo heldere water bij den ingang en waarin de geheele basaltmassa zich spiegelt, dat alles werd heel kunstig op een albumblaadje te voorschijn getooverd.
Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)
Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)
De jeugdige schilder plaatste aan den voet der teekening het navolgend onderschrift, dat volstrekt niet schaden kon:
Olivier Sinclair aan Miss Campbell.Staffa, 7 September 1881.
Olivier Sinclair aan Miss Campbell.
Staffa, 7 September 1881.
Toen het ontbijt genuttigd was, liet John Olduck de grootste der twee sloepen van deClorindaoptuigen. De passagiers stapten er in, en, de schilderachtige oevers van het eiland omzeilende, begaven zij zich naar de grot de Schuit, aldus genaamd, omdat de zee de geheele binnenruimte bespoelt en men er niet zonder vaartuig binnen kan dringen.
Deze grot is op het zuidwestelijk gedeelte van het eiland gelegen. Bij eenigszins hooggaande deining, zoude het zeer onvoorzichtig zijn er in te varen; want dan is de beweging van het water daarbinnen hevig. Maar dien dag was de wind nog niet opgestoken, hoewel het dreigend weer was. Het bezoek aan die grot leverde dus geen gevaar op.
Juist toen de sloep van deClorindavóór de opening van die diepe uitholling was aangekomen, liet de stoomboot, met toeristen van Oban bevracht, haar anker in het gezicht van het eiland vallen. Gelukkig zouden onze vrienden, gedurende het tijdsverloop van twee uur, dat Staffa aan de passagiers van dePioneertoebehoorde, niet gehinderd worden. Zij bleven onopgemerkt in hunne grot de Schuit, terwijl de anderen het voorgeschreven bezoek aan de Fingalsgrot brachten en de oppervlakte van het eiland doorkruisten. De gelegenheid ontbrak dus, om met die wel wat levendige bezoekers in aanraking te komen, waarover miss Campbell en haar metgezellen niet rouwig waren. En inderdaad, waarom zou Aristobulus Beerenkooi, nadat zijn reisgezellen zoo plotseling verdwenen waren, niet aan boord van de stoomboot, die te Jona aanlegde, gestapt zijn, om naar Oban terug te keeren. Van alle ontmoetingen, was men er wel op uit omdiete mijden.
Maar hoe het ook zij, of de teleurgestelde minnaar zich bevond onder de bezoekers van den 7denSeptember of niet, zooveel is zeker, dat geen enkele op Staffa was teruggebleven, toen de stoomboot vertrokken was. Toen miss Campbell, de gebroeders Melvill en Olivier Sinclair uit de lange schacht traden, uit een soort tunnel zonder uitgang, die in het basalt zou geboord zijn, was de kalmte op het rotsige eiland Staffa, daar aan de uiterste grens van den Atlantischen Oceaan, weergekeerd.
Men gewaagt van een zeker aantal beroemde spelonken, die in menige streek van den aardbol, maar voornamelijk in de vulkanische aardlagen worden aangetroffen. Zij zijn, naarmate van hun oorsprong, onderscheiden in neptunische of plutonische.
En inderdaad, de eene soort van die holen is gevormd door de uitwerking van het water, dat zelfs de granietmassa’s invreet, afslijt,oplost, zelfs zoodanig, dat uitgestrekte holen ontstaan. Zoo zijn de grotten van Crozen in Bretagne, die van Bonifacio op Corsica, van Morghatten in Noorwegen, van Sint Michiel te Gibraltar, van Saratchel op de kust van het eiland Wight, van Han en Rochefort in België, van Tourana in de steile marmerkust van Cochinchina.
De andere soort, op geheel andere wijze gevormd, heeft haar ontstaan te danken aan de inkrimping der graniet- of basalt-wanden, teweeggebracht door de afkoeling van de heete rotsen in het plutonisch tijdperk. Zij bezitten in den regel een grootscher karakter, dat aan de grotten van neptunischen oorsprong ontbreekt.
Bij de eerste heeft de natuur, haar grondbeginselen steeds getrouw, krachtsinspanning, bij de tweede tijd bezuinigd.
Onder de plutonische grotten, die door de werking van het vuur ontstaan zijn, behoort in de eerste plaats genoemd de Fingal’s grot—de Fingal’s kelder, zooals de prozaïsche uitdrukking der Engelschen luidt.
Aan het bezoek van dat wereldwonder zou de volgende dag worden gewijd.
XIX.De Fingal’s grot.Indien de kapitein van deClorindagedurende de laatste vier en twintig uren zich in een der havens van het Vereenigd Koninkrijk bevonden had, zou hij kennis hebben bekomen van een meteorologisch bericht, dat weinig geruststellends bevatte voor de schepen, die zich zeilende of stoomende op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan bevonden.En inderdaad, de telegraaf van New-York had een stormvlaag aangekondigd. Die stormvlaag dreigde, na den Atlantischen Oceaan van het westen naar het noord-oosten te zijn overgestoken, zich met alle woestheid op de kusten van Ierland en Schotland te werpen, alvorens haar krachten op de kusten van Noorwegen te verspillen.Maar bij gebrek aan dat weerbericht, duidde de barometer van het jacht toch een groote atmospherische stoornis aan, waarmede ieder voorzichtig zeeman rekening moest houden.Dien morgen van den 8stenSeptember dus beklom John Olduck, nog al verontrust, den rotsrand, die Staffa in het westen begrenst, ten einde den toestand van de zee en van den dampkring te onderzoeken.Wolken met zeer onscherpe vormen, eigenlijk meer nevelflarden joegen reeds met groote snelheid door de luchtruimte. De bries stak meer en meer op en zou weldra aangroeien tot storm. De zee, met schuim overdekt, was melkwit. De golven braken met kracht op de basaltkegels, die den grondslag van het eilandje vormen.John Olduck was lang niet gerustgesteld. Hoewel deClorindain de kreek van Clam Shell eenigermate gedekt lag, zoo was dit toch geen veilige ankerplaats, zelfs voor een vaartuig van geringe afmeting. De aandrang van het water, dat tusschen de eilandjes en den ooster straatweg gezweept werd, moest een zeer gevaarlijke branding doen ontstaan, die den toestand van het jacht hachelijk zou maken. Het was dus zaak een besluit te nemen, en dat wel spoedig ook, althans voor dat de doorgangen tusschen de eilandjes door den zwaren golfslag ontoegankelijk zouden zijn.Toen de kapitein aan boord terug was, vond hij zijn passagiers op het dek vereenigd. Hij deelde hun zijn vermoedens mede en wees hen op de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk het anker te lichten. Draalde men daarmede, dan was het te vreezen, dat men een onhoudbare zee zou vinden in de engte van vijftien mijlen breed, die Staffa van het eiland Mull scheidt. En men moest achter dat eiland een toevlucht gaan zoeken, meer in het bizonder in de kleine haven van Achnagraig, waar deClorindaniets dan de winden uit volle zee had te vreezen.»Staffa verlaten!” begon miss Campbell uit te roepen. »Zoo’n heerlijken gezichteinder prijsgeven!”»Ik geloof, dat het zeer gevaarlijk zou zijn hier op de ankerplaats van Clam Shell te blijven,” antwoordde John Olduck.»Maar als het moet! waarde Helena,” zei broeder Sam.»Ja, als het moet!” herhaalde broeder Sib.Olivier Sinclair, die het ongenoegen bespeurde, dat het overhaast vertrek bij miss Campbell te weeg bracht, kwam tusschenbeide.»Kapitein Olduck,” vroeg hij, »hoelang kan die storm duren?”»In dit jaargetij,” antwoordde de kapitein, »hoogstens twee of drie dagen.”»En gij oordeelt het vertrek noodzakelijk?”»Noodzakelijk en daarbij spoed dringend!”»Wat zijn dan uw plannen?”»Om terstond onder zeil te gaan. Met den meer en meer opstekenden wind zullen wij, voor dat de avond invalt, te Achnagraig zijn.Wij kunnen te Staffa weerom komen, wanneer de storm overgewaaid is.»Maar waarom niet naar Jona teruggekeerd, wat deClorindabinnen het uur zou kunnen bereiken?” vroeg broeder Sam.»Neen... neen... in Godsnaam niet naar Jona!” riep miss Campbell, die reeds de schaduw van Aristobulus Beerenkooi zag opdoemen.»Wij zouden in de haven van Jona niet veiliger zijn dan hier op de ankerplaats van Staffa,” merkte John Olduck op.»Welnu, vertrek, kapitein,” zei Olivier Sinclair, »vertrek onmiddellijk naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa.”»Hier te Staffa,” antwoordde John Olduck. »Hier te Staffa, waar gij zelfs geen huis hebt om in te schuilen!”»Zou de grot van Clam-Shell voor die weinige dagen niet voldoende zijn?” hernam Olivier Sinclair. »Welk gebrek zullen wij daarin hebben? Geen nietwaar? Wij hebben aan boord voldoenden leeftocht, wij hebben het beddegoed onzer kooien, wij hebben kleêren genoeg tot wisseling. Dat alles kan onmiddellijk ontscheept worden. En eindelijk een kok; welnu, die zal niets liever doen dan bij ons blijven.”»Ja!... ja!...” juichte miss Campbell, terwijl zij van vervoering in de handen klapte. »Vertrek terstond met uw jacht naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa achter. Wij zullen hier als verlatenen op een woest eiland zijn. Wij zullen er het leven van vrijwillige schipbreukelingen leiden. Wij zullen den terugkeer van deClorindabespieden met evenveel ontroering, met evenveel benauwdheden, met evenveel doodsangsten als Robinson Crusoë ondervonden heeft, toen hij een schip in volle zee ontwaarde en met inspanning van zijn geheel gezichtsvermogen uitkeek of dat vaartuig zijn eiland naderde. Wat zijn wij hier komen doen? Een roman in de werkelijkheid beleven, is het niet zoo, mijnheer Sinclair? En, waarde oompjes, wat zal er meer romanesk te bedenken zijn dan onze toestand hier? Daarenboven een storm, een windvlaag doorstaan op dit dichterlijk eiland, het woelen te mogen aanschouwen van deze noordelijke zee, den verheven strijd der ontketende elementen te kunnen waarnemen. O! ik zou het mij mijn geheele leven lang verwijten, zulke grootste natuurtafereelen gemist te hebben! Vertrek dus, kapitein Olduck, wij blijven hier en zullen u afwachten!”»Maar...” begonnen de gebroeders Melvill, wien dit vreesachtig woord bijna te gelijker tijd ontsnapte.»Ik meen, dat de oompjes een tegenwerping willen maken,” viel miss Campbell in. »Ik geloof echter een middel te hebben om die tegenwerping te bestrijden, en hen onfeilbaar tot mijn gevoelen over te halen.”Zij stond op en gaf aan ieder hunner den morgenzoen.»Ziedaar, dat is voor u, oom Sam!”»En dit voor u, oom Sib!”»Ik wed dat niemand uwer nog iets in te brengen zal hebben!”De goede ooms dachten er niet meer aan nog een enkele tegenwerping te maken. Zoodra het hunne nicht voegde om te Staffa te blijven, waarom zou men dat verlangen niet inwilligen? Het kwam hun vreemd voor, dat zij niet allereerst dat zoo eenvoudig, zoo natuurlijk denkbeeld opgevat hadden, dat zoo goed aller belangen en aller inzichten waarborgde en voldeed?Maar het denkbeeld was van Olivier Sinclair uitgegaan, en miss Campbell vermeende hem daarvoor in het bizonder te moeten bedanken.Toen het besluit om te blijven genomen was, ontscheepten de matrozen de voorwerpen, die voor het verblijf der toeristen op het eiland benoodigd waren. Clam Shell was spoedig tot een voorloopige woning hervormd en werd met den weidschen naam van Melvill House gedoopt. Men zou er evengoed, ja zelfs beter zijn dan in de herberg van Jona. De kok beijverde zich een doelmatige plek voor zijn keukenwerkzaamheden bij den ingang der grot op te sporen, en vond die achter een uitstekende rots, die tot dat doel klaarblijkelijk geschapen was.Toen verlieten miss Campbell met Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, alsook juffrouw Bess en Partridge, deClorinda, en liet John Olduck het anker lichten, na de kleine vlet van het jacht, die den toeristen van groot nut kon zijn om van de eene rots naar de andere te komen, ter hunner beschikking gesteld te hebben.Een uur later was deClorindamet dubbel gereefde zeilen en met neergelaten stengen en onder haar stormfok onder weg en manoeuvreerde, om het eiland Mull ten noorden te ronden, ten einde Achnagraig langs de zeeëngte, die dat eiland van den vasten wal scheidt, te bereiken. Haar passagiers, op het hoogste punt van Staffa staande, volgden haar met de oogen, zoolang hun zulks mogelijk was. Onder den druk van den wind stuurboord overhellende, geleek zij een witte meeuw, die met rappe wiek de golftoppen scheert. Een half uur later was zij achter het eilandje Gometra verdwenen.Maar, hoewel het weer dreigde, de dampkring was niet geheel en al beneveld. De zon drong nog door de groote wolkenscheuren, die de wind in het zenith veroorzaakte. Men kon nog over het eiland wandelen en den voet der basaltrotsen, waarop het rust, rondom volgen. Het eerste verlangen, dat miss Campbell te kennen gaf, was met hare ooms, de gebroeders Melvill, evenwel onder geleidde van Olivier Sinclair, de grot van Fingal te bezoeken.Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)De toeristen, die van den kant van Jona aankomen, doen ditgewoonlijk met de sloepen van de stoomboot van Oban. De mogelijkheid bestaat evenwel, om tot in haar volle diepte door tedringen, wanneer men op de rotsen ter rechter zijde ontscheepte, waar die als het ware eene soort bruikbare kaai vormden. Men kon zelfs op dien oever zonder vaartuig komen.Olivier Sinclair besloot dan ook om de grot langs dien kant binnen te dringen, zonder de vlet van deClorindate gebruiken.Men verliet dus Clam Shell. Men nam den natuurlijken weg, die de oostkust van het eiland omzoomt. Het uiteinde der loodrecht vlak naast elkander staande achtkante spijlen of zuilen vormde, alsof een ingenieur er zich mede bemoeid had, een stevigen en volkomen drogen straatweg aan den voet der groote rotsen. De wandeling werd al keuvelende afgelegd, terwijl men de eilandjes bewonderde, die soms door de branding werden gestreeld en wier grondvlak toch in het groene water tot op een groote diepte was te ontwaren. Er is geen bewonderenswaardiger pad uittedenken dan de weg, die naar die grot voert, welke overwaard is door den een of anderen held uit deDuizend en één nachtbewoond te worden.Bij het zuid-oostelijke uiteinde van het eiland aangekomen, deed Olivier Sinclair zijn metgezellen eenige natuurlijke treden opklimmen, die de eeretrap van een paleis niet zouden ontsierd hebben.In den hoek van het trapportaal verheffen zich de buitenpijlers, die, even als de zuilen van den kleinen tempel van Vesta te Rome, zich tegen de wanden der grot groepeeren, maar zoodanig naast elkander geplaatst zijn, dat zij het ruwe van den achtergrond bemantelen. Op hun toppeneind rust het ontzaglijk rotsgevaarte, dat dien hoek van het eilandje vormt. De schuine kloofvlakken dier rotsen, die volgens demeetkundigedoorsnee der sluitsteenen van een verwulfsel schijnen gevormd te zijn, steken zonderling af bij den loodrechten stand der zuilen, die haar dragen.Aan den voet van die traptreden rees en daalde de zee, wel is waar nog rustig, maar toch reeds minder kalm en reeds onder den invloed van het weer buiten, even als door de ademhaling van een levend wezen bewogen. Daar weerkaatsten de geheele grondvesten van de vervaarlijke rotsmassa hun beeld en wierpen een zwartachtige schaduw op de golvende wateren.Op het boventrapportaal aangekomen, wendde Olivier Sinclair links om en toonde aan miss Campbell een soort smalle kade, of beter een door de natuur gevormde bank, die den wand tot bij het binnenste uiteinde der grot volgde. Eene leuning, gedragen door ijzeren spijlen, die in het basalt verankerd waren, diende tot handgeleide tusschen wand en den scherpen rotskant van die smalle kade.»Oh!” zei miss Campbell, »die leuning bederft wel wat het tooverpaleis van Fingal.”»Maar wanneer zij nuttig is, moet men haar gebruiken,” zei broeder Sam.»En zie, ik gebruik haar,” vulde broeder Sib aan.Op raad van hun gids stonden de bezoekers een oogenblik stil bij den ingang van Fingals’ spelonk.Voor hen opende zich iets als een kerkgewelf, hoog en diep, gevuld met een geheimzinnig halfduister. De afstand van de beide zijwanden, aan het zeevlak genomen, bedroeg ongeveer vier en dertig voet. Ter rechter en ter linker zijde verborgen basaltzuilen, de eene tegen de andere gedrongen, zooals wel in sommige kathedralen uit het laatste gedeelte van het gothische tijdperk waargenomen wordt, de massa der stutmuren. Op de kapiteelen dier zuilen rustten de hellingen van een onmetelijk ogiefvormig gewelf, dat bij haar sluitstuk zich ruim vijftig voet boven den gemiddelden stand der water-oppervlakte verhief.Miss Campbell en hare metgezellen, opgetogen bij dat eerste gezicht, moesten zich met geweld ontrukken aan hunne bewonderende beschouwing, om dit uitsteeksel, dat de innerlijke bank vormde te volgen.Daar rangschikten zich in volmaakte orde honderden prismatische zuilen, van ongelijken omvang, geheel gelijk aan de voortbrengselen eener reusachtige kristalvorming. De fijne scherpe kanten komen zoo zuiver uit, alsof de beitel eens beeldhouwers ze bewerkt heeft. In de inspringende hoeken der eene sluiten de uitspringende hoeken der anderen aan. Deze zijn drievlakkig, de andere vier- vijf- zes- en zelfs zeven- en achtvlakkig, hetgeen bij de algemeene uniformiteit van het bouwstuk toch eene afwisseling aanbiedt, die den kunstzin der natuur voordeelig doet uitkomen.Het licht, van buiten binnendringende, speelt op al die veelvlakkige hoeken. Op het binnenwater als door een spiegel teruggekaatst, gevoed als het ware op de schitterende vlakken der onderzeesche gesteenten, door de waterplanten groen of somber rood en helder geel getint, ontlokte dat licht duizende schitteringen op de hoeken en uitstekende punten der basaltrotsen, die de innerlijke nokken van dit overgelijkelijk onderaardsche gewelf met onregelmatige vakken tooide.Binnen die grot heerschte een klankvolle stilte,—wanneer deze twee woorden in zoo ééne uitdrukking aan elkander mogen gekoppeld worden.—Dat is eene stilte, aan diepe holen eigen, die de bezoekers niet poogden te storen. Slechts de wind deed er een stroom van langgerekte akkoorden hooren, die uit eene droefgeestige serie van halfnoten schijnen te bestaan, welke zich verheffen en dan langzaam wegsterven. Men zou meenen al die prisma’s onder dien machtigen adem te hooren weerklinken evenals de triltonen van een machtigen harp. Wellicht is aan dat zonderling geluid, de naam van An-Na-Vine, »de geheimzinnige grot,” zooals die spelonk in de keltische taal genoemd wordt, te danken.»En welke naam zou haar beter voegen?” vroeg Olivier Sinclair, »daar Fingal de vader van Ossian was, wiens genie de poëzie en de muziek als in ééne kunst heeft weten te vereenigen.”»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam, »maar zoo als Ossian het zelf zeide: »Wanneer zal mijn oor den zang der barden hooren? Wanneer zal mijn hart trillen en kloppen bij het verhaal van de heldendaden mijner voorvaderen. De harp doet de bosschen van Sebora niet meer weergalmen!”»Ja,” vulde broeder Sib aan, »het paleis is thans eenzaam en verlaten, en de echo’s zullen de gezangen van weleer niet meer herhalen!”De geheele diepte der grot wordt op ongeveer honderdvijftig voet geschat. Op den achtergrond van het hooge gewelf, verschijnt een soort van buffetorgel, waarop een zeker aantal zuilen verrijzen van minder omvang dan die bij den ingang, maar even volmaakt van lijnen als de laatstbedoelde.Daar wilden miss Campbell, Olivier Sinclair en de beide ooms een oogenblik verwijlen.Van dat punt was het verschiet, dat zich naar den kant van de volle lucht opende, bewonderenswaardig. Het water, als doortrokken van lichtdeelen, gaf de gesteldheid te zien van den onderzeeschen bodem der grot, die uit de toppeneinden van vier- tot zevenvlakkige zuilen bestond, welke zoodanig in elkander passen, dat zij als de vlakken van een mozaiekwerk aansluiten; op de zijwanden vertoonden zich verwonderlijke licht- en schaduweffekten. Alles verdween, doofde uit, wanneer een wolk voor den ingang der grot als voor het voorgedeelte van een tooneel voorbijgleed. Maar alles schitterde ook daarentegen en verlevendigde onder de zeven prisma-kleuren, wanneer een zonnestraal, door het kristalheldere water van den bodem teruggekaatst, in lichtgevende strooken tot zelfs het sluitstuk van het bovengewelf bescheen.Buiten de grot brak de zee op de eerste grondvesten van den reusachtigen boog. Die omlijsting, zwart als een boordsel van ebbenhout, maakt geen inbreuk hoegenaamd op de fraaiheden van den achtergrond. Daar buiten verscheen de gezichteinder bij de aanraking van den hemel met het water in zijn geheelen luister, met het vergezicht op Jona, waar, op een afstand van twee mijlen, de bouwvallen van zijn klooster zich als wit uitgebeeld tegen de lucht afteekenden.Allen, opgetogen over de tooverachtige tooneelversiering, wisten niet, hoe hunne bewonderende gevoelens te uiten.»Welk tooverpaleis!” zei eindelijk miss Campbell, »en wat zou de man, met een prozaïschen geest bedeeld zijn, die weigeren mocht te gelooven, dat God het geschapen heeft voor de luchtgeesten en waternimfen. Voor wien toch zouden die tonen van de grooteaeolische harp, door den adem der winden voortgebracht, weerklinken? Is dat niet de bovennatuurlijke muziek, die Waverley in zijn droomen hoorde; de stem van Selma, waarvan de zanger de akkoorden onder noten gebracht heeft, om er zijn helden mede te verrukken?”»Gij hebt gelijk, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ongetwijfeld heeft Walter Scott, wanneer hij zijn beelden in dat dichterlijk verleden der Schotsche Hooglanden zocht, aan het paleis van Fingal gedacht.”»Hier zou ik de schim van Ossian wenschen op te roepen,” hernam het jonge meisje geestdrift vol. »Waarom zou de onzichtbare bard, na een slaap van vijftien eeuwen niet op mijn stem verschijnen? O! het is mij een weelderige behoefte te denken, dat die ongelukkige, blind als Homerus, dichter evenals hij, meer dan eens, wanneer hij de heldendaden van zijn tijdperk bezong een toevlucht in dit paleis heeft gezocht, dat nog den naam zijn vaders draagt! Hier hebben ongetwijfeld de echo’s van Fingal zijn epische en lyrische ontboezemingen in den zuiversten gaëlischen tongval herhaald. Gelooft gij niet, mijnheer Sinclair, dat Ossian neergezeten was op de plek, waarop wij ons thans bevinden en dat de tonen zijner harp zich met de ruwe klanken van Selma’s stem vermengd hebben?”»Hoe zou het mogelijk zijn,” antwoordde Olivier Sinclair, »geen geloof te slaan aan hetgeen gij met zoo innige overtuiging zegt?”»Indien ik hem opriep?” mompelde miss Campbell.En met haar frissche stem liet zij herhaalde malen den naam van den ouden bard te midden der windtrillingen weerklinken.Maar al was het innig verlangen van miss Campbell ook groot, en al had zij hem ook tot driemaal toe opgeroepen, de echo alleen antwoordde haar. De schim van Ossian verscheen niet in zijn vaderlijk paleis.De zon was middelerwijl achter dikke dampen verdwenen. De grot werd met zwarte schaduwen vervuld; de zee begon buiten op te komen, haar lange deininggolven kwamen reeds breken op de laatste basaltlagen in het achterste gedeelte der grot.De bezoekers betraden dus weer het smalle pad, dat reeds meer dan half met de spatten der golven overdekt was. Ze sloegen den hoek van het eilandje om, waartegen de wind van uit volle zee met kracht loeide; toen bevonden zij zich, althans voor het oogenblik, in veiligheid op den straatweg.Tijdens de twee uren, dat zij in de grot vertoefden, was het slechte weer aanmerkelijk toegenomen. De windvlagen wakkerden aan, terwijl zij zich op de kusten van Schotland wierpen, en dreigden aan te groeien tot een orkaan.Maar miss Campbell en haar tochtgenooten, beschermd als zij waren door de basaltkusten, konden gemakkelijk de grot van Clam Shell bereiken.Den volgenden dag vertoonde de kwikkolom van den barometer een nieuwe daling en ontketende zich de wind met groote woestheid. Zware en zwarte wolken vervulden het luchtruim, terwijl zij het aardrijk naderden.Het regende nog niet, maar de zon bleef onzichtbaar en vertoonde zich zelfs niet bij korte tusschenpoozen.Miss Campbell scheen niet zoo teleurgesteld door het slechte weder, als men meende te moeten duchten. Het verblijf op een verlaten eiland, dat door den storm gezweept werd, kwam met haar warmbloedig gestel overeen. Als een heldin van Walter Scott vond zij er genoegen in tusschen de rotsen van Staffa meestal alleen rond te dolen, en was dan in haren nieuwen gedachtenkring afgetrokken. Iedereen eerbiedigde haar zucht tot eenzaamheid.Zij was ook verscheidene malen naar de grot van Fingal, welker dichterlijke vreemdsoortigheid haar aantrok, teruggekeerd. Daar bracht zij geheele uren in mijmering door en hield al heel weinig rekening met de aanbevelingen, die haar gedaan waren, om er niet onvoorzichtig in te dringen.Daags daarna, den 9denSeptember, bevond het maximum van de dampkringspressie zich ter hoogte van de Schotsche kusten. In de nabijheid van dat stormcentrum verplaatsten zich de luchtlagen met een weergaloos geweld. Het was in den volsten zin des woords een orkaan. Niets zou hem op de bovenste punt van het eiland kunnen weerstand bieden.Tegen zeven uur des avonds, tijdstip, waarop het diner in Clam Shell werd opgedragen, hadden Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill alle redenen om zich zeer ongerust te gevoelen.Miss Campbell was tegen drie uur uitgegaan, zonder te zeggen waarheen, en nog was zij niet terug gekeerd.Men oefende geduld tot zes uur, evenwel niet zonder dat de angstige ongerustheid voortdurend stijgende was. Miss Campbell kwam echter niet opdagen.Olivier Sinclair was herhaalde malen op het bovenplat van het eiland geklommen, zonder haar te bespeuren....De storm loeide met een onvergelijkelijke woede en de zee zweepte met haar torenhoog opgejaagde golven zonder verpoozen het gedeelte van het eilandje, dat naar het zuidwesten gekeerd was.»Ongelukkige miss Campbell!” riep Olivier Sinclair eensklaps uit; »wanneer zij nog in de grot van Fingal is, dan moet zij er uitgehaald worden of zij is verloren!”»Helena! Helena!!” (bladz. 159).»Helena! Helena!!” (bladz. 159).
Indien de kapitein van deClorindagedurende de laatste vier en twintig uren zich in een der havens van het Vereenigd Koninkrijk bevonden had, zou hij kennis hebben bekomen van een meteorologisch bericht, dat weinig geruststellends bevatte voor de schepen, die zich zeilende of stoomende op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan bevonden.
En inderdaad, de telegraaf van New-York had een stormvlaag aangekondigd. Die stormvlaag dreigde, na den Atlantischen Oceaan van het westen naar het noord-oosten te zijn overgestoken, zich met alle woestheid op de kusten van Ierland en Schotland te werpen, alvorens haar krachten op de kusten van Noorwegen te verspillen.
Maar bij gebrek aan dat weerbericht, duidde de barometer van het jacht toch een groote atmospherische stoornis aan, waarmede ieder voorzichtig zeeman rekening moest houden.
Dien morgen van den 8stenSeptember dus beklom John Olduck, nog al verontrust, den rotsrand, die Staffa in het westen begrenst, ten einde den toestand van de zee en van den dampkring te onderzoeken.
Wolken met zeer onscherpe vormen, eigenlijk meer nevelflarden joegen reeds met groote snelheid door de luchtruimte. De bries stak meer en meer op en zou weldra aangroeien tot storm. De zee, met schuim overdekt, was melkwit. De golven braken met kracht op de basaltkegels, die den grondslag van het eilandje vormen.
John Olduck was lang niet gerustgesteld. Hoewel deClorindain de kreek van Clam Shell eenigermate gedekt lag, zoo was dit toch geen veilige ankerplaats, zelfs voor een vaartuig van geringe afmeting. De aandrang van het water, dat tusschen de eilandjes en den ooster straatweg gezweept werd, moest een zeer gevaarlijke branding doen ontstaan, die den toestand van het jacht hachelijk zou maken. Het was dus zaak een besluit te nemen, en dat wel spoedig ook, althans voor dat de doorgangen tusschen de eilandjes door den zwaren golfslag ontoegankelijk zouden zijn.
Toen de kapitein aan boord terug was, vond hij zijn passagiers op het dek vereenigd. Hij deelde hun zijn vermoedens mede en wees hen op de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk het anker te lichten. Draalde men daarmede, dan was het te vreezen, dat men een onhoudbare zee zou vinden in de engte van vijftien mijlen breed, die Staffa van het eiland Mull scheidt. En men moest achter dat eiland een toevlucht gaan zoeken, meer in het bizonder in de kleine haven van Achnagraig, waar deClorindaniets dan de winden uit volle zee had te vreezen.
»Staffa verlaten!” begon miss Campbell uit te roepen. »Zoo’n heerlijken gezichteinder prijsgeven!”
»Ik geloof, dat het zeer gevaarlijk zou zijn hier op de ankerplaats van Clam Shell te blijven,” antwoordde John Olduck.
»Maar als het moet! waarde Helena,” zei broeder Sam.
»Ja, als het moet!” herhaalde broeder Sib.
Olivier Sinclair, die het ongenoegen bespeurde, dat het overhaast vertrek bij miss Campbell te weeg bracht, kwam tusschenbeide.
»Kapitein Olduck,” vroeg hij, »hoelang kan die storm duren?”
»In dit jaargetij,” antwoordde de kapitein, »hoogstens twee of drie dagen.”
»En gij oordeelt het vertrek noodzakelijk?”
»Noodzakelijk en daarbij spoed dringend!”
»Wat zijn dan uw plannen?”
»Om terstond onder zeil te gaan. Met den meer en meer opstekenden wind zullen wij, voor dat de avond invalt, te Achnagraig zijn.Wij kunnen te Staffa weerom komen, wanneer de storm overgewaaid is.
»Maar waarom niet naar Jona teruggekeerd, wat deClorindabinnen het uur zou kunnen bereiken?” vroeg broeder Sam.
»Neen... neen... in Godsnaam niet naar Jona!” riep miss Campbell, die reeds de schaduw van Aristobulus Beerenkooi zag opdoemen.
»Wij zouden in de haven van Jona niet veiliger zijn dan hier op de ankerplaats van Staffa,” merkte John Olduck op.
»Welnu, vertrek, kapitein,” zei Olivier Sinclair, »vertrek onmiddellijk naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa.”
»Hier te Staffa,” antwoordde John Olduck. »Hier te Staffa, waar gij zelfs geen huis hebt om in te schuilen!”
»Zou de grot van Clam-Shell voor die weinige dagen niet voldoende zijn?” hernam Olivier Sinclair. »Welk gebrek zullen wij daarin hebben? Geen nietwaar? Wij hebben aan boord voldoenden leeftocht, wij hebben het beddegoed onzer kooien, wij hebben kleêren genoeg tot wisseling. Dat alles kan onmiddellijk ontscheept worden. En eindelijk een kok; welnu, die zal niets liever doen dan bij ons blijven.”
»Ja!... ja!...” juichte miss Campbell, terwijl zij van vervoering in de handen klapte. »Vertrek terstond met uw jacht naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa achter. Wij zullen hier als verlatenen op een woest eiland zijn. Wij zullen er het leven van vrijwillige schipbreukelingen leiden. Wij zullen den terugkeer van deClorindabespieden met evenveel ontroering, met evenveel benauwdheden, met evenveel doodsangsten als Robinson Crusoë ondervonden heeft, toen hij een schip in volle zee ontwaarde en met inspanning van zijn geheel gezichtsvermogen uitkeek of dat vaartuig zijn eiland naderde. Wat zijn wij hier komen doen? Een roman in de werkelijkheid beleven, is het niet zoo, mijnheer Sinclair? En, waarde oompjes, wat zal er meer romanesk te bedenken zijn dan onze toestand hier? Daarenboven een storm, een windvlaag doorstaan op dit dichterlijk eiland, het woelen te mogen aanschouwen van deze noordelijke zee, den verheven strijd der ontketende elementen te kunnen waarnemen. O! ik zou het mij mijn geheele leven lang verwijten, zulke grootste natuurtafereelen gemist te hebben! Vertrek dus, kapitein Olduck, wij blijven hier en zullen u afwachten!”
»Maar...” begonnen de gebroeders Melvill, wien dit vreesachtig woord bijna te gelijker tijd ontsnapte.
»Ik meen, dat de oompjes een tegenwerping willen maken,” viel miss Campbell in. »Ik geloof echter een middel te hebben om die tegenwerping te bestrijden, en hen onfeilbaar tot mijn gevoelen over te halen.”
Zij stond op en gaf aan ieder hunner den morgenzoen.
»Ziedaar, dat is voor u, oom Sam!”
»En dit voor u, oom Sib!”
»Ik wed dat niemand uwer nog iets in te brengen zal hebben!”
De goede ooms dachten er niet meer aan nog een enkele tegenwerping te maken. Zoodra het hunne nicht voegde om te Staffa te blijven, waarom zou men dat verlangen niet inwilligen? Het kwam hun vreemd voor, dat zij niet allereerst dat zoo eenvoudig, zoo natuurlijk denkbeeld opgevat hadden, dat zoo goed aller belangen en aller inzichten waarborgde en voldeed?
Maar het denkbeeld was van Olivier Sinclair uitgegaan, en miss Campbell vermeende hem daarvoor in het bizonder te moeten bedanken.
Toen het besluit om te blijven genomen was, ontscheepten de matrozen de voorwerpen, die voor het verblijf der toeristen op het eiland benoodigd waren. Clam Shell was spoedig tot een voorloopige woning hervormd en werd met den weidschen naam van Melvill House gedoopt. Men zou er evengoed, ja zelfs beter zijn dan in de herberg van Jona. De kok beijverde zich een doelmatige plek voor zijn keukenwerkzaamheden bij den ingang der grot op te sporen, en vond die achter een uitstekende rots, die tot dat doel klaarblijkelijk geschapen was.
Toen verlieten miss Campbell met Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, alsook juffrouw Bess en Partridge, deClorinda, en liet John Olduck het anker lichten, na de kleine vlet van het jacht, die den toeristen van groot nut kon zijn om van de eene rots naar de andere te komen, ter hunner beschikking gesteld te hebben.
Een uur later was deClorindamet dubbel gereefde zeilen en met neergelaten stengen en onder haar stormfok onder weg en manoeuvreerde, om het eiland Mull ten noorden te ronden, ten einde Achnagraig langs de zeeëngte, die dat eiland van den vasten wal scheidt, te bereiken. Haar passagiers, op het hoogste punt van Staffa staande, volgden haar met de oogen, zoolang hun zulks mogelijk was. Onder den druk van den wind stuurboord overhellende, geleek zij een witte meeuw, die met rappe wiek de golftoppen scheert. Een half uur later was zij achter het eilandje Gometra verdwenen.
Maar, hoewel het weer dreigde, de dampkring was niet geheel en al beneveld. De zon drong nog door de groote wolkenscheuren, die de wind in het zenith veroorzaakte. Men kon nog over het eiland wandelen en den voet der basaltrotsen, waarop het rust, rondom volgen. Het eerste verlangen, dat miss Campbell te kennen gaf, was met hare ooms, de gebroeders Melvill, evenwel onder geleidde van Olivier Sinclair, de grot van Fingal te bezoeken.
Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)
Van dat punt was het verschiet bewonderenswaardig. (bladz. 154.)
De toeristen, die van den kant van Jona aankomen, doen ditgewoonlijk met de sloepen van de stoomboot van Oban. De mogelijkheid bestaat evenwel, om tot in haar volle diepte door tedringen, wanneer men op de rotsen ter rechter zijde ontscheepte, waar die als het ware eene soort bruikbare kaai vormden. Men kon zelfs op dien oever zonder vaartuig komen.
Olivier Sinclair besloot dan ook om de grot langs dien kant binnen te dringen, zonder de vlet van deClorindate gebruiken.
Men verliet dus Clam Shell. Men nam den natuurlijken weg, die de oostkust van het eiland omzoomt. Het uiteinde der loodrecht vlak naast elkander staande achtkante spijlen of zuilen vormde, alsof een ingenieur er zich mede bemoeid had, een stevigen en volkomen drogen straatweg aan den voet der groote rotsen. De wandeling werd al keuvelende afgelegd, terwijl men de eilandjes bewonderde, die soms door de branding werden gestreeld en wier grondvlak toch in het groene water tot op een groote diepte was te ontwaren. Er is geen bewonderenswaardiger pad uittedenken dan de weg, die naar die grot voert, welke overwaard is door den een of anderen held uit deDuizend en één nachtbewoond te worden.
Bij het zuid-oostelijke uiteinde van het eiland aangekomen, deed Olivier Sinclair zijn metgezellen eenige natuurlijke treden opklimmen, die de eeretrap van een paleis niet zouden ontsierd hebben.
In den hoek van het trapportaal verheffen zich de buitenpijlers, die, even als de zuilen van den kleinen tempel van Vesta te Rome, zich tegen de wanden der grot groepeeren, maar zoodanig naast elkander geplaatst zijn, dat zij het ruwe van den achtergrond bemantelen. Op hun toppeneind rust het ontzaglijk rotsgevaarte, dat dien hoek van het eilandje vormt. De schuine kloofvlakken dier rotsen, die volgens demeetkundigedoorsnee der sluitsteenen van een verwulfsel schijnen gevormd te zijn, steken zonderling af bij den loodrechten stand der zuilen, die haar dragen.
Aan den voet van die traptreden rees en daalde de zee, wel is waar nog rustig, maar toch reeds minder kalm en reeds onder den invloed van het weer buiten, even als door de ademhaling van een levend wezen bewogen. Daar weerkaatsten de geheele grondvesten van de vervaarlijke rotsmassa hun beeld en wierpen een zwartachtige schaduw op de golvende wateren.
Op het boventrapportaal aangekomen, wendde Olivier Sinclair links om en toonde aan miss Campbell een soort smalle kade, of beter een door de natuur gevormde bank, die den wand tot bij het binnenste uiteinde der grot volgde. Eene leuning, gedragen door ijzeren spijlen, die in het basalt verankerd waren, diende tot handgeleide tusschen wand en den scherpen rotskant van die smalle kade.
»Oh!” zei miss Campbell, »die leuning bederft wel wat het tooverpaleis van Fingal.”
»Maar wanneer zij nuttig is, moet men haar gebruiken,” zei broeder Sam.
»En zie, ik gebruik haar,” vulde broeder Sib aan.
Op raad van hun gids stonden de bezoekers een oogenblik stil bij den ingang van Fingals’ spelonk.
Voor hen opende zich iets als een kerkgewelf, hoog en diep, gevuld met een geheimzinnig halfduister. De afstand van de beide zijwanden, aan het zeevlak genomen, bedroeg ongeveer vier en dertig voet. Ter rechter en ter linker zijde verborgen basaltzuilen, de eene tegen de andere gedrongen, zooals wel in sommige kathedralen uit het laatste gedeelte van het gothische tijdperk waargenomen wordt, de massa der stutmuren. Op de kapiteelen dier zuilen rustten de hellingen van een onmetelijk ogiefvormig gewelf, dat bij haar sluitstuk zich ruim vijftig voet boven den gemiddelden stand der water-oppervlakte verhief.
Miss Campbell en hare metgezellen, opgetogen bij dat eerste gezicht, moesten zich met geweld ontrukken aan hunne bewonderende beschouwing, om dit uitsteeksel, dat de innerlijke bank vormde te volgen.
Daar rangschikten zich in volmaakte orde honderden prismatische zuilen, van ongelijken omvang, geheel gelijk aan de voortbrengselen eener reusachtige kristalvorming. De fijne scherpe kanten komen zoo zuiver uit, alsof de beitel eens beeldhouwers ze bewerkt heeft. In de inspringende hoeken der eene sluiten de uitspringende hoeken der anderen aan. Deze zijn drievlakkig, de andere vier- vijf- zes- en zelfs zeven- en achtvlakkig, hetgeen bij de algemeene uniformiteit van het bouwstuk toch eene afwisseling aanbiedt, die den kunstzin der natuur voordeelig doet uitkomen.
Het licht, van buiten binnendringende, speelt op al die veelvlakkige hoeken. Op het binnenwater als door een spiegel teruggekaatst, gevoed als het ware op de schitterende vlakken der onderzeesche gesteenten, door de waterplanten groen of somber rood en helder geel getint, ontlokte dat licht duizende schitteringen op de hoeken en uitstekende punten der basaltrotsen, die de innerlijke nokken van dit overgelijkelijk onderaardsche gewelf met onregelmatige vakken tooide.
Binnen die grot heerschte een klankvolle stilte,—wanneer deze twee woorden in zoo ééne uitdrukking aan elkander mogen gekoppeld worden.—Dat is eene stilte, aan diepe holen eigen, die de bezoekers niet poogden te storen. Slechts de wind deed er een stroom van langgerekte akkoorden hooren, die uit eene droefgeestige serie van halfnoten schijnen te bestaan, welke zich verheffen en dan langzaam wegsterven. Men zou meenen al die prisma’s onder dien machtigen adem te hooren weerklinken evenals de triltonen van een machtigen harp. Wellicht is aan dat zonderling geluid, de naam van An-Na-Vine, »de geheimzinnige grot,” zooals die spelonk in de keltische taal genoemd wordt, te danken.
»En welke naam zou haar beter voegen?” vroeg Olivier Sinclair, »daar Fingal de vader van Ossian was, wiens genie de poëzie en de muziek als in ééne kunst heeft weten te vereenigen.”
»Voorzeker,” antwoordde broeder Sam, »maar zoo als Ossian het zelf zeide: »Wanneer zal mijn oor den zang der barden hooren? Wanneer zal mijn hart trillen en kloppen bij het verhaal van de heldendaden mijner voorvaderen. De harp doet de bosschen van Sebora niet meer weergalmen!”
»Ja,” vulde broeder Sib aan, »het paleis is thans eenzaam en verlaten, en de echo’s zullen de gezangen van weleer niet meer herhalen!”
De geheele diepte der grot wordt op ongeveer honderdvijftig voet geschat. Op den achtergrond van het hooge gewelf, verschijnt een soort van buffetorgel, waarop een zeker aantal zuilen verrijzen van minder omvang dan die bij den ingang, maar even volmaakt van lijnen als de laatstbedoelde.
Daar wilden miss Campbell, Olivier Sinclair en de beide ooms een oogenblik verwijlen.
Van dat punt was het verschiet, dat zich naar den kant van de volle lucht opende, bewonderenswaardig. Het water, als doortrokken van lichtdeelen, gaf de gesteldheid te zien van den onderzeeschen bodem der grot, die uit de toppeneinden van vier- tot zevenvlakkige zuilen bestond, welke zoodanig in elkander passen, dat zij als de vlakken van een mozaiekwerk aansluiten; op de zijwanden vertoonden zich verwonderlijke licht- en schaduweffekten. Alles verdween, doofde uit, wanneer een wolk voor den ingang der grot als voor het voorgedeelte van een tooneel voorbijgleed. Maar alles schitterde ook daarentegen en verlevendigde onder de zeven prisma-kleuren, wanneer een zonnestraal, door het kristalheldere water van den bodem teruggekaatst, in lichtgevende strooken tot zelfs het sluitstuk van het bovengewelf bescheen.
Buiten de grot brak de zee op de eerste grondvesten van den reusachtigen boog. Die omlijsting, zwart als een boordsel van ebbenhout, maakt geen inbreuk hoegenaamd op de fraaiheden van den achtergrond. Daar buiten verscheen de gezichteinder bij de aanraking van den hemel met het water in zijn geheelen luister, met het vergezicht op Jona, waar, op een afstand van twee mijlen, de bouwvallen van zijn klooster zich als wit uitgebeeld tegen de lucht afteekenden.
Allen, opgetogen over de tooverachtige tooneelversiering, wisten niet, hoe hunne bewonderende gevoelens te uiten.
»Welk tooverpaleis!” zei eindelijk miss Campbell, »en wat zou de man, met een prozaïschen geest bedeeld zijn, die weigeren mocht te gelooven, dat God het geschapen heeft voor de luchtgeesten en waternimfen. Voor wien toch zouden die tonen van de grooteaeolische harp, door den adem der winden voortgebracht, weerklinken? Is dat niet de bovennatuurlijke muziek, die Waverley in zijn droomen hoorde; de stem van Selma, waarvan de zanger de akkoorden onder noten gebracht heeft, om er zijn helden mede te verrukken?”
»Gij hebt gelijk, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair, »en ongetwijfeld heeft Walter Scott, wanneer hij zijn beelden in dat dichterlijk verleden der Schotsche Hooglanden zocht, aan het paleis van Fingal gedacht.”
»Hier zou ik de schim van Ossian wenschen op te roepen,” hernam het jonge meisje geestdrift vol. »Waarom zou de onzichtbare bard, na een slaap van vijftien eeuwen niet op mijn stem verschijnen? O! het is mij een weelderige behoefte te denken, dat die ongelukkige, blind als Homerus, dichter evenals hij, meer dan eens, wanneer hij de heldendaden van zijn tijdperk bezong een toevlucht in dit paleis heeft gezocht, dat nog den naam zijn vaders draagt! Hier hebben ongetwijfeld de echo’s van Fingal zijn epische en lyrische ontboezemingen in den zuiversten gaëlischen tongval herhaald. Gelooft gij niet, mijnheer Sinclair, dat Ossian neergezeten was op de plek, waarop wij ons thans bevinden en dat de tonen zijner harp zich met de ruwe klanken van Selma’s stem vermengd hebben?”
»Hoe zou het mogelijk zijn,” antwoordde Olivier Sinclair, »geen geloof te slaan aan hetgeen gij met zoo innige overtuiging zegt?”
»Indien ik hem opriep?” mompelde miss Campbell.
En met haar frissche stem liet zij herhaalde malen den naam van den ouden bard te midden der windtrillingen weerklinken.
Maar al was het innig verlangen van miss Campbell ook groot, en al had zij hem ook tot driemaal toe opgeroepen, de echo alleen antwoordde haar. De schim van Ossian verscheen niet in zijn vaderlijk paleis.
De zon was middelerwijl achter dikke dampen verdwenen. De grot werd met zwarte schaduwen vervuld; de zee begon buiten op te komen, haar lange deininggolven kwamen reeds breken op de laatste basaltlagen in het achterste gedeelte der grot.
De bezoekers betraden dus weer het smalle pad, dat reeds meer dan half met de spatten der golven overdekt was. Ze sloegen den hoek van het eilandje om, waartegen de wind van uit volle zee met kracht loeide; toen bevonden zij zich, althans voor het oogenblik, in veiligheid op den straatweg.
Tijdens de twee uren, dat zij in de grot vertoefden, was het slechte weer aanmerkelijk toegenomen. De windvlagen wakkerden aan, terwijl zij zich op de kusten van Schotland wierpen, en dreigden aan te groeien tot een orkaan.
Maar miss Campbell en haar tochtgenooten, beschermd als zij waren door de basaltkusten, konden gemakkelijk de grot van Clam Shell bereiken.
Den volgenden dag vertoonde de kwikkolom van den barometer een nieuwe daling en ontketende zich de wind met groote woestheid. Zware en zwarte wolken vervulden het luchtruim, terwijl zij het aardrijk naderden.
Het regende nog niet, maar de zon bleef onzichtbaar en vertoonde zich zelfs niet bij korte tusschenpoozen.
Miss Campbell scheen niet zoo teleurgesteld door het slechte weder, als men meende te moeten duchten. Het verblijf op een verlaten eiland, dat door den storm gezweept werd, kwam met haar warmbloedig gestel overeen. Als een heldin van Walter Scott vond zij er genoegen in tusschen de rotsen van Staffa meestal alleen rond te dolen, en was dan in haren nieuwen gedachtenkring afgetrokken. Iedereen eerbiedigde haar zucht tot eenzaamheid.
Zij was ook verscheidene malen naar de grot van Fingal, welker dichterlijke vreemdsoortigheid haar aantrok, teruggekeerd. Daar bracht zij geheele uren in mijmering door en hield al heel weinig rekening met de aanbevelingen, die haar gedaan waren, om er niet onvoorzichtig in te dringen.
Daags daarna, den 9denSeptember, bevond het maximum van de dampkringspressie zich ter hoogte van de Schotsche kusten. In de nabijheid van dat stormcentrum verplaatsten zich de luchtlagen met een weergaloos geweld. Het was in den volsten zin des woords een orkaan. Niets zou hem op de bovenste punt van het eiland kunnen weerstand bieden.
Tegen zeven uur des avonds, tijdstip, waarop het diner in Clam Shell werd opgedragen, hadden Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill alle redenen om zich zeer ongerust te gevoelen.
Miss Campbell was tegen drie uur uitgegaan, zonder te zeggen waarheen, en nog was zij niet terug gekeerd.
Men oefende geduld tot zes uur, evenwel niet zonder dat de angstige ongerustheid voortdurend stijgende was. Miss Campbell kwam echter niet opdagen.
Olivier Sinclair was herhaalde malen op het bovenplat van het eiland geklommen, zonder haar te bespeuren....
De storm loeide met een onvergelijkelijke woede en de zee zweepte met haar torenhoog opgejaagde golven zonder verpoozen het gedeelte van het eilandje, dat naar het zuidwesten gekeerd was.
»Ongelukkige miss Campbell!” riep Olivier Sinclair eensklaps uit; »wanneer zij nog in de grot van Fingal is, dan moet zij er uitgehaald worden of zij is verloren!”
»Helena! Helena!!” (bladz. 159).»Helena! Helena!!” (bladz. 159).
»Helena! Helena!!” (bladz. 159).