XX.Alles ter wille van miss Campbell!Eenige oogenblikken later kwam Olivier Sinclair, nadat hij den straatweg met versnelden pas had afgelegd, voor den ingang der grot aan, ter plaatse, waar de basalt-trap zich verheft.De gebroeders Melvill en ook Partridge waren hem op de hielen gevolgd.Juffrouw Bess was te Clam Shell gebleven, om alles onder onuitsprekelijke angsten voor de ontvangst van Helena, wanneer zij terugkwam, voor te bereiden.De zee was nu dermate gezwollen, dat zij het bovenste trapportaal bereikte. Zij sloeg reeds over de leuning en belemmerde iederen toegang langs het pad.Uit de onmogelijkheid om binnen de grot te kunnen dringen volgde natuurlijk ook de onwaarschijnlijke kans om er uit te kunnen komen. Was miss Campbell daar binnen, dan was zij gevangen! Maar hoe zou men dit te weten komen?»Helena! Helena!”Zou die naam, uitgegalmd te midden van het onafgebroken geklots der golven, wel kans hebben om gehoord te worden? Het was inderdaad een gedonder èn van den wind èn van de zee, die zich daar met onbeschrijfelijk geweld binnen die grot stortte. Noch geluid, noch oog waren machtig genoeg, om daar thans door te dringen.»Misschien is miss Campbell daar niet in,” zei broeder Sam, die zich aan die hoop wenschte vast te klemmen.»Waar zou ze dan zijn?” vroeg broeder Sib.»Ja juist, waar zou zij dan zijn!” riep Olivier Sinclair uit. »Heb ik haar dan niet te vergeefs op het plat van het eiland, en te midden van de rotsen langs het strand, ja overal gezocht? Zou zij niet reeds bij ons teruggekomen zijn, wanneer dit mogelijk ware?”»Neen zij is daar!.... daar!”En men herinnerde zich het geestdriftvolle maar vermetel onbezonnen verlangen, dat het jonge meisje verscheidene malen had aan den dag gelegd, om eens een storm in de grot van Fingal te kunnen bijwonen. Had zij dan vergeten, dat de zee, door den orkaan opgezweept, daar binnen moest dringen, haar met haar razende golven tot aan het gewelf vullen en er een gevangenis van zou maken, welker deur met geen geweld was open te breken?Wat kon men nu beproeven, om bij haar te komen en haar te redden?Onder den aandrang van den orkaan, die dezen hoek van het eilandje met volle kracht geeselde, verhieven zich de golven soms tot bij het bovenste gedeelte van het gewelf. Daar braken zij met een oorverdoovend geraas. Het te veel binnen gedrongen water werd door den terugstoot naar buiten geworpen en viel in schuimende stroomen terug op de buitenste rotsen, even als de waterstralen van den Niagara-val. Maar het benedenste gedeelte der golven, onder den machtigen aandrang van de deining uit volle zee, stortte zich met de kracht van een bergstroom, wiens afsluitdijk plotseling bezweken is, binnen de grot. Het was dus tegen den achterwand zelf der spelonk, dat de zee klotste met oorverdoovend geweld.Op welke plek daar binnen zou miss Campbell een toevlucht, die voor dien golfslag veilig zou zijn, hebben gevonden? De opening der grot was geheel en al aan de woede der wilde baren blootgesteld, die bij hunne uitstrooming, zoowel als bij hun binnenkomen, het pad onweerstaanbaar moesten schoonvegen.En toch, men trachtte nog te twijfelen, of het jonge meisje daar zou zijn. Hoe zou zij weerstand hebben kunnen bieden aan zoo’n binnendringen der woedende zee in dit slop zonder uitgang? Was haar verminkt en verscheurd lichaam, door den terugstroom meegesleurd, niet reeds naar buiten gevoerd? Had de aanrollende zee, die langs de kust liep, haar reeds snel meegesleept onder langs den straatweg en de klippen, tot bij de grot van Clam Shell?»Helena! Helena!!”Die naam weerklonk onophoudelijk te midden van het geloei van den wind, het gedonder en het geklots der golven. Maar geen kreet die daarop antwoord gaf, of ook antwoord kon geven.»Neen! neen! zij is niet in die grot!” herhaalden de gebroeders Melvill als wanhopigen.»Jawel, zij is er!” bevestigde Olivier Sinclair met overtuiging.En met den vinger wees hij op een stuk stof, dat door den terugloop der golven op een der basalttreden geslingerd werd.Olivier Sinclair stormde de trap af, om die lap te bezichtigen.Het was de »snod,” het Schotsche lint, dat miss Campbell in heur haren droeg.Was thans nog twijfel mogelijk?Maar wanneer dat lint haar ontrukt had kunnen worden, was miss Campbell dan niet door denzelfden golfslag tegen de wanden van Fingal’s spelonk verbrijzeld en verpletterd?»Oh! ik moet het weten?” riep Olivier Sinclair uit.En van een terugstrooming der golven gebruikmakende, die het pad halverwege ontblootte, greep hij de eerste spijlen der trapleuning; maar een onmetelijke watermassa stortte zich op hem, sloeg hem van de been en smakte hem op het trapportaal neer.Wanneer Partridge zich niet met het grootste levensgevaar op hem geworpen en hem gegrepen had, Olivier Sinclair ware tot op de benedenste treden naar onderen gerold en zou de zee hem medegesleept hebben, zonder dat het mogelijk was, hem hulp te verleenen.De jonkman was opgestaan, maar voelde zijn ijver, om binnen de grot te dringen, niet verkoelen.»Miss Campbell is daar!” herhaalde hij voortdurend. »Zij is levend daar binnen, dewijl haar lichaam niet naar buiten geworpen is, even als dit lapje stof! Het is dus niet onmogelijk dat zij een toevlucht binnen een of andere uitholling gevonden zal hebben! Maar haar krachten zullen weldra uitgeput zijn! Zij zal onmogelijk weerstand kunnen bieden tot op het oogenblik, dat de eb zal ingetreden zijn!... Wij moeten haar dus bereiken!”»Ik zal gaan!” zei Partridge.»Neen!... ik!” antwoordde Olivier Sinclair.Een uiterste middel om bij miss Campbell te komen, zou door hem beproefd worden. Evenwel zelfs dat middel zou ter nauwernood één kans van slagen aanbieden tegen negen en negentig anderen van mislukken.»Wacht ons hier, heeren,” zei hij tot de gebroeders Melvill. »Binnen vijf minuten zijn wij terug. Kom Partridge!”De beide ooms bleven daar op dien uithoek van het eilandje wachten, beschut boven op de steile kust, alwaar de zee hen niet kon bereiken. Olivier Sinclair en Partridge spoedden intusschen in allerijl voort naar de grot van Clam Shell.Vijf minuten later verschenen de jonkman en de oude dienaar weer; zij sleepten de kleine vlet van deClorinda, die kapitein Olduck ten gerieve der toeristen had achtergelaten, over den straatweg voort.Zou Olivier Sinclair zich door de zee binnen de grot laten stuwen, nu men langs den landweg daar niet kon inkomen?Ja, dat ging hij beproeven. Hij aarzelde evenwel niet. Het schuitje werd beneden bij de trap, achter een der basalttreden, buiten de branding gebracht.»Ik ga met u!” zei Partridge.»Neen,” zei Olivier Sinclair. »Dat kan niet. De kleine vlet mag niet noodeloos worden overladen. Is miss Campbell nog levend, dan zouden drie menschen in dat vaartuigje moeten. Neen, ik zal mij alleen wel behelpen!”»Olivier!” riepen de twee broeders, die hunne snikken niet konden bedwingen. »Olivier! o Olivier! red onze dochter!”De jonkman drukte hun de hand, sprong in de vlet, zette zich op de middenbank, greep de beide roeiriemen en bereikte behendig de terugstrooming; hij wachtte het aanrollen af eener groote baar, die hem vlak voor de Fingal’s grot bracht.In minder dan een seconde. (bladz. 162).In minder dan een seconde. (bladz. 162).De vlet werd door deze omhoog getild; maar Olivier Sinclair slaagde er in haar, door een behendige behandeling der roeiriemen,op den kop der golf te houden. Ware ze dwarszee’s geraakt, dan zou zij onvermijdelijk hebben moeten omslaan.Die eerste maal heesch de zee het nietige vaartuig bijna tot bij de hoogte op van het gewelf. Men kon vreezen, dat de notendop zich tegen de rotsmassa zou verpletteren, maar toen de golf terugliep sleepte zij dien in haar onweerstaanbare strooming naar volle zee mede.Drie maal werd de sloep zoo opgetild en met reuzenkracht naar de grot gestuwd. Maar telkens werd ze weer achteruit gesleurd, zonder zich een doortocht te hebben kunnen banen door de watermassa, die den ingang versperde. Olivier Sinclair, geheel en al kalm, en zich zelven volkomen meester, hield de vlet met zijn roeiriemen in evenwicht.Eindelijk tilde een hoogere golftop het nietig vaartuig op. Het balanceerde een ondeelbaar oogenblik, ter hoogte bijna van het bovenplat van het eiland, op den rug van dien vloeibaren berg. Toen ontstond een schrikkelijk diepe voor, tot aan den voet der grot, en werd Olivier Sinclair in schuine richting voortgestuwd, alsof hij de hellingen van een machtigen waterval afdaalde.Een kreet van schrik ontsnapte aan al de getuigen van dit vreeselijk tooneel. Het was alsof het vaartuig werkelijk en onweerstaanbaar tegen de basaltzuilen van den linker hoek aan den ingang der grot ging verbrijzeld worden.Maar de kloeke jongeling gaf met zijn roeiriemen steun aan zijn vlet. Gedurende een kortstondig oogenblik verscheen de ingang als genaakbaar en schoot hij met de snelheid van een voortgedreven pijl vooruit, alvorens de zee teruggerold en zich in een overgroote baar omgekruld kon hebben, en verdween hij voor aller oogen in het innerlijke der donkere grot.Een seconde later plofte de watermassa als een onmetelijke sneeuwval neer en sloeg tot aan den uitersten bovenkant van het eilandje.Zou de vlet nu tegen den achterwand van de grot verbrijzeld zijn en moest men nu twee slachtoffers van dien storm te betreuren hebben in plaats van een?Toch was daar niets van aan. Olivier Sinclair was met groote snelheid voortgeschoten, zonder de ongelijke zoldering van het gewelf te raken. Hij had zich in het vaartuig plat op den buik moeten werpen, om den schok met de basaltbundels, die omlaag hingen en van alle kanten uitstaken, te ontgaan. Dat was hem gelukt. In minder dan een seconde had hij den tegenovergestelden rotswand bereikt en koesterde slechts ééne vrees, namelijk die van door den terugloop der watermassa weer naar buiten te worden meegesleept, zonder zich aan eenig uitstekend punt daarbinnen te hebben kunnen vastklemmen.Gelukkig stootte de vlet, door eene baar voortgestuwd, welker kracht door een teruggolving zeer verzwakt was, tegen de zuilen die het buffetorgel vormden, waarvan wij vroeger spraken, en dat tegen den achterwand van Fingal’s kelder verrees, en werd meer dan half verbrijzeld door den schok. Maar Olivier Sinclair had gelegenheid een stuk basalt met de hand te grijpen en zich daaraan met de wanhopige kracht eens drenkelings vast te klemmen. Een oogenblik later kon hij zich omhoog hijschen en buiten het bereik der zee zijn werk vervolgen.Terstond daarop werd de ontredderde vlet door een terugrollende baar medegevoerd en naar buiten geslingerd. Toen zij dat wrak zagen verschijnen, konden de gebroeders Melvill en ook Partridge niet anders meenen, dan dat de koene redder zelf was omgekomen.XXI.Storm in eene grot.Olivier Sinclair was geheel ongedeerd en voor het oogenblik in veiligheid. De duisternis was evenwel zoo groot in de grot, dat hij daarin niets kon onderscheiden. Het schemerlicht kon slechts van de tusschenruimte van twee golven gebruik maken, wanneer de ingang van de watermassa eenigermate bevrijd was, om de grot binnen te dringen.Olivier Sinclair trachtte evenwel te ontdekken, waar miss Campbell een toevlucht had kunnen vinden.... Die poging was echter te vergeefs.Hij riep:»Miss Campbell! miss Campbell!”Hoe te beschrijven, wat er in hem omging toen hij een hemelsche stem hem hoorde antwoorden:»Mijnheer Olivier! mijnheer Olivier!”Miss Campbell was in leven.Maar op welke plek had zij zich buiten het bereik van het stormloopen der golven en dus in veiligheid kunnen stellen? Olivier Sinclair trachtte over het pad met alle voorzichtigheid de geheele Fingal’s spelonk rond te kruipen.In den linker wand had een holte in het basalt eene oneffenheid veroorzaakt, die de gedaante had van eene nis. Daar waren de zuilen van elkander geweken en hadden een schuilplaats gevormd, diebij hare opening vrij breed was, maar zich langzamerhand zoodanig vernauwde, dat slechts ruimte voor één persoon er in aangetroffen werd. De legende verleende aan die uitholling den naam van: »Fingal’s armstoel.”Het was in die schuilplaats, dat miss Campbell, door het binnenstormende water overvallen, eene toevlucht had gezocht.Weinige uren vroeger was bij eb de ingang van de grot gemakkelijk toegankelijk geweest, en had het onvoorzichtige meisje haar gewoon bezoek daar afgelegd. Daarbinnen gaf zij zich aan hare mijmeringen over, begreep het gevaar niet, waarmee de opkomende vloed haar bedreigde, en had zij niets opgemerkt van hetgeen buiten omging. Hoe schrok zij, toen zij de grot willende verlaten, geen uitgang meer door het binnenstroomende water kon vinden.Toch verloor miss Campbell het hoofd niet. Zij zocht een schuilplaats te bereiken, en na twee of drie vruchtelooze pogingen om op het buitenste trapportaal te komen, kon zij eindelijk, niet zonder wel twintigmaal gevaar geloopen te hebben meegesleurd te worden, in dien armstoel van Fingal dringen.Daar vond Olivier Sinclair haar ineen gedoken, maar buiten het bereik der stortzeeën.»Oh! miss Campbell!” riep hij, »hoe hebt gij zoo onvoorzichtig kunnen zijn, om u zoo bij het begin van een storm bloot te stellen. Bij God! wij waanden u verloren!”»En gij zijt gekomen om mij te redden, mijnheer Olivier,” hernam miss Campbell, meer getroffen door het edele moedbetoon van den jonkman, dan verschrikt over de gevaren, die zij geloopen had of nog kon loopen!»Ik ben gekomen om u uit een neteligen toestand te redden, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair met vuur, »en met Gods hulp zal ik slagen!—Gij zijt toch niet bang?”»Of ik bang ben?.... neen!.... Nu gij bij mij zijt, vrees ik niets meer. En.... daarenboven, kon een ander gevoel dan bewondering mij bezielen bij den aanblik van zoo’n schouwspel?.... Kijk!”Miss Campbell was tot achter in haar smalle schuilplaats terug geweken. Olivier Sinclair, die voor haar recht overeind stond, trachtte haar, zoo goed hem zulks mogelijk was, te beschutten, wanneer eene golf woedender dan de vorige, haar dreigde te bereiken.Beiden zwegen in dezen plechtigen stond. Had Olivier Sinclair wel noodig uit te spreken, wat er omging in zijn hart? En zouden woorden wel bij machte geweest zijn, om uit te drukken wat miss Campbell gevoelde?De jonkman zag evenwel met een onuitsprekelijken angst, niet voor hem maar voor miss Campbell, de gevaren van buiten vermeerderen. Hij moest begrijpen, toen hij het gehuil van den wind enhet geklots en gedonder der zee hoorde, dat de storm zich met verdubbelde woede ontketende. Hij zag het peil der wateren stijgenonder den invloed van het getij, dat nog verscheidene uren zou aanhouden.»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).Tot waar zou de vloed, welken de golfslag uit volle zee een buitengewone hoogte zou verleenen, stijgen? Dat kon onmogelijk iemand voorspellen. Maar het was duidelijk zichtbaar, dat de grot zich langzamerhand vulde. Indien daarbinnen geen volslagen duisternis heerschte, had dit hierin zijn oorzaak, dat de golfkuiven als het ware door het licht van buiten waren doorweven, en dat hier en daar phosphoresceerende lichtplekken als elektrische straalbundels, die zich aan de hoeken en oneffenheden der basaltblokken vasthechtten, in de watermassa schitterden, die de scherpe hoeken der prisma’s als met vuur overdekten en bij haar terugijlen een twijfelachtige loodkleurige schemering achterlieten.Wanneer de schelle verschijning van die verlichting plaats had, keerde zich Olivier Sinclair tot miss Campbell, en zag hij haar aan met een ontroering, die niet enkel aan het besef van het gevaar, waarin zij verkeerde, was toe te schrijven.Miss Campbell glimlachte zwijgend en verkeerde geheel onder den indruk van dit schouwspel van een storm in een grot!Maar in dat oogenblik sloeg een machtigere deininggolf tot bij de uitholling van Fingal’s armstoel. Olivier Sinclair meende, dat zij beiden uit hun toevluchtsoord gesleurd zouden worden.Hij vatte het jonge meisje in zijn armen, als een prooi, die de woedende zee hem trachtte te ontrukken.»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje in een oogenblik van radeloozen angst, dien zij niet had kunnen bedwingen.»Vrees niets, Helena!” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik zal u beschermen, Helena!.... ik zal....”Ja, hij zeide dat: Ik zal u beschermen: Maar hoe? Hoe zou hij haar aan het machtig geweld der stortzeeën kunnen ontvoeren, wanneer hunne woede aangroeide, wanneer de wateren nog hooger stegen, wanneer de toevluchtsplaats in dien armstoel onhoudbaar werd? Op welke andere plek zou hij redding zoeken? Waar zou hij een schuilplaats vinden buiten het bereik van dien monsterachtigen opstand der zee. Alle die gebeurlijkheden verschenen voor hem in hare schrikkelijke werkelijkheid.Maar hij moest boven alles koelbloedig zijn. Olivier Sinclair beijverde zich dan ook kloekhartig om zich zelven meester te blijven.En hij moest dat te eerder, nu het te voorzien was, dat zoo niet de zedelijke moed, dan toch de lichaamskracht het jonge meisje eindelijk zou ontzinken. Olivier Sinclair voelde reeds, dat zij langzamerhand zwakker werd en ging bezwijken. Hij wilde haar geruststellen, hoewel hijzelf zich de hoop voelde begeven.»Helena.... dierbare Helena!” lispte hij, »toen ik naar Obanterugkeerde.... vernam ik.... dat gij het waart.... dat ik aan u mijne redding uit de Corryvrekankolk heb te danken!”»Wat?.... Olivier.... gij wist!....” stamelde miss Campbell, met uiterst zwakke stem.»Ja, lieve!.... en ik voel heden mijn schuld!.... O! ik zal u uit de Fingal’s grot redden!”Maar hoe kon Olivier Sinclair van redding spreken in een oogenblik, dat de watermassa met geweld aan den voet hunner schuilplaats neerplofte! Hij slaagde er zelfs gebrekkig in, om zijn gezellin tegen de spatten te beveiligen. Twee of driemaal was hij op het punt van door den golfslag meegesleurd te worden.... En dat hij nog weerstand bood, was het gevolg eener bovenmenschelijke poging; hij voelde immers de armen van miss Campbell, die zijn leest krampachtig omknelden. Hij begreep, dat zij onvermijdelijk met hem voortgesleept zou worden.Het kon half tien des avonds zijn. De storm moest zijn hoogste punt van geweld bereikt hebben. En waarlijk, de stijgende wateren stortten zich met de onbedwingbare onstuimigheid van een lawine in Fingal’s spelonk. De schok dier watermassa op den achterwand en op de zijwanden der grot, veroorzaakte zoo’n oorverdoovend geraas, en zoodanig was het geweld der golven, dat stukken basalt van de wanden werden afgescheurd, bij hunnen val in het witte, lichtgevende schuim plompten en daarin zwarte gaten vormden.Zouden onder dien aanval, wiens hevigheid niet te beschrijven is, de zuilen stuk voor stuk losgerukt en in den afgrond neervallen? Zou het gewelf gevaar loopen van intestorten? Alles was in die oogenblikken voorwaar te vreezen. Olivier Sinclair voelde zich dan ook door een niet te overwinnen duizeling bevangen, waartegen hij zich trachtte te verzetten. Dit werd veroorzaakt, door dat de lucht soms ontbrak. Wel werd zij in overvloed de grot binnengestuwd, wanneer de golven binnenstormden, maar somwijlen was het alsof die zelfde golven de lucht weer opslorpten, wanneer zij bij haren terugloop naar buiten ijlden.Miss Campbell, geheel en al uitgeput, voelde in die omstandigheden hare krachten haar begeven en viel in zwijm.»Olivier!... Olivier!...” lispte zij, terwijl zij in zijn armen gleed.Olivier Sinclair had zich met het jonge meisje in het diepste gedeelte van de schuilplaats neergehurkt. Hij ondersteunde miss Campbell, hij dekte haar met zijn lichaam tegen de stortzeeën, hij worstelde, terwijl hij zich tegen de uitstekende gedeelten der basaltrotsen stutte, te midden eener duisternis, die nog zwarter scheen door de tusschenpoozingen van phosphoresceerend licht te midden van het onafgebroken gedonder, veroorzaakt door het voortdurend geklots en geschok, vermengd met geloei en gesis. Neen, het was thansSelma’s stem niet meer, die in het paleis van Fingal weerklonk! Het geleek veel meer een verschrikkelijk gehuil en geblaf van Kamschatka-honden, die, volgens de uitdrukking van Michelet, in groote troepen en bij duizendtallen, gedurende de lange winternachten tegen de loeiende branding huilen en aldus met de woedende Noordelijke ijs-zee een wedstrijd aangaan.Eindelijk, eindelijk begon de eb in te treden en de zee te dalen. Olivier Sinclair merkte op, dat met de daling der water-oppervlakte ook de deining-golven, die uit volle zee aanrolden, eenigszins, nog wel niet veel, bedaarden. Maar de duisternis in de grot was toen zoo groot, dat het buiten betrekkelijk licht was. In die halve duisternis begon de zwarte opening der spelonk, die niet meer door de aanrollende watermassa bedekt werd, zich flauw te vertoonen. Weldra bereikten nog maar de spatten en de fijne stofregen van de branding den armstoel van Fingal. Het was thans geen wurgende en alles met zich voortsleurende stortzee meer. De hoop keerde in het hart van Olivier Sinclair terug.Te rekenen naar het volzee-getij, kan aangenomen worden, dat het middernachtuur reeds voorbij was. Nog twee uren, en het pad zou niet meer schoongeveegd worden door de zweepende golfkoppen. Het moest dan weer begaanbaar worden. Het was van belang zich bijtijds hiervan te verzekeren. En eindelijk, na lang wachten, was het zoover gekomen.Het oogenblik om de grot te verlaten was aangebroken.Maar miss Campbell was nog niet uit haar onmacht ontwaakt. Geheel krachteloos als zij was, nam Olivier Sinclair haar in zijn armen op, liet zich toen buiten den armstoel van Fingal glijden en begon het smalle pad te volgen, waarvan de ijzeren leuningspijlen onder het geweld der zee afgewrongen, afgesleurd of verbroken waren.Wanneer een golf op hem aanrolde, bleef hij een oogenblik staan of trad ook wel onder den aandrang een of meer passen terug.Eindelijk, op het oogenblik, dat Olivier Sinclair den buitensten hoek zou bereiken, sloeg nogmaals een laatste monstergolf over hem heen en omhulde hem met zijn waterstralen geheel en al. Hij dacht niet anders, dan dat hij met miss Campbell tegen den rotswand zou verpletterd of in de loeiende kolk aan zijn voeten worden meegesleept....Maar door een laatste inspanning, gelukte het hem weerstand te bieden en, gebruik makende van de verademing, die de terugvloeiende golf hem schonk, stormde hij de grot uit.In minder dan geen tijd had hij den hoek der steile kust bereikt, waar de gebroeders Melvill, Partridge en ook juffrouw Bess, welke laatste zich in haar ongeduld bij hen vervoegd had, den geheelennacht post hadden gevat.Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).Olivier en Helena waren gered.Maar daar week de overspanning van zedelijke en lichamelijkegeestkracht, die Olivier Sinclair tot nu toe geschraagd had, op haar beurt eindelijk ook. Hij viel buiten kennis aan den voet der rotsen neer, nadat hij miss Campbell in de armen van juffrouw Bess had overgegeven.Zonder zijn toewijding en zijn moed zou Helena de grot van Fingal niet levend hebben verlaten.XXII.De Groene Straal.Eenige minuten later kwam miss Campbell, onder den invloed van de frischheid der lucht, in de grot van Clam Shell tot haar zelve. Het was alsof zij uit een droom ontwaakte, maar uit een droom, waarin het beeld van Olivier Sinclair de heldenrol vervuld had. Er was haar geen herinnering hoegenaamd bijgebleven van de gevaren, waarin haar onvoorzichtigheid haar gebracht had.Zij was nog niet in staat te spreken; maar toen zij Olivier Sinclair te zien kreeg, blonken tranen van dankbaarheid onder haar schoone oogwimpers en reikte zij de hand aan haren redder.Broeder Sam en broeder Sib omhelsden, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen, den jonkman in een gezamenlijke omarming, Juffrouw Bess neeg en neeg nogmaals voor hem, en den goeden Partridge ontbrak waarachtig de lust niet om hem te kussen.Toen nam gelukkig de vermoeienis de overhand. Allen verwisselden hun kleedingstukken, die òf door het zeewater òf door den regen doorweekt waren, en sliepen in, om een zeer rustigen nacht door te brengen.Maar de indrukken, die allen dien dag hadden opgedaan, zouden zoowel voor de handelende personen in het drama, dat tot schouwtooneel de legendarische grot van Fingal gehad had, als voor de toeschouwers, onuitwischbaar in hun geheugen achterblijven.Daags daarna, terwijl miss Campbell op haar bedje rustte, dat in den achtergrond der Clam Shell grot voor haar gespreid was, wandelden de gebroeders Melvill arm in arm over den nabij gelegen straatweg. Zij spraken niet; maar hadden zij wel noodig te spreken om hun geheel overeenkomstige gedachten te vertolken? Beiden bewogen te gelijkertijd het hoofd op en neer, wanneer zij bevestigden; van rechts naar links, wanneer zij ontkenden. En konden zij anders bevestigen, dan dat Olivier Sinclair zijn leven had veil gehad om het onvoorzichtige jongemeisje te redden? En wat ontkenden zij? Dat hunne oorspronkelijke plannen, om miss Helena uit te huwelijken, thans onuitvoerbaar waren. In dat stommetjes-spel werden nog wel andere zaken medegedeeld, waarvan broeder Sam en broeder Sib de vervulling thans in een naaste toekomst te gemoet zagen. Voor hen was Olivier niet meer Olivier. Hij was niets minder dan Amin, de meest volmaakte held uit de zoo heldhaftige gaëlische heldengedichten.Olivier Sinclair was van zijn kant ten prooi aan een geheel natuurlijke opgewondenheid. Een soort van uiterst kiesch gevoel bracht hem er toe, om alleen te willen zijn. Het zou thans een knellend gevoel voor hem zijn geweest, zich in tegenwoordigheid der gebroeders Melvill te bevinden, alsof zijne tegenwoordigheid alleen den prijs voor zijn toewijding van hen eischte.Hij wandelde dan ook, na de grot van Clam Shell verlaten te hebben, geheel alleen op het plateau van Staffa.Al zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik als van zelf naar miss Campbell. Hij herinnerde zich zelf de gevaren niet, die hij had geloopen, die hij vrijwillig met haar had gedeeld. Wat hij zich van dien vreeselijken nacht herinnerde, waren de uren, in het bijzijn van Helena in dat donker toevluchtsoord doorgebracht, toen hij haar in zijn armen hield gesloten, om haar aan het geweld der baren te ontrukken. Hij zag bij het phosphoresceerend lichten der golven het gelaat van dat overschoone jonge meisje voor zich, het gelaat, dat wel ietwat bleek uitzag, niet door vrees, maar door vermoeienis, het gelaat dat boven de woedende zee en de kokende waterkolken verrees als de geest der stormen! Hij hoorde haar met een bewogen stem vragen: »Hoe wist gij het?” toen hij haar had gezegd: »Ik weet wat gij gedaan hebt, toen ik op het punt was om in de Corryvrekan-kolk om te komen! Hij vond zich terug in die smalle toevluchtsplaats, die als een nis veeleer gemaakt was, om een of ander koud steenen beeld te bevatten; de plaats waar twee jonge liefdevolle wezens geleden en, de een tegen den anderen aangedrukt, gedurende lange uren geworsteld hadden. Daar was het zelfs niet meer Sinclair en miss Campbell geweest. Daar hadden zij elkander Olivier en Helena genoemd, alsof zij in het oogenblik, waarin de dood hen naderde, zich aan een ander leven wilden vastklemmen!Zoo openbaarden zich de meest opgewonden en de meest verhitte denkbeelden in het brein van den jonkman, toen hij daar op dat plateau van het eiland Staffa rondwandelde. Hoe groot zijn verlangen ook was om naar miss Campbell terug te keeren, zoo weerhield hem een overkomelijke macht ondanks hem zelven; omdat hij in hare tegenwoordigheid zijne gedachte niet zou hebben kunnen verbergend, en hij zich voorgenomen had te zwijgen.Intusschen was het weder, zooals het gewoonlijk na plotseling ingetreden en plotseling verdwenen dampkrings-stoornissen geschiedt, bewonderenswaardig schoon geworden, en de hemel volmaakt helder en zuiver. Zeer dikwijls, ja veelal laten die dampkrings-zuiveringen door de zuidwestenwinden veroorzaakt, geen sporen na, en schenken zij aan de ruimte het prachtvolle ultramarijn blauw terug, dat slechts door een onvergelijkelijke zuiverheid kan ontstaan. De zon had het toppunt harer baan overschreden, zonder dat de geringste nevel den horizon had verduisterd.Olivier Sinclair wandelde alzoo met een verhit brein, te midden dier machtige uitstraling, die door het bovenvlak van het eiland weerkaatst werd. Hij baadde te midden van die warme uitstroomingen, hij ademde de zeebries in en hardde zich in dien levendmakenden dampkring.Plotseling kwam een gedachte bij hem op, toen hij den helderen gezichteinder beschouwde, die zich daar voor hem onmetelijk uitstrekte—een gedachte, die hem te midden van al de andere, die zijn brein thans vervulden, ontschoten was.»De Groene Straal!” riep hij uit. »Wanneer ooit de hemel zich tot onze waarneming leent, dan is het van daag! Geen enkele wolk! geen enkel nevelblokje! En het is niet waarschijnlijk, dat er komen zullen, na dien schrikkelijken storm van gisteren, die alle dampen naar het oosten gedreven heeft. En miss Campbell, die niet gist, dat de avond van dezen dag haar een allerprachtigsten zons-ondergang bereidt!.... Ik zal.... ja, ik zal haar zonder verwijl moeten waarschuwen....”Olivier Sinclair gevoelde zich gelukkig, zoo’n natuurlijk voorwendsel gevonden te hebben om bij Helena terug te komen en spoedde zich naar de grot van Clam Shell.Hij bevond zich eenige oogenblikken later in het bijzijn van miss Campbell en haar beide ooms, die haar met innige toegenegenheid aankeken, terwijl juffrouw Bess haar bij de hand hield.»Wel, voelt gij u beter, miss Campbell?....” vroeg hij. »Ja,.... ik zie het,.... de krachten zijn teruggekomen!”»Ja,mijnheerOlivier,” antwoordde miss Campbell trillend, toen zij den jonkman ontwaarde.»Ik meen, dat gij wel zoudt doen,” hernam Olivier Sinclair, »wanneer gij boven op het vlak een weinig van de lichte bries gingt inademen, die door den storm van gisteren gezuiverd is. De zon schijnt overheerlijk. Zij zal u verwarmen.”»Mijnheer Sinclair heeft gelijk,” zei broeder Sam.»Geheel en al gelijk,” vulde broeder Sib aan.»En als ik alles moet zeggen,” ging Olivier Sinclair voort, »dan kon ik er bijvoegen, dat, wanneer mijn voorgevoelens mij niet bedriegen,ik geloof, dat gij binnen weinige uren uw dierbaarsten wensch zult vervuld zien.”De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)»Mijn dierbaarste wensch?” mompelde miss Campbell, schier onhoorbaar, alsof zij zich zelve een antwoord gaf op een geheime gedachte.»Ja... de hemel is merkwaardig helder en zuiver, en het is zeer waarschijnlijk, dat de zon achter een wolkenloozen gezichteinder zal ondergaan!”»Zou het mogelijk zijn?” riep broeder Sam uit.»Waarachtig, zou het mogelijk zijn?” schreeuwde broeder Sib hem na.»En, er is reden te gelooven,” vervolgde Olivier Sinclair, »dat gij dezen eigen avond den Groenen Straal zult kunnen waarnemen.”»Den Groenen Straal!....” antwoordde miss Campbell.Het scheen, dat zij in haar verward geheugen zocht, wat die straal wel kon zijn.»Ah.... dat ’s waar ook!....” zeide zij. »Wij zijn hier te Staffa gekomen om den Groenen Straal waar te nemen!”»Komaan! komaan!” zei broeder Sam, die verheugd was, dat een gelegenheid zich opdeed om het jonge meisje aan de matheid te onttrekken, die haar sedert het voorval in de grot van Fingal overvallen had. »Komaan, naar den anderen kant van het eiland!”»En wij zullen straks bij onze terugkomst des te smakelijker dineeren,” vulde broeder Sib vroolijk aan.Het was toen vijf uur in den namiddag.De geheele familie, waaronder ook juffrouw Bess en Partridge begrepen waren, verliet toen, onder geleide van Olivier Sinclair, terstond de grot van Clam Shell, klom langs de houten trap omhoog en bereikte spoedig den rand van hetbovenplateau.Men had de vreugde van de beide ooms moeten kunnen zien, toen zij den prachtvollen hemel aanschouwden, waarlangs de schitterende dagvorstin langzaam daalde. Misschien overdreven zij thans; maar neen, nimmer, neen nimmer! hadden zij zooveel geestdrift voor het natuurverschijnsel aan den dag gelegd als nu. Het scheen eer, dat niet voor miss Campbell, maar voor hen al die verhuizingen hadden plaats gehad, en zoo veel beproevingen van allerhanden aard, sedert het verlaten van het buitenverblijf te Helenaburg tot hier op Staffa ondergaan waren, waarbij Jona en Oban niet behoefden vergeten te worden!En waarlijk, de ondergang der zon beloofde dien avond zoo wonderschoon te zijn, dat de meest ongevoelige, de meest practische, de meest prozaïsche koopman van the City of London, of der handelaren van Cannongate het zeepanorama zou bewonderd hebben, dat zich daar voor zijn oogen ontrolde.Miss Campbell voelde zich herleven in dien dampkring, die door de zoutdeelen van de zee, welke door een lichte bries uit vollezee overgebracht werden, bezwangerd was. Haar mooie oogen openden zich zoo groot mogelijk voor het fraaie tafereel van den Atlantischen Oceaan. Op haar wangen, die door de vermoeienissen van den vorigen dag verbleekt waren, ontloken weer de rooskleurige tinten van haar Schotsch bloed! O, wat was zij schoon! Welke bekoorlijkheid straalde van haar geheele wezen uit! Olivier Sinclair trad een weinig naar achteren en beschouwde haar in stilte en hij, die vroeger zonder eenige verlegenheid uren lang haar op haar wandelingen had kunnen vergezellen, voelde zich thans verward, met een angstig gevoel in het hart, en bemerkte dat hij haar ter nauwernood durfde aankijken!Wat de gebroeders Melvill betreft, zij waren bepaaldelijk even stralend als de zon zelve. Zij richtten het woord met geestdrift tot de dagvorstin. Zij noodigden haar uit om achter een wolkeloozen horizon onder te gaan. Zij smeekten haar hun haar laatsten straal bij het einde van dezen fraaien dag te schenken.En toen kwamen de herinneringen aan de dichtstukken van Ossian voor den dag, die zij vers voor vers, ieder op zijn beurt, opdreunden:»O gij, die boven onze hoofden zweeft, rond als het schild onzer voorvaderen, zeg ons, van waar komen uw stralen, o! goddelijke zon? Van waar komt uw eeuwig licht?”»Gij schrijdt voorwaarts vol majesteit en vol schoonheid op uw baan! De sterren verdwijnen in het uitspansel! De bleeke en koude maan verbergt zich in de westersche golven! Gij alleen beweegt u, o zon!”»Wie zou uw tochtgenoot zijn op uw baan! De maan verliest zich in de diepte der hemelen? Gij alleen blijft steeds dezelfde! Gij verblijdt u zonder ophouden in uw schitterende loopbaan!”»Als de donder rolt en de bliksemflits schiet, dan komt gij in uw schoonheid achter de wolken uit en gij bespot den storm en het onweder!”Allen schreden in dien geestdriftvollen toestand naar het uiterste uiteinde van het plateau van Staffa voort, van waar men een gezicht heeft op de volle zee. Daar namen zij plaats en zetten zich op de buitenste rotsblokken, en hadden ze een gezichteinder voor zich, waarvan niets de zoo fijne lijn, die door de vereeniging van de lucht met het water schijnt getrokken te zijn, zou verduisteren.En dezen keer zou er geen Aristobulus Beerenkooi zijn, die het zeil van zijn vaartuig zou komen schuiven voor of een vlucht watervogels zou opjagen tusschen de ondergaande zon en het eilandje Staffa!Intusschen viel met het vallen van den avond ook de bries, en de laatste deininggolven kwamen in het op en neer gaan derbranding aan den voet der rotsen sterven. Verder op naar buiten verscheen de zee als een spiegel en had zij dat olieachtig uiterlijk, dat door geen enkele rimpel gebroken werd.Alles liep dus wonderbaarlijk te zamen, alle omstandigheden hielpen mede om de verschijning van den Groenen Straal gemakkelijk te doen waarnemen.Maar zie, een half uur later strekte Partridge de hand naar het Zuiden uit en riep:»Een zeil!”Een zeil! Zou dat dezen keer ook voor de zonneschijf voorbijschuiven op het oogenblik, dat zij in de golven zou onderduiken? Waarlijk, dat zou meer dan kwade kans moeten genoemd worden!Het vaartuig stevende de zeeëngte uit, die het eiland Jona van de kaap van Mull scheidt. Het gleed, met den wind vlak van achteren, vooruit eerder onder den invloed van den opkomenden vloed dan onder den druk eener bries, welker laatste zuchtjes ternauwernood het zeiltuig konden vullen.»Het is deClorinda,” zei Olivier Sinclair, »en daar zij koers zet om ten oosten van Staffa voor anker te komen, zoo zal zij binnen door varen en onze waarneming niet kunnen hinderen.”Het was inderdaad deClorinda, die na het eiland Mull langs het zuiden omgezeild te hebben, haar ankerplaats in de kreek van Clam Shell weer kwam opzoeken.Aller blikken wendden zich toen weer naar den horizon in het westen.De zon daalde reeds met de snelheid, die zij bij het naderen der zee schijnt aan te nemen. Op de oppervlakte van het water beefde een lange zilverstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog onverdragelijk was. Weldra ging zij van de kleur van mat goud, die zij aannam bij het dalen, tot het helderkleurig goud over. Wanneer men de oogen sloot, schitterden op het netvlies langwerpige roode ruiten en gele cirkels, die elkander kruisten als de vluchtige tinten van een kaleidoscoop. Lichte golvende ribben streepten die soort komeetstaart, welke de weerkaatsing op de oppervlakte van het water te voorschijn tooverde. Het water vertoonde zich als bezaaid met vlokjes verzilverde loovertjes, welker glans verbleekte bij het naderen van den oever.Er was geen spoor te bekennen van wolk of van nevel of van damp, hoe ijl ook op den geheelen omtrek van den gezichteinder, Niets bedierf de zuiverheid dier cirkellijn, die met een passer niet fijner op het fraaiste wit velijn papier had kunnen getrokken worden.Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).Allen zaten daar onbeweeglijk, meer ontroerd dan men wel meenen zou en zij zelf wel wilden bekennen, den bol aan te staren, die zich in schuine richting naar den horizon bewoog. Hij daaldenog meer, en bleef toen als boven den afgrond een oogenblik hangen. Toen begon de misvorming van de schijf, die door de straalbrekinggewijzigd werd, zich langzamerhand te vertoonen. Zij verbreedde ten koste van haar loodrechte doorsnede, en herinnerde aan den vorm van een Etruskische vaas met ronden buik, welker voetstuk in het water dompelt.Er kon geen twijfel meer over de verschijning van het natuurverschijnsel geopperd worden. Niets zou den bewonderenswaardigen ondergang van de schitterende dagvorstin storen. Niets zou haar laatste stralen komen breken of onderscheppen!Weldra was de helft der zon achter de horizonslijn verdwenen. Eenige schitterende stralenbundels, aan gouden pijlen gelijk, kwamen de voorste rotsen van Staffa treffen.Meer achterwaarts hulden zich de steile kusten van Mull en de top van den Ben More in het purper, en was het of zij met vuur waren aangeraakt. Zij gloeiden.Eindelijk was er niets meer te zien dan een uiterst fijn segment van den bovenboog der zonneschijf, dat nu ook de oppervlakte der zee begon aan te raken.Nog een seconde van gespannen verwachting.»De Groene Straal! de Groene Straal!” riepen als uit één mond de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, wier netvlies gedurende het vierde gedeelte van een seconde als gedrenkt was geworden door die onvergelijkelijke tint van vloeibaar smaragd.Olivier en Helena alleen hadden niets van het natuurverschijnsel gezien, dat thans eerst, na zooveel vruchtelooze waarnemingen, eindelijk zich voordeed!Op het oogenblik, dat de zon haren laatsten straal het luchtruim inzond, kruisten beider blikken elkander, en vergaten de gelukkigen alles, wat om hen heen gebeurde, bij de beschouwing, waarin zij verzonken waren.Maar Helena had de zwarte schittering, den zwarten straal waargenomen, die de oogen van den jonkman schoten, en Olivier had den zacht blauwen glans niet laten verloren gaan, die aan het oog van het jonge meisje ontsnapte!De zon was thans geheel en al ondergegaan. Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien!XXIII.Besluit.Den volgenden morgen, den 12denSeptember, lichtte deClorindahet anker en ging onder zeil. Zij had een fraaie zee en een gunstigebries, en stevende met volle zeilen naar het zuidwesten van den Archipel der Hebriden. Weldra verdwenen Staffa, Jona, de noordkaap van Mull achter den hoogen rotsoever van het grootste dier eilanden.De passagiers van het jacht ontscheepten na een zeer voorspoedigen overtocht in de kleine haven van Oban, gingen vervolgens met den spoortrein van Oban naar Dalmaly en van Dalmaly naar Glasgow, dwars door het meest schilderachtige gedeelte der Hooglanden, en kwamen zoo op het buitenverblijf van Helenaburg terug.Achttien dagen later werd een huwelijk met groote plechtigheid in de kerk van Sint-George te Glasgow gesloten. Het moet erkend worden, dat het niet het huwelijk was van Aristobulus Beerenkooi met miss Campbell. Neen, de bruidegom was Olivier Sinclair, en broeder Sam en broeder Sib betoonden zich niet minder vergenoegd daarover dan hun nicht.Dat deze vereeniging, onder zulke omstandigheden ontloken en gesloten, alle waarborgen van geluk aanbood, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Het buitenverblijf te Helenaburg, de fraaie woning in de West-George Street te Glasgow, zelfs de geheele wereld waren ter nauwernood voldoende om zooveel geluk te bevatten. En toch dat geheele geluk was in de grot van Fingal, wat zeg ik, in den armstoel van Fingal besloten geweest.Van dien laatsten avond, daar boven op het bovenvlak van Staffa doorgebracht, wilde Olivier Sinclair, hoewel hij het zoo gezochte natuurverschijnsel niet ontwaard had, de herinnering op het doek verduurzamen. Op een dag stelde hij dan ook »een zonsondergang” ten toon, van een bizonder effekt, waarin een soort van groenen straal, die uitermate scherp zich voordeed, alsof hij met vloeibare smaragd geschilderd was, bizonder de aandacht trok, en de bewondering opwekte.Die schilderij lokte natuurlijk terstond bevreemding en getwist uit. De een beweerde, dat daar een natuurlijk verschijnsel op bewonderenswaardige wijze was weergegeven, terwijl de ander stokstijf vasthield, dat die straal slechts fantasie was, dat de natuur dien nimmer voortbracht.Dit laatste verwekte grooten toorn bij de beide ooms, die den straal gezien hadden, verzekerden zij, en gaven dus den jongen schilder gelijk.»En zelfs,” zei oom Sam, met innige overtuiging, »het is beter een geschilderden Groenen Straal te zien dan....”»Een natuurlijken,” vulde broeder Sib aan: »want wanneer men verplicht is zoovele zons-ondergangen, den eenen na den anderen, waar te nemen, doet dat wel pijn aan de oogen.”En daarin hadden de gebroeders Melvill gelijk.Twee maanden later wandelden de beide jeugdige echtgenooten met hunne ouders langs de oevers der Clyde, voor het park van het buitenverblijf, toen zij op het onverwachtst Aristobulus Beerenkooi ontmoetten.De jeugdige geleerde, die de werken tot uitdieping der rivier met belangstelling volgde, was juist op weg om zich naar de spoorweghalte van Helenaburg te begeven, toen hij zijn oude reismakkers van Oban ontwaarde.Wij zouden Aristobulus Beerenkooi uitermate miskennen, wanneer wij beweerden, dat hij onder de onverschilligheid van miss Campbell voor zijn persoon had geleden. Hij ondervond dan ook hoegenaamd geen verlegenheid, toen hij zich in tegenwoordigheid van mistress Sinclair bevond.Men groette elkander vormelijk en Aristobulus Beerenkooi bood den jeugdigen echtgenooten zijn beleefde gelukwenschen aan.Toen de gebroeders Melvill die gunstige geestesgesteldheid bemerkten, deden zij volstrekt geen moeite om te verbergen, hoe gelukkig zij zich over het gesloten huwelijk gevoelden.»Zóó, zóó gelukkig,” zei broeder Sam, »dat ik mij, wanneer ik alleen ben, soms op een glimlach betrap!”....»En ik, dat ik soms tranen van geluk moet vergieten!” zei broeder Sib.»Zoo, zoomijne heeren,” merkte Aristobulus Beerenkooi op, »gij moet dus erkennen, dat gij minstens eenmaal in uw leven in oneenigheid waart. De een weent en de ander glimlacht....”»Welnu, dat is voor hen geheel en al hetzelfde, mijnheer Beerenkooi,” merkte Olivier Sinclair op.»Geheel en al hetzelfde, niet waar oompjes?” bevestigde de jonge vrouw, terwijl zij de hand aan het waardig broederpaar reikte.»Hoe? geheel en al hetzelfde?” antwoordde Aristobulus Beerenkooi op dien toon van verstandelijke meerderheid, die hem zoo uitstekend afging. »Waarlijk niet!.... Volstrekt niet!.... Want, wat is een glimlach? Een willekeurige uitdrukking van het gelaat en een willekeurige samentrekking van de aangezichts-zenuwen, waarbij de ademhalingswerktuigen nagenoeg niets te verrichten hebben; terwijl de tranen....»Welnu de tranen?”.... vroeg mistress Sinclair.»Slechts een vloeistof zijn, die den oogappel verduistert. Die vloeistof is samengesteld uit chloruur van sodium, phosphorzure kalk en chloorsoda!”»Scheikundig gesproken, hebt gij gelijk, mijnheer,” zei Olivier Sinclair, »maar uit dat oogpunt alleen.”»Dat onderscheid vat ik niet,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi vrij scherp en bits.En met de stijfheid van een meetkundige groetende, stapte hij met afgemeten treden naar de spoorhalte toe. Men gevoelde zich gelukkig, hem kwijt te zijn.»Die dwaze mijnheer Beerenkooi!” zei mistress Sinclair, »die de gevoelszaken uit een scheikundig oogpunt wil uitleggen, zooals hij met den Groenen Straal heeft gedaan.”»Ja, maar, waarde Helena, terzake!” antwoordde Olivier Sinclair, »wij hebben den straal niet gezien, dien wij toch zoo gaarne hadden willen waarnemen!”»Wij hebben veel beter gezien,” lispte de jonge vrouw heel zacht. »Wij hebben het geluk zelf gezien. Het geluk, dat volgens de legende aan de waarneming van dat natuurverschijnsel verbonden zou zijn.... En daar wij het gevonden hebben, laat ons dat genoeg zijn, en het opsporen van den Groenen Straal overlaten aan hen, die dat geluk niet kennen, maar er kennis meê willen maken.”Einde van den Wonderstraal.
XX.Alles ter wille van miss Campbell!Eenige oogenblikken later kwam Olivier Sinclair, nadat hij den straatweg met versnelden pas had afgelegd, voor den ingang der grot aan, ter plaatse, waar de basalt-trap zich verheft.De gebroeders Melvill en ook Partridge waren hem op de hielen gevolgd.Juffrouw Bess was te Clam Shell gebleven, om alles onder onuitsprekelijke angsten voor de ontvangst van Helena, wanneer zij terugkwam, voor te bereiden.De zee was nu dermate gezwollen, dat zij het bovenste trapportaal bereikte. Zij sloeg reeds over de leuning en belemmerde iederen toegang langs het pad.Uit de onmogelijkheid om binnen de grot te kunnen dringen volgde natuurlijk ook de onwaarschijnlijke kans om er uit te kunnen komen. Was miss Campbell daar binnen, dan was zij gevangen! Maar hoe zou men dit te weten komen?»Helena! Helena!”Zou die naam, uitgegalmd te midden van het onafgebroken geklots der golven, wel kans hebben om gehoord te worden? Het was inderdaad een gedonder èn van den wind èn van de zee, die zich daar met onbeschrijfelijk geweld binnen die grot stortte. Noch geluid, noch oog waren machtig genoeg, om daar thans door te dringen.»Misschien is miss Campbell daar niet in,” zei broeder Sam, die zich aan die hoop wenschte vast te klemmen.»Waar zou ze dan zijn?” vroeg broeder Sib.»Ja juist, waar zou zij dan zijn!” riep Olivier Sinclair uit. »Heb ik haar dan niet te vergeefs op het plat van het eiland, en te midden van de rotsen langs het strand, ja overal gezocht? Zou zij niet reeds bij ons teruggekomen zijn, wanneer dit mogelijk ware?”»Neen zij is daar!.... daar!”En men herinnerde zich het geestdriftvolle maar vermetel onbezonnen verlangen, dat het jonge meisje verscheidene malen had aan den dag gelegd, om eens een storm in de grot van Fingal te kunnen bijwonen. Had zij dan vergeten, dat de zee, door den orkaan opgezweept, daar binnen moest dringen, haar met haar razende golven tot aan het gewelf vullen en er een gevangenis van zou maken, welker deur met geen geweld was open te breken?Wat kon men nu beproeven, om bij haar te komen en haar te redden?Onder den aandrang van den orkaan, die dezen hoek van het eilandje met volle kracht geeselde, verhieven zich de golven soms tot bij het bovenste gedeelte van het gewelf. Daar braken zij met een oorverdoovend geraas. Het te veel binnen gedrongen water werd door den terugstoot naar buiten geworpen en viel in schuimende stroomen terug op de buitenste rotsen, even als de waterstralen van den Niagara-val. Maar het benedenste gedeelte der golven, onder den machtigen aandrang van de deining uit volle zee, stortte zich met de kracht van een bergstroom, wiens afsluitdijk plotseling bezweken is, binnen de grot. Het was dus tegen den achterwand zelf der spelonk, dat de zee klotste met oorverdoovend geweld.Op welke plek daar binnen zou miss Campbell een toevlucht, die voor dien golfslag veilig zou zijn, hebben gevonden? De opening der grot was geheel en al aan de woede der wilde baren blootgesteld, die bij hunne uitstrooming, zoowel als bij hun binnenkomen, het pad onweerstaanbaar moesten schoonvegen.En toch, men trachtte nog te twijfelen, of het jonge meisje daar zou zijn. Hoe zou zij weerstand hebben kunnen bieden aan zoo’n binnendringen der woedende zee in dit slop zonder uitgang? Was haar verminkt en verscheurd lichaam, door den terugstroom meegesleurd, niet reeds naar buiten gevoerd? Had de aanrollende zee, die langs de kust liep, haar reeds snel meegesleept onder langs den straatweg en de klippen, tot bij de grot van Clam Shell?»Helena! Helena!!”Die naam weerklonk onophoudelijk te midden van het geloei van den wind, het gedonder en het geklots der golven. Maar geen kreet die daarop antwoord gaf, of ook antwoord kon geven.»Neen! neen! zij is niet in die grot!” herhaalden de gebroeders Melvill als wanhopigen.»Jawel, zij is er!” bevestigde Olivier Sinclair met overtuiging.En met den vinger wees hij op een stuk stof, dat door den terugloop der golven op een der basalttreden geslingerd werd.Olivier Sinclair stormde de trap af, om die lap te bezichtigen.Het was de »snod,” het Schotsche lint, dat miss Campbell in heur haren droeg.Was thans nog twijfel mogelijk?Maar wanneer dat lint haar ontrukt had kunnen worden, was miss Campbell dan niet door denzelfden golfslag tegen de wanden van Fingal’s spelonk verbrijzeld en verpletterd?»Oh! ik moet het weten?” riep Olivier Sinclair uit.En van een terugstrooming der golven gebruikmakende, die het pad halverwege ontblootte, greep hij de eerste spijlen der trapleuning; maar een onmetelijke watermassa stortte zich op hem, sloeg hem van de been en smakte hem op het trapportaal neer.Wanneer Partridge zich niet met het grootste levensgevaar op hem geworpen en hem gegrepen had, Olivier Sinclair ware tot op de benedenste treden naar onderen gerold en zou de zee hem medegesleept hebben, zonder dat het mogelijk was, hem hulp te verleenen.De jonkman was opgestaan, maar voelde zijn ijver, om binnen de grot te dringen, niet verkoelen.»Miss Campbell is daar!” herhaalde hij voortdurend. »Zij is levend daar binnen, dewijl haar lichaam niet naar buiten geworpen is, even als dit lapje stof! Het is dus niet onmogelijk dat zij een toevlucht binnen een of andere uitholling gevonden zal hebben! Maar haar krachten zullen weldra uitgeput zijn! Zij zal onmogelijk weerstand kunnen bieden tot op het oogenblik, dat de eb zal ingetreden zijn!... Wij moeten haar dus bereiken!”»Ik zal gaan!” zei Partridge.»Neen!... ik!” antwoordde Olivier Sinclair.Een uiterste middel om bij miss Campbell te komen, zou door hem beproefd worden. Evenwel zelfs dat middel zou ter nauwernood één kans van slagen aanbieden tegen negen en negentig anderen van mislukken.»Wacht ons hier, heeren,” zei hij tot de gebroeders Melvill. »Binnen vijf minuten zijn wij terug. Kom Partridge!”De beide ooms bleven daar op dien uithoek van het eilandje wachten, beschut boven op de steile kust, alwaar de zee hen niet kon bereiken. Olivier Sinclair en Partridge spoedden intusschen in allerijl voort naar de grot van Clam Shell.Vijf minuten later verschenen de jonkman en de oude dienaar weer; zij sleepten de kleine vlet van deClorinda, die kapitein Olduck ten gerieve der toeristen had achtergelaten, over den straatweg voort.Zou Olivier Sinclair zich door de zee binnen de grot laten stuwen, nu men langs den landweg daar niet kon inkomen?Ja, dat ging hij beproeven. Hij aarzelde evenwel niet. Het schuitje werd beneden bij de trap, achter een der basalttreden, buiten de branding gebracht.»Ik ga met u!” zei Partridge.»Neen,” zei Olivier Sinclair. »Dat kan niet. De kleine vlet mag niet noodeloos worden overladen. Is miss Campbell nog levend, dan zouden drie menschen in dat vaartuigje moeten. Neen, ik zal mij alleen wel behelpen!”»Olivier!” riepen de twee broeders, die hunne snikken niet konden bedwingen. »Olivier! o Olivier! red onze dochter!”De jonkman drukte hun de hand, sprong in de vlet, zette zich op de middenbank, greep de beide roeiriemen en bereikte behendig de terugstrooming; hij wachtte het aanrollen af eener groote baar, die hem vlak voor de Fingal’s grot bracht.In minder dan een seconde. (bladz. 162).In minder dan een seconde. (bladz. 162).De vlet werd door deze omhoog getild; maar Olivier Sinclair slaagde er in haar, door een behendige behandeling der roeiriemen,op den kop der golf te houden. Ware ze dwarszee’s geraakt, dan zou zij onvermijdelijk hebben moeten omslaan.Die eerste maal heesch de zee het nietige vaartuig bijna tot bij de hoogte op van het gewelf. Men kon vreezen, dat de notendop zich tegen de rotsmassa zou verpletteren, maar toen de golf terugliep sleepte zij dien in haar onweerstaanbare strooming naar volle zee mede.Drie maal werd de sloep zoo opgetild en met reuzenkracht naar de grot gestuwd. Maar telkens werd ze weer achteruit gesleurd, zonder zich een doortocht te hebben kunnen banen door de watermassa, die den ingang versperde. Olivier Sinclair, geheel en al kalm, en zich zelven volkomen meester, hield de vlet met zijn roeiriemen in evenwicht.Eindelijk tilde een hoogere golftop het nietig vaartuig op. Het balanceerde een ondeelbaar oogenblik, ter hoogte bijna van het bovenplat van het eiland, op den rug van dien vloeibaren berg. Toen ontstond een schrikkelijk diepe voor, tot aan den voet der grot, en werd Olivier Sinclair in schuine richting voortgestuwd, alsof hij de hellingen van een machtigen waterval afdaalde.Een kreet van schrik ontsnapte aan al de getuigen van dit vreeselijk tooneel. Het was alsof het vaartuig werkelijk en onweerstaanbaar tegen de basaltzuilen van den linker hoek aan den ingang der grot ging verbrijzeld worden.Maar de kloeke jongeling gaf met zijn roeiriemen steun aan zijn vlet. Gedurende een kortstondig oogenblik verscheen de ingang als genaakbaar en schoot hij met de snelheid van een voortgedreven pijl vooruit, alvorens de zee teruggerold en zich in een overgroote baar omgekruld kon hebben, en verdween hij voor aller oogen in het innerlijke der donkere grot.Een seconde later plofte de watermassa als een onmetelijke sneeuwval neer en sloeg tot aan den uitersten bovenkant van het eilandje.Zou de vlet nu tegen den achterwand van de grot verbrijzeld zijn en moest men nu twee slachtoffers van dien storm te betreuren hebben in plaats van een?Toch was daar niets van aan. Olivier Sinclair was met groote snelheid voortgeschoten, zonder de ongelijke zoldering van het gewelf te raken. Hij had zich in het vaartuig plat op den buik moeten werpen, om den schok met de basaltbundels, die omlaag hingen en van alle kanten uitstaken, te ontgaan. Dat was hem gelukt. In minder dan een seconde had hij den tegenovergestelden rotswand bereikt en koesterde slechts ééne vrees, namelijk die van door den terugloop der watermassa weer naar buiten te worden meegesleept, zonder zich aan eenig uitstekend punt daarbinnen te hebben kunnen vastklemmen.Gelukkig stootte de vlet, door eene baar voortgestuwd, welker kracht door een teruggolving zeer verzwakt was, tegen de zuilen die het buffetorgel vormden, waarvan wij vroeger spraken, en dat tegen den achterwand van Fingal’s kelder verrees, en werd meer dan half verbrijzeld door den schok. Maar Olivier Sinclair had gelegenheid een stuk basalt met de hand te grijpen en zich daaraan met de wanhopige kracht eens drenkelings vast te klemmen. Een oogenblik later kon hij zich omhoog hijschen en buiten het bereik der zee zijn werk vervolgen.Terstond daarop werd de ontredderde vlet door een terugrollende baar medegevoerd en naar buiten geslingerd. Toen zij dat wrak zagen verschijnen, konden de gebroeders Melvill en ook Partridge niet anders meenen, dan dat de koene redder zelf was omgekomen.XXI.Storm in eene grot.Olivier Sinclair was geheel ongedeerd en voor het oogenblik in veiligheid. De duisternis was evenwel zoo groot in de grot, dat hij daarin niets kon onderscheiden. Het schemerlicht kon slechts van de tusschenruimte van twee golven gebruik maken, wanneer de ingang van de watermassa eenigermate bevrijd was, om de grot binnen te dringen.Olivier Sinclair trachtte evenwel te ontdekken, waar miss Campbell een toevlucht had kunnen vinden.... Die poging was echter te vergeefs.Hij riep:»Miss Campbell! miss Campbell!”Hoe te beschrijven, wat er in hem omging toen hij een hemelsche stem hem hoorde antwoorden:»Mijnheer Olivier! mijnheer Olivier!”Miss Campbell was in leven.Maar op welke plek had zij zich buiten het bereik van het stormloopen der golven en dus in veiligheid kunnen stellen? Olivier Sinclair trachtte over het pad met alle voorzichtigheid de geheele Fingal’s spelonk rond te kruipen.In den linker wand had een holte in het basalt eene oneffenheid veroorzaakt, die de gedaante had van eene nis. Daar waren de zuilen van elkander geweken en hadden een schuilplaats gevormd, diebij hare opening vrij breed was, maar zich langzamerhand zoodanig vernauwde, dat slechts ruimte voor één persoon er in aangetroffen werd. De legende verleende aan die uitholling den naam van: »Fingal’s armstoel.”Het was in die schuilplaats, dat miss Campbell, door het binnenstormende water overvallen, eene toevlucht had gezocht.Weinige uren vroeger was bij eb de ingang van de grot gemakkelijk toegankelijk geweest, en had het onvoorzichtige meisje haar gewoon bezoek daar afgelegd. Daarbinnen gaf zij zich aan hare mijmeringen over, begreep het gevaar niet, waarmee de opkomende vloed haar bedreigde, en had zij niets opgemerkt van hetgeen buiten omging. Hoe schrok zij, toen zij de grot willende verlaten, geen uitgang meer door het binnenstroomende water kon vinden.Toch verloor miss Campbell het hoofd niet. Zij zocht een schuilplaats te bereiken, en na twee of drie vruchtelooze pogingen om op het buitenste trapportaal te komen, kon zij eindelijk, niet zonder wel twintigmaal gevaar geloopen te hebben meegesleurd te worden, in dien armstoel van Fingal dringen.Daar vond Olivier Sinclair haar ineen gedoken, maar buiten het bereik der stortzeeën.»Oh! miss Campbell!” riep hij, »hoe hebt gij zoo onvoorzichtig kunnen zijn, om u zoo bij het begin van een storm bloot te stellen. Bij God! wij waanden u verloren!”»En gij zijt gekomen om mij te redden, mijnheer Olivier,” hernam miss Campbell, meer getroffen door het edele moedbetoon van den jonkman, dan verschrikt over de gevaren, die zij geloopen had of nog kon loopen!»Ik ben gekomen om u uit een neteligen toestand te redden, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair met vuur, »en met Gods hulp zal ik slagen!—Gij zijt toch niet bang?”»Of ik bang ben?.... neen!.... Nu gij bij mij zijt, vrees ik niets meer. En.... daarenboven, kon een ander gevoel dan bewondering mij bezielen bij den aanblik van zoo’n schouwspel?.... Kijk!”Miss Campbell was tot achter in haar smalle schuilplaats terug geweken. Olivier Sinclair, die voor haar recht overeind stond, trachtte haar, zoo goed hem zulks mogelijk was, te beschutten, wanneer eene golf woedender dan de vorige, haar dreigde te bereiken.Beiden zwegen in dezen plechtigen stond. Had Olivier Sinclair wel noodig uit te spreken, wat er omging in zijn hart? En zouden woorden wel bij machte geweest zijn, om uit te drukken wat miss Campbell gevoelde?De jonkman zag evenwel met een onuitsprekelijken angst, niet voor hem maar voor miss Campbell, de gevaren van buiten vermeerderen. Hij moest begrijpen, toen hij het gehuil van den wind enhet geklots en gedonder der zee hoorde, dat de storm zich met verdubbelde woede ontketende. Hij zag het peil der wateren stijgenonder den invloed van het getij, dat nog verscheidene uren zou aanhouden.»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).Tot waar zou de vloed, welken de golfslag uit volle zee een buitengewone hoogte zou verleenen, stijgen? Dat kon onmogelijk iemand voorspellen. Maar het was duidelijk zichtbaar, dat de grot zich langzamerhand vulde. Indien daarbinnen geen volslagen duisternis heerschte, had dit hierin zijn oorzaak, dat de golfkuiven als het ware door het licht van buiten waren doorweven, en dat hier en daar phosphoresceerende lichtplekken als elektrische straalbundels, die zich aan de hoeken en oneffenheden der basaltblokken vasthechtten, in de watermassa schitterden, die de scherpe hoeken der prisma’s als met vuur overdekten en bij haar terugijlen een twijfelachtige loodkleurige schemering achterlieten.Wanneer de schelle verschijning van die verlichting plaats had, keerde zich Olivier Sinclair tot miss Campbell, en zag hij haar aan met een ontroering, die niet enkel aan het besef van het gevaar, waarin zij verkeerde, was toe te schrijven.Miss Campbell glimlachte zwijgend en verkeerde geheel onder den indruk van dit schouwspel van een storm in een grot!Maar in dat oogenblik sloeg een machtigere deininggolf tot bij de uitholling van Fingal’s armstoel. Olivier Sinclair meende, dat zij beiden uit hun toevluchtsoord gesleurd zouden worden.Hij vatte het jonge meisje in zijn armen, als een prooi, die de woedende zee hem trachtte te ontrukken.»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje in een oogenblik van radeloozen angst, dien zij niet had kunnen bedwingen.»Vrees niets, Helena!” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik zal u beschermen, Helena!.... ik zal....”Ja, hij zeide dat: Ik zal u beschermen: Maar hoe? Hoe zou hij haar aan het machtig geweld der stortzeeën kunnen ontvoeren, wanneer hunne woede aangroeide, wanneer de wateren nog hooger stegen, wanneer de toevluchtsplaats in dien armstoel onhoudbaar werd? Op welke andere plek zou hij redding zoeken? Waar zou hij een schuilplaats vinden buiten het bereik van dien monsterachtigen opstand der zee. Alle die gebeurlijkheden verschenen voor hem in hare schrikkelijke werkelijkheid.Maar hij moest boven alles koelbloedig zijn. Olivier Sinclair beijverde zich dan ook kloekhartig om zich zelven meester te blijven.En hij moest dat te eerder, nu het te voorzien was, dat zoo niet de zedelijke moed, dan toch de lichaamskracht het jonge meisje eindelijk zou ontzinken. Olivier Sinclair voelde reeds, dat zij langzamerhand zwakker werd en ging bezwijken. Hij wilde haar geruststellen, hoewel hijzelf zich de hoop voelde begeven.»Helena.... dierbare Helena!” lispte hij, »toen ik naar Obanterugkeerde.... vernam ik.... dat gij het waart.... dat ik aan u mijne redding uit de Corryvrekankolk heb te danken!”»Wat?.... Olivier.... gij wist!....” stamelde miss Campbell, met uiterst zwakke stem.»Ja, lieve!.... en ik voel heden mijn schuld!.... O! ik zal u uit de Fingal’s grot redden!”Maar hoe kon Olivier Sinclair van redding spreken in een oogenblik, dat de watermassa met geweld aan den voet hunner schuilplaats neerplofte! Hij slaagde er zelfs gebrekkig in, om zijn gezellin tegen de spatten te beveiligen. Twee of driemaal was hij op het punt van door den golfslag meegesleurd te worden.... En dat hij nog weerstand bood, was het gevolg eener bovenmenschelijke poging; hij voelde immers de armen van miss Campbell, die zijn leest krampachtig omknelden. Hij begreep, dat zij onvermijdelijk met hem voortgesleept zou worden.Het kon half tien des avonds zijn. De storm moest zijn hoogste punt van geweld bereikt hebben. En waarlijk, de stijgende wateren stortten zich met de onbedwingbare onstuimigheid van een lawine in Fingal’s spelonk. De schok dier watermassa op den achterwand en op de zijwanden der grot, veroorzaakte zoo’n oorverdoovend geraas, en zoodanig was het geweld der golven, dat stukken basalt van de wanden werden afgescheurd, bij hunnen val in het witte, lichtgevende schuim plompten en daarin zwarte gaten vormden.Zouden onder dien aanval, wiens hevigheid niet te beschrijven is, de zuilen stuk voor stuk losgerukt en in den afgrond neervallen? Zou het gewelf gevaar loopen van intestorten? Alles was in die oogenblikken voorwaar te vreezen. Olivier Sinclair voelde zich dan ook door een niet te overwinnen duizeling bevangen, waartegen hij zich trachtte te verzetten. Dit werd veroorzaakt, door dat de lucht soms ontbrak. Wel werd zij in overvloed de grot binnengestuwd, wanneer de golven binnenstormden, maar somwijlen was het alsof die zelfde golven de lucht weer opslorpten, wanneer zij bij haren terugloop naar buiten ijlden.Miss Campbell, geheel en al uitgeput, voelde in die omstandigheden hare krachten haar begeven en viel in zwijm.»Olivier!... Olivier!...” lispte zij, terwijl zij in zijn armen gleed.Olivier Sinclair had zich met het jonge meisje in het diepste gedeelte van de schuilplaats neergehurkt. Hij ondersteunde miss Campbell, hij dekte haar met zijn lichaam tegen de stortzeeën, hij worstelde, terwijl hij zich tegen de uitstekende gedeelten der basaltrotsen stutte, te midden eener duisternis, die nog zwarter scheen door de tusschenpoozingen van phosphoresceerend licht te midden van het onafgebroken gedonder, veroorzaakt door het voortdurend geklots en geschok, vermengd met geloei en gesis. Neen, het was thansSelma’s stem niet meer, die in het paleis van Fingal weerklonk! Het geleek veel meer een verschrikkelijk gehuil en geblaf van Kamschatka-honden, die, volgens de uitdrukking van Michelet, in groote troepen en bij duizendtallen, gedurende de lange winternachten tegen de loeiende branding huilen en aldus met de woedende Noordelijke ijs-zee een wedstrijd aangaan.Eindelijk, eindelijk begon de eb in te treden en de zee te dalen. Olivier Sinclair merkte op, dat met de daling der water-oppervlakte ook de deining-golven, die uit volle zee aanrolden, eenigszins, nog wel niet veel, bedaarden. Maar de duisternis in de grot was toen zoo groot, dat het buiten betrekkelijk licht was. In die halve duisternis begon de zwarte opening der spelonk, die niet meer door de aanrollende watermassa bedekt werd, zich flauw te vertoonen. Weldra bereikten nog maar de spatten en de fijne stofregen van de branding den armstoel van Fingal. Het was thans geen wurgende en alles met zich voortsleurende stortzee meer. De hoop keerde in het hart van Olivier Sinclair terug.Te rekenen naar het volzee-getij, kan aangenomen worden, dat het middernachtuur reeds voorbij was. Nog twee uren, en het pad zou niet meer schoongeveegd worden door de zweepende golfkoppen. Het moest dan weer begaanbaar worden. Het was van belang zich bijtijds hiervan te verzekeren. En eindelijk, na lang wachten, was het zoover gekomen.Het oogenblik om de grot te verlaten was aangebroken.Maar miss Campbell was nog niet uit haar onmacht ontwaakt. Geheel krachteloos als zij was, nam Olivier Sinclair haar in zijn armen op, liet zich toen buiten den armstoel van Fingal glijden en begon het smalle pad te volgen, waarvan de ijzeren leuningspijlen onder het geweld der zee afgewrongen, afgesleurd of verbroken waren.Wanneer een golf op hem aanrolde, bleef hij een oogenblik staan of trad ook wel onder den aandrang een of meer passen terug.Eindelijk, op het oogenblik, dat Olivier Sinclair den buitensten hoek zou bereiken, sloeg nogmaals een laatste monstergolf over hem heen en omhulde hem met zijn waterstralen geheel en al. Hij dacht niet anders, dan dat hij met miss Campbell tegen den rotswand zou verpletterd of in de loeiende kolk aan zijn voeten worden meegesleept....Maar door een laatste inspanning, gelukte het hem weerstand te bieden en, gebruik makende van de verademing, die de terugvloeiende golf hem schonk, stormde hij de grot uit.In minder dan geen tijd had hij den hoek der steile kust bereikt, waar de gebroeders Melvill, Partridge en ook juffrouw Bess, welke laatste zich in haar ongeduld bij hen vervoegd had, den geheelennacht post hadden gevat.Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).Olivier en Helena waren gered.Maar daar week de overspanning van zedelijke en lichamelijkegeestkracht, die Olivier Sinclair tot nu toe geschraagd had, op haar beurt eindelijk ook. Hij viel buiten kennis aan den voet der rotsen neer, nadat hij miss Campbell in de armen van juffrouw Bess had overgegeven.Zonder zijn toewijding en zijn moed zou Helena de grot van Fingal niet levend hebben verlaten.XXII.De Groene Straal.Eenige minuten later kwam miss Campbell, onder den invloed van de frischheid der lucht, in de grot van Clam Shell tot haar zelve. Het was alsof zij uit een droom ontwaakte, maar uit een droom, waarin het beeld van Olivier Sinclair de heldenrol vervuld had. Er was haar geen herinnering hoegenaamd bijgebleven van de gevaren, waarin haar onvoorzichtigheid haar gebracht had.Zij was nog niet in staat te spreken; maar toen zij Olivier Sinclair te zien kreeg, blonken tranen van dankbaarheid onder haar schoone oogwimpers en reikte zij de hand aan haren redder.Broeder Sam en broeder Sib omhelsden, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen, den jonkman in een gezamenlijke omarming, Juffrouw Bess neeg en neeg nogmaals voor hem, en den goeden Partridge ontbrak waarachtig de lust niet om hem te kussen.Toen nam gelukkig de vermoeienis de overhand. Allen verwisselden hun kleedingstukken, die òf door het zeewater òf door den regen doorweekt waren, en sliepen in, om een zeer rustigen nacht door te brengen.Maar de indrukken, die allen dien dag hadden opgedaan, zouden zoowel voor de handelende personen in het drama, dat tot schouwtooneel de legendarische grot van Fingal gehad had, als voor de toeschouwers, onuitwischbaar in hun geheugen achterblijven.Daags daarna, terwijl miss Campbell op haar bedje rustte, dat in den achtergrond der Clam Shell grot voor haar gespreid was, wandelden de gebroeders Melvill arm in arm over den nabij gelegen straatweg. Zij spraken niet; maar hadden zij wel noodig te spreken om hun geheel overeenkomstige gedachten te vertolken? Beiden bewogen te gelijkertijd het hoofd op en neer, wanneer zij bevestigden; van rechts naar links, wanneer zij ontkenden. En konden zij anders bevestigen, dan dat Olivier Sinclair zijn leven had veil gehad om het onvoorzichtige jongemeisje te redden? En wat ontkenden zij? Dat hunne oorspronkelijke plannen, om miss Helena uit te huwelijken, thans onuitvoerbaar waren. In dat stommetjes-spel werden nog wel andere zaken medegedeeld, waarvan broeder Sam en broeder Sib de vervulling thans in een naaste toekomst te gemoet zagen. Voor hen was Olivier niet meer Olivier. Hij was niets minder dan Amin, de meest volmaakte held uit de zoo heldhaftige gaëlische heldengedichten.Olivier Sinclair was van zijn kant ten prooi aan een geheel natuurlijke opgewondenheid. Een soort van uiterst kiesch gevoel bracht hem er toe, om alleen te willen zijn. Het zou thans een knellend gevoel voor hem zijn geweest, zich in tegenwoordigheid der gebroeders Melvill te bevinden, alsof zijne tegenwoordigheid alleen den prijs voor zijn toewijding van hen eischte.Hij wandelde dan ook, na de grot van Clam Shell verlaten te hebben, geheel alleen op het plateau van Staffa.Al zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik als van zelf naar miss Campbell. Hij herinnerde zich zelf de gevaren niet, die hij had geloopen, die hij vrijwillig met haar had gedeeld. Wat hij zich van dien vreeselijken nacht herinnerde, waren de uren, in het bijzijn van Helena in dat donker toevluchtsoord doorgebracht, toen hij haar in zijn armen hield gesloten, om haar aan het geweld der baren te ontrukken. Hij zag bij het phosphoresceerend lichten der golven het gelaat van dat overschoone jonge meisje voor zich, het gelaat, dat wel ietwat bleek uitzag, niet door vrees, maar door vermoeienis, het gelaat dat boven de woedende zee en de kokende waterkolken verrees als de geest der stormen! Hij hoorde haar met een bewogen stem vragen: »Hoe wist gij het?” toen hij haar had gezegd: »Ik weet wat gij gedaan hebt, toen ik op het punt was om in de Corryvrekan-kolk om te komen! Hij vond zich terug in die smalle toevluchtsplaats, die als een nis veeleer gemaakt was, om een of ander koud steenen beeld te bevatten; de plaats waar twee jonge liefdevolle wezens geleden en, de een tegen den anderen aangedrukt, gedurende lange uren geworsteld hadden. Daar was het zelfs niet meer Sinclair en miss Campbell geweest. Daar hadden zij elkander Olivier en Helena genoemd, alsof zij in het oogenblik, waarin de dood hen naderde, zich aan een ander leven wilden vastklemmen!Zoo openbaarden zich de meest opgewonden en de meest verhitte denkbeelden in het brein van den jonkman, toen hij daar op dat plateau van het eiland Staffa rondwandelde. Hoe groot zijn verlangen ook was om naar miss Campbell terug te keeren, zoo weerhield hem een overkomelijke macht ondanks hem zelven; omdat hij in hare tegenwoordigheid zijne gedachte niet zou hebben kunnen verbergend, en hij zich voorgenomen had te zwijgen.Intusschen was het weder, zooals het gewoonlijk na plotseling ingetreden en plotseling verdwenen dampkrings-stoornissen geschiedt, bewonderenswaardig schoon geworden, en de hemel volmaakt helder en zuiver. Zeer dikwijls, ja veelal laten die dampkrings-zuiveringen door de zuidwestenwinden veroorzaakt, geen sporen na, en schenken zij aan de ruimte het prachtvolle ultramarijn blauw terug, dat slechts door een onvergelijkelijke zuiverheid kan ontstaan. De zon had het toppunt harer baan overschreden, zonder dat de geringste nevel den horizon had verduisterd.Olivier Sinclair wandelde alzoo met een verhit brein, te midden dier machtige uitstraling, die door het bovenvlak van het eiland weerkaatst werd. Hij baadde te midden van die warme uitstroomingen, hij ademde de zeebries in en hardde zich in dien levendmakenden dampkring.Plotseling kwam een gedachte bij hem op, toen hij den helderen gezichteinder beschouwde, die zich daar voor hem onmetelijk uitstrekte—een gedachte, die hem te midden van al de andere, die zijn brein thans vervulden, ontschoten was.»De Groene Straal!” riep hij uit. »Wanneer ooit de hemel zich tot onze waarneming leent, dan is het van daag! Geen enkele wolk! geen enkel nevelblokje! En het is niet waarschijnlijk, dat er komen zullen, na dien schrikkelijken storm van gisteren, die alle dampen naar het oosten gedreven heeft. En miss Campbell, die niet gist, dat de avond van dezen dag haar een allerprachtigsten zons-ondergang bereidt!.... Ik zal.... ja, ik zal haar zonder verwijl moeten waarschuwen....”Olivier Sinclair gevoelde zich gelukkig, zoo’n natuurlijk voorwendsel gevonden te hebben om bij Helena terug te komen en spoedde zich naar de grot van Clam Shell.Hij bevond zich eenige oogenblikken later in het bijzijn van miss Campbell en haar beide ooms, die haar met innige toegenegenheid aankeken, terwijl juffrouw Bess haar bij de hand hield.»Wel, voelt gij u beter, miss Campbell?....” vroeg hij. »Ja,.... ik zie het,.... de krachten zijn teruggekomen!”»Ja,mijnheerOlivier,” antwoordde miss Campbell trillend, toen zij den jonkman ontwaarde.»Ik meen, dat gij wel zoudt doen,” hernam Olivier Sinclair, »wanneer gij boven op het vlak een weinig van de lichte bries gingt inademen, die door den storm van gisteren gezuiverd is. De zon schijnt overheerlijk. Zij zal u verwarmen.”»Mijnheer Sinclair heeft gelijk,” zei broeder Sam.»Geheel en al gelijk,” vulde broeder Sib aan.»En als ik alles moet zeggen,” ging Olivier Sinclair voort, »dan kon ik er bijvoegen, dat, wanneer mijn voorgevoelens mij niet bedriegen,ik geloof, dat gij binnen weinige uren uw dierbaarsten wensch zult vervuld zien.”De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)»Mijn dierbaarste wensch?” mompelde miss Campbell, schier onhoorbaar, alsof zij zich zelve een antwoord gaf op een geheime gedachte.»Ja... de hemel is merkwaardig helder en zuiver, en het is zeer waarschijnlijk, dat de zon achter een wolkenloozen gezichteinder zal ondergaan!”»Zou het mogelijk zijn?” riep broeder Sam uit.»Waarachtig, zou het mogelijk zijn?” schreeuwde broeder Sib hem na.»En, er is reden te gelooven,” vervolgde Olivier Sinclair, »dat gij dezen eigen avond den Groenen Straal zult kunnen waarnemen.”»Den Groenen Straal!....” antwoordde miss Campbell.Het scheen, dat zij in haar verward geheugen zocht, wat die straal wel kon zijn.»Ah.... dat ’s waar ook!....” zeide zij. »Wij zijn hier te Staffa gekomen om den Groenen Straal waar te nemen!”»Komaan! komaan!” zei broeder Sam, die verheugd was, dat een gelegenheid zich opdeed om het jonge meisje aan de matheid te onttrekken, die haar sedert het voorval in de grot van Fingal overvallen had. »Komaan, naar den anderen kant van het eiland!”»En wij zullen straks bij onze terugkomst des te smakelijker dineeren,” vulde broeder Sib vroolijk aan.Het was toen vijf uur in den namiddag.De geheele familie, waaronder ook juffrouw Bess en Partridge begrepen waren, verliet toen, onder geleide van Olivier Sinclair, terstond de grot van Clam Shell, klom langs de houten trap omhoog en bereikte spoedig den rand van hetbovenplateau.Men had de vreugde van de beide ooms moeten kunnen zien, toen zij den prachtvollen hemel aanschouwden, waarlangs de schitterende dagvorstin langzaam daalde. Misschien overdreven zij thans; maar neen, nimmer, neen nimmer! hadden zij zooveel geestdrift voor het natuurverschijnsel aan den dag gelegd als nu. Het scheen eer, dat niet voor miss Campbell, maar voor hen al die verhuizingen hadden plaats gehad, en zoo veel beproevingen van allerhanden aard, sedert het verlaten van het buitenverblijf te Helenaburg tot hier op Staffa ondergaan waren, waarbij Jona en Oban niet behoefden vergeten te worden!En waarlijk, de ondergang der zon beloofde dien avond zoo wonderschoon te zijn, dat de meest ongevoelige, de meest practische, de meest prozaïsche koopman van the City of London, of der handelaren van Cannongate het zeepanorama zou bewonderd hebben, dat zich daar voor zijn oogen ontrolde.Miss Campbell voelde zich herleven in dien dampkring, die door de zoutdeelen van de zee, welke door een lichte bries uit vollezee overgebracht werden, bezwangerd was. Haar mooie oogen openden zich zoo groot mogelijk voor het fraaie tafereel van den Atlantischen Oceaan. Op haar wangen, die door de vermoeienissen van den vorigen dag verbleekt waren, ontloken weer de rooskleurige tinten van haar Schotsch bloed! O, wat was zij schoon! Welke bekoorlijkheid straalde van haar geheele wezen uit! Olivier Sinclair trad een weinig naar achteren en beschouwde haar in stilte en hij, die vroeger zonder eenige verlegenheid uren lang haar op haar wandelingen had kunnen vergezellen, voelde zich thans verward, met een angstig gevoel in het hart, en bemerkte dat hij haar ter nauwernood durfde aankijken!Wat de gebroeders Melvill betreft, zij waren bepaaldelijk even stralend als de zon zelve. Zij richtten het woord met geestdrift tot de dagvorstin. Zij noodigden haar uit om achter een wolkeloozen horizon onder te gaan. Zij smeekten haar hun haar laatsten straal bij het einde van dezen fraaien dag te schenken.En toen kwamen de herinneringen aan de dichtstukken van Ossian voor den dag, die zij vers voor vers, ieder op zijn beurt, opdreunden:»O gij, die boven onze hoofden zweeft, rond als het schild onzer voorvaderen, zeg ons, van waar komen uw stralen, o! goddelijke zon? Van waar komt uw eeuwig licht?”»Gij schrijdt voorwaarts vol majesteit en vol schoonheid op uw baan! De sterren verdwijnen in het uitspansel! De bleeke en koude maan verbergt zich in de westersche golven! Gij alleen beweegt u, o zon!”»Wie zou uw tochtgenoot zijn op uw baan! De maan verliest zich in de diepte der hemelen? Gij alleen blijft steeds dezelfde! Gij verblijdt u zonder ophouden in uw schitterende loopbaan!”»Als de donder rolt en de bliksemflits schiet, dan komt gij in uw schoonheid achter de wolken uit en gij bespot den storm en het onweder!”Allen schreden in dien geestdriftvollen toestand naar het uiterste uiteinde van het plateau van Staffa voort, van waar men een gezicht heeft op de volle zee. Daar namen zij plaats en zetten zich op de buitenste rotsblokken, en hadden ze een gezichteinder voor zich, waarvan niets de zoo fijne lijn, die door de vereeniging van de lucht met het water schijnt getrokken te zijn, zou verduisteren.En dezen keer zou er geen Aristobulus Beerenkooi zijn, die het zeil van zijn vaartuig zou komen schuiven voor of een vlucht watervogels zou opjagen tusschen de ondergaande zon en het eilandje Staffa!Intusschen viel met het vallen van den avond ook de bries, en de laatste deininggolven kwamen in het op en neer gaan derbranding aan den voet der rotsen sterven. Verder op naar buiten verscheen de zee als een spiegel en had zij dat olieachtig uiterlijk, dat door geen enkele rimpel gebroken werd.Alles liep dus wonderbaarlijk te zamen, alle omstandigheden hielpen mede om de verschijning van den Groenen Straal gemakkelijk te doen waarnemen.Maar zie, een half uur later strekte Partridge de hand naar het Zuiden uit en riep:»Een zeil!”Een zeil! Zou dat dezen keer ook voor de zonneschijf voorbijschuiven op het oogenblik, dat zij in de golven zou onderduiken? Waarlijk, dat zou meer dan kwade kans moeten genoemd worden!Het vaartuig stevende de zeeëngte uit, die het eiland Jona van de kaap van Mull scheidt. Het gleed, met den wind vlak van achteren, vooruit eerder onder den invloed van den opkomenden vloed dan onder den druk eener bries, welker laatste zuchtjes ternauwernood het zeiltuig konden vullen.»Het is deClorinda,” zei Olivier Sinclair, »en daar zij koers zet om ten oosten van Staffa voor anker te komen, zoo zal zij binnen door varen en onze waarneming niet kunnen hinderen.”Het was inderdaad deClorinda, die na het eiland Mull langs het zuiden omgezeild te hebben, haar ankerplaats in de kreek van Clam Shell weer kwam opzoeken.Aller blikken wendden zich toen weer naar den horizon in het westen.De zon daalde reeds met de snelheid, die zij bij het naderen der zee schijnt aan te nemen. Op de oppervlakte van het water beefde een lange zilverstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog onverdragelijk was. Weldra ging zij van de kleur van mat goud, die zij aannam bij het dalen, tot het helderkleurig goud over. Wanneer men de oogen sloot, schitterden op het netvlies langwerpige roode ruiten en gele cirkels, die elkander kruisten als de vluchtige tinten van een kaleidoscoop. Lichte golvende ribben streepten die soort komeetstaart, welke de weerkaatsing op de oppervlakte van het water te voorschijn tooverde. Het water vertoonde zich als bezaaid met vlokjes verzilverde loovertjes, welker glans verbleekte bij het naderen van den oever.Er was geen spoor te bekennen van wolk of van nevel of van damp, hoe ijl ook op den geheelen omtrek van den gezichteinder, Niets bedierf de zuiverheid dier cirkellijn, die met een passer niet fijner op het fraaiste wit velijn papier had kunnen getrokken worden.Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).Allen zaten daar onbeweeglijk, meer ontroerd dan men wel meenen zou en zij zelf wel wilden bekennen, den bol aan te staren, die zich in schuine richting naar den horizon bewoog. Hij daaldenog meer, en bleef toen als boven den afgrond een oogenblik hangen. Toen begon de misvorming van de schijf, die door de straalbrekinggewijzigd werd, zich langzamerhand te vertoonen. Zij verbreedde ten koste van haar loodrechte doorsnede, en herinnerde aan den vorm van een Etruskische vaas met ronden buik, welker voetstuk in het water dompelt.Er kon geen twijfel meer over de verschijning van het natuurverschijnsel geopperd worden. Niets zou den bewonderenswaardigen ondergang van de schitterende dagvorstin storen. Niets zou haar laatste stralen komen breken of onderscheppen!Weldra was de helft der zon achter de horizonslijn verdwenen. Eenige schitterende stralenbundels, aan gouden pijlen gelijk, kwamen de voorste rotsen van Staffa treffen.Meer achterwaarts hulden zich de steile kusten van Mull en de top van den Ben More in het purper, en was het of zij met vuur waren aangeraakt. Zij gloeiden.Eindelijk was er niets meer te zien dan een uiterst fijn segment van den bovenboog der zonneschijf, dat nu ook de oppervlakte der zee begon aan te raken.Nog een seconde van gespannen verwachting.»De Groene Straal! de Groene Straal!” riepen als uit één mond de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, wier netvlies gedurende het vierde gedeelte van een seconde als gedrenkt was geworden door die onvergelijkelijke tint van vloeibaar smaragd.Olivier en Helena alleen hadden niets van het natuurverschijnsel gezien, dat thans eerst, na zooveel vruchtelooze waarnemingen, eindelijk zich voordeed!Op het oogenblik, dat de zon haren laatsten straal het luchtruim inzond, kruisten beider blikken elkander, en vergaten de gelukkigen alles, wat om hen heen gebeurde, bij de beschouwing, waarin zij verzonken waren.Maar Helena had de zwarte schittering, den zwarten straal waargenomen, die de oogen van den jonkman schoten, en Olivier had den zacht blauwen glans niet laten verloren gaan, die aan het oog van het jonge meisje ontsnapte!De zon was thans geheel en al ondergegaan. Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien!XXIII.Besluit.Den volgenden morgen, den 12denSeptember, lichtte deClorindahet anker en ging onder zeil. Zij had een fraaie zee en een gunstigebries, en stevende met volle zeilen naar het zuidwesten van den Archipel der Hebriden. Weldra verdwenen Staffa, Jona, de noordkaap van Mull achter den hoogen rotsoever van het grootste dier eilanden.De passagiers van het jacht ontscheepten na een zeer voorspoedigen overtocht in de kleine haven van Oban, gingen vervolgens met den spoortrein van Oban naar Dalmaly en van Dalmaly naar Glasgow, dwars door het meest schilderachtige gedeelte der Hooglanden, en kwamen zoo op het buitenverblijf van Helenaburg terug.Achttien dagen later werd een huwelijk met groote plechtigheid in de kerk van Sint-George te Glasgow gesloten. Het moet erkend worden, dat het niet het huwelijk was van Aristobulus Beerenkooi met miss Campbell. Neen, de bruidegom was Olivier Sinclair, en broeder Sam en broeder Sib betoonden zich niet minder vergenoegd daarover dan hun nicht.Dat deze vereeniging, onder zulke omstandigheden ontloken en gesloten, alle waarborgen van geluk aanbood, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Het buitenverblijf te Helenaburg, de fraaie woning in de West-George Street te Glasgow, zelfs de geheele wereld waren ter nauwernood voldoende om zooveel geluk te bevatten. En toch dat geheele geluk was in de grot van Fingal, wat zeg ik, in den armstoel van Fingal besloten geweest.Van dien laatsten avond, daar boven op het bovenvlak van Staffa doorgebracht, wilde Olivier Sinclair, hoewel hij het zoo gezochte natuurverschijnsel niet ontwaard had, de herinnering op het doek verduurzamen. Op een dag stelde hij dan ook »een zonsondergang” ten toon, van een bizonder effekt, waarin een soort van groenen straal, die uitermate scherp zich voordeed, alsof hij met vloeibare smaragd geschilderd was, bizonder de aandacht trok, en de bewondering opwekte.Die schilderij lokte natuurlijk terstond bevreemding en getwist uit. De een beweerde, dat daar een natuurlijk verschijnsel op bewonderenswaardige wijze was weergegeven, terwijl de ander stokstijf vasthield, dat die straal slechts fantasie was, dat de natuur dien nimmer voortbracht.Dit laatste verwekte grooten toorn bij de beide ooms, die den straal gezien hadden, verzekerden zij, en gaven dus den jongen schilder gelijk.»En zelfs,” zei oom Sam, met innige overtuiging, »het is beter een geschilderden Groenen Straal te zien dan....”»Een natuurlijken,” vulde broeder Sib aan: »want wanneer men verplicht is zoovele zons-ondergangen, den eenen na den anderen, waar te nemen, doet dat wel pijn aan de oogen.”En daarin hadden de gebroeders Melvill gelijk.Twee maanden later wandelden de beide jeugdige echtgenooten met hunne ouders langs de oevers der Clyde, voor het park van het buitenverblijf, toen zij op het onverwachtst Aristobulus Beerenkooi ontmoetten.De jeugdige geleerde, die de werken tot uitdieping der rivier met belangstelling volgde, was juist op weg om zich naar de spoorweghalte van Helenaburg te begeven, toen hij zijn oude reismakkers van Oban ontwaarde.Wij zouden Aristobulus Beerenkooi uitermate miskennen, wanneer wij beweerden, dat hij onder de onverschilligheid van miss Campbell voor zijn persoon had geleden. Hij ondervond dan ook hoegenaamd geen verlegenheid, toen hij zich in tegenwoordigheid van mistress Sinclair bevond.Men groette elkander vormelijk en Aristobulus Beerenkooi bood den jeugdigen echtgenooten zijn beleefde gelukwenschen aan.Toen de gebroeders Melvill die gunstige geestesgesteldheid bemerkten, deden zij volstrekt geen moeite om te verbergen, hoe gelukkig zij zich over het gesloten huwelijk gevoelden.»Zóó, zóó gelukkig,” zei broeder Sam, »dat ik mij, wanneer ik alleen ben, soms op een glimlach betrap!”....»En ik, dat ik soms tranen van geluk moet vergieten!” zei broeder Sib.»Zoo, zoomijne heeren,” merkte Aristobulus Beerenkooi op, »gij moet dus erkennen, dat gij minstens eenmaal in uw leven in oneenigheid waart. De een weent en de ander glimlacht....”»Welnu, dat is voor hen geheel en al hetzelfde, mijnheer Beerenkooi,” merkte Olivier Sinclair op.»Geheel en al hetzelfde, niet waar oompjes?” bevestigde de jonge vrouw, terwijl zij de hand aan het waardig broederpaar reikte.»Hoe? geheel en al hetzelfde?” antwoordde Aristobulus Beerenkooi op dien toon van verstandelijke meerderheid, die hem zoo uitstekend afging. »Waarlijk niet!.... Volstrekt niet!.... Want, wat is een glimlach? Een willekeurige uitdrukking van het gelaat en een willekeurige samentrekking van de aangezichts-zenuwen, waarbij de ademhalingswerktuigen nagenoeg niets te verrichten hebben; terwijl de tranen....»Welnu de tranen?”.... vroeg mistress Sinclair.»Slechts een vloeistof zijn, die den oogappel verduistert. Die vloeistof is samengesteld uit chloruur van sodium, phosphorzure kalk en chloorsoda!”»Scheikundig gesproken, hebt gij gelijk, mijnheer,” zei Olivier Sinclair, »maar uit dat oogpunt alleen.”»Dat onderscheid vat ik niet,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi vrij scherp en bits.En met de stijfheid van een meetkundige groetende, stapte hij met afgemeten treden naar de spoorhalte toe. Men gevoelde zich gelukkig, hem kwijt te zijn.»Die dwaze mijnheer Beerenkooi!” zei mistress Sinclair, »die de gevoelszaken uit een scheikundig oogpunt wil uitleggen, zooals hij met den Groenen Straal heeft gedaan.”»Ja, maar, waarde Helena, terzake!” antwoordde Olivier Sinclair, »wij hebben den straal niet gezien, dien wij toch zoo gaarne hadden willen waarnemen!”»Wij hebben veel beter gezien,” lispte de jonge vrouw heel zacht. »Wij hebben het geluk zelf gezien. Het geluk, dat volgens de legende aan de waarneming van dat natuurverschijnsel verbonden zou zijn.... En daar wij het gevonden hebben, laat ons dat genoeg zijn, en het opsporen van den Groenen Straal overlaten aan hen, die dat geluk niet kennen, maar er kennis meê willen maken.”Einde van den Wonderstraal.
XX.Alles ter wille van miss Campbell!Eenige oogenblikken later kwam Olivier Sinclair, nadat hij den straatweg met versnelden pas had afgelegd, voor den ingang der grot aan, ter plaatse, waar de basalt-trap zich verheft.De gebroeders Melvill en ook Partridge waren hem op de hielen gevolgd.Juffrouw Bess was te Clam Shell gebleven, om alles onder onuitsprekelijke angsten voor de ontvangst van Helena, wanneer zij terugkwam, voor te bereiden.De zee was nu dermate gezwollen, dat zij het bovenste trapportaal bereikte. Zij sloeg reeds over de leuning en belemmerde iederen toegang langs het pad.Uit de onmogelijkheid om binnen de grot te kunnen dringen volgde natuurlijk ook de onwaarschijnlijke kans om er uit te kunnen komen. Was miss Campbell daar binnen, dan was zij gevangen! Maar hoe zou men dit te weten komen?»Helena! Helena!”Zou die naam, uitgegalmd te midden van het onafgebroken geklots der golven, wel kans hebben om gehoord te worden? Het was inderdaad een gedonder èn van den wind èn van de zee, die zich daar met onbeschrijfelijk geweld binnen die grot stortte. Noch geluid, noch oog waren machtig genoeg, om daar thans door te dringen.»Misschien is miss Campbell daar niet in,” zei broeder Sam, die zich aan die hoop wenschte vast te klemmen.»Waar zou ze dan zijn?” vroeg broeder Sib.»Ja juist, waar zou zij dan zijn!” riep Olivier Sinclair uit. »Heb ik haar dan niet te vergeefs op het plat van het eiland, en te midden van de rotsen langs het strand, ja overal gezocht? Zou zij niet reeds bij ons teruggekomen zijn, wanneer dit mogelijk ware?”»Neen zij is daar!.... daar!”En men herinnerde zich het geestdriftvolle maar vermetel onbezonnen verlangen, dat het jonge meisje verscheidene malen had aan den dag gelegd, om eens een storm in de grot van Fingal te kunnen bijwonen. Had zij dan vergeten, dat de zee, door den orkaan opgezweept, daar binnen moest dringen, haar met haar razende golven tot aan het gewelf vullen en er een gevangenis van zou maken, welker deur met geen geweld was open te breken?Wat kon men nu beproeven, om bij haar te komen en haar te redden?Onder den aandrang van den orkaan, die dezen hoek van het eilandje met volle kracht geeselde, verhieven zich de golven soms tot bij het bovenste gedeelte van het gewelf. Daar braken zij met een oorverdoovend geraas. Het te veel binnen gedrongen water werd door den terugstoot naar buiten geworpen en viel in schuimende stroomen terug op de buitenste rotsen, even als de waterstralen van den Niagara-val. Maar het benedenste gedeelte der golven, onder den machtigen aandrang van de deining uit volle zee, stortte zich met de kracht van een bergstroom, wiens afsluitdijk plotseling bezweken is, binnen de grot. Het was dus tegen den achterwand zelf der spelonk, dat de zee klotste met oorverdoovend geweld.Op welke plek daar binnen zou miss Campbell een toevlucht, die voor dien golfslag veilig zou zijn, hebben gevonden? De opening der grot was geheel en al aan de woede der wilde baren blootgesteld, die bij hunne uitstrooming, zoowel als bij hun binnenkomen, het pad onweerstaanbaar moesten schoonvegen.En toch, men trachtte nog te twijfelen, of het jonge meisje daar zou zijn. Hoe zou zij weerstand hebben kunnen bieden aan zoo’n binnendringen der woedende zee in dit slop zonder uitgang? Was haar verminkt en verscheurd lichaam, door den terugstroom meegesleurd, niet reeds naar buiten gevoerd? Had de aanrollende zee, die langs de kust liep, haar reeds snel meegesleept onder langs den straatweg en de klippen, tot bij de grot van Clam Shell?»Helena! Helena!!”Die naam weerklonk onophoudelijk te midden van het geloei van den wind, het gedonder en het geklots der golven. Maar geen kreet die daarop antwoord gaf, of ook antwoord kon geven.»Neen! neen! zij is niet in die grot!” herhaalden de gebroeders Melvill als wanhopigen.»Jawel, zij is er!” bevestigde Olivier Sinclair met overtuiging.En met den vinger wees hij op een stuk stof, dat door den terugloop der golven op een der basalttreden geslingerd werd.Olivier Sinclair stormde de trap af, om die lap te bezichtigen.Het was de »snod,” het Schotsche lint, dat miss Campbell in heur haren droeg.Was thans nog twijfel mogelijk?Maar wanneer dat lint haar ontrukt had kunnen worden, was miss Campbell dan niet door denzelfden golfslag tegen de wanden van Fingal’s spelonk verbrijzeld en verpletterd?»Oh! ik moet het weten?” riep Olivier Sinclair uit.En van een terugstrooming der golven gebruikmakende, die het pad halverwege ontblootte, greep hij de eerste spijlen der trapleuning; maar een onmetelijke watermassa stortte zich op hem, sloeg hem van de been en smakte hem op het trapportaal neer.Wanneer Partridge zich niet met het grootste levensgevaar op hem geworpen en hem gegrepen had, Olivier Sinclair ware tot op de benedenste treden naar onderen gerold en zou de zee hem medegesleept hebben, zonder dat het mogelijk was, hem hulp te verleenen.De jonkman was opgestaan, maar voelde zijn ijver, om binnen de grot te dringen, niet verkoelen.»Miss Campbell is daar!” herhaalde hij voortdurend. »Zij is levend daar binnen, dewijl haar lichaam niet naar buiten geworpen is, even als dit lapje stof! Het is dus niet onmogelijk dat zij een toevlucht binnen een of andere uitholling gevonden zal hebben! Maar haar krachten zullen weldra uitgeput zijn! Zij zal onmogelijk weerstand kunnen bieden tot op het oogenblik, dat de eb zal ingetreden zijn!... Wij moeten haar dus bereiken!”»Ik zal gaan!” zei Partridge.»Neen!... ik!” antwoordde Olivier Sinclair.Een uiterste middel om bij miss Campbell te komen, zou door hem beproefd worden. Evenwel zelfs dat middel zou ter nauwernood één kans van slagen aanbieden tegen negen en negentig anderen van mislukken.»Wacht ons hier, heeren,” zei hij tot de gebroeders Melvill. »Binnen vijf minuten zijn wij terug. Kom Partridge!”De beide ooms bleven daar op dien uithoek van het eilandje wachten, beschut boven op de steile kust, alwaar de zee hen niet kon bereiken. Olivier Sinclair en Partridge spoedden intusschen in allerijl voort naar de grot van Clam Shell.Vijf minuten later verschenen de jonkman en de oude dienaar weer; zij sleepten de kleine vlet van deClorinda, die kapitein Olduck ten gerieve der toeristen had achtergelaten, over den straatweg voort.Zou Olivier Sinclair zich door de zee binnen de grot laten stuwen, nu men langs den landweg daar niet kon inkomen?Ja, dat ging hij beproeven. Hij aarzelde evenwel niet. Het schuitje werd beneden bij de trap, achter een der basalttreden, buiten de branding gebracht.»Ik ga met u!” zei Partridge.»Neen,” zei Olivier Sinclair. »Dat kan niet. De kleine vlet mag niet noodeloos worden overladen. Is miss Campbell nog levend, dan zouden drie menschen in dat vaartuigje moeten. Neen, ik zal mij alleen wel behelpen!”»Olivier!” riepen de twee broeders, die hunne snikken niet konden bedwingen. »Olivier! o Olivier! red onze dochter!”De jonkman drukte hun de hand, sprong in de vlet, zette zich op de middenbank, greep de beide roeiriemen en bereikte behendig de terugstrooming; hij wachtte het aanrollen af eener groote baar, die hem vlak voor de Fingal’s grot bracht.In minder dan een seconde. (bladz. 162).In minder dan een seconde. (bladz. 162).De vlet werd door deze omhoog getild; maar Olivier Sinclair slaagde er in haar, door een behendige behandeling der roeiriemen,op den kop der golf te houden. Ware ze dwarszee’s geraakt, dan zou zij onvermijdelijk hebben moeten omslaan.Die eerste maal heesch de zee het nietige vaartuig bijna tot bij de hoogte op van het gewelf. Men kon vreezen, dat de notendop zich tegen de rotsmassa zou verpletteren, maar toen de golf terugliep sleepte zij dien in haar onweerstaanbare strooming naar volle zee mede.Drie maal werd de sloep zoo opgetild en met reuzenkracht naar de grot gestuwd. Maar telkens werd ze weer achteruit gesleurd, zonder zich een doortocht te hebben kunnen banen door de watermassa, die den ingang versperde. Olivier Sinclair, geheel en al kalm, en zich zelven volkomen meester, hield de vlet met zijn roeiriemen in evenwicht.Eindelijk tilde een hoogere golftop het nietig vaartuig op. Het balanceerde een ondeelbaar oogenblik, ter hoogte bijna van het bovenplat van het eiland, op den rug van dien vloeibaren berg. Toen ontstond een schrikkelijk diepe voor, tot aan den voet der grot, en werd Olivier Sinclair in schuine richting voortgestuwd, alsof hij de hellingen van een machtigen waterval afdaalde.Een kreet van schrik ontsnapte aan al de getuigen van dit vreeselijk tooneel. Het was alsof het vaartuig werkelijk en onweerstaanbaar tegen de basaltzuilen van den linker hoek aan den ingang der grot ging verbrijzeld worden.Maar de kloeke jongeling gaf met zijn roeiriemen steun aan zijn vlet. Gedurende een kortstondig oogenblik verscheen de ingang als genaakbaar en schoot hij met de snelheid van een voortgedreven pijl vooruit, alvorens de zee teruggerold en zich in een overgroote baar omgekruld kon hebben, en verdween hij voor aller oogen in het innerlijke der donkere grot.Een seconde later plofte de watermassa als een onmetelijke sneeuwval neer en sloeg tot aan den uitersten bovenkant van het eilandje.Zou de vlet nu tegen den achterwand van de grot verbrijzeld zijn en moest men nu twee slachtoffers van dien storm te betreuren hebben in plaats van een?Toch was daar niets van aan. Olivier Sinclair was met groote snelheid voortgeschoten, zonder de ongelijke zoldering van het gewelf te raken. Hij had zich in het vaartuig plat op den buik moeten werpen, om den schok met de basaltbundels, die omlaag hingen en van alle kanten uitstaken, te ontgaan. Dat was hem gelukt. In minder dan een seconde had hij den tegenovergestelden rotswand bereikt en koesterde slechts ééne vrees, namelijk die van door den terugloop der watermassa weer naar buiten te worden meegesleept, zonder zich aan eenig uitstekend punt daarbinnen te hebben kunnen vastklemmen.Gelukkig stootte de vlet, door eene baar voortgestuwd, welker kracht door een teruggolving zeer verzwakt was, tegen de zuilen die het buffetorgel vormden, waarvan wij vroeger spraken, en dat tegen den achterwand van Fingal’s kelder verrees, en werd meer dan half verbrijzeld door den schok. Maar Olivier Sinclair had gelegenheid een stuk basalt met de hand te grijpen en zich daaraan met de wanhopige kracht eens drenkelings vast te klemmen. Een oogenblik later kon hij zich omhoog hijschen en buiten het bereik der zee zijn werk vervolgen.Terstond daarop werd de ontredderde vlet door een terugrollende baar medegevoerd en naar buiten geslingerd. Toen zij dat wrak zagen verschijnen, konden de gebroeders Melvill en ook Partridge niet anders meenen, dan dat de koene redder zelf was omgekomen.
Eenige oogenblikken later kwam Olivier Sinclair, nadat hij den straatweg met versnelden pas had afgelegd, voor den ingang der grot aan, ter plaatse, waar de basalt-trap zich verheft.
De gebroeders Melvill en ook Partridge waren hem op de hielen gevolgd.
Juffrouw Bess was te Clam Shell gebleven, om alles onder onuitsprekelijke angsten voor de ontvangst van Helena, wanneer zij terugkwam, voor te bereiden.
De zee was nu dermate gezwollen, dat zij het bovenste trapportaal bereikte. Zij sloeg reeds over de leuning en belemmerde iederen toegang langs het pad.
Uit de onmogelijkheid om binnen de grot te kunnen dringen volgde natuurlijk ook de onwaarschijnlijke kans om er uit te kunnen komen. Was miss Campbell daar binnen, dan was zij gevangen! Maar hoe zou men dit te weten komen?
»Helena! Helena!”
Zou die naam, uitgegalmd te midden van het onafgebroken geklots der golven, wel kans hebben om gehoord te worden? Het was inderdaad een gedonder èn van den wind èn van de zee, die zich daar met onbeschrijfelijk geweld binnen die grot stortte. Noch geluid, noch oog waren machtig genoeg, om daar thans door te dringen.
»Misschien is miss Campbell daar niet in,” zei broeder Sam, die zich aan die hoop wenschte vast te klemmen.
»Waar zou ze dan zijn?” vroeg broeder Sib.
»Ja juist, waar zou zij dan zijn!” riep Olivier Sinclair uit. »Heb ik haar dan niet te vergeefs op het plat van het eiland, en te midden van de rotsen langs het strand, ja overal gezocht? Zou zij niet reeds bij ons teruggekomen zijn, wanneer dit mogelijk ware?”
»Neen zij is daar!.... daar!”
En men herinnerde zich het geestdriftvolle maar vermetel onbezonnen verlangen, dat het jonge meisje verscheidene malen had aan den dag gelegd, om eens een storm in de grot van Fingal te kunnen bijwonen. Had zij dan vergeten, dat de zee, door den orkaan opgezweept, daar binnen moest dringen, haar met haar razende golven tot aan het gewelf vullen en er een gevangenis van zou maken, welker deur met geen geweld was open te breken?
Wat kon men nu beproeven, om bij haar te komen en haar te redden?
Onder den aandrang van den orkaan, die dezen hoek van het eilandje met volle kracht geeselde, verhieven zich de golven soms tot bij het bovenste gedeelte van het gewelf. Daar braken zij met een oorverdoovend geraas. Het te veel binnen gedrongen water werd door den terugstoot naar buiten geworpen en viel in schuimende stroomen terug op de buitenste rotsen, even als de waterstralen van den Niagara-val. Maar het benedenste gedeelte der golven, onder den machtigen aandrang van de deining uit volle zee, stortte zich met de kracht van een bergstroom, wiens afsluitdijk plotseling bezweken is, binnen de grot. Het was dus tegen den achterwand zelf der spelonk, dat de zee klotste met oorverdoovend geweld.
Op welke plek daar binnen zou miss Campbell een toevlucht, die voor dien golfslag veilig zou zijn, hebben gevonden? De opening der grot was geheel en al aan de woede der wilde baren blootgesteld, die bij hunne uitstrooming, zoowel als bij hun binnenkomen, het pad onweerstaanbaar moesten schoonvegen.
En toch, men trachtte nog te twijfelen, of het jonge meisje daar zou zijn. Hoe zou zij weerstand hebben kunnen bieden aan zoo’n binnendringen der woedende zee in dit slop zonder uitgang? Was haar verminkt en verscheurd lichaam, door den terugstroom meegesleurd, niet reeds naar buiten gevoerd? Had de aanrollende zee, die langs de kust liep, haar reeds snel meegesleept onder langs den straatweg en de klippen, tot bij de grot van Clam Shell?
»Helena! Helena!!”
Die naam weerklonk onophoudelijk te midden van het geloei van den wind, het gedonder en het geklots der golven. Maar geen kreet die daarop antwoord gaf, of ook antwoord kon geven.
»Neen! neen! zij is niet in die grot!” herhaalden de gebroeders Melvill als wanhopigen.
»Jawel, zij is er!” bevestigde Olivier Sinclair met overtuiging.
En met den vinger wees hij op een stuk stof, dat door den terugloop der golven op een der basalttreden geslingerd werd.
Olivier Sinclair stormde de trap af, om die lap te bezichtigen.
Het was de »snod,” het Schotsche lint, dat miss Campbell in heur haren droeg.
Was thans nog twijfel mogelijk?
Maar wanneer dat lint haar ontrukt had kunnen worden, was miss Campbell dan niet door denzelfden golfslag tegen de wanden van Fingal’s spelonk verbrijzeld en verpletterd?
»Oh! ik moet het weten?” riep Olivier Sinclair uit.
En van een terugstrooming der golven gebruikmakende, die het pad halverwege ontblootte, greep hij de eerste spijlen der trapleuning; maar een onmetelijke watermassa stortte zich op hem, sloeg hem van de been en smakte hem op het trapportaal neer.
Wanneer Partridge zich niet met het grootste levensgevaar op hem geworpen en hem gegrepen had, Olivier Sinclair ware tot op de benedenste treden naar onderen gerold en zou de zee hem medegesleept hebben, zonder dat het mogelijk was, hem hulp te verleenen.
De jonkman was opgestaan, maar voelde zijn ijver, om binnen de grot te dringen, niet verkoelen.
»Miss Campbell is daar!” herhaalde hij voortdurend. »Zij is levend daar binnen, dewijl haar lichaam niet naar buiten geworpen is, even als dit lapje stof! Het is dus niet onmogelijk dat zij een toevlucht binnen een of andere uitholling gevonden zal hebben! Maar haar krachten zullen weldra uitgeput zijn! Zij zal onmogelijk weerstand kunnen bieden tot op het oogenblik, dat de eb zal ingetreden zijn!... Wij moeten haar dus bereiken!”
»Ik zal gaan!” zei Partridge.
»Neen!... ik!” antwoordde Olivier Sinclair.
Een uiterste middel om bij miss Campbell te komen, zou door hem beproefd worden. Evenwel zelfs dat middel zou ter nauwernood één kans van slagen aanbieden tegen negen en negentig anderen van mislukken.
»Wacht ons hier, heeren,” zei hij tot de gebroeders Melvill. »Binnen vijf minuten zijn wij terug. Kom Partridge!”
De beide ooms bleven daar op dien uithoek van het eilandje wachten, beschut boven op de steile kust, alwaar de zee hen niet kon bereiken. Olivier Sinclair en Partridge spoedden intusschen in allerijl voort naar de grot van Clam Shell.
Vijf minuten later verschenen de jonkman en de oude dienaar weer; zij sleepten de kleine vlet van deClorinda, die kapitein Olduck ten gerieve der toeristen had achtergelaten, over den straatweg voort.
Zou Olivier Sinclair zich door de zee binnen de grot laten stuwen, nu men langs den landweg daar niet kon inkomen?
Ja, dat ging hij beproeven. Hij aarzelde evenwel niet. Het schuitje werd beneden bij de trap, achter een der basalttreden, buiten de branding gebracht.
»Ik ga met u!” zei Partridge.
»Neen,” zei Olivier Sinclair. »Dat kan niet. De kleine vlet mag niet noodeloos worden overladen. Is miss Campbell nog levend, dan zouden drie menschen in dat vaartuigje moeten. Neen, ik zal mij alleen wel behelpen!”
»Olivier!” riepen de twee broeders, die hunne snikken niet konden bedwingen. »Olivier! o Olivier! red onze dochter!”
De jonkman drukte hun de hand, sprong in de vlet, zette zich op de middenbank, greep de beide roeiriemen en bereikte behendig de terugstrooming; hij wachtte het aanrollen af eener groote baar, die hem vlak voor de Fingal’s grot bracht.
In minder dan een seconde. (bladz. 162).In minder dan een seconde. (bladz. 162).
In minder dan een seconde. (bladz. 162).
De vlet werd door deze omhoog getild; maar Olivier Sinclair slaagde er in haar, door een behendige behandeling der roeiriemen,op den kop der golf te houden. Ware ze dwarszee’s geraakt, dan zou zij onvermijdelijk hebben moeten omslaan.
Die eerste maal heesch de zee het nietige vaartuig bijna tot bij de hoogte op van het gewelf. Men kon vreezen, dat de notendop zich tegen de rotsmassa zou verpletteren, maar toen de golf terugliep sleepte zij dien in haar onweerstaanbare strooming naar volle zee mede.
Drie maal werd de sloep zoo opgetild en met reuzenkracht naar de grot gestuwd. Maar telkens werd ze weer achteruit gesleurd, zonder zich een doortocht te hebben kunnen banen door de watermassa, die den ingang versperde. Olivier Sinclair, geheel en al kalm, en zich zelven volkomen meester, hield de vlet met zijn roeiriemen in evenwicht.
Eindelijk tilde een hoogere golftop het nietig vaartuig op. Het balanceerde een ondeelbaar oogenblik, ter hoogte bijna van het bovenplat van het eiland, op den rug van dien vloeibaren berg. Toen ontstond een schrikkelijk diepe voor, tot aan den voet der grot, en werd Olivier Sinclair in schuine richting voortgestuwd, alsof hij de hellingen van een machtigen waterval afdaalde.
Een kreet van schrik ontsnapte aan al de getuigen van dit vreeselijk tooneel. Het was alsof het vaartuig werkelijk en onweerstaanbaar tegen de basaltzuilen van den linker hoek aan den ingang der grot ging verbrijzeld worden.
Maar de kloeke jongeling gaf met zijn roeiriemen steun aan zijn vlet. Gedurende een kortstondig oogenblik verscheen de ingang als genaakbaar en schoot hij met de snelheid van een voortgedreven pijl vooruit, alvorens de zee teruggerold en zich in een overgroote baar omgekruld kon hebben, en verdween hij voor aller oogen in het innerlijke der donkere grot.
Een seconde later plofte de watermassa als een onmetelijke sneeuwval neer en sloeg tot aan den uitersten bovenkant van het eilandje.
Zou de vlet nu tegen den achterwand van de grot verbrijzeld zijn en moest men nu twee slachtoffers van dien storm te betreuren hebben in plaats van een?
Toch was daar niets van aan. Olivier Sinclair was met groote snelheid voortgeschoten, zonder de ongelijke zoldering van het gewelf te raken. Hij had zich in het vaartuig plat op den buik moeten werpen, om den schok met de basaltbundels, die omlaag hingen en van alle kanten uitstaken, te ontgaan. Dat was hem gelukt. In minder dan een seconde had hij den tegenovergestelden rotswand bereikt en koesterde slechts ééne vrees, namelijk die van door den terugloop der watermassa weer naar buiten te worden meegesleept, zonder zich aan eenig uitstekend punt daarbinnen te hebben kunnen vastklemmen.
Gelukkig stootte de vlet, door eene baar voortgestuwd, welker kracht door een teruggolving zeer verzwakt was, tegen de zuilen die het buffetorgel vormden, waarvan wij vroeger spraken, en dat tegen den achterwand van Fingal’s kelder verrees, en werd meer dan half verbrijzeld door den schok. Maar Olivier Sinclair had gelegenheid een stuk basalt met de hand te grijpen en zich daaraan met de wanhopige kracht eens drenkelings vast te klemmen. Een oogenblik later kon hij zich omhoog hijschen en buiten het bereik der zee zijn werk vervolgen.
Terstond daarop werd de ontredderde vlet door een terugrollende baar medegevoerd en naar buiten geslingerd. Toen zij dat wrak zagen verschijnen, konden de gebroeders Melvill en ook Partridge niet anders meenen, dan dat de koene redder zelf was omgekomen.
XXI.Storm in eene grot.Olivier Sinclair was geheel ongedeerd en voor het oogenblik in veiligheid. De duisternis was evenwel zoo groot in de grot, dat hij daarin niets kon onderscheiden. Het schemerlicht kon slechts van de tusschenruimte van twee golven gebruik maken, wanneer de ingang van de watermassa eenigermate bevrijd was, om de grot binnen te dringen.Olivier Sinclair trachtte evenwel te ontdekken, waar miss Campbell een toevlucht had kunnen vinden.... Die poging was echter te vergeefs.Hij riep:»Miss Campbell! miss Campbell!”Hoe te beschrijven, wat er in hem omging toen hij een hemelsche stem hem hoorde antwoorden:»Mijnheer Olivier! mijnheer Olivier!”Miss Campbell was in leven.Maar op welke plek had zij zich buiten het bereik van het stormloopen der golven en dus in veiligheid kunnen stellen? Olivier Sinclair trachtte over het pad met alle voorzichtigheid de geheele Fingal’s spelonk rond te kruipen.In den linker wand had een holte in het basalt eene oneffenheid veroorzaakt, die de gedaante had van eene nis. Daar waren de zuilen van elkander geweken en hadden een schuilplaats gevormd, diebij hare opening vrij breed was, maar zich langzamerhand zoodanig vernauwde, dat slechts ruimte voor één persoon er in aangetroffen werd. De legende verleende aan die uitholling den naam van: »Fingal’s armstoel.”Het was in die schuilplaats, dat miss Campbell, door het binnenstormende water overvallen, eene toevlucht had gezocht.Weinige uren vroeger was bij eb de ingang van de grot gemakkelijk toegankelijk geweest, en had het onvoorzichtige meisje haar gewoon bezoek daar afgelegd. Daarbinnen gaf zij zich aan hare mijmeringen over, begreep het gevaar niet, waarmee de opkomende vloed haar bedreigde, en had zij niets opgemerkt van hetgeen buiten omging. Hoe schrok zij, toen zij de grot willende verlaten, geen uitgang meer door het binnenstroomende water kon vinden.Toch verloor miss Campbell het hoofd niet. Zij zocht een schuilplaats te bereiken, en na twee of drie vruchtelooze pogingen om op het buitenste trapportaal te komen, kon zij eindelijk, niet zonder wel twintigmaal gevaar geloopen te hebben meegesleurd te worden, in dien armstoel van Fingal dringen.Daar vond Olivier Sinclair haar ineen gedoken, maar buiten het bereik der stortzeeën.»Oh! miss Campbell!” riep hij, »hoe hebt gij zoo onvoorzichtig kunnen zijn, om u zoo bij het begin van een storm bloot te stellen. Bij God! wij waanden u verloren!”»En gij zijt gekomen om mij te redden, mijnheer Olivier,” hernam miss Campbell, meer getroffen door het edele moedbetoon van den jonkman, dan verschrikt over de gevaren, die zij geloopen had of nog kon loopen!»Ik ben gekomen om u uit een neteligen toestand te redden, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair met vuur, »en met Gods hulp zal ik slagen!—Gij zijt toch niet bang?”»Of ik bang ben?.... neen!.... Nu gij bij mij zijt, vrees ik niets meer. En.... daarenboven, kon een ander gevoel dan bewondering mij bezielen bij den aanblik van zoo’n schouwspel?.... Kijk!”Miss Campbell was tot achter in haar smalle schuilplaats terug geweken. Olivier Sinclair, die voor haar recht overeind stond, trachtte haar, zoo goed hem zulks mogelijk was, te beschutten, wanneer eene golf woedender dan de vorige, haar dreigde te bereiken.Beiden zwegen in dezen plechtigen stond. Had Olivier Sinclair wel noodig uit te spreken, wat er omging in zijn hart? En zouden woorden wel bij machte geweest zijn, om uit te drukken wat miss Campbell gevoelde?De jonkman zag evenwel met een onuitsprekelijken angst, niet voor hem maar voor miss Campbell, de gevaren van buiten vermeerderen. Hij moest begrijpen, toen hij het gehuil van den wind enhet geklots en gedonder der zee hoorde, dat de storm zich met verdubbelde woede ontketende. Hij zag het peil der wateren stijgenonder den invloed van het getij, dat nog verscheidene uren zou aanhouden.»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).Tot waar zou de vloed, welken de golfslag uit volle zee een buitengewone hoogte zou verleenen, stijgen? Dat kon onmogelijk iemand voorspellen. Maar het was duidelijk zichtbaar, dat de grot zich langzamerhand vulde. Indien daarbinnen geen volslagen duisternis heerschte, had dit hierin zijn oorzaak, dat de golfkuiven als het ware door het licht van buiten waren doorweven, en dat hier en daar phosphoresceerende lichtplekken als elektrische straalbundels, die zich aan de hoeken en oneffenheden der basaltblokken vasthechtten, in de watermassa schitterden, die de scherpe hoeken der prisma’s als met vuur overdekten en bij haar terugijlen een twijfelachtige loodkleurige schemering achterlieten.Wanneer de schelle verschijning van die verlichting plaats had, keerde zich Olivier Sinclair tot miss Campbell, en zag hij haar aan met een ontroering, die niet enkel aan het besef van het gevaar, waarin zij verkeerde, was toe te schrijven.Miss Campbell glimlachte zwijgend en verkeerde geheel onder den indruk van dit schouwspel van een storm in een grot!Maar in dat oogenblik sloeg een machtigere deininggolf tot bij de uitholling van Fingal’s armstoel. Olivier Sinclair meende, dat zij beiden uit hun toevluchtsoord gesleurd zouden worden.Hij vatte het jonge meisje in zijn armen, als een prooi, die de woedende zee hem trachtte te ontrukken.»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje in een oogenblik van radeloozen angst, dien zij niet had kunnen bedwingen.»Vrees niets, Helena!” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik zal u beschermen, Helena!.... ik zal....”Ja, hij zeide dat: Ik zal u beschermen: Maar hoe? Hoe zou hij haar aan het machtig geweld der stortzeeën kunnen ontvoeren, wanneer hunne woede aangroeide, wanneer de wateren nog hooger stegen, wanneer de toevluchtsplaats in dien armstoel onhoudbaar werd? Op welke andere plek zou hij redding zoeken? Waar zou hij een schuilplaats vinden buiten het bereik van dien monsterachtigen opstand der zee. Alle die gebeurlijkheden verschenen voor hem in hare schrikkelijke werkelijkheid.Maar hij moest boven alles koelbloedig zijn. Olivier Sinclair beijverde zich dan ook kloekhartig om zich zelven meester te blijven.En hij moest dat te eerder, nu het te voorzien was, dat zoo niet de zedelijke moed, dan toch de lichaamskracht het jonge meisje eindelijk zou ontzinken. Olivier Sinclair voelde reeds, dat zij langzamerhand zwakker werd en ging bezwijken. Hij wilde haar geruststellen, hoewel hijzelf zich de hoop voelde begeven.»Helena.... dierbare Helena!” lispte hij, »toen ik naar Obanterugkeerde.... vernam ik.... dat gij het waart.... dat ik aan u mijne redding uit de Corryvrekankolk heb te danken!”»Wat?.... Olivier.... gij wist!....” stamelde miss Campbell, met uiterst zwakke stem.»Ja, lieve!.... en ik voel heden mijn schuld!.... O! ik zal u uit de Fingal’s grot redden!”Maar hoe kon Olivier Sinclair van redding spreken in een oogenblik, dat de watermassa met geweld aan den voet hunner schuilplaats neerplofte! Hij slaagde er zelfs gebrekkig in, om zijn gezellin tegen de spatten te beveiligen. Twee of driemaal was hij op het punt van door den golfslag meegesleurd te worden.... En dat hij nog weerstand bood, was het gevolg eener bovenmenschelijke poging; hij voelde immers de armen van miss Campbell, die zijn leest krampachtig omknelden. Hij begreep, dat zij onvermijdelijk met hem voortgesleept zou worden.Het kon half tien des avonds zijn. De storm moest zijn hoogste punt van geweld bereikt hebben. En waarlijk, de stijgende wateren stortten zich met de onbedwingbare onstuimigheid van een lawine in Fingal’s spelonk. De schok dier watermassa op den achterwand en op de zijwanden der grot, veroorzaakte zoo’n oorverdoovend geraas, en zoodanig was het geweld der golven, dat stukken basalt van de wanden werden afgescheurd, bij hunnen val in het witte, lichtgevende schuim plompten en daarin zwarte gaten vormden.Zouden onder dien aanval, wiens hevigheid niet te beschrijven is, de zuilen stuk voor stuk losgerukt en in den afgrond neervallen? Zou het gewelf gevaar loopen van intestorten? Alles was in die oogenblikken voorwaar te vreezen. Olivier Sinclair voelde zich dan ook door een niet te overwinnen duizeling bevangen, waartegen hij zich trachtte te verzetten. Dit werd veroorzaakt, door dat de lucht soms ontbrak. Wel werd zij in overvloed de grot binnengestuwd, wanneer de golven binnenstormden, maar somwijlen was het alsof die zelfde golven de lucht weer opslorpten, wanneer zij bij haren terugloop naar buiten ijlden.Miss Campbell, geheel en al uitgeput, voelde in die omstandigheden hare krachten haar begeven en viel in zwijm.»Olivier!... Olivier!...” lispte zij, terwijl zij in zijn armen gleed.Olivier Sinclair had zich met het jonge meisje in het diepste gedeelte van de schuilplaats neergehurkt. Hij ondersteunde miss Campbell, hij dekte haar met zijn lichaam tegen de stortzeeën, hij worstelde, terwijl hij zich tegen de uitstekende gedeelten der basaltrotsen stutte, te midden eener duisternis, die nog zwarter scheen door de tusschenpoozingen van phosphoresceerend licht te midden van het onafgebroken gedonder, veroorzaakt door het voortdurend geklots en geschok, vermengd met geloei en gesis. Neen, het was thansSelma’s stem niet meer, die in het paleis van Fingal weerklonk! Het geleek veel meer een verschrikkelijk gehuil en geblaf van Kamschatka-honden, die, volgens de uitdrukking van Michelet, in groote troepen en bij duizendtallen, gedurende de lange winternachten tegen de loeiende branding huilen en aldus met de woedende Noordelijke ijs-zee een wedstrijd aangaan.Eindelijk, eindelijk begon de eb in te treden en de zee te dalen. Olivier Sinclair merkte op, dat met de daling der water-oppervlakte ook de deining-golven, die uit volle zee aanrolden, eenigszins, nog wel niet veel, bedaarden. Maar de duisternis in de grot was toen zoo groot, dat het buiten betrekkelijk licht was. In die halve duisternis begon de zwarte opening der spelonk, die niet meer door de aanrollende watermassa bedekt werd, zich flauw te vertoonen. Weldra bereikten nog maar de spatten en de fijne stofregen van de branding den armstoel van Fingal. Het was thans geen wurgende en alles met zich voortsleurende stortzee meer. De hoop keerde in het hart van Olivier Sinclair terug.Te rekenen naar het volzee-getij, kan aangenomen worden, dat het middernachtuur reeds voorbij was. Nog twee uren, en het pad zou niet meer schoongeveegd worden door de zweepende golfkoppen. Het moest dan weer begaanbaar worden. Het was van belang zich bijtijds hiervan te verzekeren. En eindelijk, na lang wachten, was het zoover gekomen.Het oogenblik om de grot te verlaten was aangebroken.Maar miss Campbell was nog niet uit haar onmacht ontwaakt. Geheel krachteloos als zij was, nam Olivier Sinclair haar in zijn armen op, liet zich toen buiten den armstoel van Fingal glijden en begon het smalle pad te volgen, waarvan de ijzeren leuningspijlen onder het geweld der zee afgewrongen, afgesleurd of verbroken waren.Wanneer een golf op hem aanrolde, bleef hij een oogenblik staan of trad ook wel onder den aandrang een of meer passen terug.Eindelijk, op het oogenblik, dat Olivier Sinclair den buitensten hoek zou bereiken, sloeg nogmaals een laatste monstergolf over hem heen en omhulde hem met zijn waterstralen geheel en al. Hij dacht niet anders, dan dat hij met miss Campbell tegen den rotswand zou verpletterd of in de loeiende kolk aan zijn voeten worden meegesleept....Maar door een laatste inspanning, gelukte het hem weerstand te bieden en, gebruik makende van de verademing, die de terugvloeiende golf hem schonk, stormde hij de grot uit.In minder dan geen tijd had hij den hoek der steile kust bereikt, waar de gebroeders Melvill, Partridge en ook juffrouw Bess, welke laatste zich in haar ongeduld bij hen vervoegd had, den geheelennacht post hadden gevat.Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).Olivier en Helena waren gered.Maar daar week de overspanning van zedelijke en lichamelijkegeestkracht, die Olivier Sinclair tot nu toe geschraagd had, op haar beurt eindelijk ook. Hij viel buiten kennis aan den voet der rotsen neer, nadat hij miss Campbell in de armen van juffrouw Bess had overgegeven.Zonder zijn toewijding en zijn moed zou Helena de grot van Fingal niet levend hebben verlaten.
Olivier Sinclair was geheel ongedeerd en voor het oogenblik in veiligheid. De duisternis was evenwel zoo groot in de grot, dat hij daarin niets kon onderscheiden. Het schemerlicht kon slechts van de tusschenruimte van twee golven gebruik maken, wanneer de ingang van de watermassa eenigermate bevrijd was, om de grot binnen te dringen.
Olivier Sinclair trachtte evenwel te ontdekken, waar miss Campbell een toevlucht had kunnen vinden.... Die poging was echter te vergeefs.
Hij riep:
»Miss Campbell! miss Campbell!”
Hoe te beschrijven, wat er in hem omging toen hij een hemelsche stem hem hoorde antwoorden:
»Mijnheer Olivier! mijnheer Olivier!”
Miss Campbell was in leven.
Maar op welke plek had zij zich buiten het bereik van het stormloopen der golven en dus in veiligheid kunnen stellen? Olivier Sinclair trachtte over het pad met alle voorzichtigheid de geheele Fingal’s spelonk rond te kruipen.
In den linker wand had een holte in het basalt eene oneffenheid veroorzaakt, die de gedaante had van eene nis. Daar waren de zuilen van elkander geweken en hadden een schuilplaats gevormd, diebij hare opening vrij breed was, maar zich langzamerhand zoodanig vernauwde, dat slechts ruimte voor één persoon er in aangetroffen werd. De legende verleende aan die uitholling den naam van: »Fingal’s armstoel.”
Het was in die schuilplaats, dat miss Campbell, door het binnenstormende water overvallen, eene toevlucht had gezocht.
Weinige uren vroeger was bij eb de ingang van de grot gemakkelijk toegankelijk geweest, en had het onvoorzichtige meisje haar gewoon bezoek daar afgelegd. Daarbinnen gaf zij zich aan hare mijmeringen over, begreep het gevaar niet, waarmee de opkomende vloed haar bedreigde, en had zij niets opgemerkt van hetgeen buiten omging. Hoe schrok zij, toen zij de grot willende verlaten, geen uitgang meer door het binnenstroomende water kon vinden.
Toch verloor miss Campbell het hoofd niet. Zij zocht een schuilplaats te bereiken, en na twee of drie vruchtelooze pogingen om op het buitenste trapportaal te komen, kon zij eindelijk, niet zonder wel twintigmaal gevaar geloopen te hebben meegesleurd te worden, in dien armstoel van Fingal dringen.
Daar vond Olivier Sinclair haar ineen gedoken, maar buiten het bereik der stortzeeën.
»Oh! miss Campbell!” riep hij, »hoe hebt gij zoo onvoorzichtig kunnen zijn, om u zoo bij het begin van een storm bloot te stellen. Bij God! wij waanden u verloren!”
»En gij zijt gekomen om mij te redden, mijnheer Olivier,” hernam miss Campbell, meer getroffen door het edele moedbetoon van den jonkman, dan verschrikt over de gevaren, die zij geloopen had of nog kon loopen!
»Ik ben gekomen om u uit een neteligen toestand te redden, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair met vuur, »en met Gods hulp zal ik slagen!—Gij zijt toch niet bang?”
»Of ik bang ben?.... neen!.... Nu gij bij mij zijt, vrees ik niets meer. En.... daarenboven, kon een ander gevoel dan bewondering mij bezielen bij den aanblik van zoo’n schouwspel?.... Kijk!”
Miss Campbell was tot achter in haar smalle schuilplaats terug geweken. Olivier Sinclair, die voor haar recht overeind stond, trachtte haar, zoo goed hem zulks mogelijk was, te beschutten, wanneer eene golf woedender dan de vorige, haar dreigde te bereiken.
Beiden zwegen in dezen plechtigen stond. Had Olivier Sinclair wel noodig uit te spreken, wat er omging in zijn hart? En zouden woorden wel bij machte geweest zijn, om uit te drukken wat miss Campbell gevoelde?
De jonkman zag evenwel met een onuitsprekelijken angst, niet voor hem maar voor miss Campbell, de gevaren van buiten vermeerderen. Hij moest begrijpen, toen hij het gehuil van den wind enhet geklots en gedonder der zee hoorde, dat de storm zich met verdubbelde woede ontketende. Hij zag het peil der wateren stijgenonder den invloed van het getij, dat nog verscheidene uren zou aanhouden.
»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).
»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).
Tot waar zou de vloed, welken de golfslag uit volle zee een buitengewone hoogte zou verleenen, stijgen? Dat kon onmogelijk iemand voorspellen. Maar het was duidelijk zichtbaar, dat de grot zich langzamerhand vulde. Indien daarbinnen geen volslagen duisternis heerschte, had dit hierin zijn oorzaak, dat de golfkuiven als het ware door het licht van buiten waren doorweven, en dat hier en daar phosphoresceerende lichtplekken als elektrische straalbundels, die zich aan de hoeken en oneffenheden der basaltblokken vasthechtten, in de watermassa schitterden, die de scherpe hoeken der prisma’s als met vuur overdekten en bij haar terugijlen een twijfelachtige loodkleurige schemering achterlieten.
Wanneer de schelle verschijning van die verlichting plaats had, keerde zich Olivier Sinclair tot miss Campbell, en zag hij haar aan met een ontroering, die niet enkel aan het besef van het gevaar, waarin zij verkeerde, was toe te schrijven.
Miss Campbell glimlachte zwijgend en verkeerde geheel onder den indruk van dit schouwspel van een storm in een grot!
Maar in dat oogenblik sloeg een machtigere deininggolf tot bij de uitholling van Fingal’s armstoel. Olivier Sinclair meende, dat zij beiden uit hun toevluchtsoord gesleurd zouden worden.
Hij vatte het jonge meisje in zijn armen, als een prooi, die de woedende zee hem trachtte te ontrukken.
»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje in een oogenblik van radeloozen angst, dien zij niet had kunnen bedwingen.
»Vrees niets, Helena!” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik zal u beschermen, Helena!.... ik zal....”
Ja, hij zeide dat: Ik zal u beschermen: Maar hoe? Hoe zou hij haar aan het machtig geweld der stortzeeën kunnen ontvoeren, wanneer hunne woede aangroeide, wanneer de wateren nog hooger stegen, wanneer de toevluchtsplaats in dien armstoel onhoudbaar werd? Op welke andere plek zou hij redding zoeken? Waar zou hij een schuilplaats vinden buiten het bereik van dien monsterachtigen opstand der zee. Alle die gebeurlijkheden verschenen voor hem in hare schrikkelijke werkelijkheid.
Maar hij moest boven alles koelbloedig zijn. Olivier Sinclair beijverde zich dan ook kloekhartig om zich zelven meester te blijven.
En hij moest dat te eerder, nu het te voorzien was, dat zoo niet de zedelijke moed, dan toch de lichaamskracht het jonge meisje eindelijk zou ontzinken. Olivier Sinclair voelde reeds, dat zij langzamerhand zwakker werd en ging bezwijken. Hij wilde haar geruststellen, hoewel hijzelf zich de hoop voelde begeven.
»Helena.... dierbare Helena!” lispte hij, »toen ik naar Obanterugkeerde.... vernam ik.... dat gij het waart.... dat ik aan u mijne redding uit de Corryvrekankolk heb te danken!”
»Wat?.... Olivier.... gij wist!....” stamelde miss Campbell, met uiterst zwakke stem.
»Ja, lieve!.... en ik voel heden mijn schuld!.... O! ik zal u uit de Fingal’s grot redden!”
Maar hoe kon Olivier Sinclair van redding spreken in een oogenblik, dat de watermassa met geweld aan den voet hunner schuilplaats neerplofte! Hij slaagde er zelfs gebrekkig in, om zijn gezellin tegen de spatten te beveiligen. Twee of driemaal was hij op het punt van door den golfslag meegesleurd te worden.... En dat hij nog weerstand bood, was het gevolg eener bovenmenschelijke poging; hij voelde immers de armen van miss Campbell, die zijn leest krampachtig omknelden. Hij begreep, dat zij onvermijdelijk met hem voortgesleept zou worden.
Het kon half tien des avonds zijn. De storm moest zijn hoogste punt van geweld bereikt hebben. En waarlijk, de stijgende wateren stortten zich met de onbedwingbare onstuimigheid van een lawine in Fingal’s spelonk. De schok dier watermassa op den achterwand en op de zijwanden der grot, veroorzaakte zoo’n oorverdoovend geraas, en zoodanig was het geweld der golven, dat stukken basalt van de wanden werden afgescheurd, bij hunnen val in het witte, lichtgevende schuim plompten en daarin zwarte gaten vormden.
Zouden onder dien aanval, wiens hevigheid niet te beschrijven is, de zuilen stuk voor stuk losgerukt en in den afgrond neervallen? Zou het gewelf gevaar loopen van intestorten? Alles was in die oogenblikken voorwaar te vreezen. Olivier Sinclair voelde zich dan ook door een niet te overwinnen duizeling bevangen, waartegen hij zich trachtte te verzetten. Dit werd veroorzaakt, door dat de lucht soms ontbrak. Wel werd zij in overvloed de grot binnengestuwd, wanneer de golven binnenstormden, maar somwijlen was het alsof die zelfde golven de lucht weer opslorpten, wanneer zij bij haren terugloop naar buiten ijlden.
Miss Campbell, geheel en al uitgeput, voelde in die omstandigheden hare krachten haar begeven en viel in zwijm.
»Olivier!... Olivier!...” lispte zij, terwijl zij in zijn armen gleed.
Olivier Sinclair had zich met het jonge meisje in het diepste gedeelte van de schuilplaats neergehurkt. Hij ondersteunde miss Campbell, hij dekte haar met zijn lichaam tegen de stortzeeën, hij worstelde, terwijl hij zich tegen de uitstekende gedeelten der basaltrotsen stutte, te midden eener duisternis, die nog zwarter scheen door de tusschenpoozingen van phosphoresceerend licht te midden van het onafgebroken gedonder, veroorzaakt door het voortdurend geklots en geschok, vermengd met geloei en gesis. Neen, het was thansSelma’s stem niet meer, die in het paleis van Fingal weerklonk! Het geleek veel meer een verschrikkelijk gehuil en geblaf van Kamschatka-honden, die, volgens de uitdrukking van Michelet, in groote troepen en bij duizendtallen, gedurende de lange winternachten tegen de loeiende branding huilen en aldus met de woedende Noordelijke ijs-zee een wedstrijd aangaan.
Eindelijk, eindelijk begon de eb in te treden en de zee te dalen. Olivier Sinclair merkte op, dat met de daling der water-oppervlakte ook de deining-golven, die uit volle zee aanrolden, eenigszins, nog wel niet veel, bedaarden. Maar de duisternis in de grot was toen zoo groot, dat het buiten betrekkelijk licht was. In die halve duisternis begon de zwarte opening der spelonk, die niet meer door de aanrollende watermassa bedekt werd, zich flauw te vertoonen. Weldra bereikten nog maar de spatten en de fijne stofregen van de branding den armstoel van Fingal. Het was thans geen wurgende en alles met zich voortsleurende stortzee meer. De hoop keerde in het hart van Olivier Sinclair terug.
Te rekenen naar het volzee-getij, kan aangenomen worden, dat het middernachtuur reeds voorbij was. Nog twee uren, en het pad zou niet meer schoongeveegd worden door de zweepende golfkoppen. Het moest dan weer begaanbaar worden. Het was van belang zich bijtijds hiervan te verzekeren. En eindelijk, na lang wachten, was het zoover gekomen.
Het oogenblik om de grot te verlaten was aangebroken.
Maar miss Campbell was nog niet uit haar onmacht ontwaakt. Geheel krachteloos als zij was, nam Olivier Sinclair haar in zijn armen op, liet zich toen buiten den armstoel van Fingal glijden en begon het smalle pad te volgen, waarvan de ijzeren leuningspijlen onder het geweld der zee afgewrongen, afgesleurd of verbroken waren.
Wanneer een golf op hem aanrolde, bleef hij een oogenblik staan of trad ook wel onder den aandrang een of meer passen terug.
Eindelijk, op het oogenblik, dat Olivier Sinclair den buitensten hoek zou bereiken, sloeg nogmaals een laatste monstergolf over hem heen en omhulde hem met zijn waterstralen geheel en al. Hij dacht niet anders, dan dat hij met miss Campbell tegen den rotswand zou verpletterd of in de loeiende kolk aan zijn voeten worden meegesleept....
Maar door een laatste inspanning, gelukte het hem weerstand te bieden en, gebruik makende van de verademing, die de terugvloeiende golf hem schonk, stormde hij de grot uit.
In minder dan geen tijd had hij den hoek der steile kust bereikt, waar de gebroeders Melvill, Partridge en ook juffrouw Bess, welke laatste zich in haar ongeduld bij hen vervoegd had, den geheelennacht post hadden gevat.
Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).
Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).
Olivier en Helena waren gered.
Maar daar week de overspanning van zedelijke en lichamelijkegeestkracht, die Olivier Sinclair tot nu toe geschraagd had, op haar beurt eindelijk ook. Hij viel buiten kennis aan den voet der rotsen neer, nadat hij miss Campbell in de armen van juffrouw Bess had overgegeven.
Zonder zijn toewijding en zijn moed zou Helena de grot van Fingal niet levend hebben verlaten.
XXII.De Groene Straal.Eenige minuten later kwam miss Campbell, onder den invloed van de frischheid der lucht, in de grot van Clam Shell tot haar zelve. Het was alsof zij uit een droom ontwaakte, maar uit een droom, waarin het beeld van Olivier Sinclair de heldenrol vervuld had. Er was haar geen herinnering hoegenaamd bijgebleven van de gevaren, waarin haar onvoorzichtigheid haar gebracht had.Zij was nog niet in staat te spreken; maar toen zij Olivier Sinclair te zien kreeg, blonken tranen van dankbaarheid onder haar schoone oogwimpers en reikte zij de hand aan haren redder.Broeder Sam en broeder Sib omhelsden, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen, den jonkman in een gezamenlijke omarming, Juffrouw Bess neeg en neeg nogmaals voor hem, en den goeden Partridge ontbrak waarachtig de lust niet om hem te kussen.Toen nam gelukkig de vermoeienis de overhand. Allen verwisselden hun kleedingstukken, die òf door het zeewater òf door den regen doorweekt waren, en sliepen in, om een zeer rustigen nacht door te brengen.Maar de indrukken, die allen dien dag hadden opgedaan, zouden zoowel voor de handelende personen in het drama, dat tot schouwtooneel de legendarische grot van Fingal gehad had, als voor de toeschouwers, onuitwischbaar in hun geheugen achterblijven.Daags daarna, terwijl miss Campbell op haar bedje rustte, dat in den achtergrond der Clam Shell grot voor haar gespreid was, wandelden de gebroeders Melvill arm in arm over den nabij gelegen straatweg. Zij spraken niet; maar hadden zij wel noodig te spreken om hun geheel overeenkomstige gedachten te vertolken? Beiden bewogen te gelijkertijd het hoofd op en neer, wanneer zij bevestigden; van rechts naar links, wanneer zij ontkenden. En konden zij anders bevestigen, dan dat Olivier Sinclair zijn leven had veil gehad om het onvoorzichtige jongemeisje te redden? En wat ontkenden zij? Dat hunne oorspronkelijke plannen, om miss Helena uit te huwelijken, thans onuitvoerbaar waren. In dat stommetjes-spel werden nog wel andere zaken medegedeeld, waarvan broeder Sam en broeder Sib de vervulling thans in een naaste toekomst te gemoet zagen. Voor hen was Olivier niet meer Olivier. Hij was niets minder dan Amin, de meest volmaakte held uit de zoo heldhaftige gaëlische heldengedichten.Olivier Sinclair was van zijn kant ten prooi aan een geheel natuurlijke opgewondenheid. Een soort van uiterst kiesch gevoel bracht hem er toe, om alleen te willen zijn. Het zou thans een knellend gevoel voor hem zijn geweest, zich in tegenwoordigheid der gebroeders Melvill te bevinden, alsof zijne tegenwoordigheid alleen den prijs voor zijn toewijding van hen eischte.Hij wandelde dan ook, na de grot van Clam Shell verlaten te hebben, geheel alleen op het plateau van Staffa.Al zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik als van zelf naar miss Campbell. Hij herinnerde zich zelf de gevaren niet, die hij had geloopen, die hij vrijwillig met haar had gedeeld. Wat hij zich van dien vreeselijken nacht herinnerde, waren de uren, in het bijzijn van Helena in dat donker toevluchtsoord doorgebracht, toen hij haar in zijn armen hield gesloten, om haar aan het geweld der baren te ontrukken. Hij zag bij het phosphoresceerend lichten der golven het gelaat van dat overschoone jonge meisje voor zich, het gelaat, dat wel ietwat bleek uitzag, niet door vrees, maar door vermoeienis, het gelaat dat boven de woedende zee en de kokende waterkolken verrees als de geest der stormen! Hij hoorde haar met een bewogen stem vragen: »Hoe wist gij het?” toen hij haar had gezegd: »Ik weet wat gij gedaan hebt, toen ik op het punt was om in de Corryvrekan-kolk om te komen! Hij vond zich terug in die smalle toevluchtsplaats, die als een nis veeleer gemaakt was, om een of ander koud steenen beeld te bevatten; de plaats waar twee jonge liefdevolle wezens geleden en, de een tegen den anderen aangedrukt, gedurende lange uren geworsteld hadden. Daar was het zelfs niet meer Sinclair en miss Campbell geweest. Daar hadden zij elkander Olivier en Helena genoemd, alsof zij in het oogenblik, waarin de dood hen naderde, zich aan een ander leven wilden vastklemmen!Zoo openbaarden zich de meest opgewonden en de meest verhitte denkbeelden in het brein van den jonkman, toen hij daar op dat plateau van het eiland Staffa rondwandelde. Hoe groot zijn verlangen ook was om naar miss Campbell terug te keeren, zoo weerhield hem een overkomelijke macht ondanks hem zelven; omdat hij in hare tegenwoordigheid zijne gedachte niet zou hebben kunnen verbergend, en hij zich voorgenomen had te zwijgen.Intusschen was het weder, zooals het gewoonlijk na plotseling ingetreden en plotseling verdwenen dampkrings-stoornissen geschiedt, bewonderenswaardig schoon geworden, en de hemel volmaakt helder en zuiver. Zeer dikwijls, ja veelal laten die dampkrings-zuiveringen door de zuidwestenwinden veroorzaakt, geen sporen na, en schenken zij aan de ruimte het prachtvolle ultramarijn blauw terug, dat slechts door een onvergelijkelijke zuiverheid kan ontstaan. De zon had het toppunt harer baan overschreden, zonder dat de geringste nevel den horizon had verduisterd.Olivier Sinclair wandelde alzoo met een verhit brein, te midden dier machtige uitstraling, die door het bovenvlak van het eiland weerkaatst werd. Hij baadde te midden van die warme uitstroomingen, hij ademde de zeebries in en hardde zich in dien levendmakenden dampkring.Plotseling kwam een gedachte bij hem op, toen hij den helderen gezichteinder beschouwde, die zich daar voor hem onmetelijk uitstrekte—een gedachte, die hem te midden van al de andere, die zijn brein thans vervulden, ontschoten was.»De Groene Straal!” riep hij uit. »Wanneer ooit de hemel zich tot onze waarneming leent, dan is het van daag! Geen enkele wolk! geen enkel nevelblokje! En het is niet waarschijnlijk, dat er komen zullen, na dien schrikkelijken storm van gisteren, die alle dampen naar het oosten gedreven heeft. En miss Campbell, die niet gist, dat de avond van dezen dag haar een allerprachtigsten zons-ondergang bereidt!.... Ik zal.... ja, ik zal haar zonder verwijl moeten waarschuwen....”Olivier Sinclair gevoelde zich gelukkig, zoo’n natuurlijk voorwendsel gevonden te hebben om bij Helena terug te komen en spoedde zich naar de grot van Clam Shell.Hij bevond zich eenige oogenblikken later in het bijzijn van miss Campbell en haar beide ooms, die haar met innige toegenegenheid aankeken, terwijl juffrouw Bess haar bij de hand hield.»Wel, voelt gij u beter, miss Campbell?....” vroeg hij. »Ja,.... ik zie het,.... de krachten zijn teruggekomen!”»Ja,mijnheerOlivier,” antwoordde miss Campbell trillend, toen zij den jonkman ontwaarde.»Ik meen, dat gij wel zoudt doen,” hernam Olivier Sinclair, »wanneer gij boven op het vlak een weinig van de lichte bries gingt inademen, die door den storm van gisteren gezuiverd is. De zon schijnt overheerlijk. Zij zal u verwarmen.”»Mijnheer Sinclair heeft gelijk,” zei broeder Sam.»Geheel en al gelijk,” vulde broeder Sib aan.»En als ik alles moet zeggen,” ging Olivier Sinclair voort, »dan kon ik er bijvoegen, dat, wanneer mijn voorgevoelens mij niet bedriegen,ik geloof, dat gij binnen weinige uren uw dierbaarsten wensch zult vervuld zien.”De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)»Mijn dierbaarste wensch?” mompelde miss Campbell, schier onhoorbaar, alsof zij zich zelve een antwoord gaf op een geheime gedachte.»Ja... de hemel is merkwaardig helder en zuiver, en het is zeer waarschijnlijk, dat de zon achter een wolkenloozen gezichteinder zal ondergaan!”»Zou het mogelijk zijn?” riep broeder Sam uit.»Waarachtig, zou het mogelijk zijn?” schreeuwde broeder Sib hem na.»En, er is reden te gelooven,” vervolgde Olivier Sinclair, »dat gij dezen eigen avond den Groenen Straal zult kunnen waarnemen.”»Den Groenen Straal!....” antwoordde miss Campbell.Het scheen, dat zij in haar verward geheugen zocht, wat die straal wel kon zijn.»Ah.... dat ’s waar ook!....” zeide zij. »Wij zijn hier te Staffa gekomen om den Groenen Straal waar te nemen!”»Komaan! komaan!” zei broeder Sam, die verheugd was, dat een gelegenheid zich opdeed om het jonge meisje aan de matheid te onttrekken, die haar sedert het voorval in de grot van Fingal overvallen had. »Komaan, naar den anderen kant van het eiland!”»En wij zullen straks bij onze terugkomst des te smakelijker dineeren,” vulde broeder Sib vroolijk aan.Het was toen vijf uur in den namiddag.De geheele familie, waaronder ook juffrouw Bess en Partridge begrepen waren, verliet toen, onder geleide van Olivier Sinclair, terstond de grot van Clam Shell, klom langs de houten trap omhoog en bereikte spoedig den rand van hetbovenplateau.Men had de vreugde van de beide ooms moeten kunnen zien, toen zij den prachtvollen hemel aanschouwden, waarlangs de schitterende dagvorstin langzaam daalde. Misschien overdreven zij thans; maar neen, nimmer, neen nimmer! hadden zij zooveel geestdrift voor het natuurverschijnsel aan den dag gelegd als nu. Het scheen eer, dat niet voor miss Campbell, maar voor hen al die verhuizingen hadden plaats gehad, en zoo veel beproevingen van allerhanden aard, sedert het verlaten van het buitenverblijf te Helenaburg tot hier op Staffa ondergaan waren, waarbij Jona en Oban niet behoefden vergeten te worden!En waarlijk, de ondergang der zon beloofde dien avond zoo wonderschoon te zijn, dat de meest ongevoelige, de meest practische, de meest prozaïsche koopman van the City of London, of der handelaren van Cannongate het zeepanorama zou bewonderd hebben, dat zich daar voor zijn oogen ontrolde.Miss Campbell voelde zich herleven in dien dampkring, die door de zoutdeelen van de zee, welke door een lichte bries uit vollezee overgebracht werden, bezwangerd was. Haar mooie oogen openden zich zoo groot mogelijk voor het fraaie tafereel van den Atlantischen Oceaan. Op haar wangen, die door de vermoeienissen van den vorigen dag verbleekt waren, ontloken weer de rooskleurige tinten van haar Schotsch bloed! O, wat was zij schoon! Welke bekoorlijkheid straalde van haar geheele wezen uit! Olivier Sinclair trad een weinig naar achteren en beschouwde haar in stilte en hij, die vroeger zonder eenige verlegenheid uren lang haar op haar wandelingen had kunnen vergezellen, voelde zich thans verward, met een angstig gevoel in het hart, en bemerkte dat hij haar ter nauwernood durfde aankijken!Wat de gebroeders Melvill betreft, zij waren bepaaldelijk even stralend als de zon zelve. Zij richtten het woord met geestdrift tot de dagvorstin. Zij noodigden haar uit om achter een wolkeloozen horizon onder te gaan. Zij smeekten haar hun haar laatsten straal bij het einde van dezen fraaien dag te schenken.En toen kwamen de herinneringen aan de dichtstukken van Ossian voor den dag, die zij vers voor vers, ieder op zijn beurt, opdreunden:»O gij, die boven onze hoofden zweeft, rond als het schild onzer voorvaderen, zeg ons, van waar komen uw stralen, o! goddelijke zon? Van waar komt uw eeuwig licht?”»Gij schrijdt voorwaarts vol majesteit en vol schoonheid op uw baan! De sterren verdwijnen in het uitspansel! De bleeke en koude maan verbergt zich in de westersche golven! Gij alleen beweegt u, o zon!”»Wie zou uw tochtgenoot zijn op uw baan! De maan verliest zich in de diepte der hemelen? Gij alleen blijft steeds dezelfde! Gij verblijdt u zonder ophouden in uw schitterende loopbaan!”»Als de donder rolt en de bliksemflits schiet, dan komt gij in uw schoonheid achter de wolken uit en gij bespot den storm en het onweder!”Allen schreden in dien geestdriftvollen toestand naar het uiterste uiteinde van het plateau van Staffa voort, van waar men een gezicht heeft op de volle zee. Daar namen zij plaats en zetten zich op de buitenste rotsblokken, en hadden ze een gezichteinder voor zich, waarvan niets de zoo fijne lijn, die door de vereeniging van de lucht met het water schijnt getrokken te zijn, zou verduisteren.En dezen keer zou er geen Aristobulus Beerenkooi zijn, die het zeil van zijn vaartuig zou komen schuiven voor of een vlucht watervogels zou opjagen tusschen de ondergaande zon en het eilandje Staffa!Intusschen viel met het vallen van den avond ook de bries, en de laatste deininggolven kwamen in het op en neer gaan derbranding aan den voet der rotsen sterven. Verder op naar buiten verscheen de zee als een spiegel en had zij dat olieachtig uiterlijk, dat door geen enkele rimpel gebroken werd.Alles liep dus wonderbaarlijk te zamen, alle omstandigheden hielpen mede om de verschijning van den Groenen Straal gemakkelijk te doen waarnemen.Maar zie, een half uur later strekte Partridge de hand naar het Zuiden uit en riep:»Een zeil!”Een zeil! Zou dat dezen keer ook voor de zonneschijf voorbijschuiven op het oogenblik, dat zij in de golven zou onderduiken? Waarlijk, dat zou meer dan kwade kans moeten genoemd worden!Het vaartuig stevende de zeeëngte uit, die het eiland Jona van de kaap van Mull scheidt. Het gleed, met den wind vlak van achteren, vooruit eerder onder den invloed van den opkomenden vloed dan onder den druk eener bries, welker laatste zuchtjes ternauwernood het zeiltuig konden vullen.»Het is deClorinda,” zei Olivier Sinclair, »en daar zij koers zet om ten oosten van Staffa voor anker te komen, zoo zal zij binnen door varen en onze waarneming niet kunnen hinderen.”Het was inderdaad deClorinda, die na het eiland Mull langs het zuiden omgezeild te hebben, haar ankerplaats in de kreek van Clam Shell weer kwam opzoeken.Aller blikken wendden zich toen weer naar den horizon in het westen.De zon daalde reeds met de snelheid, die zij bij het naderen der zee schijnt aan te nemen. Op de oppervlakte van het water beefde een lange zilverstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog onverdragelijk was. Weldra ging zij van de kleur van mat goud, die zij aannam bij het dalen, tot het helderkleurig goud over. Wanneer men de oogen sloot, schitterden op het netvlies langwerpige roode ruiten en gele cirkels, die elkander kruisten als de vluchtige tinten van een kaleidoscoop. Lichte golvende ribben streepten die soort komeetstaart, welke de weerkaatsing op de oppervlakte van het water te voorschijn tooverde. Het water vertoonde zich als bezaaid met vlokjes verzilverde loovertjes, welker glans verbleekte bij het naderen van den oever.Er was geen spoor te bekennen van wolk of van nevel of van damp, hoe ijl ook op den geheelen omtrek van den gezichteinder, Niets bedierf de zuiverheid dier cirkellijn, die met een passer niet fijner op het fraaiste wit velijn papier had kunnen getrokken worden.Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).Allen zaten daar onbeweeglijk, meer ontroerd dan men wel meenen zou en zij zelf wel wilden bekennen, den bol aan te staren, die zich in schuine richting naar den horizon bewoog. Hij daaldenog meer, en bleef toen als boven den afgrond een oogenblik hangen. Toen begon de misvorming van de schijf, die door de straalbrekinggewijzigd werd, zich langzamerhand te vertoonen. Zij verbreedde ten koste van haar loodrechte doorsnede, en herinnerde aan den vorm van een Etruskische vaas met ronden buik, welker voetstuk in het water dompelt.Er kon geen twijfel meer over de verschijning van het natuurverschijnsel geopperd worden. Niets zou den bewonderenswaardigen ondergang van de schitterende dagvorstin storen. Niets zou haar laatste stralen komen breken of onderscheppen!Weldra was de helft der zon achter de horizonslijn verdwenen. Eenige schitterende stralenbundels, aan gouden pijlen gelijk, kwamen de voorste rotsen van Staffa treffen.Meer achterwaarts hulden zich de steile kusten van Mull en de top van den Ben More in het purper, en was het of zij met vuur waren aangeraakt. Zij gloeiden.Eindelijk was er niets meer te zien dan een uiterst fijn segment van den bovenboog der zonneschijf, dat nu ook de oppervlakte der zee begon aan te raken.Nog een seconde van gespannen verwachting.»De Groene Straal! de Groene Straal!” riepen als uit één mond de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, wier netvlies gedurende het vierde gedeelte van een seconde als gedrenkt was geworden door die onvergelijkelijke tint van vloeibaar smaragd.Olivier en Helena alleen hadden niets van het natuurverschijnsel gezien, dat thans eerst, na zooveel vruchtelooze waarnemingen, eindelijk zich voordeed!Op het oogenblik, dat de zon haren laatsten straal het luchtruim inzond, kruisten beider blikken elkander, en vergaten de gelukkigen alles, wat om hen heen gebeurde, bij de beschouwing, waarin zij verzonken waren.Maar Helena had de zwarte schittering, den zwarten straal waargenomen, die de oogen van den jonkman schoten, en Olivier had den zacht blauwen glans niet laten verloren gaan, die aan het oog van het jonge meisje ontsnapte!De zon was thans geheel en al ondergegaan. Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien!
Eenige minuten later kwam miss Campbell, onder den invloed van de frischheid der lucht, in de grot van Clam Shell tot haar zelve. Het was alsof zij uit een droom ontwaakte, maar uit een droom, waarin het beeld van Olivier Sinclair de heldenrol vervuld had. Er was haar geen herinnering hoegenaamd bijgebleven van de gevaren, waarin haar onvoorzichtigheid haar gebracht had.
Zij was nog niet in staat te spreken; maar toen zij Olivier Sinclair te zien kreeg, blonken tranen van dankbaarheid onder haar schoone oogwimpers en reikte zij de hand aan haren redder.
Broeder Sam en broeder Sib omhelsden, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen, den jonkman in een gezamenlijke omarming, Juffrouw Bess neeg en neeg nogmaals voor hem, en den goeden Partridge ontbrak waarachtig de lust niet om hem te kussen.
Toen nam gelukkig de vermoeienis de overhand. Allen verwisselden hun kleedingstukken, die òf door het zeewater òf door den regen doorweekt waren, en sliepen in, om een zeer rustigen nacht door te brengen.
Maar de indrukken, die allen dien dag hadden opgedaan, zouden zoowel voor de handelende personen in het drama, dat tot schouwtooneel de legendarische grot van Fingal gehad had, als voor de toeschouwers, onuitwischbaar in hun geheugen achterblijven.
Daags daarna, terwijl miss Campbell op haar bedje rustte, dat in den achtergrond der Clam Shell grot voor haar gespreid was, wandelden de gebroeders Melvill arm in arm over den nabij gelegen straatweg. Zij spraken niet; maar hadden zij wel noodig te spreken om hun geheel overeenkomstige gedachten te vertolken? Beiden bewogen te gelijkertijd het hoofd op en neer, wanneer zij bevestigden; van rechts naar links, wanneer zij ontkenden. En konden zij anders bevestigen, dan dat Olivier Sinclair zijn leven had veil gehad om het onvoorzichtige jongemeisje te redden? En wat ontkenden zij? Dat hunne oorspronkelijke plannen, om miss Helena uit te huwelijken, thans onuitvoerbaar waren. In dat stommetjes-spel werden nog wel andere zaken medegedeeld, waarvan broeder Sam en broeder Sib de vervulling thans in een naaste toekomst te gemoet zagen. Voor hen was Olivier niet meer Olivier. Hij was niets minder dan Amin, de meest volmaakte held uit de zoo heldhaftige gaëlische heldengedichten.
Olivier Sinclair was van zijn kant ten prooi aan een geheel natuurlijke opgewondenheid. Een soort van uiterst kiesch gevoel bracht hem er toe, om alleen te willen zijn. Het zou thans een knellend gevoel voor hem zijn geweest, zich in tegenwoordigheid der gebroeders Melvill te bevinden, alsof zijne tegenwoordigheid alleen den prijs voor zijn toewijding van hen eischte.
Hij wandelde dan ook, na de grot van Clam Shell verlaten te hebben, geheel alleen op het plateau van Staffa.
Al zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik als van zelf naar miss Campbell. Hij herinnerde zich zelf de gevaren niet, die hij had geloopen, die hij vrijwillig met haar had gedeeld. Wat hij zich van dien vreeselijken nacht herinnerde, waren de uren, in het bijzijn van Helena in dat donker toevluchtsoord doorgebracht, toen hij haar in zijn armen hield gesloten, om haar aan het geweld der baren te ontrukken. Hij zag bij het phosphoresceerend lichten der golven het gelaat van dat overschoone jonge meisje voor zich, het gelaat, dat wel ietwat bleek uitzag, niet door vrees, maar door vermoeienis, het gelaat dat boven de woedende zee en de kokende waterkolken verrees als de geest der stormen! Hij hoorde haar met een bewogen stem vragen: »Hoe wist gij het?” toen hij haar had gezegd: »Ik weet wat gij gedaan hebt, toen ik op het punt was om in de Corryvrekan-kolk om te komen! Hij vond zich terug in die smalle toevluchtsplaats, die als een nis veeleer gemaakt was, om een of ander koud steenen beeld te bevatten; de plaats waar twee jonge liefdevolle wezens geleden en, de een tegen den anderen aangedrukt, gedurende lange uren geworsteld hadden. Daar was het zelfs niet meer Sinclair en miss Campbell geweest. Daar hadden zij elkander Olivier en Helena genoemd, alsof zij in het oogenblik, waarin de dood hen naderde, zich aan een ander leven wilden vastklemmen!
Zoo openbaarden zich de meest opgewonden en de meest verhitte denkbeelden in het brein van den jonkman, toen hij daar op dat plateau van het eiland Staffa rondwandelde. Hoe groot zijn verlangen ook was om naar miss Campbell terug te keeren, zoo weerhield hem een overkomelijke macht ondanks hem zelven; omdat hij in hare tegenwoordigheid zijne gedachte niet zou hebben kunnen verbergend, en hij zich voorgenomen had te zwijgen.
Intusschen was het weder, zooals het gewoonlijk na plotseling ingetreden en plotseling verdwenen dampkrings-stoornissen geschiedt, bewonderenswaardig schoon geworden, en de hemel volmaakt helder en zuiver. Zeer dikwijls, ja veelal laten die dampkrings-zuiveringen door de zuidwestenwinden veroorzaakt, geen sporen na, en schenken zij aan de ruimte het prachtvolle ultramarijn blauw terug, dat slechts door een onvergelijkelijke zuiverheid kan ontstaan. De zon had het toppunt harer baan overschreden, zonder dat de geringste nevel den horizon had verduisterd.
Olivier Sinclair wandelde alzoo met een verhit brein, te midden dier machtige uitstraling, die door het bovenvlak van het eiland weerkaatst werd. Hij baadde te midden van die warme uitstroomingen, hij ademde de zeebries in en hardde zich in dien levendmakenden dampkring.
Plotseling kwam een gedachte bij hem op, toen hij den helderen gezichteinder beschouwde, die zich daar voor hem onmetelijk uitstrekte—een gedachte, die hem te midden van al de andere, die zijn brein thans vervulden, ontschoten was.
»De Groene Straal!” riep hij uit. »Wanneer ooit de hemel zich tot onze waarneming leent, dan is het van daag! Geen enkele wolk! geen enkel nevelblokje! En het is niet waarschijnlijk, dat er komen zullen, na dien schrikkelijken storm van gisteren, die alle dampen naar het oosten gedreven heeft. En miss Campbell, die niet gist, dat de avond van dezen dag haar een allerprachtigsten zons-ondergang bereidt!.... Ik zal.... ja, ik zal haar zonder verwijl moeten waarschuwen....”
Olivier Sinclair gevoelde zich gelukkig, zoo’n natuurlijk voorwendsel gevonden te hebben om bij Helena terug te komen en spoedde zich naar de grot van Clam Shell.
Hij bevond zich eenige oogenblikken later in het bijzijn van miss Campbell en haar beide ooms, die haar met innige toegenegenheid aankeken, terwijl juffrouw Bess haar bij de hand hield.
»Wel, voelt gij u beter, miss Campbell?....” vroeg hij. »Ja,.... ik zie het,.... de krachten zijn teruggekomen!”
»Ja,mijnheerOlivier,” antwoordde miss Campbell trillend, toen zij den jonkman ontwaarde.
»Ik meen, dat gij wel zoudt doen,” hernam Olivier Sinclair, »wanneer gij boven op het vlak een weinig van de lichte bries gingt inademen, die door den storm van gisteren gezuiverd is. De zon schijnt overheerlijk. Zij zal u verwarmen.”
»Mijnheer Sinclair heeft gelijk,” zei broeder Sam.
»Geheel en al gelijk,” vulde broeder Sib aan.
»En als ik alles moet zeggen,” ging Olivier Sinclair voort, »dan kon ik er bijvoegen, dat, wanneer mijn voorgevoelens mij niet bedriegen,ik geloof, dat gij binnen weinige uren uw dierbaarsten wensch zult vervuld zien.”
De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)
De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)
»Mijn dierbaarste wensch?” mompelde miss Campbell, schier onhoorbaar, alsof zij zich zelve een antwoord gaf op een geheime gedachte.
»Ja... de hemel is merkwaardig helder en zuiver, en het is zeer waarschijnlijk, dat de zon achter een wolkenloozen gezichteinder zal ondergaan!”
»Zou het mogelijk zijn?” riep broeder Sam uit.
»Waarachtig, zou het mogelijk zijn?” schreeuwde broeder Sib hem na.
»En, er is reden te gelooven,” vervolgde Olivier Sinclair, »dat gij dezen eigen avond den Groenen Straal zult kunnen waarnemen.”
»Den Groenen Straal!....” antwoordde miss Campbell.
Het scheen, dat zij in haar verward geheugen zocht, wat die straal wel kon zijn.
»Ah.... dat ’s waar ook!....” zeide zij. »Wij zijn hier te Staffa gekomen om den Groenen Straal waar te nemen!”
»Komaan! komaan!” zei broeder Sam, die verheugd was, dat een gelegenheid zich opdeed om het jonge meisje aan de matheid te onttrekken, die haar sedert het voorval in de grot van Fingal overvallen had. »Komaan, naar den anderen kant van het eiland!”
»En wij zullen straks bij onze terugkomst des te smakelijker dineeren,” vulde broeder Sib vroolijk aan.
Het was toen vijf uur in den namiddag.
De geheele familie, waaronder ook juffrouw Bess en Partridge begrepen waren, verliet toen, onder geleide van Olivier Sinclair, terstond de grot van Clam Shell, klom langs de houten trap omhoog en bereikte spoedig den rand van hetbovenplateau.
Men had de vreugde van de beide ooms moeten kunnen zien, toen zij den prachtvollen hemel aanschouwden, waarlangs de schitterende dagvorstin langzaam daalde. Misschien overdreven zij thans; maar neen, nimmer, neen nimmer! hadden zij zooveel geestdrift voor het natuurverschijnsel aan den dag gelegd als nu. Het scheen eer, dat niet voor miss Campbell, maar voor hen al die verhuizingen hadden plaats gehad, en zoo veel beproevingen van allerhanden aard, sedert het verlaten van het buitenverblijf te Helenaburg tot hier op Staffa ondergaan waren, waarbij Jona en Oban niet behoefden vergeten te worden!
En waarlijk, de ondergang der zon beloofde dien avond zoo wonderschoon te zijn, dat de meest ongevoelige, de meest practische, de meest prozaïsche koopman van the City of London, of der handelaren van Cannongate het zeepanorama zou bewonderd hebben, dat zich daar voor zijn oogen ontrolde.
Miss Campbell voelde zich herleven in dien dampkring, die door de zoutdeelen van de zee, welke door een lichte bries uit vollezee overgebracht werden, bezwangerd was. Haar mooie oogen openden zich zoo groot mogelijk voor het fraaie tafereel van den Atlantischen Oceaan. Op haar wangen, die door de vermoeienissen van den vorigen dag verbleekt waren, ontloken weer de rooskleurige tinten van haar Schotsch bloed! O, wat was zij schoon! Welke bekoorlijkheid straalde van haar geheele wezen uit! Olivier Sinclair trad een weinig naar achteren en beschouwde haar in stilte en hij, die vroeger zonder eenige verlegenheid uren lang haar op haar wandelingen had kunnen vergezellen, voelde zich thans verward, met een angstig gevoel in het hart, en bemerkte dat hij haar ter nauwernood durfde aankijken!
Wat de gebroeders Melvill betreft, zij waren bepaaldelijk even stralend als de zon zelve. Zij richtten het woord met geestdrift tot de dagvorstin. Zij noodigden haar uit om achter een wolkeloozen horizon onder te gaan. Zij smeekten haar hun haar laatsten straal bij het einde van dezen fraaien dag te schenken.
En toen kwamen de herinneringen aan de dichtstukken van Ossian voor den dag, die zij vers voor vers, ieder op zijn beurt, opdreunden:
»O gij, die boven onze hoofden zweeft, rond als het schild onzer voorvaderen, zeg ons, van waar komen uw stralen, o! goddelijke zon? Van waar komt uw eeuwig licht?”
»Gij schrijdt voorwaarts vol majesteit en vol schoonheid op uw baan! De sterren verdwijnen in het uitspansel! De bleeke en koude maan verbergt zich in de westersche golven! Gij alleen beweegt u, o zon!”
»Wie zou uw tochtgenoot zijn op uw baan! De maan verliest zich in de diepte der hemelen? Gij alleen blijft steeds dezelfde! Gij verblijdt u zonder ophouden in uw schitterende loopbaan!”
»Als de donder rolt en de bliksemflits schiet, dan komt gij in uw schoonheid achter de wolken uit en gij bespot den storm en het onweder!”
Allen schreden in dien geestdriftvollen toestand naar het uiterste uiteinde van het plateau van Staffa voort, van waar men een gezicht heeft op de volle zee. Daar namen zij plaats en zetten zich op de buitenste rotsblokken, en hadden ze een gezichteinder voor zich, waarvan niets de zoo fijne lijn, die door de vereeniging van de lucht met het water schijnt getrokken te zijn, zou verduisteren.
En dezen keer zou er geen Aristobulus Beerenkooi zijn, die het zeil van zijn vaartuig zou komen schuiven voor of een vlucht watervogels zou opjagen tusschen de ondergaande zon en het eilandje Staffa!
Intusschen viel met het vallen van den avond ook de bries, en de laatste deininggolven kwamen in het op en neer gaan derbranding aan den voet der rotsen sterven. Verder op naar buiten verscheen de zee als een spiegel en had zij dat olieachtig uiterlijk, dat door geen enkele rimpel gebroken werd.
Alles liep dus wonderbaarlijk te zamen, alle omstandigheden hielpen mede om de verschijning van den Groenen Straal gemakkelijk te doen waarnemen.
Maar zie, een half uur later strekte Partridge de hand naar het Zuiden uit en riep:
»Een zeil!”
Een zeil! Zou dat dezen keer ook voor de zonneschijf voorbijschuiven op het oogenblik, dat zij in de golven zou onderduiken? Waarlijk, dat zou meer dan kwade kans moeten genoemd worden!
Het vaartuig stevende de zeeëngte uit, die het eiland Jona van de kaap van Mull scheidt. Het gleed, met den wind vlak van achteren, vooruit eerder onder den invloed van den opkomenden vloed dan onder den druk eener bries, welker laatste zuchtjes ternauwernood het zeiltuig konden vullen.
»Het is deClorinda,” zei Olivier Sinclair, »en daar zij koers zet om ten oosten van Staffa voor anker te komen, zoo zal zij binnen door varen en onze waarneming niet kunnen hinderen.”
Het was inderdaad deClorinda, die na het eiland Mull langs het zuiden omgezeild te hebben, haar ankerplaats in de kreek van Clam Shell weer kwam opzoeken.
Aller blikken wendden zich toen weer naar den horizon in het westen.
De zon daalde reeds met de snelheid, die zij bij het naderen der zee schijnt aan te nemen. Op de oppervlakte van het water beefde een lange zilverstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog onverdragelijk was. Weldra ging zij van de kleur van mat goud, die zij aannam bij het dalen, tot het helderkleurig goud over. Wanneer men de oogen sloot, schitterden op het netvlies langwerpige roode ruiten en gele cirkels, die elkander kruisten als de vluchtige tinten van een kaleidoscoop. Lichte golvende ribben streepten die soort komeetstaart, welke de weerkaatsing op de oppervlakte van het water te voorschijn tooverde. Het water vertoonde zich als bezaaid met vlokjes verzilverde loovertjes, welker glans verbleekte bij het naderen van den oever.
Er was geen spoor te bekennen van wolk of van nevel of van damp, hoe ijl ook op den geheelen omtrek van den gezichteinder, Niets bedierf de zuiverheid dier cirkellijn, die met een passer niet fijner op het fraaiste wit velijn papier had kunnen getrokken worden.
Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).
Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).
Allen zaten daar onbeweeglijk, meer ontroerd dan men wel meenen zou en zij zelf wel wilden bekennen, den bol aan te staren, die zich in schuine richting naar den horizon bewoog. Hij daaldenog meer, en bleef toen als boven den afgrond een oogenblik hangen. Toen begon de misvorming van de schijf, die door de straalbrekinggewijzigd werd, zich langzamerhand te vertoonen. Zij verbreedde ten koste van haar loodrechte doorsnede, en herinnerde aan den vorm van een Etruskische vaas met ronden buik, welker voetstuk in het water dompelt.
Er kon geen twijfel meer over de verschijning van het natuurverschijnsel geopperd worden. Niets zou den bewonderenswaardigen ondergang van de schitterende dagvorstin storen. Niets zou haar laatste stralen komen breken of onderscheppen!
Weldra was de helft der zon achter de horizonslijn verdwenen. Eenige schitterende stralenbundels, aan gouden pijlen gelijk, kwamen de voorste rotsen van Staffa treffen.
Meer achterwaarts hulden zich de steile kusten van Mull en de top van den Ben More in het purper, en was het of zij met vuur waren aangeraakt. Zij gloeiden.
Eindelijk was er niets meer te zien dan een uiterst fijn segment van den bovenboog der zonneschijf, dat nu ook de oppervlakte der zee begon aan te raken.
Nog een seconde van gespannen verwachting.
»De Groene Straal! de Groene Straal!” riepen als uit één mond de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, wier netvlies gedurende het vierde gedeelte van een seconde als gedrenkt was geworden door die onvergelijkelijke tint van vloeibaar smaragd.
Olivier en Helena alleen hadden niets van het natuurverschijnsel gezien, dat thans eerst, na zooveel vruchtelooze waarnemingen, eindelijk zich voordeed!
Op het oogenblik, dat de zon haren laatsten straal het luchtruim inzond, kruisten beider blikken elkander, en vergaten de gelukkigen alles, wat om hen heen gebeurde, bij de beschouwing, waarin zij verzonken waren.
Maar Helena had de zwarte schittering, den zwarten straal waargenomen, die de oogen van den jonkman schoten, en Olivier had den zacht blauwen glans niet laten verloren gaan, die aan het oog van het jonge meisje ontsnapte!
De zon was thans geheel en al ondergegaan. Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien!
XXIII.Besluit.Den volgenden morgen, den 12denSeptember, lichtte deClorindahet anker en ging onder zeil. Zij had een fraaie zee en een gunstigebries, en stevende met volle zeilen naar het zuidwesten van den Archipel der Hebriden. Weldra verdwenen Staffa, Jona, de noordkaap van Mull achter den hoogen rotsoever van het grootste dier eilanden.De passagiers van het jacht ontscheepten na een zeer voorspoedigen overtocht in de kleine haven van Oban, gingen vervolgens met den spoortrein van Oban naar Dalmaly en van Dalmaly naar Glasgow, dwars door het meest schilderachtige gedeelte der Hooglanden, en kwamen zoo op het buitenverblijf van Helenaburg terug.Achttien dagen later werd een huwelijk met groote plechtigheid in de kerk van Sint-George te Glasgow gesloten. Het moet erkend worden, dat het niet het huwelijk was van Aristobulus Beerenkooi met miss Campbell. Neen, de bruidegom was Olivier Sinclair, en broeder Sam en broeder Sib betoonden zich niet minder vergenoegd daarover dan hun nicht.Dat deze vereeniging, onder zulke omstandigheden ontloken en gesloten, alle waarborgen van geluk aanbood, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Het buitenverblijf te Helenaburg, de fraaie woning in de West-George Street te Glasgow, zelfs de geheele wereld waren ter nauwernood voldoende om zooveel geluk te bevatten. En toch dat geheele geluk was in de grot van Fingal, wat zeg ik, in den armstoel van Fingal besloten geweest.Van dien laatsten avond, daar boven op het bovenvlak van Staffa doorgebracht, wilde Olivier Sinclair, hoewel hij het zoo gezochte natuurverschijnsel niet ontwaard had, de herinnering op het doek verduurzamen. Op een dag stelde hij dan ook »een zonsondergang” ten toon, van een bizonder effekt, waarin een soort van groenen straal, die uitermate scherp zich voordeed, alsof hij met vloeibare smaragd geschilderd was, bizonder de aandacht trok, en de bewondering opwekte.Die schilderij lokte natuurlijk terstond bevreemding en getwist uit. De een beweerde, dat daar een natuurlijk verschijnsel op bewonderenswaardige wijze was weergegeven, terwijl de ander stokstijf vasthield, dat die straal slechts fantasie was, dat de natuur dien nimmer voortbracht.Dit laatste verwekte grooten toorn bij de beide ooms, die den straal gezien hadden, verzekerden zij, en gaven dus den jongen schilder gelijk.»En zelfs,” zei oom Sam, met innige overtuiging, »het is beter een geschilderden Groenen Straal te zien dan....”»Een natuurlijken,” vulde broeder Sib aan: »want wanneer men verplicht is zoovele zons-ondergangen, den eenen na den anderen, waar te nemen, doet dat wel pijn aan de oogen.”En daarin hadden de gebroeders Melvill gelijk.Twee maanden later wandelden de beide jeugdige echtgenooten met hunne ouders langs de oevers der Clyde, voor het park van het buitenverblijf, toen zij op het onverwachtst Aristobulus Beerenkooi ontmoetten.De jeugdige geleerde, die de werken tot uitdieping der rivier met belangstelling volgde, was juist op weg om zich naar de spoorweghalte van Helenaburg te begeven, toen hij zijn oude reismakkers van Oban ontwaarde.Wij zouden Aristobulus Beerenkooi uitermate miskennen, wanneer wij beweerden, dat hij onder de onverschilligheid van miss Campbell voor zijn persoon had geleden. Hij ondervond dan ook hoegenaamd geen verlegenheid, toen hij zich in tegenwoordigheid van mistress Sinclair bevond.Men groette elkander vormelijk en Aristobulus Beerenkooi bood den jeugdigen echtgenooten zijn beleefde gelukwenschen aan.Toen de gebroeders Melvill die gunstige geestesgesteldheid bemerkten, deden zij volstrekt geen moeite om te verbergen, hoe gelukkig zij zich over het gesloten huwelijk gevoelden.»Zóó, zóó gelukkig,” zei broeder Sam, »dat ik mij, wanneer ik alleen ben, soms op een glimlach betrap!”....»En ik, dat ik soms tranen van geluk moet vergieten!” zei broeder Sib.»Zoo, zoomijne heeren,” merkte Aristobulus Beerenkooi op, »gij moet dus erkennen, dat gij minstens eenmaal in uw leven in oneenigheid waart. De een weent en de ander glimlacht....”»Welnu, dat is voor hen geheel en al hetzelfde, mijnheer Beerenkooi,” merkte Olivier Sinclair op.»Geheel en al hetzelfde, niet waar oompjes?” bevestigde de jonge vrouw, terwijl zij de hand aan het waardig broederpaar reikte.»Hoe? geheel en al hetzelfde?” antwoordde Aristobulus Beerenkooi op dien toon van verstandelijke meerderheid, die hem zoo uitstekend afging. »Waarlijk niet!.... Volstrekt niet!.... Want, wat is een glimlach? Een willekeurige uitdrukking van het gelaat en een willekeurige samentrekking van de aangezichts-zenuwen, waarbij de ademhalingswerktuigen nagenoeg niets te verrichten hebben; terwijl de tranen....»Welnu de tranen?”.... vroeg mistress Sinclair.»Slechts een vloeistof zijn, die den oogappel verduistert. Die vloeistof is samengesteld uit chloruur van sodium, phosphorzure kalk en chloorsoda!”»Scheikundig gesproken, hebt gij gelijk, mijnheer,” zei Olivier Sinclair, »maar uit dat oogpunt alleen.”»Dat onderscheid vat ik niet,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi vrij scherp en bits.En met de stijfheid van een meetkundige groetende, stapte hij met afgemeten treden naar de spoorhalte toe. Men gevoelde zich gelukkig, hem kwijt te zijn.»Die dwaze mijnheer Beerenkooi!” zei mistress Sinclair, »die de gevoelszaken uit een scheikundig oogpunt wil uitleggen, zooals hij met den Groenen Straal heeft gedaan.”»Ja, maar, waarde Helena, terzake!” antwoordde Olivier Sinclair, »wij hebben den straal niet gezien, dien wij toch zoo gaarne hadden willen waarnemen!”»Wij hebben veel beter gezien,” lispte de jonge vrouw heel zacht. »Wij hebben het geluk zelf gezien. Het geluk, dat volgens de legende aan de waarneming van dat natuurverschijnsel verbonden zou zijn.... En daar wij het gevonden hebben, laat ons dat genoeg zijn, en het opsporen van den Groenen Straal overlaten aan hen, die dat geluk niet kennen, maar er kennis meê willen maken.”Einde van den Wonderstraal.
Den volgenden morgen, den 12denSeptember, lichtte deClorindahet anker en ging onder zeil. Zij had een fraaie zee en een gunstigebries, en stevende met volle zeilen naar het zuidwesten van den Archipel der Hebriden. Weldra verdwenen Staffa, Jona, de noordkaap van Mull achter den hoogen rotsoever van het grootste dier eilanden.
De passagiers van het jacht ontscheepten na een zeer voorspoedigen overtocht in de kleine haven van Oban, gingen vervolgens met den spoortrein van Oban naar Dalmaly en van Dalmaly naar Glasgow, dwars door het meest schilderachtige gedeelte der Hooglanden, en kwamen zoo op het buitenverblijf van Helenaburg terug.
Achttien dagen later werd een huwelijk met groote plechtigheid in de kerk van Sint-George te Glasgow gesloten. Het moet erkend worden, dat het niet het huwelijk was van Aristobulus Beerenkooi met miss Campbell. Neen, de bruidegom was Olivier Sinclair, en broeder Sam en broeder Sib betoonden zich niet minder vergenoegd daarover dan hun nicht.
Dat deze vereeniging, onder zulke omstandigheden ontloken en gesloten, alle waarborgen van geluk aanbood, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Het buitenverblijf te Helenaburg, de fraaie woning in de West-George Street te Glasgow, zelfs de geheele wereld waren ter nauwernood voldoende om zooveel geluk te bevatten. En toch dat geheele geluk was in de grot van Fingal, wat zeg ik, in den armstoel van Fingal besloten geweest.
Van dien laatsten avond, daar boven op het bovenvlak van Staffa doorgebracht, wilde Olivier Sinclair, hoewel hij het zoo gezochte natuurverschijnsel niet ontwaard had, de herinnering op het doek verduurzamen. Op een dag stelde hij dan ook »een zonsondergang” ten toon, van een bizonder effekt, waarin een soort van groenen straal, die uitermate scherp zich voordeed, alsof hij met vloeibare smaragd geschilderd was, bizonder de aandacht trok, en de bewondering opwekte.
Die schilderij lokte natuurlijk terstond bevreemding en getwist uit. De een beweerde, dat daar een natuurlijk verschijnsel op bewonderenswaardige wijze was weergegeven, terwijl de ander stokstijf vasthield, dat die straal slechts fantasie was, dat de natuur dien nimmer voortbracht.
Dit laatste verwekte grooten toorn bij de beide ooms, die den straal gezien hadden, verzekerden zij, en gaven dus den jongen schilder gelijk.
»En zelfs,” zei oom Sam, met innige overtuiging, »het is beter een geschilderden Groenen Straal te zien dan....”
»Een natuurlijken,” vulde broeder Sib aan: »want wanneer men verplicht is zoovele zons-ondergangen, den eenen na den anderen, waar te nemen, doet dat wel pijn aan de oogen.”
En daarin hadden de gebroeders Melvill gelijk.
Twee maanden later wandelden de beide jeugdige echtgenooten met hunne ouders langs de oevers der Clyde, voor het park van het buitenverblijf, toen zij op het onverwachtst Aristobulus Beerenkooi ontmoetten.
De jeugdige geleerde, die de werken tot uitdieping der rivier met belangstelling volgde, was juist op weg om zich naar de spoorweghalte van Helenaburg te begeven, toen hij zijn oude reismakkers van Oban ontwaarde.
Wij zouden Aristobulus Beerenkooi uitermate miskennen, wanneer wij beweerden, dat hij onder de onverschilligheid van miss Campbell voor zijn persoon had geleden. Hij ondervond dan ook hoegenaamd geen verlegenheid, toen hij zich in tegenwoordigheid van mistress Sinclair bevond.
Men groette elkander vormelijk en Aristobulus Beerenkooi bood den jeugdigen echtgenooten zijn beleefde gelukwenschen aan.
Toen de gebroeders Melvill die gunstige geestesgesteldheid bemerkten, deden zij volstrekt geen moeite om te verbergen, hoe gelukkig zij zich over het gesloten huwelijk gevoelden.
»Zóó, zóó gelukkig,” zei broeder Sam, »dat ik mij, wanneer ik alleen ben, soms op een glimlach betrap!”....
»En ik, dat ik soms tranen van geluk moet vergieten!” zei broeder Sib.
»Zoo, zoomijne heeren,” merkte Aristobulus Beerenkooi op, »gij moet dus erkennen, dat gij minstens eenmaal in uw leven in oneenigheid waart. De een weent en de ander glimlacht....”
»Welnu, dat is voor hen geheel en al hetzelfde, mijnheer Beerenkooi,” merkte Olivier Sinclair op.
»Geheel en al hetzelfde, niet waar oompjes?” bevestigde de jonge vrouw, terwijl zij de hand aan het waardig broederpaar reikte.
»Hoe? geheel en al hetzelfde?” antwoordde Aristobulus Beerenkooi op dien toon van verstandelijke meerderheid, die hem zoo uitstekend afging. »Waarlijk niet!.... Volstrekt niet!.... Want, wat is een glimlach? Een willekeurige uitdrukking van het gelaat en een willekeurige samentrekking van de aangezichts-zenuwen, waarbij de ademhalingswerktuigen nagenoeg niets te verrichten hebben; terwijl de tranen....
»Welnu de tranen?”.... vroeg mistress Sinclair.
»Slechts een vloeistof zijn, die den oogappel verduistert. Die vloeistof is samengesteld uit chloruur van sodium, phosphorzure kalk en chloorsoda!”
»Scheikundig gesproken, hebt gij gelijk, mijnheer,” zei Olivier Sinclair, »maar uit dat oogpunt alleen.”
»Dat onderscheid vat ik niet,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi vrij scherp en bits.
En met de stijfheid van een meetkundige groetende, stapte hij met afgemeten treden naar de spoorhalte toe. Men gevoelde zich gelukkig, hem kwijt te zijn.
»Die dwaze mijnheer Beerenkooi!” zei mistress Sinclair, »die de gevoelszaken uit een scheikundig oogpunt wil uitleggen, zooals hij met den Groenen Straal heeft gedaan.”
»Ja, maar, waarde Helena, terzake!” antwoordde Olivier Sinclair, »wij hebben den straal niet gezien, dien wij toch zoo gaarne hadden willen waarnemen!”
»Wij hebben veel beter gezien,” lispte de jonge vrouw heel zacht. »Wij hebben het geluk zelf gezien. Het geluk, dat volgens de legende aan de waarneming van dat natuurverschijnsel verbonden zou zijn.... En daar wij het gevonden hebben, laat ons dat genoeg zijn, en het opsporen van den Groenen Straal overlaten aan hen, die dat geluk niet kennen, maar er kennis meê willen maken.”
Einde van den Wonderstraal.