De zomer in Kaschmir.

De zomer in Kaschmir.Naar het Fransch van Mevr.F. Michel.Ekka’s en Tonga’s op den weg naar Kaschmir.Ekka’s en Tonga’s op den weg naar Kaschmir.I.Van Parijs naar Srinagar.—Van Bombay naar Lahore.—Eerste toebereidselen.—Per tonga van Rawal Pindi naar Srinagar.—De bewoners van Kaschmir en hun heerschers.—Terugkeer tot het nomadenleven.Brengt u den zomer in Kaschmir door? De vraag is niet zoo dwaas, als ze aan thuiszittende menschen moet schijnen. Ik ken er, die het doen en er geen spijt van hebben. De “season” is er alleraardigst. Men vindt er van alles, en dit gelukkige land bezit dalen als in Touraine, bronnen en beekjes als in Bretagne, boomen en grasvelden als in Engeland, bergen als in Zwitserland, ruïnen als in Italië, en als nergens in de genoemde landen de vrijheid, ik bedoel het recht om te gaan en te komen, naar het u zelf belieft, als koning in uw boot en heer in uw eigen tent; volkomen naar uw goedvinden de boot aan den wal brengend of haar losmakend, de tent opslaand of afbrekend, zonder dat eenige afsluiting, eenig aanplakbord of eenig veldwachter zich met uw doen en laten bemoeit. Voeg daar nog bij de groote goedkoopheid van het leven, en alles bij elkaar genomen, is dus zulk een reis oneindig veel interessanter, hygiënischer en bovendien veel minder kostbaar dan een verblijf in de een of andere badplaats, die in de mode is.Voor wie lust heeft het experiment eens te probeeren, zijn deze aanteekeningen opgeschreven. Ze hebben geen andere pretensie dan die eene, dat ze eenige inlichtingen geven, welke men zou kunnen noodig hebben. Indien er zoo nu en dan enkele indrukken bij worden gegeven, zal men ze op den koop toe nemen terwille van de inlichtingen.Om te beginnen, Srinagar is slechts twintig dagen van Parijs verwijderd en kan voor minder dan 2000 francs worden bereikt. Laat ik het u voorrekenen: van Marseille zullen de paketbooten van de Messageries Maritimes u in veertien dagen en voor 1375 francs naar Bombay brengen. Van die stad voert de exprestrein, en daarbuiten bestaat er geen heil in Indië, u in vier-en-zestig uren en vijf-en-twintig minuten naar Rawal Pindi, waarvoor ge in de eerste klasse bij den tegenwoordigen koers van de roepij ongeveer 160 francs betaalt. Zoo vlug mogelijk reizend, kunt ge dan binnen twee dagen te Srinagar wezen. Een plaats in den postwagen kost 45 roepijen, een particulier rijtuig 130.Als de toerist niet ook den vorigen winter in Indië is geweest, zal hij goed doen, te zorgen dat hij in de eerste dagen van Maart te Bombay aankomt. Later zou hij de warmte reeds al te drukkend vinden. Op zijn weg naar het Noorden zal hij nog tijd hebben, een bezoek te brengen aan Ahmedabaden zijn moskeeën; aan den berg Aboe en zijn heiligdommen vol wonderen van geciseleerd marmer; de rose stad Djaïpoer, van waar een olifant hem naar Amber brengen zal, de oude verlaten hoofdstad; dan Agra met het groote wonder van den Tadsj Mahal, zeker het mooiste monument, dat ooit door de liefde voor de dooden is opgericht; Mathoera, het vaderland van den god Krisjna, met de kaden, omzoomd door tempels, waar de apen aan de schildpadden in de rivier de offeranden der pelgrims betwisten; het keizerlijke Delhi, waar de omgeving, bezaaid met indrukwekkende ruïnen, zoo ver het oog reikt, denzelfden indruk van grootheid en verlatenheid maakt als die van Rome; Amritsar, de heilige stad der Sikhs, dat in een vijver de gouden koepels spiegelt van zijn te hooggeroemden tempel.... tot eindelijk hij te Lahore aankomt.En wat is er daar nog veel te zien! Het mooie museum, de schilderachtige straten van de stad der inlanders, het fort van Akbar, de moskee van Aureng Zeb, die van Vazir Khan, geheel bedekt met prachtige porseleinversieringen; de tuinen van Sjalimar uit den tijd der Groote Mogols, en aan den overkant der lange schipbrug de tuinen van Shah Dehra, waar Jehan Guir, bij zijn leven een ongeloovige, na zijn dood wonderen verricht; verder de tallooze graven, die van Lahore en omgeving een groote necropool maken en maanden achtereen doel kunnen wezen van telkens andere avondwandelingen.Daar trekt de aandacht het graf van de arme Anarkali, wier naam beteekent Granaatknop en die, naar men zegt, levend begraven werd, toen nauwelijks haar jeugd in schoonheid was ontloken, omdat zij een enkele maal haar glimlach had geschonken aan dienzelfden Jehan Guir in de dagen, toen hij nog niet anders was dan de erfprins Selim. En toch was ik nog meer ontroerd bij het zien van het huis, waar generaal Allard woonde, een dier officieren van het groote leger, die bij wijze van revanche het fortuin van Randjit Singh maakten, en waar hij gastvrijheid verleende aan Jacquemond; onder een open koepeltje in den tuin droeg een eenvoudige marmeren steen het fransche opschrift: “Marie Allard, zes maanden.”Intusschen zal de toerist ook zijn toebereidselen maken voor de reis als beschaafde nomade. Hij zal beginnen met zich een lichte tent aan te schaffen, die toch dubbel is, naar het model, dat “Zwitsersch huisje” heet of Kaboeltent. Dan zal hij meubels voor het kamp aanschaffen, waaronder een bed dat uit elkander kan worden genomen, benevens tafels, die toegeslagen en stoelen, die gevouwen kunnen worden; keukengerei, liefst een reeks aluminiumpannen van verschillende grootte, die in elkander passen; een veldkachel, geëmailleerd aardewerk en tuinlampen en dan nog dat betrekkelijk zeer klein aantal dingen, die werkelijk onmisbaar zijn. Men kan ook gerust met het aanschaffen van een en ander wachten tot de aankomst in Kaschmir en het gaat ook wel, een deel der goederen te huren van een der agentschappen te Srinagar.Maar laat men vooral niet verzuimen, reeds te Lahore twee van die onwaardeerbare indische bedienden te huren, die zoo goed de kunst verstaan het gemak en de rust van hun heer te verzekeren te midden van de vele kwellingen der dagelijksche verplaatsingen. De eene zal dienst moeten doen alskhitmatgarof kamerdienaar, de ander zalkhansamaof kok wezen. Hun maandelijksch salaris bedraagt van twaalf tot zestien roepijen, plus een fooi van acht roepijen, als men hen ver van hun huis meeneemt en ze voor hun eigen onderhoud moeten zorgen. Die Mohammedanen uit Pendsjab zijn in den regel betrouwbare personen en geheelonthouders, wat niet altijd het geval is met de bedienden, die in de zeehavens op de aankomst van de globetrotters wachten. Stel u er vooraf van op de hoogte, dat ze van dezelfde secte zijn, om lastige conflicten te voorkomen. De mijnen hadden het onderweg best samen kunnen vinden, maar ten slotte kregen ze toch nog herrie.In den laatsten tijd van mijn verblijf te Srinagar had ik enkele uitnoodigingen moeten aannemen en eenige malen gasten moeten ontvangen. Het is dan de gewoonte, dat de bedienden elkander ook inviteeren, en nu had op een zekeren avond, toen de mijne uit dineeren waren, de khansama, die een vroom Sunniet was, met schrik vernomen, dat de khitmatgar tot de Sjiïeten behoorde; zoo ontdekten ze, na een half jaar in vrede en vriendschap te hebben geleefd, dat ze geslagen vijanden waren, omdat meer dan duizend jaren geleden khalief Omar het geslacht van Ali, den schoonzoon van den profeet, uitroeide.Laat de toerist zich gerust op den khitmatgar verlaten, om elken morgen op dezelfde plaats op tafel bij zijn bed of in de zakken aan de tent de zaken te vinden, die hij noodig heeft. Op elk uur van den dag en den nacht wordt de uitroep Koï hai! die zooveel beteekent als hei daar! beantwoord en volijverig en verstandig wacht de bediende bevelen af met de servet over den schouder als het teeken zijner waardigheid. Zorg er slechts voor, dat hij die vaak verwisselt voor een schoone! Want hij veegt er niet alleen het bord mee af, dat hij u brengt; hij stoft er, zoo noodig, ook uw kleeren mee en bij gelegenheid uw schoenen; hij jaagt er met korte, welwillende tikjes het ongedierte mee weg, dat, als ge te dicht bij een dorp hebt gekampeerd, half verdoofd door het insectenpoeder tusschen uw lakens is te vinden; hij ranselt er de koelies mee, als ze te langzaam naar zijn zin de tenten opslaan en het kamp in orde brengen, want hij gevoelt zich als een karavaanbestuurder, en de goedeKaschmireezen, die door mijn bediende worden uitgescholden, een kereltje, dat ze met een vinger hadden kunnen omverwerpen, spraken hem altijd eerbiedig met Sirdar aan, dus met niet minder dan den titel, door lord Kitchener van Khartoem gedragen, toen hij het bevel over het engelsch-egyptisch leger voerde!Hij beweerde bovendien met trots, van goede familie te zijn; maar ongelukken in de familie hadden zijn opleiding in den weg gestaan; ook maakte hij geen aanspraak op den titel van dichter, zooals de khitmatgar van een mijner vrienden, die in zijn vrijen tijd zich amuseerde met het maken van perzische verzen. Hij was ten minste trouw en eerlijk en waarheidlievend, wel een verschil met anderen, die alle veertien dagen dezelfde schoonmoeder moeten begraven; hij heeft mij slechts eenmaal een halvendag verlof gevraagd, en dat was te Lahore, om te trouwen! En toen ik hem edelmoedig den geheelen dag aanbood, protesteerde hij en beweerde, dat hij liever op tijd terug wou wezen, om mij mijn ontbijt voor te zetten.Wat den khansama betreft, hij zal zijn heer wel een beetje bestelen, dat brengt het vak zoo mee. Maar daarvoor vindt men ook overal en altijd, zelfs midden in de jungle zijn maal gereed en volkomen goed bereid. In regen of wind, aan den hoek van een bosch, op een vuur, dat tusschen twee steenen is aangelegd, in omstandigheden, waarin de eerste kok uit Europa onmiddellijk zijn voorschoot af zou doen, bereiden die indische koks vlug en onberispelijk het klassieke menu van soep, entrée, gebraad, groente en nagerecht. Toen de mijne op den eersten dag van zijn indiensttreding mij in zijn anglo-indisch taaltje kwam vragen, hoe ik het vleesch verlangde, half-paka, three quarters paka ya bahout paka, dat is halfgebraden, driekwart gebraden of sterk gebraden wist ik, dat ik een virtuoos had gekregen, die gevoel had voor fijne onderscheidingen.Ik moet zeggen, dat hij niet tegenviel; en alles aan het spit, want ik had hem eens vooral gezegd, dat mijn grondbeginselen zich ertegen verzetten, vleesch in de pan te braden; en ik zie hem nog in een plasbui met de parapluie erboven melancholiek de kip voor het souper aan het braadspit draaien. Roep bij zulke gelegenheden nooit uw smaak of uw maag te hulp, om iemand uw wensch te verklaren; daar geven ze niet om. Spreek in vage termen van den ritus of eenvoudig van het gebruik, dastoer, waaraan ge u graag zoudt houden en ge kunt er zeker van zijn, gehoorzaamd te worden, terwijl ze u er des te hooger om zullen stellen, dat ge u houdt aan wat zij voor godsdienstige gebruiken zullen houden in den geest van hun eigen geloofsvoorschriften.Enkele fransche gerechten kwamen aldus onder den dekmantel van “french dastoer” zeer aangenaam eenige afwisseling brengen in de eeuwige kippeboutjes en de flauwe engelsche groente. Door middel van breedvoerige uitleggingen en practische aanwijzingen leerde onze kok die gerechten zoo meesterlijk bereiden, dat toen ik hem aan het eind van den tocht wegzond, hij van niets minder sprak dan van zich op grond van zijn vermeerderde kennis in den dienst te stellen van een onder-gouverneur. In Kaschmir moet de toerist zijn personeel nog uitbreiden met twee of drie andere bedienden tegen acht of tien roepijen per maand. Hij zal vooreerst een bhisjti of waterdrager behoeven, die waarschijnlijk ook de functie van masaltsji of wasscher van het vaatwerk zal vervullen. Familiën, die wat talrijk zijn, hebben bovendien nog vaak een dhobi of waschman bij zich, particulier aan hun dienst gebonden. Verder zal er nog een “huisknecht” moeten wezen, een man van zoo lage kaste meestal, dat hij ook voor de honden moet zorgen en door elkaar eet wat van uw tafel overblijft; onnoodig te zeggen, dat hij in de kleine maatschappij weinig in tel is. En als gij dan, vermoeid aan het eind der étappe zijt aangekomen en ziet, hoe de kok van den bhisjti het water krijgt, dat hij aan de kook brengt op het hout, dat de “huisknecht” hem heeft aangebracht, om u een kopje thee te bereiden naar den eisch en u dat door den khitmatgar te laten brengen, zult ge, als uw geduld ten minste nog niet is uitgeput, deze sierlijke verdeeling van arbeid bewonderen.Lahore is in April nog vol rozen. Maar als de reiziger zich wil overtuigen, dat de warmte van Indië geen mythe is, zooals dikwijls door wintertoeristen wordt beweerd, laat hij dan maar tot Mei blijven en den eersten stofstorm afwachten bij 117 of 120 graden Fahrenheit, dat is 48 Celsius in de schaduw, dan zal hij juist als indertijd de metgezellen van Alexander verklaren, dat de ervaring zeer voldoende is en dat hij u de rest schenkt.Met des te meer genoegen zal hij dan naar de bergen vertrekken. Hij zal reeds ijs moeten meenemen, om zonder bezwaren de negen uren in den exprestrein door te komen, die hem van Rawal Pindi scheiden. Die exprestrein van Calcutta komt om twee uur in den morgen te Rawal Pindi, een der groote militaire stations van Pendsjab. Men doet goed, vooraf te hebben geschreven aan den onvermijdelijken Dhanjibhoy, transportondernemer, wiens rijtuigen over alle wegen rollen in het Noorden van Indië, dat hij u een tonga sture, dat is een klein rijtuigje op twee wielen, zeer laag en maar matig veêrend, overdekt met een witte huif. Het is de postkoets van dit land, en hij biedt plaats aan voor drie personen plus den voerman en de handbagage. De koffers en kisten komen gewoonlijk in ekka’s achteraan, dat zijn vernuftig ingerichte inlandsche voertuigen, die men voor het vervoer van Rawal Pindi naar Srinagar huren kan voor 35 of 40 francs en die ook weer met den inlandschen pony bespannen, de reis in vier of vijf dagen doen. Men laat ter meerdere veiligheid gewoonlijk een der bedienden meegaan.Zoodra de bagage aan het station is opgeladen, gaat men op weg onder het sterrenschijnsel van den onveranderlijk helderen hemel door de straten van Rawal Pindi en loopt daarbij gevaar, de slapers te overrijden, die op hun tsjarpaïs voor hun deuren liggen te slapen. De eerste mijlen worden vlug afgelegd langs den vlakken weg, maar al spoedig teekenen zich de silhouetten der bergen af tegen den lichten achtergrond van den dageraad. Met welbehagen ademt men de frissche lucht in. De weg, die langs de bedding van een stroompje voert, wordt, al stijgender en schilderachtiger. Op de hellingen vertoonen zich sparren; er hangen wilde rozen bij neer en tot op den top reiken de geurige bloemtrossen. In de kloven staat het vol met varens en bloeiende aardbeien. Er volgen zwaarder stijgingen, en bij de laatste halten gaat de saïce of palfrenier, die gewoonlijk achter op de trede staat, naar den voorkant van de tonga en, op den linker disselboom gezeten, helpt hij den koetsier de paarden met de zweep tot spoed aan te zetten. Zoo worden meer dan zestig kilometer afgelegd in zes uren en terzelfdertijd stijgt men tot 2000 meter hoogte.Mari, het modezomerverblijf voor Pendsjab, ligt over verscheiden hoogten verspreid met zijn kerkjes, hotels, europeesche winkels, villa’s in het groen en zijn mooie wandelwegen, waar elegante ruiters en amazonen zich vermeien. Naar het Zuiden weidt de blik over de wijde vlakte van khakikleur; naar het Noorden over de hooge, besneeuwde toppen, die den weg naar Kaschmir schijnen af te sluiten. Men voeltzijn levenskracht toenemen in deze frischheid, die van den Himalaya komt, waar de eeuwige sneeuw woont, terwijl men den vorigen dag nog meende te zullen stikken in de kunstmatige koelte van de punka’s.Maar nu moeten wij dalen, na zoo lang gestegen te hebben. Halverwege de beboschte helling gaat de weg naar beneden langs afgronden, waar we slechts van gescheiden zijn door een paar steenblokken aan den weg. Bij elk oponthoud steigeren of vallen de paarden, voor ze weer verder gaan; daarna draven ze volkomen kalm en rustig, alsof ze, na voor den vorm te hebben geprotesteerd, zich in hun lot schikten. We hebben voor de daling maar één paard noodig. Alle paarden zijn in den drukken tijd bedroevend mager. Maar wij kregen aan de tweede pleisterplaats na Mari bij toeval een best paard, goed in het vleesch, met glimmende huid en zonder een enkel wondje. Er waren niet minder dan vier saïces noodig, om het aan te spannen, waarna het op ieder tikje van de zweep antwoordde met een dol achteruitschoppen. Daar de koetsier volhield, moest hij wel van zijn kras middel gebruik maken; plotseling achteruit gaand, zou hij het rijtuig zoo tegen de steenen aan den weg stooten, en als het nog twintig pas verder was gebeurd, zouden wij in het dal getuimeld zijn en ze zouden ons met wapens en bagage op 500 meter diepte daar beneden hebben gevonden, ons of wat er van ons over was. De dorpelingen en de leiders van een karavaan, die haar rust hield, zagen al met belangstelling het ongeluk aankomen. Wij hebben dadelijk een ander paard verlangd; het ondeugende beest wou niets liever, en terwijl men een van zijn collega’s bracht, die minder slim en niet zoo kwaadaardig was, ging de deugniet, zoodra hij was afgespannen, heel alleen weer omhoog en naar zijn gewoon plaatsje in den stal terug, om zijn afgebroken maaltijd voort te zetten.Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.Al dalend kwam de weg toch ten slotte in de diepte van het dal der Djhillam of Vitasta. Tot Kohala toe bij de brug volgt de weg de breede, witte rivier, die door veel sneeuwwater is gezwollen. Hier is het een woedende stroom vol draaikolken en versnellingen, bruisend over de rotsachtige bedding en toch is het dezelfde rivier, die in Kaschmir zoo kalm is. Zware boomen worden meegesleurd, deelen van de cederwouden op de bergen; ze draaien in de kolken en moeten mee naar Pendsjab. De ruïnen van de oude hangende brug, die nu door een steenen is vervangen, vertellen van de verwoestingen der overstroomingen. Aan de overzijde van de brug zijn wij in het gebied van den maharadja van Djammoe en Kaschmir, en als om dat te bewijzen, betalen we aan dezen kant der rivier een roepij voor het weiderecht aan de engelsche ambtenaren en aan de andere zijde anderhalve roepij aan de menschen van den maharadja voor het recht van den weg gebruik te maken en de dieren te laten grazen. Wat de douanerechten aangaat, ze worden niet geheven van de Sahibs of heeren, dat zijn de Europeanen.De weg liep nu verder langs den linkeroever van de Djhilam en volgde dien steeds; het was een goede weg, als hij in goeden staat wordt onderhouden, juist als het met de kleinere wegen in Frankrijk het geval is. Hij ging en corniche even boven de rivier langs, die in het nauwe dal bruiste en kookte, terwijl er telkens dwarsdalen of nalla’s waren te passeeren.Gewoonlijk waren het liefelijke dalen, waar het water in watervallen langs de wanden naar beneden kwam en die alle waard zouden zijn te worden bekeken. Ieder dal heeft zijn brug, die meestal bij elke plotselinge smelting der sneeuw wordt weggerukt en met onverstoorbaar geduld steeds weer door de staatsingenieurs wordt hersteld.Van tijd tot tijd zagen we een van die aardstortingen, die in den aanvang van den zomer den weg vaak onbegaanbaar maken. Dan wordt juist zoo’n plekje opgeruimd, dat het rijtuig erdoor kan, en men werpt het puin eenvoudig in de rivier. Bijna in het midden van Mei hebben wij nog tal van koelies bezig gezien aan het herstellen van den weg; maar als die nog maar even bruikbaar is, vliegt de tonga er met haastigen spoed over. De eene stoot duwt u in een diepen kuil en een tweede haalt u er weer uit; de koetsier waarschuwt: “Khabardar! Pas op!” en klaar is Kees.Zoo hebben wij den eersten dag 90 K.M. afgelegd met heel wat Khabardars op den koop toe. Natuurlijk kiest de koetsier juist de gevaarlijkste punten, om de teugels te laten schieten en op zijn horen te blazen. Ongelukken komen echter hoogst zelden voor, en men krijgt op het laatst wel aardigheid aan dat dolle rijden over bruggen zonder leuningen en aan die vervaarlijke bochten, waar men omheen vliegt. Toch zullen zenuwachtige menschen goed doen, vooral bij de bochten zich te verdiepen in de beschouwing van den rechter kant van den weg, om de Djhilam niet te zien, waar het kleinste ongeluk hen in zou storten en waarin de groote dennen, die er als stroohalmen in worden rondgedreven, hun een voorspel zijn van hun eigen lot. Die rechter kant heeft trouwens ook zijn eigen belangrijkheid; meestal bestaat hij uit rolsteenen van verschillende kleuren en uit zandsteen en porphyr, geaderd en gepolijst als onze strandkeien; waarschijnlijk is het de doorsnede van een oude rivierbedding. Er komen ook dwarstunnels voor, en dan gaat men met vreeze en beving onder die hangende blokken door, die maar even in hun laagje aarde zijn vastgehecht.Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.Ongeveer elke twintig kilometer kunt ge, als ge lust hebt, stil houden in een bungalow of bangla, zooals de Indiërs zeggen. Sommige van die logementen, zooals te Domel, Garhi en Oeri, zijn voldoende voorzien. Men loopt geen gevaar, dat daar zich het geval zal voordoen van de klassieke indische anecdote, dat de laatste kip juist bij uw aankomst in de jungle is verdwenen. Hier zet men u stellig en zeker een déjeuner of een diner voor op zijn Engelsch en schenkt den liefhebbers buitendien den Kaschmir-Barsac of den Kaschmir-Médoc, te Srinagar bereid. Wat de kamers aangaat, die zijn vrij zindelijk, maar spaarzaam gemeubeld.Het dal, dat eerst na Kohala nog al gesloten is, verbreedt zich weldra bij de samenvloeiing van de Djhilam met de Kichenganga bij Domel. Tegelijkertijd gaat men plotseling niet meer van het Zuiden naar het Noorden, maar slaat af, om naar het Zuidoosten af te buigen. Een der merkwaardigheden van de etappe van Garhi is de touwenbrug. Verbeeldt u aan de beide kanten der ongeveer 80 meter breede rivier twee stevige palen met een dwarsbalk en gesteund door een groot en hoop van zware steenen. Van den eenen naar den anderen oever worden die stellages verbondendoor twee touwen van lederen riemen, die om elkaar heen zijn gewonden en voor leuning dienen. Aan de dwarsbalken hangt een ander gedraaid leer, dat is de weg. De drie touwen worden op hun plaats gehouden door houten vorken in den vorm van een V, geplaatst op drie meters van elkander.Op zoo’n wankel geval loopen de menschen uit Kaschmir met zware bossen gras of met een melkkan in evenwicht op het hoofd. Wel trekken zij, die eenig schoeisel dragen, het uit, als ze over het touw stappen en kunnen dan van hun ongeschoeide voeten op de manier van apen gebruik maken. Buitendien is er iemand bij de hand, die voor twee anna’s de menschen, die licht duizelig worden, op zijn rug neemt en diegenen, die verschrikt worden door de bruisende watervallen onder dien clownsweg, eroverheen draagt. Hij is een soort van Hercules, een mensch dragend als een veertje; hij bindt zich zijn klant eerst op den rug met een breede sjerp, waarvan hij de einden op zijn borst samenknoopt en heeft dan zijn handen vrij voor het balanceeren. Juist zulk een brug, maar minder lang, ziet men nog weer bij Oeri beneden het fort van de Sikhs, welke muren van gebakken steenen daar als een decoratie in het landschap schijnen neergezet.Maar hoe alle schilderachtige tooneelen te beschrijven, die elk op hun beurt worden omlijst door de randen van de rijtuigkap en die men maar even in het voorbijgaan gadeslaat? En evenzoo moeten wij er ook van afzien, de duizend-en-één incidenten, onderweg voorgevallen, te vertellen, als daar waren ontmoetingen met ekka’s, met ossenkarren of lange slieren kameelen, die al mummelend met hun lippen, voortsjokken alsof ze paternosters prevelden.Dan waren er de dorpen met hun lage hutten, waarvan de veranda’s op de platte daken waren; de bazars, waar nog oude munten gangbaar zijn met grieksche opschriften; de heiligdommen, aangewezen door driehoekige vlaggen van verschillende kleuren, om nog niet eens te gewagen van de drukte op de onderscheiden pleisterplaatsen. Bovendien zag ik onder een groepje struiken bij hun geiten en hun jongen hond, die tegen de tonga blafte, twee kleine, mooie herderskinderen, Daphnis en Chloë op den onschuldsleeftijd, en Chloë leunde teeder met haar zwart lakensch kapje tegen den vuilen tulband van Daphnis.Zoo is de weg naar dit paradijs al heerlijk, en van Rampoer af kondigt alles aan, dat we Kaschmir naderen. De hellingen zijn bedekt met dennen en ceders, en langs den weg groeien populieren en platanen. Reeds te Brankoetri gaat men voorbij de ruïnen van een tempel. Die van Baniyar, die wat beter in stand is gebleven en die nog overeind staat midden op zijn vierkant plein, geeft een zeer goed denkbeeld van wat die oude gebouwen zijn geweest. Daar verschijnen ook al de irissen, die typische bloemen der streek. Plotseling is de rivier verstandig geworden en doet zich spiegelglad voor, en de lange kloof, waar wij nu al twee dagen doorrijden, komt op eens uit bij het “gelukkige dal” en wel door de nauwe poort van Baramoela, tegelijk de eenige uitweg voor het water van het dal.Van Mari naar Baramoela heeft men 200 kilometers af te leggen, dus loopend negen dagreizen, en als men per post gaat, een dertigtal pleisterplaatsen. De in 1880 begonnen weg was in 1890 voltooid tot den ingang van het dal, maar het stuk tusschen Baramoela en Srinagar werd eerst in 1897 opgeleverd.In 1896 waren de bruggen gereed en de stoomrol, die den weg effent en een beeld is van onze nivelleerende beschaving, verpletterde in het op den weg gebrachte puin menigen steen, ontleend aan oude hindoe-ruïnen. De weg gaat door de alluviale vlakte, waar men inderdaad geen enkelen steen zou vinden; het bergland is ver verwijderd, en de ondernemers vonden het gemakkelijker, de oude steden van het land als steengroeven te bezigen. In dat jaar reden de eerste rijtuigen door Kaschmir, door de boeren met meer nieuwsgierigheid aangestaard dan bij ons de automobielen. Thans rijden alle mogelijke soort van voertuigen naar Srinagar en laten halverwege de oude stad de tempelruïnen van Patan liggen. Als ge haast hebt, ga dan direct naar de hoofdstad door, maar houd dan ten minste stil op de brug, waar de weg over de rivier gaat en blaas een weinig uit.Die Amira-Kadal is de eerste der zeven bruggen boven Srinagar en de eenige in europeeschen trant gebouwd; zij is de plaats van samenkomst geworden voor de nieuwtjesvrienden der stad. Daar behandelen ze de openbare zaak en verspreiden er alle weken het gerucht, dat de Afghanen in Lahore zijn binnengevallen en dat de Russen het Pamirplateau hebben overschreden. Wij zullen er even rondzien.Er wordt aan beide zijden een markt gehouden, en het is een druk heen en weer loopen van groote kerels met gebruind gelaat, gekleed in een wollen kleed, dat zich eenmaal moet herinnerd hebben, wit geweest te zijn, en met een katoenen tulband. Het zijn brave menschen op de manier van den globetrotter, wel te verstaan, gezegd, die in een station van Pendsjab zijn boosheid op een onbeschaamden koelie niet eerder dorst luchten, vóór hij geïnformeerd had van welk ras de man was.De Kaschmireezen zijn in dat opzicht van de goede soort; ze kunnen wat verdragen en buigen hun rug onder zweepslagen. Ze zullen niet als de Afghanen een slag beantwoorden met een doodelijken steek met een mes. Omdat de menschen van Kaschmir zoo sterk en zoo goedig zijn, hebben de Engelschen er het besluit uit getrokken, dat ze laf waren. Hadden ze misschien liever, dat het moordenaars en roovers waren? Het is waar, dat de Engelschen de Afghanen, wier dapperheid niet in twijfel kan worden getrokken, verraders noemen.Dat voortdurend gebruik van slechtklinkende, afkeurende aanduidingen toont alleen duidelijk aan, dat de Engelschen niemand goed vinden dan zichzelven.Er zijn Kaschmireezen, die, getroffen door dat verwijt van lafheid, beweren dat hun lang kleed, ’t welk hun nationaal costuum is, hun door de mohammedaansche overheerschers werd voorgeschreven, om ze te verweekelijken. Dat klinkt wel goed en zou overtuigend zijn, als zij, die het bedacht hebben, van hun kangri afstand konden doen. De kangri is de inlandsche warme stoof, een aarden pan, met riet eromheen en gevuld met kolen en asch, waar de Kaschmirees, zoodra het maar een beetje koud is, onafscheidelijk van is en die hem als zijn schaduw altijd vergezelt. Hij brengt heele dagen erop zittenddoor, houdt de stoof des nachts bij zich en door die gewoonte ontstaat menige brand in een woning, terwijl de litteekens van brandwonden er vaak aan zijn toe te schrijven. Nu heeft de kangri juist behoefte aan het lange kleed met wijde mouwen, waar men de stoof onder verbergt, en daar dr. M. A. Stein verzekert, dat er reeds sprake van is in oude kronieken, moet men afzien van het mooie sprookje van een Kaschmir, waar oudtijds alleen helden woonden, die allen zoo dapper waren omdat ze broeken droegen.Maar ge begint al onder de voorbijgangers verschillende typen en kleederdrachten te herkennen. Ook als we de sikhs en de menschen uit Pendsjab er buiten laten en andere immigranten uit Indië, behooren de Kaschmireezen zelven niet allen tot denzelfden godsdienst, noch tot dezelfde kaste. In het algemeen kan men zeggen, dat ze Hindoes of Mohammedanen zijn. De laatsten zijn verreweg het talrijkst; van de honderd twintig duizend inwoners der hoofdstad zijn meer dan twee derden aanhangers van den Islam, en buiten de steden is de verhouding nog meer in het voordeel van de Mohammedanen. Het schijnt, dat die bekeering van de massa der bevolking, die van niet later dan de veertiende eeuw dagteekent, zonder eenig geweld is tot stand gekomen en niet het gevolg is geweest van een inval van veroveraars. De boeren en de arme menschen, die bij verandering enkel konden winnen, namen den nieuwen godsdienst aan; de Brahmanen, die er alles bij te verliezen hadden, hielden zich aan den eeredienst, hun door hun voorvaderen nagelaten en die de eenige rechtvaardiging hunner voorrechten was.De Mohammedanen noemen hen afgodendienaars, maar zijn zijzelven wel zeker ware orthodoxe geloovigen te zijn? Werkelijk hebben ze alle indisch bijgeloof behouden onder een vernisje van den Islam, en de geleerden uit Mekka verketteren hen op hun beurt met den naam heiligenaanbidders. Ofschoon de Brahmanen in de minderheid zijn, hebben zij verreweg de meeste ontwikkeling en beschaving, al verdienen waarschijnlijk niet allen den naam van pandit of geletterde, dien ze elkander algemeen toekennen. Men kan hen dadelijk van hun muzelmansche landgenooten onderscheiden door het secteteeken dat ze op het voorhoofd dragen, aan den eigenaardigen vorm van hun tulband, en aan de sjerp om hun schouders.Nu ge een eersten indruk hebt gekregen van de Kaschmireezen, zal het u interesseeren te weten, wie over hen regeert. Kijkt eerst eens stroomaf en dan stroomop. Daar vlak bij den linkeroever die opeenhooping van leelijke gebouwen, dat is de Sjer Garhi, zooals men het paleis van den maharadja betitelt, en ginder, hooger op den rechteroever, onderscheidt ge tusschen de populieren en platanen de elegante villa van den engelschen resident. Wie is nu de eigenlijke vorst in Kaschmir, de resident of de maharadja? Dat weten zelfs de kleine kinderen, en de grijsaards vergissen er zich niet in. Een honderdjarige Brahmaan, die ons alle regeeringen opnoemde, die hij had bijgewoond in zijn leven, gewaagde van de Afghanen, de Sikhs van Randjit-Singh, de Radjpoeti’s van Goelab-Singh ... en de Engelschen van de koningin. Het is om de volledigheid haast jammer, dat hij er ook niet nog de Russen heeft zien heerschen.Het Kaschmir van de Sikhs heeft Jacquemond in 1831 bezocht en het onderkoningschap werd er hem, naar men zegt, aangeboden. Wees maar niet bang, dat uw bescheidenheid op een dergelijke proef zal worden gesteld; die gelukkige tijd is voorbij! Op den heen- en terugweg had onze landgenoot de gelegenheid gehad een Radjpoet te ontmoeten uit den stam der Dogra’s, die door de gunst van Randjit-Singh het tot radja van Djammoe had gebracht. Reeds wierp Goelab-Singh, zoo heette de avonturier, begeerige oogen op Kaschmir. Zoo lang Randjit-Singh leefde, die den bijnaam had van den leeuw of zooals Jacquemond zegt, den vos van Pendsjab, ziet men hem er omheen zwerven, zonder dat hij er binnenkomt. Achter elkander verovert hij de aangrenzende landen, Kitsjwar,Ladakh, Skardo, en na den dood van den leeuw weet hij slim zich te handhaven in de gunst van Sikhs en Engelschen beiden. Eindelijk staat bij een verdrag van 16 Maart 1846 de engelsche regeering aan den maharadja Goelab-Singh en zijn mannelijke afstammelingen de geheele bergachtige streek ten oosten van den Indus af en ten westen van de Ravi..... In ruil betaalde de nieuwe maharadja de som van 75 lakh roepijen en verbond zich, om jaarlijks een schatting te betalen in paarden, geiten en shawls. Er wordt beweerd, dat die laatste nog worden ingeleverd en dat keizerin Victoria er haar niet dure bruidsgeschenken van maakte. Dat verdrag was van Goelab-Singh een meesterstuk. Men zegt, dat hij binnen enkele jaren in de opbrengst van het dal de som terugkreeg, die hij ervoor had uitgegeven.Nooit praat men den Kaschmireezen uit het hoofd, dat om zulke voordeelige voorwaarden te bedingen, Goelab-Singh de Engelschen had doen gelooven, dat al het hem afgestane land niets anders was dan onvruchtbaar heuvel- en bergland, en de redactie van het tractaat doet daar wel aan denken. Inderdaad was het hun bedoeling, Goelab-Singh af te scheiden van de zaak der Sikhs en in hem een bondgenoot tegen die laatsten te krijgen; drie jaren later, toen in 1849 Pendsjab definitief werd ingelijfd, bleek het, dat ze vlak naast zich een bijna onafhankelijk koninkrijk in het leven hadden geroepen, en een, dat nog wel grensde aan chineesch en russisch grondgebied.Maar genoeg over politiek. Ge zult een zeer goed onderkomen vinden in het hotel, dat te Srinagar geopend is ter gelegenheid van de inwijding van den nieuwen rijweg. Maar men komt niet in Kaschmir, om zich in een hotel op te houden zooals in Zwitserland, en men kan nooit iets van het land en zijn bekoorlijkheid te weten komen, als men zich niet vrij beweegt en overal rondkijkt in dit prachtige hoekje van Hoog-Azië, zoodat men er min of meer het nomadenleven leidt van onze hypothetische voorouders, de Ariërs. Dat is, of men het wil bekennen of niet, de eigenlijke charme van een verblijf in Kaschmir, die onafhankelijkheid van belachelijke en hinderlijke voorschriften van onze maatschappij, waar alles tot overtreding wordt, van het houtsprokkelen in het bosch tot het water putten uit den oceaan. Hier is de verwezenlijking van wat sinds het Paradijs de roeping en de droom van den mensch is gebleven, koning te wezen te midden van een bevriende natuur; hier vindt men de voldoening, uitingte kunnen geven aan dat instinct van vagabondage, dat in ons allen leeft en ons tot onbewuste nomaden stempelt. Het teeken en misschien ook het losgeld voor dien terugkeer tot de zeden der primitieve menschheid is de enorme belangrijkheid, die het probleem van onderdak en voeding aanneemt, een vraagstuk, dat ons geen oogenblik bezighoudt in het kunstmatige leven in de beschaafde wereld.Laat mij daarover nog eenige aanwijzingen geven. Gij zult in de winkels te Srinagar, gehouden door de onvermijdelijke Parsi’s, alle ingemaakte voedingsmiddelen kunnen krijgen uit Europa; maar beter doet ge u te voorzien, zooals trouwens de meeste leden der vlottende vreemdelingenkolonie doen, op de naburige markten van de brug Amira-Kadal. Natuurlijk vindt ge er geen rundvleesch, noch voor geld, noch voor goede woorden, tot verdriet der Engelschen, die zich schadeloos stellen door massa’s corned beef te verorberen. Het verbod van rundvleesch wordt streng gehandhaafd door de regeerende Hindoedynastie, en het dooden van een koe, dat vroeger met den dood werd gestraft, zou thans een inboorling nog op een gevangenisstraf van vijftien jaar komen te staan, terwijl een Europeaan erom uit het land zou worden gezet.Maar ook zonder dat vleesch, dat verboden is, omdat het te heilig is, en varkensvleesch, dat uw mohammedaansche kok met tegenzin voor u klaar maakt, omdat het niet heilig genoeg of te wel onrein is, zal uw tafel nog ruim voorzien kunnen zijn van uitmuntend schaapsvleesch, sappig wild, groenten, eieren en versche boter; dat is alles op den bazar te krijgen. Wees niet onthutst, als uw kok de etenswaren van de markt thuis brengt in een stuk berkenschors; dat is het oude papier van dit land, zooals uit oude manuscripten blijkt, en men maakt er nog veel gebruik van voor huiselijke dingen.Wenscht ge ten slotte nog iets van de prijzen te weten, die wel zullen stijgen, als de stroom van toeristen sterker gaat vloeien, dan zij gezegd, dat een kip zes of tien stuivers van ons geld kost; een pond boter of een dozijn eieren vier en de rest naar evenredigheid. En toch ontmoet men nog menschen, die klagen over de duurte der levensmiddelen en pochen op den tijd, toen men voor één roepij een heel schaap kon krijgen.Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.Ziedaar iets over de tafel. Wat de huisvesting aangaat, als ge niet vooraf uw maatregelen hebt kunnen treffen te Lahore, doet ge het best van een der agentschappen te Srinagar te koopen of te huren de noodige tenten en kampmeubelen. Dan laat ge uw linnen huis, dat veel geriefelijker is dan ge kunt gelooven, als ge het nooit hebt geprobeerd, opslaan aan den oever der rivier of in de buurt der residentie onder de schaduw van de boomen der baghs of parken voor Europeanen gereserveerd. Daar is de Moensji-Bagh, een boomgaard aan de Djhilam, bestemd voor gehuwden en dames alleen; verder de Tsjinar-Bagh, een prachtig bosch van platanen aan den uitgang van het meer ten gebruike van ongetrouwde mannelijke personen; zoo is het koren van het kaf gescheiden. Vooral moet ge zorgen de beschikking te krijgen over een dier inlandsche booten, die doenga’s worden genoemd; die kan u tegelijk als huis en als voertuig dienen bij uw eerste uitstapjes. Op deze eerste lentedagen, nu het water nog zoo hoog is, kan de boot u door de rivier en de meren in allerlei richting naar de interessantste plekken van het dal voeren. Voor wie in de tonga heeft gereden over den hobbeligen weg en geradbraakt is door schokken, verdoofd door den hoorn en half gestikt door het stof, is de ruil niet kwaad van een tonga tegen een doenga.De derde van de zeven bruggen van Srinagar.De derde van de zeven bruggen van Srinagar.II.Door het “Gelukkige dal” in een doenga.—Roeiers en roeisters.—Van Baramoela naar Srinagar.—De hoofdstad van Kaschmir.—Een beetje staathuishoudkunde.—Boven Srinagar.De doenga is een boot, die, plat van onderen, aan beide uiteinden puntig uitloopt en tien meter lang is, terwijl er een dak van gevlochten riet over is gespannen. Andere matten, die naar believen opgerold kunnen worden als stores, sluiten de ruimte aan de kanten af en vormen ook de deur en de afscheiding tusschen de binnenruimten. Aan de voorzij bevindt zich een kleine veranda; dan volgt een vertrekje, dat in mijn boot juist vier meter lang en 1.80 M. breed was, en eindelijk een hutje, dat als cabinet de toilette dienst doet. Bij den achtersteven is het gezin van den roeier gehuisvest en slaapt in een ongeloofelijk kleine ruimte.Boot en bemanning huurt men per maand voor een twintigtal roepijen, en men kan het er wel naar zijn zin hebben, als men zorgt, de geheele ruimte aan boord inderdaad voor zich te hebben en die naar eigen smaak te kunnen inrichten. De bedienden volgen in een andere boot, waar gekookt wordt. Als het uur van de maaltijden slaat, komt de tweede boot op zij, en ge wordt uit uw drijvende keuken bediend, zonder dat ge u behoeft op te houden.Een klein, licht bootje, sjikara genoemd, dient voor de jacht op watervogels en voor snelle tochten en maakt uw vlootje compleet, waarmee ge u nu kunt bewegen op de rivier en de meren van Kaschmir. De mode van zulke zware drijvende woningen, die de Engelschen house-boats noemen, is ook wel van de Theems naar de Djhilam overgebracht, maar, al kan men ze bij de agentschappen in uitstekenden staat huren, dat komt veel duurder, en het zijn zulke logge machines, dat als het water een beetje laag is, men ieder oogenblik gevaar loopt vast te raken; ook heeft de doenga meer locale kleur, en ontkomen aan de handji’s kan men toch niet.De handji’s zijn de roeiers van Kaschmir; een kaste, die misschien verachtelijk, maar stellig veracht is, ofschoon ze een groote rol in het volksleven spelen. Tot in de allerlaatste jaren gaat al het vervoer te water, en de rivier is steeds vol schepen, van de groote vrachtbooten af tot de lichte doenga’s voor passagiers toe. De handji’s van die laatste slaan in den slechtsten reuk; er wordt veel kwaad van hun vrouwen gezegd; maar ook haar schoonheid wordt geprezen. Ze zullen in haar jeugd wel een tijd van frischheid hebben gehad, maar ik moet zeggen, dat het harde leven haar die fraîcheur dan gauw heeft ontnomen. Zij roeien altijd door of boomen of trekken aan het touw; verder moeten ze rijst stampen en maïs in zware houten vijzels, en dan moeten ze nog een heelen hoop kinderen grootbrengen, allerliefste kinderen trouwens.Een heel vertier voor de handji’s zijn de kibbelpartijen met collega’s van andere booten; die twisten zijn in Kaschmir spreekwoordelijk geworden. Het répertoire van scheldwoorden is volgens het zeggen van diegenen, die ze verstaan, nog veel uitgebreider dan dat van de parijsche koetsiers. Meestal doen de vrouwen dapper mee of ook wel is het aan haar alleen overgelaten, terwijl de mannen al rookend toeluisteren en lachend aanhitsen. Soms valt de avonden duurt de strijd nog voort; dan werpt ieder der strijdenden een ketel over boord vóór aan de boot ten teeken, dat de twist daaronder gedurende den nacht bewaard blijft; des morgens wordt het ding omgekeerd, en de vrouwen trekken weer van leêr.Bij Baramoela al heb ik kennis gemaakt met de naïeve opdringerigheid van die zoo belasterde handji’s. Ik moest uit de vloot van aan den wal vastliggende booten er een paar kiezen. Van alle kanten werden aan mijn adres smeekbeden en aanroepingen gericht; sommigen wierpen zich in het stof aan mijn voeten of veegden met hun voorhoofd over mijn schoeisel, kortom de gansche comedie werd opgevoerd, die ze in dergelijke gevallen gereed hebben. En altijd klonk één woord boven de andere uit: “Kiline, Hazoer, kiline!” Dat is hun manier, om het engelsche woord clean uit te spreken, want zindelijkheid is natuurlijk het eerste vereischte voor de uit Europa aangekomenen. Toen ik een keuze had gedaan, staakten de andere bootslui dadelijk hun aandrang; een anderen keer zouden zij gelukkiger wezen.Ik heb mij niet over mijn volkje te beklagen gehad, behalve dat ze als al hun collega’s de verfoeilijke gewoonte hadden, dag en nacht te babbelen en geen notitie te nemen van mijn “tsjoep! tsjoep!” het hindoesche woord voor “stilte, stilte!” Er waren ook wel oneenigheden tusschen de vrouwen van de verschillende booten; maar ze durfden mij daar niet veel van te laten merken, en het was vermakelijk, soms als ze zich onopgemerkt waanden, de woedende gezichten te zien, waarmee ze af en toe tegenover elkander op den grond spuwden, om de wederzijdsche minachting te uiten.Maar toen ik eenmaal onderweg was, wat was het toen een genot, des morgens in de doenga te ontwaken, die onmerkbaar over de rivier glijdt, die mooie rivier met het klare, stille water! Als een enkel lui uurtje reeds zijn waarde heeft, dan kan men begrijpen, wat het was, in de vroegte, onder de opgetrokken stores door, de groene oevers voorbij te zien glijden. Om de waarheid te zeggen, heeft het landschap niets vreemds, en mogelijk komt de populariteit van deze reis wel grootendeels doordat ze den Engelschen hun Theems herinnert.Wij zijn den eersten dag gevaren van Baramoela naar Sopoer in dat zachte, nevelachtige weer, dat onze noordelijke zomers dikwijls aanbieden; de verte verdween in witten damp, en dichterbij vormden de schaduwen, de vette weiden, waar de kudden graasden, de mooie, goed bebouwde velden en de wijde vergezichten een landschap, dat even goed in Middel-Europa had kunnen liggen.Tegen den middag scheurde het waas, dat als een tulen gordijn den horizon bedekte, en in de nu doorschijnende lucht verschenen, eenig om te zien, de met sneeuw bedekte toppen, die het dal insluiten, een smaragd in zilver gevat, en die aanblik was alleen de reis wel waard.Zonder eenige inspanning kan men op deze reis de merkwaardige en beroemde ruïnen van Kaschmir bewonderen. Alle oude hoofdsteden en bijna alle godsdienstige stichtingen der koningen, waarvan de kronieken gewagen, liggen aan de rivier, die de hoofdader van het land is, en kunnen dus op de gemakkelijke vaart worden bezichtigd.Een primitieve brug, kleine hindoesche heiligdommen, een moskee, een dorpsbazar, zoowat achthonderd huizen met spitse daken en geen platte, als in Indië, ziedaar Baramoela en ziedaar ook, maar in kleiner afmeting, Sopoer. Vooral de bruggen trekken door nieuwheid de aandacht. Ze zijn geheel van hout gemaakt; de pijlers zijn niet anders dan rijen afwisselend op elkander gestapelde balken in de lengte en in de breedte. Uit de verte zou men ze kunnen houden voor een hoop planken, die liggen te drogen.Beneden aan den kant, van waar de stroom komt, is een soort van uitsteeksel van stevige planken, bezwaard met dikke steenen, dat de kracht van den stroom moet breken. Naar boven toe worden de palen al breeder en breeder, en de daarover geworpen stukken hout komen al dichter en dichter bijeen, tot ze eindelijk dicht genoeg elkaar genaderd zijn, dat de dwarsbalken van den vloer der brug er gemakkelijk over gaan. Zulke holle bruggen hebben buiten het voordeel van hun goedkoopheid en eenvoudigheid nog het gemak, dat ze tegen de hooge vloeden kunnen, die door de holten heenstroomen, zonder schade aan te richten. Vroeger stonden er veel gebouwtjes en winkels op de bruggen, net als op de Beursbrug in Parijs in den ouden tijd en op de Ponte Vecchio in Florence; maar overal zijn die bouwsels verbrand en men is er niet toe overgegaan, ze weer op te bouwen.Achter Sopoer krijgt men het Voelar, het grootste meer in Kaschmir, te zien. Als er niet enkele open plekken met mooi helder water waren, zou men eerder denken aan een onmetelijke weide van vochtminnende grassen, vol vogels met schitterende vederen. Overal ziet men waternoten, Trapa natans, daar singhara’s genoemd, een der voortbrengselen van het meer en in tijden van schaarschte door de Kaschmireezen zeer op prijs gesteld als voedsel. In platboomde booten zamelen de oeverbewoners ook voedsel in voor hun vee op die reuzenweiden van waterleliën en lotusbloemen. Zij zingen onder het werk, terwijl ze met hun handen de natte bladeren afrukken van de met een kleverig vocht gevulde stelen, en de wind voert de zich eindeloos herhalende, melancholieke hindoesche liederen zeer ver mee.De schippers zijn bang voor de Voelar, want het meer wordt dikwijls bezocht door hevige onweders en stormen, die van de bergen neerdalen en die zeer gevaarlijk worden voor hun platte en hoog geladen schuiten. Ze kunnen dan niet anders doen dan maar zoo gauw mogelijk den oever trachten te bereiken, vóór de golven in de boot slaan. Het heet, dat Goelab-Singh in zoo’n storm omkwam.In plaats dan ook van het meer over te steken, om den mond van de groote rivier te bereiken, haastten mijn handji’s zich, om langs den zuidelijken oever den ingang van het Noroekanaal te halen. En ze hadden goed gedaan, want in den avond overviel ons de storm, sloeg onze rieten gordijnen omhoog en dreigde, passagiers en meubels eraf te strijken. Gelukkig vonden we beschutting van een heuveltje, en al de handji’s gingen ijverig aan het vastsjorren van de touwen en bevestigen van het rieten dak. Waarna wij niet anders te doen hadden dan te gaan slapen, wat zeer goed gelukte, beschermd als we waren tegen regen en wind door ons dak van gevlochten riet.Die stormen trekken even gauw weer af, als ze komen opzetten. In den morgen vertrokken wij over het kalme water, dat spiegelglad was. De gelegenheid was mooi, om door de binnenvijvers tot in de buurt van de ruïnen van Patan te komen. De doenga’s gleden voort over de bloeiende lelies en door het hooge riet, bevolkt met talings; het water was zoo doorschijnend, dat men de blaadjes van het mos op den bodem tellen kon. Een klein kanaaltje voerde naar groote alleenstaande platanen, die bij het niet op de kaarten aangeduide dorp Panhallan behoorden. De kampplaats maakte weinig vertooning; maar we genoten er een prachtig panorama, waar men uitzicht had van den Haramoek tot den Toetakoeti en van den Kadsjnag tot den Brahma-Sakoel, een onmetelijken kring van sneeuwbergen.Eenige kilometers van daar geraken de oude tempels van Patan, die in 1885 bij de laatste aardbeving zooveel geleden hebben, al meer in verval. Palhallan, dat prachtig ligt in de schaduw van moerbeiboomen, notenboomen, eeuwenoude platanen en populieren, waar zich de wingerd omheen slingert, is in het bezit van een merkwaardigheid, namelijk zijn reigerbosch. Honderden reigers gaan en komen er, altijd heen en weer vliegend van de groote meren naar de hooge boomen, waar ze hun nesten hebben. Het is een dwaas gezicht, als ze met de lange pooten gaan zitten: andere plukken hun veêren uit of zitten na te denken, met den hals in de schouders getrokken, op een verdorden tak; want de kruinen der boomen zien er nog al kaal uit, en schijnen te lijden onder die al te dichte bevolking.Men moet zich er wel over verbazen, dat de Kaschmireezen niet van hun reigers hetzelfde gebruik hebben gemaakt als de Chineezen en Japanners van hun ooievaars, te meer omdat het een koninklijke vogel is, waar niet op mag gejaagd worden. Vroeger droegen ook inderdaad de aanzienlijken een aigrette van reigerveêren, bevestigd aan een edelgesteente, op hun tulband, en de pacht voor de vergunning tot het plukken der vogels maakte deel uit van de staatsinkomsten. Nog in de laatste jaren moest de pachter 268 roepijen betalen en 2999 veeren buitendien inleveren, geen één meer of minder. Maar het is geen mode meer, en de aigrettes verschijnen nog alleen bij gelegenheid van een bruiloft in het mascaradecostuum der bruid.Ons drijvend huis begeeft zich weer op weg door de heldere vijvers vol bloemen, om naar het Noeroekanaal terug te gaan, dat te Sjadipoer uit den hoofdarm van de Vitasta komt; daar juist tegenover vereenigt de Sindh zich ermee, zoodat het daar een waar kruispunt van rivieren is. Die samenvloeiing is in de oogen der Brahmanen een even heilige plaats als de vereeniging van Ganges en Djoemna; op een rond eilandje staat een kleine plataan, die gelijkt op den eeuwigen boom, welks stam in de kelders van het fort Allahabad nog door de pelgrims vereerd wordt. Het heet, dat hij geen ontwikkeling en geen verval kent. Er wordt daar op die vereerde plek een uitstekende vischsoort gevangen, de mahsir genoemd.Als men van daar de groote rivier afvoer, zou men spoedig de Soembalbrug hebben bereikt en dan door een kort kanaal het groene en diepe water van het Manusbalmeertje, waar een vervallen kaschmireesche tempel zijn ondergang vindt in den slijkerigen grond. Indien men daarentegen de rivier opvaart, doet zich al gauw in de verte het sikhsche fort Hari-Parvat voor, de citadel van Srinagar. Op den achtergrond ziet men een hoogen berg, die tot scherm dient voor de opgaande zon, en waar een brahmaansch heiligdom op is gebouwd, wat niet verhindert, dat de Mohammedanen het Takht-i-Soeleiman noemen, dat is Troon van Salomo.Srinagar wordt door de rivier in twee deelen gescheiden en volgt den stroom over wel vijf kilometer. Zeven bruggen verbinden de beide oevers. Ik kreeg er den indruk van te komen in een half in puin liggende stad. Het is, alsof de huizen, waarvan vele gestut worden, in den toestand van onstandvastig evenwicht gelaten zijn door de laatste aardbeving en nu maar wachten, tot de volgende ze geheel omverwerpt. Ze winnen erdoor in schilderachtigheid met hun kleine loggia’s op de bovenverdieping, de opengewerkte luiken, waarover ’s winters papier wordt geplakt, om de niet aanwezige vensterglazen te vervangen, en vooral de aarden daken, met frissche bloemen en wilde grassen begroeid, die bij het minste koeltje wuiven.Om beurten glijden ons voorbij moskeeën met haar drievoudig, eveneens bebloemd dak, en Hindoetempels, waarvan de koepels bedekt zijn met lappen zink, helaas, afkomstig van petroleumblikken. Kaden en groote trappen, van oude, gebeeldhouwde steenen gemaakt, vertoonen zich aan de rivier. Vrouwen dalen erheen af, om haar kruiken te vullen van rood of bronskleurig aardewerk; haar kleine houten sandalen, vastgehouden door een enkel knopje tusschen den grooten en den volgenden teen, klappen op de gladde treden, en het mag een wonder heeten, dat ze den nek niet breken. De lange wollen kleedingstukken hebben soms aardige fletse tinten van bleekgroen, lichtblauw of donkergranaat. Sjikara’s bevaren in alle richtingen de rivier, even talrijk als de fiacres in de straten van Parijs.Links hebben we laten liggen den nieuwen bazar, of Maharadsj-gandsj, nu nog meer nieuw, daar men bezig is aan het bouwen na een brand, die onlangs verwoestingen heeft aangericht. Hier is de zetel van al die groote kooplieden van zilveren bibelots en oud koperwerk en email, papier maché, houtsnijwerk en borduurwerk, die tot de kunstproducten van het land behooren. Heb maar geen hoop, dat ge hun ontkomt. Ze zullen u vervolgen te water en te land; met onuitputtelijk geduld gaan ze vóór uw boot of uw tent staan, dringen langzamerhand binnen met hun koopwaar en rusten niet, vóór ge hun een bestelling hebt gegeven, te leveren aan het einde van het seizoen.Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.Af en toe komen makelaars van de inlandsche banken u zeer beleefd vragen of ze uw chéques zullen wisselen, precies zooals de engelsche bank, en zelfs bieden ze aan, wat die laatste niet kan, u kaschmireesch geld te bezorgen voor de afgelegen steden van Midden-Azië, waar zij agenten hebben aangesteld. En dan komen nog de bende van menschen, die hun diensten komen aanbieden, kleermakersvoor heeren en dames, schoenmakers met schoeisel voor de stad en voor de bergen, bontwerkers, fabrikanten van reisartikelen en kampbenoodigdheden, die u van top tot teen willen uitrusten voor toekomstige expedities, u, uw personeel en, als het noodig is, ook uw honden.Voor die geheele wereld van handwerkslieden en handelaars was de dood van de industrie der shawls ongeveer dertig jaar geleden een verschrikkelijke slag. Zooals men weet, begon de mode zich omstreeks 1870 ervan af te wenden; en daar die handel grootendeels in handen was van fransche makelaars en de fransch-duitsche oorlog plotseling aan hun aankoopen een eind maakte, brachten de goede Kaschmireezen natuurlijk hun ondergang met de rampen der Franschen in verband. Het nieuws van Sédan werd door het demonstratieve volk met openbaar geweeklaag ontvangen, dat, hoewel niet belangeloos er niet minder oprecht om was, en misschien waren deze menschen de eenigen, die oprecht met ons treurden. Een gedeelte van de wevers van shawls heeft sedert dien tijd een broodwinning gevonden in twee tapijtfabrieken, waarvan de eene door een Franschman wordt geleid, den heer Dauvergne.Die economische crisis is overigens niet meer dan een episode in de jongste geschiedenis van de ongelukkige hoofdstad in het “Gelukkige Dal”. Men verwacht niet anders dan dat droevig aanzien, als men aan alle rampen denkt, die de stad in den loop der laatste jaren hebben geteisterd, hongersnood, cholera, overstrooming en telkens herhaalde branden, niets is haar bespaard gebleven, en bovendien heeft de stad te lijden gehad onder de verklaarde vijandigheid der nieuwe engelsche regeering, die, hoe weldadig ook voor de overige deelen van het land, voor Srinagar een ongeluk was. Die opeenhooping van 125.000 inwoners, voor het meerendeel mohammedaansche handwerks- en kooplieden, en voor het overige Brahmanen, heeft te veel overwicht in een gesloten dal van 35 mijlen in de lengte en tien in de breedte, en dat overigens achthonderd zielen telt.Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.Tot zoowat vijftien jaar geleden was het traditie, dat de provincie werd geëxploiteerd ten bate van de hoofdstad; maar toen luidde het bevel tot de ambtenaren, die den maharadja geleend of hem opgedrongen werden door de engelsche regeering, dat ze de rollen moesten omkeeren en de stad moesten gebruiken ten voordeele van het platte land. Er kan geen beter overzicht worden gegeven van de beide richtingen, dan de heer W. Lawrence heeft gedaan in zijn interessant werk “The Valley of Kaschmir”, Oxford 1895. Hij, die zijn naam heeft verbonden aan de verandering, zet daarin het verschil uiteen tusschen de oude en de nieuwe richting. Eigenlijk zette men alles op zijn kop in Kaschmir, en men moest wel met zulk een zachtzinnige en volgzame bevolking te doen hebben, dat zoo’n bruuske en radicale verandering in zoo weinig tijd tot stand kwam; overal elders zou ze onlusten hebben verwekt of mogelijk een omwenteling, maar hier had ze zonder woelingen plaats, al was het dan niet zonder leed, althans voor de stedelingen.Maar mogelijk was nu hun beurt gekomen, want erkend moet worden, dat het leven van de boeren in Kaschmir zeer hard was. Het was al een grondbeginsel van de oude indische koningen, dat de landbouwers, lieden van een lage kaste, niet meer bezit mochten hebben dan wat juist noodig was, om hun zaaigraan te bezorgen voor den volgenden oogst, en voedsel in die hoeveelheid, dat ze niet van honger stierven. Hun overgang in massa tot het Mohammedanisme is zonder invloed gebleven op hun lot. De koningen of de gouverneurs, die den Islam beleden, gingen voort, hen te plunderen en de Sikhs volgden dat voorbeeld. Jacquemond beschrijft den toenmaligen gouverneur als den Sikh, die in zijn domheid voor het tegenwoordige bij machte is, dit ongelukkige land te berooven, en die waarschijnlijk bij het neerleggen van zijn functie alles zal moeten storten in de schatkist van Randjit-Singh.Wat Goelab-Singh betreft, die heel gewoon zijn audiënties voor een roepij verkocht, hij verstond geen gekheid in zake zijn inkomsten. In den tijd van Ranbir-Singh werden er wel enkele pogingen gedaan, om hervormingen in te voeren, maar ze hebben schipbreuk geleden door de stelselmatige tegenwerking van de ambtenaren, die, zooals natuurlijk was onder een indische regeering, brahmanen of pandits waren. Nu waren alle pandits, vanaf den patwari in een dorp tot den vazir-vazirat of gouverneur van een provincie met daar tusschen de tahsildars of districtshoofden, het onderling eens, dat men den muzelmanschen boer zooveel mogelijk moest uitzuigen. Het grootste deel der belastingen werd in natura betaald, en de staat, die ongegeneerd den boeren drie vierden van hun oogst afnam, verkocht dien tegen lagen prijs aan de stedelingen. In dien tijd, zoo verzekerde men ons, kon een mensch van een roepij in de maand leven. Het is duidelijk, dat in die omstandigheden de stedelijkenijverheid een groote vlucht moest nemen, dank zij de goedkoopheid van den handenarbeid; maar vroolijk was het niet voor de dorpelingen, dat ze alle dagen het grootste deel van hun rijst zagen verorberen door de darren van den bijenkorf.Eindelijk kreeg de heer Lawrence de opdracht, het kadaster te herzien en de grondbelasting anders te regelen; hij nam den boer onder zijn bescherming en verklaarde tevens den oorlog aan diegenen, die hij zijn vijanden noemde, te weten de pandits van de officiëele beambtenklasse; ten tweede de dorpshoofden en ten derde de stad Srinagar. Sedert blijkt meer en meer, dat het den boer, den zemindar, goed gaat, en de andere klassen beweren zelfs, dat hij brutaal vooruitgaat. Hij heeft van den SettlementOfficervoorwaarden verkregen, beter dan hij ooit heeft gekend, en het is niet zijn schuld, als hij er door list niet nog zachtere heeft verkregen.Al zijn er enkele vergissingen begaan, en al zijn eeuwenoude misbruiken niet met één slag uit den weg geruimd, zoodat bijvoorbeeld de afpersingen der kleine inlandsche ambtenaren niet hebben opgehouden, toch is er geen twijfel aan, of de groote meerderheid van de beschermelingen van den heer Lawrence kunnen terecht verheugd zijn over een stelsel, dat hun voor de eerste maal vergunt, hun rijst te behouden en hun belastingen in producten te betalen.Wat te zeggen van zijn drie vijanden? Met een ervan, de corporatie van de lambardars of dorpshoofden, heeft hij onderhandelingen moeten houden en om hen kalm te houden, heeft hij hun vijf procent van de opbrengst van hun dorpen moeten toestaan. Maar voor de brahmanen en met hen de rest der inwoners van Srinagar is hij onverbiddelijk gebleken, en het moet gezegd, dat er voor hen groot gevaar heeft bestaan, dat zij van honger omkwamen. Zij leven echter nog, zij het dan ook in ellende. De pandits zullen zich wel redden; zij hebben het wel uitgehouden onder de onderdrukking der afghaansche gouverneurs.Net als ze ten tijde der mongoolsche heerschappij Perzisch leerden, zoo leggen ze zich thans op het Engelsch toe; de jonge lieden doen examens en krijgen weer betrekkingen. Natuurlijk doet de periode van overgang zich wel eens lastig gevoelen in de gezinnen; toch zullen ze ten slotte de regeeringsposten krijgen, waaruit de heer Lawrence hen had willen weren, en dat wel om de eenvoudige reden, dat zij de verlichtste en ontwikkeldste klasse der bevolking vormen en dus goed- of kwaadschiks ook de regeerende klasse zullen zijn.Het meest zijn voorzeker te beklagen de arme handwerkslieden uit Srinagar. Een troost is het ten minste, dat de Settlement Officer niet vastgehouden heeft aan zijn aanvankelijken eisch, dat alle belasting in geld moest worden opgebracht, en dat de staat niet langer de groote leverancier van rijst voor de hoofdstad is. Dat werd in 1891 besloten, en het gevolg was zulk een hongersnood in het volgend jaar, dat men niet ermee durfde voortgaan. In 1893 werd er besloten, nog weer 300.000 ezelvrachten of kharvars, dat is 177 engelsche ponden koningsrijst naar Srinagar te zenden; in 1896 werd er nog weer de helft heengevoerd en de stad was daardoor voor den honger gevrijwaard.Een nieuwe poging, die drie jaar geleden werd gedaan, is niet beter geslaagd en zelfs in dit jaar, 1904, heeft men om de verschrikkelijke duurte der levensmiddelen in twee van de vier districten slechts een derde van de producten in natura, die verschuldigd waren, geïnd.Dat de medaille dus haar keerzijde heeft, ligt niet aan den heer Lawrence, maar aan het stelsel, dat in geheel Indië wordt toegepast. De grondbelasting is er de hoofdbron van inkomsten. Het ligt niet in Engelands politiek, de industrie in zijn koloniën aan te moedigen. En dat is geen wonder. Men heeft het nog onlangs kunnen constateeren, hoe Manchester zich bezwaard gevoelde over de concurrentie der engelsch-indische katoenen weefsels. Indië wordt geëxploiteerd als een groote landbouwkolonie, en men wil het liefst, dat het land van het moederland alle gemaakte goederen koopt, die het noodig heeft. Dat is mogelijk niet imperialistisch, maar het is practisch.De vraag doet zich voor, of de bijzondere omstandigheden in Kaschmir het niet noodig maakten, van het stelsel daar af te wijken. Het bebouwbare deel van dat land is niet groot genoeg, om het een toekomst door den landbouw te waarborgen. Misschien zou het wijzer zijn geweest, niet alles ondergeschikt te maken aan den wensch, gemakkelijk groote inkomsten uit den grond te halen. De handvaardigheid van de Kaschmireezen, hun sinds lang beroemde bekwaamheid in de versieringskunst zouden een veel betere bron van inkomsten zijn geweest. Het was nog zoo dom niet van de oude koningen en gouverneurs, een deel der inkomsten uit den grond op te offeren voor het onderhoud der handwerkslieden uit de hoofdstad en voor den bloei van hun handwerk. Alleen de rechten voor den uitvoer van shawls brachten den staat meer dan zes duizend roepijen op; dus dat kon wel als vergoeding gelden.Wat de shawls nu niet meer opbrachten, zou door andere industrieën kunnen zijn overgenomen. Zullen wij wijzen op die, welke de engelsche bestuurders hebben trachten te steunen? Dat waren de bierbereiding en die van confituren, dingen, die zelfs niet kunnen worden uitgevoerd bij gebrek aan middelen van vervoer. Het is een belachelijke zaak, en men moet er maar niet bij blijven stilstaan. Toen sultan Zaïn-oel-ab-Din in het Dal de fabricatie van papier maché en van shawls invoerde, toonde hij vrij wat meer doorzicht. Het is te vreezen, dat ten gevolge van het duurder worden van het leven en door de toeneming van het met koopwaar rondtrekken ten behoeve der toeristen de kunst, die de glorie van Kaschmir is geweest, verloren zal gaan, zooals de industrieën, oudtijds in Hindostan wereldberoemd.Uit dit alles willen wij twee practische besluiten trekken. Het eerste is dat het verstandig is, in Srinagar zich te voorzien behalve van den pas, dien ieder Europeaan, Aziaat of Australiër moet hebben, van een parvana dat is een soort van brief voor benoodigdheden, die men, als het noodig is, kan gebruiken, hetzij om zich op de al te druk bezochte wegen van koelies te kunnen voorzien, hetzij om het noodige te krijgen voor de bedienden in de afgelegen dorpen,waar men veel moeite heeft om de boeren te bewegen, u wat van hun rijst tegen goed geld af te staan.De andere raad, dien wij gaarne zouden geven, is, om geen sjikari te nemen als hoofd van de karavaan, of men moest speciaal om te jagen naar Kaschmir zijn gekomen. Indien ge een bezoek aan het dal verkiest boven die verre, vermoeiende, tochten, laat u dan liever vergezellen door een pandit. Onderwezenheid en goede manieren zijn op dit oogenblik niet duur in Kaschmir, en ge kunt voor het salaris van een indischen bediende een welopgevoeden brahmaan bereid vinden, die Engelsch spreekt en in staat is, u niet alleen tot tolk te dienen, maar ook als tusschenpersoon in de onderhandelingen met de tahsildars en lambardars onderweg en tot secretaris in het Kaschmirsch, zoowel als in het Sanskriet en Perzisch. Natuurlijk zal hij met zijn kennis van het land telkens uw nieuwsgierigheid kunnen bevredigen, en zoo zal hij de reis interessanter maken, want ergens te reizen, zonder te begrijpen, is evengoed als niet te zien.Toen wij de aantrekkelijkheden van Srinagar hadden gezien, was het half Juni geworden. Wij zullen er in het najaar terugkeeren, want nu volgt de heete tijd en daarmee de muggen, soms ook de malaria. Dikwijls is het klimaat van het lage dal vergeleken met dat van Lombardije.Door de kronkelingen der rivier, die van de hoogte van den Takht-i-Soeleiman door het dal de slingeringen teekent, die op de shawls te zien zijn, wordt eerst Pandrethan bereikt, de oude hoofdstad, indertijd onttroond door Srinagar. Zij lag op de eerste hellingen der bergen, veilig voor de overstroomingen der Vitasta. De ruïnen zijn niet anders dan een chaos van steenen. Alleen een kleine tempel staat nog overeind op zijn vierkant pleintje, dat overstroomd is door het water van de naga, zoo noemen de Kaschmireezen de bronnen en fonteinen, die vaak slangen met menschenhoofden zijn en als beschermgoden worden beschouwd. Op het zoo ontstane vijvertje dreef een bootje. Toen ik daar eens in wilde stappen, had ik mijn eerste ontmoeting met een slang, maar deze had niets mythisch aan zich, evenmin als die, welke een paar dagen later gevonden werd onder het tentgordijn. Na dien tijd heb ik ze niet meer gezien en verlangde ook niet naar een volgende ontmoeting.Toen het beest door stokslagen van de handji’s gedood was, vroeg ik den pandit, die zulk een moord afkeurt, of de slang vergiftig was, en in plaats van zich te bukken, om na te zien, hoe de vorm was en de kleur, gaat hij recht overeind staan op zijn pantoffels en met zijn neus in de lucht, kijkt hij naar het Noordwesten.... Toch was het een antwoord op mijn vraag, want de goede man moest dat in de wolken zoeken. Siva resideert namelijk op den Haramoek, draagt als arm- en halsbanden slangen en heeft in zijn hoedanigheid van beschermgod beloofd, dat de beet van zulk een dier nooit doodelijk zou zijn op een plek, waar men den besneeuwden top van zijn woning kon zien. Dus moest even worden gekeken, of men van hier den Hamaroektop kon onderscheiden. “Zoolang u dien kunt zien,” voegde de pandit erbij, “kan u gerust wezen; maar anders is er wel gevaar...” Ik zal toch maar in elk geval op mijn hoede zijn.Meer stroomop vertoont Pampoer den voet van een Hindoetempel, een moskee, een brug en velden, waar in het najaar saffraan zal bloeien. De oogst van deze geliefde lekkernij der Kaschmireezen is een staatsmonopolie, en men moet het goudpoeder uit de helmknoppen met zijn gewicht aan zilver betalen. Er worden te Pampoer ook uitstekende beschuiten gebakken, die op reis zeer te pas komen en naar mijn smaak met het beste brood kunnen wedijveren.Ik zal niet alle halten van onze reis kunnen noemen, maar mij tot de belangwekkendste bepalen. Na Pampoer op den rechtschen oever ging het naar de zwavelbronnen van Vian en de ruïnen der tempels van Ladoe. Van Kakapoer op den linkeroever brengen twee uren wandelens u naar den kleinen tempel van Payech, die goed bewaard is gebleven, een juweel van de kaschmireesche kunst. Wat de tempels van Narasthan betreft, er is een goede dagreis noodig, om ze aan den voet der hooge sneeuwbergen te ontdekken; daarentegen liggen de vele ruïnen van Avantipoer aan de rivier, ten deele in de aanslibbingen verzonken.Hooger krijgen wij de samenvloeiing van de Vitasta en de Vesjo, niet minder heilig in de oogen der Hindoes uit de streek dan die van de Vitasta en de Sindh. Aan den hoogen kant ziet men een plateau, dat zonderling door het water is uitgeslepen, en op dien top zou Kacyapa duizend jaren in overpeinzing hebben doorgebracht, vóór hij het dal liet verdrogen. Men zou hem intusschen kunnen verwijten, dat hij zijn werk maar ten halve heeft verricht.Want als in het begin van den regentijd een hevig onweer komt opzetten, en zijn waterhoozen naar Kaschmir voert op het oogenblik van het smelten der sneeuw, wordt het Dal plotseling overstroomd en is dan bij gebrek aan een voldoend breeden weg van afvoer in gevaar, in een meer te worden veranderd. De overstroomingen van Juli 1893 waren noodlottig; die van Juli 1903 waren het niet minder, en men schat het verlies op een zesde van den oogst. De naga’s hadden toen wel dorst, en ze schenen hun periodieke schadeloosstelling te moeten hebben.Aan den voet van de kareva, zoo heet een klein plateau, van Tsadakar in een nu droog geworden vijver, is de plaats, waaraan een der merkwaardigste legenden van Kaschmir is verbonden en tevens een der oudste. In dien grijzen voortijd woonde nog een naga in den plas, en boomen spiegelden zich in het effen water; daar kwam een jonge Brahmaan op een dag schaduw zoeken en koelte. Toen hij zich gereed maakte, zijn proviand aan te spreken, zag hij plotseling een jong meisje voor zich staan, dat zoo mooi was, dat hij vergat te eten. Hij werd nog verlegener, toen hij bespeurde, dat het mooie kind niet anders gebruikte danlotuswortels. Door een teeder gevoel gedreven, noodigde hij haar uit, zijn rijst met hem te deelen, bracht haar te drinken in een beker van bladeren en wuifde haar koelte toe, waarna hij haar smeekte, hem haar geschiedenis te vertellen en hemte zeggen, hoe het kwam, dat zij, zoo bekoorlijk en aanvallig, het blijkbaar zoo armoedig had.Zonder omwegen vertelde hem de nagi, want het was zulk een heilig wezen, dat het mooiste meisje ter wereld niet anders kan eten, dan wat zij bezit, en wat de oorzaak van haar armoede aanging, daar moest hij haar vader maar eens naar vragen. Hij zou hem vinden in het naastbijzijnde dorp en hij kon hem herkennen aan zijn van water druipend haar. Zoo gebeurde het ook; de watergod vertrouwde aan den jongen brahmaan zijn klachten over de hardheid der tijden en vertelde, dat hij groot gebrek leed, want de onderaardsche goden hebben ook behoefte aan rijst, even goed als de menschen, en storm en onweer zijn hun manier om goede oogsten te krijgen.Nu waren de velden in de buurt gesteld onder de bewaking van een zoo streng kluizenaar, dat er geen aartje af kon en hij niets van den nieuwen oogst gebruikte, en zoolang hij niet had gegeten, konden de naga’s er niet aan komen. Zoo leden hij en de zijnen de kwalen van Tantalus. De verliefde brahmaan had geen rust, vóór hij den vader van zoo’n mooi meisje had verplicht. Hij bedacht den list, om eenige rijstkorrels van den nieuwen oogst in de soep van den asceet te werpen, als deze den rug gekeerd had. Nauwelijks had de grijsaard er een balletje van in zijn mond gestoken, of een hagelbui viel neer, en de naga nam den geheelen oogst mee en gaf uit dankbaarheid den brahmaan zijn dochter tot vrouw.Het dorp Vidjabroer met zijn brug.Het dorp Vidjabroer met zijn brug.De echtgenooten leefden gelukkig; maar hun geluk was slechts van korten duur. Op een dag, dat de nagi op het terras was, zag ze een paard, dat uit den stal was gevlucht en dat smulde van een hoop rijst, die er was neergelegd, om te drogen. Zij riep, dat er iemand zou komen, om het weg te jagen, en toen er niemand antwoordde van de bedienden liep ze er zelve heen onder het gerinkel van haar zilveren armbanden en het paard nam op zijn rug een gouden merkteeken mee van de hand, die het geslagen had. Dat was het begin van de ellende. De aanblik wekte den hartstocht van den koning van het land. Hij beproefde eerst, maar te vergeefs, de jonge vrouw te verleiden. Toen probeerde hij, haar van haar man te koopen, maar de brahmaan wilde er niet van hooren, en stelde de eer niet op prijs, dien de koning zijn huis wilde bewijzen.Eindelijk toen de koning, het onderhandelen moede, zijn soldaten zond, om de nagi met geweld te vermeesteren, riep de brahmaan zijn schoonvader te hulp. De naga steeg verwoed uit zijn vijver op, en in minder tijd, dan er noodig is, om het te verhalen, verbrandde hij den koning, de stad en al haar inwoners. Daarna kreeg hij tegenzin in de wereld en leed aan wroeging, zoodat hij zich in de eenzaamheid terugtrok op den weg naar Amarnath, waar hij nog is.Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.Niet ver van daar op den linkeroever heeft het groote dorp Vidjabroer, het By-Bihara van de engelsche kaarten een modernen Hindoetempel, gebouwd door Goelab-Singh, waar allermerkwaardigste afgodsbeelden worden bewaard en waar men ook in de nabijheid een mooie mohammedaansche ziarat beeft met drievoudig dak. Bij elke schrede ontmoet men er trouwens sporen der oudheid, en de bazar is vol met oude koperen munten. Er werd gekampeerd aan de overzijde van de brug onder eeuwenoude platanen, niet ver van het huis waar de maharadja komt uitrusten, als hij een of twee dagen te Srinagar komt. Wij hebben er het bezoek gehad van een ouden muzelmanschen fakir, die zonder twijfel in beschaafde landen zou betiteld zijn als vagebond. De bedienden maakten zich van den man meester en zetten hem een schitterend maal voor; een ongeloofelijke hoeveelheid rijst, dan tsjapati’s, een soort van broodjes en versche kaas, ruim bestrooid met suiker, alles genoeg om drie mannen te verzadigen; daarna boden ze hem een hoeka aan.Terwijl onze kok, een zeer vroom Muzelman, hem aankeek met vereerende blikken en met het liefdevolle van een moeder voor haar eerstgeborene, zat de vuile man kalm te rooken; de pijp alleen uit den mond nemende om eenige verwenschingen te slingeren naar het hoofd van de menschheid, die hem voedt en kleedt, terwijl hij zich lui in de zon koestert en zijn ongedierte verschuift. In physiek opzicht heeft hij niets van den fakir zooals men zich dien voorstelt, en zooals hij ook gewoonlijk is. Groot en kaal, met woeste wenkbrauwen en onbeschaamde, knippende kleine oogen, ziet hij er met zijn stompneus en langen, krullenden baard uit als een oude faun. Als de maharadja te Vidjabroer is, vraagt hij steeds naar den fakir; maar de oude, die de eerbewijzen minacht, onttrekt zich aan de hulde en blijft onvindbaar. Ik zeg u zijn naam niet; ik heb vergeten er naar te vragen en heb hem uit mijzelf maar Diogenes gedoopt.Maar reeds wordt de rivier smaller tusschen de met vlas begroeide oevers en weldra wordt ze ook ondieper, en de stroom neemt in kracht toe. Dat is het oogenblik voor de handji’s om hun schutspatroon aan te roepen, Dast Guir, hetgeen ze doen onder het boomen of trekken. Op een gegeven oogenblik moeten ze in het water loopen, de eenen trekkend, de anderen de boot duwend, tot die eindelijk voor de plek van het kamp aankomt te Islamabad, een ijver die te lofwaardiger is, daar ze, nu wij hier eenmaal zijn, worden ontslagen.Terwijl de tenten worden opgezet, kwamen de gezinshoofden met het schrift van hun getuigschriften aan, waar wij het onze bij moesten voegen. Wij zagen zoo terloops curieuse opmerkingen, bijvoorbeeld die van een heer, verklarend de boot te verlaten, “omdat hij niet langer kan verdragen, te zien hoe de mooie zuster van den bootsman altijd paardewerk moet verrichten”. Wij voegden onze onderteekeningen bij die zonderlinge collectie autografen. Waarna de salams volgden, het bedanken en het air van onderworpenheid, toen ze de roepijen in ontvangst namen, die welverdiend waren voor twee maanden goeden trouwen dienst.

De zomer in Kaschmir.Naar het Fransch van Mevr.F. Michel.Ekka’s en Tonga’s op den weg naar Kaschmir.Ekka’s en Tonga’s op den weg naar Kaschmir.I.Van Parijs naar Srinagar.—Van Bombay naar Lahore.—Eerste toebereidselen.—Per tonga van Rawal Pindi naar Srinagar.—De bewoners van Kaschmir en hun heerschers.—Terugkeer tot het nomadenleven.Brengt u den zomer in Kaschmir door? De vraag is niet zoo dwaas, als ze aan thuiszittende menschen moet schijnen. Ik ken er, die het doen en er geen spijt van hebben. De “season” is er alleraardigst. Men vindt er van alles, en dit gelukkige land bezit dalen als in Touraine, bronnen en beekjes als in Bretagne, boomen en grasvelden als in Engeland, bergen als in Zwitserland, ruïnen als in Italië, en als nergens in de genoemde landen de vrijheid, ik bedoel het recht om te gaan en te komen, naar het u zelf belieft, als koning in uw boot en heer in uw eigen tent; volkomen naar uw goedvinden de boot aan den wal brengend of haar losmakend, de tent opslaand of afbrekend, zonder dat eenige afsluiting, eenig aanplakbord of eenig veldwachter zich met uw doen en laten bemoeit. Voeg daar nog bij de groote goedkoopheid van het leven, en alles bij elkaar genomen, is dus zulk een reis oneindig veel interessanter, hygiënischer en bovendien veel minder kostbaar dan een verblijf in de een of andere badplaats, die in de mode is.Voor wie lust heeft het experiment eens te probeeren, zijn deze aanteekeningen opgeschreven. Ze hebben geen andere pretensie dan die eene, dat ze eenige inlichtingen geven, welke men zou kunnen noodig hebben. Indien er zoo nu en dan enkele indrukken bij worden gegeven, zal men ze op den koop toe nemen terwille van de inlichtingen.Om te beginnen, Srinagar is slechts twintig dagen van Parijs verwijderd en kan voor minder dan 2000 francs worden bereikt. Laat ik het u voorrekenen: van Marseille zullen de paketbooten van de Messageries Maritimes u in veertien dagen en voor 1375 francs naar Bombay brengen. Van die stad voert de exprestrein, en daarbuiten bestaat er geen heil in Indië, u in vier-en-zestig uren en vijf-en-twintig minuten naar Rawal Pindi, waarvoor ge in de eerste klasse bij den tegenwoordigen koers van de roepij ongeveer 160 francs betaalt. Zoo vlug mogelijk reizend, kunt ge dan binnen twee dagen te Srinagar wezen. Een plaats in den postwagen kost 45 roepijen, een particulier rijtuig 130.Als de toerist niet ook den vorigen winter in Indië is geweest, zal hij goed doen, te zorgen dat hij in de eerste dagen van Maart te Bombay aankomt. Later zou hij de warmte reeds al te drukkend vinden. Op zijn weg naar het Noorden zal hij nog tijd hebben, een bezoek te brengen aan Ahmedabaden zijn moskeeën; aan den berg Aboe en zijn heiligdommen vol wonderen van geciseleerd marmer; de rose stad Djaïpoer, van waar een olifant hem naar Amber brengen zal, de oude verlaten hoofdstad; dan Agra met het groote wonder van den Tadsj Mahal, zeker het mooiste monument, dat ooit door de liefde voor de dooden is opgericht; Mathoera, het vaderland van den god Krisjna, met de kaden, omzoomd door tempels, waar de apen aan de schildpadden in de rivier de offeranden der pelgrims betwisten; het keizerlijke Delhi, waar de omgeving, bezaaid met indrukwekkende ruïnen, zoo ver het oog reikt, denzelfden indruk van grootheid en verlatenheid maakt als die van Rome; Amritsar, de heilige stad der Sikhs, dat in een vijver de gouden koepels spiegelt van zijn te hooggeroemden tempel.... tot eindelijk hij te Lahore aankomt.En wat is er daar nog veel te zien! Het mooie museum, de schilderachtige straten van de stad der inlanders, het fort van Akbar, de moskee van Aureng Zeb, die van Vazir Khan, geheel bedekt met prachtige porseleinversieringen; de tuinen van Sjalimar uit den tijd der Groote Mogols, en aan den overkant der lange schipbrug de tuinen van Shah Dehra, waar Jehan Guir, bij zijn leven een ongeloovige, na zijn dood wonderen verricht; verder de tallooze graven, die van Lahore en omgeving een groote necropool maken en maanden achtereen doel kunnen wezen van telkens andere avondwandelingen.Daar trekt de aandacht het graf van de arme Anarkali, wier naam beteekent Granaatknop en die, naar men zegt, levend begraven werd, toen nauwelijks haar jeugd in schoonheid was ontloken, omdat zij een enkele maal haar glimlach had geschonken aan dienzelfden Jehan Guir in de dagen, toen hij nog niet anders was dan de erfprins Selim. En toch was ik nog meer ontroerd bij het zien van het huis, waar generaal Allard woonde, een dier officieren van het groote leger, die bij wijze van revanche het fortuin van Randjit Singh maakten, en waar hij gastvrijheid verleende aan Jacquemond; onder een open koepeltje in den tuin droeg een eenvoudige marmeren steen het fransche opschrift: “Marie Allard, zes maanden.”Intusschen zal de toerist ook zijn toebereidselen maken voor de reis als beschaafde nomade. Hij zal beginnen met zich een lichte tent aan te schaffen, die toch dubbel is, naar het model, dat “Zwitsersch huisje” heet of Kaboeltent. Dan zal hij meubels voor het kamp aanschaffen, waaronder een bed dat uit elkander kan worden genomen, benevens tafels, die toegeslagen en stoelen, die gevouwen kunnen worden; keukengerei, liefst een reeks aluminiumpannen van verschillende grootte, die in elkander passen; een veldkachel, geëmailleerd aardewerk en tuinlampen en dan nog dat betrekkelijk zeer klein aantal dingen, die werkelijk onmisbaar zijn. Men kan ook gerust met het aanschaffen van een en ander wachten tot de aankomst in Kaschmir en het gaat ook wel, een deel der goederen te huren van een der agentschappen te Srinagar.Maar laat men vooral niet verzuimen, reeds te Lahore twee van die onwaardeerbare indische bedienden te huren, die zoo goed de kunst verstaan het gemak en de rust van hun heer te verzekeren te midden van de vele kwellingen der dagelijksche verplaatsingen. De eene zal dienst moeten doen alskhitmatgarof kamerdienaar, de ander zalkhansamaof kok wezen. Hun maandelijksch salaris bedraagt van twaalf tot zestien roepijen, plus een fooi van acht roepijen, als men hen ver van hun huis meeneemt en ze voor hun eigen onderhoud moeten zorgen. Die Mohammedanen uit Pendsjab zijn in den regel betrouwbare personen en geheelonthouders, wat niet altijd het geval is met de bedienden, die in de zeehavens op de aankomst van de globetrotters wachten. Stel u er vooraf van op de hoogte, dat ze van dezelfde secte zijn, om lastige conflicten te voorkomen. De mijnen hadden het onderweg best samen kunnen vinden, maar ten slotte kregen ze toch nog herrie.In den laatsten tijd van mijn verblijf te Srinagar had ik enkele uitnoodigingen moeten aannemen en eenige malen gasten moeten ontvangen. Het is dan de gewoonte, dat de bedienden elkander ook inviteeren, en nu had op een zekeren avond, toen de mijne uit dineeren waren, de khansama, die een vroom Sunniet was, met schrik vernomen, dat de khitmatgar tot de Sjiïeten behoorde; zoo ontdekten ze, na een half jaar in vrede en vriendschap te hebben geleefd, dat ze geslagen vijanden waren, omdat meer dan duizend jaren geleden khalief Omar het geslacht van Ali, den schoonzoon van den profeet, uitroeide.Laat de toerist zich gerust op den khitmatgar verlaten, om elken morgen op dezelfde plaats op tafel bij zijn bed of in de zakken aan de tent de zaken te vinden, die hij noodig heeft. Op elk uur van den dag en den nacht wordt de uitroep Koï hai! die zooveel beteekent als hei daar! beantwoord en volijverig en verstandig wacht de bediende bevelen af met de servet over den schouder als het teeken zijner waardigheid. Zorg er slechts voor, dat hij die vaak verwisselt voor een schoone! Want hij veegt er niet alleen het bord mee af, dat hij u brengt; hij stoft er, zoo noodig, ook uw kleeren mee en bij gelegenheid uw schoenen; hij jaagt er met korte, welwillende tikjes het ongedierte mee weg, dat, als ge te dicht bij een dorp hebt gekampeerd, half verdoofd door het insectenpoeder tusschen uw lakens is te vinden; hij ranselt er de koelies mee, als ze te langzaam naar zijn zin de tenten opslaan en het kamp in orde brengen, want hij gevoelt zich als een karavaanbestuurder, en de goedeKaschmireezen, die door mijn bediende worden uitgescholden, een kereltje, dat ze met een vinger hadden kunnen omverwerpen, spraken hem altijd eerbiedig met Sirdar aan, dus met niet minder dan den titel, door lord Kitchener van Khartoem gedragen, toen hij het bevel over het engelsch-egyptisch leger voerde!Hij beweerde bovendien met trots, van goede familie te zijn; maar ongelukken in de familie hadden zijn opleiding in den weg gestaan; ook maakte hij geen aanspraak op den titel van dichter, zooals de khitmatgar van een mijner vrienden, die in zijn vrijen tijd zich amuseerde met het maken van perzische verzen. Hij was ten minste trouw en eerlijk en waarheidlievend, wel een verschil met anderen, die alle veertien dagen dezelfde schoonmoeder moeten begraven; hij heeft mij slechts eenmaal een halvendag verlof gevraagd, en dat was te Lahore, om te trouwen! En toen ik hem edelmoedig den geheelen dag aanbood, protesteerde hij en beweerde, dat hij liever op tijd terug wou wezen, om mij mijn ontbijt voor te zetten.Wat den khansama betreft, hij zal zijn heer wel een beetje bestelen, dat brengt het vak zoo mee. Maar daarvoor vindt men ook overal en altijd, zelfs midden in de jungle zijn maal gereed en volkomen goed bereid. In regen of wind, aan den hoek van een bosch, op een vuur, dat tusschen twee steenen is aangelegd, in omstandigheden, waarin de eerste kok uit Europa onmiddellijk zijn voorschoot af zou doen, bereiden die indische koks vlug en onberispelijk het klassieke menu van soep, entrée, gebraad, groente en nagerecht. Toen de mijne op den eersten dag van zijn indiensttreding mij in zijn anglo-indisch taaltje kwam vragen, hoe ik het vleesch verlangde, half-paka, three quarters paka ya bahout paka, dat is halfgebraden, driekwart gebraden of sterk gebraden wist ik, dat ik een virtuoos had gekregen, die gevoel had voor fijne onderscheidingen.Ik moet zeggen, dat hij niet tegenviel; en alles aan het spit, want ik had hem eens vooral gezegd, dat mijn grondbeginselen zich ertegen verzetten, vleesch in de pan te braden; en ik zie hem nog in een plasbui met de parapluie erboven melancholiek de kip voor het souper aan het braadspit draaien. Roep bij zulke gelegenheden nooit uw smaak of uw maag te hulp, om iemand uw wensch te verklaren; daar geven ze niet om. Spreek in vage termen van den ritus of eenvoudig van het gebruik, dastoer, waaraan ge u graag zoudt houden en ge kunt er zeker van zijn, gehoorzaamd te worden, terwijl ze u er des te hooger om zullen stellen, dat ge u houdt aan wat zij voor godsdienstige gebruiken zullen houden in den geest van hun eigen geloofsvoorschriften.Enkele fransche gerechten kwamen aldus onder den dekmantel van “french dastoer” zeer aangenaam eenige afwisseling brengen in de eeuwige kippeboutjes en de flauwe engelsche groente. Door middel van breedvoerige uitleggingen en practische aanwijzingen leerde onze kok die gerechten zoo meesterlijk bereiden, dat toen ik hem aan het eind van den tocht wegzond, hij van niets minder sprak dan van zich op grond van zijn vermeerderde kennis in den dienst te stellen van een onder-gouverneur. In Kaschmir moet de toerist zijn personeel nog uitbreiden met twee of drie andere bedienden tegen acht of tien roepijen per maand. Hij zal vooreerst een bhisjti of waterdrager behoeven, die waarschijnlijk ook de functie van masaltsji of wasscher van het vaatwerk zal vervullen. Familiën, die wat talrijk zijn, hebben bovendien nog vaak een dhobi of waschman bij zich, particulier aan hun dienst gebonden. Verder zal er nog een “huisknecht” moeten wezen, een man van zoo lage kaste meestal, dat hij ook voor de honden moet zorgen en door elkaar eet wat van uw tafel overblijft; onnoodig te zeggen, dat hij in de kleine maatschappij weinig in tel is. En als gij dan, vermoeid aan het eind der étappe zijt aangekomen en ziet, hoe de kok van den bhisjti het water krijgt, dat hij aan de kook brengt op het hout, dat de “huisknecht” hem heeft aangebracht, om u een kopje thee te bereiden naar den eisch en u dat door den khitmatgar te laten brengen, zult ge, als uw geduld ten minste nog niet is uitgeput, deze sierlijke verdeeling van arbeid bewonderen.Lahore is in April nog vol rozen. Maar als de reiziger zich wil overtuigen, dat de warmte van Indië geen mythe is, zooals dikwijls door wintertoeristen wordt beweerd, laat hij dan maar tot Mei blijven en den eersten stofstorm afwachten bij 117 of 120 graden Fahrenheit, dat is 48 Celsius in de schaduw, dan zal hij juist als indertijd de metgezellen van Alexander verklaren, dat de ervaring zeer voldoende is en dat hij u de rest schenkt.Met des te meer genoegen zal hij dan naar de bergen vertrekken. Hij zal reeds ijs moeten meenemen, om zonder bezwaren de negen uren in den exprestrein door te komen, die hem van Rawal Pindi scheiden. Die exprestrein van Calcutta komt om twee uur in den morgen te Rawal Pindi, een der groote militaire stations van Pendsjab. Men doet goed, vooraf te hebben geschreven aan den onvermijdelijken Dhanjibhoy, transportondernemer, wiens rijtuigen over alle wegen rollen in het Noorden van Indië, dat hij u een tonga sture, dat is een klein rijtuigje op twee wielen, zeer laag en maar matig veêrend, overdekt met een witte huif. Het is de postkoets van dit land, en hij biedt plaats aan voor drie personen plus den voerman en de handbagage. De koffers en kisten komen gewoonlijk in ekka’s achteraan, dat zijn vernuftig ingerichte inlandsche voertuigen, die men voor het vervoer van Rawal Pindi naar Srinagar huren kan voor 35 of 40 francs en die ook weer met den inlandschen pony bespannen, de reis in vier of vijf dagen doen. Men laat ter meerdere veiligheid gewoonlijk een der bedienden meegaan.Zoodra de bagage aan het station is opgeladen, gaat men op weg onder het sterrenschijnsel van den onveranderlijk helderen hemel door de straten van Rawal Pindi en loopt daarbij gevaar, de slapers te overrijden, die op hun tsjarpaïs voor hun deuren liggen te slapen. De eerste mijlen worden vlug afgelegd langs den vlakken weg, maar al spoedig teekenen zich de silhouetten der bergen af tegen den lichten achtergrond van den dageraad. Met welbehagen ademt men de frissche lucht in. De weg, die langs de bedding van een stroompje voert, wordt, al stijgender en schilderachtiger. Op de hellingen vertoonen zich sparren; er hangen wilde rozen bij neer en tot op den top reiken de geurige bloemtrossen. In de kloven staat het vol met varens en bloeiende aardbeien. Er volgen zwaarder stijgingen, en bij de laatste halten gaat de saïce of palfrenier, die gewoonlijk achter op de trede staat, naar den voorkant van de tonga en, op den linker disselboom gezeten, helpt hij den koetsier de paarden met de zweep tot spoed aan te zetten. Zoo worden meer dan zestig kilometer afgelegd in zes uren en terzelfdertijd stijgt men tot 2000 meter hoogte.Mari, het modezomerverblijf voor Pendsjab, ligt over verscheiden hoogten verspreid met zijn kerkjes, hotels, europeesche winkels, villa’s in het groen en zijn mooie wandelwegen, waar elegante ruiters en amazonen zich vermeien. Naar het Zuiden weidt de blik over de wijde vlakte van khakikleur; naar het Noorden over de hooge, besneeuwde toppen, die den weg naar Kaschmir schijnen af te sluiten. Men voeltzijn levenskracht toenemen in deze frischheid, die van den Himalaya komt, waar de eeuwige sneeuw woont, terwijl men den vorigen dag nog meende te zullen stikken in de kunstmatige koelte van de punka’s.Maar nu moeten wij dalen, na zoo lang gestegen te hebben. Halverwege de beboschte helling gaat de weg naar beneden langs afgronden, waar we slechts van gescheiden zijn door een paar steenblokken aan den weg. Bij elk oponthoud steigeren of vallen de paarden, voor ze weer verder gaan; daarna draven ze volkomen kalm en rustig, alsof ze, na voor den vorm te hebben geprotesteerd, zich in hun lot schikten. We hebben voor de daling maar één paard noodig. Alle paarden zijn in den drukken tijd bedroevend mager. Maar wij kregen aan de tweede pleisterplaats na Mari bij toeval een best paard, goed in het vleesch, met glimmende huid en zonder een enkel wondje. Er waren niet minder dan vier saïces noodig, om het aan te spannen, waarna het op ieder tikje van de zweep antwoordde met een dol achteruitschoppen. Daar de koetsier volhield, moest hij wel van zijn kras middel gebruik maken; plotseling achteruit gaand, zou hij het rijtuig zoo tegen de steenen aan den weg stooten, en als het nog twintig pas verder was gebeurd, zouden wij in het dal getuimeld zijn en ze zouden ons met wapens en bagage op 500 meter diepte daar beneden hebben gevonden, ons of wat er van ons over was. De dorpelingen en de leiders van een karavaan, die haar rust hield, zagen al met belangstelling het ongeluk aankomen. Wij hebben dadelijk een ander paard verlangd; het ondeugende beest wou niets liever, en terwijl men een van zijn collega’s bracht, die minder slim en niet zoo kwaadaardig was, ging de deugniet, zoodra hij was afgespannen, heel alleen weer omhoog en naar zijn gewoon plaatsje in den stal terug, om zijn afgebroken maaltijd voort te zetten.Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.Al dalend kwam de weg toch ten slotte in de diepte van het dal der Djhillam of Vitasta. Tot Kohala toe bij de brug volgt de weg de breede, witte rivier, die door veel sneeuwwater is gezwollen. Hier is het een woedende stroom vol draaikolken en versnellingen, bruisend over de rotsachtige bedding en toch is het dezelfde rivier, die in Kaschmir zoo kalm is. Zware boomen worden meegesleurd, deelen van de cederwouden op de bergen; ze draaien in de kolken en moeten mee naar Pendsjab. De ruïnen van de oude hangende brug, die nu door een steenen is vervangen, vertellen van de verwoestingen der overstroomingen. Aan de overzijde van de brug zijn wij in het gebied van den maharadja van Djammoe en Kaschmir, en als om dat te bewijzen, betalen we aan dezen kant der rivier een roepij voor het weiderecht aan de engelsche ambtenaren en aan de andere zijde anderhalve roepij aan de menschen van den maharadja voor het recht van den weg gebruik te maken en de dieren te laten grazen. Wat de douanerechten aangaat, ze worden niet geheven van de Sahibs of heeren, dat zijn de Europeanen.De weg liep nu verder langs den linkeroever van de Djhilam en volgde dien steeds; het was een goede weg, als hij in goeden staat wordt onderhouden, juist als het met de kleinere wegen in Frankrijk het geval is. Hij ging en corniche even boven de rivier langs, die in het nauwe dal bruiste en kookte, terwijl er telkens dwarsdalen of nalla’s waren te passeeren.Gewoonlijk waren het liefelijke dalen, waar het water in watervallen langs de wanden naar beneden kwam en die alle waard zouden zijn te worden bekeken. Ieder dal heeft zijn brug, die meestal bij elke plotselinge smelting der sneeuw wordt weggerukt en met onverstoorbaar geduld steeds weer door de staatsingenieurs wordt hersteld.Van tijd tot tijd zagen we een van die aardstortingen, die in den aanvang van den zomer den weg vaak onbegaanbaar maken. Dan wordt juist zoo’n plekje opgeruimd, dat het rijtuig erdoor kan, en men werpt het puin eenvoudig in de rivier. Bijna in het midden van Mei hebben wij nog tal van koelies bezig gezien aan het herstellen van den weg; maar als die nog maar even bruikbaar is, vliegt de tonga er met haastigen spoed over. De eene stoot duwt u in een diepen kuil en een tweede haalt u er weer uit; de koetsier waarschuwt: “Khabardar! Pas op!” en klaar is Kees.Zoo hebben wij den eersten dag 90 K.M. afgelegd met heel wat Khabardars op den koop toe. Natuurlijk kiest de koetsier juist de gevaarlijkste punten, om de teugels te laten schieten en op zijn horen te blazen. Ongelukken komen echter hoogst zelden voor, en men krijgt op het laatst wel aardigheid aan dat dolle rijden over bruggen zonder leuningen en aan die vervaarlijke bochten, waar men omheen vliegt. Toch zullen zenuwachtige menschen goed doen, vooral bij de bochten zich te verdiepen in de beschouwing van den rechter kant van den weg, om de Djhilam niet te zien, waar het kleinste ongeluk hen in zou storten en waarin de groote dennen, die er als stroohalmen in worden rondgedreven, hun een voorspel zijn van hun eigen lot. Die rechter kant heeft trouwens ook zijn eigen belangrijkheid; meestal bestaat hij uit rolsteenen van verschillende kleuren en uit zandsteen en porphyr, geaderd en gepolijst als onze strandkeien; waarschijnlijk is het de doorsnede van een oude rivierbedding. Er komen ook dwarstunnels voor, en dan gaat men met vreeze en beving onder die hangende blokken door, die maar even in hun laagje aarde zijn vastgehecht.Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.Ongeveer elke twintig kilometer kunt ge, als ge lust hebt, stil houden in een bungalow of bangla, zooals de Indiërs zeggen. Sommige van die logementen, zooals te Domel, Garhi en Oeri, zijn voldoende voorzien. Men loopt geen gevaar, dat daar zich het geval zal voordoen van de klassieke indische anecdote, dat de laatste kip juist bij uw aankomst in de jungle is verdwenen. Hier zet men u stellig en zeker een déjeuner of een diner voor op zijn Engelsch en schenkt den liefhebbers buitendien den Kaschmir-Barsac of den Kaschmir-Médoc, te Srinagar bereid. Wat de kamers aangaat, die zijn vrij zindelijk, maar spaarzaam gemeubeld.Het dal, dat eerst na Kohala nog al gesloten is, verbreedt zich weldra bij de samenvloeiing van de Djhilam met de Kichenganga bij Domel. Tegelijkertijd gaat men plotseling niet meer van het Zuiden naar het Noorden, maar slaat af, om naar het Zuidoosten af te buigen. Een der merkwaardigheden van de etappe van Garhi is de touwenbrug. Verbeeldt u aan de beide kanten der ongeveer 80 meter breede rivier twee stevige palen met een dwarsbalk en gesteund door een groot en hoop van zware steenen. Van den eenen naar den anderen oever worden die stellages verbondendoor twee touwen van lederen riemen, die om elkaar heen zijn gewonden en voor leuning dienen. Aan de dwarsbalken hangt een ander gedraaid leer, dat is de weg. De drie touwen worden op hun plaats gehouden door houten vorken in den vorm van een V, geplaatst op drie meters van elkander.Op zoo’n wankel geval loopen de menschen uit Kaschmir met zware bossen gras of met een melkkan in evenwicht op het hoofd. Wel trekken zij, die eenig schoeisel dragen, het uit, als ze over het touw stappen en kunnen dan van hun ongeschoeide voeten op de manier van apen gebruik maken. Buitendien is er iemand bij de hand, die voor twee anna’s de menschen, die licht duizelig worden, op zijn rug neemt en diegenen, die verschrikt worden door de bruisende watervallen onder dien clownsweg, eroverheen draagt. Hij is een soort van Hercules, een mensch dragend als een veertje; hij bindt zich zijn klant eerst op den rug met een breede sjerp, waarvan hij de einden op zijn borst samenknoopt en heeft dan zijn handen vrij voor het balanceeren. Juist zulk een brug, maar minder lang, ziet men nog weer bij Oeri beneden het fort van de Sikhs, welke muren van gebakken steenen daar als een decoratie in het landschap schijnen neergezet.Maar hoe alle schilderachtige tooneelen te beschrijven, die elk op hun beurt worden omlijst door de randen van de rijtuigkap en die men maar even in het voorbijgaan gadeslaat? En evenzoo moeten wij er ook van afzien, de duizend-en-één incidenten, onderweg voorgevallen, te vertellen, als daar waren ontmoetingen met ekka’s, met ossenkarren of lange slieren kameelen, die al mummelend met hun lippen, voortsjokken alsof ze paternosters prevelden.Dan waren er de dorpen met hun lage hutten, waarvan de veranda’s op de platte daken waren; de bazars, waar nog oude munten gangbaar zijn met grieksche opschriften; de heiligdommen, aangewezen door driehoekige vlaggen van verschillende kleuren, om nog niet eens te gewagen van de drukte op de onderscheiden pleisterplaatsen. Bovendien zag ik onder een groepje struiken bij hun geiten en hun jongen hond, die tegen de tonga blafte, twee kleine, mooie herderskinderen, Daphnis en Chloë op den onschuldsleeftijd, en Chloë leunde teeder met haar zwart lakensch kapje tegen den vuilen tulband van Daphnis.Zoo is de weg naar dit paradijs al heerlijk, en van Rampoer af kondigt alles aan, dat we Kaschmir naderen. De hellingen zijn bedekt met dennen en ceders, en langs den weg groeien populieren en platanen. Reeds te Brankoetri gaat men voorbij de ruïnen van een tempel. Die van Baniyar, die wat beter in stand is gebleven en die nog overeind staat midden op zijn vierkant plein, geeft een zeer goed denkbeeld van wat die oude gebouwen zijn geweest. Daar verschijnen ook al de irissen, die typische bloemen der streek. Plotseling is de rivier verstandig geworden en doet zich spiegelglad voor, en de lange kloof, waar wij nu al twee dagen doorrijden, komt op eens uit bij het “gelukkige dal” en wel door de nauwe poort van Baramoela, tegelijk de eenige uitweg voor het water van het dal.Van Mari naar Baramoela heeft men 200 kilometers af te leggen, dus loopend negen dagreizen, en als men per post gaat, een dertigtal pleisterplaatsen. De in 1880 begonnen weg was in 1890 voltooid tot den ingang van het dal, maar het stuk tusschen Baramoela en Srinagar werd eerst in 1897 opgeleverd.In 1896 waren de bruggen gereed en de stoomrol, die den weg effent en een beeld is van onze nivelleerende beschaving, verpletterde in het op den weg gebrachte puin menigen steen, ontleend aan oude hindoe-ruïnen. De weg gaat door de alluviale vlakte, waar men inderdaad geen enkelen steen zou vinden; het bergland is ver verwijderd, en de ondernemers vonden het gemakkelijker, de oude steden van het land als steengroeven te bezigen. In dat jaar reden de eerste rijtuigen door Kaschmir, door de boeren met meer nieuwsgierigheid aangestaard dan bij ons de automobielen. Thans rijden alle mogelijke soort van voertuigen naar Srinagar en laten halverwege de oude stad de tempelruïnen van Patan liggen. Als ge haast hebt, ga dan direct naar de hoofdstad door, maar houd dan ten minste stil op de brug, waar de weg over de rivier gaat en blaas een weinig uit.Die Amira-Kadal is de eerste der zeven bruggen boven Srinagar en de eenige in europeeschen trant gebouwd; zij is de plaats van samenkomst geworden voor de nieuwtjesvrienden der stad. Daar behandelen ze de openbare zaak en verspreiden er alle weken het gerucht, dat de Afghanen in Lahore zijn binnengevallen en dat de Russen het Pamirplateau hebben overschreden. Wij zullen er even rondzien.Er wordt aan beide zijden een markt gehouden, en het is een druk heen en weer loopen van groote kerels met gebruind gelaat, gekleed in een wollen kleed, dat zich eenmaal moet herinnerd hebben, wit geweest te zijn, en met een katoenen tulband. Het zijn brave menschen op de manier van den globetrotter, wel te verstaan, gezegd, die in een station van Pendsjab zijn boosheid op een onbeschaamden koelie niet eerder dorst luchten, vóór hij geïnformeerd had van welk ras de man was.De Kaschmireezen zijn in dat opzicht van de goede soort; ze kunnen wat verdragen en buigen hun rug onder zweepslagen. Ze zullen niet als de Afghanen een slag beantwoorden met een doodelijken steek met een mes. Omdat de menschen van Kaschmir zoo sterk en zoo goedig zijn, hebben de Engelschen er het besluit uit getrokken, dat ze laf waren. Hadden ze misschien liever, dat het moordenaars en roovers waren? Het is waar, dat de Engelschen de Afghanen, wier dapperheid niet in twijfel kan worden getrokken, verraders noemen.Dat voortdurend gebruik van slechtklinkende, afkeurende aanduidingen toont alleen duidelijk aan, dat de Engelschen niemand goed vinden dan zichzelven.Er zijn Kaschmireezen, die, getroffen door dat verwijt van lafheid, beweren dat hun lang kleed, ’t welk hun nationaal costuum is, hun door de mohammedaansche overheerschers werd voorgeschreven, om ze te verweekelijken. Dat klinkt wel goed en zou overtuigend zijn, als zij, die het bedacht hebben, van hun kangri afstand konden doen. De kangri is de inlandsche warme stoof, een aarden pan, met riet eromheen en gevuld met kolen en asch, waar de Kaschmirees, zoodra het maar een beetje koud is, onafscheidelijk van is en die hem als zijn schaduw altijd vergezelt. Hij brengt heele dagen erop zittenddoor, houdt de stoof des nachts bij zich en door die gewoonte ontstaat menige brand in een woning, terwijl de litteekens van brandwonden er vaak aan zijn toe te schrijven. Nu heeft de kangri juist behoefte aan het lange kleed met wijde mouwen, waar men de stoof onder verbergt, en daar dr. M. A. Stein verzekert, dat er reeds sprake van is in oude kronieken, moet men afzien van het mooie sprookje van een Kaschmir, waar oudtijds alleen helden woonden, die allen zoo dapper waren omdat ze broeken droegen.Maar ge begint al onder de voorbijgangers verschillende typen en kleederdrachten te herkennen. Ook als we de sikhs en de menschen uit Pendsjab er buiten laten en andere immigranten uit Indië, behooren de Kaschmireezen zelven niet allen tot denzelfden godsdienst, noch tot dezelfde kaste. In het algemeen kan men zeggen, dat ze Hindoes of Mohammedanen zijn. De laatsten zijn verreweg het talrijkst; van de honderd twintig duizend inwoners der hoofdstad zijn meer dan twee derden aanhangers van den Islam, en buiten de steden is de verhouding nog meer in het voordeel van de Mohammedanen. Het schijnt, dat die bekeering van de massa der bevolking, die van niet later dan de veertiende eeuw dagteekent, zonder eenig geweld is tot stand gekomen en niet het gevolg is geweest van een inval van veroveraars. De boeren en de arme menschen, die bij verandering enkel konden winnen, namen den nieuwen godsdienst aan; de Brahmanen, die er alles bij te verliezen hadden, hielden zich aan den eeredienst, hun door hun voorvaderen nagelaten en die de eenige rechtvaardiging hunner voorrechten was.De Mohammedanen noemen hen afgodendienaars, maar zijn zijzelven wel zeker ware orthodoxe geloovigen te zijn? Werkelijk hebben ze alle indisch bijgeloof behouden onder een vernisje van den Islam, en de geleerden uit Mekka verketteren hen op hun beurt met den naam heiligenaanbidders. Ofschoon de Brahmanen in de minderheid zijn, hebben zij verreweg de meeste ontwikkeling en beschaving, al verdienen waarschijnlijk niet allen den naam van pandit of geletterde, dien ze elkander algemeen toekennen. Men kan hen dadelijk van hun muzelmansche landgenooten onderscheiden door het secteteeken dat ze op het voorhoofd dragen, aan den eigenaardigen vorm van hun tulband, en aan de sjerp om hun schouders.Nu ge een eersten indruk hebt gekregen van de Kaschmireezen, zal het u interesseeren te weten, wie over hen regeert. Kijkt eerst eens stroomaf en dan stroomop. Daar vlak bij den linkeroever die opeenhooping van leelijke gebouwen, dat is de Sjer Garhi, zooals men het paleis van den maharadja betitelt, en ginder, hooger op den rechteroever, onderscheidt ge tusschen de populieren en platanen de elegante villa van den engelschen resident. Wie is nu de eigenlijke vorst in Kaschmir, de resident of de maharadja? Dat weten zelfs de kleine kinderen, en de grijsaards vergissen er zich niet in. Een honderdjarige Brahmaan, die ons alle regeeringen opnoemde, die hij had bijgewoond in zijn leven, gewaagde van de Afghanen, de Sikhs van Randjit-Singh, de Radjpoeti’s van Goelab-Singh ... en de Engelschen van de koningin. Het is om de volledigheid haast jammer, dat hij er ook niet nog de Russen heeft zien heerschen.Het Kaschmir van de Sikhs heeft Jacquemond in 1831 bezocht en het onderkoningschap werd er hem, naar men zegt, aangeboden. Wees maar niet bang, dat uw bescheidenheid op een dergelijke proef zal worden gesteld; die gelukkige tijd is voorbij! Op den heen- en terugweg had onze landgenoot de gelegenheid gehad een Radjpoet te ontmoeten uit den stam der Dogra’s, die door de gunst van Randjit-Singh het tot radja van Djammoe had gebracht. Reeds wierp Goelab-Singh, zoo heette de avonturier, begeerige oogen op Kaschmir. Zoo lang Randjit-Singh leefde, die den bijnaam had van den leeuw of zooals Jacquemond zegt, den vos van Pendsjab, ziet men hem er omheen zwerven, zonder dat hij er binnenkomt. Achter elkander verovert hij de aangrenzende landen, Kitsjwar,Ladakh, Skardo, en na den dood van den leeuw weet hij slim zich te handhaven in de gunst van Sikhs en Engelschen beiden. Eindelijk staat bij een verdrag van 16 Maart 1846 de engelsche regeering aan den maharadja Goelab-Singh en zijn mannelijke afstammelingen de geheele bergachtige streek ten oosten van den Indus af en ten westen van de Ravi..... In ruil betaalde de nieuwe maharadja de som van 75 lakh roepijen en verbond zich, om jaarlijks een schatting te betalen in paarden, geiten en shawls. Er wordt beweerd, dat die laatste nog worden ingeleverd en dat keizerin Victoria er haar niet dure bruidsgeschenken van maakte. Dat verdrag was van Goelab-Singh een meesterstuk. Men zegt, dat hij binnen enkele jaren in de opbrengst van het dal de som terugkreeg, die hij ervoor had uitgegeven.Nooit praat men den Kaschmireezen uit het hoofd, dat om zulke voordeelige voorwaarden te bedingen, Goelab-Singh de Engelschen had doen gelooven, dat al het hem afgestane land niets anders was dan onvruchtbaar heuvel- en bergland, en de redactie van het tractaat doet daar wel aan denken. Inderdaad was het hun bedoeling, Goelab-Singh af te scheiden van de zaak der Sikhs en in hem een bondgenoot tegen die laatsten te krijgen; drie jaren later, toen in 1849 Pendsjab definitief werd ingelijfd, bleek het, dat ze vlak naast zich een bijna onafhankelijk koninkrijk in het leven hadden geroepen, en een, dat nog wel grensde aan chineesch en russisch grondgebied.Maar genoeg over politiek. Ge zult een zeer goed onderkomen vinden in het hotel, dat te Srinagar geopend is ter gelegenheid van de inwijding van den nieuwen rijweg. Maar men komt niet in Kaschmir, om zich in een hotel op te houden zooals in Zwitserland, en men kan nooit iets van het land en zijn bekoorlijkheid te weten komen, als men zich niet vrij beweegt en overal rondkijkt in dit prachtige hoekje van Hoog-Azië, zoodat men er min of meer het nomadenleven leidt van onze hypothetische voorouders, de Ariërs. Dat is, of men het wil bekennen of niet, de eigenlijke charme van een verblijf in Kaschmir, die onafhankelijkheid van belachelijke en hinderlijke voorschriften van onze maatschappij, waar alles tot overtreding wordt, van het houtsprokkelen in het bosch tot het water putten uit den oceaan. Hier is de verwezenlijking van wat sinds het Paradijs de roeping en de droom van den mensch is gebleven, koning te wezen te midden van een bevriende natuur; hier vindt men de voldoening, uitingte kunnen geven aan dat instinct van vagabondage, dat in ons allen leeft en ons tot onbewuste nomaden stempelt. Het teeken en misschien ook het losgeld voor dien terugkeer tot de zeden der primitieve menschheid is de enorme belangrijkheid, die het probleem van onderdak en voeding aanneemt, een vraagstuk, dat ons geen oogenblik bezighoudt in het kunstmatige leven in de beschaafde wereld.Laat mij daarover nog eenige aanwijzingen geven. Gij zult in de winkels te Srinagar, gehouden door de onvermijdelijke Parsi’s, alle ingemaakte voedingsmiddelen kunnen krijgen uit Europa; maar beter doet ge u te voorzien, zooals trouwens de meeste leden der vlottende vreemdelingenkolonie doen, op de naburige markten van de brug Amira-Kadal. Natuurlijk vindt ge er geen rundvleesch, noch voor geld, noch voor goede woorden, tot verdriet der Engelschen, die zich schadeloos stellen door massa’s corned beef te verorberen. Het verbod van rundvleesch wordt streng gehandhaafd door de regeerende Hindoedynastie, en het dooden van een koe, dat vroeger met den dood werd gestraft, zou thans een inboorling nog op een gevangenisstraf van vijftien jaar komen te staan, terwijl een Europeaan erom uit het land zou worden gezet.Maar ook zonder dat vleesch, dat verboden is, omdat het te heilig is, en varkensvleesch, dat uw mohammedaansche kok met tegenzin voor u klaar maakt, omdat het niet heilig genoeg of te wel onrein is, zal uw tafel nog ruim voorzien kunnen zijn van uitmuntend schaapsvleesch, sappig wild, groenten, eieren en versche boter; dat is alles op den bazar te krijgen. Wees niet onthutst, als uw kok de etenswaren van de markt thuis brengt in een stuk berkenschors; dat is het oude papier van dit land, zooals uit oude manuscripten blijkt, en men maakt er nog veel gebruik van voor huiselijke dingen.Wenscht ge ten slotte nog iets van de prijzen te weten, die wel zullen stijgen, als de stroom van toeristen sterker gaat vloeien, dan zij gezegd, dat een kip zes of tien stuivers van ons geld kost; een pond boter of een dozijn eieren vier en de rest naar evenredigheid. En toch ontmoet men nog menschen, die klagen over de duurte der levensmiddelen en pochen op den tijd, toen men voor één roepij een heel schaap kon krijgen.Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.Ziedaar iets over de tafel. Wat de huisvesting aangaat, als ge niet vooraf uw maatregelen hebt kunnen treffen te Lahore, doet ge het best van een der agentschappen te Srinagar te koopen of te huren de noodige tenten en kampmeubelen. Dan laat ge uw linnen huis, dat veel geriefelijker is dan ge kunt gelooven, als ge het nooit hebt geprobeerd, opslaan aan den oever der rivier of in de buurt der residentie onder de schaduw van de boomen der baghs of parken voor Europeanen gereserveerd. Daar is de Moensji-Bagh, een boomgaard aan de Djhilam, bestemd voor gehuwden en dames alleen; verder de Tsjinar-Bagh, een prachtig bosch van platanen aan den uitgang van het meer ten gebruike van ongetrouwde mannelijke personen; zoo is het koren van het kaf gescheiden. Vooral moet ge zorgen de beschikking te krijgen over een dier inlandsche booten, die doenga’s worden genoemd; die kan u tegelijk als huis en als voertuig dienen bij uw eerste uitstapjes. Op deze eerste lentedagen, nu het water nog zoo hoog is, kan de boot u door de rivier en de meren in allerlei richting naar de interessantste plekken van het dal voeren. Voor wie in de tonga heeft gereden over den hobbeligen weg en geradbraakt is door schokken, verdoofd door den hoorn en half gestikt door het stof, is de ruil niet kwaad van een tonga tegen een doenga.De derde van de zeven bruggen van Srinagar.De derde van de zeven bruggen van Srinagar.II.Door het “Gelukkige dal” in een doenga.—Roeiers en roeisters.—Van Baramoela naar Srinagar.—De hoofdstad van Kaschmir.—Een beetje staathuishoudkunde.—Boven Srinagar.De doenga is een boot, die, plat van onderen, aan beide uiteinden puntig uitloopt en tien meter lang is, terwijl er een dak van gevlochten riet over is gespannen. Andere matten, die naar believen opgerold kunnen worden als stores, sluiten de ruimte aan de kanten af en vormen ook de deur en de afscheiding tusschen de binnenruimten. Aan de voorzij bevindt zich een kleine veranda; dan volgt een vertrekje, dat in mijn boot juist vier meter lang en 1.80 M. breed was, en eindelijk een hutje, dat als cabinet de toilette dienst doet. Bij den achtersteven is het gezin van den roeier gehuisvest en slaapt in een ongeloofelijk kleine ruimte.Boot en bemanning huurt men per maand voor een twintigtal roepijen, en men kan het er wel naar zijn zin hebben, als men zorgt, de geheele ruimte aan boord inderdaad voor zich te hebben en die naar eigen smaak te kunnen inrichten. De bedienden volgen in een andere boot, waar gekookt wordt. Als het uur van de maaltijden slaat, komt de tweede boot op zij, en ge wordt uit uw drijvende keuken bediend, zonder dat ge u behoeft op te houden.Een klein, licht bootje, sjikara genoemd, dient voor de jacht op watervogels en voor snelle tochten en maakt uw vlootje compleet, waarmee ge u nu kunt bewegen op de rivier en de meren van Kaschmir. De mode van zulke zware drijvende woningen, die de Engelschen house-boats noemen, is ook wel van de Theems naar de Djhilam overgebracht, maar, al kan men ze bij de agentschappen in uitstekenden staat huren, dat komt veel duurder, en het zijn zulke logge machines, dat als het water een beetje laag is, men ieder oogenblik gevaar loopt vast te raken; ook heeft de doenga meer locale kleur, en ontkomen aan de handji’s kan men toch niet.De handji’s zijn de roeiers van Kaschmir; een kaste, die misschien verachtelijk, maar stellig veracht is, ofschoon ze een groote rol in het volksleven spelen. Tot in de allerlaatste jaren gaat al het vervoer te water, en de rivier is steeds vol schepen, van de groote vrachtbooten af tot de lichte doenga’s voor passagiers toe. De handji’s van die laatste slaan in den slechtsten reuk; er wordt veel kwaad van hun vrouwen gezegd; maar ook haar schoonheid wordt geprezen. Ze zullen in haar jeugd wel een tijd van frischheid hebben gehad, maar ik moet zeggen, dat het harde leven haar die fraîcheur dan gauw heeft ontnomen. Zij roeien altijd door of boomen of trekken aan het touw; verder moeten ze rijst stampen en maïs in zware houten vijzels, en dan moeten ze nog een heelen hoop kinderen grootbrengen, allerliefste kinderen trouwens.Een heel vertier voor de handji’s zijn de kibbelpartijen met collega’s van andere booten; die twisten zijn in Kaschmir spreekwoordelijk geworden. Het répertoire van scheldwoorden is volgens het zeggen van diegenen, die ze verstaan, nog veel uitgebreider dan dat van de parijsche koetsiers. Meestal doen de vrouwen dapper mee of ook wel is het aan haar alleen overgelaten, terwijl de mannen al rookend toeluisteren en lachend aanhitsen. Soms valt de avonden duurt de strijd nog voort; dan werpt ieder der strijdenden een ketel over boord vóór aan de boot ten teeken, dat de twist daaronder gedurende den nacht bewaard blijft; des morgens wordt het ding omgekeerd, en de vrouwen trekken weer van leêr.Bij Baramoela al heb ik kennis gemaakt met de naïeve opdringerigheid van die zoo belasterde handji’s. Ik moest uit de vloot van aan den wal vastliggende booten er een paar kiezen. Van alle kanten werden aan mijn adres smeekbeden en aanroepingen gericht; sommigen wierpen zich in het stof aan mijn voeten of veegden met hun voorhoofd over mijn schoeisel, kortom de gansche comedie werd opgevoerd, die ze in dergelijke gevallen gereed hebben. En altijd klonk één woord boven de andere uit: “Kiline, Hazoer, kiline!” Dat is hun manier, om het engelsche woord clean uit te spreken, want zindelijkheid is natuurlijk het eerste vereischte voor de uit Europa aangekomenen. Toen ik een keuze had gedaan, staakten de andere bootslui dadelijk hun aandrang; een anderen keer zouden zij gelukkiger wezen.Ik heb mij niet over mijn volkje te beklagen gehad, behalve dat ze als al hun collega’s de verfoeilijke gewoonte hadden, dag en nacht te babbelen en geen notitie te nemen van mijn “tsjoep! tsjoep!” het hindoesche woord voor “stilte, stilte!” Er waren ook wel oneenigheden tusschen de vrouwen van de verschillende booten; maar ze durfden mij daar niet veel van te laten merken, en het was vermakelijk, soms als ze zich onopgemerkt waanden, de woedende gezichten te zien, waarmee ze af en toe tegenover elkander op den grond spuwden, om de wederzijdsche minachting te uiten.Maar toen ik eenmaal onderweg was, wat was het toen een genot, des morgens in de doenga te ontwaken, die onmerkbaar over de rivier glijdt, die mooie rivier met het klare, stille water! Als een enkel lui uurtje reeds zijn waarde heeft, dan kan men begrijpen, wat het was, in de vroegte, onder de opgetrokken stores door, de groene oevers voorbij te zien glijden. Om de waarheid te zeggen, heeft het landschap niets vreemds, en mogelijk komt de populariteit van deze reis wel grootendeels doordat ze den Engelschen hun Theems herinnert.Wij zijn den eersten dag gevaren van Baramoela naar Sopoer in dat zachte, nevelachtige weer, dat onze noordelijke zomers dikwijls aanbieden; de verte verdween in witten damp, en dichterbij vormden de schaduwen, de vette weiden, waar de kudden graasden, de mooie, goed bebouwde velden en de wijde vergezichten een landschap, dat even goed in Middel-Europa had kunnen liggen.Tegen den middag scheurde het waas, dat als een tulen gordijn den horizon bedekte, en in de nu doorschijnende lucht verschenen, eenig om te zien, de met sneeuw bedekte toppen, die het dal insluiten, een smaragd in zilver gevat, en die aanblik was alleen de reis wel waard.Zonder eenige inspanning kan men op deze reis de merkwaardige en beroemde ruïnen van Kaschmir bewonderen. Alle oude hoofdsteden en bijna alle godsdienstige stichtingen der koningen, waarvan de kronieken gewagen, liggen aan de rivier, die de hoofdader van het land is, en kunnen dus op de gemakkelijke vaart worden bezichtigd.Een primitieve brug, kleine hindoesche heiligdommen, een moskee, een dorpsbazar, zoowat achthonderd huizen met spitse daken en geen platte, als in Indië, ziedaar Baramoela en ziedaar ook, maar in kleiner afmeting, Sopoer. Vooral de bruggen trekken door nieuwheid de aandacht. Ze zijn geheel van hout gemaakt; de pijlers zijn niet anders dan rijen afwisselend op elkander gestapelde balken in de lengte en in de breedte. Uit de verte zou men ze kunnen houden voor een hoop planken, die liggen te drogen.Beneden aan den kant, van waar de stroom komt, is een soort van uitsteeksel van stevige planken, bezwaard met dikke steenen, dat de kracht van den stroom moet breken. Naar boven toe worden de palen al breeder en breeder, en de daarover geworpen stukken hout komen al dichter en dichter bijeen, tot ze eindelijk dicht genoeg elkaar genaderd zijn, dat de dwarsbalken van den vloer der brug er gemakkelijk over gaan. Zulke holle bruggen hebben buiten het voordeel van hun goedkoopheid en eenvoudigheid nog het gemak, dat ze tegen de hooge vloeden kunnen, die door de holten heenstroomen, zonder schade aan te richten. Vroeger stonden er veel gebouwtjes en winkels op de bruggen, net als op de Beursbrug in Parijs in den ouden tijd en op de Ponte Vecchio in Florence; maar overal zijn die bouwsels verbrand en men is er niet toe overgegaan, ze weer op te bouwen.Achter Sopoer krijgt men het Voelar, het grootste meer in Kaschmir, te zien. Als er niet enkele open plekken met mooi helder water waren, zou men eerder denken aan een onmetelijke weide van vochtminnende grassen, vol vogels met schitterende vederen. Overal ziet men waternoten, Trapa natans, daar singhara’s genoemd, een der voortbrengselen van het meer en in tijden van schaarschte door de Kaschmireezen zeer op prijs gesteld als voedsel. In platboomde booten zamelen de oeverbewoners ook voedsel in voor hun vee op die reuzenweiden van waterleliën en lotusbloemen. Zij zingen onder het werk, terwijl ze met hun handen de natte bladeren afrukken van de met een kleverig vocht gevulde stelen, en de wind voert de zich eindeloos herhalende, melancholieke hindoesche liederen zeer ver mee.De schippers zijn bang voor de Voelar, want het meer wordt dikwijls bezocht door hevige onweders en stormen, die van de bergen neerdalen en die zeer gevaarlijk worden voor hun platte en hoog geladen schuiten. Ze kunnen dan niet anders doen dan maar zoo gauw mogelijk den oever trachten te bereiken, vóór de golven in de boot slaan. Het heet, dat Goelab-Singh in zoo’n storm omkwam.In plaats dan ook van het meer over te steken, om den mond van de groote rivier te bereiken, haastten mijn handji’s zich, om langs den zuidelijken oever den ingang van het Noroekanaal te halen. En ze hadden goed gedaan, want in den avond overviel ons de storm, sloeg onze rieten gordijnen omhoog en dreigde, passagiers en meubels eraf te strijken. Gelukkig vonden we beschutting van een heuveltje, en al de handji’s gingen ijverig aan het vastsjorren van de touwen en bevestigen van het rieten dak. Waarna wij niet anders te doen hadden dan te gaan slapen, wat zeer goed gelukte, beschermd als we waren tegen regen en wind door ons dak van gevlochten riet.Die stormen trekken even gauw weer af, als ze komen opzetten. In den morgen vertrokken wij over het kalme water, dat spiegelglad was. De gelegenheid was mooi, om door de binnenvijvers tot in de buurt van de ruïnen van Patan te komen. De doenga’s gleden voort over de bloeiende lelies en door het hooge riet, bevolkt met talings; het water was zoo doorschijnend, dat men de blaadjes van het mos op den bodem tellen kon. Een klein kanaaltje voerde naar groote alleenstaande platanen, die bij het niet op de kaarten aangeduide dorp Panhallan behoorden. De kampplaats maakte weinig vertooning; maar we genoten er een prachtig panorama, waar men uitzicht had van den Haramoek tot den Toetakoeti en van den Kadsjnag tot den Brahma-Sakoel, een onmetelijken kring van sneeuwbergen.Eenige kilometers van daar geraken de oude tempels van Patan, die in 1885 bij de laatste aardbeving zooveel geleden hebben, al meer in verval. Palhallan, dat prachtig ligt in de schaduw van moerbeiboomen, notenboomen, eeuwenoude platanen en populieren, waar zich de wingerd omheen slingert, is in het bezit van een merkwaardigheid, namelijk zijn reigerbosch. Honderden reigers gaan en komen er, altijd heen en weer vliegend van de groote meren naar de hooge boomen, waar ze hun nesten hebben. Het is een dwaas gezicht, als ze met de lange pooten gaan zitten: andere plukken hun veêren uit of zitten na te denken, met den hals in de schouders getrokken, op een verdorden tak; want de kruinen der boomen zien er nog al kaal uit, en schijnen te lijden onder die al te dichte bevolking.Men moet zich er wel over verbazen, dat de Kaschmireezen niet van hun reigers hetzelfde gebruik hebben gemaakt als de Chineezen en Japanners van hun ooievaars, te meer omdat het een koninklijke vogel is, waar niet op mag gejaagd worden. Vroeger droegen ook inderdaad de aanzienlijken een aigrette van reigerveêren, bevestigd aan een edelgesteente, op hun tulband, en de pacht voor de vergunning tot het plukken der vogels maakte deel uit van de staatsinkomsten. Nog in de laatste jaren moest de pachter 268 roepijen betalen en 2999 veeren buitendien inleveren, geen één meer of minder. Maar het is geen mode meer, en de aigrettes verschijnen nog alleen bij gelegenheid van een bruiloft in het mascaradecostuum der bruid.Ons drijvend huis begeeft zich weer op weg door de heldere vijvers vol bloemen, om naar het Noeroekanaal terug te gaan, dat te Sjadipoer uit den hoofdarm van de Vitasta komt; daar juist tegenover vereenigt de Sindh zich ermee, zoodat het daar een waar kruispunt van rivieren is. Die samenvloeiing is in de oogen der Brahmanen een even heilige plaats als de vereeniging van Ganges en Djoemna; op een rond eilandje staat een kleine plataan, die gelijkt op den eeuwigen boom, welks stam in de kelders van het fort Allahabad nog door de pelgrims vereerd wordt. Het heet, dat hij geen ontwikkeling en geen verval kent. Er wordt daar op die vereerde plek een uitstekende vischsoort gevangen, de mahsir genoemd.Als men van daar de groote rivier afvoer, zou men spoedig de Soembalbrug hebben bereikt en dan door een kort kanaal het groene en diepe water van het Manusbalmeertje, waar een vervallen kaschmireesche tempel zijn ondergang vindt in den slijkerigen grond. Indien men daarentegen de rivier opvaart, doet zich al gauw in de verte het sikhsche fort Hari-Parvat voor, de citadel van Srinagar. Op den achtergrond ziet men een hoogen berg, die tot scherm dient voor de opgaande zon, en waar een brahmaansch heiligdom op is gebouwd, wat niet verhindert, dat de Mohammedanen het Takht-i-Soeleiman noemen, dat is Troon van Salomo.Srinagar wordt door de rivier in twee deelen gescheiden en volgt den stroom over wel vijf kilometer. Zeven bruggen verbinden de beide oevers. Ik kreeg er den indruk van te komen in een half in puin liggende stad. Het is, alsof de huizen, waarvan vele gestut worden, in den toestand van onstandvastig evenwicht gelaten zijn door de laatste aardbeving en nu maar wachten, tot de volgende ze geheel omverwerpt. Ze winnen erdoor in schilderachtigheid met hun kleine loggia’s op de bovenverdieping, de opengewerkte luiken, waarover ’s winters papier wordt geplakt, om de niet aanwezige vensterglazen te vervangen, en vooral de aarden daken, met frissche bloemen en wilde grassen begroeid, die bij het minste koeltje wuiven.Om beurten glijden ons voorbij moskeeën met haar drievoudig, eveneens bebloemd dak, en Hindoetempels, waarvan de koepels bedekt zijn met lappen zink, helaas, afkomstig van petroleumblikken. Kaden en groote trappen, van oude, gebeeldhouwde steenen gemaakt, vertoonen zich aan de rivier. Vrouwen dalen erheen af, om haar kruiken te vullen van rood of bronskleurig aardewerk; haar kleine houten sandalen, vastgehouden door een enkel knopje tusschen den grooten en den volgenden teen, klappen op de gladde treden, en het mag een wonder heeten, dat ze den nek niet breken. De lange wollen kleedingstukken hebben soms aardige fletse tinten van bleekgroen, lichtblauw of donkergranaat. Sjikara’s bevaren in alle richtingen de rivier, even talrijk als de fiacres in de straten van Parijs.Links hebben we laten liggen den nieuwen bazar, of Maharadsj-gandsj, nu nog meer nieuw, daar men bezig is aan het bouwen na een brand, die onlangs verwoestingen heeft aangericht. Hier is de zetel van al die groote kooplieden van zilveren bibelots en oud koperwerk en email, papier maché, houtsnijwerk en borduurwerk, die tot de kunstproducten van het land behooren. Heb maar geen hoop, dat ge hun ontkomt. Ze zullen u vervolgen te water en te land; met onuitputtelijk geduld gaan ze vóór uw boot of uw tent staan, dringen langzamerhand binnen met hun koopwaar en rusten niet, vóór ge hun een bestelling hebt gegeven, te leveren aan het einde van het seizoen.Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.Af en toe komen makelaars van de inlandsche banken u zeer beleefd vragen of ze uw chéques zullen wisselen, precies zooals de engelsche bank, en zelfs bieden ze aan, wat die laatste niet kan, u kaschmireesch geld te bezorgen voor de afgelegen steden van Midden-Azië, waar zij agenten hebben aangesteld. En dan komen nog de bende van menschen, die hun diensten komen aanbieden, kleermakersvoor heeren en dames, schoenmakers met schoeisel voor de stad en voor de bergen, bontwerkers, fabrikanten van reisartikelen en kampbenoodigdheden, die u van top tot teen willen uitrusten voor toekomstige expedities, u, uw personeel en, als het noodig is, ook uw honden.Voor die geheele wereld van handwerkslieden en handelaars was de dood van de industrie der shawls ongeveer dertig jaar geleden een verschrikkelijke slag. Zooals men weet, begon de mode zich omstreeks 1870 ervan af te wenden; en daar die handel grootendeels in handen was van fransche makelaars en de fransch-duitsche oorlog plotseling aan hun aankoopen een eind maakte, brachten de goede Kaschmireezen natuurlijk hun ondergang met de rampen der Franschen in verband. Het nieuws van Sédan werd door het demonstratieve volk met openbaar geweeklaag ontvangen, dat, hoewel niet belangeloos er niet minder oprecht om was, en misschien waren deze menschen de eenigen, die oprecht met ons treurden. Een gedeelte van de wevers van shawls heeft sedert dien tijd een broodwinning gevonden in twee tapijtfabrieken, waarvan de eene door een Franschman wordt geleid, den heer Dauvergne.Die economische crisis is overigens niet meer dan een episode in de jongste geschiedenis van de ongelukkige hoofdstad in het “Gelukkige Dal”. Men verwacht niet anders dan dat droevig aanzien, als men aan alle rampen denkt, die de stad in den loop der laatste jaren hebben geteisterd, hongersnood, cholera, overstrooming en telkens herhaalde branden, niets is haar bespaard gebleven, en bovendien heeft de stad te lijden gehad onder de verklaarde vijandigheid der nieuwe engelsche regeering, die, hoe weldadig ook voor de overige deelen van het land, voor Srinagar een ongeluk was. Die opeenhooping van 125.000 inwoners, voor het meerendeel mohammedaansche handwerks- en kooplieden, en voor het overige Brahmanen, heeft te veel overwicht in een gesloten dal van 35 mijlen in de lengte en tien in de breedte, en dat overigens achthonderd zielen telt.Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.Tot zoowat vijftien jaar geleden was het traditie, dat de provincie werd geëxploiteerd ten bate van de hoofdstad; maar toen luidde het bevel tot de ambtenaren, die den maharadja geleend of hem opgedrongen werden door de engelsche regeering, dat ze de rollen moesten omkeeren en de stad moesten gebruiken ten voordeele van het platte land. Er kan geen beter overzicht worden gegeven van de beide richtingen, dan de heer W. Lawrence heeft gedaan in zijn interessant werk “The Valley of Kaschmir”, Oxford 1895. Hij, die zijn naam heeft verbonden aan de verandering, zet daarin het verschil uiteen tusschen de oude en de nieuwe richting. Eigenlijk zette men alles op zijn kop in Kaschmir, en men moest wel met zulk een zachtzinnige en volgzame bevolking te doen hebben, dat zoo’n bruuske en radicale verandering in zoo weinig tijd tot stand kwam; overal elders zou ze onlusten hebben verwekt of mogelijk een omwenteling, maar hier had ze zonder woelingen plaats, al was het dan niet zonder leed, althans voor de stedelingen.Maar mogelijk was nu hun beurt gekomen, want erkend moet worden, dat het leven van de boeren in Kaschmir zeer hard was. Het was al een grondbeginsel van de oude indische koningen, dat de landbouwers, lieden van een lage kaste, niet meer bezit mochten hebben dan wat juist noodig was, om hun zaaigraan te bezorgen voor den volgenden oogst, en voedsel in die hoeveelheid, dat ze niet van honger stierven. Hun overgang in massa tot het Mohammedanisme is zonder invloed gebleven op hun lot. De koningen of de gouverneurs, die den Islam beleden, gingen voort, hen te plunderen en de Sikhs volgden dat voorbeeld. Jacquemond beschrijft den toenmaligen gouverneur als den Sikh, die in zijn domheid voor het tegenwoordige bij machte is, dit ongelukkige land te berooven, en die waarschijnlijk bij het neerleggen van zijn functie alles zal moeten storten in de schatkist van Randjit-Singh.Wat Goelab-Singh betreft, die heel gewoon zijn audiënties voor een roepij verkocht, hij verstond geen gekheid in zake zijn inkomsten. In den tijd van Ranbir-Singh werden er wel enkele pogingen gedaan, om hervormingen in te voeren, maar ze hebben schipbreuk geleden door de stelselmatige tegenwerking van de ambtenaren, die, zooals natuurlijk was onder een indische regeering, brahmanen of pandits waren. Nu waren alle pandits, vanaf den patwari in een dorp tot den vazir-vazirat of gouverneur van een provincie met daar tusschen de tahsildars of districtshoofden, het onderling eens, dat men den muzelmanschen boer zooveel mogelijk moest uitzuigen. Het grootste deel der belastingen werd in natura betaald, en de staat, die ongegeneerd den boeren drie vierden van hun oogst afnam, verkocht dien tegen lagen prijs aan de stedelingen. In dien tijd, zoo verzekerde men ons, kon een mensch van een roepij in de maand leven. Het is duidelijk, dat in die omstandigheden de stedelijkenijverheid een groote vlucht moest nemen, dank zij de goedkoopheid van den handenarbeid; maar vroolijk was het niet voor de dorpelingen, dat ze alle dagen het grootste deel van hun rijst zagen verorberen door de darren van den bijenkorf.Eindelijk kreeg de heer Lawrence de opdracht, het kadaster te herzien en de grondbelasting anders te regelen; hij nam den boer onder zijn bescherming en verklaarde tevens den oorlog aan diegenen, die hij zijn vijanden noemde, te weten de pandits van de officiëele beambtenklasse; ten tweede de dorpshoofden en ten derde de stad Srinagar. Sedert blijkt meer en meer, dat het den boer, den zemindar, goed gaat, en de andere klassen beweren zelfs, dat hij brutaal vooruitgaat. Hij heeft van den SettlementOfficervoorwaarden verkregen, beter dan hij ooit heeft gekend, en het is niet zijn schuld, als hij er door list niet nog zachtere heeft verkregen.Al zijn er enkele vergissingen begaan, en al zijn eeuwenoude misbruiken niet met één slag uit den weg geruimd, zoodat bijvoorbeeld de afpersingen der kleine inlandsche ambtenaren niet hebben opgehouden, toch is er geen twijfel aan, of de groote meerderheid van de beschermelingen van den heer Lawrence kunnen terecht verheugd zijn over een stelsel, dat hun voor de eerste maal vergunt, hun rijst te behouden en hun belastingen in producten te betalen.Wat te zeggen van zijn drie vijanden? Met een ervan, de corporatie van de lambardars of dorpshoofden, heeft hij onderhandelingen moeten houden en om hen kalm te houden, heeft hij hun vijf procent van de opbrengst van hun dorpen moeten toestaan. Maar voor de brahmanen en met hen de rest der inwoners van Srinagar is hij onverbiddelijk gebleken, en het moet gezegd, dat er voor hen groot gevaar heeft bestaan, dat zij van honger omkwamen. Zij leven echter nog, zij het dan ook in ellende. De pandits zullen zich wel redden; zij hebben het wel uitgehouden onder de onderdrukking der afghaansche gouverneurs.Net als ze ten tijde der mongoolsche heerschappij Perzisch leerden, zoo leggen ze zich thans op het Engelsch toe; de jonge lieden doen examens en krijgen weer betrekkingen. Natuurlijk doet de periode van overgang zich wel eens lastig gevoelen in de gezinnen; toch zullen ze ten slotte de regeeringsposten krijgen, waaruit de heer Lawrence hen had willen weren, en dat wel om de eenvoudige reden, dat zij de verlichtste en ontwikkeldste klasse der bevolking vormen en dus goed- of kwaadschiks ook de regeerende klasse zullen zijn.Het meest zijn voorzeker te beklagen de arme handwerkslieden uit Srinagar. Een troost is het ten minste, dat de Settlement Officer niet vastgehouden heeft aan zijn aanvankelijken eisch, dat alle belasting in geld moest worden opgebracht, en dat de staat niet langer de groote leverancier van rijst voor de hoofdstad is. Dat werd in 1891 besloten, en het gevolg was zulk een hongersnood in het volgend jaar, dat men niet ermee durfde voortgaan. In 1893 werd er besloten, nog weer 300.000 ezelvrachten of kharvars, dat is 177 engelsche ponden koningsrijst naar Srinagar te zenden; in 1896 werd er nog weer de helft heengevoerd en de stad was daardoor voor den honger gevrijwaard.Een nieuwe poging, die drie jaar geleden werd gedaan, is niet beter geslaagd en zelfs in dit jaar, 1904, heeft men om de verschrikkelijke duurte der levensmiddelen in twee van de vier districten slechts een derde van de producten in natura, die verschuldigd waren, geïnd.Dat de medaille dus haar keerzijde heeft, ligt niet aan den heer Lawrence, maar aan het stelsel, dat in geheel Indië wordt toegepast. De grondbelasting is er de hoofdbron van inkomsten. Het ligt niet in Engelands politiek, de industrie in zijn koloniën aan te moedigen. En dat is geen wonder. Men heeft het nog onlangs kunnen constateeren, hoe Manchester zich bezwaard gevoelde over de concurrentie der engelsch-indische katoenen weefsels. Indië wordt geëxploiteerd als een groote landbouwkolonie, en men wil het liefst, dat het land van het moederland alle gemaakte goederen koopt, die het noodig heeft. Dat is mogelijk niet imperialistisch, maar het is practisch.De vraag doet zich voor, of de bijzondere omstandigheden in Kaschmir het niet noodig maakten, van het stelsel daar af te wijken. Het bebouwbare deel van dat land is niet groot genoeg, om het een toekomst door den landbouw te waarborgen. Misschien zou het wijzer zijn geweest, niet alles ondergeschikt te maken aan den wensch, gemakkelijk groote inkomsten uit den grond te halen. De handvaardigheid van de Kaschmireezen, hun sinds lang beroemde bekwaamheid in de versieringskunst zouden een veel betere bron van inkomsten zijn geweest. Het was nog zoo dom niet van de oude koningen en gouverneurs, een deel der inkomsten uit den grond op te offeren voor het onderhoud der handwerkslieden uit de hoofdstad en voor den bloei van hun handwerk. Alleen de rechten voor den uitvoer van shawls brachten den staat meer dan zes duizend roepijen op; dus dat kon wel als vergoeding gelden.Wat de shawls nu niet meer opbrachten, zou door andere industrieën kunnen zijn overgenomen. Zullen wij wijzen op die, welke de engelsche bestuurders hebben trachten te steunen? Dat waren de bierbereiding en die van confituren, dingen, die zelfs niet kunnen worden uitgevoerd bij gebrek aan middelen van vervoer. Het is een belachelijke zaak, en men moet er maar niet bij blijven stilstaan. Toen sultan Zaïn-oel-ab-Din in het Dal de fabricatie van papier maché en van shawls invoerde, toonde hij vrij wat meer doorzicht. Het is te vreezen, dat ten gevolge van het duurder worden van het leven en door de toeneming van het met koopwaar rondtrekken ten behoeve der toeristen de kunst, die de glorie van Kaschmir is geweest, verloren zal gaan, zooals de industrieën, oudtijds in Hindostan wereldberoemd.Uit dit alles willen wij twee practische besluiten trekken. Het eerste is dat het verstandig is, in Srinagar zich te voorzien behalve van den pas, dien ieder Europeaan, Aziaat of Australiër moet hebben, van een parvana dat is een soort van brief voor benoodigdheden, die men, als het noodig is, kan gebruiken, hetzij om zich op de al te druk bezochte wegen van koelies te kunnen voorzien, hetzij om het noodige te krijgen voor de bedienden in de afgelegen dorpen,waar men veel moeite heeft om de boeren te bewegen, u wat van hun rijst tegen goed geld af te staan.De andere raad, dien wij gaarne zouden geven, is, om geen sjikari te nemen als hoofd van de karavaan, of men moest speciaal om te jagen naar Kaschmir zijn gekomen. Indien ge een bezoek aan het dal verkiest boven die verre, vermoeiende, tochten, laat u dan liever vergezellen door een pandit. Onderwezenheid en goede manieren zijn op dit oogenblik niet duur in Kaschmir, en ge kunt voor het salaris van een indischen bediende een welopgevoeden brahmaan bereid vinden, die Engelsch spreekt en in staat is, u niet alleen tot tolk te dienen, maar ook als tusschenpersoon in de onderhandelingen met de tahsildars en lambardars onderweg en tot secretaris in het Kaschmirsch, zoowel als in het Sanskriet en Perzisch. Natuurlijk zal hij met zijn kennis van het land telkens uw nieuwsgierigheid kunnen bevredigen, en zoo zal hij de reis interessanter maken, want ergens te reizen, zonder te begrijpen, is evengoed als niet te zien.Toen wij de aantrekkelijkheden van Srinagar hadden gezien, was het half Juni geworden. Wij zullen er in het najaar terugkeeren, want nu volgt de heete tijd en daarmee de muggen, soms ook de malaria. Dikwijls is het klimaat van het lage dal vergeleken met dat van Lombardije.Door de kronkelingen der rivier, die van de hoogte van den Takht-i-Soeleiman door het dal de slingeringen teekent, die op de shawls te zien zijn, wordt eerst Pandrethan bereikt, de oude hoofdstad, indertijd onttroond door Srinagar. Zij lag op de eerste hellingen der bergen, veilig voor de overstroomingen der Vitasta. De ruïnen zijn niet anders dan een chaos van steenen. Alleen een kleine tempel staat nog overeind op zijn vierkant pleintje, dat overstroomd is door het water van de naga, zoo noemen de Kaschmireezen de bronnen en fonteinen, die vaak slangen met menschenhoofden zijn en als beschermgoden worden beschouwd. Op het zoo ontstane vijvertje dreef een bootje. Toen ik daar eens in wilde stappen, had ik mijn eerste ontmoeting met een slang, maar deze had niets mythisch aan zich, evenmin als die, welke een paar dagen later gevonden werd onder het tentgordijn. Na dien tijd heb ik ze niet meer gezien en verlangde ook niet naar een volgende ontmoeting.Toen het beest door stokslagen van de handji’s gedood was, vroeg ik den pandit, die zulk een moord afkeurt, of de slang vergiftig was, en in plaats van zich te bukken, om na te zien, hoe de vorm was en de kleur, gaat hij recht overeind staan op zijn pantoffels en met zijn neus in de lucht, kijkt hij naar het Noordwesten.... Toch was het een antwoord op mijn vraag, want de goede man moest dat in de wolken zoeken. Siva resideert namelijk op den Haramoek, draagt als arm- en halsbanden slangen en heeft in zijn hoedanigheid van beschermgod beloofd, dat de beet van zulk een dier nooit doodelijk zou zijn op een plek, waar men den besneeuwden top van zijn woning kon zien. Dus moest even worden gekeken, of men van hier den Hamaroektop kon onderscheiden. “Zoolang u dien kunt zien,” voegde de pandit erbij, “kan u gerust wezen; maar anders is er wel gevaar...” Ik zal toch maar in elk geval op mijn hoede zijn.Meer stroomop vertoont Pampoer den voet van een Hindoetempel, een moskee, een brug en velden, waar in het najaar saffraan zal bloeien. De oogst van deze geliefde lekkernij der Kaschmireezen is een staatsmonopolie, en men moet het goudpoeder uit de helmknoppen met zijn gewicht aan zilver betalen. Er worden te Pampoer ook uitstekende beschuiten gebakken, die op reis zeer te pas komen en naar mijn smaak met het beste brood kunnen wedijveren.Ik zal niet alle halten van onze reis kunnen noemen, maar mij tot de belangwekkendste bepalen. Na Pampoer op den rechtschen oever ging het naar de zwavelbronnen van Vian en de ruïnen der tempels van Ladoe. Van Kakapoer op den linkeroever brengen twee uren wandelens u naar den kleinen tempel van Payech, die goed bewaard is gebleven, een juweel van de kaschmireesche kunst. Wat de tempels van Narasthan betreft, er is een goede dagreis noodig, om ze aan den voet der hooge sneeuwbergen te ontdekken; daarentegen liggen de vele ruïnen van Avantipoer aan de rivier, ten deele in de aanslibbingen verzonken.Hooger krijgen wij de samenvloeiing van de Vitasta en de Vesjo, niet minder heilig in de oogen der Hindoes uit de streek dan die van de Vitasta en de Sindh. Aan den hoogen kant ziet men een plateau, dat zonderling door het water is uitgeslepen, en op dien top zou Kacyapa duizend jaren in overpeinzing hebben doorgebracht, vóór hij het dal liet verdrogen. Men zou hem intusschen kunnen verwijten, dat hij zijn werk maar ten halve heeft verricht.Want als in het begin van den regentijd een hevig onweer komt opzetten, en zijn waterhoozen naar Kaschmir voert op het oogenblik van het smelten der sneeuw, wordt het Dal plotseling overstroomd en is dan bij gebrek aan een voldoend breeden weg van afvoer in gevaar, in een meer te worden veranderd. De overstroomingen van Juli 1893 waren noodlottig; die van Juli 1903 waren het niet minder, en men schat het verlies op een zesde van den oogst. De naga’s hadden toen wel dorst, en ze schenen hun periodieke schadeloosstelling te moeten hebben.Aan den voet van de kareva, zoo heet een klein plateau, van Tsadakar in een nu droog geworden vijver, is de plaats, waaraan een der merkwaardigste legenden van Kaschmir is verbonden en tevens een der oudste. In dien grijzen voortijd woonde nog een naga in den plas, en boomen spiegelden zich in het effen water; daar kwam een jonge Brahmaan op een dag schaduw zoeken en koelte. Toen hij zich gereed maakte, zijn proviand aan te spreken, zag hij plotseling een jong meisje voor zich staan, dat zoo mooi was, dat hij vergat te eten. Hij werd nog verlegener, toen hij bespeurde, dat het mooie kind niet anders gebruikte danlotuswortels. Door een teeder gevoel gedreven, noodigde hij haar uit, zijn rijst met hem te deelen, bracht haar te drinken in een beker van bladeren en wuifde haar koelte toe, waarna hij haar smeekte, hem haar geschiedenis te vertellen en hemte zeggen, hoe het kwam, dat zij, zoo bekoorlijk en aanvallig, het blijkbaar zoo armoedig had.Zonder omwegen vertelde hem de nagi, want het was zulk een heilig wezen, dat het mooiste meisje ter wereld niet anders kan eten, dan wat zij bezit, en wat de oorzaak van haar armoede aanging, daar moest hij haar vader maar eens naar vragen. Hij zou hem vinden in het naastbijzijnde dorp en hij kon hem herkennen aan zijn van water druipend haar. Zoo gebeurde het ook; de watergod vertrouwde aan den jongen brahmaan zijn klachten over de hardheid der tijden en vertelde, dat hij groot gebrek leed, want de onderaardsche goden hebben ook behoefte aan rijst, even goed als de menschen, en storm en onweer zijn hun manier om goede oogsten te krijgen.Nu waren de velden in de buurt gesteld onder de bewaking van een zoo streng kluizenaar, dat er geen aartje af kon en hij niets van den nieuwen oogst gebruikte, en zoolang hij niet had gegeten, konden de naga’s er niet aan komen. Zoo leden hij en de zijnen de kwalen van Tantalus. De verliefde brahmaan had geen rust, vóór hij den vader van zoo’n mooi meisje had verplicht. Hij bedacht den list, om eenige rijstkorrels van den nieuwen oogst in de soep van den asceet te werpen, als deze den rug gekeerd had. Nauwelijks had de grijsaard er een balletje van in zijn mond gestoken, of een hagelbui viel neer, en de naga nam den geheelen oogst mee en gaf uit dankbaarheid den brahmaan zijn dochter tot vrouw.Het dorp Vidjabroer met zijn brug.Het dorp Vidjabroer met zijn brug.De echtgenooten leefden gelukkig; maar hun geluk was slechts van korten duur. Op een dag, dat de nagi op het terras was, zag ze een paard, dat uit den stal was gevlucht en dat smulde van een hoop rijst, die er was neergelegd, om te drogen. Zij riep, dat er iemand zou komen, om het weg te jagen, en toen er niemand antwoordde van de bedienden liep ze er zelve heen onder het gerinkel van haar zilveren armbanden en het paard nam op zijn rug een gouden merkteeken mee van de hand, die het geslagen had. Dat was het begin van de ellende. De aanblik wekte den hartstocht van den koning van het land. Hij beproefde eerst, maar te vergeefs, de jonge vrouw te verleiden. Toen probeerde hij, haar van haar man te koopen, maar de brahmaan wilde er niet van hooren, en stelde de eer niet op prijs, dien de koning zijn huis wilde bewijzen.Eindelijk toen de koning, het onderhandelen moede, zijn soldaten zond, om de nagi met geweld te vermeesteren, riep de brahmaan zijn schoonvader te hulp. De naga steeg verwoed uit zijn vijver op, en in minder tijd, dan er noodig is, om het te verhalen, verbrandde hij den koning, de stad en al haar inwoners. Daarna kreeg hij tegenzin in de wereld en leed aan wroeging, zoodat hij zich in de eenzaamheid terugtrok op den weg naar Amarnath, waar hij nog is.Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.Niet ver van daar op den linkeroever heeft het groote dorp Vidjabroer, het By-Bihara van de engelsche kaarten een modernen Hindoetempel, gebouwd door Goelab-Singh, waar allermerkwaardigste afgodsbeelden worden bewaard en waar men ook in de nabijheid een mooie mohammedaansche ziarat beeft met drievoudig dak. Bij elke schrede ontmoet men er trouwens sporen der oudheid, en de bazar is vol met oude koperen munten. Er werd gekampeerd aan de overzijde van de brug onder eeuwenoude platanen, niet ver van het huis waar de maharadja komt uitrusten, als hij een of twee dagen te Srinagar komt. Wij hebben er het bezoek gehad van een ouden muzelmanschen fakir, die zonder twijfel in beschaafde landen zou betiteld zijn als vagebond. De bedienden maakten zich van den man meester en zetten hem een schitterend maal voor; een ongeloofelijke hoeveelheid rijst, dan tsjapati’s, een soort van broodjes en versche kaas, ruim bestrooid met suiker, alles genoeg om drie mannen te verzadigen; daarna boden ze hem een hoeka aan.Terwijl onze kok, een zeer vroom Muzelman, hem aankeek met vereerende blikken en met het liefdevolle van een moeder voor haar eerstgeborene, zat de vuile man kalm te rooken; de pijp alleen uit den mond nemende om eenige verwenschingen te slingeren naar het hoofd van de menschheid, die hem voedt en kleedt, terwijl hij zich lui in de zon koestert en zijn ongedierte verschuift. In physiek opzicht heeft hij niets van den fakir zooals men zich dien voorstelt, en zooals hij ook gewoonlijk is. Groot en kaal, met woeste wenkbrauwen en onbeschaamde, knippende kleine oogen, ziet hij er met zijn stompneus en langen, krullenden baard uit als een oude faun. Als de maharadja te Vidjabroer is, vraagt hij steeds naar den fakir; maar de oude, die de eerbewijzen minacht, onttrekt zich aan de hulde en blijft onvindbaar. Ik zeg u zijn naam niet; ik heb vergeten er naar te vragen en heb hem uit mijzelf maar Diogenes gedoopt.Maar reeds wordt de rivier smaller tusschen de met vlas begroeide oevers en weldra wordt ze ook ondieper, en de stroom neemt in kracht toe. Dat is het oogenblik voor de handji’s om hun schutspatroon aan te roepen, Dast Guir, hetgeen ze doen onder het boomen of trekken. Op een gegeven oogenblik moeten ze in het water loopen, de eenen trekkend, de anderen de boot duwend, tot die eindelijk voor de plek van het kamp aankomt te Islamabad, een ijver die te lofwaardiger is, daar ze, nu wij hier eenmaal zijn, worden ontslagen.Terwijl de tenten worden opgezet, kwamen de gezinshoofden met het schrift van hun getuigschriften aan, waar wij het onze bij moesten voegen. Wij zagen zoo terloops curieuse opmerkingen, bijvoorbeeld die van een heer, verklarend de boot te verlaten, “omdat hij niet langer kan verdragen, te zien hoe de mooie zuster van den bootsman altijd paardewerk moet verrichten”. Wij voegden onze onderteekeningen bij die zonderlinge collectie autografen. Waarna de salams volgden, het bedanken en het air van onderworpenheid, toen ze de roepijen in ontvangst namen, die welverdiend waren voor twee maanden goeden trouwen dienst.

Naar het Fransch van Mevr.F. Michel.

Ekka’s en Tonga’s op den weg naar Kaschmir.Ekka’s en Tonga’s op den weg naar Kaschmir.

Ekka’s en Tonga’s op den weg naar Kaschmir.

I.Van Parijs naar Srinagar.—Van Bombay naar Lahore.—Eerste toebereidselen.—Per tonga van Rawal Pindi naar Srinagar.—De bewoners van Kaschmir en hun heerschers.—Terugkeer tot het nomadenleven.Brengt u den zomer in Kaschmir door? De vraag is niet zoo dwaas, als ze aan thuiszittende menschen moet schijnen. Ik ken er, die het doen en er geen spijt van hebben. De “season” is er alleraardigst. Men vindt er van alles, en dit gelukkige land bezit dalen als in Touraine, bronnen en beekjes als in Bretagne, boomen en grasvelden als in Engeland, bergen als in Zwitserland, ruïnen als in Italië, en als nergens in de genoemde landen de vrijheid, ik bedoel het recht om te gaan en te komen, naar het u zelf belieft, als koning in uw boot en heer in uw eigen tent; volkomen naar uw goedvinden de boot aan den wal brengend of haar losmakend, de tent opslaand of afbrekend, zonder dat eenige afsluiting, eenig aanplakbord of eenig veldwachter zich met uw doen en laten bemoeit. Voeg daar nog bij de groote goedkoopheid van het leven, en alles bij elkaar genomen, is dus zulk een reis oneindig veel interessanter, hygiënischer en bovendien veel minder kostbaar dan een verblijf in de een of andere badplaats, die in de mode is.Voor wie lust heeft het experiment eens te probeeren, zijn deze aanteekeningen opgeschreven. Ze hebben geen andere pretensie dan die eene, dat ze eenige inlichtingen geven, welke men zou kunnen noodig hebben. Indien er zoo nu en dan enkele indrukken bij worden gegeven, zal men ze op den koop toe nemen terwille van de inlichtingen.Om te beginnen, Srinagar is slechts twintig dagen van Parijs verwijderd en kan voor minder dan 2000 francs worden bereikt. Laat ik het u voorrekenen: van Marseille zullen de paketbooten van de Messageries Maritimes u in veertien dagen en voor 1375 francs naar Bombay brengen. Van die stad voert de exprestrein, en daarbuiten bestaat er geen heil in Indië, u in vier-en-zestig uren en vijf-en-twintig minuten naar Rawal Pindi, waarvoor ge in de eerste klasse bij den tegenwoordigen koers van de roepij ongeveer 160 francs betaalt. Zoo vlug mogelijk reizend, kunt ge dan binnen twee dagen te Srinagar wezen. Een plaats in den postwagen kost 45 roepijen, een particulier rijtuig 130.Als de toerist niet ook den vorigen winter in Indië is geweest, zal hij goed doen, te zorgen dat hij in de eerste dagen van Maart te Bombay aankomt. Later zou hij de warmte reeds al te drukkend vinden. Op zijn weg naar het Noorden zal hij nog tijd hebben, een bezoek te brengen aan Ahmedabaden zijn moskeeën; aan den berg Aboe en zijn heiligdommen vol wonderen van geciseleerd marmer; de rose stad Djaïpoer, van waar een olifant hem naar Amber brengen zal, de oude verlaten hoofdstad; dan Agra met het groote wonder van den Tadsj Mahal, zeker het mooiste monument, dat ooit door de liefde voor de dooden is opgericht; Mathoera, het vaderland van den god Krisjna, met de kaden, omzoomd door tempels, waar de apen aan de schildpadden in de rivier de offeranden der pelgrims betwisten; het keizerlijke Delhi, waar de omgeving, bezaaid met indrukwekkende ruïnen, zoo ver het oog reikt, denzelfden indruk van grootheid en verlatenheid maakt als die van Rome; Amritsar, de heilige stad der Sikhs, dat in een vijver de gouden koepels spiegelt van zijn te hooggeroemden tempel.... tot eindelijk hij te Lahore aankomt.En wat is er daar nog veel te zien! Het mooie museum, de schilderachtige straten van de stad der inlanders, het fort van Akbar, de moskee van Aureng Zeb, die van Vazir Khan, geheel bedekt met prachtige porseleinversieringen; de tuinen van Sjalimar uit den tijd der Groote Mogols, en aan den overkant der lange schipbrug de tuinen van Shah Dehra, waar Jehan Guir, bij zijn leven een ongeloovige, na zijn dood wonderen verricht; verder de tallooze graven, die van Lahore en omgeving een groote necropool maken en maanden achtereen doel kunnen wezen van telkens andere avondwandelingen.Daar trekt de aandacht het graf van de arme Anarkali, wier naam beteekent Granaatknop en die, naar men zegt, levend begraven werd, toen nauwelijks haar jeugd in schoonheid was ontloken, omdat zij een enkele maal haar glimlach had geschonken aan dienzelfden Jehan Guir in de dagen, toen hij nog niet anders was dan de erfprins Selim. En toch was ik nog meer ontroerd bij het zien van het huis, waar generaal Allard woonde, een dier officieren van het groote leger, die bij wijze van revanche het fortuin van Randjit Singh maakten, en waar hij gastvrijheid verleende aan Jacquemond; onder een open koepeltje in den tuin droeg een eenvoudige marmeren steen het fransche opschrift: “Marie Allard, zes maanden.”Intusschen zal de toerist ook zijn toebereidselen maken voor de reis als beschaafde nomade. Hij zal beginnen met zich een lichte tent aan te schaffen, die toch dubbel is, naar het model, dat “Zwitsersch huisje” heet of Kaboeltent. Dan zal hij meubels voor het kamp aanschaffen, waaronder een bed dat uit elkander kan worden genomen, benevens tafels, die toegeslagen en stoelen, die gevouwen kunnen worden; keukengerei, liefst een reeks aluminiumpannen van verschillende grootte, die in elkander passen; een veldkachel, geëmailleerd aardewerk en tuinlampen en dan nog dat betrekkelijk zeer klein aantal dingen, die werkelijk onmisbaar zijn. Men kan ook gerust met het aanschaffen van een en ander wachten tot de aankomst in Kaschmir en het gaat ook wel, een deel der goederen te huren van een der agentschappen te Srinagar.Maar laat men vooral niet verzuimen, reeds te Lahore twee van die onwaardeerbare indische bedienden te huren, die zoo goed de kunst verstaan het gemak en de rust van hun heer te verzekeren te midden van de vele kwellingen der dagelijksche verplaatsingen. De eene zal dienst moeten doen alskhitmatgarof kamerdienaar, de ander zalkhansamaof kok wezen. Hun maandelijksch salaris bedraagt van twaalf tot zestien roepijen, plus een fooi van acht roepijen, als men hen ver van hun huis meeneemt en ze voor hun eigen onderhoud moeten zorgen. Die Mohammedanen uit Pendsjab zijn in den regel betrouwbare personen en geheelonthouders, wat niet altijd het geval is met de bedienden, die in de zeehavens op de aankomst van de globetrotters wachten. Stel u er vooraf van op de hoogte, dat ze van dezelfde secte zijn, om lastige conflicten te voorkomen. De mijnen hadden het onderweg best samen kunnen vinden, maar ten slotte kregen ze toch nog herrie.In den laatsten tijd van mijn verblijf te Srinagar had ik enkele uitnoodigingen moeten aannemen en eenige malen gasten moeten ontvangen. Het is dan de gewoonte, dat de bedienden elkander ook inviteeren, en nu had op een zekeren avond, toen de mijne uit dineeren waren, de khansama, die een vroom Sunniet was, met schrik vernomen, dat de khitmatgar tot de Sjiïeten behoorde; zoo ontdekten ze, na een half jaar in vrede en vriendschap te hebben geleefd, dat ze geslagen vijanden waren, omdat meer dan duizend jaren geleden khalief Omar het geslacht van Ali, den schoonzoon van den profeet, uitroeide.Laat de toerist zich gerust op den khitmatgar verlaten, om elken morgen op dezelfde plaats op tafel bij zijn bed of in de zakken aan de tent de zaken te vinden, die hij noodig heeft. Op elk uur van den dag en den nacht wordt de uitroep Koï hai! die zooveel beteekent als hei daar! beantwoord en volijverig en verstandig wacht de bediende bevelen af met de servet over den schouder als het teeken zijner waardigheid. Zorg er slechts voor, dat hij die vaak verwisselt voor een schoone! Want hij veegt er niet alleen het bord mee af, dat hij u brengt; hij stoft er, zoo noodig, ook uw kleeren mee en bij gelegenheid uw schoenen; hij jaagt er met korte, welwillende tikjes het ongedierte mee weg, dat, als ge te dicht bij een dorp hebt gekampeerd, half verdoofd door het insectenpoeder tusschen uw lakens is te vinden; hij ranselt er de koelies mee, als ze te langzaam naar zijn zin de tenten opslaan en het kamp in orde brengen, want hij gevoelt zich als een karavaanbestuurder, en de goedeKaschmireezen, die door mijn bediende worden uitgescholden, een kereltje, dat ze met een vinger hadden kunnen omverwerpen, spraken hem altijd eerbiedig met Sirdar aan, dus met niet minder dan den titel, door lord Kitchener van Khartoem gedragen, toen hij het bevel over het engelsch-egyptisch leger voerde!Hij beweerde bovendien met trots, van goede familie te zijn; maar ongelukken in de familie hadden zijn opleiding in den weg gestaan; ook maakte hij geen aanspraak op den titel van dichter, zooals de khitmatgar van een mijner vrienden, die in zijn vrijen tijd zich amuseerde met het maken van perzische verzen. Hij was ten minste trouw en eerlijk en waarheidlievend, wel een verschil met anderen, die alle veertien dagen dezelfde schoonmoeder moeten begraven; hij heeft mij slechts eenmaal een halvendag verlof gevraagd, en dat was te Lahore, om te trouwen! En toen ik hem edelmoedig den geheelen dag aanbood, protesteerde hij en beweerde, dat hij liever op tijd terug wou wezen, om mij mijn ontbijt voor te zetten.Wat den khansama betreft, hij zal zijn heer wel een beetje bestelen, dat brengt het vak zoo mee. Maar daarvoor vindt men ook overal en altijd, zelfs midden in de jungle zijn maal gereed en volkomen goed bereid. In regen of wind, aan den hoek van een bosch, op een vuur, dat tusschen twee steenen is aangelegd, in omstandigheden, waarin de eerste kok uit Europa onmiddellijk zijn voorschoot af zou doen, bereiden die indische koks vlug en onberispelijk het klassieke menu van soep, entrée, gebraad, groente en nagerecht. Toen de mijne op den eersten dag van zijn indiensttreding mij in zijn anglo-indisch taaltje kwam vragen, hoe ik het vleesch verlangde, half-paka, three quarters paka ya bahout paka, dat is halfgebraden, driekwart gebraden of sterk gebraden wist ik, dat ik een virtuoos had gekregen, die gevoel had voor fijne onderscheidingen.Ik moet zeggen, dat hij niet tegenviel; en alles aan het spit, want ik had hem eens vooral gezegd, dat mijn grondbeginselen zich ertegen verzetten, vleesch in de pan te braden; en ik zie hem nog in een plasbui met de parapluie erboven melancholiek de kip voor het souper aan het braadspit draaien. Roep bij zulke gelegenheden nooit uw smaak of uw maag te hulp, om iemand uw wensch te verklaren; daar geven ze niet om. Spreek in vage termen van den ritus of eenvoudig van het gebruik, dastoer, waaraan ge u graag zoudt houden en ge kunt er zeker van zijn, gehoorzaamd te worden, terwijl ze u er des te hooger om zullen stellen, dat ge u houdt aan wat zij voor godsdienstige gebruiken zullen houden in den geest van hun eigen geloofsvoorschriften.Enkele fransche gerechten kwamen aldus onder den dekmantel van “french dastoer” zeer aangenaam eenige afwisseling brengen in de eeuwige kippeboutjes en de flauwe engelsche groente. Door middel van breedvoerige uitleggingen en practische aanwijzingen leerde onze kok die gerechten zoo meesterlijk bereiden, dat toen ik hem aan het eind van den tocht wegzond, hij van niets minder sprak dan van zich op grond van zijn vermeerderde kennis in den dienst te stellen van een onder-gouverneur. In Kaschmir moet de toerist zijn personeel nog uitbreiden met twee of drie andere bedienden tegen acht of tien roepijen per maand. Hij zal vooreerst een bhisjti of waterdrager behoeven, die waarschijnlijk ook de functie van masaltsji of wasscher van het vaatwerk zal vervullen. Familiën, die wat talrijk zijn, hebben bovendien nog vaak een dhobi of waschman bij zich, particulier aan hun dienst gebonden. Verder zal er nog een “huisknecht” moeten wezen, een man van zoo lage kaste meestal, dat hij ook voor de honden moet zorgen en door elkaar eet wat van uw tafel overblijft; onnoodig te zeggen, dat hij in de kleine maatschappij weinig in tel is. En als gij dan, vermoeid aan het eind der étappe zijt aangekomen en ziet, hoe de kok van den bhisjti het water krijgt, dat hij aan de kook brengt op het hout, dat de “huisknecht” hem heeft aangebracht, om u een kopje thee te bereiden naar den eisch en u dat door den khitmatgar te laten brengen, zult ge, als uw geduld ten minste nog niet is uitgeput, deze sierlijke verdeeling van arbeid bewonderen.Lahore is in April nog vol rozen. Maar als de reiziger zich wil overtuigen, dat de warmte van Indië geen mythe is, zooals dikwijls door wintertoeristen wordt beweerd, laat hij dan maar tot Mei blijven en den eersten stofstorm afwachten bij 117 of 120 graden Fahrenheit, dat is 48 Celsius in de schaduw, dan zal hij juist als indertijd de metgezellen van Alexander verklaren, dat de ervaring zeer voldoende is en dat hij u de rest schenkt.Met des te meer genoegen zal hij dan naar de bergen vertrekken. Hij zal reeds ijs moeten meenemen, om zonder bezwaren de negen uren in den exprestrein door te komen, die hem van Rawal Pindi scheiden. Die exprestrein van Calcutta komt om twee uur in den morgen te Rawal Pindi, een der groote militaire stations van Pendsjab. Men doet goed, vooraf te hebben geschreven aan den onvermijdelijken Dhanjibhoy, transportondernemer, wiens rijtuigen over alle wegen rollen in het Noorden van Indië, dat hij u een tonga sture, dat is een klein rijtuigje op twee wielen, zeer laag en maar matig veêrend, overdekt met een witte huif. Het is de postkoets van dit land, en hij biedt plaats aan voor drie personen plus den voerman en de handbagage. De koffers en kisten komen gewoonlijk in ekka’s achteraan, dat zijn vernuftig ingerichte inlandsche voertuigen, die men voor het vervoer van Rawal Pindi naar Srinagar huren kan voor 35 of 40 francs en die ook weer met den inlandschen pony bespannen, de reis in vier of vijf dagen doen. Men laat ter meerdere veiligheid gewoonlijk een der bedienden meegaan.Zoodra de bagage aan het station is opgeladen, gaat men op weg onder het sterrenschijnsel van den onveranderlijk helderen hemel door de straten van Rawal Pindi en loopt daarbij gevaar, de slapers te overrijden, die op hun tsjarpaïs voor hun deuren liggen te slapen. De eerste mijlen worden vlug afgelegd langs den vlakken weg, maar al spoedig teekenen zich de silhouetten der bergen af tegen den lichten achtergrond van den dageraad. Met welbehagen ademt men de frissche lucht in. De weg, die langs de bedding van een stroompje voert, wordt, al stijgender en schilderachtiger. Op de hellingen vertoonen zich sparren; er hangen wilde rozen bij neer en tot op den top reiken de geurige bloemtrossen. In de kloven staat het vol met varens en bloeiende aardbeien. Er volgen zwaarder stijgingen, en bij de laatste halten gaat de saïce of palfrenier, die gewoonlijk achter op de trede staat, naar den voorkant van de tonga en, op den linker disselboom gezeten, helpt hij den koetsier de paarden met de zweep tot spoed aan te zetten. Zoo worden meer dan zestig kilometer afgelegd in zes uren en terzelfdertijd stijgt men tot 2000 meter hoogte.Mari, het modezomerverblijf voor Pendsjab, ligt over verscheiden hoogten verspreid met zijn kerkjes, hotels, europeesche winkels, villa’s in het groen en zijn mooie wandelwegen, waar elegante ruiters en amazonen zich vermeien. Naar het Zuiden weidt de blik over de wijde vlakte van khakikleur; naar het Noorden over de hooge, besneeuwde toppen, die den weg naar Kaschmir schijnen af te sluiten. Men voeltzijn levenskracht toenemen in deze frischheid, die van den Himalaya komt, waar de eeuwige sneeuw woont, terwijl men den vorigen dag nog meende te zullen stikken in de kunstmatige koelte van de punka’s.Maar nu moeten wij dalen, na zoo lang gestegen te hebben. Halverwege de beboschte helling gaat de weg naar beneden langs afgronden, waar we slechts van gescheiden zijn door een paar steenblokken aan den weg. Bij elk oponthoud steigeren of vallen de paarden, voor ze weer verder gaan; daarna draven ze volkomen kalm en rustig, alsof ze, na voor den vorm te hebben geprotesteerd, zich in hun lot schikten. We hebben voor de daling maar één paard noodig. Alle paarden zijn in den drukken tijd bedroevend mager. Maar wij kregen aan de tweede pleisterplaats na Mari bij toeval een best paard, goed in het vleesch, met glimmende huid en zonder een enkel wondje. Er waren niet minder dan vier saïces noodig, om het aan te spannen, waarna het op ieder tikje van de zweep antwoordde met een dol achteruitschoppen. Daar de koetsier volhield, moest hij wel van zijn kras middel gebruik maken; plotseling achteruit gaand, zou hij het rijtuig zoo tegen de steenen aan den weg stooten, en als het nog twintig pas verder was gebeurd, zouden wij in het dal getuimeld zijn en ze zouden ons met wapens en bagage op 500 meter diepte daar beneden hebben gevonden, ons of wat er van ons over was. De dorpelingen en de leiders van een karavaan, die haar rust hield, zagen al met belangstelling het ongeluk aankomen. Wij hebben dadelijk een ander paard verlangd; het ondeugende beest wou niets liever, en terwijl men een van zijn collega’s bracht, die minder slim en niet zoo kwaadaardig was, ging de deugniet, zoodra hij was afgespannen, heel alleen weer omhoog en naar zijn gewoon plaatsje in den stal terug, om zijn afgebroken maaltijd voort te zetten.Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.Al dalend kwam de weg toch ten slotte in de diepte van het dal der Djhillam of Vitasta. Tot Kohala toe bij de brug volgt de weg de breede, witte rivier, die door veel sneeuwwater is gezwollen. Hier is het een woedende stroom vol draaikolken en versnellingen, bruisend over de rotsachtige bedding en toch is het dezelfde rivier, die in Kaschmir zoo kalm is. Zware boomen worden meegesleurd, deelen van de cederwouden op de bergen; ze draaien in de kolken en moeten mee naar Pendsjab. De ruïnen van de oude hangende brug, die nu door een steenen is vervangen, vertellen van de verwoestingen der overstroomingen. Aan de overzijde van de brug zijn wij in het gebied van den maharadja van Djammoe en Kaschmir, en als om dat te bewijzen, betalen we aan dezen kant der rivier een roepij voor het weiderecht aan de engelsche ambtenaren en aan de andere zijde anderhalve roepij aan de menschen van den maharadja voor het recht van den weg gebruik te maken en de dieren te laten grazen. Wat de douanerechten aangaat, ze worden niet geheven van de Sahibs of heeren, dat zijn de Europeanen.De weg liep nu verder langs den linkeroever van de Djhilam en volgde dien steeds; het was een goede weg, als hij in goeden staat wordt onderhouden, juist als het met de kleinere wegen in Frankrijk het geval is. Hij ging en corniche even boven de rivier langs, die in het nauwe dal bruiste en kookte, terwijl er telkens dwarsdalen of nalla’s waren te passeeren.Gewoonlijk waren het liefelijke dalen, waar het water in watervallen langs de wanden naar beneden kwam en die alle waard zouden zijn te worden bekeken. Ieder dal heeft zijn brug, die meestal bij elke plotselinge smelting der sneeuw wordt weggerukt en met onverstoorbaar geduld steeds weer door de staatsingenieurs wordt hersteld.Van tijd tot tijd zagen we een van die aardstortingen, die in den aanvang van den zomer den weg vaak onbegaanbaar maken. Dan wordt juist zoo’n plekje opgeruimd, dat het rijtuig erdoor kan, en men werpt het puin eenvoudig in de rivier. Bijna in het midden van Mei hebben wij nog tal van koelies bezig gezien aan het herstellen van den weg; maar als die nog maar even bruikbaar is, vliegt de tonga er met haastigen spoed over. De eene stoot duwt u in een diepen kuil en een tweede haalt u er weer uit; de koetsier waarschuwt: “Khabardar! Pas op!” en klaar is Kees.Zoo hebben wij den eersten dag 90 K.M. afgelegd met heel wat Khabardars op den koop toe. Natuurlijk kiest de koetsier juist de gevaarlijkste punten, om de teugels te laten schieten en op zijn horen te blazen. Ongelukken komen echter hoogst zelden voor, en men krijgt op het laatst wel aardigheid aan dat dolle rijden over bruggen zonder leuningen en aan die vervaarlijke bochten, waar men omheen vliegt. Toch zullen zenuwachtige menschen goed doen, vooral bij de bochten zich te verdiepen in de beschouwing van den rechter kant van den weg, om de Djhilam niet te zien, waar het kleinste ongeluk hen in zou storten en waarin de groote dennen, die er als stroohalmen in worden rondgedreven, hun een voorspel zijn van hun eigen lot. Die rechter kant heeft trouwens ook zijn eigen belangrijkheid; meestal bestaat hij uit rolsteenen van verschillende kleuren en uit zandsteen en porphyr, geaderd en gepolijst als onze strandkeien; waarschijnlijk is het de doorsnede van een oude rivierbedding. Er komen ook dwarstunnels voor, en dan gaat men met vreeze en beving onder die hangende blokken door, die maar even in hun laagje aarde zijn vastgehecht.Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.Ongeveer elke twintig kilometer kunt ge, als ge lust hebt, stil houden in een bungalow of bangla, zooals de Indiërs zeggen. Sommige van die logementen, zooals te Domel, Garhi en Oeri, zijn voldoende voorzien. Men loopt geen gevaar, dat daar zich het geval zal voordoen van de klassieke indische anecdote, dat de laatste kip juist bij uw aankomst in de jungle is verdwenen. Hier zet men u stellig en zeker een déjeuner of een diner voor op zijn Engelsch en schenkt den liefhebbers buitendien den Kaschmir-Barsac of den Kaschmir-Médoc, te Srinagar bereid. Wat de kamers aangaat, die zijn vrij zindelijk, maar spaarzaam gemeubeld.Het dal, dat eerst na Kohala nog al gesloten is, verbreedt zich weldra bij de samenvloeiing van de Djhilam met de Kichenganga bij Domel. Tegelijkertijd gaat men plotseling niet meer van het Zuiden naar het Noorden, maar slaat af, om naar het Zuidoosten af te buigen. Een der merkwaardigheden van de etappe van Garhi is de touwenbrug. Verbeeldt u aan de beide kanten der ongeveer 80 meter breede rivier twee stevige palen met een dwarsbalk en gesteund door een groot en hoop van zware steenen. Van den eenen naar den anderen oever worden die stellages verbondendoor twee touwen van lederen riemen, die om elkaar heen zijn gewonden en voor leuning dienen. Aan de dwarsbalken hangt een ander gedraaid leer, dat is de weg. De drie touwen worden op hun plaats gehouden door houten vorken in den vorm van een V, geplaatst op drie meters van elkander.Op zoo’n wankel geval loopen de menschen uit Kaschmir met zware bossen gras of met een melkkan in evenwicht op het hoofd. Wel trekken zij, die eenig schoeisel dragen, het uit, als ze over het touw stappen en kunnen dan van hun ongeschoeide voeten op de manier van apen gebruik maken. Buitendien is er iemand bij de hand, die voor twee anna’s de menschen, die licht duizelig worden, op zijn rug neemt en diegenen, die verschrikt worden door de bruisende watervallen onder dien clownsweg, eroverheen draagt. Hij is een soort van Hercules, een mensch dragend als een veertje; hij bindt zich zijn klant eerst op den rug met een breede sjerp, waarvan hij de einden op zijn borst samenknoopt en heeft dan zijn handen vrij voor het balanceeren. Juist zulk een brug, maar minder lang, ziet men nog weer bij Oeri beneden het fort van de Sikhs, welke muren van gebakken steenen daar als een decoratie in het landschap schijnen neergezet.Maar hoe alle schilderachtige tooneelen te beschrijven, die elk op hun beurt worden omlijst door de randen van de rijtuigkap en die men maar even in het voorbijgaan gadeslaat? En evenzoo moeten wij er ook van afzien, de duizend-en-één incidenten, onderweg voorgevallen, te vertellen, als daar waren ontmoetingen met ekka’s, met ossenkarren of lange slieren kameelen, die al mummelend met hun lippen, voortsjokken alsof ze paternosters prevelden.Dan waren er de dorpen met hun lage hutten, waarvan de veranda’s op de platte daken waren; de bazars, waar nog oude munten gangbaar zijn met grieksche opschriften; de heiligdommen, aangewezen door driehoekige vlaggen van verschillende kleuren, om nog niet eens te gewagen van de drukte op de onderscheiden pleisterplaatsen. Bovendien zag ik onder een groepje struiken bij hun geiten en hun jongen hond, die tegen de tonga blafte, twee kleine, mooie herderskinderen, Daphnis en Chloë op den onschuldsleeftijd, en Chloë leunde teeder met haar zwart lakensch kapje tegen den vuilen tulband van Daphnis.Zoo is de weg naar dit paradijs al heerlijk, en van Rampoer af kondigt alles aan, dat we Kaschmir naderen. De hellingen zijn bedekt met dennen en ceders, en langs den weg groeien populieren en platanen. Reeds te Brankoetri gaat men voorbij de ruïnen van een tempel. Die van Baniyar, die wat beter in stand is gebleven en die nog overeind staat midden op zijn vierkant plein, geeft een zeer goed denkbeeld van wat die oude gebouwen zijn geweest. Daar verschijnen ook al de irissen, die typische bloemen der streek. Plotseling is de rivier verstandig geworden en doet zich spiegelglad voor, en de lange kloof, waar wij nu al twee dagen doorrijden, komt op eens uit bij het “gelukkige dal” en wel door de nauwe poort van Baramoela, tegelijk de eenige uitweg voor het water van het dal.Van Mari naar Baramoela heeft men 200 kilometers af te leggen, dus loopend negen dagreizen, en als men per post gaat, een dertigtal pleisterplaatsen. De in 1880 begonnen weg was in 1890 voltooid tot den ingang van het dal, maar het stuk tusschen Baramoela en Srinagar werd eerst in 1897 opgeleverd.In 1896 waren de bruggen gereed en de stoomrol, die den weg effent en een beeld is van onze nivelleerende beschaving, verpletterde in het op den weg gebrachte puin menigen steen, ontleend aan oude hindoe-ruïnen. De weg gaat door de alluviale vlakte, waar men inderdaad geen enkelen steen zou vinden; het bergland is ver verwijderd, en de ondernemers vonden het gemakkelijker, de oude steden van het land als steengroeven te bezigen. In dat jaar reden de eerste rijtuigen door Kaschmir, door de boeren met meer nieuwsgierigheid aangestaard dan bij ons de automobielen. Thans rijden alle mogelijke soort van voertuigen naar Srinagar en laten halverwege de oude stad de tempelruïnen van Patan liggen. Als ge haast hebt, ga dan direct naar de hoofdstad door, maar houd dan ten minste stil op de brug, waar de weg over de rivier gaat en blaas een weinig uit.Die Amira-Kadal is de eerste der zeven bruggen boven Srinagar en de eenige in europeeschen trant gebouwd; zij is de plaats van samenkomst geworden voor de nieuwtjesvrienden der stad. Daar behandelen ze de openbare zaak en verspreiden er alle weken het gerucht, dat de Afghanen in Lahore zijn binnengevallen en dat de Russen het Pamirplateau hebben overschreden. Wij zullen er even rondzien.Er wordt aan beide zijden een markt gehouden, en het is een druk heen en weer loopen van groote kerels met gebruind gelaat, gekleed in een wollen kleed, dat zich eenmaal moet herinnerd hebben, wit geweest te zijn, en met een katoenen tulband. Het zijn brave menschen op de manier van den globetrotter, wel te verstaan, gezegd, die in een station van Pendsjab zijn boosheid op een onbeschaamden koelie niet eerder dorst luchten, vóór hij geïnformeerd had van welk ras de man was.De Kaschmireezen zijn in dat opzicht van de goede soort; ze kunnen wat verdragen en buigen hun rug onder zweepslagen. Ze zullen niet als de Afghanen een slag beantwoorden met een doodelijken steek met een mes. Omdat de menschen van Kaschmir zoo sterk en zoo goedig zijn, hebben de Engelschen er het besluit uit getrokken, dat ze laf waren. Hadden ze misschien liever, dat het moordenaars en roovers waren? Het is waar, dat de Engelschen de Afghanen, wier dapperheid niet in twijfel kan worden getrokken, verraders noemen.Dat voortdurend gebruik van slechtklinkende, afkeurende aanduidingen toont alleen duidelijk aan, dat de Engelschen niemand goed vinden dan zichzelven.Er zijn Kaschmireezen, die, getroffen door dat verwijt van lafheid, beweren dat hun lang kleed, ’t welk hun nationaal costuum is, hun door de mohammedaansche overheerschers werd voorgeschreven, om ze te verweekelijken. Dat klinkt wel goed en zou overtuigend zijn, als zij, die het bedacht hebben, van hun kangri afstand konden doen. De kangri is de inlandsche warme stoof, een aarden pan, met riet eromheen en gevuld met kolen en asch, waar de Kaschmirees, zoodra het maar een beetje koud is, onafscheidelijk van is en die hem als zijn schaduw altijd vergezelt. Hij brengt heele dagen erop zittenddoor, houdt de stoof des nachts bij zich en door die gewoonte ontstaat menige brand in een woning, terwijl de litteekens van brandwonden er vaak aan zijn toe te schrijven. Nu heeft de kangri juist behoefte aan het lange kleed met wijde mouwen, waar men de stoof onder verbergt, en daar dr. M. A. Stein verzekert, dat er reeds sprake van is in oude kronieken, moet men afzien van het mooie sprookje van een Kaschmir, waar oudtijds alleen helden woonden, die allen zoo dapper waren omdat ze broeken droegen.Maar ge begint al onder de voorbijgangers verschillende typen en kleederdrachten te herkennen. Ook als we de sikhs en de menschen uit Pendsjab er buiten laten en andere immigranten uit Indië, behooren de Kaschmireezen zelven niet allen tot denzelfden godsdienst, noch tot dezelfde kaste. In het algemeen kan men zeggen, dat ze Hindoes of Mohammedanen zijn. De laatsten zijn verreweg het talrijkst; van de honderd twintig duizend inwoners der hoofdstad zijn meer dan twee derden aanhangers van den Islam, en buiten de steden is de verhouding nog meer in het voordeel van de Mohammedanen. Het schijnt, dat die bekeering van de massa der bevolking, die van niet later dan de veertiende eeuw dagteekent, zonder eenig geweld is tot stand gekomen en niet het gevolg is geweest van een inval van veroveraars. De boeren en de arme menschen, die bij verandering enkel konden winnen, namen den nieuwen godsdienst aan; de Brahmanen, die er alles bij te verliezen hadden, hielden zich aan den eeredienst, hun door hun voorvaderen nagelaten en die de eenige rechtvaardiging hunner voorrechten was.De Mohammedanen noemen hen afgodendienaars, maar zijn zijzelven wel zeker ware orthodoxe geloovigen te zijn? Werkelijk hebben ze alle indisch bijgeloof behouden onder een vernisje van den Islam, en de geleerden uit Mekka verketteren hen op hun beurt met den naam heiligenaanbidders. Ofschoon de Brahmanen in de minderheid zijn, hebben zij verreweg de meeste ontwikkeling en beschaving, al verdienen waarschijnlijk niet allen den naam van pandit of geletterde, dien ze elkander algemeen toekennen. Men kan hen dadelijk van hun muzelmansche landgenooten onderscheiden door het secteteeken dat ze op het voorhoofd dragen, aan den eigenaardigen vorm van hun tulband, en aan de sjerp om hun schouders.Nu ge een eersten indruk hebt gekregen van de Kaschmireezen, zal het u interesseeren te weten, wie over hen regeert. Kijkt eerst eens stroomaf en dan stroomop. Daar vlak bij den linkeroever die opeenhooping van leelijke gebouwen, dat is de Sjer Garhi, zooals men het paleis van den maharadja betitelt, en ginder, hooger op den rechteroever, onderscheidt ge tusschen de populieren en platanen de elegante villa van den engelschen resident. Wie is nu de eigenlijke vorst in Kaschmir, de resident of de maharadja? Dat weten zelfs de kleine kinderen, en de grijsaards vergissen er zich niet in. Een honderdjarige Brahmaan, die ons alle regeeringen opnoemde, die hij had bijgewoond in zijn leven, gewaagde van de Afghanen, de Sikhs van Randjit-Singh, de Radjpoeti’s van Goelab-Singh ... en de Engelschen van de koningin. Het is om de volledigheid haast jammer, dat hij er ook niet nog de Russen heeft zien heerschen.Het Kaschmir van de Sikhs heeft Jacquemond in 1831 bezocht en het onderkoningschap werd er hem, naar men zegt, aangeboden. Wees maar niet bang, dat uw bescheidenheid op een dergelijke proef zal worden gesteld; die gelukkige tijd is voorbij! Op den heen- en terugweg had onze landgenoot de gelegenheid gehad een Radjpoet te ontmoeten uit den stam der Dogra’s, die door de gunst van Randjit-Singh het tot radja van Djammoe had gebracht. Reeds wierp Goelab-Singh, zoo heette de avonturier, begeerige oogen op Kaschmir. Zoo lang Randjit-Singh leefde, die den bijnaam had van den leeuw of zooals Jacquemond zegt, den vos van Pendsjab, ziet men hem er omheen zwerven, zonder dat hij er binnenkomt. Achter elkander verovert hij de aangrenzende landen, Kitsjwar,Ladakh, Skardo, en na den dood van den leeuw weet hij slim zich te handhaven in de gunst van Sikhs en Engelschen beiden. Eindelijk staat bij een verdrag van 16 Maart 1846 de engelsche regeering aan den maharadja Goelab-Singh en zijn mannelijke afstammelingen de geheele bergachtige streek ten oosten van den Indus af en ten westen van de Ravi..... In ruil betaalde de nieuwe maharadja de som van 75 lakh roepijen en verbond zich, om jaarlijks een schatting te betalen in paarden, geiten en shawls. Er wordt beweerd, dat die laatste nog worden ingeleverd en dat keizerin Victoria er haar niet dure bruidsgeschenken van maakte. Dat verdrag was van Goelab-Singh een meesterstuk. Men zegt, dat hij binnen enkele jaren in de opbrengst van het dal de som terugkreeg, die hij ervoor had uitgegeven.Nooit praat men den Kaschmireezen uit het hoofd, dat om zulke voordeelige voorwaarden te bedingen, Goelab-Singh de Engelschen had doen gelooven, dat al het hem afgestane land niets anders was dan onvruchtbaar heuvel- en bergland, en de redactie van het tractaat doet daar wel aan denken. Inderdaad was het hun bedoeling, Goelab-Singh af te scheiden van de zaak der Sikhs en in hem een bondgenoot tegen die laatsten te krijgen; drie jaren later, toen in 1849 Pendsjab definitief werd ingelijfd, bleek het, dat ze vlak naast zich een bijna onafhankelijk koninkrijk in het leven hadden geroepen, en een, dat nog wel grensde aan chineesch en russisch grondgebied.Maar genoeg over politiek. Ge zult een zeer goed onderkomen vinden in het hotel, dat te Srinagar geopend is ter gelegenheid van de inwijding van den nieuwen rijweg. Maar men komt niet in Kaschmir, om zich in een hotel op te houden zooals in Zwitserland, en men kan nooit iets van het land en zijn bekoorlijkheid te weten komen, als men zich niet vrij beweegt en overal rondkijkt in dit prachtige hoekje van Hoog-Azië, zoodat men er min of meer het nomadenleven leidt van onze hypothetische voorouders, de Ariërs. Dat is, of men het wil bekennen of niet, de eigenlijke charme van een verblijf in Kaschmir, die onafhankelijkheid van belachelijke en hinderlijke voorschriften van onze maatschappij, waar alles tot overtreding wordt, van het houtsprokkelen in het bosch tot het water putten uit den oceaan. Hier is de verwezenlijking van wat sinds het Paradijs de roeping en de droom van den mensch is gebleven, koning te wezen te midden van een bevriende natuur; hier vindt men de voldoening, uitingte kunnen geven aan dat instinct van vagabondage, dat in ons allen leeft en ons tot onbewuste nomaden stempelt. Het teeken en misschien ook het losgeld voor dien terugkeer tot de zeden der primitieve menschheid is de enorme belangrijkheid, die het probleem van onderdak en voeding aanneemt, een vraagstuk, dat ons geen oogenblik bezighoudt in het kunstmatige leven in de beschaafde wereld.Laat mij daarover nog eenige aanwijzingen geven. Gij zult in de winkels te Srinagar, gehouden door de onvermijdelijke Parsi’s, alle ingemaakte voedingsmiddelen kunnen krijgen uit Europa; maar beter doet ge u te voorzien, zooals trouwens de meeste leden der vlottende vreemdelingenkolonie doen, op de naburige markten van de brug Amira-Kadal. Natuurlijk vindt ge er geen rundvleesch, noch voor geld, noch voor goede woorden, tot verdriet der Engelschen, die zich schadeloos stellen door massa’s corned beef te verorberen. Het verbod van rundvleesch wordt streng gehandhaafd door de regeerende Hindoedynastie, en het dooden van een koe, dat vroeger met den dood werd gestraft, zou thans een inboorling nog op een gevangenisstraf van vijftien jaar komen te staan, terwijl een Europeaan erom uit het land zou worden gezet.Maar ook zonder dat vleesch, dat verboden is, omdat het te heilig is, en varkensvleesch, dat uw mohammedaansche kok met tegenzin voor u klaar maakt, omdat het niet heilig genoeg of te wel onrein is, zal uw tafel nog ruim voorzien kunnen zijn van uitmuntend schaapsvleesch, sappig wild, groenten, eieren en versche boter; dat is alles op den bazar te krijgen. Wees niet onthutst, als uw kok de etenswaren van de markt thuis brengt in een stuk berkenschors; dat is het oude papier van dit land, zooals uit oude manuscripten blijkt, en men maakt er nog veel gebruik van voor huiselijke dingen.Wenscht ge ten slotte nog iets van de prijzen te weten, die wel zullen stijgen, als de stroom van toeristen sterker gaat vloeien, dan zij gezegd, dat een kip zes of tien stuivers van ons geld kost; een pond boter of een dozijn eieren vier en de rest naar evenredigheid. En toch ontmoet men nog menschen, die klagen over de duurte der levensmiddelen en pochen op den tijd, toen men voor één roepij een heel schaap kon krijgen.Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.Ziedaar iets over de tafel. Wat de huisvesting aangaat, als ge niet vooraf uw maatregelen hebt kunnen treffen te Lahore, doet ge het best van een der agentschappen te Srinagar te koopen of te huren de noodige tenten en kampmeubelen. Dan laat ge uw linnen huis, dat veel geriefelijker is dan ge kunt gelooven, als ge het nooit hebt geprobeerd, opslaan aan den oever der rivier of in de buurt der residentie onder de schaduw van de boomen der baghs of parken voor Europeanen gereserveerd. Daar is de Moensji-Bagh, een boomgaard aan de Djhilam, bestemd voor gehuwden en dames alleen; verder de Tsjinar-Bagh, een prachtig bosch van platanen aan den uitgang van het meer ten gebruike van ongetrouwde mannelijke personen; zoo is het koren van het kaf gescheiden. Vooral moet ge zorgen de beschikking te krijgen over een dier inlandsche booten, die doenga’s worden genoemd; die kan u tegelijk als huis en als voertuig dienen bij uw eerste uitstapjes. Op deze eerste lentedagen, nu het water nog zoo hoog is, kan de boot u door de rivier en de meren in allerlei richting naar de interessantste plekken van het dal voeren. Voor wie in de tonga heeft gereden over den hobbeligen weg en geradbraakt is door schokken, verdoofd door den hoorn en half gestikt door het stof, is de ruil niet kwaad van een tonga tegen een doenga.De derde van de zeven bruggen van Srinagar.De derde van de zeven bruggen van Srinagar.

Van Parijs naar Srinagar.—Van Bombay naar Lahore.—Eerste toebereidselen.—Per tonga van Rawal Pindi naar Srinagar.—De bewoners van Kaschmir en hun heerschers.—Terugkeer tot het nomadenleven.

Van Parijs naar Srinagar.—Van Bombay naar Lahore.—Eerste toebereidselen.—Per tonga van Rawal Pindi naar Srinagar.—De bewoners van Kaschmir en hun heerschers.—Terugkeer tot het nomadenleven.

Brengt u den zomer in Kaschmir door? De vraag is niet zoo dwaas, als ze aan thuiszittende menschen moet schijnen. Ik ken er, die het doen en er geen spijt van hebben. De “season” is er alleraardigst. Men vindt er van alles, en dit gelukkige land bezit dalen als in Touraine, bronnen en beekjes als in Bretagne, boomen en grasvelden als in Engeland, bergen als in Zwitserland, ruïnen als in Italië, en als nergens in de genoemde landen de vrijheid, ik bedoel het recht om te gaan en te komen, naar het u zelf belieft, als koning in uw boot en heer in uw eigen tent; volkomen naar uw goedvinden de boot aan den wal brengend of haar losmakend, de tent opslaand of afbrekend, zonder dat eenige afsluiting, eenig aanplakbord of eenig veldwachter zich met uw doen en laten bemoeit. Voeg daar nog bij de groote goedkoopheid van het leven, en alles bij elkaar genomen, is dus zulk een reis oneindig veel interessanter, hygiënischer en bovendien veel minder kostbaar dan een verblijf in de een of andere badplaats, die in de mode is.

Voor wie lust heeft het experiment eens te probeeren, zijn deze aanteekeningen opgeschreven. Ze hebben geen andere pretensie dan die eene, dat ze eenige inlichtingen geven, welke men zou kunnen noodig hebben. Indien er zoo nu en dan enkele indrukken bij worden gegeven, zal men ze op den koop toe nemen terwille van de inlichtingen.

Om te beginnen, Srinagar is slechts twintig dagen van Parijs verwijderd en kan voor minder dan 2000 francs worden bereikt. Laat ik het u voorrekenen: van Marseille zullen de paketbooten van de Messageries Maritimes u in veertien dagen en voor 1375 francs naar Bombay brengen. Van die stad voert de exprestrein, en daarbuiten bestaat er geen heil in Indië, u in vier-en-zestig uren en vijf-en-twintig minuten naar Rawal Pindi, waarvoor ge in de eerste klasse bij den tegenwoordigen koers van de roepij ongeveer 160 francs betaalt. Zoo vlug mogelijk reizend, kunt ge dan binnen twee dagen te Srinagar wezen. Een plaats in den postwagen kost 45 roepijen, een particulier rijtuig 130.

Als de toerist niet ook den vorigen winter in Indië is geweest, zal hij goed doen, te zorgen dat hij in de eerste dagen van Maart te Bombay aankomt. Later zou hij de warmte reeds al te drukkend vinden. Op zijn weg naar het Noorden zal hij nog tijd hebben, een bezoek te brengen aan Ahmedabaden zijn moskeeën; aan den berg Aboe en zijn heiligdommen vol wonderen van geciseleerd marmer; de rose stad Djaïpoer, van waar een olifant hem naar Amber brengen zal, de oude verlaten hoofdstad; dan Agra met het groote wonder van den Tadsj Mahal, zeker het mooiste monument, dat ooit door de liefde voor de dooden is opgericht; Mathoera, het vaderland van den god Krisjna, met de kaden, omzoomd door tempels, waar de apen aan de schildpadden in de rivier de offeranden der pelgrims betwisten; het keizerlijke Delhi, waar de omgeving, bezaaid met indrukwekkende ruïnen, zoo ver het oog reikt, denzelfden indruk van grootheid en verlatenheid maakt als die van Rome; Amritsar, de heilige stad der Sikhs, dat in een vijver de gouden koepels spiegelt van zijn te hooggeroemden tempel.... tot eindelijk hij te Lahore aankomt.

En wat is er daar nog veel te zien! Het mooie museum, de schilderachtige straten van de stad der inlanders, het fort van Akbar, de moskee van Aureng Zeb, die van Vazir Khan, geheel bedekt met prachtige porseleinversieringen; de tuinen van Sjalimar uit den tijd der Groote Mogols, en aan den overkant der lange schipbrug de tuinen van Shah Dehra, waar Jehan Guir, bij zijn leven een ongeloovige, na zijn dood wonderen verricht; verder de tallooze graven, die van Lahore en omgeving een groote necropool maken en maanden achtereen doel kunnen wezen van telkens andere avondwandelingen.

Daar trekt de aandacht het graf van de arme Anarkali, wier naam beteekent Granaatknop en die, naar men zegt, levend begraven werd, toen nauwelijks haar jeugd in schoonheid was ontloken, omdat zij een enkele maal haar glimlach had geschonken aan dienzelfden Jehan Guir in de dagen, toen hij nog niet anders was dan de erfprins Selim. En toch was ik nog meer ontroerd bij het zien van het huis, waar generaal Allard woonde, een dier officieren van het groote leger, die bij wijze van revanche het fortuin van Randjit Singh maakten, en waar hij gastvrijheid verleende aan Jacquemond; onder een open koepeltje in den tuin droeg een eenvoudige marmeren steen het fransche opschrift: “Marie Allard, zes maanden.”

Intusschen zal de toerist ook zijn toebereidselen maken voor de reis als beschaafde nomade. Hij zal beginnen met zich een lichte tent aan te schaffen, die toch dubbel is, naar het model, dat “Zwitsersch huisje” heet of Kaboeltent. Dan zal hij meubels voor het kamp aanschaffen, waaronder een bed dat uit elkander kan worden genomen, benevens tafels, die toegeslagen en stoelen, die gevouwen kunnen worden; keukengerei, liefst een reeks aluminiumpannen van verschillende grootte, die in elkander passen; een veldkachel, geëmailleerd aardewerk en tuinlampen en dan nog dat betrekkelijk zeer klein aantal dingen, die werkelijk onmisbaar zijn. Men kan ook gerust met het aanschaffen van een en ander wachten tot de aankomst in Kaschmir en het gaat ook wel, een deel der goederen te huren van een der agentschappen te Srinagar.

Maar laat men vooral niet verzuimen, reeds te Lahore twee van die onwaardeerbare indische bedienden te huren, die zoo goed de kunst verstaan het gemak en de rust van hun heer te verzekeren te midden van de vele kwellingen der dagelijksche verplaatsingen. De eene zal dienst moeten doen alskhitmatgarof kamerdienaar, de ander zalkhansamaof kok wezen. Hun maandelijksch salaris bedraagt van twaalf tot zestien roepijen, plus een fooi van acht roepijen, als men hen ver van hun huis meeneemt en ze voor hun eigen onderhoud moeten zorgen. Die Mohammedanen uit Pendsjab zijn in den regel betrouwbare personen en geheelonthouders, wat niet altijd het geval is met de bedienden, die in de zeehavens op de aankomst van de globetrotters wachten. Stel u er vooraf van op de hoogte, dat ze van dezelfde secte zijn, om lastige conflicten te voorkomen. De mijnen hadden het onderweg best samen kunnen vinden, maar ten slotte kregen ze toch nog herrie.

In den laatsten tijd van mijn verblijf te Srinagar had ik enkele uitnoodigingen moeten aannemen en eenige malen gasten moeten ontvangen. Het is dan de gewoonte, dat de bedienden elkander ook inviteeren, en nu had op een zekeren avond, toen de mijne uit dineeren waren, de khansama, die een vroom Sunniet was, met schrik vernomen, dat de khitmatgar tot de Sjiïeten behoorde; zoo ontdekten ze, na een half jaar in vrede en vriendschap te hebben geleefd, dat ze geslagen vijanden waren, omdat meer dan duizend jaren geleden khalief Omar het geslacht van Ali, den schoonzoon van den profeet, uitroeide.

Laat de toerist zich gerust op den khitmatgar verlaten, om elken morgen op dezelfde plaats op tafel bij zijn bed of in de zakken aan de tent de zaken te vinden, die hij noodig heeft. Op elk uur van den dag en den nacht wordt de uitroep Koï hai! die zooveel beteekent als hei daar! beantwoord en volijverig en verstandig wacht de bediende bevelen af met de servet over den schouder als het teeken zijner waardigheid. Zorg er slechts voor, dat hij die vaak verwisselt voor een schoone! Want hij veegt er niet alleen het bord mee af, dat hij u brengt; hij stoft er, zoo noodig, ook uw kleeren mee en bij gelegenheid uw schoenen; hij jaagt er met korte, welwillende tikjes het ongedierte mee weg, dat, als ge te dicht bij een dorp hebt gekampeerd, half verdoofd door het insectenpoeder tusschen uw lakens is te vinden; hij ranselt er de koelies mee, als ze te langzaam naar zijn zin de tenten opslaan en het kamp in orde brengen, want hij gevoelt zich als een karavaanbestuurder, en de goedeKaschmireezen, die door mijn bediende worden uitgescholden, een kereltje, dat ze met een vinger hadden kunnen omverwerpen, spraken hem altijd eerbiedig met Sirdar aan, dus met niet minder dan den titel, door lord Kitchener van Khartoem gedragen, toen hij het bevel over het engelsch-egyptisch leger voerde!

Hij beweerde bovendien met trots, van goede familie te zijn; maar ongelukken in de familie hadden zijn opleiding in den weg gestaan; ook maakte hij geen aanspraak op den titel van dichter, zooals de khitmatgar van een mijner vrienden, die in zijn vrijen tijd zich amuseerde met het maken van perzische verzen. Hij was ten minste trouw en eerlijk en waarheidlievend, wel een verschil met anderen, die alle veertien dagen dezelfde schoonmoeder moeten begraven; hij heeft mij slechts eenmaal een halvendag verlof gevraagd, en dat was te Lahore, om te trouwen! En toen ik hem edelmoedig den geheelen dag aanbood, protesteerde hij en beweerde, dat hij liever op tijd terug wou wezen, om mij mijn ontbijt voor te zetten.

Wat den khansama betreft, hij zal zijn heer wel een beetje bestelen, dat brengt het vak zoo mee. Maar daarvoor vindt men ook overal en altijd, zelfs midden in de jungle zijn maal gereed en volkomen goed bereid. In regen of wind, aan den hoek van een bosch, op een vuur, dat tusschen twee steenen is aangelegd, in omstandigheden, waarin de eerste kok uit Europa onmiddellijk zijn voorschoot af zou doen, bereiden die indische koks vlug en onberispelijk het klassieke menu van soep, entrée, gebraad, groente en nagerecht. Toen de mijne op den eersten dag van zijn indiensttreding mij in zijn anglo-indisch taaltje kwam vragen, hoe ik het vleesch verlangde, half-paka, three quarters paka ya bahout paka, dat is halfgebraden, driekwart gebraden of sterk gebraden wist ik, dat ik een virtuoos had gekregen, die gevoel had voor fijne onderscheidingen.

Ik moet zeggen, dat hij niet tegenviel; en alles aan het spit, want ik had hem eens vooral gezegd, dat mijn grondbeginselen zich ertegen verzetten, vleesch in de pan te braden; en ik zie hem nog in een plasbui met de parapluie erboven melancholiek de kip voor het souper aan het braadspit draaien. Roep bij zulke gelegenheden nooit uw smaak of uw maag te hulp, om iemand uw wensch te verklaren; daar geven ze niet om. Spreek in vage termen van den ritus of eenvoudig van het gebruik, dastoer, waaraan ge u graag zoudt houden en ge kunt er zeker van zijn, gehoorzaamd te worden, terwijl ze u er des te hooger om zullen stellen, dat ge u houdt aan wat zij voor godsdienstige gebruiken zullen houden in den geest van hun eigen geloofsvoorschriften.

Enkele fransche gerechten kwamen aldus onder den dekmantel van “french dastoer” zeer aangenaam eenige afwisseling brengen in de eeuwige kippeboutjes en de flauwe engelsche groente. Door middel van breedvoerige uitleggingen en practische aanwijzingen leerde onze kok die gerechten zoo meesterlijk bereiden, dat toen ik hem aan het eind van den tocht wegzond, hij van niets minder sprak dan van zich op grond van zijn vermeerderde kennis in den dienst te stellen van een onder-gouverneur. In Kaschmir moet de toerist zijn personeel nog uitbreiden met twee of drie andere bedienden tegen acht of tien roepijen per maand. Hij zal vooreerst een bhisjti of waterdrager behoeven, die waarschijnlijk ook de functie van masaltsji of wasscher van het vaatwerk zal vervullen. Familiën, die wat talrijk zijn, hebben bovendien nog vaak een dhobi of waschman bij zich, particulier aan hun dienst gebonden. Verder zal er nog een “huisknecht” moeten wezen, een man van zoo lage kaste meestal, dat hij ook voor de honden moet zorgen en door elkaar eet wat van uw tafel overblijft; onnoodig te zeggen, dat hij in de kleine maatschappij weinig in tel is. En als gij dan, vermoeid aan het eind der étappe zijt aangekomen en ziet, hoe de kok van den bhisjti het water krijgt, dat hij aan de kook brengt op het hout, dat de “huisknecht” hem heeft aangebracht, om u een kopje thee te bereiden naar den eisch en u dat door den khitmatgar te laten brengen, zult ge, als uw geduld ten minste nog niet is uitgeput, deze sierlijke verdeeling van arbeid bewonderen.

Lahore is in April nog vol rozen. Maar als de reiziger zich wil overtuigen, dat de warmte van Indië geen mythe is, zooals dikwijls door wintertoeristen wordt beweerd, laat hij dan maar tot Mei blijven en den eersten stofstorm afwachten bij 117 of 120 graden Fahrenheit, dat is 48 Celsius in de schaduw, dan zal hij juist als indertijd de metgezellen van Alexander verklaren, dat de ervaring zeer voldoende is en dat hij u de rest schenkt.

Met des te meer genoegen zal hij dan naar de bergen vertrekken. Hij zal reeds ijs moeten meenemen, om zonder bezwaren de negen uren in den exprestrein door te komen, die hem van Rawal Pindi scheiden. Die exprestrein van Calcutta komt om twee uur in den morgen te Rawal Pindi, een der groote militaire stations van Pendsjab. Men doet goed, vooraf te hebben geschreven aan den onvermijdelijken Dhanjibhoy, transportondernemer, wiens rijtuigen over alle wegen rollen in het Noorden van Indië, dat hij u een tonga sture, dat is een klein rijtuigje op twee wielen, zeer laag en maar matig veêrend, overdekt met een witte huif. Het is de postkoets van dit land, en hij biedt plaats aan voor drie personen plus den voerman en de handbagage. De koffers en kisten komen gewoonlijk in ekka’s achteraan, dat zijn vernuftig ingerichte inlandsche voertuigen, die men voor het vervoer van Rawal Pindi naar Srinagar huren kan voor 35 of 40 francs en die ook weer met den inlandschen pony bespannen, de reis in vier of vijf dagen doen. Men laat ter meerdere veiligheid gewoonlijk een der bedienden meegaan.

Zoodra de bagage aan het station is opgeladen, gaat men op weg onder het sterrenschijnsel van den onveranderlijk helderen hemel door de straten van Rawal Pindi en loopt daarbij gevaar, de slapers te overrijden, die op hun tsjarpaïs voor hun deuren liggen te slapen. De eerste mijlen worden vlug afgelegd langs den vlakken weg, maar al spoedig teekenen zich de silhouetten der bergen af tegen den lichten achtergrond van den dageraad. Met welbehagen ademt men de frissche lucht in. De weg, die langs de bedding van een stroompje voert, wordt, al stijgender en schilderachtiger. Op de hellingen vertoonen zich sparren; er hangen wilde rozen bij neer en tot op den top reiken de geurige bloemtrossen. In de kloven staat het vol met varens en bloeiende aardbeien. Er volgen zwaarder stijgingen, en bij de laatste halten gaat de saïce of palfrenier, die gewoonlijk achter op de trede staat, naar den voorkant van de tonga en, op den linker disselboom gezeten, helpt hij den koetsier de paarden met de zweep tot spoed aan te zetten. Zoo worden meer dan zestig kilometer afgelegd in zes uren en terzelfdertijd stijgt men tot 2000 meter hoogte.

Mari, het modezomerverblijf voor Pendsjab, ligt over verscheiden hoogten verspreid met zijn kerkjes, hotels, europeesche winkels, villa’s in het groen en zijn mooie wandelwegen, waar elegante ruiters en amazonen zich vermeien. Naar het Zuiden weidt de blik over de wijde vlakte van khakikleur; naar het Noorden over de hooge, besneeuwde toppen, die den weg naar Kaschmir schijnen af te sluiten. Men voeltzijn levenskracht toenemen in deze frischheid, die van den Himalaya komt, waar de eeuwige sneeuw woont, terwijl men den vorigen dag nog meende te zullen stikken in de kunstmatige koelte van de punka’s.

Maar nu moeten wij dalen, na zoo lang gestegen te hebben. Halverwege de beboschte helling gaat de weg naar beneden langs afgronden, waar we slechts van gescheiden zijn door een paar steenblokken aan den weg. Bij elk oponthoud steigeren of vallen de paarden, voor ze weer verder gaan; daarna draven ze volkomen kalm en rustig, alsof ze, na voor den vorm te hebben geprotesteerd, zich in hun lot schikten. We hebben voor de daling maar één paard noodig. Alle paarden zijn in den drukken tijd bedroevend mager. Maar wij kregen aan de tweede pleisterplaats na Mari bij toeval een best paard, goed in het vleesch, met glimmende huid en zonder een enkel wondje. Er waren niet minder dan vier saïces noodig, om het aan te spannen, waarna het op ieder tikje van de zweep antwoordde met een dol achteruitschoppen. Daar de koetsier volhield, moest hij wel van zijn kras middel gebruik maken; plotseling achteruit gaand, zou hij het rijtuig zoo tegen de steenen aan den weg stooten, en als het nog twintig pas verder was gebeurd, zouden wij in het dal getuimeld zijn en ze zouden ons met wapens en bagage op 500 meter diepte daar beneden hebben gevonden, ons of wat er van ons over was. De dorpelingen en de leiders van een karavaan, die haar rust hield, zagen al met belangstelling het ongeluk aankomen. Wij hebben dadelijk een ander paard verlangd; het ondeugende beest wou niets liever, en terwijl men een van zijn collega’s bracht, die minder slim en niet zoo kwaadaardig was, ging de deugniet, zoodra hij was afgespannen, heel alleen weer omhoog en naar zijn gewoon plaatsje in den stal terug, om zijn afgebroken maaltijd voort te zetten.

Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.

Groep platanen bij Srinagar. Doenga op den voorgrond.

Al dalend kwam de weg toch ten slotte in de diepte van het dal der Djhillam of Vitasta. Tot Kohala toe bij de brug volgt de weg de breede, witte rivier, die door veel sneeuwwater is gezwollen. Hier is het een woedende stroom vol draaikolken en versnellingen, bruisend over de rotsachtige bedding en toch is het dezelfde rivier, die in Kaschmir zoo kalm is. Zware boomen worden meegesleurd, deelen van de cederwouden op de bergen; ze draaien in de kolken en moeten mee naar Pendsjab. De ruïnen van de oude hangende brug, die nu door een steenen is vervangen, vertellen van de verwoestingen der overstroomingen. Aan de overzijde van de brug zijn wij in het gebied van den maharadja van Djammoe en Kaschmir, en als om dat te bewijzen, betalen we aan dezen kant der rivier een roepij voor het weiderecht aan de engelsche ambtenaren en aan de andere zijde anderhalve roepij aan de menschen van den maharadja voor het recht van den weg gebruik te maken en de dieren te laten grazen. Wat de douanerechten aangaat, ze worden niet geheven van de Sahibs of heeren, dat zijn de Europeanen.

De weg liep nu verder langs den linkeroever van de Djhilam en volgde dien steeds; het was een goede weg, als hij in goeden staat wordt onderhouden, juist als het met de kleinere wegen in Frankrijk het geval is. Hij ging en corniche even boven de rivier langs, die in het nauwe dal bruiste en kookte, terwijl er telkens dwarsdalen of nalla’s waren te passeeren.Gewoonlijk waren het liefelijke dalen, waar het water in watervallen langs de wanden naar beneden kwam en die alle waard zouden zijn te worden bekeken. Ieder dal heeft zijn brug, die meestal bij elke plotselinge smelting der sneeuw wordt weggerukt en met onverstoorbaar geduld steeds weer door de staatsingenieurs wordt hersteld.

Van tijd tot tijd zagen we een van die aardstortingen, die in den aanvang van den zomer den weg vaak onbegaanbaar maken. Dan wordt juist zoo’n plekje opgeruimd, dat het rijtuig erdoor kan, en men werpt het puin eenvoudig in de rivier. Bijna in het midden van Mei hebben wij nog tal van koelies bezig gezien aan het herstellen van den weg; maar als die nog maar even bruikbaar is, vliegt de tonga er met haastigen spoed over. De eene stoot duwt u in een diepen kuil en een tweede haalt u er weer uit; de koetsier waarschuwt: “Khabardar! Pas op!” en klaar is Kees.

Zoo hebben wij den eersten dag 90 K.M. afgelegd met heel wat Khabardars op den koop toe. Natuurlijk kiest de koetsier juist de gevaarlijkste punten, om de teugels te laten schieten en op zijn horen te blazen. Ongelukken komen echter hoogst zelden voor, en men krijgt op het laatst wel aardigheid aan dat dolle rijden over bruggen zonder leuningen en aan die vervaarlijke bochten, waar men omheen vliegt. Toch zullen zenuwachtige menschen goed doen, vooral bij de bochten zich te verdiepen in de beschouwing van den rechter kant van den weg, om de Djhilam niet te zien, waar het kleinste ongeluk hen in zou storten en waarin de groote dennen, die er als stroohalmen in worden rondgedreven, hun een voorspel zijn van hun eigen lot. Die rechter kant heeft trouwens ook zijn eigen belangrijkheid; meestal bestaat hij uit rolsteenen van verschillende kleuren en uit zandsteen en porphyr, geaderd en gepolijst als onze strandkeien; waarschijnlijk is het de doorsnede van een oude rivierbedding. Er komen ook dwarstunnels voor, en dan gaat men met vreeze en beving onder die hangende blokken door, die maar even in hun laagje aarde zijn vastgehecht.

Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.

Sher-Garhi, het paleis van den Maharadja te Srinagar.

Ongeveer elke twintig kilometer kunt ge, als ge lust hebt, stil houden in een bungalow of bangla, zooals de Indiërs zeggen. Sommige van die logementen, zooals te Domel, Garhi en Oeri, zijn voldoende voorzien. Men loopt geen gevaar, dat daar zich het geval zal voordoen van de klassieke indische anecdote, dat de laatste kip juist bij uw aankomst in de jungle is verdwenen. Hier zet men u stellig en zeker een déjeuner of een diner voor op zijn Engelsch en schenkt den liefhebbers buitendien den Kaschmir-Barsac of den Kaschmir-Médoc, te Srinagar bereid. Wat de kamers aangaat, die zijn vrij zindelijk, maar spaarzaam gemeubeld.

Het dal, dat eerst na Kohala nog al gesloten is, verbreedt zich weldra bij de samenvloeiing van de Djhilam met de Kichenganga bij Domel. Tegelijkertijd gaat men plotseling niet meer van het Zuiden naar het Noorden, maar slaat af, om naar het Zuidoosten af te buigen. Een der merkwaardigheden van de etappe van Garhi is de touwenbrug. Verbeeldt u aan de beide kanten der ongeveer 80 meter breede rivier twee stevige palen met een dwarsbalk en gesteund door een groot en hoop van zware steenen. Van den eenen naar den anderen oever worden die stellages verbondendoor twee touwen van lederen riemen, die om elkaar heen zijn gewonden en voor leuning dienen. Aan de dwarsbalken hangt een ander gedraaid leer, dat is de weg. De drie touwen worden op hun plaats gehouden door houten vorken in den vorm van een V, geplaatst op drie meters van elkander.

Op zoo’n wankel geval loopen de menschen uit Kaschmir met zware bossen gras of met een melkkan in evenwicht op het hoofd. Wel trekken zij, die eenig schoeisel dragen, het uit, als ze over het touw stappen en kunnen dan van hun ongeschoeide voeten op de manier van apen gebruik maken. Buitendien is er iemand bij de hand, die voor twee anna’s de menschen, die licht duizelig worden, op zijn rug neemt en diegenen, die verschrikt worden door de bruisende watervallen onder dien clownsweg, eroverheen draagt. Hij is een soort van Hercules, een mensch dragend als een veertje; hij bindt zich zijn klant eerst op den rug met een breede sjerp, waarvan hij de einden op zijn borst samenknoopt en heeft dan zijn handen vrij voor het balanceeren. Juist zulk een brug, maar minder lang, ziet men nog weer bij Oeri beneden het fort van de Sikhs, welke muren van gebakken steenen daar als een decoratie in het landschap schijnen neergezet.

Maar hoe alle schilderachtige tooneelen te beschrijven, die elk op hun beurt worden omlijst door de randen van de rijtuigkap en die men maar even in het voorbijgaan gadeslaat? En evenzoo moeten wij er ook van afzien, de duizend-en-één incidenten, onderweg voorgevallen, te vertellen, als daar waren ontmoetingen met ekka’s, met ossenkarren of lange slieren kameelen, die al mummelend met hun lippen, voortsjokken alsof ze paternosters prevelden.

Dan waren er de dorpen met hun lage hutten, waarvan de veranda’s op de platte daken waren; de bazars, waar nog oude munten gangbaar zijn met grieksche opschriften; de heiligdommen, aangewezen door driehoekige vlaggen van verschillende kleuren, om nog niet eens te gewagen van de drukte op de onderscheiden pleisterplaatsen. Bovendien zag ik onder een groepje struiken bij hun geiten en hun jongen hond, die tegen de tonga blafte, twee kleine, mooie herderskinderen, Daphnis en Chloë op den onschuldsleeftijd, en Chloë leunde teeder met haar zwart lakensch kapje tegen den vuilen tulband van Daphnis.

Zoo is de weg naar dit paradijs al heerlijk, en van Rampoer af kondigt alles aan, dat we Kaschmir naderen. De hellingen zijn bedekt met dennen en ceders, en langs den weg groeien populieren en platanen. Reeds te Brankoetri gaat men voorbij de ruïnen van een tempel. Die van Baniyar, die wat beter in stand is gebleven en die nog overeind staat midden op zijn vierkant plein, geeft een zeer goed denkbeeld van wat die oude gebouwen zijn geweest. Daar verschijnen ook al de irissen, die typische bloemen der streek. Plotseling is de rivier verstandig geworden en doet zich spiegelglad voor, en de lange kloof, waar wij nu al twee dagen doorrijden, komt op eens uit bij het “gelukkige dal” en wel door de nauwe poort van Baramoela, tegelijk de eenige uitweg voor het water van het dal.

Van Mari naar Baramoela heeft men 200 kilometers af te leggen, dus loopend negen dagreizen, en als men per post gaat, een dertigtal pleisterplaatsen. De in 1880 begonnen weg was in 1890 voltooid tot den ingang van het dal, maar het stuk tusschen Baramoela en Srinagar werd eerst in 1897 opgeleverd.

In 1896 waren de bruggen gereed en de stoomrol, die den weg effent en een beeld is van onze nivelleerende beschaving, verpletterde in het op den weg gebrachte puin menigen steen, ontleend aan oude hindoe-ruïnen. De weg gaat door de alluviale vlakte, waar men inderdaad geen enkelen steen zou vinden; het bergland is ver verwijderd, en de ondernemers vonden het gemakkelijker, de oude steden van het land als steengroeven te bezigen. In dat jaar reden de eerste rijtuigen door Kaschmir, door de boeren met meer nieuwsgierigheid aangestaard dan bij ons de automobielen. Thans rijden alle mogelijke soort van voertuigen naar Srinagar en laten halverwege de oude stad de tempelruïnen van Patan liggen. Als ge haast hebt, ga dan direct naar de hoofdstad door, maar houd dan ten minste stil op de brug, waar de weg over de rivier gaat en blaas een weinig uit.

Die Amira-Kadal is de eerste der zeven bruggen boven Srinagar en de eenige in europeeschen trant gebouwd; zij is de plaats van samenkomst geworden voor de nieuwtjesvrienden der stad. Daar behandelen ze de openbare zaak en verspreiden er alle weken het gerucht, dat de Afghanen in Lahore zijn binnengevallen en dat de Russen het Pamirplateau hebben overschreden. Wij zullen er even rondzien.

Er wordt aan beide zijden een markt gehouden, en het is een druk heen en weer loopen van groote kerels met gebruind gelaat, gekleed in een wollen kleed, dat zich eenmaal moet herinnerd hebben, wit geweest te zijn, en met een katoenen tulband. Het zijn brave menschen op de manier van den globetrotter, wel te verstaan, gezegd, die in een station van Pendsjab zijn boosheid op een onbeschaamden koelie niet eerder dorst luchten, vóór hij geïnformeerd had van welk ras de man was.

De Kaschmireezen zijn in dat opzicht van de goede soort; ze kunnen wat verdragen en buigen hun rug onder zweepslagen. Ze zullen niet als de Afghanen een slag beantwoorden met een doodelijken steek met een mes. Omdat de menschen van Kaschmir zoo sterk en zoo goedig zijn, hebben de Engelschen er het besluit uit getrokken, dat ze laf waren. Hadden ze misschien liever, dat het moordenaars en roovers waren? Het is waar, dat de Engelschen de Afghanen, wier dapperheid niet in twijfel kan worden getrokken, verraders noemen.

Dat voortdurend gebruik van slechtklinkende, afkeurende aanduidingen toont alleen duidelijk aan, dat de Engelschen niemand goed vinden dan zichzelven.

Er zijn Kaschmireezen, die, getroffen door dat verwijt van lafheid, beweren dat hun lang kleed, ’t welk hun nationaal costuum is, hun door de mohammedaansche overheerschers werd voorgeschreven, om ze te verweekelijken. Dat klinkt wel goed en zou overtuigend zijn, als zij, die het bedacht hebben, van hun kangri afstand konden doen. De kangri is de inlandsche warme stoof, een aarden pan, met riet eromheen en gevuld met kolen en asch, waar de Kaschmirees, zoodra het maar een beetje koud is, onafscheidelijk van is en die hem als zijn schaduw altijd vergezelt. Hij brengt heele dagen erop zittenddoor, houdt de stoof des nachts bij zich en door die gewoonte ontstaat menige brand in een woning, terwijl de litteekens van brandwonden er vaak aan zijn toe te schrijven. Nu heeft de kangri juist behoefte aan het lange kleed met wijde mouwen, waar men de stoof onder verbergt, en daar dr. M. A. Stein verzekert, dat er reeds sprake van is in oude kronieken, moet men afzien van het mooie sprookje van een Kaschmir, waar oudtijds alleen helden woonden, die allen zoo dapper waren omdat ze broeken droegen.

Maar ge begint al onder de voorbijgangers verschillende typen en kleederdrachten te herkennen. Ook als we de sikhs en de menschen uit Pendsjab er buiten laten en andere immigranten uit Indië, behooren de Kaschmireezen zelven niet allen tot denzelfden godsdienst, noch tot dezelfde kaste. In het algemeen kan men zeggen, dat ze Hindoes of Mohammedanen zijn. De laatsten zijn verreweg het talrijkst; van de honderd twintig duizend inwoners der hoofdstad zijn meer dan twee derden aanhangers van den Islam, en buiten de steden is de verhouding nog meer in het voordeel van de Mohammedanen. Het schijnt, dat die bekeering van de massa der bevolking, die van niet later dan de veertiende eeuw dagteekent, zonder eenig geweld is tot stand gekomen en niet het gevolg is geweest van een inval van veroveraars. De boeren en de arme menschen, die bij verandering enkel konden winnen, namen den nieuwen godsdienst aan; de Brahmanen, die er alles bij te verliezen hadden, hielden zich aan den eeredienst, hun door hun voorvaderen nagelaten en die de eenige rechtvaardiging hunner voorrechten was.

De Mohammedanen noemen hen afgodendienaars, maar zijn zijzelven wel zeker ware orthodoxe geloovigen te zijn? Werkelijk hebben ze alle indisch bijgeloof behouden onder een vernisje van den Islam, en de geleerden uit Mekka verketteren hen op hun beurt met den naam heiligenaanbidders. Ofschoon de Brahmanen in de minderheid zijn, hebben zij verreweg de meeste ontwikkeling en beschaving, al verdienen waarschijnlijk niet allen den naam van pandit of geletterde, dien ze elkander algemeen toekennen. Men kan hen dadelijk van hun muzelmansche landgenooten onderscheiden door het secteteeken dat ze op het voorhoofd dragen, aan den eigenaardigen vorm van hun tulband, en aan de sjerp om hun schouders.

Nu ge een eersten indruk hebt gekregen van de Kaschmireezen, zal het u interesseeren te weten, wie over hen regeert. Kijkt eerst eens stroomaf en dan stroomop. Daar vlak bij den linkeroever die opeenhooping van leelijke gebouwen, dat is de Sjer Garhi, zooals men het paleis van den maharadja betitelt, en ginder, hooger op den rechteroever, onderscheidt ge tusschen de populieren en platanen de elegante villa van den engelschen resident. Wie is nu de eigenlijke vorst in Kaschmir, de resident of de maharadja? Dat weten zelfs de kleine kinderen, en de grijsaards vergissen er zich niet in. Een honderdjarige Brahmaan, die ons alle regeeringen opnoemde, die hij had bijgewoond in zijn leven, gewaagde van de Afghanen, de Sikhs van Randjit-Singh, de Radjpoeti’s van Goelab-Singh ... en de Engelschen van de koningin. Het is om de volledigheid haast jammer, dat hij er ook niet nog de Russen heeft zien heerschen.

Het Kaschmir van de Sikhs heeft Jacquemond in 1831 bezocht en het onderkoningschap werd er hem, naar men zegt, aangeboden. Wees maar niet bang, dat uw bescheidenheid op een dergelijke proef zal worden gesteld; die gelukkige tijd is voorbij! Op den heen- en terugweg had onze landgenoot de gelegenheid gehad een Radjpoet te ontmoeten uit den stam der Dogra’s, die door de gunst van Randjit-Singh het tot radja van Djammoe had gebracht. Reeds wierp Goelab-Singh, zoo heette de avonturier, begeerige oogen op Kaschmir. Zoo lang Randjit-Singh leefde, die den bijnaam had van den leeuw of zooals Jacquemond zegt, den vos van Pendsjab, ziet men hem er omheen zwerven, zonder dat hij er binnenkomt. Achter elkander verovert hij de aangrenzende landen, Kitsjwar,Ladakh, Skardo, en na den dood van den leeuw weet hij slim zich te handhaven in de gunst van Sikhs en Engelschen beiden. Eindelijk staat bij een verdrag van 16 Maart 1846 de engelsche regeering aan den maharadja Goelab-Singh en zijn mannelijke afstammelingen de geheele bergachtige streek ten oosten van den Indus af en ten westen van de Ravi..... In ruil betaalde de nieuwe maharadja de som van 75 lakh roepijen en verbond zich, om jaarlijks een schatting te betalen in paarden, geiten en shawls. Er wordt beweerd, dat die laatste nog worden ingeleverd en dat keizerin Victoria er haar niet dure bruidsgeschenken van maakte. Dat verdrag was van Goelab-Singh een meesterstuk. Men zegt, dat hij binnen enkele jaren in de opbrengst van het dal de som terugkreeg, die hij ervoor had uitgegeven.

Nooit praat men den Kaschmireezen uit het hoofd, dat om zulke voordeelige voorwaarden te bedingen, Goelab-Singh de Engelschen had doen gelooven, dat al het hem afgestane land niets anders was dan onvruchtbaar heuvel- en bergland, en de redactie van het tractaat doet daar wel aan denken. Inderdaad was het hun bedoeling, Goelab-Singh af te scheiden van de zaak der Sikhs en in hem een bondgenoot tegen die laatsten te krijgen; drie jaren later, toen in 1849 Pendsjab definitief werd ingelijfd, bleek het, dat ze vlak naast zich een bijna onafhankelijk koninkrijk in het leven hadden geroepen, en een, dat nog wel grensde aan chineesch en russisch grondgebied.

Maar genoeg over politiek. Ge zult een zeer goed onderkomen vinden in het hotel, dat te Srinagar geopend is ter gelegenheid van de inwijding van den nieuwen rijweg. Maar men komt niet in Kaschmir, om zich in een hotel op te houden zooals in Zwitserland, en men kan nooit iets van het land en zijn bekoorlijkheid te weten komen, als men zich niet vrij beweegt en overal rondkijkt in dit prachtige hoekje van Hoog-Azië, zoodat men er min of meer het nomadenleven leidt van onze hypothetische voorouders, de Ariërs. Dat is, of men het wil bekennen of niet, de eigenlijke charme van een verblijf in Kaschmir, die onafhankelijkheid van belachelijke en hinderlijke voorschriften van onze maatschappij, waar alles tot overtreding wordt, van het houtsprokkelen in het bosch tot het water putten uit den oceaan. Hier is de verwezenlijking van wat sinds het Paradijs de roeping en de droom van den mensch is gebleven, koning te wezen te midden van een bevriende natuur; hier vindt men de voldoening, uitingte kunnen geven aan dat instinct van vagabondage, dat in ons allen leeft en ons tot onbewuste nomaden stempelt. Het teeken en misschien ook het losgeld voor dien terugkeer tot de zeden der primitieve menschheid is de enorme belangrijkheid, die het probleem van onderdak en voeding aanneemt, een vraagstuk, dat ons geen oogenblik bezighoudt in het kunstmatige leven in de beschaafde wereld.

Laat mij daarover nog eenige aanwijzingen geven. Gij zult in de winkels te Srinagar, gehouden door de onvermijdelijke Parsi’s, alle ingemaakte voedingsmiddelen kunnen krijgen uit Europa; maar beter doet ge u te voorzien, zooals trouwens de meeste leden der vlottende vreemdelingenkolonie doen, op de naburige markten van de brug Amira-Kadal. Natuurlijk vindt ge er geen rundvleesch, noch voor geld, noch voor goede woorden, tot verdriet der Engelschen, die zich schadeloos stellen door massa’s corned beef te verorberen. Het verbod van rundvleesch wordt streng gehandhaafd door de regeerende Hindoedynastie, en het dooden van een koe, dat vroeger met den dood werd gestraft, zou thans een inboorling nog op een gevangenisstraf van vijftien jaar komen te staan, terwijl een Europeaan erom uit het land zou worden gezet.

Maar ook zonder dat vleesch, dat verboden is, omdat het te heilig is, en varkensvleesch, dat uw mohammedaansche kok met tegenzin voor u klaar maakt, omdat het niet heilig genoeg of te wel onrein is, zal uw tafel nog ruim voorzien kunnen zijn van uitmuntend schaapsvleesch, sappig wild, groenten, eieren en versche boter; dat is alles op den bazar te krijgen. Wees niet onthutst, als uw kok de etenswaren van de markt thuis brengt in een stuk berkenschors; dat is het oude papier van dit land, zooals uit oude manuscripten blijkt, en men maakt er nog veel gebruik van voor huiselijke dingen.

Wenscht ge ten slotte nog iets van de prijzen te weten, die wel zullen stijgen, als de stroom van toeristen sterker gaat vloeien, dan zij gezegd, dat een kip zes of tien stuivers van ons geld kost; een pond boter of een dozijn eieren vier en de rest naar evenredigheid. En toch ontmoet men nog menschen, die klagen over de duurte der levensmiddelen en pochen op den tijd, toen men voor één roepij een heel schaap kon krijgen.

Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.

Typen van pandits of brahmanen uit Kaschmir.

Ziedaar iets over de tafel. Wat de huisvesting aangaat, als ge niet vooraf uw maatregelen hebt kunnen treffen te Lahore, doet ge het best van een der agentschappen te Srinagar te koopen of te huren de noodige tenten en kampmeubelen. Dan laat ge uw linnen huis, dat veel geriefelijker is dan ge kunt gelooven, als ge het nooit hebt geprobeerd, opslaan aan den oever der rivier of in de buurt der residentie onder de schaduw van de boomen der baghs of parken voor Europeanen gereserveerd. Daar is de Moensji-Bagh, een boomgaard aan de Djhilam, bestemd voor gehuwden en dames alleen; verder de Tsjinar-Bagh, een prachtig bosch van platanen aan den uitgang van het meer ten gebruike van ongetrouwde mannelijke personen; zoo is het koren van het kaf gescheiden. Vooral moet ge zorgen de beschikking te krijgen over een dier inlandsche booten, die doenga’s worden genoemd; die kan u tegelijk als huis en als voertuig dienen bij uw eerste uitstapjes. Op deze eerste lentedagen, nu het water nog zoo hoog is, kan de boot u door de rivier en de meren in allerlei richting naar de interessantste plekken van het dal voeren. Voor wie in de tonga heeft gereden over den hobbeligen weg en geradbraakt is door schokken, verdoofd door den hoorn en half gestikt door het stof, is de ruil niet kwaad van een tonga tegen een doenga.

De derde van de zeven bruggen van Srinagar.De derde van de zeven bruggen van Srinagar.

De derde van de zeven bruggen van Srinagar.

II.Door het “Gelukkige dal” in een doenga.—Roeiers en roeisters.—Van Baramoela naar Srinagar.—De hoofdstad van Kaschmir.—Een beetje staathuishoudkunde.—Boven Srinagar.De doenga is een boot, die, plat van onderen, aan beide uiteinden puntig uitloopt en tien meter lang is, terwijl er een dak van gevlochten riet over is gespannen. Andere matten, die naar believen opgerold kunnen worden als stores, sluiten de ruimte aan de kanten af en vormen ook de deur en de afscheiding tusschen de binnenruimten. Aan de voorzij bevindt zich een kleine veranda; dan volgt een vertrekje, dat in mijn boot juist vier meter lang en 1.80 M. breed was, en eindelijk een hutje, dat als cabinet de toilette dienst doet. Bij den achtersteven is het gezin van den roeier gehuisvest en slaapt in een ongeloofelijk kleine ruimte.Boot en bemanning huurt men per maand voor een twintigtal roepijen, en men kan het er wel naar zijn zin hebben, als men zorgt, de geheele ruimte aan boord inderdaad voor zich te hebben en die naar eigen smaak te kunnen inrichten. De bedienden volgen in een andere boot, waar gekookt wordt. Als het uur van de maaltijden slaat, komt de tweede boot op zij, en ge wordt uit uw drijvende keuken bediend, zonder dat ge u behoeft op te houden.Een klein, licht bootje, sjikara genoemd, dient voor de jacht op watervogels en voor snelle tochten en maakt uw vlootje compleet, waarmee ge u nu kunt bewegen op de rivier en de meren van Kaschmir. De mode van zulke zware drijvende woningen, die de Engelschen house-boats noemen, is ook wel van de Theems naar de Djhilam overgebracht, maar, al kan men ze bij de agentschappen in uitstekenden staat huren, dat komt veel duurder, en het zijn zulke logge machines, dat als het water een beetje laag is, men ieder oogenblik gevaar loopt vast te raken; ook heeft de doenga meer locale kleur, en ontkomen aan de handji’s kan men toch niet.De handji’s zijn de roeiers van Kaschmir; een kaste, die misschien verachtelijk, maar stellig veracht is, ofschoon ze een groote rol in het volksleven spelen. Tot in de allerlaatste jaren gaat al het vervoer te water, en de rivier is steeds vol schepen, van de groote vrachtbooten af tot de lichte doenga’s voor passagiers toe. De handji’s van die laatste slaan in den slechtsten reuk; er wordt veel kwaad van hun vrouwen gezegd; maar ook haar schoonheid wordt geprezen. Ze zullen in haar jeugd wel een tijd van frischheid hebben gehad, maar ik moet zeggen, dat het harde leven haar die fraîcheur dan gauw heeft ontnomen. Zij roeien altijd door of boomen of trekken aan het touw; verder moeten ze rijst stampen en maïs in zware houten vijzels, en dan moeten ze nog een heelen hoop kinderen grootbrengen, allerliefste kinderen trouwens.Een heel vertier voor de handji’s zijn de kibbelpartijen met collega’s van andere booten; die twisten zijn in Kaschmir spreekwoordelijk geworden. Het répertoire van scheldwoorden is volgens het zeggen van diegenen, die ze verstaan, nog veel uitgebreider dan dat van de parijsche koetsiers. Meestal doen de vrouwen dapper mee of ook wel is het aan haar alleen overgelaten, terwijl de mannen al rookend toeluisteren en lachend aanhitsen. Soms valt de avonden duurt de strijd nog voort; dan werpt ieder der strijdenden een ketel over boord vóór aan de boot ten teeken, dat de twist daaronder gedurende den nacht bewaard blijft; des morgens wordt het ding omgekeerd, en de vrouwen trekken weer van leêr.Bij Baramoela al heb ik kennis gemaakt met de naïeve opdringerigheid van die zoo belasterde handji’s. Ik moest uit de vloot van aan den wal vastliggende booten er een paar kiezen. Van alle kanten werden aan mijn adres smeekbeden en aanroepingen gericht; sommigen wierpen zich in het stof aan mijn voeten of veegden met hun voorhoofd over mijn schoeisel, kortom de gansche comedie werd opgevoerd, die ze in dergelijke gevallen gereed hebben. En altijd klonk één woord boven de andere uit: “Kiline, Hazoer, kiline!” Dat is hun manier, om het engelsche woord clean uit te spreken, want zindelijkheid is natuurlijk het eerste vereischte voor de uit Europa aangekomenen. Toen ik een keuze had gedaan, staakten de andere bootslui dadelijk hun aandrang; een anderen keer zouden zij gelukkiger wezen.Ik heb mij niet over mijn volkje te beklagen gehad, behalve dat ze als al hun collega’s de verfoeilijke gewoonte hadden, dag en nacht te babbelen en geen notitie te nemen van mijn “tsjoep! tsjoep!” het hindoesche woord voor “stilte, stilte!” Er waren ook wel oneenigheden tusschen de vrouwen van de verschillende booten; maar ze durfden mij daar niet veel van te laten merken, en het was vermakelijk, soms als ze zich onopgemerkt waanden, de woedende gezichten te zien, waarmee ze af en toe tegenover elkander op den grond spuwden, om de wederzijdsche minachting te uiten.Maar toen ik eenmaal onderweg was, wat was het toen een genot, des morgens in de doenga te ontwaken, die onmerkbaar over de rivier glijdt, die mooie rivier met het klare, stille water! Als een enkel lui uurtje reeds zijn waarde heeft, dan kan men begrijpen, wat het was, in de vroegte, onder de opgetrokken stores door, de groene oevers voorbij te zien glijden. Om de waarheid te zeggen, heeft het landschap niets vreemds, en mogelijk komt de populariteit van deze reis wel grootendeels doordat ze den Engelschen hun Theems herinnert.Wij zijn den eersten dag gevaren van Baramoela naar Sopoer in dat zachte, nevelachtige weer, dat onze noordelijke zomers dikwijls aanbieden; de verte verdween in witten damp, en dichterbij vormden de schaduwen, de vette weiden, waar de kudden graasden, de mooie, goed bebouwde velden en de wijde vergezichten een landschap, dat even goed in Middel-Europa had kunnen liggen.Tegen den middag scheurde het waas, dat als een tulen gordijn den horizon bedekte, en in de nu doorschijnende lucht verschenen, eenig om te zien, de met sneeuw bedekte toppen, die het dal insluiten, een smaragd in zilver gevat, en die aanblik was alleen de reis wel waard.Zonder eenige inspanning kan men op deze reis de merkwaardige en beroemde ruïnen van Kaschmir bewonderen. Alle oude hoofdsteden en bijna alle godsdienstige stichtingen der koningen, waarvan de kronieken gewagen, liggen aan de rivier, die de hoofdader van het land is, en kunnen dus op de gemakkelijke vaart worden bezichtigd.Een primitieve brug, kleine hindoesche heiligdommen, een moskee, een dorpsbazar, zoowat achthonderd huizen met spitse daken en geen platte, als in Indië, ziedaar Baramoela en ziedaar ook, maar in kleiner afmeting, Sopoer. Vooral de bruggen trekken door nieuwheid de aandacht. Ze zijn geheel van hout gemaakt; de pijlers zijn niet anders dan rijen afwisselend op elkander gestapelde balken in de lengte en in de breedte. Uit de verte zou men ze kunnen houden voor een hoop planken, die liggen te drogen.Beneden aan den kant, van waar de stroom komt, is een soort van uitsteeksel van stevige planken, bezwaard met dikke steenen, dat de kracht van den stroom moet breken. Naar boven toe worden de palen al breeder en breeder, en de daarover geworpen stukken hout komen al dichter en dichter bijeen, tot ze eindelijk dicht genoeg elkaar genaderd zijn, dat de dwarsbalken van den vloer der brug er gemakkelijk over gaan. Zulke holle bruggen hebben buiten het voordeel van hun goedkoopheid en eenvoudigheid nog het gemak, dat ze tegen de hooge vloeden kunnen, die door de holten heenstroomen, zonder schade aan te richten. Vroeger stonden er veel gebouwtjes en winkels op de bruggen, net als op de Beursbrug in Parijs in den ouden tijd en op de Ponte Vecchio in Florence; maar overal zijn die bouwsels verbrand en men is er niet toe overgegaan, ze weer op te bouwen.Achter Sopoer krijgt men het Voelar, het grootste meer in Kaschmir, te zien. Als er niet enkele open plekken met mooi helder water waren, zou men eerder denken aan een onmetelijke weide van vochtminnende grassen, vol vogels met schitterende vederen. Overal ziet men waternoten, Trapa natans, daar singhara’s genoemd, een der voortbrengselen van het meer en in tijden van schaarschte door de Kaschmireezen zeer op prijs gesteld als voedsel. In platboomde booten zamelen de oeverbewoners ook voedsel in voor hun vee op die reuzenweiden van waterleliën en lotusbloemen. Zij zingen onder het werk, terwijl ze met hun handen de natte bladeren afrukken van de met een kleverig vocht gevulde stelen, en de wind voert de zich eindeloos herhalende, melancholieke hindoesche liederen zeer ver mee.De schippers zijn bang voor de Voelar, want het meer wordt dikwijls bezocht door hevige onweders en stormen, die van de bergen neerdalen en die zeer gevaarlijk worden voor hun platte en hoog geladen schuiten. Ze kunnen dan niet anders doen dan maar zoo gauw mogelijk den oever trachten te bereiken, vóór de golven in de boot slaan. Het heet, dat Goelab-Singh in zoo’n storm omkwam.In plaats dan ook van het meer over te steken, om den mond van de groote rivier te bereiken, haastten mijn handji’s zich, om langs den zuidelijken oever den ingang van het Noroekanaal te halen. En ze hadden goed gedaan, want in den avond overviel ons de storm, sloeg onze rieten gordijnen omhoog en dreigde, passagiers en meubels eraf te strijken. Gelukkig vonden we beschutting van een heuveltje, en al de handji’s gingen ijverig aan het vastsjorren van de touwen en bevestigen van het rieten dak. Waarna wij niet anders te doen hadden dan te gaan slapen, wat zeer goed gelukte, beschermd als we waren tegen regen en wind door ons dak van gevlochten riet.Die stormen trekken even gauw weer af, als ze komen opzetten. In den morgen vertrokken wij over het kalme water, dat spiegelglad was. De gelegenheid was mooi, om door de binnenvijvers tot in de buurt van de ruïnen van Patan te komen. De doenga’s gleden voort over de bloeiende lelies en door het hooge riet, bevolkt met talings; het water was zoo doorschijnend, dat men de blaadjes van het mos op den bodem tellen kon. Een klein kanaaltje voerde naar groote alleenstaande platanen, die bij het niet op de kaarten aangeduide dorp Panhallan behoorden. De kampplaats maakte weinig vertooning; maar we genoten er een prachtig panorama, waar men uitzicht had van den Haramoek tot den Toetakoeti en van den Kadsjnag tot den Brahma-Sakoel, een onmetelijken kring van sneeuwbergen.Eenige kilometers van daar geraken de oude tempels van Patan, die in 1885 bij de laatste aardbeving zooveel geleden hebben, al meer in verval. Palhallan, dat prachtig ligt in de schaduw van moerbeiboomen, notenboomen, eeuwenoude platanen en populieren, waar zich de wingerd omheen slingert, is in het bezit van een merkwaardigheid, namelijk zijn reigerbosch. Honderden reigers gaan en komen er, altijd heen en weer vliegend van de groote meren naar de hooge boomen, waar ze hun nesten hebben. Het is een dwaas gezicht, als ze met de lange pooten gaan zitten: andere plukken hun veêren uit of zitten na te denken, met den hals in de schouders getrokken, op een verdorden tak; want de kruinen der boomen zien er nog al kaal uit, en schijnen te lijden onder die al te dichte bevolking.Men moet zich er wel over verbazen, dat de Kaschmireezen niet van hun reigers hetzelfde gebruik hebben gemaakt als de Chineezen en Japanners van hun ooievaars, te meer omdat het een koninklijke vogel is, waar niet op mag gejaagd worden. Vroeger droegen ook inderdaad de aanzienlijken een aigrette van reigerveêren, bevestigd aan een edelgesteente, op hun tulband, en de pacht voor de vergunning tot het plukken der vogels maakte deel uit van de staatsinkomsten. Nog in de laatste jaren moest de pachter 268 roepijen betalen en 2999 veeren buitendien inleveren, geen één meer of minder. Maar het is geen mode meer, en de aigrettes verschijnen nog alleen bij gelegenheid van een bruiloft in het mascaradecostuum der bruid.Ons drijvend huis begeeft zich weer op weg door de heldere vijvers vol bloemen, om naar het Noeroekanaal terug te gaan, dat te Sjadipoer uit den hoofdarm van de Vitasta komt; daar juist tegenover vereenigt de Sindh zich ermee, zoodat het daar een waar kruispunt van rivieren is. Die samenvloeiing is in de oogen der Brahmanen een even heilige plaats als de vereeniging van Ganges en Djoemna; op een rond eilandje staat een kleine plataan, die gelijkt op den eeuwigen boom, welks stam in de kelders van het fort Allahabad nog door de pelgrims vereerd wordt. Het heet, dat hij geen ontwikkeling en geen verval kent. Er wordt daar op die vereerde plek een uitstekende vischsoort gevangen, de mahsir genoemd.Als men van daar de groote rivier afvoer, zou men spoedig de Soembalbrug hebben bereikt en dan door een kort kanaal het groene en diepe water van het Manusbalmeertje, waar een vervallen kaschmireesche tempel zijn ondergang vindt in den slijkerigen grond. Indien men daarentegen de rivier opvaart, doet zich al gauw in de verte het sikhsche fort Hari-Parvat voor, de citadel van Srinagar. Op den achtergrond ziet men een hoogen berg, die tot scherm dient voor de opgaande zon, en waar een brahmaansch heiligdom op is gebouwd, wat niet verhindert, dat de Mohammedanen het Takht-i-Soeleiman noemen, dat is Troon van Salomo.Srinagar wordt door de rivier in twee deelen gescheiden en volgt den stroom over wel vijf kilometer. Zeven bruggen verbinden de beide oevers. Ik kreeg er den indruk van te komen in een half in puin liggende stad. Het is, alsof de huizen, waarvan vele gestut worden, in den toestand van onstandvastig evenwicht gelaten zijn door de laatste aardbeving en nu maar wachten, tot de volgende ze geheel omverwerpt. Ze winnen erdoor in schilderachtigheid met hun kleine loggia’s op de bovenverdieping, de opengewerkte luiken, waarover ’s winters papier wordt geplakt, om de niet aanwezige vensterglazen te vervangen, en vooral de aarden daken, met frissche bloemen en wilde grassen begroeid, die bij het minste koeltje wuiven.Om beurten glijden ons voorbij moskeeën met haar drievoudig, eveneens bebloemd dak, en Hindoetempels, waarvan de koepels bedekt zijn met lappen zink, helaas, afkomstig van petroleumblikken. Kaden en groote trappen, van oude, gebeeldhouwde steenen gemaakt, vertoonen zich aan de rivier. Vrouwen dalen erheen af, om haar kruiken te vullen van rood of bronskleurig aardewerk; haar kleine houten sandalen, vastgehouden door een enkel knopje tusschen den grooten en den volgenden teen, klappen op de gladde treden, en het mag een wonder heeten, dat ze den nek niet breken. De lange wollen kleedingstukken hebben soms aardige fletse tinten van bleekgroen, lichtblauw of donkergranaat. Sjikara’s bevaren in alle richtingen de rivier, even talrijk als de fiacres in de straten van Parijs.Links hebben we laten liggen den nieuwen bazar, of Maharadsj-gandsj, nu nog meer nieuw, daar men bezig is aan het bouwen na een brand, die onlangs verwoestingen heeft aangericht. Hier is de zetel van al die groote kooplieden van zilveren bibelots en oud koperwerk en email, papier maché, houtsnijwerk en borduurwerk, die tot de kunstproducten van het land behooren. Heb maar geen hoop, dat ge hun ontkomt. Ze zullen u vervolgen te water en te land; met onuitputtelijk geduld gaan ze vóór uw boot of uw tent staan, dringen langzamerhand binnen met hun koopwaar en rusten niet, vóór ge hun een bestelling hebt gegeven, te leveren aan het einde van het seizoen.Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.Af en toe komen makelaars van de inlandsche banken u zeer beleefd vragen of ze uw chéques zullen wisselen, precies zooals de engelsche bank, en zelfs bieden ze aan, wat die laatste niet kan, u kaschmireesch geld te bezorgen voor de afgelegen steden van Midden-Azië, waar zij agenten hebben aangesteld. En dan komen nog de bende van menschen, die hun diensten komen aanbieden, kleermakersvoor heeren en dames, schoenmakers met schoeisel voor de stad en voor de bergen, bontwerkers, fabrikanten van reisartikelen en kampbenoodigdheden, die u van top tot teen willen uitrusten voor toekomstige expedities, u, uw personeel en, als het noodig is, ook uw honden.Voor die geheele wereld van handwerkslieden en handelaars was de dood van de industrie der shawls ongeveer dertig jaar geleden een verschrikkelijke slag. Zooals men weet, begon de mode zich omstreeks 1870 ervan af te wenden; en daar die handel grootendeels in handen was van fransche makelaars en de fransch-duitsche oorlog plotseling aan hun aankoopen een eind maakte, brachten de goede Kaschmireezen natuurlijk hun ondergang met de rampen der Franschen in verband. Het nieuws van Sédan werd door het demonstratieve volk met openbaar geweeklaag ontvangen, dat, hoewel niet belangeloos er niet minder oprecht om was, en misschien waren deze menschen de eenigen, die oprecht met ons treurden. Een gedeelte van de wevers van shawls heeft sedert dien tijd een broodwinning gevonden in twee tapijtfabrieken, waarvan de eene door een Franschman wordt geleid, den heer Dauvergne.Die economische crisis is overigens niet meer dan een episode in de jongste geschiedenis van de ongelukkige hoofdstad in het “Gelukkige Dal”. Men verwacht niet anders dan dat droevig aanzien, als men aan alle rampen denkt, die de stad in den loop der laatste jaren hebben geteisterd, hongersnood, cholera, overstrooming en telkens herhaalde branden, niets is haar bespaard gebleven, en bovendien heeft de stad te lijden gehad onder de verklaarde vijandigheid der nieuwe engelsche regeering, die, hoe weldadig ook voor de overige deelen van het land, voor Srinagar een ongeluk was. Die opeenhooping van 125.000 inwoners, voor het meerendeel mohammedaansche handwerks- en kooplieden, en voor het overige Brahmanen, heeft te veel overwicht in een gesloten dal van 35 mijlen in de lengte en tien in de breedte, en dat overigens achthonderd zielen telt.Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.Tot zoowat vijftien jaar geleden was het traditie, dat de provincie werd geëxploiteerd ten bate van de hoofdstad; maar toen luidde het bevel tot de ambtenaren, die den maharadja geleend of hem opgedrongen werden door de engelsche regeering, dat ze de rollen moesten omkeeren en de stad moesten gebruiken ten voordeele van het platte land. Er kan geen beter overzicht worden gegeven van de beide richtingen, dan de heer W. Lawrence heeft gedaan in zijn interessant werk “The Valley of Kaschmir”, Oxford 1895. Hij, die zijn naam heeft verbonden aan de verandering, zet daarin het verschil uiteen tusschen de oude en de nieuwe richting. Eigenlijk zette men alles op zijn kop in Kaschmir, en men moest wel met zulk een zachtzinnige en volgzame bevolking te doen hebben, dat zoo’n bruuske en radicale verandering in zoo weinig tijd tot stand kwam; overal elders zou ze onlusten hebben verwekt of mogelijk een omwenteling, maar hier had ze zonder woelingen plaats, al was het dan niet zonder leed, althans voor de stedelingen.Maar mogelijk was nu hun beurt gekomen, want erkend moet worden, dat het leven van de boeren in Kaschmir zeer hard was. Het was al een grondbeginsel van de oude indische koningen, dat de landbouwers, lieden van een lage kaste, niet meer bezit mochten hebben dan wat juist noodig was, om hun zaaigraan te bezorgen voor den volgenden oogst, en voedsel in die hoeveelheid, dat ze niet van honger stierven. Hun overgang in massa tot het Mohammedanisme is zonder invloed gebleven op hun lot. De koningen of de gouverneurs, die den Islam beleden, gingen voort, hen te plunderen en de Sikhs volgden dat voorbeeld. Jacquemond beschrijft den toenmaligen gouverneur als den Sikh, die in zijn domheid voor het tegenwoordige bij machte is, dit ongelukkige land te berooven, en die waarschijnlijk bij het neerleggen van zijn functie alles zal moeten storten in de schatkist van Randjit-Singh.Wat Goelab-Singh betreft, die heel gewoon zijn audiënties voor een roepij verkocht, hij verstond geen gekheid in zake zijn inkomsten. In den tijd van Ranbir-Singh werden er wel enkele pogingen gedaan, om hervormingen in te voeren, maar ze hebben schipbreuk geleden door de stelselmatige tegenwerking van de ambtenaren, die, zooals natuurlijk was onder een indische regeering, brahmanen of pandits waren. Nu waren alle pandits, vanaf den patwari in een dorp tot den vazir-vazirat of gouverneur van een provincie met daar tusschen de tahsildars of districtshoofden, het onderling eens, dat men den muzelmanschen boer zooveel mogelijk moest uitzuigen. Het grootste deel der belastingen werd in natura betaald, en de staat, die ongegeneerd den boeren drie vierden van hun oogst afnam, verkocht dien tegen lagen prijs aan de stedelingen. In dien tijd, zoo verzekerde men ons, kon een mensch van een roepij in de maand leven. Het is duidelijk, dat in die omstandigheden de stedelijkenijverheid een groote vlucht moest nemen, dank zij de goedkoopheid van den handenarbeid; maar vroolijk was het niet voor de dorpelingen, dat ze alle dagen het grootste deel van hun rijst zagen verorberen door de darren van den bijenkorf.Eindelijk kreeg de heer Lawrence de opdracht, het kadaster te herzien en de grondbelasting anders te regelen; hij nam den boer onder zijn bescherming en verklaarde tevens den oorlog aan diegenen, die hij zijn vijanden noemde, te weten de pandits van de officiëele beambtenklasse; ten tweede de dorpshoofden en ten derde de stad Srinagar. Sedert blijkt meer en meer, dat het den boer, den zemindar, goed gaat, en de andere klassen beweren zelfs, dat hij brutaal vooruitgaat. Hij heeft van den SettlementOfficervoorwaarden verkregen, beter dan hij ooit heeft gekend, en het is niet zijn schuld, als hij er door list niet nog zachtere heeft verkregen.Al zijn er enkele vergissingen begaan, en al zijn eeuwenoude misbruiken niet met één slag uit den weg geruimd, zoodat bijvoorbeeld de afpersingen der kleine inlandsche ambtenaren niet hebben opgehouden, toch is er geen twijfel aan, of de groote meerderheid van de beschermelingen van den heer Lawrence kunnen terecht verheugd zijn over een stelsel, dat hun voor de eerste maal vergunt, hun rijst te behouden en hun belastingen in producten te betalen.Wat te zeggen van zijn drie vijanden? Met een ervan, de corporatie van de lambardars of dorpshoofden, heeft hij onderhandelingen moeten houden en om hen kalm te houden, heeft hij hun vijf procent van de opbrengst van hun dorpen moeten toestaan. Maar voor de brahmanen en met hen de rest der inwoners van Srinagar is hij onverbiddelijk gebleken, en het moet gezegd, dat er voor hen groot gevaar heeft bestaan, dat zij van honger omkwamen. Zij leven echter nog, zij het dan ook in ellende. De pandits zullen zich wel redden; zij hebben het wel uitgehouden onder de onderdrukking der afghaansche gouverneurs.Net als ze ten tijde der mongoolsche heerschappij Perzisch leerden, zoo leggen ze zich thans op het Engelsch toe; de jonge lieden doen examens en krijgen weer betrekkingen. Natuurlijk doet de periode van overgang zich wel eens lastig gevoelen in de gezinnen; toch zullen ze ten slotte de regeeringsposten krijgen, waaruit de heer Lawrence hen had willen weren, en dat wel om de eenvoudige reden, dat zij de verlichtste en ontwikkeldste klasse der bevolking vormen en dus goed- of kwaadschiks ook de regeerende klasse zullen zijn.Het meest zijn voorzeker te beklagen de arme handwerkslieden uit Srinagar. Een troost is het ten minste, dat de Settlement Officer niet vastgehouden heeft aan zijn aanvankelijken eisch, dat alle belasting in geld moest worden opgebracht, en dat de staat niet langer de groote leverancier van rijst voor de hoofdstad is. Dat werd in 1891 besloten, en het gevolg was zulk een hongersnood in het volgend jaar, dat men niet ermee durfde voortgaan. In 1893 werd er besloten, nog weer 300.000 ezelvrachten of kharvars, dat is 177 engelsche ponden koningsrijst naar Srinagar te zenden; in 1896 werd er nog weer de helft heengevoerd en de stad was daardoor voor den honger gevrijwaard.Een nieuwe poging, die drie jaar geleden werd gedaan, is niet beter geslaagd en zelfs in dit jaar, 1904, heeft men om de verschrikkelijke duurte der levensmiddelen in twee van de vier districten slechts een derde van de producten in natura, die verschuldigd waren, geïnd.Dat de medaille dus haar keerzijde heeft, ligt niet aan den heer Lawrence, maar aan het stelsel, dat in geheel Indië wordt toegepast. De grondbelasting is er de hoofdbron van inkomsten. Het ligt niet in Engelands politiek, de industrie in zijn koloniën aan te moedigen. En dat is geen wonder. Men heeft het nog onlangs kunnen constateeren, hoe Manchester zich bezwaard gevoelde over de concurrentie der engelsch-indische katoenen weefsels. Indië wordt geëxploiteerd als een groote landbouwkolonie, en men wil het liefst, dat het land van het moederland alle gemaakte goederen koopt, die het noodig heeft. Dat is mogelijk niet imperialistisch, maar het is practisch.De vraag doet zich voor, of de bijzondere omstandigheden in Kaschmir het niet noodig maakten, van het stelsel daar af te wijken. Het bebouwbare deel van dat land is niet groot genoeg, om het een toekomst door den landbouw te waarborgen. Misschien zou het wijzer zijn geweest, niet alles ondergeschikt te maken aan den wensch, gemakkelijk groote inkomsten uit den grond te halen. De handvaardigheid van de Kaschmireezen, hun sinds lang beroemde bekwaamheid in de versieringskunst zouden een veel betere bron van inkomsten zijn geweest. Het was nog zoo dom niet van de oude koningen en gouverneurs, een deel der inkomsten uit den grond op te offeren voor het onderhoud der handwerkslieden uit de hoofdstad en voor den bloei van hun handwerk. Alleen de rechten voor den uitvoer van shawls brachten den staat meer dan zes duizend roepijen op; dus dat kon wel als vergoeding gelden.Wat de shawls nu niet meer opbrachten, zou door andere industrieën kunnen zijn overgenomen. Zullen wij wijzen op die, welke de engelsche bestuurders hebben trachten te steunen? Dat waren de bierbereiding en die van confituren, dingen, die zelfs niet kunnen worden uitgevoerd bij gebrek aan middelen van vervoer. Het is een belachelijke zaak, en men moet er maar niet bij blijven stilstaan. Toen sultan Zaïn-oel-ab-Din in het Dal de fabricatie van papier maché en van shawls invoerde, toonde hij vrij wat meer doorzicht. Het is te vreezen, dat ten gevolge van het duurder worden van het leven en door de toeneming van het met koopwaar rondtrekken ten behoeve der toeristen de kunst, die de glorie van Kaschmir is geweest, verloren zal gaan, zooals de industrieën, oudtijds in Hindostan wereldberoemd.Uit dit alles willen wij twee practische besluiten trekken. Het eerste is dat het verstandig is, in Srinagar zich te voorzien behalve van den pas, dien ieder Europeaan, Aziaat of Australiër moet hebben, van een parvana dat is een soort van brief voor benoodigdheden, die men, als het noodig is, kan gebruiken, hetzij om zich op de al te druk bezochte wegen van koelies te kunnen voorzien, hetzij om het noodige te krijgen voor de bedienden in de afgelegen dorpen,waar men veel moeite heeft om de boeren te bewegen, u wat van hun rijst tegen goed geld af te staan.De andere raad, dien wij gaarne zouden geven, is, om geen sjikari te nemen als hoofd van de karavaan, of men moest speciaal om te jagen naar Kaschmir zijn gekomen. Indien ge een bezoek aan het dal verkiest boven die verre, vermoeiende, tochten, laat u dan liever vergezellen door een pandit. Onderwezenheid en goede manieren zijn op dit oogenblik niet duur in Kaschmir, en ge kunt voor het salaris van een indischen bediende een welopgevoeden brahmaan bereid vinden, die Engelsch spreekt en in staat is, u niet alleen tot tolk te dienen, maar ook als tusschenpersoon in de onderhandelingen met de tahsildars en lambardars onderweg en tot secretaris in het Kaschmirsch, zoowel als in het Sanskriet en Perzisch. Natuurlijk zal hij met zijn kennis van het land telkens uw nieuwsgierigheid kunnen bevredigen, en zoo zal hij de reis interessanter maken, want ergens te reizen, zonder te begrijpen, is evengoed als niet te zien.Toen wij de aantrekkelijkheden van Srinagar hadden gezien, was het half Juni geworden. Wij zullen er in het najaar terugkeeren, want nu volgt de heete tijd en daarmee de muggen, soms ook de malaria. Dikwijls is het klimaat van het lage dal vergeleken met dat van Lombardije.Door de kronkelingen der rivier, die van de hoogte van den Takht-i-Soeleiman door het dal de slingeringen teekent, die op de shawls te zien zijn, wordt eerst Pandrethan bereikt, de oude hoofdstad, indertijd onttroond door Srinagar. Zij lag op de eerste hellingen der bergen, veilig voor de overstroomingen der Vitasta. De ruïnen zijn niet anders dan een chaos van steenen. Alleen een kleine tempel staat nog overeind op zijn vierkant pleintje, dat overstroomd is door het water van de naga, zoo noemen de Kaschmireezen de bronnen en fonteinen, die vaak slangen met menschenhoofden zijn en als beschermgoden worden beschouwd. Op het zoo ontstane vijvertje dreef een bootje. Toen ik daar eens in wilde stappen, had ik mijn eerste ontmoeting met een slang, maar deze had niets mythisch aan zich, evenmin als die, welke een paar dagen later gevonden werd onder het tentgordijn. Na dien tijd heb ik ze niet meer gezien en verlangde ook niet naar een volgende ontmoeting.Toen het beest door stokslagen van de handji’s gedood was, vroeg ik den pandit, die zulk een moord afkeurt, of de slang vergiftig was, en in plaats van zich te bukken, om na te zien, hoe de vorm was en de kleur, gaat hij recht overeind staan op zijn pantoffels en met zijn neus in de lucht, kijkt hij naar het Noordwesten.... Toch was het een antwoord op mijn vraag, want de goede man moest dat in de wolken zoeken. Siva resideert namelijk op den Haramoek, draagt als arm- en halsbanden slangen en heeft in zijn hoedanigheid van beschermgod beloofd, dat de beet van zulk een dier nooit doodelijk zou zijn op een plek, waar men den besneeuwden top van zijn woning kon zien. Dus moest even worden gekeken, of men van hier den Hamaroektop kon onderscheiden. “Zoolang u dien kunt zien,” voegde de pandit erbij, “kan u gerust wezen; maar anders is er wel gevaar...” Ik zal toch maar in elk geval op mijn hoede zijn.Meer stroomop vertoont Pampoer den voet van een Hindoetempel, een moskee, een brug en velden, waar in het najaar saffraan zal bloeien. De oogst van deze geliefde lekkernij der Kaschmireezen is een staatsmonopolie, en men moet het goudpoeder uit de helmknoppen met zijn gewicht aan zilver betalen. Er worden te Pampoer ook uitstekende beschuiten gebakken, die op reis zeer te pas komen en naar mijn smaak met het beste brood kunnen wedijveren.Ik zal niet alle halten van onze reis kunnen noemen, maar mij tot de belangwekkendste bepalen. Na Pampoer op den rechtschen oever ging het naar de zwavelbronnen van Vian en de ruïnen der tempels van Ladoe. Van Kakapoer op den linkeroever brengen twee uren wandelens u naar den kleinen tempel van Payech, die goed bewaard is gebleven, een juweel van de kaschmireesche kunst. Wat de tempels van Narasthan betreft, er is een goede dagreis noodig, om ze aan den voet der hooge sneeuwbergen te ontdekken; daarentegen liggen de vele ruïnen van Avantipoer aan de rivier, ten deele in de aanslibbingen verzonken.Hooger krijgen wij de samenvloeiing van de Vitasta en de Vesjo, niet minder heilig in de oogen der Hindoes uit de streek dan die van de Vitasta en de Sindh. Aan den hoogen kant ziet men een plateau, dat zonderling door het water is uitgeslepen, en op dien top zou Kacyapa duizend jaren in overpeinzing hebben doorgebracht, vóór hij het dal liet verdrogen. Men zou hem intusschen kunnen verwijten, dat hij zijn werk maar ten halve heeft verricht.Want als in het begin van den regentijd een hevig onweer komt opzetten, en zijn waterhoozen naar Kaschmir voert op het oogenblik van het smelten der sneeuw, wordt het Dal plotseling overstroomd en is dan bij gebrek aan een voldoend breeden weg van afvoer in gevaar, in een meer te worden veranderd. De overstroomingen van Juli 1893 waren noodlottig; die van Juli 1903 waren het niet minder, en men schat het verlies op een zesde van den oogst. De naga’s hadden toen wel dorst, en ze schenen hun periodieke schadeloosstelling te moeten hebben.Aan den voet van de kareva, zoo heet een klein plateau, van Tsadakar in een nu droog geworden vijver, is de plaats, waaraan een der merkwaardigste legenden van Kaschmir is verbonden en tevens een der oudste. In dien grijzen voortijd woonde nog een naga in den plas, en boomen spiegelden zich in het effen water; daar kwam een jonge Brahmaan op een dag schaduw zoeken en koelte. Toen hij zich gereed maakte, zijn proviand aan te spreken, zag hij plotseling een jong meisje voor zich staan, dat zoo mooi was, dat hij vergat te eten. Hij werd nog verlegener, toen hij bespeurde, dat het mooie kind niet anders gebruikte danlotuswortels. Door een teeder gevoel gedreven, noodigde hij haar uit, zijn rijst met hem te deelen, bracht haar te drinken in een beker van bladeren en wuifde haar koelte toe, waarna hij haar smeekte, hem haar geschiedenis te vertellen en hemte zeggen, hoe het kwam, dat zij, zoo bekoorlijk en aanvallig, het blijkbaar zoo armoedig had.Zonder omwegen vertelde hem de nagi, want het was zulk een heilig wezen, dat het mooiste meisje ter wereld niet anders kan eten, dan wat zij bezit, en wat de oorzaak van haar armoede aanging, daar moest hij haar vader maar eens naar vragen. Hij zou hem vinden in het naastbijzijnde dorp en hij kon hem herkennen aan zijn van water druipend haar. Zoo gebeurde het ook; de watergod vertrouwde aan den jongen brahmaan zijn klachten over de hardheid der tijden en vertelde, dat hij groot gebrek leed, want de onderaardsche goden hebben ook behoefte aan rijst, even goed als de menschen, en storm en onweer zijn hun manier om goede oogsten te krijgen.Nu waren de velden in de buurt gesteld onder de bewaking van een zoo streng kluizenaar, dat er geen aartje af kon en hij niets van den nieuwen oogst gebruikte, en zoolang hij niet had gegeten, konden de naga’s er niet aan komen. Zoo leden hij en de zijnen de kwalen van Tantalus. De verliefde brahmaan had geen rust, vóór hij den vader van zoo’n mooi meisje had verplicht. Hij bedacht den list, om eenige rijstkorrels van den nieuwen oogst in de soep van den asceet te werpen, als deze den rug gekeerd had. Nauwelijks had de grijsaard er een balletje van in zijn mond gestoken, of een hagelbui viel neer, en de naga nam den geheelen oogst mee en gaf uit dankbaarheid den brahmaan zijn dochter tot vrouw.Het dorp Vidjabroer met zijn brug.Het dorp Vidjabroer met zijn brug.De echtgenooten leefden gelukkig; maar hun geluk was slechts van korten duur. Op een dag, dat de nagi op het terras was, zag ze een paard, dat uit den stal was gevlucht en dat smulde van een hoop rijst, die er was neergelegd, om te drogen. Zij riep, dat er iemand zou komen, om het weg te jagen, en toen er niemand antwoordde van de bedienden liep ze er zelve heen onder het gerinkel van haar zilveren armbanden en het paard nam op zijn rug een gouden merkteeken mee van de hand, die het geslagen had. Dat was het begin van de ellende. De aanblik wekte den hartstocht van den koning van het land. Hij beproefde eerst, maar te vergeefs, de jonge vrouw te verleiden. Toen probeerde hij, haar van haar man te koopen, maar de brahmaan wilde er niet van hooren, en stelde de eer niet op prijs, dien de koning zijn huis wilde bewijzen.Eindelijk toen de koning, het onderhandelen moede, zijn soldaten zond, om de nagi met geweld te vermeesteren, riep de brahmaan zijn schoonvader te hulp. De naga steeg verwoed uit zijn vijver op, en in minder tijd, dan er noodig is, om het te verhalen, verbrandde hij den koning, de stad en al haar inwoners. Daarna kreeg hij tegenzin in de wereld en leed aan wroeging, zoodat hij zich in de eenzaamheid terugtrok op den weg naar Amarnath, waar hij nog is.Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.Niet ver van daar op den linkeroever heeft het groote dorp Vidjabroer, het By-Bihara van de engelsche kaarten een modernen Hindoetempel, gebouwd door Goelab-Singh, waar allermerkwaardigste afgodsbeelden worden bewaard en waar men ook in de nabijheid een mooie mohammedaansche ziarat beeft met drievoudig dak. Bij elke schrede ontmoet men er trouwens sporen der oudheid, en de bazar is vol met oude koperen munten. Er werd gekampeerd aan de overzijde van de brug onder eeuwenoude platanen, niet ver van het huis waar de maharadja komt uitrusten, als hij een of twee dagen te Srinagar komt. Wij hebben er het bezoek gehad van een ouden muzelmanschen fakir, die zonder twijfel in beschaafde landen zou betiteld zijn als vagebond. De bedienden maakten zich van den man meester en zetten hem een schitterend maal voor; een ongeloofelijke hoeveelheid rijst, dan tsjapati’s, een soort van broodjes en versche kaas, ruim bestrooid met suiker, alles genoeg om drie mannen te verzadigen; daarna boden ze hem een hoeka aan.Terwijl onze kok, een zeer vroom Muzelman, hem aankeek met vereerende blikken en met het liefdevolle van een moeder voor haar eerstgeborene, zat de vuile man kalm te rooken; de pijp alleen uit den mond nemende om eenige verwenschingen te slingeren naar het hoofd van de menschheid, die hem voedt en kleedt, terwijl hij zich lui in de zon koestert en zijn ongedierte verschuift. In physiek opzicht heeft hij niets van den fakir zooals men zich dien voorstelt, en zooals hij ook gewoonlijk is. Groot en kaal, met woeste wenkbrauwen en onbeschaamde, knippende kleine oogen, ziet hij er met zijn stompneus en langen, krullenden baard uit als een oude faun. Als de maharadja te Vidjabroer is, vraagt hij steeds naar den fakir; maar de oude, die de eerbewijzen minacht, onttrekt zich aan de hulde en blijft onvindbaar. Ik zeg u zijn naam niet; ik heb vergeten er naar te vragen en heb hem uit mijzelf maar Diogenes gedoopt.Maar reeds wordt de rivier smaller tusschen de met vlas begroeide oevers en weldra wordt ze ook ondieper, en de stroom neemt in kracht toe. Dat is het oogenblik voor de handji’s om hun schutspatroon aan te roepen, Dast Guir, hetgeen ze doen onder het boomen of trekken. Op een gegeven oogenblik moeten ze in het water loopen, de eenen trekkend, de anderen de boot duwend, tot die eindelijk voor de plek van het kamp aankomt te Islamabad, een ijver die te lofwaardiger is, daar ze, nu wij hier eenmaal zijn, worden ontslagen.Terwijl de tenten worden opgezet, kwamen de gezinshoofden met het schrift van hun getuigschriften aan, waar wij het onze bij moesten voegen. Wij zagen zoo terloops curieuse opmerkingen, bijvoorbeeld die van een heer, verklarend de boot te verlaten, “omdat hij niet langer kan verdragen, te zien hoe de mooie zuster van den bootsman altijd paardewerk moet verrichten”. Wij voegden onze onderteekeningen bij die zonderlinge collectie autografen. Waarna de salams volgden, het bedanken en het air van onderworpenheid, toen ze de roepijen in ontvangst namen, die welverdiend waren voor twee maanden goeden trouwen dienst.

Door het “Gelukkige dal” in een doenga.—Roeiers en roeisters.—Van Baramoela naar Srinagar.—De hoofdstad van Kaschmir.—Een beetje staathuishoudkunde.—Boven Srinagar.

Door het “Gelukkige dal” in een doenga.—Roeiers en roeisters.—Van Baramoela naar Srinagar.—De hoofdstad van Kaschmir.—Een beetje staathuishoudkunde.—Boven Srinagar.

De doenga is een boot, die, plat van onderen, aan beide uiteinden puntig uitloopt en tien meter lang is, terwijl er een dak van gevlochten riet over is gespannen. Andere matten, die naar believen opgerold kunnen worden als stores, sluiten de ruimte aan de kanten af en vormen ook de deur en de afscheiding tusschen de binnenruimten. Aan de voorzij bevindt zich een kleine veranda; dan volgt een vertrekje, dat in mijn boot juist vier meter lang en 1.80 M. breed was, en eindelijk een hutje, dat als cabinet de toilette dienst doet. Bij den achtersteven is het gezin van den roeier gehuisvest en slaapt in een ongeloofelijk kleine ruimte.

Boot en bemanning huurt men per maand voor een twintigtal roepijen, en men kan het er wel naar zijn zin hebben, als men zorgt, de geheele ruimte aan boord inderdaad voor zich te hebben en die naar eigen smaak te kunnen inrichten. De bedienden volgen in een andere boot, waar gekookt wordt. Als het uur van de maaltijden slaat, komt de tweede boot op zij, en ge wordt uit uw drijvende keuken bediend, zonder dat ge u behoeft op te houden.

Een klein, licht bootje, sjikara genoemd, dient voor de jacht op watervogels en voor snelle tochten en maakt uw vlootje compleet, waarmee ge u nu kunt bewegen op de rivier en de meren van Kaschmir. De mode van zulke zware drijvende woningen, die de Engelschen house-boats noemen, is ook wel van de Theems naar de Djhilam overgebracht, maar, al kan men ze bij de agentschappen in uitstekenden staat huren, dat komt veel duurder, en het zijn zulke logge machines, dat als het water een beetje laag is, men ieder oogenblik gevaar loopt vast te raken; ook heeft de doenga meer locale kleur, en ontkomen aan de handji’s kan men toch niet.

De handji’s zijn de roeiers van Kaschmir; een kaste, die misschien verachtelijk, maar stellig veracht is, ofschoon ze een groote rol in het volksleven spelen. Tot in de allerlaatste jaren gaat al het vervoer te water, en de rivier is steeds vol schepen, van de groote vrachtbooten af tot de lichte doenga’s voor passagiers toe. De handji’s van die laatste slaan in den slechtsten reuk; er wordt veel kwaad van hun vrouwen gezegd; maar ook haar schoonheid wordt geprezen. Ze zullen in haar jeugd wel een tijd van frischheid hebben gehad, maar ik moet zeggen, dat het harde leven haar die fraîcheur dan gauw heeft ontnomen. Zij roeien altijd door of boomen of trekken aan het touw; verder moeten ze rijst stampen en maïs in zware houten vijzels, en dan moeten ze nog een heelen hoop kinderen grootbrengen, allerliefste kinderen trouwens.

Een heel vertier voor de handji’s zijn de kibbelpartijen met collega’s van andere booten; die twisten zijn in Kaschmir spreekwoordelijk geworden. Het répertoire van scheldwoorden is volgens het zeggen van diegenen, die ze verstaan, nog veel uitgebreider dan dat van de parijsche koetsiers. Meestal doen de vrouwen dapper mee of ook wel is het aan haar alleen overgelaten, terwijl de mannen al rookend toeluisteren en lachend aanhitsen. Soms valt de avonden duurt de strijd nog voort; dan werpt ieder der strijdenden een ketel over boord vóór aan de boot ten teeken, dat de twist daaronder gedurende den nacht bewaard blijft; des morgens wordt het ding omgekeerd, en de vrouwen trekken weer van leêr.

Bij Baramoela al heb ik kennis gemaakt met de naïeve opdringerigheid van die zoo belasterde handji’s. Ik moest uit de vloot van aan den wal vastliggende booten er een paar kiezen. Van alle kanten werden aan mijn adres smeekbeden en aanroepingen gericht; sommigen wierpen zich in het stof aan mijn voeten of veegden met hun voorhoofd over mijn schoeisel, kortom de gansche comedie werd opgevoerd, die ze in dergelijke gevallen gereed hebben. En altijd klonk één woord boven de andere uit: “Kiline, Hazoer, kiline!” Dat is hun manier, om het engelsche woord clean uit te spreken, want zindelijkheid is natuurlijk het eerste vereischte voor de uit Europa aangekomenen. Toen ik een keuze had gedaan, staakten de andere bootslui dadelijk hun aandrang; een anderen keer zouden zij gelukkiger wezen.

Ik heb mij niet over mijn volkje te beklagen gehad, behalve dat ze als al hun collega’s de verfoeilijke gewoonte hadden, dag en nacht te babbelen en geen notitie te nemen van mijn “tsjoep! tsjoep!” het hindoesche woord voor “stilte, stilte!” Er waren ook wel oneenigheden tusschen de vrouwen van de verschillende booten; maar ze durfden mij daar niet veel van te laten merken, en het was vermakelijk, soms als ze zich onopgemerkt waanden, de woedende gezichten te zien, waarmee ze af en toe tegenover elkander op den grond spuwden, om de wederzijdsche minachting te uiten.

Maar toen ik eenmaal onderweg was, wat was het toen een genot, des morgens in de doenga te ontwaken, die onmerkbaar over de rivier glijdt, die mooie rivier met het klare, stille water! Als een enkel lui uurtje reeds zijn waarde heeft, dan kan men begrijpen, wat het was, in de vroegte, onder de opgetrokken stores door, de groene oevers voorbij te zien glijden. Om de waarheid te zeggen, heeft het landschap niets vreemds, en mogelijk komt de populariteit van deze reis wel grootendeels doordat ze den Engelschen hun Theems herinnert.

Wij zijn den eersten dag gevaren van Baramoela naar Sopoer in dat zachte, nevelachtige weer, dat onze noordelijke zomers dikwijls aanbieden; de verte verdween in witten damp, en dichterbij vormden de schaduwen, de vette weiden, waar de kudden graasden, de mooie, goed bebouwde velden en de wijde vergezichten een landschap, dat even goed in Middel-Europa had kunnen liggen.

Tegen den middag scheurde het waas, dat als een tulen gordijn den horizon bedekte, en in de nu doorschijnende lucht verschenen, eenig om te zien, de met sneeuw bedekte toppen, die het dal insluiten, een smaragd in zilver gevat, en die aanblik was alleen de reis wel waard.

Zonder eenige inspanning kan men op deze reis de merkwaardige en beroemde ruïnen van Kaschmir bewonderen. Alle oude hoofdsteden en bijna alle godsdienstige stichtingen der koningen, waarvan de kronieken gewagen, liggen aan de rivier, die de hoofdader van het land is, en kunnen dus op de gemakkelijke vaart worden bezichtigd.

Een primitieve brug, kleine hindoesche heiligdommen, een moskee, een dorpsbazar, zoowat achthonderd huizen met spitse daken en geen platte, als in Indië, ziedaar Baramoela en ziedaar ook, maar in kleiner afmeting, Sopoer. Vooral de bruggen trekken door nieuwheid de aandacht. Ze zijn geheel van hout gemaakt; de pijlers zijn niet anders dan rijen afwisselend op elkander gestapelde balken in de lengte en in de breedte. Uit de verte zou men ze kunnen houden voor een hoop planken, die liggen te drogen.

Beneden aan den kant, van waar de stroom komt, is een soort van uitsteeksel van stevige planken, bezwaard met dikke steenen, dat de kracht van den stroom moet breken. Naar boven toe worden de palen al breeder en breeder, en de daarover geworpen stukken hout komen al dichter en dichter bijeen, tot ze eindelijk dicht genoeg elkaar genaderd zijn, dat de dwarsbalken van den vloer der brug er gemakkelijk over gaan. Zulke holle bruggen hebben buiten het voordeel van hun goedkoopheid en eenvoudigheid nog het gemak, dat ze tegen de hooge vloeden kunnen, die door de holten heenstroomen, zonder schade aan te richten. Vroeger stonden er veel gebouwtjes en winkels op de bruggen, net als op de Beursbrug in Parijs in den ouden tijd en op de Ponte Vecchio in Florence; maar overal zijn die bouwsels verbrand en men is er niet toe overgegaan, ze weer op te bouwen.

Achter Sopoer krijgt men het Voelar, het grootste meer in Kaschmir, te zien. Als er niet enkele open plekken met mooi helder water waren, zou men eerder denken aan een onmetelijke weide van vochtminnende grassen, vol vogels met schitterende vederen. Overal ziet men waternoten, Trapa natans, daar singhara’s genoemd, een der voortbrengselen van het meer en in tijden van schaarschte door de Kaschmireezen zeer op prijs gesteld als voedsel. In platboomde booten zamelen de oeverbewoners ook voedsel in voor hun vee op die reuzenweiden van waterleliën en lotusbloemen. Zij zingen onder het werk, terwijl ze met hun handen de natte bladeren afrukken van de met een kleverig vocht gevulde stelen, en de wind voert de zich eindeloos herhalende, melancholieke hindoesche liederen zeer ver mee.

De schippers zijn bang voor de Voelar, want het meer wordt dikwijls bezocht door hevige onweders en stormen, die van de bergen neerdalen en die zeer gevaarlijk worden voor hun platte en hoog geladen schuiten. Ze kunnen dan niet anders doen dan maar zoo gauw mogelijk den oever trachten te bereiken, vóór de golven in de boot slaan. Het heet, dat Goelab-Singh in zoo’n storm omkwam.

In plaats dan ook van het meer over te steken, om den mond van de groote rivier te bereiken, haastten mijn handji’s zich, om langs den zuidelijken oever den ingang van het Noroekanaal te halen. En ze hadden goed gedaan, want in den avond overviel ons de storm, sloeg onze rieten gordijnen omhoog en dreigde, passagiers en meubels eraf te strijken. Gelukkig vonden we beschutting van een heuveltje, en al de handji’s gingen ijverig aan het vastsjorren van de touwen en bevestigen van het rieten dak. Waarna wij niet anders te doen hadden dan te gaan slapen, wat zeer goed gelukte, beschermd als we waren tegen regen en wind door ons dak van gevlochten riet.

Die stormen trekken even gauw weer af, als ze komen opzetten. In den morgen vertrokken wij over het kalme water, dat spiegelglad was. De gelegenheid was mooi, om door de binnenvijvers tot in de buurt van de ruïnen van Patan te komen. De doenga’s gleden voort over de bloeiende lelies en door het hooge riet, bevolkt met talings; het water was zoo doorschijnend, dat men de blaadjes van het mos op den bodem tellen kon. Een klein kanaaltje voerde naar groote alleenstaande platanen, die bij het niet op de kaarten aangeduide dorp Panhallan behoorden. De kampplaats maakte weinig vertooning; maar we genoten er een prachtig panorama, waar men uitzicht had van den Haramoek tot den Toetakoeti en van den Kadsjnag tot den Brahma-Sakoel, een onmetelijken kring van sneeuwbergen.

Eenige kilometers van daar geraken de oude tempels van Patan, die in 1885 bij de laatste aardbeving zooveel geleden hebben, al meer in verval. Palhallan, dat prachtig ligt in de schaduw van moerbeiboomen, notenboomen, eeuwenoude platanen en populieren, waar zich de wingerd omheen slingert, is in het bezit van een merkwaardigheid, namelijk zijn reigerbosch. Honderden reigers gaan en komen er, altijd heen en weer vliegend van de groote meren naar de hooge boomen, waar ze hun nesten hebben. Het is een dwaas gezicht, als ze met de lange pooten gaan zitten: andere plukken hun veêren uit of zitten na te denken, met den hals in de schouders getrokken, op een verdorden tak; want de kruinen der boomen zien er nog al kaal uit, en schijnen te lijden onder die al te dichte bevolking.

Men moet zich er wel over verbazen, dat de Kaschmireezen niet van hun reigers hetzelfde gebruik hebben gemaakt als de Chineezen en Japanners van hun ooievaars, te meer omdat het een koninklijke vogel is, waar niet op mag gejaagd worden. Vroeger droegen ook inderdaad de aanzienlijken een aigrette van reigerveêren, bevestigd aan een edelgesteente, op hun tulband, en de pacht voor de vergunning tot het plukken der vogels maakte deel uit van de staatsinkomsten. Nog in de laatste jaren moest de pachter 268 roepijen betalen en 2999 veeren buitendien inleveren, geen één meer of minder. Maar het is geen mode meer, en de aigrettes verschijnen nog alleen bij gelegenheid van een bruiloft in het mascaradecostuum der bruid.

Ons drijvend huis begeeft zich weer op weg door de heldere vijvers vol bloemen, om naar het Noeroekanaal terug te gaan, dat te Sjadipoer uit den hoofdarm van de Vitasta komt; daar juist tegenover vereenigt de Sindh zich ermee, zoodat het daar een waar kruispunt van rivieren is. Die samenvloeiing is in de oogen der Brahmanen een even heilige plaats als de vereeniging van Ganges en Djoemna; op een rond eilandje staat een kleine plataan, die gelijkt op den eeuwigen boom, welks stam in de kelders van het fort Allahabad nog door de pelgrims vereerd wordt. Het heet, dat hij geen ontwikkeling en geen verval kent. Er wordt daar op die vereerde plek een uitstekende vischsoort gevangen, de mahsir genoemd.

Als men van daar de groote rivier afvoer, zou men spoedig de Soembalbrug hebben bereikt en dan door een kort kanaal het groene en diepe water van het Manusbalmeertje, waar een vervallen kaschmireesche tempel zijn ondergang vindt in den slijkerigen grond. Indien men daarentegen de rivier opvaart, doet zich al gauw in de verte het sikhsche fort Hari-Parvat voor, de citadel van Srinagar. Op den achtergrond ziet men een hoogen berg, die tot scherm dient voor de opgaande zon, en waar een brahmaansch heiligdom op is gebouwd, wat niet verhindert, dat de Mohammedanen het Takht-i-Soeleiman noemen, dat is Troon van Salomo.

Srinagar wordt door de rivier in twee deelen gescheiden en volgt den stroom over wel vijf kilometer. Zeven bruggen verbinden de beide oevers. Ik kreeg er den indruk van te komen in een half in puin liggende stad. Het is, alsof de huizen, waarvan vele gestut worden, in den toestand van onstandvastig evenwicht gelaten zijn door de laatste aardbeving en nu maar wachten, tot de volgende ze geheel omverwerpt. Ze winnen erdoor in schilderachtigheid met hun kleine loggia’s op de bovenverdieping, de opengewerkte luiken, waarover ’s winters papier wordt geplakt, om de niet aanwezige vensterglazen te vervangen, en vooral de aarden daken, met frissche bloemen en wilde grassen begroeid, die bij het minste koeltje wuiven.

Om beurten glijden ons voorbij moskeeën met haar drievoudig, eveneens bebloemd dak, en Hindoetempels, waarvan de koepels bedekt zijn met lappen zink, helaas, afkomstig van petroleumblikken. Kaden en groote trappen, van oude, gebeeldhouwde steenen gemaakt, vertoonen zich aan de rivier. Vrouwen dalen erheen af, om haar kruiken te vullen van rood of bronskleurig aardewerk; haar kleine houten sandalen, vastgehouden door een enkel knopje tusschen den grooten en den volgenden teen, klappen op de gladde treden, en het mag een wonder heeten, dat ze den nek niet breken. De lange wollen kleedingstukken hebben soms aardige fletse tinten van bleekgroen, lichtblauw of donkergranaat. Sjikara’s bevaren in alle richtingen de rivier, even talrijk als de fiacres in de straten van Parijs.

Links hebben we laten liggen den nieuwen bazar, of Maharadsj-gandsj, nu nog meer nieuw, daar men bezig is aan het bouwen na een brand, die onlangs verwoestingen heeft aangericht. Hier is de zetel van al die groote kooplieden van zilveren bibelots en oud koperwerk en email, papier maché, houtsnijwerk en borduurwerk, die tot de kunstproducten van het land behooren. Heb maar geen hoop, dat ge hun ontkomt. Ze zullen u vervolgen te water en te land; met onuitputtelijk geduld gaan ze vóór uw boot of uw tent staan, dringen langzamerhand binnen met hun koopwaar en rusten niet, vóór ge hun een bestelling hebt gegeven, te leveren aan het einde van het seizoen.

Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.

Mohammedaansche vrouw uit Kaschmir.

Af en toe komen makelaars van de inlandsche banken u zeer beleefd vragen of ze uw chéques zullen wisselen, precies zooals de engelsche bank, en zelfs bieden ze aan, wat die laatste niet kan, u kaschmireesch geld te bezorgen voor de afgelegen steden van Midden-Azië, waar zij agenten hebben aangesteld. En dan komen nog de bende van menschen, die hun diensten komen aanbieden, kleermakersvoor heeren en dames, schoenmakers met schoeisel voor de stad en voor de bergen, bontwerkers, fabrikanten van reisartikelen en kampbenoodigdheden, die u van top tot teen willen uitrusten voor toekomstige expedities, u, uw personeel en, als het noodig is, ook uw honden.

Voor die geheele wereld van handwerkslieden en handelaars was de dood van de industrie der shawls ongeveer dertig jaar geleden een verschrikkelijke slag. Zooals men weet, begon de mode zich omstreeks 1870 ervan af te wenden; en daar die handel grootendeels in handen was van fransche makelaars en de fransch-duitsche oorlog plotseling aan hun aankoopen een eind maakte, brachten de goede Kaschmireezen natuurlijk hun ondergang met de rampen der Franschen in verband. Het nieuws van Sédan werd door het demonstratieve volk met openbaar geweeklaag ontvangen, dat, hoewel niet belangeloos er niet minder oprecht om was, en misschien waren deze menschen de eenigen, die oprecht met ons treurden. Een gedeelte van de wevers van shawls heeft sedert dien tijd een broodwinning gevonden in twee tapijtfabrieken, waarvan de eene door een Franschman wordt geleid, den heer Dauvergne.

Die economische crisis is overigens niet meer dan een episode in de jongste geschiedenis van de ongelukkige hoofdstad in het “Gelukkige Dal”. Men verwacht niet anders dan dat droevig aanzien, als men aan alle rampen denkt, die de stad in den loop der laatste jaren hebben geteisterd, hongersnood, cholera, overstrooming en telkens herhaalde branden, niets is haar bespaard gebleven, en bovendien heeft de stad te lijden gehad onder de verklaarde vijandigheid der nieuwe engelsche regeering, die, hoe weldadig ook voor de overige deelen van het land, voor Srinagar een ongeluk was. Die opeenhooping van 125.000 inwoners, voor het meerendeel mohammedaansche handwerks- en kooplieden, en voor het overige Brahmanen, heeft te veel overwicht in een gesloten dal van 35 mijlen in de lengte en tien in de breedte, en dat overigens achthonderd zielen telt.

Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.

Kinderen van roeiers, verstoppertje spelend in een hollen plataan.

Tot zoowat vijftien jaar geleden was het traditie, dat de provincie werd geëxploiteerd ten bate van de hoofdstad; maar toen luidde het bevel tot de ambtenaren, die den maharadja geleend of hem opgedrongen werden door de engelsche regeering, dat ze de rollen moesten omkeeren en de stad moesten gebruiken ten voordeele van het platte land. Er kan geen beter overzicht worden gegeven van de beide richtingen, dan de heer W. Lawrence heeft gedaan in zijn interessant werk “The Valley of Kaschmir”, Oxford 1895. Hij, die zijn naam heeft verbonden aan de verandering, zet daarin het verschil uiteen tusschen de oude en de nieuwe richting. Eigenlijk zette men alles op zijn kop in Kaschmir, en men moest wel met zulk een zachtzinnige en volgzame bevolking te doen hebben, dat zoo’n bruuske en radicale verandering in zoo weinig tijd tot stand kwam; overal elders zou ze onlusten hebben verwekt of mogelijk een omwenteling, maar hier had ze zonder woelingen plaats, al was het dan niet zonder leed, althans voor de stedelingen.

Maar mogelijk was nu hun beurt gekomen, want erkend moet worden, dat het leven van de boeren in Kaschmir zeer hard was. Het was al een grondbeginsel van de oude indische koningen, dat de landbouwers, lieden van een lage kaste, niet meer bezit mochten hebben dan wat juist noodig was, om hun zaaigraan te bezorgen voor den volgenden oogst, en voedsel in die hoeveelheid, dat ze niet van honger stierven. Hun overgang in massa tot het Mohammedanisme is zonder invloed gebleven op hun lot. De koningen of de gouverneurs, die den Islam beleden, gingen voort, hen te plunderen en de Sikhs volgden dat voorbeeld. Jacquemond beschrijft den toenmaligen gouverneur als den Sikh, die in zijn domheid voor het tegenwoordige bij machte is, dit ongelukkige land te berooven, en die waarschijnlijk bij het neerleggen van zijn functie alles zal moeten storten in de schatkist van Randjit-Singh.

Wat Goelab-Singh betreft, die heel gewoon zijn audiënties voor een roepij verkocht, hij verstond geen gekheid in zake zijn inkomsten. In den tijd van Ranbir-Singh werden er wel enkele pogingen gedaan, om hervormingen in te voeren, maar ze hebben schipbreuk geleden door de stelselmatige tegenwerking van de ambtenaren, die, zooals natuurlijk was onder een indische regeering, brahmanen of pandits waren. Nu waren alle pandits, vanaf den patwari in een dorp tot den vazir-vazirat of gouverneur van een provincie met daar tusschen de tahsildars of districtshoofden, het onderling eens, dat men den muzelmanschen boer zooveel mogelijk moest uitzuigen. Het grootste deel der belastingen werd in natura betaald, en de staat, die ongegeneerd den boeren drie vierden van hun oogst afnam, verkocht dien tegen lagen prijs aan de stedelingen. In dien tijd, zoo verzekerde men ons, kon een mensch van een roepij in de maand leven. Het is duidelijk, dat in die omstandigheden de stedelijkenijverheid een groote vlucht moest nemen, dank zij de goedkoopheid van den handenarbeid; maar vroolijk was het niet voor de dorpelingen, dat ze alle dagen het grootste deel van hun rijst zagen verorberen door de darren van den bijenkorf.

Eindelijk kreeg de heer Lawrence de opdracht, het kadaster te herzien en de grondbelasting anders te regelen; hij nam den boer onder zijn bescherming en verklaarde tevens den oorlog aan diegenen, die hij zijn vijanden noemde, te weten de pandits van de officiëele beambtenklasse; ten tweede de dorpshoofden en ten derde de stad Srinagar. Sedert blijkt meer en meer, dat het den boer, den zemindar, goed gaat, en de andere klassen beweren zelfs, dat hij brutaal vooruitgaat. Hij heeft van den SettlementOfficervoorwaarden verkregen, beter dan hij ooit heeft gekend, en het is niet zijn schuld, als hij er door list niet nog zachtere heeft verkregen.

Al zijn er enkele vergissingen begaan, en al zijn eeuwenoude misbruiken niet met één slag uit den weg geruimd, zoodat bijvoorbeeld de afpersingen der kleine inlandsche ambtenaren niet hebben opgehouden, toch is er geen twijfel aan, of de groote meerderheid van de beschermelingen van den heer Lawrence kunnen terecht verheugd zijn over een stelsel, dat hun voor de eerste maal vergunt, hun rijst te behouden en hun belastingen in producten te betalen.

Wat te zeggen van zijn drie vijanden? Met een ervan, de corporatie van de lambardars of dorpshoofden, heeft hij onderhandelingen moeten houden en om hen kalm te houden, heeft hij hun vijf procent van de opbrengst van hun dorpen moeten toestaan. Maar voor de brahmanen en met hen de rest der inwoners van Srinagar is hij onverbiddelijk gebleken, en het moet gezegd, dat er voor hen groot gevaar heeft bestaan, dat zij van honger omkwamen. Zij leven echter nog, zij het dan ook in ellende. De pandits zullen zich wel redden; zij hebben het wel uitgehouden onder de onderdrukking der afghaansche gouverneurs.

Net als ze ten tijde der mongoolsche heerschappij Perzisch leerden, zoo leggen ze zich thans op het Engelsch toe; de jonge lieden doen examens en krijgen weer betrekkingen. Natuurlijk doet de periode van overgang zich wel eens lastig gevoelen in de gezinnen; toch zullen ze ten slotte de regeeringsposten krijgen, waaruit de heer Lawrence hen had willen weren, en dat wel om de eenvoudige reden, dat zij de verlichtste en ontwikkeldste klasse der bevolking vormen en dus goed- of kwaadschiks ook de regeerende klasse zullen zijn.

Het meest zijn voorzeker te beklagen de arme handwerkslieden uit Srinagar. Een troost is het ten minste, dat de Settlement Officer niet vastgehouden heeft aan zijn aanvankelijken eisch, dat alle belasting in geld moest worden opgebracht, en dat de staat niet langer de groote leverancier van rijst voor de hoofdstad is. Dat werd in 1891 besloten, en het gevolg was zulk een hongersnood in het volgend jaar, dat men niet ermee durfde voortgaan. In 1893 werd er besloten, nog weer 300.000 ezelvrachten of kharvars, dat is 177 engelsche ponden koningsrijst naar Srinagar te zenden; in 1896 werd er nog weer de helft heengevoerd en de stad was daardoor voor den honger gevrijwaard.

Een nieuwe poging, die drie jaar geleden werd gedaan, is niet beter geslaagd en zelfs in dit jaar, 1904, heeft men om de verschrikkelijke duurte der levensmiddelen in twee van de vier districten slechts een derde van de producten in natura, die verschuldigd waren, geïnd.

Dat de medaille dus haar keerzijde heeft, ligt niet aan den heer Lawrence, maar aan het stelsel, dat in geheel Indië wordt toegepast. De grondbelasting is er de hoofdbron van inkomsten. Het ligt niet in Engelands politiek, de industrie in zijn koloniën aan te moedigen. En dat is geen wonder. Men heeft het nog onlangs kunnen constateeren, hoe Manchester zich bezwaard gevoelde over de concurrentie der engelsch-indische katoenen weefsels. Indië wordt geëxploiteerd als een groote landbouwkolonie, en men wil het liefst, dat het land van het moederland alle gemaakte goederen koopt, die het noodig heeft. Dat is mogelijk niet imperialistisch, maar het is practisch.

De vraag doet zich voor, of de bijzondere omstandigheden in Kaschmir het niet noodig maakten, van het stelsel daar af te wijken. Het bebouwbare deel van dat land is niet groot genoeg, om het een toekomst door den landbouw te waarborgen. Misschien zou het wijzer zijn geweest, niet alles ondergeschikt te maken aan den wensch, gemakkelijk groote inkomsten uit den grond te halen. De handvaardigheid van de Kaschmireezen, hun sinds lang beroemde bekwaamheid in de versieringskunst zouden een veel betere bron van inkomsten zijn geweest. Het was nog zoo dom niet van de oude koningen en gouverneurs, een deel der inkomsten uit den grond op te offeren voor het onderhoud der handwerkslieden uit de hoofdstad en voor den bloei van hun handwerk. Alleen de rechten voor den uitvoer van shawls brachten den staat meer dan zes duizend roepijen op; dus dat kon wel als vergoeding gelden.

Wat de shawls nu niet meer opbrachten, zou door andere industrieën kunnen zijn overgenomen. Zullen wij wijzen op die, welke de engelsche bestuurders hebben trachten te steunen? Dat waren de bierbereiding en die van confituren, dingen, die zelfs niet kunnen worden uitgevoerd bij gebrek aan middelen van vervoer. Het is een belachelijke zaak, en men moet er maar niet bij blijven stilstaan. Toen sultan Zaïn-oel-ab-Din in het Dal de fabricatie van papier maché en van shawls invoerde, toonde hij vrij wat meer doorzicht. Het is te vreezen, dat ten gevolge van het duurder worden van het leven en door de toeneming van het met koopwaar rondtrekken ten behoeve der toeristen de kunst, die de glorie van Kaschmir is geweest, verloren zal gaan, zooals de industrieën, oudtijds in Hindostan wereldberoemd.

Uit dit alles willen wij twee practische besluiten trekken. Het eerste is dat het verstandig is, in Srinagar zich te voorzien behalve van den pas, dien ieder Europeaan, Aziaat of Australiër moet hebben, van een parvana dat is een soort van brief voor benoodigdheden, die men, als het noodig is, kan gebruiken, hetzij om zich op de al te druk bezochte wegen van koelies te kunnen voorzien, hetzij om het noodige te krijgen voor de bedienden in de afgelegen dorpen,waar men veel moeite heeft om de boeren te bewegen, u wat van hun rijst tegen goed geld af te staan.

De andere raad, dien wij gaarne zouden geven, is, om geen sjikari te nemen als hoofd van de karavaan, of men moest speciaal om te jagen naar Kaschmir zijn gekomen. Indien ge een bezoek aan het dal verkiest boven die verre, vermoeiende, tochten, laat u dan liever vergezellen door een pandit. Onderwezenheid en goede manieren zijn op dit oogenblik niet duur in Kaschmir, en ge kunt voor het salaris van een indischen bediende een welopgevoeden brahmaan bereid vinden, die Engelsch spreekt en in staat is, u niet alleen tot tolk te dienen, maar ook als tusschenpersoon in de onderhandelingen met de tahsildars en lambardars onderweg en tot secretaris in het Kaschmirsch, zoowel als in het Sanskriet en Perzisch. Natuurlijk zal hij met zijn kennis van het land telkens uw nieuwsgierigheid kunnen bevredigen, en zoo zal hij de reis interessanter maken, want ergens te reizen, zonder te begrijpen, is evengoed als niet te zien.

Toen wij de aantrekkelijkheden van Srinagar hadden gezien, was het half Juni geworden. Wij zullen er in het najaar terugkeeren, want nu volgt de heete tijd en daarmee de muggen, soms ook de malaria. Dikwijls is het klimaat van het lage dal vergeleken met dat van Lombardije.

Door de kronkelingen der rivier, die van de hoogte van den Takht-i-Soeleiman door het dal de slingeringen teekent, die op de shawls te zien zijn, wordt eerst Pandrethan bereikt, de oude hoofdstad, indertijd onttroond door Srinagar. Zij lag op de eerste hellingen der bergen, veilig voor de overstroomingen der Vitasta. De ruïnen zijn niet anders dan een chaos van steenen. Alleen een kleine tempel staat nog overeind op zijn vierkant pleintje, dat overstroomd is door het water van de naga, zoo noemen de Kaschmireezen de bronnen en fonteinen, die vaak slangen met menschenhoofden zijn en als beschermgoden worden beschouwd. Op het zoo ontstane vijvertje dreef een bootje. Toen ik daar eens in wilde stappen, had ik mijn eerste ontmoeting met een slang, maar deze had niets mythisch aan zich, evenmin als die, welke een paar dagen later gevonden werd onder het tentgordijn. Na dien tijd heb ik ze niet meer gezien en verlangde ook niet naar een volgende ontmoeting.

Toen het beest door stokslagen van de handji’s gedood was, vroeg ik den pandit, die zulk een moord afkeurt, of de slang vergiftig was, en in plaats van zich te bukken, om na te zien, hoe de vorm was en de kleur, gaat hij recht overeind staan op zijn pantoffels en met zijn neus in de lucht, kijkt hij naar het Noordwesten.... Toch was het een antwoord op mijn vraag, want de goede man moest dat in de wolken zoeken. Siva resideert namelijk op den Haramoek, draagt als arm- en halsbanden slangen en heeft in zijn hoedanigheid van beschermgod beloofd, dat de beet van zulk een dier nooit doodelijk zou zijn op een plek, waar men den besneeuwden top van zijn woning kon zien. Dus moest even worden gekeken, of men van hier den Hamaroektop kon onderscheiden. “Zoolang u dien kunt zien,” voegde de pandit erbij, “kan u gerust wezen; maar anders is er wel gevaar...” Ik zal toch maar in elk geval op mijn hoede zijn.

Meer stroomop vertoont Pampoer den voet van een Hindoetempel, een moskee, een brug en velden, waar in het najaar saffraan zal bloeien. De oogst van deze geliefde lekkernij der Kaschmireezen is een staatsmonopolie, en men moet het goudpoeder uit de helmknoppen met zijn gewicht aan zilver betalen. Er worden te Pampoer ook uitstekende beschuiten gebakken, die op reis zeer te pas komen en naar mijn smaak met het beste brood kunnen wedijveren.

Ik zal niet alle halten van onze reis kunnen noemen, maar mij tot de belangwekkendste bepalen. Na Pampoer op den rechtschen oever ging het naar de zwavelbronnen van Vian en de ruïnen der tempels van Ladoe. Van Kakapoer op den linkeroever brengen twee uren wandelens u naar den kleinen tempel van Payech, die goed bewaard is gebleven, een juweel van de kaschmireesche kunst. Wat de tempels van Narasthan betreft, er is een goede dagreis noodig, om ze aan den voet der hooge sneeuwbergen te ontdekken; daarentegen liggen de vele ruïnen van Avantipoer aan de rivier, ten deele in de aanslibbingen verzonken.

Hooger krijgen wij de samenvloeiing van de Vitasta en de Vesjo, niet minder heilig in de oogen der Hindoes uit de streek dan die van de Vitasta en de Sindh. Aan den hoogen kant ziet men een plateau, dat zonderling door het water is uitgeslepen, en op dien top zou Kacyapa duizend jaren in overpeinzing hebben doorgebracht, vóór hij het dal liet verdrogen. Men zou hem intusschen kunnen verwijten, dat hij zijn werk maar ten halve heeft verricht.

Want als in het begin van den regentijd een hevig onweer komt opzetten, en zijn waterhoozen naar Kaschmir voert op het oogenblik van het smelten der sneeuw, wordt het Dal plotseling overstroomd en is dan bij gebrek aan een voldoend breeden weg van afvoer in gevaar, in een meer te worden veranderd. De overstroomingen van Juli 1893 waren noodlottig; die van Juli 1903 waren het niet minder, en men schat het verlies op een zesde van den oogst. De naga’s hadden toen wel dorst, en ze schenen hun periodieke schadeloosstelling te moeten hebben.

Aan den voet van de kareva, zoo heet een klein plateau, van Tsadakar in een nu droog geworden vijver, is de plaats, waaraan een der merkwaardigste legenden van Kaschmir is verbonden en tevens een der oudste. In dien grijzen voortijd woonde nog een naga in den plas, en boomen spiegelden zich in het effen water; daar kwam een jonge Brahmaan op een dag schaduw zoeken en koelte. Toen hij zich gereed maakte, zijn proviand aan te spreken, zag hij plotseling een jong meisje voor zich staan, dat zoo mooi was, dat hij vergat te eten. Hij werd nog verlegener, toen hij bespeurde, dat het mooie kind niet anders gebruikte danlotuswortels. Door een teeder gevoel gedreven, noodigde hij haar uit, zijn rijst met hem te deelen, bracht haar te drinken in een beker van bladeren en wuifde haar koelte toe, waarna hij haar smeekte, hem haar geschiedenis te vertellen en hemte zeggen, hoe het kwam, dat zij, zoo bekoorlijk en aanvallig, het blijkbaar zoo armoedig had.

Zonder omwegen vertelde hem de nagi, want het was zulk een heilig wezen, dat het mooiste meisje ter wereld niet anders kan eten, dan wat zij bezit, en wat de oorzaak van haar armoede aanging, daar moest hij haar vader maar eens naar vragen. Hij zou hem vinden in het naastbijzijnde dorp en hij kon hem herkennen aan zijn van water druipend haar. Zoo gebeurde het ook; de watergod vertrouwde aan den jongen brahmaan zijn klachten over de hardheid der tijden en vertelde, dat hij groot gebrek leed, want de onderaardsche goden hebben ook behoefte aan rijst, even goed als de menschen, en storm en onweer zijn hun manier om goede oogsten te krijgen.

Nu waren de velden in de buurt gesteld onder de bewaking van een zoo streng kluizenaar, dat er geen aartje af kon en hij niets van den nieuwen oogst gebruikte, en zoolang hij niet had gegeten, konden de naga’s er niet aan komen. Zoo leden hij en de zijnen de kwalen van Tantalus. De verliefde brahmaan had geen rust, vóór hij den vader van zoo’n mooi meisje had verplicht. Hij bedacht den list, om eenige rijstkorrels van den nieuwen oogst in de soep van den asceet te werpen, als deze den rug gekeerd had. Nauwelijks had de grijsaard er een balletje van in zijn mond gestoken, of een hagelbui viel neer, en de naga nam den geheelen oogst mee en gaf uit dankbaarheid den brahmaan zijn dochter tot vrouw.

Het dorp Vidjabroer met zijn brug.Het dorp Vidjabroer met zijn brug.

Het dorp Vidjabroer met zijn brug.

De echtgenooten leefden gelukkig; maar hun geluk was slechts van korten duur. Op een dag, dat de nagi op het terras was, zag ze een paard, dat uit den stal was gevlucht en dat smulde van een hoop rijst, die er was neergelegd, om te drogen. Zij riep, dat er iemand zou komen, om het weg te jagen, en toen er niemand antwoordde van de bedienden liep ze er zelve heen onder het gerinkel van haar zilveren armbanden en het paard nam op zijn rug een gouden merkteeken mee van de hand, die het geslagen had. Dat was het begin van de ellende. De aanblik wekte den hartstocht van den koning van het land. Hij beproefde eerst, maar te vergeefs, de jonge vrouw te verleiden. Toen probeerde hij, haar van haar man te koopen, maar de brahmaan wilde er niet van hooren, en stelde de eer niet op prijs, dien de koning zijn huis wilde bewijzen.

Eindelijk toen de koning, het onderhandelen moede, zijn soldaten zond, om de nagi met geweld te vermeesteren, riep de brahmaan zijn schoonvader te hulp. De naga steeg verwoed uit zijn vijver op, en in minder tijd, dan er noodig is, om het te verhalen, verbrandde hij den koning, de stad en al haar inwoners. Daarna kreeg hij tegenzin in de wereld en leed aan wroeging, zoodat hij zich in de eenzaamheid terugtrok op den weg naar Amarnath, waar hij nog is.

Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.

Brahmanen bij de heilige bron Valtongoe.

Niet ver van daar op den linkeroever heeft het groote dorp Vidjabroer, het By-Bihara van de engelsche kaarten een modernen Hindoetempel, gebouwd door Goelab-Singh, waar allermerkwaardigste afgodsbeelden worden bewaard en waar men ook in de nabijheid een mooie mohammedaansche ziarat beeft met drievoudig dak. Bij elke schrede ontmoet men er trouwens sporen der oudheid, en de bazar is vol met oude koperen munten. Er werd gekampeerd aan de overzijde van de brug onder eeuwenoude platanen, niet ver van het huis waar de maharadja komt uitrusten, als hij een of twee dagen te Srinagar komt. Wij hebben er het bezoek gehad van een ouden muzelmanschen fakir, die zonder twijfel in beschaafde landen zou betiteld zijn als vagebond. De bedienden maakten zich van den man meester en zetten hem een schitterend maal voor; een ongeloofelijke hoeveelheid rijst, dan tsjapati’s, een soort van broodjes en versche kaas, ruim bestrooid met suiker, alles genoeg om drie mannen te verzadigen; daarna boden ze hem een hoeka aan.

Terwijl onze kok, een zeer vroom Muzelman, hem aankeek met vereerende blikken en met het liefdevolle van een moeder voor haar eerstgeborene, zat de vuile man kalm te rooken; de pijp alleen uit den mond nemende om eenige verwenschingen te slingeren naar het hoofd van de menschheid, die hem voedt en kleedt, terwijl hij zich lui in de zon koestert en zijn ongedierte verschuift. In physiek opzicht heeft hij niets van den fakir zooals men zich dien voorstelt, en zooals hij ook gewoonlijk is. Groot en kaal, met woeste wenkbrauwen en onbeschaamde, knippende kleine oogen, ziet hij er met zijn stompneus en langen, krullenden baard uit als een oude faun. Als de maharadja te Vidjabroer is, vraagt hij steeds naar den fakir; maar de oude, die de eerbewijzen minacht, onttrekt zich aan de hulde en blijft onvindbaar. Ik zeg u zijn naam niet; ik heb vergeten er naar te vragen en heb hem uit mijzelf maar Diogenes gedoopt.

Maar reeds wordt de rivier smaller tusschen de met vlas begroeide oevers en weldra wordt ze ook ondieper, en de stroom neemt in kracht toe. Dat is het oogenblik voor de handji’s om hun schutspatroon aan te roepen, Dast Guir, hetgeen ze doen onder het boomen of trekken. Op een gegeven oogenblik moeten ze in het water loopen, de eenen trekkend, de anderen de boot duwend, tot die eindelijk voor de plek van het kamp aankomt te Islamabad, een ijver die te lofwaardiger is, daar ze, nu wij hier eenmaal zijn, worden ontslagen.

Terwijl de tenten worden opgezet, kwamen de gezinshoofden met het schrift van hun getuigschriften aan, waar wij het onze bij moesten voegen. Wij zagen zoo terloops curieuse opmerkingen, bijvoorbeeld die van een heer, verklarend de boot te verlaten, “omdat hij niet langer kan verdragen, te zien hoe de mooie zuster van den bootsman altijd paardewerk moet verrichten”. Wij voegden onze onderteekeningen bij die zonderlinge collectie autografen. Waarna de salams volgden, het bedanken en het air van onderworpenheid, toen ze de roepijen in ontvangst namen, die welverdiend waren voor twee maanden goeden trouwen dienst.


Back to IndexNext