Hoofdstuk V.Inmiddels was ’t schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen zwerver wenkend achter mij zag—de eerste schrik aanstonds oversloeg in een onbedwingbaren lach.Maar hij nam ’t me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit, de lange kerel in den zwier van z’n verschooierde plunje. De trouwe dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof ’t een koningsmantel was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van z’n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de fluweelen broek om z’n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje, dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z’n rossige puntbaard was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam, weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te hebben uitgezeten.„Nou”—zei ie wijsgeerig gelaten—„as je straks klaar ben met lache ... Zie je, jij meent ’t nie’ kwaad, en je ben geen verrajer ... As je ’n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament ook wel make ... Hoe gaat ’t overigens met de kunstschilder, me kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef, hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om ’t een of ’t andere, hoor, want leene doe ’k nooit van ’n ami-intime ... ’t Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel ’n goeie revolver, maar ons schorem geve ze ’nding dat niet afgaat ... As je mijn maar begrijpt ...”Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt „groosch”. Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die er nu uitzag, toch wel ’n èrg opzichtigen schooier voor een vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets dan stikke-koffie gedronken. „As je me hart door kon snije”—zei hij met bevende lippen—„zou je zien hoe edel ’t is. En ik zweer je, wáár ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco ... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za ’k je late leze”...Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde paperassen twee brievente voorschijn... „Mot je op je gemak bij gaan zitte, en je verstand bij gebruike.”Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:„Zwager Racier in de gevangenis te X.„Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben, en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten, naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden, voor en tegenspoed, elk op zijne weg.„Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ...”„Wat?”—viel ik uit—„ben je zoo ziek geweest, Racier?”Heel even kwam een rose blosje in z’n wangen op. Toen beheerschte hij zich weer, en zei: „Zoo sterk as ’n peerd, man!... Nou, hoe vin je die rol?”„Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?”„Natuurlijk wel, toe ’k me verveelde, en wel ’s graag een lettre intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ...”„... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ...”„Wàààt?... En je was zoo’n verstokt atheïst?”„Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb ik ’m er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar de natuur, die anbid ik, en as ’t dondert en bliksemt ga ik ’t liefst over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da ’k allemaal an me zwager had geschreve?”„... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met Godverzoend, ik hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de moordenaar aan ’t kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie.”Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen gleden langs zijn bleeke gezicht.„Is het toch niet diep treurig”—snikte hij ineens uit—„dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in ’t spinhuis lag te sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege voor God’stroon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef ’t hem ...!” Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak hij af: „Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie ’n steek valle, die verstokte atheïst ... Zie je, ’k vergeet telkens dat wij vrinde zijn, en da ’k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ...”Inderdaad, in een post-scriptum heette ’t onder meer:„Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn dat je bij den Heer zou zijn.”„Lees maar voort”—viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen uitleg te hoeven geven—„lees maar eerst voort, dien tweeden brief, en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?”—„Zwager Jors!„Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange, en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt,zooals ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt, wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen,want dan hebt ge geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert, want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes, die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven, daar het mij in ’t geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis, die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u, dan weet getoch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij weten dan meteen dat Jors nog leeft ja ofNeenen waar hij zich bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als ook van mijn„Uw zwagerCharles en Marie.”Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:„Zoo generaal, hoe gaat ’t met ’t leven?” had gisteren immers nog een van de grootste inbrekers ’m aangeklampt. „Zaggies an”—had ie geantwoord—„maar bang nog niet voor de duivel.”—„Mot je driemaal tikke”—had die ander gezeid. En zoo had ie ’m ’t adres opgegeven van de dievensociëteit. „Hoef jij niet te zoeke”—keek de vagebond mij aan met dédain—„want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch kan je d’r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal tikke. Vraagt zoo’n portier: „Kom jij pas uit de bajes, da’k jou nog nie kan?” Laat ik effedrieontslagbrieve zien. Drie trappe af, loopt ’t zoo deur onder de grond en van ’s avonds tot ’s morgens komt ’t volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope, as manne, die met de vijf ons kanne werke.„De waardin is ’n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an de hand. Die zegt tegen mijn: „Wat ben jij voor ’n vent?” „’n Middelburger”—antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen vraag ik: „Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?”—„’n Maffie. Maar mot jij niet ete?”—„Ete”—zeg ik—„da’s werk voor ’t groote kappitaal.”—„Nou maar”—zeit zij—„dat gáát hier zoo niet; d’r mag hier niemand zonder ete na bed!”—„En ’t lood dan?”—„Komt morge terecht; je durft toch ook wel ’n vinkie te lichte?”—Mot je zoo’nouwe gepensionneerdehebbe as ik.„Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z’n taal en z’n zede, dan ben je in zu’k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: „nou, mensch, da’s nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same”... Zegge zij: da’s een toffe sjlemiel ...„Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table d’hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m’n aard van huis uit as zijnde lechevalierde Racier zal da’lijk weer bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama, en ’t ouderlijk ’uis chez nous à Paris, da’k nog altijd die „hache” niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens, quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...„La’ me die bolleboffin nou nog ’n kom zweet commedeere, dan za ’k je dat allegaar haarfijn vertelle ...”Hoofdstuk VI.En de vagebond vertelde met die schor-verschooiërde stem:„Het huis an de Boulevard des Italiens numéro quat’ vingt dix, waar papa en mama woonde met mijn, had natuurlijk zeve verdiepinge. Rez-de-chaussée woonde een coiffeur pour dames ... de premier ordre; op de tweede étage le président général van de Banque ... eh ... de l’Europe, en op de derde woonde papa. Je begrijpt, zoo’n huis van zeve verdiepinge, heelemaal van ’t duurste blauwe hardsteen gebouwd, met ... marmel ingeleid èn graniet, en alles ... satijnhout van binne, dat was papa en mama te hol om alleenig in te wone, en dus voor de gezelligheid nam ze daar die andere amis bij in: le coiffeur-en-chef, le président supérieur, en al die verdere vrinden van de hoogste aristocratie van papa ... Zoo wàs mon père noble!„Ik ga tòch nog ’s kijke in Parijs of dat ouderhuis er nog staat, waar mijn dierbaarste kinderjare in zijn verslete ... Maar dan gaan ik vermomd, want as ik er kom, word ik opgepakt, en daar ben ik te dom voor. Zoodra ik om reisgeld telegrafeer, heb ik ’t netuurlijk meteen. Na’ Londòn óók, maar dan neem ’k me route over Harlinge met de koeieboot, om op ’t vee te passe, want dan bè je voor ... vijf en twintig stuivers over ...”„En hoe vermom je je dan, Racier?”—kwam ik ’m in ’t gevlei.„Wel, dan gaan ik eerst na onze residentieplaas, het vorstelijk ’s Gravenhage—daar haal ik altijd mijn geest vandaan—en kijk precies na ’t model van die generaals, die je daar uitgemonsterd ziet rondloope. Zoo heb ik daar direct de maat van, en koop me een dolman,rijbroek èn twee pantalons, beneves de kaplaarze. Om geen argwaan te koestere, doen ik die inkoope te ... Leischendam. Maar de garniture en goude kraag met passende vangsnoere koop ik in de Haag, alsmede de roode bieze voor in de pantalon. Natuurlijk gaan ’k in een ander magasin royal voor die pet met breede goude rand en een hoed met pluim voor grand tenu. Met de ridderordes en Kraton-medaille, expeditiekruize met twéé gepse, zal ik netuurlijk veel moeite hebbe, maar daar word ik an geholpe door tusschekomst van een vierde persoon te ... Rotterdam.”„Natuurlijk!—Maar vertel nu eens eerst verder van je kinderjaren in ’t ouderlijk huis ...”„Dat was netuurlijk allemaal speciaal eerste klas gemeubileerd ... alles rood fluweel ... couleur de rose, met een vleugelpiano, want papa was de grooste liefhebber van de muziek, ameublement d’acajou, gróóte canapé en de duurste schilderije van De Ruyter ...”„De Ruyter?”„Ja, waar verleê jaar immers nog al die feeste voor benne gevierd, toen ik in de lik zat;—daar had papa ... laa’s zien, drie in ’t salon, en drie in de huiskamer, en twee in de spreekkamer, en in de slaapkamers, de rookkamers, de salle à manger ...”„De badkamer?”„Zjuust, en, om kort te gaan, in alle compartimente had papa natuurlijk die schilderije late ophange van ... hoe heet die knul nou ook weer dat ze zonge? ’k Kon er die nachte in me cel nie eens van slape ... De Ruyter, De Ruyter-kilekile?—Lammeling, om ’n arme gevangene nog wakker te houwe ...”„Racier—nou ben je toch leelijk aan ’t warren. Bedoel je misschien ... Rembrandt?”„Kilekile!! ’t Was om stapelgek van te worde,”—vloog ie rood-aangeschoten op—„want ’k sliep tòch zoo beroerd, en net effe was je dan ingedommeld, of je schrok al weer wakker van dat getreiter ... En dan netuurlijk aldoor droome van pa’s schilderije, waar die De Ruy ..., Rembrandt-kile, wil ’k zegge, de schoonste vrouwe op had uitgeschilderd. Want die Vrouwe ben natuurlijk de hoogste natuur; voor mijn ook ... Heb ik van kind af respect voor gehad. Net as papa. Die hieuw kolossaal van mama ...„Mama was vanzelfs een ... Spaansche, beeldschoon, en in ’t hôtel de Belvédère, waar zij rees met haar familie en dat bediende-personeel, had papa haar gezien. Sting immédiatement in vuur en vlam, en twee jaar daarna heeft ie ma geschaakt ... uit Madrid. Zij was ommers Roomsch, en hij van ’t protestansche gloof. Maar behalve de Heilige Maagd, ging dat best same. En wij, me broer en me zuster en ik, wiere geloovig opgevoed, van bidde voor en na ’t ete, met ’t Onze Vader, en as we na bed ginge, wij kinderen, altijd ’n Wees gegroetje op z’n Fransch.„Maar op school, in me kinderjare, was ik ’n ondeugende bliksem, ’k Voerde bar veel kattekwaad uit, en as ’k een dooie hond ving, bond ik ’m subbiet ’n touwtje om z’n nek en hing ’m an de bel bij de meester.„Daarom most ik van school. En toe’ zei papa: „die jonge van mijn zal ’k late studeere”, wat ik ook deed tot me achttiende jaar in de rechte ... van ’t Chineesche rijk! Maar daardoor wier ik natuurlijk niet langer kerksch.—Nee, da’ begrijp je, want die boeke brachte mijn op een dwaalspoor. Toch heb ik mij nooit afgegeve met vreemde meisies, of ook soms Koning Alcohol gediend. Want ’s avonds zat ik altijd in de Opera, voor huit sous,omda’ ’k zoo’n gróót demecraat was, en as ’k thuis kwam om 12 uur lagge papa en mama al ter ruste, zoodat mijn geachte ouders hiervan nooit niks hadden bespeurd.„Toch had ik daar netuurlijk in die Chineesche rechte verders geen zin, door de zwendelderij die ik in de wereld had ontmoet, en ben ’k heengegaan uit de academie na ’t kantoor van ... Rothschild.„Toe kwam ommers die Fransch-Duitsche oorlog. Nou, papa die kapitein van de garde nationale de Paris was, trok meteen z’n pakkie as kaptein uit en bedankte, want die zag ook de zwendelderij en wou z’n eige niet late omkoope as moordenaar, hoe ’n erge tegenstander ie ook was van Duitschland. Maar edel boven al.„Daarom hebbe papa en ik same natuurlijk Napoléon op de vlucht gejaagd, en daar heb ik nooit spijt van gehad ... Nee, waarachtig niet! Zoo’n doerak.„Voor die grappemakerij van de Commune vergaderde wijlie as samenzweerder op allerlei plaasse van de Rue St. Honoré, Rue Valmi, Rue St. Laurent, en bij papa. ’t Ware 82 mannen en 14 vrouwen. En die de lont angestoke heeft bij de Tour Vendôme, was een zekere Sandant, later gewichtewerker, same met zijn ami intime Rollin, „Hercule du monde”. Teminste: dat leert de geschiedenis zoo, maar die wete natuurlijk niet dat ik die Rollin was, hercule du monde,—zal je later beter verstaan.„’t Gebeurde, zooals je weet oppe ... 13 September ’68! Toen kwame wij tussche tiene en elve op de Place de la Bastille same; ik stong naast pa en tusschen 1 en 2 hebbe ze ’m de lucht in geblaze ... Jò, wat ’n knal. Da’ was vuurwerk! En ’k wou dat alle millionnairs met die rot-automobiele van de wereld d’r in hadde gezete. Want daar heb ’k toch zóó ’t smoor an, dat ’k er nietvan ken slape!... En ’k hing! Om kort te gaan, nou most ik op de vlucht. Weg van mijn dierbare ouders en uit mijn geliefde vaderstad Parijs, want ’t uur der wrake was geslage. Waar papa toe’ gevloge is, heb ik nooit an de weet kenne komme, maar mama met me zuster Elizabeth zijn alleen thuis gebleve.„Wij gingen te voet over St. Denis na Brussel. Sandant as gewichtewerker, waar ie an de honderdponders voor was geholpe, maar in andere kleere die zijn vrouw hem immédiatement had meegegeve, en ikke als Rollin, hercule du monde. De eerste nacht sliepe we al bij een boer, diep in ’t veld, onder de bloote hemel; daar stuurde ma mijn die passende vrouwekleere na, met de boôschap, da ’k nou ook me baard af most schere. Toe was ik 22 jare oud en had 50 frank op zak. We reze ook nog in de trein, maar te voet ginge we over de Belgische grenze, anders ware we natuurlijk gesignaleerd.„Mot je goed verstaan. Me hart trok na Holland, na Sluis as je weet, om rede ik daar in ’t jaar 1877 was gebore, toen me ouwelui een rondreis maakte na Oostende, en mama in Sluis de kraam van mijn uit ging legge. Maar daarna namme ze mijn netuurlijk as echtelijk kind zijnde,—bébé juridique—mee na Parijs.„Van daar dat ’t bloed weer na Zeeland trok, en ik netuurlijk die Hollansche taal ook met de moedermelk had ingezoge. Ik liep dus van Antwerpe over Oude God na Breda.Toe sprak ik nog.Maar in Dordt ware me cente op, ennog altijd ter spraak, heb ik voor ’t eerst van me leve op koste van de politie geslape in ’t Logement de Drie Krone in de Wijnstraat. Die commissaris had dus medelije met mijn, en gaf me een kaartje voor de boot na Middelburg. Op die overtocht dacht ik: „as ik me stom houw, zal ik willicht de liefdadigheid opwekkevan de mensche.” Dus ik bestudeer die eerste rol, en in de Winterstraat op ’t hoekie van ’t Waaigat in dat logement van Tazelaar, voorheen Van Zwijneren, hieuw ondergeteekende zich of hijnietkon spreke. Toe zeit die vrouw: „Je mot mejelij hebbe met zoo’n man, want hij kan spreke nòch verstaan. Leg die man bove as alle mensche in bed legge, in die krip onder ’t raam.”Dat gebeurt. Maar in die linksche be’stee sliep me aanstaande vrou, Carline Borin. Daar krijg ik kennis an, hoewel ik geen geluid gaf. „Wat zal God nou geve?”—zeit zij nog. Maar ’t was vlak bove de be’stee van vrouw Tazelaar. Die hoort dat, en zeit midde in de nacht tege mijn: „nou mot je eruit.” Ik klee me an, en schrijf op me leitje: „Waar zij gaat, gaan ik mee.” „Pas op”—zeit vrouw Tazelaar—„want die meid denkt zeker dat jij geld heb.” „Nee”—zeit Carline—„ik zal zoolang jij stom en doof blijft die kost voor jou verdiene, want je ben een knap manspersoon ... al most ik ook an de huize anbelle ...”„Nou, ’k ben vier jaar met Carline geweest, want ze was ’n beeldschoone vrouw, maar dat mensch het nooit me stem gehoord. As doofstomme trok ik met haar langs de weg om eerlijk ons brood te verdiene: marchant ambulant ... Ze heeft me vier zone geschonke!”Hoofdstuk VII.Onder het vertellen door was Racier nu stil bedroefd geworden,—z’n gezicht zoo zwakjes bleek en weggetrokken; en z’n oogen zagen rood van ’t verknepen schreien. Uit z’n fanatiekefantasieënscheen hij nu moe neergezakt in echt menschelijke kleingevoeligheid, de zielige held van eigen ziekelijke verbeelding.Hij had toch ook zoo ziels veel van dat wijf gehouden!—brak even z’n stem.—En nog telkens trok ze ’m. Wáár ie dan ook in de wereld zweeft,—as ’t teminste in geen cel is, dat ’t verlangen na z’n liefde in z’n hart schiet—maar dan mot en zal ie na De Haag. En stiekum sluipt ie as ’n dief dat ongelukkige straatje in, waar d’r man die slaapstee houdt. „As ’t mooi weer is, zit ze dan nog wel ’s buite op d’r stoel, want ze is netuurlijk lam hè, zooas die vent haar heeft mishandeld ... Dat het ze an mijn verdiend ... Wat er naast valt is nòg zonde ... Zoo zit die haat vast ingekankerd in mijn borst ... Want as ’k ’r zie, oud en verslete met d’r verstijfde lijf, dan zien ’k nòg in dat gezicht die trekke van mijn beeldschoone meid ...„Zoo’n edel vrouwmensch as Carlien toch was! De adeldom lag in d’r heele weze; ’n gezicht, man ... blank en gaaf as van een lelie, met zwart lang krulhaar... en ’n houding, hè ... ’n ras, niet te dik en niet te mager ... schoon, beeldschoon... twee druppels water ’n prinses ... ’k Heb ’r nog ’s op de Bosscher kermis late loope met zoo’n orgel, op z’n Italiaansch verkleed, dat al wat man was rilde!„Ja, ze was ’n echte edelvrouw, toen ik in Middelburg op logement kennis an d’r kreeg ... Ze reisde met zoo’n mandje met zeep, gare en band, en ik as doofstommeliep netuurlijk met Brabansche kant ... Maar daar vond ze mijn veels te goed voor. „Wa’s dat nou voor ’n leve voor zoo’n knappe kerel als jij ben?”—zei ze—„Gaat met mijn same, la me ’n flinke wage met handel zien te koope, dan zal ik voor jou óók wel spreke.”„Dat ging zoo vier jare goed, en nooit had dat mensch mijn stem nog gehoord. Maar toe wier me dat in ééne te mats, en vroeg ik op zekere nacht op me vingers: „Ka’ jij ’n geheim beware tot in jou graf?”„Misschien wel”—zeit zij—„as ’k maar eerst wist met wie ik toch eigenlijk sprak. Want we ben nou al vier jare same, en ik heb nog nooit ’n woord over je lippe hoore komme. Dus bijaldien je mijn dat geheim niet zegt, wat er in jou hart leeft, dan kan je wel ’s een moord hebben gedaan, en ik leg met geen moordenaar onder één deke.”„Toe schrijf ik op me leitje: Een moordenaar ben ik niet, maar ... uw man Charles Edouard Racierken spreke, en niet alleen in één, maar in verschillende tale!„Nou, da’ begrijp je, hoe die vrouw toe’ verschoot. „Wel”—zeit ze—„spreek dan eris.”„En meteen komt dat eerste geluid van vier jaar over mijn mond, en spreek ik de woorde: „Geef me me pakkie tabak eris an, da’k een pruimpie neem!”„Maar dat wijf dat schrikt zoo, dat ze immédiatement van d’r zelve leit ... angezien zij nog nooit ondergeteekende z’n lijfelijke spraak had vernome.„Goed ... da’s netuurlijk ’n heele heibel op zoo’n logement—we sliepe in ’t Wape van Utrecht an de Amunitiehavedrie en twintig—en die bure komme op dat gille af en brenge d’r bij. Maar zoodra die weg benne, en we legge weer same in bed, eisch ik netuurlijk van haar de verklaring bij de almachtige God—waar ondergeteekende as atheïst zijnde voor z’n eige tòchniet an glooft—maar dat zij mijn eeuwig trouw blijft. „Jawel”—zeit ze—„daar zal nooit geen haan na kraaie.”„Dus toe’ die morge anbrak ging ik door een valsche naam gedekt weer uit met mijn handel, waar ’t bordje op hong: „doof en stom”. Ja, netuurlijk, a’k ’n rol begin, doen ’k ’m goed, en ’k had weke dat ’t mijn vijftig gulde opbrocht ... Maar waar niet en is verliest de keizer z’n baard. Mot je hoore:„Die vrouw van mijn had met ’r geheim geen rust noch duur. Daarom kleedt ze d’r eige die eigenste morge nog erg netjes an, gaat huilende na de commissaris toe en spreekt: „Weledelgestrenge heer, wa’ ben ’k vannacht toch geschrokke, want mijn man, die doofstom is, kan prate!”„Heb jij ’n boterbriefie?” vraagt hij.„Nee”—zeit me vrouw—„dat brengt ons mensche nooit geen geluk an.”„Goed”—zeit die commissaris—„omdat jij dan zoo’n beeldschoone vrouw bent za’k vanavond een rechercheur in dat nachtlogies sture, om die zaak te bespieë.” Want hij dacht: wellicht is die vrouw niet als te wel bij haar hoofd, en dan ben d’r geen getuige ...„Dus: zoo gezeid zoo gedaan. Ik kom ’s avens op logement werom met me cente, weet van niks en denk: da’s alles vergete en vergeve. En toe dat afgeloopen was, heb ’k ’r in eer en deugd weer gezoend. Nou lagge me natuurlijk met de kindere op zoo’n vijfpersoonskamer, die ik altijd afhuurde, om alleenig te weze. Want as je daar zoo tussche de slapers in leit, kan ’n mensch wel ’s hard motte droome, en was ’k verlore ... Hoewel ondergeteekende daar ook veels te dom voor was, en nooit in ’t publiek sliep zonder knoop in z’n mond, meteen lappie daarop genaaid, da’ je’m niet inslikte. Dus die volgende morge heb ik weer gepraat, zonder erg, en wist van de prins geen kwaad. Maar die stille klabak het dat netuurlijk bespeurd, en jawel, ’n uur later, da’k op de Mauritskade de huize langs leur, wor ’k van die straat opgenome.—„Nou schrikt ondergeteekende nooit. Maar zoodra ik gearresteerd wor, ruik ik lont, en door me sterke zelfbeheersching weet ’k da’lijk me rol.„Ze brenge me voor die commissaris, en die zeit: „Vrind, dat ziet er niet rooskleurig voor u uit, want u kunt spreke.”„Omdat die man geen baard draagt, kan ik an die beweginge van zijn lippe zien wat hij zegt, want ’k ben ook doof gebore. Zoo laat ik hem direc deur die mande valle, en schrijf op me leitje: „doof en stom.”„Toe is daar bijgehaald een medicijnarts om dat ongeluk te constateere. Die nam mijn mee na ’t ziekehuis, maar daar wier eerst nog een andere commissaris geroepe, die wèl een baard had, dat ik zijn mond niet zou kenne zien. En die snijer zeit: „ik zou maar spreke, want je eige vrouw is ’t komme verklappe ...” Daar gaf ’k natuurlijk geen asem op, was ’k te dom voor, en gaf ’m me leitje, dat ie ’t maar op mos schrijve ... „Je kunt gaan!”—zeit die dokter. Ik blijf natuurlijk, want ’k hoor dat niet. Hij zet ’t op dat leitje. As ’k de deur in me hand heb, om de trap af te gaan, roept ie me werom ... Ik hoor niks, ga stiekem deur. Maar op de trap schiet die man een revolver af achter mijn; ik keerde m’n eige geen oogenblik om, gaan kalm na huis ... Ja, mot je lef voor hebbe! Maar dat was allegaar nog kindere-spel.„Op logement dee ’k net of ’k wist van niks. Zij ontving me vrindelijk. Ik gaf me geld over. Toe kon ze zich niethouwe, en vroeg of me niks overkomme was, maar ik zeg: nee.„Jawel hoor, de andere dag word ik door de politie voor dat geneeskundige onderzoek na ’t ziekehuis gebracht. En zeve deskundige profesters met dokters èn artse wachte mijn daar op.„Eerst wor ik spiernakend uitgekleed, en zoo in ’t dooje-huisje op dat marbel-blad gelege. Dat was de kou-proef. Ik hou me gedekt.—Toe stak d’r een in me zevende rib met zijn lancet ... ’t dee’ ’n eeuwige pijn, maar ik gaf geen teeke van spreke.„Maar de tweede perfester zei: „die man is doofstom, ’t is werkelijk waar, en ik zal ’m niet pijnige.” De derde zeit: dito; de vierde: dito; de vijfde: dito. Komt die zesde z’n beurt.Die zeit: „ik zal ’m toch nog ’s eerst effe neme.” ’t Was de Judas. Hij laat me me groote toon van me rechter voet uitsteke, en gaat daar met een naald in staan pikke. Want zie je, dat is de zenuw die bove op je harses correspondeert ... Maar ondergeteekende gafgeenteeke van spreke.„Dus ze hale dat groote document al tevoorschijn, dat alle zeve de profesters motte onderteekene, toe de zevende uitroept: „nou zal ik ’m dan toch nog ’s effetjes kwelle!” Die gelast an ze knecht: „breng me gereedschapskist ’s”, en daar haalt ie een geëmailleerde pan uit met kokende lijnolie. „Hou nou je hoofd achterover”—duwt ie mijn, en me mond spert ie wagewijd ope. En as ik zoo leg, neemt ie een lepel kokende lijnolie en houdt die vlak boven mijn mond. „Mot je maar slikke,”—zeit ie. Maar ik doch’: dat doet ie toch nooit. En ’n andere profester ving nog net een druppel op, die anders pardoes in me keel was gevalle ...„Toe was ’t dus welletjes. „Doet wat je wil met dieman”—zeie ze in ’t Latijnsch tege mekaar—„maar hij is werkelijk doofstom.” En de kiste met die marteltuige konne meteen weer na huis.„Zoo kreeg ik mijn verklaring van zeve profesters geteekend, dat alle gesprokene over Charles Edouard Castergoni,—zooas ik toentertijd hiette—leuges ware, en dat patiënt waarlijk was ... sourdetmuet. Bovedien ontving ik van de deskundige as schadevergoeding de somma van f 65, mèt een briefie door burgemeester Gevers Deynoot eigehandig onderteekend, dat ik door heel Nederland vrij mocht vente zonder patent, as zijnde beproefd doof èn stom.„Toch zei ik die zelfde nacht nog tege me wijfmet me lijfelijke mond: „jou vlieger is niet opgegaan, hè? Maar as ’k dat gat goed schoon zien, maak ik jou kapot.”„Helaas, zoover ben ik tot hede niet kenne komme!”... ’t Was wonderlijk zooals Racier dan, zijn roesje weldra bekoeld, met een welhaast verlegen meewarigen glimlach mij even onderuit aan kon kijken, of ik ’t toch niet àl te schrikkelijk had opgenomen.„Kom”—zei hij—„’t is nacht. En as ik nou strakkies weer tussche al die gedalleste scharrelaars leg, dan kan ’k soms nòg denke: toch feitelijk mooi van de Natuur, dat ie zoo’n oud varke as ondergeteekende nog weer ’n fijne dag met ’n ami-intime het vergund .... Tabé, kameraad, jij kruipt maar weer onder de zij’ in ’t dons ... z’n Excellentie de Generaal begeeft zich ... over ’t lijntje ...”En tòch klonk bij ’t afscheid z’n schorre lach nog wel oolijk ondernemend.Hoofdstuk VIII.Onze hernieuwde kennismaking in Amsterdam, waar Racier, „as Atheïst zijnde”, de „Natuur” dank voor wist, werd maanden later op minder verrassende wijze bij mij thuis voortgezet. Op een goeden morgen kwam de dienstbode „een echt ènge man” aandienen, die volhield dat hij een intieme vriend van meneer zou zijn. Maar, ’t was zonde dat ze ’t zei,—zóó’n schooier was er nou toch nog nooit an de deur geweest,... wat een raar volk er tusschenbeide ook om meneer kwam. Ze had ’m natuurlijk op stoep laten staan en inspres met de nachtknip gesloten. Hoe ze daar nou mee an moest, met dien griezeligen kerel, die natuurlijk den boel is op kwam nemen om vandaag of morgen in te breken?—Of ie geen naam had genoemd?”—Jawel, zooies met ’n Fransche poeha ... maar de vent keek me zoo om te zegge verleielijk an met die glazige ooge, en dadelijk zei ie: mejonkvrouw, uw beeldschoone trekke ben as twee droppels water ’n prinses ... da ’k me doodschaamde voor Marie van hiernaast ... Ja, nou nog mooier, zoo’n meid mog is denke da ’k geen duurder verkering kon krijge, dan die ...”—Racier, hè? Zei ie dat niet?”—Wel zoowat, maar met veel meer omhaal d’r bij.”—Charles Edouard Racier?”—Ja net ... ’n Echte engert, dat is tie.”—Verzoek dan mijn vriend le chevalier Charles Edouard Racier naar mijn kamer te komen, Rika—als je zoo vriendelijk wilt zijn. Hij is een Fransch edelman, en alleen omdat ie zoo nederig van aard is, schenkt hij zoo weinig zorg aan z’n toilet ...”Maar voor het eerst sedert de „goospenning” aarzelde onze gedienstige, om mijn verzoek ten uitvoer te brengen. „As meneer nou soms dacht ... want zoowaar as die tuchthuisboef”—’t was nogmaals zonde dat ze ’t zei—een edelman was, was zij ... ’n ... ’n prinses!—Daar zag Ridder Racier je immers ook voor aan?”—Nou, meneer mot ’t wete ... maar as ’t huis in opspraak raakt in de buurt ... enne ... ik weet wel da ’k van nou af geen nacht zonder ’t werveltje op mijn deur slaapt ... Mag ’k dan eerst de overlooper nog effetjes legge?”Maar nu werd er weer gescheld. Rika schrok rood, vloog naar beneden,—zei: ’t was om de riebel te krijgen, en ik hoorde haar roepen: „as je teminste je beene goed afveegt, want me portaal en me trappe ben net gedaan.”—Za ’k dan soms me schoene eerst effe uit doen, mijn lieve oogelust?”—’t Is al lang goed, schiet nou maar op met je smoesies.”—’k Heb anders ’t grooste respect voor zoo’n edele vrouwe ... en as ’k nog weer ’s in een beter emplooy kom, stuur ’k jou een wit zijde baljapon thuis, met ’n paarle-collier ... meid, hoe zou je bruigom dàn na je kijke? Nòg ’n trap op?... Die stijve poot van me, daar het ’t groote kappitaal met ze wage overheen gerost en gereje, mot je wete ... A’k ’n bom ... chocola had, van die fijne met nougat en crème de vanille ... lus je dat wel? Zoo’n heele groote ... van Suchard uit Parijs?... Wacht ... nee, schoone fee,—’k heb me portemenéé ... Hoor je daar hoe Racier, vóór ’t déjeuner, kan dichte in e?”...—Ja? Binnen?”—Je vous souhaite ... eh ... le bienvenu, excellence! A cause de la bonne—ange blonde et mignonne tout àfait digne à la noble famille de votre excellence—je parle ma langue maternelle ...”Maar met een ontdaan gezicht had Rika al lang de deur nijdig achter ’m dichtgemept.—Hoe kom jij zoo hier in Rotterdam verzeild, Racier?”—Op me voete, uedelaardigheid. Van Amsterdam af gelóópe. Gisteravond uit ’t Muierbosschie vertrokke ... en zoo eve binnegekomme door de Delfsche Poort ... Mot je zien? Me voete ben één klomp bloederigheid, maar dat heb ’k best voor ’n ami intime over ... As je me hart doorsnijdt is ’t één anhankelijkheid ...”—Ga dan zitten, trek je jas uit, en steek ’n sigaar op.”—’t Is edel. Drie-eenheid van menschlievendigheid. Maar je weet—as atheïst zijnde—mag ’k daar niet an gloove. En zoo is ’t nou hier ook: Die luie stoel van jou, da’ bèd, wil ’k voor niks niet in zitte ... krijg ’k zóó al de hoogheidswaanzin van. En me jas hou ’k an; daar he’k nou mijn idee in, dat ’k m’n eige nie meer ben, as ’k uit die dallesdekker kom kruipe. Da’s nou mijn mantel van de masère ... daarom maak ’k ook die gate nooit dicht ... Want zooas ’t spreekwoord zeit, dat je geen koning mot zien in z’n caleçon, zoo mot je ook ’n boef as ik ben, niet uit z’n dallesdekkertje pelle ...”—Accoord. Blijf dus stáán met die roovers-uniform aan ...”—We begrijpe mekaar ... En as je dat fijne segaartje nou heb uitgerookt—da’k eerst méé profiteer van die lucht—geef mijn dan ’t peukie om te pruime. Want ’t is zonde voor ... de Natuur, dat er van zu’k edel kruid een kruimpie verlore mocht gaan. Maar róóke, dat doen ik nooit. As ’k daar an wen, komt ’t mijn te duur...Alleenig, zie je, bij die schilder ... Weet jij nou met jou verstand, waarom ik daar altijd zoo vroeg op dat atelier kwam? Nee,hè, want je kan me nog niet, hoe ’n doortrapte misdadiger as ik in me hart en me niere toch ben, hè? Die man had op dat ouwe kassie—antiek, hoor, Louis Quinze, mot je wéte—zoo’n oud-blauwe pot, zoo’n pul, met tabak. Dat was ’t fijnste ... fijner nog dan habana ... da’ was, za’k sterve op slag, je puur-zuiverste varinas, van ... ja, de Natuur weet ... meschien wel ’n riksdaalder ’t pond, man. Nou mot je wete, dat er één ding op de wereld is, waar de ondergeteekende wel ’n moord voor kan doen, en da’s juist branderige varinas, want as je die rookt, gaan je immédiatement fanteseere.—Snap je ’m al?... Maar je weet nog niet alles.—Hè jij in die dage nou ’s nooit wat vermist?”—Ik?... Nee, tenminste niet dat ik weet ...”—Zooisdie rijkdom;—mist niet eens de fijnste spulle van z’n overdaad ... Nou, dan wil ik je wel zegge, dat ’tmijnmeer waard is dan ’t hemelrijk hiernamaals ... ’k Za’ ’t jou late zien. Wacht ...”Onder z’n sleepjas uit groef ie toen ’n houten pijpje, hield ’t stijf vast in bei z’n handen, en liet daar eerst behoedzaam ’t donkerbruine kopje uitkijken.—Herken je ’m nou?”—Jawel, da’s een ouwe pijp van mij ...”—En vin je ’t nou niet diep treurig dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere vervalt?... Dit pijpie, door een kunstenaar uit ’t alderfijnste hout bewerkt ... objet d’art, waar jij natuurlijk intiem an gehecht was ... dat heb ik van jou, me speciaalste vrind ... gegàpt, alleenig om er uit te kenne rooke die gestole tabak!—Nou, trap je mijn nou dan je huis niet uit? En zeg je niet: Racier, je ben mijn te slecht?... Zou me meevalle.„Maar ’k weet ’t, je hèt een edel gemoed en daarom vraag ik je, hoe dat pijpie mijn staat? A’k ’t zóó vasthou,as ’n bloem bij z’n steel, teer en lieftallig; kijk ... en dan zoetjes zuige, zoo, langzaam ... Langzaam die rook langs dat verhemelte late glije ... Want zie je, je mot ’n misdaad in z’n intiemste begrijpe; wat datis: voor ’n ... ’n zwerver ... ’n boef, hè ... die toch óók z’n edelste gevoelens wil koestere, as mensch.„Da’ pijpie, dat het me nou twee jare lang dag en nacht trouw gezelschap gehouwe ... behalve in me cel, want ’k had ’t in me caleçon verborge, maar ze hebben ’t me afgepakt, die ganneve ... Zóó intiem ben ’k daar in me schik mee, omdat ’t precies mijn idee is, of je ’t gedroomd had ... En ’k sterf nog liever, dan da’k wat verkoop of verlies, wa ’k van ’n ami intime as gedachtenis heb ...„Maar je weet nog niet alles!... As je ’t niet houdt, mag je ’t nog effetjes hebbe ... Kijk nou ’s goed: op dat zilvere bandje om de steel, daar heb ’k op logement jou naam in late graveere ... Is dat voor ’n boef soms niet edel bedacht?... En zooas je me nou ziet, zie je me over vijf en twintig jaar nòg ...”—Je bent ’n rare kerel, Racier. Maar wat kom je nou eigenlijk doen?”—Och, ’n ouwe bajesvrind van mijn was met de nachtboot uit Rotterdam gekomme om werk te zoeke en dat het ie gevonde an ’t witloodfabriek. Nou, toe vroeg ie an mijn, of ’k soms dat retourtje van Amsterdam werom kon gebruike ...”—En je was kome lóópen?”—Of dacht je soms da’k dàt nog niet over had voor zoo’n hartsvrind as jij ben?—Nou, maar dan kàn je me niet ... Snij me hart gerust ope, ’t is één klomp dankbaarheid, man!”—Jawel, dus uit pure vriendschap ben jij, mèt je kaartje op zak, naast de nachtboot mee komen kuieren ...”—Och, man, ’k ben immers al ’s heel van Marseille af komme loope ... Maar dàn zie je wat! As je bij de Hollansche consuls angaat, krijg je effe 7–1/2 ct. per uur voor de trein, ’n logementbriefie, ’n briefie voor de bakkers, en ’n briefie voor wijn. Benne ze èrg menschlievend, dan geve ze je zelfs nog ’n pokkebriefie! Maar die cente die hou je, en om je eige ’s lekker te sarre loop je dan met jou bloederige voete die rijkste kasteele voorbij, tot de luize op je kop beginne te danse van afgunst en chegrijn ...„Maar ’k wou je wat vrage: Of je van dat leve van mijn geen toneelstuk voor de kemedie kon make?... Dan schrijf ik daar zèlfs ’t slotstuk wel an, van hoe ’k met mijn vernederde positie zàt in jou gemeubileerde kamer. Want datgeheim, dat weet jij nog niet, en dat vertel ’k je ... nooit, zoo oud as ’k wor ... Of mot ’k dan soms bij je weg gaan?”Hoofdstuk IX.Of ’t nu was in de hoop op een tooneelstuk van zijn levensavonturen, wellicht ook door de bevredigende kwaliteit van de varinas, die ’k voor ’m had laten halen, dan wel dat ’t fantaseerende vertellen hem een passie was geworden—hoe ’t zij, Racier vereerde mij na die zonderlinge introductie met een reeks bezoeken. En zooals de wijs van een draaiorgel, waar willekeurig de slinger afgenomen is, soms midden in een Satz redeloos inzet zoodra de orgelman maar weer aan ’t draaien slaat, zoo kon ook hij vaak een paar dagen na z’n laatste visite mijn kamer binnenstappen, afgetrokken groeten, neerzitten, en aanstonds de episode voortzetten, waarin hij den vorigen keer onverwachts gestoord was. Want—verklaarde hij vaak—hij leefde er nu weer zóó in, in die „gespeelde rollen,” zooals hij zijn leven zag, dat ze ’m dag en nacht bezig hielden en van jaren en jaren terug werd ’t hem weer alles even klaar. Je alles haarfijn te herinneren leerde je trouwens ’t best door dikwijls met „rechters van exstructie” om te gaan; dat waren gladde knapen, en je had er, die de grootste boeven stònden in geslepenheid.Maar affijn. We waren toen tertijd dan gebleven, dat die zéven prefesters in ’t Haagsche ziekenhuis hem, na de kwellingen, as ’t ware hadden gediplemeerd in de doofstommigheid—ja, ’tiswat, die hooge wetenschap!—en dat de edelachtbare burgervader van de koninklijke Residentie—dit zeggende salueerde hij aan z’n pet—hem een vrijpas had gegeven om heel Holland af te stroopen van cente of wat de mensche méér wouwen geven.„Nou is doofstomme koopman een rol waar iedereende duvel an gezien het, omdat je netuurlijk met je gezondheid spot ... waarachtig, ze hebbe d’r allegaar ’n hekel an ... en vooral toe we van De Haag na Alkmaar reze voor de kermis, want daar hadde de pokke ook geheerscht, mot je wete. We ware al gewaarschouwd in de trein, en toe vroeg ’k an me vrouw wat die mensche zeje, omdat ’t allegaar manne met baarde ware. Maar goed, wij namme ’n besluit en ginge!„In Alkmaar—dat zal je ook wel wete—mag je niet met negocie loope, as je geen permissie heb van de commissaris. En een jaar geleje nog had de politie een man, die diezelfde functie uitoefende as ik dee, leere prate, door ’m in de dwangboeie te kluistere. Toe ze ’m die andraaide riep ie: „O lieve God, ou!” en viel door de mande. Goed, dus die logementsvrouw zei al: nou, hèm zelle ze ook vast wel ’n spraaklessie geve, want dat is zeker geen zuivere koffie.—Ik keek me vrouw eris an, die zoo’n beetje kleurde, maar ik ging weer dwars deur dat vuur heen!„As je in Alkmaar bekend ben, dan weet je, dat je daar naast ’t logement zoo’n touwslagerij had, en die man was doofstom gebore. Die vent gaan ik eens een bezoek brenge op de vingers—óók gochem van mijn—om te vragen of ie me ’t pelisiebereau wou wijze. En al pratende met onze hande, loope we same langs de straat, zoodat die commissaris natuurlijk docht, ’t zal wel in orde weze. ’k Liet ’m vanzelfs ook ’t bewijs leze van de zeve perfesters, waarop hij over z’n portemenee ging en mijn f 2.50 ter hand stelde met ’n bewijsie, da’k vrij loope moch gedurende de kerremis, en in de poffertjeskrame en overal toegelate mos worre! Ja, dat grappie het me nog f 322 opgeleverd, want ik ventte met van die voordrachte van Tollens en Laurillard: ’t Kerkp’rtaal, deEchtscheiding, De Onnibus, en zoo, allemaal overgedrukt in Haarlem ... Veel beteekene dee dat niet, maar affijn, ’t volk houdt nou eenmaal van die flausies. En domenee Laurillard is nog een hooge bij de „Zedelijke verbetering van gevangene”, dus die wou ’k wel begunstige ook, want je kon nooit ’s wete ... Eén keer al, in groot Mokum, da ’k pas ontslage was en om werk of ’n paar cente voor de negotie kwam vrage, toe had die diender des geloofs mij alleres begiftigd met ’n ouwe hooge zije! Zukke weldoenders wil je dus in eere houwe, niewaar ... en op d’r beurt ’n voordeeltje gunne ...„Maar as doofstomme zijnde, mot je denke an alles. Soms gooide die mensche wel ’s geld uit de rame, en as ’k dat dan zag, raapte ik ’t wel op; maar viel ’t achter me rug, dan liet ik ’t legge ... Je ben ommers doof óók, moch’ je nooit vergete. Dikwijls genog, da ’k in die herberge kwam, en dat ze mijn riepe: hier, pst, heb je een kwartje.—Da’s hard, hoor, om je eige dan niet ommers te keere ... Maar toch ginge de zakies gesmeerd. Toe’ ze me pakte, had ik in die vier jare tijd nog effe f 3900 overgehouwe ... Affijn, da’s voorbij, en voor ’t vervolg verkeke óók ... Mot je hoore:”In Haarlem lagge we in de Schoolsteeg op logement: de Rookende Kluit ... ook zoo’n dievezooi! Beja, je kan overal geen gestoffeerde kamer betrekke ... en we betaalde er toch nog acht stuivers de nacht voor man, vrouw en vier kindere. Die ware toen één, twee, drie en vier jare oud, en ’t ware de appele van me ooge, want of je die kindere nou ziet of da’ je mijn ziet, is één en ’t zelfde gezicht.„Toe krijgt me vrouw daar op een kwaje nacht, dat ze te veel water met azijn het gedronke, een krampkeliek, en dat mensch gaat zóó allemachies te keer, dat niemandop logement kon slape. Ik staan dus op, klee me eige an, en gaan de straat op om een dokter te hale ...„Maar ’k kon nie prate!?... ja,’t is me wat! En dat om twee ure in die nacht!„Goed, ’k lees overal die bordjes, en eindelijk vind ik op de Gedempte Gracht een huis met een spreekbuis, waar ’k anbel, want daar woonde een medicijnarts. „Wie is daar?”—vrage ze door die buis. Maar ik kan ommers niet hoore of prate. Door dat anhoudende gebel gaat er bove een raam ope, en roept een man: „Vrind, wat mot u?” Maar ik kijk niet na bove. „Nou mot ik wete wat dat is”—zeit de dokter—„want die man ken wel doof weze.” Hij komt ongekleed beneje, zet die deur vierkant voor mijn ope, en om rede ’t licht brandde, schreef ik me boo’schap op ’t leitje. Daar wier die medicijn-arts netuurlijk zóó bedroefd van, dat ie tege ze vrouwtje zeit: „Mina, ’t is al goed; hij is niet alleen doof, maar hij is d’r stom bij .... En immédiatement gaan ’k séance tenante met ’m mee.„Ja, zoo’n rol mot je in al z’n zwaarte en z’n talente verstáán ... Maar tusschebeie spràk ik toch wel ... op die buitewege, as de zon zoo mooi scheen, dat elk vogeltje ging zinge zooas tie gebekt is; ja, dan kon ondergeteekende ’t ook niet langer verdouwe, en hield ik lange voordrachte in ma langue maternelle, want: vive la France, hoor! Poeh ... nou ...„Om kort te gaan, die dokter zeit tege mijn: man, man, ik benij jou zoo’n beeld-schoone, piep-jonge vrouw, en ’t zou wel zonde weze as daar mankemente an kwamme ... Dus, moedertje, ’k zal jou ies voorschrijve, maar as dat soms niet helpt, mot je subitement na ’t gasthuis.—Ik breng op een draffie dat recep’ na die aptheker in de Jansstraat, en daar ik zoo ongelukkig was, heeft ’tmedicijn mijn geen cent gekost ... Alweer ’n bewijs, dus, dat je as schurk zijnde wel goed geholpe wordt, maar as geen fasoendelijk mensch ... ja, die wereld is wat!„Toch holp ’t niet, en die andere ochtend wier mijn Carlientje na ’t ziekehuis overgebracht, en bleef ik met die vier schape van kindere alleenig over op logement.„Maar ’k mos ze achterlate. Anders had ’k ommers geen brood voor d’r lui, en in dat ziekehuis vroege ze ook drie kwartjes per dag en acht dage vooruit ... Dus ik trok er met me doofstommigheid op uit na Amsterdam ...„En toe is ’t gebeurd ... waardoor de ondergeteekende voor z’n levesdage in’t ongeluk is gestort, want om kort te gaan schrijft mijn vrouw toe’ an haar minnaar, die ze had buite mijn wete om: Charles is weg, en ik leg in ’t ziekehuis; kom mijn hale.—Dat was d’r tegenwoordige man; en die kwam uit de Haag, waar ie woonde. Nou, angezien die zuster van ’t gasthuis wel wist dat zij een man had, maar mijn nog nooit bij lijve gezien had, liet ze hem toe, en dacht dat die Judas de ware echtgenoot was van Carlina Fernanca!„Mot je doorgronde zoo’ndramma. En wacht nou effe, da’k eerst me gevoelens vermeestert ...”Racier kwam nu langzaam overeind in z’n lompen-plunje, en ging bij ’t raam staan; veegde tersluiks met den rug van z’n hand de tranen weg.„Groen is goed voor verdriet”—zei ie schor—„daarom kijk ’k nou maar effe na buiten op dat land ... Krijg ’k weer lucht van, in mijn volle gemoed ...”Dan, na een poosje, kwam ie traag in zijn stoel terug; en z’n rooien zakdoek uithalend, verklaarde hij: „die hou ’k maar zoolang in me hand, voor as de droefenis me soms weer overmant ... want wat er nou komt, zal jemet geen droge ooge an kenne hoore ... Dat die beeldschoone vrouw mijn met die sla’baas verleidt ...ruikik ... héél in Amsterdam ... Ja, want ’k wist van niks, hè? En toch wier ’k na Haarlem heengetrokke as door zeve paarde! Dus ik gaan, stort me hart eerst bij me kindere uit .. nou, die hadde ’t daar kollesaal!... Toe nam ik me kwartje in me hand, wat dat ziekebezoek kostte voor ’t onderhoud van dat gebouw—zoo arm as ’t was ... en daar laat die eerwaardige zuster uit d’r mond valle: „Eh, oudt die juffrouw Fernanca d’r dan twéé manne op na?” waarop ik van de schrik me leitje laat valle en riep: „O God, nou ben ’k reddeloos verlore!” Want ik voelde asdat ’t die weduwnaar was, die me toen destijds me vrouw het ontroofd.„Nou, toe was ’k verraje ook. Ik had gesproke met me lijfelijke stem bij mensche die de rechtvaardigheid handhave ... „Echtgenoote, die wij nie kenne, magge niet bij d’r vrouwe worde gelate”—zeit die juffrouw. En dalijk wier de pelisie gehaald, waarop ik vervoerd wier—in volle schande en onteering: te voet—na de Tuchthuisstraat.„De kogel was deur de kerk, en ’t kon me nie’ meer schele ook, want zoo’n leve zonder haar, al verdiende ik ook duzend gulde per dag, was voor ondergeteekendegeenleve!”Toen drukte Racier z’n mageren kop harstochtelijk in den rooden doek, en z’n verschooierde lijf schokte van ’t snikken.
Hoofdstuk V.Inmiddels was ’t schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen zwerver wenkend achter mij zag—de eerste schrik aanstonds oversloeg in een onbedwingbaren lach.Maar hij nam ’t me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit, de lange kerel in den zwier van z’n verschooierde plunje. De trouwe dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof ’t een koningsmantel was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van z’n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de fluweelen broek om z’n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje, dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z’n rossige puntbaard was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam, weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te hebben uitgezeten.„Nou”—zei ie wijsgeerig gelaten—„as je straks klaar ben met lache ... Zie je, jij meent ’t nie’ kwaad, en je ben geen verrajer ... As je ’n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament ook wel make ... Hoe gaat ’t overigens met de kunstschilder, me kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef, hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om ’t een of ’t andere, hoor, want leene doe ’k nooit van ’n ami-intime ... ’t Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel ’n goeie revolver, maar ons schorem geve ze ’nding dat niet afgaat ... As je mijn maar begrijpt ...”Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt „groosch”. Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die er nu uitzag, toch wel ’n èrg opzichtigen schooier voor een vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets dan stikke-koffie gedronken. „As je me hart door kon snije”—zei hij met bevende lippen—„zou je zien hoe edel ’t is. En ik zweer je, wáár ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco ... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za ’k je late leze”...Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde paperassen twee brievente voorschijn... „Mot je op je gemak bij gaan zitte, en je verstand bij gebruike.”Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:„Zwager Racier in de gevangenis te X.„Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben, en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten, naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden, voor en tegenspoed, elk op zijne weg.„Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ...”„Wat?”—viel ik uit—„ben je zoo ziek geweest, Racier?”Heel even kwam een rose blosje in z’n wangen op. Toen beheerschte hij zich weer, en zei: „Zoo sterk as ’n peerd, man!... Nou, hoe vin je die rol?”„Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?”„Natuurlijk wel, toe ’k me verveelde, en wel ’s graag een lettre intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ...”„... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ...”„Wàààt?... En je was zoo’n verstokt atheïst?”„Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb ik ’m er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar de natuur, die anbid ik, en as ’t dondert en bliksemt ga ik ’t liefst over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da ’k allemaal an me zwager had geschreve?”„... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met Godverzoend, ik hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de moordenaar aan ’t kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie.”Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen gleden langs zijn bleeke gezicht.„Is het toch niet diep treurig”—snikte hij ineens uit—„dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in ’t spinhuis lag te sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege voor God’stroon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef ’t hem ...!” Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak hij af: „Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie ’n steek valle, die verstokte atheïst ... Zie je, ’k vergeet telkens dat wij vrinde zijn, en da ’k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ...”Inderdaad, in een post-scriptum heette ’t onder meer:„Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn dat je bij den Heer zou zijn.”„Lees maar voort”—viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen uitleg te hoeven geven—„lees maar eerst voort, dien tweeden brief, en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?”—„Zwager Jors!„Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange, en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt,zooals ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt, wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen,want dan hebt ge geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert, want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes, die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven, daar het mij in ’t geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis, die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u, dan weet getoch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij weten dan meteen dat Jors nog leeft ja ofNeenen waar hij zich bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als ook van mijn„Uw zwagerCharles en Marie.”Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:„Zoo generaal, hoe gaat ’t met ’t leven?” had gisteren immers nog een van de grootste inbrekers ’m aangeklampt. „Zaggies an”—had ie geantwoord—„maar bang nog niet voor de duivel.”—„Mot je driemaal tikke”—had die ander gezeid. En zoo had ie ’m ’t adres opgegeven van de dievensociëteit. „Hoef jij niet te zoeke”—keek de vagebond mij aan met dédain—„want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch kan je d’r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal tikke. Vraagt zoo’n portier: „Kom jij pas uit de bajes, da’k jou nog nie kan?” Laat ik effedrieontslagbrieve zien. Drie trappe af, loopt ’t zoo deur onder de grond en van ’s avonds tot ’s morgens komt ’t volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope, as manne, die met de vijf ons kanne werke.„De waardin is ’n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an de hand. Die zegt tegen mijn: „Wat ben jij voor ’n vent?” „’n Middelburger”—antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen vraag ik: „Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?”—„’n Maffie. Maar mot jij niet ete?”—„Ete”—zeg ik—„da’s werk voor ’t groote kappitaal.”—„Nou maar”—zeit zij—„dat gáát hier zoo niet; d’r mag hier niemand zonder ete na bed!”—„En ’t lood dan?”—„Komt morge terecht; je durft toch ook wel ’n vinkie te lichte?”—Mot je zoo’nouwe gepensionneerdehebbe as ik.„Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z’n taal en z’n zede, dan ben je in zu’k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: „nou, mensch, da’s nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same”... Zegge zij: da’s een toffe sjlemiel ...„Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table d’hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m’n aard van huis uit as zijnde lechevalierde Racier zal da’lijk weer bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama, en ’t ouderlijk ’uis chez nous à Paris, da’k nog altijd die „hache” niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens, quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...„La’ me die bolleboffin nou nog ’n kom zweet commedeere, dan za ’k je dat allegaar haarfijn vertelle ...”
Hoofdstuk V.
Inmiddels was ’t schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen zwerver wenkend achter mij zag—de eerste schrik aanstonds oversloeg in een onbedwingbaren lach.Maar hij nam ’t me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit, de lange kerel in den zwier van z’n verschooierde plunje. De trouwe dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof ’t een koningsmantel was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van z’n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de fluweelen broek om z’n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje, dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z’n rossige puntbaard was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam, weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te hebben uitgezeten.„Nou”—zei ie wijsgeerig gelaten—„as je straks klaar ben met lache ... Zie je, jij meent ’t nie’ kwaad, en je ben geen verrajer ... As je ’n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament ook wel make ... Hoe gaat ’t overigens met de kunstschilder, me kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef, hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om ’t een of ’t andere, hoor, want leene doe ’k nooit van ’n ami-intime ... ’t Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel ’n goeie revolver, maar ons schorem geve ze ’nding dat niet afgaat ... As je mijn maar begrijpt ...”Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt „groosch”. Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die er nu uitzag, toch wel ’n èrg opzichtigen schooier voor een vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets dan stikke-koffie gedronken. „As je me hart door kon snije”—zei hij met bevende lippen—„zou je zien hoe edel ’t is. En ik zweer je, wáár ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco ... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za ’k je late leze”...Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde paperassen twee brievente voorschijn... „Mot je op je gemak bij gaan zitte, en je verstand bij gebruike.”Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:„Zwager Racier in de gevangenis te X.„Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben, en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten, naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden, voor en tegenspoed, elk op zijne weg.„Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ...”„Wat?”—viel ik uit—„ben je zoo ziek geweest, Racier?”Heel even kwam een rose blosje in z’n wangen op. Toen beheerschte hij zich weer, en zei: „Zoo sterk as ’n peerd, man!... Nou, hoe vin je die rol?”„Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?”„Natuurlijk wel, toe ’k me verveelde, en wel ’s graag een lettre intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ...”„... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ...”„Wàààt?... En je was zoo’n verstokt atheïst?”„Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb ik ’m er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar de natuur, die anbid ik, en as ’t dondert en bliksemt ga ik ’t liefst over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da ’k allemaal an me zwager had geschreve?”„... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met Godverzoend, ik hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de moordenaar aan ’t kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie.”Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen gleden langs zijn bleeke gezicht.„Is het toch niet diep treurig”—snikte hij ineens uit—„dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in ’t spinhuis lag te sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege voor God’stroon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef ’t hem ...!” Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak hij af: „Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie ’n steek valle, die verstokte atheïst ... Zie je, ’k vergeet telkens dat wij vrinde zijn, en da ’k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ...”Inderdaad, in een post-scriptum heette ’t onder meer:„Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn dat je bij den Heer zou zijn.”„Lees maar voort”—viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen uitleg te hoeven geven—„lees maar eerst voort, dien tweeden brief, en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?”—„Zwager Jors!„Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange, en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt,zooals ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt, wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen,want dan hebt ge geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert, want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes, die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven, daar het mij in ’t geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis, die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u, dan weet getoch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij weten dan meteen dat Jors nog leeft ja ofNeenen waar hij zich bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als ook van mijn„Uw zwagerCharles en Marie.”Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:„Zoo generaal, hoe gaat ’t met ’t leven?” had gisteren immers nog een van de grootste inbrekers ’m aangeklampt. „Zaggies an”—had ie geantwoord—„maar bang nog niet voor de duivel.”—„Mot je driemaal tikke”—had die ander gezeid. En zoo had ie ’m ’t adres opgegeven van de dievensociëteit. „Hoef jij niet te zoeke”—keek de vagebond mij aan met dédain—„want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch kan je d’r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal tikke. Vraagt zoo’n portier: „Kom jij pas uit de bajes, da’k jou nog nie kan?” Laat ik effedrieontslagbrieve zien. Drie trappe af, loopt ’t zoo deur onder de grond en van ’s avonds tot ’s morgens komt ’t volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope, as manne, die met de vijf ons kanne werke.„De waardin is ’n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an de hand. Die zegt tegen mijn: „Wat ben jij voor ’n vent?” „’n Middelburger”—antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen vraag ik: „Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?”—„’n Maffie. Maar mot jij niet ete?”—„Ete”—zeg ik—„da’s werk voor ’t groote kappitaal.”—„Nou maar”—zeit zij—„dat gáát hier zoo niet; d’r mag hier niemand zonder ete na bed!”—„En ’t lood dan?”—„Komt morge terecht; je durft toch ook wel ’n vinkie te lichte?”—Mot je zoo’nouwe gepensionneerdehebbe as ik.„Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z’n taal en z’n zede, dan ben je in zu’k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: „nou, mensch, da’s nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same”... Zegge zij: da’s een toffe sjlemiel ...„Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table d’hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m’n aard van huis uit as zijnde lechevalierde Racier zal da’lijk weer bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama, en ’t ouderlijk ’uis chez nous à Paris, da’k nog altijd die „hache” niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens, quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...„La’ me die bolleboffin nou nog ’n kom zweet commedeere, dan za ’k je dat allegaar haarfijn vertelle ...”
Inmiddels was ’t schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen zwerver wenkend achter mij zag—de eerste schrik aanstonds oversloeg in een onbedwingbaren lach.
Maar hij nam ’t me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit, de lange kerel in den zwier van z’n verschooierde plunje. De trouwe dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof ’t een koningsmantel was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van z’n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de fluweelen broek om z’n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje, dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z’n rossige puntbaard was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam, weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te hebben uitgezeten.
„Nou”—zei ie wijsgeerig gelaten—„as je straks klaar ben met lache ... Zie je, jij meent ’t nie’ kwaad, en je ben geen verrajer ... As je ’n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament ook wel make ... Hoe gaat ’t overigens met de kunstschilder, me kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef, hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om ’t een of ’t andere, hoor, want leene doe ’k nooit van ’n ami-intime ... ’t Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel ’n goeie revolver, maar ons schorem geve ze ’nding dat niet afgaat ... As je mijn maar begrijpt ...”
Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt „groosch”. Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die er nu uitzag, toch wel ’n èrg opzichtigen schooier voor een vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.
Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets dan stikke-koffie gedronken. „As je me hart door kon snije”—zei hij met bevende lippen—„zou je zien hoe edel ’t is. En ik zweer je, wáár ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco ... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za ’k je late leze”...
Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde paperassen twee brievente voorschijn... „Mot je op je gemak bij gaan zitte, en je verstand bij gebruike.”
Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:
„Zwager Racier in de gevangenis te X.„Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben, en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten, naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden, voor en tegenspoed, elk op zijne weg.„Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ...”
„Zwager Racier in de gevangenis te X.
„Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben, en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten, naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden, voor en tegenspoed, elk op zijne weg.
„Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ...”
„Wat?”—viel ik uit—„ben je zoo ziek geweest, Racier?”
Heel even kwam een rose blosje in z’n wangen op. Toen beheerschte hij zich weer, en zei: „Zoo sterk as ’n peerd, man!... Nou, hoe vin je die rol?”
„Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?”
„Natuurlijk wel, toe ’k me verveelde, en wel ’s graag een lettre intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ...”
„... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ...”
„... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ...”
„Wàààt?... En je was zoo’n verstokt atheïst?”
„Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb ik ’m er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar de natuur, die anbid ik, en as ’t dondert en bliksemt ga ik ’t liefst over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da ’k allemaal an me zwager had geschreve?”
„... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met Godverzoend, ik hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de moordenaar aan ’t kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie.”
„... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met Godverzoend, ik hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de moordenaar aan ’t kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie.”
Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen gleden langs zijn bleeke gezicht.
„Is het toch niet diep treurig”—snikte hij ineens uit—„dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in ’t spinhuis lag te sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege voor God’stroon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef ’t hem ...!” Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak hij af: „Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie ’n steek valle, die verstokte atheïst ... Zie je, ’k vergeet telkens dat wij vrinde zijn, en da ’k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ...”
Inderdaad, in een post-scriptum heette ’t onder meer:
„Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn dat je bij den Heer zou zijn.”
„Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn dat je bij den Heer zou zijn.”
„Lees maar voort”—viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen uitleg te hoeven geven—„lees maar eerst voort, dien tweeden brief, en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?”—
„Zwager Jors!„Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange, en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt,zooals ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt, wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen,want dan hebt ge geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert, want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes, die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven, daar het mij in ’t geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis, die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u, dan weet getoch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij weten dan meteen dat Jors nog leeft ja ofNeenen waar hij zich bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als ook van mijn„Uw zwagerCharles en Marie.”
„Zwager Jors!
„Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange, en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt,zooals ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt, wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen,want dan hebt ge geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert, want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes, die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven, daar het mij in ’t geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis, die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u, dan weet getoch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij weten dan meteen dat Jors nog leeft ja ofNeenen waar hij zich bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als ook van mijn
„Uw zwagerCharles en Marie.”
Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:
„Zoo generaal, hoe gaat ’t met ’t leven?” had gisteren immers nog een van de grootste inbrekers ’m aangeklampt. „Zaggies an”—had ie geantwoord—„maar bang nog niet voor de duivel.”—„Mot je driemaal tikke”—had die ander gezeid. En zoo had ie ’m ’t adres opgegeven van de dievensociëteit. „Hoef jij niet te zoeke”—keek de vagebond mij aan met dédain—„want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch kan je d’r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal tikke. Vraagt zoo’n portier: „Kom jij pas uit de bajes, da’k jou nog nie kan?” Laat ik effedrieontslagbrieve zien. Drie trappe af, loopt ’t zoo deur onder de grond en van ’s avonds tot ’s morgens komt ’t volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope, as manne, die met de vijf ons kanne werke.
„De waardin is ’n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an de hand. Die zegt tegen mijn: „Wat ben jij voor ’n vent?” „’n Middelburger”—antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen vraag ik: „Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?”—„’n Maffie. Maar mot jij niet ete?”—„Ete”—zeg ik—„da’s werk voor ’t groote kappitaal.”—„Nou maar”—zeit zij—„dat gáát hier zoo niet; d’r mag hier niemand zonder ete na bed!”—„En ’t lood dan?”—„Komt morge terecht; je durft toch ook wel ’n vinkie te lichte?”—Mot je zoo’nouwe gepensionneerdehebbe as ik.
„Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z’n taal en z’n zede, dan ben je in zu’k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: „nou, mensch, da’s nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same”... Zegge zij: da’s een toffe sjlemiel ...
„Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table d’hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m’n aard van huis uit as zijnde lechevalierde Racier zal da’lijk weer bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama, en ’t ouderlijk ’uis chez nous à Paris, da’k nog altijd die „hache” niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens, quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...
„La’ me die bolleboffin nou nog ’n kom zweet commedeere, dan za ’k je dat allegaar haarfijn vertelle ...”
Hoofdstuk VI.En de vagebond vertelde met die schor-verschooiërde stem:„Het huis an de Boulevard des Italiens numéro quat’ vingt dix, waar papa en mama woonde met mijn, had natuurlijk zeve verdiepinge. Rez-de-chaussée woonde een coiffeur pour dames ... de premier ordre; op de tweede étage le président général van de Banque ... eh ... de l’Europe, en op de derde woonde papa. Je begrijpt, zoo’n huis van zeve verdiepinge, heelemaal van ’t duurste blauwe hardsteen gebouwd, met ... marmel ingeleid èn graniet, en alles ... satijnhout van binne, dat was papa en mama te hol om alleenig in te wone, en dus voor de gezelligheid nam ze daar die andere amis bij in: le coiffeur-en-chef, le président supérieur, en al die verdere vrinden van de hoogste aristocratie van papa ... Zoo wàs mon père noble!„Ik ga tòch nog ’s kijke in Parijs of dat ouderhuis er nog staat, waar mijn dierbaarste kinderjare in zijn verslete ... Maar dan gaan ik vermomd, want as ik er kom, word ik opgepakt, en daar ben ik te dom voor. Zoodra ik om reisgeld telegrafeer, heb ik ’t netuurlijk meteen. Na’ Londòn óók, maar dan neem ’k me route over Harlinge met de koeieboot, om op ’t vee te passe, want dan bè je voor ... vijf en twintig stuivers over ...”„En hoe vermom je je dan, Racier?”—kwam ik ’m in ’t gevlei.„Wel, dan gaan ik eerst na onze residentieplaas, het vorstelijk ’s Gravenhage—daar haal ik altijd mijn geest vandaan—en kijk precies na ’t model van die generaals, die je daar uitgemonsterd ziet rondloope. Zoo heb ik daar direct de maat van, en koop me een dolman,rijbroek èn twee pantalons, beneves de kaplaarze. Om geen argwaan te koestere, doen ik die inkoope te ... Leischendam. Maar de garniture en goude kraag met passende vangsnoere koop ik in de Haag, alsmede de roode bieze voor in de pantalon. Natuurlijk gaan ’k in een ander magasin royal voor die pet met breede goude rand en een hoed met pluim voor grand tenu. Met de ridderordes en Kraton-medaille, expeditiekruize met twéé gepse, zal ik netuurlijk veel moeite hebbe, maar daar word ik an geholpe door tusschekomst van een vierde persoon te ... Rotterdam.”„Natuurlijk!—Maar vertel nu eens eerst verder van je kinderjaren in ’t ouderlijk huis ...”„Dat was netuurlijk allemaal speciaal eerste klas gemeubileerd ... alles rood fluweel ... couleur de rose, met een vleugelpiano, want papa was de grooste liefhebber van de muziek, ameublement d’acajou, gróóte canapé en de duurste schilderije van De Ruyter ...”„De Ruyter?”„Ja, waar verleê jaar immers nog al die feeste voor benne gevierd, toen ik in de lik zat;—daar had papa ... laa’s zien, drie in ’t salon, en drie in de huiskamer, en twee in de spreekkamer, en in de slaapkamers, de rookkamers, de salle à manger ...”„De badkamer?”„Zjuust, en, om kort te gaan, in alle compartimente had papa natuurlijk die schilderije late ophange van ... hoe heet die knul nou ook weer dat ze zonge? ’k Kon er die nachte in me cel nie eens van slape ... De Ruyter, De Ruyter-kilekile?—Lammeling, om ’n arme gevangene nog wakker te houwe ...”„Racier—nou ben je toch leelijk aan ’t warren. Bedoel je misschien ... Rembrandt?”„Kilekile!! ’t Was om stapelgek van te worde,”—vloog ie rood-aangeschoten op—„want ’k sliep tòch zoo beroerd, en net effe was je dan ingedommeld, of je schrok al weer wakker van dat getreiter ... En dan netuurlijk aldoor droome van pa’s schilderije, waar die De Ruy ..., Rembrandt-kile, wil ’k zegge, de schoonste vrouwe op had uitgeschilderd. Want die Vrouwe ben natuurlijk de hoogste natuur; voor mijn ook ... Heb ik van kind af respect voor gehad. Net as papa. Die hieuw kolossaal van mama ...„Mama was vanzelfs een ... Spaansche, beeldschoon, en in ’t hôtel de Belvédère, waar zij rees met haar familie en dat bediende-personeel, had papa haar gezien. Sting immédiatement in vuur en vlam, en twee jaar daarna heeft ie ma geschaakt ... uit Madrid. Zij was ommers Roomsch, en hij van ’t protestansche gloof. Maar behalve de Heilige Maagd, ging dat best same. En wij, me broer en me zuster en ik, wiere geloovig opgevoed, van bidde voor en na ’t ete, met ’t Onze Vader, en as we na bed ginge, wij kinderen, altijd ’n Wees gegroetje op z’n Fransch.„Maar op school, in me kinderjare, was ik ’n ondeugende bliksem, ’k Voerde bar veel kattekwaad uit, en as ’k een dooie hond ving, bond ik ’m subbiet ’n touwtje om z’n nek en hing ’m an de bel bij de meester.„Daarom most ik van school. En toe’ zei papa: „die jonge van mijn zal ’k late studeere”, wat ik ook deed tot me achttiende jaar in de rechte ... van ’t Chineesche rijk! Maar daardoor wier ik natuurlijk niet langer kerksch.—Nee, da’ begrijp je, want die boeke brachte mijn op een dwaalspoor. Toch heb ik mij nooit afgegeve met vreemde meisies, of ook soms Koning Alcohol gediend. Want ’s avonds zat ik altijd in de Opera, voor huit sous,omda’ ’k zoo’n gróót demecraat was, en as ’k thuis kwam om 12 uur lagge papa en mama al ter ruste, zoodat mijn geachte ouders hiervan nooit niks hadden bespeurd.„Toch had ik daar netuurlijk in die Chineesche rechte verders geen zin, door de zwendelderij die ik in de wereld had ontmoet, en ben ’k heengegaan uit de academie na ’t kantoor van ... Rothschild.„Toe kwam ommers die Fransch-Duitsche oorlog. Nou, papa die kapitein van de garde nationale de Paris was, trok meteen z’n pakkie as kaptein uit en bedankte, want die zag ook de zwendelderij en wou z’n eige niet late omkoope as moordenaar, hoe ’n erge tegenstander ie ook was van Duitschland. Maar edel boven al.„Daarom hebbe papa en ik same natuurlijk Napoléon op de vlucht gejaagd, en daar heb ik nooit spijt van gehad ... Nee, waarachtig niet! Zoo’n doerak.„Voor die grappemakerij van de Commune vergaderde wijlie as samenzweerder op allerlei plaasse van de Rue St. Honoré, Rue Valmi, Rue St. Laurent, en bij papa. ’t Ware 82 mannen en 14 vrouwen. En die de lont angestoke heeft bij de Tour Vendôme, was een zekere Sandant, later gewichtewerker, same met zijn ami intime Rollin, „Hercule du monde”. Teminste: dat leert de geschiedenis zoo, maar die wete natuurlijk niet dat ik die Rollin was, hercule du monde,—zal je later beter verstaan.„’t Gebeurde, zooals je weet oppe ... 13 September ’68! Toen kwame wij tussche tiene en elve op de Place de la Bastille same; ik stong naast pa en tusschen 1 en 2 hebbe ze ’m de lucht in geblaze ... Jò, wat ’n knal. Da’ was vuurwerk! En ’k wou dat alle millionnairs met die rot-automobiele van de wereld d’r in hadde gezete. Want daar heb ’k toch zóó ’t smoor an, dat ’k er nietvan ken slape!... En ’k hing! Om kort te gaan, nou most ik op de vlucht. Weg van mijn dierbare ouders en uit mijn geliefde vaderstad Parijs, want ’t uur der wrake was geslage. Waar papa toe’ gevloge is, heb ik nooit an de weet kenne komme, maar mama met me zuster Elizabeth zijn alleen thuis gebleve.„Wij gingen te voet over St. Denis na Brussel. Sandant as gewichtewerker, waar ie an de honderdponders voor was geholpe, maar in andere kleere die zijn vrouw hem immédiatement had meegegeve, en ikke als Rollin, hercule du monde. De eerste nacht sliepe we al bij een boer, diep in ’t veld, onder de bloote hemel; daar stuurde ma mijn die passende vrouwekleere na, met de boôschap, da ’k nou ook me baard af most schere. Toe was ik 22 jare oud en had 50 frank op zak. We reze ook nog in de trein, maar te voet ginge we over de Belgische grenze, anders ware we natuurlijk gesignaleerd.„Mot je goed verstaan. Me hart trok na Holland, na Sluis as je weet, om rede ik daar in ’t jaar 1877 was gebore, toen me ouwelui een rondreis maakte na Oostende, en mama in Sluis de kraam van mijn uit ging legge. Maar daarna namme ze mijn netuurlijk as echtelijk kind zijnde,—bébé juridique—mee na Parijs.„Van daar dat ’t bloed weer na Zeeland trok, en ik netuurlijk die Hollansche taal ook met de moedermelk had ingezoge. Ik liep dus van Antwerpe over Oude God na Breda.Toe sprak ik nog.Maar in Dordt ware me cente op, ennog altijd ter spraak, heb ik voor ’t eerst van me leve op koste van de politie geslape in ’t Logement de Drie Krone in de Wijnstraat. Die commissaris had dus medelije met mijn, en gaf me een kaartje voor de boot na Middelburg. Op die overtocht dacht ik: „as ik me stom houw, zal ik willicht de liefdadigheid opwekkevan de mensche.” Dus ik bestudeer die eerste rol, en in de Winterstraat op ’t hoekie van ’t Waaigat in dat logement van Tazelaar, voorheen Van Zwijneren, hieuw ondergeteekende zich of hijnietkon spreke. Toe zeit die vrouw: „Je mot mejelij hebbe met zoo’n man, want hij kan spreke nòch verstaan. Leg die man bove as alle mensche in bed legge, in die krip onder ’t raam.”Dat gebeurt. Maar in die linksche be’stee sliep me aanstaande vrou, Carline Borin. Daar krijg ik kennis an, hoewel ik geen geluid gaf. „Wat zal God nou geve?”—zeit zij nog. Maar ’t was vlak bove de be’stee van vrouw Tazelaar. Die hoort dat, en zeit midde in de nacht tege mijn: „nou mot je eruit.” Ik klee me an, en schrijf op me leitje: „Waar zij gaat, gaan ik mee.” „Pas op”—zeit vrouw Tazelaar—„want die meid denkt zeker dat jij geld heb.” „Nee”—zeit Carline—„ik zal zoolang jij stom en doof blijft die kost voor jou verdiene, want je ben een knap manspersoon ... al most ik ook an de huize anbelle ...”„Nou, ’k ben vier jaar met Carline geweest, want ze was ’n beeldschoone vrouw, maar dat mensch het nooit me stem gehoord. As doofstomme trok ik met haar langs de weg om eerlijk ons brood te verdiene: marchant ambulant ... Ze heeft me vier zone geschonke!”
Hoofdstuk VI.
En de vagebond vertelde met die schor-verschooiërde stem:„Het huis an de Boulevard des Italiens numéro quat’ vingt dix, waar papa en mama woonde met mijn, had natuurlijk zeve verdiepinge. Rez-de-chaussée woonde een coiffeur pour dames ... de premier ordre; op de tweede étage le président général van de Banque ... eh ... de l’Europe, en op de derde woonde papa. Je begrijpt, zoo’n huis van zeve verdiepinge, heelemaal van ’t duurste blauwe hardsteen gebouwd, met ... marmel ingeleid èn graniet, en alles ... satijnhout van binne, dat was papa en mama te hol om alleenig in te wone, en dus voor de gezelligheid nam ze daar die andere amis bij in: le coiffeur-en-chef, le président supérieur, en al die verdere vrinden van de hoogste aristocratie van papa ... Zoo wàs mon père noble!„Ik ga tòch nog ’s kijke in Parijs of dat ouderhuis er nog staat, waar mijn dierbaarste kinderjare in zijn verslete ... Maar dan gaan ik vermomd, want as ik er kom, word ik opgepakt, en daar ben ik te dom voor. Zoodra ik om reisgeld telegrafeer, heb ik ’t netuurlijk meteen. Na’ Londòn óók, maar dan neem ’k me route over Harlinge met de koeieboot, om op ’t vee te passe, want dan bè je voor ... vijf en twintig stuivers over ...”„En hoe vermom je je dan, Racier?”—kwam ik ’m in ’t gevlei.„Wel, dan gaan ik eerst na onze residentieplaas, het vorstelijk ’s Gravenhage—daar haal ik altijd mijn geest vandaan—en kijk precies na ’t model van die generaals, die je daar uitgemonsterd ziet rondloope. Zoo heb ik daar direct de maat van, en koop me een dolman,rijbroek èn twee pantalons, beneves de kaplaarze. Om geen argwaan te koestere, doen ik die inkoope te ... Leischendam. Maar de garniture en goude kraag met passende vangsnoere koop ik in de Haag, alsmede de roode bieze voor in de pantalon. Natuurlijk gaan ’k in een ander magasin royal voor die pet met breede goude rand en een hoed met pluim voor grand tenu. Met de ridderordes en Kraton-medaille, expeditiekruize met twéé gepse, zal ik netuurlijk veel moeite hebbe, maar daar word ik an geholpe door tusschekomst van een vierde persoon te ... Rotterdam.”„Natuurlijk!—Maar vertel nu eens eerst verder van je kinderjaren in ’t ouderlijk huis ...”„Dat was netuurlijk allemaal speciaal eerste klas gemeubileerd ... alles rood fluweel ... couleur de rose, met een vleugelpiano, want papa was de grooste liefhebber van de muziek, ameublement d’acajou, gróóte canapé en de duurste schilderije van De Ruyter ...”„De Ruyter?”„Ja, waar verleê jaar immers nog al die feeste voor benne gevierd, toen ik in de lik zat;—daar had papa ... laa’s zien, drie in ’t salon, en drie in de huiskamer, en twee in de spreekkamer, en in de slaapkamers, de rookkamers, de salle à manger ...”„De badkamer?”„Zjuust, en, om kort te gaan, in alle compartimente had papa natuurlijk die schilderije late ophange van ... hoe heet die knul nou ook weer dat ze zonge? ’k Kon er die nachte in me cel nie eens van slape ... De Ruyter, De Ruyter-kilekile?—Lammeling, om ’n arme gevangene nog wakker te houwe ...”„Racier—nou ben je toch leelijk aan ’t warren. Bedoel je misschien ... Rembrandt?”„Kilekile!! ’t Was om stapelgek van te worde,”—vloog ie rood-aangeschoten op—„want ’k sliep tòch zoo beroerd, en net effe was je dan ingedommeld, of je schrok al weer wakker van dat getreiter ... En dan netuurlijk aldoor droome van pa’s schilderije, waar die De Ruy ..., Rembrandt-kile, wil ’k zegge, de schoonste vrouwe op had uitgeschilderd. Want die Vrouwe ben natuurlijk de hoogste natuur; voor mijn ook ... Heb ik van kind af respect voor gehad. Net as papa. Die hieuw kolossaal van mama ...„Mama was vanzelfs een ... Spaansche, beeldschoon, en in ’t hôtel de Belvédère, waar zij rees met haar familie en dat bediende-personeel, had papa haar gezien. Sting immédiatement in vuur en vlam, en twee jaar daarna heeft ie ma geschaakt ... uit Madrid. Zij was ommers Roomsch, en hij van ’t protestansche gloof. Maar behalve de Heilige Maagd, ging dat best same. En wij, me broer en me zuster en ik, wiere geloovig opgevoed, van bidde voor en na ’t ete, met ’t Onze Vader, en as we na bed ginge, wij kinderen, altijd ’n Wees gegroetje op z’n Fransch.„Maar op school, in me kinderjare, was ik ’n ondeugende bliksem, ’k Voerde bar veel kattekwaad uit, en as ’k een dooie hond ving, bond ik ’m subbiet ’n touwtje om z’n nek en hing ’m an de bel bij de meester.„Daarom most ik van school. En toe’ zei papa: „die jonge van mijn zal ’k late studeere”, wat ik ook deed tot me achttiende jaar in de rechte ... van ’t Chineesche rijk! Maar daardoor wier ik natuurlijk niet langer kerksch.—Nee, da’ begrijp je, want die boeke brachte mijn op een dwaalspoor. Toch heb ik mij nooit afgegeve met vreemde meisies, of ook soms Koning Alcohol gediend. Want ’s avonds zat ik altijd in de Opera, voor huit sous,omda’ ’k zoo’n gróót demecraat was, en as ’k thuis kwam om 12 uur lagge papa en mama al ter ruste, zoodat mijn geachte ouders hiervan nooit niks hadden bespeurd.„Toch had ik daar netuurlijk in die Chineesche rechte verders geen zin, door de zwendelderij die ik in de wereld had ontmoet, en ben ’k heengegaan uit de academie na ’t kantoor van ... Rothschild.„Toe kwam ommers die Fransch-Duitsche oorlog. Nou, papa die kapitein van de garde nationale de Paris was, trok meteen z’n pakkie as kaptein uit en bedankte, want die zag ook de zwendelderij en wou z’n eige niet late omkoope as moordenaar, hoe ’n erge tegenstander ie ook was van Duitschland. Maar edel boven al.„Daarom hebbe papa en ik same natuurlijk Napoléon op de vlucht gejaagd, en daar heb ik nooit spijt van gehad ... Nee, waarachtig niet! Zoo’n doerak.„Voor die grappemakerij van de Commune vergaderde wijlie as samenzweerder op allerlei plaasse van de Rue St. Honoré, Rue Valmi, Rue St. Laurent, en bij papa. ’t Ware 82 mannen en 14 vrouwen. En die de lont angestoke heeft bij de Tour Vendôme, was een zekere Sandant, later gewichtewerker, same met zijn ami intime Rollin, „Hercule du monde”. Teminste: dat leert de geschiedenis zoo, maar die wete natuurlijk niet dat ik die Rollin was, hercule du monde,—zal je later beter verstaan.„’t Gebeurde, zooals je weet oppe ... 13 September ’68! Toen kwame wij tussche tiene en elve op de Place de la Bastille same; ik stong naast pa en tusschen 1 en 2 hebbe ze ’m de lucht in geblaze ... Jò, wat ’n knal. Da’ was vuurwerk! En ’k wou dat alle millionnairs met die rot-automobiele van de wereld d’r in hadde gezete. Want daar heb ’k toch zóó ’t smoor an, dat ’k er nietvan ken slape!... En ’k hing! Om kort te gaan, nou most ik op de vlucht. Weg van mijn dierbare ouders en uit mijn geliefde vaderstad Parijs, want ’t uur der wrake was geslage. Waar papa toe’ gevloge is, heb ik nooit an de weet kenne komme, maar mama met me zuster Elizabeth zijn alleen thuis gebleve.„Wij gingen te voet over St. Denis na Brussel. Sandant as gewichtewerker, waar ie an de honderdponders voor was geholpe, maar in andere kleere die zijn vrouw hem immédiatement had meegegeve, en ikke als Rollin, hercule du monde. De eerste nacht sliepe we al bij een boer, diep in ’t veld, onder de bloote hemel; daar stuurde ma mijn die passende vrouwekleere na, met de boôschap, da ’k nou ook me baard af most schere. Toe was ik 22 jare oud en had 50 frank op zak. We reze ook nog in de trein, maar te voet ginge we over de Belgische grenze, anders ware we natuurlijk gesignaleerd.„Mot je goed verstaan. Me hart trok na Holland, na Sluis as je weet, om rede ik daar in ’t jaar 1877 was gebore, toen me ouwelui een rondreis maakte na Oostende, en mama in Sluis de kraam van mijn uit ging legge. Maar daarna namme ze mijn netuurlijk as echtelijk kind zijnde,—bébé juridique—mee na Parijs.„Van daar dat ’t bloed weer na Zeeland trok, en ik netuurlijk die Hollansche taal ook met de moedermelk had ingezoge. Ik liep dus van Antwerpe over Oude God na Breda.Toe sprak ik nog.Maar in Dordt ware me cente op, ennog altijd ter spraak, heb ik voor ’t eerst van me leve op koste van de politie geslape in ’t Logement de Drie Krone in de Wijnstraat. Die commissaris had dus medelije met mijn, en gaf me een kaartje voor de boot na Middelburg. Op die overtocht dacht ik: „as ik me stom houw, zal ik willicht de liefdadigheid opwekkevan de mensche.” Dus ik bestudeer die eerste rol, en in de Winterstraat op ’t hoekie van ’t Waaigat in dat logement van Tazelaar, voorheen Van Zwijneren, hieuw ondergeteekende zich of hijnietkon spreke. Toe zeit die vrouw: „Je mot mejelij hebbe met zoo’n man, want hij kan spreke nòch verstaan. Leg die man bove as alle mensche in bed legge, in die krip onder ’t raam.”Dat gebeurt. Maar in die linksche be’stee sliep me aanstaande vrou, Carline Borin. Daar krijg ik kennis an, hoewel ik geen geluid gaf. „Wat zal God nou geve?”—zeit zij nog. Maar ’t was vlak bove de be’stee van vrouw Tazelaar. Die hoort dat, en zeit midde in de nacht tege mijn: „nou mot je eruit.” Ik klee me an, en schrijf op me leitje: „Waar zij gaat, gaan ik mee.” „Pas op”—zeit vrouw Tazelaar—„want die meid denkt zeker dat jij geld heb.” „Nee”—zeit Carline—„ik zal zoolang jij stom en doof blijft die kost voor jou verdiene, want je ben een knap manspersoon ... al most ik ook an de huize anbelle ...”„Nou, ’k ben vier jaar met Carline geweest, want ze was ’n beeldschoone vrouw, maar dat mensch het nooit me stem gehoord. As doofstomme trok ik met haar langs de weg om eerlijk ons brood te verdiene: marchant ambulant ... Ze heeft me vier zone geschonke!”
En de vagebond vertelde met die schor-verschooiërde stem:
„Het huis an de Boulevard des Italiens numéro quat’ vingt dix, waar papa en mama woonde met mijn, had natuurlijk zeve verdiepinge. Rez-de-chaussée woonde een coiffeur pour dames ... de premier ordre; op de tweede étage le président général van de Banque ... eh ... de l’Europe, en op de derde woonde papa. Je begrijpt, zoo’n huis van zeve verdiepinge, heelemaal van ’t duurste blauwe hardsteen gebouwd, met ... marmel ingeleid èn graniet, en alles ... satijnhout van binne, dat was papa en mama te hol om alleenig in te wone, en dus voor de gezelligheid nam ze daar die andere amis bij in: le coiffeur-en-chef, le président supérieur, en al die verdere vrinden van de hoogste aristocratie van papa ... Zoo wàs mon père noble!
„Ik ga tòch nog ’s kijke in Parijs of dat ouderhuis er nog staat, waar mijn dierbaarste kinderjare in zijn verslete ... Maar dan gaan ik vermomd, want as ik er kom, word ik opgepakt, en daar ben ik te dom voor. Zoodra ik om reisgeld telegrafeer, heb ik ’t netuurlijk meteen. Na’ Londòn óók, maar dan neem ’k me route over Harlinge met de koeieboot, om op ’t vee te passe, want dan bè je voor ... vijf en twintig stuivers over ...”
„En hoe vermom je je dan, Racier?”—kwam ik ’m in ’t gevlei.
„Wel, dan gaan ik eerst na onze residentieplaas, het vorstelijk ’s Gravenhage—daar haal ik altijd mijn geest vandaan—en kijk precies na ’t model van die generaals, die je daar uitgemonsterd ziet rondloope. Zoo heb ik daar direct de maat van, en koop me een dolman,rijbroek èn twee pantalons, beneves de kaplaarze. Om geen argwaan te koestere, doen ik die inkoope te ... Leischendam. Maar de garniture en goude kraag met passende vangsnoere koop ik in de Haag, alsmede de roode bieze voor in de pantalon. Natuurlijk gaan ’k in een ander magasin royal voor die pet met breede goude rand en een hoed met pluim voor grand tenu. Met de ridderordes en Kraton-medaille, expeditiekruize met twéé gepse, zal ik netuurlijk veel moeite hebbe, maar daar word ik an geholpe door tusschekomst van een vierde persoon te ... Rotterdam.”
„Natuurlijk!—Maar vertel nu eens eerst verder van je kinderjaren in ’t ouderlijk huis ...”
„Dat was netuurlijk allemaal speciaal eerste klas gemeubileerd ... alles rood fluweel ... couleur de rose, met een vleugelpiano, want papa was de grooste liefhebber van de muziek, ameublement d’acajou, gróóte canapé en de duurste schilderije van De Ruyter ...”
„De Ruyter?”
„Ja, waar verleê jaar immers nog al die feeste voor benne gevierd, toen ik in de lik zat;—daar had papa ... laa’s zien, drie in ’t salon, en drie in de huiskamer, en twee in de spreekkamer, en in de slaapkamers, de rookkamers, de salle à manger ...”
„De badkamer?”
„Zjuust, en, om kort te gaan, in alle compartimente had papa natuurlijk die schilderije late ophange van ... hoe heet die knul nou ook weer dat ze zonge? ’k Kon er die nachte in me cel nie eens van slape ... De Ruyter, De Ruyter-kilekile?—Lammeling, om ’n arme gevangene nog wakker te houwe ...”
„Racier—nou ben je toch leelijk aan ’t warren. Bedoel je misschien ... Rembrandt?”
„Kilekile!! ’t Was om stapelgek van te worde,”—vloog ie rood-aangeschoten op—„want ’k sliep tòch zoo beroerd, en net effe was je dan ingedommeld, of je schrok al weer wakker van dat getreiter ... En dan netuurlijk aldoor droome van pa’s schilderije, waar die De Ruy ..., Rembrandt-kile, wil ’k zegge, de schoonste vrouwe op had uitgeschilderd. Want die Vrouwe ben natuurlijk de hoogste natuur; voor mijn ook ... Heb ik van kind af respect voor gehad. Net as papa. Die hieuw kolossaal van mama ...
„Mama was vanzelfs een ... Spaansche, beeldschoon, en in ’t hôtel de Belvédère, waar zij rees met haar familie en dat bediende-personeel, had papa haar gezien. Sting immédiatement in vuur en vlam, en twee jaar daarna heeft ie ma geschaakt ... uit Madrid. Zij was ommers Roomsch, en hij van ’t protestansche gloof. Maar behalve de Heilige Maagd, ging dat best same. En wij, me broer en me zuster en ik, wiere geloovig opgevoed, van bidde voor en na ’t ete, met ’t Onze Vader, en as we na bed ginge, wij kinderen, altijd ’n Wees gegroetje op z’n Fransch.
„Maar op school, in me kinderjare, was ik ’n ondeugende bliksem, ’k Voerde bar veel kattekwaad uit, en as ’k een dooie hond ving, bond ik ’m subbiet ’n touwtje om z’n nek en hing ’m an de bel bij de meester.
„Daarom most ik van school. En toe’ zei papa: „die jonge van mijn zal ’k late studeere”, wat ik ook deed tot me achttiende jaar in de rechte ... van ’t Chineesche rijk! Maar daardoor wier ik natuurlijk niet langer kerksch.—Nee, da’ begrijp je, want die boeke brachte mijn op een dwaalspoor. Toch heb ik mij nooit afgegeve met vreemde meisies, of ook soms Koning Alcohol gediend. Want ’s avonds zat ik altijd in de Opera, voor huit sous,omda’ ’k zoo’n gróót demecraat was, en as ’k thuis kwam om 12 uur lagge papa en mama al ter ruste, zoodat mijn geachte ouders hiervan nooit niks hadden bespeurd.
„Toch had ik daar netuurlijk in die Chineesche rechte verders geen zin, door de zwendelderij die ik in de wereld had ontmoet, en ben ’k heengegaan uit de academie na ’t kantoor van ... Rothschild.
„Toe kwam ommers die Fransch-Duitsche oorlog. Nou, papa die kapitein van de garde nationale de Paris was, trok meteen z’n pakkie as kaptein uit en bedankte, want die zag ook de zwendelderij en wou z’n eige niet late omkoope as moordenaar, hoe ’n erge tegenstander ie ook was van Duitschland. Maar edel boven al.
„Daarom hebbe papa en ik same natuurlijk Napoléon op de vlucht gejaagd, en daar heb ik nooit spijt van gehad ... Nee, waarachtig niet! Zoo’n doerak.
„Voor die grappemakerij van de Commune vergaderde wijlie as samenzweerder op allerlei plaasse van de Rue St. Honoré, Rue Valmi, Rue St. Laurent, en bij papa. ’t Ware 82 mannen en 14 vrouwen. En die de lont angestoke heeft bij de Tour Vendôme, was een zekere Sandant, later gewichtewerker, same met zijn ami intime Rollin, „Hercule du monde”. Teminste: dat leert de geschiedenis zoo, maar die wete natuurlijk niet dat ik die Rollin was, hercule du monde,—zal je later beter verstaan.
„’t Gebeurde, zooals je weet oppe ... 13 September ’68! Toen kwame wij tussche tiene en elve op de Place de la Bastille same; ik stong naast pa en tusschen 1 en 2 hebbe ze ’m de lucht in geblaze ... Jò, wat ’n knal. Da’ was vuurwerk! En ’k wou dat alle millionnairs met die rot-automobiele van de wereld d’r in hadde gezete. Want daar heb ’k toch zóó ’t smoor an, dat ’k er nietvan ken slape!... En ’k hing! Om kort te gaan, nou most ik op de vlucht. Weg van mijn dierbare ouders en uit mijn geliefde vaderstad Parijs, want ’t uur der wrake was geslage. Waar papa toe’ gevloge is, heb ik nooit an de weet kenne komme, maar mama met me zuster Elizabeth zijn alleen thuis gebleve.
„Wij gingen te voet over St. Denis na Brussel. Sandant as gewichtewerker, waar ie an de honderdponders voor was geholpe, maar in andere kleere die zijn vrouw hem immédiatement had meegegeve, en ikke als Rollin, hercule du monde. De eerste nacht sliepe we al bij een boer, diep in ’t veld, onder de bloote hemel; daar stuurde ma mijn die passende vrouwekleere na, met de boôschap, da ’k nou ook me baard af most schere. Toe was ik 22 jare oud en had 50 frank op zak. We reze ook nog in de trein, maar te voet ginge we over de Belgische grenze, anders ware we natuurlijk gesignaleerd.
„Mot je goed verstaan. Me hart trok na Holland, na Sluis as je weet, om rede ik daar in ’t jaar 1877 was gebore, toen me ouwelui een rondreis maakte na Oostende, en mama in Sluis de kraam van mijn uit ging legge. Maar daarna namme ze mijn netuurlijk as echtelijk kind zijnde,—bébé juridique—mee na Parijs.
„Van daar dat ’t bloed weer na Zeeland trok, en ik netuurlijk die Hollansche taal ook met de moedermelk had ingezoge. Ik liep dus van Antwerpe over Oude God na Breda.Toe sprak ik nog.Maar in Dordt ware me cente op, ennog altijd ter spraak, heb ik voor ’t eerst van me leve op koste van de politie geslape in ’t Logement de Drie Krone in de Wijnstraat. Die commissaris had dus medelije met mijn, en gaf me een kaartje voor de boot na Middelburg. Op die overtocht dacht ik: „as ik me stom houw, zal ik willicht de liefdadigheid opwekkevan de mensche.” Dus ik bestudeer die eerste rol, en in de Winterstraat op ’t hoekie van ’t Waaigat in dat logement van Tazelaar, voorheen Van Zwijneren, hieuw ondergeteekende zich of hijnietkon spreke. Toe zeit die vrouw: „Je mot mejelij hebbe met zoo’n man, want hij kan spreke nòch verstaan. Leg die man bove as alle mensche in bed legge, in die krip onder ’t raam.”Dat gebeurt. Maar in die linksche be’stee sliep me aanstaande vrou, Carline Borin. Daar krijg ik kennis an, hoewel ik geen geluid gaf. „Wat zal God nou geve?”—zeit zij nog. Maar ’t was vlak bove de be’stee van vrouw Tazelaar. Die hoort dat, en zeit midde in de nacht tege mijn: „nou mot je eruit.” Ik klee me an, en schrijf op me leitje: „Waar zij gaat, gaan ik mee.” „Pas op”—zeit vrouw Tazelaar—„want die meid denkt zeker dat jij geld heb.” „Nee”—zeit Carline—„ik zal zoolang jij stom en doof blijft die kost voor jou verdiene, want je ben een knap manspersoon ... al most ik ook an de huize anbelle ...”
„Nou, ’k ben vier jaar met Carline geweest, want ze was ’n beeldschoone vrouw, maar dat mensch het nooit me stem gehoord. As doofstomme trok ik met haar langs de weg om eerlijk ons brood te verdiene: marchant ambulant ... Ze heeft me vier zone geschonke!”
Hoofdstuk VII.Onder het vertellen door was Racier nu stil bedroefd geworden,—z’n gezicht zoo zwakjes bleek en weggetrokken; en z’n oogen zagen rood van ’t verknepen schreien. Uit z’n fanatiekefantasieënscheen hij nu moe neergezakt in echt menschelijke kleingevoeligheid, de zielige held van eigen ziekelijke verbeelding.Hij had toch ook zoo ziels veel van dat wijf gehouden!—brak even z’n stem.—En nog telkens trok ze ’m. Wáár ie dan ook in de wereld zweeft,—as ’t teminste in geen cel is, dat ’t verlangen na z’n liefde in z’n hart schiet—maar dan mot en zal ie na De Haag. En stiekum sluipt ie as ’n dief dat ongelukkige straatje in, waar d’r man die slaapstee houdt. „As ’t mooi weer is, zit ze dan nog wel ’s buite op d’r stoel, want ze is netuurlijk lam hè, zooas die vent haar heeft mishandeld ... Dat het ze an mijn verdiend ... Wat er naast valt is nòg zonde ... Zoo zit die haat vast ingekankerd in mijn borst ... Want as ’k ’r zie, oud en verslete met d’r verstijfde lijf, dan zien ’k nòg in dat gezicht die trekke van mijn beeldschoone meid ...„Zoo’n edel vrouwmensch as Carlien toch was! De adeldom lag in d’r heele weze; ’n gezicht, man ... blank en gaaf as van een lelie, met zwart lang krulhaar... en ’n houding, hè ... ’n ras, niet te dik en niet te mager ... schoon, beeldschoon... twee druppels water ’n prinses ... ’k Heb ’r nog ’s op de Bosscher kermis late loope met zoo’n orgel, op z’n Italiaansch verkleed, dat al wat man was rilde!„Ja, ze was ’n echte edelvrouw, toen ik in Middelburg op logement kennis an d’r kreeg ... Ze reisde met zoo’n mandje met zeep, gare en band, en ik as doofstommeliep netuurlijk met Brabansche kant ... Maar daar vond ze mijn veels te goed voor. „Wa’s dat nou voor ’n leve voor zoo’n knappe kerel als jij ben?”—zei ze—„Gaat met mijn same, la me ’n flinke wage met handel zien te koope, dan zal ik voor jou óók wel spreke.”„Dat ging zoo vier jare goed, en nooit had dat mensch mijn stem nog gehoord. Maar toe wier me dat in ééne te mats, en vroeg ik op zekere nacht op me vingers: „Ka’ jij ’n geheim beware tot in jou graf?”„Misschien wel”—zeit zij—„as ’k maar eerst wist met wie ik toch eigenlijk sprak. Want we ben nou al vier jare same, en ik heb nog nooit ’n woord over je lippe hoore komme. Dus bijaldien je mijn dat geheim niet zegt, wat er in jou hart leeft, dan kan je wel ’s een moord hebben gedaan, en ik leg met geen moordenaar onder één deke.”„Toe schrijf ik op me leitje: Een moordenaar ben ik niet, maar ... uw man Charles Edouard Racierken spreke, en niet alleen in één, maar in verschillende tale!„Nou, da’ begrijp je, hoe die vrouw toe’ verschoot. „Wel”—zeit ze—„spreek dan eris.”„En meteen komt dat eerste geluid van vier jaar over mijn mond, en spreek ik de woorde: „Geef me me pakkie tabak eris an, da’k een pruimpie neem!”„Maar dat wijf dat schrikt zoo, dat ze immédiatement van d’r zelve leit ... angezien zij nog nooit ondergeteekende z’n lijfelijke spraak had vernome.„Goed ... da’s netuurlijk ’n heele heibel op zoo’n logement—we sliepe in ’t Wape van Utrecht an de Amunitiehavedrie en twintig—en die bure komme op dat gille af en brenge d’r bij. Maar zoodra die weg benne, en we legge weer same in bed, eisch ik netuurlijk van haar de verklaring bij de almachtige God—waar ondergeteekende as atheïst zijnde voor z’n eige tòchniet an glooft—maar dat zij mijn eeuwig trouw blijft. „Jawel”—zeit ze—„daar zal nooit geen haan na kraaie.”„Dus toe’ die morge anbrak ging ik door een valsche naam gedekt weer uit met mijn handel, waar ’t bordje op hong: „doof en stom”. Ja, netuurlijk, a’k ’n rol begin, doen ’k ’m goed, en ’k had weke dat ’t mijn vijftig gulde opbrocht ... Maar waar niet en is verliest de keizer z’n baard. Mot je hoore:„Die vrouw van mijn had met ’r geheim geen rust noch duur. Daarom kleedt ze d’r eige die eigenste morge nog erg netjes an, gaat huilende na de commissaris toe en spreekt: „Weledelgestrenge heer, wa’ ben ’k vannacht toch geschrokke, want mijn man, die doofstom is, kan prate!”„Heb jij ’n boterbriefie?” vraagt hij.„Nee”—zeit me vrouw—„dat brengt ons mensche nooit geen geluk an.”„Goed”—zeit die commissaris—„omdat jij dan zoo’n beeldschoone vrouw bent za’k vanavond een rechercheur in dat nachtlogies sture, om die zaak te bespieë.” Want hij dacht: wellicht is die vrouw niet als te wel bij haar hoofd, en dan ben d’r geen getuige ...„Dus: zoo gezeid zoo gedaan. Ik kom ’s avens op logement werom met me cente, weet van niks en denk: da’s alles vergete en vergeve. En toe dat afgeloopen was, heb ’k ’r in eer en deugd weer gezoend. Nou lagge me natuurlijk met de kindere op zoo’n vijfpersoonskamer, die ik altijd afhuurde, om alleenig te weze. Want as je daar zoo tussche de slapers in leit, kan ’n mensch wel ’s hard motte droome, en was ’k verlore ... Hoewel ondergeteekende daar ook veels te dom voor was, en nooit in ’t publiek sliep zonder knoop in z’n mond, meteen lappie daarop genaaid, da’ je’m niet inslikte. Dus die volgende morge heb ik weer gepraat, zonder erg, en wist van de prins geen kwaad. Maar die stille klabak het dat netuurlijk bespeurd, en jawel, ’n uur later, da’k op de Mauritskade de huize langs leur, wor ’k van die straat opgenome.—„Nou schrikt ondergeteekende nooit. Maar zoodra ik gearresteerd wor, ruik ik lont, en door me sterke zelfbeheersching weet ’k da’lijk me rol.„Ze brenge me voor die commissaris, en die zeit: „Vrind, dat ziet er niet rooskleurig voor u uit, want u kunt spreke.”„Omdat die man geen baard draagt, kan ik an die beweginge van zijn lippe zien wat hij zegt, want ’k ben ook doof gebore. Zoo laat ik hem direc deur die mande valle, en schrijf op me leitje: „doof en stom.”„Toe is daar bijgehaald een medicijnarts om dat ongeluk te constateere. Die nam mijn mee na ’t ziekehuis, maar daar wier eerst nog een andere commissaris geroepe, die wèl een baard had, dat ik zijn mond niet zou kenne zien. En die snijer zeit: „ik zou maar spreke, want je eige vrouw is ’t komme verklappe ...” Daar gaf ’k natuurlijk geen asem op, was ’k te dom voor, en gaf ’m me leitje, dat ie ’t maar op mos schrijve ... „Je kunt gaan!”—zeit die dokter. Ik blijf natuurlijk, want ’k hoor dat niet. Hij zet ’t op dat leitje. As ’k de deur in me hand heb, om de trap af te gaan, roept ie me werom ... Ik hoor niks, ga stiekem deur. Maar op de trap schiet die man een revolver af achter mijn; ik keerde m’n eige geen oogenblik om, gaan kalm na huis ... Ja, mot je lef voor hebbe! Maar dat was allegaar nog kindere-spel.„Op logement dee ’k net of ’k wist van niks. Zij ontving me vrindelijk. Ik gaf me geld over. Toe kon ze zich niethouwe, en vroeg of me niks overkomme was, maar ik zeg: nee.„Jawel hoor, de andere dag word ik door de politie voor dat geneeskundige onderzoek na ’t ziekehuis gebracht. En zeve deskundige profesters met dokters èn artse wachte mijn daar op.„Eerst wor ik spiernakend uitgekleed, en zoo in ’t dooje-huisje op dat marbel-blad gelege. Dat was de kou-proef. Ik hou me gedekt.—Toe stak d’r een in me zevende rib met zijn lancet ... ’t dee’ ’n eeuwige pijn, maar ik gaf geen teeke van spreke.„Maar de tweede perfester zei: „die man is doofstom, ’t is werkelijk waar, en ik zal ’m niet pijnige.” De derde zeit: dito; de vierde: dito; de vijfde: dito. Komt die zesde z’n beurt.Die zeit: „ik zal ’m toch nog ’s eerst effe neme.” ’t Was de Judas. Hij laat me me groote toon van me rechter voet uitsteke, en gaat daar met een naald in staan pikke. Want zie je, dat is de zenuw die bove op je harses correspondeert ... Maar ondergeteekende gafgeenteeke van spreke.„Dus ze hale dat groote document al tevoorschijn, dat alle zeve de profesters motte onderteekene, toe de zevende uitroept: „nou zal ik ’m dan toch nog ’s effetjes kwelle!” Die gelast an ze knecht: „breng me gereedschapskist ’s”, en daar haalt ie een geëmailleerde pan uit met kokende lijnolie. „Hou nou je hoofd achterover”—duwt ie mijn, en me mond spert ie wagewijd ope. En as ik zoo leg, neemt ie een lepel kokende lijnolie en houdt die vlak boven mijn mond. „Mot je maar slikke,”—zeit ie. Maar ik doch’: dat doet ie toch nooit. En ’n andere profester ving nog net een druppel op, die anders pardoes in me keel was gevalle ...„Toe was ’t dus welletjes. „Doet wat je wil met dieman”—zeie ze in ’t Latijnsch tege mekaar—„maar hij is werkelijk doofstom.” En de kiste met die marteltuige konne meteen weer na huis.„Zoo kreeg ik mijn verklaring van zeve profesters geteekend, dat alle gesprokene over Charles Edouard Castergoni,—zooas ik toentertijd hiette—leuges ware, en dat patiënt waarlijk was ... sourdetmuet. Bovedien ontving ik van de deskundige as schadevergoeding de somma van f 65, mèt een briefie door burgemeester Gevers Deynoot eigehandig onderteekend, dat ik door heel Nederland vrij mocht vente zonder patent, as zijnde beproefd doof èn stom.„Toch zei ik die zelfde nacht nog tege me wijfmet me lijfelijke mond: „jou vlieger is niet opgegaan, hè? Maar as ’k dat gat goed schoon zien, maak ik jou kapot.”„Helaas, zoover ben ik tot hede niet kenne komme!”... ’t Was wonderlijk zooals Racier dan, zijn roesje weldra bekoeld, met een welhaast verlegen meewarigen glimlach mij even onderuit aan kon kijken, of ik ’t toch niet àl te schrikkelijk had opgenomen.„Kom”—zei hij—„’t is nacht. En as ik nou strakkies weer tussche al die gedalleste scharrelaars leg, dan kan ’k soms nòg denke: toch feitelijk mooi van de Natuur, dat ie zoo’n oud varke as ondergeteekende nog weer ’n fijne dag met ’n ami-intime het vergund .... Tabé, kameraad, jij kruipt maar weer onder de zij’ in ’t dons ... z’n Excellentie de Generaal begeeft zich ... over ’t lijntje ...”En tòch klonk bij ’t afscheid z’n schorre lach nog wel oolijk ondernemend.
Hoofdstuk VII.
Onder het vertellen door was Racier nu stil bedroefd geworden,—z’n gezicht zoo zwakjes bleek en weggetrokken; en z’n oogen zagen rood van ’t verknepen schreien. Uit z’n fanatiekefantasieënscheen hij nu moe neergezakt in echt menschelijke kleingevoeligheid, de zielige held van eigen ziekelijke verbeelding.Hij had toch ook zoo ziels veel van dat wijf gehouden!—brak even z’n stem.—En nog telkens trok ze ’m. Wáár ie dan ook in de wereld zweeft,—as ’t teminste in geen cel is, dat ’t verlangen na z’n liefde in z’n hart schiet—maar dan mot en zal ie na De Haag. En stiekum sluipt ie as ’n dief dat ongelukkige straatje in, waar d’r man die slaapstee houdt. „As ’t mooi weer is, zit ze dan nog wel ’s buite op d’r stoel, want ze is netuurlijk lam hè, zooas die vent haar heeft mishandeld ... Dat het ze an mijn verdiend ... Wat er naast valt is nòg zonde ... Zoo zit die haat vast ingekankerd in mijn borst ... Want as ’k ’r zie, oud en verslete met d’r verstijfde lijf, dan zien ’k nòg in dat gezicht die trekke van mijn beeldschoone meid ...„Zoo’n edel vrouwmensch as Carlien toch was! De adeldom lag in d’r heele weze; ’n gezicht, man ... blank en gaaf as van een lelie, met zwart lang krulhaar... en ’n houding, hè ... ’n ras, niet te dik en niet te mager ... schoon, beeldschoon... twee druppels water ’n prinses ... ’k Heb ’r nog ’s op de Bosscher kermis late loope met zoo’n orgel, op z’n Italiaansch verkleed, dat al wat man was rilde!„Ja, ze was ’n echte edelvrouw, toen ik in Middelburg op logement kennis an d’r kreeg ... Ze reisde met zoo’n mandje met zeep, gare en band, en ik as doofstommeliep netuurlijk met Brabansche kant ... Maar daar vond ze mijn veels te goed voor. „Wa’s dat nou voor ’n leve voor zoo’n knappe kerel als jij ben?”—zei ze—„Gaat met mijn same, la me ’n flinke wage met handel zien te koope, dan zal ik voor jou óók wel spreke.”„Dat ging zoo vier jare goed, en nooit had dat mensch mijn stem nog gehoord. Maar toe wier me dat in ééne te mats, en vroeg ik op zekere nacht op me vingers: „Ka’ jij ’n geheim beware tot in jou graf?”„Misschien wel”—zeit zij—„as ’k maar eerst wist met wie ik toch eigenlijk sprak. Want we ben nou al vier jare same, en ik heb nog nooit ’n woord over je lippe hoore komme. Dus bijaldien je mijn dat geheim niet zegt, wat er in jou hart leeft, dan kan je wel ’s een moord hebben gedaan, en ik leg met geen moordenaar onder één deke.”„Toe schrijf ik op me leitje: Een moordenaar ben ik niet, maar ... uw man Charles Edouard Racierken spreke, en niet alleen in één, maar in verschillende tale!„Nou, da’ begrijp je, hoe die vrouw toe’ verschoot. „Wel”—zeit ze—„spreek dan eris.”„En meteen komt dat eerste geluid van vier jaar over mijn mond, en spreek ik de woorde: „Geef me me pakkie tabak eris an, da’k een pruimpie neem!”„Maar dat wijf dat schrikt zoo, dat ze immédiatement van d’r zelve leit ... angezien zij nog nooit ondergeteekende z’n lijfelijke spraak had vernome.„Goed ... da’s netuurlijk ’n heele heibel op zoo’n logement—we sliepe in ’t Wape van Utrecht an de Amunitiehavedrie en twintig—en die bure komme op dat gille af en brenge d’r bij. Maar zoodra die weg benne, en we legge weer same in bed, eisch ik netuurlijk van haar de verklaring bij de almachtige God—waar ondergeteekende as atheïst zijnde voor z’n eige tòchniet an glooft—maar dat zij mijn eeuwig trouw blijft. „Jawel”—zeit ze—„daar zal nooit geen haan na kraaie.”„Dus toe’ die morge anbrak ging ik door een valsche naam gedekt weer uit met mijn handel, waar ’t bordje op hong: „doof en stom”. Ja, netuurlijk, a’k ’n rol begin, doen ’k ’m goed, en ’k had weke dat ’t mijn vijftig gulde opbrocht ... Maar waar niet en is verliest de keizer z’n baard. Mot je hoore:„Die vrouw van mijn had met ’r geheim geen rust noch duur. Daarom kleedt ze d’r eige die eigenste morge nog erg netjes an, gaat huilende na de commissaris toe en spreekt: „Weledelgestrenge heer, wa’ ben ’k vannacht toch geschrokke, want mijn man, die doofstom is, kan prate!”„Heb jij ’n boterbriefie?” vraagt hij.„Nee”—zeit me vrouw—„dat brengt ons mensche nooit geen geluk an.”„Goed”—zeit die commissaris—„omdat jij dan zoo’n beeldschoone vrouw bent za’k vanavond een rechercheur in dat nachtlogies sture, om die zaak te bespieë.” Want hij dacht: wellicht is die vrouw niet als te wel bij haar hoofd, en dan ben d’r geen getuige ...„Dus: zoo gezeid zoo gedaan. Ik kom ’s avens op logement werom met me cente, weet van niks en denk: da’s alles vergete en vergeve. En toe dat afgeloopen was, heb ’k ’r in eer en deugd weer gezoend. Nou lagge me natuurlijk met de kindere op zoo’n vijfpersoonskamer, die ik altijd afhuurde, om alleenig te weze. Want as je daar zoo tussche de slapers in leit, kan ’n mensch wel ’s hard motte droome, en was ’k verlore ... Hoewel ondergeteekende daar ook veels te dom voor was, en nooit in ’t publiek sliep zonder knoop in z’n mond, meteen lappie daarop genaaid, da’ je’m niet inslikte. Dus die volgende morge heb ik weer gepraat, zonder erg, en wist van de prins geen kwaad. Maar die stille klabak het dat netuurlijk bespeurd, en jawel, ’n uur later, da’k op de Mauritskade de huize langs leur, wor ’k van die straat opgenome.—„Nou schrikt ondergeteekende nooit. Maar zoodra ik gearresteerd wor, ruik ik lont, en door me sterke zelfbeheersching weet ’k da’lijk me rol.„Ze brenge me voor die commissaris, en die zeit: „Vrind, dat ziet er niet rooskleurig voor u uit, want u kunt spreke.”„Omdat die man geen baard draagt, kan ik an die beweginge van zijn lippe zien wat hij zegt, want ’k ben ook doof gebore. Zoo laat ik hem direc deur die mande valle, en schrijf op me leitje: „doof en stom.”„Toe is daar bijgehaald een medicijnarts om dat ongeluk te constateere. Die nam mijn mee na ’t ziekehuis, maar daar wier eerst nog een andere commissaris geroepe, die wèl een baard had, dat ik zijn mond niet zou kenne zien. En die snijer zeit: „ik zou maar spreke, want je eige vrouw is ’t komme verklappe ...” Daar gaf ’k natuurlijk geen asem op, was ’k te dom voor, en gaf ’m me leitje, dat ie ’t maar op mos schrijve ... „Je kunt gaan!”—zeit die dokter. Ik blijf natuurlijk, want ’k hoor dat niet. Hij zet ’t op dat leitje. As ’k de deur in me hand heb, om de trap af te gaan, roept ie me werom ... Ik hoor niks, ga stiekem deur. Maar op de trap schiet die man een revolver af achter mijn; ik keerde m’n eige geen oogenblik om, gaan kalm na huis ... Ja, mot je lef voor hebbe! Maar dat was allegaar nog kindere-spel.„Op logement dee ’k net of ’k wist van niks. Zij ontving me vrindelijk. Ik gaf me geld over. Toe kon ze zich niethouwe, en vroeg of me niks overkomme was, maar ik zeg: nee.„Jawel hoor, de andere dag word ik door de politie voor dat geneeskundige onderzoek na ’t ziekehuis gebracht. En zeve deskundige profesters met dokters èn artse wachte mijn daar op.„Eerst wor ik spiernakend uitgekleed, en zoo in ’t dooje-huisje op dat marbel-blad gelege. Dat was de kou-proef. Ik hou me gedekt.—Toe stak d’r een in me zevende rib met zijn lancet ... ’t dee’ ’n eeuwige pijn, maar ik gaf geen teeke van spreke.„Maar de tweede perfester zei: „die man is doofstom, ’t is werkelijk waar, en ik zal ’m niet pijnige.” De derde zeit: dito; de vierde: dito; de vijfde: dito. Komt die zesde z’n beurt.Die zeit: „ik zal ’m toch nog ’s eerst effe neme.” ’t Was de Judas. Hij laat me me groote toon van me rechter voet uitsteke, en gaat daar met een naald in staan pikke. Want zie je, dat is de zenuw die bove op je harses correspondeert ... Maar ondergeteekende gafgeenteeke van spreke.„Dus ze hale dat groote document al tevoorschijn, dat alle zeve de profesters motte onderteekene, toe de zevende uitroept: „nou zal ik ’m dan toch nog ’s effetjes kwelle!” Die gelast an ze knecht: „breng me gereedschapskist ’s”, en daar haalt ie een geëmailleerde pan uit met kokende lijnolie. „Hou nou je hoofd achterover”—duwt ie mijn, en me mond spert ie wagewijd ope. En as ik zoo leg, neemt ie een lepel kokende lijnolie en houdt die vlak boven mijn mond. „Mot je maar slikke,”—zeit ie. Maar ik doch’: dat doet ie toch nooit. En ’n andere profester ving nog net een druppel op, die anders pardoes in me keel was gevalle ...„Toe was ’t dus welletjes. „Doet wat je wil met dieman”—zeie ze in ’t Latijnsch tege mekaar—„maar hij is werkelijk doofstom.” En de kiste met die marteltuige konne meteen weer na huis.„Zoo kreeg ik mijn verklaring van zeve profesters geteekend, dat alle gesprokene over Charles Edouard Castergoni,—zooas ik toentertijd hiette—leuges ware, en dat patiënt waarlijk was ... sourdetmuet. Bovedien ontving ik van de deskundige as schadevergoeding de somma van f 65, mèt een briefie door burgemeester Gevers Deynoot eigehandig onderteekend, dat ik door heel Nederland vrij mocht vente zonder patent, as zijnde beproefd doof èn stom.„Toch zei ik die zelfde nacht nog tege me wijfmet me lijfelijke mond: „jou vlieger is niet opgegaan, hè? Maar as ’k dat gat goed schoon zien, maak ik jou kapot.”„Helaas, zoover ben ik tot hede niet kenne komme!”... ’t Was wonderlijk zooals Racier dan, zijn roesje weldra bekoeld, met een welhaast verlegen meewarigen glimlach mij even onderuit aan kon kijken, of ik ’t toch niet àl te schrikkelijk had opgenomen.„Kom”—zei hij—„’t is nacht. En as ik nou strakkies weer tussche al die gedalleste scharrelaars leg, dan kan ’k soms nòg denke: toch feitelijk mooi van de Natuur, dat ie zoo’n oud varke as ondergeteekende nog weer ’n fijne dag met ’n ami-intime het vergund .... Tabé, kameraad, jij kruipt maar weer onder de zij’ in ’t dons ... z’n Excellentie de Generaal begeeft zich ... over ’t lijntje ...”En tòch klonk bij ’t afscheid z’n schorre lach nog wel oolijk ondernemend.
Onder het vertellen door was Racier nu stil bedroefd geworden,—z’n gezicht zoo zwakjes bleek en weggetrokken; en z’n oogen zagen rood van ’t verknepen schreien. Uit z’n fanatiekefantasieënscheen hij nu moe neergezakt in echt menschelijke kleingevoeligheid, de zielige held van eigen ziekelijke verbeelding.
Hij had toch ook zoo ziels veel van dat wijf gehouden!—brak even z’n stem.—En nog telkens trok ze ’m. Wáár ie dan ook in de wereld zweeft,—as ’t teminste in geen cel is, dat ’t verlangen na z’n liefde in z’n hart schiet—maar dan mot en zal ie na De Haag. En stiekum sluipt ie as ’n dief dat ongelukkige straatje in, waar d’r man die slaapstee houdt. „As ’t mooi weer is, zit ze dan nog wel ’s buite op d’r stoel, want ze is netuurlijk lam hè, zooas die vent haar heeft mishandeld ... Dat het ze an mijn verdiend ... Wat er naast valt is nòg zonde ... Zoo zit die haat vast ingekankerd in mijn borst ... Want as ’k ’r zie, oud en verslete met d’r verstijfde lijf, dan zien ’k nòg in dat gezicht die trekke van mijn beeldschoone meid ...
„Zoo’n edel vrouwmensch as Carlien toch was! De adeldom lag in d’r heele weze; ’n gezicht, man ... blank en gaaf as van een lelie, met zwart lang krulhaar... en ’n houding, hè ... ’n ras, niet te dik en niet te mager ... schoon, beeldschoon... twee druppels water ’n prinses ... ’k Heb ’r nog ’s op de Bosscher kermis late loope met zoo’n orgel, op z’n Italiaansch verkleed, dat al wat man was rilde!
„Ja, ze was ’n echte edelvrouw, toen ik in Middelburg op logement kennis an d’r kreeg ... Ze reisde met zoo’n mandje met zeep, gare en band, en ik as doofstommeliep netuurlijk met Brabansche kant ... Maar daar vond ze mijn veels te goed voor. „Wa’s dat nou voor ’n leve voor zoo’n knappe kerel als jij ben?”—zei ze—„Gaat met mijn same, la me ’n flinke wage met handel zien te koope, dan zal ik voor jou óók wel spreke.”
„Dat ging zoo vier jare goed, en nooit had dat mensch mijn stem nog gehoord. Maar toe wier me dat in ééne te mats, en vroeg ik op zekere nacht op me vingers: „Ka’ jij ’n geheim beware tot in jou graf?”
„Misschien wel”—zeit zij—„as ’k maar eerst wist met wie ik toch eigenlijk sprak. Want we ben nou al vier jare same, en ik heb nog nooit ’n woord over je lippe hoore komme. Dus bijaldien je mijn dat geheim niet zegt, wat er in jou hart leeft, dan kan je wel ’s een moord hebben gedaan, en ik leg met geen moordenaar onder één deke.”
„Toe schrijf ik op me leitje: Een moordenaar ben ik niet, maar ... uw man Charles Edouard Racierken spreke, en niet alleen in één, maar in verschillende tale!
„Nou, da’ begrijp je, hoe die vrouw toe’ verschoot. „Wel”—zeit ze—„spreek dan eris.”
„En meteen komt dat eerste geluid van vier jaar over mijn mond, en spreek ik de woorde: „Geef me me pakkie tabak eris an, da’k een pruimpie neem!”
„Maar dat wijf dat schrikt zoo, dat ze immédiatement van d’r zelve leit ... angezien zij nog nooit ondergeteekende z’n lijfelijke spraak had vernome.
„Goed ... da’s netuurlijk ’n heele heibel op zoo’n logement—we sliepe in ’t Wape van Utrecht an de Amunitiehavedrie en twintig—en die bure komme op dat gille af en brenge d’r bij. Maar zoodra die weg benne, en we legge weer same in bed, eisch ik netuurlijk van haar de verklaring bij de almachtige God—waar ondergeteekende as atheïst zijnde voor z’n eige tòchniet an glooft—maar dat zij mijn eeuwig trouw blijft. „Jawel”—zeit ze—„daar zal nooit geen haan na kraaie.”
„Dus toe’ die morge anbrak ging ik door een valsche naam gedekt weer uit met mijn handel, waar ’t bordje op hong: „doof en stom”. Ja, netuurlijk, a’k ’n rol begin, doen ’k ’m goed, en ’k had weke dat ’t mijn vijftig gulde opbrocht ... Maar waar niet en is verliest de keizer z’n baard. Mot je hoore:
„Die vrouw van mijn had met ’r geheim geen rust noch duur. Daarom kleedt ze d’r eige die eigenste morge nog erg netjes an, gaat huilende na de commissaris toe en spreekt: „Weledelgestrenge heer, wa’ ben ’k vannacht toch geschrokke, want mijn man, die doofstom is, kan prate!”
„Heb jij ’n boterbriefie?” vraagt hij.
„Nee”—zeit me vrouw—„dat brengt ons mensche nooit geen geluk an.”
„Goed”—zeit die commissaris—„omdat jij dan zoo’n beeldschoone vrouw bent za’k vanavond een rechercheur in dat nachtlogies sture, om die zaak te bespieë.” Want hij dacht: wellicht is die vrouw niet als te wel bij haar hoofd, en dan ben d’r geen getuige ...
„Dus: zoo gezeid zoo gedaan. Ik kom ’s avens op logement werom met me cente, weet van niks en denk: da’s alles vergete en vergeve. En toe dat afgeloopen was, heb ’k ’r in eer en deugd weer gezoend. Nou lagge me natuurlijk met de kindere op zoo’n vijfpersoonskamer, die ik altijd afhuurde, om alleenig te weze. Want as je daar zoo tussche de slapers in leit, kan ’n mensch wel ’s hard motte droome, en was ’k verlore ... Hoewel ondergeteekende daar ook veels te dom voor was, en nooit in ’t publiek sliep zonder knoop in z’n mond, meteen lappie daarop genaaid, da’ je’m niet inslikte. Dus die volgende morge heb ik weer gepraat, zonder erg, en wist van de prins geen kwaad. Maar die stille klabak het dat netuurlijk bespeurd, en jawel, ’n uur later, da’k op de Mauritskade de huize langs leur, wor ’k van die straat opgenome.—
„Nou schrikt ondergeteekende nooit. Maar zoodra ik gearresteerd wor, ruik ik lont, en door me sterke zelfbeheersching weet ’k da’lijk me rol.
„Ze brenge me voor die commissaris, en die zeit: „Vrind, dat ziet er niet rooskleurig voor u uit, want u kunt spreke.”
„Omdat die man geen baard draagt, kan ik an die beweginge van zijn lippe zien wat hij zegt, want ’k ben ook doof gebore. Zoo laat ik hem direc deur die mande valle, en schrijf op me leitje: „doof en stom.”
„Toe is daar bijgehaald een medicijnarts om dat ongeluk te constateere. Die nam mijn mee na ’t ziekehuis, maar daar wier eerst nog een andere commissaris geroepe, die wèl een baard had, dat ik zijn mond niet zou kenne zien. En die snijer zeit: „ik zou maar spreke, want je eige vrouw is ’t komme verklappe ...” Daar gaf ’k natuurlijk geen asem op, was ’k te dom voor, en gaf ’m me leitje, dat ie ’t maar op mos schrijve ... „Je kunt gaan!”—zeit die dokter. Ik blijf natuurlijk, want ’k hoor dat niet. Hij zet ’t op dat leitje. As ’k de deur in me hand heb, om de trap af te gaan, roept ie me werom ... Ik hoor niks, ga stiekem deur. Maar op de trap schiet die man een revolver af achter mijn; ik keerde m’n eige geen oogenblik om, gaan kalm na huis ... Ja, mot je lef voor hebbe! Maar dat was allegaar nog kindere-spel.
„Op logement dee ’k net of ’k wist van niks. Zij ontving me vrindelijk. Ik gaf me geld over. Toe kon ze zich niethouwe, en vroeg of me niks overkomme was, maar ik zeg: nee.
„Jawel hoor, de andere dag word ik door de politie voor dat geneeskundige onderzoek na ’t ziekehuis gebracht. En zeve deskundige profesters met dokters èn artse wachte mijn daar op.
„Eerst wor ik spiernakend uitgekleed, en zoo in ’t dooje-huisje op dat marbel-blad gelege. Dat was de kou-proef. Ik hou me gedekt.—Toe stak d’r een in me zevende rib met zijn lancet ... ’t dee’ ’n eeuwige pijn, maar ik gaf geen teeke van spreke.
„Maar de tweede perfester zei: „die man is doofstom, ’t is werkelijk waar, en ik zal ’m niet pijnige.” De derde zeit: dito; de vierde: dito; de vijfde: dito. Komt die zesde z’n beurt.Die zeit: „ik zal ’m toch nog ’s eerst effe neme.” ’t Was de Judas. Hij laat me me groote toon van me rechter voet uitsteke, en gaat daar met een naald in staan pikke. Want zie je, dat is de zenuw die bove op je harses correspondeert ... Maar ondergeteekende gafgeenteeke van spreke.
„Dus ze hale dat groote document al tevoorschijn, dat alle zeve de profesters motte onderteekene, toe de zevende uitroept: „nou zal ik ’m dan toch nog ’s effetjes kwelle!” Die gelast an ze knecht: „breng me gereedschapskist ’s”, en daar haalt ie een geëmailleerde pan uit met kokende lijnolie. „Hou nou je hoofd achterover”—duwt ie mijn, en me mond spert ie wagewijd ope. En as ik zoo leg, neemt ie een lepel kokende lijnolie en houdt die vlak boven mijn mond. „Mot je maar slikke,”—zeit ie. Maar ik doch’: dat doet ie toch nooit. En ’n andere profester ving nog net een druppel op, die anders pardoes in me keel was gevalle ...
„Toe was ’t dus welletjes. „Doet wat je wil met dieman”—zeie ze in ’t Latijnsch tege mekaar—„maar hij is werkelijk doofstom.” En de kiste met die marteltuige konne meteen weer na huis.
„Zoo kreeg ik mijn verklaring van zeve profesters geteekend, dat alle gesprokene over Charles Edouard Castergoni,—zooas ik toentertijd hiette—leuges ware, en dat patiënt waarlijk was ... sourdetmuet. Bovedien ontving ik van de deskundige as schadevergoeding de somma van f 65, mèt een briefie door burgemeester Gevers Deynoot eigehandig onderteekend, dat ik door heel Nederland vrij mocht vente zonder patent, as zijnde beproefd doof èn stom.
„Toch zei ik die zelfde nacht nog tege me wijfmet me lijfelijke mond: „jou vlieger is niet opgegaan, hè? Maar as ’k dat gat goed schoon zien, maak ik jou kapot.”
„Helaas, zoover ben ik tot hede niet kenne komme!”... ’t Was wonderlijk zooals Racier dan, zijn roesje weldra bekoeld, met een welhaast verlegen meewarigen glimlach mij even onderuit aan kon kijken, of ik ’t toch niet àl te schrikkelijk had opgenomen.
„Kom”—zei hij—„’t is nacht. En as ik nou strakkies weer tussche al die gedalleste scharrelaars leg, dan kan ’k soms nòg denke: toch feitelijk mooi van de Natuur, dat ie zoo’n oud varke as ondergeteekende nog weer ’n fijne dag met ’n ami-intime het vergund .... Tabé, kameraad, jij kruipt maar weer onder de zij’ in ’t dons ... z’n Excellentie de Generaal begeeft zich ... over ’t lijntje ...”
En tòch klonk bij ’t afscheid z’n schorre lach nog wel oolijk ondernemend.
Hoofdstuk VIII.Onze hernieuwde kennismaking in Amsterdam, waar Racier, „as Atheïst zijnde”, de „Natuur” dank voor wist, werd maanden later op minder verrassende wijze bij mij thuis voortgezet. Op een goeden morgen kwam de dienstbode „een echt ènge man” aandienen, die volhield dat hij een intieme vriend van meneer zou zijn. Maar, ’t was zonde dat ze ’t zei,—zóó’n schooier was er nou toch nog nooit an de deur geweest,... wat een raar volk er tusschenbeide ook om meneer kwam. Ze had ’m natuurlijk op stoep laten staan en inspres met de nachtknip gesloten. Hoe ze daar nou mee an moest, met dien griezeligen kerel, die natuurlijk den boel is op kwam nemen om vandaag of morgen in te breken?—Of ie geen naam had genoemd?”—Jawel, zooies met ’n Fransche poeha ... maar de vent keek me zoo om te zegge verleielijk an met die glazige ooge, en dadelijk zei ie: mejonkvrouw, uw beeldschoone trekke ben as twee droppels water ’n prinses ... da ’k me doodschaamde voor Marie van hiernaast ... Ja, nou nog mooier, zoo’n meid mog is denke da ’k geen duurder verkering kon krijge, dan die ...”—Racier, hè? Zei ie dat niet?”—Wel zoowat, maar met veel meer omhaal d’r bij.”—Charles Edouard Racier?”—Ja net ... ’n Echte engert, dat is tie.”—Verzoek dan mijn vriend le chevalier Charles Edouard Racier naar mijn kamer te komen, Rika—als je zoo vriendelijk wilt zijn. Hij is een Fransch edelman, en alleen omdat ie zoo nederig van aard is, schenkt hij zoo weinig zorg aan z’n toilet ...”Maar voor het eerst sedert de „goospenning” aarzelde onze gedienstige, om mijn verzoek ten uitvoer te brengen. „As meneer nou soms dacht ... want zoowaar as die tuchthuisboef”—’t was nogmaals zonde dat ze ’t zei—een edelman was, was zij ... ’n ... ’n prinses!—Daar zag Ridder Racier je immers ook voor aan?”—Nou, meneer mot ’t wete ... maar as ’t huis in opspraak raakt in de buurt ... enne ... ik weet wel da ’k van nou af geen nacht zonder ’t werveltje op mijn deur slaapt ... Mag ’k dan eerst de overlooper nog effetjes legge?”Maar nu werd er weer gescheld. Rika schrok rood, vloog naar beneden,—zei: ’t was om de riebel te krijgen, en ik hoorde haar roepen: „as je teminste je beene goed afveegt, want me portaal en me trappe ben net gedaan.”—Za ’k dan soms me schoene eerst effe uit doen, mijn lieve oogelust?”—’t Is al lang goed, schiet nou maar op met je smoesies.”—’k Heb anders ’t grooste respect voor zoo’n edele vrouwe ... en as ’k nog weer ’s in een beter emplooy kom, stuur ’k jou een wit zijde baljapon thuis, met ’n paarle-collier ... meid, hoe zou je bruigom dàn na je kijke? Nòg ’n trap op?... Die stijve poot van me, daar het ’t groote kappitaal met ze wage overheen gerost en gereje, mot je wete ... A’k ’n bom ... chocola had, van die fijne met nougat en crème de vanille ... lus je dat wel? Zoo’n heele groote ... van Suchard uit Parijs?... Wacht ... nee, schoone fee,—’k heb me portemenéé ... Hoor je daar hoe Racier, vóór ’t déjeuner, kan dichte in e?”...—Ja? Binnen?”—Je vous souhaite ... eh ... le bienvenu, excellence! A cause de la bonne—ange blonde et mignonne tout àfait digne à la noble famille de votre excellence—je parle ma langue maternelle ...”Maar met een ontdaan gezicht had Rika al lang de deur nijdig achter ’m dichtgemept.—Hoe kom jij zoo hier in Rotterdam verzeild, Racier?”—Op me voete, uedelaardigheid. Van Amsterdam af gelóópe. Gisteravond uit ’t Muierbosschie vertrokke ... en zoo eve binnegekomme door de Delfsche Poort ... Mot je zien? Me voete ben één klomp bloederigheid, maar dat heb ’k best voor ’n ami intime over ... As je me hart doorsnijdt is ’t één anhankelijkheid ...”—Ga dan zitten, trek je jas uit, en steek ’n sigaar op.”—’t Is edel. Drie-eenheid van menschlievendigheid. Maar je weet—as atheïst zijnde—mag ’k daar niet an gloove. En zoo is ’t nou hier ook: Die luie stoel van jou, da’ bèd, wil ’k voor niks niet in zitte ... krijg ’k zóó al de hoogheidswaanzin van. En me jas hou ’k an; daar he’k nou mijn idee in, dat ’k m’n eige nie meer ben, as ’k uit die dallesdekker kom kruipe. Da’s nou mijn mantel van de masère ... daarom maak ’k ook die gate nooit dicht ... Want zooas ’t spreekwoord zeit, dat je geen koning mot zien in z’n caleçon, zoo mot je ook ’n boef as ik ben, niet uit z’n dallesdekkertje pelle ...”—Accoord. Blijf dus stáán met die roovers-uniform aan ...”—We begrijpe mekaar ... En as je dat fijne segaartje nou heb uitgerookt—da’k eerst méé profiteer van die lucht—geef mijn dan ’t peukie om te pruime. Want ’t is zonde voor ... de Natuur, dat er van zu’k edel kruid een kruimpie verlore mocht gaan. Maar róóke, dat doen ik nooit. As ’k daar an wen, komt ’t mijn te duur...Alleenig, zie je, bij die schilder ... Weet jij nou met jou verstand, waarom ik daar altijd zoo vroeg op dat atelier kwam? Nee,hè, want je kan me nog niet, hoe ’n doortrapte misdadiger as ik in me hart en me niere toch ben, hè? Die man had op dat ouwe kassie—antiek, hoor, Louis Quinze, mot je wéte—zoo’n oud-blauwe pot, zoo’n pul, met tabak. Dat was ’t fijnste ... fijner nog dan habana ... da’ was, za’k sterve op slag, je puur-zuiverste varinas, van ... ja, de Natuur weet ... meschien wel ’n riksdaalder ’t pond, man. Nou mot je wete, dat er één ding op de wereld is, waar de ondergeteekende wel ’n moord voor kan doen, en da’s juist branderige varinas, want as je die rookt, gaan je immédiatement fanteseere.—Snap je ’m al?... Maar je weet nog niet alles.—Hè jij in die dage nou ’s nooit wat vermist?”—Ik?... Nee, tenminste niet dat ik weet ...”—Zooisdie rijkdom;—mist niet eens de fijnste spulle van z’n overdaad ... Nou, dan wil ik je wel zegge, dat ’tmijnmeer waard is dan ’t hemelrijk hiernamaals ... ’k Za’ ’t jou late zien. Wacht ...”Onder z’n sleepjas uit groef ie toen ’n houten pijpje, hield ’t stijf vast in bei z’n handen, en liet daar eerst behoedzaam ’t donkerbruine kopje uitkijken.—Herken je ’m nou?”—Jawel, da’s een ouwe pijp van mij ...”—En vin je ’t nou niet diep treurig dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere vervalt?... Dit pijpie, door een kunstenaar uit ’t alderfijnste hout bewerkt ... objet d’art, waar jij natuurlijk intiem an gehecht was ... dat heb ik van jou, me speciaalste vrind ... gegàpt, alleenig om er uit te kenne rooke die gestole tabak!—Nou, trap je mijn nou dan je huis niet uit? En zeg je niet: Racier, je ben mijn te slecht?... Zou me meevalle.„Maar ’k weet ’t, je hèt een edel gemoed en daarom vraag ik je, hoe dat pijpie mijn staat? A’k ’t zóó vasthou,as ’n bloem bij z’n steel, teer en lieftallig; kijk ... en dan zoetjes zuige, zoo, langzaam ... Langzaam die rook langs dat verhemelte late glije ... Want zie je, je mot ’n misdaad in z’n intiemste begrijpe; wat datis: voor ’n ... ’n zwerver ... ’n boef, hè ... die toch óók z’n edelste gevoelens wil koestere, as mensch.„Da’ pijpie, dat het me nou twee jare lang dag en nacht trouw gezelschap gehouwe ... behalve in me cel, want ’k had ’t in me caleçon verborge, maar ze hebben ’t me afgepakt, die ganneve ... Zóó intiem ben ’k daar in me schik mee, omdat ’t precies mijn idee is, of je ’t gedroomd had ... En ’k sterf nog liever, dan da’k wat verkoop of verlies, wa ’k van ’n ami intime as gedachtenis heb ...„Maar je weet nog niet alles!... As je ’t niet houdt, mag je ’t nog effetjes hebbe ... Kijk nou ’s goed: op dat zilvere bandje om de steel, daar heb ’k op logement jou naam in late graveere ... Is dat voor ’n boef soms niet edel bedacht?... En zooas je me nou ziet, zie je me over vijf en twintig jaar nòg ...”—Je bent ’n rare kerel, Racier. Maar wat kom je nou eigenlijk doen?”—Och, ’n ouwe bajesvrind van mijn was met de nachtboot uit Rotterdam gekomme om werk te zoeke en dat het ie gevonde an ’t witloodfabriek. Nou, toe vroeg ie an mijn, of ’k soms dat retourtje van Amsterdam werom kon gebruike ...”—En je was kome lóópen?”—Of dacht je soms da’k dàt nog niet over had voor zoo’n hartsvrind as jij ben?—Nou, maar dan kàn je me niet ... Snij me hart gerust ope, ’t is één klomp dankbaarheid, man!”—Jawel, dus uit pure vriendschap ben jij, mèt je kaartje op zak, naast de nachtboot mee komen kuieren ...”—Och, man, ’k ben immers al ’s heel van Marseille af komme loope ... Maar dàn zie je wat! As je bij de Hollansche consuls angaat, krijg je effe 7–1/2 ct. per uur voor de trein, ’n logementbriefie, ’n briefie voor de bakkers, en ’n briefie voor wijn. Benne ze èrg menschlievend, dan geve ze je zelfs nog ’n pokkebriefie! Maar die cente die hou je, en om je eige ’s lekker te sarre loop je dan met jou bloederige voete die rijkste kasteele voorbij, tot de luize op je kop beginne te danse van afgunst en chegrijn ...„Maar ’k wou je wat vrage: Of je van dat leve van mijn geen toneelstuk voor de kemedie kon make?... Dan schrijf ik daar zèlfs ’t slotstuk wel an, van hoe ’k met mijn vernederde positie zàt in jou gemeubileerde kamer. Want datgeheim, dat weet jij nog niet, en dat vertel ’k je ... nooit, zoo oud as ’k wor ... Of mot ’k dan soms bij je weg gaan?”
Hoofdstuk VIII.
Onze hernieuwde kennismaking in Amsterdam, waar Racier, „as Atheïst zijnde”, de „Natuur” dank voor wist, werd maanden later op minder verrassende wijze bij mij thuis voortgezet. Op een goeden morgen kwam de dienstbode „een echt ènge man” aandienen, die volhield dat hij een intieme vriend van meneer zou zijn. Maar, ’t was zonde dat ze ’t zei,—zóó’n schooier was er nou toch nog nooit an de deur geweest,... wat een raar volk er tusschenbeide ook om meneer kwam. Ze had ’m natuurlijk op stoep laten staan en inspres met de nachtknip gesloten. Hoe ze daar nou mee an moest, met dien griezeligen kerel, die natuurlijk den boel is op kwam nemen om vandaag of morgen in te breken?—Of ie geen naam had genoemd?”—Jawel, zooies met ’n Fransche poeha ... maar de vent keek me zoo om te zegge verleielijk an met die glazige ooge, en dadelijk zei ie: mejonkvrouw, uw beeldschoone trekke ben as twee droppels water ’n prinses ... da ’k me doodschaamde voor Marie van hiernaast ... Ja, nou nog mooier, zoo’n meid mog is denke da ’k geen duurder verkering kon krijge, dan die ...”—Racier, hè? Zei ie dat niet?”—Wel zoowat, maar met veel meer omhaal d’r bij.”—Charles Edouard Racier?”—Ja net ... ’n Echte engert, dat is tie.”—Verzoek dan mijn vriend le chevalier Charles Edouard Racier naar mijn kamer te komen, Rika—als je zoo vriendelijk wilt zijn. Hij is een Fransch edelman, en alleen omdat ie zoo nederig van aard is, schenkt hij zoo weinig zorg aan z’n toilet ...”Maar voor het eerst sedert de „goospenning” aarzelde onze gedienstige, om mijn verzoek ten uitvoer te brengen. „As meneer nou soms dacht ... want zoowaar as die tuchthuisboef”—’t was nogmaals zonde dat ze ’t zei—een edelman was, was zij ... ’n ... ’n prinses!—Daar zag Ridder Racier je immers ook voor aan?”—Nou, meneer mot ’t wete ... maar as ’t huis in opspraak raakt in de buurt ... enne ... ik weet wel da ’k van nou af geen nacht zonder ’t werveltje op mijn deur slaapt ... Mag ’k dan eerst de overlooper nog effetjes legge?”Maar nu werd er weer gescheld. Rika schrok rood, vloog naar beneden,—zei: ’t was om de riebel te krijgen, en ik hoorde haar roepen: „as je teminste je beene goed afveegt, want me portaal en me trappe ben net gedaan.”—Za ’k dan soms me schoene eerst effe uit doen, mijn lieve oogelust?”—’t Is al lang goed, schiet nou maar op met je smoesies.”—’k Heb anders ’t grooste respect voor zoo’n edele vrouwe ... en as ’k nog weer ’s in een beter emplooy kom, stuur ’k jou een wit zijde baljapon thuis, met ’n paarle-collier ... meid, hoe zou je bruigom dàn na je kijke? Nòg ’n trap op?... Die stijve poot van me, daar het ’t groote kappitaal met ze wage overheen gerost en gereje, mot je wete ... A’k ’n bom ... chocola had, van die fijne met nougat en crème de vanille ... lus je dat wel? Zoo’n heele groote ... van Suchard uit Parijs?... Wacht ... nee, schoone fee,—’k heb me portemenéé ... Hoor je daar hoe Racier, vóór ’t déjeuner, kan dichte in e?”...—Ja? Binnen?”—Je vous souhaite ... eh ... le bienvenu, excellence! A cause de la bonne—ange blonde et mignonne tout àfait digne à la noble famille de votre excellence—je parle ma langue maternelle ...”Maar met een ontdaan gezicht had Rika al lang de deur nijdig achter ’m dichtgemept.—Hoe kom jij zoo hier in Rotterdam verzeild, Racier?”—Op me voete, uedelaardigheid. Van Amsterdam af gelóópe. Gisteravond uit ’t Muierbosschie vertrokke ... en zoo eve binnegekomme door de Delfsche Poort ... Mot je zien? Me voete ben één klomp bloederigheid, maar dat heb ’k best voor ’n ami intime over ... As je me hart doorsnijdt is ’t één anhankelijkheid ...”—Ga dan zitten, trek je jas uit, en steek ’n sigaar op.”—’t Is edel. Drie-eenheid van menschlievendigheid. Maar je weet—as atheïst zijnde—mag ’k daar niet an gloove. En zoo is ’t nou hier ook: Die luie stoel van jou, da’ bèd, wil ’k voor niks niet in zitte ... krijg ’k zóó al de hoogheidswaanzin van. En me jas hou ’k an; daar he’k nou mijn idee in, dat ’k m’n eige nie meer ben, as ’k uit die dallesdekker kom kruipe. Da’s nou mijn mantel van de masère ... daarom maak ’k ook die gate nooit dicht ... Want zooas ’t spreekwoord zeit, dat je geen koning mot zien in z’n caleçon, zoo mot je ook ’n boef as ik ben, niet uit z’n dallesdekkertje pelle ...”—Accoord. Blijf dus stáán met die roovers-uniform aan ...”—We begrijpe mekaar ... En as je dat fijne segaartje nou heb uitgerookt—da’k eerst méé profiteer van die lucht—geef mijn dan ’t peukie om te pruime. Want ’t is zonde voor ... de Natuur, dat er van zu’k edel kruid een kruimpie verlore mocht gaan. Maar róóke, dat doen ik nooit. As ’k daar an wen, komt ’t mijn te duur...Alleenig, zie je, bij die schilder ... Weet jij nou met jou verstand, waarom ik daar altijd zoo vroeg op dat atelier kwam? Nee,hè, want je kan me nog niet, hoe ’n doortrapte misdadiger as ik in me hart en me niere toch ben, hè? Die man had op dat ouwe kassie—antiek, hoor, Louis Quinze, mot je wéte—zoo’n oud-blauwe pot, zoo’n pul, met tabak. Dat was ’t fijnste ... fijner nog dan habana ... da’ was, za’k sterve op slag, je puur-zuiverste varinas, van ... ja, de Natuur weet ... meschien wel ’n riksdaalder ’t pond, man. Nou mot je wete, dat er één ding op de wereld is, waar de ondergeteekende wel ’n moord voor kan doen, en da’s juist branderige varinas, want as je die rookt, gaan je immédiatement fanteseere.—Snap je ’m al?... Maar je weet nog niet alles.—Hè jij in die dage nou ’s nooit wat vermist?”—Ik?... Nee, tenminste niet dat ik weet ...”—Zooisdie rijkdom;—mist niet eens de fijnste spulle van z’n overdaad ... Nou, dan wil ik je wel zegge, dat ’tmijnmeer waard is dan ’t hemelrijk hiernamaals ... ’k Za’ ’t jou late zien. Wacht ...”Onder z’n sleepjas uit groef ie toen ’n houten pijpje, hield ’t stijf vast in bei z’n handen, en liet daar eerst behoedzaam ’t donkerbruine kopje uitkijken.—Herken je ’m nou?”—Jawel, da’s een ouwe pijp van mij ...”—En vin je ’t nou niet diep treurig dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere vervalt?... Dit pijpie, door een kunstenaar uit ’t alderfijnste hout bewerkt ... objet d’art, waar jij natuurlijk intiem an gehecht was ... dat heb ik van jou, me speciaalste vrind ... gegàpt, alleenig om er uit te kenne rooke die gestole tabak!—Nou, trap je mijn nou dan je huis niet uit? En zeg je niet: Racier, je ben mijn te slecht?... Zou me meevalle.„Maar ’k weet ’t, je hèt een edel gemoed en daarom vraag ik je, hoe dat pijpie mijn staat? A’k ’t zóó vasthou,as ’n bloem bij z’n steel, teer en lieftallig; kijk ... en dan zoetjes zuige, zoo, langzaam ... Langzaam die rook langs dat verhemelte late glije ... Want zie je, je mot ’n misdaad in z’n intiemste begrijpe; wat datis: voor ’n ... ’n zwerver ... ’n boef, hè ... die toch óók z’n edelste gevoelens wil koestere, as mensch.„Da’ pijpie, dat het me nou twee jare lang dag en nacht trouw gezelschap gehouwe ... behalve in me cel, want ’k had ’t in me caleçon verborge, maar ze hebben ’t me afgepakt, die ganneve ... Zóó intiem ben ’k daar in me schik mee, omdat ’t precies mijn idee is, of je ’t gedroomd had ... En ’k sterf nog liever, dan da’k wat verkoop of verlies, wa ’k van ’n ami intime as gedachtenis heb ...„Maar je weet nog niet alles!... As je ’t niet houdt, mag je ’t nog effetjes hebbe ... Kijk nou ’s goed: op dat zilvere bandje om de steel, daar heb ’k op logement jou naam in late graveere ... Is dat voor ’n boef soms niet edel bedacht?... En zooas je me nou ziet, zie je me over vijf en twintig jaar nòg ...”—Je bent ’n rare kerel, Racier. Maar wat kom je nou eigenlijk doen?”—Och, ’n ouwe bajesvrind van mijn was met de nachtboot uit Rotterdam gekomme om werk te zoeke en dat het ie gevonde an ’t witloodfabriek. Nou, toe vroeg ie an mijn, of ’k soms dat retourtje van Amsterdam werom kon gebruike ...”—En je was kome lóópen?”—Of dacht je soms da’k dàt nog niet over had voor zoo’n hartsvrind as jij ben?—Nou, maar dan kàn je me niet ... Snij me hart gerust ope, ’t is één klomp dankbaarheid, man!”—Jawel, dus uit pure vriendschap ben jij, mèt je kaartje op zak, naast de nachtboot mee komen kuieren ...”—Och, man, ’k ben immers al ’s heel van Marseille af komme loope ... Maar dàn zie je wat! As je bij de Hollansche consuls angaat, krijg je effe 7–1/2 ct. per uur voor de trein, ’n logementbriefie, ’n briefie voor de bakkers, en ’n briefie voor wijn. Benne ze èrg menschlievend, dan geve ze je zelfs nog ’n pokkebriefie! Maar die cente die hou je, en om je eige ’s lekker te sarre loop je dan met jou bloederige voete die rijkste kasteele voorbij, tot de luize op je kop beginne te danse van afgunst en chegrijn ...„Maar ’k wou je wat vrage: Of je van dat leve van mijn geen toneelstuk voor de kemedie kon make?... Dan schrijf ik daar zèlfs ’t slotstuk wel an, van hoe ’k met mijn vernederde positie zàt in jou gemeubileerde kamer. Want datgeheim, dat weet jij nog niet, en dat vertel ’k je ... nooit, zoo oud as ’k wor ... Of mot ’k dan soms bij je weg gaan?”
Onze hernieuwde kennismaking in Amsterdam, waar Racier, „as Atheïst zijnde”, de „Natuur” dank voor wist, werd maanden later op minder verrassende wijze bij mij thuis voortgezet. Op een goeden morgen kwam de dienstbode „een echt ènge man” aandienen, die volhield dat hij een intieme vriend van meneer zou zijn. Maar, ’t was zonde dat ze ’t zei,—zóó’n schooier was er nou toch nog nooit an de deur geweest,... wat een raar volk er tusschenbeide ook om meneer kwam. Ze had ’m natuurlijk op stoep laten staan en inspres met de nachtknip gesloten. Hoe ze daar nou mee an moest, met dien griezeligen kerel, die natuurlijk den boel is op kwam nemen om vandaag of morgen in te breken?
—Of ie geen naam had genoemd?”
—Jawel, zooies met ’n Fransche poeha ... maar de vent keek me zoo om te zegge verleielijk an met die glazige ooge, en dadelijk zei ie: mejonkvrouw, uw beeldschoone trekke ben as twee droppels water ’n prinses ... da ’k me doodschaamde voor Marie van hiernaast ... Ja, nou nog mooier, zoo’n meid mog is denke da ’k geen duurder verkering kon krijge, dan die ...”
—Racier, hè? Zei ie dat niet?”
—Wel zoowat, maar met veel meer omhaal d’r bij.”
—Charles Edouard Racier?”
—Ja net ... ’n Echte engert, dat is tie.”
—Verzoek dan mijn vriend le chevalier Charles Edouard Racier naar mijn kamer te komen, Rika—als je zoo vriendelijk wilt zijn. Hij is een Fransch edelman, en alleen omdat ie zoo nederig van aard is, schenkt hij zoo weinig zorg aan z’n toilet ...”
Maar voor het eerst sedert de „goospenning” aarzelde onze gedienstige, om mijn verzoek ten uitvoer te brengen. „As meneer nou soms dacht ... want zoowaar as die tuchthuisboef”—’t was nogmaals zonde dat ze ’t zei—een edelman was, was zij ... ’n ... ’n prinses!
—Daar zag Ridder Racier je immers ook voor aan?”
—Nou, meneer mot ’t wete ... maar as ’t huis in opspraak raakt in de buurt ... enne ... ik weet wel da ’k van nou af geen nacht zonder ’t werveltje op mijn deur slaapt ... Mag ’k dan eerst de overlooper nog effetjes legge?”
Maar nu werd er weer gescheld. Rika schrok rood, vloog naar beneden,—zei: ’t was om de riebel te krijgen, en ik hoorde haar roepen: „as je teminste je beene goed afveegt, want me portaal en me trappe ben net gedaan.”
—Za ’k dan soms me schoene eerst effe uit doen, mijn lieve oogelust?”
—’t Is al lang goed, schiet nou maar op met je smoesies.”
—’k Heb anders ’t grooste respect voor zoo’n edele vrouwe ... en as ’k nog weer ’s in een beter emplooy kom, stuur ’k jou een wit zijde baljapon thuis, met ’n paarle-collier ... meid, hoe zou je bruigom dàn na je kijke? Nòg ’n trap op?... Die stijve poot van me, daar het ’t groote kappitaal met ze wage overheen gerost en gereje, mot je wete ... A’k ’n bom ... chocola had, van die fijne met nougat en crème de vanille ... lus je dat wel? Zoo’n heele groote ... van Suchard uit Parijs?... Wacht ... nee, schoone fee,—’k heb me portemenéé ... Hoor je daar hoe Racier, vóór ’t déjeuner, kan dichte in e?”...
—Ja? Binnen?”
—Je vous souhaite ... eh ... le bienvenu, excellence! A cause de la bonne—ange blonde et mignonne tout àfait digne à la noble famille de votre excellence—je parle ma langue maternelle ...”
Maar met een ontdaan gezicht had Rika al lang de deur nijdig achter ’m dichtgemept.
—Hoe kom jij zoo hier in Rotterdam verzeild, Racier?”
—Op me voete, uedelaardigheid. Van Amsterdam af gelóópe. Gisteravond uit ’t Muierbosschie vertrokke ... en zoo eve binnegekomme door de Delfsche Poort ... Mot je zien? Me voete ben één klomp bloederigheid, maar dat heb ’k best voor ’n ami intime over ... As je me hart doorsnijdt is ’t één anhankelijkheid ...”
—Ga dan zitten, trek je jas uit, en steek ’n sigaar op.”
—’t Is edel. Drie-eenheid van menschlievendigheid. Maar je weet—as atheïst zijnde—mag ’k daar niet an gloove. En zoo is ’t nou hier ook: Die luie stoel van jou, da’ bèd, wil ’k voor niks niet in zitte ... krijg ’k zóó al de hoogheidswaanzin van. En me jas hou ’k an; daar he’k nou mijn idee in, dat ’k m’n eige nie meer ben, as ’k uit die dallesdekker kom kruipe. Da’s nou mijn mantel van de masère ... daarom maak ’k ook die gate nooit dicht ... Want zooas ’t spreekwoord zeit, dat je geen koning mot zien in z’n caleçon, zoo mot je ook ’n boef as ik ben, niet uit z’n dallesdekkertje pelle ...”
—Accoord. Blijf dus stáán met die roovers-uniform aan ...”
—We begrijpe mekaar ... En as je dat fijne segaartje nou heb uitgerookt—da’k eerst méé profiteer van die lucht—geef mijn dan ’t peukie om te pruime. Want ’t is zonde voor ... de Natuur, dat er van zu’k edel kruid een kruimpie verlore mocht gaan. Maar róóke, dat doen ik nooit. As ’k daar an wen, komt ’t mijn te duur...Alleenig, zie je, bij die schilder ... Weet jij nou met jou verstand, waarom ik daar altijd zoo vroeg op dat atelier kwam? Nee,hè, want je kan me nog niet, hoe ’n doortrapte misdadiger as ik in me hart en me niere toch ben, hè? Die man had op dat ouwe kassie—antiek, hoor, Louis Quinze, mot je wéte—zoo’n oud-blauwe pot, zoo’n pul, met tabak. Dat was ’t fijnste ... fijner nog dan habana ... da’ was, za’k sterve op slag, je puur-zuiverste varinas, van ... ja, de Natuur weet ... meschien wel ’n riksdaalder ’t pond, man. Nou mot je wete, dat er één ding op de wereld is, waar de ondergeteekende wel ’n moord voor kan doen, en da’s juist branderige varinas, want as je die rookt, gaan je immédiatement fanteseere.—Snap je ’m al?... Maar je weet nog niet alles.—Hè jij in die dage nou ’s nooit wat vermist?”
—Ik?... Nee, tenminste niet dat ik weet ...”
—Zooisdie rijkdom;—mist niet eens de fijnste spulle van z’n overdaad ... Nou, dan wil ik je wel zegge, dat ’tmijnmeer waard is dan ’t hemelrijk hiernamaals ... ’k Za’ ’t jou late zien. Wacht ...”
Onder z’n sleepjas uit groef ie toen ’n houten pijpje, hield ’t stijf vast in bei z’n handen, en liet daar eerst behoedzaam ’t donkerbruine kopje uitkijken.
—Herken je ’m nou?”
—Jawel, da’s een ouwe pijp van mij ...”
—En vin je ’t nou niet diep treurig dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere vervalt?... Dit pijpie, door een kunstenaar uit ’t alderfijnste hout bewerkt ... objet d’art, waar jij natuurlijk intiem an gehecht was ... dat heb ik van jou, me speciaalste vrind ... gegàpt, alleenig om er uit te kenne rooke die gestole tabak!—Nou, trap je mijn nou dan je huis niet uit? En zeg je niet: Racier, je ben mijn te slecht?... Zou me meevalle.
„Maar ’k weet ’t, je hèt een edel gemoed en daarom vraag ik je, hoe dat pijpie mijn staat? A’k ’t zóó vasthou,as ’n bloem bij z’n steel, teer en lieftallig; kijk ... en dan zoetjes zuige, zoo, langzaam ... Langzaam die rook langs dat verhemelte late glije ... Want zie je, je mot ’n misdaad in z’n intiemste begrijpe; wat datis: voor ’n ... ’n zwerver ... ’n boef, hè ... die toch óók z’n edelste gevoelens wil koestere, as mensch.
„Da’ pijpie, dat het me nou twee jare lang dag en nacht trouw gezelschap gehouwe ... behalve in me cel, want ’k had ’t in me caleçon verborge, maar ze hebben ’t me afgepakt, die ganneve ... Zóó intiem ben ’k daar in me schik mee, omdat ’t precies mijn idee is, of je ’t gedroomd had ... En ’k sterf nog liever, dan da’k wat verkoop of verlies, wa ’k van ’n ami intime as gedachtenis heb ...
„Maar je weet nog niet alles!... As je ’t niet houdt, mag je ’t nog effetjes hebbe ... Kijk nou ’s goed: op dat zilvere bandje om de steel, daar heb ’k op logement jou naam in late graveere ... Is dat voor ’n boef soms niet edel bedacht?... En zooas je me nou ziet, zie je me over vijf en twintig jaar nòg ...”
—Je bent ’n rare kerel, Racier. Maar wat kom je nou eigenlijk doen?”
—Och, ’n ouwe bajesvrind van mijn was met de nachtboot uit Rotterdam gekomme om werk te zoeke en dat het ie gevonde an ’t witloodfabriek. Nou, toe vroeg ie an mijn, of ’k soms dat retourtje van Amsterdam werom kon gebruike ...”
—En je was kome lóópen?”
—Of dacht je soms da’k dàt nog niet over had voor zoo’n hartsvrind as jij ben?—Nou, maar dan kàn je me niet ... Snij me hart gerust ope, ’t is één klomp dankbaarheid, man!”
—Jawel, dus uit pure vriendschap ben jij, mèt je kaartje op zak, naast de nachtboot mee komen kuieren ...”
—Och, man, ’k ben immers al ’s heel van Marseille af komme loope ... Maar dàn zie je wat! As je bij de Hollansche consuls angaat, krijg je effe 7–1/2 ct. per uur voor de trein, ’n logementbriefie, ’n briefie voor de bakkers, en ’n briefie voor wijn. Benne ze èrg menschlievend, dan geve ze je zelfs nog ’n pokkebriefie! Maar die cente die hou je, en om je eige ’s lekker te sarre loop je dan met jou bloederige voete die rijkste kasteele voorbij, tot de luize op je kop beginne te danse van afgunst en chegrijn ...
„Maar ’k wou je wat vrage: Of je van dat leve van mijn geen toneelstuk voor de kemedie kon make?... Dan schrijf ik daar zèlfs ’t slotstuk wel an, van hoe ’k met mijn vernederde positie zàt in jou gemeubileerde kamer. Want datgeheim, dat weet jij nog niet, en dat vertel ’k je ... nooit, zoo oud as ’k wor ... Of mot ’k dan soms bij je weg gaan?”
Hoofdstuk IX.Of ’t nu was in de hoop op een tooneelstuk van zijn levensavonturen, wellicht ook door de bevredigende kwaliteit van de varinas, die ’k voor ’m had laten halen, dan wel dat ’t fantaseerende vertellen hem een passie was geworden—hoe ’t zij, Racier vereerde mij na die zonderlinge introductie met een reeks bezoeken. En zooals de wijs van een draaiorgel, waar willekeurig de slinger afgenomen is, soms midden in een Satz redeloos inzet zoodra de orgelman maar weer aan ’t draaien slaat, zoo kon ook hij vaak een paar dagen na z’n laatste visite mijn kamer binnenstappen, afgetrokken groeten, neerzitten, en aanstonds de episode voortzetten, waarin hij den vorigen keer onverwachts gestoord was. Want—verklaarde hij vaak—hij leefde er nu weer zóó in, in die „gespeelde rollen,” zooals hij zijn leven zag, dat ze ’m dag en nacht bezig hielden en van jaren en jaren terug werd ’t hem weer alles even klaar. Je alles haarfijn te herinneren leerde je trouwens ’t best door dikwijls met „rechters van exstructie” om te gaan; dat waren gladde knapen, en je had er, die de grootste boeven stònden in geslepenheid.Maar affijn. We waren toen tertijd dan gebleven, dat die zéven prefesters in ’t Haagsche ziekenhuis hem, na de kwellingen, as ’t ware hadden gediplemeerd in de doofstommigheid—ja, ’tiswat, die hooge wetenschap!—en dat de edelachtbare burgervader van de koninklijke Residentie—dit zeggende salueerde hij aan z’n pet—hem een vrijpas had gegeven om heel Holland af te stroopen van cente of wat de mensche méér wouwen geven.„Nou is doofstomme koopman een rol waar iedereende duvel an gezien het, omdat je netuurlijk met je gezondheid spot ... waarachtig, ze hebbe d’r allegaar ’n hekel an ... en vooral toe we van De Haag na Alkmaar reze voor de kermis, want daar hadde de pokke ook geheerscht, mot je wete. We ware al gewaarschouwd in de trein, en toe vroeg ’k an me vrouw wat die mensche zeje, omdat ’t allegaar manne met baarde ware. Maar goed, wij namme ’n besluit en ginge!„In Alkmaar—dat zal je ook wel wete—mag je niet met negocie loope, as je geen permissie heb van de commissaris. En een jaar geleje nog had de politie een man, die diezelfde functie uitoefende as ik dee, leere prate, door ’m in de dwangboeie te kluistere. Toe ze ’m die andraaide riep ie: „O lieve God, ou!” en viel door de mande. Goed, dus die logementsvrouw zei al: nou, hèm zelle ze ook vast wel ’n spraaklessie geve, want dat is zeker geen zuivere koffie.—Ik keek me vrouw eris an, die zoo’n beetje kleurde, maar ik ging weer dwars deur dat vuur heen!„As je in Alkmaar bekend ben, dan weet je, dat je daar naast ’t logement zoo’n touwslagerij had, en die man was doofstom gebore. Die vent gaan ik eens een bezoek brenge op de vingers—óók gochem van mijn—om te vragen of ie me ’t pelisiebereau wou wijze. En al pratende met onze hande, loope we same langs de straat, zoodat die commissaris natuurlijk docht, ’t zal wel in orde weze. ’k Liet ’m vanzelfs ook ’t bewijs leze van de zeve perfesters, waarop hij over z’n portemenee ging en mijn f 2.50 ter hand stelde met ’n bewijsie, da’k vrij loope moch gedurende de kerremis, en in de poffertjeskrame en overal toegelate mos worre! Ja, dat grappie het me nog f 322 opgeleverd, want ik ventte met van die voordrachte van Tollens en Laurillard: ’t Kerkp’rtaal, deEchtscheiding, De Onnibus, en zoo, allemaal overgedrukt in Haarlem ... Veel beteekene dee dat niet, maar affijn, ’t volk houdt nou eenmaal van die flausies. En domenee Laurillard is nog een hooge bij de „Zedelijke verbetering van gevangene”, dus die wou ’k wel begunstige ook, want je kon nooit ’s wete ... Eén keer al, in groot Mokum, da ’k pas ontslage was en om werk of ’n paar cente voor de negotie kwam vrage, toe had die diender des geloofs mij alleres begiftigd met ’n ouwe hooge zije! Zukke weldoenders wil je dus in eere houwe, niewaar ... en op d’r beurt ’n voordeeltje gunne ...„Maar as doofstomme zijnde, mot je denke an alles. Soms gooide die mensche wel ’s geld uit de rame, en as ’k dat dan zag, raapte ik ’t wel op; maar viel ’t achter me rug, dan liet ik ’t legge ... Je ben ommers doof óók, moch’ je nooit vergete. Dikwijls genog, da ’k in die herberge kwam, en dat ze mijn riepe: hier, pst, heb je een kwartje.—Da’s hard, hoor, om je eige dan niet ommers te keere ... Maar toch ginge de zakies gesmeerd. Toe’ ze me pakte, had ik in die vier jare tijd nog effe f 3900 overgehouwe ... Affijn, da’s voorbij, en voor ’t vervolg verkeke óók ... Mot je hoore:”In Haarlem lagge we in de Schoolsteeg op logement: de Rookende Kluit ... ook zoo’n dievezooi! Beja, je kan overal geen gestoffeerde kamer betrekke ... en we betaalde er toch nog acht stuivers de nacht voor man, vrouw en vier kindere. Die ware toen één, twee, drie en vier jare oud, en ’t ware de appele van me ooge, want of je die kindere nou ziet of da’ je mijn ziet, is één en ’t zelfde gezicht.„Toe krijgt me vrouw daar op een kwaje nacht, dat ze te veel water met azijn het gedronke, een krampkeliek, en dat mensch gaat zóó allemachies te keer, dat niemandop logement kon slape. Ik staan dus op, klee me eige an, en gaan de straat op om een dokter te hale ...„Maar ’k kon nie prate!?... ja,’t is me wat! En dat om twee ure in die nacht!„Goed, ’k lees overal die bordjes, en eindelijk vind ik op de Gedempte Gracht een huis met een spreekbuis, waar ’k anbel, want daar woonde een medicijnarts. „Wie is daar?”—vrage ze door die buis. Maar ik kan ommers niet hoore of prate. Door dat anhoudende gebel gaat er bove een raam ope, en roept een man: „Vrind, wat mot u?” Maar ik kijk niet na bove. „Nou mot ik wete wat dat is”—zeit de dokter—„want die man ken wel doof weze.” Hij komt ongekleed beneje, zet die deur vierkant voor mijn ope, en om rede ’t licht brandde, schreef ik me boo’schap op ’t leitje. Daar wier die medicijn-arts netuurlijk zóó bedroefd van, dat ie tege ze vrouwtje zeit: „Mina, ’t is al goed; hij is niet alleen doof, maar hij is d’r stom bij .... En immédiatement gaan ’k séance tenante met ’m mee.„Ja, zoo’n rol mot je in al z’n zwaarte en z’n talente verstáán ... Maar tusschebeie spràk ik toch wel ... op die buitewege, as de zon zoo mooi scheen, dat elk vogeltje ging zinge zooas tie gebekt is; ja, dan kon ondergeteekende ’t ook niet langer verdouwe, en hield ik lange voordrachte in ma langue maternelle, want: vive la France, hoor! Poeh ... nou ...„Om kort te gaan, die dokter zeit tege mijn: man, man, ik benij jou zoo’n beeld-schoone, piep-jonge vrouw, en ’t zou wel zonde weze as daar mankemente an kwamme ... Dus, moedertje, ’k zal jou ies voorschrijve, maar as dat soms niet helpt, mot je subitement na ’t gasthuis.—Ik breng op een draffie dat recep’ na die aptheker in de Jansstraat, en daar ik zoo ongelukkig was, heeft ’tmedicijn mijn geen cent gekost ... Alweer ’n bewijs, dus, dat je as schurk zijnde wel goed geholpe wordt, maar as geen fasoendelijk mensch ... ja, die wereld is wat!„Toch holp ’t niet, en die andere ochtend wier mijn Carlientje na ’t ziekehuis overgebracht, en bleef ik met die vier schape van kindere alleenig over op logement.„Maar ’k mos ze achterlate. Anders had ’k ommers geen brood voor d’r lui, en in dat ziekehuis vroege ze ook drie kwartjes per dag en acht dage vooruit ... Dus ik trok er met me doofstommigheid op uit na Amsterdam ...„En toe is ’t gebeurd ... waardoor de ondergeteekende voor z’n levesdage in’t ongeluk is gestort, want om kort te gaan schrijft mijn vrouw toe’ an haar minnaar, die ze had buite mijn wete om: Charles is weg, en ik leg in ’t ziekehuis; kom mijn hale.—Dat was d’r tegenwoordige man; en die kwam uit de Haag, waar ie woonde. Nou, angezien die zuster van ’t gasthuis wel wist dat zij een man had, maar mijn nog nooit bij lijve gezien had, liet ze hem toe, en dacht dat die Judas de ware echtgenoot was van Carlina Fernanca!„Mot je doorgronde zoo’ndramma. En wacht nou effe, da’k eerst me gevoelens vermeestert ...”Racier kwam nu langzaam overeind in z’n lompen-plunje, en ging bij ’t raam staan; veegde tersluiks met den rug van z’n hand de tranen weg.„Groen is goed voor verdriet”—zei ie schor—„daarom kijk ’k nou maar effe na buiten op dat land ... Krijg ’k weer lucht van, in mijn volle gemoed ...”Dan, na een poosje, kwam ie traag in zijn stoel terug; en z’n rooien zakdoek uithalend, verklaarde hij: „die hou ’k maar zoolang in me hand, voor as de droefenis me soms weer overmant ... want wat er nou komt, zal jemet geen droge ooge an kenne hoore ... Dat die beeldschoone vrouw mijn met die sla’baas verleidt ...ruikik ... héél in Amsterdam ... Ja, want ’k wist van niks, hè? En toch wier ’k na Haarlem heengetrokke as door zeve paarde! Dus ik gaan, stort me hart eerst bij me kindere uit .. nou, die hadde ’t daar kollesaal!... Toe nam ik me kwartje in me hand, wat dat ziekebezoek kostte voor ’t onderhoud van dat gebouw—zoo arm as ’t was ... en daar laat die eerwaardige zuster uit d’r mond valle: „Eh, oudt die juffrouw Fernanca d’r dan twéé manne op na?” waarop ik van de schrik me leitje laat valle en riep: „O God, nou ben ’k reddeloos verlore!” Want ik voelde asdat ’t die weduwnaar was, die me toen destijds me vrouw het ontroofd.„Nou, toe was ’k verraje ook. Ik had gesproke met me lijfelijke stem bij mensche die de rechtvaardigheid handhave ... „Echtgenoote, die wij nie kenne, magge niet bij d’r vrouwe worde gelate”—zeit die juffrouw. En dalijk wier de pelisie gehaald, waarop ik vervoerd wier—in volle schande en onteering: te voet—na de Tuchthuisstraat.„De kogel was deur de kerk, en ’t kon me nie’ meer schele ook, want zoo’n leve zonder haar, al verdiende ik ook duzend gulde per dag, was voor ondergeteekendegeenleve!”Toen drukte Racier z’n mageren kop harstochtelijk in den rooden doek, en z’n verschooierde lijf schokte van ’t snikken.
Hoofdstuk IX.
Of ’t nu was in de hoop op een tooneelstuk van zijn levensavonturen, wellicht ook door de bevredigende kwaliteit van de varinas, die ’k voor ’m had laten halen, dan wel dat ’t fantaseerende vertellen hem een passie was geworden—hoe ’t zij, Racier vereerde mij na die zonderlinge introductie met een reeks bezoeken. En zooals de wijs van een draaiorgel, waar willekeurig de slinger afgenomen is, soms midden in een Satz redeloos inzet zoodra de orgelman maar weer aan ’t draaien slaat, zoo kon ook hij vaak een paar dagen na z’n laatste visite mijn kamer binnenstappen, afgetrokken groeten, neerzitten, en aanstonds de episode voortzetten, waarin hij den vorigen keer onverwachts gestoord was. Want—verklaarde hij vaak—hij leefde er nu weer zóó in, in die „gespeelde rollen,” zooals hij zijn leven zag, dat ze ’m dag en nacht bezig hielden en van jaren en jaren terug werd ’t hem weer alles even klaar. Je alles haarfijn te herinneren leerde je trouwens ’t best door dikwijls met „rechters van exstructie” om te gaan; dat waren gladde knapen, en je had er, die de grootste boeven stònden in geslepenheid.Maar affijn. We waren toen tertijd dan gebleven, dat die zéven prefesters in ’t Haagsche ziekenhuis hem, na de kwellingen, as ’t ware hadden gediplemeerd in de doofstommigheid—ja, ’tiswat, die hooge wetenschap!—en dat de edelachtbare burgervader van de koninklijke Residentie—dit zeggende salueerde hij aan z’n pet—hem een vrijpas had gegeven om heel Holland af te stroopen van cente of wat de mensche méér wouwen geven.„Nou is doofstomme koopman een rol waar iedereende duvel an gezien het, omdat je netuurlijk met je gezondheid spot ... waarachtig, ze hebbe d’r allegaar ’n hekel an ... en vooral toe we van De Haag na Alkmaar reze voor de kermis, want daar hadde de pokke ook geheerscht, mot je wete. We ware al gewaarschouwd in de trein, en toe vroeg ’k an me vrouw wat die mensche zeje, omdat ’t allegaar manne met baarde ware. Maar goed, wij namme ’n besluit en ginge!„In Alkmaar—dat zal je ook wel wete—mag je niet met negocie loope, as je geen permissie heb van de commissaris. En een jaar geleje nog had de politie een man, die diezelfde functie uitoefende as ik dee, leere prate, door ’m in de dwangboeie te kluistere. Toe ze ’m die andraaide riep ie: „O lieve God, ou!” en viel door de mande. Goed, dus die logementsvrouw zei al: nou, hèm zelle ze ook vast wel ’n spraaklessie geve, want dat is zeker geen zuivere koffie.—Ik keek me vrouw eris an, die zoo’n beetje kleurde, maar ik ging weer dwars deur dat vuur heen!„As je in Alkmaar bekend ben, dan weet je, dat je daar naast ’t logement zoo’n touwslagerij had, en die man was doofstom gebore. Die vent gaan ik eens een bezoek brenge op de vingers—óók gochem van mijn—om te vragen of ie me ’t pelisiebereau wou wijze. En al pratende met onze hande, loope we same langs de straat, zoodat die commissaris natuurlijk docht, ’t zal wel in orde weze. ’k Liet ’m vanzelfs ook ’t bewijs leze van de zeve perfesters, waarop hij over z’n portemenee ging en mijn f 2.50 ter hand stelde met ’n bewijsie, da’k vrij loope moch gedurende de kerremis, en in de poffertjeskrame en overal toegelate mos worre! Ja, dat grappie het me nog f 322 opgeleverd, want ik ventte met van die voordrachte van Tollens en Laurillard: ’t Kerkp’rtaal, deEchtscheiding, De Onnibus, en zoo, allemaal overgedrukt in Haarlem ... Veel beteekene dee dat niet, maar affijn, ’t volk houdt nou eenmaal van die flausies. En domenee Laurillard is nog een hooge bij de „Zedelijke verbetering van gevangene”, dus die wou ’k wel begunstige ook, want je kon nooit ’s wete ... Eén keer al, in groot Mokum, da ’k pas ontslage was en om werk of ’n paar cente voor de negotie kwam vrage, toe had die diender des geloofs mij alleres begiftigd met ’n ouwe hooge zije! Zukke weldoenders wil je dus in eere houwe, niewaar ... en op d’r beurt ’n voordeeltje gunne ...„Maar as doofstomme zijnde, mot je denke an alles. Soms gooide die mensche wel ’s geld uit de rame, en as ’k dat dan zag, raapte ik ’t wel op; maar viel ’t achter me rug, dan liet ik ’t legge ... Je ben ommers doof óók, moch’ je nooit vergete. Dikwijls genog, da ’k in die herberge kwam, en dat ze mijn riepe: hier, pst, heb je een kwartje.—Da’s hard, hoor, om je eige dan niet ommers te keere ... Maar toch ginge de zakies gesmeerd. Toe’ ze me pakte, had ik in die vier jare tijd nog effe f 3900 overgehouwe ... Affijn, da’s voorbij, en voor ’t vervolg verkeke óók ... Mot je hoore:”In Haarlem lagge we in de Schoolsteeg op logement: de Rookende Kluit ... ook zoo’n dievezooi! Beja, je kan overal geen gestoffeerde kamer betrekke ... en we betaalde er toch nog acht stuivers de nacht voor man, vrouw en vier kindere. Die ware toen één, twee, drie en vier jare oud, en ’t ware de appele van me ooge, want of je die kindere nou ziet of da’ je mijn ziet, is één en ’t zelfde gezicht.„Toe krijgt me vrouw daar op een kwaje nacht, dat ze te veel water met azijn het gedronke, een krampkeliek, en dat mensch gaat zóó allemachies te keer, dat niemandop logement kon slape. Ik staan dus op, klee me eige an, en gaan de straat op om een dokter te hale ...„Maar ’k kon nie prate!?... ja,’t is me wat! En dat om twee ure in die nacht!„Goed, ’k lees overal die bordjes, en eindelijk vind ik op de Gedempte Gracht een huis met een spreekbuis, waar ’k anbel, want daar woonde een medicijnarts. „Wie is daar?”—vrage ze door die buis. Maar ik kan ommers niet hoore of prate. Door dat anhoudende gebel gaat er bove een raam ope, en roept een man: „Vrind, wat mot u?” Maar ik kijk niet na bove. „Nou mot ik wete wat dat is”—zeit de dokter—„want die man ken wel doof weze.” Hij komt ongekleed beneje, zet die deur vierkant voor mijn ope, en om rede ’t licht brandde, schreef ik me boo’schap op ’t leitje. Daar wier die medicijn-arts netuurlijk zóó bedroefd van, dat ie tege ze vrouwtje zeit: „Mina, ’t is al goed; hij is niet alleen doof, maar hij is d’r stom bij .... En immédiatement gaan ’k séance tenante met ’m mee.„Ja, zoo’n rol mot je in al z’n zwaarte en z’n talente verstáán ... Maar tusschebeie spràk ik toch wel ... op die buitewege, as de zon zoo mooi scheen, dat elk vogeltje ging zinge zooas tie gebekt is; ja, dan kon ondergeteekende ’t ook niet langer verdouwe, en hield ik lange voordrachte in ma langue maternelle, want: vive la France, hoor! Poeh ... nou ...„Om kort te gaan, die dokter zeit tege mijn: man, man, ik benij jou zoo’n beeld-schoone, piep-jonge vrouw, en ’t zou wel zonde weze as daar mankemente an kwamme ... Dus, moedertje, ’k zal jou ies voorschrijve, maar as dat soms niet helpt, mot je subitement na ’t gasthuis.—Ik breng op een draffie dat recep’ na die aptheker in de Jansstraat, en daar ik zoo ongelukkig was, heeft ’tmedicijn mijn geen cent gekost ... Alweer ’n bewijs, dus, dat je as schurk zijnde wel goed geholpe wordt, maar as geen fasoendelijk mensch ... ja, die wereld is wat!„Toch holp ’t niet, en die andere ochtend wier mijn Carlientje na ’t ziekehuis overgebracht, en bleef ik met die vier schape van kindere alleenig over op logement.„Maar ’k mos ze achterlate. Anders had ’k ommers geen brood voor d’r lui, en in dat ziekehuis vroege ze ook drie kwartjes per dag en acht dage vooruit ... Dus ik trok er met me doofstommigheid op uit na Amsterdam ...„En toe is ’t gebeurd ... waardoor de ondergeteekende voor z’n levesdage in’t ongeluk is gestort, want om kort te gaan schrijft mijn vrouw toe’ an haar minnaar, die ze had buite mijn wete om: Charles is weg, en ik leg in ’t ziekehuis; kom mijn hale.—Dat was d’r tegenwoordige man; en die kwam uit de Haag, waar ie woonde. Nou, angezien die zuster van ’t gasthuis wel wist dat zij een man had, maar mijn nog nooit bij lijve gezien had, liet ze hem toe, en dacht dat die Judas de ware echtgenoot was van Carlina Fernanca!„Mot je doorgronde zoo’ndramma. En wacht nou effe, da’k eerst me gevoelens vermeestert ...”Racier kwam nu langzaam overeind in z’n lompen-plunje, en ging bij ’t raam staan; veegde tersluiks met den rug van z’n hand de tranen weg.„Groen is goed voor verdriet”—zei ie schor—„daarom kijk ’k nou maar effe na buiten op dat land ... Krijg ’k weer lucht van, in mijn volle gemoed ...”Dan, na een poosje, kwam ie traag in zijn stoel terug; en z’n rooien zakdoek uithalend, verklaarde hij: „die hou ’k maar zoolang in me hand, voor as de droefenis me soms weer overmant ... want wat er nou komt, zal jemet geen droge ooge an kenne hoore ... Dat die beeldschoone vrouw mijn met die sla’baas verleidt ...ruikik ... héél in Amsterdam ... Ja, want ’k wist van niks, hè? En toch wier ’k na Haarlem heengetrokke as door zeve paarde! Dus ik gaan, stort me hart eerst bij me kindere uit .. nou, die hadde ’t daar kollesaal!... Toe nam ik me kwartje in me hand, wat dat ziekebezoek kostte voor ’t onderhoud van dat gebouw—zoo arm as ’t was ... en daar laat die eerwaardige zuster uit d’r mond valle: „Eh, oudt die juffrouw Fernanca d’r dan twéé manne op na?” waarop ik van de schrik me leitje laat valle en riep: „O God, nou ben ’k reddeloos verlore!” Want ik voelde asdat ’t die weduwnaar was, die me toen destijds me vrouw het ontroofd.„Nou, toe was ’k verraje ook. Ik had gesproke met me lijfelijke stem bij mensche die de rechtvaardigheid handhave ... „Echtgenoote, die wij nie kenne, magge niet bij d’r vrouwe worde gelate”—zeit die juffrouw. En dalijk wier de pelisie gehaald, waarop ik vervoerd wier—in volle schande en onteering: te voet—na de Tuchthuisstraat.„De kogel was deur de kerk, en ’t kon me nie’ meer schele ook, want zoo’n leve zonder haar, al verdiende ik ook duzend gulde per dag, was voor ondergeteekendegeenleve!”Toen drukte Racier z’n mageren kop harstochtelijk in den rooden doek, en z’n verschooierde lijf schokte van ’t snikken.
Of ’t nu was in de hoop op een tooneelstuk van zijn levensavonturen, wellicht ook door de bevredigende kwaliteit van de varinas, die ’k voor ’m had laten halen, dan wel dat ’t fantaseerende vertellen hem een passie was geworden—hoe ’t zij, Racier vereerde mij na die zonderlinge introductie met een reeks bezoeken. En zooals de wijs van een draaiorgel, waar willekeurig de slinger afgenomen is, soms midden in een Satz redeloos inzet zoodra de orgelman maar weer aan ’t draaien slaat, zoo kon ook hij vaak een paar dagen na z’n laatste visite mijn kamer binnenstappen, afgetrokken groeten, neerzitten, en aanstonds de episode voortzetten, waarin hij den vorigen keer onverwachts gestoord was. Want—verklaarde hij vaak—hij leefde er nu weer zóó in, in die „gespeelde rollen,” zooals hij zijn leven zag, dat ze ’m dag en nacht bezig hielden en van jaren en jaren terug werd ’t hem weer alles even klaar. Je alles haarfijn te herinneren leerde je trouwens ’t best door dikwijls met „rechters van exstructie” om te gaan; dat waren gladde knapen, en je had er, die de grootste boeven stònden in geslepenheid.
Maar affijn. We waren toen tertijd dan gebleven, dat die zéven prefesters in ’t Haagsche ziekenhuis hem, na de kwellingen, as ’t ware hadden gediplemeerd in de doofstommigheid—ja, ’tiswat, die hooge wetenschap!—en dat de edelachtbare burgervader van de koninklijke Residentie—dit zeggende salueerde hij aan z’n pet—hem een vrijpas had gegeven om heel Holland af te stroopen van cente of wat de mensche méér wouwen geven.
„Nou is doofstomme koopman een rol waar iedereende duvel an gezien het, omdat je netuurlijk met je gezondheid spot ... waarachtig, ze hebbe d’r allegaar ’n hekel an ... en vooral toe we van De Haag na Alkmaar reze voor de kermis, want daar hadde de pokke ook geheerscht, mot je wete. We ware al gewaarschouwd in de trein, en toe vroeg ’k an me vrouw wat die mensche zeje, omdat ’t allegaar manne met baarde ware. Maar goed, wij namme ’n besluit en ginge!
„In Alkmaar—dat zal je ook wel wete—mag je niet met negocie loope, as je geen permissie heb van de commissaris. En een jaar geleje nog had de politie een man, die diezelfde functie uitoefende as ik dee, leere prate, door ’m in de dwangboeie te kluistere. Toe ze ’m die andraaide riep ie: „O lieve God, ou!” en viel door de mande. Goed, dus die logementsvrouw zei al: nou, hèm zelle ze ook vast wel ’n spraaklessie geve, want dat is zeker geen zuivere koffie.—Ik keek me vrouw eris an, die zoo’n beetje kleurde, maar ik ging weer dwars deur dat vuur heen!
„As je in Alkmaar bekend ben, dan weet je, dat je daar naast ’t logement zoo’n touwslagerij had, en die man was doofstom gebore. Die vent gaan ik eens een bezoek brenge op de vingers—óók gochem van mijn—om te vragen of ie me ’t pelisiebereau wou wijze. En al pratende met onze hande, loope we same langs de straat, zoodat die commissaris natuurlijk docht, ’t zal wel in orde weze. ’k Liet ’m vanzelfs ook ’t bewijs leze van de zeve perfesters, waarop hij over z’n portemenee ging en mijn f 2.50 ter hand stelde met ’n bewijsie, da’k vrij loope moch gedurende de kerremis, en in de poffertjeskrame en overal toegelate mos worre! Ja, dat grappie het me nog f 322 opgeleverd, want ik ventte met van die voordrachte van Tollens en Laurillard: ’t Kerkp’rtaal, deEchtscheiding, De Onnibus, en zoo, allemaal overgedrukt in Haarlem ... Veel beteekene dee dat niet, maar affijn, ’t volk houdt nou eenmaal van die flausies. En domenee Laurillard is nog een hooge bij de „Zedelijke verbetering van gevangene”, dus die wou ’k wel begunstige ook, want je kon nooit ’s wete ... Eén keer al, in groot Mokum, da ’k pas ontslage was en om werk of ’n paar cente voor de negotie kwam vrage, toe had die diender des geloofs mij alleres begiftigd met ’n ouwe hooge zije! Zukke weldoenders wil je dus in eere houwe, niewaar ... en op d’r beurt ’n voordeeltje gunne ...
„Maar as doofstomme zijnde, mot je denke an alles. Soms gooide die mensche wel ’s geld uit de rame, en as ’k dat dan zag, raapte ik ’t wel op; maar viel ’t achter me rug, dan liet ik ’t legge ... Je ben ommers doof óók, moch’ je nooit vergete. Dikwijls genog, da ’k in die herberge kwam, en dat ze mijn riepe: hier, pst, heb je een kwartje.—Da’s hard, hoor, om je eige dan niet ommers te keere ... Maar toch ginge de zakies gesmeerd. Toe’ ze me pakte, had ik in die vier jare tijd nog effe f 3900 overgehouwe ... Affijn, da’s voorbij, en voor ’t vervolg verkeke óók ... Mot je hoore:
”In Haarlem lagge we in de Schoolsteeg op logement: de Rookende Kluit ... ook zoo’n dievezooi! Beja, je kan overal geen gestoffeerde kamer betrekke ... en we betaalde er toch nog acht stuivers de nacht voor man, vrouw en vier kindere. Die ware toen één, twee, drie en vier jare oud, en ’t ware de appele van me ooge, want of je die kindere nou ziet of da’ je mijn ziet, is één en ’t zelfde gezicht.
„Toe krijgt me vrouw daar op een kwaje nacht, dat ze te veel water met azijn het gedronke, een krampkeliek, en dat mensch gaat zóó allemachies te keer, dat niemandop logement kon slape. Ik staan dus op, klee me eige an, en gaan de straat op om een dokter te hale ...
„Maar ’k kon nie prate!?... ja,’t is me wat! En dat om twee ure in die nacht!
„Goed, ’k lees overal die bordjes, en eindelijk vind ik op de Gedempte Gracht een huis met een spreekbuis, waar ’k anbel, want daar woonde een medicijnarts. „Wie is daar?”—vrage ze door die buis. Maar ik kan ommers niet hoore of prate. Door dat anhoudende gebel gaat er bove een raam ope, en roept een man: „Vrind, wat mot u?” Maar ik kijk niet na bove. „Nou mot ik wete wat dat is”—zeit de dokter—„want die man ken wel doof weze.” Hij komt ongekleed beneje, zet die deur vierkant voor mijn ope, en om rede ’t licht brandde, schreef ik me boo’schap op ’t leitje. Daar wier die medicijn-arts netuurlijk zóó bedroefd van, dat ie tege ze vrouwtje zeit: „Mina, ’t is al goed; hij is niet alleen doof, maar hij is d’r stom bij .... En immédiatement gaan ’k séance tenante met ’m mee.
„Ja, zoo’n rol mot je in al z’n zwaarte en z’n talente verstáán ... Maar tusschebeie spràk ik toch wel ... op die buitewege, as de zon zoo mooi scheen, dat elk vogeltje ging zinge zooas tie gebekt is; ja, dan kon ondergeteekende ’t ook niet langer verdouwe, en hield ik lange voordrachte in ma langue maternelle, want: vive la France, hoor! Poeh ... nou ...
„Om kort te gaan, die dokter zeit tege mijn: man, man, ik benij jou zoo’n beeld-schoone, piep-jonge vrouw, en ’t zou wel zonde weze as daar mankemente an kwamme ... Dus, moedertje, ’k zal jou ies voorschrijve, maar as dat soms niet helpt, mot je subitement na ’t gasthuis.—Ik breng op een draffie dat recep’ na die aptheker in de Jansstraat, en daar ik zoo ongelukkig was, heeft ’tmedicijn mijn geen cent gekost ... Alweer ’n bewijs, dus, dat je as schurk zijnde wel goed geholpe wordt, maar as geen fasoendelijk mensch ... ja, die wereld is wat!
„Toch holp ’t niet, en die andere ochtend wier mijn Carlientje na ’t ziekehuis overgebracht, en bleef ik met die vier schape van kindere alleenig over op logement.
„Maar ’k mos ze achterlate. Anders had ’k ommers geen brood voor d’r lui, en in dat ziekehuis vroege ze ook drie kwartjes per dag en acht dage vooruit ... Dus ik trok er met me doofstommigheid op uit na Amsterdam ...
„En toe is ’t gebeurd ... waardoor de ondergeteekende voor z’n levesdage in’t ongeluk is gestort, want om kort te gaan schrijft mijn vrouw toe’ an haar minnaar, die ze had buite mijn wete om: Charles is weg, en ik leg in ’t ziekehuis; kom mijn hale.—Dat was d’r tegenwoordige man; en die kwam uit de Haag, waar ie woonde. Nou, angezien die zuster van ’t gasthuis wel wist dat zij een man had, maar mijn nog nooit bij lijve gezien had, liet ze hem toe, en dacht dat die Judas de ware echtgenoot was van Carlina Fernanca!
„Mot je doorgronde zoo’ndramma. En wacht nou effe, da’k eerst me gevoelens vermeestert ...”
Racier kwam nu langzaam overeind in z’n lompen-plunje, en ging bij ’t raam staan; veegde tersluiks met den rug van z’n hand de tranen weg.
„Groen is goed voor verdriet”—zei ie schor—„daarom kijk ’k nou maar effe na buiten op dat land ... Krijg ’k weer lucht van, in mijn volle gemoed ...”
Dan, na een poosje, kwam ie traag in zijn stoel terug; en z’n rooien zakdoek uithalend, verklaarde hij: „die hou ’k maar zoolang in me hand, voor as de droefenis me soms weer overmant ... want wat er nou komt, zal jemet geen droge ooge an kenne hoore ... Dat die beeldschoone vrouw mijn met die sla’baas verleidt ...ruikik ... héél in Amsterdam ... Ja, want ’k wist van niks, hè? En toch wier ’k na Haarlem heengetrokke as door zeve paarde! Dus ik gaan, stort me hart eerst bij me kindere uit .. nou, die hadde ’t daar kollesaal!... Toe nam ik me kwartje in me hand, wat dat ziekebezoek kostte voor ’t onderhoud van dat gebouw—zoo arm as ’t was ... en daar laat die eerwaardige zuster uit d’r mond valle: „Eh, oudt die juffrouw Fernanca d’r dan twéé manne op na?” waarop ik van de schrik me leitje laat valle en riep: „O God, nou ben ’k reddeloos verlore!” Want ik voelde asdat ’t die weduwnaar was, die me toen destijds me vrouw het ontroofd.
„Nou, toe was ’k verraje ook. Ik had gesproke met me lijfelijke stem bij mensche die de rechtvaardigheid handhave ... „Echtgenoote, die wij nie kenne, magge niet bij d’r vrouwe worde gelate”—zeit die juffrouw. En dalijk wier de pelisie gehaald, waarop ik vervoerd wier—in volle schande en onteering: te voet—na de Tuchthuisstraat.
„De kogel was deur de kerk, en ’t kon me nie’ meer schele ook, want zoo’n leve zonder haar, al verdiende ik ook duzend gulde per dag, was voor ondergeteekendegeenleve!”
Toen drukte Racier z’n mageren kop harstochtelijk in den rooden doek, en z’n verschooierde lijf schokte van ’t snikken.