V.De wolf in hem spreekt.Pierrothad, tot vóór twee jaren, gemeend, dat hij een van de gelukkigste menschen was in de uitgestrekte wildernis. Dat was vóórLa Mort Rouge—de Roode Ziekte—uitbrak. Hij was een halve Franschman en had de dochter getrouwd van een opperhoofd der Cree's en in hun houten hut bij de Grijze Fuut hadden zij vele jaren geleefd in grooten voorspoed en geluk.Pierrotwas trotsch op drie zaken in zijn onmiddellijke omgeving, hij was ontzaglijk trotsch op Wyola, zijn vrouw van koninklijken bloede; hij was trotsch op zijn dochter en hij was trotsch op zijn reputatie als jager. Totdat de Roode Ziekte kwam, was het leven volmaakt voor hem geweest. Daarna—nu twee jaren geleden—was zijn vrouw aan de pokken gestorven. Hij bleef wonen in zijn hutje bij de Grijze Fuut, maar hij was een anderePierrotgeworden. Zijn hart was zwaar in hem. Hij zou gestorven zijn, als zijn dochter er niet geweest was, Nepeese. Zijn vrouw had haar Nepeese genoemd, wat beteekent „de Wilg”. Nepeese was waarlijk opgegroeid als een wilg, slank en buigzaam als een riet en met al haar moeders wilde schoonheid had zij toch ook zichtbaar Fransch bloed in de aderen. Zij was bijna zeventien jaar, had groote, prachtige, donkere oogen en haar zoo weelderig, dat een agent van een maatschappij uit Montreal, die in hun buurt was gekomen, het eens had willen koopen. Het viel in twee glanzende vlechten, elk van de dikte van een manspols, bijna tot aan haar knieën.„Non, M'sieu,” hadPierrotgezegd, terwijl er iets schitterde in zijn oogen, toen hij de uitdrukking op het gelaat van den agent gewaar werd. „Ze zijn niet te koop.”Baree geraakte op zijn zwerftochten op het gebied, waarPierrotzijn vallen uitzette, en bleef daar. Het was een ideale plek om te jagen. Twee dagen later kwamPierrotthuis met een bekommerd gezicht.„Er is een beest in de buurt, dat de jonge bevers doodt.” vertelde hij in het Fransch aan Nepeese. „Een lynx of een wolf. Morgen....” Hij haalde zijn magere schouders op en glimlachte tegen haar.„Wij gaan op de jacht,” lachte Nepeese vroolijk, in haar zacht klinkend Indiaansch.WanneerPierrotop deze manier tegen haar glimlachte en begon met „morgen”, beteekende dit altijd, dat zij met hem mee mocht gaan op avontuur.Nog een dag later, tegen het eind van den middag, stak Baree de Grijze Fuut over, over een bruggetje van drijfhout, dat zich gevormd had tusschen twee boomstammen. Dit lag in noordelijke richting. Vlak tegenover dit bruggetje was een kleine open vlakte en aan den rand hiervan bleef Baree stilstaan, om naar de laatste stralen van de ondergaande zon te kijken. Zooals hij daar bewegingloos stond en luisterde met gespitste oortjes, hangenden staart en den reuk van het onbekende gebied opsnuivend, was er geen enkele boschbewoner, die hem niet voor een wolvejong zou hebben gehouden.Achter een boschje jonge balsemstruiken, een honderd meter verder, haddenPierroten Nepeese hem het bruggetje over zien gaan. Nu was het tijd enPierrotlegde zijn geweer aan. Toen pas raakte Nepeese zacht zijn arm aan. Zij haalde opgewonden adem, terwijl zij fluisterde:„Nootawe, laat mij schieten. Ik kan hem ook wel raken!” Met een zacht gegrinnik gafPierrothaar zijn geweer over. Hij rekende het jong al dood. Want Nepeese kon op dezen afstand een kogel zenden in een doelpunt van een centimeter in het vierkant. En Nepeese, zorgvuldig mikkend op Baree, trok met haar bruinen wijsvinger stevig aan den trekker.Terwijl zij dit deed, maakte Baree een luchtsprong. Hij voelde de kracht van den kogel, nog vóór hij het geweer hoorde afgaan. Hij viel ervan om en rolde door alsof hij een verschrikkelijken slag met een knuppel ontvangen had. In 't eerste oogenblik voelde hij geen pijn. Toen sneed zij door hem heen als een mes vanvuur en door die pijn overheerschte zijn hondenhart al zijn overige gevoelens en hij liet een klagelijk jongehondjesgejank hooren terwijl hij om en om tuimelde.Pierroten Nepeese waren van achter de balsemstruiken te voorschijn gekomen. De mooie oogen van de Wilg straalden van trots over de juistheid van haar schot. Maar plotseling hield zij haar adem in. Krampachtig omklemde zij den loop van haar geweer. Het gegrinnik van voldoening bestierfPierrotop de lippen, toen Baree's jammerkreten de lucht vervulden.„Uchi Moosis!” hijgde Nepeese in haar eigen taal.Pierrotnam zijn geweer terug.„Wat! Een hond! Een jong hondje!” riep hij uit.Hij zette Baree achterna. Maar in hun verbazing hadden zij een paar sekonden verloren laten gaan en Baree's verdoofde zintuigen hadden zich hersteld. Hij zag hen duidelijk zooals zij daar over de vlakte kwamen—een nieuw soort bosch-monsters! Met een afscheidsjank sprong hij in de schaduw van de boomen.De zon was nu bijna onder en hij haastte zich naar het donkere bosch in de nabijheid van de kreek. Hij had gerild bij het gezicht van den beer en den eland, maar voor de eerste maal begreep hij nu de werkelijke beteekenis van het gevaar. En het was hem op de hielen. Hij hoorde het gedruisch, dat die tweepootige dieren maakten, terwijl zij hem achtervolgden; vreemde kreten klonken vlak achter hem—en toen plofte hij onverwachts in een gat. Het gaf hem een schok toen hij zoo plotseling den grond onder zich voelde wegglijden, maar hij jankte niet. Hij was nu weer geheel en al wolf. Hij kreeg de aandrift zich niet te bewegen, geen geluid te geven, ternauwernood te ademen. Hij hoorde de stemmen nu vlak boven zich, de vreemde voeten trapten bijna in het gat waar hij lag. Uitkijkend uit zijn donkeren schuilhoek kon hij een van zijn vijanden zien. Het was Nepeese, de Wilg. Zij stond zoo, dat de laatste zonnestralen op haar gelaat vielen. Baree kon zijn oogen niet van haar afhouden. Hij werd, ondanks zijn pijn, wonderlijk geboeid.En toen bracht het meisje de beide handen aan den mond enmet een stem die zacht en klagelijk en wonderlijk troostend was voor zijn verschrikt hartje riep zij:„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”En toen hoorde hij een andere stem en ook deze was lang zoo verschrikkelijk niet als de meeste geluiden, die hij in het bosch gehoord had.„Wij kunnen hem niet vinden, Nepeese,” zeide hij. „Hij is weggekropen om te sterven. Hij is zwaar gewond. Kom maar mee.”Op de plek waar zij Baree hadden zien staan hieldPierroteven stil en wees naar een berkeboompje, waarvan de stam doorboord was door het schot van de Wilg. Nepeese begreep hem. Het stammetje, niet dikker dan haar duim, had de richting van den kogel een weinig doen veranderen en daardoor Baree gered van een onmiddellijken dood.Zij keerde zich nochmaals om en riep:„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”In haar oogen stond nu geen moordlust meer te lezen.„Hij zou dat toch niet begrijpen,” zeidePierrot, doorloopende. „Hij is verwilderd—stamt van de wolven af. Misschien is hij wel een jong van die teef van Koomo, die verleden winter weg is geloopen om met de wolven mee op jacht te gaan.”„En nu zal hij sterven—”„Ayetun—ja, hij zal sterven.”Maar Baree dacht er niet over om dood te gaan. Hij was veel te taai om doodelijk gewond te worden door een kogel, die het zachte vleesch van zijn voorpoot doorboorde. Want dat was gebeurd. De kogel was tot op het been toe doorgedrongen, maar het been zelf was niet geraakt. Hij wachtte tot de maan was opgekomen voor hij het gat uitkroop.Zijn poot was nu stijf geworden; hij bloedde niet meer, maar zijn heele lijf werd gemarteld door een vreeselijke pijn. Bij elke beweging die hij maakte, flitste die door hem heen en toch bleef hij zich bewegen. Instinktmatig begreep hij, dat hij door uit deze streek weg te gaan buiten gevaar raakte. En het was maargoed ook, dat hij dit deed, want een tijdje later kwam er een stekelvarken langs, op zijn dwaze manier tegen zichzelf babbelend en viel met een harden plof in het gat. Als Baree erin gelegen had, zou hij zóó vol stekelvarkenspennen geraakt zijn, dat hij er zeker aan gestorven was.En in een ander opzicht was de beweging goed voor hem. Het gaf zijn wond geen gelegenheid om te „ustao”, zooalsPierrothet zou hebben uitgedrukt, want in waarheid was zij meer pijnlijk dan gevaarlijk. Gedurende de eerste honderd meter hobbelde hij op drie pooten voort en naderhand bemerkte hij, dat hij den vierden ook wel kon gebruiken als hij er wat voorzichtig mee was. Hij volgde een halve mijl lang de kreek. Wanneer er een struik of plant langs zijn wond schuurde, grauwde hij daar woedend tegen en wanneer hij weer zoo'n pijnscheut kreeg, begon hij te grommen en te tandenknarsen in plaats van te janken, zooals in het begin. Nu hij uit het gat was gekropen, had het schot van de Wilg elken droppel van zijn wolvenbloed in beroering gebracht. Er groeide iets in hem—een gevoel van woede, niet tegen een voorwerp in het bizonder, maar tegen alles. Het was niet de sensatie, waarmee hij Papayuchisew, den jongen uil, bevochten had, dien dag, dat hij er voor het eerst alleen op uit getrokken was. Dezen nacht was zijn hondennatuur geheel ingesluimerd. Een opeenstapeling van ongelukken was over hem gekomen en door deze ongelukken—waarbij de pijn, die hij nu had, kwam—was de wolf in hem opgestaan, woest en wraakzuchtig. Het was voor het eerst dat hij bij nacht reisde. Hij was, op dit oogenblik bang voor niets, wat er uit de duisternis te voorschijn zou kunnen komen. De zwartste schaduwen hadden hun griezeligheid verloren. Zijn eerste groote gevecht tusschen de twee naturen, die in hem waren, den hond en den wolf, was geleverd en de wolf had overwonnen. Nu en dan bleef hij stilstaan om zijn wond te likken en onder het likken gromde hij, alsof hij die wond een persoonlijken wrok toedroeg. AlsPierrothem had kunnen zien zou hij spoedig begrepen hebben wat dit beteekende en hij zou gezegd hebben: „Laat hem maar doodgaan.De knuppel zal er dien duivel bij hem toch niet uitkrijgen.”In deze stemming bereikte Baree een uur later, uit het donkere bosch bij de kreek komend, het meer open gedeelte van een kleine vlakte, die langs een heuvelrug liep. In deze vlakte jaagde Oohoomisew. Oohoomisew was een groote sneeuwuil. Hij was de patriarch van alle uilen inPierrot's vallengebied. Hij was zoo oud, dat hij zoo goed als blind was. Daarom ging hij niet op de jacht zooals andere uilen dat doen. Hij verborg zich niet in de toppen der donkere dennen of balsemstruiken, noch dreef hij zachtjes door de nachtlucht, gereed in een oogwenk neer te schieten op zijn prooi. Zijn gezicht was zoo armzalig, dat hij uit den top van een boom een konijn heelemaal niet zou hebben kunnen zien en hij zou een vos voor een muis gehouden hebben. Daarom verschanste de oude Oohoomisew, door ondervinding wijs geworden, zich in een hinderlaag. Hij placht op den grond neer te hurken, met Jobsgeduld te wachten tot er iets zijn kant uitkwam, dat hem als voedsel kon dienen. Nu en dan beging hij een fout. Twee keer had hij een lynx aangezien voor een konijn en in den tweeden aanval had hij er een poot bij verspeeld, zoodat hij, wanneer hij overdag te dommelen zat, zich met één poot aan zijn tak vast moest klemmen. Hoewel kreupel, bijna blind en zoo oud, dat hij al lang geleden de bosjes veeren over zijn ooren verloren had, was Oohoomisew toch nog een reus van kracht en wanneer hij boos was, was het snappen van zijn snavel op twintig meter afstand te hooren.Drie nachten lang was hij onfortuinlijk geweest en vannacht al buitengewoon. Twee konijnen waren langs hem gekomen en hij had beiden aangevallen. Het eerste had hij heelemaal niet te pakken kunnen krijgen; het tweede was hem ontsnapt, na hem een snavelvol haar achter te hebben gelaten—en dat was al. Hij was totaal uitgehongerd en scherpte in een allerslechtst humeur zijn snavel toen hij Baree hoorde naderen. Zelfs al had Baree onder den struik kunnen kijken en Oohoomisew in zijn schuilhoek zien loeren, valt het te betwijfelen of hij wel veel opzij gegaan zou zijn. Zijn eigen vechtlust was ontwaakt. Hij, eveneens, wasbereid tot den strijd, zoo hij zijn vijand maar even aan kon.Heel onduidelijk zag Oohoomisew hem door de kleine vlakte naderkomen. Hij kromp in elkaar. Zijn veeren gingen overeind staan tot hij een bal geleek. Zijn bijna lichtlooze oogen gloeiden als twee blauwachtige vuurpoelen. Tien voet van hem af stond Baree stil om zijn wond te likken. Oohoomisew wachtte, uit voorzorg. Baree liep door en ging bijna rakelings den struik langs. Met een snel gehuppel en een plotseling gedonder van zijn machtige wieken was de groote uil boven op hem.Ditmaal gaf Baree geen geluid van pijn of schrik. De wolf is „kipichimao”, zooals de Indianen zeggen. Geen jager heeft ooit een in de val geraakten wolf om genade hooren huilen als hij den kogel ontving of met den knuppel werd afgemaakt. Hij sterft, terwijl hij zijn slagtanden toont. Oohoomisew viel dezen nacht het jong van een wolf aan en geen hondenjong. De eerste aanval van den uil deed Baree omver tuimelen en een oogenblik werd hij half gesmoord onder de uitgespreide, groote vleugels, terwijl Oohoomisew, hem onder houdend, al zijn best deed hem met zijn eenigen goeden klauw te pakken te krijgen en er met zijn snavel heftig op los hakte. Eén houw van dien snavel ergens in zijn kop en een konijn zou dood geweest zijn, maar Oohoomisew kwam al dadelijk tot de ontdekking, dat het geen konijn was, dat hij daar onder zijn vleugels hield. Een snauw, die hem het bloed deed verstijven, was het antwoord, dat hij kreeg en Oohoomisew herinnerde zich den lynx, zijn verloren poot en de moeite, die hij gehad had om te ontkomen. De oude vrijbuiter had den aftocht kunnen blazen, maar Baree was niet langer de onervaren kleine Baree van toen hij Papayuchisew bevocht. Ondervinding en ontberingen hadden hem gehard en wijzer gemaakt: zijn kaken en tanden waren snel van den been-likleeftijd tot den been-vermorzelleeftijd gegroeid—en vóór Oohoomisew er vandoor kon gaan (zoo hij er al over dacht) sloten Baree's kaken zich met een geduchten knauw om zijn eenigen goeden poot.In de stilte van den nacht weerklonk er een nog veel krachtigervleugelgedonder en eenige oogenblikken moest Baree de oogen dichthouden om niet verblind te worden door Oohoomisew's woedende slagen. Maar hij hield stevig vast en toen zijn tanden in het vleesch sneden van den ouden vrijbuiter leek zijn nijdig gegrom Oohoomisew een onheilspellende uitdaging toe. Een gelukkig toeval had gemaakt, dat hij dien poot te pakken had gekregen en Baree wist, dat overwinning of nederlaag ervan afhing of hij dien wist vast te houden.De oude uil had geen anderen klauw om hem mee in bedwang te houden en het was hem onmogelijk—door de wijze waarop hij werd vastgehouden—Baree met zijn snavel te wonden. Daarom bleef hij maar steeds doorslaan met zijn vleugels, die vier voet spanning hadden. Zij maakten wel veel lawaai, maar deden Baree geen pijn. Hij beet nog dieper door. Hij begon hoe langer hoe nijdiger te grommen, toen hij Oohoomisew's bloed proefde en meer en meer groeide de begeerte in hem, dit monster van den nacht te dooden, alsof hij door de vernietiging van dit dier de gelegenheid kreeg zich te wreken voor al de pijn en al de ontberingen, die hij geleden had nadat hij zijn moeder verloren had. En het was merkwaardig, dat Oohoomisew nooit tevoren zoo'n grooten angst gevoeld had. De lynx had maar eens naar hem gehapt en had hem met één poot achtergelaten. Maar de lynx had niet op zoo'n wolvenmanier tegen hem gegromd en had zich niet aan hem vastgeklemd. Duizend en één nacht had Oohoomisew geluisterd naar het wolvengehuil en zijn instinkt had hem de beteekenis ervan verteld. Hij had den troep snel voort zien glijden in de duisternis en altijd wanneer zij langs kwamen had hij zich in de zwartste schaduwen verborgen. Voor hem, evenals voor alle andere wilde schepselen, stond dat wolvengehuil gelijk met den dood. Maar nu, nu Baree's tanden om zijn poot geklemd waren, begreep hij pas ten volle den angst voor den wolf. Die had jaren noodig gehad om in zijn dommen suffen kop door te dringen—maar nu hij begreep, was hij erdoor bezeten als nooit tevoren door iets in zijn leven. Plotseling hield hij op met zijn geklapwiek en wierp zich de lucht in. Als reusachtige waaierssloegen zijn machtige vleugels door de lucht en Baree voelde zich plotseling de hoogte ingaan.Maar hij hield vast en een oogenblik later kwam hij met een smak weer neer.Oohoomisew probeerde het nog eens. Ditmaal slaagde hij beter en steeg volle zes voet op met Baree. Zij vielen opnieuw terug. Een derde maal trachtte de oude bandiet zich te bevrijden van Baree's greep en daarna, uitgeput, bleef hij liggen, met zijn reusachtige vleugels uitgespreid, sissend en klappend met zijn snavel. Onder deze vleugels werkte Baree's brein met het snelle instinkt van den moordenaar. Plotseling veranderde hij van taktiek en begroef zijn tanden in het onderlijf van Oohoomisew. Zij zonken diep in de veeren. Behendig als Baree geweest was, Oohoomisew was er even snel bij, om gebruik te maken van zijn voordeel. In een oogwenk steeg hij opwaarts. Een hevige ruk, veeren, die naar alle kanten neervielen—en Baree bleef alleen op het slagveld achter.Hij had niet gedood, maar hij had toch de overwinning behaald. Zijn eerste groote dag—of nacht—was gekomen. De wereld was vol beloften voor hem. En na een oogenblik ging hij rechtop zitten, snoof den reuk in van zijn verslagen vijand en toen—als om het gevederde monster, dat hij zoo goed zijn deel gegeven had, uit te dagen terug te komen en het gevecht voort te zetten tot den dood toe—hief hij zijn spits snuitje op naar de sterren en zond zijn eerste baby-wolfsgehuil den nacht in.
Pierrothad, tot vóór twee jaren, gemeend, dat hij een van de gelukkigste menschen was in de uitgestrekte wildernis. Dat was vóórLa Mort Rouge—de Roode Ziekte—uitbrak. Hij was een halve Franschman en had de dochter getrouwd van een opperhoofd der Cree's en in hun houten hut bij de Grijze Fuut hadden zij vele jaren geleefd in grooten voorspoed en geluk.Pierrotwas trotsch op drie zaken in zijn onmiddellijke omgeving, hij was ontzaglijk trotsch op Wyola, zijn vrouw van koninklijken bloede; hij was trotsch op zijn dochter en hij was trotsch op zijn reputatie als jager. Totdat de Roode Ziekte kwam, was het leven volmaakt voor hem geweest. Daarna—nu twee jaren geleden—was zijn vrouw aan de pokken gestorven. Hij bleef wonen in zijn hutje bij de Grijze Fuut, maar hij was een anderePierrotgeworden. Zijn hart was zwaar in hem. Hij zou gestorven zijn, als zijn dochter er niet geweest was, Nepeese. Zijn vrouw had haar Nepeese genoemd, wat beteekent „de Wilg”. Nepeese was waarlijk opgegroeid als een wilg, slank en buigzaam als een riet en met al haar moeders wilde schoonheid had zij toch ook zichtbaar Fransch bloed in de aderen. Zij was bijna zeventien jaar, had groote, prachtige, donkere oogen en haar zoo weelderig, dat een agent van een maatschappij uit Montreal, die in hun buurt was gekomen, het eens had willen koopen. Het viel in twee glanzende vlechten, elk van de dikte van een manspols, bijna tot aan haar knieën.
„Non, M'sieu,” hadPierrotgezegd, terwijl er iets schitterde in zijn oogen, toen hij de uitdrukking op het gelaat van den agent gewaar werd. „Ze zijn niet te koop.”
Baree geraakte op zijn zwerftochten op het gebied, waarPierrotzijn vallen uitzette, en bleef daar. Het was een ideale plek om te jagen. Twee dagen later kwamPierrotthuis met een bekommerd gezicht.
„Er is een beest in de buurt, dat de jonge bevers doodt.” vertelde hij in het Fransch aan Nepeese. „Een lynx of een wolf. Morgen....” Hij haalde zijn magere schouders op en glimlachte tegen haar.
„Wij gaan op de jacht,” lachte Nepeese vroolijk, in haar zacht klinkend Indiaansch.
WanneerPierrotop deze manier tegen haar glimlachte en begon met „morgen”, beteekende dit altijd, dat zij met hem mee mocht gaan op avontuur.
Nog een dag later, tegen het eind van den middag, stak Baree de Grijze Fuut over, over een bruggetje van drijfhout, dat zich gevormd had tusschen twee boomstammen. Dit lag in noordelijke richting. Vlak tegenover dit bruggetje was een kleine open vlakte en aan den rand hiervan bleef Baree stilstaan, om naar de laatste stralen van de ondergaande zon te kijken. Zooals hij daar bewegingloos stond en luisterde met gespitste oortjes, hangenden staart en den reuk van het onbekende gebied opsnuivend, was er geen enkele boschbewoner, die hem niet voor een wolvejong zou hebben gehouden.
Achter een boschje jonge balsemstruiken, een honderd meter verder, haddenPierroten Nepeese hem het bruggetje over zien gaan. Nu was het tijd enPierrotlegde zijn geweer aan. Toen pas raakte Nepeese zacht zijn arm aan. Zij haalde opgewonden adem, terwijl zij fluisterde:
„Nootawe, laat mij schieten. Ik kan hem ook wel raken!” Met een zacht gegrinnik gafPierrothaar zijn geweer over. Hij rekende het jong al dood. Want Nepeese kon op dezen afstand een kogel zenden in een doelpunt van een centimeter in het vierkant. En Nepeese, zorgvuldig mikkend op Baree, trok met haar bruinen wijsvinger stevig aan den trekker.
Terwijl zij dit deed, maakte Baree een luchtsprong. Hij voelde de kracht van den kogel, nog vóór hij het geweer hoorde afgaan. Hij viel ervan om en rolde door alsof hij een verschrikkelijken slag met een knuppel ontvangen had. In 't eerste oogenblik voelde hij geen pijn. Toen sneed zij door hem heen als een mes vanvuur en door die pijn overheerschte zijn hondenhart al zijn overige gevoelens en hij liet een klagelijk jongehondjesgejank hooren terwijl hij om en om tuimelde.
Pierroten Nepeese waren van achter de balsemstruiken te voorschijn gekomen. De mooie oogen van de Wilg straalden van trots over de juistheid van haar schot. Maar plotseling hield zij haar adem in. Krampachtig omklemde zij den loop van haar geweer. Het gegrinnik van voldoening bestierfPierrotop de lippen, toen Baree's jammerkreten de lucht vervulden.
„Uchi Moosis!” hijgde Nepeese in haar eigen taal.
Pierrotnam zijn geweer terug.
„Wat! Een hond! Een jong hondje!” riep hij uit.
Hij zette Baree achterna. Maar in hun verbazing hadden zij een paar sekonden verloren laten gaan en Baree's verdoofde zintuigen hadden zich hersteld. Hij zag hen duidelijk zooals zij daar over de vlakte kwamen—een nieuw soort bosch-monsters! Met een afscheidsjank sprong hij in de schaduw van de boomen.
De zon was nu bijna onder en hij haastte zich naar het donkere bosch in de nabijheid van de kreek. Hij had gerild bij het gezicht van den beer en den eland, maar voor de eerste maal begreep hij nu de werkelijke beteekenis van het gevaar. En het was hem op de hielen. Hij hoorde het gedruisch, dat die tweepootige dieren maakten, terwijl zij hem achtervolgden; vreemde kreten klonken vlak achter hem—en toen plofte hij onverwachts in een gat. Het gaf hem een schok toen hij zoo plotseling den grond onder zich voelde wegglijden, maar hij jankte niet. Hij was nu weer geheel en al wolf. Hij kreeg de aandrift zich niet te bewegen, geen geluid te geven, ternauwernood te ademen. Hij hoorde de stemmen nu vlak boven zich, de vreemde voeten trapten bijna in het gat waar hij lag. Uitkijkend uit zijn donkeren schuilhoek kon hij een van zijn vijanden zien. Het was Nepeese, de Wilg. Zij stond zoo, dat de laatste zonnestralen op haar gelaat vielen. Baree kon zijn oogen niet van haar afhouden. Hij werd, ondanks zijn pijn, wonderlijk geboeid.
En toen bracht het meisje de beide handen aan den mond enmet een stem die zacht en klagelijk en wonderlijk troostend was voor zijn verschrikt hartje riep zij:
„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”
En toen hoorde hij een andere stem en ook deze was lang zoo verschrikkelijk niet als de meeste geluiden, die hij in het bosch gehoord had.
„Wij kunnen hem niet vinden, Nepeese,” zeide hij. „Hij is weggekropen om te sterven. Hij is zwaar gewond. Kom maar mee.”
Op de plek waar zij Baree hadden zien staan hieldPierroteven stil en wees naar een berkeboompje, waarvan de stam doorboord was door het schot van de Wilg. Nepeese begreep hem. Het stammetje, niet dikker dan haar duim, had de richting van den kogel een weinig doen veranderen en daardoor Baree gered van een onmiddellijken dood.
Zij keerde zich nochmaals om en riep:
„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”
In haar oogen stond nu geen moordlust meer te lezen.
„Hij zou dat toch niet begrijpen,” zeidePierrot, doorloopende. „Hij is verwilderd—stamt van de wolven af. Misschien is hij wel een jong van die teef van Koomo, die verleden winter weg is geloopen om met de wolven mee op jacht te gaan.”
„En nu zal hij sterven—”
„Ayetun—ja, hij zal sterven.”
Maar Baree dacht er niet over om dood te gaan. Hij was veel te taai om doodelijk gewond te worden door een kogel, die het zachte vleesch van zijn voorpoot doorboorde. Want dat was gebeurd. De kogel was tot op het been toe doorgedrongen, maar het been zelf was niet geraakt. Hij wachtte tot de maan was opgekomen voor hij het gat uitkroop.
Zijn poot was nu stijf geworden; hij bloedde niet meer, maar zijn heele lijf werd gemarteld door een vreeselijke pijn. Bij elke beweging die hij maakte, flitste die door hem heen en toch bleef hij zich bewegen. Instinktmatig begreep hij, dat hij door uit deze streek weg te gaan buiten gevaar raakte. En het was maargoed ook, dat hij dit deed, want een tijdje later kwam er een stekelvarken langs, op zijn dwaze manier tegen zichzelf babbelend en viel met een harden plof in het gat. Als Baree erin gelegen had, zou hij zóó vol stekelvarkenspennen geraakt zijn, dat hij er zeker aan gestorven was.
En in een ander opzicht was de beweging goed voor hem. Het gaf zijn wond geen gelegenheid om te „ustao”, zooalsPierrothet zou hebben uitgedrukt, want in waarheid was zij meer pijnlijk dan gevaarlijk. Gedurende de eerste honderd meter hobbelde hij op drie pooten voort en naderhand bemerkte hij, dat hij den vierden ook wel kon gebruiken als hij er wat voorzichtig mee was. Hij volgde een halve mijl lang de kreek. Wanneer er een struik of plant langs zijn wond schuurde, grauwde hij daar woedend tegen en wanneer hij weer zoo'n pijnscheut kreeg, begon hij te grommen en te tandenknarsen in plaats van te janken, zooals in het begin. Nu hij uit het gat was gekropen, had het schot van de Wilg elken droppel van zijn wolvenbloed in beroering gebracht. Er groeide iets in hem—een gevoel van woede, niet tegen een voorwerp in het bizonder, maar tegen alles. Het was niet de sensatie, waarmee hij Papayuchisew, den jongen uil, bevochten had, dien dag, dat hij er voor het eerst alleen op uit getrokken was. Dezen nacht was zijn hondennatuur geheel ingesluimerd. Een opeenstapeling van ongelukken was over hem gekomen en door deze ongelukken—waarbij de pijn, die hij nu had, kwam—was de wolf in hem opgestaan, woest en wraakzuchtig. Het was voor het eerst dat hij bij nacht reisde. Hij was, op dit oogenblik bang voor niets, wat er uit de duisternis te voorschijn zou kunnen komen. De zwartste schaduwen hadden hun griezeligheid verloren. Zijn eerste groote gevecht tusschen de twee naturen, die in hem waren, den hond en den wolf, was geleverd en de wolf had overwonnen. Nu en dan bleef hij stilstaan om zijn wond te likken en onder het likken gromde hij, alsof hij die wond een persoonlijken wrok toedroeg. AlsPierrothem had kunnen zien zou hij spoedig begrepen hebben wat dit beteekende en hij zou gezegd hebben: „Laat hem maar doodgaan.De knuppel zal er dien duivel bij hem toch niet uitkrijgen.”
In deze stemming bereikte Baree een uur later, uit het donkere bosch bij de kreek komend, het meer open gedeelte van een kleine vlakte, die langs een heuvelrug liep. In deze vlakte jaagde Oohoomisew. Oohoomisew was een groote sneeuwuil. Hij was de patriarch van alle uilen inPierrot's vallengebied. Hij was zoo oud, dat hij zoo goed als blind was. Daarom ging hij niet op de jacht zooals andere uilen dat doen. Hij verborg zich niet in de toppen der donkere dennen of balsemstruiken, noch dreef hij zachtjes door de nachtlucht, gereed in een oogwenk neer te schieten op zijn prooi. Zijn gezicht was zoo armzalig, dat hij uit den top van een boom een konijn heelemaal niet zou hebben kunnen zien en hij zou een vos voor een muis gehouden hebben. Daarom verschanste de oude Oohoomisew, door ondervinding wijs geworden, zich in een hinderlaag. Hij placht op den grond neer te hurken, met Jobsgeduld te wachten tot er iets zijn kant uitkwam, dat hem als voedsel kon dienen. Nu en dan beging hij een fout. Twee keer had hij een lynx aangezien voor een konijn en in den tweeden aanval had hij er een poot bij verspeeld, zoodat hij, wanneer hij overdag te dommelen zat, zich met één poot aan zijn tak vast moest klemmen. Hoewel kreupel, bijna blind en zoo oud, dat hij al lang geleden de bosjes veeren over zijn ooren verloren had, was Oohoomisew toch nog een reus van kracht en wanneer hij boos was, was het snappen van zijn snavel op twintig meter afstand te hooren.
Drie nachten lang was hij onfortuinlijk geweest en vannacht al buitengewoon. Twee konijnen waren langs hem gekomen en hij had beiden aangevallen. Het eerste had hij heelemaal niet te pakken kunnen krijgen; het tweede was hem ontsnapt, na hem een snavelvol haar achter te hebben gelaten—en dat was al. Hij was totaal uitgehongerd en scherpte in een allerslechtst humeur zijn snavel toen hij Baree hoorde naderen. Zelfs al had Baree onder den struik kunnen kijken en Oohoomisew in zijn schuilhoek zien loeren, valt het te betwijfelen of hij wel veel opzij gegaan zou zijn. Zijn eigen vechtlust was ontwaakt. Hij, eveneens, wasbereid tot den strijd, zoo hij zijn vijand maar even aan kon.
Heel onduidelijk zag Oohoomisew hem door de kleine vlakte naderkomen. Hij kromp in elkaar. Zijn veeren gingen overeind staan tot hij een bal geleek. Zijn bijna lichtlooze oogen gloeiden als twee blauwachtige vuurpoelen. Tien voet van hem af stond Baree stil om zijn wond te likken. Oohoomisew wachtte, uit voorzorg. Baree liep door en ging bijna rakelings den struik langs. Met een snel gehuppel en een plotseling gedonder van zijn machtige wieken was de groote uil boven op hem.
Ditmaal gaf Baree geen geluid van pijn of schrik. De wolf is „kipichimao”, zooals de Indianen zeggen. Geen jager heeft ooit een in de val geraakten wolf om genade hooren huilen als hij den kogel ontving of met den knuppel werd afgemaakt. Hij sterft, terwijl hij zijn slagtanden toont. Oohoomisew viel dezen nacht het jong van een wolf aan en geen hondenjong. De eerste aanval van den uil deed Baree omver tuimelen en een oogenblik werd hij half gesmoord onder de uitgespreide, groote vleugels, terwijl Oohoomisew, hem onder houdend, al zijn best deed hem met zijn eenigen goeden klauw te pakken te krijgen en er met zijn snavel heftig op los hakte. Eén houw van dien snavel ergens in zijn kop en een konijn zou dood geweest zijn, maar Oohoomisew kwam al dadelijk tot de ontdekking, dat het geen konijn was, dat hij daar onder zijn vleugels hield. Een snauw, die hem het bloed deed verstijven, was het antwoord, dat hij kreeg en Oohoomisew herinnerde zich den lynx, zijn verloren poot en de moeite, die hij gehad had om te ontkomen. De oude vrijbuiter had den aftocht kunnen blazen, maar Baree was niet langer de onervaren kleine Baree van toen hij Papayuchisew bevocht. Ondervinding en ontberingen hadden hem gehard en wijzer gemaakt: zijn kaken en tanden waren snel van den been-likleeftijd tot den been-vermorzelleeftijd gegroeid—en vóór Oohoomisew er vandoor kon gaan (zoo hij er al over dacht) sloten Baree's kaken zich met een geduchten knauw om zijn eenigen goeden poot.
In de stilte van den nacht weerklonk er een nog veel krachtigervleugelgedonder en eenige oogenblikken moest Baree de oogen dichthouden om niet verblind te worden door Oohoomisew's woedende slagen. Maar hij hield stevig vast en toen zijn tanden in het vleesch sneden van den ouden vrijbuiter leek zijn nijdig gegrom Oohoomisew een onheilspellende uitdaging toe. Een gelukkig toeval had gemaakt, dat hij dien poot te pakken had gekregen en Baree wist, dat overwinning of nederlaag ervan afhing of hij dien wist vast te houden.
De oude uil had geen anderen klauw om hem mee in bedwang te houden en het was hem onmogelijk—door de wijze waarop hij werd vastgehouden—Baree met zijn snavel te wonden. Daarom bleef hij maar steeds doorslaan met zijn vleugels, die vier voet spanning hadden. Zij maakten wel veel lawaai, maar deden Baree geen pijn. Hij beet nog dieper door. Hij begon hoe langer hoe nijdiger te grommen, toen hij Oohoomisew's bloed proefde en meer en meer groeide de begeerte in hem, dit monster van den nacht te dooden, alsof hij door de vernietiging van dit dier de gelegenheid kreeg zich te wreken voor al de pijn en al de ontberingen, die hij geleden had nadat hij zijn moeder verloren had. En het was merkwaardig, dat Oohoomisew nooit tevoren zoo'n grooten angst gevoeld had. De lynx had maar eens naar hem gehapt en had hem met één poot achtergelaten. Maar de lynx had niet op zoo'n wolvenmanier tegen hem gegromd en had zich niet aan hem vastgeklemd. Duizend en één nacht had Oohoomisew geluisterd naar het wolvengehuil en zijn instinkt had hem de beteekenis ervan verteld. Hij had den troep snel voort zien glijden in de duisternis en altijd wanneer zij langs kwamen had hij zich in de zwartste schaduwen verborgen. Voor hem, evenals voor alle andere wilde schepselen, stond dat wolvengehuil gelijk met den dood. Maar nu, nu Baree's tanden om zijn poot geklemd waren, begreep hij pas ten volle den angst voor den wolf. Die had jaren noodig gehad om in zijn dommen suffen kop door te dringen—maar nu hij begreep, was hij erdoor bezeten als nooit tevoren door iets in zijn leven. Plotseling hield hij op met zijn geklapwiek en wierp zich de lucht in. Als reusachtige waaierssloegen zijn machtige vleugels door de lucht en Baree voelde zich plotseling de hoogte ingaan.
Maar hij hield vast en een oogenblik later kwam hij met een smak weer neer.
Oohoomisew probeerde het nog eens. Ditmaal slaagde hij beter en steeg volle zes voet op met Baree. Zij vielen opnieuw terug. Een derde maal trachtte de oude bandiet zich te bevrijden van Baree's greep en daarna, uitgeput, bleef hij liggen, met zijn reusachtige vleugels uitgespreid, sissend en klappend met zijn snavel. Onder deze vleugels werkte Baree's brein met het snelle instinkt van den moordenaar. Plotseling veranderde hij van taktiek en begroef zijn tanden in het onderlijf van Oohoomisew. Zij zonken diep in de veeren. Behendig als Baree geweest was, Oohoomisew was er even snel bij, om gebruik te maken van zijn voordeel. In een oogwenk steeg hij opwaarts. Een hevige ruk, veeren, die naar alle kanten neervielen—en Baree bleef alleen op het slagveld achter.
Hij had niet gedood, maar hij had toch de overwinning behaald. Zijn eerste groote dag—of nacht—was gekomen. De wereld was vol beloften voor hem. En na een oogenblik ging hij rechtop zitten, snoof den reuk in van zijn verslagen vijand en toen—als om het gevederde monster, dat hij zoo goed zijn deel gegeven had, uit te dagen terug te komen en het gevecht voort te zetten tot den dood toe—hief hij zijn spits snuitje op naar de sterren en zond zijn eerste baby-wolfsgehuil den nacht in.
VI.De kreet van het eenzame hart.Zijn gevecht met Oohoomisew was een goed geneesmiddel voor Baree. Het gaf hem niet alleen groot zelfvertrouwen, maar deed ook die leelijke koorts in zijn bloed verdwijnen. Hij gromde en beet niet langer naar de voorwerpen waarlangs hij heenging.Het was een prachtige nacht. De maan straalde helder en de hemel was bezaaid met sterren, zoodat het op de open plekken wel dag leek, alleen was het licht zachter en mooier. Het was heel stil. Er speelde geen windje door de toppen der boomen en het scheen Baree toe, dat zijn gehuil wel tot het andere eind der wereld was doorgedrongen. Nu en dan hoorde hij een geluid—en altijd bleef hij dan staan, luisterend en oplettend. In de verte hoorde hij het gerekte, zachte geloei van een wijfjeseland; hij hoorde een groot geplas in het water van een klein meertje, dat hij naderde, en eens drong het scherpe gekraak van hoorn tegen hoorn tot hem door—het waren twee bokken, die een verschil van meening aan het beslechten waren, op een kwart mijl afstands. Maar het was altijd opnieuw het wolvengehuil dat hem deed neerzitten en het langste luisteren, terwijl zijn hart klopte met een vreemde opwinding die hij nog niet ten volle begreep. Het was de roepstem van zijn eigen geslacht, die hem zoo ontroerde; langzaam, maar voortdurend drong die tot hem door.Hij was nog steeds een zwerver—Pupamoo-tao noemen de Indianen dit. Deze zwerfgeest neemt een tijdlang bezit van elk schepsel, dat in de wildernis leeft, zoodra het oud genoeg is om voor zichzelf te zorgen—waarschijnlijk geeft zijn instinkt hem dat in om, wellicht gevaarlijke, al te nauwe familiebetrekkingen te voorkomen. Baree, die als een echte jonge wolf een nieuw jachtgebied zocht, zooals de jonge vos een nieuwe wereld zoekt te ontdekken, redeneerde niet bij deze zwerftochten. Hij was eenvoudig „aan het reizen”—steeds doortrekkend. Hij verlangde iets wat hij niet vinden kon. Het wolvengeluid bracht het hem aan. De sterren en de maan vervulden hem met verlangen ernaar. De verwijderde geluiden deden hem zijn eenzaamheid beseffen. En zijn instinkt deed hem begrijpen, dat hij alleen door zoeken vinden kon. Het was niet zoozeer Kazan en Wolvin die hij miste—niet zoozeer moederliefde en tehuis, als wel gezelschap. Nu hij de wolfswoede uitgevochten had in dezen strijd met Oohoomisew, kwam zijn hondennatuur weer boven. En dit waren zijn liefste eigenschappen. Hij verlangde zich te nestelen dichttegen iets levends en bevriends, een klein dier, of het nu veeren of bont droeg, klauwen of hoeven had.Hij was pijnlijk na de gevolgen van den kogel van de Wilg, ook was hij nog pijnlijk van zijn gevecht en tegen den ochtend ging hij liggen onder de beschutting van eenige elzen aan den rand van een tweede meertje en rustte daar tot aan den middag. Toen begon hij het riet te onderzoeken en liep dicht langs de waterlelies aan den kant, om voedsel te vinden. Hij vond een dooden snoek, gedeeltelijk opgegeten door een wezel, en verorberde de rest.Zijn wond deed veel minder pijn in den middag en toen de avond weer inviel lette hij er nauwelijks meer op. Sedert hij bijna zoo tragisch aan zijn eind gekomen was door Nepeese's hand, had hij gereisd in een noordoostelijke richting, instinktmatig den loop van het water volgend, maar hij had geen groote vorderingen gemaakt en toen de duisternis neerdaalde was hij niet meer dan acht of tien mijlen verwijderd van het gat, waarin hij gevallen was, nadat de Wilg op hem geschoten had. Hij ging dezen nacht ook niet ver. Het feit, dat zijn wond gekomen was tegen de schemering en zijn gevecht met Oohoomisew nog later, vervulde hem met voorzorg. De ondervinding had hem geleerd, dat de donkere schaduwen en zwarte plekken in het bosch hinderlagen konden zijn, waar het gevaar huisde. Hij was niet bang meer, zooals vroeger, maar hij had voorloopig genoeg van het vechten en daarom vond hij het wijzer zich van de gevaren der duisternis te onthouden. Het was een vreemd instinkt, dat hem dreef, voor dezen nacht zijn leger te zoeken op den top van een groote rots, die hij met eenige moeite beklom.Baree's rots was niet veel meer dan manshoogte. Zij was niet ver van den oorsprong van de kreek en het dennenbosch. De eerste uren sliep hij niet, maar lag met gespitste ooren te luisteren naar elk geluid, dat er in de duistere wereld rondom hem opsteeg. Er was vannacht in deze waakzaamheid van hem nog iets anders dan nieuwsgierigheid. Zijn opvoeding was in een bepaalde richting zeer veel uitgebreid—hij had geleerd, dat hij maar een heelklein deeltje was van de wonderbaarlijke wereld, die onder de sterren en de maan lag en de wensch was levendig in hem, haar beter te leeren kennen zonder verdere gevechten of wonden. Vannacht begreep hij wat het beteekende, wanneer hij nu en dan grijze schaduwen geruchtloos vanuit het bosch het maanlicht in zag drijven. Het waren uilen—monsters van hetzelfde ras als waarmee hij gevochten had. Hij hoorde het kletteren van hoeven en het vallen van zware lijven in de struiken. Hij hoorde opnieuw het loeien van elanden. Stemmen drongen tot hem door, die hij totnogtoe niet gekend had—het scherpe yap, yap, yap van een vos, de bovenaardsche, lachende kreet van een grooten fuut op een meer, een halve mijl verder weg het gekrijsch van een lynx, dat uit de verte kwam aangolven; het zachte gekras van de nachtvalken, tusschen hemzelf en de sterren. Hij hoorde zonderling gefluister in de toppen der boomen—het gefluister van den wind en eens temidden van een doodelijke stilte begon er, vlak achter zijn rots, een bok schel te fluiten, maar eindigde zoodra hij den wolvenreuk in den neus kreeg in een verschrikten uithaal en ging er als de wind vandoor.Al deze geluiden hadden nu hun beteekenis voor Baree. Snel kwam hij thuis in de wetenschap der wildernis. Zijn oogen glinsterden. Zijn bloed klopte onstuimig. Soms bewoog hij zich bijna niet, minutenlang. Maar van al deze geluiden, die tot hem kwamen, ontroerde hem het meest het wolvengehuil. Steeds opnieuw luisterde hij er aandachtig naar. Soms was het ver weg, zoo ver, dat het wel een gefluister leek en bijna weggestorven voor het zijn ooren bereikte en dan weer kwam het tot hem uit volle borst, heet van jachtadem, hem oproepend tot de roode koorts van de jacht, tot het woeste festijn van uit elkaar gescheurd vleesch en stroomend bloed—roepend, roepend, roepend. Dàt was het, het riep hem tot zijn eigen ras, het was de roepstem van bloed tot bloed—van de woeste, verscheurende troepen van zijn moeder's stam. Het was de stem van Wolvin, naar hem zoekend in den nacht—Wolvin's bloed, dat hem uitnoodigde deel uit te maken van de Broederschap van den Troep. En hij sidderdeterwijl hij er naar luisterde. Hij smoorde een beginnend gejank. Hij schoof tot aan den steilen rand van de rots. Hij verlangde erheen te gaan. De natuur spoorde hem aan te gaan. Maar zij stuitte bij hem op moeielijkheden, want er school veel van den hond in hem, met zijn geslachten van onderdrukte en sluimerende instinkten—en dien heelen nacht hield Baree's hondenaard hem gekluisterd aan de rots.Den volgenden morgen vond Baree veel rivierkreeftjes langs den oever der rivier en hij smulde van hun sappig vleesch, tot hij het gevoel kreeg alsof hij nooit van zijn leven meer honger zou kunnen krijgen. Niets had hem meer zoo lekker gesmaakt, sedert hij dien patrijs opgegeten had, ontnomen aan Sekoosew den hermelijn.Later in den middag kwam Baree in een gedeelte van het bosch waar het heel stil en vredig was. De kreek was dieper geworden. Op sommige plaatsen was zij buiten haar oevers getreden en had kleine vijvers gevormd. Twee keer had Baree een vrij grooten omweg moeten maken door die vijvers. Hij trok nu heel langzaam voort, luisterend en rondkijkend. Hij had zich, sedert dien noodlottigen dag waarop hij zijn oude hol verlaten had, nog nergens zoo op zijn gemak gevoeld. Hij verbeeldde zich, dat hij nu een land betrad dat hij kende en waar hij vrienden zou aantreffen. Hij had een wonderlijk gevoel. Hij snoof de lucht in, alsof hij daar bekende geuren rook. Het was maar een zuchtje, een niet te verklaren belofte, dat hem iets deed verwachten, iets geheimzinnigs.Het bosch werd dichter. Het werd wonderlijk mooi. Er groeiden hier geen lage struiken en op deze wijze onder de boomen te loopen was alsof hij in een uitgestrekt hol liep, vol geheimenissen, terwijl van boven hier en daar zacht het daglicht doorsijpelde, nu en dan schitterend door een gouden straal van de zon. Een mijl lang trok Baree zoo stilletjes door het bosch. Hij zag niets dan een paar gevleugelde insekten of vogels; bijna geen geluid was hoorbaar. Toen kwam hij aan een nieuwen vijver, die tamelijk groot was. Rondom dezen vijver was eendicht gewas van elzen en wilgen. De groote boomen waren schaarscher geworden. Hij zag de namiddagzon in het water weerspiegeld—en toen hoorde hij plotseling leven.De oude Gebroken Tand lag te dommelen op den grooten dam van modder en rijshout, waarvan hij de voornaamste aanlegger geweest was, toen Baree zachtjes een hooge zandbank beklom, dertig of veertig voet van hem af. Zoo geruchtloos had hij dit gedaan, dat geen van de bevers hem gehoord of gezien had. Hij ging plat op zijn buik liggen, verborgen achter een bos gras, en keek met gretige belangstelling toe. Gebroken Tand was wakker geworden. Hij bleef een oogenblik staan op zijn korte pootjes, daarna zette hij zich, stram en schrap als een soldaat in positie, op zijn breeden, platten staart rechtop en dook met een plotseling gefluit en met veel geplas in den vijver.In een oogwenk scheen het Baree toe, dat de vijver wemelde van bevers. Koppen en lijven verschenen en verdwenen en schoten door het water op een manier, die Baree verbaasde en nieuwsgierig maakte. Dit was het avondpretje van de kolonie. Staarten sloegen op het water of het planken waren. Vreemd gefluit steeg op temidden van al het geplas—en toen, even plotseling als het begonnen was, eindigde het spelletje. Er waren misschien twintig bevers bijeen, de jongen niet meegerekend, en, alsof zij een gemeenschappelijk signaal gekregen hadden—Baree had niets gehoord—werden zij plotseling zoo stil, dat er bijna geen geluid meer uit den vijver opsteeg. Een paar van hen zonken onder water en verdwenen totaal, maar de meesten kon Baree zien, toen zij aan land klommen. Zonder tijd verloren te laten gaan trokken zij aan het werk en Baree sloeg hen gade, zonder zelfs maar een sprietje te bewegen van het gras, dat hem verborg.Hij probeerde te begrijpen. Hij trachtte deze vreemde en gemoedelijk-uitziende dieren te rangschikken onder een categorie die hij kende. Zij hadden hem geen vrees aangejaagd. Hij was niet verontrust door hun aantal of grootte. Dat hij zich zoo stilhield was geen uiting van takt, maar een verlangen beterbekend te raken met deze vreemde, vierpootige broeders van hem, in den vijver. Zij hadden het groote bosch al minder eenzaam voor hem gemaakt. En toen, vlak onder hem—niet verder dan tien voet waar hij lag—zag hij iets, wat bijna zijn smachtend verlangen naar gezelschap vervulde.Daar, onder hem, op een effen gedeelte van den oever, waggelde de dikke kleine Umisk en drie van zijn speelmakkers. Umisk was ongeveer van Baree's leeftijd, misschien een paar weken jonger. Maar hij was zeker even zwaar en bijna zoo breed als hij lang was. Er bestaat geen aardiger viervoetig diertje dan een jong bevertje—of het zou een jonge beer moeten zijn—en Umisk zou zeker den eersten prijs behaald hebben op elke jonge bevertentoonstelling ter wereld. Zijn drie makkertjes waren wat kleiner. Zij kwamen aanwaggelen achter een lagen wilg uit, zonderling klokkende geluidjes makend en hun kleine platte staartjes als sleetjes achter zich aan sleepend. Zij waren dik en goed in hun bont en zagen er voor Baree's oogen heel goedaardig uit en zijn hartje begon sneller te hameren van blijdschap. Maar hij bewoog zich niet. Hij ademde ternauwernood. En toen wierp Umisk zich onverwachts op een van zijn vriendjes en deed hem omver rollen. Oogenblikkelijk lagen de twee anderen boven op Umisk en de vier kleine bevers tuimelden om en om, schoppend met hun korte pootjes en slaande met hun staartjes, terwijl zij voortdurend kleine, piepende geluiden uitstieten. Baree voelde, dat dit geen vechten was, maar spelen. Hij ging overeind staan. Hij vergat waar hij was—vergat alles in de wereld behalve, die donzige, stoeiende ballen. Al de lessen die hij van de natuur ontvangen had, was hij plotseling kwijt. Hij was geen vechtersbaas meer. Ook geen jager. Hij was een jong hondje en er groeide een verlangen in hem, sterker dan honger. Hij verlangde af te dalen naar de plek waar Umisk en zijn vriendjes waren en mee te ravotten. Hij verlangde hun te vertellen—als dit mogelijk ware—dat hij zijn moeder kwijt geraakt was en zijn tehuis en dat hij daarna een heeleboel narigheid gehad had en dat hij nu zoo erg graag bij hen zouwillen blijven en bij hun vaders en moeders als dat mocht.Hij jankte héél even, maar zoo zacht, dat Umisk en zijn speelmakkers het niet hoorden. Zij hadden het veel te druk met elkaar.Voorzichtig deed Baree een stap in hun richting. En toen nog een—en eindelijk stond hij niet meer dan zes voet van hen af. Zijn puntige oortjes stonden naar voren en hij kwispelstaartte zoo hard hij maar kon en elke spier in zijn lijfje trilde van spanning.Toen pas zag Umisk hem en hij werd plotseling zoo onbeweeglijk als een steen.„Hallo!” zeide Baree, zijn heele lijfje heen en weer wiegelend en zoo duidelijk sprekend als een menschentong maar zou kunnen doen. „Vinden jullie het goed, dat ik meedoe?”Umisk gaf geen antwoord. Zijn drie kameraadjes hadden nu ook Baree in het oog gekregen. Zij maakten geen enkele beweging. Zij waren verstijfd van verbazing. Vier paar stralende, verbaasde oogen waren op den vreemdeling gevestigd.Baree wendde een nieuwe poging aan. Hij strekte zijn voorpooten uit, steeds met staart en achterlijf wiegelend en, in de lucht snuivend, greep hij een stokje met zijn tanden vast.„Kom—laat me meedoen,” drong hij aan. „Ik kan goed spelen!”Hij wierp den stok in de lucht als om te bewijzen wat hij gezegd had en gaf een kort blafje.De vier bevertjes leken wel opgezet.En toen kreeg plotseling nog een ander Baree in 't oog. Het was een groote bever, die den vijver doorzwom met een stuk berkestam, dat voor den aanleg van een nieuwen dam moest dienst doen. Oogenblikkelijk liet hij zijn last vallen en toen, alsof er een geweer afging, volgde de knal van zijn grooten, platten staart, op het water slaande—het waarschuwingssignaal van den bever, dat bij stillen nacht wel een halve mijl in het rond gehoord kan worden.„Gevaar!” waarschuwde het. „Gevaar—gevaar—gevaar!”Nauwelijks was dit signaal weggestorven, toen er aan alle kanten staarten begonnen te knallen, in den vijver, in hun verborgen kanalen en tusschen de wilgen en elzen. Voor Umisk en zijn makkertjes beteekende dit:„Loop wat je loopen kunt!”Baree stond nu op zijn beurt verstijfd en bewegingloos. In verbazing zag hij de vier bevertjes in den vijver plonsen en verdwijnen. Hij hoorde het geluid van nog zwaardere bevers, die in het water doken. En daarop volgde een vreemde en verontrustende stilte. Zachtjes begon Baree te janken en het was bijna een gesnik. Waarom waren Umisk en zijn vriendjes van hem weggeloopen? Wat had hij toch misdaan, dat zij geen vriendschap met hem wilden sluiten? Een groote eenzaamheid wierp zich op hem—nog grooter eenzaamheid dan hij gevoeld had dien eersten nacht dat hij van zijn moeder was weggeloopen. De laatste stralen, van de zon vervaagden terwijl hij daar zoo stond. Donkerder schaduwen gleden over den vijver. Hij keek naar het bosch, waar de nacht aansloop—en met een laatsten smartelijken kreet ging hij er binnen. Hij had de vriendschap niet gevonden. Hij had geen speelmakkers kunnen krijgen. En zijn hartje was gebroken.
Zijn gevecht met Oohoomisew was een goed geneesmiddel voor Baree. Het gaf hem niet alleen groot zelfvertrouwen, maar deed ook die leelijke koorts in zijn bloed verdwijnen. Hij gromde en beet niet langer naar de voorwerpen waarlangs hij heenging.Het was een prachtige nacht. De maan straalde helder en de hemel was bezaaid met sterren, zoodat het op de open plekken wel dag leek, alleen was het licht zachter en mooier. Het was heel stil. Er speelde geen windje door de toppen der boomen en het scheen Baree toe, dat zijn gehuil wel tot het andere eind der wereld was doorgedrongen. Nu en dan hoorde hij een geluid—en altijd bleef hij dan staan, luisterend en oplettend. In de verte hoorde hij het gerekte, zachte geloei van een wijfjeseland; hij hoorde een groot geplas in het water van een klein meertje, dat hij naderde, en eens drong het scherpe gekraak van hoorn tegen hoorn tot hem door—het waren twee bokken, die een verschil van meening aan het beslechten waren, op een kwart mijl afstands. Maar het was altijd opnieuw het wolvengehuil dat hem deed neerzitten en het langste luisteren, terwijl zijn hart klopte met een vreemde opwinding die hij nog niet ten volle begreep. Het was de roepstem van zijn eigen geslacht, die hem zoo ontroerde; langzaam, maar voortdurend drong die tot hem door.
Hij was nog steeds een zwerver—Pupamoo-tao noemen de Indianen dit. Deze zwerfgeest neemt een tijdlang bezit van elk schepsel, dat in de wildernis leeft, zoodra het oud genoeg is om voor zichzelf te zorgen—waarschijnlijk geeft zijn instinkt hem dat in om, wellicht gevaarlijke, al te nauwe familiebetrekkingen te voorkomen. Baree, die als een echte jonge wolf een nieuw jachtgebied zocht, zooals de jonge vos een nieuwe wereld zoekt te ontdekken, redeneerde niet bij deze zwerftochten. Hij was eenvoudig „aan het reizen”—steeds doortrekkend. Hij verlangde iets wat hij niet vinden kon. Het wolvengeluid bracht het hem aan. De sterren en de maan vervulden hem met verlangen ernaar. De verwijderde geluiden deden hem zijn eenzaamheid beseffen. En zijn instinkt deed hem begrijpen, dat hij alleen door zoeken vinden kon. Het was niet zoozeer Kazan en Wolvin die hij miste—niet zoozeer moederliefde en tehuis, als wel gezelschap. Nu hij de wolfswoede uitgevochten had in dezen strijd met Oohoomisew, kwam zijn hondennatuur weer boven. En dit waren zijn liefste eigenschappen. Hij verlangde zich te nestelen dichttegen iets levends en bevriends, een klein dier, of het nu veeren of bont droeg, klauwen of hoeven had.
Hij was pijnlijk na de gevolgen van den kogel van de Wilg, ook was hij nog pijnlijk van zijn gevecht en tegen den ochtend ging hij liggen onder de beschutting van eenige elzen aan den rand van een tweede meertje en rustte daar tot aan den middag. Toen begon hij het riet te onderzoeken en liep dicht langs de waterlelies aan den kant, om voedsel te vinden. Hij vond een dooden snoek, gedeeltelijk opgegeten door een wezel, en verorberde de rest.
Zijn wond deed veel minder pijn in den middag en toen de avond weer inviel lette hij er nauwelijks meer op. Sedert hij bijna zoo tragisch aan zijn eind gekomen was door Nepeese's hand, had hij gereisd in een noordoostelijke richting, instinktmatig den loop van het water volgend, maar hij had geen groote vorderingen gemaakt en toen de duisternis neerdaalde was hij niet meer dan acht of tien mijlen verwijderd van het gat, waarin hij gevallen was, nadat de Wilg op hem geschoten had. Hij ging dezen nacht ook niet ver. Het feit, dat zijn wond gekomen was tegen de schemering en zijn gevecht met Oohoomisew nog later, vervulde hem met voorzorg. De ondervinding had hem geleerd, dat de donkere schaduwen en zwarte plekken in het bosch hinderlagen konden zijn, waar het gevaar huisde. Hij was niet bang meer, zooals vroeger, maar hij had voorloopig genoeg van het vechten en daarom vond hij het wijzer zich van de gevaren der duisternis te onthouden. Het was een vreemd instinkt, dat hem dreef, voor dezen nacht zijn leger te zoeken op den top van een groote rots, die hij met eenige moeite beklom.
Baree's rots was niet veel meer dan manshoogte. Zij was niet ver van den oorsprong van de kreek en het dennenbosch. De eerste uren sliep hij niet, maar lag met gespitste ooren te luisteren naar elk geluid, dat er in de duistere wereld rondom hem opsteeg. Er was vannacht in deze waakzaamheid van hem nog iets anders dan nieuwsgierigheid. Zijn opvoeding was in een bepaalde richting zeer veel uitgebreid—hij had geleerd, dat hij maar een heelklein deeltje was van de wonderbaarlijke wereld, die onder de sterren en de maan lag en de wensch was levendig in hem, haar beter te leeren kennen zonder verdere gevechten of wonden. Vannacht begreep hij wat het beteekende, wanneer hij nu en dan grijze schaduwen geruchtloos vanuit het bosch het maanlicht in zag drijven. Het waren uilen—monsters van hetzelfde ras als waarmee hij gevochten had. Hij hoorde het kletteren van hoeven en het vallen van zware lijven in de struiken. Hij hoorde opnieuw het loeien van elanden. Stemmen drongen tot hem door, die hij totnogtoe niet gekend had—het scherpe yap, yap, yap van een vos, de bovenaardsche, lachende kreet van een grooten fuut op een meer, een halve mijl verder weg het gekrijsch van een lynx, dat uit de verte kwam aangolven; het zachte gekras van de nachtvalken, tusschen hemzelf en de sterren. Hij hoorde zonderling gefluister in de toppen der boomen—het gefluister van den wind en eens temidden van een doodelijke stilte begon er, vlak achter zijn rots, een bok schel te fluiten, maar eindigde zoodra hij den wolvenreuk in den neus kreeg in een verschrikten uithaal en ging er als de wind vandoor.
Al deze geluiden hadden nu hun beteekenis voor Baree. Snel kwam hij thuis in de wetenschap der wildernis. Zijn oogen glinsterden. Zijn bloed klopte onstuimig. Soms bewoog hij zich bijna niet, minutenlang. Maar van al deze geluiden, die tot hem kwamen, ontroerde hem het meest het wolvengehuil. Steeds opnieuw luisterde hij er aandachtig naar. Soms was het ver weg, zoo ver, dat het wel een gefluister leek en bijna weggestorven voor het zijn ooren bereikte en dan weer kwam het tot hem uit volle borst, heet van jachtadem, hem oproepend tot de roode koorts van de jacht, tot het woeste festijn van uit elkaar gescheurd vleesch en stroomend bloed—roepend, roepend, roepend. Dàt was het, het riep hem tot zijn eigen ras, het was de roepstem van bloed tot bloed—van de woeste, verscheurende troepen van zijn moeder's stam. Het was de stem van Wolvin, naar hem zoekend in den nacht—Wolvin's bloed, dat hem uitnoodigde deel uit te maken van de Broederschap van den Troep. En hij sidderdeterwijl hij er naar luisterde. Hij smoorde een beginnend gejank. Hij schoof tot aan den steilen rand van de rots. Hij verlangde erheen te gaan. De natuur spoorde hem aan te gaan. Maar zij stuitte bij hem op moeielijkheden, want er school veel van den hond in hem, met zijn geslachten van onderdrukte en sluimerende instinkten—en dien heelen nacht hield Baree's hondenaard hem gekluisterd aan de rots.
Den volgenden morgen vond Baree veel rivierkreeftjes langs den oever der rivier en hij smulde van hun sappig vleesch, tot hij het gevoel kreeg alsof hij nooit van zijn leven meer honger zou kunnen krijgen. Niets had hem meer zoo lekker gesmaakt, sedert hij dien patrijs opgegeten had, ontnomen aan Sekoosew den hermelijn.
Later in den middag kwam Baree in een gedeelte van het bosch waar het heel stil en vredig was. De kreek was dieper geworden. Op sommige plaatsen was zij buiten haar oevers getreden en had kleine vijvers gevormd. Twee keer had Baree een vrij grooten omweg moeten maken door die vijvers. Hij trok nu heel langzaam voort, luisterend en rondkijkend. Hij had zich, sedert dien noodlottigen dag waarop hij zijn oude hol verlaten had, nog nergens zoo op zijn gemak gevoeld. Hij verbeeldde zich, dat hij nu een land betrad dat hij kende en waar hij vrienden zou aantreffen. Hij had een wonderlijk gevoel. Hij snoof de lucht in, alsof hij daar bekende geuren rook. Het was maar een zuchtje, een niet te verklaren belofte, dat hem iets deed verwachten, iets geheimzinnigs.
Het bosch werd dichter. Het werd wonderlijk mooi. Er groeiden hier geen lage struiken en op deze wijze onder de boomen te loopen was alsof hij in een uitgestrekt hol liep, vol geheimenissen, terwijl van boven hier en daar zacht het daglicht doorsijpelde, nu en dan schitterend door een gouden straal van de zon. Een mijl lang trok Baree zoo stilletjes door het bosch. Hij zag niets dan een paar gevleugelde insekten of vogels; bijna geen geluid was hoorbaar. Toen kwam hij aan een nieuwen vijver, die tamelijk groot was. Rondom dezen vijver was eendicht gewas van elzen en wilgen. De groote boomen waren schaarscher geworden. Hij zag de namiddagzon in het water weerspiegeld—en toen hoorde hij plotseling leven.
De oude Gebroken Tand lag te dommelen op den grooten dam van modder en rijshout, waarvan hij de voornaamste aanlegger geweest was, toen Baree zachtjes een hooge zandbank beklom, dertig of veertig voet van hem af. Zoo geruchtloos had hij dit gedaan, dat geen van de bevers hem gehoord of gezien had. Hij ging plat op zijn buik liggen, verborgen achter een bos gras, en keek met gretige belangstelling toe. Gebroken Tand was wakker geworden. Hij bleef een oogenblik staan op zijn korte pootjes, daarna zette hij zich, stram en schrap als een soldaat in positie, op zijn breeden, platten staart rechtop en dook met een plotseling gefluit en met veel geplas in den vijver.
In een oogwenk scheen het Baree toe, dat de vijver wemelde van bevers. Koppen en lijven verschenen en verdwenen en schoten door het water op een manier, die Baree verbaasde en nieuwsgierig maakte. Dit was het avondpretje van de kolonie. Staarten sloegen op het water of het planken waren. Vreemd gefluit steeg op temidden van al het geplas—en toen, even plotseling als het begonnen was, eindigde het spelletje. Er waren misschien twintig bevers bijeen, de jongen niet meegerekend, en, alsof zij een gemeenschappelijk signaal gekregen hadden—Baree had niets gehoord—werden zij plotseling zoo stil, dat er bijna geen geluid meer uit den vijver opsteeg. Een paar van hen zonken onder water en verdwenen totaal, maar de meesten kon Baree zien, toen zij aan land klommen. Zonder tijd verloren te laten gaan trokken zij aan het werk en Baree sloeg hen gade, zonder zelfs maar een sprietje te bewegen van het gras, dat hem verborg.
Hij probeerde te begrijpen. Hij trachtte deze vreemde en gemoedelijk-uitziende dieren te rangschikken onder een categorie die hij kende. Zij hadden hem geen vrees aangejaagd. Hij was niet verontrust door hun aantal of grootte. Dat hij zich zoo stilhield was geen uiting van takt, maar een verlangen beterbekend te raken met deze vreemde, vierpootige broeders van hem, in den vijver. Zij hadden het groote bosch al minder eenzaam voor hem gemaakt. En toen, vlak onder hem—niet verder dan tien voet waar hij lag—zag hij iets, wat bijna zijn smachtend verlangen naar gezelschap vervulde.
Daar, onder hem, op een effen gedeelte van den oever, waggelde de dikke kleine Umisk en drie van zijn speelmakkers. Umisk was ongeveer van Baree's leeftijd, misschien een paar weken jonger. Maar hij was zeker even zwaar en bijna zoo breed als hij lang was. Er bestaat geen aardiger viervoetig diertje dan een jong bevertje—of het zou een jonge beer moeten zijn—en Umisk zou zeker den eersten prijs behaald hebben op elke jonge bevertentoonstelling ter wereld. Zijn drie makkertjes waren wat kleiner. Zij kwamen aanwaggelen achter een lagen wilg uit, zonderling klokkende geluidjes makend en hun kleine platte staartjes als sleetjes achter zich aan sleepend. Zij waren dik en goed in hun bont en zagen er voor Baree's oogen heel goedaardig uit en zijn hartje begon sneller te hameren van blijdschap. Maar hij bewoog zich niet. Hij ademde ternauwernood. En toen wierp Umisk zich onverwachts op een van zijn vriendjes en deed hem omver rollen. Oogenblikkelijk lagen de twee anderen boven op Umisk en de vier kleine bevers tuimelden om en om, schoppend met hun korte pootjes en slaande met hun staartjes, terwijl zij voortdurend kleine, piepende geluiden uitstieten. Baree voelde, dat dit geen vechten was, maar spelen. Hij ging overeind staan. Hij vergat waar hij was—vergat alles in de wereld behalve, die donzige, stoeiende ballen. Al de lessen die hij van de natuur ontvangen had, was hij plotseling kwijt. Hij was geen vechtersbaas meer. Ook geen jager. Hij was een jong hondje en er groeide een verlangen in hem, sterker dan honger. Hij verlangde af te dalen naar de plek waar Umisk en zijn vriendjes waren en mee te ravotten. Hij verlangde hun te vertellen—als dit mogelijk ware—dat hij zijn moeder kwijt geraakt was en zijn tehuis en dat hij daarna een heeleboel narigheid gehad had en dat hij nu zoo erg graag bij hen zouwillen blijven en bij hun vaders en moeders als dat mocht.
Hij jankte héél even, maar zoo zacht, dat Umisk en zijn speelmakkers het niet hoorden. Zij hadden het veel te druk met elkaar.
Voorzichtig deed Baree een stap in hun richting. En toen nog een—en eindelijk stond hij niet meer dan zes voet van hen af. Zijn puntige oortjes stonden naar voren en hij kwispelstaartte zoo hard hij maar kon en elke spier in zijn lijfje trilde van spanning.
Toen pas zag Umisk hem en hij werd plotseling zoo onbeweeglijk als een steen.
„Hallo!” zeide Baree, zijn heele lijfje heen en weer wiegelend en zoo duidelijk sprekend als een menschentong maar zou kunnen doen. „Vinden jullie het goed, dat ik meedoe?”
Umisk gaf geen antwoord. Zijn drie kameraadjes hadden nu ook Baree in het oog gekregen. Zij maakten geen enkele beweging. Zij waren verstijfd van verbazing. Vier paar stralende, verbaasde oogen waren op den vreemdeling gevestigd.
Baree wendde een nieuwe poging aan. Hij strekte zijn voorpooten uit, steeds met staart en achterlijf wiegelend en, in de lucht snuivend, greep hij een stokje met zijn tanden vast.
„Kom—laat me meedoen,” drong hij aan. „Ik kan goed spelen!”
Hij wierp den stok in de lucht als om te bewijzen wat hij gezegd had en gaf een kort blafje.
De vier bevertjes leken wel opgezet.
En toen kreeg plotseling nog een ander Baree in 't oog. Het was een groote bever, die den vijver doorzwom met een stuk berkestam, dat voor den aanleg van een nieuwen dam moest dienst doen. Oogenblikkelijk liet hij zijn last vallen en toen, alsof er een geweer afging, volgde de knal van zijn grooten, platten staart, op het water slaande—het waarschuwingssignaal van den bever, dat bij stillen nacht wel een halve mijl in het rond gehoord kan worden.
„Gevaar!” waarschuwde het. „Gevaar—gevaar—gevaar!”
Nauwelijks was dit signaal weggestorven, toen er aan alle kanten staarten begonnen te knallen, in den vijver, in hun verborgen kanalen en tusschen de wilgen en elzen. Voor Umisk en zijn makkertjes beteekende dit:
„Loop wat je loopen kunt!”
Baree stond nu op zijn beurt verstijfd en bewegingloos. In verbazing zag hij de vier bevertjes in den vijver plonsen en verdwijnen. Hij hoorde het geluid van nog zwaardere bevers, die in het water doken. En daarop volgde een vreemde en verontrustende stilte. Zachtjes begon Baree te janken en het was bijna een gesnik. Waarom waren Umisk en zijn vriendjes van hem weggeloopen? Wat had hij toch misdaan, dat zij geen vriendschap met hem wilden sluiten? Een groote eenzaamheid wierp zich op hem—nog grooter eenzaamheid dan hij gevoeld had dien eersten nacht dat hij van zijn moeder was weggeloopen. De laatste stralen, van de zon vervaagden terwijl hij daar zoo stond. Donkerder schaduwen gleden over den vijver. Hij keek naar het bosch, waar de nacht aansloop—en met een laatsten smartelijken kreet ging hij er binnen. Hij had de vriendschap niet gevonden. Hij had geen speelmakkers kunnen krijgen. En zijn hartje was gebroken.
VII.Wakayoo's einde.Gedurende twee of drie dagen brachten Baree's onderzoekingstochten naar voedsel hem hoe langer hoe verder van den vijver af, waar hij Gebroken Tand had gezien en kleinen Umisk en al die andere bevers, die aan het spelen waren. Maar tegen den middag keerde hij er altijd weer terug—tot op den derden dag, toen hij een nieuwe kreek ontdekte, en Wakayoo. Deze kreek was volle twee mijlen dieper het bosch in. Het was een heel andere stroom dan de eerste. Zij zong vroolijk, al glijdendover een bedding van kiezelsteenen en tusschen rotskloven. Zij vormde diepe poelen en schuimende draaikolken en op de plek waar Baree haar het eerst naderde klonk het verwijderde gedonder van een waterval. Zij was veel aardiger dan die donkere, stille Bever-vijver. Er scheen leven in te huizen en het gedruisch en de beweging hiervan—het zingen en klotsen van het water—gaf Baree geheel nieuwe gewaarwordingen. Hij liep er langzaam en behoedzaam langs en omdat hij zich zoo langzaam en voorzichtig voortbewoog kwam hij plotseling en onopgemerkt Wakayoo, den grooten zwarten beer, overvallen, die druk aan het visschen was.Wakayoo stond tot aan zijn knieën in een poel en had een buitengewoon goede vangst. Juist op het oogenblik dat Baree zich wilde terugtrekken, terwijl hem de oogen uit den kop puilden bij den aanblik van dit monster, dat hij nog maar eens in zijn leven gezien had, in den nacht, wierp Wakayoo's groote klauw een straal water hoog de lucht in en een visch kwam terecht op den steenachtigen oever. Eenigen tijd tevoren waren de karpers bij aantallen de rivier opgezwommen om kuit te schieten en door het snelle vallen van het water waren zij in die kleine poelen gevangen geraakt. Wakayoo's vet, glanzend lijf gaf getuigenis van het voordeel dat hij van deze omstandigheid getrokken had. Ofschoon het al over het „eerste” seizoen was voor berenhuiden was Wakayoo's vacht nog prachtig dicht en zwart. Een kwartier lang bleef Baree toekijken hoe hij de visschen uit den vijver sloeg. Toen hij eindelijk ophield lagen er twintig of dertig visschen op de steenen, sommige waren dood, andere spartelden nog. Van de plek waar hij lag, plat tusschen twee rotsen, kon Baree het kraken van de graten hooren, terwijl de beer zijn maal verslond. Het klonkprettigen de doordringende lucht van versche visch vervulde hem met een begeerte, die nooit in hem opgewekt was door eenige rivierkreeft of zelfs patrijs.In weerwil van zijn dikte en zijn omvang was Wakayoo geen gulzigaard en nadat hij zijn vierden visch verorberd had klauwde hij al de overige op een hoop, bedekte ze gedeeltelijk met zanden steenen en voleindigde zijn verbergingswerk door een jongen balsemstruik af te knakken en er overheen te leggen, zoodat de visschen geheel onzichtbaar waren. Toen waggelde hij langzaam weg, in de richting van den gonzenden waterval.Twintig sekonden nadat Wakayoo's achterlijf om een bocht van de kreek verdwenen was zat Baree onder den balsemstruik. Hij sleepte een visch voor den dag, waar nog wat leven inzat. Dien at hij op tot de laatste graat en het smaakte hem verrukkelijk.Baree was van oordeel, dat Wakayoo nu het voedselvraagstuk voor hem had opgelost en hij keerde dien dag niet terug naar den bevervijver; den volgenden evenmin.De groote beer was zonder ophouden aan het visschen en dag na dag hernam Baree zijn feestmaal. Het viel hem niet moeilijk Wakayoo's opslagplaatsen te vinden. Al wat hij te doen had was langs den stroom te loopen en goed te snuffelen. Sommige van die opslagplaatsen waren van ouden datum en haar geur allesbehalve aangenaam voor Baree's neusgaten. Deze ontweek hij dan ook. Maar hij wist zich vrij regelmatig tweemaal daags op deze manier aan eten te helpen. Een week lang duurde dit gemakkelijke leventje. Toen kwam het einde.Dit einde kwam toen Baree, op zekeren dag om een rots heen loopend, dicht bij den waterval, tegenoverPierrot, den jager kwam te staan—en Nepeese, zijn dochter, het ster-oogige meisje, dat, vele dagen geleden, in die vlakte op hem geschoten had. Haar zag hij het eerst. Als hijPierrothet eerst gezien had zou hij snel omgekeerd zijn. Maar het hondenbloed van zijn vader klopte heftig in hem. Hij bleef stilstaan. Nepeese was niet meer dan twintig voet van hem af. Zij zat op een rots, in het volle licht van de vroege morgenzon en was bezig haar prachtig haar uit te borstelen. Zooals zij daar zat bedekte het haar bijna tot aan den grond, het glansde nog meer dan Wakayoo's fluweel-zwarte vacht en temidden van deze donkere omlijsting keek zij strak naar Baree. Haar lippen gingen vaneen. Haar oogen begonnen te schitteren als sterren. In haar eene hand hield zijgitzwarte lokken. Zij herkende hem. Zij zag de witte ster op zijn borst en het witte tipje aan zijn oor en zij fluisterde:„Uchi Moosis”—het jonge hondje! Het was de wilde hond, waarop zij geschoten had en die, naar zij gemeend had, gestorven was! Er was geen vergissing mogelijk. Hij was geheel en al hond, zooals hij daar naar haar stond te kijken.Den avond tevoren hadden zij zich een schuilplaats gebouwd van balsemstruiken achter de groote rots en op een plek wit zand lagPierrotgeknield over een vuur en maakte het ontbijt gereed, terwijl de Wilg heur haar in orde bracht. Hij lichtte het hoofd op om tot haar te spreken en zag Baree. Op dit oogenblik werd de betoovering verbroken. Baree zag het manbeest en hij maakte beenen. Als een pijl uit den boog ging hij er vandoor.Maar hij kreeg ternauwernood eenigen voorsprong op Nepeese.„Pache,mon père!” riep zij. „Het jonge hondje! Gauw!—”In de golvende wolk van heur haar snelde zij Baree achterna.Pierrotvolgde haar en greep onder het loopen zijn geweer op. Het kostte hem moeite de Wilg bij te houden. Zij leek wel een geest, haar kleine met moccasins geschoeide voeten raakten nauwelijks het zand, terwijl zij langs den oever liep. Het was verrukkelijk haar soepele, lichte bewegingen te zien en dat prachtige haar glanzend in de zon.Zelfs nu, in dit oogenblik vol opwinding, deed hetPierrotdenken aanMc Taggart, den agent van de Hudson Baai Compagnie, teLac Bainen aan wat deze gisteren gezegd had. Den halven nacht hadPierrotwakker gelegen, tandeknarsend terwijl hij er aan dacht, en dezen morgen, vóór Baree was gekomen, had hij Nepeese nauwkeuriger bekeken dan ooit te voren in zijn leven. Zijwasmooi. Zij was zelfs nog bekoorlijker dan Wyola, haar moeder van vorstelijken bloede, die gestorven was. Dat haar—de mannen staarden ernaar alsof zij hun oogen niet vertrouwen konden! Die oogen—gelijk vijvers met schitterend sterrenlicht gevuld! Haar slank, buigzaam lichaam als van een bloem! EnMc Taggarthad gezegd—Er golfde een opgewonden kreet naar hem terug.„Gauw Nootawe! Hij is de doodloopende kloof ingegaan. Nu kan hij ons niet meer ontsnappen!—”Zij hijgde toen hij haar ingehaald had. Het Fransche bloed in haar dreef een levendig rood naar haar wangen en lippen. Haar witte tanden glinsterden.„Daarin—” en zij wees ernaar.Zij gingen erin.Voor hen uit rende Baree om zijn leven te redden. Hij werd bezeten door angst voor het man-beest. Dit was een vrees, die hem alle oordeel des onderscheids ontnam. Een vrees, afwijkend van alle andere gevoelens, die de natuur in hem vermocht op te wekken.Zooals de beer, de wolf, de lynx—zooals alle dieren van het woud, gehoefd en geklauwd—begreep hij instinktmatig, dat deze wonderbaarlijke, tweebeenige schepsels, die hij daareven gezien had, oppermachtig waren. En zij zetten hem achterna! Hij kon hen hooren. Nepeese liep bijna even hard als hij. Plotseling kwam hij terecht in een gleuf tusschen twee rotsen en zijn weg werd twintig voet versperd en hij rende weer terug. Toen hij weer de kloof insprong, was Nepeese geen twaalf meter achter hem en hij zagPierrotbijna aan haar zijde. De Wilg uitte een kreet.„Mana—Mana—daar is hij!”Zij hield haar adem in en sprong in een boschje jonge balsemstruiken, waarin zij Baree had zien verdwijnen. Als een breed web bleven haar losse haren tusschen de takken gespannen en met een aanvurenden kreet naarPierrotbleef zij stilstaan om het over haar schouder te schudden en hij snelde langs haar heen. Zij liet niet meer dan een paar oogenblikken verloren gaan en zette hem achterna. Plotseling schreeuwdePierroteen waarschuwing. Baree was teruggekeerd. Hij kwam langs hetzelfde paadje terug en regelrecht op de Wilg af. Hij zag haar niet intijds om zijn vaart in te houden of opzij uit te schieten en Nepeese wierp zich op den grond. Hij voelde de massa van heur haar en den greep van haar handen. Die lange haren, aan allekanten om haar heen hangende, speelden Nepeese parten, zij greep mis en Baree ging er met een ruk vandoor en verdween opnieuw in de doodloopende kloof.Nepeese sprong overeind. Zij hijgde—en lachte.Pierrotkwam terughollen en de Wilg weer achter hem.„Ik had hem—en hij heeft me niet gebeten!” zeide zij, snel ademend. Zij wees nog steeds naar de kloof en herhaalde: „Ik had hem en hij heeft me niet gebeten, Nootawe!”Dat was merkwaardig. Zij had iets roekeloos' begaan en Baree had haar niet gebeten! En toen, terwijl haar groote oogen schitterden en de glimlach langzaam van haar lippen verdween, sprak zij zacht en bijna eerbiedig het woord „Baree” uit.Dit woord had de uitwerking van een schot opPierrot. Hij klemde zijn lenige handen ineen. Hij bleef Nepeese een oogenblik met groote oogen aanstaren. Toen riep hij:„Neen, neen, dat kan niet. Kom—of hij zal ons ontsnappen!”Pierrotwas nu vol zelfvertrouwen. De kloof had zich vernauwd en Baree kon niet langs hen heen zonder gezien te worden. Drie minuten later kwam Baree aan het eind van de kloof—een steilen rotsmuur. De overvloedige vischmaaltijden en het vele slapen bij den bevervijver hadden bij hem vet aangezet en hij was bijna buiten adem, terwijl hij tevergeefs naar een uitgang zocht. Er was zelfs geen struik om zich achter te verbergen enPierroten Nepeese zagen hem opnieuw. Nepeese kwam regelrecht op hem af enPierrot, voorziende wat Baree zou doen, plaatste zich ter linkerzijde.Rondom en tusschen de rotsen zocht Baree haastig naar een uitweg. Binnen eenige oogenblikken bereikte hij het einde van de kloof.Dit was een opening in den rotsmuur zoowat zestig voet wijd, die toegang gaf tot een natuurlijke gevangenis, ongeveer een hectare in omvang. Het was een mooi plekje. Aan de drie overige zijden was het door rotsen omringd. Aan het uiterste einde verbrokkelde een waterval zich in kleine huppelende stroompjes. Het gras was er welig en met bloemen bezaaid. In deze val hadPierrotmeer dan eens een hert gedood. Er was van daaruit geen ontsnappen mogelijk zonder in het veld van zijn geweer te komen. Hij riep Nepeese, toen hij Baree daar binnen zag gaan en zij beklommen samen het rotsige pad.Baree was bijna aan den rand van het weitje gekomen toen hij zoó plotseling zijn vaart inhield, dat hij in zittende houding terecht kwam en zijn hart hem in de keel scheen te springen.Midden op zijn pad stond Wakayoo, de reusachtige zwarte beer.Misschien een halve minuut lang weifelde hij tusschen de twee gevaren. Hij hoorde de stemmen vanPierroten Nepeese. Hij hoorde de steenen kraken onder hun voet. En een groote angst vervulde hem. Toen keek hij naar Wakayoo. De groote beer had zich niet bewogen. Ook hij stond te luisteren. Maar bij hem waren het niet alleen de geluiden, die hem met onrust vervulden. Het was de reuk,dien hij in den neus had gekregen. De menschenlucht.Baree, die hem gadesloeg, zag dat zijn kop langzaam heen en weer begon te zwaaien toen de voetstappen van Nepeese enPierrotdichterbij kwamen. Het was voor de eerste maal dat hij tegenover den grooten zwarten beer kwam te staan. Hij had naar hem gekeken, wanneer hij stond te visschen. Hij was dik geworden door Wakayoo's arbeid. Hij had altijd een buitengewonen eerbied voor hem gehad. Maar nu had de beer iets over zich, dat Baree's vrees deed verdwijnen en plaats maakte voor een nieuw, wonderlijk gevoel. Wakayoo, groot en prachtig, zou niet wegloopen voor de tweebeenige dieren, die hem achterna zaten. Als hij maar eenmaal langs Wakayoo heen was, was hij veilig. Hij sprong terzijde en liep de open weide in. Wakayoo bewoog zich niet toen hij langs hem heenstoof—hij nam niet meer notitie van hem dan wanneer hij een konijn of een vogel geweest ware. Toen voerde de wind opnieuw de menschenlucht aan, ditmaal sterker. En dit deed hem ten slotte tot bezinning komen. Hij keerde zich om en begon Baree achterna te schommelen. En Baree, die omkeek, dacht, dat hij hem ook al achtervolgde.Nepeese enPierrotkwamen juist voor den dag en zagen op hetzelfde oogenblik Wakayoo en Baree.Toen zij door de opening kwamen zwenkte Baree sterk naar rechts. Hier was een groot rotsblok, aan den eenen kant de aarde niet heelemaal aanrakend; het scheen een prachtige schuilplaats en Baree kroop eronder.Maar Wakayoo hield steeds het midden van de weide.Van waar hij lag kon Baree zien wat er gebeurde. Ternauwernood was hij onder de rots gekropen toen Nepeese enPierrotin de opening van den rotsmuur verschenen en bleven stilstaan. Het feit, dat zij bleven stilstaan, deed Baree sidderen. Zij waren bang van Wakayoo! De groote beer was nu voor twee derden de weide overgestoken. De zon scheen vol op hem, zoodat zijn huid glansde als zwart satijn.Pierrotbleef een oogenblik naar hem staren. Het was laat in het seizoen. Het bont was niet schitterend meer. Maar Wakayoo's vacht was nog prachtig!Pierrotdoodde niet uit lust tot moorden. Noodzaak deed hem soms tot dooden overgaan, de dieren van het woud waren zijn voedsel, zijn kleeding, en Wakayoo zou, had hij een ruige vacht gehad of was hij aan het verharen geweest, veilig geweest zijn. Maar zooals de zaken nu stonden hiefPierrotzijn geweer op.Baree zag deze handeling. Hij zag, een oogenblik later, iets spuiten uit den geweerloop en daarna hoorde hij dien oorverdoovenden knal, die vergezeld was gegaan van zijn eigen pijn, toen de kogel van de Wilg door zijn vleesch had gebrand. Hij wendde snel zijn oogen naar Wakayoo. De groote beer was gestruikeld. Hij lag nu op zijn knieën. Hij scharrelde overeind en waggelde verder. Het geraas van het geweer klonk opnieuw en voor de tweede maal zonk Wakayoo op den grond.Pierrotkon niet missen op dezen afstand. Wakayoo was een prachtige schietschijf. Het was eenvoudig een slachting en toch was het voorPierroten Nepeese een zaak van gewicht—voor hun levensonderhoud.Baree lag te trillen. Het was meer van opwinding dan van angst, want hij dacht niet aan zijn eigen vrees in de tragedie vandeze oogenblikken. Er rees een zacht gejank in zijn strot, toen hij naar Wakayoo keek, die nu stil was blijven staan voor zijn vijanden; hij had een gapende wond in zijn kaak, zijn kop slingerde langzaam heen en weer, zijn pooten verzwakten onder hem, terwijl het bloed door zijn verscheurde longen stroomde. Baree jankte, omdat Wakayoo voor hem gevischt had, omdat hij hem als een vriend was gaan beschouwen en omdat hij wist, dat het de dood was, die Wakayoo nu te wachten stond. Er knalde een derde schot. Dit was het laatste. Wakayoo zonk in elkaar. Zijn groote kop plofte tusschen zijn voorpooten. Baree hoorde hem een paar keer smartelijk janken. En toen heerschte er stilte.Het was een bloedbad geweest—maar noodzakelijk voorPierrot.Een minuut later zeidePierrottot Nepeese, terwijl hij zich over Wakayoo boog:„Mon Dieu, dàt is nog eens een mooie huid,Sakahet! Die is wel twintig dollars waard inLac Bain!”Hij trok zijn mes en begon het te slijpen op een steen, dien hij in den zak droeg. Nu had Baree weg kunnen kruipen van onder zijn rots en uit de kloof kunnen ontsnappen. Een poosje lang was men hem vergeten. Toen herinnerde Nepeese zich hem, terwijl haar vader de berenhuid begon af te stroopen en sprak met dienzelfden wonderlijken stemklank opnieuw het woord „Baree” uit.Pierrot, die geknield op den grond lag, keek op.„Waarom zeg je dat toch?” vroeg hij. „Waarom Nepeese?”De oogen van de Wilg rustten onderzoekend op de weide.„Om de ster op zijn borst en om zijn witte oor en omdat hij me niet gebeten heeft!” zeide zij.Er flikkerde een nieuwe gloed inPierrot's oogen, zooals het opvlammen van een vuur, dat bijna uitgebrand is.„Neen, dat kan niet,” zeide hij toen, alsof hij die woorden tot zichzelf sprak, en boog weer over zijn werk.Maar Nepeese bemerkte, dat de hand, waarin hij het mes hield, beefde.Terwijl Nepeese naar den rotsigen muur van de kloof staarde,de gevangenis waarin zij Wakayoo en Baree gedreven hadden, keekPierrotweer op van zijn werk en prevelde iets, dat niemand behalve hijzelf had kunnen hooren. „Neen, het is niet mogelijk,” had hij een oogenblik tevoren gezegd, maar voor Nepeese was zij wèl mogelijk—de gedachte die zij met zich omdroeg. Het was een wonderlijke gedachte. Ze deed haar ontroeren tot in het diepst van haar ongebreidelde, mooie ziel. Zij bracht een gloed in haar oogen en een dieper rood van opwinding in haar wangen en lippen. Zij fluisterde opnieuw het woord, datPierrotzoo ontroerd had. „Baree!” Waarom zou het niet mogelijk zijn?Terwijl zij de weide onderzocht, om een spoor te vinden van het jonge hondje, vloden haar gedachten snel terug. Twee jaren geleden hadden zij haar moeder begraven onder de hooge sparren, dicht bij hun hut. Dien dag wasPierrot's zon voorgoed ondergegaan en haar eigen leven vervuld met een groote eenzaamheid. Er hadden er drie aan het graf gestaan, dien middag toen de zon onderging—Pierrot, zijzelf en Baree. Baree was een hond, een groot, ruig dier, met een witte ster op zijn borst en een wit vlekje aan zijn oor. Hij was de lieveling geweest van haar gestorven moeder, van zijn prilste jeugd af. Hij vormde haar lijfwacht—was altijd bij haar—liet zelfs zijn kop rusten op den rand van haar bed, toen zij lag te sterven. En dien nacht, den nacht volgende op den middag van haar begrafenis, was Baree verdwenen. Hij was verdwenen even stil en spoorloos als haar geest. Niemand had hem daarna ooit meer gezien. Het was vreemd en voorPierroteen mirakel. Diep in zijn hart koesterde hij de overtuiging, dat Baree met zijn geliefde Wyola ten hemel gevaren was. Maar Nepeese had drie winters doorgebracht op de zendingsschool teNelson House. Zij had daar veel geleerd over blanke menschen en den werkelijken God en zij wist, dat dit denkbeeld vanPierrotonbestaanbaar was. Zij geloofde, dat haar moeders Baree òf dood was, òf naar de wolven gegaan. Waarschijnlijk was hij naar de wolven gegaan. Daarom—was het niet onmogelijk, dat dit jong, waarop zij en haar vader jacht gemaakt hadden, van hetzelfde vleesch en bloed was als haarmoeders lieveling! Het was heel wèl mogelijk. De witte ster op zijn borst, de witte vlek aan zijn oor—het feit, dat hij haar niet gebeten had, terwijl hij gemakkelijk zijn slagtanden had kunnen begraven in het weeke vleesch van haar armen! Zij was er zeker van. En terwijlPierrotden beer vilde, begon zij jacht te maken op Baree.Baree had zich geen duim bewogen onder zijn rotsblok. Hij lag alsof hij verdoofd was, met zijn oogen strak gericht op de plaats, waar de tragedie van zooeven zich in de weide had afgespeeld. Hij had iets gezien wat hij nooit meer vergeten zou—zooals hij nooit zijn moeder zou vergeten, of Kazan, of het oude hol onder de omgewaaide boomen. Hij was getuige geweest van den dood van een schepsel, dat volgens zijn meening oppermachtig geweest was. Wakayoo, de groote beer, had niet eens den strijd aangebonden.Pierroten Nepeese hadden hem gedoodzonder hem aan te rakenen nu sneedPierrotin hem met een mes, dat zilveren stralen uitschoot in het zonlicht. En Wakayoo maakte geen enkele beweging. Het deed Baree rillen en hij kroop nog wat verder onder het rotsblok, waar hij al zoo stijf in elkaar gedrukt lag, alsof een krachtige hand hem er onder geschoven had.Hij kon Nepeese zien. Zij ging staan dicht bij de opening in den rotswand en was nu niet meer dan twintig voet van de plaats, waar hij zich verborgen had. Nu zij op een plek stond, waar hij haar niet ontsnappen kon, begon zij haar glanzend haar in twee dikke vlechten te weven. Baree had zijn oogen vanPierrotafgewend en sloeg haar nieuwsgierig gade. Hij was nu niet bang. Zijn zenuwen tintelden. Er worstelde in hem een zonderling en groeiend verlangen, het raadsel op te lossen, waarom hij zich gedrongen voelde, van onder zijn rots te voorschijn te kruipen en dat wonderbaarlijke wezen te naderen, met haar schitterende oogen en glanzend haar. Hij voelde begeerte dit te doen. Het was als een onzichtbare snaar, die in hem trilde. Het was Kazan, en niet Wolvin, die iets in hem wakker riep, het was een roep, even oud als de Egyptische pyramiden en misschien nog tienduizend jaar ouder. Maar daartegenover verzette zich Wolvin,uit de eeuwenoude bosschen. Dit maakte, dat hij zich stil en onbeweeglijk hield. Nepeese keek om zich heen. Zij glimlachte. Een oogenblik wendde zij haar gelaat naar hem toe en zag hij de witte schittering van haar tanden en haar mooie oogen, die hem schenen toe te stralen.En toen viel zij plotseling op haar knieën neer en tuurde onder de rots.Hun oogen ontmoetten elkaar. Een halve minuut lang was er geen enkel geluid te hooren. Nepeese bewoog zich niet en haar ademhaling kwam zoo licht, dat Baree haar niet hooren kon.En toen zeide zij, zoo zacht, dat het nauwelijks boven een gefluister uitkwam:„Baree! Baree! Upi Baree!”Het was de eerste maal, dat hij zijn eigen naam had gehoord en er was zoo iets zachts en geruststellends in den klank er van, dat hij er op antwoordde met een zacht gejank. De Wilg bracht langzaam haar arm naar voren. Deze was bloot en rond en zacht. Hij kon gemakkelijk er op afschieten en er zijn tanden in begraven. Maar er was iets, dat hem weerhield. Hij wist, dat zij geen vijand van hem was, hij wist, dat die stralende, donkere oogen geen verlangen uitdrukten, om hem kwaad te doen; en de stem, die zoo zacht tot hem kwam, was hem als ontroerende muziek.„Baree! Baree! Upi Baree!”Nog eens en nog eens riep de Wilg tot hem en trachtte verder onder de rots te kruipen. Zij kon hem niet bereiken. Zij kon zich niet verder naar binnen dringen. En toen zag zij, dat er aan den anderen kant van de rots een holte was, afgesloten door een steen. Als zij dien steen had weggeschoven en langs dien kant was binnengekomen—Zij trok zich weer uit de opening terug en stond opnieuw in den zonneschijn. Haar hart sidderde.Pierrotwas druk bezig met zijn beer en zij wilde hem niet roepen. Zij deed een poging om den steen van zijn plaats te krijgen, maar deze zat vastgeklemd. Toen begon zij te graven met een stok. AlsPierrotinde buurt geweest was, zouden zijn scherpe oogen de beteekenis gezien hebben van dien steen, die niet grooter was dan een wateremmer. Eeuwenlang had hij daar waarschijnlijk gelegen, door zijn steun het rotsblok tegenhoudend in zijn val, zooals het gewicht van een ons de weegschaal kan doen overslaan. Nog vijf minuten en zij zou den steen van zijn plaats kunnen brengen. Zij rukte er aan. Centimeter bij centimeter trok zij hem naar zich toe, tot hij ten laatste aan haar voeten lag. Toen keek zij opnieuw naarPierrot. Hij was nog steeds bezig en zij lachte zachtjes, terwijl zij een grooten rood-en-witten halsdoek afdeed. Hiermee zou zij zich van Baree verzekeren. Zij viel op haar knieën, ging daarna plat op den grond liggen en begon in de opening te kruipen.Baree had zich bewogen. Met zijn kop tegen de rots gedrukt, had hij iets gehoord, wat Nepeese niet gehoord had, had hij een langzame, aangroeiende drukking gevoeld en hij had zich aan die drukking onttrokken en die drukking was hem gevolgd. De rotsmassa begon te verschuiven! Nepeese zag niet en hoorde niet en begreep niet. Zij riep smeekend tegen hem:„Baree! Baree! Baree!—”Haar hoofd en schouders en beide armen waren nu onder de rots. De schittering van haar oogen was dicht bij Baree. Hij jankte. Een groot, naderend gevaar maakte hem onrustig. En toen—Op dit oogenblik voelde Nepeese de drukking van de rots op haar schouders en een blik van ontzetting kwam in haar oogen. En toen stiet zij een kreet uit, die niet geleek op eenig geluid, dat Baree ooit in de wildernis gehoord had—een woesten kreet, doordringend, van vrees bezeten.Pierrothoorde dien eersten kreet niet. Maar hij hoorde den tweeden en derden en daarna het aanhoudende geschreeuw, toen het teere lichaam van de Wilg langzaam verpletterd werd onder de verschuivende massa. Hij vloog er naar toe, snel als de wind.De kreten werden zwakker, begonnen weg te sterven. Hij zag Baree van onder de rotsen uit komen worstelen en de kloof inrennen en op hetzelfde oogenblik zag hij een stukje van de japon van de Wilg en haar in mocassins gestoken voeten. De rest van haar lichaam was gevangen in deze doodsval. Als een krankzinnige begonPierrotte graven. Toen hij Nepeese eenige oogenblikken later van onder de rotsblokken te voorschijn haalde, was zij wit en doodelijk stil. Haar oogen waren gesloten. Zijn hand kon niet ontdekken of zij nog leefde en een gekerm van angst steeg op uit zijn ziel. Maar hij wist hoe men vechten moest om iemands leven. Hij rukte haar japon open en bemerkte dat zij niet gekneusd was, zooals hij gevreesd had. Toen snelde hij weg om water te halen. Toen hij terugkwam, had de Wilg haar oogen geopend en snakte zij naar adem.„Allen Heiligen zij dank!” sniktePierrot, op zijn knieën naast haar vallend. „Nepeese, mijn Nepeese—”Zij glimlachte tegen hem met haar beide handen op haar bloote borst enPierrotdrukte haar tegen zich aan, heelemaal het water vergetend, waarom hij zoo hard geloopen had.Nog later, toen hij op zijn knieën ging liggen en onder de rots tuurde, werd hij doodsbleek en zeide:„Mon Dieu, als die kleine holte in de aarde er niet geweest was, Nepeese—”Hij huiverde en ging niet verder. Maar Nepeese, gelukkig over haar redding, maakte een beweging met haar hand en zeide glimlachend:„Dan zou ik—zóó—geweest zijn. Ah,mon père, ik hoop, dat ik nooit een minnaar zal hebben, zooals die rots!”Pierrot's gelaat werd somber, terwijl hij zich over haar heenboog.„Neen!” zeide hij ontstuimig.„Neen! Nooit!”Hij dacht weer aanMc Taggart, den agent vanLac Bain, en hij balde zijn vuisten, terwijl zijn lippen het haar van zijn dochter aanraakten.
Gedurende twee of drie dagen brachten Baree's onderzoekingstochten naar voedsel hem hoe langer hoe verder van den vijver af, waar hij Gebroken Tand had gezien en kleinen Umisk en al die andere bevers, die aan het spelen waren. Maar tegen den middag keerde hij er altijd weer terug—tot op den derden dag, toen hij een nieuwe kreek ontdekte, en Wakayoo. Deze kreek was volle twee mijlen dieper het bosch in. Het was een heel andere stroom dan de eerste. Zij zong vroolijk, al glijdendover een bedding van kiezelsteenen en tusschen rotskloven. Zij vormde diepe poelen en schuimende draaikolken en op de plek waar Baree haar het eerst naderde klonk het verwijderde gedonder van een waterval. Zij was veel aardiger dan die donkere, stille Bever-vijver. Er scheen leven in te huizen en het gedruisch en de beweging hiervan—het zingen en klotsen van het water—gaf Baree geheel nieuwe gewaarwordingen. Hij liep er langzaam en behoedzaam langs en omdat hij zich zoo langzaam en voorzichtig voortbewoog kwam hij plotseling en onopgemerkt Wakayoo, den grooten zwarten beer, overvallen, die druk aan het visschen was.
Wakayoo stond tot aan zijn knieën in een poel en had een buitengewoon goede vangst. Juist op het oogenblik dat Baree zich wilde terugtrekken, terwijl hem de oogen uit den kop puilden bij den aanblik van dit monster, dat hij nog maar eens in zijn leven gezien had, in den nacht, wierp Wakayoo's groote klauw een straal water hoog de lucht in en een visch kwam terecht op den steenachtigen oever. Eenigen tijd tevoren waren de karpers bij aantallen de rivier opgezwommen om kuit te schieten en door het snelle vallen van het water waren zij in die kleine poelen gevangen geraakt. Wakayoo's vet, glanzend lijf gaf getuigenis van het voordeel dat hij van deze omstandigheid getrokken had. Ofschoon het al over het „eerste” seizoen was voor berenhuiden was Wakayoo's vacht nog prachtig dicht en zwart. Een kwartier lang bleef Baree toekijken hoe hij de visschen uit den vijver sloeg. Toen hij eindelijk ophield lagen er twintig of dertig visschen op de steenen, sommige waren dood, andere spartelden nog. Van de plek waar hij lag, plat tusschen twee rotsen, kon Baree het kraken van de graten hooren, terwijl de beer zijn maal verslond. Het klonkprettigen de doordringende lucht van versche visch vervulde hem met een begeerte, die nooit in hem opgewekt was door eenige rivierkreeft of zelfs patrijs.
In weerwil van zijn dikte en zijn omvang was Wakayoo geen gulzigaard en nadat hij zijn vierden visch verorberd had klauwde hij al de overige op een hoop, bedekte ze gedeeltelijk met zanden steenen en voleindigde zijn verbergingswerk door een jongen balsemstruik af te knakken en er overheen te leggen, zoodat de visschen geheel onzichtbaar waren. Toen waggelde hij langzaam weg, in de richting van den gonzenden waterval.
Twintig sekonden nadat Wakayoo's achterlijf om een bocht van de kreek verdwenen was zat Baree onder den balsemstruik. Hij sleepte een visch voor den dag, waar nog wat leven inzat. Dien at hij op tot de laatste graat en het smaakte hem verrukkelijk.
Baree was van oordeel, dat Wakayoo nu het voedselvraagstuk voor hem had opgelost en hij keerde dien dag niet terug naar den bevervijver; den volgenden evenmin.
De groote beer was zonder ophouden aan het visschen en dag na dag hernam Baree zijn feestmaal. Het viel hem niet moeilijk Wakayoo's opslagplaatsen te vinden. Al wat hij te doen had was langs den stroom te loopen en goed te snuffelen. Sommige van die opslagplaatsen waren van ouden datum en haar geur allesbehalve aangenaam voor Baree's neusgaten. Deze ontweek hij dan ook. Maar hij wist zich vrij regelmatig tweemaal daags op deze manier aan eten te helpen. Een week lang duurde dit gemakkelijke leventje. Toen kwam het einde.
Dit einde kwam toen Baree, op zekeren dag om een rots heen loopend, dicht bij den waterval, tegenoverPierrot, den jager kwam te staan—en Nepeese, zijn dochter, het ster-oogige meisje, dat, vele dagen geleden, in die vlakte op hem geschoten had. Haar zag hij het eerst. Als hijPierrothet eerst gezien had zou hij snel omgekeerd zijn. Maar het hondenbloed van zijn vader klopte heftig in hem. Hij bleef stilstaan. Nepeese was niet meer dan twintig voet van hem af. Zij zat op een rots, in het volle licht van de vroege morgenzon en was bezig haar prachtig haar uit te borstelen. Zooals zij daar zat bedekte het haar bijna tot aan den grond, het glansde nog meer dan Wakayoo's fluweel-zwarte vacht en temidden van deze donkere omlijsting keek zij strak naar Baree. Haar lippen gingen vaneen. Haar oogen begonnen te schitteren als sterren. In haar eene hand hield zijgitzwarte lokken. Zij herkende hem. Zij zag de witte ster op zijn borst en het witte tipje aan zijn oor en zij fluisterde:
„Uchi Moosis”—het jonge hondje! Het was de wilde hond, waarop zij geschoten had en die, naar zij gemeend had, gestorven was! Er was geen vergissing mogelijk. Hij was geheel en al hond, zooals hij daar naar haar stond te kijken.
Den avond tevoren hadden zij zich een schuilplaats gebouwd van balsemstruiken achter de groote rots en op een plek wit zand lagPierrotgeknield over een vuur en maakte het ontbijt gereed, terwijl de Wilg heur haar in orde bracht. Hij lichtte het hoofd op om tot haar te spreken en zag Baree. Op dit oogenblik werd de betoovering verbroken. Baree zag het manbeest en hij maakte beenen. Als een pijl uit den boog ging hij er vandoor.
Maar hij kreeg ternauwernood eenigen voorsprong op Nepeese.
„Pache,mon père!” riep zij. „Het jonge hondje! Gauw!—”
In de golvende wolk van heur haar snelde zij Baree achterna.Pierrotvolgde haar en greep onder het loopen zijn geweer op. Het kostte hem moeite de Wilg bij te houden. Zij leek wel een geest, haar kleine met moccasins geschoeide voeten raakten nauwelijks het zand, terwijl zij langs den oever liep. Het was verrukkelijk haar soepele, lichte bewegingen te zien en dat prachtige haar glanzend in de zon.
Zelfs nu, in dit oogenblik vol opwinding, deed hetPierrotdenken aanMc Taggart, den agent van de Hudson Baai Compagnie, teLac Bainen aan wat deze gisteren gezegd had. Den halven nacht hadPierrotwakker gelegen, tandeknarsend terwijl hij er aan dacht, en dezen morgen, vóór Baree was gekomen, had hij Nepeese nauwkeuriger bekeken dan ooit te voren in zijn leven. Zijwasmooi. Zij was zelfs nog bekoorlijker dan Wyola, haar moeder van vorstelijken bloede, die gestorven was. Dat haar—de mannen staarden ernaar alsof zij hun oogen niet vertrouwen konden! Die oogen—gelijk vijvers met schitterend sterrenlicht gevuld! Haar slank, buigzaam lichaam als van een bloem! EnMc Taggarthad gezegd—
Er golfde een opgewonden kreet naar hem terug.
„Gauw Nootawe! Hij is de doodloopende kloof ingegaan. Nu kan hij ons niet meer ontsnappen!—”
Zij hijgde toen hij haar ingehaald had. Het Fransche bloed in haar dreef een levendig rood naar haar wangen en lippen. Haar witte tanden glinsterden.
„Daarin—” en zij wees ernaar.
Zij gingen erin.
Voor hen uit rende Baree om zijn leven te redden. Hij werd bezeten door angst voor het man-beest. Dit was een vrees, die hem alle oordeel des onderscheids ontnam. Een vrees, afwijkend van alle andere gevoelens, die de natuur in hem vermocht op te wekken.
Zooals de beer, de wolf, de lynx—zooals alle dieren van het woud, gehoefd en geklauwd—begreep hij instinktmatig, dat deze wonderbaarlijke, tweebeenige schepsels, die hij daareven gezien had, oppermachtig waren. En zij zetten hem achterna! Hij kon hen hooren. Nepeese liep bijna even hard als hij. Plotseling kwam hij terecht in een gleuf tusschen twee rotsen en zijn weg werd twintig voet versperd en hij rende weer terug. Toen hij weer de kloof insprong, was Nepeese geen twaalf meter achter hem en hij zagPierrotbijna aan haar zijde. De Wilg uitte een kreet.
„Mana—Mana—daar is hij!”
Zij hield haar adem in en sprong in een boschje jonge balsemstruiken, waarin zij Baree had zien verdwijnen. Als een breed web bleven haar losse haren tusschen de takken gespannen en met een aanvurenden kreet naarPierrotbleef zij stilstaan om het over haar schouder te schudden en hij snelde langs haar heen. Zij liet niet meer dan een paar oogenblikken verloren gaan en zette hem achterna. Plotseling schreeuwdePierroteen waarschuwing. Baree was teruggekeerd. Hij kwam langs hetzelfde paadje terug en regelrecht op de Wilg af. Hij zag haar niet intijds om zijn vaart in te houden of opzij uit te schieten en Nepeese wierp zich op den grond. Hij voelde de massa van heur haar en den greep van haar handen. Die lange haren, aan allekanten om haar heen hangende, speelden Nepeese parten, zij greep mis en Baree ging er met een ruk vandoor en verdween opnieuw in de doodloopende kloof.
Nepeese sprong overeind. Zij hijgde—en lachte.Pierrotkwam terughollen en de Wilg weer achter hem.
„Ik had hem—en hij heeft me niet gebeten!” zeide zij, snel ademend. Zij wees nog steeds naar de kloof en herhaalde: „Ik had hem en hij heeft me niet gebeten, Nootawe!”
Dat was merkwaardig. Zij had iets roekeloos' begaan en Baree had haar niet gebeten! En toen, terwijl haar groote oogen schitterden en de glimlach langzaam van haar lippen verdween, sprak zij zacht en bijna eerbiedig het woord „Baree” uit.
Dit woord had de uitwerking van een schot opPierrot. Hij klemde zijn lenige handen ineen. Hij bleef Nepeese een oogenblik met groote oogen aanstaren. Toen riep hij:
„Neen, neen, dat kan niet. Kom—of hij zal ons ontsnappen!”
Pierrotwas nu vol zelfvertrouwen. De kloof had zich vernauwd en Baree kon niet langs hen heen zonder gezien te worden. Drie minuten later kwam Baree aan het eind van de kloof—een steilen rotsmuur. De overvloedige vischmaaltijden en het vele slapen bij den bevervijver hadden bij hem vet aangezet en hij was bijna buiten adem, terwijl hij tevergeefs naar een uitgang zocht. Er was zelfs geen struik om zich achter te verbergen enPierroten Nepeese zagen hem opnieuw. Nepeese kwam regelrecht op hem af enPierrot, voorziende wat Baree zou doen, plaatste zich ter linkerzijde.
Rondom en tusschen de rotsen zocht Baree haastig naar een uitweg. Binnen eenige oogenblikken bereikte hij het einde van de kloof.
Dit was een opening in den rotsmuur zoowat zestig voet wijd, die toegang gaf tot een natuurlijke gevangenis, ongeveer een hectare in omvang. Het was een mooi plekje. Aan de drie overige zijden was het door rotsen omringd. Aan het uiterste einde verbrokkelde een waterval zich in kleine huppelende stroompjes. Het gras was er welig en met bloemen bezaaid. In deze val hadPierrotmeer dan eens een hert gedood. Er was van daaruit geen ontsnappen mogelijk zonder in het veld van zijn geweer te komen. Hij riep Nepeese, toen hij Baree daar binnen zag gaan en zij beklommen samen het rotsige pad.
Baree was bijna aan den rand van het weitje gekomen toen hij zoó plotseling zijn vaart inhield, dat hij in zittende houding terecht kwam en zijn hart hem in de keel scheen te springen.
Midden op zijn pad stond Wakayoo, de reusachtige zwarte beer.
Misschien een halve minuut lang weifelde hij tusschen de twee gevaren. Hij hoorde de stemmen vanPierroten Nepeese. Hij hoorde de steenen kraken onder hun voet. En een groote angst vervulde hem. Toen keek hij naar Wakayoo. De groote beer had zich niet bewogen. Ook hij stond te luisteren. Maar bij hem waren het niet alleen de geluiden, die hem met onrust vervulden. Het was de reuk,dien hij in den neus had gekregen. De menschenlucht.
Baree, die hem gadesloeg, zag dat zijn kop langzaam heen en weer begon te zwaaien toen de voetstappen van Nepeese enPierrotdichterbij kwamen. Het was voor de eerste maal dat hij tegenover den grooten zwarten beer kwam te staan. Hij had naar hem gekeken, wanneer hij stond te visschen. Hij was dik geworden door Wakayoo's arbeid. Hij had altijd een buitengewonen eerbied voor hem gehad. Maar nu had de beer iets over zich, dat Baree's vrees deed verdwijnen en plaats maakte voor een nieuw, wonderlijk gevoel. Wakayoo, groot en prachtig, zou niet wegloopen voor de tweebeenige dieren, die hem achterna zaten. Als hij maar eenmaal langs Wakayoo heen was, was hij veilig. Hij sprong terzijde en liep de open weide in. Wakayoo bewoog zich niet toen hij langs hem heenstoof—hij nam niet meer notitie van hem dan wanneer hij een konijn of een vogel geweest ware. Toen voerde de wind opnieuw de menschenlucht aan, ditmaal sterker. En dit deed hem ten slotte tot bezinning komen. Hij keerde zich om en begon Baree achterna te schommelen. En Baree, die omkeek, dacht, dat hij hem ook al achtervolgde.Nepeese enPierrotkwamen juist voor den dag en zagen op hetzelfde oogenblik Wakayoo en Baree.
Toen zij door de opening kwamen zwenkte Baree sterk naar rechts. Hier was een groot rotsblok, aan den eenen kant de aarde niet heelemaal aanrakend; het scheen een prachtige schuilplaats en Baree kroop eronder.
Maar Wakayoo hield steeds het midden van de weide.
Van waar hij lag kon Baree zien wat er gebeurde. Ternauwernood was hij onder de rots gekropen toen Nepeese enPierrotin de opening van den rotsmuur verschenen en bleven stilstaan. Het feit, dat zij bleven stilstaan, deed Baree sidderen. Zij waren bang van Wakayoo! De groote beer was nu voor twee derden de weide overgestoken. De zon scheen vol op hem, zoodat zijn huid glansde als zwart satijn.Pierrotbleef een oogenblik naar hem staren. Het was laat in het seizoen. Het bont was niet schitterend meer. Maar Wakayoo's vacht was nog prachtig!Pierrotdoodde niet uit lust tot moorden. Noodzaak deed hem soms tot dooden overgaan, de dieren van het woud waren zijn voedsel, zijn kleeding, en Wakayoo zou, had hij een ruige vacht gehad of was hij aan het verharen geweest, veilig geweest zijn. Maar zooals de zaken nu stonden hiefPierrotzijn geweer op.
Baree zag deze handeling. Hij zag, een oogenblik later, iets spuiten uit den geweerloop en daarna hoorde hij dien oorverdoovenden knal, die vergezeld was gegaan van zijn eigen pijn, toen de kogel van de Wilg door zijn vleesch had gebrand. Hij wendde snel zijn oogen naar Wakayoo. De groote beer was gestruikeld. Hij lag nu op zijn knieën. Hij scharrelde overeind en waggelde verder. Het geraas van het geweer klonk opnieuw en voor de tweede maal zonk Wakayoo op den grond.Pierrotkon niet missen op dezen afstand. Wakayoo was een prachtige schietschijf. Het was eenvoudig een slachting en toch was het voorPierroten Nepeese een zaak van gewicht—voor hun levensonderhoud.
Baree lag te trillen. Het was meer van opwinding dan van angst, want hij dacht niet aan zijn eigen vrees in de tragedie vandeze oogenblikken. Er rees een zacht gejank in zijn strot, toen hij naar Wakayoo keek, die nu stil was blijven staan voor zijn vijanden; hij had een gapende wond in zijn kaak, zijn kop slingerde langzaam heen en weer, zijn pooten verzwakten onder hem, terwijl het bloed door zijn verscheurde longen stroomde. Baree jankte, omdat Wakayoo voor hem gevischt had, omdat hij hem als een vriend was gaan beschouwen en omdat hij wist, dat het de dood was, die Wakayoo nu te wachten stond. Er knalde een derde schot. Dit was het laatste. Wakayoo zonk in elkaar. Zijn groote kop plofte tusschen zijn voorpooten. Baree hoorde hem een paar keer smartelijk janken. En toen heerschte er stilte.
Het was een bloedbad geweest—maar noodzakelijk voorPierrot.
Een minuut later zeidePierrottot Nepeese, terwijl hij zich over Wakayoo boog:
„Mon Dieu, dàt is nog eens een mooie huid,Sakahet! Die is wel twintig dollars waard inLac Bain!”
Hij trok zijn mes en begon het te slijpen op een steen, dien hij in den zak droeg. Nu had Baree weg kunnen kruipen van onder zijn rots en uit de kloof kunnen ontsnappen. Een poosje lang was men hem vergeten. Toen herinnerde Nepeese zich hem, terwijl haar vader de berenhuid begon af te stroopen en sprak met dienzelfden wonderlijken stemklank opnieuw het woord „Baree” uit.
Pierrot, die geknield op den grond lag, keek op.
„Waarom zeg je dat toch?” vroeg hij. „Waarom Nepeese?”
De oogen van de Wilg rustten onderzoekend op de weide.
„Om de ster op zijn borst en om zijn witte oor en omdat hij me niet gebeten heeft!” zeide zij.
Er flikkerde een nieuwe gloed inPierrot's oogen, zooals het opvlammen van een vuur, dat bijna uitgebrand is.
„Neen, dat kan niet,” zeide hij toen, alsof hij die woorden tot zichzelf sprak, en boog weer over zijn werk.
Maar Nepeese bemerkte, dat de hand, waarin hij het mes hield, beefde.
Terwijl Nepeese naar den rotsigen muur van de kloof staarde,de gevangenis waarin zij Wakayoo en Baree gedreven hadden, keekPierrotweer op van zijn werk en prevelde iets, dat niemand behalve hijzelf had kunnen hooren. „Neen, het is niet mogelijk,” had hij een oogenblik tevoren gezegd, maar voor Nepeese was zij wèl mogelijk—de gedachte die zij met zich omdroeg. Het was een wonderlijke gedachte. Ze deed haar ontroeren tot in het diepst van haar ongebreidelde, mooie ziel. Zij bracht een gloed in haar oogen en een dieper rood van opwinding in haar wangen en lippen. Zij fluisterde opnieuw het woord, datPierrotzoo ontroerd had. „Baree!” Waarom zou het niet mogelijk zijn?
Terwijl zij de weide onderzocht, om een spoor te vinden van het jonge hondje, vloden haar gedachten snel terug. Twee jaren geleden hadden zij haar moeder begraven onder de hooge sparren, dicht bij hun hut. Dien dag wasPierrot's zon voorgoed ondergegaan en haar eigen leven vervuld met een groote eenzaamheid. Er hadden er drie aan het graf gestaan, dien middag toen de zon onderging—Pierrot, zijzelf en Baree. Baree was een hond, een groot, ruig dier, met een witte ster op zijn borst en een wit vlekje aan zijn oor. Hij was de lieveling geweest van haar gestorven moeder, van zijn prilste jeugd af. Hij vormde haar lijfwacht—was altijd bij haar—liet zelfs zijn kop rusten op den rand van haar bed, toen zij lag te sterven. En dien nacht, den nacht volgende op den middag van haar begrafenis, was Baree verdwenen. Hij was verdwenen even stil en spoorloos als haar geest. Niemand had hem daarna ooit meer gezien. Het was vreemd en voorPierroteen mirakel. Diep in zijn hart koesterde hij de overtuiging, dat Baree met zijn geliefde Wyola ten hemel gevaren was. Maar Nepeese had drie winters doorgebracht op de zendingsschool teNelson House. Zij had daar veel geleerd over blanke menschen en den werkelijken God en zij wist, dat dit denkbeeld vanPierrotonbestaanbaar was. Zij geloofde, dat haar moeders Baree òf dood was, òf naar de wolven gegaan. Waarschijnlijk was hij naar de wolven gegaan. Daarom—was het niet onmogelijk, dat dit jong, waarop zij en haar vader jacht gemaakt hadden, van hetzelfde vleesch en bloed was als haarmoeders lieveling! Het was heel wèl mogelijk. De witte ster op zijn borst, de witte vlek aan zijn oor—het feit, dat hij haar niet gebeten had, terwijl hij gemakkelijk zijn slagtanden had kunnen begraven in het weeke vleesch van haar armen! Zij was er zeker van. En terwijlPierrotden beer vilde, begon zij jacht te maken op Baree.
Baree had zich geen duim bewogen onder zijn rotsblok. Hij lag alsof hij verdoofd was, met zijn oogen strak gericht op de plaats, waar de tragedie van zooeven zich in de weide had afgespeeld. Hij had iets gezien wat hij nooit meer vergeten zou—zooals hij nooit zijn moeder zou vergeten, of Kazan, of het oude hol onder de omgewaaide boomen. Hij was getuige geweest van den dood van een schepsel, dat volgens zijn meening oppermachtig geweest was. Wakayoo, de groote beer, had niet eens den strijd aangebonden.Pierroten Nepeese hadden hem gedoodzonder hem aan te rakenen nu sneedPierrotin hem met een mes, dat zilveren stralen uitschoot in het zonlicht. En Wakayoo maakte geen enkele beweging. Het deed Baree rillen en hij kroop nog wat verder onder het rotsblok, waar hij al zoo stijf in elkaar gedrukt lag, alsof een krachtige hand hem er onder geschoven had.
Hij kon Nepeese zien. Zij ging staan dicht bij de opening in den rotswand en was nu niet meer dan twintig voet van de plaats, waar hij zich verborgen had. Nu zij op een plek stond, waar hij haar niet ontsnappen kon, begon zij haar glanzend haar in twee dikke vlechten te weven. Baree had zijn oogen vanPierrotafgewend en sloeg haar nieuwsgierig gade. Hij was nu niet bang. Zijn zenuwen tintelden. Er worstelde in hem een zonderling en groeiend verlangen, het raadsel op te lossen, waarom hij zich gedrongen voelde, van onder zijn rots te voorschijn te kruipen en dat wonderbaarlijke wezen te naderen, met haar schitterende oogen en glanzend haar. Hij voelde begeerte dit te doen. Het was als een onzichtbare snaar, die in hem trilde. Het was Kazan, en niet Wolvin, die iets in hem wakker riep, het was een roep, even oud als de Egyptische pyramiden en misschien nog tienduizend jaar ouder. Maar daartegenover verzette zich Wolvin,uit de eeuwenoude bosschen. Dit maakte, dat hij zich stil en onbeweeglijk hield. Nepeese keek om zich heen. Zij glimlachte. Een oogenblik wendde zij haar gelaat naar hem toe en zag hij de witte schittering van haar tanden en haar mooie oogen, die hem schenen toe te stralen.
En toen viel zij plotseling op haar knieën neer en tuurde onder de rots.
Hun oogen ontmoetten elkaar. Een halve minuut lang was er geen enkel geluid te hooren. Nepeese bewoog zich niet en haar ademhaling kwam zoo licht, dat Baree haar niet hooren kon.
En toen zeide zij, zoo zacht, dat het nauwelijks boven een gefluister uitkwam:
„Baree! Baree! Upi Baree!”
Het was de eerste maal, dat hij zijn eigen naam had gehoord en er was zoo iets zachts en geruststellends in den klank er van, dat hij er op antwoordde met een zacht gejank. De Wilg bracht langzaam haar arm naar voren. Deze was bloot en rond en zacht. Hij kon gemakkelijk er op afschieten en er zijn tanden in begraven. Maar er was iets, dat hem weerhield. Hij wist, dat zij geen vijand van hem was, hij wist, dat die stralende, donkere oogen geen verlangen uitdrukten, om hem kwaad te doen; en de stem, die zoo zacht tot hem kwam, was hem als ontroerende muziek.
„Baree! Baree! Upi Baree!”
Nog eens en nog eens riep de Wilg tot hem en trachtte verder onder de rots te kruipen. Zij kon hem niet bereiken. Zij kon zich niet verder naar binnen dringen. En toen zag zij, dat er aan den anderen kant van de rots een holte was, afgesloten door een steen. Als zij dien steen had weggeschoven en langs dien kant was binnengekomen—
Zij trok zich weer uit de opening terug en stond opnieuw in den zonneschijn. Haar hart sidderde.Pierrotwas druk bezig met zijn beer en zij wilde hem niet roepen. Zij deed een poging om den steen van zijn plaats te krijgen, maar deze zat vastgeklemd. Toen begon zij te graven met een stok. AlsPierrotinde buurt geweest was, zouden zijn scherpe oogen de beteekenis gezien hebben van dien steen, die niet grooter was dan een wateremmer. Eeuwenlang had hij daar waarschijnlijk gelegen, door zijn steun het rotsblok tegenhoudend in zijn val, zooals het gewicht van een ons de weegschaal kan doen overslaan. Nog vijf minuten en zij zou den steen van zijn plaats kunnen brengen. Zij rukte er aan. Centimeter bij centimeter trok zij hem naar zich toe, tot hij ten laatste aan haar voeten lag. Toen keek zij opnieuw naarPierrot. Hij was nog steeds bezig en zij lachte zachtjes, terwijl zij een grooten rood-en-witten halsdoek afdeed. Hiermee zou zij zich van Baree verzekeren. Zij viel op haar knieën, ging daarna plat op den grond liggen en begon in de opening te kruipen.
Baree had zich bewogen. Met zijn kop tegen de rots gedrukt, had hij iets gehoord, wat Nepeese niet gehoord had, had hij een langzame, aangroeiende drukking gevoeld en hij had zich aan die drukking onttrokken en die drukking was hem gevolgd. De rotsmassa begon te verschuiven! Nepeese zag niet en hoorde niet en begreep niet. Zij riep smeekend tegen hem:
„Baree! Baree! Baree!—”
Haar hoofd en schouders en beide armen waren nu onder de rots. De schittering van haar oogen was dicht bij Baree. Hij jankte. Een groot, naderend gevaar maakte hem onrustig. En toen—
Op dit oogenblik voelde Nepeese de drukking van de rots op haar schouders en een blik van ontzetting kwam in haar oogen. En toen stiet zij een kreet uit, die niet geleek op eenig geluid, dat Baree ooit in de wildernis gehoord had—een woesten kreet, doordringend, van vrees bezeten.Pierrothoorde dien eersten kreet niet. Maar hij hoorde den tweeden en derden en daarna het aanhoudende geschreeuw, toen het teere lichaam van de Wilg langzaam verpletterd werd onder de verschuivende massa. Hij vloog er naar toe, snel als de wind.
De kreten werden zwakker, begonnen weg te sterven. Hij zag Baree van onder de rotsen uit komen worstelen en de kloof inrennen en op hetzelfde oogenblik zag hij een stukje van de japon van de Wilg en haar in mocassins gestoken voeten. De rest van haar lichaam was gevangen in deze doodsval. Als een krankzinnige begonPierrotte graven. Toen hij Nepeese eenige oogenblikken later van onder de rotsblokken te voorschijn haalde, was zij wit en doodelijk stil. Haar oogen waren gesloten. Zijn hand kon niet ontdekken of zij nog leefde en een gekerm van angst steeg op uit zijn ziel. Maar hij wist hoe men vechten moest om iemands leven. Hij rukte haar japon open en bemerkte dat zij niet gekneusd was, zooals hij gevreesd had. Toen snelde hij weg om water te halen. Toen hij terugkwam, had de Wilg haar oogen geopend en snakte zij naar adem.
„Allen Heiligen zij dank!” sniktePierrot, op zijn knieën naast haar vallend. „Nepeese, mijn Nepeese—”
Zij glimlachte tegen hem met haar beide handen op haar bloote borst enPierrotdrukte haar tegen zich aan, heelemaal het water vergetend, waarom hij zoo hard geloopen had.
Nog later, toen hij op zijn knieën ging liggen en onder de rots tuurde, werd hij doodsbleek en zeide:
„Mon Dieu, als die kleine holte in de aarde er niet geweest was, Nepeese—”
Hij huiverde en ging niet verder. Maar Nepeese, gelukkig over haar redding, maakte een beweging met haar hand en zeide glimlachend:
„Dan zou ik—zóó—geweest zijn. Ah,mon père, ik hoop, dat ik nooit een minnaar zal hebben, zooals die rots!”
Pierrot's gelaat werd somber, terwijl hij zich over haar heenboog.
„Neen!” zeide hij ontstuimig.„Neen! Nooit!”
Hij dacht weer aanMc Taggart, den agent vanLac Bain, en hij balde zijn vuisten, terwijl zijn lippen het haar van zijn dochter aanraakten.