XVI.De stem van zijn ras.

XVI.De stem van zijn ras.Tegen het eind van September kwamMac Donald, de kaartenmaker, inLac Bain. Tien dagen lang wasGregson, de controleur,BushMcTaggart's gast geweest op den Post en in dien tijd was tweemaal het denkbeeld bijMarieopgekomen hem in zijn slaap te overvallen en te vermoorden. De agent zelf nam weinig notitie van haar, den laatsten tijd, een feit, dat haar gelukkig gemaakt zou hebben alsGregsoner niet geweest was. Deze was bekoord door de schoonheid van het ranke Cree-meisje, enMcTaggart, zonder jaloersch te zijn, moedigde hem aan. Hij had genoeg vanMarie. Hij zeide dit aanGregson. Hij zou graag van haar af willen en alsGregsonhaar soms met zich mee kon nemen, zou hij hem daarmee een grooten dienst bewijzen. Hij legde hem uit, waarom. Over een poosje, als de zware sneeuw zou beginnen te vallen, zou hij de dochter vanPierrot du Quesnegaan halen. In de vertrouwelijkheid van hun liederlijke vriendschap vertelde hij hem van zijn bezoek, van de manier, waarop hij ontvangen was, van het voorval bij de kloof. Maar ondanks dit alles, verzekerde hijGregson, zouPierrot's meisje spoedig teLac Bainhaar intrek nomen. Juist in dezen tijd kwamMac Donald. Hij bleef maar één nacht over en zonder te weten, dat hij voedsel gaf aan een vuur, dat al gevaarlijk aan het gloeien was, liet hij het portretje achter, dat hij van Nepeese gemaakt had. Het was een uitstekende gelijkenis.„Als u het soms aan het meisje kunt laten bezorgen zult u mij een groot plezier doen,” had hij totMc Taggartgezegd. „Ik heb er haar een afdruk van beloofd. Haar vader heetDu Quesne—Pierrot Du Quesne. U kent hem misschien wel. En het meisje—”Mac Donaldmaakte zich warm bij de beschrijving hoe mooi zij er dien dag had uitgezien in dat roode japonnetje, dat er op de fotografie zwart uitzag. Hij vermoedde niet, hoe dicht bij hetkookpuntMc Taggart's bloed was. Den volgenden dag vertrokMac DonaldnaarNorway House. Mc Taggartliet het portretje niet aanGregsonzien. Hij verborg het en, dien nacht, bij het schijnsel der lamp, bekeek hij het met gedachten, die hem met koortsachtige onrust vervulden en—een groeiende vastberadenheid. Er was maar één manier. Hij had dit plan al weken met zich omgedragen en dit portretje gaf den doorslag. Hij durfde zijn geheim zelfsGregsonniet toefluisteren. Maar het was de eenige manier. Zij zou hem Nepeese geven. Maar—hij zou moeten wachten op de zware sneeuw, tot het midden in den winter was. Deze sneeuw begraaft tragediën het diepst. Hij was blij, toenGregsonden kaartenmaker naarNorway Housevolgde. Uit beleefdheid begeleidde hij hem een dagreis ver. Toen hij terugkwam, kwam hij tot de ontdekking, datMariehem ontvlucht was. Daar was hij ook blij om. Hij zond een renbode met een vracht presenten naar haar familie en de boodschap: „Sla haar niet. Houd haar bij u. Zij is vrij.”Tegelijk met de drukte en de beweging, die de aanvang van het vallen-seizoen meebracht, begonMc Taggartzijn huis in orde te maken voor Nepeese's komst. Hij kende haar smaak, waar het netheid en een paar andere kleinigheden betrof. Hij liet de muren wit schilderen met de verf, die voor zijn booten bestemd was geweest. Sommige gedeelten werden afgebroken, andere nieuw opgetrokken; de Indiaansche vrouw van zijn voornaamsten boodschapper maakte gordijnen voor de ramen en hij sleepte een kleine gramofoon in de wacht, die doorgezonden had moeten worden naarLac la Biche. Hij koesterde geen twijfel en telde de dagen.Daarginds bij den Grijzen Fuut haddenPierroten Nepeese het druk met allerlei zaken tegelijk, zoo druk, datPierrotdikwijls zijn vrees voor den agent vanLac Bainvergat en de Wilg er heelemaal niet meer aan dacht. Het was Jachtmaand en het winterjachtseizoen naderde. Nepeese drenkte zorgvuldig een honderdtal vallen in kokend kariboevet, met bevervet vermengd, terwijlPierrotnieuwe klemmen gereedmaakte en uitzette. Alshij langer dan een dag uit de hut dacht weg te blijven nam hij haar altijd met zich mee. Maar in de hut zelf viel ook heel wat te doen, wantPierrot, zooals de gewoonte was bij al zijn broeders in het noorden, begon niet aan zijn toebereidselen voor de herfst in de lucht zat. De sneeuwschoenen moesten hersteld worden, hout gehakt, om het bij de hand te hebben tegen het aanbreken van den winterstorm; de hut goed nagezien worden en dichtgestopt, nieuw tuig gemaakt, de messen, die bij het afstroopen van huiden gebruikt werden, opnieuw geslepen en winter-mocassins vervaardigd—honderd-en-één zaken moesten geregeld worden, zoo bijvoorbeeld ook het vleeschrooster in orde gemaakt, aan de achterzijde der hut, waar, van het invallen der koude af tot aan het einde toe, de bouten van het wildbraad, van den kariboe en den eland zouden hangen, als winterprovisie voor hun gezinnetje en later, als de visch schaarscher zou worden, ook het rantsoen voor de honden. In de drukte van dit alles kon Nepeese onmogelijk zooveel aandacht aan Baree schenken als in de voorafgegane weken. Zij speelden niet zoo veel, ook zwommen zij niet meer samen, want elken morgen lag er ijzel op den grond en ook het water werd ijskoud; zij dwaalden niet meer tot diep in de bosschen, op zoek naar bloemen en bessen. Urenlang lag Baree nu aan de voeten van de Wilg en keek hoe haar slanke vingers de sneeuwschoenen verstelden en nu en dan hield Nepeese op en boog zich voorover om haar hand op zijn kop te leggen en even tegen hem te praten—soms in haar zoetvleiend Cree, soms in het Engelsch of in haar vader's Fransch. Het was haarstem, die Baree had leeren begrijpen en de beweging van haar lippen, haar gebaren, de houding van haar lichaam, haar veranderende stemmingen, die schaduw of zonlicht op haar gelaat teweeg brachten. Hij wist, wat het beteekende, wanneer zij glimlachte; hij schudde zich en sprong soms vroolijk in het rond, wanneer zij lachte; haar geluk was een deel van hem en een bestraffend woord van haar erger dan een slag. Twee keer hadPierrothem geslagen en beide malen was Baree achteruit gesprongen en had hem met een woedenden grauw en ontbloote slagtanden geantwoord,terwijl de haren op zijn rug als een borstel overeind stonden. Als een van de andere honden hem dit geleverd had zouPierrothem half vermoord hebben. Het zou opstand beteekend hebben en de man moest het gezag in handen hebben. Maar Baree was altijd veilig voor hem. Een lichte aanraking van Nepeese's hand, een enkel woord van haar en de haren op zijn rug zegen weer neer en het grommen in zijn strot bedaarde.Pierrotwas er volstrekt niet boos om.„Dieu!ik zal nooit zoo ver gaan om te probeeren dàt uit hem te ranselen,” mompelde hij. „Hij is en blijft een woesteling—een wild dier—en toch haar slaaf.Voor haar zou hij een moord begaan!”En zoo kwam het dus doorPierrotzelf—en zonder dat hij er de reden voor opgaf—dat Baree niet tot een sledehond opgevoed werd. Hij mocht zijn vrijheid behouden. Hij werd nooit vastgebonden zooals de anderen. Nepeese was er blij om, maar zij giste haar vader's beweegreden niet.Pierrotgrinnikte in zichzelf. Zij zou nooit weten, waarom hij er voor zorgde, dat Baree altijd achterdocht voor hem bleef koesteren, die aan haat grensde. Het had veel overleg en slimheid van zijn zijde tot grondslag. Hij redeneerde aldus:„Als hij mij haat, zal hij alle anderemannenhaten.Mey-oo!Dat is best.”Zoo keek hij in de toekomst—voor Nepeese.En toen brachten de laatste herfstnachten en de eerste vriesnachten van de Jachtmaand de groote verandering bij Baree teweeg. Het was onvermijdelijk.Pierrotwist, dat het gebeuren zou en den eersten nacht toen Baree zijn kop achterover wierp en omhoog huilde tegen de maan bereidde hij er Nepeese op voor.„Hij is een wilde hond, Nepeese,” zeide hij tot haar. „Hij is een halve wolf en hij zal hun neigingen krijgen. Hij zal het bosch in willen en nu en dan zal hij er van door gaan. Maar we moeten hem niet vastleggen. Hij zal terugkomen. Ja,—hij zal terugkomen!” En hij wreef zich in het maanlicht de handen tot zijn gewrichten kraakten.De roepstem kwam tot Baree, zooals een dief langzaam en voorzichtig naar een verboden plaats toesluipt. Hij begreep haar eerst niet. Zij maakte hem zenuwachtig en rusteloos, zoo zenuwachtig, dat Nepeese hem meermalen in zijn slaap zachtjes hoorde huilen. Hij wachtte opiets. Wat was het?Pierrotwist het en glimlachte op zijn ondoorgrondelijke manier. En toen gebeurde het. Het was nacht—een prachtige nacht, vol maan- en sterrenlicht en de aarde werd met een vlies van ijs overdekt. En heel uit de verte drong zij tot hem door—de roepstem van den troep! Nu en dan, gedurende den zomer had hij het gehuil gehoord van een eenzamen wolf, maar dit wasde troep—en toen dit gehuil op hem af kwam golven, door de uitgestrekte stilte en de geheimzinnigheid van den nacht als een woeste zang, die bij elke Jachtmaand gedurende ontelbare eeuwen was teruggekomen, wistPierrot, dat voor Baree eindelijk en ten laatste datgene was gekomen, waarop hij gewacht had. In een oogwenk besefte Baree het. Zijn spieren spanden zich strak als dikke koorden toen hij zich oprichtte en in het maanlicht stond, kijkend in de richting, vanwaar dit geheimzinnige en opwindende geluid gekomen was. Zij konden hem zachtjes hooren janken enPierrot, zich voorover buigend om zooveel mogelijk van het licht van den nacht gebruik te kunnen maken, kon hem zien rillen.„Het ismee—koo!” sprak hij fluisterend tot Nepeese.Dàt was het—de stem des bloeds, die tot Baree sprak; niet alleen de stem van het tegenwoordige geslacht, maar die van Kazan, Wolvin en van tallooze van hun voorzaten. Het was de stem van zijngeslacht. Dit hadPierrotgefluisterd en hij had gelijk. In den gouden nacht wachtte de Wilg, want zij had het hoogste ingezet en zij zou dus het meeste winnen of verliezen. Zij gaf geen geluid, antwoordde niet op het gezegde van haar vader, op zachten toon geuit, maar hield haar adem in en sloeg Baree gade toen hij langzaam, voetje voor voetje, in de schaduw weggleed. Een paar oogenblikken later was hij verdwenen. Toen wierp zij het hoofd in den nek en, terwijl haar oogen met de sterren wedijverden in glans, riep zij:„Baree! Baree! Baree! Baree!”Hij moest pas aan den zoom van het bosch geweest zijn, want binnen eenige sekonden was hij terug aan haar zijde. Maar hij was regelrecht op haar aan komen rennen, als een pijl uit den boog en hij jankte, naar haar gelaat kijkend. Nepeese legde haar handen op zijn kop.„U hebt gelijk,mon père,” zeide zij. „Hij zal nu met de wolven meegaan, maar hij komt zeker terug. Hij zal nooit lang van me wegblijven.” Met haar eene hand nog steeds op zijn kop, wees zij met de andere naar de pikzwarte duisternis van het bosch. „Ga maar naar hen toe, Baree!” fluisterde zij. „Maar je moet terugkomen. Je moet, hoorCheamao!”Zij trad metPierrotde hut weer binnen, zij sloten de deur achter zich en Baree bleef alleen. Er heerschte een lange stilte. In deze stilte kon hij de zachte geluiden van den nacht hooren, het rammelen van de kettingen, waarmee de honden vastgeklonken waren, het onrustige woelen, dat zij deden, het gesuis der vleugels van een voorbijvliegenden vogel, den adem van den nacht zelf. Want deze nacht, zelfs in zijn groote rust, scheen voor Baree te leven. Hij begaf er zich opnieuw in en dicht bij het bosch bleef hij weer stilstaan om te luisteren. De wind was gedraaid en de klagelijke, opwindende kreet van den troep werd er op voortgestuwd.Ver in het westen wendde een eenzame wolf zijn snoet hemelwaarts en antwoordde op den verzamelkreet van zijn stam en toen kwam uit het oosten een dergelijk geluid, zoo ver van de hut verwijderd, dat het wel een echo leek, die wegstierf in de uitgestrektheid van het duister. Er smoorde een geluidje in Baree's strot. Hij wierp den kop omhoog. Recht boven hem stond de Roode Maan, hem uitnoodigend de geheimzinnige wereld te gaan bewandelen. Het geluid in zijn strot zwol aan en langzaam nam het toe in kracht, totdat zijn antwoord opsteeg naar de sterren. In de hut hoorden Wilg enPierrothet.Pierrothaalde de schouders op.„Hij is weg,” zeide hij.„Ja, hij is weg,mon père,” antwoordde Nepeese door het venster turend.

Tegen het eind van September kwamMac Donald, de kaartenmaker, inLac Bain. Tien dagen lang wasGregson, de controleur,BushMcTaggart's gast geweest op den Post en in dien tijd was tweemaal het denkbeeld bijMarieopgekomen hem in zijn slaap te overvallen en te vermoorden. De agent zelf nam weinig notitie van haar, den laatsten tijd, een feit, dat haar gelukkig gemaakt zou hebben alsGregsoner niet geweest was. Deze was bekoord door de schoonheid van het ranke Cree-meisje, enMcTaggart, zonder jaloersch te zijn, moedigde hem aan. Hij had genoeg vanMarie. Hij zeide dit aanGregson. Hij zou graag van haar af willen en alsGregsonhaar soms met zich mee kon nemen, zou hij hem daarmee een grooten dienst bewijzen. Hij legde hem uit, waarom. Over een poosje, als de zware sneeuw zou beginnen te vallen, zou hij de dochter vanPierrot du Quesnegaan halen. In de vertrouwelijkheid van hun liederlijke vriendschap vertelde hij hem van zijn bezoek, van de manier, waarop hij ontvangen was, van het voorval bij de kloof. Maar ondanks dit alles, verzekerde hijGregson, zouPierrot's meisje spoedig teLac Bainhaar intrek nomen. Juist in dezen tijd kwamMac Donald. Hij bleef maar één nacht over en zonder te weten, dat hij voedsel gaf aan een vuur, dat al gevaarlijk aan het gloeien was, liet hij het portretje achter, dat hij van Nepeese gemaakt had. Het was een uitstekende gelijkenis.

„Als u het soms aan het meisje kunt laten bezorgen zult u mij een groot plezier doen,” had hij totMc Taggartgezegd. „Ik heb er haar een afdruk van beloofd. Haar vader heetDu Quesne—Pierrot Du Quesne. U kent hem misschien wel. En het meisje—”

Mac Donaldmaakte zich warm bij de beschrijving hoe mooi zij er dien dag had uitgezien in dat roode japonnetje, dat er op de fotografie zwart uitzag. Hij vermoedde niet, hoe dicht bij hetkookpuntMc Taggart's bloed was. Den volgenden dag vertrokMac DonaldnaarNorway House. Mc Taggartliet het portretje niet aanGregsonzien. Hij verborg het en, dien nacht, bij het schijnsel der lamp, bekeek hij het met gedachten, die hem met koortsachtige onrust vervulden en—een groeiende vastberadenheid. Er was maar één manier. Hij had dit plan al weken met zich omgedragen en dit portretje gaf den doorslag. Hij durfde zijn geheim zelfsGregsonniet toefluisteren. Maar het was de eenige manier. Zij zou hem Nepeese geven. Maar—hij zou moeten wachten op de zware sneeuw, tot het midden in den winter was. Deze sneeuw begraaft tragediën het diepst. Hij was blij, toenGregsonden kaartenmaker naarNorway Housevolgde. Uit beleefdheid begeleidde hij hem een dagreis ver. Toen hij terugkwam, kwam hij tot de ontdekking, datMariehem ontvlucht was. Daar was hij ook blij om. Hij zond een renbode met een vracht presenten naar haar familie en de boodschap: „Sla haar niet. Houd haar bij u. Zij is vrij.”

Tegelijk met de drukte en de beweging, die de aanvang van het vallen-seizoen meebracht, begonMc Taggartzijn huis in orde te maken voor Nepeese's komst. Hij kende haar smaak, waar het netheid en een paar andere kleinigheden betrof. Hij liet de muren wit schilderen met de verf, die voor zijn booten bestemd was geweest. Sommige gedeelten werden afgebroken, andere nieuw opgetrokken; de Indiaansche vrouw van zijn voornaamsten boodschapper maakte gordijnen voor de ramen en hij sleepte een kleine gramofoon in de wacht, die doorgezonden had moeten worden naarLac la Biche. Hij koesterde geen twijfel en telde de dagen.

Daarginds bij den Grijzen Fuut haddenPierroten Nepeese het druk met allerlei zaken tegelijk, zoo druk, datPierrotdikwijls zijn vrees voor den agent vanLac Bainvergat en de Wilg er heelemaal niet meer aan dacht. Het was Jachtmaand en het winterjachtseizoen naderde. Nepeese drenkte zorgvuldig een honderdtal vallen in kokend kariboevet, met bevervet vermengd, terwijlPierrotnieuwe klemmen gereedmaakte en uitzette. Alshij langer dan een dag uit de hut dacht weg te blijven nam hij haar altijd met zich mee. Maar in de hut zelf viel ook heel wat te doen, wantPierrot, zooals de gewoonte was bij al zijn broeders in het noorden, begon niet aan zijn toebereidselen voor de herfst in de lucht zat. De sneeuwschoenen moesten hersteld worden, hout gehakt, om het bij de hand te hebben tegen het aanbreken van den winterstorm; de hut goed nagezien worden en dichtgestopt, nieuw tuig gemaakt, de messen, die bij het afstroopen van huiden gebruikt werden, opnieuw geslepen en winter-mocassins vervaardigd—honderd-en-één zaken moesten geregeld worden, zoo bijvoorbeeld ook het vleeschrooster in orde gemaakt, aan de achterzijde der hut, waar, van het invallen der koude af tot aan het einde toe, de bouten van het wildbraad, van den kariboe en den eland zouden hangen, als winterprovisie voor hun gezinnetje en later, als de visch schaarscher zou worden, ook het rantsoen voor de honden. In de drukte van dit alles kon Nepeese onmogelijk zooveel aandacht aan Baree schenken als in de voorafgegane weken. Zij speelden niet zoo veel, ook zwommen zij niet meer samen, want elken morgen lag er ijzel op den grond en ook het water werd ijskoud; zij dwaalden niet meer tot diep in de bosschen, op zoek naar bloemen en bessen. Urenlang lag Baree nu aan de voeten van de Wilg en keek hoe haar slanke vingers de sneeuwschoenen verstelden en nu en dan hield Nepeese op en boog zich voorover om haar hand op zijn kop te leggen en even tegen hem te praten—soms in haar zoetvleiend Cree, soms in het Engelsch of in haar vader's Fransch. Het was haarstem, die Baree had leeren begrijpen en de beweging van haar lippen, haar gebaren, de houding van haar lichaam, haar veranderende stemmingen, die schaduw of zonlicht op haar gelaat teweeg brachten. Hij wist, wat het beteekende, wanneer zij glimlachte; hij schudde zich en sprong soms vroolijk in het rond, wanneer zij lachte; haar geluk was een deel van hem en een bestraffend woord van haar erger dan een slag. Twee keer hadPierrothem geslagen en beide malen was Baree achteruit gesprongen en had hem met een woedenden grauw en ontbloote slagtanden geantwoord,terwijl de haren op zijn rug als een borstel overeind stonden. Als een van de andere honden hem dit geleverd had zouPierrothem half vermoord hebben. Het zou opstand beteekend hebben en de man moest het gezag in handen hebben. Maar Baree was altijd veilig voor hem. Een lichte aanraking van Nepeese's hand, een enkel woord van haar en de haren op zijn rug zegen weer neer en het grommen in zijn strot bedaarde.

Pierrotwas er volstrekt niet boos om.

„Dieu!ik zal nooit zoo ver gaan om te probeeren dàt uit hem te ranselen,” mompelde hij. „Hij is en blijft een woesteling—een wild dier—en toch haar slaaf.Voor haar zou hij een moord begaan!”

En zoo kwam het dus doorPierrotzelf—en zonder dat hij er de reden voor opgaf—dat Baree niet tot een sledehond opgevoed werd. Hij mocht zijn vrijheid behouden. Hij werd nooit vastgebonden zooals de anderen. Nepeese was er blij om, maar zij giste haar vader's beweegreden niet.Pierrotgrinnikte in zichzelf. Zij zou nooit weten, waarom hij er voor zorgde, dat Baree altijd achterdocht voor hem bleef koesteren, die aan haat grensde. Het had veel overleg en slimheid van zijn zijde tot grondslag. Hij redeneerde aldus:

„Als hij mij haat, zal hij alle anderemannenhaten.Mey-oo!Dat is best.”

Zoo keek hij in de toekomst—voor Nepeese.

En toen brachten de laatste herfstnachten en de eerste vriesnachten van de Jachtmaand de groote verandering bij Baree teweeg. Het was onvermijdelijk.Pierrotwist, dat het gebeuren zou en den eersten nacht toen Baree zijn kop achterover wierp en omhoog huilde tegen de maan bereidde hij er Nepeese op voor.

„Hij is een wilde hond, Nepeese,” zeide hij tot haar. „Hij is een halve wolf en hij zal hun neigingen krijgen. Hij zal het bosch in willen en nu en dan zal hij er van door gaan. Maar we moeten hem niet vastleggen. Hij zal terugkomen. Ja,—hij zal terugkomen!” En hij wreef zich in het maanlicht de handen tot zijn gewrichten kraakten.

De roepstem kwam tot Baree, zooals een dief langzaam en voorzichtig naar een verboden plaats toesluipt. Hij begreep haar eerst niet. Zij maakte hem zenuwachtig en rusteloos, zoo zenuwachtig, dat Nepeese hem meermalen in zijn slaap zachtjes hoorde huilen. Hij wachtte opiets. Wat was het?Pierrotwist het en glimlachte op zijn ondoorgrondelijke manier. En toen gebeurde het. Het was nacht—een prachtige nacht, vol maan- en sterrenlicht en de aarde werd met een vlies van ijs overdekt. En heel uit de verte drong zij tot hem door—de roepstem van den troep! Nu en dan, gedurende den zomer had hij het gehuil gehoord van een eenzamen wolf, maar dit wasde troep—en toen dit gehuil op hem af kwam golven, door de uitgestrekte stilte en de geheimzinnigheid van den nacht als een woeste zang, die bij elke Jachtmaand gedurende ontelbare eeuwen was teruggekomen, wistPierrot, dat voor Baree eindelijk en ten laatste datgene was gekomen, waarop hij gewacht had. In een oogwenk besefte Baree het. Zijn spieren spanden zich strak als dikke koorden toen hij zich oprichtte en in het maanlicht stond, kijkend in de richting, vanwaar dit geheimzinnige en opwindende geluid gekomen was. Zij konden hem zachtjes hooren janken enPierrot, zich voorover buigend om zooveel mogelijk van het licht van den nacht gebruik te kunnen maken, kon hem zien rillen.

„Het ismee—koo!” sprak hij fluisterend tot Nepeese.

Dàt was het—de stem des bloeds, die tot Baree sprak; niet alleen de stem van het tegenwoordige geslacht, maar die van Kazan, Wolvin en van tallooze van hun voorzaten. Het was de stem van zijngeslacht. Dit hadPierrotgefluisterd en hij had gelijk. In den gouden nacht wachtte de Wilg, want zij had het hoogste ingezet en zij zou dus het meeste winnen of verliezen. Zij gaf geen geluid, antwoordde niet op het gezegde van haar vader, op zachten toon geuit, maar hield haar adem in en sloeg Baree gade toen hij langzaam, voetje voor voetje, in de schaduw weggleed. Een paar oogenblikken later was hij verdwenen. Toen wierp zij het hoofd in den nek en, terwijl haar oogen met de sterren wedijverden in glans, riep zij:

„Baree! Baree! Baree! Baree!”

Hij moest pas aan den zoom van het bosch geweest zijn, want binnen eenige sekonden was hij terug aan haar zijde. Maar hij was regelrecht op haar aan komen rennen, als een pijl uit den boog en hij jankte, naar haar gelaat kijkend. Nepeese legde haar handen op zijn kop.

„U hebt gelijk,mon père,” zeide zij. „Hij zal nu met de wolven meegaan, maar hij komt zeker terug. Hij zal nooit lang van me wegblijven.” Met haar eene hand nog steeds op zijn kop, wees zij met de andere naar de pikzwarte duisternis van het bosch. „Ga maar naar hen toe, Baree!” fluisterde zij. „Maar je moet terugkomen. Je moet, hoorCheamao!”

Zij trad metPierrotde hut weer binnen, zij sloten de deur achter zich en Baree bleef alleen. Er heerschte een lange stilte. In deze stilte kon hij de zachte geluiden van den nacht hooren, het rammelen van de kettingen, waarmee de honden vastgeklonken waren, het onrustige woelen, dat zij deden, het gesuis der vleugels van een voorbijvliegenden vogel, den adem van den nacht zelf. Want deze nacht, zelfs in zijn groote rust, scheen voor Baree te leven. Hij begaf er zich opnieuw in en dicht bij het bosch bleef hij weer stilstaan om te luisteren. De wind was gedraaid en de klagelijke, opwindende kreet van den troep werd er op voortgestuwd.

Ver in het westen wendde een eenzame wolf zijn snoet hemelwaarts en antwoordde op den verzamelkreet van zijn stam en toen kwam uit het oosten een dergelijk geluid, zoo ver van de hut verwijderd, dat het wel een echo leek, die wegstierf in de uitgestrektheid van het duister. Er smoorde een geluidje in Baree's strot. Hij wierp den kop omhoog. Recht boven hem stond de Roode Maan, hem uitnoodigend de geheimzinnige wereld te gaan bewandelen. Het geluid in zijn strot zwol aan en langzaam nam het toe in kracht, totdat zijn antwoord opsteeg naar de sterren. In de hut hoorden Wilg enPierrothet.Pierrothaalde de schouders op.

„Hij is weg,” zeide hij.

„Ja, hij is weg,mon père,” antwoordde Nepeese door het venster turend.

XVII.De uitgestootene.Het donkere bosch hield niet meer zooals vroeger verschrikkingen in voor Baree. Dezen nacht was zijn Jachtkreet opgestegen naar de sterren en de maan en met dien kreet had hij voor het eerst duisternis en ruimte getart, het was zijn waarschuwing voor alle bewoners der wildernis, zijn toetreden tot de Broederschap. In dien kreet, en in de antwoorden, die hij er op ontving, voelde hij een nieuwe macht—de zekerheid, hem door de natuur geschonken, dat de bosschen en de dieren, die er in huisden, niet langer vreesaanjagend voor hem waren, maar datalles hem vreesde. Daarginds, ver buiten het gebied, dat bij de hut behoorde, en onder Nepeese's invloed uit, was alles, wat zijn wolvenbloed op het oogenblik het meest verlangde: gezelschap van leden van zijn eigen geslacht, de opwinding van het avontuurlijke, het roode, zoete bloed van de jacht—en de paring. Dit laatste was het sterkst in hem van al die onbekende verlangens en toch begreep hij er het allerminste van.Hij liep recht het donkere noordwesten in, laag onder de struiken doorsluipend, met hangenden staart en gespitste ooren—geheel en al de houding van den wolf, zooals hij er bij nacht op uittrekt. De troep was het noorden ingetrokken en reisde sneller dan hij, zoodat hij na een half uur hem niet meer kon hooren. Maar het gehuil van den eenzamen wolf uit het westen was naderbij gekomen en drie maal gaf Baree er antwoord op. Na verloop van een uur hoorde hij den troep opnieuw, die naar het zuiden zwenkte.Pierrotzou gemakkelijk begrepen hebben, waarom. Hun prooi had zich in veiligheid weten te brengen ineen meer, of aan den overkant er van en demuhekunswaren achter een nieuw spoor aan. Nu was Baree niet meer dan een kwart mijl van den eenzamen wolf verwijderd, maar deze was een oud gediende, trok, door ondervinding geleid, in de richting van den troep voort, zijn weg zóó uitkiezend, dat hij dien steeds wat vóór bleef. Dit was een kunstje van de Broederschap, dat Baree nog leeren moest, en de uitslag van zijn onwetendheid en gebrek aan doorzicht was, dat hij binnen het volgende half uur vlak bij den troep raakte, tot tweemaal toe, en hem toch niet wist te bereiken. Eindelijk volgde een lange stilte, die bleef aanhouden. De troep had zijn prooi gedood en gaf geen enkel geluid meer, nu hij aan zijn feestmaal was.De rest van den nacht zwierf Baree alleen rond, tenminste tot het tijdstip, waarop de maan sterk begon te verbleeken. Hij was nu ver weg van de hut en zijn weg was onregelmatig en met vele zwenkingen gegaan, maar hij werd ditmaal niet gekweld door het troostelooze gevoel, verdwaald te zijn. De laatste twee of drie maanden was zijn oriënteeringsvermogen sterk ontwikkeld, dat „zesde zintuig”, dat de duif onfeilbaar den weg doet vinden, dien zij nemen moet en een beer regelrecht doet afgaan op de plek, waar hij het vorige jaar zijn overwinteringshol gevonden heeft. Hij had Nepeese niet vergeten. Meermalen had hij zijn kop omgedraaid en gejankt en altijd had hij het gedaan in de richting, waar de hut lag. Maar hij keerde niet terug. Naarmate de nacht voortduurde, bleef zijn zoeken naar dat geheimzinnige iets, wat hij niet gevonden had, aanhouden. Zijn honger was, zelfs toen de maan verbleekte en de grauwe dageraad aanbrak, niet hevig genoeg om hem naar voedsel te doen zoeken. Het was koud en het leek nog kouder toen de glans van de maan en de sterren wegstierf. Onder zijn zachtgekussende pooten had zich, vooral op open plekken, een dik wit tapijt gevormd, waarin zoo nu en dan duidelijk de sporen van zijn nagels te zien waren. Hij had urenlang gestadig doorgereisd en hij was moe, toen het begon te dagen. En toen kwam het oogenblik, dat Baree, met een scherp toeklappen van zijn kaken, stokstijf staan bleef.Eindelijk was zij dan toch gekomen—de ontmoeting met datgene waarnaar hij gezocht had. Het gebeurde op een open plek, die verlicht werd door het koude morgenlicht, op een kleinen heuvel, die op het Oosten uitzag. Met haar kop naar hem toegewend en naar hem uitkijkend, toen hij van uit de schaduw te voorschijn kwam, zijn reuk in haar neusgaten, stond Maheegun, de jonge wolvin. Baree had haar niet geroken, maar hij zag haar dadelijk, toen hij van uit de balsemstruiken op de vlakte trad. Hij bleef stilstaan en een volle minuut lang bewoog geen van beiden een spier of scheen ook maar te ademen. Zij scheelden geen paar weken in leeftijd, maar toch was Maheegun verreweg de kleinste van de twee; haar lijf was langer, maar ook slanker; zij stond op tengere pooten, die wel vossepooten geleken en de welving van haar rug was als een licht gekromde boog, wat aanduidde, dat zij zich zoo snel als de wind kon voortbewegen. Zij stond gereed op de vlucht te slaan, zelfs toen Baree zijn eerste passen in haar richting deed en toen ontspande zich haar lijf heel langzaam en toen hij dichter naderde stonden haar ooren niet meer zoo achterdochtig overeind en vielen eindelijk plat neer. Baree jankte even. Zijn eigen ooren stonden recht overeind, zijn kop was vol levendigheid, zijn staart was ruig en stond omhoog. Slimheid, zoo al geen listigheid, maakte al deel uit van zijn mannelijk overwicht en hij zette niet te veel haast achter de zaak, in het begin.Hij was op vijf voet afstand van Maheegun gekomen toen hij, als bij toeval, zich van haar afwendde en naar het oosten begon te turen, waar fijne roode en gouden lijntjes de komst van den dag aankondigden. Eenige oogenblikken bleef hij snuiven en rondkijken en stak zijn neus in den wind met grooten ernst, alsof hij zijn nieuwe kennis aan het verstand wilde brengen—zooals zoo menig tweebeenig dier vóór hem gedaan heeft—dat hij toch eigenlijk een persoon van zoo buitengewoon veel belang was in de wereld. En Maheegun geraakte er naar behooren van onder den indruk. Baree's bluf werkte even doelmatig als de bluf van tweebeenige dieren. Hij snoof met zulk een opgewonden enachterdochtigen ijver de lucht op, dat Maheegun's ooren zich opnieuw spitsten en zij mee begon te snuiven; hij keerde zijn kop zoo nadrukkelijk van punt tot punt verder, dat vrouwelijke nieuwsgierigheid haar er toe aandreef hetzelfde te doen en toen hij even jankte, alsof hij iets geheimzinnigs in die lucht ontdekte, wat zij met geen mogelijkheid begrijpen kon, klonk er een antwoordend geluidje in haar strot, maar dit was gesmoord en zacht, zooals de uitroep van een vrouw, die niet weet of zij haar heer en meester mag storen of niet. Toen Baree's scherpe ooren dit geluid opvingen stevende hij op haar af, met lichte, trippelende passen en het volgende oogenblik beroken zij elkanders neus.Toen de zon opging, een half uur later, bevonden zij zich nog steeds op het heuvelachtige gedeelte in die open plek, met den zoom van het bosch beneden hen en in de verte een vlakte, die er, in zijn mantel van vorst, uitzag als een lijkwade. De eerste roode gloed van den dageraad vertoonde zich en naarmate de zon hooger rees werd het uitzicht van de vlakte minder doodsch.Baree noch Maheegun voelden neiging, zich te bewegen en een paar uren lang bleven zij zich koesteren op de helling, met wijdgeopende oogen rondkijkend in de hier en daar met bosch bedekte, uitgestrekte vlakte, die het voorkomen had van een groote zee. Maheegun had ook getracht, den jagenden troep te bereiken en, evenals Baree, was het haar mislukt. Zij waren moe, een beetje ontmoedigd en hongerig—maar toch aan den anderen kant opgewonden door verwachting en rusteloos door de nieuwe en vreemde gewaarwording, een gezel gevonden te hebben. Wel zesmaal stond Baree op en begon om Maheegun heen te snuffelen, terwijl deze in de zon lag, zachtjes tegen haar jankend en haar zachte huid met zijn snoet aanrakend, maar een tijdlang lette zij weinig op hem. Eindelijk stond zij op en volgde hem. En dien geheelen dag zwierven en rustten zij tezamen. Wederom viel de nacht in.Deze was zonder maan en sterren. Grijze wolkenmassa's gleden langzaam uit het noorden en westen langs en er was ternauwernoodeen zacht gefluister van den wind in de boomtoppen. De sneeuw begon tegen de schemering zwaar te vallen en vormde een dikke laag. Het was niet koud. Maar het was windstil. Zoo stil was het rondom, dat Baree en Maheegun na elke paar meters dat zij waren voortgeloopen stil bleven staan om te luisteren. Op deze wijze trokken alle nachtelijke zwervers uit het bosch, als zij van verblijfplaats veranderden. Het was het begin van de Groote Sneeuw. Voor de vleeschetende dieren uit de bosschen, geklauwd en gevleugeld, beteekende de Groote Sneeuw het begin van de winterpret, bestaande uit slachting en vreetpartijen, uit woeste avonturen in de lange nachten, uit onbarmhartige gevechten op de bevroren paden. De dagen van het voortbrengen, van moederschap—de vrede van lente en zomer—waren voorbij; uit de lucht kwam het ontwaken in het Noorden, de roepstem van alle vleeschetende schepselen om zich klaar te maken voor de Lange Jacht en in de eerste siddering er van bewogen de dieren zich nog maar weinig, dien nacht, en dan nog achterdochtig en waakzaam.Hun jeugd maakte dit alles nieuw voor Baree en Maheegun; hun bloed stroomde snel, hun pooten vielen zacht op den grond neer, hun ooren waren gestemd tot het opvangen van het geringste geluid. Bij het begin van de Groote Sneeuw voelden zij den opwindenden harteklop van een nieuw leven. Het verlokte hen, steeds verder te gaan. Het verleidde hen, op avontuur uit te gaan in die witte, stille geheimzinnigheid en gedreven door de onrust en verlangens der jeugd, trokken zij door. De sneeuw werd dieper onder hun pooten. Op open plekken moesten zij er tot aan de knieën doorwaden—en zij bleef doorvallen in een uitgestrekte witte wolk, die gestadig uit den hemel viel. Het was bijna middernacht toen zij ophield. De wolken dreven weg van de maan en de sterren en langen tijd stonden Baree en Maheegun onbeweeglijk op een helling neer te kijken op een verrukkelijk mooie wereld.Nooit hadden zij zoover kunnen zien, behalve bij daglicht. Onder hen was de vlakte. Zij konden de bosschen zien, alleenstaandeboomen, die als schaduwen uit de sneeuw opstaken, een riviertje—nog niet bevroren—schitterend als glas waarin vuur weerspiegeld wordt. Baree ging op dit riviertje aan. Hij dacht niet meer aan Nepeese en hij jankte van onderdrukte blijdschap toen hij halverwege staan bleef en zich omkeerde om Maheegun te besnuiven. Hij verlangde in de sneeuw om-en-om te rollen en met zijn gezellin te stoeien; hij verlangde te blaffen, zijn kop op te gooien en te huilen, zooals hij tegen de Roode Maan gehuild had, daarginds bij de hut. Maar er was iets, dat hem weerhield, deze dingen te doen. Misschien was het Maheegun's gedrag. Zij nam zijn vriendelijkheden stokstijf in ontvangst. Een paar keer leek zij wel bang te worden; tweemaal had Baree haar tanden op elkaar hooren klikken, sedert zij den heuvelrug beklommen waren.Gedurende den vorigen avond en den nacht was hun vriendschap intiemer geworden, maar nu begon Maheegun een merkwaardig koele houding aan te nemen.Pierrotzou dit hebben kunnen verklaren. Met de witte sneeuw onder en rondom zich, en de schitterende maan en sterren boven zich, had Baree, evenals de nacht, een verandering ondergaan. Zijn vel zag er uit als gepolijst git. Elk haar van zijn lijf glinsterde zwart.Zwart!Dat was het. En de natuur trachtte Maheegun te doen gevoelen, dat van alle schepselen, die haar ras haatte,zwartedieren de meest gehate en gevreesde waren. Zij wist dit niet door ondervinding, maar door instinkt—dit sprak tot haar van de eeuwenoude veete tusschen den grijzen wolf en den zwarten beer. En Baree's vel was in het maanlicht en de sneeuw zwarter dan Wakayoo's vacht ooit geweest was, zelfs in de goede vischdagen van Mei. Voordat zij de groote vlakte bereikt hadden, was de jonge wijfjeswolf Baree zonder aarzelen gevolgd; nu was er een groeiende onzekerheid en besluiteloosheid in haar manieren en tweemaal stond zij stil en deed alsof zij Baree zonder zich wilde laten verder gaan.Een uur nadat zij de vlakte betreden hadden, kwamen plotseling uit het westen de geluiden van den wolventroep tothen. Zij waren niet ver af, misschien een mijl, en het snelle, korte blaffen, dat na hun eerste wilde uitbarsting volgde, gaf er blijk van, dat de langtandige jagers plotseling een prooi gezien hadden—een kariboe of een jongen eland—en dien nu dicht op de hielen zaten. Toen zij de stem van haar eigen stam hoorde, legden Maheegun's ooren zich plat op haar kop en ging zij er vandoor als een pijl uit den boog. De onverwachtheid van deze beweging en de snelheid van haar vlucht gaven haar een grooten voorsprong op Baree, toen zij over de vlakte stoven. Zij rende in den blinde voort, begunstigd door het geluk. Voor een tusschenpoos van misschien vijf minuten was de troep zoo dicht bij hun doel, dat zij geen geluid gaven en de jacht nam een zwenking en kwam regelrecht op Baree en Maheegun af. Baree was niet meer dan zes lichaamslengten achter de jonge wolvin, toen een gekraak in het kreupelhout vlak naast hen, hen zóó plotseling stil deed staan, dat zij de sneeuw openreten met hun schrapgezette pooten. Tien sekonden later brak de jonge kariboe door het struikgewas heen en schoot pijlsnel de vlakte over, op nog geen twintig meter afstands van de plek, waar zij stonden. Zij konden hem hooren hijgen toen hij verdween. En daarna volgde de troep.Bij het gezicht van deze snelbewegende grijze lijven, sprong Baree's hart hem naar de keel. Hij vergat Maheegun en dat zij van hem was weggeloopen. De maan en de sterren verdwenen uit zijn bestaan. Hij voelde niet langer de koude van de sneeuw onder zijn pooten. Hij was wolf—geheel en al wolf. Met den warmen reuk van den kariboe in zijn neusgaten en den hartstocht om te dooden als vuur in zich brandend, zette hij den troep achterna. Zelfs hierbij was Maheegun hem nog wat vóór. Hij miste haar niet—in de opwinding van zijn eerste jacht voelde hij niet langer de begeerte, haar aan zijn zijde te hebben. Al heel spoedig kwam hij tot de ontdekking, dat hij zijde aan zijde voortdraafde naast een van de grijze monsters van den troep; een halve minuut later schoot een nieuwe mede-jager uit de struiken te voorschijn en toen een tweede en daarna een derde. Nu en dan rende hij schouder aan schouder met zijn nieuwe metgezellen;hij hoorde hun onderdrukt gejank van opwinding; het dichtklappen van hun kaken—en in het gouden maanlicht voor hem uit het zware neerploffen van den kariboe, als hij over heesters en omgevallen boomstammen sprong, in dezen jacht op leven en dood. Het was alsof hij altijd bij den troep had behoord. Hij had er zich als vanzelf sprekend bijgevoegd, zooals andere losse wolven dit gedaan hadden; zij hadden er geen drukte over gemaakt, zij hadden hem niet, zooals Maheegun in de vlakte, welkom geheeten, maar hem ook geen vijandigheid betoond. Hij behoorde bij deze schrale, snelvoetige uitgestootenen der oude bosschen en zijn eigen kaken klapten ook op elkander en zijn bloed golfde heet, toen de reuk van den kariboe sterker werd en het geluid van zijn neerploffend lichaam duidelijker.Het scheen den kariboe toe, dat zij hem vlak op de hielen zaten, toen zij weer de vlakte inzwenkten, een dorre vlakte, zonder een boom of struik, schitterend in het licht van maan en sterren. Over het nog onbetreden sneeuwtapijt spoedde de kariboe zich voort, nauwelijks honderd meter voor den troep uit.Nu volgden de twee aanvoerders niet langer recht in het spoor, maar maakten een hoek, naar rechts en links van den achtervolgde en als goedgeoefende soldaten verdeelde de troep zich en spreidde zich waaiersgewijs uit, voor den laatsten aanval. De twee uiteinden van den waaier kromden zich en sloten den kariboe in, totdat de aanvoerders op gelijke hoogte met hem meerenden, met vijftig of zestig voet tusschenruimte. Op deze wijze vormde de troep, handig en snel en met vreeselijke nauwkeurigheid, een hoefijzervormige linie van slagtanden, waaraan maar op één manier te ontkomen was en wel door rechtuit te blijven gaan. Het beteekende den dood voor den kariboe, als hij ook maar een halven graad te veel naar rechts of links hield. Het was de plicht van de aanvoerders, de uiteinden van het hoefijzer dichter naar elkaar toe te leiden, zoo dicht tot zij beiden den noodlottigen uitval naar de kniepeezen konden doen. Daarna was de zaak eenvoudig genoeg. De troep zou den kariboe eenvoudig op het lijf vallen als een overstrooming.Baree had een plaats gevonden aan het breedste gedeelte van de linie, zoodat hij tamelijk wel in de achterhoede was, toen de climax kwam. De vlakte ging plotseling schuin naar beneden. Recht vooruit zag de kariboe water glinsteren—een zachte schittering onder den sterrenglans en bij het gezicht daarvan spande hij zijn laatste, hem begevende krachten in. Veertig sekonden zouden beslissen over zijn leven of dood. Baree voelde sterk de spanning van deze oogenblikken en spoedde zich naar voren, terwijl een van de aanvoerders een sprong deed naar de kniepeezen van den jongen stier. Hij miste. Een tweede wolf probeerde hetzelfde. Beiden hadden hun sprong gemist. Er was geen tijd voor anderen, om hun plaatsen in te nemen. Aan het verbrokkelende gedeelte van den hoef hoorde Baree den zwaren plons, toen de kariboe in het water plofte. Terwijl hij zich weer bij den troep voegde, een razende, schuimbekkende horde, was Napamoos, de jonge kariboestier, middenin de rivier en zwom gelijkmatig naar de overzijde.Toen stond Baree plotseling weer naast Maheegun. Zij hijgde, haar roode tong hing haar uit de open kaken, maar toen zij zijn nabijheid bemerkte, bracht zij ze met een klap weer op elkander en sloop haastig midden tusschen de teleurgestelde wolvenbende, die geheel buiten adem was. De wolven waren in een kwaad humeur, maar Baree was hiervan niet doordrongen. Nepeese had hem geleerd, als een otter in het water te springen en hij begreep niet, waarom dit smalle riviertje hen tot stilstand gebracht had. Hij liep langs den oever naar beneden en stond tot aan zijn buik in het water, een oogenblik opkijkend naar de woeste bende boven zich en zich er over verbazend, dat zij hem niet volgde. En hij was zwart—zwart. Hij klom weer naar boven en voegde zich bij hen en voor het eerst merkten zij hem op.Hun onrustige bewegingen bedaarden. Zij bleven stokstijf staan van verbazing en belangstelling. Hun tanden sloten zich knarsend op elkaar. Een eindje verder zag Baree Maheegun staan, met een grooten grijzen wolf naast zich. Hij ging weer naar haar toe en ditmaal bleef zij staan, haar ooren plat op haarkop liggend, totdat hij haar nek besnuffelde. En toen, met een vinnigen grauw, beet zij naar hem. Haar tanden zonken diep in het zachte vleesch van zijn schouder en verschrikt door het onverwachte van haar aanval, gaf hij een schreeuw. Het volgende oogenblik wierp de groote grijze wolf zich op hem.Opnieuw overvallen en onverwachts viel Baree op den grond, met den wolf aan zijn keel. Maar hij had het bloed van Kazan in zich, den lichaamsbouw en de spieren van Kazan en voor het eerst van zijn leven vocht hij zooals Kazan gevochten had, dien verschrikkelijken dag op de Zonnerots. Hij was jong; hij moest de sluwheid en de krijgslisten van dezen veteraan nog leeren; maar zijn kaken waren als de ijzeren klampen, diePierrotgebruikte voor zijn berenvallen en er was een plotselinge blinde woede in zijn hart, en begeerte om te dooden, die alle gevoelens van pijn of vrees overheerschte. Dit gevecht zou, als alles eerlijk toegegaan was, geëindigd zijn met de overwinning van Baree, ondanks zijn jeugd en onervarenheid. De troep had behooren af te wachten; het was de wet van den troep—totdat een van de twee het opgaf. Maar Baree waszwart. Hij was een vreemdeling, een indringer, een schepsel, dat zij ontdekt hadden op een tijdstip, dat hun bloed kookte van woede en teleurstelling, omdat zij hun prooi gemist hadden.Een tweede wolf kwam er bij, Baree verraderlijk van opzij aanvallend en terwijl hij daar in de sneeuw lag en den voorpoot van zijn eersten vijand duchtig knauwde, wierp de heele bende zich tegelijk op hem. Zulk een aanval zou den jongen kariboestier in minder dan een minuut het leven gekost hebben. Elke tand zou raak gebeten hebben. Het werd Baree door de omstandigheid, dat hij onder zijn eerste twee aanvallers lag, bespaard, dadelijk in stukken gescheurd te worden. Hij wist, dat hij voor zijn leven vocht. De wilde horde rolde grauwend over hem heen; hij voelde de brandende pijn van tanden, die zich in zijn vleesch begroeven; hij werd half gesmoord, honderd messen schenen in hem te steken en toch gaf hij geen geluid, geen smartkreet ontsnapte hem in de ontzetting en hopeloosheid van dit alles. Het zou spoedigafgeloopen geweest zijn, als de worsteling niet vlak bij den oever geweest was. Een gedeelte van den zanderigen grond bezweek en Baree rolde met den halven troep op zich de helling af. Oogenblikkelijk flitste de gedachte aan den kariboe, die zich door het water had weten te redden, door zijn brein. Voor een enkel oogenblik had deze zandinstorting hem van de bende wolven bevrijd en in die tusschenruimte nam hij een grooten sprong, over de grijze ruggen van zijn vijanden heen en kwam in het diepe water van den stroom terecht. Achter hem klapten een half dozijn kaken dicht—in de lucht. En zooals het den kariboe gered had, redde dit water, glinsterende onder het licht van maan en sterren, ook Baree het leven.Het riviertje was niet meer dan honderd voet in oppervlakte, maar Baree kon toch maar met de uiterste krachtsinspanning den overkant bereiken. Vóór hij zich aan land sleepte, had hij den omvang van zijn wonden nog niet gevoeld. Zijn eenen achterpoot kon hij niet gebruiken, zijn linker schouder lag open tot op het been, zijn kop en lijf waren opengehaald en terwijl hij langzaam wegkroop van den waterkant, vormde hij een spoor in de sneeuw, dat rood zag van het bloed. Het druppelde van zijn hijgende kaken, waartusschen ook zijn tong bloedde; liep langs zijn pooten en flanken en buik en druppelde van zijn ooren, waarvan één zoo gehavend was, alsof men er met een mes van afgesneden had. Zijn instinkten waren verdoofd, zijn gezicht beneveld, alsof er een mist voor zijn oogen hing. Hij hoorde niet het teleurgestelde huilen van den wolventroep aan den anderen kant der rivier eenige minuten later en hij bemerkte niet langer het bestaan van maan en sterren. Half dood sleepte hij zich verder, tot hij bij toeval een groepje dwergsparren ontdekte. Hier sleepte hij zich in en viel toen neer, volkomen uitgeput.Verminkt, met litteekens die fel hem brandden, lag hij door de hevig opvlammende koorts op het randje van den dood.Toch overwon het leven; de koorts verminderde en tegen den middag stond hij op. Hij was zwak en wankelde op zijn pooten. Zijn eene achterpoot sleepte hem nog steeds na en hij werd doorpijn gemarteld. Maar het was een schitterende dag. De zon was warm. De sneeuw was aan het smelten.De hemel geleek een groote blauwe zee en de levensvloed stroomde weer warm door zijn aderen. Maar nu waren, voor altijd, zijn verlangens veranderd en zijn voortdurend zoeken was geëindigd. Een roode woestheid blonk in zijn oogen, terwijl hij gromde in de richting, waar zijn gevecht met de wolven den vorigen nacht had plaats gehad. Zij waren niet langer van hetzelfde ras als hij. Zij waren niet langer van hetzelfde bloed. Nooit zou de jachtroep meer aantrekkingskracht op hem uitoefenen of de stem van den troep dat oude verlangen bij hem opwekken. Er was iets nieuws in hem geboren, een onvernietigbare haat tegen al wat wolf was, een haat, die zou aangroeien tot bijna een organisch ongemak, iets dat hij nooit heelemaal kwijt was en dat om weerwraak riep. Den vorigen nacht was hij tot hen gekomen als een kameraad. Vandaag was hij een uitgestootene. Gewond en verminkt, litteekens met zich meedragend, die nooit meer zouden verdwijnen, had hij zijn les van de wildernis geleerd. Morgen en overmorgen, en tallooze dagen daarna, zou deze les hem versch in het geheugen blijven.

Het donkere bosch hield niet meer zooals vroeger verschrikkingen in voor Baree. Dezen nacht was zijn Jachtkreet opgestegen naar de sterren en de maan en met dien kreet had hij voor het eerst duisternis en ruimte getart, het was zijn waarschuwing voor alle bewoners der wildernis, zijn toetreden tot de Broederschap. In dien kreet, en in de antwoorden, die hij er op ontving, voelde hij een nieuwe macht—de zekerheid, hem door de natuur geschonken, dat de bosschen en de dieren, die er in huisden, niet langer vreesaanjagend voor hem waren, maar datalles hem vreesde. Daarginds, ver buiten het gebied, dat bij de hut behoorde, en onder Nepeese's invloed uit, was alles, wat zijn wolvenbloed op het oogenblik het meest verlangde: gezelschap van leden van zijn eigen geslacht, de opwinding van het avontuurlijke, het roode, zoete bloed van de jacht—en de paring. Dit laatste was het sterkst in hem van al die onbekende verlangens en toch begreep hij er het allerminste van.

Hij liep recht het donkere noordwesten in, laag onder de struiken doorsluipend, met hangenden staart en gespitste ooren—geheel en al de houding van den wolf, zooals hij er bij nacht op uittrekt. De troep was het noorden ingetrokken en reisde sneller dan hij, zoodat hij na een half uur hem niet meer kon hooren. Maar het gehuil van den eenzamen wolf uit het westen was naderbij gekomen en drie maal gaf Baree er antwoord op. Na verloop van een uur hoorde hij den troep opnieuw, die naar het zuiden zwenkte.Pierrotzou gemakkelijk begrepen hebben, waarom. Hun prooi had zich in veiligheid weten te brengen ineen meer, of aan den overkant er van en demuhekunswaren achter een nieuw spoor aan. Nu was Baree niet meer dan een kwart mijl van den eenzamen wolf verwijderd, maar deze was een oud gediende, trok, door ondervinding geleid, in de richting van den troep voort, zijn weg zóó uitkiezend, dat hij dien steeds wat vóór bleef. Dit was een kunstje van de Broederschap, dat Baree nog leeren moest, en de uitslag van zijn onwetendheid en gebrek aan doorzicht was, dat hij binnen het volgende half uur vlak bij den troep raakte, tot tweemaal toe, en hem toch niet wist te bereiken. Eindelijk volgde een lange stilte, die bleef aanhouden. De troep had zijn prooi gedood en gaf geen enkel geluid meer, nu hij aan zijn feestmaal was.

De rest van den nacht zwierf Baree alleen rond, tenminste tot het tijdstip, waarop de maan sterk begon te verbleeken. Hij was nu ver weg van de hut en zijn weg was onregelmatig en met vele zwenkingen gegaan, maar hij werd ditmaal niet gekweld door het troostelooze gevoel, verdwaald te zijn. De laatste twee of drie maanden was zijn oriënteeringsvermogen sterk ontwikkeld, dat „zesde zintuig”, dat de duif onfeilbaar den weg doet vinden, dien zij nemen moet en een beer regelrecht doet afgaan op de plek, waar hij het vorige jaar zijn overwinteringshol gevonden heeft. Hij had Nepeese niet vergeten. Meermalen had hij zijn kop omgedraaid en gejankt en altijd had hij het gedaan in de richting, waar de hut lag. Maar hij keerde niet terug. Naarmate de nacht voortduurde, bleef zijn zoeken naar dat geheimzinnige iets, wat hij niet gevonden had, aanhouden. Zijn honger was, zelfs toen de maan verbleekte en de grauwe dageraad aanbrak, niet hevig genoeg om hem naar voedsel te doen zoeken. Het was koud en het leek nog kouder toen de glans van de maan en de sterren wegstierf. Onder zijn zachtgekussende pooten had zich, vooral op open plekken, een dik wit tapijt gevormd, waarin zoo nu en dan duidelijk de sporen van zijn nagels te zien waren. Hij had urenlang gestadig doorgereisd en hij was moe, toen het begon te dagen. En toen kwam het oogenblik, dat Baree, met een scherp toeklappen van zijn kaken, stokstijf staan bleef.

Eindelijk was zij dan toch gekomen—de ontmoeting met datgene waarnaar hij gezocht had. Het gebeurde op een open plek, die verlicht werd door het koude morgenlicht, op een kleinen heuvel, die op het Oosten uitzag. Met haar kop naar hem toegewend en naar hem uitkijkend, toen hij van uit de schaduw te voorschijn kwam, zijn reuk in haar neusgaten, stond Maheegun, de jonge wolvin. Baree had haar niet geroken, maar hij zag haar dadelijk, toen hij van uit de balsemstruiken op de vlakte trad. Hij bleef stilstaan en een volle minuut lang bewoog geen van beiden een spier of scheen ook maar te ademen. Zij scheelden geen paar weken in leeftijd, maar toch was Maheegun verreweg de kleinste van de twee; haar lijf was langer, maar ook slanker; zij stond op tengere pooten, die wel vossepooten geleken en de welving van haar rug was als een licht gekromde boog, wat aanduidde, dat zij zich zoo snel als de wind kon voortbewegen. Zij stond gereed op de vlucht te slaan, zelfs toen Baree zijn eerste passen in haar richting deed en toen ontspande zich haar lijf heel langzaam en toen hij dichter naderde stonden haar ooren niet meer zoo achterdochtig overeind en vielen eindelijk plat neer. Baree jankte even. Zijn eigen ooren stonden recht overeind, zijn kop was vol levendigheid, zijn staart was ruig en stond omhoog. Slimheid, zoo al geen listigheid, maakte al deel uit van zijn mannelijk overwicht en hij zette niet te veel haast achter de zaak, in het begin.

Hij was op vijf voet afstand van Maheegun gekomen toen hij, als bij toeval, zich van haar afwendde en naar het oosten begon te turen, waar fijne roode en gouden lijntjes de komst van den dag aankondigden. Eenige oogenblikken bleef hij snuiven en rondkijken en stak zijn neus in den wind met grooten ernst, alsof hij zijn nieuwe kennis aan het verstand wilde brengen—zooals zoo menig tweebeenig dier vóór hem gedaan heeft—dat hij toch eigenlijk een persoon van zoo buitengewoon veel belang was in de wereld. En Maheegun geraakte er naar behooren van onder den indruk. Baree's bluf werkte even doelmatig als de bluf van tweebeenige dieren. Hij snoof met zulk een opgewonden enachterdochtigen ijver de lucht op, dat Maheegun's ooren zich opnieuw spitsten en zij mee begon te snuiven; hij keerde zijn kop zoo nadrukkelijk van punt tot punt verder, dat vrouwelijke nieuwsgierigheid haar er toe aandreef hetzelfde te doen en toen hij even jankte, alsof hij iets geheimzinnigs in die lucht ontdekte, wat zij met geen mogelijkheid begrijpen kon, klonk er een antwoordend geluidje in haar strot, maar dit was gesmoord en zacht, zooals de uitroep van een vrouw, die niet weet of zij haar heer en meester mag storen of niet. Toen Baree's scherpe ooren dit geluid opvingen stevende hij op haar af, met lichte, trippelende passen en het volgende oogenblik beroken zij elkanders neus.

Toen de zon opging, een half uur later, bevonden zij zich nog steeds op het heuvelachtige gedeelte in die open plek, met den zoom van het bosch beneden hen en in de verte een vlakte, die er, in zijn mantel van vorst, uitzag als een lijkwade. De eerste roode gloed van den dageraad vertoonde zich en naarmate de zon hooger rees werd het uitzicht van de vlakte minder doodsch.

Baree noch Maheegun voelden neiging, zich te bewegen en een paar uren lang bleven zij zich koesteren op de helling, met wijdgeopende oogen rondkijkend in de hier en daar met bosch bedekte, uitgestrekte vlakte, die het voorkomen had van een groote zee. Maheegun had ook getracht, den jagenden troep te bereiken en, evenals Baree, was het haar mislukt. Zij waren moe, een beetje ontmoedigd en hongerig—maar toch aan den anderen kant opgewonden door verwachting en rusteloos door de nieuwe en vreemde gewaarwording, een gezel gevonden te hebben. Wel zesmaal stond Baree op en begon om Maheegun heen te snuffelen, terwijl deze in de zon lag, zachtjes tegen haar jankend en haar zachte huid met zijn snoet aanrakend, maar een tijdlang lette zij weinig op hem. Eindelijk stond zij op en volgde hem. En dien geheelen dag zwierven en rustten zij tezamen. Wederom viel de nacht in.

Deze was zonder maan en sterren. Grijze wolkenmassa's gleden langzaam uit het noorden en westen langs en er was ternauwernoodeen zacht gefluister van den wind in de boomtoppen. De sneeuw begon tegen de schemering zwaar te vallen en vormde een dikke laag. Het was niet koud. Maar het was windstil. Zoo stil was het rondom, dat Baree en Maheegun na elke paar meters dat zij waren voortgeloopen stil bleven staan om te luisteren. Op deze wijze trokken alle nachtelijke zwervers uit het bosch, als zij van verblijfplaats veranderden. Het was het begin van de Groote Sneeuw. Voor de vleeschetende dieren uit de bosschen, geklauwd en gevleugeld, beteekende de Groote Sneeuw het begin van de winterpret, bestaande uit slachting en vreetpartijen, uit woeste avonturen in de lange nachten, uit onbarmhartige gevechten op de bevroren paden. De dagen van het voortbrengen, van moederschap—de vrede van lente en zomer—waren voorbij; uit de lucht kwam het ontwaken in het Noorden, de roepstem van alle vleeschetende schepselen om zich klaar te maken voor de Lange Jacht en in de eerste siddering er van bewogen de dieren zich nog maar weinig, dien nacht, en dan nog achterdochtig en waakzaam.

Hun jeugd maakte dit alles nieuw voor Baree en Maheegun; hun bloed stroomde snel, hun pooten vielen zacht op den grond neer, hun ooren waren gestemd tot het opvangen van het geringste geluid. Bij het begin van de Groote Sneeuw voelden zij den opwindenden harteklop van een nieuw leven. Het verlokte hen, steeds verder te gaan. Het verleidde hen, op avontuur uit te gaan in die witte, stille geheimzinnigheid en gedreven door de onrust en verlangens der jeugd, trokken zij door. De sneeuw werd dieper onder hun pooten. Op open plekken moesten zij er tot aan de knieën doorwaden—en zij bleef doorvallen in een uitgestrekte witte wolk, die gestadig uit den hemel viel. Het was bijna middernacht toen zij ophield. De wolken dreven weg van de maan en de sterren en langen tijd stonden Baree en Maheegun onbeweeglijk op een helling neer te kijken op een verrukkelijk mooie wereld.

Nooit hadden zij zoover kunnen zien, behalve bij daglicht. Onder hen was de vlakte. Zij konden de bosschen zien, alleenstaandeboomen, die als schaduwen uit de sneeuw opstaken, een riviertje—nog niet bevroren—schitterend als glas waarin vuur weerspiegeld wordt. Baree ging op dit riviertje aan. Hij dacht niet meer aan Nepeese en hij jankte van onderdrukte blijdschap toen hij halverwege staan bleef en zich omkeerde om Maheegun te besnuiven. Hij verlangde in de sneeuw om-en-om te rollen en met zijn gezellin te stoeien; hij verlangde te blaffen, zijn kop op te gooien en te huilen, zooals hij tegen de Roode Maan gehuild had, daarginds bij de hut. Maar er was iets, dat hem weerhield, deze dingen te doen. Misschien was het Maheegun's gedrag. Zij nam zijn vriendelijkheden stokstijf in ontvangst. Een paar keer leek zij wel bang te worden; tweemaal had Baree haar tanden op elkaar hooren klikken, sedert zij den heuvelrug beklommen waren.

Gedurende den vorigen avond en den nacht was hun vriendschap intiemer geworden, maar nu begon Maheegun een merkwaardig koele houding aan te nemen.Pierrotzou dit hebben kunnen verklaren. Met de witte sneeuw onder en rondom zich, en de schitterende maan en sterren boven zich, had Baree, evenals de nacht, een verandering ondergaan. Zijn vel zag er uit als gepolijst git. Elk haar van zijn lijf glinsterde zwart.Zwart!Dat was het. En de natuur trachtte Maheegun te doen gevoelen, dat van alle schepselen, die haar ras haatte,zwartedieren de meest gehate en gevreesde waren. Zij wist dit niet door ondervinding, maar door instinkt—dit sprak tot haar van de eeuwenoude veete tusschen den grijzen wolf en den zwarten beer. En Baree's vel was in het maanlicht en de sneeuw zwarter dan Wakayoo's vacht ooit geweest was, zelfs in de goede vischdagen van Mei. Voordat zij de groote vlakte bereikt hadden, was de jonge wijfjeswolf Baree zonder aarzelen gevolgd; nu was er een groeiende onzekerheid en besluiteloosheid in haar manieren en tweemaal stond zij stil en deed alsof zij Baree zonder zich wilde laten verder gaan.

Een uur nadat zij de vlakte betreden hadden, kwamen plotseling uit het westen de geluiden van den wolventroep tothen. Zij waren niet ver af, misschien een mijl, en het snelle, korte blaffen, dat na hun eerste wilde uitbarsting volgde, gaf er blijk van, dat de langtandige jagers plotseling een prooi gezien hadden—een kariboe of een jongen eland—en dien nu dicht op de hielen zaten. Toen zij de stem van haar eigen stam hoorde, legden Maheegun's ooren zich plat op haar kop en ging zij er vandoor als een pijl uit den boog. De onverwachtheid van deze beweging en de snelheid van haar vlucht gaven haar een grooten voorsprong op Baree, toen zij over de vlakte stoven. Zij rende in den blinde voort, begunstigd door het geluk. Voor een tusschenpoos van misschien vijf minuten was de troep zoo dicht bij hun doel, dat zij geen geluid gaven en de jacht nam een zwenking en kwam regelrecht op Baree en Maheegun af. Baree was niet meer dan zes lichaamslengten achter de jonge wolvin, toen een gekraak in het kreupelhout vlak naast hen, hen zóó plotseling stil deed staan, dat zij de sneeuw openreten met hun schrapgezette pooten. Tien sekonden later brak de jonge kariboe door het struikgewas heen en schoot pijlsnel de vlakte over, op nog geen twintig meter afstands van de plek, waar zij stonden. Zij konden hem hooren hijgen toen hij verdween. En daarna volgde de troep.

Bij het gezicht van deze snelbewegende grijze lijven, sprong Baree's hart hem naar de keel. Hij vergat Maheegun en dat zij van hem was weggeloopen. De maan en de sterren verdwenen uit zijn bestaan. Hij voelde niet langer de koude van de sneeuw onder zijn pooten. Hij was wolf—geheel en al wolf. Met den warmen reuk van den kariboe in zijn neusgaten en den hartstocht om te dooden als vuur in zich brandend, zette hij den troep achterna. Zelfs hierbij was Maheegun hem nog wat vóór. Hij miste haar niet—in de opwinding van zijn eerste jacht voelde hij niet langer de begeerte, haar aan zijn zijde te hebben. Al heel spoedig kwam hij tot de ontdekking, dat hij zijde aan zijde voortdraafde naast een van de grijze monsters van den troep; een halve minuut later schoot een nieuwe mede-jager uit de struiken te voorschijn en toen een tweede en daarna een derde. Nu en dan rende hij schouder aan schouder met zijn nieuwe metgezellen;hij hoorde hun onderdrukt gejank van opwinding; het dichtklappen van hun kaken—en in het gouden maanlicht voor hem uit het zware neerploffen van den kariboe, als hij over heesters en omgevallen boomstammen sprong, in dezen jacht op leven en dood. Het was alsof hij altijd bij den troep had behoord. Hij had er zich als vanzelf sprekend bijgevoegd, zooals andere losse wolven dit gedaan hadden; zij hadden er geen drukte over gemaakt, zij hadden hem niet, zooals Maheegun in de vlakte, welkom geheeten, maar hem ook geen vijandigheid betoond. Hij behoorde bij deze schrale, snelvoetige uitgestootenen der oude bosschen en zijn eigen kaken klapten ook op elkander en zijn bloed golfde heet, toen de reuk van den kariboe sterker werd en het geluid van zijn neerploffend lichaam duidelijker.

Het scheen den kariboe toe, dat zij hem vlak op de hielen zaten, toen zij weer de vlakte inzwenkten, een dorre vlakte, zonder een boom of struik, schitterend in het licht van maan en sterren. Over het nog onbetreden sneeuwtapijt spoedde de kariboe zich voort, nauwelijks honderd meter voor den troep uit.

Nu volgden de twee aanvoerders niet langer recht in het spoor, maar maakten een hoek, naar rechts en links van den achtervolgde en als goedgeoefende soldaten verdeelde de troep zich en spreidde zich waaiersgewijs uit, voor den laatsten aanval. De twee uiteinden van den waaier kromden zich en sloten den kariboe in, totdat de aanvoerders op gelijke hoogte met hem meerenden, met vijftig of zestig voet tusschenruimte. Op deze wijze vormde de troep, handig en snel en met vreeselijke nauwkeurigheid, een hoefijzervormige linie van slagtanden, waaraan maar op één manier te ontkomen was en wel door rechtuit te blijven gaan. Het beteekende den dood voor den kariboe, als hij ook maar een halven graad te veel naar rechts of links hield. Het was de plicht van de aanvoerders, de uiteinden van het hoefijzer dichter naar elkaar toe te leiden, zoo dicht tot zij beiden den noodlottigen uitval naar de kniepeezen konden doen. Daarna was de zaak eenvoudig genoeg. De troep zou den kariboe eenvoudig op het lijf vallen als een overstrooming.

Baree had een plaats gevonden aan het breedste gedeelte van de linie, zoodat hij tamelijk wel in de achterhoede was, toen de climax kwam. De vlakte ging plotseling schuin naar beneden. Recht vooruit zag de kariboe water glinsteren—een zachte schittering onder den sterrenglans en bij het gezicht daarvan spande hij zijn laatste, hem begevende krachten in. Veertig sekonden zouden beslissen over zijn leven of dood. Baree voelde sterk de spanning van deze oogenblikken en spoedde zich naar voren, terwijl een van de aanvoerders een sprong deed naar de kniepeezen van den jongen stier. Hij miste. Een tweede wolf probeerde hetzelfde. Beiden hadden hun sprong gemist. Er was geen tijd voor anderen, om hun plaatsen in te nemen. Aan het verbrokkelende gedeelte van den hoef hoorde Baree den zwaren plons, toen de kariboe in het water plofte. Terwijl hij zich weer bij den troep voegde, een razende, schuimbekkende horde, was Napamoos, de jonge kariboestier, middenin de rivier en zwom gelijkmatig naar de overzijde.

Toen stond Baree plotseling weer naast Maheegun. Zij hijgde, haar roode tong hing haar uit de open kaken, maar toen zij zijn nabijheid bemerkte, bracht zij ze met een klap weer op elkander en sloop haastig midden tusschen de teleurgestelde wolvenbende, die geheel buiten adem was. De wolven waren in een kwaad humeur, maar Baree was hiervan niet doordrongen. Nepeese had hem geleerd, als een otter in het water te springen en hij begreep niet, waarom dit smalle riviertje hen tot stilstand gebracht had. Hij liep langs den oever naar beneden en stond tot aan zijn buik in het water, een oogenblik opkijkend naar de woeste bende boven zich en zich er over verbazend, dat zij hem niet volgde. En hij was zwart—zwart. Hij klom weer naar boven en voegde zich bij hen en voor het eerst merkten zij hem op.

Hun onrustige bewegingen bedaarden. Zij bleven stokstijf staan van verbazing en belangstelling. Hun tanden sloten zich knarsend op elkaar. Een eindje verder zag Baree Maheegun staan, met een grooten grijzen wolf naast zich. Hij ging weer naar haar toe en ditmaal bleef zij staan, haar ooren plat op haarkop liggend, totdat hij haar nek besnuffelde. En toen, met een vinnigen grauw, beet zij naar hem. Haar tanden zonken diep in het zachte vleesch van zijn schouder en verschrikt door het onverwachte van haar aanval, gaf hij een schreeuw. Het volgende oogenblik wierp de groote grijze wolf zich op hem.

Opnieuw overvallen en onverwachts viel Baree op den grond, met den wolf aan zijn keel. Maar hij had het bloed van Kazan in zich, den lichaamsbouw en de spieren van Kazan en voor het eerst van zijn leven vocht hij zooals Kazan gevochten had, dien verschrikkelijken dag op de Zonnerots. Hij was jong; hij moest de sluwheid en de krijgslisten van dezen veteraan nog leeren; maar zijn kaken waren als de ijzeren klampen, diePierrotgebruikte voor zijn berenvallen en er was een plotselinge blinde woede in zijn hart, en begeerte om te dooden, die alle gevoelens van pijn of vrees overheerschte. Dit gevecht zou, als alles eerlijk toegegaan was, geëindigd zijn met de overwinning van Baree, ondanks zijn jeugd en onervarenheid. De troep had behooren af te wachten; het was de wet van den troep—totdat een van de twee het opgaf. Maar Baree waszwart. Hij was een vreemdeling, een indringer, een schepsel, dat zij ontdekt hadden op een tijdstip, dat hun bloed kookte van woede en teleurstelling, omdat zij hun prooi gemist hadden.

Een tweede wolf kwam er bij, Baree verraderlijk van opzij aanvallend en terwijl hij daar in de sneeuw lag en den voorpoot van zijn eersten vijand duchtig knauwde, wierp de heele bende zich tegelijk op hem. Zulk een aanval zou den jongen kariboestier in minder dan een minuut het leven gekost hebben. Elke tand zou raak gebeten hebben. Het werd Baree door de omstandigheid, dat hij onder zijn eerste twee aanvallers lag, bespaard, dadelijk in stukken gescheurd te worden. Hij wist, dat hij voor zijn leven vocht. De wilde horde rolde grauwend over hem heen; hij voelde de brandende pijn van tanden, die zich in zijn vleesch begroeven; hij werd half gesmoord, honderd messen schenen in hem te steken en toch gaf hij geen geluid, geen smartkreet ontsnapte hem in de ontzetting en hopeloosheid van dit alles. Het zou spoedigafgeloopen geweest zijn, als de worsteling niet vlak bij den oever geweest was. Een gedeelte van den zanderigen grond bezweek en Baree rolde met den halven troep op zich de helling af. Oogenblikkelijk flitste de gedachte aan den kariboe, die zich door het water had weten te redden, door zijn brein. Voor een enkel oogenblik had deze zandinstorting hem van de bende wolven bevrijd en in die tusschenruimte nam hij een grooten sprong, over de grijze ruggen van zijn vijanden heen en kwam in het diepe water van den stroom terecht. Achter hem klapten een half dozijn kaken dicht—in de lucht. En zooals het den kariboe gered had, redde dit water, glinsterende onder het licht van maan en sterren, ook Baree het leven.

Het riviertje was niet meer dan honderd voet in oppervlakte, maar Baree kon toch maar met de uiterste krachtsinspanning den overkant bereiken. Vóór hij zich aan land sleepte, had hij den omvang van zijn wonden nog niet gevoeld. Zijn eenen achterpoot kon hij niet gebruiken, zijn linker schouder lag open tot op het been, zijn kop en lijf waren opengehaald en terwijl hij langzaam wegkroop van den waterkant, vormde hij een spoor in de sneeuw, dat rood zag van het bloed. Het druppelde van zijn hijgende kaken, waartusschen ook zijn tong bloedde; liep langs zijn pooten en flanken en buik en druppelde van zijn ooren, waarvan één zoo gehavend was, alsof men er met een mes van afgesneden had. Zijn instinkten waren verdoofd, zijn gezicht beneveld, alsof er een mist voor zijn oogen hing. Hij hoorde niet het teleurgestelde huilen van den wolventroep aan den anderen kant der rivier eenige minuten later en hij bemerkte niet langer het bestaan van maan en sterren. Half dood sleepte hij zich verder, tot hij bij toeval een groepje dwergsparren ontdekte. Hier sleepte hij zich in en viel toen neer, volkomen uitgeput.

Verminkt, met litteekens die fel hem brandden, lag hij door de hevig opvlammende koorts op het randje van den dood.

Toch overwon het leven; de koorts verminderde en tegen den middag stond hij op. Hij was zwak en wankelde op zijn pooten. Zijn eene achterpoot sleepte hem nog steeds na en hij werd doorpijn gemarteld. Maar het was een schitterende dag. De zon was warm. De sneeuw was aan het smelten.

De hemel geleek een groote blauwe zee en de levensvloed stroomde weer warm door zijn aderen. Maar nu waren, voor altijd, zijn verlangens veranderd en zijn voortdurend zoeken was geëindigd. Een roode woestheid blonk in zijn oogen, terwijl hij gromde in de richting, waar zijn gevecht met de wolven den vorigen nacht had plaats gehad. Zij waren niet langer van hetzelfde ras als hij. Zij waren niet langer van hetzelfde bloed. Nooit zou de jachtroep meer aantrekkingskracht op hem uitoefenen of de stem van den troep dat oude verlangen bij hem opwekken. Er was iets nieuws in hem geboren, een onvernietigbare haat tegen al wat wolf was, een haat, die zou aangroeien tot bijna een organisch ongemak, iets dat hij nooit heelemaal kwijt was en dat om weerwraak riep. Den vorigen nacht was hij tot hen gekomen als een kameraad. Vandaag was hij een uitgestootene. Gewond en verminkt, litteekens met zich meedragend, die nooit meer zouden verdwijnen, had hij zijn les van de wildernis geleerd. Morgen en overmorgen, en tallooze dagen daarna, zou deze les hem versch in het geheugen blijven.

XVIII.De agent neemt zijn besluit.In de hut bij den Grijzen Fuut wasPierrotaan het rooken van zijn pijpje, na een stevig avondmaal van kariboe-lende, die hij had meegebracht, den vierden avond na Baree's vertrek, en Nepeese luisterde naar zijn verhaal over de merkwaardigheid van zijn schot, toen een geluid aan de deur hen storen kwam. Nepeese opende haar en Baree kwam binnen. De welkomstkreet bestierfhet meisje op de lippen enPierrotkeek alsof hij niet gelooven kon, dat dit dier, dat teruggekeerd was, de wolfshond was.Drie dagen en drie nachten van honger, waarin hij niet had kunnen jagen, omdat hij nog steeds met zijn eenen poot sleepte, hadden hem totaal verzwakt. Met litteekens bezaaid en bedekt met klonters geronnen bloed, dat nog steeds aan zijn lange haren kleefde, bood hij zulk een jammerlijken aanblik, dat Nepeese naar adem snakte. Een zonderlinge glimlach verspreidde zich overPierrot's gelaat, terwijl hij in zijn stoel voorover leunde en toen stond hij langzaam op, bekeek Baree van naderbij en zeide tot Nepeese:„Ventre saint gris!Ja! Hij is bij den troep geweest, Nepeese, en de troep heeft hem aangevallen. Het was geen tweegevecht! Het moet de heele troep geweest zijn. Hij is op vijftig verschillende plaatsen gebeten. En—mon Dieu—hij heeft er het leven afgebracht!”InPierrot's stem klonk groeiende verbazing. Hij was ongeloovig en toch kon hij niet twijfelen aan hetgeen zijn oogen hem zeiden. Wat er gebeurd was, grensde aan een wonder en een tijdlang sprak hij niet meer, maar bleef zwijgend toekijken, terwijl Nepeese, uit haar verbijstering gewekt, Baree begon te verzorgen en hem voedsel gaf. Nadat hij als een razende gegeten had van koude maispap, begon zij zijn wonden te betten met warm water en daarna zalfde zij ze met berenvet, voortdurend tegen hem pratend in haar zachtklinkend Cree. Na de pijn en den honger en de verraderlijkheid van den aanval was dit een verrukkelijke thuiskomst voor Baree. Hij sliep dien nacht aan den voet van Nepeese's bed. Den volgenden morgen werd zij gewekt door de liefkoozing van zijn koele tong op haar hand.En zoo hervatten zij vanaf dezen dag hun kameraadschap, die afgebroken was geweest door Baree's tijdelijke afvalligheid. De gehechtheid was van Baree's kant grooter dan ooit. Hij had uit eigen beweging de Wilg verlaten, om de roepstem van den troep te volgen, en het leek soms wel alsof hij den omvang van zijntrouweloosheid begon te bevatten en nu zijn best deed, het weer goed te maken.Ongetwijfeld was er een groote verandering over Baree gekomen. Hij volgde Nepeese als een schaduw. In plaats van 's nachts te gaan slapen in het warme nest van sparregroen, datPierrotvoor hem gemaakt had, groef hij zichzelf een gat, dicht bij de deur der hut.Pierrotdacht, dat hij begreep waarom, en Nepeese dacht, dat zij het nog veel beter begreep, maar in werkelijkheid berustte de sleutel van dit geheim bij Baree zelf. Hij speelde nu niet meer, zooals hij gespeeld had vóór hij het bosch introk. Hij vloog niet meer op takjes af en rende niet meer tot hij buiten adem was, enkel en alleen om het plezier van het rennen. Zijn jonge hondjes-tijd was voorbij. In plaats daarvan trad een groote vereering en een pijnlijke bitterheid, een liefde voor het meisje en een haat jegens den wolventroep en al wat er mee te maken had. Wanneer hij wolvegehuil hoorde, bracht dit een woedend gegrom teweeg in zijn strot en hij ontblootte zijn slagtanden, totdat zelfsPierrothem uit den weg ging. Als de hand van het meisje hem even aanraakte, bedaarde hij.Binnen een paar weken begon de sneeuw zwaarder te vallen enPierrotbegon zijn tochten te maken over het vallengebied. Nepeese had een gewichtige overeenkomst met hem aangegaan, dezen winter.Pierrothad haar als firmant opgenomen. Elke vijfde klem, elke vijfde val en elk vijfde giftaas zou haar eigendom zijn en al wat daarin gevangen of gedood werd, zou haar een beetje nader brengen tot de verwezenlijking van een schoonen droom, die in de ziel van Nepeese groeide.Pierrothad haar een belofte gedaan. Als zij een voordeeligen winter hadden, zouden zij tegen het einde van het sneeuwseizoen naarNelson Housereizen en het kleine orgel koopen, dat daar was aangeboden; en als het orgel soms al verkocht was, zouden zij nog een winter werken om een ander te koopen. Dit plan gaf Nepeese een levendige en hartstochtelijke belangstelling in de vallenlijn. Het was vanPierroteen soort van krijgslist geweest. Hij zou alles hebben willen geven, om Nepeese datorgel te kunnen geven; hij had zich vast voorgenomen, dat zij het krijgen zou, of die vijfde klem en val en giftaas aan zijn bestemming voldeed of niet. Die overeenkomst tusschen hen beiden had, wat dat betrof, niets te beteekenen. Maar het gaf Nepeese in zeker opzicht het gevoel van mee zaken te doen en mee te werken. Dit hadPierrothaar ingeprent, met een bedoeling. Hij wilde haar bij zich hebben als hij niet in de hut was. Hij wist, datBush Mc Taggartweer naar den Grijzen Fuut zou komen, waarschijnlijk wel meer dan eens, gedurende dezen winter. Zijn honden liepen snel en het was een korte reis. En alsMc Taggartterugkwam, moest Nepeese niet in de hut zijn—alleen.Pierrot's jachtgebied liep naar het Noorden en Westen, alles bijeengenomen een oppervlakte van vijftig mijlen beslaande en gewoonlijk volgden twee klemmen, één val en een giftaas op elkander. Het was een gebied vol kronkelingen, nu en dan opzettelijk langs water geleid ter wille van wezels, otters en marters, dan weer door het dichtst van het bosch voor de lynxen en over dorre open plekken, waar giftaas uitgezet kon worden voor vossen en wolven. Halverwege dit gebied hadPierroteen kleine houten hut gebouwd en een eind verder nog een, zoodat het werk van één dag vijf en twintig mijlen omvatte. Dit was gemakkelijk genoeg voorPierroten viel Nepeese niet zwaar, na de eerste paar dagen. Gedurende de heele maand October, November en het grootste gedeelte van December maakten zij deze uitstapjes geregeld, zij deden elke zes dagen de ronde, rustten één dag in de hut bij den Grijzen Fuut en één dag in de hut aan het einde van hun gebied. VoorPierrotbeteekende dit alles zijn gewone werk, den arbeid van velen van zijn voorgeslacht, voor Nepeese en Baree was dit een vroolijk avontuur, dat hen geen dag verveelde. ZelfsPierrotbleef niet geheel ongevoelig voor hun opgewektheid. Zij was aanstekelijk en drie maanden lang was hij gelukkiger dan hij geweest was sedert den dag, waarop hij zijn vrouw begroef.Het waren prachtige maanden. De pelzen waren dik en hetwas gestadig koud, zonder sneeuwstormen. Nepeese droeg niet alleen een pakje op de schouders, omPierrot's last te verlichten, maar wende er ook Baree aan, een paar kleine manden te dragen, die zij vervaardigd had. In deze manden droeg Baree het aas. Een derde gedeelte van het aantal vallen bevatte altijd wel, watPierrotnoemde „kleingoed”: konijnen, uilen, Vlaamsche gaaien en eekhoorns. Dezen vormden, geplukt of gestroopt, weer nieuw lokaas voor de volgende vallen.In het begin van December, toen zij terugkeerden naar den Grijzen Fuut, bleefPierrot, die Nepeese eenige passen vooruit was, plotseling stilstaan en keek naar de sneeuw. Een derde sneeuwschoenspoor had zich bij het hunne gevoegd en wees in de richting van hun hut. Een halve minuut lang bleefPierrotzwijgen en bewoog nauwelijks een spier, terwijl hij naar den grond staarde. Het spoor kwam regelrecht uit het Noorden—en daar lagLac Bain. Het waren groote sneeuwschoenen en blijkbaar had er een lange man op geloopen. VoorPierrotiets gezegd had, had Nepeese al begrepen, waaraan hij dacht.„M'sieude agent vanLac Bain!” zeide zij.Baree snuffelde achterdochtig aan dit vreemde spoor. Zij hoorden hem onderdrukt grommen enPierrot's schouders trokken zich samen.„Ja, deM'sieu,” zeide hij.Het hart van de Wilg klopte sneller toen zij verder gingen. Zij was niet bang vanMc Taggart, niet lichamelijk bang tenminste, maar toch rees er een onrust in haar gemoed, als zij er aan dacht, hem weer te zien bij den Grijzen Fuut. Waarom was hij daar?Pierrotbehoefde geen antwoord te geven op deze vraag, zelfs al had zij die gesteld. Zij wist het zelf wel. De agent vanLac Bainhad niets in hun hut te maken—hij kwam alleen om haar te zien. Het bloed brandde haar rood in de wangen, toen zij weer dacht aan dat oogenblik aan den rand van de kloof, toen hij haar bijna verpletterd had in zijn armen. Zou hij dat nog eens wagen? Haar vader, diep verzonken in zijn eigen sombere gedachten, hoorde nauwelijks den eigenaardigen lach,dien zij plotseling deed hooren. Baree had opnieuw gegromd. Het was een zacht geluid geweest, maar schrikaanjagend. Toen zij nog maar een halve mijl van de hut verwijderd waren, maakte zij de manden van zijn schouders los en droeg ze zelf. Tien minuten later zagen zij een man hun tegemoet komen.Het wasMc Taggartniet.Pierrotherkende hem en met een hoorbaren zucht van verlichting wuifde hij hem toe. Het was De Bar, die zijn jachtterrein had in het Onvruchtbare Land ten noorden vanLac Bain.Pierrotkende hem goed. Zij ruilden dikwijls vergiften met elkaar. Zij waren vrienden en er was blijdschap in hun handdruk.Daarna staardeDe Barin bewondering naar Nepeese.„Tonnerre, zij is een vrouw geworden!” riep hij en als een ware vrouw keek Nepeese hem strak aan en de kleur werd donkerder op haar wangen, toen hij diep voor haar boog, met een hoffelijkheid, dagteekenend uit vroeger eeuwen.De Barliet geen tijd verloren gaan met het uitleggen van het doel zijner komst en voor zij de hut bereikten, wistenPierroten Nepeese, wat hij bij hen kwam doen.M'sieude agent vanLac Bainzou over vijf dagen op reis gaan en hij hadDe Barspeciaal gezonden omPierrotte verzoeken, gedurende zijn afwezigheid den klerk en den halfbloed, die op het magazijn moest passen, te komen bijstaan.Pierrotvroeg geen verklaring, in het begin, maar hij dacht na. Waarom hadMc Taggartjuisthemlaten halen? Waarom had hij niet iemand uitgekozen, dichter in zijn eigen buurt? Niet voordat er een flink vuur knapperde in de plaatijzeren kachel in de hut en Nepeese druk bezig was met het bereiden van het avondmaal, stelde hij deze vragen aan den vossenjager.De Barhaalde de schouders op.„Hij vroeg eerst aan mij, of ik kon blijven. Maar ik heb een vrouw met zwakke longen,Pierrot. Zij heeft de ziekte opgedaan met de vorst van verleden jaar en ik durf haar niet lang alleen laten. Hij heeft groot vertrouwen in jou. Bovendien ken jij alle strikkenzetters, die in de boeken van de Compagnie staan.Daarom heeft hij een boodschap naar jou gestuurd en hij zegt, dat je je maar niet moet bekommeren over je eigen vangst, want dat hij je het dubbele zal betalen van wat je anders zou krijgen, in den tijd dat je op den Post bent.”„En—Nepeese?” vroegPierrot. „VerwachtM'sieu, dat ik haar mee zal brengen?”Bij de kachel boog de Wilg het hoofd om te luisteren en zij haalde verruimd adem bijDe Bar's antwoord.„Daar heeft hij niets van gezegd. Maar—het zal wel een groote verandering voor de kleinem'sellewezen.”Pierrotknikte.„Misschien, Netootam.”Zij praatten dien avond niet langer over de zaak. Maar den heelen nacht bleefPierroter over liggen denken en honderd maal vroeg hij zich hetzelfde af—waarom hadMc Taggarthemjuist laten halen? Hij was niet de eenige man, die de strikkenzetters van de Compagnie goed kende. Daar had je bijvoorbeeld Wassoon, den halfbloed-Skandinaviër, wiens hut maar vier uur reizens van den Post was, ofBaroche, den witgebaarden ouden Franschman, die zelfs nog dichterbij woonde en wiens woord even betrouwbaar was als de Bijbel. Het moest wel zijn, besloot hij ten laatste, datM'sieuhemhad laten halen, omdat hij, door den vader van Nepeese te bevoorrechten, de vriendschap van Nepeese zelf dacht te winnen. Want ongetwijfeld was het als een groot eerbewijs voor hem bedoeld. En toch, op den bodem van zijn hart leefde nog achterdocht.ToenDe Barden volgenden morgen afscheid nam, zeidePierrot:„Zeg maar aanM'sieu, dat ik overmorgen naarLac Bainvertrek.”NadatDe Barvertrokken was, zeidePierrottot Nepeese:„En jij moet hier blijven,ma chérie. Ik neem je niet mee naarLac Bain. Ik heb een droom gehad, datM'sieuniet op reis gaat, maar dat hij gelogen heeft en dat hijongesteldzalzijn als ik op den Post aankom. En toch, als je soms graag mee wilt—”Nepeese richtte zich plotseling rechtop, zooals een riet, dat door den wind gegrepen is.„Neen,” riep zij, zoo heftig, datPierrotlachte en zich in de handen wreef.Zoo gebeurde het, dat twee dagen na het bezoek van den vossenjagerPierrotnaarLac Bainreisde en Nepeese hem aan de deur bleef nawuiven tot hij uit het gezicht was.Op den morgen van dienzelfden dag stondMc Taggartop, toen het nog geheel donker was. De tijd was gekomen, het uur en de dag, waarop hij gewacht en gerekend had, en dien heelen nacht had hij de oogen niet geloken in slaap. Twintig maal had hij het mooie portretje van Nepeese in den gloed der lamp gehouden en telkens had het gezicht er van gewerkt als olie op vlammen. Al de krachten van zijn natuur waren versmolten in één grooten hartstocht en lang en zorgvuldig had hij aan de vervulling daarvan gewerkt. Hij had geaarzeld voor een moord—voor een uit den weg ruimen vanPierroten hij had er iets beters op bedacht. Nepeese kon hem op die manier niet ontsnappen. Hij zou haar alleen aantreffen, hulpeloos en volkomen in zijn macht. En daarna—hij lachte en balde zijn groote handen in opwinding. Ja—daarna—zou Nepeese gewillig zijn vrouw worden. Zij zou niet willen, dat zij bij de bewoners van de wildernis bekend werd alsLa Bête Noire. Neen! Zij zou uit vrije beweging tot hem komen. EnPierrotzou er nooit achter komen, wat er in de hut was voorgevallen, want zou Nepeese hem dàt vertellen? Het was een prachtig plan, zoo gemakkelijk uit te voeren en de uitslag zoo onafwendbaar in zijn voordeel. EnPierrotzou al dien tijd in de meening verkeeren, dat hij weg was, op een zending naar het Oosten!Hij gebruikte zijn ontbijt en ging op weg, toen het nog niet heelemaal licht was. Met opzet hield hij oostwaarts, zoodatPierrot, uit het zuidwesten komend, de sporen van zijn slede niet ontdekken zou. Want hij wilde er zeker van zijn, datPierrothetnooit te weten kon komen en zelfs geen vermoeden had; al kostte het hem nog zooveel mijlen, hij zou dezen omweg maken en den Grijzen Fuut pas den tweeden dag bereiken. Het was misschien ook maar beter, een dag later te komen, daar het mogelijk was, datPierrotopgehouden was. Daarom deed hij geen poging om snel te reizen. Hij genoot al van tevoren van de voldoening, die hij smaken zou. Hij liep geen kans, teleurgesteld te worden. Hij was er van overtuigd, dat Nepeese haar vader niet vergezeld had op zijn reis naarLac Bain. Zij zou in de hut bij den Grijzen Fuut zijn—en alleen. Zijn gelaat werd donkerder rood, telkens wanneer hij daaraan dacht.De eenzaamheid wekte bij Nepeese geen gedachte aan gevaar op. Er waren nu tijden, dat het denkbeeld, alleen te zijn, aantrekkelijk voor haar was; dat zij verlangde, te kunnen droomen, ongestoord, dat zij zich visioenen voorstelde, in welker geheimzinnigheid zij zelfsPierrotniet in kon wijden. Zij was bezig op te groeien tot een vrouw—zij was nog maar een bloem in knop—nog maar een meisje, met het zachte fluweel der maagdelijkheid in de oogen, maar het geheim der ontwakende vrouwelijkheid beroerde reeds zacht haar ziel, alsof de Groote Hand aarzelde en niet goed wist, of zij haar zou wekken of nog wat langer laten sluimeren. Bij zulke gelegenheden, als zij een paar uur voor zichzelf wist te ontfutselen, trok zij haar roode japon aan en kapte haar prachtige haar volgens de aanwijzingen der tijdschriften, diePierrottweemaal 's jaars uitNelson Housewerden toegezonden. Den tweeden dag vanPierrot's afwezigheid kleedde zij zich weer zoo, maar nu liet zij heur haar los om zich heen golven, in glanzenden tooi en om haar voorhoofd bond zij een rood lint. Maar hiermee was zij nog niet klaar. Vandaag had zij heerlijke plannen. Tegen den muur, vlak bij den spiegel, had zij een groote plaat geprikt uit een modeblad en op deze plaat prijkte een allerliefst kopje, vol krullen. Er onder stond de naam „Mary Pickford”. Vijftienhonderd mijlen ten noorden van het zonnige Californische atelier, waarin de fotografie genomen was, worstelde Nepeese met pruilende lippen en gerimpeld voorhoofdom het kunststuk van „kleineMary's” krullenkapsel te volbrengen!Zij keek in haar spiegel, haar wangen gloeiden en haar oogen schitterden in de opwinding, om een van de zoo vurig verlangde krulletjes te maken, toen de deur achter haar geopend werd enBush Mc Taggartnaar binnen stapte.

In de hut bij den Grijzen Fuut wasPierrotaan het rooken van zijn pijpje, na een stevig avondmaal van kariboe-lende, die hij had meegebracht, den vierden avond na Baree's vertrek, en Nepeese luisterde naar zijn verhaal over de merkwaardigheid van zijn schot, toen een geluid aan de deur hen storen kwam. Nepeese opende haar en Baree kwam binnen. De welkomstkreet bestierfhet meisje op de lippen enPierrotkeek alsof hij niet gelooven kon, dat dit dier, dat teruggekeerd was, de wolfshond was.

Drie dagen en drie nachten van honger, waarin hij niet had kunnen jagen, omdat hij nog steeds met zijn eenen poot sleepte, hadden hem totaal verzwakt. Met litteekens bezaaid en bedekt met klonters geronnen bloed, dat nog steeds aan zijn lange haren kleefde, bood hij zulk een jammerlijken aanblik, dat Nepeese naar adem snakte. Een zonderlinge glimlach verspreidde zich overPierrot's gelaat, terwijl hij in zijn stoel voorover leunde en toen stond hij langzaam op, bekeek Baree van naderbij en zeide tot Nepeese:

„Ventre saint gris!Ja! Hij is bij den troep geweest, Nepeese, en de troep heeft hem aangevallen. Het was geen tweegevecht! Het moet de heele troep geweest zijn. Hij is op vijftig verschillende plaatsen gebeten. En—mon Dieu—hij heeft er het leven afgebracht!”

InPierrot's stem klonk groeiende verbazing. Hij was ongeloovig en toch kon hij niet twijfelen aan hetgeen zijn oogen hem zeiden. Wat er gebeurd was, grensde aan een wonder en een tijdlang sprak hij niet meer, maar bleef zwijgend toekijken, terwijl Nepeese, uit haar verbijstering gewekt, Baree begon te verzorgen en hem voedsel gaf. Nadat hij als een razende gegeten had van koude maispap, begon zij zijn wonden te betten met warm water en daarna zalfde zij ze met berenvet, voortdurend tegen hem pratend in haar zachtklinkend Cree. Na de pijn en den honger en de verraderlijkheid van den aanval was dit een verrukkelijke thuiskomst voor Baree. Hij sliep dien nacht aan den voet van Nepeese's bed. Den volgenden morgen werd zij gewekt door de liefkoozing van zijn koele tong op haar hand.

En zoo hervatten zij vanaf dezen dag hun kameraadschap, die afgebroken was geweest door Baree's tijdelijke afvalligheid. De gehechtheid was van Baree's kant grooter dan ooit. Hij had uit eigen beweging de Wilg verlaten, om de roepstem van den troep te volgen, en het leek soms wel alsof hij den omvang van zijntrouweloosheid begon te bevatten en nu zijn best deed, het weer goed te maken.

Ongetwijfeld was er een groote verandering over Baree gekomen. Hij volgde Nepeese als een schaduw. In plaats van 's nachts te gaan slapen in het warme nest van sparregroen, datPierrotvoor hem gemaakt had, groef hij zichzelf een gat, dicht bij de deur der hut.Pierrotdacht, dat hij begreep waarom, en Nepeese dacht, dat zij het nog veel beter begreep, maar in werkelijkheid berustte de sleutel van dit geheim bij Baree zelf. Hij speelde nu niet meer, zooals hij gespeeld had vóór hij het bosch introk. Hij vloog niet meer op takjes af en rende niet meer tot hij buiten adem was, enkel en alleen om het plezier van het rennen. Zijn jonge hondjes-tijd was voorbij. In plaats daarvan trad een groote vereering en een pijnlijke bitterheid, een liefde voor het meisje en een haat jegens den wolventroep en al wat er mee te maken had. Wanneer hij wolvegehuil hoorde, bracht dit een woedend gegrom teweeg in zijn strot en hij ontblootte zijn slagtanden, totdat zelfsPierrothem uit den weg ging. Als de hand van het meisje hem even aanraakte, bedaarde hij.

Binnen een paar weken begon de sneeuw zwaarder te vallen enPierrotbegon zijn tochten te maken over het vallengebied. Nepeese had een gewichtige overeenkomst met hem aangegaan, dezen winter.Pierrothad haar als firmant opgenomen. Elke vijfde klem, elke vijfde val en elk vijfde giftaas zou haar eigendom zijn en al wat daarin gevangen of gedood werd, zou haar een beetje nader brengen tot de verwezenlijking van een schoonen droom, die in de ziel van Nepeese groeide.

Pierrothad haar een belofte gedaan. Als zij een voordeeligen winter hadden, zouden zij tegen het einde van het sneeuwseizoen naarNelson Housereizen en het kleine orgel koopen, dat daar was aangeboden; en als het orgel soms al verkocht was, zouden zij nog een winter werken om een ander te koopen. Dit plan gaf Nepeese een levendige en hartstochtelijke belangstelling in de vallenlijn. Het was vanPierroteen soort van krijgslist geweest. Hij zou alles hebben willen geven, om Nepeese datorgel te kunnen geven; hij had zich vast voorgenomen, dat zij het krijgen zou, of die vijfde klem en val en giftaas aan zijn bestemming voldeed of niet. Die overeenkomst tusschen hen beiden had, wat dat betrof, niets te beteekenen. Maar het gaf Nepeese in zeker opzicht het gevoel van mee zaken te doen en mee te werken. Dit hadPierrothaar ingeprent, met een bedoeling. Hij wilde haar bij zich hebben als hij niet in de hut was. Hij wist, datBush Mc Taggartweer naar den Grijzen Fuut zou komen, waarschijnlijk wel meer dan eens, gedurende dezen winter. Zijn honden liepen snel en het was een korte reis. En alsMc Taggartterugkwam, moest Nepeese niet in de hut zijn—alleen.

Pierrot's jachtgebied liep naar het Noorden en Westen, alles bijeengenomen een oppervlakte van vijftig mijlen beslaande en gewoonlijk volgden twee klemmen, één val en een giftaas op elkander. Het was een gebied vol kronkelingen, nu en dan opzettelijk langs water geleid ter wille van wezels, otters en marters, dan weer door het dichtst van het bosch voor de lynxen en over dorre open plekken, waar giftaas uitgezet kon worden voor vossen en wolven. Halverwege dit gebied hadPierroteen kleine houten hut gebouwd en een eind verder nog een, zoodat het werk van één dag vijf en twintig mijlen omvatte. Dit was gemakkelijk genoeg voorPierroten viel Nepeese niet zwaar, na de eerste paar dagen. Gedurende de heele maand October, November en het grootste gedeelte van December maakten zij deze uitstapjes geregeld, zij deden elke zes dagen de ronde, rustten één dag in de hut bij den Grijzen Fuut en één dag in de hut aan het einde van hun gebied. VoorPierrotbeteekende dit alles zijn gewone werk, den arbeid van velen van zijn voorgeslacht, voor Nepeese en Baree was dit een vroolijk avontuur, dat hen geen dag verveelde. ZelfsPierrotbleef niet geheel ongevoelig voor hun opgewektheid. Zij was aanstekelijk en drie maanden lang was hij gelukkiger dan hij geweest was sedert den dag, waarop hij zijn vrouw begroef.

Het waren prachtige maanden. De pelzen waren dik en hetwas gestadig koud, zonder sneeuwstormen. Nepeese droeg niet alleen een pakje op de schouders, omPierrot's last te verlichten, maar wende er ook Baree aan, een paar kleine manden te dragen, die zij vervaardigd had. In deze manden droeg Baree het aas. Een derde gedeelte van het aantal vallen bevatte altijd wel, watPierrotnoemde „kleingoed”: konijnen, uilen, Vlaamsche gaaien en eekhoorns. Dezen vormden, geplukt of gestroopt, weer nieuw lokaas voor de volgende vallen.

In het begin van December, toen zij terugkeerden naar den Grijzen Fuut, bleefPierrot, die Nepeese eenige passen vooruit was, plotseling stilstaan en keek naar de sneeuw. Een derde sneeuwschoenspoor had zich bij het hunne gevoegd en wees in de richting van hun hut. Een halve minuut lang bleefPierrotzwijgen en bewoog nauwelijks een spier, terwijl hij naar den grond staarde. Het spoor kwam regelrecht uit het Noorden—en daar lagLac Bain. Het waren groote sneeuwschoenen en blijkbaar had er een lange man op geloopen. VoorPierrotiets gezegd had, had Nepeese al begrepen, waaraan hij dacht.

„M'sieude agent vanLac Bain!” zeide zij.

Baree snuffelde achterdochtig aan dit vreemde spoor. Zij hoorden hem onderdrukt grommen enPierrot's schouders trokken zich samen.

„Ja, deM'sieu,” zeide hij.

Het hart van de Wilg klopte sneller toen zij verder gingen. Zij was niet bang vanMc Taggart, niet lichamelijk bang tenminste, maar toch rees er een onrust in haar gemoed, als zij er aan dacht, hem weer te zien bij den Grijzen Fuut. Waarom was hij daar?Pierrotbehoefde geen antwoord te geven op deze vraag, zelfs al had zij die gesteld. Zij wist het zelf wel. De agent vanLac Bainhad niets in hun hut te maken—hij kwam alleen om haar te zien. Het bloed brandde haar rood in de wangen, toen zij weer dacht aan dat oogenblik aan den rand van de kloof, toen hij haar bijna verpletterd had in zijn armen. Zou hij dat nog eens wagen? Haar vader, diep verzonken in zijn eigen sombere gedachten, hoorde nauwelijks den eigenaardigen lach,dien zij plotseling deed hooren. Baree had opnieuw gegromd. Het was een zacht geluid geweest, maar schrikaanjagend. Toen zij nog maar een halve mijl van de hut verwijderd waren, maakte zij de manden van zijn schouders los en droeg ze zelf. Tien minuten later zagen zij een man hun tegemoet komen.

Het wasMc Taggartniet.Pierrotherkende hem en met een hoorbaren zucht van verlichting wuifde hij hem toe. Het was De Bar, die zijn jachtterrein had in het Onvruchtbare Land ten noorden vanLac Bain.Pierrotkende hem goed. Zij ruilden dikwijls vergiften met elkaar. Zij waren vrienden en er was blijdschap in hun handdruk.

Daarna staardeDe Barin bewondering naar Nepeese.

„Tonnerre, zij is een vrouw geworden!” riep hij en als een ware vrouw keek Nepeese hem strak aan en de kleur werd donkerder op haar wangen, toen hij diep voor haar boog, met een hoffelijkheid, dagteekenend uit vroeger eeuwen.

De Barliet geen tijd verloren gaan met het uitleggen van het doel zijner komst en voor zij de hut bereikten, wistenPierroten Nepeese, wat hij bij hen kwam doen.M'sieude agent vanLac Bainzou over vijf dagen op reis gaan en hij hadDe Barspeciaal gezonden omPierrotte verzoeken, gedurende zijn afwezigheid den klerk en den halfbloed, die op het magazijn moest passen, te komen bijstaan.Pierrotvroeg geen verklaring, in het begin, maar hij dacht na. Waarom hadMc Taggartjuisthemlaten halen? Waarom had hij niet iemand uitgekozen, dichter in zijn eigen buurt? Niet voordat er een flink vuur knapperde in de plaatijzeren kachel in de hut en Nepeese druk bezig was met het bereiden van het avondmaal, stelde hij deze vragen aan den vossenjager.

De Barhaalde de schouders op.

„Hij vroeg eerst aan mij, of ik kon blijven. Maar ik heb een vrouw met zwakke longen,Pierrot. Zij heeft de ziekte opgedaan met de vorst van verleden jaar en ik durf haar niet lang alleen laten. Hij heeft groot vertrouwen in jou. Bovendien ken jij alle strikkenzetters, die in de boeken van de Compagnie staan.Daarom heeft hij een boodschap naar jou gestuurd en hij zegt, dat je je maar niet moet bekommeren over je eigen vangst, want dat hij je het dubbele zal betalen van wat je anders zou krijgen, in den tijd dat je op den Post bent.”

„En—Nepeese?” vroegPierrot. „VerwachtM'sieu, dat ik haar mee zal brengen?”

Bij de kachel boog de Wilg het hoofd om te luisteren en zij haalde verruimd adem bijDe Bar's antwoord.

„Daar heeft hij niets van gezegd. Maar—het zal wel een groote verandering voor de kleinem'sellewezen.”

Pierrotknikte.

„Misschien, Netootam.”

Zij praatten dien avond niet langer over de zaak. Maar den heelen nacht bleefPierroter over liggen denken en honderd maal vroeg hij zich hetzelfde af—waarom hadMc Taggarthemjuist laten halen? Hij was niet de eenige man, die de strikkenzetters van de Compagnie goed kende. Daar had je bijvoorbeeld Wassoon, den halfbloed-Skandinaviër, wiens hut maar vier uur reizens van den Post was, ofBaroche, den witgebaarden ouden Franschman, die zelfs nog dichterbij woonde en wiens woord even betrouwbaar was als de Bijbel. Het moest wel zijn, besloot hij ten laatste, datM'sieuhemhad laten halen, omdat hij, door den vader van Nepeese te bevoorrechten, de vriendschap van Nepeese zelf dacht te winnen. Want ongetwijfeld was het als een groot eerbewijs voor hem bedoeld. En toch, op den bodem van zijn hart leefde nog achterdocht.

ToenDe Barden volgenden morgen afscheid nam, zeidePierrot:

„Zeg maar aanM'sieu, dat ik overmorgen naarLac Bainvertrek.”

NadatDe Barvertrokken was, zeidePierrottot Nepeese:

„En jij moet hier blijven,ma chérie. Ik neem je niet mee naarLac Bain. Ik heb een droom gehad, datM'sieuniet op reis gaat, maar dat hij gelogen heeft en dat hijongesteldzalzijn als ik op den Post aankom. En toch, als je soms graag mee wilt—”

Nepeese richtte zich plotseling rechtop, zooals een riet, dat door den wind gegrepen is.

„Neen,” riep zij, zoo heftig, datPierrotlachte en zich in de handen wreef.

Zoo gebeurde het, dat twee dagen na het bezoek van den vossenjagerPierrotnaarLac Bainreisde en Nepeese hem aan de deur bleef nawuiven tot hij uit het gezicht was.

Op den morgen van dienzelfden dag stondMc Taggartop, toen het nog geheel donker was. De tijd was gekomen, het uur en de dag, waarop hij gewacht en gerekend had, en dien heelen nacht had hij de oogen niet geloken in slaap. Twintig maal had hij het mooie portretje van Nepeese in den gloed der lamp gehouden en telkens had het gezicht er van gewerkt als olie op vlammen. Al de krachten van zijn natuur waren versmolten in één grooten hartstocht en lang en zorgvuldig had hij aan de vervulling daarvan gewerkt. Hij had geaarzeld voor een moord—voor een uit den weg ruimen vanPierroten hij had er iets beters op bedacht. Nepeese kon hem op die manier niet ontsnappen. Hij zou haar alleen aantreffen, hulpeloos en volkomen in zijn macht. En daarna—hij lachte en balde zijn groote handen in opwinding. Ja—daarna—zou Nepeese gewillig zijn vrouw worden. Zij zou niet willen, dat zij bij de bewoners van de wildernis bekend werd alsLa Bête Noire. Neen! Zij zou uit vrije beweging tot hem komen. EnPierrotzou er nooit achter komen, wat er in de hut was voorgevallen, want zou Nepeese hem dàt vertellen? Het was een prachtig plan, zoo gemakkelijk uit te voeren en de uitslag zoo onafwendbaar in zijn voordeel. EnPierrotzou al dien tijd in de meening verkeeren, dat hij weg was, op een zending naar het Oosten!

Hij gebruikte zijn ontbijt en ging op weg, toen het nog niet heelemaal licht was. Met opzet hield hij oostwaarts, zoodatPierrot, uit het zuidwesten komend, de sporen van zijn slede niet ontdekken zou. Want hij wilde er zeker van zijn, datPierrothetnooit te weten kon komen en zelfs geen vermoeden had; al kostte het hem nog zooveel mijlen, hij zou dezen omweg maken en den Grijzen Fuut pas den tweeden dag bereiken. Het was misschien ook maar beter, een dag later te komen, daar het mogelijk was, datPierrotopgehouden was. Daarom deed hij geen poging om snel te reizen. Hij genoot al van tevoren van de voldoening, die hij smaken zou. Hij liep geen kans, teleurgesteld te worden. Hij was er van overtuigd, dat Nepeese haar vader niet vergezeld had op zijn reis naarLac Bain. Zij zou in de hut bij den Grijzen Fuut zijn—en alleen. Zijn gelaat werd donkerder rood, telkens wanneer hij daaraan dacht.

De eenzaamheid wekte bij Nepeese geen gedachte aan gevaar op. Er waren nu tijden, dat het denkbeeld, alleen te zijn, aantrekkelijk voor haar was; dat zij verlangde, te kunnen droomen, ongestoord, dat zij zich visioenen voorstelde, in welker geheimzinnigheid zij zelfsPierrotniet in kon wijden. Zij was bezig op te groeien tot een vrouw—zij was nog maar een bloem in knop—nog maar een meisje, met het zachte fluweel der maagdelijkheid in de oogen, maar het geheim der ontwakende vrouwelijkheid beroerde reeds zacht haar ziel, alsof de Groote Hand aarzelde en niet goed wist, of zij haar zou wekken of nog wat langer laten sluimeren. Bij zulke gelegenheden, als zij een paar uur voor zichzelf wist te ontfutselen, trok zij haar roode japon aan en kapte haar prachtige haar volgens de aanwijzingen der tijdschriften, diePierrottweemaal 's jaars uitNelson Housewerden toegezonden. Den tweeden dag vanPierrot's afwezigheid kleedde zij zich weer zoo, maar nu liet zij heur haar los om zich heen golven, in glanzenden tooi en om haar voorhoofd bond zij een rood lint. Maar hiermee was zij nog niet klaar. Vandaag had zij heerlijke plannen. Tegen den muur, vlak bij den spiegel, had zij een groote plaat geprikt uit een modeblad en op deze plaat prijkte een allerliefst kopje, vol krullen. Er onder stond de naam „Mary Pickford”. Vijftienhonderd mijlen ten noorden van het zonnige Californische atelier, waarin de fotografie genomen was, worstelde Nepeese met pruilende lippen en gerimpeld voorhoofdom het kunststuk van „kleineMary's” krullenkapsel te volbrengen!

Zij keek in haar spiegel, haar wangen gloeiden en haar oogen schitterden in de opwinding, om een van de zoo vurig verlangde krulletjes te maken, toen de deur achter haar geopend werd enBush Mc Taggartnaar binnen stapte.


Back to IndexNext