XXIII.Naar het Noorden.

XXIII.Naar het Noorden.Het was begin Augustus toen Baree den Grijzen Fuut verliet. Hij had geen bepaald plan. Maar er was in zijn brein nog flauw de herinnering achtergebleven aan zijn vroegere dagen, zooals de indrukken van licht en schaduw op een negatief. Zaken en gebeurtenissen, die hij bijna vergeten was, kwamen hem nu weer te binnen, terwijl hij zich hoe langer hoe verder van den Grijzen Fuut verwijderde; en zijn vroegere ondervindingen werden nu weer werkelijkheid voor hem, hij zag ze weer vóór zich, nu hij de laatste banden verbroken had, die hem bonden aan het tehuis van de Wilg. Onwillekeurig volgde hij den draad dezer gebeurtenissen en langzamerhand hielpen zij hem, nieuwe belangstelling bij zich wakker te roepen. Een jaar van zijn leven beteekende voor hem een heelen tijd—stond wel gelijk met tien jaren van een menschenleven. Het was meer dan een jaar geleden, sedert hij Kazan en Wolvin en het hol onder de omgewaaide boomen verlaten had en toch kwamen nu duidelijk de herinneringen aan zijn allervroegste jeugd terug, aan de kreek, waarin hij getuimeld was en aan dat woedende gevecht met Papayuchisew. Het waren zijn avonturen uit den laatsten tijd, die deze herinneringen bij hem opwekten. Hij kwam aan de doodloopende kloof, waar Nepeese enPierrothem achternagejaagd hadden. Dat scheen pas gisteren gebeurd te zijn. Hij ging naar de kleine weide en stond naast de groote rots, waaronder Nepeese bijna verpletterd was en toen herinnerde hij zich, dat Wakayoo, zijn groote vriend de beer, hier den dood gevonden had onderPierrot's geweerschoten—en hij ging Wakayoo's verbleekte beenderen besnuffelen, die verspreid lagen in het groene gras, terwijl aan alle kanten de bloemen er omheen bloeiden. Een dag en een nacht bracht hij in deze weide door, voor hij de kloof weer uitging en op zoek naar den poel, waarin Wakayoo voor hem had staan visschen. Er was nu een andere beer aan den rand daarvan, die eveneens stond te visschen. Misschien was hij wel een zoon of kleinzoon van Wakayoo. Baree rook waar hij zijn opslagplaats voor de vangst had gemaakt en drie dagen leefde hij op visch, voor hij naar het Noorden koers zette.Nu zette, voor het eerst sedert vele weken, een restje van de oude vurigheid bij Baree er den spoed in en zooals hij naar den Grijzen Fuut zou zijn teruggekeerd met een gevoel van naar huis te gaan als Nepeese daar geweest was, zoo keerde hij nu terug naar den ouden bevervijver.Het was het mooiste uur van den zomerdag—zonsondergang—toen hij dien bereikte. Hij bleef staan op ongeveer honderd meter afstand, toen hij den vijver nog niet zien kon, snoof de lucht op en luisterde. Want devijverlag daar. De welbekende reuk drong tot hem door. Maar Umisk en Gebroken Tand en de anderen? Zou hij hen weervinden? Hij scherpte zijn ooren, om een bekend geluid op te vangen en na een paar oogenblikken kwam dit—een licht plassen in het water. Hij ging bedaard tusschen de elzestruiken door en stond ten laatste dicht bij de plek, waar hij het eerst met Umisk had kennis gemaakt. De oppervlakte van het water was lichtelijk gerimpeld; twee of drie koppen kwamen boven; hij zag de torpedo-achtige golf, voortgebracht door een ouden bever, die een stok naar de overzijde stuwde—hij keek naar den dam en die was nog bijna precies als hij hem een jaar geleden verlaten had. Hij liet zich niet zien,in den beginne, maar bleef staan, verborgen achter de elzen. Hij voelde een onrust in zich groeien, een verslapping na de lange gespannenheid van de eenzame maanden, gedurende welke hij op Nepeese gewacht had. Met een diepen zucht legde hij zich neder tusschen de elzen, zijn kop zoo gericht, dat hij goed kon uitkijken. Terwijl de zon begon te dalen, kwam er leven in den vijver. Op den oever, waar hij Umisk eens gered had van den vos, kwam nu een nieuw geslacht jonge bevers—drie ervan waren dik en waggelend. Heel zacht jankte Baree.Dien heelen nacht bleef hij tusschen de elzen liggen. De bevervijver werd weer zijn honk. De omstandigheden waren veranderd, natuurlijk, en naarmate de dagen weken werden, toonden de inwoners van Gebroken Tand's kolonie niet in het minst, dat zij den volwassen Baree bij zich duldden, zooals zij dat den kleinen Baree van lang geleden gedaan hadden. Hij was nu groot, zwart en wolfachtig—een langtandig en verschrikkelijk-uitziend beest en ofschoon hij geen geweld uitoefende, werd hij door de bevers met een diepgewortelde vrees en achterdocht gadegeslagen. Aan den anderen kant voelde Baree ook niet meer het jonge-hondjesachtig verlangen om met de kleine bevers mee te spelen en dus deed hun koele houding hem geen verdriet, zooals indertijd. Umisk was nu ook volwassen, een dikke, voorspoedige baas, die zich juist dit jaar een wijfje gekozen had en het op het oogenblik geweldig druk had met het inzamelen van zijn winterrantsoen. Het is volkomen aannemelijk, dat hij het groote zwarte dier, dat hij nu zag, niet in verband bracht met den kleinen Baree, wiens neus hij besnuffeld had, een heelen tijd geleden en het is ook heel waarschijnlijk, dat Baree Umisk niet herkende, tenzij als een onderdeel van de herinneringen, die hem bijgebleven waren.De heele maand Augustus door maakte Baree den bevervijver tot zijn hoofdkwartier. Zoo nu en dan maakte hij tochten, waardoor hij twee of drie dagen wegbleef. Deze reisjes gingen altijd in noordelijke richting, soms een weinig oost- of westwaarts,maar nooit meer het zuiden in. En eindelijk in het laatst van September verliet hij den bevervijver voorgoed.Vele dagen lang koos hij op zijn zwerftochten geen bepaalde richting. Hij ging op jacht, leefde voornamelijk op konijnen en op de domme patrijssoort, bekend onder den naam „het onnoozele hoen”. Dit diëet werd natuurlijk wel eens afgewisseld door andere gerechten, naarmate hij die op zijn weg aantrof. De wilde aalbessen en aardbeien waren aan het rijpen en Baree was er dol op. Hij hield ook van de bittere bessen van den bergesch, welke, evenals de zachte balsem- en sparrenhars, waaraan hij zoo nu en dan likte, een uitstekend geneesmiddel voor hem waren. In ondiep water ving hij wel eens een visch en een enkele maal bond hij zeer voorzichtig den strijd aan met een stekelvarken en als hij overwon, smulde hij van het fijnste en zoetste vleesch dat zijn menu kon opleveren. In September doodde hij tweemaal een ree. De terreinen, waarop groote boschbranden gewoed hadden, joegen hem nu geen vrees meer aan en in deze dagen van overvloed vergat hij den tijd, toen hij er hongerig rondgedwaald had. In October trok hij zoo ver naar het westen, dat hij de Geikie Rivier bereikte en toen naar het noorden tot aan het Wollaston Meer, hetwelk een goede honderd mijlen ten noorden lag van den Grijzen Fuut. In de eerste week van November sloeg hij weer naar het zuiden af, volgde de Kano Rivier een tijd lang en wendde zich daarop weer naar het westen, een kleine kreek volgend, die het kleine zwarte Beertje zonder staart heette.Gedurende deze weken kwam Baree meer dan eens in den omtrek van den mensch, maar, met uitzondering van den Cree-jager aan het bovengedeelte van het Wollaston Meer, had niemand hem gezien.Terwijl hij de Geikie Rivier volgde, lag hij driemaal in een kreupelboschje, terwijl er kano's langskwamen; in de stilte van den nacht snuffelde hij meermalen rondom hutten en tenten, waarin hij leven hoorde en éénmaal kwam hij zoo dicht bij den Hudson-Baai Compagnie Post, dat hij het blaffen van de hondenen het schreeuwen van hun meesters hooren kon. En altijd zocht hij—zocht hij naar hetgeen uit zijn leven verdwenen was. Hij berook de drempels der hutten, draaide in een nauwen kring om de tenten heen, met den wind mee, keek vol hoop in alle kano's. Eens dacht hij, dat de wind hem den reuk van Nepeese aanvoerde en oogenblikkelijk voelde hij zijn pooten onder zich verzwakken en scheen zijn hart op te houden met kloppen. Het duurde maar een paar oogenblikken. Zij kwam uit een tent—een Indiaansch meisje met haar handen vol wilgetakken—en Baree sloop weer weg, ongezien.Het was bijna December, toenLerue, een halfbloed uitLac Bain, Baree's voetsporen zag in de verschgevallen sneeuw en hem een oogenblik later tusschen het kreupelhout verdwijnen zag.„Mon Dieu, ik verzeker u, hij had pooten zoo groot als mijn hand en hij is zoo zwart als een ravenvlerk, waar de zon op schijnt!” riep hij uit, in het magazijn van de Compagnie teLac Bain. „Een vos? Neen! Hij is half zoo groot als een beer. Een wolf—ja! En zoo zwart als de duivel,m'sieus.”Mc Taggartwas onder degenen die hem hoorde. Hij was juist bezig zijn handteekening te plaatsen onder een brief, dien hij aan de Compagnie geschreven had, toenLerue's woorden tot hem doordrongen. Hij bleef zoo plotseling steken, dat er een droppel inkt op den brief gespat werd. Er liep hem een vreemde siddering door de leden, terwijl hij naar den halfbloed keek. Juist op dit oogenblik kwamMariebinnen.Mc Taggarthad haar opnieuw weggehaald van haar stam. Haar groote, donkere oogen hadden een treurige uitdrukking en er was nogal wat verloren gegaan van haar schoonheid.„Hij was er vandoor in minder dan—dit!” zeideLerue, met zijn vingers knippend. Hij zagMarieen bleef steken.„Zwart, zeg je?” vroegMc Taggartachteloos, zonder zijn oogen op te slaan van zijn schrijfwerk. „Leek hij niet wat op een hond?”Leruehaalde de schouders op.„Hij was als de wind er van door,m'sieu. Maar het was een wolf.”Zoo zacht, dat de anderen bijna geen geluid konden opvangen, hadMarieiets in het oor vanMc Taggartgefluisterd en zijn brief opvouwend, stondMc Taggarthaastig op en verliet het magazijn. Hij bleef een uur weg.Lerueen de anderen verbaasden zich hierover. Het gebeurde niet dikwijls, datMariein het magazijn kwam, het kwam zelfs zelden voor, dat zij haar zagen. Zij bleef meestal verscholen in het houten huis van den agent en iederen keer, dat hij haar zag, verbeelddeLeruezich, dat haar gezichtje weer wat magerder geworden was en dat haar oogen grooter waren en steeds hongeriger uitdrukking kregen. In zijn eigen hart was een groot verlangen. Menigen nacht ging hij onder het venstertje door, waaronder hij wist, dat zij lag te slapen; dikwijls tuurde hij naar boven, in de hoop een glimp van haar bleek gelaat te zien en het eenige geluk in zijn leven was, te weten, datMariehem begreep, en dat er een ander licht in haar oogen kwam, wanneer hun blikken elkander ontmoetten. Niemand anders wist er van. Het geheim bestond tusschen hen beiden—en geduldig wachtteLerueen keek uit. „Eens,” hield hij zich voor. „Eens”, en dat was alles. Deze woorden besloegen een wereld vol hoop. Als die dag dan eindelijk aangebroken was, zou hijMarieregelrecht meenemen naar den zendeling, daarginds op FortChurchill, en zij zouden zich daar laten trouwen. Dit was een droom—een droom, die maakte, dat hij de lange dagen en de nog langere nachten op de vallenlijn geduldig doormaakte. Nu waren zij nog beiden onder slavernij van de hen omringende Macht. Maar—eens—Leruedacht hieraan, toenMc Taggartna verloop van een uur terugkwam. De agent kwam regelrecht op het half dozijn mannen af, die om de groote houtkachel2)zaten en schudde met een geknor van voldoening de sneeuw van zijn schouders.„Pierre Eustachheeft het aanbod van het Gouvernement aangenomen en zal de kaartenmakers naar het Onvruchtbare Land brengen, dezen winter,” kondigde hij aan. „Je weet,Lerue,—hij heeft zoowat honderdvijftig klemmen en vallen uitgezet en een groot giftaas-terrein. Een goede lijn, hè? En ik heb haar van hem gehuurd, voor dit seizoen. Het zal me juist het werk in de buitenlucht geven, dat ik noodig heb—drie dagen heen en drie dagen terug. Nu, wat zeg je van zóó'n koop?”„Het is een goede,” zeideLerue.„Ja, een goed plan,” zeideRoget.„Een uitgestrekt vossenland,” zeideMons Roule.„En gemakkelijk te bereizen,” preveldeValence, wiens stem wel die van een vrouw geleek.2)Box-stove—houtkachel. Deze vierkante kachel heeft geen rooster, van voren is een deur, maar het heele bovenstuk, waarin kookdeksels, kan er worden afgenomen. Er kunnen korte stukken boomstam in gestookt worden.

Het was begin Augustus toen Baree den Grijzen Fuut verliet. Hij had geen bepaald plan. Maar er was in zijn brein nog flauw de herinnering achtergebleven aan zijn vroegere dagen, zooals de indrukken van licht en schaduw op een negatief. Zaken en gebeurtenissen, die hij bijna vergeten was, kwamen hem nu weer te binnen, terwijl hij zich hoe langer hoe verder van den Grijzen Fuut verwijderde; en zijn vroegere ondervindingen werden nu weer werkelijkheid voor hem, hij zag ze weer vóór zich, nu hij de laatste banden verbroken had, die hem bonden aan het tehuis van de Wilg. Onwillekeurig volgde hij den draad dezer gebeurtenissen en langzamerhand hielpen zij hem, nieuwe belangstelling bij zich wakker te roepen. Een jaar van zijn leven beteekende voor hem een heelen tijd—stond wel gelijk met tien jaren van een menschenleven. Het was meer dan een jaar geleden, sedert hij Kazan en Wolvin en het hol onder de omgewaaide boomen verlaten had en toch kwamen nu duidelijk de herinneringen aan zijn allervroegste jeugd terug, aan de kreek, waarin hij getuimeld was en aan dat woedende gevecht met Papayuchisew. Het waren zijn avonturen uit den laatsten tijd, die deze herinneringen bij hem opwekten. Hij kwam aan de doodloopende kloof, waar Nepeese enPierrothem achternagejaagd hadden. Dat scheen pas gisteren gebeurd te zijn. Hij ging naar de kleine weide en stond naast de groote rots, waaronder Nepeese bijna verpletterd was en toen herinnerde hij zich, dat Wakayoo, zijn groote vriend de beer, hier den dood gevonden had onderPierrot's geweerschoten—en hij ging Wakayoo's verbleekte beenderen besnuffelen, die verspreid lagen in het groene gras, terwijl aan alle kanten de bloemen er omheen bloeiden. Een dag en een nacht bracht hij in deze weide door, voor hij de kloof weer uitging en op zoek naar den poel, waarin Wakayoo voor hem had staan visschen. Er was nu een andere beer aan den rand daarvan, die eveneens stond te visschen. Misschien was hij wel een zoon of kleinzoon van Wakayoo. Baree rook waar hij zijn opslagplaats voor de vangst had gemaakt en drie dagen leefde hij op visch, voor hij naar het Noorden koers zette.

Nu zette, voor het eerst sedert vele weken, een restje van de oude vurigheid bij Baree er den spoed in en zooals hij naar den Grijzen Fuut zou zijn teruggekeerd met een gevoel van naar huis te gaan als Nepeese daar geweest was, zoo keerde hij nu terug naar den ouden bevervijver.

Het was het mooiste uur van den zomerdag—zonsondergang—toen hij dien bereikte. Hij bleef staan op ongeveer honderd meter afstand, toen hij den vijver nog niet zien kon, snoof de lucht op en luisterde. Want devijverlag daar. De welbekende reuk drong tot hem door. Maar Umisk en Gebroken Tand en de anderen? Zou hij hen weervinden? Hij scherpte zijn ooren, om een bekend geluid op te vangen en na een paar oogenblikken kwam dit—een licht plassen in het water. Hij ging bedaard tusschen de elzestruiken door en stond ten laatste dicht bij de plek, waar hij het eerst met Umisk had kennis gemaakt. De oppervlakte van het water was lichtelijk gerimpeld; twee of drie koppen kwamen boven; hij zag de torpedo-achtige golf, voortgebracht door een ouden bever, die een stok naar de overzijde stuwde—hij keek naar den dam en die was nog bijna precies als hij hem een jaar geleden verlaten had. Hij liet zich niet zien,in den beginne, maar bleef staan, verborgen achter de elzen. Hij voelde een onrust in zich groeien, een verslapping na de lange gespannenheid van de eenzame maanden, gedurende welke hij op Nepeese gewacht had. Met een diepen zucht legde hij zich neder tusschen de elzen, zijn kop zoo gericht, dat hij goed kon uitkijken. Terwijl de zon begon te dalen, kwam er leven in den vijver. Op den oever, waar hij Umisk eens gered had van den vos, kwam nu een nieuw geslacht jonge bevers—drie ervan waren dik en waggelend. Heel zacht jankte Baree.

Dien heelen nacht bleef hij tusschen de elzen liggen. De bevervijver werd weer zijn honk. De omstandigheden waren veranderd, natuurlijk, en naarmate de dagen weken werden, toonden de inwoners van Gebroken Tand's kolonie niet in het minst, dat zij den volwassen Baree bij zich duldden, zooals zij dat den kleinen Baree van lang geleden gedaan hadden. Hij was nu groot, zwart en wolfachtig—een langtandig en verschrikkelijk-uitziend beest en ofschoon hij geen geweld uitoefende, werd hij door de bevers met een diepgewortelde vrees en achterdocht gadegeslagen. Aan den anderen kant voelde Baree ook niet meer het jonge-hondjesachtig verlangen om met de kleine bevers mee te spelen en dus deed hun koele houding hem geen verdriet, zooals indertijd. Umisk was nu ook volwassen, een dikke, voorspoedige baas, die zich juist dit jaar een wijfje gekozen had en het op het oogenblik geweldig druk had met het inzamelen van zijn winterrantsoen. Het is volkomen aannemelijk, dat hij het groote zwarte dier, dat hij nu zag, niet in verband bracht met den kleinen Baree, wiens neus hij besnuffeld had, een heelen tijd geleden en het is ook heel waarschijnlijk, dat Baree Umisk niet herkende, tenzij als een onderdeel van de herinneringen, die hem bijgebleven waren.

De heele maand Augustus door maakte Baree den bevervijver tot zijn hoofdkwartier. Zoo nu en dan maakte hij tochten, waardoor hij twee of drie dagen wegbleef. Deze reisjes gingen altijd in noordelijke richting, soms een weinig oost- of westwaarts,maar nooit meer het zuiden in. En eindelijk in het laatst van September verliet hij den bevervijver voorgoed.

Vele dagen lang koos hij op zijn zwerftochten geen bepaalde richting. Hij ging op jacht, leefde voornamelijk op konijnen en op de domme patrijssoort, bekend onder den naam „het onnoozele hoen”. Dit diëet werd natuurlijk wel eens afgewisseld door andere gerechten, naarmate hij die op zijn weg aantrof. De wilde aalbessen en aardbeien waren aan het rijpen en Baree was er dol op. Hij hield ook van de bittere bessen van den bergesch, welke, evenals de zachte balsem- en sparrenhars, waaraan hij zoo nu en dan likte, een uitstekend geneesmiddel voor hem waren. In ondiep water ving hij wel eens een visch en een enkele maal bond hij zeer voorzichtig den strijd aan met een stekelvarken en als hij overwon, smulde hij van het fijnste en zoetste vleesch dat zijn menu kon opleveren. In September doodde hij tweemaal een ree. De terreinen, waarop groote boschbranden gewoed hadden, joegen hem nu geen vrees meer aan en in deze dagen van overvloed vergat hij den tijd, toen hij er hongerig rondgedwaald had. In October trok hij zoo ver naar het westen, dat hij de Geikie Rivier bereikte en toen naar het noorden tot aan het Wollaston Meer, hetwelk een goede honderd mijlen ten noorden lag van den Grijzen Fuut. In de eerste week van November sloeg hij weer naar het zuiden af, volgde de Kano Rivier een tijd lang en wendde zich daarop weer naar het westen, een kleine kreek volgend, die het kleine zwarte Beertje zonder staart heette.

Gedurende deze weken kwam Baree meer dan eens in den omtrek van den mensch, maar, met uitzondering van den Cree-jager aan het bovengedeelte van het Wollaston Meer, had niemand hem gezien.

Terwijl hij de Geikie Rivier volgde, lag hij driemaal in een kreupelboschje, terwijl er kano's langskwamen; in de stilte van den nacht snuffelde hij meermalen rondom hutten en tenten, waarin hij leven hoorde en éénmaal kwam hij zoo dicht bij den Hudson-Baai Compagnie Post, dat hij het blaffen van de hondenen het schreeuwen van hun meesters hooren kon. En altijd zocht hij—zocht hij naar hetgeen uit zijn leven verdwenen was. Hij berook de drempels der hutten, draaide in een nauwen kring om de tenten heen, met den wind mee, keek vol hoop in alle kano's. Eens dacht hij, dat de wind hem den reuk van Nepeese aanvoerde en oogenblikkelijk voelde hij zijn pooten onder zich verzwakken en scheen zijn hart op te houden met kloppen. Het duurde maar een paar oogenblikken. Zij kwam uit een tent—een Indiaansch meisje met haar handen vol wilgetakken—en Baree sloop weer weg, ongezien.

Het was bijna December, toenLerue, een halfbloed uitLac Bain, Baree's voetsporen zag in de verschgevallen sneeuw en hem een oogenblik later tusschen het kreupelhout verdwijnen zag.

„Mon Dieu, ik verzeker u, hij had pooten zoo groot als mijn hand en hij is zoo zwart als een ravenvlerk, waar de zon op schijnt!” riep hij uit, in het magazijn van de Compagnie teLac Bain. „Een vos? Neen! Hij is half zoo groot als een beer. Een wolf—ja! En zoo zwart als de duivel,m'sieus.”

Mc Taggartwas onder degenen die hem hoorde. Hij was juist bezig zijn handteekening te plaatsen onder een brief, dien hij aan de Compagnie geschreven had, toenLerue's woorden tot hem doordrongen. Hij bleef zoo plotseling steken, dat er een droppel inkt op den brief gespat werd. Er liep hem een vreemde siddering door de leden, terwijl hij naar den halfbloed keek. Juist op dit oogenblik kwamMariebinnen.Mc Taggarthad haar opnieuw weggehaald van haar stam. Haar groote, donkere oogen hadden een treurige uitdrukking en er was nogal wat verloren gegaan van haar schoonheid.

„Hij was er vandoor in minder dan—dit!” zeideLerue, met zijn vingers knippend. Hij zagMarieen bleef steken.

„Zwart, zeg je?” vroegMc Taggartachteloos, zonder zijn oogen op te slaan van zijn schrijfwerk. „Leek hij niet wat op een hond?”

Leruehaalde de schouders op.

„Hij was als de wind er van door,m'sieu. Maar het was een wolf.”

Zoo zacht, dat de anderen bijna geen geluid konden opvangen, hadMarieiets in het oor vanMc Taggartgefluisterd en zijn brief opvouwend, stondMc Taggarthaastig op en verliet het magazijn. Hij bleef een uur weg.Lerueen de anderen verbaasden zich hierover. Het gebeurde niet dikwijls, datMariein het magazijn kwam, het kwam zelfs zelden voor, dat zij haar zagen. Zij bleef meestal verscholen in het houten huis van den agent en iederen keer, dat hij haar zag, verbeelddeLeruezich, dat haar gezichtje weer wat magerder geworden was en dat haar oogen grooter waren en steeds hongeriger uitdrukking kregen. In zijn eigen hart was een groot verlangen. Menigen nacht ging hij onder het venstertje door, waaronder hij wist, dat zij lag te slapen; dikwijls tuurde hij naar boven, in de hoop een glimp van haar bleek gelaat te zien en het eenige geluk in zijn leven was, te weten, datMariehem begreep, en dat er een ander licht in haar oogen kwam, wanneer hun blikken elkander ontmoetten. Niemand anders wist er van. Het geheim bestond tusschen hen beiden—en geduldig wachtteLerueen keek uit. „Eens,” hield hij zich voor. „Eens”, en dat was alles. Deze woorden besloegen een wereld vol hoop. Als die dag dan eindelijk aangebroken was, zou hijMarieregelrecht meenemen naar den zendeling, daarginds op FortChurchill, en zij zouden zich daar laten trouwen. Dit was een droom—een droom, die maakte, dat hij de lange dagen en de nog langere nachten op de vallenlijn geduldig doormaakte. Nu waren zij nog beiden onder slavernij van de hen omringende Macht. Maar—eens—

Leruedacht hieraan, toenMc Taggartna verloop van een uur terugkwam. De agent kwam regelrecht op het half dozijn mannen af, die om de groote houtkachel2)zaten en schudde met een geknor van voldoening de sneeuw van zijn schouders.

„Pierre Eustachheeft het aanbod van het Gouvernement aangenomen en zal de kaartenmakers naar het Onvruchtbare Land brengen, dezen winter,” kondigde hij aan. „Je weet,Lerue,—hij heeft zoowat honderdvijftig klemmen en vallen uitgezet en een groot giftaas-terrein. Een goede lijn, hè? En ik heb haar van hem gehuurd, voor dit seizoen. Het zal me juist het werk in de buitenlucht geven, dat ik noodig heb—drie dagen heen en drie dagen terug. Nu, wat zeg je van zóó'n koop?”

„Het is een goede,” zeideLerue.

„Ja, een goed plan,” zeideRoget.

„Een uitgestrekt vossenland,” zeideMons Roule.

„En gemakkelijk te bereizen,” preveldeValence, wiens stem wel die van een vrouw geleek.

2)Box-stove—houtkachel. Deze vierkante kachel heeft geen rooster, van voren is een deur, maar het heele bovenstuk, waarin kookdeksels, kan er worden afgenomen. Er kunnen korte stukken boomstam in gestookt worden.

2)Box-stove—houtkachel. Deze vierkante kachel heeft geen rooster, van voren is een deur, maar het heele bovenstuk, waarin kookdeksels, kan er worden afgenomen. Er kunnen korte stukken boomstam in gestookt worden.

XXIV.Op het spoor.De vallenlijn vanPierre Eustachliep dertig mijlen vlak westwaarts vanLac Bain. Zij was niet zoo lang als die vanPierrotgeweest was, maar zij geleek de hartslagader, die door het hart van een rijk pelterij-terrein liep. Zij had aanPierre Eustach's vader toebehoord, en aan zijn grootvader en aan zijn overgrootvader en vóór dien tijd had zij, naarPierrebeweerde, reeds aan een der oudste, edelste geslachten van Frankrijk toebehoord. De boeken opMc Taggart's Post gingen niet verder terug dan tot den overgrootvader, daar de oudere bezit-bewijzen teChurchillberustten. Het was het mooiste wild-terrein tusschen Rendierland en het Onvruchtbare Land. In December kwam Baree hier aan.Opnieuw trok hij naar het zuiden, op een langzame manier, voedsel zoekend in de diepe sneeuw. DeKistisew kestinof Groote Storm was dezen winter vroeger gekomen dan andere jaren en een week daarna bewoog zich ternauwernood een dier. Baree begroef zich niet, zooals anderen dit deden, in de sneeuw,om te wachten tot de lucht opklaarde en zich een ijskorst vormde. Hij was groot en machtig en rusteloos. Bijna twee jaar oud, woog hij ruim tachtig pond. Zijn pooten waren breed en wolfachtig. Zijn borst en schouders geleken op die van een Malemoet en waren toch gespierd voor groote snelheid. Er was meer ruimte tusschen zijn oogen dan dat bij den wolfshond het geval is en zijn oogen waren grooter en geheel zonderwuttooi, het bloedvlies, dat den wolf kenmerkt en ook in zekeren graad den grooten hond uit het noorden. Zijn kaken waren als die van Kazan, misschien zelfs nog geweldiger. Die heele week lang, dat de storm voortduurde, trok hij voort, zonder voedsel. Vier dagen viel de sneeuw zwaar en woei er een scherpe wind, daarna kwamen drie dagen van doordringende koude, waarin elk dier in zijn warm holletje onder de sneeuw bleef. Zelfs de vogels hadden zich ingegraven. Men zou over de ruggen van kariboe's en elanden hebben kunnen loopen, zonder het te bemerken. Baree zocht een schuilplaats toen de storm het hevigst woedde, maar hij stond niet toe, dat de sneeuw op hem liggen bleef.Elke vallenzetter, van Hudson Baai tot aan de streek der Athabasca, wist, dat de uitgehongerde pelsdieren na afloop van den Grooten Storm voedsel zouden gaan zoeken en dat er dan de meeste kans was van het heele jaar, dat de klemmen en vallen gevuld werden. Eenigen van hen trokken er den zesden dag op uit, anderen den zevenden en weer anderen den achtsten. Op den zevenden dag vertrokBush Mc TaggartnaarPierre Eustach's lijn, die voor dit seizoen de zijne was. Hij had twee dagen noodig om de klemmen op te graven en ze van de sneeuw te ontdoen, de vallen weer op te zetten en het aas weer in orde te brengen. Den derden dag was hij weer terug teLac Bain.Juist op dezen dag kwam Baree bij de hut aan het einde vanMc Taggart's lijn.Mc Taggart's spoor was nog versch in de sneeuw rondom de hut en zoodra Baree er aan snoof, scheen elke droppel bloed hem plotseling sneller door het lichaam te jagen. Hij had misschien een halve minuut noodig om den reuk, die in zijn neusgaten drong in verband te brengen met hetgebeurde van eenigen tijd geleden, maar toen hij het gedaan had rees er een diep en onheilspellend gegrom uit zijn borst. Een tijdlang bleef hij stilstaan, als een zwarte rots te midden van de sneeuw, en keek naar de hut.Daarna begon hij er langzaam in een kring omheen te draaien, steeds naderbij komend, totdat hij ten laatste den drempel besnuffelde. Geen geluid of reuk was er binnen, maar hij kon denoudenreuk vanMc Taggartherkennen. Toen keek hij de wildernis in, in de richting waarin de vallenlijnen terugvoerden naarLac Bain. Hij rilde, zijn spieren trokken krampachtig. Hij jankte. Er verzamelden zich allerlei voorstellingen in zijn brein—het gevecht in de hut, Nepeese, de wilde jacht door de sneeuw naar den rand van den afgrond—zelfs de herinnering, nu al zoolang geleden, aan zijn worsteling, toenMc Taggarthem in den konijnenstrik gevangen had. In dit gejank klonk een groot verlangen, bijna verwachting. Toen stierf het langzaam weg. Alles bijeengenomen, deze reuk in de sneeuw herinnerde hem aan iets, dat hij haatte en verlangde te dooden en niet aan iets, dat hij lief had. Het janken stierf weg om opnieuw plaats te maken voor dat onheilspellende gegrom.Langzaam volgde hij het pad en een kwart mijl van de hut af kwam hij bij de eerste klem. De honger had zoo bij hem huisgehouden dat zijn flanken ingevallen waren. In de eerste klem hadMc Taggartbij wijze van lokaas het achterdeel van een sneeuwschoenkonijn geplaatst. Baree ging er voorzichtig op af. Hij had veel geleerd opPierrot's vallenlijn; hij had geleerd wat het dichtknappen van een klem beteekende; hij had de wreede pijn van haar stalen kaken ondervonden; hij wist beter dan de sluwste vos, wat er gebeuren ging, wanneer een val was dichtgesprongen—en Nepeese in eigen persoon had hem geleerd, nooit een giftaas aan te raken. Daarom zette hij zacht zijn tanden in het konijnenvleesch en trok het weg, even handig alsMc Taggartzelf dit zou gedaan hebben. Hij bezocht nog vijf klemmen voor het duister inviel en at van alle vijf het lokaas op, ongedeerd. De zesde was een val. Hier bleef hij in een kring omheendraaien totdat hij een pad in de sneeuw gevormd had. Toen maakte hij zich een nachtleger in de warme balsemstruiken.Den volgenden dag had het begin van de worsteling plaats, die nu volgde tusschen het brein van mensch en dier. Voor Baree beteekende het berooven vanMc Taggart's vallenlijn geen strijd, maar het ging om zijn levensonderhoud. Zij moest hem voedsel verschaffen, zooalsPierrot's lijn hem weken lang voedsel opgeleverd had. Maar hij gevoelde zeer goed, dat hij in dit geval een wetsovertreder was en tegen een vijand moest opwerken. Als het weer goed voor de jacht was geweest zou hij misschien verder getrokken zijn, want de onzichtbare hand, die zijn zwerftochten leidde, bracht hem, langzaam maar zeker, weer terug naar den ouden bevervijver en den Grijzen Fuut. Maar op 't oogenblik, nu de diepe, zachte sneeuw onder zijn pooten lag, zoo diep, dat hij er soms tot over zijn ooren inzonk, wasMc Taggart's vallenlijn als een pad vol manna, aangelegd voor zijn bijzonder gebruik. Hij volgde het spoor van de sneeuwschoenen van den agent en doodde in de derde klem een konijn. Toen hij dit verslonden had, lag er op de sneeuw niets dan wat haren en een paar bloedplekken. Hij had een waren wolvenhonger, daar hij in dagen niets gegeten had en voor de dag ten einde was had hij twaalf vanMc Taggart's klemmen leeggeplunderd. Driemaal kwam hij aan giftaas,—kariboevet, waarin een dosis strychnine verborgen was en telkens ontdekte zijn gevoelige neus het gevaar.Pierrothad meermalen het verwonderlijke feit opgemerkt, dat Baree de aanwezigheid van vergif ontdekte, zelfs al was dit nog zoo handig verstopt in het bevroren karkas van een hert. Vossen en wolven aten van vleesch, waarvan zijn bovenmate gevoelige zintuigen hem oogenblikkelijk zeiden, dat het vergiftigd was. Dus ging hijMc Taggart's vergiftige lekkernijtjes voorbij, ze besnuffelend en degeschiedenisvan zijn achterdocht achterlatend in zijn voetsporen. WaarMc Taggarthalt had gehouden om tegen den middag zijn maal te koken, had Baree diezelfde voorzichtige cirkelpassen beschreven.Den tweeden dag, toen hij minder hongerig was en des teontvankelijker voor den gehaten reuk van zijn vijand, at Baree minder, maar stuurde den boel des te erger in de war.Mc Taggartwas er niet zoo knap in alsPierrot, den reuk van zijn handen af te houden van zijn klemmen en vallen en telkens drong Baree die reuk sterk in den neus. Dit bracht bij Baree een heftigen hartstocht te weeg, een steeds aangroeienden haat, terwijl hij een paar dagen tevoren dien haat al bijna vergeten was. Er gaat wellicht in het brein van het dier een berekeningsproces om, dat iets heeft van redeneering, het is dit niet geheel en al, maar toch ook niet zuiver instinkt te noemen. Baree telde niet twee en twee bij elkander op, om vier als slotsom te krijgen, hij ging niet stap voor stap terug om zichzelf te bewijzen, dat de man, aan wien deze vallenlijn toebehoorde, de oorzaak was van al zijn verdriet en moeilijkheden—maar met dat al werd hij bezeten door een hartgrondigen haat jegens hem.Mc Taggartwas het eenige schepsel, buiten de wolven dan, dat hij ooit gehaat had.Mc Taggarthad hem gepijnigd, hij hadPierrotgedood, door hem was hij zijn geliefde Nepeese kwijt geraakt—enMc Taggartwas op deze vallenlijn!Als hij tevoren gedwaald had zonder einddoel of bestemming, nu had hij een roeping gevonden. Deze was, de vallen achtereenvolgens na te gaan, om zich met den inhoud ervan te voeden. En bovendien onder de hand zijn haat te kunnen luchten.Den tweeden dag trof hij midden op een meer een dooden wolf aan, die gestorven was door het eten van giftaas. Een half uur lang mishandelde hij het beest, tot er van diens huid niets dan reepen over waren. Hij raakte zijn vleesch echter niet aan. Het was weerzinwekkend voor hem.Maar het was zijn wraakneming op het wolvengebroed. Hij bleef stilstaan op een half dozijn mijlen vanLac Bainen keerde terug. Op deze plek namelijk kruiste het pad een bevroren stroompje, waarachter zich een vlakte uitstrekte en over die vlakte kwamen—als de wind in die richting was—de rook en de reuk vanLac Bain. Den tweeden nacht lag Baree met eenvolle maag in een boschje pijnboomen; den derden dag trok hij weer westwaarts, de vallenlijn langs.Dezen morgen vertrokBush Mc Taggartin de vroegte om zijn vangst te gaan inzamelen en toen hij het stroompje overstak, op zes mijlen afstands vanLac Bain, zag hij voor het eerst Baree's sporen. Hij bleef staan om ze te onderzoeken met een plotselinge en ongewone belangstelling, viel eindelijk op de knieën, stroopte den handschoen af van zijn rechterhand en raapte een enkel haar op.„De zwarte wolf!”Hij sprak deze woorden uit op een zonderlingen harden toon en onwillekeurig werden zijn oogen getrokken in de richting van den Grijzen Fuut. Daarna bekeek hij nog zorgvuldiger een der sporen in de sneeuw. Toen hij opstond, droeg zijn gelaat de uitdrukking van iemand die een onplezierige ontdekking gedaan heeft.„Een zwarte wolf!” herhaalde hij en trok de schouders op. „Bah!Lerueis niet wijs. Het is een hond.” En na een oogenblik voegde hij er bij, nauwelijks luider dan een gefluister: „Haar hond.”Hij reisde verder, het spoor van den hond volgend. Een nieuwe opwinding maakte zich van hem meester, die niet alleen de opwinding van de jacht was. Daar hij een mensch was, genoot hij het voorrecht, twee en twee bij elkander te kunnen optellen en de samenvoeging van die twee en twee was—Baree. Hij twijfelde maar weinig. De gedachte er aan was dadelijk bij hem opgekomen, toenLerueover den zwarten wolf gepraat had. Hij was er van overtuigd, nu hij de voetsporen gezien had. Het waren de indrukken van een hond en die hond was zwart. Toen kwam hij bij de eerste klem, die van haar lokaas beroofd was.Hij vloekte binnensmonds. Het aas was verdwenen en de klem niet dichtgesprongen. De gepunte stok, waarmee het aas was vastgezet, was er keurig uitgetrokken.Den heelen dag lang volgdeMc Taggartden weg waarlangs Baree gegaan was. Klem na klem trof hij ledig aan. Ophet meer zag hij den mishandelden wolf liggen. Zijn ontstemming na de eerste ontdekking van Baree's tegenwoordigheid veranderde langzamerhand in woede en deze woede steeg, naarmate de dag vorderde. Hij was niet onbekend met de viervoetige beroovers van de vallenlijn, maar gewoonlijk plunderde een wolf of een vos of een hond, die handig geworden was in deze dieverij, slechts een aantal klemmen. Maar in dit geval was Baree van klem tot klem getrokken en zijn sporen in de sneeuw toonden aan, dat hij bij alle was blijven staan. Hij was, zoo kwam hetMc Taggartvoor, met een bijna menschlijke duivelachtigheid te werk gegaan. Hij ontweek alle vergif. Geen enkele maal was hij met kop of poot op de plekken gekomen waar het gevaar was. Oogenschijnlijk om geen enkele reden had hij een prachtigen wezel totaal verminkt, wiens glanzende pels nu in waardelooze vodjes over de sneeuw verspreid lag. 's Middags bereikteMc Taggarteen val, waarin een lynx gedood was. Baree had de zilverige flanken van dit dier met zijn tanden opengereten totdat de vacht niet meer de helft van hare waarde had.Mc Taggartvloekte hardop en zijn adem was heet.Tegen de schemering bereikte hij het hutje, datPierre Eustachhalverwegen zijn vallenlijn had opgetrokken en nam een overzicht van de opbrengst van zijn pelswerk. Het was niet meer dan een derde deel van wat hij gewoon was; de lynx was half bedorven, de wezel eenvoudig in tweeën gerukt. Den tweeden dag vond hij nog grooter verwoesting, nog meer beroofde vallen. Hij werd als krankzinnig. Toen hij de tweede hut naderde, in den laten namiddag, waren Baree's voetsporen nog geen uur oud. Dien nacht hoorde hij den hond tot driemaal toe huilen.Den derden dag keerdeMc Taggartnog niet naarLac Bainterug, maar begon omzichtig jacht te maken op Baree. Er was tamelijk veel sneeuw gevallen en als om zijn vijand uit te tarten, had Baree in een straal van honderd meter om de hut heen, duidelijk zijn sporen gezet. Het duurde een half uur voorMc Taggartde eigenlijke richting te pakken had en hij volgde Baree twee uur lang tot aan een dicht boschje. Baree liep met den windmee. Nu en dan kreeg hij den reuk van zijn vervolger in den neus: wel tienmaal wachtte hij, totdat deze zoo dichtbij was, dat hij de takken onder zijn voeten kon hooren knappen of het metaalachtig getik van twijgen, die tegen zijn geweerloop sloegen. En toen draaide hij, met een plotselinge ingeving, dieMc Taggartopnieuw aan het vloeken bracht, in een wijden cirkel rond en keerde weer terug naar de vallenlijn. Toen de agent hier aankwam, ongeveer tegen twaalf uur 's middags, was Baree er al aan het werk geweest. Hij had een konijn gedood en opgegeten, hij had over den afstand van een mijl drie vallen leeggeplunderd en was nu weer regelrecht op weg naar den Post vanLac Bain.Den vijfden dag keerdeMc Taggartnaar zijn standplaats terug. Hij was in een kwade bui. Van de vier Franschen trof hij alleenValenceaan enValencehoorde zijn verhaal aan en hoorde hem ook naderhandMarieuitschelden. Zij kwam, wat later, in het magazijn, grootoogig en angstig, één van haar wangen zag donkerrood, waarMc Taggarthaar geslagen had. Terwijl de magazijnmeester het blikje zalm voor haar opzocht, waarmedeMc Taggartzijn maal wenschte te doen, vondValencede gelegenheid, haar zacht iets in het oor te fluisteren.„M'sieu Lerueheeft een zilvervos gevangen,” zeide hij met lichten triomf. „Hij,mon ami, heeft je lief en hij zal tegen het voorjaar een prachtige vangst gemaakt hebben—en hij zendt je deze boodschap, uit zijn hut bij het kleine zwarte Beertje zonder Staart: „Houd je gereed om te vluchten, zoodra de zachte sneeuw valt!””Mariekeek hem niet aan, maar zij had hem verstaan en haar oogen straalden zóó als sterren, toen de jonge magazijnmeester haar de zalm overreikte, dat hij na haar vertrek totValencezeide.„Zij kwijnt langzaam weg, maar zij kan toch zoo nu en dan nog wel mooi zijn,Valence!”EnValenceknikte toestemmend met een eigenaardigen glimlach.

De vallenlijn vanPierre Eustachliep dertig mijlen vlak westwaarts vanLac Bain. Zij was niet zoo lang als die vanPierrotgeweest was, maar zij geleek de hartslagader, die door het hart van een rijk pelterij-terrein liep. Zij had aanPierre Eustach's vader toebehoord, en aan zijn grootvader en aan zijn overgrootvader en vóór dien tijd had zij, naarPierrebeweerde, reeds aan een der oudste, edelste geslachten van Frankrijk toebehoord. De boeken opMc Taggart's Post gingen niet verder terug dan tot den overgrootvader, daar de oudere bezit-bewijzen teChurchillberustten. Het was het mooiste wild-terrein tusschen Rendierland en het Onvruchtbare Land. In December kwam Baree hier aan.

Opnieuw trok hij naar het zuiden, op een langzame manier, voedsel zoekend in de diepe sneeuw. DeKistisew kestinof Groote Storm was dezen winter vroeger gekomen dan andere jaren en een week daarna bewoog zich ternauwernood een dier. Baree begroef zich niet, zooals anderen dit deden, in de sneeuw,om te wachten tot de lucht opklaarde en zich een ijskorst vormde. Hij was groot en machtig en rusteloos. Bijna twee jaar oud, woog hij ruim tachtig pond. Zijn pooten waren breed en wolfachtig. Zijn borst en schouders geleken op die van een Malemoet en waren toch gespierd voor groote snelheid. Er was meer ruimte tusschen zijn oogen dan dat bij den wolfshond het geval is en zijn oogen waren grooter en geheel zonderwuttooi, het bloedvlies, dat den wolf kenmerkt en ook in zekeren graad den grooten hond uit het noorden. Zijn kaken waren als die van Kazan, misschien zelfs nog geweldiger. Die heele week lang, dat de storm voortduurde, trok hij voort, zonder voedsel. Vier dagen viel de sneeuw zwaar en woei er een scherpe wind, daarna kwamen drie dagen van doordringende koude, waarin elk dier in zijn warm holletje onder de sneeuw bleef. Zelfs de vogels hadden zich ingegraven. Men zou over de ruggen van kariboe's en elanden hebben kunnen loopen, zonder het te bemerken. Baree zocht een schuilplaats toen de storm het hevigst woedde, maar hij stond niet toe, dat de sneeuw op hem liggen bleef.

Elke vallenzetter, van Hudson Baai tot aan de streek der Athabasca, wist, dat de uitgehongerde pelsdieren na afloop van den Grooten Storm voedsel zouden gaan zoeken en dat er dan de meeste kans was van het heele jaar, dat de klemmen en vallen gevuld werden. Eenigen van hen trokken er den zesden dag op uit, anderen den zevenden en weer anderen den achtsten. Op den zevenden dag vertrokBush Mc TaggartnaarPierre Eustach's lijn, die voor dit seizoen de zijne was. Hij had twee dagen noodig om de klemmen op te graven en ze van de sneeuw te ontdoen, de vallen weer op te zetten en het aas weer in orde te brengen. Den derden dag was hij weer terug teLac Bain.

Juist op dezen dag kwam Baree bij de hut aan het einde vanMc Taggart's lijn.Mc Taggart's spoor was nog versch in de sneeuw rondom de hut en zoodra Baree er aan snoof, scheen elke droppel bloed hem plotseling sneller door het lichaam te jagen. Hij had misschien een halve minuut noodig om den reuk, die in zijn neusgaten drong in verband te brengen met hetgebeurde van eenigen tijd geleden, maar toen hij het gedaan had rees er een diep en onheilspellend gegrom uit zijn borst. Een tijdlang bleef hij stilstaan, als een zwarte rots te midden van de sneeuw, en keek naar de hut.

Daarna begon hij er langzaam in een kring omheen te draaien, steeds naderbij komend, totdat hij ten laatste den drempel besnuffelde. Geen geluid of reuk was er binnen, maar hij kon denoudenreuk vanMc Taggartherkennen. Toen keek hij de wildernis in, in de richting waarin de vallenlijnen terugvoerden naarLac Bain. Hij rilde, zijn spieren trokken krampachtig. Hij jankte. Er verzamelden zich allerlei voorstellingen in zijn brein—het gevecht in de hut, Nepeese, de wilde jacht door de sneeuw naar den rand van den afgrond—zelfs de herinnering, nu al zoolang geleden, aan zijn worsteling, toenMc Taggarthem in den konijnenstrik gevangen had. In dit gejank klonk een groot verlangen, bijna verwachting. Toen stierf het langzaam weg. Alles bijeengenomen, deze reuk in de sneeuw herinnerde hem aan iets, dat hij haatte en verlangde te dooden en niet aan iets, dat hij lief had. Het janken stierf weg om opnieuw plaats te maken voor dat onheilspellende gegrom.

Langzaam volgde hij het pad en een kwart mijl van de hut af kwam hij bij de eerste klem. De honger had zoo bij hem huisgehouden dat zijn flanken ingevallen waren. In de eerste klem hadMc Taggartbij wijze van lokaas het achterdeel van een sneeuwschoenkonijn geplaatst. Baree ging er voorzichtig op af. Hij had veel geleerd opPierrot's vallenlijn; hij had geleerd wat het dichtknappen van een klem beteekende; hij had de wreede pijn van haar stalen kaken ondervonden; hij wist beter dan de sluwste vos, wat er gebeuren ging, wanneer een val was dichtgesprongen—en Nepeese in eigen persoon had hem geleerd, nooit een giftaas aan te raken. Daarom zette hij zacht zijn tanden in het konijnenvleesch en trok het weg, even handig alsMc Taggartzelf dit zou gedaan hebben. Hij bezocht nog vijf klemmen voor het duister inviel en at van alle vijf het lokaas op, ongedeerd. De zesde was een val. Hier bleef hij in een kring omheendraaien totdat hij een pad in de sneeuw gevormd had. Toen maakte hij zich een nachtleger in de warme balsemstruiken.

Den volgenden dag had het begin van de worsteling plaats, die nu volgde tusschen het brein van mensch en dier. Voor Baree beteekende het berooven vanMc Taggart's vallenlijn geen strijd, maar het ging om zijn levensonderhoud. Zij moest hem voedsel verschaffen, zooalsPierrot's lijn hem weken lang voedsel opgeleverd had. Maar hij gevoelde zeer goed, dat hij in dit geval een wetsovertreder was en tegen een vijand moest opwerken. Als het weer goed voor de jacht was geweest zou hij misschien verder getrokken zijn, want de onzichtbare hand, die zijn zwerftochten leidde, bracht hem, langzaam maar zeker, weer terug naar den ouden bevervijver en den Grijzen Fuut. Maar op 't oogenblik, nu de diepe, zachte sneeuw onder zijn pooten lag, zoo diep, dat hij er soms tot over zijn ooren inzonk, wasMc Taggart's vallenlijn als een pad vol manna, aangelegd voor zijn bijzonder gebruik. Hij volgde het spoor van de sneeuwschoenen van den agent en doodde in de derde klem een konijn. Toen hij dit verslonden had, lag er op de sneeuw niets dan wat haren en een paar bloedplekken. Hij had een waren wolvenhonger, daar hij in dagen niets gegeten had en voor de dag ten einde was had hij twaalf vanMc Taggart's klemmen leeggeplunderd. Driemaal kwam hij aan giftaas,—kariboevet, waarin een dosis strychnine verborgen was en telkens ontdekte zijn gevoelige neus het gevaar.Pierrothad meermalen het verwonderlijke feit opgemerkt, dat Baree de aanwezigheid van vergif ontdekte, zelfs al was dit nog zoo handig verstopt in het bevroren karkas van een hert. Vossen en wolven aten van vleesch, waarvan zijn bovenmate gevoelige zintuigen hem oogenblikkelijk zeiden, dat het vergiftigd was. Dus ging hijMc Taggart's vergiftige lekkernijtjes voorbij, ze besnuffelend en degeschiedenisvan zijn achterdocht achterlatend in zijn voetsporen. WaarMc Taggarthalt had gehouden om tegen den middag zijn maal te koken, had Baree diezelfde voorzichtige cirkelpassen beschreven.

Den tweeden dag, toen hij minder hongerig was en des teontvankelijker voor den gehaten reuk van zijn vijand, at Baree minder, maar stuurde den boel des te erger in de war.Mc Taggartwas er niet zoo knap in alsPierrot, den reuk van zijn handen af te houden van zijn klemmen en vallen en telkens drong Baree die reuk sterk in den neus. Dit bracht bij Baree een heftigen hartstocht te weeg, een steeds aangroeienden haat, terwijl hij een paar dagen tevoren dien haat al bijna vergeten was. Er gaat wellicht in het brein van het dier een berekeningsproces om, dat iets heeft van redeneering, het is dit niet geheel en al, maar toch ook niet zuiver instinkt te noemen. Baree telde niet twee en twee bij elkander op, om vier als slotsom te krijgen, hij ging niet stap voor stap terug om zichzelf te bewijzen, dat de man, aan wien deze vallenlijn toebehoorde, de oorzaak was van al zijn verdriet en moeilijkheden—maar met dat al werd hij bezeten door een hartgrondigen haat jegens hem.Mc Taggartwas het eenige schepsel, buiten de wolven dan, dat hij ooit gehaat had.Mc Taggarthad hem gepijnigd, hij hadPierrotgedood, door hem was hij zijn geliefde Nepeese kwijt geraakt—enMc Taggartwas op deze vallenlijn!

Als hij tevoren gedwaald had zonder einddoel of bestemming, nu had hij een roeping gevonden. Deze was, de vallen achtereenvolgens na te gaan, om zich met den inhoud ervan te voeden. En bovendien onder de hand zijn haat te kunnen luchten.

Den tweeden dag trof hij midden op een meer een dooden wolf aan, die gestorven was door het eten van giftaas. Een half uur lang mishandelde hij het beest, tot er van diens huid niets dan reepen over waren. Hij raakte zijn vleesch echter niet aan. Het was weerzinwekkend voor hem.

Maar het was zijn wraakneming op het wolvengebroed. Hij bleef stilstaan op een half dozijn mijlen vanLac Bainen keerde terug. Op deze plek namelijk kruiste het pad een bevroren stroompje, waarachter zich een vlakte uitstrekte en over die vlakte kwamen—als de wind in die richting was—de rook en de reuk vanLac Bain. Den tweeden nacht lag Baree met eenvolle maag in een boschje pijnboomen; den derden dag trok hij weer westwaarts, de vallenlijn langs.

Dezen morgen vertrokBush Mc Taggartin de vroegte om zijn vangst te gaan inzamelen en toen hij het stroompje overstak, op zes mijlen afstands vanLac Bain, zag hij voor het eerst Baree's sporen. Hij bleef staan om ze te onderzoeken met een plotselinge en ongewone belangstelling, viel eindelijk op de knieën, stroopte den handschoen af van zijn rechterhand en raapte een enkel haar op.

„De zwarte wolf!”

Hij sprak deze woorden uit op een zonderlingen harden toon en onwillekeurig werden zijn oogen getrokken in de richting van den Grijzen Fuut. Daarna bekeek hij nog zorgvuldiger een der sporen in de sneeuw. Toen hij opstond, droeg zijn gelaat de uitdrukking van iemand die een onplezierige ontdekking gedaan heeft.

„Een zwarte wolf!” herhaalde hij en trok de schouders op. „Bah!Lerueis niet wijs. Het is een hond.” En na een oogenblik voegde hij er bij, nauwelijks luider dan een gefluister: „Haar hond.”

Hij reisde verder, het spoor van den hond volgend. Een nieuwe opwinding maakte zich van hem meester, die niet alleen de opwinding van de jacht was. Daar hij een mensch was, genoot hij het voorrecht, twee en twee bij elkander te kunnen optellen en de samenvoeging van die twee en twee was—Baree. Hij twijfelde maar weinig. De gedachte er aan was dadelijk bij hem opgekomen, toenLerueover den zwarten wolf gepraat had. Hij was er van overtuigd, nu hij de voetsporen gezien had. Het waren de indrukken van een hond en die hond was zwart. Toen kwam hij bij de eerste klem, die van haar lokaas beroofd was.

Hij vloekte binnensmonds. Het aas was verdwenen en de klem niet dichtgesprongen. De gepunte stok, waarmee het aas was vastgezet, was er keurig uitgetrokken.

Den heelen dag lang volgdeMc Taggartden weg waarlangs Baree gegaan was. Klem na klem trof hij ledig aan. Ophet meer zag hij den mishandelden wolf liggen. Zijn ontstemming na de eerste ontdekking van Baree's tegenwoordigheid veranderde langzamerhand in woede en deze woede steeg, naarmate de dag vorderde. Hij was niet onbekend met de viervoetige beroovers van de vallenlijn, maar gewoonlijk plunderde een wolf of een vos of een hond, die handig geworden was in deze dieverij, slechts een aantal klemmen. Maar in dit geval was Baree van klem tot klem getrokken en zijn sporen in de sneeuw toonden aan, dat hij bij alle was blijven staan. Hij was, zoo kwam hetMc Taggartvoor, met een bijna menschlijke duivelachtigheid te werk gegaan. Hij ontweek alle vergif. Geen enkele maal was hij met kop of poot op de plekken gekomen waar het gevaar was. Oogenschijnlijk om geen enkele reden had hij een prachtigen wezel totaal verminkt, wiens glanzende pels nu in waardelooze vodjes over de sneeuw verspreid lag. 's Middags bereikteMc Taggarteen val, waarin een lynx gedood was. Baree had de zilverige flanken van dit dier met zijn tanden opengereten totdat de vacht niet meer de helft van hare waarde had.Mc Taggartvloekte hardop en zijn adem was heet.

Tegen de schemering bereikte hij het hutje, datPierre Eustachhalverwegen zijn vallenlijn had opgetrokken en nam een overzicht van de opbrengst van zijn pelswerk. Het was niet meer dan een derde deel van wat hij gewoon was; de lynx was half bedorven, de wezel eenvoudig in tweeën gerukt. Den tweeden dag vond hij nog grooter verwoesting, nog meer beroofde vallen. Hij werd als krankzinnig. Toen hij de tweede hut naderde, in den laten namiddag, waren Baree's voetsporen nog geen uur oud. Dien nacht hoorde hij den hond tot driemaal toe huilen.

Den derden dag keerdeMc Taggartnog niet naarLac Bainterug, maar begon omzichtig jacht te maken op Baree. Er was tamelijk veel sneeuw gevallen en als om zijn vijand uit te tarten, had Baree in een straal van honderd meter om de hut heen, duidelijk zijn sporen gezet. Het duurde een half uur voorMc Taggartde eigenlijke richting te pakken had en hij volgde Baree twee uur lang tot aan een dicht boschje. Baree liep met den windmee. Nu en dan kreeg hij den reuk van zijn vervolger in den neus: wel tienmaal wachtte hij, totdat deze zoo dichtbij was, dat hij de takken onder zijn voeten kon hooren knappen of het metaalachtig getik van twijgen, die tegen zijn geweerloop sloegen. En toen draaide hij, met een plotselinge ingeving, dieMc Taggartopnieuw aan het vloeken bracht, in een wijden cirkel rond en keerde weer terug naar de vallenlijn. Toen de agent hier aankwam, ongeveer tegen twaalf uur 's middags, was Baree er al aan het werk geweest. Hij had een konijn gedood en opgegeten, hij had over den afstand van een mijl drie vallen leeggeplunderd en was nu weer regelrecht op weg naar den Post vanLac Bain.

Den vijfden dag keerdeMc Taggartnaar zijn standplaats terug. Hij was in een kwade bui. Van de vier Franschen trof hij alleenValenceaan enValencehoorde zijn verhaal aan en hoorde hem ook naderhandMarieuitschelden. Zij kwam, wat later, in het magazijn, grootoogig en angstig, één van haar wangen zag donkerrood, waarMc Taggarthaar geslagen had. Terwijl de magazijnmeester het blikje zalm voor haar opzocht, waarmedeMc Taggartzijn maal wenschte te doen, vondValencede gelegenheid, haar zacht iets in het oor te fluisteren.

„M'sieu Lerueheeft een zilvervos gevangen,” zeide hij met lichten triomf. „Hij,mon ami, heeft je lief en hij zal tegen het voorjaar een prachtige vangst gemaakt hebben—en hij zendt je deze boodschap, uit zijn hut bij het kleine zwarte Beertje zonder Staart: „Houd je gereed om te vluchten, zoodra de zachte sneeuw valt!””

Mariekeek hem niet aan, maar zij had hem verstaan en haar oogen straalden zóó als sterren, toen de jonge magazijnmeester haar de zalm overreikte, dat hij na haar vertrek totValencezeide.

„Zij kwijnt langzaam weg, maar zij kan toch zoo nu en dan nog wel mooi zijn,Valence!”

EnValenceknikte toestemmend met een eigenaardigen glimlach.

XXV.Baree maakt hetMc Taggartlastig.Tegen het midden van Januari was de strijd tusschen Baree enBush Mc Taggartmeer dan een voorval geworden—meer dan een voorbijgaand avontuur voor het dier en meer dan een ergerniswekkende gebeurtenis voor den man. Hij maakte voorloopig eenvoudig de reden van hun bestaan uit. Baree bleef steeds in den omtrek van de vallenlijn. Hij bezocht haar steeds alsof hij een ronddwalende geest was en iederen keer, dat hij opnieuw den reuk van den agent vanLac Bainopsnoof, voelde hij te sterker, dat hij zich op zijn doodsvijand wreekte. Telkens opnieuw verschalkte hijMc Taggart; hij ging er mee voort, de klemmen en vallen van hun lokaas te berooven; de stemming om te verwoesten verergerde, telkens als hij bij een pelsdier kwam; zijn grootste genoegen lag niet in het verslinden van het aas, maar in het verwoesten er van. Het vuur van zijn haat vlamde steeds hooger op, tot hij ten laatste tegen de sneeuw begon te grauwen en er in te bijten, wanneerMc Taggarter overheen geloopen had. En al dien tijd had hij, onafhankelijk van deze razernij, een visioen van Nepeese, dat hoe langer hoe duidelijker scheen te worden.Die groote eenzaamheid—die eenzaamheid gedurende de lange dagen en nog langere nachten, toen hij wachtte en zocht in den omtrek van den Grijzen Fuut, drukte hem weer, zooals zij hem gedrukt had in de eerste dagen na haar verlies. In sterren- en maannachten zond hij opnieuw zijn jammerkreten voor haar de lucht in en er liepBush Mc Taggart, wanneer hij deze hoorde, een vreemde huivering over den rug.De haat van den man verschilde van dien van het dier, maar was misschien nog onverzoenlijker. BijMc Taggartwas het niet alleen haat. Er was een onbeschrijfelijke en bijgeloovige vrees in gemengd, waarom hij lachte en waarover hij vloekte, maar die hem bijbleef, even zeker als de reuk van zijn eigen voetspoor inBaree's neusgaten drong. Het was Baree niet alleen, waarmee hij te maken had, maarBaree nam het voor Nepeese op bovendien. Deze gedachte zette zich steeds meer bijMc Taggartvast. Er ging nooit een dag voorbij, waarin hij niet aan de Wilg dacht, nooit kwam en verstreek er een nacht, waarin hij haar gelaat niet duidelijk voor zich zag. Hij verbeeldde zich zelfs, op een stormachtigen nacht, dat hij haar stem hoorde in het geweeklaag van den wind—nauwelijks een minuut later hoorde hij flauwtjes een gehuil in het bosch. Dien nacht was zijn hart vervuld met een loodzware vrees. Hij trachtte haar van zich af te zetten. Hij rookte pijpen, totdat de kamer in zijn hut in een blauwen nevel gehuld was. Hij schold op Baree en den storm, maar hij bezat den overbluffenden moed van vroeger niet meer. Hij had niet opgehouden Baree te haten—hij haatte hem nog steeds, heviger dan hij ooit een mensch gehaat had—maar hij had nu een nog grooter reden, hem dood te wenschen. Eerst kwam zij tot hem in den slaap, in een onrustigen droom en daarna leefde de gedachte voor hem, leefde de gedachte,dat Nepeese's geest Baree geleidde bij het verwoesten van zijn vallenlijn!Na een poosje praatte hij niet meer op den Post over den zwarten wolf, die zijn gebied plunderde. Het pelswerk, door Baree's tanden beschadigd, hield hij apart en hij bewaarde zijn geheim. Hij leerde elke list en uitvinding, die de jagers gebruikten om vossen en wolven te dooden in het Onvruchtbare Land. Hij probeerde drie verschillende vergiften, waarvan er één, zoo sterk was, dat een droppel er van den dood bracht; hij bracht strychnine aan in capsules van gelatine, in hertenvet, in kariboevet, in elandslever en zelfs in het vleesch van het stekelvarken. Ten laatste doopte hij bij het bereiden der vergiften en vóór het aanraken van het vleesch zijn handen in beverolie, zoodat er geen menschenreuk bij kon komen. Vossen, wolven, ja zelfs wezels en hermelijnen stierven er aan, maar Baree kwam er altijd dichtbij, maar toch nooit dicht genoeg. In Januari vergiftigdeMc Taggarthet aas van al zijn vallen. Dit had tenminsteéén goed resultaat voor hem. Van dien dag af raakte Baree nooit meer aan het lokaas, maar at alleen de konijnen op, die hij doodde in de klemmen. In Januari kreegMc Taggartvoor het eerst Baree te zien. Hij had zijn geweer tegen een boom geplaatst en was er juist een paar meter vandaan. Het leek wel of Baree dit wist en speciaal kwam om hem te tarten, want toen de agent onverwacht opkeek, stond Baree nog geen twintig meter van hem af, een eind buiten de dwergsparretjes; zijn witte tanden glinsterden en zijn oogen brandden als kolen vuur. Even bleefMc Taggartnaar hem staren of hij versteend was. Het was Baree wel degelijk. Hij herkende de witte ster, het witgevlekte oor en zijn hart bonsde in zijn borst als een hamer. Heel langzaam begon hij naar zijn geweer toe te kruipen. Hij strekte er de hand naar uit, toen Baree verdween, snel als het weerlicht.Dit brachtMc Taggartop een nieuw denkbeeld. Hij baande zich een anderen weg door het bosch, die evenwijdig liep met zijn vallenlijn, maar op ten minste vijfhonderd meter afstand. Maar overal waar hij een klem of val had uitgezet maakte dit tweede pad een scherpen hoek, zooals de punt van een V, zoodat hij de oude vallenlijn onopgemerkt kon bereiken. Door deze list geloofde hij, dat hij den een of anderen dag den hond onder schot zou kunnen krijgen. Het was de man, die redeneerde, en de man, die verslagen werd. Den eersten dag datMc Taggartdit nieuwe pad volgde, deed Baree het eveneens. Eerst begreep hij niet, wat dit te beteekenen had. Driemaal maakte hij een verbindingspad tusschen de oude en de nieuwe lijn. Daarna weifelde hij niet langer. Het nieuwe pad was het laatst beloopen en hij volgde de voetstappen van den agent vanLac Bain.Mc Taggartvermoedde niet wat er gebeurde voor hij terugkeerde en het in de sneeuw aangetoond zag. Baree had een bezoek gebracht aan elke klem en zonder uitzondering was hij elken keer genaderd langs de omgekeerde V. Na een week van nutteloos achternajagen, van op wacht liggen, van besluipen uit iedere richting—gedurende welk tijdsverloopMcTaggartzich bijna razend gevloekt had, kreeg hij weer een ander plan. Het was een ingeving, dit laatsteplan, en zóó eenvoudig, dat het onbegrijpelijk was, dat hij er niet vroeger aan gedacht had.Twee dagen later wasMc Taggartweer terug, bij het aanbreken van den dag. Ditmaal droeg hij een pak, waarin een half dozijn stevige wolfsklemmen zaten, pas in beverolie gedoopt, en een konijn, dat hij den vorigen nacht gestrikt had. Nu en dan keek hij angstig naar de lucht. Deze bleef helder tot in den laten namiddag, toen donkere wolkenbanken uit het oosten kwamen aandrijven. Een half uur later begonnen er een paar sneeuwvlokken te vallen.Mc Taggartliet er een op zijn want vallen en bekeek haar nauwkeurig. Zij was zacht en donzig en hij gaf uiting aan zijn voldoening. Het was juist wat hij verlangde. Vóór den volgenden morgen zou er een decimeter sneeuw liggen en alles bedekken. Hij bleef staan bij de eerste val en ging snel aan het werk. Eerst wierp hij het vergiftigde lokaas weg en verving het door het konijn. Toen begon hij zijn wolfsklemmen uit te zetten. Drie er van plaatste hij vlak bij het deurtje van de val, waardoor Baree zijn kop zou moeten steken om het aas te bereiken. De overblijvende negen verspreidde hij op afstanden van een voet ongeveer, zoodat, toen hij klaar was, een heele linie van klemmen de val omringde. Hij maakte de kettingen niet vast, maar liet ze los in de sneeuw liggen. Als Baree in de eene klem kwam, raakte hij vanzelf in de volgende en hij behoefde haar dus niet eens vast te leggen. Nadat hij zijn werk afgedaan had, haastteMc Taggartzich door de zich verdichtende schemering naar zijn hutje terug. Hij was buitengewoon in zijn schik. Ditmaal kon er geen sprake zijn van een mislukking. Hij had elke klem over zijn heelen weg naarLac Baindicht laten springen en Baree zou nergens iets vinden om te eten voordat hij den „kring” der wolfsklemmen bereikte.Dien nacht vier er veel sneeuw en de heele wereld scheen in een prachtig wit gewaad gehuld. De sneeuw hing als golven van veeren aan de boomen en struiken; zij gaf hooge witte mutsen aan de rotsen en zij was zoo week onder de voeten, dat een patroon, die men uit de hand liet vallen, er in wegzonk tot opden grond. Baree was al vroeg op de vallenlijn. Hij was voorzichtiger, dezen morgen, want de reuk vanMc Taggart's sneeuwschoenspoor was er niet, om hem den weg te wijzen. Hij bereikte de eerste klem ongeveer halfwegLac Bainen het hutje, waarin de agent in afwachting gebleven was. Zij was dichtgesprongen en er zat niets in. Klem na klem zocht hij op en alle zaten dicht en waren zonder lokaas. Hij snoof argwanend de lucht in, te vergeefs trachtend rook of menschenlucht te ontdekken. Tegen den middag naderde hij den „klemmenkring”—de twaalf verraderlijke klemmen, die met gapende kaken op hem wachtten, een halven voet diep onder de sneeuw. Een volle minuut lang bleef hij staan, buiten het gevaarlijke terrein, snuivend en luisterend. Hij zag het konijn en zijn kaken klapten hongerig dicht. Hij kwam een stap dichterbij. Nog steeds was hij achterdochtig—om de een of andere onverklaarbare reden vermoedde hij gevaar. Gretig zocht hij er naar, met oogen, neus en ooren. En rondom heerschte groote stilte en vredigheid. Zijn kaken klapten opnieuw op elkaar. Hij jankte zacht. Wat verontrustte hem toch? Waar was dan het gevaar, dat hij zien noch ruiken kon? Langzaam cirkelde hij om de val heen, driemaal, en bij elken cirkel, dien hij beschreef, kwam hij wat dichterbij—totdat zijn pooten bijna de uiterste klemmenlinie aanraakten. Nog even bleef hij stilstaan, ondanks den heerlijken geur van het konijn in zijn neusgaten, trok er hem iets vandaan. Bijna was hij er vandoor gegaan, maar plotseling kwam er vlak van achter de val een heftig rat-achtig gepiep en het volgende oogenblik zag Baree een hermelijn, nog witter dan de sneeuw, dat hongerig aan het konijnevleesch rukte. Hij vergat dat zonderlinge voorgevoel van gevaar. Hij gromde woedend, maar zijn moedige kleine mededinger liet zijn buit niet los.En toen sprong hij middenin den vallenkring, dienBush Mc Taggartvoor hem aangelegd had.

Tegen het midden van Januari was de strijd tusschen Baree enBush Mc Taggartmeer dan een voorval geworden—meer dan een voorbijgaand avontuur voor het dier en meer dan een ergerniswekkende gebeurtenis voor den man. Hij maakte voorloopig eenvoudig de reden van hun bestaan uit. Baree bleef steeds in den omtrek van de vallenlijn. Hij bezocht haar steeds alsof hij een ronddwalende geest was en iederen keer, dat hij opnieuw den reuk van den agent vanLac Bainopsnoof, voelde hij te sterker, dat hij zich op zijn doodsvijand wreekte. Telkens opnieuw verschalkte hijMc Taggart; hij ging er mee voort, de klemmen en vallen van hun lokaas te berooven; de stemming om te verwoesten verergerde, telkens als hij bij een pelsdier kwam; zijn grootste genoegen lag niet in het verslinden van het aas, maar in het verwoesten er van. Het vuur van zijn haat vlamde steeds hooger op, tot hij ten laatste tegen de sneeuw begon te grauwen en er in te bijten, wanneerMc Taggarter overheen geloopen had. En al dien tijd had hij, onafhankelijk van deze razernij, een visioen van Nepeese, dat hoe langer hoe duidelijker scheen te worden.

Die groote eenzaamheid—die eenzaamheid gedurende de lange dagen en nog langere nachten, toen hij wachtte en zocht in den omtrek van den Grijzen Fuut, drukte hem weer, zooals zij hem gedrukt had in de eerste dagen na haar verlies. In sterren- en maannachten zond hij opnieuw zijn jammerkreten voor haar de lucht in en er liepBush Mc Taggart, wanneer hij deze hoorde, een vreemde huivering over den rug.

De haat van den man verschilde van dien van het dier, maar was misschien nog onverzoenlijker. BijMc Taggartwas het niet alleen haat. Er was een onbeschrijfelijke en bijgeloovige vrees in gemengd, waarom hij lachte en waarover hij vloekte, maar die hem bijbleef, even zeker als de reuk van zijn eigen voetspoor inBaree's neusgaten drong. Het was Baree niet alleen, waarmee hij te maken had, maarBaree nam het voor Nepeese op bovendien. Deze gedachte zette zich steeds meer bijMc Taggartvast. Er ging nooit een dag voorbij, waarin hij niet aan de Wilg dacht, nooit kwam en verstreek er een nacht, waarin hij haar gelaat niet duidelijk voor zich zag. Hij verbeeldde zich zelfs, op een stormachtigen nacht, dat hij haar stem hoorde in het geweeklaag van den wind—nauwelijks een minuut later hoorde hij flauwtjes een gehuil in het bosch. Dien nacht was zijn hart vervuld met een loodzware vrees. Hij trachtte haar van zich af te zetten. Hij rookte pijpen, totdat de kamer in zijn hut in een blauwen nevel gehuld was. Hij schold op Baree en den storm, maar hij bezat den overbluffenden moed van vroeger niet meer. Hij had niet opgehouden Baree te haten—hij haatte hem nog steeds, heviger dan hij ooit een mensch gehaat had—maar hij had nu een nog grooter reden, hem dood te wenschen. Eerst kwam zij tot hem in den slaap, in een onrustigen droom en daarna leefde de gedachte voor hem, leefde de gedachte,dat Nepeese's geest Baree geleidde bij het verwoesten van zijn vallenlijn!

Na een poosje praatte hij niet meer op den Post over den zwarten wolf, die zijn gebied plunderde. Het pelswerk, door Baree's tanden beschadigd, hield hij apart en hij bewaarde zijn geheim. Hij leerde elke list en uitvinding, die de jagers gebruikten om vossen en wolven te dooden in het Onvruchtbare Land. Hij probeerde drie verschillende vergiften, waarvan er één, zoo sterk was, dat een droppel er van den dood bracht; hij bracht strychnine aan in capsules van gelatine, in hertenvet, in kariboevet, in elandslever en zelfs in het vleesch van het stekelvarken. Ten laatste doopte hij bij het bereiden der vergiften en vóór het aanraken van het vleesch zijn handen in beverolie, zoodat er geen menschenreuk bij kon komen. Vossen, wolven, ja zelfs wezels en hermelijnen stierven er aan, maar Baree kwam er altijd dichtbij, maar toch nooit dicht genoeg. In Januari vergiftigdeMc Taggarthet aas van al zijn vallen. Dit had tenminsteéén goed resultaat voor hem. Van dien dag af raakte Baree nooit meer aan het lokaas, maar at alleen de konijnen op, die hij doodde in de klemmen. In Januari kreegMc Taggartvoor het eerst Baree te zien. Hij had zijn geweer tegen een boom geplaatst en was er juist een paar meter vandaan. Het leek wel of Baree dit wist en speciaal kwam om hem te tarten, want toen de agent onverwacht opkeek, stond Baree nog geen twintig meter van hem af, een eind buiten de dwergsparretjes; zijn witte tanden glinsterden en zijn oogen brandden als kolen vuur. Even bleefMc Taggartnaar hem staren of hij versteend was. Het was Baree wel degelijk. Hij herkende de witte ster, het witgevlekte oor en zijn hart bonsde in zijn borst als een hamer. Heel langzaam begon hij naar zijn geweer toe te kruipen. Hij strekte er de hand naar uit, toen Baree verdween, snel als het weerlicht.

Dit brachtMc Taggartop een nieuw denkbeeld. Hij baande zich een anderen weg door het bosch, die evenwijdig liep met zijn vallenlijn, maar op ten minste vijfhonderd meter afstand. Maar overal waar hij een klem of val had uitgezet maakte dit tweede pad een scherpen hoek, zooals de punt van een V, zoodat hij de oude vallenlijn onopgemerkt kon bereiken. Door deze list geloofde hij, dat hij den een of anderen dag den hond onder schot zou kunnen krijgen. Het was de man, die redeneerde, en de man, die verslagen werd. Den eersten dag datMc Taggartdit nieuwe pad volgde, deed Baree het eveneens. Eerst begreep hij niet, wat dit te beteekenen had. Driemaal maakte hij een verbindingspad tusschen de oude en de nieuwe lijn. Daarna weifelde hij niet langer. Het nieuwe pad was het laatst beloopen en hij volgde de voetstappen van den agent vanLac Bain.Mc Taggartvermoedde niet wat er gebeurde voor hij terugkeerde en het in de sneeuw aangetoond zag. Baree had een bezoek gebracht aan elke klem en zonder uitzondering was hij elken keer genaderd langs de omgekeerde V. Na een week van nutteloos achternajagen, van op wacht liggen, van besluipen uit iedere richting—gedurende welk tijdsverloopMcTaggartzich bijna razend gevloekt had, kreeg hij weer een ander plan. Het was een ingeving, dit laatsteplan, en zóó eenvoudig, dat het onbegrijpelijk was, dat hij er niet vroeger aan gedacht had.

Twee dagen later wasMc Taggartweer terug, bij het aanbreken van den dag. Ditmaal droeg hij een pak, waarin een half dozijn stevige wolfsklemmen zaten, pas in beverolie gedoopt, en een konijn, dat hij den vorigen nacht gestrikt had. Nu en dan keek hij angstig naar de lucht. Deze bleef helder tot in den laten namiddag, toen donkere wolkenbanken uit het oosten kwamen aandrijven. Een half uur later begonnen er een paar sneeuwvlokken te vallen.Mc Taggartliet er een op zijn want vallen en bekeek haar nauwkeurig. Zij was zacht en donzig en hij gaf uiting aan zijn voldoening. Het was juist wat hij verlangde. Vóór den volgenden morgen zou er een decimeter sneeuw liggen en alles bedekken. Hij bleef staan bij de eerste val en ging snel aan het werk. Eerst wierp hij het vergiftigde lokaas weg en verving het door het konijn. Toen begon hij zijn wolfsklemmen uit te zetten. Drie er van plaatste hij vlak bij het deurtje van de val, waardoor Baree zijn kop zou moeten steken om het aas te bereiken. De overblijvende negen verspreidde hij op afstanden van een voet ongeveer, zoodat, toen hij klaar was, een heele linie van klemmen de val omringde. Hij maakte de kettingen niet vast, maar liet ze los in de sneeuw liggen. Als Baree in de eene klem kwam, raakte hij vanzelf in de volgende en hij behoefde haar dus niet eens vast te leggen. Nadat hij zijn werk afgedaan had, haastteMc Taggartzich door de zich verdichtende schemering naar zijn hutje terug. Hij was buitengewoon in zijn schik. Ditmaal kon er geen sprake zijn van een mislukking. Hij had elke klem over zijn heelen weg naarLac Baindicht laten springen en Baree zou nergens iets vinden om te eten voordat hij den „kring” der wolfsklemmen bereikte.

Dien nacht vier er veel sneeuw en de heele wereld scheen in een prachtig wit gewaad gehuld. De sneeuw hing als golven van veeren aan de boomen en struiken; zij gaf hooge witte mutsen aan de rotsen en zij was zoo week onder de voeten, dat een patroon, die men uit de hand liet vallen, er in wegzonk tot opden grond. Baree was al vroeg op de vallenlijn. Hij was voorzichtiger, dezen morgen, want de reuk vanMc Taggart's sneeuwschoenspoor was er niet, om hem den weg te wijzen. Hij bereikte de eerste klem ongeveer halfwegLac Bainen het hutje, waarin de agent in afwachting gebleven was. Zij was dichtgesprongen en er zat niets in. Klem na klem zocht hij op en alle zaten dicht en waren zonder lokaas. Hij snoof argwanend de lucht in, te vergeefs trachtend rook of menschenlucht te ontdekken. Tegen den middag naderde hij den „klemmenkring”—de twaalf verraderlijke klemmen, die met gapende kaken op hem wachtten, een halven voet diep onder de sneeuw. Een volle minuut lang bleef hij staan, buiten het gevaarlijke terrein, snuivend en luisterend. Hij zag het konijn en zijn kaken klapten hongerig dicht. Hij kwam een stap dichterbij. Nog steeds was hij achterdochtig—om de een of andere onverklaarbare reden vermoedde hij gevaar. Gretig zocht hij er naar, met oogen, neus en ooren. En rondom heerschte groote stilte en vredigheid. Zijn kaken klapten opnieuw op elkaar. Hij jankte zacht. Wat verontrustte hem toch? Waar was dan het gevaar, dat hij zien noch ruiken kon? Langzaam cirkelde hij om de val heen, driemaal, en bij elken cirkel, dien hij beschreef, kwam hij wat dichterbij—totdat zijn pooten bijna de uiterste klemmenlinie aanraakten. Nog even bleef hij stilstaan, ondanks den heerlijken geur van het konijn in zijn neusgaten, trok er hem iets vandaan. Bijna was hij er vandoor gegaan, maar plotseling kwam er vlak van achter de val een heftig rat-achtig gepiep en het volgende oogenblik zag Baree een hermelijn, nog witter dan de sneeuw, dat hongerig aan het konijnevleesch rukte. Hij vergat dat zonderlinge voorgevoel van gevaar. Hij gromde woedend, maar zijn moedige kleine mededinger liet zijn buit niet los.

En toen sprong hij middenin den vallenkring, dienBush Mc Taggartvoor hem aangelegd had.

XXVI.Mc Taggart's triomf.Den volgenden morgen hoordeBush Mc Taggarteen gerammel van kettingen, toen hij nog wel een kwart mijl van den vallenkring verwijderd was. Was het een lynx? Was het een marter? Was het een wolf of een vos?Of was het Baree?Hij legde den overigen afstand rennend af en toen hij eindelijk op een punt kwam, vanwaar hij zien kon, sprong zijn hart op van blijdschap, toen hij bemerkte, dat hij zijn vijand gevangen had. Hij kwam naderbij, zijn geweer gereed houdend om te vuren, voor het geval de hond zich mocht weten te bevrijden.Baree lag op zijn zijde, hijgend van uitputting en rillend van pijn. Een heesche kreet van vreugde ontsnapteMc Taggart's lippen, toen hij dichterbij kwam en naar de sneeuw keek. Zij lag stijf vastgetrapt om den val heen, waar Baree had liggen worstelen, en zag rood van bloed. Het bloed was meerendeels uit Baree's bek gevloeid. Die droop er nog van, terwijl hij zijn vijand aangluurde. De stalen kaken hadden hun onbarmhartig werk goed verricht, verborgen onder de sneeuw. Een van zijn voorpooten was stevig vastgekneld, tot aan het eerste gewricht toe, zijn beide achterpooten zaten eveneens gevangen; een vierde klem had zich om een zijner flanken gesloten en in zijn worsteling om zich ervan te bevrijden had een stuk huid losgelaten ter grootte vanMc Taggart's halve hand. De sneeuw deed het verhaal van zijn wanhopigen strijd den heelen nacht lang; zijn bloedende kaken toonden hoe hij te vergeefs getracht had zich met zijn tanden van het omklemmende staal te ontdoen. Hij hijgde naar adem. Zijn oogen waren met bloed doorloopen. Maar zelfs nu, na al deze uren van ellende, was zijn moed, noch geestkracht gebroken. Toen hijMc Taggartzag, probeerde hij met een ruk overeind te komen, maar viel bijna oogenblikkelijk weer in de sneeuw neer. Maar hij zette zijn voorpooten schrap. Hij hield kop en borst op en de grauw, dien hij voortbracht, was tijgerachtig in zijn woestheid.Hier stond nu eindelijk en ten laatste, niet meer dan een paar meter van hem af, het eenige wezen in de heele wereld, dat hij heftiger haatte dan het wolvengebroed. En weer was hij hulpeloos, zooals hij indertijd hulpeloos was geweest in den konijnenstrik.De woestheid van zijn grauwen wekte ditmaal geen angst bijBush Mc Taggart. Hij zag dat de ander volkomen aan zijn genade was overgeleverd en met een lach van voldoening zette hij zijn geweer tegen den boom aan, trok zijn wanten uit en begon zijn pijp te stoppen. Dit was de triomf, waarnaar hij verlangd had, de marteling, waarnaar hij had uitgezien. Er was een haat in zijn ziel, even doodelijk als die van Baree, de haat dien een man kon voeden tegenover een anderen man. Hij had zich eerst voorgenomen, den hond een kogel door den kop te jagen. Maar dit was nog beter—hem langzamerhand te zien sterven, hem te kwellen zooals hij een menschelijk wezen gekweld zou hebben, om hem heen te loopen, zoodat hij het gerammel van den ketting hoorde en het versche bloed te zien vloeien als Baree zijn gemarteld lijf en ledematen wrong om hem met de oogen te kunnen blijven volgen. Het was een schitterende wraakneming. Hij was er zoo in verdiept, dat hij de nadering van sneeuwschoenen achter zich niet hoorde. Het was een stem, een mannenstem, die hem plotseling deed omkijken.De man was een vreemdeling en wel tien jaar jonger danMc Taggart. Ten minste, hij zag er niet ouder uit dan vijf- of zes-en-dertig, ondanks zijn blonden, kortgeknipten baard. Hij had een voorkomen, dat in het algemeen iedereen aangenaam moest aandoen; hij had iets jongensachtigs en was toch volkomen een man; met heldere oogen keek hij vrij onder den rand van zijn bonten muts uit, zijn lichaam was lenig als dat van een Indiaan en zijn gelaat droeg niet de harde lijnen, in de wildernis opgedaan. Toch wistMc Taggart, nog vóór hij gesproken had, dat deze man in de wildernis thuis hoorde, dat hij er met hart en ziel deel van uitmaakte. Zijn muts was van marterbont. Hij droeg een jas, tegen weer en wind bestand, van zacht gelooid kariboeleer,om het middel opgehouden door een lange ceintuur, op Indiaansche manier met franje versierd. Zijn jas was met bont gevoerd. Hij droeg een broek van zwarte stof, zooals de inwoners van Hudson Baai dragen, en had mocassins aan. Hij reisde op lange, slanke sneeuwschoenen, speciaal gemaakt voor het houtland; zijn ransel op de schouders gebonden, was klein en stevig samengepakt en hij droeg zijn geweer in een laken overtrek. En van het hoofd tot de voeten zag hij er verreisd uit.Mc Taggartzou op den gis gezegd hebben, dat hij in de laatste paar weken wel duizend mijlen afgelegd had. Deze gedachte was het echter niet, die hem een plotselinge siddering door de leden joeg, maar de vrees, dat op geheimzinnige wijze een gefluister van de waarheid zijn weg gevonden mocht hebben, ver naar het zuiden—de ware lezing van hetgeen er voorgevallen was bij den Grijzen Fuut—en dat deze vreemdeling onder zijn kariboeleeren jas het insigne van de Koninklijke Noordwestelijke Bereden Politie droeg. Deze angst maakte zich eenige oogenblikken van hem meester en hij bleef sprakeloos staan.De vreemdeling had alleen een verbaasden uitroep geslaakt. Nu zeide hij met zijn oogen op Baree gevestigd: „God zegen' ons, u hebt dien armen drommel daar leelijk in 't nauw gebracht, niet?”Er was iets in zijn stemklank, datMc Taggartgeruststelde. Er klonk geen achterdocht in en hij kon zien, dat de vreemdeling meer belang stelde in het dier dan in hem. Hij haalde diep adem.„Een vallendief,” zeide hij.De vreemdeling bekeek Baree nog scherper. Hij stak zijn geweer ondersteboven in de sneeuw en kwam naderbij.„Hemel nog toe, het is een hond!” riep hij uit.Achter hem stondMc Taggarten keek naar hem met oogen als van een fret.„Ja, een hond,” antwoordde hij. „Een wilde hond, ten minste voor de helft wolf. Hij heeft me zeker voor duizend dollars bestolen dezen winter.”De vreemdeling hurkte bij Baree neer, zijn handen, in wantengestoken, rustten op zijn knieën en zijn witte tanden glinsterden in een halven glimlach.„Arme bliksem!” zeide hij medelijdend. „Zoo ben jij nu een vallendief? Een vogelvrij verklaarde? En—de politie heeft je te pakken gekregen? En—'t is me wat moois—ze heeft je geen mooie poets gebakken, hoor!”De vreemdeling stond op en keekMc Taggartaan.„Ik moest wel een heeleboel klemmen uitzetten om hem te vangen,” verdedigde de agent zich, een weinig blozend onder den strakken blik van de blauwe oogen van den vreemdeling. Plotseling kwam zijn verbittering weer boven. „En hij zal hier sterven. Ik zal hem hier doodpijnigen en in de klemmen laten vergaan als straf voor wat hij uitgehaald heeft.” Hij nam zijn geweer op en voegde er bij, met zijn oogen op den vreemdeling gevestigd en zijn vinger aan den trekker: „Ik benBush Mc Taggart, de agent vanLac Bain. Trekt u dezen weg langs,m'sieu?”„Een paar mijl nog maar. Ik trek door naar daarginds, het Onvruchtbare Land.”Mc Taggartvoelde weer die zonderlinge onrust.„Gouvernement?” vroeg hij.De vreemdeling knikte.„Van—de politie misschien,” hieldMc Taggartaan.„Zeker, ja—natuurlijk—van de politie,” zeide de vreemdeling, den agent strak aankijkend. „En nu,m'sieu, ga ik u verzoeken, als een groote gunst aan de Wet toegestaan, om een kogel te jagen door den kop van dat dier, vóór wij verder gaan. Wilt u? Of zal ik het doen?”„Het is de wet van de vallenlijn,” zeideMc Taggart, „om een vallendief in zijn eigen val te laten vergaan. En dit beest was een duivel. Luister eens—”Snel, en toch geen enkele kleinigheid weglatend, vertelde hij van de worsteling tusschen hem en Baree, die weken en maanden geduurd had, van de krankzinnig makende nutteloosheid van al zijn listen en plannen en van de nog verwonderlijker slimheid vanhet dier, dat hij eindelijk en ten laatste had weten te vangen.„Hij was een duivel—wat listigheid aangaat,” riep hij heftig, toen hij zijn verhaal geëindigd had. „En zegt u me nu eens zelf—zoudt u hem neerschieten, of hem langzaam laten sterven, zooals zijn verdiende loon is?”De vreemdeling keek nog steeds naar Baree. Hij wendde zijn gelaat vanMc Taggartaf. Hij antwoordde:„Ik geloof, dat u gelijk hebt. Laat hem maar vergaan. Als u in de richting vanLac Baingaat,m'sieu, ga ik een eindje met u mee. Het zal me een paar mijlen kosten om weer in mijn koers te komen.”Hij raapte zijn geweer op.Mc Taggartging vooruit. Na een half uur bleef de vreemdeling staan en wees naar het noorden.„Daar moet ik heen—nog een goede vijfhonderd mijl,” zeide hij, luchtig sprekend, alsof hij dienzelfden avond nog zijn tehuis dacht te bereiken. „Ik ga u hier verlaten.”Hij maakte geen gebaar om hem de hand te geven. Maar onder het weggaan zeide hij:„U zult misschien wel willen rapporteeren, datJohn Madisonlangs gekomen is.”Daarna trok hij recht naar het noorden voort, een halve mijl lang door het dichte bosch. Toen sloeg hij af naar het Westen, maakte een scherpen hoek naar het Zuiden en een uur nadat hijMc Taggartverlaten had zat hij weer gehurkt, bijna op armslengte van Baree af.En hij zeide, alsof hij tegen een menschelijk gezel sprak:„Zoo, ben jij dat geweest, ouwe jongen? Een vallendief, hè? Eenvogelvrij verklaardeben je dus? En ben je hem twee maanden lang de baas gebleven bij dat spelletje? En om die reden, omdat je een beter beest bent dan hij in zijn soort, wou hij je zoo langzaam mogelijk doodmartelen. Eenvogelvrij verklaarde!” Hier barstte hij uit in een hartelijken lach—een lach, die ieder goeddoet, zelfs een beest. „Dat is grappig. We staan precies gelijk, jongen—voor den drommel, dat doen we! Jij bent ontembaar, zegt hij. Nu, ik ook. 'k Heb hem vertelddat ikJohn Madisonheette. Maar dat is niet zoo. Ik benJim Carvel. En, Heer!—ik zei alleen maar: „van de politie”. En dat was een goede zet. Het was geen leugen. Ik ben een lieveling van de politie—elke agent tusschen de Hudson Baai en deMackenzieRivier verlangt er naar, mij in handen te krijgen. Houd je ferm, kerel. We zijn in hetzelfde schuitje en het doet me plezier dat ik je ontmoet heb!”

Den volgenden morgen hoordeBush Mc Taggarteen gerammel van kettingen, toen hij nog wel een kwart mijl van den vallenkring verwijderd was. Was het een lynx? Was het een marter? Was het een wolf of een vos?Of was het Baree?Hij legde den overigen afstand rennend af en toen hij eindelijk op een punt kwam, vanwaar hij zien kon, sprong zijn hart op van blijdschap, toen hij bemerkte, dat hij zijn vijand gevangen had. Hij kwam naderbij, zijn geweer gereed houdend om te vuren, voor het geval de hond zich mocht weten te bevrijden.

Baree lag op zijn zijde, hijgend van uitputting en rillend van pijn. Een heesche kreet van vreugde ontsnapteMc Taggart's lippen, toen hij dichterbij kwam en naar de sneeuw keek. Zij lag stijf vastgetrapt om den val heen, waar Baree had liggen worstelen, en zag rood van bloed. Het bloed was meerendeels uit Baree's bek gevloeid. Die droop er nog van, terwijl hij zijn vijand aangluurde. De stalen kaken hadden hun onbarmhartig werk goed verricht, verborgen onder de sneeuw. Een van zijn voorpooten was stevig vastgekneld, tot aan het eerste gewricht toe, zijn beide achterpooten zaten eveneens gevangen; een vierde klem had zich om een zijner flanken gesloten en in zijn worsteling om zich ervan te bevrijden had een stuk huid losgelaten ter grootte vanMc Taggart's halve hand. De sneeuw deed het verhaal van zijn wanhopigen strijd den heelen nacht lang; zijn bloedende kaken toonden hoe hij te vergeefs getracht had zich met zijn tanden van het omklemmende staal te ontdoen. Hij hijgde naar adem. Zijn oogen waren met bloed doorloopen. Maar zelfs nu, na al deze uren van ellende, was zijn moed, noch geestkracht gebroken. Toen hijMc Taggartzag, probeerde hij met een ruk overeind te komen, maar viel bijna oogenblikkelijk weer in de sneeuw neer. Maar hij zette zijn voorpooten schrap. Hij hield kop en borst op en de grauw, dien hij voortbracht, was tijgerachtig in zijn woestheid.

Hier stond nu eindelijk en ten laatste, niet meer dan een paar meter van hem af, het eenige wezen in de heele wereld, dat hij heftiger haatte dan het wolvengebroed. En weer was hij hulpeloos, zooals hij indertijd hulpeloos was geweest in den konijnenstrik.

De woestheid van zijn grauwen wekte ditmaal geen angst bijBush Mc Taggart. Hij zag dat de ander volkomen aan zijn genade was overgeleverd en met een lach van voldoening zette hij zijn geweer tegen den boom aan, trok zijn wanten uit en begon zijn pijp te stoppen. Dit was de triomf, waarnaar hij verlangd had, de marteling, waarnaar hij had uitgezien. Er was een haat in zijn ziel, even doodelijk als die van Baree, de haat dien een man kon voeden tegenover een anderen man. Hij had zich eerst voorgenomen, den hond een kogel door den kop te jagen. Maar dit was nog beter—hem langzamerhand te zien sterven, hem te kwellen zooals hij een menschelijk wezen gekweld zou hebben, om hem heen te loopen, zoodat hij het gerammel van den ketting hoorde en het versche bloed te zien vloeien als Baree zijn gemarteld lijf en ledematen wrong om hem met de oogen te kunnen blijven volgen. Het was een schitterende wraakneming. Hij was er zoo in verdiept, dat hij de nadering van sneeuwschoenen achter zich niet hoorde. Het was een stem, een mannenstem, die hem plotseling deed omkijken.

De man was een vreemdeling en wel tien jaar jonger danMc Taggart. Ten minste, hij zag er niet ouder uit dan vijf- of zes-en-dertig, ondanks zijn blonden, kortgeknipten baard. Hij had een voorkomen, dat in het algemeen iedereen aangenaam moest aandoen; hij had iets jongensachtigs en was toch volkomen een man; met heldere oogen keek hij vrij onder den rand van zijn bonten muts uit, zijn lichaam was lenig als dat van een Indiaan en zijn gelaat droeg niet de harde lijnen, in de wildernis opgedaan. Toch wistMc Taggart, nog vóór hij gesproken had, dat deze man in de wildernis thuis hoorde, dat hij er met hart en ziel deel van uitmaakte. Zijn muts was van marterbont. Hij droeg een jas, tegen weer en wind bestand, van zacht gelooid kariboeleer,om het middel opgehouden door een lange ceintuur, op Indiaansche manier met franje versierd. Zijn jas was met bont gevoerd. Hij droeg een broek van zwarte stof, zooals de inwoners van Hudson Baai dragen, en had mocassins aan. Hij reisde op lange, slanke sneeuwschoenen, speciaal gemaakt voor het houtland; zijn ransel op de schouders gebonden, was klein en stevig samengepakt en hij droeg zijn geweer in een laken overtrek. En van het hoofd tot de voeten zag hij er verreisd uit.Mc Taggartzou op den gis gezegd hebben, dat hij in de laatste paar weken wel duizend mijlen afgelegd had. Deze gedachte was het echter niet, die hem een plotselinge siddering door de leden joeg, maar de vrees, dat op geheimzinnige wijze een gefluister van de waarheid zijn weg gevonden mocht hebben, ver naar het zuiden—de ware lezing van hetgeen er voorgevallen was bij den Grijzen Fuut—en dat deze vreemdeling onder zijn kariboeleeren jas het insigne van de Koninklijke Noordwestelijke Bereden Politie droeg. Deze angst maakte zich eenige oogenblikken van hem meester en hij bleef sprakeloos staan.

De vreemdeling had alleen een verbaasden uitroep geslaakt. Nu zeide hij met zijn oogen op Baree gevestigd: „God zegen' ons, u hebt dien armen drommel daar leelijk in 't nauw gebracht, niet?”

Er was iets in zijn stemklank, datMc Taggartgeruststelde. Er klonk geen achterdocht in en hij kon zien, dat de vreemdeling meer belang stelde in het dier dan in hem. Hij haalde diep adem.

„Een vallendief,” zeide hij.

De vreemdeling bekeek Baree nog scherper. Hij stak zijn geweer ondersteboven in de sneeuw en kwam naderbij.

„Hemel nog toe, het is een hond!” riep hij uit.

Achter hem stondMc Taggarten keek naar hem met oogen als van een fret.

„Ja, een hond,” antwoordde hij. „Een wilde hond, ten minste voor de helft wolf. Hij heeft me zeker voor duizend dollars bestolen dezen winter.”

De vreemdeling hurkte bij Baree neer, zijn handen, in wantengestoken, rustten op zijn knieën en zijn witte tanden glinsterden in een halven glimlach.

„Arme bliksem!” zeide hij medelijdend. „Zoo ben jij nu een vallendief? Een vogelvrij verklaarde? En—de politie heeft je te pakken gekregen? En—'t is me wat moois—ze heeft je geen mooie poets gebakken, hoor!”

De vreemdeling stond op en keekMc Taggartaan.

„Ik moest wel een heeleboel klemmen uitzetten om hem te vangen,” verdedigde de agent zich, een weinig blozend onder den strakken blik van de blauwe oogen van den vreemdeling. Plotseling kwam zijn verbittering weer boven. „En hij zal hier sterven. Ik zal hem hier doodpijnigen en in de klemmen laten vergaan als straf voor wat hij uitgehaald heeft.” Hij nam zijn geweer op en voegde er bij, met zijn oogen op den vreemdeling gevestigd en zijn vinger aan den trekker: „Ik benBush Mc Taggart, de agent vanLac Bain. Trekt u dezen weg langs,m'sieu?”

„Een paar mijl nog maar. Ik trek door naar daarginds, het Onvruchtbare Land.”

Mc Taggartvoelde weer die zonderlinge onrust.

„Gouvernement?” vroeg hij.

De vreemdeling knikte.

„Van—de politie misschien,” hieldMc Taggartaan.

„Zeker, ja—natuurlijk—van de politie,” zeide de vreemdeling, den agent strak aankijkend. „En nu,m'sieu, ga ik u verzoeken, als een groote gunst aan de Wet toegestaan, om een kogel te jagen door den kop van dat dier, vóór wij verder gaan. Wilt u? Of zal ik het doen?”

„Het is de wet van de vallenlijn,” zeideMc Taggart, „om een vallendief in zijn eigen val te laten vergaan. En dit beest was een duivel. Luister eens—”

Snel, en toch geen enkele kleinigheid weglatend, vertelde hij van de worsteling tusschen hem en Baree, die weken en maanden geduurd had, van de krankzinnig makende nutteloosheid van al zijn listen en plannen en van de nog verwonderlijker slimheid vanhet dier, dat hij eindelijk en ten laatste had weten te vangen.

„Hij was een duivel—wat listigheid aangaat,” riep hij heftig, toen hij zijn verhaal geëindigd had. „En zegt u me nu eens zelf—zoudt u hem neerschieten, of hem langzaam laten sterven, zooals zijn verdiende loon is?”

De vreemdeling keek nog steeds naar Baree. Hij wendde zijn gelaat vanMc Taggartaf. Hij antwoordde:

„Ik geloof, dat u gelijk hebt. Laat hem maar vergaan. Als u in de richting vanLac Baingaat,m'sieu, ga ik een eindje met u mee. Het zal me een paar mijlen kosten om weer in mijn koers te komen.”

Hij raapte zijn geweer op.Mc Taggartging vooruit. Na een half uur bleef de vreemdeling staan en wees naar het noorden.

„Daar moet ik heen—nog een goede vijfhonderd mijl,” zeide hij, luchtig sprekend, alsof hij dienzelfden avond nog zijn tehuis dacht te bereiken. „Ik ga u hier verlaten.”

Hij maakte geen gebaar om hem de hand te geven. Maar onder het weggaan zeide hij:

„U zult misschien wel willen rapporteeren, datJohn Madisonlangs gekomen is.”

Daarna trok hij recht naar het noorden voort, een halve mijl lang door het dichte bosch. Toen sloeg hij af naar het Westen, maakte een scherpen hoek naar het Zuiden en een uur nadat hijMc Taggartverlaten had zat hij weer gehurkt, bijna op armslengte van Baree af.

En hij zeide, alsof hij tegen een menschelijk gezel sprak:

„Zoo, ben jij dat geweest, ouwe jongen? Een vallendief, hè? Eenvogelvrij verklaardeben je dus? En ben je hem twee maanden lang de baas gebleven bij dat spelletje? En om die reden, omdat je een beter beest bent dan hij in zijn soort, wou hij je zoo langzaam mogelijk doodmartelen. Eenvogelvrij verklaarde!” Hier barstte hij uit in een hartelijken lach—een lach, die ieder goeddoet, zelfs een beest. „Dat is grappig. We staan precies gelijk, jongen—voor den drommel, dat doen we! Jij bent ontembaar, zegt hij. Nu, ik ook. 'k Heb hem vertelddat ikJohn Madisonheette. Maar dat is niet zoo. Ik benJim Carvel. En, Heer!—ik zei alleen maar: „van de politie”. En dat was een goede zet. Het was geen leugen. Ik ben een lieveling van de politie—elke agent tusschen de Hudson Baai en deMackenzieRivier verlangt er naar, mij in handen te krijgen. Houd je ferm, kerel. We zijn in hetzelfde schuitje en het doet me plezier dat ik je ontmoet heb!”


Back to IndexNext