[Inhoud]I.DE ZWERVERS OP DE GRENZEN.I.DE VLUGTELING.De onmetelijke natuurwouden, die zich sedert onheugelijke eeuwen ongestoord hadden voortgeplant en nog voor ettelijke jaren het grootste gedeelte van Noord-Amerika bedekten, beginnen allengs te verdwijnen voor de onvermoeide bijlslagen der squatters en kolonisten, wier onverzadelijke bedrijvigheid de grenzen der wildernis meer en meer naar het westen terugdringt.Bloeijende steden zijn verrezen, welige akkervelden, met zorg geploegd en bezaaid, beslaan tegenwoordig de plaats waar nog geen tien of twaalf jaren geleden het ongerepte bosch zich verhief, welks digte bladerkroon naauwelijks een zonnestraal doorliet, en in welks onbekende diepten allerlei wild gedierte zich verscholen hield, of woeste Indianenhorden rondzwierven, die er de statige bladgewelven vaak deden weergalmen door hun bloedigen oorlogskreet of heldhaftige krijgsliederen.Velen dezer wouden zijn reeds gevallen; hunne sombere bewoners, van lieverlede door de steeds voortrukkende beschaving verdrongen, wijken voet voor voet terug en zoeken al verder en verder westwaarts, nieuwe en veiliger toevlugtsoorden, het gebeente hunner vaderen met zich voerende, opdat het niet ontheiligd en[2]opgedolven worde door de onverbiddelijke ploeg der blanken, die hare nijvere voren trekt door hunne aloude jagtgronden.Zouden wij het vallen der bosschen betreuren en moeten wij deze ontginningen als een ramp voor het vasteland van Amerika beschouwen? Verre van daar! integendeel, de beschaving, die met reuzenstappen voortschrijdt en, eer wij eene eeuw verder zijn, den bodem der Nieuwe Wereld in eene vruchtbare landouw zal hebben herschapen, heeft onze volkomene sympathie. Maar toch kunnen wij een smartelijk gevoel van deernis niet onderdrukken met dat ongelukkige roode menschenras, dat zoo gewetenloos uit zijn vaderlijk erfgoed verjaagd en buiten de wet gestooten, als wild gedierte van alle kanten bestookt en vervolgd, met iederen dag zigtbaar afneemt, en onherroepelijk gedoemd schijnt om eerlang geheel te worden uitgeroeid van denzelfden bodem, waar het naauwelijks vier eeuwen geleden zulk een onmetelijk terrein besloeg, in tallooze volkstammen vrij rondzwierf en eene betrekkelijke welvaart genoot.Zoo de Europesche natiën, die door God schijnen te zijn uitverkoren om al deze veranderingen tot stand te brengen, hare roeping beter begrepen hadden,—zoo zij de bloedige taak der veroverings- en hebzucht tot een werk van vrede en broederschap gemaakt en in plaats van met schietgeweer, brandfakkel en zwaard, zich met de voorschriften van het liefdeademend Evangelie gewapend hadden, misschien zou er dan binnen een gegeven tijdperk eene zamensmelting van het blanke met het roode menschenras hebben plaats gegrepen en eene uitkomst verkregen zijn, meer overeenkomstig met de eischen der ware beschaving en vooruitgang, en vooral beter strokende met de grootsche gedachte van de verbroedering der volken—eene verbroedering, die het niemand vrij staat te verachten of voorbij te zien en aangaande welke zij, die de heilige plannen der Voorzienigheid durven trotseren, eenmaal eene vreesselijke rekening zullen te sluiten hebben.Of zou men ongestraft de moordenaar van een menschengeslacht kunnen zijn? zou men zich willens en wetens mogen baden in het bloed van onschuldigen, zonder dat dit bloed om wrake roept, en eindelijk de dag aanbreekt waarop de geregtigheid haar vergeldend zwaard inwerpt tusschen de verwinnaars en de overwonnenen?1[3]Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt, namelijk in 1812, had de landverhuizing nog niet dien omvang bereikt dien zij later en reeds spoedig daarna innam; de kolonisatie begon toen eerst op enkele punten, en de uitgestrekte bosschen tusschen de grenzen der Vereenigde Staten en Mexico werden slechts nu en dan betreden door de sluipende voeten van pelsjagers en woudloopers of door de stille sandalen der Roodhuiden.Het was dien dag drukkend heet geweest, maar op dit oogenblik vielen de zonnestralen niet meer loodregt neder en werden de schaduwen van het hooge geboomte steeds langer en langer, terwijl de opstekende avondkoelte den dampkring verfrischte en de wolken moskieten verdreef, die gedurende den middag boven de drassige boschkampen hadden gegonsd en gewerveld.Wij verplaatsen ons aan de boorden van een afgelegen bijstroom der Arkansas; de boomen aan de beide oevers vormen een digt gewelf van takken en bladeren boven de zacht vlietende wateren, die het zwakke briesje naauwelijks doet rimpelen; hier en daar staan rooskleurige flamingo’s en witte reigers op hunne lange pooten en visschen naar hun avondkost, met de eigenaardige rustige tamheid die het geslacht der groote steltenloopers over het algemeen kenschetst. Maar op eens heffen zij zich op, rekken de halzen als hoorden zij een ongewoon gedruisch, gaan ijlings aan het loopen met gestrekte wieken, om den wind te vatten, en vliegen weg onder angstig geschreeuw. Plotseling knalt er een geweerschot, dat de echoos der bosschen doet weergalmen: twee flamingo’s storten in den stroom.Op dit zelfde oogenblik komt er van achter een kleine kaap, door eenige waterwilgen gevormd, die in het rivierbed vooruitsteken, een ligte praauw te voorschijn en strijkt snel in de rigting der flamingo’s, die in het water lagen te spartelen: de een was doodelijk getroffen en dreef met den stroom af, maar de andere, naar het scheen slechts ligt gekwetst, vlugtte al wat hij kon en trachtte al zwemmende te ontkomen.Het zoo even genoemde vaartuig was eene Indiaansche kano, zamengesteld uit de schors van een berkenboom, die men er met behulp van heet water weet af te ligten.Slechts een enkel man bevond zich in de praauw; zijn geweer, dat voor hem stond, rookte nog en bewees dat het schot van hem afkomstig was.Wij zullen dezen man een weinig nader beschrijven, daar hij bestemd is om in ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.[4]Zooveel men op dit oogenblik uit zijn stand in de praauw kon opmaken, was hij iemand van zeer groote gestalte; zijn niet zeer groot hoofd rustte met den krachtvollen hals op schouders van ongewone breedte, terwijl zijne spieren als stevige kabels bij iedere beweging zich op zijne armen afteekenden; kortom, de gansche verschijning van dezen man gaf het bewijs van ligchaamskracht in den uitersten graad.Zijn open, door een paar groote, helderblaauwe, van slimheid tintelende oogen opgeluisterd gelaat, had eene uitdrukking van vrijmoedigheid en opregtheid, die reeds dadelijk behaagde en nog verhoogd werd door zijne overigens regelmatige trekken en vrij grooten mond, over welke een onverdelgbare glans van tevredenheid en goede luim verspreid lag. Hij kan naauwelijks vier- of vijfentwintig jaar geweest zijn, ofschoon de kleur van zijne huid, door den invloed van lucht en zonnehitte verhoogd, en de zware graauw-blonde baard, die het onderste gedeelte van zijn aangezigt bedekte, hem veel ouder deden schijnen.Hij droeg het kostuum der woudloopers: eene muts van bevervel, welks staart in den nek afhing, dekte naauwelijks zijne digte, goudgele haarlokken, die ordeloos over zijne schouders golfden; een jagtkiel van blaauw katoen, aan de heupen gesloten met een gordelriem van dassenvel, reikte hem tot even boven de forsch gespierde knieën; demitasses, een soort van korte spanbroek, bedekte zijne beenen, terwijl zijne voeten tegen den steek van dorens en kruipdieren werden beschut door een paar Indiaanschemocksens, of halve laarzen.Een weitasch van gelooid leder hing hem aan een koppel over den regter schouder en, gelijk die van alle beproefde woudloopers, bestonden zijne wapenen in een goede Kentuckiër buks, een mes met een regt lemmer van tien duim lengte en twee duim breedte, en een ijzeren hakbijl zoo blank als een spiegel. Deze wapenen, de buks natuurlijk uitgezonderd, staken in zijn gordel, aan welken bovendien nog twee bisonshorens hingen met kruid en kogels gevuld. Op deze wijs uitgerust, in zijne praauw, en omgeven door het indrukwekkend landschap waarin hij zich bevond, had het uitzigt van dien man iets edels en treffends, dat onwillekeurig eerbied en ontzag inboezemde.De eigenlijk gezegde woudlooper is een van de vele typen der Nieuwe Wereld, die thans zeldzamer voorkomen en weldra door den gedurigen voortgang der kolonisatie geheel zullen verdwijnen. Deze stoutmoedige voorposten der beschaving, de eerste naspoorders[5]der wildernis, in welke zij hun geheele leven doorbragten, waren mannen die door ontembare zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid bezield, het in hun oog zoo knellende juk, waarmede de maatschappij hare kinderen bezwaart, halstarrig afwierpen, om het nooit weder op zich te nemen. Zonder ander doel dan om vrij te leven en te sterven en geenszins op hoop van winst, die zij verachtten, verlieten zij de steden en trokken onverschrokken de onbegrensde wouden in, leefden als met den dag, onverschillig voor het tegenwoordige, onbezorgd voor de toekomst, overtuigd dat God hen in den nood niet verlaten zou; zoo plaatsten zij zich vrijwillig buiten de wet die zij miskenden, en leefden zonder gemeenschappelijke banden op de uiterste grens tusschen de verwildering en de beschaving.De meest beroemden dezer woudloopers waren hoofdzakelijk Canadezen; zooals men weet, werd Canada het eerst door Fransche zeelieden en landverhuizers gekoloniseerd. Inderdaad is er in het Normandische karakter iets waaghalzigs en avontuurlijks, dat geheel strookt met een leven in de wildernis, zoo vol vreemde ontmoetingen en ongekende genietingen, waarvan alleen zij die het ondervonden de bekoorlijkheid kunnen beseffen.De Fransche Canadezen hebben nooit het beginsel der nationaliteitsverandering aangenomen dat de Engelschen hun hebben willen opleggen; zij zijn zich steeds blijven beschouwen als Franschen, hunne oogen staren nog altijd terug naar dat ondankbare moederland, dat hen zoo onverschillig heeft laten varen. Nog heden, na verloop van zoovele jaren, zijn de Canadezen Franschen; hunne zamensmelting met het Angel-Saksische ras bestaat slechts in schijn, of gaat zoo langzaam voort, dat het geringste voorwendsel genoeg zou zijn om tusschen hen en de Engelsche kolonisten eene bepaalde vredebreuk te doen ontstaan.Het Engelsche gouvernement weet dit zeer goed; ook gaat het in zijne koloniën te Canada met eene zachtheid en inschikkelijkheid te werk, die het niet ligt in zijne overige bezittingen zou willen aanwenden.Gedurende den eersten tijd der verovering was deze afkeerigheid, om niet te zeggen haat, tusschen de twee rassen zoo sterk, dat de oorspronkelijke Canadezen liever in massa uitweken, dan het vernederende juk te torschen dat men hen trachtte op te leggen. Zij, die te arm om naar Frankrijk terug te keeren, zich genoodzaakt zagen om in het land te blijven en voor den druk eener vreemde overheersching te zwichten, verkozen het ruwe beroep[6]van woudlooper, en onderwierpen zich liever aan een leven vol ellende en gevaren, dan aan de in hun oog onteerende wet eens gehaten veroveraars. Zoo schudden zij op den dorpel van het ouderlijke huis het stof van hunne schoenen, namen het geweer op den schouder, smoorden een zucht van bittere spijt en verwijderden zich, om nimmer terug te keeren; onversaagd trokken zij de ondoordringbare bosschen van Canada in, en werden, zonder het zelf te weten, de eerstelingen van dat bijna uitgestorven geslacht van waaghalzen, dat wij in het thans door ons begonnen verhaal in een van zijne schoonste, maar helaas! ook een van zijne laatste karakters den lezer zullen voor oogen stellen.De jager hanteerde met kracht de pagaai en roeide steeds voort, weldra bereikte hij den eersten flamingo, dien hij in zijn praauw wierp; de tweede echter kostte hem meer moeite om meester te worden, en er volgde gedurende een geruimen tijd een strijd om het snelst, tusschen den gekwetsten vogel en den jager; evenwel, de vogel begon van lieverlede zijne krachten te verliezen; zijne bewegingen werden onzeker, krampachtig sloeg hij het water met de uitgespreide vleugels; eindelijk maakte de Canadees door een enkelen slag met het plat zijner pagaai een einde aan zijn doodstrijd, en lag de flamingo weldra bij zijn medgezel op den bodem der praauw.Toen hij zijn wild gevangen had, streek de jager de riemen en begon hij zijn geweer te laden, met al de zorgvuldigheid die dit werk vereischte voor iemand die wist dat zijn leven van een enkel schot kruid kon afhangen.Nadat zijn wapen weder in staat van tegenweer was, wierp de Canadees een verspiedenden blik in het rond. „Zie zoo!” riep hij het volgende oogenblik in zich zelven,—eene gewoonte die de eenzame zwerver in zijn verlaten toestand zich doorgaans eigen maakt,—„den hemel zij dank! Ik geloof dat ik, zonder mij te vergissen, op het afgesproken punt ben thuis gekomen. Ik kan mij hierin niet bedriegen; daar ginds, aan de regterhand, bij die in het water vooruitspringende rots, zie ik de twee eikenstammen geveld en kruiselings over elkander geworpen. Maar wat is dat?” vervolgde hij, op eens nederbukkend en zijn geweer overhalende.Plotseling liet zich in het naast bijzijnde bosch een woedend geblaf van verscheidene hondenhooren, de struiken werden met kracht uit elkander geschoven en op de kruin der rots, daar de jager juist het oog op gevestigd hield, verscheen een neger.Toen de zwarte man den uitersten rotsrand bereikt had, bleef[7]hij een oogenblik staan en scheen aandachtig te luisteren, onder onmiskenbare teekenen van de grootste gejaagdheid, maar zijn aarzeling duurde niet lang, want naauwelijks had hij zich twee sekonden opgehouden, of hij sloeg een wanhopigen blik ten hemel; stortte zich in de rivier en zwom ijlings naar den tegenovergestelden oever.Het plassen van den neger in het water werd nog gehoord, toen er verscheidene honden kwamen aanrennen en op het plat der rots stand hielden onder het aanheffen van een vervaarlijk gehuil en geblaf.Deze honden waren van de grootste en sterkste soort. Daar stonden zij, hijgende en springende, met de tong uit den muil, met bloedige opgeloopen oogen en stoppelende haren, alsof zij een langen en moeijelijken rid hadden afgelegd.De jager schudde herhaalde malen het hoofd, terwijl hij een meewarigen blik wierp naar den ongelukkigen neger, die in zijn angst om den anderen oever te bereiken met de tienvoudige kracht der wanhoop voortzwom, en terstond zijne pagaaijen grijpende, roeide hij regt op hem af, om hem in geval van nood hulp te verleenen.Naauwelijks had hij zich in beweging gezet, of er klonk een raauwe stem op de rots:„Houdaar! stil! stil! zeg ik, razende duivels zul je daar zwijgen!”De honden jankten nog eenige oogenblikken van spijt, maar toen staakten zij op eens hun gehuil.Dezelfde stem die de honden tot zwijgen had gebragt, schreeuwde nu harder.„Heila! Gij daar; man in de praauw! heila!”De Canadees bereikte op dit oogenblik juist den tegenovergestelden oever; hij liet zijn bootje op het zand loopen en wendde zich onverschillig om naar zijn zegsman.Deze was iemand van middelbare lengte, ineengedrongen van postuur en in de gewone kleeding der rijke pachthoevenaars in Canada; in zijn gezigt zag hij er tamelijk brutaal en gemeen uit; nevens hem stonden vier andere personen, waarschijnlijk waren het bedienden; het behoeft naauwelijks gezegd te worden dat zij ieder een geweer in de hand hadden.De rivier was op dit punt tamelijk breed, ongeveer vijftig ellen, hetgeen, ten minste vooreerst, den afstand tusschen den neger en zijne vervolgers minder verontrustend maakte. De Canadees plaatste zich digt bij een boom.[8]„Hebt gij misschien tegen mij wat te zeggen?” vroeg hij op minachtenden toon.„Wat duivel! tegen wien anders?” riep de eerste spreker blijkbaar ontevreden. „Haast u dus op mijne vragen te antwoorden, als het u belieft.”„En waarom zou ik mij haasten op uwe vragen te antwoorden, als het u belieft?” hervatte de Canadees spotachtig.„Omdat ik het u beveel, kerel! durft gij schertsen?” zei de andere brutaal.De jager trok verachtelijk de schouders op.„Ik wensch u goeden avond!” riep hij, en deed als of hij zich wilde verwijderen.„Blijf daar! voor den duivel,” schreeuwde de Amerikaan, „of zoo waar als ik John Davis heet, jaag ik u een kogel door den kop.”Bij het uitspreken dezer bedreiging legde hij zijn geweer reeds aan.„Ha zoo,” riep de Canadees lagchend, „zijt gij John Davis, de vermaarde koopman in slaven!”„Ja, die ben ik! wat nog meer?” riep hij barsch.„Neem mij niet kwalijk! tot dus ver kende ik u alleen bij reputatie; maar het doet mij waarachtig pleizier dat ik u in persoon heb mogen zien.”„Goed; maar nu gij mij kent, zijt gij zeker gereed op mijne vragen te antwoorden?”„Ik moet eerst weten wat zij behelzen; laat mij ze dus hooren.”„Waar is mijn slaaf gebleven?”„Van welken slaaf spreekt gij? Bedoelt gij misschien den man die zoo even in het water is gesprongen, van de rots waar gij u thans op bevindt?”„Ja, waar is hij?”„Hier, naast mij.”Werkelijk was het den neger, toen hij zijn kracht en moed begon te verliezen, na de wanhopige jagt die hij gedurende zijne lange en bittere vervolging had doorgestaan, gelukt om de plaats te bereiken waar de Canadees zich bevond en had hij zich half in zwijm aan zijne voeten nedergeworpen. Zoodra hij nu den jager zoo kort en bondig van zijne tegenwoordigheid hoorde spreken, vouwde hij zooveel hij kon de handen en hief de oogen vol tranen tot hem op:„O! massa! massa!” riep hij op een toon van angst die zich moeijelijk laat beschrijven, „red mij! red mij!”„Ha zoo!” meesmuilde John Davis, „ik geloof dat wij nu de[9]zaak in eens kunnen vereffenen, vriend, en dat gij niet rouwig zult zijn een premie te kunnen verdienen.”„Inderdaad zou het mij niet spijten, als ik eens weten mogt hoe hoog het menschenvleesch in uw zoogenaamde land van vrijheid wel geschat wordt. Is die prijs nog al duur?”„Twintig dollars voor een weggeloopen neger.”„Poeh!” riep de Canadees, zijn onderlip verachtelijk uitstekende, „dat is al zeer weinig.”„Vindt gij dat?”„Zeker vind ik dat.”„Welnu, ik zal toch niet veel van u vergen om die premie te kunnen verdienen.”„Wat dan?”„Den neger te binden, hem in uwe boot te leggen, en hem mij toe te voeren.”„Zeer goed; dat is inderdaad niet moeijelijk, maar als gij hem dan hebt, gesteld voor een oogenblik dat ik hem u breng, wat denkt gij dan met dien armen duivel te doen?”„Dat gaat u niet aan.”„Daarin hebt gij gelijk; ik vraag het u ook alleen uit nieuwsgierigheid.”„Komaan, talm niet, maar beslis; ik heb geen tijd om uwe beuzelpraatjes aan te hooren; wat antwoordt gij mij?”„Wat ik u antwoord, master John Davis, u, die menschen jaagt met honden die niet zoo wreed zijn als gij, en die, als zij u gehoorzamen, niets meer doen dan hun instinct hun ingeeft? Dit is mijn antwoord: gij zijt een ellendeling, en als gij geen ander middel weet om uw slaaf terug te krijgen dan door mij, moogt gij hem gerust als verloren beschouwen.”„Ei! zegt men zoo?” riep de Amerikaan tandeknarsend van woede, terwijl hij zich tot zijne knechts wendde, met het bevel: „Schiet den kerel dood, vuur, vuur!”Zelf de daad bij het woord voegende, legde hij met drift zijn geweer aan en schoot af. Zijne bedienden volgden zijn voorbeeld en de vier geweren gingen af met een enkelen knal, dien de echoos van het omliggende bosch op somberen toon herhaalden.[10]1Aimard schreef dit in 1860; zijne voorspelling is maar al te zeer bewaarheid door den tegenwoordigen burgeroorlog in de Vereenigde Staten, die zoo vele schatten en menschenlevens verslindt.↑
[Inhoud]I.DE ZWERVERS OP DE GRENZEN.I.DE VLUGTELING.De onmetelijke natuurwouden, die zich sedert onheugelijke eeuwen ongestoord hadden voortgeplant en nog voor ettelijke jaren het grootste gedeelte van Noord-Amerika bedekten, beginnen allengs te verdwijnen voor de onvermoeide bijlslagen der squatters en kolonisten, wier onverzadelijke bedrijvigheid de grenzen der wildernis meer en meer naar het westen terugdringt.Bloeijende steden zijn verrezen, welige akkervelden, met zorg geploegd en bezaaid, beslaan tegenwoordig de plaats waar nog geen tien of twaalf jaren geleden het ongerepte bosch zich verhief, welks digte bladerkroon naauwelijks een zonnestraal doorliet, en in welks onbekende diepten allerlei wild gedierte zich verscholen hield, of woeste Indianenhorden rondzwierven, die er de statige bladgewelven vaak deden weergalmen door hun bloedigen oorlogskreet of heldhaftige krijgsliederen.Velen dezer wouden zijn reeds gevallen; hunne sombere bewoners, van lieverlede door de steeds voortrukkende beschaving verdrongen, wijken voet voor voet terug en zoeken al verder en verder westwaarts, nieuwe en veiliger toevlugtsoorden, het gebeente hunner vaderen met zich voerende, opdat het niet ontheiligd en[2]opgedolven worde door de onverbiddelijke ploeg der blanken, die hare nijvere voren trekt door hunne aloude jagtgronden.Zouden wij het vallen der bosschen betreuren en moeten wij deze ontginningen als een ramp voor het vasteland van Amerika beschouwen? Verre van daar! integendeel, de beschaving, die met reuzenstappen voortschrijdt en, eer wij eene eeuw verder zijn, den bodem der Nieuwe Wereld in eene vruchtbare landouw zal hebben herschapen, heeft onze volkomene sympathie. Maar toch kunnen wij een smartelijk gevoel van deernis niet onderdrukken met dat ongelukkige roode menschenras, dat zoo gewetenloos uit zijn vaderlijk erfgoed verjaagd en buiten de wet gestooten, als wild gedierte van alle kanten bestookt en vervolgd, met iederen dag zigtbaar afneemt, en onherroepelijk gedoemd schijnt om eerlang geheel te worden uitgeroeid van denzelfden bodem, waar het naauwelijks vier eeuwen geleden zulk een onmetelijk terrein besloeg, in tallooze volkstammen vrij rondzwierf en eene betrekkelijke welvaart genoot.Zoo de Europesche natiën, die door God schijnen te zijn uitverkoren om al deze veranderingen tot stand te brengen, hare roeping beter begrepen hadden,—zoo zij de bloedige taak der veroverings- en hebzucht tot een werk van vrede en broederschap gemaakt en in plaats van met schietgeweer, brandfakkel en zwaard, zich met de voorschriften van het liefdeademend Evangelie gewapend hadden, misschien zou er dan binnen een gegeven tijdperk eene zamensmelting van het blanke met het roode menschenras hebben plaats gegrepen en eene uitkomst verkregen zijn, meer overeenkomstig met de eischen der ware beschaving en vooruitgang, en vooral beter strokende met de grootsche gedachte van de verbroedering der volken—eene verbroedering, die het niemand vrij staat te verachten of voorbij te zien en aangaande welke zij, die de heilige plannen der Voorzienigheid durven trotseren, eenmaal eene vreesselijke rekening zullen te sluiten hebben.Of zou men ongestraft de moordenaar van een menschengeslacht kunnen zijn? zou men zich willens en wetens mogen baden in het bloed van onschuldigen, zonder dat dit bloed om wrake roept, en eindelijk de dag aanbreekt waarop de geregtigheid haar vergeldend zwaard inwerpt tusschen de verwinnaars en de overwonnenen?1[3]Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt, namelijk in 1812, had de landverhuizing nog niet dien omvang bereikt dien zij later en reeds spoedig daarna innam; de kolonisatie begon toen eerst op enkele punten, en de uitgestrekte bosschen tusschen de grenzen der Vereenigde Staten en Mexico werden slechts nu en dan betreden door de sluipende voeten van pelsjagers en woudloopers of door de stille sandalen der Roodhuiden.Het was dien dag drukkend heet geweest, maar op dit oogenblik vielen de zonnestralen niet meer loodregt neder en werden de schaduwen van het hooge geboomte steeds langer en langer, terwijl de opstekende avondkoelte den dampkring verfrischte en de wolken moskieten verdreef, die gedurende den middag boven de drassige boschkampen hadden gegonsd en gewerveld.Wij verplaatsen ons aan de boorden van een afgelegen bijstroom der Arkansas; de boomen aan de beide oevers vormen een digt gewelf van takken en bladeren boven de zacht vlietende wateren, die het zwakke briesje naauwelijks doet rimpelen; hier en daar staan rooskleurige flamingo’s en witte reigers op hunne lange pooten en visschen naar hun avondkost, met de eigenaardige rustige tamheid die het geslacht der groote steltenloopers over het algemeen kenschetst. Maar op eens heffen zij zich op, rekken de halzen als hoorden zij een ongewoon gedruisch, gaan ijlings aan het loopen met gestrekte wieken, om den wind te vatten, en vliegen weg onder angstig geschreeuw. Plotseling knalt er een geweerschot, dat de echoos der bosschen doet weergalmen: twee flamingo’s storten in den stroom.Op dit zelfde oogenblik komt er van achter een kleine kaap, door eenige waterwilgen gevormd, die in het rivierbed vooruitsteken, een ligte praauw te voorschijn en strijkt snel in de rigting der flamingo’s, die in het water lagen te spartelen: de een was doodelijk getroffen en dreef met den stroom af, maar de andere, naar het scheen slechts ligt gekwetst, vlugtte al wat hij kon en trachtte al zwemmende te ontkomen.Het zoo even genoemde vaartuig was eene Indiaansche kano, zamengesteld uit de schors van een berkenboom, die men er met behulp van heet water weet af te ligten.Slechts een enkel man bevond zich in de praauw; zijn geweer, dat voor hem stond, rookte nog en bewees dat het schot van hem afkomstig was.Wij zullen dezen man een weinig nader beschrijven, daar hij bestemd is om in ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.[4]Zooveel men op dit oogenblik uit zijn stand in de praauw kon opmaken, was hij iemand van zeer groote gestalte; zijn niet zeer groot hoofd rustte met den krachtvollen hals op schouders van ongewone breedte, terwijl zijne spieren als stevige kabels bij iedere beweging zich op zijne armen afteekenden; kortom, de gansche verschijning van dezen man gaf het bewijs van ligchaamskracht in den uitersten graad.Zijn open, door een paar groote, helderblaauwe, van slimheid tintelende oogen opgeluisterd gelaat, had eene uitdrukking van vrijmoedigheid en opregtheid, die reeds dadelijk behaagde en nog verhoogd werd door zijne overigens regelmatige trekken en vrij grooten mond, over welke een onverdelgbare glans van tevredenheid en goede luim verspreid lag. Hij kan naauwelijks vier- of vijfentwintig jaar geweest zijn, ofschoon de kleur van zijne huid, door den invloed van lucht en zonnehitte verhoogd, en de zware graauw-blonde baard, die het onderste gedeelte van zijn aangezigt bedekte, hem veel ouder deden schijnen.Hij droeg het kostuum der woudloopers: eene muts van bevervel, welks staart in den nek afhing, dekte naauwelijks zijne digte, goudgele haarlokken, die ordeloos over zijne schouders golfden; een jagtkiel van blaauw katoen, aan de heupen gesloten met een gordelriem van dassenvel, reikte hem tot even boven de forsch gespierde knieën; demitasses, een soort van korte spanbroek, bedekte zijne beenen, terwijl zijne voeten tegen den steek van dorens en kruipdieren werden beschut door een paar Indiaanschemocksens, of halve laarzen.Een weitasch van gelooid leder hing hem aan een koppel over den regter schouder en, gelijk die van alle beproefde woudloopers, bestonden zijne wapenen in een goede Kentuckiër buks, een mes met een regt lemmer van tien duim lengte en twee duim breedte, en een ijzeren hakbijl zoo blank als een spiegel. Deze wapenen, de buks natuurlijk uitgezonderd, staken in zijn gordel, aan welken bovendien nog twee bisonshorens hingen met kruid en kogels gevuld. Op deze wijs uitgerust, in zijne praauw, en omgeven door het indrukwekkend landschap waarin hij zich bevond, had het uitzigt van dien man iets edels en treffends, dat onwillekeurig eerbied en ontzag inboezemde.De eigenlijk gezegde woudlooper is een van de vele typen der Nieuwe Wereld, die thans zeldzamer voorkomen en weldra door den gedurigen voortgang der kolonisatie geheel zullen verdwijnen. Deze stoutmoedige voorposten der beschaving, de eerste naspoorders[5]der wildernis, in welke zij hun geheele leven doorbragten, waren mannen die door ontembare zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid bezield, het in hun oog zoo knellende juk, waarmede de maatschappij hare kinderen bezwaart, halstarrig afwierpen, om het nooit weder op zich te nemen. Zonder ander doel dan om vrij te leven en te sterven en geenszins op hoop van winst, die zij verachtten, verlieten zij de steden en trokken onverschrokken de onbegrensde wouden in, leefden als met den dag, onverschillig voor het tegenwoordige, onbezorgd voor de toekomst, overtuigd dat God hen in den nood niet verlaten zou; zoo plaatsten zij zich vrijwillig buiten de wet die zij miskenden, en leefden zonder gemeenschappelijke banden op de uiterste grens tusschen de verwildering en de beschaving.De meest beroemden dezer woudloopers waren hoofdzakelijk Canadezen; zooals men weet, werd Canada het eerst door Fransche zeelieden en landverhuizers gekoloniseerd. Inderdaad is er in het Normandische karakter iets waaghalzigs en avontuurlijks, dat geheel strookt met een leven in de wildernis, zoo vol vreemde ontmoetingen en ongekende genietingen, waarvan alleen zij die het ondervonden de bekoorlijkheid kunnen beseffen.De Fransche Canadezen hebben nooit het beginsel der nationaliteitsverandering aangenomen dat de Engelschen hun hebben willen opleggen; zij zijn zich steeds blijven beschouwen als Franschen, hunne oogen staren nog altijd terug naar dat ondankbare moederland, dat hen zoo onverschillig heeft laten varen. Nog heden, na verloop van zoovele jaren, zijn de Canadezen Franschen; hunne zamensmelting met het Angel-Saksische ras bestaat slechts in schijn, of gaat zoo langzaam voort, dat het geringste voorwendsel genoeg zou zijn om tusschen hen en de Engelsche kolonisten eene bepaalde vredebreuk te doen ontstaan.Het Engelsche gouvernement weet dit zeer goed; ook gaat het in zijne koloniën te Canada met eene zachtheid en inschikkelijkheid te werk, die het niet ligt in zijne overige bezittingen zou willen aanwenden.Gedurende den eersten tijd der verovering was deze afkeerigheid, om niet te zeggen haat, tusschen de twee rassen zoo sterk, dat de oorspronkelijke Canadezen liever in massa uitweken, dan het vernederende juk te torschen dat men hen trachtte op te leggen. Zij, die te arm om naar Frankrijk terug te keeren, zich genoodzaakt zagen om in het land te blijven en voor den druk eener vreemde overheersching te zwichten, verkozen het ruwe beroep[6]van woudlooper, en onderwierpen zich liever aan een leven vol ellende en gevaren, dan aan de in hun oog onteerende wet eens gehaten veroveraars. Zoo schudden zij op den dorpel van het ouderlijke huis het stof van hunne schoenen, namen het geweer op den schouder, smoorden een zucht van bittere spijt en verwijderden zich, om nimmer terug te keeren; onversaagd trokken zij de ondoordringbare bosschen van Canada in, en werden, zonder het zelf te weten, de eerstelingen van dat bijna uitgestorven geslacht van waaghalzen, dat wij in het thans door ons begonnen verhaal in een van zijne schoonste, maar helaas! ook een van zijne laatste karakters den lezer zullen voor oogen stellen.De jager hanteerde met kracht de pagaai en roeide steeds voort, weldra bereikte hij den eersten flamingo, dien hij in zijn praauw wierp; de tweede echter kostte hem meer moeite om meester te worden, en er volgde gedurende een geruimen tijd een strijd om het snelst, tusschen den gekwetsten vogel en den jager; evenwel, de vogel begon van lieverlede zijne krachten te verliezen; zijne bewegingen werden onzeker, krampachtig sloeg hij het water met de uitgespreide vleugels; eindelijk maakte de Canadees door een enkelen slag met het plat zijner pagaai een einde aan zijn doodstrijd, en lag de flamingo weldra bij zijn medgezel op den bodem der praauw.Toen hij zijn wild gevangen had, streek de jager de riemen en begon hij zijn geweer te laden, met al de zorgvuldigheid die dit werk vereischte voor iemand die wist dat zijn leven van een enkel schot kruid kon afhangen.Nadat zijn wapen weder in staat van tegenweer was, wierp de Canadees een verspiedenden blik in het rond. „Zie zoo!” riep hij het volgende oogenblik in zich zelven,—eene gewoonte die de eenzame zwerver in zijn verlaten toestand zich doorgaans eigen maakt,—„den hemel zij dank! Ik geloof dat ik, zonder mij te vergissen, op het afgesproken punt ben thuis gekomen. Ik kan mij hierin niet bedriegen; daar ginds, aan de regterhand, bij die in het water vooruitspringende rots, zie ik de twee eikenstammen geveld en kruiselings over elkander geworpen. Maar wat is dat?” vervolgde hij, op eens nederbukkend en zijn geweer overhalende.Plotseling liet zich in het naast bijzijnde bosch een woedend geblaf van verscheidene hondenhooren, de struiken werden met kracht uit elkander geschoven en op de kruin der rots, daar de jager juist het oog op gevestigd hield, verscheen een neger.Toen de zwarte man den uitersten rotsrand bereikt had, bleef[7]hij een oogenblik staan en scheen aandachtig te luisteren, onder onmiskenbare teekenen van de grootste gejaagdheid, maar zijn aarzeling duurde niet lang, want naauwelijks had hij zich twee sekonden opgehouden, of hij sloeg een wanhopigen blik ten hemel; stortte zich in de rivier en zwom ijlings naar den tegenovergestelden oever.Het plassen van den neger in het water werd nog gehoord, toen er verscheidene honden kwamen aanrennen en op het plat der rots stand hielden onder het aanheffen van een vervaarlijk gehuil en geblaf.Deze honden waren van de grootste en sterkste soort. Daar stonden zij, hijgende en springende, met de tong uit den muil, met bloedige opgeloopen oogen en stoppelende haren, alsof zij een langen en moeijelijken rid hadden afgelegd.De jager schudde herhaalde malen het hoofd, terwijl hij een meewarigen blik wierp naar den ongelukkigen neger, die in zijn angst om den anderen oever te bereiken met de tienvoudige kracht der wanhoop voortzwom, en terstond zijne pagaaijen grijpende, roeide hij regt op hem af, om hem in geval van nood hulp te verleenen.Naauwelijks had hij zich in beweging gezet, of er klonk een raauwe stem op de rots:„Houdaar! stil! stil! zeg ik, razende duivels zul je daar zwijgen!”De honden jankten nog eenige oogenblikken van spijt, maar toen staakten zij op eens hun gehuil.Dezelfde stem die de honden tot zwijgen had gebragt, schreeuwde nu harder.„Heila! Gij daar; man in de praauw! heila!”De Canadees bereikte op dit oogenblik juist den tegenovergestelden oever; hij liet zijn bootje op het zand loopen en wendde zich onverschillig om naar zijn zegsman.Deze was iemand van middelbare lengte, ineengedrongen van postuur en in de gewone kleeding der rijke pachthoevenaars in Canada; in zijn gezigt zag hij er tamelijk brutaal en gemeen uit; nevens hem stonden vier andere personen, waarschijnlijk waren het bedienden; het behoeft naauwelijks gezegd te worden dat zij ieder een geweer in de hand hadden.De rivier was op dit punt tamelijk breed, ongeveer vijftig ellen, hetgeen, ten minste vooreerst, den afstand tusschen den neger en zijne vervolgers minder verontrustend maakte. De Canadees plaatste zich digt bij een boom.[8]„Hebt gij misschien tegen mij wat te zeggen?” vroeg hij op minachtenden toon.„Wat duivel! tegen wien anders?” riep de eerste spreker blijkbaar ontevreden. „Haast u dus op mijne vragen te antwoorden, als het u belieft.”„En waarom zou ik mij haasten op uwe vragen te antwoorden, als het u belieft?” hervatte de Canadees spotachtig.„Omdat ik het u beveel, kerel! durft gij schertsen?” zei de andere brutaal.De jager trok verachtelijk de schouders op.„Ik wensch u goeden avond!” riep hij, en deed als of hij zich wilde verwijderen.„Blijf daar! voor den duivel,” schreeuwde de Amerikaan, „of zoo waar als ik John Davis heet, jaag ik u een kogel door den kop.”Bij het uitspreken dezer bedreiging legde hij zijn geweer reeds aan.„Ha zoo,” riep de Canadees lagchend, „zijt gij John Davis, de vermaarde koopman in slaven!”„Ja, die ben ik! wat nog meer?” riep hij barsch.„Neem mij niet kwalijk! tot dus ver kende ik u alleen bij reputatie; maar het doet mij waarachtig pleizier dat ik u in persoon heb mogen zien.”„Goed; maar nu gij mij kent, zijt gij zeker gereed op mijne vragen te antwoorden?”„Ik moet eerst weten wat zij behelzen; laat mij ze dus hooren.”„Waar is mijn slaaf gebleven?”„Van welken slaaf spreekt gij? Bedoelt gij misschien den man die zoo even in het water is gesprongen, van de rots waar gij u thans op bevindt?”„Ja, waar is hij?”„Hier, naast mij.”Werkelijk was het den neger, toen hij zijn kracht en moed begon te verliezen, na de wanhopige jagt die hij gedurende zijne lange en bittere vervolging had doorgestaan, gelukt om de plaats te bereiken waar de Canadees zich bevond en had hij zich half in zwijm aan zijne voeten nedergeworpen. Zoodra hij nu den jager zoo kort en bondig van zijne tegenwoordigheid hoorde spreken, vouwde hij zooveel hij kon de handen en hief de oogen vol tranen tot hem op:„O! massa! massa!” riep hij op een toon van angst die zich moeijelijk laat beschrijven, „red mij! red mij!”„Ha zoo!” meesmuilde John Davis, „ik geloof dat wij nu de[9]zaak in eens kunnen vereffenen, vriend, en dat gij niet rouwig zult zijn een premie te kunnen verdienen.”„Inderdaad zou het mij niet spijten, als ik eens weten mogt hoe hoog het menschenvleesch in uw zoogenaamde land van vrijheid wel geschat wordt. Is die prijs nog al duur?”„Twintig dollars voor een weggeloopen neger.”„Poeh!” riep de Canadees, zijn onderlip verachtelijk uitstekende, „dat is al zeer weinig.”„Vindt gij dat?”„Zeker vind ik dat.”„Welnu, ik zal toch niet veel van u vergen om die premie te kunnen verdienen.”„Wat dan?”„Den neger te binden, hem in uwe boot te leggen, en hem mij toe te voeren.”„Zeer goed; dat is inderdaad niet moeijelijk, maar als gij hem dan hebt, gesteld voor een oogenblik dat ik hem u breng, wat denkt gij dan met dien armen duivel te doen?”„Dat gaat u niet aan.”„Daarin hebt gij gelijk; ik vraag het u ook alleen uit nieuwsgierigheid.”„Komaan, talm niet, maar beslis; ik heb geen tijd om uwe beuzelpraatjes aan te hooren; wat antwoordt gij mij?”„Wat ik u antwoord, master John Davis, u, die menschen jaagt met honden die niet zoo wreed zijn als gij, en die, als zij u gehoorzamen, niets meer doen dan hun instinct hun ingeeft? Dit is mijn antwoord: gij zijt een ellendeling, en als gij geen ander middel weet om uw slaaf terug te krijgen dan door mij, moogt gij hem gerust als verloren beschouwen.”„Ei! zegt men zoo?” riep de Amerikaan tandeknarsend van woede, terwijl hij zich tot zijne knechts wendde, met het bevel: „Schiet den kerel dood, vuur, vuur!”Zelf de daad bij het woord voegende, legde hij met drift zijn geweer aan en schoot af. Zijne bedienden volgden zijn voorbeeld en de vier geweren gingen af met een enkelen knal, dien de echoos van het omliggende bosch op somberen toon herhaalden.[10]1Aimard schreef dit in 1860; zijne voorspelling is maar al te zeer bewaarheid door den tegenwoordigen burgeroorlog in de Vereenigde Staten, die zoo vele schatten en menschenlevens verslindt.↑
I.DE ZWERVERS OP DE GRENZEN.I.DE VLUGTELING.
De onmetelijke natuurwouden, die zich sedert onheugelijke eeuwen ongestoord hadden voortgeplant en nog voor ettelijke jaren het grootste gedeelte van Noord-Amerika bedekten, beginnen allengs te verdwijnen voor de onvermoeide bijlslagen der squatters en kolonisten, wier onverzadelijke bedrijvigheid de grenzen der wildernis meer en meer naar het westen terugdringt.Bloeijende steden zijn verrezen, welige akkervelden, met zorg geploegd en bezaaid, beslaan tegenwoordig de plaats waar nog geen tien of twaalf jaren geleden het ongerepte bosch zich verhief, welks digte bladerkroon naauwelijks een zonnestraal doorliet, en in welks onbekende diepten allerlei wild gedierte zich verscholen hield, of woeste Indianenhorden rondzwierven, die er de statige bladgewelven vaak deden weergalmen door hun bloedigen oorlogskreet of heldhaftige krijgsliederen.Velen dezer wouden zijn reeds gevallen; hunne sombere bewoners, van lieverlede door de steeds voortrukkende beschaving verdrongen, wijken voet voor voet terug en zoeken al verder en verder westwaarts, nieuwe en veiliger toevlugtsoorden, het gebeente hunner vaderen met zich voerende, opdat het niet ontheiligd en[2]opgedolven worde door de onverbiddelijke ploeg der blanken, die hare nijvere voren trekt door hunne aloude jagtgronden.Zouden wij het vallen der bosschen betreuren en moeten wij deze ontginningen als een ramp voor het vasteland van Amerika beschouwen? Verre van daar! integendeel, de beschaving, die met reuzenstappen voortschrijdt en, eer wij eene eeuw verder zijn, den bodem der Nieuwe Wereld in eene vruchtbare landouw zal hebben herschapen, heeft onze volkomene sympathie. Maar toch kunnen wij een smartelijk gevoel van deernis niet onderdrukken met dat ongelukkige roode menschenras, dat zoo gewetenloos uit zijn vaderlijk erfgoed verjaagd en buiten de wet gestooten, als wild gedierte van alle kanten bestookt en vervolgd, met iederen dag zigtbaar afneemt, en onherroepelijk gedoemd schijnt om eerlang geheel te worden uitgeroeid van denzelfden bodem, waar het naauwelijks vier eeuwen geleden zulk een onmetelijk terrein besloeg, in tallooze volkstammen vrij rondzwierf en eene betrekkelijke welvaart genoot.Zoo de Europesche natiën, die door God schijnen te zijn uitverkoren om al deze veranderingen tot stand te brengen, hare roeping beter begrepen hadden,—zoo zij de bloedige taak der veroverings- en hebzucht tot een werk van vrede en broederschap gemaakt en in plaats van met schietgeweer, brandfakkel en zwaard, zich met de voorschriften van het liefdeademend Evangelie gewapend hadden, misschien zou er dan binnen een gegeven tijdperk eene zamensmelting van het blanke met het roode menschenras hebben plaats gegrepen en eene uitkomst verkregen zijn, meer overeenkomstig met de eischen der ware beschaving en vooruitgang, en vooral beter strokende met de grootsche gedachte van de verbroedering der volken—eene verbroedering, die het niemand vrij staat te verachten of voorbij te zien en aangaande welke zij, die de heilige plannen der Voorzienigheid durven trotseren, eenmaal eene vreesselijke rekening zullen te sluiten hebben.Of zou men ongestraft de moordenaar van een menschengeslacht kunnen zijn? zou men zich willens en wetens mogen baden in het bloed van onschuldigen, zonder dat dit bloed om wrake roept, en eindelijk de dag aanbreekt waarop de geregtigheid haar vergeldend zwaard inwerpt tusschen de verwinnaars en de overwonnenen?1[3]Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt, namelijk in 1812, had de landverhuizing nog niet dien omvang bereikt dien zij later en reeds spoedig daarna innam; de kolonisatie begon toen eerst op enkele punten, en de uitgestrekte bosschen tusschen de grenzen der Vereenigde Staten en Mexico werden slechts nu en dan betreden door de sluipende voeten van pelsjagers en woudloopers of door de stille sandalen der Roodhuiden.Het was dien dag drukkend heet geweest, maar op dit oogenblik vielen de zonnestralen niet meer loodregt neder en werden de schaduwen van het hooge geboomte steeds langer en langer, terwijl de opstekende avondkoelte den dampkring verfrischte en de wolken moskieten verdreef, die gedurende den middag boven de drassige boschkampen hadden gegonsd en gewerveld.Wij verplaatsen ons aan de boorden van een afgelegen bijstroom der Arkansas; de boomen aan de beide oevers vormen een digt gewelf van takken en bladeren boven de zacht vlietende wateren, die het zwakke briesje naauwelijks doet rimpelen; hier en daar staan rooskleurige flamingo’s en witte reigers op hunne lange pooten en visschen naar hun avondkost, met de eigenaardige rustige tamheid die het geslacht der groote steltenloopers over het algemeen kenschetst. Maar op eens heffen zij zich op, rekken de halzen als hoorden zij een ongewoon gedruisch, gaan ijlings aan het loopen met gestrekte wieken, om den wind te vatten, en vliegen weg onder angstig geschreeuw. Plotseling knalt er een geweerschot, dat de echoos der bosschen doet weergalmen: twee flamingo’s storten in den stroom.Op dit zelfde oogenblik komt er van achter een kleine kaap, door eenige waterwilgen gevormd, die in het rivierbed vooruitsteken, een ligte praauw te voorschijn en strijkt snel in de rigting der flamingo’s, die in het water lagen te spartelen: de een was doodelijk getroffen en dreef met den stroom af, maar de andere, naar het scheen slechts ligt gekwetst, vlugtte al wat hij kon en trachtte al zwemmende te ontkomen.Het zoo even genoemde vaartuig was eene Indiaansche kano, zamengesteld uit de schors van een berkenboom, die men er met behulp van heet water weet af te ligten.Slechts een enkel man bevond zich in de praauw; zijn geweer, dat voor hem stond, rookte nog en bewees dat het schot van hem afkomstig was.Wij zullen dezen man een weinig nader beschrijven, daar hij bestemd is om in ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.[4]Zooveel men op dit oogenblik uit zijn stand in de praauw kon opmaken, was hij iemand van zeer groote gestalte; zijn niet zeer groot hoofd rustte met den krachtvollen hals op schouders van ongewone breedte, terwijl zijne spieren als stevige kabels bij iedere beweging zich op zijne armen afteekenden; kortom, de gansche verschijning van dezen man gaf het bewijs van ligchaamskracht in den uitersten graad.Zijn open, door een paar groote, helderblaauwe, van slimheid tintelende oogen opgeluisterd gelaat, had eene uitdrukking van vrijmoedigheid en opregtheid, die reeds dadelijk behaagde en nog verhoogd werd door zijne overigens regelmatige trekken en vrij grooten mond, over welke een onverdelgbare glans van tevredenheid en goede luim verspreid lag. Hij kan naauwelijks vier- of vijfentwintig jaar geweest zijn, ofschoon de kleur van zijne huid, door den invloed van lucht en zonnehitte verhoogd, en de zware graauw-blonde baard, die het onderste gedeelte van zijn aangezigt bedekte, hem veel ouder deden schijnen.Hij droeg het kostuum der woudloopers: eene muts van bevervel, welks staart in den nek afhing, dekte naauwelijks zijne digte, goudgele haarlokken, die ordeloos over zijne schouders golfden; een jagtkiel van blaauw katoen, aan de heupen gesloten met een gordelriem van dassenvel, reikte hem tot even boven de forsch gespierde knieën; demitasses, een soort van korte spanbroek, bedekte zijne beenen, terwijl zijne voeten tegen den steek van dorens en kruipdieren werden beschut door een paar Indiaanschemocksens, of halve laarzen.Een weitasch van gelooid leder hing hem aan een koppel over den regter schouder en, gelijk die van alle beproefde woudloopers, bestonden zijne wapenen in een goede Kentuckiër buks, een mes met een regt lemmer van tien duim lengte en twee duim breedte, en een ijzeren hakbijl zoo blank als een spiegel. Deze wapenen, de buks natuurlijk uitgezonderd, staken in zijn gordel, aan welken bovendien nog twee bisonshorens hingen met kruid en kogels gevuld. Op deze wijs uitgerust, in zijne praauw, en omgeven door het indrukwekkend landschap waarin hij zich bevond, had het uitzigt van dien man iets edels en treffends, dat onwillekeurig eerbied en ontzag inboezemde.De eigenlijk gezegde woudlooper is een van de vele typen der Nieuwe Wereld, die thans zeldzamer voorkomen en weldra door den gedurigen voortgang der kolonisatie geheel zullen verdwijnen. Deze stoutmoedige voorposten der beschaving, de eerste naspoorders[5]der wildernis, in welke zij hun geheele leven doorbragten, waren mannen die door ontembare zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid bezield, het in hun oog zoo knellende juk, waarmede de maatschappij hare kinderen bezwaart, halstarrig afwierpen, om het nooit weder op zich te nemen. Zonder ander doel dan om vrij te leven en te sterven en geenszins op hoop van winst, die zij verachtten, verlieten zij de steden en trokken onverschrokken de onbegrensde wouden in, leefden als met den dag, onverschillig voor het tegenwoordige, onbezorgd voor de toekomst, overtuigd dat God hen in den nood niet verlaten zou; zoo plaatsten zij zich vrijwillig buiten de wet die zij miskenden, en leefden zonder gemeenschappelijke banden op de uiterste grens tusschen de verwildering en de beschaving.De meest beroemden dezer woudloopers waren hoofdzakelijk Canadezen; zooals men weet, werd Canada het eerst door Fransche zeelieden en landverhuizers gekoloniseerd. Inderdaad is er in het Normandische karakter iets waaghalzigs en avontuurlijks, dat geheel strookt met een leven in de wildernis, zoo vol vreemde ontmoetingen en ongekende genietingen, waarvan alleen zij die het ondervonden de bekoorlijkheid kunnen beseffen.De Fransche Canadezen hebben nooit het beginsel der nationaliteitsverandering aangenomen dat de Engelschen hun hebben willen opleggen; zij zijn zich steeds blijven beschouwen als Franschen, hunne oogen staren nog altijd terug naar dat ondankbare moederland, dat hen zoo onverschillig heeft laten varen. Nog heden, na verloop van zoovele jaren, zijn de Canadezen Franschen; hunne zamensmelting met het Angel-Saksische ras bestaat slechts in schijn, of gaat zoo langzaam voort, dat het geringste voorwendsel genoeg zou zijn om tusschen hen en de Engelsche kolonisten eene bepaalde vredebreuk te doen ontstaan.Het Engelsche gouvernement weet dit zeer goed; ook gaat het in zijne koloniën te Canada met eene zachtheid en inschikkelijkheid te werk, die het niet ligt in zijne overige bezittingen zou willen aanwenden.Gedurende den eersten tijd der verovering was deze afkeerigheid, om niet te zeggen haat, tusschen de twee rassen zoo sterk, dat de oorspronkelijke Canadezen liever in massa uitweken, dan het vernederende juk te torschen dat men hen trachtte op te leggen. Zij, die te arm om naar Frankrijk terug te keeren, zich genoodzaakt zagen om in het land te blijven en voor den druk eener vreemde overheersching te zwichten, verkozen het ruwe beroep[6]van woudlooper, en onderwierpen zich liever aan een leven vol ellende en gevaren, dan aan de in hun oog onteerende wet eens gehaten veroveraars. Zoo schudden zij op den dorpel van het ouderlijke huis het stof van hunne schoenen, namen het geweer op den schouder, smoorden een zucht van bittere spijt en verwijderden zich, om nimmer terug te keeren; onversaagd trokken zij de ondoordringbare bosschen van Canada in, en werden, zonder het zelf te weten, de eerstelingen van dat bijna uitgestorven geslacht van waaghalzen, dat wij in het thans door ons begonnen verhaal in een van zijne schoonste, maar helaas! ook een van zijne laatste karakters den lezer zullen voor oogen stellen.De jager hanteerde met kracht de pagaai en roeide steeds voort, weldra bereikte hij den eersten flamingo, dien hij in zijn praauw wierp; de tweede echter kostte hem meer moeite om meester te worden, en er volgde gedurende een geruimen tijd een strijd om het snelst, tusschen den gekwetsten vogel en den jager; evenwel, de vogel begon van lieverlede zijne krachten te verliezen; zijne bewegingen werden onzeker, krampachtig sloeg hij het water met de uitgespreide vleugels; eindelijk maakte de Canadees door een enkelen slag met het plat zijner pagaai een einde aan zijn doodstrijd, en lag de flamingo weldra bij zijn medgezel op den bodem der praauw.Toen hij zijn wild gevangen had, streek de jager de riemen en begon hij zijn geweer te laden, met al de zorgvuldigheid die dit werk vereischte voor iemand die wist dat zijn leven van een enkel schot kruid kon afhangen.Nadat zijn wapen weder in staat van tegenweer was, wierp de Canadees een verspiedenden blik in het rond. „Zie zoo!” riep hij het volgende oogenblik in zich zelven,—eene gewoonte die de eenzame zwerver in zijn verlaten toestand zich doorgaans eigen maakt,—„den hemel zij dank! Ik geloof dat ik, zonder mij te vergissen, op het afgesproken punt ben thuis gekomen. Ik kan mij hierin niet bedriegen; daar ginds, aan de regterhand, bij die in het water vooruitspringende rots, zie ik de twee eikenstammen geveld en kruiselings over elkander geworpen. Maar wat is dat?” vervolgde hij, op eens nederbukkend en zijn geweer overhalende.Plotseling liet zich in het naast bijzijnde bosch een woedend geblaf van verscheidene hondenhooren, de struiken werden met kracht uit elkander geschoven en op de kruin der rots, daar de jager juist het oog op gevestigd hield, verscheen een neger.Toen de zwarte man den uitersten rotsrand bereikt had, bleef[7]hij een oogenblik staan en scheen aandachtig te luisteren, onder onmiskenbare teekenen van de grootste gejaagdheid, maar zijn aarzeling duurde niet lang, want naauwelijks had hij zich twee sekonden opgehouden, of hij sloeg een wanhopigen blik ten hemel; stortte zich in de rivier en zwom ijlings naar den tegenovergestelden oever.Het plassen van den neger in het water werd nog gehoord, toen er verscheidene honden kwamen aanrennen en op het plat der rots stand hielden onder het aanheffen van een vervaarlijk gehuil en geblaf.Deze honden waren van de grootste en sterkste soort. Daar stonden zij, hijgende en springende, met de tong uit den muil, met bloedige opgeloopen oogen en stoppelende haren, alsof zij een langen en moeijelijken rid hadden afgelegd.De jager schudde herhaalde malen het hoofd, terwijl hij een meewarigen blik wierp naar den ongelukkigen neger, die in zijn angst om den anderen oever te bereiken met de tienvoudige kracht der wanhoop voortzwom, en terstond zijne pagaaijen grijpende, roeide hij regt op hem af, om hem in geval van nood hulp te verleenen.Naauwelijks had hij zich in beweging gezet, of er klonk een raauwe stem op de rots:„Houdaar! stil! stil! zeg ik, razende duivels zul je daar zwijgen!”De honden jankten nog eenige oogenblikken van spijt, maar toen staakten zij op eens hun gehuil.Dezelfde stem die de honden tot zwijgen had gebragt, schreeuwde nu harder.„Heila! Gij daar; man in de praauw! heila!”De Canadees bereikte op dit oogenblik juist den tegenovergestelden oever; hij liet zijn bootje op het zand loopen en wendde zich onverschillig om naar zijn zegsman.Deze was iemand van middelbare lengte, ineengedrongen van postuur en in de gewone kleeding der rijke pachthoevenaars in Canada; in zijn gezigt zag hij er tamelijk brutaal en gemeen uit; nevens hem stonden vier andere personen, waarschijnlijk waren het bedienden; het behoeft naauwelijks gezegd te worden dat zij ieder een geweer in de hand hadden.De rivier was op dit punt tamelijk breed, ongeveer vijftig ellen, hetgeen, ten minste vooreerst, den afstand tusschen den neger en zijne vervolgers minder verontrustend maakte. De Canadees plaatste zich digt bij een boom.[8]„Hebt gij misschien tegen mij wat te zeggen?” vroeg hij op minachtenden toon.„Wat duivel! tegen wien anders?” riep de eerste spreker blijkbaar ontevreden. „Haast u dus op mijne vragen te antwoorden, als het u belieft.”„En waarom zou ik mij haasten op uwe vragen te antwoorden, als het u belieft?” hervatte de Canadees spotachtig.„Omdat ik het u beveel, kerel! durft gij schertsen?” zei de andere brutaal.De jager trok verachtelijk de schouders op.„Ik wensch u goeden avond!” riep hij, en deed als of hij zich wilde verwijderen.„Blijf daar! voor den duivel,” schreeuwde de Amerikaan, „of zoo waar als ik John Davis heet, jaag ik u een kogel door den kop.”Bij het uitspreken dezer bedreiging legde hij zijn geweer reeds aan.„Ha zoo,” riep de Canadees lagchend, „zijt gij John Davis, de vermaarde koopman in slaven!”„Ja, die ben ik! wat nog meer?” riep hij barsch.„Neem mij niet kwalijk! tot dus ver kende ik u alleen bij reputatie; maar het doet mij waarachtig pleizier dat ik u in persoon heb mogen zien.”„Goed; maar nu gij mij kent, zijt gij zeker gereed op mijne vragen te antwoorden?”„Ik moet eerst weten wat zij behelzen; laat mij ze dus hooren.”„Waar is mijn slaaf gebleven?”„Van welken slaaf spreekt gij? Bedoelt gij misschien den man die zoo even in het water is gesprongen, van de rots waar gij u thans op bevindt?”„Ja, waar is hij?”„Hier, naast mij.”Werkelijk was het den neger, toen hij zijn kracht en moed begon te verliezen, na de wanhopige jagt die hij gedurende zijne lange en bittere vervolging had doorgestaan, gelukt om de plaats te bereiken waar de Canadees zich bevond en had hij zich half in zwijm aan zijne voeten nedergeworpen. Zoodra hij nu den jager zoo kort en bondig van zijne tegenwoordigheid hoorde spreken, vouwde hij zooveel hij kon de handen en hief de oogen vol tranen tot hem op:„O! massa! massa!” riep hij op een toon van angst die zich moeijelijk laat beschrijven, „red mij! red mij!”„Ha zoo!” meesmuilde John Davis, „ik geloof dat wij nu de[9]zaak in eens kunnen vereffenen, vriend, en dat gij niet rouwig zult zijn een premie te kunnen verdienen.”„Inderdaad zou het mij niet spijten, als ik eens weten mogt hoe hoog het menschenvleesch in uw zoogenaamde land van vrijheid wel geschat wordt. Is die prijs nog al duur?”„Twintig dollars voor een weggeloopen neger.”„Poeh!” riep de Canadees, zijn onderlip verachtelijk uitstekende, „dat is al zeer weinig.”„Vindt gij dat?”„Zeker vind ik dat.”„Welnu, ik zal toch niet veel van u vergen om die premie te kunnen verdienen.”„Wat dan?”„Den neger te binden, hem in uwe boot te leggen, en hem mij toe te voeren.”„Zeer goed; dat is inderdaad niet moeijelijk, maar als gij hem dan hebt, gesteld voor een oogenblik dat ik hem u breng, wat denkt gij dan met dien armen duivel te doen?”„Dat gaat u niet aan.”„Daarin hebt gij gelijk; ik vraag het u ook alleen uit nieuwsgierigheid.”„Komaan, talm niet, maar beslis; ik heb geen tijd om uwe beuzelpraatjes aan te hooren; wat antwoordt gij mij?”„Wat ik u antwoord, master John Davis, u, die menschen jaagt met honden die niet zoo wreed zijn als gij, en die, als zij u gehoorzamen, niets meer doen dan hun instinct hun ingeeft? Dit is mijn antwoord: gij zijt een ellendeling, en als gij geen ander middel weet om uw slaaf terug te krijgen dan door mij, moogt gij hem gerust als verloren beschouwen.”„Ei! zegt men zoo?” riep de Amerikaan tandeknarsend van woede, terwijl hij zich tot zijne knechts wendde, met het bevel: „Schiet den kerel dood, vuur, vuur!”Zelf de daad bij het woord voegende, legde hij met drift zijn geweer aan en schoot af. Zijne bedienden volgden zijn voorbeeld en de vier geweren gingen af met een enkelen knal, dien de echoos van het omliggende bosch op somberen toon herhaalden.[10]
De onmetelijke natuurwouden, die zich sedert onheugelijke eeuwen ongestoord hadden voortgeplant en nog voor ettelijke jaren het grootste gedeelte van Noord-Amerika bedekten, beginnen allengs te verdwijnen voor de onvermoeide bijlslagen der squatters en kolonisten, wier onverzadelijke bedrijvigheid de grenzen der wildernis meer en meer naar het westen terugdringt.
Bloeijende steden zijn verrezen, welige akkervelden, met zorg geploegd en bezaaid, beslaan tegenwoordig de plaats waar nog geen tien of twaalf jaren geleden het ongerepte bosch zich verhief, welks digte bladerkroon naauwelijks een zonnestraal doorliet, en in welks onbekende diepten allerlei wild gedierte zich verscholen hield, of woeste Indianenhorden rondzwierven, die er de statige bladgewelven vaak deden weergalmen door hun bloedigen oorlogskreet of heldhaftige krijgsliederen.
Velen dezer wouden zijn reeds gevallen; hunne sombere bewoners, van lieverlede door de steeds voortrukkende beschaving verdrongen, wijken voet voor voet terug en zoeken al verder en verder westwaarts, nieuwe en veiliger toevlugtsoorden, het gebeente hunner vaderen met zich voerende, opdat het niet ontheiligd en[2]opgedolven worde door de onverbiddelijke ploeg der blanken, die hare nijvere voren trekt door hunne aloude jagtgronden.
Zouden wij het vallen der bosschen betreuren en moeten wij deze ontginningen als een ramp voor het vasteland van Amerika beschouwen? Verre van daar! integendeel, de beschaving, die met reuzenstappen voortschrijdt en, eer wij eene eeuw verder zijn, den bodem der Nieuwe Wereld in eene vruchtbare landouw zal hebben herschapen, heeft onze volkomene sympathie. Maar toch kunnen wij een smartelijk gevoel van deernis niet onderdrukken met dat ongelukkige roode menschenras, dat zoo gewetenloos uit zijn vaderlijk erfgoed verjaagd en buiten de wet gestooten, als wild gedierte van alle kanten bestookt en vervolgd, met iederen dag zigtbaar afneemt, en onherroepelijk gedoemd schijnt om eerlang geheel te worden uitgeroeid van denzelfden bodem, waar het naauwelijks vier eeuwen geleden zulk een onmetelijk terrein besloeg, in tallooze volkstammen vrij rondzwierf en eene betrekkelijke welvaart genoot.
Zoo de Europesche natiën, die door God schijnen te zijn uitverkoren om al deze veranderingen tot stand te brengen, hare roeping beter begrepen hadden,—zoo zij de bloedige taak der veroverings- en hebzucht tot een werk van vrede en broederschap gemaakt en in plaats van met schietgeweer, brandfakkel en zwaard, zich met de voorschriften van het liefdeademend Evangelie gewapend hadden, misschien zou er dan binnen een gegeven tijdperk eene zamensmelting van het blanke met het roode menschenras hebben plaats gegrepen en eene uitkomst verkregen zijn, meer overeenkomstig met de eischen der ware beschaving en vooruitgang, en vooral beter strokende met de grootsche gedachte van de verbroedering der volken—eene verbroedering, die het niemand vrij staat te verachten of voorbij te zien en aangaande welke zij, die de heilige plannen der Voorzienigheid durven trotseren, eenmaal eene vreesselijke rekening zullen te sluiten hebben.
Of zou men ongestraft de moordenaar van een menschengeslacht kunnen zijn? zou men zich willens en wetens mogen baden in het bloed van onschuldigen, zonder dat dit bloed om wrake roept, en eindelijk de dag aanbreekt waarop de geregtigheid haar vergeldend zwaard inwerpt tusschen de verwinnaars en de overwonnenen?1[3]
Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt, namelijk in 1812, had de landverhuizing nog niet dien omvang bereikt dien zij later en reeds spoedig daarna innam; de kolonisatie begon toen eerst op enkele punten, en de uitgestrekte bosschen tusschen de grenzen der Vereenigde Staten en Mexico werden slechts nu en dan betreden door de sluipende voeten van pelsjagers en woudloopers of door de stille sandalen der Roodhuiden.
Het was dien dag drukkend heet geweest, maar op dit oogenblik vielen de zonnestralen niet meer loodregt neder en werden de schaduwen van het hooge geboomte steeds langer en langer, terwijl de opstekende avondkoelte den dampkring verfrischte en de wolken moskieten verdreef, die gedurende den middag boven de drassige boschkampen hadden gegonsd en gewerveld.
Wij verplaatsen ons aan de boorden van een afgelegen bijstroom der Arkansas; de boomen aan de beide oevers vormen een digt gewelf van takken en bladeren boven de zacht vlietende wateren, die het zwakke briesje naauwelijks doet rimpelen; hier en daar staan rooskleurige flamingo’s en witte reigers op hunne lange pooten en visschen naar hun avondkost, met de eigenaardige rustige tamheid die het geslacht der groote steltenloopers over het algemeen kenschetst. Maar op eens heffen zij zich op, rekken de halzen als hoorden zij een ongewoon gedruisch, gaan ijlings aan het loopen met gestrekte wieken, om den wind te vatten, en vliegen weg onder angstig geschreeuw. Plotseling knalt er een geweerschot, dat de echoos der bosschen doet weergalmen: twee flamingo’s storten in den stroom.
Op dit zelfde oogenblik komt er van achter een kleine kaap, door eenige waterwilgen gevormd, die in het rivierbed vooruitsteken, een ligte praauw te voorschijn en strijkt snel in de rigting der flamingo’s, die in het water lagen te spartelen: de een was doodelijk getroffen en dreef met den stroom af, maar de andere, naar het scheen slechts ligt gekwetst, vlugtte al wat hij kon en trachtte al zwemmende te ontkomen.
Het zoo even genoemde vaartuig was eene Indiaansche kano, zamengesteld uit de schors van een berkenboom, die men er met behulp van heet water weet af te ligten.
Slechts een enkel man bevond zich in de praauw; zijn geweer, dat voor hem stond, rookte nog en bewees dat het schot van hem afkomstig was.
Wij zullen dezen man een weinig nader beschrijven, daar hij bestemd is om in ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.[4]
Zooveel men op dit oogenblik uit zijn stand in de praauw kon opmaken, was hij iemand van zeer groote gestalte; zijn niet zeer groot hoofd rustte met den krachtvollen hals op schouders van ongewone breedte, terwijl zijne spieren als stevige kabels bij iedere beweging zich op zijne armen afteekenden; kortom, de gansche verschijning van dezen man gaf het bewijs van ligchaamskracht in den uitersten graad.
Zijn open, door een paar groote, helderblaauwe, van slimheid tintelende oogen opgeluisterd gelaat, had eene uitdrukking van vrijmoedigheid en opregtheid, die reeds dadelijk behaagde en nog verhoogd werd door zijne overigens regelmatige trekken en vrij grooten mond, over welke een onverdelgbare glans van tevredenheid en goede luim verspreid lag. Hij kan naauwelijks vier- of vijfentwintig jaar geweest zijn, ofschoon de kleur van zijne huid, door den invloed van lucht en zonnehitte verhoogd, en de zware graauw-blonde baard, die het onderste gedeelte van zijn aangezigt bedekte, hem veel ouder deden schijnen.
Hij droeg het kostuum der woudloopers: eene muts van bevervel, welks staart in den nek afhing, dekte naauwelijks zijne digte, goudgele haarlokken, die ordeloos over zijne schouders golfden; een jagtkiel van blaauw katoen, aan de heupen gesloten met een gordelriem van dassenvel, reikte hem tot even boven de forsch gespierde knieën; demitasses, een soort van korte spanbroek, bedekte zijne beenen, terwijl zijne voeten tegen den steek van dorens en kruipdieren werden beschut door een paar Indiaanschemocksens, of halve laarzen.
Een weitasch van gelooid leder hing hem aan een koppel over den regter schouder en, gelijk die van alle beproefde woudloopers, bestonden zijne wapenen in een goede Kentuckiër buks, een mes met een regt lemmer van tien duim lengte en twee duim breedte, en een ijzeren hakbijl zoo blank als een spiegel. Deze wapenen, de buks natuurlijk uitgezonderd, staken in zijn gordel, aan welken bovendien nog twee bisonshorens hingen met kruid en kogels gevuld. Op deze wijs uitgerust, in zijne praauw, en omgeven door het indrukwekkend landschap waarin hij zich bevond, had het uitzigt van dien man iets edels en treffends, dat onwillekeurig eerbied en ontzag inboezemde.
De eigenlijk gezegde woudlooper is een van de vele typen der Nieuwe Wereld, die thans zeldzamer voorkomen en weldra door den gedurigen voortgang der kolonisatie geheel zullen verdwijnen. Deze stoutmoedige voorposten der beschaving, de eerste naspoorders[5]der wildernis, in welke zij hun geheele leven doorbragten, waren mannen die door ontembare zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid bezield, het in hun oog zoo knellende juk, waarmede de maatschappij hare kinderen bezwaart, halstarrig afwierpen, om het nooit weder op zich te nemen. Zonder ander doel dan om vrij te leven en te sterven en geenszins op hoop van winst, die zij verachtten, verlieten zij de steden en trokken onverschrokken de onbegrensde wouden in, leefden als met den dag, onverschillig voor het tegenwoordige, onbezorgd voor de toekomst, overtuigd dat God hen in den nood niet verlaten zou; zoo plaatsten zij zich vrijwillig buiten de wet die zij miskenden, en leefden zonder gemeenschappelijke banden op de uiterste grens tusschen de verwildering en de beschaving.
De meest beroemden dezer woudloopers waren hoofdzakelijk Canadezen; zooals men weet, werd Canada het eerst door Fransche zeelieden en landverhuizers gekoloniseerd. Inderdaad is er in het Normandische karakter iets waaghalzigs en avontuurlijks, dat geheel strookt met een leven in de wildernis, zoo vol vreemde ontmoetingen en ongekende genietingen, waarvan alleen zij die het ondervonden de bekoorlijkheid kunnen beseffen.
De Fransche Canadezen hebben nooit het beginsel der nationaliteitsverandering aangenomen dat de Engelschen hun hebben willen opleggen; zij zijn zich steeds blijven beschouwen als Franschen, hunne oogen staren nog altijd terug naar dat ondankbare moederland, dat hen zoo onverschillig heeft laten varen. Nog heden, na verloop van zoovele jaren, zijn de Canadezen Franschen; hunne zamensmelting met het Angel-Saksische ras bestaat slechts in schijn, of gaat zoo langzaam voort, dat het geringste voorwendsel genoeg zou zijn om tusschen hen en de Engelsche kolonisten eene bepaalde vredebreuk te doen ontstaan.
Het Engelsche gouvernement weet dit zeer goed; ook gaat het in zijne koloniën te Canada met eene zachtheid en inschikkelijkheid te werk, die het niet ligt in zijne overige bezittingen zou willen aanwenden.
Gedurende den eersten tijd der verovering was deze afkeerigheid, om niet te zeggen haat, tusschen de twee rassen zoo sterk, dat de oorspronkelijke Canadezen liever in massa uitweken, dan het vernederende juk te torschen dat men hen trachtte op te leggen. Zij, die te arm om naar Frankrijk terug te keeren, zich genoodzaakt zagen om in het land te blijven en voor den druk eener vreemde overheersching te zwichten, verkozen het ruwe beroep[6]van woudlooper, en onderwierpen zich liever aan een leven vol ellende en gevaren, dan aan de in hun oog onteerende wet eens gehaten veroveraars. Zoo schudden zij op den dorpel van het ouderlijke huis het stof van hunne schoenen, namen het geweer op den schouder, smoorden een zucht van bittere spijt en verwijderden zich, om nimmer terug te keeren; onversaagd trokken zij de ondoordringbare bosschen van Canada in, en werden, zonder het zelf te weten, de eerstelingen van dat bijna uitgestorven geslacht van waaghalzen, dat wij in het thans door ons begonnen verhaal in een van zijne schoonste, maar helaas! ook een van zijne laatste karakters den lezer zullen voor oogen stellen.
De jager hanteerde met kracht de pagaai en roeide steeds voort, weldra bereikte hij den eersten flamingo, dien hij in zijn praauw wierp; de tweede echter kostte hem meer moeite om meester te worden, en er volgde gedurende een geruimen tijd een strijd om het snelst, tusschen den gekwetsten vogel en den jager; evenwel, de vogel begon van lieverlede zijne krachten te verliezen; zijne bewegingen werden onzeker, krampachtig sloeg hij het water met de uitgespreide vleugels; eindelijk maakte de Canadees door een enkelen slag met het plat zijner pagaai een einde aan zijn doodstrijd, en lag de flamingo weldra bij zijn medgezel op den bodem der praauw.
Toen hij zijn wild gevangen had, streek de jager de riemen en begon hij zijn geweer te laden, met al de zorgvuldigheid die dit werk vereischte voor iemand die wist dat zijn leven van een enkel schot kruid kon afhangen.
Nadat zijn wapen weder in staat van tegenweer was, wierp de Canadees een verspiedenden blik in het rond. „Zie zoo!” riep hij het volgende oogenblik in zich zelven,—eene gewoonte die de eenzame zwerver in zijn verlaten toestand zich doorgaans eigen maakt,—„den hemel zij dank! Ik geloof dat ik, zonder mij te vergissen, op het afgesproken punt ben thuis gekomen. Ik kan mij hierin niet bedriegen; daar ginds, aan de regterhand, bij die in het water vooruitspringende rots, zie ik de twee eikenstammen geveld en kruiselings over elkander geworpen. Maar wat is dat?” vervolgde hij, op eens nederbukkend en zijn geweer overhalende.
Plotseling liet zich in het naast bijzijnde bosch een woedend geblaf van verscheidene hondenhooren, de struiken werden met kracht uit elkander geschoven en op de kruin der rots, daar de jager juist het oog op gevestigd hield, verscheen een neger.
Toen de zwarte man den uitersten rotsrand bereikt had, bleef[7]hij een oogenblik staan en scheen aandachtig te luisteren, onder onmiskenbare teekenen van de grootste gejaagdheid, maar zijn aarzeling duurde niet lang, want naauwelijks had hij zich twee sekonden opgehouden, of hij sloeg een wanhopigen blik ten hemel; stortte zich in de rivier en zwom ijlings naar den tegenovergestelden oever.
Het plassen van den neger in het water werd nog gehoord, toen er verscheidene honden kwamen aanrennen en op het plat der rots stand hielden onder het aanheffen van een vervaarlijk gehuil en geblaf.
Deze honden waren van de grootste en sterkste soort. Daar stonden zij, hijgende en springende, met de tong uit den muil, met bloedige opgeloopen oogen en stoppelende haren, alsof zij een langen en moeijelijken rid hadden afgelegd.
De jager schudde herhaalde malen het hoofd, terwijl hij een meewarigen blik wierp naar den ongelukkigen neger, die in zijn angst om den anderen oever te bereiken met de tienvoudige kracht der wanhoop voortzwom, en terstond zijne pagaaijen grijpende, roeide hij regt op hem af, om hem in geval van nood hulp te verleenen.
Naauwelijks had hij zich in beweging gezet, of er klonk een raauwe stem op de rots:
„Houdaar! stil! stil! zeg ik, razende duivels zul je daar zwijgen!”
De honden jankten nog eenige oogenblikken van spijt, maar toen staakten zij op eens hun gehuil.
Dezelfde stem die de honden tot zwijgen had gebragt, schreeuwde nu harder.
„Heila! Gij daar; man in de praauw! heila!”
De Canadees bereikte op dit oogenblik juist den tegenovergestelden oever; hij liet zijn bootje op het zand loopen en wendde zich onverschillig om naar zijn zegsman.
Deze was iemand van middelbare lengte, ineengedrongen van postuur en in de gewone kleeding der rijke pachthoevenaars in Canada; in zijn gezigt zag hij er tamelijk brutaal en gemeen uit; nevens hem stonden vier andere personen, waarschijnlijk waren het bedienden; het behoeft naauwelijks gezegd te worden dat zij ieder een geweer in de hand hadden.
De rivier was op dit punt tamelijk breed, ongeveer vijftig ellen, hetgeen, ten minste vooreerst, den afstand tusschen den neger en zijne vervolgers minder verontrustend maakte. De Canadees plaatste zich digt bij een boom.[8]
„Hebt gij misschien tegen mij wat te zeggen?” vroeg hij op minachtenden toon.
„Wat duivel! tegen wien anders?” riep de eerste spreker blijkbaar ontevreden. „Haast u dus op mijne vragen te antwoorden, als het u belieft.”
„En waarom zou ik mij haasten op uwe vragen te antwoorden, als het u belieft?” hervatte de Canadees spotachtig.
„Omdat ik het u beveel, kerel! durft gij schertsen?” zei de andere brutaal.
De jager trok verachtelijk de schouders op.
„Ik wensch u goeden avond!” riep hij, en deed als of hij zich wilde verwijderen.
„Blijf daar! voor den duivel,” schreeuwde de Amerikaan, „of zoo waar als ik John Davis heet, jaag ik u een kogel door den kop.”
Bij het uitspreken dezer bedreiging legde hij zijn geweer reeds aan.
„Ha zoo,” riep de Canadees lagchend, „zijt gij John Davis, de vermaarde koopman in slaven!”
„Ja, die ben ik! wat nog meer?” riep hij barsch.
„Neem mij niet kwalijk! tot dus ver kende ik u alleen bij reputatie; maar het doet mij waarachtig pleizier dat ik u in persoon heb mogen zien.”
„Goed; maar nu gij mij kent, zijt gij zeker gereed op mijne vragen te antwoorden?”
„Ik moet eerst weten wat zij behelzen; laat mij ze dus hooren.”
„Waar is mijn slaaf gebleven?”
„Van welken slaaf spreekt gij? Bedoelt gij misschien den man die zoo even in het water is gesprongen, van de rots waar gij u thans op bevindt?”
„Ja, waar is hij?”
„Hier, naast mij.”
Werkelijk was het den neger, toen hij zijn kracht en moed begon te verliezen, na de wanhopige jagt die hij gedurende zijne lange en bittere vervolging had doorgestaan, gelukt om de plaats te bereiken waar de Canadees zich bevond en had hij zich half in zwijm aan zijne voeten nedergeworpen. Zoodra hij nu den jager zoo kort en bondig van zijne tegenwoordigheid hoorde spreken, vouwde hij zooveel hij kon de handen en hief de oogen vol tranen tot hem op:
„O! massa! massa!” riep hij op een toon van angst die zich moeijelijk laat beschrijven, „red mij! red mij!”
„Ha zoo!” meesmuilde John Davis, „ik geloof dat wij nu de[9]zaak in eens kunnen vereffenen, vriend, en dat gij niet rouwig zult zijn een premie te kunnen verdienen.”
„Inderdaad zou het mij niet spijten, als ik eens weten mogt hoe hoog het menschenvleesch in uw zoogenaamde land van vrijheid wel geschat wordt. Is die prijs nog al duur?”
„Twintig dollars voor een weggeloopen neger.”
„Poeh!” riep de Canadees, zijn onderlip verachtelijk uitstekende, „dat is al zeer weinig.”
„Vindt gij dat?”
„Zeker vind ik dat.”
„Welnu, ik zal toch niet veel van u vergen om die premie te kunnen verdienen.”
„Wat dan?”
„Den neger te binden, hem in uwe boot te leggen, en hem mij toe te voeren.”
„Zeer goed; dat is inderdaad niet moeijelijk, maar als gij hem dan hebt, gesteld voor een oogenblik dat ik hem u breng, wat denkt gij dan met dien armen duivel te doen?”
„Dat gaat u niet aan.”
„Daarin hebt gij gelijk; ik vraag het u ook alleen uit nieuwsgierigheid.”
„Komaan, talm niet, maar beslis; ik heb geen tijd om uwe beuzelpraatjes aan te hooren; wat antwoordt gij mij?”
„Wat ik u antwoord, master John Davis, u, die menschen jaagt met honden die niet zoo wreed zijn als gij, en die, als zij u gehoorzamen, niets meer doen dan hun instinct hun ingeeft? Dit is mijn antwoord: gij zijt een ellendeling, en als gij geen ander middel weet om uw slaaf terug te krijgen dan door mij, moogt gij hem gerust als verloren beschouwen.”
„Ei! zegt men zoo?” riep de Amerikaan tandeknarsend van woede, terwijl hij zich tot zijne knechts wendde, met het bevel: „Schiet den kerel dood, vuur, vuur!”
Zelf de daad bij het woord voegende, legde hij met drift zijn geweer aan en schoot af. Zijne bedienden volgden zijn voorbeeld en de vier geweren gingen af met een enkelen knal, dien de echoos van het omliggende bosch op somberen toon herhaalden.[10]
1Aimard schreef dit in 1860; zijne voorspelling is maar al te zeer bewaarheid door den tegenwoordigen burgeroorlog in de Vereenigde Staten, die zoo vele schatten en menschenlevens verslindt.↑
1Aimard schreef dit in 1860; zijne voorspelling is maar al te zeer bewaarheid door den tegenwoordigen burgeroorlog in de Vereenigde Staten, die zoo vele schatten en menschenlevens verslindt.↑
1Aimard schreef dit in 1860; zijne voorspelling is maar al te zeer bewaarheid door den tegenwoordigen burgeroorlog in de Vereenigde Staten, die zoo vele schatten en menschenlevens verslindt.↑
1Aimard schreef dit in 1860; zijne voorspelling is maar al te zeer bewaarheid door den tegenwoordigen burgeroorlog in de Vereenigde Staten, die zoo vele schatten en menschenlevens verslindt.↑