[Inhoud]II.QUONIAM.Terwijl hij tot hen sprak, verloor de Canadees geen enkele beweging zijner tegenstanders uit het oog; de losbranding op bevel van John Davis geschied, bleef derhalve zonder uitwerking; hij had zich schielijk achter den boomstam verborgen daar hij naast stond, en de kogels floten hem onschadelijk langs de ooren.De slavenkooper was woedend dat hij zich dus door den jager teleurgesteld zag, hij uitte tegen hem de vreesselijkste bedreigingen, vloekte en stampvoette van gramschap.Maar bedreigingen noch vloeken konden hem baten; zoo hij de rivier niet overzwom, hetgeen tegenover zulk een onversaagd man als de jager scheen te zijn, onuitvoerlijk was, bestond er hoegenaamd geen middel om zich te wreken, veel min om den slaaf weder in handen te krijgen, dien de Canadees zoo bepaald in zijne bescherming had genomen.Terwijl de Amerikaan zich te vergeefs het hoofd brak om een middel te vinden dat hem de gewenschte voldoening zou verschaffen, floot er een kogel voorbij, die de buks in zijne hand verbrijzelde.„Vervloekte hond!” brulde hij rood van toorn, „wilt gij mij nu vermoorden?”„Daar zou ik het regt toe hebben,” antwoordde de Canadees, „want ik verkeer in het geval van wettige zelfverdediging, dewijl gij zelf mij hebt willen dooden; maar ik wil de zaak liever in der minne met u afdoen, ofschoon ik overtuigd ben dat ik het menschdom eene dienst zou bewijzen door u een paar loopertjes in de hersens te sturen.”Bij dit gezegde floot er een tweede kogel voorbij, die het geweer verpletterde dat een der knechts bezig was weder te laden.„Duivels! daar moet een eind aan komen,” riep de Amerikaan buiten zich zelven van kwaadheid: „Wat wilt gij toch?”„Wat ik reeds gezegd heb, de zaak met u in der minne afdoen.”„Maar op welke voorwaarden? Zeg mij die ten minste.”„Zoo aanstonds.”Het geweer van den tweeden knecht werd verbrijzeld even als dat van den eersten.Van de vijf mannen waren er thans drie ontwapend.[11]„Verdoemd!” brulde de slavenkooper, „zijt gij dan besloten om ons den een na den ander tot mikpunt te kiezen?”„Volstrekt niet, ik zoek de kansen slechts gelijk te maken.”„Maar.…”„Wacht, ik ben dadelijk klaar.”Het vierde geweer vloog aan spaanders.„Ziedaar!” vervolgde de Canadees, te voorschijn komende, „nu kunnen we praten.”Hij kwam achter den boom van daan en trad naar den uitersten rand der rivier.„Ja, duivel, wij zullen praten,” riep de Amerikaan. En met eene beweging zoo snel als eene gedachte greep hij het laatste geweer, legde het aan, maar eer hij het nog had kunnen aftrekken, viel hij reeds met een smartelijken kreet op het rotsplat neder.De kogel van den jager had hem in den arm getroffen.„Wacht wat! ik kom bij u,” hervatte de Canadees, altoos even snaaks als te voren.Hij laadde eerst weder zijn buks, sprong in het bootje en met eenige forsche pagaaislagen, was hij weldra aan den anderen oever der rivier.„Ziedaar!” riep hij, uit de praauw stappende en den Amerikaan naderende, die als een slang op de rots lag te krimpen en niets deed dan huilen en vloeken, „heb ik u niet gewaarschuwd? ik heb de kans slechts gelijk willen maken, gij hebt u dus niet te beklagen over hetgeen u gebeurd is, vriend; het is geheel uw eigen schuld.”„Pakt hem aan! doodt hem!” schreeuwde John Davis aan de onbeschrijfelijkste woede ten prooi.„Stil! stil! laten wij bedaard blijven,” hervatte de jager, „gij hebt slechts een wond in uw arm, meer niet; begrijp toch dat ik u gemakkelijk had kunnen dooden, als ik dat gewild had. Wat duivel! gij komt er goedkoop af en ik vind u alles behalve redelijk.”„O! ik zal u vermoorden!” riep de Amerikaan knarstandend.„Dat geloof ik niet, nu althans niet; later durf ik niet zeggen. Maar dit daargelaten; ik kom uw kwetsuur onderzoeken en u verbinden; intusschen kunnen we zamen praten.”„Raak mij niet aan, kom niet onder mijn bereik, want ik weet niet wat ik u zou kunnen doen.”De Canadees haalde de schouders op.„Gij zijt dwaas,” zeide hij.[12]Buiten staat om den radeloozen toestand waarin hij zich bevond langer te verduren, deed de slavenkooper, die door bloedverlies reeds merkelijk verzwakt was, een vergeefsche poging om op te staan en zich op zijn vijand te werpen, hij viel terstond weder neer en raakte weldra buiten kennis, onder het prevelen van een laatste verwensching.De bedienden waren op eenigen afstand werkeloos blijven staan, stom van verbazing, zoo wel over de voorbeeldelooze behendigheid van den onbekenden man, als over de stoutmoedigheid waarmede hij, na hen een voor een ontwapend te hebben, de rivier was overgekomen om zich zoo te zeggen, in hunne handen te leveren, want al hadden zij geen buksen meer, zoo waren zij toch niet zonder pistolen of messen.„Hoort eens, mijne heeren,” sprak de Canadees met een bedaard maar zuur gezigt, „doet, als ik u verzoeken mag, het pankruid van uwe pistolen, of bij den hemel! wij raken hier andermaal aan ’t schermutselen.”De bedienden hadden weinig trek om met hem een nieuwen strijd te beginnen, buitendien was de sympathie die zij voor hun meester gevoelden niet zeer groot, terwijl daarentegen de Canadees door de gezwinde manier waarop hij in alles te werk was gegaan, hun een schier geheimzinnige vrees inboezemde; zij gaven dus aan zijn verzoek met zekere drift gehoor, en wilden hem zelfs hunne messen ter hand stellen.„Dat is onnoodig,” zeide hij; „laten wij ons thans bezighouden met dezen gentleman te verbinden; het zou jammer zijn als zulk een achtenswaardig lid voor de maatschappij verloren ging, daar hij het schoonste sieraad van uitmaakt.”Hij ging terstond aan het werk en werd hierin geholpen door de bedienden, die zijne bevelen met buitengewone snelheid en ijver gehoorzaamden, als gevoelden zij ten volle de magt van zijn zedelijk overwigt.Door hunne levenswijze gedwongen om alle hulp van vreemden te ontberen, bezitten de woudloopers in zekere mate de kennis aangaande de eerste gronden der genees- en vooral der heelkunde, zoodat zij bij voorkomende gelegenheden in staat zijn om beenbreuken of wonden zeer goed te behandelen, met behulp van kruiden of geneesmiddelen die zij in de woestijn hebben leeren kennen, en aldaar door de Indianen gewoonlijk met het beste gevolg worden gebruikt.De jager bewees door de vlugheid en behendigheid waarmede[13]hij den arm van John Davis verbond, dat hij bijna even goed wonden wist te heelen als toe te brengen.De bedienden beschouwden met klimmende bewondering dezen buitengewonen man, die zoo op eens van gedaante scheen veranderd te zijn en met eene vastheid van oog en vaardigheid van hand te werk ging, welke menig heelmeester hem had mogen benijden.Onder het verband leggen was de lijder weder tot zich zelven gekomen, hij had de oogen geopend, maar geen woord gesproken, zijne woede was geheel bedaard, en zijn onbeschofte aard scheen ten volle beteugeld door den krachtigen weerstand dien de Canadees hem geboden had. Op de eerste vlijmende smart zijner wond was eene onbeschrijfelijke verademing gevolgd, zooals altijd wanneer het verband goed wordt aangelegd. Ook had hij tegen wil en dank, bij de weldadige verligting die hij ondervond, zijn bitteren haat voelen plaats maken voor een gevoel daar hij zich nog wel geen rekenschap van geven kon, maar dat hem zijn vijand bijna als een vriend deed beschouwen.Om John Davis naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dat hij niet beter noch slechter was dan de meesten zijner confraters, die even als hij in menschenvleesch handel drijven; aan het lijden der slaven gewoon, die in zijn oog niet beter waren dan redelooze wezens, in een woord, dan geschikte en geoorloofde koopwaar, was zijn hart allengs stomp geworden voor zachtere gevoelens; in een neger zag hij niets anders dan de som die hij er voor betaald had en die hij er weder voor hoopte te ontvangen, en als een echt koopman was hij zeer gehecht aan zijn geld; een weggeloopen slaaf beschouwde hij als een ellendigen dief, tegen wien alle middelen geoorloofd waren om hem weder in handen te krijgen en te beletten dat zijn meester schade leed.Met dat al was deze man niet van alle betere gevoelens ontbloot; buiten zijn vak als slavenkooper genoot hij zekeren naam van welwillendheid en ging hij door voor een gentleman, dat is voor een achtenswaardig en fatsoenlijk burger.„Ziedaar, dat is al weder gedaan,”zei de Canadees terwijl hij met zekerezelfvoldoeninghet verband nog eens nazag; „als gij behoorlijk zorg voor hem draagt, zal hij er over drie weken geen hinder meer van hebben, te minder, daar door een gelukkig toeval, de kogel het been niet geraakt, maar alleen de spieren getroffen heeft. Zoo gij thans spreken wilt, mijn goede vriend, ben ik tot uwe dienst.”„Ik!—ik heb u niets te zeggen, behalve alleen dat gij mij[14]dien vervloekten zwartkop teruggeeft, die de oorzaak is van al dit onheil.”„Hum! als we op deze wijs voortgaan, vrees ik dat wij het nooit eens worden. Gij weet wel dat juist uit de teruggave van dien zwartkop, zoo als gij hem noemt, ons gansche geschil ontstaan is.”„Ik kan toch mijn geld niet verliezen.”„Hoedat, uw geld?”„Mijn slaaf, zoo gij dat liever wilt; hij vertegenwoordigt voor mij eene som, die ik niet gaarne zou willen missen, des te minder, daar mijne zaken sinds den laatsten tijd zeer slecht gaan en ik aanzienlijke verliezen geleden heb.”„Dat is zeker verdrietig, ik beklaag u uit al mijn hart; intusschen verlang ik deze zaak in der minne met u te vereffenen, zooals ik reeds begonnen ben,” zei de Canadees op moedigen toon.De Amerikaan trok een scheef gezigt.„Eene wonderlijke soort van minnelijke vereffening zoo als gij begonnen zijt,” meesmuilde hij.„Dat wij het niet dadelijk eens zijn geworden, vriend, is uw eigen schuld,” zei de jager, „gij waart te driftig, beken het maar.”„Enfin, spreken wij er niet meer over, gedane zaken hebben geen keer.”„Gij hebt gelijk, komen wij liever op de zaak zelve terug; ongelukkigerwijs ben ik arm, anders zou ik u een paar honderd piasters geven, en daarmede was het uit.”De koopman krabde zich achter het oor.„Hoor eens,” zeide hij,„ik weet niet waarom, maar ondanks alles wat er tusschen ons gebeurd is, en misschien wel omdat het gebeurd is, zou ik niet gaarne van u scheiden op onvriendschappelijken voet, te meer daar ik, om u de waarheid te zeggen, weinig om Quoniam geef.”„Wat is dat Quoniam?”„Dat is de neger.”„Ah zoo! zeer goed; wat een gekken naam hebt gij hem gegeven; maar dat doet niets ter zake, gij zegt immers dat gij weinig om hem geeft.”„Al zeer weinig zelfs.”„Hoe kunt gij hem dan zoo koelbloedig najagen met behulp van honden en schietgeweer?”„Uit eigenliefde.”„O! is het dat?” riep de Canadees met blijkbaren tegenzin.„Hoor eens, ik ben slavenkooper, maar”…[15]„Een beroerd vak, dat ik u in de rede val,” beweerde de jager.„Dat kan waar zijn en daar wil ik niet over redetwisten. Maar omtrent een maand geleden werd er te Baton Rouge een groote publieke verkooping van slaven aangekondigd van beiderlei sekse, op het erf van een rijk heer die plotseling gestorven was. Ik ging dus naar Baton Rouge. Onder de slaven aldaar voor de liefhebbers ten toon gesteld, bevond zich Quoniam; de kerel is jong, welgemaakt en sterk; hij ziet er stout en verstandig uit; natuurlijk beviel hij mij op het eerste gezigt, en ik besloot hem te koopen. Ik trad dus naar hem toe en ondervroeg hem en de kerel antwoordde mij, met eene onbeschaamdheid die mij terstond in de war bragt, letterlijk het volgende:„Massa, ik zou u raden mij niet te koopen; ik heb besloten om vrij te zijn of te sterven; wat gij ook doet om mij bij u te houden, ik zeg u vooruit dat ik ontsnappen zal! Zie dus wel wat gij doet, ik heb u gewaarschuwd.” Deze verklaring, zoo beknopt en zoo stellig maakte mij boos. „Wij zullen zien,” zeide ik, en ik ging naar den man die met den verkoop belast was. Deze was een goede kennis van mij en poogde mij insgelijks het aankoopen van Quoniam te ontraden, met een aantal redenen, de een al sterker dan de andere om mij van mijn voornemen af te brengen. Maar mijn besluit stond vast, ik hield vol, en Quoniam werd mij afgestaan voor den prijs van negentig piasters, een ongehoord koopje voor een neger van zijne jaren en kwaliteiten, maar hij was bij allen bekend en niemand had zin in hem. Ik deed mijn nieuwen slaaf de boeijen aan en voerde hem, niet naar mijn huis, maar naar de gevangenis, om zeker te zijn dat hij mij niet ontsnappen zou. Den volgenden morgen, toen ik in de gevangenis kwam, was Quoniam vertrokken: hij had woord gehouden. Na verloop van twee dagen werd hij gevat en teruggebragt, maar dienzelfden avond was hij weder weg, zonder dat ik bij mogelijkheid gissen kon door welk middel het hem gelukt was al mijne voorzorgen te verijdelen en zijne boeijen te verbreken. Wat zal ik u verder zeggen? dat heeft zoo eene maand lang geduurd. Hij werd weder teruggebragt, maar omtrent acht dagen geleden is hij andermaal ontsnapt, sinds al dien tijd heb ik hem gezocht. Daar ik met reden wanhoopte hem ooit te zullen kunnen houden, was ik buiten mij zelven van kwaadheid, en zat ik hem achter de hielen met brakken en bloedhonden, vast besloten om het voor dezen keer het koste wat het wilde uit te maken met dien vervloekten neger, die mij gedurig door de vingers glipte als een adder.”[16]„Dat wil dan zeggen,” opperde de Canadees, die het verslag van den slavenkooper met belangstelling had aangehoord, „dat gij in het uiterste geval niet geaarzeld zoudt hebben om hem te dooden?”„Dat zou ik ook niet, geen oogenblik zelfs, des te minder daar dieonbeschaamdevlegel zoo listig is; hij heeft zoo telkens en bij herhaling met mij gespot en mijne beste plannen verijdeld, dat ik hem eindelijk naar alle duivels wenschte.”„Hoor nu eens op uwe beurt, meester John Davis;” sprak de Canadees, „ik ben niet rijk, dat scheelt veel; waartoe zou ik goud of zilver verzamelen, ik alleenloopend mensch, die de woestijn bewoon en aan wien God iederen dag het noodige voedsel bereidt? Die Quoniam, hoe listig hij wezen mag met al zijne vrijheidszucht en losbandige lusten, boezemt mij onwillekeurig belangstelling in, ik zal zien of ik hem die vrijheid kan bezorgen daar hij zoo vurig en standvastig naar verlangt. Laat ik u dus het volgende voorstellen: daar ginds in mijne praauw liggen drie tijgervellen en twaalf beverhuiden, die in iedere stad van de Unie, bij verkoop, honderd vijftig à twee honderd piasters zullen opbrengen; neem die voor u, en laat hiermede de zaak afgedaan zijn.”John Davis staarde hem aan met eene mengeling van verwondering en welwillendheid.„Gij doet u zelven schade,” sprak hij eindelijk, „de ruiling die gij mij voorslaat is te voordeelig voor mij en te nadeelig voor u. Zoo moet men geene zaken doen.”„Wat kan het u schelen? Ik heb mij nu eenmaal in het hoofd gezet om dien man vrij te koopen.”„Gij kent den ondankbaren aard der negers nog niet,” hervatte John Davis met drift: „en die kerel daar zal u nooit erkentelijk zijn voor hetgeen gij aan hem doet. Integendeel, bij de eerste gelegenheid de beste reeds zal hij u misschien reden geven om u te beklagen over uw goede werk.”„’t Is mogelijk, dat moet hij weten, ik vraag hem niet om dankbaarheid; bewijst hij mij die, des te beter voor hem, zoo niet, dan moge God hem oordeelen! Ik handel volgens mijn hart, mijn loon is in mijn geweten.”„Bij God!gij zijt een brave kerel, dat is uitgemaakt waar,” riep de koopman, buiten staat om zich langer te bedwingen. „Het ware te wenschen dat er wat veel zulke menschen te vinden waren als gij: Welaan! ik wil u bewijzen dat ik niet zoo slecht ben als gij naar hetgeen tusschen ons is voorgevallen reden zoudt[17]hebben te veronderstellen; ik zal de acte van verkoop teekenen en u Quoniam afstaan, maar er niet meer voor aannemen dan een tijgervel, tot aandenken aan onze ontmoeting, al heb ik er nog een van u ontvangen,” vervolgde hij met een scheef gezigt op zijn verbonden arm wijzende.„Top!” riep de Canadees verheugd; „alleen dit nog, dat gij twee vellen neemt in plaats van één, daar ik u om een mes, een bijl en een geweer wil verzoeken, die gij nog hebt, ten behoeve van den armen duivel, dien wij zamen de vrijheid geven,—want nu deelt gij voor de helft in mijn goede werk,—opdat hij voortaan in zijn eigen onderhoud kunne voorzien.”„Het zij zoo!” riep de koopman opgeruimd, „als de kerel toch volstrekt vrij wil zijn, mag hij voor mijn part naar den duivel loopen.”Op een wenk van zijn meester nam een der bedienden uit een der weitasschen een koker, waarin papier, pen en inkt, en schreef op staanden voet, niet een acte van verkoop, maar, op verlangen van den Canadees, eene acte van vrijverklaring in den vereischten vorm, daar de koopman zonder tegenspraak zijne hand onder zette, en die ook door de bedienden als getuigen geteekend werd.„Inderdaad, dat moet ik zeggen!” riep John Davis, „het moge waar zijn dat ik als koopman eene domme streek heb begaan, maar gij moet mij gelooven als ik u verklaar dat ik nog nooit zoo wel over mij zelven voldaan was.”„Dat komt,” hernam de Canadees met ernst, „dat gij thans aan de inspraak van uw hart gehoor hebt gegeven.”De jager ging nu van het terras om de vellen te halen. Na eenige oogenblikken keerde hij terug met twee heerlijke jaguarvellen geheel ongeschonden, en gaf ze den koopman. Deze, volgens overeenkomst, stelde hem op zijne beurt de wapenen ter hand, maar nu maakte de Canadees eene bedenking.„Niet te haastig,” riep hij, „als gij mij die wapens geeft, hoe zult gij het dan maken om naar huis te keeren?”„Laat u dat niet verontrusten,” antwoordde John Davis; „ik heb drie mijlen van hier mijne paarden en mijn volk gelaten, overigens hebben wij onze pistolen nog, die ons de noodige dienst kunnen bewijzen.”„Dat is waar,” zei de jager „als het zoo met u staat, hebt gij niets te vreezen; intusschen, daar uwe wond u niet veroorlooft om een langen weg te voet af te leggen, zal ik met medehulp uwer bedienden een draagbaar voor u gereed maken.”En met dezelfde vaardigheid waarvan hij reeds zoo vele bewijzen[18]gegeven had, stelde de Canadees, in weinige minuten, van takken die hij met zijn bijl op de noodige maat hakte een draagbaar te zamen, wierp er de tijgervellen overheen en liet den gewonde er op plaats nemen.„Voor ditmaal vaarwel!” zeide hij, „misschien dat wij elkaar nooit wederzien. Wij scheiden, zoo ik vertrouw, op een beter voet dan wij elkander ontmoet hebben. Houd steeds in gedachten dat er geen beroep zoo slecht is of het kan door een eerlijk man met eere gedreven worden; en als uw hart u ooit tot een goede daad roept, wees dan niet doof, maar volbreng ze zonder bedenken, want het is God die dan tot u sprak.”„Dank u,” antwoordde de koopman blijkbaar getroffen, „nog een woord eer wij van elkander gaan.”„Spreek.”„Zeg mij uw naam, zoodat, wanneer het toeval ons eenmaal weder bij elkander bragt, ik mij op uwe herinneringen kan beroepen, gelijk gij op de mijne.”„Dat is niet meer dan billijk, ik heet Tranquille; mijne broeders, de woudloopers, noemen mij anders de Tijgerdooder.”Eer nog de koopman van zijne verbazing bekomen kon, toen hij den naam hoorde van den man over wiens stoutmoedig en edel karakter in al de grensdistricten slechts ééne stem opging, was de jager, na hem voor het laatst gegroet te hebben, reeds van het terras afgesprongen, had hij zijne praauw losgemaakt en zich met krachtigen riemslag naar den anderen oever verwijderd.„Tranquille de Tijgerdooder!” mompelde John Davis, zoodra hij alleen was, „dat heeft mij gewis mijn goede geleigeest ingegeven, om mij zulk een man tot vriend te maken.”Hij strekte zich uit op de baar, die door twee zijner knechten op de schouders werd genomen, en na een laatsten blik op den Canadees, die op dit oogenblik aan de overzijde der rivier aan wal stapte, zeide hij:„Op weg.”Weldra was het terras weder eenzaam: de koopman en zijn gevolg waren onder het geboomte verdwenen en men hoorde niets meer dan het steeds zwakker en zwakker wordend geblaf der speurhonden, die voor den kleinen troep uitsprongen. Eindelijk was alles doodstil.[19]
[Inhoud]II.QUONIAM.Terwijl hij tot hen sprak, verloor de Canadees geen enkele beweging zijner tegenstanders uit het oog; de losbranding op bevel van John Davis geschied, bleef derhalve zonder uitwerking; hij had zich schielijk achter den boomstam verborgen daar hij naast stond, en de kogels floten hem onschadelijk langs de ooren.De slavenkooper was woedend dat hij zich dus door den jager teleurgesteld zag, hij uitte tegen hem de vreesselijkste bedreigingen, vloekte en stampvoette van gramschap.Maar bedreigingen noch vloeken konden hem baten; zoo hij de rivier niet overzwom, hetgeen tegenover zulk een onversaagd man als de jager scheen te zijn, onuitvoerlijk was, bestond er hoegenaamd geen middel om zich te wreken, veel min om den slaaf weder in handen te krijgen, dien de Canadees zoo bepaald in zijne bescherming had genomen.Terwijl de Amerikaan zich te vergeefs het hoofd brak om een middel te vinden dat hem de gewenschte voldoening zou verschaffen, floot er een kogel voorbij, die de buks in zijne hand verbrijzelde.„Vervloekte hond!” brulde hij rood van toorn, „wilt gij mij nu vermoorden?”„Daar zou ik het regt toe hebben,” antwoordde de Canadees, „want ik verkeer in het geval van wettige zelfverdediging, dewijl gij zelf mij hebt willen dooden; maar ik wil de zaak liever in der minne met u afdoen, ofschoon ik overtuigd ben dat ik het menschdom eene dienst zou bewijzen door u een paar loopertjes in de hersens te sturen.”Bij dit gezegde floot er een tweede kogel voorbij, die het geweer verpletterde dat een der knechts bezig was weder te laden.„Duivels! daar moet een eind aan komen,” riep de Amerikaan buiten zich zelven van kwaadheid: „Wat wilt gij toch?”„Wat ik reeds gezegd heb, de zaak met u in der minne afdoen.”„Maar op welke voorwaarden? Zeg mij die ten minste.”„Zoo aanstonds.”Het geweer van den tweeden knecht werd verbrijzeld even als dat van den eersten.Van de vijf mannen waren er thans drie ontwapend.[11]„Verdoemd!” brulde de slavenkooper, „zijt gij dan besloten om ons den een na den ander tot mikpunt te kiezen?”„Volstrekt niet, ik zoek de kansen slechts gelijk te maken.”„Maar.…”„Wacht, ik ben dadelijk klaar.”Het vierde geweer vloog aan spaanders.„Ziedaar!” vervolgde de Canadees, te voorschijn komende, „nu kunnen we praten.”Hij kwam achter den boom van daan en trad naar den uitersten rand der rivier.„Ja, duivel, wij zullen praten,” riep de Amerikaan. En met eene beweging zoo snel als eene gedachte greep hij het laatste geweer, legde het aan, maar eer hij het nog had kunnen aftrekken, viel hij reeds met een smartelijken kreet op het rotsplat neder.De kogel van den jager had hem in den arm getroffen.„Wacht wat! ik kom bij u,” hervatte de Canadees, altoos even snaaks als te voren.Hij laadde eerst weder zijn buks, sprong in het bootje en met eenige forsche pagaaislagen, was hij weldra aan den anderen oever der rivier.„Ziedaar!” riep hij, uit de praauw stappende en den Amerikaan naderende, die als een slang op de rots lag te krimpen en niets deed dan huilen en vloeken, „heb ik u niet gewaarschuwd? ik heb de kans slechts gelijk willen maken, gij hebt u dus niet te beklagen over hetgeen u gebeurd is, vriend; het is geheel uw eigen schuld.”„Pakt hem aan! doodt hem!” schreeuwde John Davis aan de onbeschrijfelijkste woede ten prooi.„Stil! stil! laten wij bedaard blijven,” hervatte de jager, „gij hebt slechts een wond in uw arm, meer niet; begrijp toch dat ik u gemakkelijk had kunnen dooden, als ik dat gewild had. Wat duivel! gij komt er goedkoop af en ik vind u alles behalve redelijk.”„O! ik zal u vermoorden!” riep de Amerikaan knarstandend.„Dat geloof ik niet, nu althans niet; later durf ik niet zeggen. Maar dit daargelaten; ik kom uw kwetsuur onderzoeken en u verbinden; intusschen kunnen we zamen praten.”„Raak mij niet aan, kom niet onder mijn bereik, want ik weet niet wat ik u zou kunnen doen.”De Canadees haalde de schouders op.„Gij zijt dwaas,” zeide hij.[12]Buiten staat om den radeloozen toestand waarin hij zich bevond langer te verduren, deed de slavenkooper, die door bloedverlies reeds merkelijk verzwakt was, een vergeefsche poging om op te staan en zich op zijn vijand te werpen, hij viel terstond weder neer en raakte weldra buiten kennis, onder het prevelen van een laatste verwensching.De bedienden waren op eenigen afstand werkeloos blijven staan, stom van verbazing, zoo wel over de voorbeeldelooze behendigheid van den onbekenden man, als over de stoutmoedigheid waarmede hij, na hen een voor een ontwapend te hebben, de rivier was overgekomen om zich zoo te zeggen, in hunne handen te leveren, want al hadden zij geen buksen meer, zoo waren zij toch niet zonder pistolen of messen.„Hoort eens, mijne heeren,” sprak de Canadees met een bedaard maar zuur gezigt, „doet, als ik u verzoeken mag, het pankruid van uwe pistolen, of bij den hemel! wij raken hier andermaal aan ’t schermutselen.”De bedienden hadden weinig trek om met hem een nieuwen strijd te beginnen, buitendien was de sympathie die zij voor hun meester gevoelden niet zeer groot, terwijl daarentegen de Canadees door de gezwinde manier waarop hij in alles te werk was gegaan, hun een schier geheimzinnige vrees inboezemde; zij gaven dus aan zijn verzoek met zekere drift gehoor, en wilden hem zelfs hunne messen ter hand stellen.„Dat is onnoodig,” zeide hij; „laten wij ons thans bezighouden met dezen gentleman te verbinden; het zou jammer zijn als zulk een achtenswaardig lid voor de maatschappij verloren ging, daar hij het schoonste sieraad van uitmaakt.”Hij ging terstond aan het werk en werd hierin geholpen door de bedienden, die zijne bevelen met buitengewone snelheid en ijver gehoorzaamden, als gevoelden zij ten volle de magt van zijn zedelijk overwigt.Door hunne levenswijze gedwongen om alle hulp van vreemden te ontberen, bezitten de woudloopers in zekere mate de kennis aangaande de eerste gronden der genees- en vooral der heelkunde, zoodat zij bij voorkomende gelegenheden in staat zijn om beenbreuken of wonden zeer goed te behandelen, met behulp van kruiden of geneesmiddelen die zij in de woestijn hebben leeren kennen, en aldaar door de Indianen gewoonlijk met het beste gevolg worden gebruikt.De jager bewees door de vlugheid en behendigheid waarmede[13]hij den arm van John Davis verbond, dat hij bijna even goed wonden wist te heelen als toe te brengen.De bedienden beschouwden met klimmende bewondering dezen buitengewonen man, die zoo op eens van gedaante scheen veranderd te zijn en met eene vastheid van oog en vaardigheid van hand te werk ging, welke menig heelmeester hem had mogen benijden.Onder het verband leggen was de lijder weder tot zich zelven gekomen, hij had de oogen geopend, maar geen woord gesproken, zijne woede was geheel bedaard, en zijn onbeschofte aard scheen ten volle beteugeld door den krachtigen weerstand dien de Canadees hem geboden had. Op de eerste vlijmende smart zijner wond was eene onbeschrijfelijke verademing gevolgd, zooals altijd wanneer het verband goed wordt aangelegd. Ook had hij tegen wil en dank, bij de weldadige verligting die hij ondervond, zijn bitteren haat voelen plaats maken voor een gevoel daar hij zich nog wel geen rekenschap van geven kon, maar dat hem zijn vijand bijna als een vriend deed beschouwen.Om John Davis naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dat hij niet beter noch slechter was dan de meesten zijner confraters, die even als hij in menschenvleesch handel drijven; aan het lijden der slaven gewoon, die in zijn oog niet beter waren dan redelooze wezens, in een woord, dan geschikte en geoorloofde koopwaar, was zijn hart allengs stomp geworden voor zachtere gevoelens; in een neger zag hij niets anders dan de som die hij er voor betaald had en die hij er weder voor hoopte te ontvangen, en als een echt koopman was hij zeer gehecht aan zijn geld; een weggeloopen slaaf beschouwde hij als een ellendigen dief, tegen wien alle middelen geoorloofd waren om hem weder in handen te krijgen en te beletten dat zijn meester schade leed.Met dat al was deze man niet van alle betere gevoelens ontbloot; buiten zijn vak als slavenkooper genoot hij zekeren naam van welwillendheid en ging hij door voor een gentleman, dat is voor een achtenswaardig en fatsoenlijk burger.„Ziedaar, dat is al weder gedaan,”zei de Canadees terwijl hij met zekerezelfvoldoeninghet verband nog eens nazag; „als gij behoorlijk zorg voor hem draagt, zal hij er over drie weken geen hinder meer van hebben, te minder, daar door een gelukkig toeval, de kogel het been niet geraakt, maar alleen de spieren getroffen heeft. Zoo gij thans spreken wilt, mijn goede vriend, ben ik tot uwe dienst.”„Ik!—ik heb u niets te zeggen, behalve alleen dat gij mij[14]dien vervloekten zwartkop teruggeeft, die de oorzaak is van al dit onheil.”„Hum! als we op deze wijs voortgaan, vrees ik dat wij het nooit eens worden. Gij weet wel dat juist uit de teruggave van dien zwartkop, zoo als gij hem noemt, ons gansche geschil ontstaan is.”„Ik kan toch mijn geld niet verliezen.”„Hoedat, uw geld?”„Mijn slaaf, zoo gij dat liever wilt; hij vertegenwoordigt voor mij eene som, die ik niet gaarne zou willen missen, des te minder, daar mijne zaken sinds den laatsten tijd zeer slecht gaan en ik aanzienlijke verliezen geleden heb.”„Dat is zeker verdrietig, ik beklaag u uit al mijn hart; intusschen verlang ik deze zaak in der minne met u te vereffenen, zooals ik reeds begonnen ben,” zei de Canadees op moedigen toon.De Amerikaan trok een scheef gezigt.„Eene wonderlijke soort van minnelijke vereffening zoo als gij begonnen zijt,” meesmuilde hij.„Dat wij het niet dadelijk eens zijn geworden, vriend, is uw eigen schuld,” zei de jager, „gij waart te driftig, beken het maar.”„Enfin, spreken wij er niet meer over, gedane zaken hebben geen keer.”„Gij hebt gelijk, komen wij liever op de zaak zelve terug; ongelukkigerwijs ben ik arm, anders zou ik u een paar honderd piasters geven, en daarmede was het uit.”De koopman krabde zich achter het oor.„Hoor eens,” zeide hij,„ik weet niet waarom, maar ondanks alles wat er tusschen ons gebeurd is, en misschien wel omdat het gebeurd is, zou ik niet gaarne van u scheiden op onvriendschappelijken voet, te meer daar ik, om u de waarheid te zeggen, weinig om Quoniam geef.”„Wat is dat Quoniam?”„Dat is de neger.”„Ah zoo! zeer goed; wat een gekken naam hebt gij hem gegeven; maar dat doet niets ter zake, gij zegt immers dat gij weinig om hem geeft.”„Al zeer weinig zelfs.”„Hoe kunt gij hem dan zoo koelbloedig najagen met behulp van honden en schietgeweer?”„Uit eigenliefde.”„O! is het dat?” riep de Canadees met blijkbaren tegenzin.„Hoor eens, ik ben slavenkooper, maar”…[15]„Een beroerd vak, dat ik u in de rede val,” beweerde de jager.„Dat kan waar zijn en daar wil ik niet over redetwisten. Maar omtrent een maand geleden werd er te Baton Rouge een groote publieke verkooping van slaven aangekondigd van beiderlei sekse, op het erf van een rijk heer die plotseling gestorven was. Ik ging dus naar Baton Rouge. Onder de slaven aldaar voor de liefhebbers ten toon gesteld, bevond zich Quoniam; de kerel is jong, welgemaakt en sterk; hij ziet er stout en verstandig uit; natuurlijk beviel hij mij op het eerste gezigt, en ik besloot hem te koopen. Ik trad dus naar hem toe en ondervroeg hem en de kerel antwoordde mij, met eene onbeschaamdheid die mij terstond in de war bragt, letterlijk het volgende:„Massa, ik zou u raden mij niet te koopen; ik heb besloten om vrij te zijn of te sterven; wat gij ook doet om mij bij u te houden, ik zeg u vooruit dat ik ontsnappen zal! Zie dus wel wat gij doet, ik heb u gewaarschuwd.” Deze verklaring, zoo beknopt en zoo stellig maakte mij boos. „Wij zullen zien,” zeide ik, en ik ging naar den man die met den verkoop belast was. Deze was een goede kennis van mij en poogde mij insgelijks het aankoopen van Quoniam te ontraden, met een aantal redenen, de een al sterker dan de andere om mij van mijn voornemen af te brengen. Maar mijn besluit stond vast, ik hield vol, en Quoniam werd mij afgestaan voor den prijs van negentig piasters, een ongehoord koopje voor een neger van zijne jaren en kwaliteiten, maar hij was bij allen bekend en niemand had zin in hem. Ik deed mijn nieuwen slaaf de boeijen aan en voerde hem, niet naar mijn huis, maar naar de gevangenis, om zeker te zijn dat hij mij niet ontsnappen zou. Den volgenden morgen, toen ik in de gevangenis kwam, was Quoniam vertrokken: hij had woord gehouden. Na verloop van twee dagen werd hij gevat en teruggebragt, maar dienzelfden avond was hij weder weg, zonder dat ik bij mogelijkheid gissen kon door welk middel het hem gelukt was al mijne voorzorgen te verijdelen en zijne boeijen te verbreken. Wat zal ik u verder zeggen? dat heeft zoo eene maand lang geduurd. Hij werd weder teruggebragt, maar omtrent acht dagen geleden is hij andermaal ontsnapt, sinds al dien tijd heb ik hem gezocht. Daar ik met reden wanhoopte hem ooit te zullen kunnen houden, was ik buiten mij zelven van kwaadheid, en zat ik hem achter de hielen met brakken en bloedhonden, vast besloten om het voor dezen keer het koste wat het wilde uit te maken met dien vervloekten neger, die mij gedurig door de vingers glipte als een adder.”[16]„Dat wil dan zeggen,” opperde de Canadees, die het verslag van den slavenkooper met belangstelling had aangehoord, „dat gij in het uiterste geval niet geaarzeld zoudt hebben om hem te dooden?”„Dat zou ik ook niet, geen oogenblik zelfs, des te minder daar dieonbeschaamdevlegel zoo listig is; hij heeft zoo telkens en bij herhaling met mij gespot en mijne beste plannen verijdeld, dat ik hem eindelijk naar alle duivels wenschte.”„Hoor nu eens op uwe beurt, meester John Davis;” sprak de Canadees, „ik ben niet rijk, dat scheelt veel; waartoe zou ik goud of zilver verzamelen, ik alleenloopend mensch, die de woestijn bewoon en aan wien God iederen dag het noodige voedsel bereidt? Die Quoniam, hoe listig hij wezen mag met al zijne vrijheidszucht en losbandige lusten, boezemt mij onwillekeurig belangstelling in, ik zal zien of ik hem die vrijheid kan bezorgen daar hij zoo vurig en standvastig naar verlangt. Laat ik u dus het volgende voorstellen: daar ginds in mijne praauw liggen drie tijgervellen en twaalf beverhuiden, die in iedere stad van de Unie, bij verkoop, honderd vijftig à twee honderd piasters zullen opbrengen; neem die voor u, en laat hiermede de zaak afgedaan zijn.”John Davis staarde hem aan met eene mengeling van verwondering en welwillendheid.„Gij doet u zelven schade,” sprak hij eindelijk, „de ruiling die gij mij voorslaat is te voordeelig voor mij en te nadeelig voor u. Zoo moet men geene zaken doen.”„Wat kan het u schelen? Ik heb mij nu eenmaal in het hoofd gezet om dien man vrij te koopen.”„Gij kent den ondankbaren aard der negers nog niet,” hervatte John Davis met drift: „en die kerel daar zal u nooit erkentelijk zijn voor hetgeen gij aan hem doet. Integendeel, bij de eerste gelegenheid de beste reeds zal hij u misschien reden geven om u te beklagen over uw goede werk.”„’t Is mogelijk, dat moet hij weten, ik vraag hem niet om dankbaarheid; bewijst hij mij die, des te beter voor hem, zoo niet, dan moge God hem oordeelen! Ik handel volgens mijn hart, mijn loon is in mijn geweten.”„Bij God!gij zijt een brave kerel, dat is uitgemaakt waar,” riep de koopman, buiten staat om zich langer te bedwingen. „Het ware te wenschen dat er wat veel zulke menschen te vinden waren als gij: Welaan! ik wil u bewijzen dat ik niet zoo slecht ben als gij naar hetgeen tusschen ons is voorgevallen reden zoudt[17]hebben te veronderstellen; ik zal de acte van verkoop teekenen en u Quoniam afstaan, maar er niet meer voor aannemen dan een tijgervel, tot aandenken aan onze ontmoeting, al heb ik er nog een van u ontvangen,” vervolgde hij met een scheef gezigt op zijn verbonden arm wijzende.„Top!” riep de Canadees verheugd; „alleen dit nog, dat gij twee vellen neemt in plaats van één, daar ik u om een mes, een bijl en een geweer wil verzoeken, die gij nog hebt, ten behoeve van den armen duivel, dien wij zamen de vrijheid geven,—want nu deelt gij voor de helft in mijn goede werk,—opdat hij voortaan in zijn eigen onderhoud kunne voorzien.”„Het zij zoo!” riep de koopman opgeruimd, „als de kerel toch volstrekt vrij wil zijn, mag hij voor mijn part naar den duivel loopen.”Op een wenk van zijn meester nam een der bedienden uit een der weitasschen een koker, waarin papier, pen en inkt, en schreef op staanden voet, niet een acte van verkoop, maar, op verlangen van den Canadees, eene acte van vrijverklaring in den vereischten vorm, daar de koopman zonder tegenspraak zijne hand onder zette, en die ook door de bedienden als getuigen geteekend werd.„Inderdaad, dat moet ik zeggen!” riep John Davis, „het moge waar zijn dat ik als koopman eene domme streek heb begaan, maar gij moet mij gelooven als ik u verklaar dat ik nog nooit zoo wel over mij zelven voldaan was.”„Dat komt,” hernam de Canadees met ernst, „dat gij thans aan de inspraak van uw hart gehoor hebt gegeven.”De jager ging nu van het terras om de vellen te halen. Na eenige oogenblikken keerde hij terug met twee heerlijke jaguarvellen geheel ongeschonden, en gaf ze den koopman. Deze, volgens overeenkomst, stelde hem op zijne beurt de wapenen ter hand, maar nu maakte de Canadees eene bedenking.„Niet te haastig,” riep hij, „als gij mij die wapens geeft, hoe zult gij het dan maken om naar huis te keeren?”„Laat u dat niet verontrusten,” antwoordde John Davis; „ik heb drie mijlen van hier mijne paarden en mijn volk gelaten, overigens hebben wij onze pistolen nog, die ons de noodige dienst kunnen bewijzen.”„Dat is waar,” zei de jager „als het zoo met u staat, hebt gij niets te vreezen; intusschen, daar uwe wond u niet veroorlooft om een langen weg te voet af te leggen, zal ik met medehulp uwer bedienden een draagbaar voor u gereed maken.”En met dezelfde vaardigheid waarvan hij reeds zoo vele bewijzen[18]gegeven had, stelde de Canadees, in weinige minuten, van takken die hij met zijn bijl op de noodige maat hakte een draagbaar te zamen, wierp er de tijgervellen overheen en liet den gewonde er op plaats nemen.„Voor ditmaal vaarwel!” zeide hij, „misschien dat wij elkaar nooit wederzien. Wij scheiden, zoo ik vertrouw, op een beter voet dan wij elkander ontmoet hebben. Houd steeds in gedachten dat er geen beroep zoo slecht is of het kan door een eerlijk man met eere gedreven worden; en als uw hart u ooit tot een goede daad roept, wees dan niet doof, maar volbreng ze zonder bedenken, want het is God die dan tot u sprak.”„Dank u,” antwoordde de koopman blijkbaar getroffen, „nog een woord eer wij van elkander gaan.”„Spreek.”„Zeg mij uw naam, zoodat, wanneer het toeval ons eenmaal weder bij elkander bragt, ik mij op uwe herinneringen kan beroepen, gelijk gij op de mijne.”„Dat is niet meer dan billijk, ik heet Tranquille; mijne broeders, de woudloopers, noemen mij anders de Tijgerdooder.”Eer nog de koopman van zijne verbazing bekomen kon, toen hij den naam hoorde van den man over wiens stoutmoedig en edel karakter in al de grensdistricten slechts ééne stem opging, was de jager, na hem voor het laatst gegroet te hebben, reeds van het terras afgesprongen, had hij zijne praauw losgemaakt en zich met krachtigen riemslag naar den anderen oever verwijderd.„Tranquille de Tijgerdooder!” mompelde John Davis, zoodra hij alleen was, „dat heeft mij gewis mijn goede geleigeest ingegeven, om mij zulk een man tot vriend te maken.”Hij strekte zich uit op de baar, die door twee zijner knechten op de schouders werd genomen, en na een laatsten blik op den Canadees, die op dit oogenblik aan de overzijde der rivier aan wal stapte, zeide hij:„Op weg.”Weldra was het terras weder eenzaam: de koopman en zijn gevolg waren onder het geboomte verdwenen en men hoorde niets meer dan het steeds zwakker en zwakker wordend geblaf der speurhonden, die voor den kleinen troep uitsprongen. Eindelijk was alles doodstil.[19]
II.QUONIAM.
Terwijl hij tot hen sprak, verloor de Canadees geen enkele beweging zijner tegenstanders uit het oog; de losbranding op bevel van John Davis geschied, bleef derhalve zonder uitwerking; hij had zich schielijk achter den boomstam verborgen daar hij naast stond, en de kogels floten hem onschadelijk langs de ooren.De slavenkooper was woedend dat hij zich dus door den jager teleurgesteld zag, hij uitte tegen hem de vreesselijkste bedreigingen, vloekte en stampvoette van gramschap.Maar bedreigingen noch vloeken konden hem baten; zoo hij de rivier niet overzwom, hetgeen tegenover zulk een onversaagd man als de jager scheen te zijn, onuitvoerlijk was, bestond er hoegenaamd geen middel om zich te wreken, veel min om den slaaf weder in handen te krijgen, dien de Canadees zoo bepaald in zijne bescherming had genomen.Terwijl de Amerikaan zich te vergeefs het hoofd brak om een middel te vinden dat hem de gewenschte voldoening zou verschaffen, floot er een kogel voorbij, die de buks in zijne hand verbrijzelde.„Vervloekte hond!” brulde hij rood van toorn, „wilt gij mij nu vermoorden?”„Daar zou ik het regt toe hebben,” antwoordde de Canadees, „want ik verkeer in het geval van wettige zelfverdediging, dewijl gij zelf mij hebt willen dooden; maar ik wil de zaak liever in der minne met u afdoen, ofschoon ik overtuigd ben dat ik het menschdom eene dienst zou bewijzen door u een paar loopertjes in de hersens te sturen.”Bij dit gezegde floot er een tweede kogel voorbij, die het geweer verpletterde dat een der knechts bezig was weder te laden.„Duivels! daar moet een eind aan komen,” riep de Amerikaan buiten zich zelven van kwaadheid: „Wat wilt gij toch?”„Wat ik reeds gezegd heb, de zaak met u in der minne afdoen.”„Maar op welke voorwaarden? Zeg mij die ten minste.”„Zoo aanstonds.”Het geweer van den tweeden knecht werd verbrijzeld even als dat van den eersten.Van de vijf mannen waren er thans drie ontwapend.[11]„Verdoemd!” brulde de slavenkooper, „zijt gij dan besloten om ons den een na den ander tot mikpunt te kiezen?”„Volstrekt niet, ik zoek de kansen slechts gelijk te maken.”„Maar.…”„Wacht, ik ben dadelijk klaar.”Het vierde geweer vloog aan spaanders.„Ziedaar!” vervolgde de Canadees, te voorschijn komende, „nu kunnen we praten.”Hij kwam achter den boom van daan en trad naar den uitersten rand der rivier.„Ja, duivel, wij zullen praten,” riep de Amerikaan. En met eene beweging zoo snel als eene gedachte greep hij het laatste geweer, legde het aan, maar eer hij het nog had kunnen aftrekken, viel hij reeds met een smartelijken kreet op het rotsplat neder.De kogel van den jager had hem in den arm getroffen.„Wacht wat! ik kom bij u,” hervatte de Canadees, altoos even snaaks als te voren.Hij laadde eerst weder zijn buks, sprong in het bootje en met eenige forsche pagaaislagen, was hij weldra aan den anderen oever der rivier.„Ziedaar!” riep hij, uit de praauw stappende en den Amerikaan naderende, die als een slang op de rots lag te krimpen en niets deed dan huilen en vloeken, „heb ik u niet gewaarschuwd? ik heb de kans slechts gelijk willen maken, gij hebt u dus niet te beklagen over hetgeen u gebeurd is, vriend; het is geheel uw eigen schuld.”„Pakt hem aan! doodt hem!” schreeuwde John Davis aan de onbeschrijfelijkste woede ten prooi.„Stil! stil! laten wij bedaard blijven,” hervatte de jager, „gij hebt slechts een wond in uw arm, meer niet; begrijp toch dat ik u gemakkelijk had kunnen dooden, als ik dat gewild had. Wat duivel! gij komt er goedkoop af en ik vind u alles behalve redelijk.”„O! ik zal u vermoorden!” riep de Amerikaan knarstandend.„Dat geloof ik niet, nu althans niet; later durf ik niet zeggen. Maar dit daargelaten; ik kom uw kwetsuur onderzoeken en u verbinden; intusschen kunnen we zamen praten.”„Raak mij niet aan, kom niet onder mijn bereik, want ik weet niet wat ik u zou kunnen doen.”De Canadees haalde de schouders op.„Gij zijt dwaas,” zeide hij.[12]Buiten staat om den radeloozen toestand waarin hij zich bevond langer te verduren, deed de slavenkooper, die door bloedverlies reeds merkelijk verzwakt was, een vergeefsche poging om op te staan en zich op zijn vijand te werpen, hij viel terstond weder neer en raakte weldra buiten kennis, onder het prevelen van een laatste verwensching.De bedienden waren op eenigen afstand werkeloos blijven staan, stom van verbazing, zoo wel over de voorbeeldelooze behendigheid van den onbekenden man, als over de stoutmoedigheid waarmede hij, na hen een voor een ontwapend te hebben, de rivier was overgekomen om zich zoo te zeggen, in hunne handen te leveren, want al hadden zij geen buksen meer, zoo waren zij toch niet zonder pistolen of messen.„Hoort eens, mijne heeren,” sprak de Canadees met een bedaard maar zuur gezigt, „doet, als ik u verzoeken mag, het pankruid van uwe pistolen, of bij den hemel! wij raken hier andermaal aan ’t schermutselen.”De bedienden hadden weinig trek om met hem een nieuwen strijd te beginnen, buitendien was de sympathie die zij voor hun meester gevoelden niet zeer groot, terwijl daarentegen de Canadees door de gezwinde manier waarop hij in alles te werk was gegaan, hun een schier geheimzinnige vrees inboezemde; zij gaven dus aan zijn verzoek met zekere drift gehoor, en wilden hem zelfs hunne messen ter hand stellen.„Dat is onnoodig,” zeide hij; „laten wij ons thans bezighouden met dezen gentleman te verbinden; het zou jammer zijn als zulk een achtenswaardig lid voor de maatschappij verloren ging, daar hij het schoonste sieraad van uitmaakt.”Hij ging terstond aan het werk en werd hierin geholpen door de bedienden, die zijne bevelen met buitengewone snelheid en ijver gehoorzaamden, als gevoelden zij ten volle de magt van zijn zedelijk overwigt.Door hunne levenswijze gedwongen om alle hulp van vreemden te ontberen, bezitten de woudloopers in zekere mate de kennis aangaande de eerste gronden der genees- en vooral der heelkunde, zoodat zij bij voorkomende gelegenheden in staat zijn om beenbreuken of wonden zeer goed te behandelen, met behulp van kruiden of geneesmiddelen die zij in de woestijn hebben leeren kennen, en aldaar door de Indianen gewoonlijk met het beste gevolg worden gebruikt.De jager bewees door de vlugheid en behendigheid waarmede[13]hij den arm van John Davis verbond, dat hij bijna even goed wonden wist te heelen als toe te brengen.De bedienden beschouwden met klimmende bewondering dezen buitengewonen man, die zoo op eens van gedaante scheen veranderd te zijn en met eene vastheid van oog en vaardigheid van hand te werk ging, welke menig heelmeester hem had mogen benijden.Onder het verband leggen was de lijder weder tot zich zelven gekomen, hij had de oogen geopend, maar geen woord gesproken, zijne woede was geheel bedaard, en zijn onbeschofte aard scheen ten volle beteugeld door den krachtigen weerstand dien de Canadees hem geboden had. Op de eerste vlijmende smart zijner wond was eene onbeschrijfelijke verademing gevolgd, zooals altijd wanneer het verband goed wordt aangelegd. Ook had hij tegen wil en dank, bij de weldadige verligting die hij ondervond, zijn bitteren haat voelen plaats maken voor een gevoel daar hij zich nog wel geen rekenschap van geven kon, maar dat hem zijn vijand bijna als een vriend deed beschouwen.Om John Davis naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dat hij niet beter noch slechter was dan de meesten zijner confraters, die even als hij in menschenvleesch handel drijven; aan het lijden der slaven gewoon, die in zijn oog niet beter waren dan redelooze wezens, in een woord, dan geschikte en geoorloofde koopwaar, was zijn hart allengs stomp geworden voor zachtere gevoelens; in een neger zag hij niets anders dan de som die hij er voor betaald had en die hij er weder voor hoopte te ontvangen, en als een echt koopman was hij zeer gehecht aan zijn geld; een weggeloopen slaaf beschouwde hij als een ellendigen dief, tegen wien alle middelen geoorloofd waren om hem weder in handen te krijgen en te beletten dat zijn meester schade leed.Met dat al was deze man niet van alle betere gevoelens ontbloot; buiten zijn vak als slavenkooper genoot hij zekeren naam van welwillendheid en ging hij door voor een gentleman, dat is voor een achtenswaardig en fatsoenlijk burger.„Ziedaar, dat is al weder gedaan,”zei de Canadees terwijl hij met zekerezelfvoldoeninghet verband nog eens nazag; „als gij behoorlijk zorg voor hem draagt, zal hij er over drie weken geen hinder meer van hebben, te minder, daar door een gelukkig toeval, de kogel het been niet geraakt, maar alleen de spieren getroffen heeft. Zoo gij thans spreken wilt, mijn goede vriend, ben ik tot uwe dienst.”„Ik!—ik heb u niets te zeggen, behalve alleen dat gij mij[14]dien vervloekten zwartkop teruggeeft, die de oorzaak is van al dit onheil.”„Hum! als we op deze wijs voortgaan, vrees ik dat wij het nooit eens worden. Gij weet wel dat juist uit de teruggave van dien zwartkop, zoo als gij hem noemt, ons gansche geschil ontstaan is.”„Ik kan toch mijn geld niet verliezen.”„Hoedat, uw geld?”„Mijn slaaf, zoo gij dat liever wilt; hij vertegenwoordigt voor mij eene som, die ik niet gaarne zou willen missen, des te minder, daar mijne zaken sinds den laatsten tijd zeer slecht gaan en ik aanzienlijke verliezen geleden heb.”„Dat is zeker verdrietig, ik beklaag u uit al mijn hart; intusschen verlang ik deze zaak in der minne met u te vereffenen, zooals ik reeds begonnen ben,” zei de Canadees op moedigen toon.De Amerikaan trok een scheef gezigt.„Eene wonderlijke soort van minnelijke vereffening zoo als gij begonnen zijt,” meesmuilde hij.„Dat wij het niet dadelijk eens zijn geworden, vriend, is uw eigen schuld,” zei de jager, „gij waart te driftig, beken het maar.”„Enfin, spreken wij er niet meer over, gedane zaken hebben geen keer.”„Gij hebt gelijk, komen wij liever op de zaak zelve terug; ongelukkigerwijs ben ik arm, anders zou ik u een paar honderd piasters geven, en daarmede was het uit.”De koopman krabde zich achter het oor.„Hoor eens,” zeide hij,„ik weet niet waarom, maar ondanks alles wat er tusschen ons gebeurd is, en misschien wel omdat het gebeurd is, zou ik niet gaarne van u scheiden op onvriendschappelijken voet, te meer daar ik, om u de waarheid te zeggen, weinig om Quoniam geef.”„Wat is dat Quoniam?”„Dat is de neger.”„Ah zoo! zeer goed; wat een gekken naam hebt gij hem gegeven; maar dat doet niets ter zake, gij zegt immers dat gij weinig om hem geeft.”„Al zeer weinig zelfs.”„Hoe kunt gij hem dan zoo koelbloedig najagen met behulp van honden en schietgeweer?”„Uit eigenliefde.”„O! is het dat?” riep de Canadees met blijkbaren tegenzin.„Hoor eens, ik ben slavenkooper, maar”…[15]„Een beroerd vak, dat ik u in de rede val,” beweerde de jager.„Dat kan waar zijn en daar wil ik niet over redetwisten. Maar omtrent een maand geleden werd er te Baton Rouge een groote publieke verkooping van slaven aangekondigd van beiderlei sekse, op het erf van een rijk heer die plotseling gestorven was. Ik ging dus naar Baton Rouge. Onder de slaven aldaar voor de liefhebbers ten toon gesteld, bevond zich Quoniam; de kerel is jong, welgemaakt en sterk; hij ziet er stout en verstandig uit; natuurlijk beviel hij mij op het eerste gezigt, en ik besloot hem te koopen. Ik trad dus naar hem toe en ondervroeg hem en de kerel antwoordde mij, met eene onbeschaamdheid die mij terstond in de war bragt, letterlijk het volgende:„Massa, ik zou u raden mij niet te koopen; ik heb besloten om vrij te zijn of te sterven; wat gij ook doet om mij bij u te houden, ik zeg u vooruit dat ik ontsnappen zal! Zie dus wel wat gij doet, ik heb u gewaarschuwd.” Deze verklaring, zoo beknopt en zoo stellig maakte mij boos. „Wij zullen zien,” zeide ik, en ik ging naar den man die met den verkoop belast was. Deze was een goede kennis van mij en poogde mij insgelijks het aankoopen van Quoniam te ontraden, met een aantal redenen, de een al sterker dan de andere om mij van mijn voornemen af te brengen. Maar mijn besluit stond vast, ik hield vol, en Quoniam werd mij afgestaan voor den prijs van negentig piasters, een ongehoord koopje voor een neger van zijne jaren en kwaliteiten, maar hij was bij allen bekend en niemand had zin in hem. Ik deed mijn nieuwen slaaf de boeijen aan en voerde hem, niet naar mijn huis, maar naar de gevangenis, om zeker te zijn dat hij mij niet ontsnappen zou. Den volgenden morgen, toen ik in de gevangenis kwam, was Quoniam vertrokken: hij had woord gehouden. Na verloop van twee dagen werd hij gevat en teruggebragt, maar dienzelfden avond was hij weder weg, zonder dat ik bij mogelijkheid gissen kon door welk middel het hem gelukt was al mijne voorzorgen te verijdelen en zijne boeijen te verbreken. Wat zal ik u verder zeggen? dat heeft zoo eene maand lang geduurd. Hij werd weder teruggebragt, maar omtrent acht dagen geleden is hij andermaal ontsnapt, sinds al dien tijd heb ik hem gezocht. Daar ik met reden wanhoopte hem ooit te zullen kunnen houden, was ik buiten mij zelven van kwaadheid, en zat ik hem achter de hielen met brakken en bloedhonden, vast besloten om het voor dezen keer het koste wat het wilde uit te maken met dien vervloekten neger, die mij gedurig door de vingers glipte als een adder.”[16]„Dat wil dan zeggen,” opperde de Canadees, die het verslag van den slavenkooper met belangstelling had aangehoord, „dat gij in het uiterste geval niet geaarzeld zoudt hebben om hem te dooden?”„Dat zou ik ook niet, geen oogenblik zelfs, des te minder daar dieonbeschaamdevlegel zoo listig is; hij heeft zoo telkens en bij herhaling met mij gespot en mijne beste plannen verijdeld, dat ik hem eindelijk naar alle duivels wenschte.”„Hoor nu eens op uwe beurt, meester John Davis;” sprak de Canadees, „ik ben niet rijk, dat scheelt veel; waartoe zou ik goud of zilver verzamelen, ik alleenloopend mensch, die de woestijn bewoon en aan wien God iederen dag het noodige voedsel bereidt? Die Quoniam, hoe listig hij wezen mag met al zijne vrijheidszucht en losbandige lusten, boezemt mij onwillekeurig belangstelling in, ik zal zien of ik hem die vrijheid kan bezorgen daar hij zoo vurig en standvastig naar verlangt. Laat ik u dus het volgende voorstellen: daar ginds in mijne praauw liggen drie tijgervellen en twaalf beverhuiden, die in iedere stad van de Unie, bij verkoop, honderd vijftig à twee honderd piasters zullen opbrengen; neem die voor u, en laat hiermede de zaak afgedaan zijn.”John Davis staarde hem aan met eene mengeling van verwondering en welwillendheid.„Gij doet u zelven schade,” sprak hij eindelijk, „de ruiling die gij mij voorslaat is te voordeelig voor mij en te nadeelig voor u. Zoo moet men geene zaken doen.”„Wat kan het u schelen? Ik heb mij nu eenmaal in het hoofd gezet om dien man vrij te koopen.”„Gij kent den ondankbaren aard der negers nog niet,” hervatte John Davis met drift: „en die kerel daar zal u nooit erkentelijk zijn voor hetgeen gij aan hem doet. Integendeel, bij de eerste gelegenheid de beste reeds zal hij u misschien reden geven om u te beklagen over uw goede werk.”„’t Is mogelijk, dat moet hij weten, ik vraag hem niet om dankbaarheid; bewijst hij mij die, des te beter voor hem, zoo niet, dan moge God hem oordeelen! Ik handel volgens mijn hart, mijn loon is in mijn geweten.”„Bij God!gij zijt een brave kerel, dat is uitgemaakt waar,” riep de koopman, buiten staat om zich langer te bedwingen. „Het ware te wenschen dat er wat veel zulke menschen te vinden waren als gij: Welaan! ik wil u bewijzen dat ik niet zoo slecht ben als gij naar hetgeen tusschen ons is voorgevallen reden zoudt[17]hebben te veronderstellen; ik zal de acte van verkoop teekenen en u Quoniam afstaan, maar er niet meer voor aannemen dan een tijgervel, tot aandenken aan onze ontmoeting, al heb ik er nog een van u ontvangen,” vervolgde hij met een scheef gezigt op zijn verbonden arm wijzende.„Top!” riep de Canadees verheugd; „alleen dit nog, dat gij twee vellen neemt in plaats van één, daar ik u om een mes, een bijl en een geweer wil verzoeken, die gij nog hebt, ten behoeve van den armen duivel, dien wij zamen de vrijheid geven,—want nu deelt gij voor de helft in mijn goede werk,—opdat hij voortaan in zijn eigen onderhoud kunne voorzien.”„Het zij zoo!” riep de koopman opgeruimd, „als de kerel toch volstrekt vrij wil zijn, mag hij voor mijn part naar den duivel loopen.”Op een wenk van zijn meester nam een der bedienden uit een der weitasschen een koker, waarin papier, pen en inkt, en schreef op staanden voet, niet een acte van verkoop, maar, op verlangen van den Canadees, eene acte van vrijverklaring in den vereischten vorm, daar de koopman zonder tegenspraak zijne hand onder zette, en die ook door de bedienden als getuigen geteekend werd.„Inderdaad, dat moet ik zeggen!” riep John Davis, „het moge waar zijn dat ik als koopman eene domme streek heb begaan, maar gij moet mij gelooven als ik u verklaar dat ik nog nooit zoo wel over mij zelven voldaan was.”„Dat komt,” hernam de Canadees met ernst, „dat gij thans aan de inspraak van uw hart gehoor hebt gegeven.”De jager ging nu van het terras om de vellen te halen. Na eenige oogenblikken keerde hij terug met twee heerlijke jaguarvellen geheel ongeschonden, en gaf ze den koopman. Deze, volgens overeenkomst, stelde hem op zijne beurt de wapenen ter hand, maar nu maakte de Canadees eene bedenking.„Niet te haastig,” riep hij, „als gij mij die wapens geeft, hoe zult gij het dan maken om naar huis te keeren?”„Laat u dat niet verontrusten,” antwoordde John Davis; „ik heb drie mijlen van hier mijne paarden en mijn volk gelaten, overigens hebben wij onze pistolen nog, die ons de noodige dienst kunnen bewijzen.”„Dat is waar,” zei de jager „als het zoo met u staat, hebt gij niets te vreezen; intusschen, daar uwe wond u niet veroorlooft om een langen weg te voet af te leggen, zal ik met medehulp uwer bedienden een draagbaar voor u gereed maken.”En met dezelfde vaardigheid waarvan hij reeds zoo vele bewijzen[18]gegeven had, stelde de Canadees, in weinige minuten, van takken die hij met zijn bijl op de noodige maat hakte een draagbaar te zamen, wierp er de tijgervellen overheen en liet den gewonde er op plaats nemen.„Voor ditmaal vaarwel!” zeide hij, „misschien dat wij elkaar nooit wederzien. Wij scheiden, zoo ik vertrouw, op een beter voet dan wij elkander ontmoet hebben. Houd steeds in gedachten dat er geen beroep zoo slecht is of het kan door een eerlijk man met eere gedreven worden; en als uw hart u ooit tot een goede daad roept, wees dan niet doof, maar volbreng ze zonder bedenken, want het is God die dan tot u sprak.”„Dank u,” antwoordde de koopman blijkbaar getroffen, „nog een woord eer wij van elkander gaan.”„Spreek.”„Zeg mij uw naam, zoodat, wanneer het toeval ons eenmaal weder bij elkander bragt, ik mij op uwe herinneringen kan beroepen, gelijk gij op de mijne.”„Dat is niet meer dan billijk, ik heet Tranquille; mijne broeders, de woudloopers, noemen mij anders de Tijgerdooder.”Eer nog de koopman van zijne verbazing bekomen kon, toen hij den naam hoorde van den man over wiens stoutmoedig en edel karakter in al de grensdistricten slechts ééne stem opging, was de jager, na hem voor het laatst gegroet te hebben, reeds van het terras afgesprongen, had hij zijne praauw losgemaakt en zich met krachtigen riemslag naar den anderen oever verwijderd.„Tranquille de Tijgerdooder!” mompelde John Davis, zoodra hij alleen was, „dat heeft mij gewis mijn goede geleigeest ingegeven, om mij zulk een man tot vriend te maken.”Hij strekte zich uit op de baar, die door twee zijner knechten op de schouders werd genomen, en na een laatsten blik op den Canadees, die op dit oogenblik aan de overzijde der rivier aan wal stapte, zeide hij:„Op weg.”Weldra was het terras weder eenzaam: de koopman en zijn gevolg waren onder het geboomte verdwenen en men hoorde niets meer dan het steeds zwakker en zwakker wordend geblaf der speurhonden, die voor den kleinen troep uitsprongen. Eindelijk was alles doodstil.[19]
Terwijl hij tot hen sprak, verloor de Canadees geen enkele beweging zijner tegenstanders uit het oog; de losbranding op bevel van John Davis geschied, bleef derhalve zonder uitwerking; hij had zich schielijk achter den boomstam verborgen daar hij naast stond, en de kogels floten hem onschadelijk langs de ooren.
De slavenkooper was woedend dat hij zich dus door den jager teleurgesteld zag, hij uitte tegen hem de vreesselijkste bedreigingen, vloekte en stampvoette van gramschap.
Maar bedreigingen noch vloeken konden hem baten; zoo hij de rivier niet overzwom, hetgeen tegenover zulk een onversaagd man als de jager scheen te zijn, onuitvoerlijk was, bestond er hoegenaamd geen middel om zich te wreken, veel min om den slaaf weder in handen te krijgen, dien de Canadees zoo bepaald in zijne bescherming had genomen.
Terwijl de Amerikaan zich te vergeefs het hoofd brak om een middel te vinden dat hem de gewenschte voldoening zou verschaffen, floot er een kogel voorbij, die de buks in zijne hand verbrijzelde.
„Vervloekte hond!” brulde hij rood van toorn, „wilt gij mij nu vermoorden?”
„Daar zou ik het regt toe hebben,” antwoordde de Canadees, „want ik verkeer in het geval van wettige zelfverdediging, dewijl gij zelf mij hebt willen dooden; maar ik wil de zaak liever in der minne met u afdoen, ofschoon ik overtuigd ben dat ik het menschdom eene dienst zou bewijzen door u een paar loopertjes in de hersens te sturen.”
Bij dit gezegde floot er een tweede kogel voorbij, die het geweer verpletterde dat een der knechts bezig was weder te laden.
„Duivels! daar moet een eind aan komen,” riep de Amerikaan buiten zich zelven van kwaadheid: „Wat wilt gij toch?”
„Wat ik reeds gezegd heb, de zaak met u in der minne afdoen.”
„Maar op welke voorwaarden? Zeg mij die ten minste.”
„Zoo aanstonds.”
Het geweer van den tweeden knecht werd verbrijzeld even als dat van den eersten.
Van de vijf mannen waren er thans drie ontwapend.[11]
„Verdoemd!” brulde de slavenkooper, „zijt gij dan besloten om ons den een na den ander tot mikpunt te kiezen?”
„Volstrekt niet, ik zoek de kansen slechts gelijk te maken.”
„Maar.…”
„Wacht, ik ben dadelijk klaar.”
Het vierde geweer vloog aan spaanders.
„Ziedaar!” vervolgde de Canadees, te voorschijn komende, „nu kunnen we praten.”
Hij kwam achter den boom van daan en trad naar den uitersten rand der rivier.
„Ja, duivel, wij zullen praten,” riep de Amerikaan. En met eene beweging zoo snel als eene gedachte greep hij het laatste geweer, legde het aan, maar eer hij het nog had kunnen aftrekken, viel hij reeds met een smartelijken kreet op het rotsplat neder.
De kogel van den jager had hem in den arm getroffen.
„Wacht wat! ik kom bij u,” hervatte de Canadees, altoos even snaaks als te voren.
Hij laadde eerst weder zijn buks, sprong in het bootje en met eenige forsche pagaaislagen, was hij weldra aan den anderen oever der rivier.
„Ziedaar!” riep hij, uit de praauw stappende en den Amerikaan naderende, die als een slang op de rots lag te krimpen en niets deed dan huilen en vloeken, „heb ik u niet gewaarschuwd? ik heb de kans slechts gelijk willen maken, gij hebt u dus niet te beklagen over hetgeen u gebeurd is, vriend; het is geheel uw eigen schuld.”
„Pakt hem aan! doodt hem!” schreeuwde John Davis aan de onbeschrijfelijkste woede ten prooi.
„Stil! stil! laten wij bedaard blijven,” hervatte de jager, „gij hebt slechts een wond in uw arm, meer niet; begrijp toch dat ik u gemakkelijk had kunnen dooden, als ik dat gewild had. Wat duivel! gij komt er goedkoop af en ik vind u alles behalve redelijk.”
„O! ik zal u vermoorden!” riep de Amerikaan knarstandend.
„Dat geloof ik niet, nu althans niet; later durf ik niet zeggen. Maar dit daargelaten; ik kom uw kwetsuur onderzoeken en u verbinden; intusschen kunnen we zamen praten.”
„Raak mij niet aan, kom niet onder mijn bereik, want ik weet niet wat ik u zou kunnen doen.”
De Canadees haalde de schouders op.
„Gij zijt dwaas,” zeide hij.[12]
Buiten staat om den radeloozen toestand waarin hij zich bevond langer te verduren, deed de slavenkooper, die door bloedverlies reeds merkelijk verzwakt was, een vergeefsche poging om op te staan en zich op zijn vijand te werpen, hij viel terstond weder neer en raakte weldra buiten kennis, onder het prevelen van een laatste verwensching.
De bedienden waren op eenigen afstand werkeloos blijven staan, stom van verbazing, zoo wel over de voorbeeldelooze behendigheid van den onbekenden man, als over de stoutmoedigheid waarmede hij, na hen een voor een ontwapend te hebben, de rivier was overgekomen om zich zoo te zeggen, in hunne handen te leveren, want al hadden zij geen buksen meer, zoo waren zij toch niet zonder pistolen of messen.
„Hoort eens, mijne heeren,” sprak de Canadees met een bedaard maar zuur gezigt, „doet, als ik u verzoeken mag, het pankruid van uwe pistolen, of bij den hemel! wij raken hier andermaal aan ’t schermutselen.”
De bedienden hadden weinig trek om met hem een nieuwen strijd te beginnen, buitendien was de sympathie die zij voor hun meester gevoelden niet zeer groot, terwijl daarentegen de Canadees door de gezwinde manier waarop hij in alles te werk was gegaan, hun een schier geheimzinnige vrees inboezemde; zij gaven dus aan zijn verzoek met zekere drift gehoor, en wilden hem zelfs hunne messen ter hand stellen.
„Dat is onnoodig,” zeide hij; „laten wij ons thans bezighouden met dezen gentleman te verbinden; het zou jammer zijn als zulk een achtenswaardig lid voor de maatschappij verloren ging, daar hij het schoonste sieraad van uitmaakt.”
Hij ging terstond aan het werk en werd hierin geholpen door de bedienden, die zijne bevelen met buitengewone snelheid en ijver gehoorzaamden, als gevoelden zij ten volle de magt van zijn zedelijk overwigt.
Door hunne levenswijze gedwongen om alle hulp van vreemden te ontberen, bezitten de woudloopers in zekere mate de kennis aangaande de eerste gronden der genees- en vooral der heelkunde, zoodat zij bij voorkomende gelegenheden in staat zijn om beenbreuken of wonden zeer goed te behandelen, met behulp van kruiden of geneesmiddelen die zij in de woestijn hebben leeren kennen, en aldaar door de Indianen gewoonlijk met het beste gevolg worden gebruikt.
De jager bewees door de vlugheid en behendigheid waarmede[13]hij den arm van John Davis verbond, dat hij bijna even goed wonden wist te heelen als toe te brengen.
De bedienden beschouwden met klimmende bewondering dezen buitengewonen man, die zoo op eens van gedaante scheen veranderd te zijn en met eene vastheid van oog en vaardigheid van hand te werk ging, welke menig heelmeester hem had mogen benijden.
Onder het verband leggen was de lijder weder tot zich zelven gekomen, hij had de oogen geopend, maar geen woord gesproken, zijne woede was geheel bedaard, en zijn onbeschofte aard scheen ten volle beteugeld door den krachtigen weerstand dien de Canadees hem geboden had. Op de eerste vlijmende smart zijner wond was eene onbeschrijfelijke verademing gevolgd, zooals altijd wanneer het verband goed wordt aangelegd. Ook had hij tegen wil en dank, bij de weldadige verligting die hij ondervond, zijn bitteren haat voelen plaats maken voor een gevoel daar hij zich nog wel geen rekenschap van geven kon, maar dat hem zijn vijand bijna als een vriend deed beschouwen.
Om John Davis naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dat hij niet beter noch slechter was dan de meesten zijner confraters, die even als hij in menschenvleesch handel drijven; aan het lijden der slaven gewoon, die in zijn oog niet beter waren dan redelooze wezens, in een woord, dan geschikte en geoorloofde koopwaar, was zijn hart allengs stomp geworden voor zachtere gevoelens; in een neger zag hij niets anders dan de som die hij er voor betaald had en die hij er weder voor hoopte te ontvangen, en als een echt koopman was hij zeer gehecht aan zijn geld; een weggeloopen slaaf beschouwde hij als een ellendigen dief, tegen wien alle middelen geoorloofd waren om hem weder in handen te krijgen en te beletten dat zijn meester schade leed.
Met dat al was deze man niet van alle betere gevoelens ontbloot; buiten zijn vak als slavenkooper genoot hij zekeren naam van welwillendheid en ging hij door voor een gentleman, dat is voor een achtenswaardig en fatsoenlijk burger.
„Ziedaar, dat is al weder gedaan,”zei de Canadees terwijl hij met zekerezelfvoldoeninghet verband nog eens nazag; „als gij behoorlijk zorg voor hem draagt, zal hij er over drie weken geen hinder meer van hebben, te minder, daar door een gelukkig toeval, de kogel het been niet geraakt, maar alleen de spieren getroffen heeft. Zoo gij thans spreken wilt, mijn goede vriend, ben ik tot uwe dienst.”
„Ik!—ik heb u niets te zeggen, behalve alleen dat gij mij[14]dien vervloekten zwartkop teruggeeft, die de oorzaak is van al dit onheil.”
„Hum! als we op deze wijs voortgaan, vrees ik dat wij het nooit eens worden. Gij weet wel dat juist uit de teruggave van dien zwartkop, zoo als gij hem noemt, ons gansche geschil ontstaan is.”
„Ik kan toch mijn geld niet verliezen.”
„Hoedat, uw geld?”
„Mijn slaaf, zoo gij dat liever wilt; hij vertegenwoordigt voor mij eene som, die ik niet gaarne zou willen missen, des te minder, daar mijne zaken sinds den laatsten tijd zeer slecht gaan en ik aanzienlijke verliezen geleden heb.”
„Dat is zeker verdrietig, ik beklaag u uit al mijn hart; intusschen verlang ik deze zaak in der minne met u te vereffenen, zooals ik reeds begonnen ben,” zei de Canadees op moedigen toon.
De Amerikaan trok een scheef gezigt.
„Eene wonderlijke soort van minnelijke vereffening zoo als gij begonnen zijt,” meesmuilde hij.
„Dat wij het niet dadelijk eens zijn geworden, vriend, is uw eigen schuld,” zei de jager, „gij waart te driftig, beken het maar.”
„Enfin, spreken wij er niet meer over, gedane zaken hebben geen keer.”
„Gij hebt gelijk, komen wij liever op de zaak zelve terug; ongelukkigerwijs ben ik arm, anders zou ik u een paar honderd piasters geven, en daarmede was het uit.”
De koopman krabde zich achter het oor.
„Hoor eens,” zeide hij,„ik weet niet waarom, maar ondanks alles wat er tusschen ons gebeurd is, en misschien wel omdat het gebeurd is, zou ik niet gaarne van u scheiden op onvriendschappelijken voet, te meer daar ik, om u de waarheid te zeggen, weinig om Quoniam geef.”
„Wat is dat Quoniam?”
„Dat is de neger.”
„Ah zoo! zeer goed; wat een gekken naam hebt gij hem gegeven; maar dat doet niets ter zake, gij zegt immers dat gij weinig om hem geeft.”
„Al zeer weinig zelfs.”
„Hoe kunt gij hem dan zoo koelbloedig najagen met behulp van honden en schietgeweer?”
„Uit eigenliefde.”
„O! is het dat?” riep de Canadees met blijkbaren tegenzin.
„Hoor eens, ik ben slavenkooper, maar”…[15]
„Een beroerd vak, dat ik u in de rede val,” beweerde de jager.
„Dat kan waar zijn en daar wil ik niet over redetwisten. Maar omtrent een maand geleden werd er te Baton Rouge een groote publieke verkooping van slaven aangekondigd van beiderlei sekse, op het erf van een rijk heer die plotseling gestorven was. Ik ging dus naar Baton Rouge. Onder de slaven aldaar voor de liefhebbers ten toon gesteld, bevond zich Quoniam; de kerel is jong, welgemaakt en sterk; hij ziet er stout en verstandig uit; natuurlijk beviel hij mij op het eerste gezigt, en ik besloot hem te koopen. Ik trad dus naar hem toe en ondervroeg hem en de kerel antwoordde mij, met eene onbeschaamdheid die mij terstond in de war bragt, letterlijk het volgende:„Massa, ik zou u raden mij niet te koopen; ik heb besloten om vrij te zijn of te sterven; wat gij ook doet om mij bij u te houden, ik zeg u vooruit dat ik ontsnappen zal! Zie dus wel wat gij doet, ik heb u gewaarschuwd.” Deze verklaring, zoo beknopt en zoo stellig maakte mij boos. „Wij zullen zien,” zeide ik, en ik ging naar den man die met den verkoop belast was. Deze was een goede kennis van mij en poogde mij insgelijks het aankoopen van Quoniam te ontraden, met een aantal redenen, de een al sterker dan de andere om mij van mijn voornemen af te brengen. Maar mijn besluit stond vast, ik hield vol, en Quoniam werd mij afgestaan voor den prijs van negentig piasters, een ongehoord koopje voor een neger van zijne jaren en kwaliteiten, maar hij was bij allen bekend en niemand had zin in hem. Ik deed mijn nieuwen slaaf de boeijen aan en voerde hem, niet naar mijn huis, maar naar de gevangenis, om zeker te zijn dat hij mij niet ontsnappen zou. Den volgenden morgen, toen ik in de gevangenis kwam, was Quoniam vertrokken: hij had woord gehouden. Na verloop van twee dagen werd hij gevat en teruggebragt, maar dienzelfden avond was hij weder weg, zonder dat ik bij mogelijkheid gissen kon door welk middel het hem gelukt was al mijne voorzorgen te verijdelen en zijne boeijen te verbreken. Wat zal ik u verder zeggen? dat heeft zoo eene maand lang geduurd. Hij werd weder teruggebragt, maar omtrent acht dagen geleden is hij andermaal ontsnapt, sinds al dien tijd heb ik hem gezocht. Daar ik met reden wanhoopte hem ooit te zullen kunnen houden, was ik buiten mij zelven van kwaadheid, en zat ik hem achter de hielen met brakken en bloedhonden, vast besloten om het voor dezen keer het koste wat het wilde uit te maken met dien vervloekten neger, die mij gedurig door de vingers glipte als een adder.”[16]
„Dat wil dan zeggen,” opperde de Canadees, die het verslag van den slavenkooper met belangstelling had aangehoord, „dat gij in het uiterste geval niet geaarzeld zoudt hebben om hem te dooden?”
„Dat zou ik ook niet, geen oogenblik zelfs, des te minder daar dieonbeschaamdevlegel zoo listig is; hij heeft zoo telkens en bij herhaling met mij gespot en mijne beste plannen verijdeld, dat ik hem eindelijk naar alle duivels wenschte.”
„Hoor nu eens op uwe beurt, meester John Davis;” sprak de Canadees, „ik ben niet rijk, dat scheelt veel; waartoe zou ik goud of zilver verzamelen, ik alleenloopend mensch, die de woestijn bewoon en aan wien God iederen dag het noodige voedsel bereidt? Die Quoniam, hoe listig hij wezen mag met al zijne vrijheidszucht en losbandige lusten, boezemt mij onwillekeurig belangstelling in, ik zal zien of ik hem die vrijheid kan bezorgen daar hij zoo vurig en standvastig naar verlangt. Laat ik u dus het volgende voorstellen: daar ginds in mijne praauw liggen drie tijgervellen en twaalf beverhuiden, die in iedere stad van de Unie, bij verkoop, honderd vijftig à twee honderd piasters zullen opbrengen; neem die voor u, en laat hiermede de zaak afgedaan zijn.”
John Davis staarde hem aan met eene mengeling van verwondering en welwillendheid.
„Gij doet u zelven schade,” sprak hij eindelijk, „de ruiling die gij mij voorslaat is te voordeelig voor mij en te nadeelig voor u. Zoo moet men geene zaken doen.”
„Wat kan het u schelen? Ik heb mij nu eenmaal in het hoofd gezet om dien man vrij te koopen.”
„Gij kent den ondankbaren aard der negers nog niet,” hervatte John Davis met drift: „en die kerel daar zal u nooit erkentelijk zijn voor hetgeen gij aan hem doet. Integendeel, bij de eerste gelegenheid de beste reeds zal hij u misschien reden geven om u te beklagen over uw goede werk.”
„’t Is mogelijk, dat moet hij weten, ik vraag hem niet om dankbaarheid; bewijst hij mij die, des te beter voor hem, zoo niet, dan moge God hem oordeelen! Ik handel volgens mijn hart, mijn loon is in mijn geweten.”
„Bij God!gij zijt een brave kerel, dat is uitgemaakt waar,” riep de koopman, buiten staat om zich langer te bedwingen. „Het ware te wenschen dat er wat veel zulke menschen te vinden waren als gij: Welaan! ik wil u bewijzen dat ik niet zoo slecht ben als gij naar hetgeen tusschen ons is voorgevallen reden zoudt[17]hebben te veronderstellen; ik zal de acte van verkoop teekenen en u Quoniam afstaan, maar er niet meer voor aannemen dan een tijgervel, tot aandenken aan onze ontmoeting, al heb ik er nog een van u ontvangen,” vervolgde hij met een scheef gezigt op zijn verbonden arm wijzende.
„Top!” riep de Canadees verheugd; „alleen dit nog, dat gij twee vellen neemt in plaats van één, daar ik u om een mes, een bijl en een geweer wil verzoeken, die gij nog hebt, ten behoeve van den armen duivel, dien wij zamen de vrijheid geven,—want nu deelt gij voor de helft in mijn goede werk,—opdat hij voortaan in zijn eigen onderhoud kunne voorzien.”
„Het zij zoo!” riep de koopman opgeruimd, „als de kerel toch volstrekt vrij wil zijn, mag hij voor mijn part naar den duivel loopen.”
Op een wenk van zijn meester nam een der bedienden uit een der weitasschen een koker, waarin papier, pen en inkt, en schreef op staanden voet, niet een acte van verkoop, maar, op verlangen van den Canadees, eene acte van vrijverklaring in den vereischten vorm, daar de koopman zonder tegenspraak zijne hand onder zette, en die ook door de bedienden als getuigen geteekend werd.
„Inderdaad, dat moet ik zeggen!” riep John Davis, „het moge waar zijn dat ik als koopman eene domme streek heb begaan, maar gij moet mij gelooven als ik u verklaar dat ik nog nooit zoo wel over mij zelven voldaan was.”
„Dat komt,” hernam de Canadees met ernst, „dat gij thans aan de inspraak van uw hart gehoor hebt gegeven.”
De jager ging nu van het terras om de vellen te halen. Na eenige oogenblikken keerde hij terug met twee heerlijke jaguarvellen geheel ongeschonden, en gaf ze den koopman. Deze, volgens overeenkomst, stelde hem op zijne beurt de wapenen ter hand, maar nu maakte de Canadees eene bedenking.
„Niet te haastig,” riep hij, „als gij mij die wapens geeft, hoe zult gij het dan maken om naar huis te keeren?”
„Laat u dat niet verontrusten,” antwoordde John Davis; „ik heb drie mijlen van hier mijne paarden en mijn volk gelaten, overigens hebben wij onze pistolen nog, die ons de noodige dienst kunnen bewijzen.”
„Dat is waar,” zei de jager „als het zoo met u staat, hebt gij niets te vreezen; intusschen, daar uwe wond u niet veroorlooft om een langen weg te voet af te leggen, zal ik met medehulp uwer bedienden een draagbaar voor u gereed maken.”
En met dezelfde vaardigheid waarvan hij reeds zoo vele bewijzen[18]gegeven had, stelde de Canadees, in weinige minuten, van takken die hij met zijn bijl op de noodige maat hakte een draagbaar te zamen, wierp er de tijgervellen overheen en liet den gewonde er op plaats nemen.
„Voor ditmaal vaarwel!” zeide hij, „misschien dat wij elkaar nooit wederzien. Wij scheiden, zoo ik vertrouw, op een beter voet dan wij elkander ontmoet hebben. Houd steeds in gedachten dat er geen beroep zoo slecht is of het kan door een eerlijk man met eere gedreven worden; en als uw hart u ooit tot een goede daad roept, wees dan niet doof, maar volbreng ze zonder bedenken, want het is God die dan tot u sprak.”
„Dank u,” antwoordde de koopman blijkbaar getroffen, „nog een woord eer wij van elkander gaan.”
„Spreek.”
„Zeg mij uw naam, zoodat, wanneer het toeval ons eenmaal weder bij elkander bragt, ik mij op uwe herinneringen kan beroepen, gelijk gij op de mijne.”
„Dat is niet meer dan billijk, ik heet Tranquille; mijne broeders, de woudloopers, noemen mij anders de Tijgerdooder.”
Eer nog de koopman van zijne verbazing bekomen kon, toen hij den naam hoorde van den man over wiens stoutmoedig en edel karakter in al de grensdistricten slechts ééne stem opging, was de jager, na hem voor het laatst gegroet te hebben, reeds van het terras afgesprongen, had hij zijne praauw losgemaakt en zich met krachtigen riemslag naar den anderen oever verwijderd.
„Tranquille de Tijgerdooder!” mompelde John Davis, zoodra hij alleen was, „dat heeft mij gewis mijn goede geleigeest ingegeven, om mij zulk een man tot vriend te maken.”
Hij strekte zich uit op de baar, die door twee zijner knechten op de schouders werd genomen, en na een laatsten blik op den Canadees, die op dit oogenblik aan de overzijde der rivier aan wal stapte, zeide hij:
„Op weg.”
Weldra was het terras weder eenzaam: de koopman en zijn gevolg waren onder het geboomte verdwenen en men hoorde niets meer dan het steeds zwakker en zwakker wordend geblaf der speurhonden, die voor den kleinen troep uitsprongen. Eindelijk was alles doodstil.[19]