III.

[Inhoud]III.NEGER EN BLANKE.Intusschen had de Canadees, wiens naam wij eindelijk zijn te weten gekomen, gelijk wij reeds gezegd hebben den anderen oever bereikt, digt bij de plek waar hij den neger in de struiken had achtergelaten.Gedurende de lange afwezigheid van zijn verdediger had de slaaf gemakkelijk kunnen ontvlugten, des te meer daar hij bijna zeker kon zijn niet vervolgd te zullen worden voor dat hij reeds een aanzienlijken afstand op zijne vijanden gewonnen zou hebben, die zich met zooveel hardnekkigheid beijverden om hem weder in handen te krijgen.Hij had echter van de gelegenheid geen gebruik gemaakt, hetzij dat de vlugt hem onuitvoerbaar toescheen, hetzij dat hij zich te veel vermoeid gevoelde, hetzij om andere redenen die wij hier niet zullen uitvorschen; genoeg, hij was geen duim breed geweken van de plaats waar hij in de eerste oogenblikken zijner aanlanding een toevlugt had gezocht, en daar had hij gezeten met de oogen onafgewend op de rots gerigt, om met angstige blikken alles gade te slaan wat er tusschen de verschillende personen op het terras voorviel.John Davis had inderdaad niet te veel gezegd toen hij den jager zulk eene gunstige beschrijving van den neger gaf: Quoniam was een der prachtigste stalen van het Afrikaansche menschenras; hoogstens twee en twintig jaar oud, was hij groot, welgemaakt en stevig gebouwd; zijne breede schouders, ruime borst en fraai gevormde leden teekenden tegelijk ongewone behendigheid en vlugheid en weergalooze kracht; zijne gelaatstrekken waren fijn en vol uitdrukking, zijn uitzigt sprak van vrijmoedigheid en opregtheid, zijn open oog teekende schranderheid en ernst, en al was zijne kleur van het schoonste zwart, eene kleur die in Amerika, het zoogenaamde „land der vrijheid” als onuitwischbare stempel der dienstbaarheid wordt gebrandmerkt, scheen deze man niet geschapen voor slavernij en ademde zijn gansche voorkomen die zucht naar vrijheid en naar onbelemmerde wilsuiting, die God ook aan de gekleurde menschenrassen heeft ingeschapen en die alleen het blinde vooroordeel der blanken hun vruchteloos poogt te ontzeggen.Toen hij zag dat de Canadees in zijn praauw stapte en de Amerikanen[20]de rots verlieten, slaakte de neger een zucht van ontspanning en blonk er een glimlach op zijn zwart gelaat, want zonder bepaald te weten wat er tusschen den jager en zijn ouden meester was omgegaan, daar hij te ver verwijderd zat om te hooren wat er gesproken werd, begreep hij toch dat hij ten minste vooreerst niets van den laatstgenoemde te duchten had en wachtte hij met koortsachtig ongeduld op de terugkomst van zijn verdediger, ten einde te vernemen wat hij voortaan te vreezen of te hopen zou hebben.Zoodra de jager den oever bereikte, stiet hij zijn boot op het zand en stapte hij met forschen en afgemeten tred naar de plek waar hij veronderstelde den neger te zullen vinden.Hij kreeg hem weldra in het oog, ongeveer op dezelfde plaats gezeten en bijna in dezelfde houding als toen hij hem verliet.Onwillekeurig kwam er een glimlach van tevredenheid op het gelaat van den Canadees.„Ha ha! vriend Quoniam,” riep hij, „zit gij daar nog?”„Ja, massa,” was het antwoord, „heeft John Davis u mij naam gezegd?”„Dat hoort gij; maar wat doet gij daar, waarom hebt gij u niet uit de voeten gemaakt, terwijl ik weg was?”„Quoniam is geen lafaard,” zeide hij, „zoodat hij zou willen ontsnappen terwijl een ander zijn leven voor hem waagt. Ik heb zitten wachten, gereed om mij over te leveren, zoo de veiligheid van den blanken jager ware bedreigd geworden.”1Dit werd door den neger met zulk eene edele eenvoudigheid gezegd, dat er aan de opregtheid van zijne betuiging niet te twijfelen viel.„Goed,” antwoordde de jager getroffen, „ik zeg u dank voor uw goede voornemen; gelukkig dat uwe tusschenkomst niet noodig is geweest, overigens hebt gij verstandig gedaan met hier te blijven wachten.”„Wat er ook met mij gebeure, meester, houd u verzekerd van mijne erkentelijkheid, daar ik uwe hulp in eeuwigheid niet vergeten zal.”„Des te beter voor u, Quoniam, daardoor zult gij toonen geen[21]ondankbare te zijn, een der grootste ondeugden die de menschheid schandvlekken; maar wat ik u verder verzoeken mag, noem mij toch geen meester, dat zou mij verdriet doen: het woord meester geeft eene vernederende minderheid te kennen, daar ik in mijn toestand niets van weten wil; ik ben uw meester niet, ik wil niets anders zijn dan uw kameraad.”„Maar welken anderen naam zou een arme slaaf u kunnen geven?”„Mijn eigen naam. Noem mij Tranquille, gelijk ik u Quoniam zal noemen. Tranquille is immers zoo moeijelijk niet om te onthouden of uit te spreken, zou ik denken?”„O! volstrekt niet!” riep de neger lagchende.„Goed! dat blijft afgesproken. Laten wij thans andere dingen bedenken, en vooreerst neem dit.”Hier haalde de jager een papier uit zijne borst en overhandigde het aan den neger.„Wat is dat?” vroeg deze met een ongerusten blik op het papier, daar hij geen lezen had geleerd en dus het schrift niet kon ontcijferen.„Dat?” hernam de jager glimlagchend, „dat is een kostelijke talisman, die u tot een mensch maakt als alle andere menschen, en u uit het register der dieren uitschrapt, daar men u tot dusver onder gerekend had; in een woord, het is eene acte, waarmede John Davis, koopman in slaven, wonende te Zuid-Carolina, verklaart, dat van heden af aan, Quoniam hier tegenwoordig, zijne volle vrijheid bekomt, om die voortaan te genieten zoo als hij zal goedvinden en naar zijne omstandigheden; hebt gij mij verstaan? het is uwe acte van vrijverklaring, door uw voormaligen meester geschreven en door bevoegde getuigen geteekend, om u te dienen als wettig bewijs naar gelang van tijd en gelegenheid.”Bij het hooren van deze woorden werd de neger zoo bleek als de lieden van zijne kleur worden kunnen, zijn gezigt namelijk kreeg een vaal graauwe tint, zijne oogen spalkten zich wijd open, en hij stond eenige sekonden onbewegelijk, als van den donder getroffen, en buiten staat om een woord te uiten of een lid te verroeren.Eindelijk barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, sprong twee of driemaal op zoo vlug als een wild dier, en begon toen eensklaps te schreijen als een kind.De jager sloeg al de bewegingen van Quoniam met de meeste aandacht gade, hij beschouwde zijne vervoering met klimmende belangstelling en gevoelde zich met ieder oogenblik meer aan den neger gehecht.[22]„Dus ben ik vrij?” vroeg eindelijk de zwarte, „vrij, vrij, geheel vrij, niet waar?”„Zoo vrij als ooit een mensch wezen kan,” glimlachte Tranquille.„Dus kan ik nu komen en gaan, staan of liggen, werken of rusten zonder dat iemand het mij belet, en zonder dat ik voor de zweep behoef te vreezen?”„Volkomen.”„Behoor ik geheel aan mij zelven, aan mij zelven alleen? Kan ik nu denken en handelen even als andere menschen? Ben ik niet langer een dier, dat men naar willekeur jaagt, of drijft, of lasten oplegt? Ben ik ondanks mijn zwarte kleur even goed als een ander mensch, hetzij blank, geel of rood?”„Volmaakt eenerlei!” antwoordde de jager ten hoogste verrast en ingenomen met al deze kinderachtige vragen.„O! o!” riep de neger terwijl hij zijn hoofd met beide handen vasthield, „dus ben ik vrij, vrij, eindelijk vrij!”Hij uitte deze woorden op zulk een zonderlinge wijs dat de jager er werkelijk van ontroerde; Quoniam zonk op de knieën, vouwde de handen te zamen en sloeg de oogen ten hemel:„Mijn God!” sprak hij overluid op een toon van zalige vreugd zooals de aarde maar zelden te gevoelen geeft, „Gij die alles vermoogt, Gij voor wien alle menschenkinderen gelijk zijn en die hunne kleur niet aanziet om hen te behoeden en te beschermen; Gij wiens goedheid even onbegrensd is als Uw alvermogen, ik dank, ik dank U, mijn God, dat Gij mij uit de slavernij verlost en de vrijheid gegeven hebt.”Na dit gebed te hebben uitgesproken, dat de onwillekeurige uitdrukking was van de gewaarwordingen die in zijn binnenste woelden, liet de neger zich op den grond vallen en bleef hij eenige minuten in ernstige gedachten verzonken. De jager eerbiedigde zijn stilzwijgen.Eindelijk hief de neger het hoofd weder op.„Hoor eens, jager,” zeide hij, „ik heb volgens mijn pligt God voor mijne vrijheid gedankt, want Hij was het die u ingaf om mij te verdedigen. Thans, nu ik mij een weinig bedaarder gevoel en aan mijn nieuwen toestand begin te gewennen, moet gij mij eens vertellen wat er tusschen u en mijn meester gebeurd is, opdat ik weten moge, hoe ver de verpligtingen gaan die ik aan u heb, en mijn volgend gedrag naar die verpligtingen kan regelen; spreek, ik hoor u.”„Waartoe zou ik u ophouden met een verhaal dat u maar zeer[23]weinig belangstelling kan inboezemen? Gij zijt vrij, en het is genoeg voor u dat gij dit weet.”„Neen, dat is niet genoeg voor mij; ik ben vrij, dat is waar; maar hoe ben ik het geworden? dat weet ik nog niet, en ik heb het regt om dit te vragen.”„Dat verhaal, zeg ik u nogmaals, is voor u van zeer weinig gewigt; maar evenwel, daar het u misschien een beteren dunk kan geven van den man aan wien gij vroeger toebehoordet, wil ik het u niet langer weigeren, hoor mij dus.”Na deze inleiding begon Tranquille hem in al de bijzonderheden te vertellen wat er tusschen hem en den slavenhandelaar was voorgevallen, en toen hij hiermede gedaan had, vroeg hij ten slotte:„Welnu, zijt gij thans voldaan?”„Ja,” zei de neger, die met onverpoosde aandacht had toegeluisterd, „nu weet ik dat ik naast God aan u alles te danken heb, ik zal het onthouden; nooit, nooit, in welke omstandigheden wij ook tegenover elkander komen, zult gij mij mijne schuld aan u behoeven te herinneren.”„Gij zijt mij niets verschuldigd, nu gij eenmaal vrij zijt; het staat slechts aan u om die vrijheid te gebruiken zoo als ieder regtschapen en eerlijk mensch betaamt.”„Ik zal trachten te toonen dat ik niet onwaardig ben wat God en gij zelf voor mij gedaan hebt; ook dank ik John Davis dat hij zijn betere gevoel is gevolgd en aan uwe vertoogen ten mijnen behoeve gehoor gaf; misschien zal ik mijne schuld aan hem nog eenmaal kunnen afdoen, en als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt zal ik die niet ongebruikt laten voorbijgaan.”„Goed; zoo mag ik u gaarne hooren spreken; dit bewijst mij dat ik mij in u niet bedrogen heb: maar wat denkt gij thans te doen?”„Wat zoudt gij mij raden?”„Dat is eene zeer ernstige vraag, ik weet waarlijk niet wat ik er u op zal antwoorden; de keus van een beroep is altijd eene moeijelijke zaak, die men rijpelijk dient te overwegen alvorens een bepaald besluit te nemen; ondanks mijn verlangen om u van dienst te zijn zou ik niet gaarne op mijn geweten nemen u een raad te geven dien gij zonder twijfel om mijnentwil zoudt opvolgen, doch waarover gij misschien later berouw zoudt gevoelen; overigens ben ik iemand die van zijn zevende jaar af in de bosschen geleefd, en bij gevolg veel te weinig ondervinding heeft van hetgeen men doorgaans de wereld noemt, om mij aan eene beslissing te wagen op[24]een pad dat mij zelf onbekend is, en daar ik dus den goeden of kwaden kant niet van weet aan te wijzen.”„Deze redenering komt mij volkomen juist voor, intusschen kan ik zoo niet blijven en dien ik op de een of andere wijs partij te kiezen.”„Doe vooreerst maar iets.”„Wat dan?”„Hier is een geweer, een mes, een bijl en een hoorn met kruid en kogels; de wildernis ligt voor u open, vertrek en neem eenige dagen de proef van het vrije leven in de onmetelijke ruimte; gedurende de lange uren der jagt zult gij tijd genoeg hebben om na te denken over het vak dat gij kiezen zult, en kunt gij op uw gemak de voor- of nadeelen overwegen die gij er van verwacht; hebt gij dan eindelijk uw besluit onherroepelijk bepaald; welnu, dan zegt gij de eenzaamheid vaarwel en keert naar de bewoonde wereld terug, en daar gij een eerlijk, verstandig en werkzaam man schijnt te zijn, ben ik zeker dat gij slagen zult, onverschillig welk beroep gij voor u hebt uitgekozen.”De neger schudde verscheidene malen het hoofd.„Ja,” zeide hij, „er is in uw voorstel veel goeds, maar toch, er is ook in dat mij niet bevalt, en dat geenszins aan mijn verlangen voldoet.”„Verklaar u nader, Quoniam, ik zie wel gij hebt nog iets op de tong dat gij mij niet durft zeggen.”„Gij hebt gelijk, ik ben niet openhartig met u geweest, Tranquille, en daar deed ik verkeerd aan, dat zie ik nu wel. In plaats van u geveinsdelijk om raad te vragen, dien ik geenszins voornemens was op te volgen, had ik u liever ronduit mijn gevoelen moeten zeggen, dat zou veel beter geweest zijn.”„Laat hooren,” riep de jager lagchend, „spreek op.”„’t Is waar, waarom zou ik voor u verbergen wat mij op het hart ligt? Zoo er iemand op de wereld is die belang in mij stelt, zijt gij het zeker, laat ik u dus eens zeggen waar het op staat: het eenige vak dat mij bevalt is dat van woudlooper. Mijne gedachten en neigingen drijven mij daar heen. Al mijne pogingen om te vlugten, toen ik nog slaaf was, waren op dit doel gerigt. Ik ben maar een arme neger, die met zijn beperkten geest en bekrompen verstand moeijelijk in de steden zou teregt komen, waar de mensch niet geldt voor hetgeen hij wil of waard is, maar voor hetgeen hij schijnt of vermag. Wat zou ik hebben aan die vrijheid daar ik zoo fier op ben, in de stad, waar ik om mij te[25]voeden en te kleeden, haar terstond zou moeten prijs geven aan den eersten den beste die mij aanbood om in deze onvermijdelijke levensnooddruft te voorzien? Zoo zou ik mijne vrijheid slechts hebben verkregen om mijn eigen slaaf te worden. Neen, in de wildernis alleen kan ik de weldaad genieten die ik aan u te danken heb, zonder ooit door armoede gedrongen te worden tot daden die den mensch welke zich zelven gevoelt onwaardig zijn. Ik wil dus voortaan in de woestijn blijven leven en de steden niet anders naderen of bezoeken, dan om er de vellen der dieren, die ik dooden zal, voor kruid en kogels te verwisselen, of voor kleederen en andere kleinebenoodigdheden. Ik ben jong en sterk. God, die mij tot hiertoe bewaard heeft, zal mij niet verlaten.”„Gij hebt misschien gelijk; ik althans, die het leven dat ik leid boven alles verkies, kan het niet in u afkeuren dat gij mijn voorbeeld wilt volgen. Welaan dan, terwijl alles dus tot ons wederzijdsch genoegen geregeld is, zullen wij elkander verlaten, en wensch ik u met uw voornemen geluk, mijn goede Quoniam; misschien zullen wij elkander later nog wel eens ontmoeten op Indiaansch grondgebied.”De neger begon te lagchen en liet daarbij eene dubbele rij tanden zien zoo wit als sneeuw, maar antwoordde niet.Tranquille wierp zijn buks over den schouder, wenkte hem een laatst en vriendelijk vaarwel toe, en verwijderde zich om naar zijne praauw terug te keeren.Quoniam nam het geweer dat de jager hem gelaten had, stak de bijl en het mes in zijn gordel, hechtte er ook de horens met kruid en kogels aan en na een laatsten blik in het rond te hebben geslagen, om zich te overtuigen dat hij niets vergeten had, volgde hij den jager, die hem intusschen reeds een goed eind vooruit was.Hij haalde hem in, juist op het oogenblik toen Tranquille bezig was met zijne boot los te maken en te water te brengen; op het gedruisch zijner voetstappen keek de jager om.„Wat drommel! zijt gij daar nog, Quoniam?” riep hij.„Ja!” zei de andere.„Wat voert u hier heen?”„Wel!” begon de neger, met de hand in zijn gekroesde haren, terwijl hij driftig zijn hoofd krabde, „ik geloof dat gij nog iets vergeten hebt.”„Ik?”„Ja,” antwoordde de neger blijkbaar verlegen.„Wat dan?”[26]„Mij mede te nemen.”„Dat is waar,” zei de jager hem de hand toestekende,„vergeef mij, broeder.”„Gij vindt het dus goed?” begon hij met kwalijk verholen blijdschap.„Wat?”„Dat ik medega?”„Ja.”„Zullen wij elkander niet meer verlaten?”„Dat hangt alleen van uwe keuze af.”„O! dan,” riep hij uit met een vrolijken schaterlach, „dan zullen wij nog lang zamenleven.”„Welnu, laat het zoo zijn,” hernam de Canadees. „Kom vrij mede: twee mannen die elkander verstaan en getrouw blijven zijn sterk in de woestijn. God heeft zonder twijfel gewild dat wij elkander ontmoeten zouden. Wij zijn voortaan broeders, voor altijd.”Quoniam sprong in de praauw en greep vrolijk de riemen.De arme slaaf had zich nog nooit zoo gelukkig gevoeld: nooit scheen hem de lucht zoo zuiver, de natuur zoo schoon, het was of alles in het rond hem feestelijk toelachte. Van dit oogenblik af zou hij inderdaad een leven beginnen als andere menschen, zonder bange vrees of bittere nagedachten; het verledene scheen reeds niet meer dan een droom. In zijn beschermer had hij gevonden, wat zoovele menschen gedurende hun gansche leven vruchteloos zoeken, een vriend en een broeder, aan wien hij zich geheel kon toevertrouwen en voor wien hij geene geheimen meer hebben zou.Binnen weinige minuten bereikten zij de plaats die de Canadees bij zijn eerste komst als rustpunt had uitgekozen; deze plaats, bepaaldelijk aangewezen door twee eikenstammen, die kruiselings over elkander lagen, formeerde een soort van voorgebergte met zandgruis bedekt en bijzonder geschikt om er een nachtkamp te vestigen, daar men van dit punt niet slechts de rivier zoo boven als benedenwaarts tot op verren afstand kon overzien, maar tevens het oog had op de beide oevers, en dus tegen elke verrassing beveiligd was.„Hier zullen wij den nacht doorbrengen,” zeide Tranquille, „laten wij de praauw bij ons nemen, om het vuur tegen den wind te beschermen.”Quoniam pakte het kleine vaartuig aan, tilde het op zijne stevige schouders en droeg het naar de plek die zijn kameraad hem had aangewezen.[27]Intusschen was er een geruime tijd verloopen sedert de Canadees en de neger elkaar zoo wonderbaarlijk ontmoet hadden.De zon, die reeds begon te dalen toen de jager de kaap omstevende en op reigers jagt maakte, was thans op het punt van te verdwijnen. De nacht zou spoedig vallen; de oosterlijke achtergrond van het landschap dompelde zich reeds in de avondschaduw, die van lieverlede dikker en dikker werd.De wildernis begon te ontwaken, het schorre gebrul der jaguars en pumas liet zich bij tusschenpoozen hooren en vermengde zich met het miaauwen der carcajous en boschkatten en met het afgebroken keffen der roode wolven.De jager verzamelde een hoop hout van het droogste dat hij vinden kon, om een vuur te ontsteken dat zoo weinig mogelijk rookte, maar des te helderder opvlamde, ten einde den omtrek te verlichten enonmiddellijkde aannadering te bespeuren der gevreesde gasten, die zij in de verte hoorden schreeuwen en die weldra in hunne nabijheid zouden verschijnen om hun dorst aan de rivier te komen lesschen.De twee flamingo’s werden gebraden en maakten met eenige handvollengeroosterdemaïskorrels enpemmikan(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) het souper uit der avonturiers, voorzeker een sober maal, en alleen besproeid met een teug water uit de rivier, maar met graagte genuttigd, door menschen, die vermoeid en hongerig, de waarde der spijzen wisten te schatten welke de Voorzienigheid hun ten beste gaf.Toen de laatste beet verslonden was, deelde de Canadees zijn voorraad tabak broederlijk met zijn nieuwen kameraad, stak zijn Indiaansche pijp aan en begon lustig te dampen, een voorbeeld dat door Quoniam trouw gevolgd werd.„Komaan,” zei Tranquille eindelijk, „nu wordt het tijd u te zeggen dat ik hier een oud vriend van mij wachtende ben, die mij omtrent drie maanden geleden te dezer plaats heeft bescheiden; hij moet morgen komen met het aanbreken van den dag. Het is een Indiaansch opperhoofd. Hoe jong hij ook wezen mag, geniet hij toch eene groote vermaardheid in zijn stam. Ik bemin hem als een broeder. Wij zijn zoo te zeggen zamen opgevoed. Ik zal gelukkig zijn als ik hem in goeden welstand zien mag. Het is een wijs man, van groote ondervinding, en welervaren in al de geheimen van het leven der woestijn. De vriendschap van een Indiaansch opperhoofd is voor een woudlooper oneindig veel waard; onthoud dat. Bovendien ben ik zeker dat gij mij volkomen gelijk zult geven, zoodra gij hem ziet.”[28]„Ik zal alles doen wat ik kan om hem te leeren kennen. Het is genoeg dat het opperhoofd uw vriend is, om te verlangen dat hij ook de mijne worde. Tot nog toe, ofschoon ik als weggeloopen slaaf lang genoeg in de bosschen heb rondgezworven, heb ik nog nooit een onafhankelijk Indiaan gezien, het is dus ligt mogelijk dat ik uit onwetendheid een dommen streek bega; maar geloof mij, het zal buiten mijne schuld zijn.”„Daar ben ik van overtuigd, stel u deswege gerust, ik zal het opperhoofd wel over u spreken; bovendien denk ik dat hij niet minder verwonderd zal zijn over u als gij over hem, daar ik niet beter weet of gij zijt de eerste man van uwe kleur dien hij ontmoet. Maar zie, het is reeds volkomen nacht geworden, gij zult wel vermoeid zijn na de hardnekkige vervolging die gij dezen dag hebt moeten doorstaan en de heftige aandoeningen die gij te verduren hadt; ga dus slapen, ik zal wel voor ons tweeën wacht houden, daarbij hebben wij morgen een verren togt te maken, en zult gij dus reeds vroeg bij de hand moeten zijn.”De neger begreep al de juistheid van hetgeen zijn vriend aanmerkte, bovendien viel hij letterlijk omver van vermoeijenis; de speurhonden van zijn vorigen meester hadden hem zoo digt en aanhoudend op de hielen gezeten, dat hij in geen vier dagen en nachten een oog geloken had. Derhalve alle valsche schaamte ter zijde stellende, strekte hij de voeten bij het vuur en sliep bijna onmiddellijk in.Tranquille bleef op zijne praauw zitten, met zijn buks tusschen de beenen, om op het eerste onraad gereed te zijn, en verzonk weldra in ernstige beschouwingen, zonder nogtans een oogenblik zijne waakzaamheid te verzuimen en telkens de ooren spitsend op het minste geritsel.1Wij hebben hier geen gebruik willen maken van het gebrekkige Engelsch dat men den negers zoo gaarne in den mond legt, maar dat bij de overbrenging in eene andere taal grootendeels verloren gaat en den gang van het verhaal onnoodig vertraagt, zonder er de schoonheid van te verhoogen.G. A.↑

[Inhoud]III.NEGER EN BLANKE.Intusschen had de Canadees, wiens naam wij eindelijk zijn te weten gekomen, gelijk wij reeds gezegd hebben den anderen oever bereikt, digt bij de plek waar hij den neger in de struiken had achtergelaten.Gedurende de lange afwezigheid van zijn verdediger had de slaaf gemakkelijk kunnen ontvlugten, des te meer daar hij bijna zeker kon zijn niet vervolgd te zullen worden voor dat hij reeds een aanzienlijken afstand op zijne vijanden gewonnen zou hebben, die zich met zooveel hardnekkigheid beijverden om hem weder in handen te krijgen.Hij had echter van de gelegenheid geen gebruik gemaakt, hetzij dat de vlugt hem onuitvoerbaar toescheen, hetzij dat hij zich te veel vermoeid gevoelde, hetzij om andere redenen die wij hier niet zullen uitvorschen; genoeg, hij was geen duim breed geweken van de plaats waar hij in de eerste oogenblikken zijner aanlanding een toevlugt had gezocht, en daar had hij gezeten met de oogen onafgewend op de rots gerigt, om met angstige blikken alles gade te slaan wat er tusschen de verschillende personen op het terras voorviel.John Davis had inderdaad niet te veel gezegd toen hij den jager zulk eene gunstige beschrijving van den neger gaf: Quoniam was een der prachtigste stalen van het Afrikaansche menschenras; hoogstens twee en twintig jaar oud, was hij groot, welgemaakt en stevig gebouwd; zijne breede schouders, ruime borst en fraai gevormde leden teekenden tegelijk ongewone behendigheid en vlugheid en weergalooze kracht; zijne gelaatstrekken waren fijn en vol uitdrukking, zijn uitzigt sprak van vrijmoedigheid en opregtheid, zijn open oog teekende schranderheid en ernst, en al was zijne kleur van het schoonste zwart, eene kleur die in Amerika, het zoogenaamde „land der vrijheid” als onuitwischbare stempel der dienstbaarheid wordt gebrandmerkt, scheen deze man niet geschapen voor slavernij en ademde zijn gansche voorkomen die zucht naar vrijheid en naar onbelemmerde wilsuiting, die God ook aan de gekleurde menschenrassen heeft ingeschapen en die alleen het blinde vooroordeel der blanken hun vruchteloos poogt te ontzeggen.Toen hij zag dat de Canadees in zijn praauw stapte en de Amerikanen[20]de rots verlieten, slaakte de neger een zucht van ontspanning en blonk er een glimlach op zijn zwart gelaat, want zonder bepaald te weten wat er tusschen den jager en zijn ouden meester was omgegaan, daar hij te ver verwijderd zat om te hooren wat er gesproken werd, begreep hij toch dat hij ten minste vooreerst niets van den laatstgenoemde te duchten had en wachtte hij met koortsachtig ongeduld op de terugkomst van zijn verdediger, ten einde te vernemen wat hij voortaan te vreezen of te hopen zou hebben.Zoodra de jager den oever bereikte, stiet hij zijn boot op het zand en stapte hij met forschen en afgemeten tred naar de plek waar hij veronderstelde den neger te zullen vinden.Hij kreeg hem weldra in het oog, ongeveer op dezelfde plaats gezeten en bijna in dezelfde houding als toen hij hem verliet.Onwillekeurig kwam er een glimlach van tevredenheid op het gelaat van den Canadees.„Ha ha! vriend Quoniam,” riep hij, „zit gij daar nog?”„Ja, massa,” was het antwoord, „heeft John Davis u mij naam gezegd?”„Dat hoort gij; maar wat doet gij daar, waarom hebt gij u niet uit de voeten gemaakt, terwijl ik weg was?”„Quoniam is geen lafaard,” zeide hij, „zoodat hij zou willen ontsnappen terwijl een ander zijn leven voor hem waagt. Ik heb zitten wachten, gereed om mij over te leveren, zoo de veiligheid van den blanken jager ware bedreigd geworden.”1Dit werd door den neger met zulk eene edele eenvoudigheid gezegd, dat er aan de opregtheid van zijne betuiging niet te twijfelen viel.„Goed,” antwoordde de jager getroffen, „ik zeg u dank voor uw goede voornemen; gelukkig dat uwe tusschenkomst niet noodig is geweest, overigens hebt gij verstandig gedaan met hier te blijven wachten.”„Wat er ook met mij gebeure, meester, houd u verzekerd van mijne erkentelijkheid, daar ik uwe hulp in eeuwigheid niet vergeten zal.”„Des te beter voor u, Quoniam, daardoor zult gij toonen geen[21]ondankbare te zijn, een der grootste ondeugden die de menschheid schandvlekken; maar wat ik u verder verzoeken mag, noem mij toch geen meester, dat zou mij verdriet doen: het woord meester geeft eene vernederende minderheid te kennen, daar ik in mijn toestand niets van weten wil; ik ben uw meester niet, ik wil niets anders zijn dan uw kameraad.”„Maar welken anderen naam zou een arme slaaf u kunnen geven?”„Mijn eigen naam. Noem mij Tranquille, gelijk ik u Quoniam zal noemen. Tranquille is immers zoo moeijelijk niet om te onthouden of uit te spreken, zou ik denken?”„O! volstrekt niet!” riep de neger lagchende.„Goed! dat blijft afgesproken. Laten wij thans andere dingen bedenken, en vooreerst neem dit.”Hier haalde de jager een papier uit zijne borst en overhandigde het aan den neger.„Wat is dat?” vroeg deze met een ongerusten blik op het papier, daar hij geen lezen had geleerd en dus het schrift niet kon ontcijferen.„Dat?” hernam de jager glimlagchend, „dat is een kostelijke talisman, die u tot een mensch maakt als alle andere menschen, en u uit het register der dieren uitschrapt, daar men u tot dusver onder gerekend had; in een woord, het is eene acte, waarmede John Davis, koopman in slaven, wonende te Zuid-Carolina, verklaart, dat van heden af aan, Quoniam hier tegenwoordig, zijne volle vrijheid bekomt, om die voortaan te genieten zoo als hij zal goedvinden en naar zijne omstandigheden; hebt gij mij verstaan? het is uwe acte van vrijverklaring, door uw voormaligen meester geschreven en door bevoegde getuigen geteekend, om u te dienen als wettig bewijs naar gelang van tijd en gelegenheid.”Bij het hooren van deze woorden werd de neger zoo bleek als de lieden van zijne kleur worden kunnen, zijn gezigt namelijk kreeg een vaal graauwe tint, zijne oogen spalkten zich wijd open, en hij stond eenige sekonden onbewegelijk, als van den donder getroffen, en buiten staat om een woord te uiten of een lid te verroeren.Eindelijk barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, sprong twee of driemaal op zoo vlug als een wild dier, en begon toen eensklaps te schreijen als een kind.De jager sloeg al de bewegingen van Quoniam met de meeste aandacht gade, hij beschouwde zijne vervoering met klimmende belangstelling en gevoelde zich met ieder oogenblik meer aan den neger gehecht.[22]„Dus ben ik vrij?” vroeg eindelijk de zwarte, „vrij, vrij, geheel vrij, niet waar?”„Zoo vrij als ooit een mensch wezen kan,” glimlachte Tranquille.„Dus kan ik nu komen en gaan, staan of liggen, werken of rusten zonder dat iemand het mij belet, en zonder dat ik voor de zweep behoef te vreezen?”„Volkomen.”„Behoor ik geheel aan mij zelven, aan mij zelven alleen? Kan ik nu denken en handelen even als andere menschen? Ben ik niet langer een dier, dat men naar willekeur jaagt, of drijft, of lasten oplegt? Ben ik ondanks mijn zwarte kleur even goed als een ander mensch, hetzij blank, geel of rood?”„Volmaakt eenerlei!” antwoordde de jager ten hoogste verrast en ingenomen met al deze kinderachtige vragen.„O! o!” riep de neger terwijl hij zijn hoofd met beide handen vasthield, „dus ben ik vrij, vrij, eindelijk vrij!”Hij uitte deze woorden op zulk een zonderlinge wijs dat de jager er werkelijk van ontroerde; Quoniam zonk op de knieën, vouwde de handen te zamen en sloeg de oogen ten hemel:„Mijn God!” sprak hij overluid op een toon van zalige vreugd zooals de aarde maar zelden te gevoelen geeft, „Gij die alles vermoogt, Gij voor wien alle menschenkinderen gelijk zijn en die hunne kleur niet aanziet om hen te behoeden en te beschermen; Gij wiens goedheid even onbegrensd is als Uw alvermogen, ik dank, ik dank U, mijn God, dat Gij mij uit de slavernij verlost en de vrijheid gegeven hebt.”Na dit gebed te hebben uitgesproken, dat de onwillekeurige uitdrukking was van de gewaarwordingen die in zijn binnenste woelden, liet de neger zich op den grond vallen en bleef hij eenige minuten in ernstige gedachten verzonken. De jager eerbiedigde zijn stilzwijgen.Eindelijk hief de neger het hoofd weder op.„Hoor eens, jager,” zeide hij, „ik heb volgens mijn pligt God voor mijne vrijheid gedankt, want Hij was het die u ingaf om mij te verdedigen. Thans, nu ik mij een weinig bedaarder gevoel en aan mijn nieuwen toestand begin te gewennen, moet gij mij eens vertellen wat er tusschen u en mijn meester gebeurd is, opdat ik weten moge, hoe ver de verpligtingen gaan die ik aan u heb, en mijn volgend gedrag naar die verpligtingen kan regelen; spreek, ik hoor u.”„Waartoe zou ik u ophouden met een verhaal dat u maar zeer[23]weinig belangstelling kan inboezemen? Gij zijt vrij, en het is genoeg voor u dat gij dit weet.”„Neen, dat is niet genoeg voor mij; ik ben vrij, dat is waar; maar hoe ben ik het geworden? dat weet ik nog niet, en ik heb het regt om dit te vragen.”„Dat verhaal, zeg ik u nogmaals, is voor u van zeer weinig gewigt; maar evenwel, daar het u misschien een beteren dunk kan geven van den man aan wien gij vroeger toebehoordet, wil ik het u niet langer weigeren, hoor mij dus.”Na deze inleiding begon Tranquille hem in al de bijzonderheden te vertellen wat er tusschen hem en den slavenhandelaar was voorgevallen, en toen hij hiermede gedaan had, vroeg hij ten slotte:„Welnu, zijt gij thans voldaan?”„Ja,” zei de neger, die met onverpoosde aandacht had toegeluisterd, „nu weet ik dat ik naast God aan u alles te danken heb, ik zal het onthouden; nooit, nooit, in welke omstandigheden wij ook tegenover elkander komen, zult gij mij mijne schuld aan u behoeven te herinneren.”„Gij zijt mij niets verschuldigd, nu gij eenmaal vrij zijt; het staat slechts aan u om die vrijheid te gebruiken zoo als ieder regtschapen en eerlijk mensch betaamt.”„Ik zal trachten te toonen dat ik niet onwaardig ben wat God en gij zelf voor mij gedaan hebt; ook dank ik John Davis dat hij zijn betere gevoel is gevolgd en aan uwe vertoogen ten mijnen behoeve gehoor gaf; misschien zal ik mijne schuld aan hem nog eenmaal kunnen afdoen, en als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt zal ik die niet ongebruikt laten voorbijgaan.”„Goed; zoo mag ik u gaarne hooren spreken; dit bewijst mij dat ik mij in u niet bedrogen heb: maar wat denkt gij thans te doen?”„Wat zoudt gij mij raden?”„Dat is eene zeer ernstige vraag, ik weet waarlijk niet wat ik er u op zal antwoorden; de keus van een beroep is altijd eene moeijelijke zaak, die men rijpelijk dient te overwegen alvorens een bepaald besluit te nemen; ondanks mijn verlangen om u van dienst te zijn zou ik niet gaarne op mijn geweten nemen u een raad te geven dien gij zonder twijfel om mijnentwil zoudt opvolgen, doch waarover gij misschien later berouw zoudt gevoelen; overigens ben ik iemand die van zijn zevende jaar af in de bosschen geleefd, en bij gevolg veel te weinig ondervinding heeft van hetgeen men doorgaans de wereld noemt, om mij aan eene beslissing te wagen op[24]een pad dat mij zelf onbekend is, en daar ik dus den goeden of kwaden kant niet van weet aan te wijzen.”„Deze redenering komt mij volkomen juist voor, intusschen kan ik zoo niet blijven en dien ik op de een of andere wijs partij te kiezen.”„Doe vooreerst maar iets.”„Wat dan?”„Hier is een geweer, een mes, een bijl en een hoorn met kruid en kogels; de wildernis ligt voor u open, vertrek en neem eenige dagen de proef van het vrije leven in de onmetelijke ruimte; gedurende de lange uren der jagt zult gij tijd genoeg hebben om na te denken over het vak dat gij kiezen zult, en kunt gij op uw gemak de voor- of nadeelen overwegen die gij er van verwacht; hebt gij dan eindelijk uw besluit onherroepelijk bepaald; welnu, dan zegt gij de eenzaamheid vaarwel en keert naar de bewoonde wereld terug, en daar gij een eerlijk, verstandig en werkzaam man schijnt te zijn, ben ik zeker dat gij slagen zult, onverschillig welk beroep gij voor u hebt uitgekozen.”De neger schudde verscheidene malen het hoofd.„Ja,” zeide hij, „er is in uw voorstel veel goeds, maar toch, er is ook in dat mij niet bevalt, en dat geenszins aan mijn verlangen voldoet.”„Verklaar u nader, Quoniam, ik zie wel gij hebt nog iets op de tong dat gij mij niet durft zeggen.”„Gij hebt gelijk, ik ben niet openhartig met u geweest, Tranquille, en daar deed ik verkeerd aan, dat zie ik nu wel. In plaats van u geveinsdelijk om raad te vragen, dien ik geenszins voornemens was op te volgen, had ik u liever ronduit mijn gevoelen moeten zeggen, dat zou veel beter geweest zijn.”„Laat hooren,” riep de jager lagchend, „spreek op.”„’t Is waar, waarom zou ik voor u verbergen wat mij op het hart ligt? Zoo er iemand op de wereld is die belang in mij stelt, zijt gij het zeker, laat ik u dus eens zeggen waar het op staat: het eenige vak dat mij bevalt is dat van woudlooper. Mijne gedachten en neigingen drijven mij daar heen. Al mijne pogingen om te vlugten, toen ik nog slaaf was, waren op dit doel gerigt. Ik ben maar een arme neger, die met zijn beperkten geest en bekrompen verstand moeijelijk in de steden zou teregt komen, waar de mensch niet geldt voor hetgeen hij wil of waard is, maar voor hetgeen hij schijnt of vermag. Wat zou ik hebben aan die vrijheid daar ik zoo fier op ben, in de stad, waar ik om mij te[25]voeden en te kleeden, haar terstond zou moeten prijs geven aan den eersten den beste die mij aanbood om in deze onvermijdelijke levensnooddruft te voorzien? Zoo zou ik mijne vrijheid slechts hebben verkregen om mijn eigen slaaf te worden. Neen, in de wildernis alleen kan ik de weldaad genieten die ik aan u te danken heb, zonder ooit door armoede gedrongen te worden tot daden die den mensch welke zich zelven gevoelt onwaardig zijn. Ik wil dus voortaan in de woestijn blijven leven en de steden niet anders naderen of bezoeken, dan om er de vellen der dieren, die ik dooden zal, voor kruid en kogels te verwisselen, of voor kleederen en andere kleinebenoodigdheden. Ik ben jong en sterk. God, die mij tot hiertoe bewaard heeft, zal mij niet verlaten.”„Gij hebt misschien gelijk; ik althans, die het leven dat ik leid boven alles verkies, kan het niet in u afkeuren dat gij mijn voorbeeld wilt volgen. Welaan dan, terwijl alles dus tot ons wederzijdsch genoegen geregeld is, zullen wij elkander verlaten, en wensch ik u met uw voornemen geluk, mijn goede Quoniam; misschien zullen wij elkander later nog wel eens ontmoeten op Indiaansch grondgebied.”De neger begon te lagchen en liet daarbij eene dubbele rij tanden zien zoo wit als sneeuw, maar antwoordde niet.Tranquille wierp zijn buks over den schouder, wenkte hem een laatst en vriendelijk vaarwel toe, en verwijderde zich om naar zijne praauw terug te keeren.Quoniam nam het geweer dat de jager hem gelaten had, stak de bijl en het mes in zijn gordel, hechtte er ook de horens met kruid en kogels aan en na een laatsten blik in het rond te hebben geslagen, om zich te overtuigen dat hij niets vergeten had, volgde hij den jager, die hem intusschen reeds een goed eind vooruit was.Hij haalde hem in, juist op het oogenblik toen Tranquille bezig was met zijne boot los te maken en te water te brengen; op het gedruisch zijner voetstappen keek de jager om.„Wat drommel! zijt gij daar nog, Quoniam?” riep hij.„Ja!” zei de andere.„Wat voert u hier heen?”„Wel!” begon de neger, met de hand in zijn gekroesde haren, terwijl hij driftig zijn hoofd krabde, „ik geloof dat gij nog iets vergeten hebt.”„Ik?”„Ja,” antwoordde de neger blijkbaar verlegen.„Wat dan?”[26]„Mij mede te nemen.”„Dat is waar,” zei de jager hem de hand toestekende,„vergeef mij, broeder.”„Gij vindt het dus goed?” begon hij met kwalijk verholen blijdschap.„Wat?”„Dat ik medega?”„Ja.”„Zullen wij elkander niet meer verlaten?”„Dat hangt alleen van uwe keuze af.”„O! dan,” riep hij uit met een vrolijken schaterlach, „dan zullen wij nog lang zamenleven.”„Welnu, laat het zoo zijn,” hernam de Canadees. „Kom vrij mede: twee mannen die elkander verstaan en getrouw blijven zijn sterk in de woestijn. God heeft zonder twijfel gewild dat wij elkander ontmoeten zouden. Wij zijn voortaan broeders, voor altijd.”Quoniam sprong in de praauw en greep vrolijk de riemen.De arme slaaf had zich nog nooit zoo gelukkig gevoeld: nooit scheen hem de lucht zoo zuiver, de natuur zoo schoon, het was of alles in het rond hem feestelijk toelachte. Van dit oogenblik af zou hij inderdaad een leven beginnen als andere menschen, zonder bange vrees of bittere nagedachten; het verledene scheen reeds niet meer dan een droom. In zijn beschermer had hij gevonden, wat zoovele menschen gedurende hun gansche leven vruchteloos zoeken, een vriend en een broeder, aan wien hij zich geheel kon toevertrouwen en voor wien hij geene geheimen meer hebben zou.Binnen weinige minuten bereikten zij de plaats die de Canadees bij zijn eerste komst als rustpunt had uitgekozen; deze plaats, bepaaldelijk aangewezen door twee eikenstammen, die kruiselings over elkander lagen, formeerde een soort van voorgebergte met zandgruis bedekt en bijzonder geschikt om er een nachtkamp te vestigen, daar men van dit punt niet slechts de rivier zoo boven als benedenwaarts tot op verren afstand kon overzien, maar tevens het oog had op de beide oevers, en dus tegen elke verrassing beveiligd was.„Hier zullen wij den nacht doorbrengen,” zeide Tranquille, „laten wij de praauw bij ons nemen, om het vuur tegen den wind te beschermen.”Quoniam pakte het kleine vaartuig aan, tilde het op zijne stevige schouders en droeg het naar de plek die zijn kameraad hem had aangewezen.[27]Intusschen was er een geruime tijd verloopen sedert de Canadees en de neger elkaar zoo wonderbaarlijk ontmoet hadden.De zon, die reeds begon te dalen toen de jager de kaap omstevende en op reigers jagt maakte, was thans op het punt van te verdwijnen. De nacht zou spoedig vallen; de oosterlijke achtergrond van het landschap dompelde zich reeds in de avondschaduw, die van lieverlede dikker en dikker werd.De wildernis begon te ontwaken, het schorre gebrul der jaguars en pumas liet zich bij tusschenpoozen hooren en vermengde zich met het miaauwen der carcajous en boschkatten en met het afgebroken keffen der roode wolven.De jager verzamelde een hoop hout van het droogste dat hij vinden kon, om een vuur te ontsteken dat zoo weinig mogelijk rookte, maar des te helderder opvlamde, ten einde den omtrek te verlichten enonmiddellijkde aannadering te bespeuren der gevreesde gasten, die zij in de verte hoorden schreeuwen en die weldra in hunne nabijheid zouden verschijnen om hun dorst aan de rivier te komen lesschen.De twee flamingo’s werden gebraden en maakten met eenige handvollengeroosterdemaïskorrels enpemmikan(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) het souper uit der avonturiers, voorzeker een sober maal, en alleen besproeid met een teug water uit de rivier, maar met graagte genuttigd, door menschen, die vermoeid en hongerig, de waarde der spijzen wisten te schatten welke de Voorzienigheid hun ten beste gaf.Toen de laatste beet verslonden was, deelde de Canadees zijn voorraad tabak broederlijk met zijn nieuwen kameraad, stak zijn Indiaansche pijp aan en begon lustig te dampen, een voorbeeld dat door Quoniam trouw gevolgd werd.„Komaan,” zei Tranquille eindelijk, „nu wordt het tijd u te zeggen dat ik hier een oud vriend van mij wachtende ben, die mij omtrent drie maanden geleden te dezer plaats heeft bescheiden; hij moet morgen komen met het aanbreken van den dag. Het is een Indiaansch opperhoofd. Hoe jong hij ook wezen mag, geniet hij toch eene groote vermaardheid in zijn stam. Ik bemin hem als een broeder. Wij zijn zoo te zeggen zamen opgevoed. Ik zal gelukkig zijn als ik hem in goeden welstand zien mag. Het is een wijs man, van groote ondervinding, en welervaren in al de geheimen van het leven der woestijn. De vriendschap van een Indiaansch opperhoofd is voor een woudlooper oneindig veel waard; onthoud dat. Bovendien ben ik zeker dat gij mij volkomen gelijk zult geven, zoodra gij hem ziet.”[28]„Ik zal alles doen wat ik kan om hem te leeren kennen. Het is genoeg dat het opperhoofd uw vriend is, om te verlangen dat hij ook de mijne worde. Tot nog toe, ofschoon ik als weggeloopen slaaf lang genoeg in de bosschen heb rondgezworven, heb ik nog nooit een onafhankelijk Indiaan gezien, het is dus ligt mogelijk dat ik uit onwetendheid een dommen streek bega; maar geloof mij, het zal buiten mijne schuld zijn.”„Daar ben ik van overtuigd, stel u deswege gerust, ik zal het opperhoofd wel over u spreken; bovendien denk ik dat hij niet minder verwonderd zal zijn over u als gij over hem, daar ik niet beter weet of gij zijt de eerste man van uwe kleur dien hij ontmoet. Maar zie, het is reeds volkomen nacht geworden, gij zult wel vermoeid zijn na de hardnekkige vervolging die gij dezen dag hebt moeten doorstaan en de heftige aandoeningen die gij te verduren hadt; ga dus slapen, ik zal wel voor ons tweeën wacht houden, daarbij hebben wij morgen een verren togt te maken, en zult gij dus reeds vroeg bij de hand moeten zijn.”De neger begreep al de juistheid van hetgeen zijn vriend aanmerkte, bovendien viel hij letterlijk omver van vermoeijenis; de speurhonden van zijn vorigen meester hadden hem zoo digt en aanhoudend op de hielen gezeten, dat hij in geen vier dagen en nachten een oog geloken had. Derhalve alle valsche schaamte ter zijde stellende, strekte hij de voeten bij het vuur en sliep bijna onmiddellijk in.Tranquille bleef op zijne praauw zitten, met zijn buks tusschen de beenen, om op het eerste onraad gereed te zijn, en verzonk weldra in ernstige beschouwingen, zonder nogtans een oogenblik zijne waakzaamheid te verzuimen en telkens de ooren spitsend op het minste geritsel.1Wij hebben hier geen gebruik willen maken van het gebrekkige Engelsch dat men den negers zoo gaarne in den mond legt, maar dat bij de overbrenging in eene andere taal grootendeels verloren gaat en den gang van het verhaal onnoodig vertraagt, zonder er de schoonheid van te verhoogen.G. A.↑

III.NEGER EN BLANKE.

Intusschen had de Canadees, wiens naam wij eindelijk zijn te weten gekomen, gelijk wij reeds gezegd hebben den anderen oever bereikt, digt bij de plek waar hij den neger in de struiken had achtergelaten.Gedurende de lange afwezigheid van zijn verdediger had de slaaf gemakkelijk kunnen ontvlugten, des te meer daar hij bijna zeker kon zijn niet vervolgd te zullen worden voor dat hij reeds een aanzienlijken afstand op zijne vijanden gewonnen zou hebben, die zich met zooveel hardnekkigheid beijverden om hem weder in handen te krijgen.Hij had echter van de gelegenheid geen gebruik gemaakt, hetzij dat de vlugt hem onuitvoerbaar toescheen, hetzij dat hij zich te veel vermoeid gevoelde, hetzij om andere redenen die wij hier niet zullen uitvorschen; genoeg, hij was geen duim breed geweken van de plaats waar hij in de eerste oogenblikken zijner aanlanding een toevlugt had gezocht, en daar had hij gezeten met de oogen onafgewend op de rots gerigt, om met angstige blikken alles gade te slaan wat er tusschen de verschillende personen op het terras voorviel.John Davis had inderdaad niet te veel gezegd toen hij den jager zulk eene gunstige beschrijving van den neger gaf: Quoniam was een der prachtigste stalen van het Afrikaansche menschenras; hoogstens twee en twintig jaar oud, was hij groot, welgemaakt en stevig gebouwd; zijne breede schouders, ruime borst en fraai gevormde leden teekenden tegelijk ongewone behendigheid en vlugheid en weergalooze kracht; zijne gelaatstrekken waren fijn en vol uitdrukking, zijn uitzigt sprak van vrijmoedigheid en opregtheid, zijn open oog teekende schranderheid en ernst, en al was zijne kleur van het schoonste zwart, eene kleur die in Amerika, het zoogenaamde „land der vrijheid” als onuitwischbare stempel der dienstbaarheid wordt gebrandmerkt, scheen deze man niet geschapen voor slavernij en ademde zijn gansche voorkomen die zucht naar vrijheid en naar onbelemmerde wilsuiting, die God ook aan de gekleurde menschenrassen heeft ingeschapen en die alleen het blinde vooroordeel der blanken hun vruchteloos poogt te ontzeggen.Toen hij zag dat de Canadees in zijn praauw stapte en de Amerikanen[20]de rots verlieten, slaakte de neger een zucht van ontspanning en blonk er een glimlach op zijn zwart gelaat, want zonder bepaald te weten wat er tusschen den jager en zijn ouden meester was omgegaan, daar hij te ver verwijderd zat om te hooren wat er gesproken werd, begreep hij toch dat hij ten minste vooreerst niets van den laatstgenoemde te duchten had en wachtte hij met koortsachtig ongeduld op de terugkomst van zijn verdediger, ten einde te vernemen wat hij voortaan te vreezen of te hopen zou hebben.Zoodra de jager den oever bereikte, stiet hij zijn boot op het zand en stapte hij met forschen en afgemeten tred naar de plek waar hij veronderstelde den neger te zullen vinden.Hij kreeg hem weldra in het oog, ongeveer op dezelfde plaats gezeten en bijna in dezelfde houding als toen hij hem verliet.Onwillekeurig kwam er een glimlach van tevredenheid op het gelaat van den Canadees.„Ha ha! vriend Quoniam,” riep hij, „zit gij daar nog?”„Ja, massa,” was het antwoord, „heeft John Davis u mij naam gezegd?”„Dat hoort gij; maar wat doet gij daar, waarom hebt gij u niet uit de voeten gemaakt, terwijl ik weg was?”„Quoniam is geen lafaard,” zeide hij, „zoodat hij zou willen ontsnappen terwijl een ander zijn leven voor hem waagt. Ik heb zitten wachten, gereed om mij over te leveren, zoo de veiligheid van den blanken jager ware bedreigd geworden.”1Dit werd door den neger met zulk eene edele eenvoudigheid gezegd, dat er aan de opregtheid van zijne betuiging niet te twijfelen viel.„Goed,” antwoordde de jager getroffen, „ik zeg u dank voor uw goede voornemen; gelukkig dat uwe tusschenkomst niet noodig is geweest, overigens hebt gij verstandig gedaan met hier te blijven wachten.”„Wat er ook met mij gebeure, meester, houd u verzekerd van mijne erkentelijkheid, daar ik uwe hulp in eeuwigheid niet vergeten zal.”„Des te beter voor u, Quoniam, daardoor zult gij toonen geen[21]ondankbare te zijn, een der grootste ondeugden die de menschheid schandvlekken; maar wat ik u verder verzoeken mag, noem mij toch geen meester, dat zou mij verdriet doen: het woord meester geeft eene vernederende minderheid te kennen, daar ik in mijn toestand niets van weten wil; ik ben uw meester niet, ik wil niets anders zijn dan uw kameraad.”„Maar welken anderen naam zou een arme slaaf u kunnen geven?”„Mijn eigen naam. Noem mij Tranquille, gelijk ik u Quoniam zal noemen. Tranquille is immers zoo moeijelijk niet om te onthouden of uit te spreken, zou ik denken?”„O! volstrekt niet!” riep de neger lagchende.„Goed! dat blijft afgesproken. Laten wij thans andere dingen bedenken, en vooreerst neem dit.”Hier haalde de jager een papier uit zijne borst en overhandigde het aan den neger.„Wat is dat?” vroeg deze met een ongerusten blik op het papier, daar hij geen lezen had geleerd en dus het schrift niet kon ontcijferen.„Dat?” hernam de jager glimlagchend, „dat is een kostelijke talisman, die u tot een mensch maakt als alle andere menschen, en u uit het register der dieren uitschrapt, daar men u tot dusver onder gerekend had; in een woord, het is eene acte, waarmede John Davis, koopman in slaven, wonende te Zuid-Carolina, verklaart, dat van heden af aan, Quoniam hier tegenwoordig, zijne volle vrijheid bekomt, om die voortaan te genieten zoo als hij zal goedvinden en naar zijne omstandigheden; hebt gij mij verstaan? het is uwe acte van vrijverklaring, door uw voormaligen meester geschreven en door bevoegde getuigen geteekend, om u te dienen als wettig bewijs naar gelang van tijd en gelegenheid.”Bij het hooren van deze woorden werd de neger zoo bleek als de lieden van zijne kleur worden kunnen, zijn gezigt namelijk kreeg een vaal graauwe tint, zijne oogen spalkten zich wijd open, en hij stond eenige sekonden onbewegelijk, als van den donder getroffen, en buiten staat om een woord te uiten of een lid te verroeren.Eindelijk barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, sprong twee of driemaal op zoo vlug als een wild dier, en begon toen eensklaps te schreijen als een kind.De jager sloeg al de bewegingen van Quoniam met de meeste aandacht gade, hij beschouwde zijne vervoering met klimmende belangstelling en gevoelde zich met ieder oogenblik meer aan den neger gehecht.[22]„Dus ben ik vrij?” vroeg eindelijk de zwarte, „vrij, vrij, geheel vrij, niet waar?”„Zoo vrij als ooit een mensch wezen kan,” glimlachte Tranquille.„Dus kan ik nu komen en gaan, staan of liggen, werken of rusten zonder dat iemand het mij belet, en zonder dat ik voor de zweep behoef te vreezen?”„Volkomen.”„Behoor ik geheel aan mij zelven, aan mij zelven alleen? Kan ik nu denken en handelen even als andere menschen? Ben ik niet langer een dier, dat men naar willekeur jaagt, of drijft, of lasten oplegt? Ben ik ondanks mijn zwarte kleur even goed als een ander mensch, hetzij blank, geel of rood?”„Volmaakt eenerlei!” antwoordde de jager ten hoogste verrast en ingenomen met al deze kinderachtige vragen.„O! o!” riep de neger terwijl hij zijn hoofd met beide handen vasthield, „dus ben ik vrij, vrij, eindelijk vrij!”Hij uitte deze woorden op zulk een zonderlinge wijs dat de jager er werkelijk van ontroerde; Quoniam zonk op de knieën, vouwde de handen te zamen en sloeg de oogen ten hemel:„Mijn God!” sprak hij overluid op een toon van zalige vreugd zooals de aarde maar zelden te gevoelen geeft, „Gij die alles vermoogt, Gij voor wien alle menschenkinderen gelijk zijn en die hunne kleur niet aanziet om hen te behoeden en te beschermen; Gij wiens goedheid even onbegrensd is als Uw alvermogen, ik dank, ik dank U, mijn God, dat Gij mij uit de slavernij verlost en de vrijheid gegeven hebt.”Na dit gebed te hebben uitgesproken, dat de onwillekeurige uitdrukking was van de gewaarwordingen die in zijn binnenste woelden, liet de neger zich op den grond vallen en bleef hij eenige minuten in ernstige gedachten verzonken. De jager eerbiedigde zijn stilzwijgen.Eindelijk hief de neger het hoofd weder op.„Hoor eens, jager,” zeide hij, „ik heb volgens mijn pligt God voor mijne vrijheid gedankt, want Hij was het die u ingaf om mij te verdedigen. Thans, nu ik mij een weinig bedaarder gevoel en aan mijn nieuwen toestand begin te gewennen, moet gij mij eens vertellen wat er tusschen u en mijn meester gebeurd is, opdat ik weten moge, hoe ver de verpligtingen gaan die ik aan u heb, en mijn volgend gedrag naar die verpligtingen kan regelen; spreek, ik hoor u.”„Waartoe zou ik u ophouden met een verhaal dat u maar zeer[23]weinig belangstelling kan inboezemen? Gij zijt vrij, en het is genoeg voor u dat gij dit weet.”„Neen, dat is niet genoeg voor mij; ik ben vrij, dat is waar; maar hoe ben ik het geworden? dat weet ik nog niet, en ik heb het regt om dit te vragen.”„Dat verhaal, zeg ik u nogmaals, is voor u van zeer weinig gewigt; maar evenwel, daar het u misschien een beteren dunk kan geven van den man aan wien gij vroeger toebehoordet, wil ik het u niet langer weigeren, hoor mij dus.”Na deze inleiding begon Tranquille hem in al de bijzonderheden te vertellen wat er tusschen hem en den slavenhandelaar was voorgevallen, en toen hij hiermede gedaan had, vroeg hij ten slotte:„Welnu, zijt gij thans voldaan?”„Ja,” zei de neger, die met onverpoosde aandacht had toegeluisterd, „nu weet ik dat ik naast God aan u alles te danken heb, ik zal het onthouden; nooit, nooit, in welke omstandigheden wij ook tegenover elkander komen, zult gij mij mijne schuld aan u behoeven te herinneren.”„Gij zijt mij niets verschuldigd, nu gij eenmaal vrij zijt; het staat slechts aan u om die vrijheid te gebruiken zoo als ieder regtschapen en eerlijk mensch betaamt.”„Ik zal trachten te toonen dat ik niet onwaardig ben wat God en gij zelf voor mij gedaan hebt; ook dank ik John Davis dat hij zijn betere gevoel is gevolgd en aan uwe vertoogen ten mijnen behoeve gehoor gaf; misschien zal ik mijne schuld aan hem nog eenmaal kunnen afdoen, en als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt zal ik die niet ongebruikt laten voorbijgaan.”„Goed; zoo mag ik u gaarne hooren spreken; dit bewijst mij dat ik mij in u niet bedrogen heb: maar wat denkt gij thans te doen?”„Wat zoudt gij mij raden?”„Dat is eene zeer ernstige vraag, ik weet waarlijk niet wat ik er u op zal antwoorden; de keus van een beroep is altijd eene moeijelijke zaak, die men rijpelijk dient te overwegen alvorens een bepaald besluit te nemen; ondanks mijn verlangen om u van dienst te zijn zou ik niet gaarne op mijn geweten nemen u een raad te geven dien gij zonder twijfel om mijnentwil zoudt opvolgen, doch waarover gij misschien later berouw zoudt gevoelen; overigens ben ik iemand die van zijn zevende jaar af in de bosschen geleefd, en bij gevolg veel te weinig ondervinding heeft van hetgeen men doorgaans de wereld noemt, om mij aan eene beslissing te wagen op[24]een pad dat mij zelf onbekend is, en daar ik dus den goeden of kwaden kant niet van weet aan te wijzen.”„Deze redenering komt mij volkomen juist voor, intusschen kan ik zoo niet blijven en dien ik op de een of andere wijs partij te kiezen.”„Doe vooreerst maar iets.”„Wat dan?”„Hier is een geweer, een mes, een bijl en een hoorn met kruid en kogels; de wildernis ligt voor u open, vertrek en neem eenige dagen de proef van het vrije leven in de onmetelijke ruimte; gedurende de lange uren der jagt zult gij tijd genoeg hebben om na te denken over het vak dat gij kiezen zult, en kunt gij op uw gemak de voor- of nadeelen overwegen die gij er van verwacht; hebt gij dan eindelijk uw besluit onherroepelijk bepaald; welnu, dan zegt gij de eenzaamheid vaarwel en keert naar de bewoonde wereld terug, en daar gij een eerlijk, verstandig en werkzaam man schijnt te zijn, ben ik zeker dat gij slagen zult, onverschillig welk beroep gij voor u hebt uitgekozen.”De neger schudde verscheidene malen het hoofd.„Ja,” zeide hij, „er is in uw voorstel veel goeds, maar toch, er is ook in dat mij niet bevalt, en dat geenszins aan mijn verlangen voldoet.”„Verklaar u nader, Quoniam, ik zie wel gij hebt nog iets op de tong dat gij mij niet durft zeggen.”„Gij hebt gelijk, ik ben niet openhartig met u geweest, Tranquille, en daar deed ik verkeerd aan, dat zie ik nu wel. In plaats van u geveinsdelijk om raad te vragen, dien ik geenszins voornemens was op te volgen, had ik u liever ronduit mijn gevoelen moeten zeggen, dat zou veel beter geweest zijn.”„Laat hooren,” riep de jager lagchend, „spreek op.”„’t Is waar, waarom zou ik voor u verbergen wat mij op het hart ligt? Zoo er iemand op de wereld is die belang in mij stelt, zijt gij het zeker, laat ik u dus eens zeggen waar het op staat: het eenige vak dat mij bevalt is dat van woudlooper. Mijne gedachten en neigingen drijven mij daar heen. Al mijne pogingen om te vlugten, toen ik nog slaaf was, waren op dit doel gerigt. Ik ben maar een arme neger, die met zijn beperkten geest en bekrompen verstand moeijelijk in de steden zou teregt komen, waar de mensch niet geldt voor hetgeen hij wil of waard is, maar voor hetgeen hij schijnt of vermag. Wat zou ik hebben aan die vrijheid daar ik zoo fier op ben, in de stad, waar ik om mij te[25]voeden en te kleeden, haar terstond zou moeten prijs geven aan den eersten den beste die mij aanbood om in deze onvermijdelijke levensnooddruft te voorzien? Zoo zou ik mijne vrijheid slechts hebben verkregen om mijn eigen slaaf te worden. Neen, in de wildernis alleen kan ik de weldaad genieten die ik aan u te danken heb, zonder ooit door armoede gedrongen te worden tot daden die den mensch welke zich zelven gevoelt onwaardig zijn. Ik wil dus voortaan in de woestijn blijven leven en de steden niet anders naderen of bezoeken, dan om er de vellen der dieren, die ik dooden zal, voor kruid en kogels te verwisselen, of voor kleederen en andere kleinebenoodigdheden. Ik ben jong en sterk. God, die mij tot hiertoe bewaard heeft, zal mij niet verlaten.”„Gij hebt misschien gelijk; ik althans, die het leven dat ik leid boven alles verkies, kan het niet in u afkeuren dat gij mijn voorbeeld wilt volgen. Welaan dan, terwijl alles dus tot ons wederzijdsch genoegen geregeld is, zullen wij elkander verlaten, en wensch ik u met uw voornemen geluk, mijn goede Quoniam; misschien zullen wij elkander later nog wel eens ontmoeten op Indiaansch grondgebied.”De neger begon te lagchen en liet daarbij eene dubbele rij tanden zien zoo wit als sneeuw, maar antwoordde niet.Tranquille wierp zijn buks over den schouder, wenkte hem een laatst en vriendelijk vaarwel toe, en verwijderde zich om naar zijne praauw terug te keeren.Quoniam nam het geweer dat de jager hem gelaten had, stak de bijl en het mes in zijn gordel, hechtte er ook de horens met kruid en kogels aan en na een laatsten blik in het rond te hebben geslagen, om zich te overtuigen dat hij niets vergeten had, volgde hij den jager, die hem intusschen reeds een goed eind vooruit was.Hij haalde hem in, juist op het oogenblik toen Tranquille bezig was met zijne boot los te maken en te water te brengen; op het gedruisch zijner voetstappen keek de jager om.„Wat drommel! zijt gij daar nog, Quoniam?” riep hij.„Ja!” zei de andere.„Wat voert u hier heen?”„Wel!” begon de neger, met de hand in zijn gekroesde haren, terwijl hij driftig zijn hoofd krabde, „ik geloof dat gij nog iets vergeten hebt.”„Ik?”„Ja,” antwoordde de neger blijkbaar verlegen.„Wat dan?”[26]„Mij mede te nemen.”„Dat is waar,” zei de jager hem de hand toestekende,„vergeef mij, broeder.”„Gij vindt het dus goed?” begon hij met kwalijk verholen blijdschap.„Wat?”„Dat ik medega?”„Ja.”„Zullen wij elkander niet meer verlaten?”„Dat hangt alleen van uwe keuze af.”„O! dan,” riep hij uit met een vrolijken schaterlach, „dan zullen wij nog lang zamenleven.”„Welnu, laat het zoo zijn,” hernam de Canadees. „Kom vrij mede: twee mannen die elkander verstaan en getrouw blijven zijn sterk in de woestijn. God heeft zonder twijfel gewild dat wij elkander ontmoeten zouden. Wij zijn voortaan broeders, voor altijd.”Quoniam sprong in de praauw en greep vrolijk de riemen.De arme slaaf had zich nog nooit zoo gelukkig gevoeld: nooit scheen hem de lucht zoo zuiver, de natuur zoo schoon, het was of alles in het rond hem feestelijk toelachte. Van dit oogenblik af zou hij inderdaad een leven beginnen als andere menschen, zonder bange vrees of bittere nagedachten; het verledene scheen reeds niet meer dan een droom. In zijn beschermer had hij gevonden, wat zoovele menschen gedurende hun gansche leven vruchteloos zoeken, een vriend en een broeder, aan wien hij zich geheel kon toevertrouwen en voor wien hij geene geheimen meer hebben zou.Binnen weinige minuten bereikten zij de plaats die de Canadees bij zijn eerste komst als rustpunt had uitgekozen; deze plaats, bepaaldelijk aangewezen door twee eikenstammen, die kruiselings over elkander lagen, formeerde een soort van voorgebergte met zandgruis bedekt en bijzonder geschikt om er een nachtkamp te vestigen, daar men van dit punt niet slechts de rivier zoo boven als benedenwaarts tot op verren afstand kon overzien, maar tevens het oog had op de beide oevers, en dus tegen elke verrassing beveiligd was.„Hier zullen wij den nacht doorbrengen,” zeide Tranquille, „laten wij de praauw bij ons nemen, om het vuur tegen den wind te beschermen.”Quoniam pakte het kleine vaartuig aan, tilde het op zijne stevige schouders en droeg het naar de plek die zijn kameraad hem had aangewezen.[27]Intusschen was er een geruime tijd verloopen sedert de Canadees en de neger elkaar zoo wonderbaarlijk ontmoet hadden.De zon, die reeds begon te dalen toen de jager de kaap omstevende en op reigers jagt maakte, was thans op het punt van te verdwijnen. De nacht zou spoedig vallen; de oosterlijke achtergrond van het landschap dompelde zich reeds in de avondschaduw, die van lieverlede dikker en dikker werd.De wildernis begon te ontwaken, het schorre gebrul der jaguars en pumas liet zich bij tusschenpoozen hooren en vermengde zich met het miaauwen der carcajous en boschkatten en met het afgebroken keffen der roode wolven.De jager verzamelde een hoop hout van het droogste dat hij vinden kon, om een vuur te ontsteken dat zoo weinig mogelijk rookte, maar des te helderder opvlamde, ten einde den omtrek te verlichten enonmiddellijkde aannadering te bespeuren der gevreesde gasten, die zij in de verte hoorden schreeuwen en die weldra in hunne nabijheid zouden verschijnen om hun dorst aan de rivier te komen lesschen.De twee flamingo’s werden gebraden en maakten met eenige handvollengeroosterdemaïskorrels enpemmikan(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) het souper uit der avonturiers, voorzeker een sober maal, en alleen besproeid met een teug water uit de rivier, maar met graagte genuttigd, door menschen, die vermoeid en hongerig, de waarde der spijzen wisten te schatten welke de Voorzienigheid hun ten beste gaf.Toen de laatste beet verslonden was, deelde de Canadees zijn voorraad tabak broederlijk met zijn nieuwen kameraad, stak zijn Indiaansche pijp aan en begon lustig te dampen, een voorbeeld dat door Quoniam trouw gevolgd werd.„Komaan,” zei Tranquille eindelijk, „nu wordt het tijd u te zeggen dat ik hier een oud vriend van mij wachtende ben, die mij omtrent drie maanden geleden te dezer plaats heeft bescheiden; hij moet morgen komen met het aanbreken van den dag. Het is een Indiaansch opperhoofd. Hoe jong hij ook wezen mag, geniet hij toch eene groote vermaardheid in zijn stam. Ik bemin hem als een broeder. Wij zijn zoo te zeggen zamen opgevoed. Ik zal gelukkig zijn als ik hem in goeden welstand zien mag. Het is een wijs man, van groote ondervinding, en welervaren in al de geheimen van het leven der woestijn. De vriendschap van een Indiaansch opperhoofd is voor een woudlooper oneindig veel waard; onthoud dat. Bovendien ben ik zeker dat gij mij volkomen gelijk zult geven, zoodra gij hem ziet.”[28]„Ik zal alles doen wat ik kan om hem te leeren kennen. Het is genoeg dat het opperhoofd uw vriend is, om te verlangen dat hij ook de mijne worde. Tot nog toe, ofschoon ik als weggeloopen slaaf lang genoeg in de bosschen heb rondgezworven, heb ik nog nooit een onafhankelijk Indiaan gezien, het is dus ligt mogelijk dat ik uit onwetendheid een dommen streek bega; maar geloof mij, het zal buiten mijne schuld zijn.”„Daar ben ik van overtuigd, stel u deswege gerust, ik zal het opperhoofd wel over u spreken; bovendien denk ik dat hij niet minder verwonderd zal zijn over u als gij over hem, daar ik niet beter weet of gij zijt de eerste man van uwe kleur dien hij ontmoet. Maar zie, het is reeds volkomen nacht geworden, gij zult wel vermoeid zijn na de hardnekkige vervolging die gij dezen dag hebt moeten doorstaan en de heftige aandoeningen die gij te verduren hadt; ga dus slapen, ik zal wel voor ons tweeën wacht houden, daarbij hebben wij morgen een verren togt te maken, en zult gij dus reeds vroeg bij de hand moeten zijn.”De neger begreep al de juistheid van hetgeen zijn vriend aanmerkte, bovendien viel hij letterlijk omver van vermoeijenis; de speurhonden van zijn vorigen meester hadden hem zoo digt en aanhoudend op de hielen gezeten, dat hij in geen vier dagen en nachten een oog geloken had. Derhalve alle valsche schaamte ter zijde stellende, strekte hij de voeten bij het vuur en sliep bijna onmiddellijk in.Tranquille bleef op zijne praauw zitten, met zijn buks tusschen de beenen, om op het eerste onraad gereed te zijn, en verzonk weldra in ernstige beschouwingen, zonder nogtans een oogenblik zijne waakzaamheid te verzuimen en telkens de ooren spitsend op het minste geritsel.

Intusschen had de Canadees, wiens naam wij eindelijk zijn te weten gekomen, gelijk wij reeds gezegd hebben den anderen oever bereikt, digt bij de plek waar hij den neger in de struiken had achtergelaten.

Gedurende de lange afwezigheid van zijn verdediger had de slaaf gemakkelijk kunnen ontvlugten, des te meer daar hij bijna zeker kon zijn niet vervolgd te zullen worden voor dat hij reeds een aanzienlijken afstand op zijne vijanden gewonnen zou hebben, die zich met zooveel hardnekkigheid beijverden om hem weder in handen te krijgen.

Hij had echter van de gelegenheid geen gebruik gemaakt, hetzij dat de vlugt hem onuitvoerbaar toescheen, hetzij dat hij zich te veel vermoeid gevoelde, hetzij om andere redenen die wij hier niet zullen uitvorschen; genoeg, hij was geen duim breed geweken van de plaats waar hij in de eerste oogenblikken zijner aanlanding een toevlugt had gezocht, en daar had hij gezeten met de oogen onafgewend op de rots gerigt, om met angstige blikken alles gade te slaan wat er tusschen de verschillende personen op het terras voorviel.

John Davis had inderdaad niet te veel gezegd toen hij den jager zulk eene gunstige beschrijving van den neger gaf: Quoniam was een der prachtigste stalen van het Afrikaansche menschenras; hoogstens twee en twintig jaar oud, was hij groot, welgemaakt en stevig gebouwd; zijne breede schouders, ruime borst en fraai gevormde leden teekenden tegelijk ongewone behendigheid en vlugheid en weergalooze kracht; zijne gelaatstrekken waren fijn en vol uitdrukking, zijn uitzigt sprak van vrijmoedigheid en opregtheid, zijn open oog teekende schranderheid en ernst, en al was zijne kleur van het schoonste zwart, eene kleur die in Amerika, het zoogenaamde „land der vrijheid” als onuitwischbare stempel der dienstbaarheid wordt gebrandmerkt, scheen deze man niet geschapen voor slavernij en ademde zijn gansche voorkomen die zucht naar vrijheid en naar onbelemmerde wilsuiting, die God ook aan de gekleurde menschenrassen heeft ingeschapen en die alleen het blinde vooroordeel der blanken hun vruchteloos poogt te ontzeggen.

Toen hij zag dat de Canadees in zijn praauw stapte en de Amerikanen[20]de rots verlieten, slaakte de neger een zucht van ontspanning en blonk er een glimlach op zijn zwart gelaat, want zonder bepaald te weten wat er tusschen den jager en zijn ouden meester was omgegaan, daar hij te ver verwijderd zat om te hooren wat er gesproken werd, begreep hij toch dat hij ten minste vooreerst niets van den laatstgenoemde te duchten had en wachtte hij met koortsachtig ongeduld op de terugkomst van zijn verdediger, ten einde te vernemen wat hij voortaan te vreezen of te hopen zou hebben.

Zoodra de jager den oever bereikte, stiet hij zijn boot op het zand en stapte hij met forschen en afgemeten tred naar de plek waar hij veronderstelde den neger te zullen vinden.

Hij kreeg hem weldra in het oog, ongeveer op dezelfde plaats gezeten en bijna in dezelfde houding als toen hij hem verliet.

Onwillekeurig kwam er een glimlach van tevredenheid op het gelaat van den Canadees.

„Ha ha! vriend Quoniam,” riep hij, „zit gij daar nog?”

„Ja, massa,” was het antwoord, „heeft John Davis u mij naam gezegd?”

„Dat hoort gij; maar wat doet gij daar, waarom hebt gij u niet uit de voeten gemaakt, terwijl ik weg was?”

„Quoniam is geen lafaard,” zeide hij, „zoodat hij zou willen ontsnappen terwijl een ander zijn leven voor hem waagt. Ik heb zitten wachten, gereed om mij over te leveren, zoo de veiligheid van den blanken jager ware bedreigd geworden.”1

Dit werd door den neger met zulk eene edele eenvoudigheid gezegd, dat er aan de opregtheid van zijne betuiging niet te twijfelen viel.

„Goed,” antwoordde de jager getroffen, „ik zeg u dank voor uw goede voornemen; gelukkig dat uwe tusschenkomst niet noodig is geweest, overigens hebt gij verstandig gedaan met hier te blijven wachten.”

„Wat er ook met mij gebeure, meester, houd u verzekerd van mijne erkentelijkheid, daar ik uwe hulp in eeuwigheid niet vergeten zal.”

„Des te beter voor u, Quoniam, daardoor zult gij toonen geen[21]ondankbare te zijn, een der grootste ondeugden die de menschheid schandvlekken; maar wat ik u verder verzoeken mag, noem mij toch geen meester, dat zou mij verdriet doen: het woord meester geeft eene vernederende minderheid te kennen, daar ik in mijn toestand niets van weten wil; ik ben uw meester niet, ik wil niets anders zijn dan uw kameraad.”

„Maar welken anderen naam zou een arme slaaf u kunnen geven?”

„Mijn eigen naam. Noem mij Tranquille, gelijk ik u Quoniam zal noemen. Tranquille is immers zoo moeijelijk niet om te onthouden of uit te spreken, zou ik denken?”

„O! volstrekt niet!” riep de neger lagchende.

„Goed! dat blijft afgesproken. Laten wij thans andere dingen bedenken, en vooreerst neem dit.”

Hier haalde de jager een papier uit zijne borst en overhandigde het aan den neger.

„Wat is dat?” vroeg deze met een ongerusten blik op het papier, daar hij geen lezen had geleerd en dus het schrift niet kon ontcijferen.

„Dat?” hernam de jager glimlagchend, „dat is een kostelijke talisman, die u tot een mensch maakt als alle andere menschen, en u uit het register der dieren uitschrapt, daar men u tot dusver onder gerekend had; in een woord, het is eene acte, waarmede John Davis, koopman in slaven, wonende te Zuid-Carolina, verklaart, dat van heden af aan, Quoniam hier tegenwoordig, zijne volle vrijheid bekomt, om die voortaan te genieten zoo als hij zal goedvinden en naar zijne omstandigheden; hebt gij mij verstaan? het is uwe acte van vrijverklaring, door uw voormaligen meester geschreven en door bevoegde getuigen geteekend, om u te dienen als wettig bewijs naar gelang van tijd en gelegenheid.”

Bij het hooren van deze woorden werd de neger zoo bleek als de lieden van zijne kleur worden kunnen, zijn gezigt namelijk kreeg een vaal graauwe tint, zijne oogen spalkten zich wijd open, en hij stond eenige sekonden onbewegelijk, als van den donder getroffen, en buiten staat om een woord te uiten of een lid te verroeren.

Eindelijk barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, sprong twee of driemaal op zoo vlug als een wild dier, en begon toen eensklaps te schreijen als een kind.

De jager sloeg al de bewegingen van Quoniam met de meeste aandacht gade, hij beschouwde zijne vervoering met klimmende belangstelling en gevoelde zich met ieder oogenblik meer aan den neger gehecht.[22]

„Dus ben ik vrij?” vroeg eindelijk de zwarte, „vrij, vrij, geheel vrij, niet waar?”

„Zoo vrij als ooit een mensch wezen kan,” glimlachte Tranquille.

„Dus kan ik nu komen en gaan, staan of liggen, werken of rusten zonder dat iemand het mij belet, en zonder dat ik voor de zweep behoef te vreezen?”

„Volkomen.”

„Behoor ik geheel aan mij zelven, aan mij zelven alleen? Kan ik nu denken en handelen even als andere menschen? Ben ik niet langer een dier, dat men naar willekeur jaagt, of drijft, of lasten oplegt? Ben ik ondanks mijn zwarte kleur even goed als een ander mensch, hetzij blank, geel of rood?”

„Volmaakt eenerlei!” antwoordde de jager ten hoogste verrast en ingenomen met al deze kinderachtige vragen.

„O! o!” riep de neger terwijl hij zijn hoofd met beide handen vasthield, „dus ben ik vrij, vrij, eindelijk vrij!”

Hij uitte deze woorden op zulk een zonderlinge wijs dat de jager er werkelijk van ontroerde; Quoniam zonk op de knieën, vouwde de handen te zamen en sloeg de oogen ten hemel:

„Mijn God!” sprak hij overluid op een toon van zalige vreugd zooals de aarde maar zelden te gevoelen geeft, „Gij die alles vermoogt, Gij voor wien alle menschenkinderen gelijk zijn en die hunne kleur niet aanziet om hen te behoeden en te beschermen; Gij wiens goedheid even onbegrensd is als Uw alvermogen, ik dank, ik dank U, mijn God, dat Gij mij uit de slavernij verlost en de vrijheid gegeven hebt.”

Na dit gebed te hebben uitgesproken, dat de onwillekeurige uitdrukking was van de gewaarwordingen die in zijn binnenste woelden, liet de neger zich op den grond vallen en bleef hij eenige minuten in ernstige gedachten verzonken. De jager eerbiedigde zijn stilzwijgen.

Eindelijk hief de neger het hoofd weder op.

„Hoor eens, jager,” zeide hij, „ik heb volgens mijn pligt God voor mijne vrijheid gedankt, want Hij was het die u ingaf om mij te verdedigen. Thans, nu ik mij een weinig bedaarder gevoel en aan mijn nieuwen toestand begin te gewennen, moet gij mij eens vertellen wat er tusschen u en mijn meester gebeurd is, opdat ik weten moge, hoe ver de verpligtingen gaan die ik aan u heb, en mijn volgend gedrag naar die verpligtingen kan regelen; spreek, ik hoor u.”

„Waartoe zou ik u ophouden met een verhaal dat u maar zeer[23]weinig belangstelling kan inboezemen? Gij zijt vrij, en het is genoeg voor u dat gij dit weet.”

„Neen, dat is niet genoeg voor mij; ik ben vrij, dat is waar; maar hoe ben ik het geworden? dat weet ik nog niet, en ik heb het regt om dit te vragen.”

„Dat verhaal, zeg ik u nogmaals, is voor u van zeer weinig gewigt; maar evenwel, daar het u misschien een beteren dunk kan geven van den man aan wien gij vroeger toebehoordet, wil ik het u niet langer weigeren, hoor mij dus.”

Na deze inleiding begon Tranquille hem in al de bijzonderheden te vertellen wat er tusschen hem en den slavenhandelaar was voorgevallen, en toen hij hiermede gedaan had, vroeg hij ten slotte:

„Welnu, zijt gij thans voldaan?”

„Ja,” zei de neger, die met onverpoosde aandacht had toegeluisterd, „nu weet ik dat ik naast God aan u alles te danken heb, ik zal het onthouden; nooit, nooit, in welke omstandigheden wij ook tegenover elkander komen, zult gij mij mijne schuld aan u behoeven te herinneren.”

„Gij zijt mij niets verschuldigd, nu gij eenmaal vrij zijt; het staat slechts aan u om die vrijheid te gebruiken zoo als ieder regtschapen en eerlijk mensch betaamt.”

„Ik zal trachten te toonen dat ik niet onwaardig ben wat God en gij zelf voor mij gedaan hebt; ook dank ik John Davis dat hij zijn betere gevoel is gevolgd en aan uwe vertoogen ten mijnen behoeve gehoor gaf; misschien zal ik mijne schuld aan hem nog eenmaal kunnen afdoen, en als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt zal ik die niet ongebruikt laten voorbijgaan.”

„Goed; zoo mag ik u gaarne hooren spreken; dit bewijst mij dat ik mij in u niet bedrogen heb: maar wat denkt gij thans te doen?”

„Wat zoudt gij mij raden?”

„Dat is eene zeer ernstige vraag, ik weet waarlijk niet wat ik er u op zal antwoorden; de keus van een beroep is altijd eene moeijelijke zaak, die men rijpelijk dient te overwegen alvorens een bepaald besluit te nemen; ondanks mijn verlangen om u van dienst te zijn zou ik niet gaarne op mijn geweten nemen u een raad te geven dien gij zonder twijfel om mijnentwil zoudt opvolgen, doch waarover gij misschien later berouw zoudt gevoelen; overigens ben ik iemand die van zijn zevende jaar af in de bosschen geleefd, en bij gevolg veel te weinig ondervinding heeft van hetgeen men doorgaans de wereld noemt, om mij aan eene beslissing te wagen op[24]een pad dat mij zelf onbekend is, en daar ik dus den goeden of kwaden kant niet van weet aan te wijzen.”

„Deze redenering komt mij volkomen juist voor, intusschen kan ik zoo niet blijven en dien ik op de een of andere wijs partij te kiezen.”

„Doe vooreerst maar iets.”

„Wat dan?”

„Hier is een geweer, een mes, een bijl en een hoorn met kruid en kogels; de wildernis ligt voor u open, vertrek en neem eenige dagen de proef van het vrije leven in de onmetelijke ruimte; gedurende de lange uren der jagt zult gij tijd genoeg hebben om na te denken over het vak dat gij kiezen zult, en kunt gij op uw gemak de voor- of nadeelen overwegen die gij er van verwacht; hebt gij dan eindelijk uw besluit onherroepelijk bepaald; welnu, dan zegt gij de eenzaamheid vaarwel en keert naar de bewoonde wereld terug, en daar gij een eerlijk, verstandig en werkzaam man schijnt te zijn, ben ik zeker dat gij slagen zult, onverschillig welk beroep gij voor u hebt uitgekozen.”

De neger schudde verscheidene malen het hoofd.

„Ja,” zeide hij, „er is in uw voorstel veel goeds, maar toch, er is ook in dat mij niet bevalt, en dat geenszins aan mijn verlangen voldoet.”

„Verklaar u nader, Quoniam, ik zie wel gij hebt nog iets op de tong dat gij mij niet durft zeggen.”

„Gij hebt gelijk, ik ben niet openhartig met u geweest, Tranquille, en daar deed ik verkeerd aan, dat zie ik nu wel. In plaats van u geveinsdelijk om raad te vragen, dien ik geenszins voornemens was op te volgen, had ik u liever ronduit mijn gevoelen moeten zeggen, dat zou veel beter geweest zijn.”

„Laat hooren,” riep de jager lagchend, „spreek op.”

„’t Is waar, waarom zou ik voor u verbergen wat mij op het hart ligt? Zoo er iemand op de wereld is die belang in mij stelt, zijt gij het zeker, laat ik u dus eens zeggen waar het op staat: het eenige vak dat mij bevalt is dat van woudlooper. Mijne gedachten en neigingen drijven mij daar heen. Al mijne pogingen om te vlugten, toen ik nog slaaf was, waren op dit doel gerigt. Ik ben maar een arme neger, die met zijn beperkten geest en bekrompen verstand moeijelijk in de steden zou teregt komen, waar de mensch niet geldt voor hetgeen hij wil of waard is, maar voor hetgeen hij schijnt of vermag. Wat zou ik hebben aan die vrijheid daar ik zoo fier op ben, in de stad, waar ik om mij te[25]voeden en te kleeden, haar terstond zou moeten prijs geven aan den eersten den beste die mij aanbood om in deze onvermijdelijke levensnooddruft te voorzien? Zoo zou ik mijne vrijheid slechts hebben verkregen om mijn eigen slaaf te worden. Neen, in de wildernis alleen kan ik de weldaad genieten die ik aan u te danken heb, zonder ooit door armoede gedrongen te worden tot daden die den mensch welke zich zelven gevoelt onwaardig zijn. Ik wil dus voortaan in de woestijn blijven leven en de steden niet anders naderen of bezoeken, dan om er de vellen der dieren, die ik dooden zal, voor kruid en kogels te verwisselen, of voor kleederen en andere kleinebenoodigdheden. Ik ben jong en sterk. God, die mij tot hiertoe bewaard heeft, zal mij niet verlaten.”

„Gij hebt misschien gelijk; ik althans, die het leven dat ik leid boven alles verkies, kan het niet in u afkeuren dat gij mijn voorbeeld wilt volgen. Welaan dan, terwijl alles dus tot ons wederzijdsch genoegen geregeld is, zullen wij elkander verlaten, en wensch ik u met uw voornemen geluk, mijn goede Quoniam; misschien zullen wij elkander later nog wel eens ontmoeten op Indiaansch grondgebied.”

De neger begon te lagchen en liet daarbij eene dubbele rij tanden zien zoo wit als sneeuw, maar antwoordde niet.

Tranquille wierp zijn buks over den schouder, wenkte hem een laatst en vriendelijk vaarwel toe, en verwijderde zich om naar zijne praauw terug te keeren.

Quoniam nam het geweer dat de jager hem gelaten had, stak de bijl en het mes in zijn gordel, hechtte er ook de horens met kruid en kogels aan en na een laatsten blik in het rond te hebben geslagen, om zich te overtuigen dat hij niets vergeten had, volgde hij den jager, die hem intusschen reeds een goed eind vooruit was.

Hij haalde hem in, juist op het oogenblik toen Tranquille bezig was met zijne boot los te maken en te water te brengen; op het gedruisch zijner voetstappen keek de jager om.

„Wat drommel! zijt gij daar nog, Quoniam?” riep hij.

„Ja!” zei de andere.

„Wat voert u hier heen?”

„Wel!” begon de neger, met de hand in zijn gekroesde haren, terwijl hij driftig zijn hoofd krabde, „ik geloof dat gij nog iets vergeten hebt.”

„Ik?”

„Ja,” antwoordde de neger blijkbaar verlegen.

„Wat dan?”[26]

„Mij mede te nemen.”

„Dat is waar,” zei de jager hem de hand toestekende,„vergeef mij, broeder.”

„Gij vindt het dus goed?” begon hij met kwalijk verholen blijdschap.

„Wat?”

„Dat ik medega?”

„Ja.”

„Zullen wij elkander niet meer verlaten?”

„Dat hangt alleen van uwe keuze af.”

„O! dan,” riep hij uit met een vrolijken schaterlach, „dan zullen wij nog lang zamenleven.”

„Welnu, laat het zoo zijn,” hernam de Canadees. „Kom vrij mede: twee mannen die elkander verstaan en getrouw blijven zijn sterk in de woestijn. God heeft zonder twijfel gewild dat wij elkander ontmoeten zouden. Wij zijn voortaan broeders, voor altijd.”

Quoniam sprong in de praauw en greep vrolijk de riemen.

De arme slaaf had zich nog nooit zoo gelukkig gevoeld: nooit scheen hem de lucht zoo zuiver, de natuur zoo schoon, het was of alles in het rond hem feestelijk toelachte. Van dit oogenblik af zou hij inderdaad een leven beginnen als andere menschen, zonder bange vrees of bittere nagedachten; het verledene scheen reeds niet meer dan een droom. In zijn beschermer had hij gevonden, wat zoovele menschen gedurende hun gansche leven vruchteloos zoeken, een vriend en een broeder, aan wien hij zich geheel kon toevertrouwen en voor wien hij geene geheimen meer hebben zou.

Binnen weinige minuten bereikten zij de plaats die de Canadees bij zijn eerste komst als rustpunt had uitgekozen; deze plaats, bepaaldelijk aangewezen door twee eikenstammen, die kruiselings over elkander lagen, formeerde een soort van voorgebergte met zandgruis bedekt en bijzonder geschikt om er een nachtkamp te vestigen, daar men van dit punt niet slechts de rivier zoo boven als benedenwaarts tot op verren afstand kon overzien, maar tevens het oog had op de beide oevers, en dus tegen elke verrassing beveiligd was.

„Hier zullen wij den nacht doorbrengen,” zeide Tranquille, „laten wij de praauw bij ons nemen, om het vuur tegen den wind te beschermen.”

Quoniam pakte het kleine vaartuig aan, tilde het op zijne stevige schouders en droeg het naar de plek die zijn kameraad hem had aangewezen.[27]

Intusschen was er een geruime tijd verloopen sedert de Canadees en de neger elkaar zoo wonderbaarlijk ontmoet hadden.

De zon, die reeds begon te dalen toen de jager de kaap omstevende en op reigers jagt maakte, was thans op het punt van te verdwijnen. De nacht zou spoedig vallen; de oosterlijke achtergrond van het landschap dompelde zich reeds in de avondschaduw, die van lieverlede dikker en dikker werd.

De wildernis begon te ontwaken, het schorre gebrul der jaguars en pumas liet zich bij tusschenpoozen hooren en vermengde zich met het miaauwen der carcajous en boschkatten en met het afgebroken keffen der roode wolven.

De jager verzamelde een hoop hout van het droogste dat hij vinden kon, om een vuur te ontsteken dat zoo weinig mogelijk rookte, maar des te helderder opvlamde, ten einde den omtrek te verlichten enonmiddellijkde aannadering te bespeuren der gevreesde gasten, die zij in de verte hoorden schreeuwen en die weldra in hunne nabijheid zouden verschijnen om hun dorst aan de rivier te komen lesschen.

De twee flamingo’s werden gebraden en maakten met eenige handvollengeroosterdemaïskorrels enpemmikan(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) het souper uit der avonturiers, voorzeker een sober maal, en alleen besproeid met een teug water uit de rivier, maar met graagte genuttigd, door menschen, die vermoeid en hongerig, de waarde der spijzen wisten te schatten welke de Voorzienigheid hun ten beste gaf.

Toen de laatste beet verslonden was, deelde de Canadees zijn voorraad tabak broederlijk met zijn nieuwen kameraad, stak zijn Indiaansche pijp aan en begon lustig te dampen, een voorbeeld dat door Quoniam trouw gevolgd werd.

„Komaan,” zei Tranquille eindelijk, „nu wordt het tijd u te zeggen dat ik hier een oud vriend van mij wachtende ben, die mij omtrent drie maanden geleden te dezer plaats heeft bescheiden; hij moet morgen komen met het aanbreken van den dag. Het is een Indiaansch opperhoofd. Hoe jong hij ook wezen mag, geniet hij toch eene groote vermaardheid in zijn stam. Ik bemin hem als een broeder. Wij zijn zoo te zeggen zamen opgevoed. Ik zal gelukkig zijn als ik hem in goeden welstand zien mag. Het is een wijs man, van groote ondervinding, en welervaren in al de geheimen van het leven der woestijn. De vriendschap van een Indiaansch opperhoofd is voor een woudlooper oneindig veel waard; onthoud dat. Bovendien ben ik zeker dat gij mij volkomen gelijk zult geven, zoodra gij hem ziet.”[28]

„Ik zal alles doen wat ik kan om hem te leeren kennen. Het is genoeg dat het opperhoofd uw vriend is, om te verlangen dat hij ook de mijne worde. Tot nog toe, ofschoon ik als weggeloopen slaaf lang genoeg in de bosschen heb rondgezworven, heb ik nog nooit een onafhankelijk Indiaan gezien, het is dus ligt mogelijk dat ik uit onwetendheid een dommen streek bega; maar geloof mij, het zal buiten mijne schuld zijn.”

„Daar ben ik van overtuigd, stel u deswege gerust, ik zal het opperhoofd wel over u spreken; bovendien denk ik dat hij niet minder verwonderd zal zijn over u als gij over hem, daar ik niet beter weet of gij zijt de eerste man van uwe kleur dien hij ontmoet. Maar zie, het is reeds volkomen nacht geworden, gij zult wel vermoeid zijn na de hardnekkige vervolging die gij dezen dag hebt moeten doorstaan en de heftige aandoeningen die gij te verduren hadt; ga dus slapen, ik zal wel voor ons tweeën wacht houden, daarbij hebben wij morgen een verren togt te maken, en zult gij dus reeds vroeg bij de hand moeten zijn.”

De neger begreep al de juistheid van hetgeen zijn vriend aanmerkte, bovendien viel hij letterlijk omver van vermoeijenis; de speurhonden van zijn vorigen meester hadden hem zoo digt en aanhoudend op de hielen gezeten, dat hij in geen vier dagen en nachten een oog geloken had. Derhalve alle valsche schaamte ter zijde stellende, strekte hij de voeten bij het vuur en sliep bijna onmiddellijk in.

Tranquille bleef op zijne praauw zitten, met zijn buks tusschen de beenen, om op het eerste onraad gereed te zijn, en verzonk weldra in ernstige beschouwingen, zonder nogtans een oogenblik zijne waakzaamheid te verzuimen en telkens de ooren spitsend op het minste geritsel.

1Wij hebben hier geen gebruik willen maken van het gebrekkige Engelsch dat men den negers zoo gaarne in den mond legt, maar dat bij de overbrenging in eene andere taal grootendeels verloren gaat en den gang van het verhaal onnoodig vertraagt, zonder er de schoonheid van te verhoogen.G. A.↑

1Wij hebben hier geen gebruik willen maken van het gebrekkige Engelsch dat men den negers zoo gaarne in den mond legt, maar dat bij de overbrenging in eene andere taal grootendeels verloren gaat en den gang van het verhaal onnoodig vertraagt, zonder er de schoonheid van te verhoogen.G. A.↑

1Wij hebben hier geen gebruik willen maken van het gebrekkige Engelsch dat men den negers zoo gaarne in den mond legt, maar dat bij de overbrenging in eene andere taal grootendeels verloren gaat en den gang van het verhaal onnoodig vertraagt, zonder er de schoonheid van te verhoogen.G. A.↑

1Wij hebben hier geen gebruik willen maken van het gebrekkige Engelsch dat men den negers zoo gaarne in den mond legt, maar dat bij de overbrenging in eene andere taal grootendeels verloren gaat en den gang van het verhaal onnoodig vertraagt, zonder er de schoonheid van te verhoogen.

G. A.↑


Back to IndexNext