[Inhoud]IX.DE SLANGEN-PAWNEES.Thans zullen wij eenige punten ophelderen die den lezer in ons verhaal duister kunnen schijnen.De Roodhuiden, welke groote gebreken zij overigens mogen bezitten, zijn tot dweepens toe gehecht aan den grond waar zij geboren zijn en waar hunne vaderen geleefd hebben, en geen ander oord zou dien voor hen kunnen vergoeden.DeApen-Koploog niet toen hij aan kapitein Watt verzekerde dat hij een der voornaamste opperhoofden van den stam der Slangen-Pawnees was; hij was dit inderdaad, ofschoon hij zich wel wachtte er bij te voegen om welke reden zijne stamgenooten hem hadden weggejaagd.Het is thans de tijd om deze reden kenbaar te maken.De Apen-Kop was niet alleen een man van onbeteugelde heerschzucht, maar wat men onder de Indianen zelden ontmoet, bezat hij geen de minste godsdienst en deelde hij zelfs niet in de bijgeloovige begrippen voor welke zijnelandgenootenmaar al te vatbaar zijn; bovendien was hij zonder trouw, zonder eer, en van diep bedorven zeden.Reeds in zijn vroegste jeugd naar een der Amerikaansche steden overgebragt, had hij de zonderlinge beschaving der Vereenigde Staten van nabij leeren kennen; niet in staat om in deze beschaving het goede van het kwade te onderscheiden en zich zelven binnen de juiste grenzen te houden, was hij, zooals dit met jonge menschen gewoonlijk gaat, door hetgeen het meest zijne zinnelijke neigingen streelde medegesleept en had hij van de zeden der blanken niets anders overgenomen, dan hetgeen onvermijdelijk strekken moest om zijne vroegrijpe verdorvenheid te voltooijen.Toen hij dus naar zijn stam terugkeerde, waren zijn gedrag en zijne taal zoo weinig in harmonie met hetgeen er rondom hem gezegd en gedaan werd, dat hij zich weldra den haat en de verachting zijner landgenooten op den hals haalde.Zijne bitterste vijanden werden natuurlijk de priesters, en inzonderheid de toovenaars, die hij meermalen had zoeken bespottelijk te maken.Zoodra de Apen-Kop het met de magtige partij der toovenaars te kwaad kreeg, was het met zijne eerzuchtige ontwerpen gedaan; al[70]zijne aanslagen leden schipbreuk, eene heimelijke tegenwerking wierp gestadig de plannen omver, op het oogenblik zelf dat hij zich van zijn welslagen verzekerd waande.Niet wetende aan wien hij deze mislukkingen te wijten had, hield de Sachem zijne vijanden zorgvuldig in ’t oog, lette naauwkeurig op hunne gangen en bewegingen en wachtte met al het kattengeduld dat de grond van zijn karakter uitmaakte het oogenblik af, dat tijd en toeval hem het voorwerp zijner wraak zouden aanwijzen. Daar hij zijne maatregelen met veel beleid wist te kiezen, duurde het niet lang, of hij ontdekte dat zijn grootste tegenstander niemand anders was dan de voornaamste wigchelaar van den stam.Deze toovenaar was een hoogbejaard man, algemeen geacht en bemind om zijne wijsheid en goedheid. De Apen-Kop hield zijn haat eenigen tijd verborgen, maar op zekeren dag, na eene heftige beraadslaging in den vollen raad, was hij zijne woede niet langer meester, viel op den ongelukkigen grijsaard aan en doorstak hem met een dolk, ten aanschouwe van al de oudsten des volks en eer dat iemand der aanwezigen in staat was tusschenbeide te komen om zijn verfoeijelijken aanslag te beletten.Deze moord, aan den opperpriester gepleegd, voerde de verbittering zijner stamgenooten ten top; nog staande de raadzitting werd de heerschzuchtige Sachem van het grondgebied der natie verbannen, al de Sachems ontzegden hem de gemeenschap van water en vuur, en dreigden hem met de wreedste martelingen zoo hij zich ooit weder aan hen durfde vertoonen.De Apen-Kop gevoelde zich niet sterk genoeg om de uitvoering dezer straf te trotseren, hij verwijderde zich met woede in het hart en met de gruwzaamste voornemens van wedervergelding.Wij hebben bereids gezien hoe hij zich wist te wreken, door het grondgebied van zijn stam aan de Amerikanen te verkoopen, en alzoo hen die hem verbannen hadden in ’t verderf te storten. Naauwelijks echter was deze lang gekoesterde wraak bevredigd, of in zijn hart woelde eene nieuwe begeerte. Zoodra hij het land weder aanschouwde waar hij geboren was en waar het gebeente zijner vaderen rustte, kwam bij hem de oude liefde voor het vaderland op, die hij reeds dood waande, maar die alleen in zijne ziel was ingesluimerd om met verdubbelde kracht te ontwaken.Schaamte over het vervloekte schelmstuk, dat hij beging, toen hij aan de doodvijanden van zijn geslacht de jagtvelden, die hij[71]zelf zoo lang in vrijheid had doorloopen, overleverde; ergernis over den razenden spoed waarmede de werkdrift der Amerikanen het aan hen verkochte land van gedaante deed veranderen, en het eeuwenheugende geboomte uitroeiden, onder welks eerwaarde schaduw hij zoo vaak in den raad zijns volks had voorgezeten, al deze redenen te zamen, bragten hem tot inkeer, en schier radeloos over de gepleegde heiligschennis, had hij zich met zijne stamgenooten pogen te verzoenen, ten einde hen weder in het bezit te stellen van de gronden die zij door zijn verfoeijelijken haat verloren hadden.Zonder aarzeling nam hij dus het besluit om zijne nieuwe vrienden, op hunne beurt, aan zijne oude te verraden en op te offeren.Tot zijn ongeluk, had hij zich in een duivelschen toovercirkel gewikkeld, binnen welken hij geen stap doen kon zonder andermaal misdadig te worden en zich met nieuwe gruwelen te bezoedelen.Het kostte hem veel minder moeite dan hij aanvankelijk dacht, om weder met zijne voormalige landgenooten in aanraking te komen; deze toch zwierven van huis en have beroofd en aan de bitterste wanhoop ten prooi, als ballingen rond in de aangrenzende bosschen der kolonie.De Apen-Kop trad hun stoutmoedig onder de oogen. Hij wachtte zich wel hun de ware toedragt der zaak te openbaren, en hun te vertellen dat hij alleen de oorzaak was van al hun ongeluk.Integendeel stelde hij hun zijne wederverschijning voor als een verdienstelijk werk, door voor te wenden dat het gerucht der jammeren die hen zoo plotseling getroffen hadden de eenige oorzaak was van zijne terugkomst, en dat wanneer zij in vrede en voorspoed hadden blijven voortleven, zij hem nooit zouden hebben wedergezien; maar dat nu ook, tegenover de algemeene ramp die hen getroffen had, alle gevoel van onderlinge haat verdwijnen moest en zich oplossen in gemeenschappelijke wraakneming op de gehate blanken, die eeuwige en onveranderlijke vijanden van het roode geslacht.Om kort te gaan, hij wist zich zoo goed voor te doen en de thans door hem gewaagde onderneming zoo krachtig te bepleiten, dat het hem gelukte de Indianen te misleiden, het vertrouwen der voornaamste Sachems te winnen en hen van de zuiverheid zijner plannen en bedoelingen volkomen te overtuigen.Met de hem aangeboren behendigheid en duivelsche list, begon[72]hij thans een uitgebreid complot te beramen, om de Amerikanen in het verderf te storten—een complot waarin hij tevens andere Indiaansche stammen wist te betrekken, om zich van hunne medewerking te verzekeren. Intusschen bleef hij oogenschijnlijk de vriend der kolonisten, kwam hen van tijd tot tijd bezoeken, nam deel in hunne belangen, vertoefde dagen achtereen in hunne woning, en dit alles terwijl hij in stilte bezig was met hun volkomen ondergang te bewerken.De invloed dien hij zich in korten tijd bij zijn stam had weten te verwerven, was schier onbegrensd, allen beschouwden hem als redder en hadden van hem de beste verwachtingen. Slechts drie mannen bleven ten zijnen opzigte met wantrouwen vervuld, en hielden al zijne gangen zorgvuldig in ’t oog: deze drie mannen waren Tranquille, het Zwarte-Hert, en de Blaauwe-Vos.De Canadees vertrouwde hem nog het minst; hij kon zich het gedrag van den Apen-Kop maar niet verklaren; het kwam hem altijd zeer zonderling voor, dat de Sachem met de Amerikanen op zulk een goeden voet stond en hij begreep niet hoe hij ooit daartoe gekomen was; meermalen had hij hem hierover onderhouden, maar de sluwe Indiaan wist zijne vragen steeds te ontwijken of zoo dubbelzinnig te beantwoorden, dat de jager, zoo als men zegt, er geen mouw aan kon passen.Tranquille was echter de man niet om zich op deze wijs te laten afschepen; hij had zich stellig voorgenomen tot zekerheid te komen omtrent den man wiens karakter en gedrag hem met iederen dag geheimzinniger en raadselachtiger werd; toen er dus in den grooten volksraad bepaald was om twee mannen met de oorlogsverklaring aan James Watt te zenden, wist hij te bewerken, dat hij zelf en het Zwarte-Hert daartoe gekozen werden.Met deze keus, die zijne plannen dreigde te verstoren, was de Apen-Kop alles behalve ingenomen, daar hij de beide afgezanten als zijne geheime vijanden kende, en wist dat zij hem ligt konden tegenwerken. Hij verkropte echter zijn spijt en ontveinsde zijne teleurstelling, te meer daar de zaken reeds te ver gevorderd waren om terug te treden en alles tot den aanval gereed was.Tranquille en het Zwarte-Hert vertrokken dus om aan de Bleekgezigten den oorlog te gaan verklaren.„Het kan zijn dat ik mij bedrieg,” zei de Canadees onder weg tegen zijn vriend, „maar ik geloof zeker dat wij aangaande den Apen-Kop zonderling nieuws zullen hooren.„Zoudt gij dat denken?”[73]„Ik zou er op durven wedden; ik ben overtuigd dat de kerel onzuiver spel speelt en dat hij ons allen bedriegt tot zijn eigen voordeel.”„Ik vertrouw hem wel niet veel, maar ik kan toch niet denken dat hij zijne onbeschaamdheid zoo ver zou durven drijven.”„Wij zullen spoedig weten wat er van is. In allen geval moet gij mij één ding beloven.”„Wat?”„Dat gij mij alleen het woord zult laten doen; ik weet beter dan gij hoe men met de Bleekgezigten van het Westen handelen moet.”„Goed,” antwoordde het Zwarte-Hert, „ik laat de behandeling aan u over.”Vijf minuten later kwamen zij aan de kolonie. Wij hebben in het vorige hoofdstuk reeds gezien hoe zij ontvangen werden en wat er tusschen hen en kapitein Watt plaats greep.De vaste gewoonte der Indianen om hunne vijanden een oorlogsverklaring te zenden, kan vreemd schijnen voor een volk dat men in Europa steeds als domme wilden beschouwt; maar men moet zich hierin niet bedriegen; de Roodhuiden zijn zeer ridderlijk van aard, en zullen, wanneer het ten minste om iets meer dan een razzio, dat is een strooptogt tot het rooven van paarden of rundvee te doen is, nimmer een vijand aanvallen zonder hem vooraf te waarschuwen en gelegenheid te geven zich te verdedigen.Overigens wordt van deze ridderlijke geaardheid maar al te goed partij getrokken door de Amerikanen, die, wij moeten het tot hunne schande zeggen, er geheel van ontbloot zijn, en er hunne meeste overwinningen op de Roodhuiden aan te danken hebben.Nadat de twee mannen de kolonie weder verlaten hadden, vonden zij op korten afstand hunne paarden terug, waar zij die gekluisterd hadden achtergelaten; zij sprongen in den zadel en verwijderden zich in galop.„Welnu!” vroeg Tranquille aan het opperhoofd, „wat denkt gij van dit alles?”„Mijn broeder had gelijk; de Apen-Kop heeft ons verraden, het blijkt maar al te klaar dat die acte van hem alleen is uitgegaan.”„Wat denkt gij nu te doen?”„Ik weet het nog niet; misschien zou het gevaarlijk zijn om hem in deze oogenblikken reeds te ontmaskeren.”„Dat ben ik niet met u eens, hoofdman; de tegenwoordigheid van dien verrader kan onze zaak niet anders dan bederven.”[74]„Laten wij het vooreerst afwachten.”„Goed! maar vergun mij eene opmerking.”„Ik luister, broeder.”„Waarom hebt gij de oorlogsverklaring aan de Lang-Messen zoo halstarrig volgehouden, nadat gij erkend hadt dat de acte van verkoop valsch is; gij wist toch dat de kapitein door den Apen-Kop bedrogen was?”Het opperhoofd lachte geslepen.„De Bleekhuid is slechts bedrogen,” zeide hij, „omdat hij bedrogen wilde zijn.”„Ik begrijp u niet, hoofdman.”„Ik zal het u duidelijk maken. Weet mijn broeder hoe het met den verkoop van land toegaat?”„O, hemel! neen. Ik moet u bekennen, dat ik voor mijzelven tot hiertoe nimmer land te koopen of te verkoopen heb gehad dus heb ik er mij ook nooit mede ingelaten.”„Ooah!dan zal ik het mijn broeder zeggen.”„Gij zult mij pleizier doen; ik wil altoos gaarne wat leeren, en daarbij, wie weet of het mij bij gelegenheid niet nog eens dienen kan,” lachte de Canadees.„Luister dan. Als een der Bleekgezigten het jagtterrein van een Indianenstam wil koopen, wendt hij zich tot de voornaamste Sachems des volks en na met hen in den raad de vredespijp gerookt te hebben, stelt hij hun zijn verzoek voor; de voorwaarden worden besproken, en wanneer de beide partijen het eens zijn geworden, wordt er door den eersten priester des volks eene planteekening van het af te staan gebied opgemaakt; het Bleekgezigt levert alsdan de koopwaren uit die hij in ruiling geeft, al de aanwezige opperhoofden onderschrijven het plan met hun hieroglyf, de boomstammen worden met de bijl gemerkt, de grenzen afgebakend en de kooper treedtonmiddellijkin het bezit van zijn nieuwe eigendom.”„Hum!” meesmuilde Tranquille, „dat alles is toch eenvoudig genoeg.”„Welnu! in welken raad heeft nu de blanke met het grijze hoofd de vredespijp gerookt? waar zijn de Sachems die met hem onderhandeld hebben? kan hij mij de boomstammen aanwijzen die met de tomahawk werden gemerkt?”„Ik geloof inderdaad dat dit hem zeer moeijelijk zou zijn,” antwoordde de jager.„Het Grijze Hoofd wist dat de Apen-Kop hem bedroog,” vervolgde de Sachem, „maar het land beviel hem en hij rekende op de[75]kracht zijner wapenen om er zich goed- of kwaadschiks te vestigen.”„Dat kan wel zijn.”„Met de proef overtuigd en te laat inziende dat hij onbedachtzaam gehandeld had, heeft hij alle zwarigheden willen uit den weg ruimen, door ons eenige balen koopwaren meer aan te bieden; zoo is het. Welk Bleekgezigt had ooit een opregte en eerlijke tong?”„Dank je wel!” riep de jager lagchende.„Van mijns broeders volk spreek ik niet,” vervolgde de Sachem, „over de Canadezen heb ik mij nooit te beklagen gehad, ik heb het alleen tegen de Lang-Messen van het Westen. Denkt mijn broeder nu nog, dat ik kwalijk deed met de bloedige pijlen voor hunne deur te werpen?”„Misschien zijt gij in dit geval wel een weinig te haastig geweest, hoofdman, en hebt gij u door gramschap laten vervoeren, maar gij hebt zoo vele oude grieven met de Amerikanen te vereffenen, dat ik u niet durf beschuldigen.”„Ik kan dus altoos op mijns broeders bijstand rekenen?”„Waarom zou ik u dien weigeren, hoofdman? Uw zaak blijft altijd wat zij was, namelijk regtvaardig; het is derhalve mijn pligt om u bij te staan, en dat zal ik doen, wat er ook gebeure.”„Ooah! ik dank mijn broeder, zijn goede buks zal ons altijd nuttig zijn.”„Hier zijn wij aan het kamp; het wordt tijd dat wij met den Apen-Kop een besluit nemen!”„Dat is reeds genomen;”antwoordde de Indiaan lakoniek.Op dit oogenblik reden zij een ruim boschkamp binnen, in het midden waarvan verscheidene vuren brandden. Vijfhonderd Indiaansche krijgslieden, allen gewapend, beschilderd en ten oorlog toegerust, lagen hier en daar op den grond, terwijl hunne paarden in ’t volle tuig en gereed om bestegen te worden, aan de beenen gekluisterd hun gras en boonenvoeder knabbelden.Rondom het voornaamste vuur zaten verscheidene opperhoofden nedergehurkt in stilte hunne pijpen te rooken.De nieuw aangekomenen stegen af en traden haastig naar het vuur, voor hetwelk deApen-Koponrustig heen en weder wandelde.De beide mannen namen plaats bij de andere opperhoofden en ontstaken mede hunne pijpen; maar hoezeer hunne komst door allen met ongeduld was verbeid, sprak niemand tot hen, daar de Indiaansche etiquette streng verbood dat een opperhoofd het woord nam eer de calumet geheel was uitgerookt.[76]Zoodra echter het Zwarte-Hert zijne pijp uit had, schudde hij de asch op zijn duim, stak het riet in zijn gordel en begon te spreken.„De last der Sachems is door ons volbragt,” zeide hij, „de bloedige pijlen zijn aan de Bleekgezigten toegeworpen.”De opperhoofden bogen, ten bewijze van goedkeuring, bij dit berigt.De Apen-Kop trad nader.„Heeft mijn broeder het Grijze Hoofd gezien?” vroeg hij.„Ja!” antwoordde het Zwarte-Hert.„En wat denkt mijn broeder?” hernam de Apen-Kop dringend.Het Zwarte-Hert wierp hem een dubbelzinnigen blik toe.„Wat het opperhoofd denkt is op dit oogenblik van weinig beteekenis,” antwoordde hij, „nu de raad der Sachems tot den oorlog besloten heeft.”„De nachten zijn lang,” zei thans de Blaauwe-Vos, „blijven mijne broeders hier zitten rooken?”Tranquille nam het woord.„De Lang-Messen zijn op hunne hoede, zij waken op dit oogenblik; dat mijne broeders te paard stijgen en zich terugtrekken, het uur is niet gunstig.”Al de opperhoofden gaven een teeken van toestemming.„Ik ga op verkenning uit,” zei de Apen-Kop.„Goed!” antwoordde het Zwarte-Hert met een spottenden grijnslach, „mijn broeder is knap, hij ziet vele dingen, hij zal ons berigt geven.”De Apen-Kop maakte zich gereed om het paard te bestijgen dat een der krijgslieden hem bragt, maar op eens stond het Zwarte-Hert op, snelde naar hem toe, en hem met de hand ruw op den schouder drukkende, dwong hij hem op den grond neder te knielen.Door dezen onverwachten aanval verschrikt, daar zij de reden niet van bevroedden, staarden de krijgslieden elkander verbaasd aan, zonder nogtans eene poging te wagen om zich tusschen de beide opperhoofden te stellen.De Apen-Kop hief woest het hoofd op.„Heeft de geest des kwaads mijn broeder de hersens gekrenkt?” riep hij, terwijl hij zich vruchteloos poogde te ontwringen aan de ijzeren vuist die hem op den grond als gekluisterd hield.Het Zwarte-Hert glimlachte onheilspellend en nam zijn scalpeermes uit zijn gordel.„De Apen-Kop is een verrader,” zeide hij met eene sombere[77]stem, „hij heeft zijne broeders aan de Bleekgezigten verkocht, hij moet sterven.”Het Zwarte-Hert was niet slechts een vermaard krijgsman, maar zijne wijsheid en regtschapenheid waren bij zijne stamgenooten met regt beroemd; niemand twijfelde dus aan de beschuldiging die hij had uitgebragt, terwijl de Apen-Kop daarentegen sedert langen tijd als een boosdoener te boek stond.Het blaauwe lemmer van den Sachem flikkerde een oogenblik in het licht van den haard, toen de Sachem den doodelijken stoot meende toe te brengen, maar door eene geweldige poging gelukte het den Apen-Kop zich aan zijn greep te ontrukken, en als een wild dier sprong hij de struiken in en verdween met een snerpenden schaterlach.Het mes was maar even door de huid gegaan, zonder den vluggen Indiaan een ernstige wond te veroorzaken.Er volgde een oogenblik van verstomming, toen stonden allen op om den vlugteling te vervolgen.„Halt! blijft!” riep op eens de Canadees met eene krachtige stem, „het is te laat. Haast u slechts om de Bleekgezigten aan te vallen, eer de ellendeling tijd heeft om hen te waarschuwen, daar hij gewis op nieuw verraad bedacht is.”De opperhoofden erkenden de juistheid van dezen raad en de Indianen bereidden zich tot den strijd.
[Inhoud]IX.DE SLANGEN-PAWNEES.Thans zullen wij eenige punten ophelderen die den lezer in ons verhaal duister kunnen schijnen.De Roodhuiden, welke groote gebreken zij overigens mogen bezitten, zijn tot dweepens toe gehecht aan den grond waar zij geboren zijn en waar hunne vaderen geleefd hebben, en geen ander oord zou dien voor hen kunnen vergoeden.DeApen-Koploog niet toen hij aan kapitein Watt verzekerde dat hij een der voornaamste opperhoofden van den stam der Slangen-Pawnees was; hij was dit inderdaad, ofschoon hij zich wel wachtte er bij te voegen om welke reden zijne stamgenooten hem hadden weggejaagd.Het is thans de tijd om deze reden kenbaar te maken.De Apen-Kop was niet alleen een man van onbeteugelde heerschzucht, maar wat men onder de Indianen zelden ontmoet, bezat hij geen de minste godsdienst en deelde hij zelfs niet in de bijgeloovige begrippen voor welke zijnelandgenootenmaar al te vatbaar zijn; bovendien was hij zonder trouw, zonder eer, en van diep bedorven zeden.Reeds in zijn vroegste jeugd naar een der Amerikaansche steden overgebragt, had hij de zonderlinge beschaving der Vereenigde Staten van nabij leeren kennen; niet in staat om in deze beschaving het goede van het kwade te onderscheiden en zich zelven binnen de juiste grenzen te houden, was hij, zooals dit met jonge menschen gewoonlijk gaat, door hetgeen het meest zijne zinnelijke neigingen streelde medegesleept en had hij van de zeden der blanken niets anders overgenomen, dan hetgeen onvermijdelijk strekken moest om zijne vroegrijpe verdorvenheid te voltooijen.Toen hij dus naar zijn stam terugkeerde, waren zijn gedrag en zijne taal zoo weinig in harmonie met hetgeen er rondom hem gezegd en gedaan werd, dat hij zich weldra den haat en de verachting zijner landgenooten op den hals haalde.Zijne bitterste vijanden werden natuurlijk de priesters, en inzonderheid de toovenaars, die hij meermalen had zoeken bespottelijk te maken.Zoodra de Apen-Kop het met de magtige partij der toovenaars te kwaad kreeg, was het met zijne eerzuchtige ontwerpen gedaan; al[70]zijne aanslagen leden schipbreuk, eene heimelijke tegenwerking wierp gestadig de plannen omver, op het oogenblik zelf dat hij zich van zijn welslagen verzekerd waande.Niet wetende aan wien hij deze mislukkingen te wijten had, hield de Sachem zijne vijanden zorgvuldig in ’t oog, lette naauwkeurig op hunne gangen en bewegingen en wachtte met al het kattengeduld dat de grond van zijn karakter uitmaakte het oogenblik af, dat tijd en toeval hem het voorwerp zijner wraak zouden aanwijzen. Daar hij zijne maatregelen met veel beleid wist te kiezen, duurde het niet lang, of hij ontdekte dat zijn grootste tegenstander niemand anders was dan de voornaamste wigchelaar van den stam.Deze toovenaar was een hoogbejaard man, algemeen geacht en bemind om zijne wijsheid en goedheid. De Apen-Kop hield zijn haat eenigen tijd verborgen, maar op zekeren dag, na eene heftige beraadslaging in den vollen raad, was hij zijne woede niet langer meester, viel op den ongelukkigen grijsaard aan en doorstak hem met een dolk, ten aanschouwe van al de oudsten des volks en eer dat iemand der aanwezigen in staat was tusschenbeide te komen om zijn verfoeijelijken aanslag te beletten.Deze moord, aan den opperpriester gepleegd, voerde de verbittering zijner stamgenooten ten top; nog staande de raadzitting werd de heerschzuchtige Sachem van het grondgebied der natie verbannen, al de Sachems ontzegden hem de gemeenschap van water en vuur, en dreigden hem met de wreedste martelingen zoo hij zich ooit weder aan hen durfde vertoonen.De Apen-Kop gevoelde zich niet sterk genoeg om de uitvoering dezer straf te trotseren, hij verwijderde zich met woede in het hart en met de gruwzaamste voornemens van wedervergelding.Wij hebben bereids gezien hoe hij zich wist te wreken, door het grondgebied van zijn stam aan de Amerikanen te verkoopen, en alzoo hen die hem verbannen hadden in ’t verderf te storten. Naauwelijks echter was deze lang gekoesterde wraak bevredigd, of in zijn hart woelde eene nieuwe begeerte. Zoodra hij het land weder aanschouwde waar hij geboren was en waar het gebeente zijner vaderen rustte, kwam bij hem de oude liefde voor het vaderland op, die hij reeds dood waande, maar die alleen in zijne ziel was ingesluimerd om met verdubbelde kracht te ontwaken.Schaamte over het vervloekte schelmstuk, dat hij beging, toen hij aan de doodvijanden van zijn geslacht de jagtvelden, die hij[71]zelf zoo lang in vrijheid had doorloopen, overleverde; ergernis over den razenden spoed waarmede de werkdrift der Amerikanen het aan hen verkochte land van gedaante deed veranderen, en het eeuwenheugende geboomte uitroeiden, onder welks eerwaarde schaduw hij zoo vaak in den raad zijns volks had voorgezeten, al deze redenen te zamen, bragten hem tot inkeer, en schier radeloos over de gepleegde heiligschennis, had hij zich met zijne stamgenooten pogen te verzoenen, ten einde hen weder in het bezit te stellen van de gronden die zij door zijn verfoeijelijken haat verloren hadden.Zonder aarzeling nam hij dus het besluit om zijne nieuwe vrienden, op hunne beurt, aan zijne oude te verraden en op te offeren.Tot zijn ongeluk, had hij zich in een duivelschen toovercirkel gewikkeld, binnen welken hij geen stap doen kon zonder andermaal misdadig te worden en zich met nieuwe gruwelen te bezoedelen.Het kostte hem veel minder moeite dan hij aanvankelijk dacht, om weder met zijne voormalige landgenooten in aanraking te komen; deze toch zwierven van huis en have beroofd en aan de bitterste wanhoop ten prooi, als ballingen rond in de aangrenzende bosschen der kolonie.De Apen-Kop trad hun stoutmoedig onder de oogen. Hij wachtte zich wel hun de ware toedragt der zaak te openbaren, en hun te vertellen dat hij alleen de oorzaak was van al hun ongeluk.Integendeel stelde hij hun zijne wederverschijning voor als een verdienstelijk werk, door voor te wenden dat het gerucht der jammeren die hen zoo plotseling getroffen hadden de eenige oorzaak was van zijne terugkomst, en dat wanneer zij in vrede en voorspoed hadden blijven voortleven, zij hem nooit zouden hebben wedergezien; maar dat nu ook, tegenover de algemeene ramp die hen getroffen had, alle gevoel van onderlinge haat verdwijnen moest en zich oplossen in gemeenschappelijke wraakneming op de gehate blanken, die eeuwige en onveranderlijke vijanden van het roode geslacht.Om kort te gaan, hij wist zich zoo goed voor te doen en de thans door hem gewaagde onderneming zoo krachtig te bepleiten, dat het hem gelukte de Indianen te misleiden, het vertrouwen der voornaamste Sachems te winnen en hen van de zuiverheid zijner plannen en bedoelingen volkomen te overtuigen.Met de hem aangeboren behendigheid en duivelsche list, begon[72]hij thans een uitgebreid complot te beramen, om de Amerikanen in het verderf te storten—een complot waarin hij tevens andere Indiaansche stammen wist te betrekken, om zich van hunne medewerking te verzekeren. Intusschen bleef hij oogenschijnlijk de vriend der kolonisten, kwam hen van tijd tot tijd bezoeken, nam deel in hunne belangen, vertoefde dagen achtereen in hunne woning, en dit alles terwijl hij in stilte bezig was met hun volkomen ondergang te bewerken.De invloed dien hij zich in korten tijd bij zijn stam had weten te verwerven, was schier onbegrensd, allen beschouwden hem als redder en hadden van hem de beste verwachtingen. Slechts drie mannen bleven ten zijnen opzigte met wantrouwen vervuld, en hielden al zijne gangen zorgvuldig in ’t oog: deze drie mannen waren Tranquille, het Zwarte-Hert, en de Blaauwe-Vos.De Canadees vertrouwde hem nog het minst; hij kon zich het gedrag van den Apen-Kop maar niet verklaren; het kwam hem altijd zeer zonderling voor, dat de Sachem met de Amerikanen op zulk een goeden voet stond en hij begreep niet hoe hij ooit daartoe gekomen was; meermalen had hij hem hierover onderhouden, maar de sluwe Indiaan wist zijne vragen steeds te ontwijken of zoo dubbelzinnig te beantwoorden, dat de jager, zoo als men zegt, er geen mouw aan kon passen.Tranquille was echter de man niet om zich op deze wijs te laten afschepen; hij had zich stellig voorgenomen tot zekerheid te komen omtrent den man wiens karakter en gedrag hem met iederen dag geheimzinniger en raadselachtiger werd; toen er dus in den grooten volksraad bepaald was om twee mannen met de oorlogsverklaring aan James Watt te zenden, wist hij te bewerken, dat hij zelf en het Zwarte-Hert daartoe gekozen werden.Met deze keus, die zijne plannen dreigde te verstoren, was de Apen-Kop alles behalve ingenomen, daar hij de beide afgezanten als zijne geheime vijanden kende, en wist dat zij hem ligt konden tegenwerken. Hij verkropte echter zijn spijt en ontveinsde zijne teleurstelling, te meer daar de zaken reeds te ver gevorderd waren om terug te treden en alles tot den aanval gereed was.Tranquille en het Zwarte-Hert vertrokken dus om aan de Bleekgezigten den oorlog te gaan verklaren.„Het kan zijn dat ik mij bedrieg,” zei de Canadees onder weg tegen zijn vriend, „maar ik geloof zeker dat wij aangaande den Apen-Kop zonderling nieuws zullen hooren.„Zoudt gij dat denken?”[73]„Ik zou er op durven wedden; ik ben overtuigd dat de kerel onzuiver spel speelt en dat hij ons allen bedriegt tot zijn eigen voordeel.”„Ik vertrouw hem wel niet veel, maar ik kan toch niet denken dat hij zijne onbeschaamdheid zoo ver zou durven drijven.”„Wij zullen spoedig weten wat er van is. In allen geval moet gij mij één ding beloven.”„Wat?”„Dat gij mij alleen het woord zult laten doen; ik weet beter dan gij hoe men met de Bleekgezigten van het Westen handelen moet.”„Goed,” antwoordde het Zwarte-Hert, „ik laat de behandeling aan u over.”Vijf minuten later kwamen zij aan de kolonie. Wij hebben in het vorige hoofdstuk reeds gezien hoe zij ontvangen werden en wat er tusschen hen en kapitein Watt plaats greep.De vaste gewoonte der Indianen om hunne vijanden een oorlogsverklaring te zenden, kan vreemd schijnen voor een volk dat men in Europa steeds als domme wilden beschouwt; maar men moet zich hierin niet bedriegen; de Roodhuiden zijn zeer ridderlijk van aard, en zullen, wanneer het ten minste om iets meer dan een razzio, dat is een strooptogt tot het rooven van paarden of rundvee te doen is, nimmer een vijand aanvallen zonder hem vooraf te waarschuwen en gelegenheid te geven zich te verdedigen.Overigens wordt van deze ridderlijke geaardheid maar al te goed partij getrokken door de Amerikanen, die, wij moeten het tot hunne schande zeggen, er geheel van ontbloot zijn, en er hunne meeste overwinningen op de Roodhuiden aan te danken hebben.Nadat de twee mannen de kolonie weder verlaten hadden, vonden zij op korten afstand hunne paarden terug, waar zij die gekluisterd hadden achtergelaten; zij sprongen in den zadel en verwijderden zich in galop.„Welnu!” vroeg Tranquille aan het opperhoofd, „wat denkt gij van dit alles?”„Mijn broeder had gelijk; de Apen-Kop heeft ons verraden, het blijkt maar al te klaar dat die acte van hem alleen is uitgegaan.”„Wat denkt gij nu te doen?”„Ik weet het nog niet; misschien zou het gevaarlijk zijn om hem in deze oogenblikken reeds te ontmaskeren.”„Dat ben ik niet met u eens, hoofdman; de tegenwoordigheid van dien verrader kan onze zaak niet anders dan bederven.”[74]„Laten wij het vooreerst afwachten.”„Goed! maar vergun mij eene opmerking.”„Ik luister, broeder.”„Waarom hebt gij de oorlogsverklaring aan de Lang-Messen zoo halstarrig volgehouden, nadat gij erkend hadt dat de acte van verkoop valsch is; gij wist toch dat de kapitein door den Apen-Kop bedrogen was?”Het opperhoofd lachte geslepen.„De Bleekhuid is slechts bedrogen,” zeide hij, „omdat hij bedrogen wilde zijn.”„Ik begrijp u niet, hoofdman.”„Ik zal het u duidelijk maken. Weet mijn broeder hoe het met den verkoop van land toegaat?”„O, hemel! neen. Ik moet u bekennen, dat ik voor mijzelven tot hiertoe nimmer land te koopen of te verkoopen heb gehad dus heb ik er mij ook nooit mede ingelaten.”„Ooah!dan zal ik het mijn broeder zeggen.”„Gij zult mij pleizier doen; ik wil altoos gaarne wat leeren, en daarbij, wie weet of het mij bij gelegenheid niet nog eens dienen kan,” lachte de Canadees.„Luister dan. Als een der Bleekgezigten het jagtterrein van een Indianenstam wil koopen, wendt hij zich tot de voornaamste Sachems des volks en na met hen in den raad de vredespijp gerookt te hebben, stelt hij hun zijn verzoek voor; de voorwaarden worden besproken, en wanneer de beide partijen het eens zijn geworden, wordt er door den eersten priester des volks eene planteekening van het af te staan gebied opgemaakt; het Bleekgezigt levert alsdan de koopwaren uit die hij in ruiling geeft, al de aanwezige opperhoofden onderschrijven het plan met hun hieroglyf, de boomstammen worden met de bijl gemerkt, de grenzen afgebakend en de kooper treedtonmiddellijkin het bezit van zijn nieuwe eigendom.”„Hum!” meesmuilde Tranquille, „dat alles is toch eenvoudig genoeg.”„Welnu! in welken raad heeft nu de blanke met het grijze hoofd de vredespijp gerookt? waar zijn de Sachems die met hem onderhandeld hebben? kan hij mij de boomstammen aanwijzen die met de tomahawk werden gemerkt?”„Ik geloof inderdaad dat dit hem zeer moeijelijk zou zijn,” antwoordde de jager.„Het Grijze Hoofd wist dat de Apen-Kop hem bedroog,” vervolgde de Sachem, „maar het land beviel hem en hij rekende op de[75]kracht zijner wapenen om er zich goed- of kwaadschiks te vestigen.”„Dat kan wel zijn.”„Met de proef overtuigd en te laat inziende dat hij onbedachtzaam gehandeld had, heeft hij alle zwarigheden willen uit den weg ruimen, door ons eenige balen koopwaren meer aan te bieden; zoo is het. Welk Bleekgezigt had ooit een opregte en eerlijke tong?”„Dank je wel!” riep de jager lagchende.„Van mijns broeders volk spreek ik niet,” vervolgde de Sachem, „over de Canadezen heb ik mij nooit te beklagen gehad, ik heb het alleen tegen de Lang-Messen van het Westen. Denkt mijn broeder nu nog, dat ik kwalijk deed met de bloedige pijlen voor hunne deur te werpen?”„Misschien zijt gij in dit geval wel een weinig te haastig geweest, hoofdman, en hebt gij u door gramschap laten vervoeren, maar gij hebt zoo vele oude grieven met de Amerikanen te vereffenen, dat ik u niet durf beschuldigen.”„Ik kan dus altoos op mijns broeders bijstand rekenen?”„Waarom zou ik u dien weigeren, hoofdman? Uw zaak blijft altijd wat zij was, namelijk regtvaardig; het is derhalve mijn pligt om u bij te staan, en dat zal ik doen, wat er ook gebeure.”„Ooah! ik dank mijn broeder, zijn goede buks zal ons altijd nuttig zijn.”„Hier zijn wij aan het kamp; het wordt tijd dat wij met den Apen-Kop een besluit nemen!”„Dat is reeds genomen;”antwoordde de Indiaan lakoniek.Op dit oogenblik reden zij een ruim boschkamp binnen, in het midden waarvan verscheidene vuren brandden. Vijfhonderd Indiaansche krijgslieden, allen gewapend, beschilderd en ten oorlog toegerust, lagen hier en daar op den grond, terwijl hunne paarden in ’t volle tuig en gereed om bestegen te worden, aan de beenen gekluisterd hun gras en boonenvoeder knabbelden.Rondom het voornaamste vuur zaten verscheidene opperhoofden nedergehurkt in stilte hunne pijpen te rooken.De nieuw aangekomenen stegen af en traden haastig naar het vuur, voor hetwelk deApen-Koponrustig heen en weder wandelde.De beide mannen namen plaats bij de andere opperhoofden en ontstaken mede hunne pijpen; maar hoezeer hunne komst door allen met ongeduld was verbeid, sprak niemand tot hen, daar de Indiaansche etiquette streng verbood dat een opperhoofd het woord nam eer de calumet geheel was uitgerookt.[76]Zoodra echter het Zwarte-Hert zijne pijp uit had, schudde hij de asch op zijn duim, stak het riet in zijn gordel en begon te spreken.„De last der Sachems is door ons volbragt,” zeide hij, „de bloedige pijlen zijn aan de Bleekgezigten toegeworpen.”De opperhoofden bogen, ten bewijze van goedkeuring, bij dit berigt.De Apen-Kop trad nader.„Heeft mijn broeder het Grijze Hoofd gezien?” vroeg hij.„Ja!” antwoordde het Zwarte-Hert.„En wat denkt mijn broeder?” hernam de Apen-Kop dringend.Het Zwarte-Hert wierp hem een dubbelzinnigen blik toe.„Wat het opperhoofd denkt is op dit oogenblik van weinig beteekenis,” antwoordde hij, „nu de raad der Sachems tot den oorlog besloten heeft.”„De nachten zijn lang,” zei thans de Blaauwe-Vos, „blijven mijne broeders hier zitten rooken?”Tranquille nam het woord.„De Lang-Messen zijn op hunne hoede, zij waken op dit oogenblik; dat mijne broeders te paard stijgen en zich terugtrekken, het uur is niet gunstig.”Al de opperhoofden gaven een teeken van toestemming.„Ik ga op verkenning uit,” zei de Apen-Kop.„Goed!” antwoordde het Zwarte-Hert met een spottenden grijnslach, „mijn broeder is knap, hij ziet vele dingen, hij zal ons berigt geven.”De Apen-Kop maakte zich gereed om het paard te bestijgen dat een der krijgslieden hem bragt, maar op eens stond het Zwarte-Hert op, snelde naar hem toe, en hem met de hand ruw op den schouder drukkende, dwong hij hem op den grond neder te knielen.Door dezen onverwachten aanval verschrikt, daar zij de reden niet van bevroedden, staarden de krijgslieden elkander verbaasd aan, zonder nogtans eene poging te wagen om zich tusschen de beide opperhoofden te stellen.De Apen-Kop hief woest het hoofd op.„Heeft de geest des kwaads mijn broeder de hersens gekrenkt?” riep hij, terwijl hij zich vruchteloos poogde te ontwringen aan de ijzeren vuist die hem op den grond als gekluisterd hield.Het Zwarte-Hert glimlachte onheilspellend en nam zijn scalpeermes uit zijn gordel.„De Apen-Kop is een verrader,” zeide hij met eene sombere[77]stem, „hij heeft zijne broeders aan de Bleekgezigten verkocht, hij moet sterven.”Het Zwarte-Hert was niet slechts een vermaard krijgsman, maar zijne wijsheid en regtschapenheid waren bij zijne stamgenooten met regt beroemd; niemand twijfelde dus aan de beschuldiging die hij had uitgebragt, terwijl de Apen-Kop daarentegen sedert langen tijd als een boosdoener te boek stond.Het blaauwe lemmer van den Sachem flikkerde een oogenblik in het licht van den haard, toen de Sachem den doodelijken stoot meende toe te brengen, maar door eene geweldige poging gelukte het den Apen-Kop zich aan zijn greep te ontrukken, en als een wild dier sprong hij de struiken in en verdween met een snerpenden schaterlach.Het mes was maar even door de huid gegaan, zonder den vluggen Indiaan een ernstige wond te veroorzaken.Er volgde een oogenblik van verstomming, toen stonden allen op om den vlugteling te vervolgen.„Halt! blijft!” riep op eens de Canadees met eene krachtige stem, „het is te laat. Haast u slechts om de Bleekgezigten aan te vallen, eer de ellendeling tijd heeft om hen te waarschuwen, daar hij gewis op nieuw verraad bedacht is.”De opperhoofden erkenden de juistheid van dezen raad en de Indianen bereidden zich tot den strijd.
IX.DE SLANGEN-PAWNEES.
Thans zullen wij eenige punten ophelderen die den lezer in ons verhaal duister kunnen schijnen.De Roodhuiden, welke groote gebreken zij overigens mogen bezitten, zijn tot dweepens toe gehecht aan den grond waar zij geboren zijn en waar hunne vaderen geleefd hebben, en geen ander oord zou dien voor hen kunnen vergoeden.DeApen-Koploog niet toen hij aan kapitein Watt verzekerde dat hij een der voornaamste opperhoofden van den stam der Slangen-Pawnees was; hij was dit inderdaad, ofschoon hij zich wel wachtte er bij te voegen om welke reden zijne stamgenooten hem hadden weggejaagd.Het is thans de tijd om deze reden kenbaar te maken.De Apen-Kop was niet alleen een man van onbeteugelde heerschzucht, maar wat men onder de Indianen zelden ontmoet, bezat hij geen de minste godsdienst en deelde hij zelfs niet in de bijgeloovige begrippen voor welke zijnelandgenootenmaar al te vatbaar zijn; bovendien was hij zonder trouw, zonder eer, en van diep bedorven zeden.Reeds in zijn vroegste jeugd naar een der Amerikaansche steden overgebragt, had hij de zonderlinge beschaving der Vereenigde Staten van nabij leeren kennen; niet in staat om in deze beschaving het goede van het kwade te onderscheiden en zich zelven binnen de juiste grenzen te houden, was hij, zooals dit met jonge menschen gewoonlijk gaat, door hetgeen het meest zijne zinnelijke neigingen streelde medegesleept en had hij van de zeden der blanken niets anders overgenomen, dan hetgeen onvermijdelijk strekken moest om zijne vroegrijpe verdorvenheid te voltooijen.Toen hij dus naar zijn stam terugkeerde, waren zijn gedrag en zijne taal zoo weinig in harmonie met hetgeen er rondom hem gezegd en gedaan werd, dat hij zich weldra den haat en de verachting zijner landgenooten op den hals haalde.Zijne bitterste vijanden werden natuurlijk de priesters, en inzonderheid de toovenaars, die hij meermalen had zoeken bespottelijk te maken.Zoodra de Apen-Kop het met de magtige partij der toovenaars te kwaad kreeg, was het met zijne eerzuchtige ontwerpen gedaan; al[70]zijne aanslagen leden schipbreuk, eene heimelijke tegenwerking wierp gestadig de plannen omver, op het oogenblik zelf dat hij zich van zijn welslagen verzekerd waande.Niet wetende aan wien hij deze mislukkingen te wijten had, hield de Sachem zijne vijanden zorgvuldig in ’t oog, lette naauwkeurig op hunne gangen en bewegingen en wachtte met al het kattengeduld dat de grond van zijn karakter uitmaakte het oogenblik af, dat tijd en toeval hem het voorwerp zijner wraak zouden aanwijzen. Daar hij zijne maatregelen met veel beleid wist te kiezen, duurde het niet lang, of hij ontdekte dat zijn grootste tegenstander niemand anders was dan de voornaamste wigchelaar van den stam.Deze toovenaar was een hoogbejaard man, algemeen geacht en bemind om zijne wijsheid en goedheid. De Apen-Kop hield zijn haat eenigen tijd verborgen, maar op zekeren dag, na eene heftige beraadslaging in den vollen raad, was hij zijne woede niet langer meester, viel op den ongelukkigen grijsaard aan en doorstak hem met een dolk, ten aanschouwe van al de oudsten des volks en eer dat iemand der aanwezigen in staat was tusschenbeide te komen om zijn verfoeijelijken aanslag te beletten.Deze moord, aan den opperpriester gepleegd, voerde de verbittering zijner stamgenooten ten top; nog staande de raadzitting werd de heerschzuchtige Sachem van het grondgebied der natie verbannen, al de Sachems ontzegden hem de gemeenschap van water en vuur, en dreigden hem met de wreedste martelingen zoo hij zich ooit weder aan hen durfde vertoonen.De Apen-Kop gevoelde zich niet sterk genoeg om de uitvoering dezer straf te trotseren, hij verwijderde zich met woede in het hart en met de gruwzaamste voornemens van wedervergelding.Wij hebben bereids gezien hoe hij zich wist te wreken, door het grondgebied van zijn stam aan de Amerikanen te verkoopen, en alzoo hen die hem verbannen hadden in ’t verderf te storten. Naauwelijks echter was deze lang gekoesterde wraak bevredigd, of in zijn hart woelde eene nieuwe begeerte. Zoodra hij het land weder aanschouwde waar hij geboren was en waar het gebeente zijner vaderen rustte, kwam bij hem de oude liefde voor het vaderland op, die hij reeds dood waande, maar die alleen in zijne ziel was ingesluimerd om met verdubbelde kracht te ontwaken.Schaamte over het vervloekte schelmstuk, dat hij beging, toen hij aan de doodvijanden van zijn geslacht de jagtvelden, die hij[71]zelf zoo lang in vrijheid had doorloopen, overleverde; ergernis over den razenden spoed waarmede de werkdrift der Amerikanen het aan hen verkochte land van gedaante deed veranderen, en het eeuwenheugende geboomte uitroeiden, onder welks eerwaarde schaduw hij zoo vaak in den raad zijns volks had voorgezeten, al deze redenen te zamen, bragten hem tot inkeer, en schier radeloos over de gepleegde heiligschennis, had hij zich met zijne stamgenooten pogen te verzoenen, ten einde hen weder in het bezit te stellen van de gronden die zij door zijn verfoeijelijken haat verloren hadden.Zonder aarzeling nam hij dus het besluit om zijne nieuwe vrienden, op hunne beurt, aan zijne oude te verraden en op te offeren.Tot zijn ongeluk, had hij zich in een duivelschen toovercirkel gewikkeld, binnen welken hij geen stap doen kon zonder andermaal misdadig te worden en zich met nieuwe gruwelen te bezoedelen.Het kostte hem veel minder moeite dan hij aanvankelijk dacht, om weder met zijne voormalige landgenooten in aanraking te komen; deze toch zwierven van huis en have beroofd en aan de bitterste wanhoop ten prooi, als ballingen rond in de aangrenzende bosschen der kolonie.De Apen-Kop trad hun stoutmoedig onder de oogen. Hij wachtte zich wel hun de ware toedragt der zaak te openbaren, en hun te vertellen dat hij alleen de oorzaak was van al hun ongeluk.Integendeel stelde hij hun zijne wederverschijning voor als een verdienstelijk werk, door voor te wenden dat het gerucht der jammeren die hen zoo plotseling getroffen hadden de eenige oorzaak was van zijne terugkomst, en dat wanneer zij in vrede en voorspoed hadden blijven voortleven, zij hem nooit zouden hebben wedergezien; maar dat nu ook, tegenover de algemeene ramp die hen getroffen had, alle gevoel van onderlinge haat verdwijnen moest en zich oplossen in gemeenschappelijke wraakneming op de gehate blanken, die eeuwige en onveranderlijke vijanden van het roode geslacht.Om kort te gaan, hij wist zich zoo goed voor te doen en de thans door hem gewaagde onderneming zoo krachtig te bepleiten, dat het hem gelukte de Indianen te misleiden, het vertrouwen der voornaamste Sachems te winnen en hen van de zuiverheid zijner plannen en bedoelingen volkomen te overtuigen.Met de hem aangeboren behendigheid en duivelsche list, begon[72]hij thans een uitgebreid complot te beramen, om de Amerikanen in het verderf te storten—een complot waarin hij tevens andere Indiaansche stammen wist te betrekken, om zich van hunne medewerking te verzekeren. Intusschen bleef hij oogenschijnlijk de vriend der kolonisten, kwam hen van tijd tot tijd bezoeken, nam deel in hunne belangen, vertoefde dagen achtereen in hunne woning, en dit alles terwijl hij in stilte bezig was met hun volkomen ondergang te bewerken.De invloed dien hij zich in korten tijd bij zijn stam had weten te verwerven, was schier onbegrensd, allen beschouwden hem als redder en hadden van hem de beste verwachtingen. Slechts drie mannen bleven ten zijnen opzigte met wantrouwen vervuld, en hielden al zijne gangen zorgvuldig in ’t oog: deze drie mannen waren Tranquille, het Zwarte-Hert, en de Blaauwe-Vos.De Canadees vertrouwde hem nog het minst; hij kon zich het gedrag van den Apen-Kop maar niet verklaren; het kwam hem altijd zeer zonderling voor, dat de Sachem met de Amerikanen op zulk een goeden voet stond en hij begreep niet hoe hij ooit daartoe gekomen was; meermalen had hij hem hierover onderhouden, maar de sluwe Indiaan wist zijne vragen steeds te ontwijken of zoo dubbelzinnig te beantwoorden, dat de jager, zoo als men zegt, er geen mouw aan kon passen.Tranquille was echter de man niet om zich op deze wijs te laten afschepen; hij had zich stellig voorgenomen tot zekerheid te komen omtrent den man wiens karakter en gedrag hem met iederen dag geheimzinniger en raadselachtiger werd; toen er dus in den grooten volksraad bepaald was om twee mannen met de oorlogsverklaring aan James Watt te zenden, wist hij te bewerken, dat hij zelf en het Zwarte-Hert daartoe gekozen werden.Met deze keus, die zijne plannen dreigde te verstoren, was de Apen-Kop alles behalve ingenomen, daar hij de beide afgezanten als zijne geheime vijanden kende, en wist dat zij hem ligt konden tegenwerken. Hij verkropte echter zijn spijt en ontveinsde zijne teleurstelling, te meer daar de zaken reeds te ver gevorderd waren om terug te treden en alles tot den aanval gereed was.Tranquille en het Zwarte-Hert vertrokken dus om aan de Bleekgezigten den oorlog te gaan verklaren.„Het kan zijn dat ik mij bedrieg,” zei de Canadees onder weg tegen zijn vriend, „maar ik geloof zeker dat wij aangaande den Apen-Kop zonderling nieuws zullen hooren.„Zoudt gij dat denken?”[73]„Ik zou er op durven wedden; ik ben overtuigd dat de kerel onzuiver spel speelt en dat hij ons allen bedriegt tot zijn eigen voordeel.”„Ik vertrouw hem wel niet veel, maar ik kan toch niet denken dat hij zijne onbeschaamdheid zoo ver zou durven drijven.”„Wij zullen spoedig weten wat er van is. In allen geval moet gij mij één ding beloven.”„Wat?”„Dat gij mij alleen het woord zult laten doen; ik weet beter dan gij hoe men met de Bleekgezigten van het Westen handelen moet.”„Goed,” antwoordde het Zwarte-Hert, „ik laat de behandeling aan u over.”Vijf minuten later kwamen zij aan de kolonie. Wij hebben in het vorige hoofdstuk reeds gezien hoe zij ontvangen werden en wat er tusschen hen en kapitein Watt plaats greep.De vaste gewoonte der Indianen om hunne vijanden een oorlogsverklaring te zenden, kan vreemd schijnen voor een volk dat men in Europa steeds als domme wilden beschouwt; maar men moet zich hierin niet bedriegen; de Roodhuiden zijn zeer ridderlijk van aard, en zullen, wanneer het ten minste om iets meer dan een razzio, dat is een strooptogt tot het rooven van paarden of rundvee te doen is, nimmer een vijand aanvallen zonder hem vooraf te waarschuwen en gelegenheid te geven zich te verdedigen.Overigens wordt van deze ridderlijke geaardheid maar al te goed partij getrokken door de Amerikanen, die, wij moeten het tot hunne schande zeggen, er geheel van ontbloot zijn, en er hunne meeste overwinningen op de Roodhuiden aan te danken hebben.Nadat de twee mannen de kolonie weder verlaten hadden, vonden zij op korten afstand hunne paarden terug, waar zij die gekluisterd hadden achtergelaten; zij sprongen in den zadel en verwijderden zich in galop.„Welnu!” vroeg Tranquille aan het opperhoofd, „wat denkt gij van dit alles?”„Mijn broeder had gelijk; de Apen-Kop heeft ons verraden, het blijkt maar al te klaar dat die acte van hem alleen is uitgegaan.”„Wat denkt gij nu te doen?”„Ik weet het nog niet; misschien zou het gevaarlijk zijn om hem in deze oogenblikken reeds te ontmaskeren.”„Dat ben ik niet met u eens, hoofdman; de tegenwoordigheid van dien verrader kan onze zaak niet anders dan bederven.”[74]„Laten wij het vooreerst afwachten.”„Goed! maar vergun mij eene opmerking.”„Ik luister, broeder.”„Waarom hebt gij de oorlogsverklaring aan de Lang-Messen zoo halstarrig volgehouden, nadat gij erkend hadt dat de acte van verkoop valsch is; gij wist toch dat de kapitein door den Apen-Kop bedrogen was?”Het opperhoofd lachte geslepen.„De Bleekhuid is slechts bedrogen,” zeide hij, „omdat hij bedrogen wilde zijn.”„Ik begrijp u niet, hoofdman.”„Ik zal het u duidelijk maken. Weet mijn broeder hoe het met den verkoop van land toegaat?”„O, hemel! neen. Ik moet u bekennen, dat ik voor mijzelven tot hiertoe nimmer land te koopen of te verkoopen heb gehad dus heb ik er mij ook nooit mede ingelaten.”„Ooah!dan zal ik het mijn broeder zeggen.”„Gij zult mij pleizier doen; ik wil altoos gaarne wat leeren, en daarbij, wie weet of het mij bij gelegenheid niet nog eens dienen kan,” lachte de Canadees.„Luister dan. Als een der Bleekgezigten het jagtterrein van een Indianenstam wil koopen, wendt hij zich tot de voornaamste Sachems des volks en na met hen in den raad de vredespijp gerookt te hebben, stelt hij hun zijn verzoek voor; de voorwaarden worden besproken, en wanneer de beide partijen het eens zijn geworden, wordt er door den eersten priester des volks eene planteekening van het af te staan gebied opgemaakt; het Bleekgezigt levert alsdan de koopwaren uit die hij in ruiling geeft, al de aanwezige opperhoofden onderschrijven het plan met hun hieroglyf, de boomstammen worden met de bijl gemerkt, de grenzen afgebakend en de kooper treedtonmiddellijkin het bezit van zijn nieuwe eigendom.”„Hum!” meesmuilde Tranquille, „dat alles is toch eenvoudig genoeg.”„Welnu! in welken raad heeft nu de blanke met het grijze hoofd de vredespijp gerookt? waar zijn de Sachems die met hem onderhandeld hebben? kan hij mij de boomstammen aanwijzen die met de tomahawk werden gemerkt?”„Ik geloof inderdaad dat dit hem zeer moeijelijk zou zijn,” antwoordde de jager.„Het Grijze Hoofd wist dat de Apen-Kop hem bedroog,” vervolgde de Sachem, „maar het land beviel hem en hij rekende op de[75]kracht zijner wapenen om er zich goed- of kwaadschiks te vestigen.”„Dat kan wel zijn.”„Met de proef overtuigd en te laat inziende dat hij onbedachtzaam gehandeld had, heeft hij alle zwarigheden willen uit den weg ruimen, door ons eenige balen koopwaren meer aan te bieden; zoo is het. Welk Bleekgezigt had ooit een opregte en eerlijke tong?”„Dank je wel!” riep de jager lagchende.„Van mijns broeders volk spreek ik niet,” vervolgde de Sachem, „over de Canadezen heb ik mij nooit te beklagen gehad, ik heb het alleen tegen de Lang-Messen van het Westen. Denkt mijn broeder nu nog, dat ik kwalijk deed met de bloedige pijlen voor hunne deur te werpen?”„Misschien zijt gij in dit geval wel een weinig te haastig geweest, hoofdman, en hebt gij u door gramschap laten vervoeren, maar gij hebt zoo vele oude grieven met de Amerikanen te vereffenen, dat ik u niet durf beschuldigen.”„Ik kan dus altoos op mijns broeders bijstand rekenen?”„Waarom zou ik u dien weigeren, hoofdman? Uw zaak blijft altijd wat zij was, namelijk regtvaardig; het is derhalve mijn pligt om u bij te staan, en dat zal ik doen, wat er ook gebeure.”„Ooah! ik dank mijn broeder, zijn goede buks zal ons altijd nuttig zijn.”„Hier zijn wij aan het kamp; het wordt tijd dat wij met den Apen-Kop een besluit nemen!”„Dat is reeds genomen;”antwoordde de Indiaan lakoniek.Op dit oogenblik reden zij een ruim boschkamp binnen, in het midden waarvan verscheidene vuren brandden. Vijfhonderd Indiaansche krijgslieden, allen gewapend, beschilderd en ten oorlog toegerust, lagen hier en daar op den grond, terwijl hunne paarden in ’t volle tuig en gereed om bestegen te worden, aan de beenen gekluisterd hun gras en boonenvoeder knabbelden.Rondom het voornaamste vuur zaten verscheidene opperhoofden nedergehurkt in stilte hunne pijpen te rooken.De nieuw aangekomenen stegen af en traden haastig naar het vuur, voor hetwelk deApen-Koponrustig heen en weder wandelde.De beide mannen namen plaats bij de andere opperhoofden en ontstaken mede hunne pijpen; maar hoezeer hunne komst door allen met ongeduld was verbeid, sprak niemand tot hen, daar de Indiaansche etiquette streng verbood dat een opperhoofd het woord nam eer de calumet geheel was uitgerookt.[76]Zoodra echter het Zwarte-Hert zijne pijp uit had, schudde hij de asch op zijn duim, stak het riet in zijn gordel en begon te spreken.„De last der Sachems is door ons volbragt,” zeide hij, „de bloedige pijlen zijn aan de Bleekgezigten toegeworpen.”De opperhoofden bogen, ten bewijze van goedkeuring, bij dit berigt.De Apen-Kop trad nader.„Heeft mijn broeder het Grijze Hoofd gezien?” vroeg hij.„Ja!” antwoordde het Zwarte-Hert.„En wat denkt mijn broeder?” hernam de Apen-Kop dringend.Het Zwarte-Hert wierp hem een dubbelzinnigen blik toe.„Wat het opperhoofd denkt is op dit oogenblik van weinig beteekenis,” antwoordde hij, „nu de raad der Sachems tot den oorlog besloten heeft.”„De nachten zijn lang,” zei thans de Blaauwe-Vos, „blijven mijne broeders hier zitten rooken?”Tranquille nam het woord.„De Lang-Messen zijn op hunne hoede, zij waken op dit oogenblik; dat mijne broeders te paard stijgen en zich terugtrekken, het uur is niet gunstig.”Al de opperhoofden gaven een teeken van toestemming.„Ik ga op verkenning uit,” zei de Apen-Kop.„Goed!” antwoordde het Zwarte-Hert met een spottenden grijnslach, „mijn broeder is knap, hij ziet vele dingen, hij zal ons berigt geven.”De Apen-Kop maakte zich gereed om het paard te bestijgen dat een der krijgslieden hem bragt, maar op eens stond het Zwarte-Hert op, snelde naar hem toe, en hem met de hand ruw op den schouder drukkende, dwong hij hem op den grond neder te knielen.Door dezen onverwachten aanval verschrikt, daar zij de reden niet van bevroedden, staarden de krijgslieden elkander verbaasd aan, zonder nogtans eene poging te wagen om zich tusschen de beide opperhoofden te stellen.De Apen-Kop hief woest het hoofd op.„Heeft de geest des kwaads mijn broeder de hersens gekrenkt?” riep hij, terwijl hij zich vruchteloos poogde te ontwringen aan de ijzeren vuist die hem op den grond als gekluisterd hield.Het Zwarte-Hert glimlachte onheilspellend en nam zijn scalpeermes uit zijn gordel.„De Apen-Kop is een verrader,” zeide hij met eene sombere[77]stem, „hij heeft zijne broeders aan de Bleekgezigten verkocht, hij moet sterven.”Het Zwarte-Hert was niet slechts een vermaard krijgsman, maar zijne wijsheid en regtschapenheid waren bij zijne stamgenooten met regt beroemd; niemand twijfelde dus aan de beschuldiging die hij had uitgebragt, terwijl de Apen-Kop daarentegen sedert langen tijd als een boosdoener te boek stond.Het blaauwe lemmer van den Sachem flikkerde een oogenblik in het licht van den haard, toen de Sachem den doodelijken stoot meende toe te brengen, maar door eene geweldige poging gelukte het den Apen-Kop zich aan zijn greep te ontrukken, en als een wild dier sprong hij de struiken in en verdween met een snerpenden schaterlach.Het mes was maar even door de huid gegaan, zonder den vluggen Indiaan een ernstige wond te veroorzaken.Er volgde een oogenblik van verstomming, toen stonden allen op om den vlugteling te vervolgen.„Halt! blijft!” riep op eens de Canadees met eene krachtige stem, „het is te laat. Haast u slechts om de Bleekgezigten aan te vallen, eer de ellendeling tijd heeft om hen te waarschuwen, daar hij gewis op nieuw verraad bedacht is.”De opperhoofden erkenden de juistheid van dezen raad en de Indianen bereidden zich tot den strijd.
Thans zullen wij eenige punten ophelderen die den lezer in ons verhaal duister kunnen schijnen.
De Roodhuiden, welke groote gebreken zij overigens mogen bezitten, zijn tot dweepens toe gehecht aan den grond waar zij geboren zijn en waar hunne vaderen geleefd hebben, en geen ander oord zou dien voor hen kunnen vergoeden.
DeApen-Koploog niet toen hij aan kapitein Watt verzekerde dat hij een der voornaamste opperhoofden van den stam der Slangen-Pawnees was; hij was dit inderdaad, ofschoon hij zich wel wachtte er bij te voegen om welke reden zijne stamgenooten hem hadden weggejaagd.
Het is thans de tijd om deze reden kenbaar te maken.
De Apen-Kop was niet alleen een man van onbeteugelde heerschzucht, maar wat men onder de Indianen zelden ontmoet, bezat hij geen de minste godsdienst en deelde hij zelfs niet in de bijgeloovige begrippen voor welke zijnelandgenootenmaar al te vatbaar zijn; bovendien was hij zonder trouw, zonder eer, en van diep bedorven zeden.
Reeds in zijn vroegste jeugd naar een der Amerikaansche steden overgebragt, had hij de zonderlinge beschaving der Vereenigde Staten van nabij leeren kennen; niet in staat om in deze beschaving het goede van het kwade te onderscheiden en zich zelven binnen de juiste grenzen te houden, was hij, zooals dit met jonge menschen gewoonlijk gaat, door hetgeen het meest zijne zinnelijke neigingen streelde medegesleept en had hij van de zeden der blanken niets anders overgenomen, dan hetgeen onvermijdelijk strekken moest om zijne vroegrijpe verdorvenheid te voltooijen.
Toen hij dus naar zijn stam terugkeerde, waren zijn gedrag en zijne taal zoo weinig in harmonie met hetgeen er rondom hem gezegd en gedaan werd, dat hij zich weldra den haat en de verachting zijner landgenooten op den hals haalde.
Zijne bitterste vijanden werden natuurlijk de priesters, en inzonderheid de toovenaars, die hij meermalen had zoeken bespottelijk te maken.
Zoodra de Apen-Kop het met de magtige partij der toovenaars te kwaad kreeg, was het met zijne eerzuchtige ontwerpen gedaan; al[70]zijne aanslagen leden schipbreuk, eene heimelijke tegenwerking wierp gestadig de plannen omver, op het oogenblik zelf dat hij zich van zijn welslagen verzekerd waande.
Niet wetende aan wien hij deze mislukkingen te wijten had, hield de Sachem zijne vijanden zorgvuldig in ’t oog, lette naauwkeurig op hunne gangen en bewegingen en wachtte met al het kattengeduld dat de grond van zijn karakter uitmaakte het oogenblik af, dat tijd en toeval hem het voorwerp zijner wraak zouden aanwijzen. Daar hij zijne maatregelen met veel beleid wist te kiezen, duurde het niet lang, of hij ontdekte dat zijn grootste tegenstander niemand anders was dan de voornaamste wigchelaar van den stam.
Deze toovenaar was een hoogbejaard man, algemeen geacht en bemind om zijne wijsheid en goedheid. De Apen-Kop hield zijn haat eenigen tijd verborgen, maar op zekeren dag, na eene heftige beraadslaging in den vollen raad, was hij zijne woede niet langer meester, viel op den ongelukkigen grijsaard aan en doorstak hem met een dolk, ten aanschouwe van al de oudsten des volks en eer dat iemand der aanwezigen in staat was tusschenbeide te komen om zijn verfoeijelijken aanslag te beletten.
Deze moord, aan den opperpriester gepleegd, voerde de verbittering zijner stamgenooten ten top; nog staande de raadzitting werd de heerschzuchtige Sachem van het grondgebied der natie verbannen, al de Sachems ontzegden hem de gemeenschap van water en vuur, en dreigden hem met de wreedste martelingen zoo hij zich ooit weder aan hen durfde vertoonen.
De Apen-Kop gevoelde zich niet sterk genoeg om de uitvoering dezer straf te trotseren, hij verwijderde zich met woede in het hart en met de gruwzaamste voornemens van wedervergelding.
Wij hebben bereids gezien hoe hij zich wist te wreken, door het grondgebied van zijn stam aan de Amerikanen te verkoopen, en alzoo hen die hem verbannen hadden in ’t verderf te storten. Naauwelijks echter was deze lang gekoesterde wraak bevredigd, of in zijn hart woelde eene nieuwe begeerte. Zoodra hij het land weder aanschouwde waar hij geboren was en waar het gebeente zijner vaderen rustte, kwam bij hem de oude liefde voor het vaderland op, die hij reeds dood waande, maar die alleen in zijne ziel was ingesluimerd om met verdubbelde kracht te ontwaken.
Schaamte over het vervloekte schelmstuk, dat hij beging, toen hij aan de doodvijanden van zijn geslacht de jagtvelden, die hij[71]zelf zoo lang in vrijheid had doorloopen, overleverde; ergernis over den razenden spoed waarmede de werkdrift der Amerikanen het aan hen verkochte land van gedaante deed veranderen, en het eeuwenheugende geboomte uitroeiden, onder welks eerwaarde schaduw hij zoo vaak in den raad zijns volks had voorgezeten, al deze redenen te zamen, bragten hem tot inkeer, en schier radeloos over de gepleegde heiligschennis, had hij zich met zijne stamgenooten pogen te verzoenen, ten einde hen weder in het bezit te stellen van de gronden die zij door zijn verfoeijelijken haat verloren hadden.
Zonder aarzeling nam hij dus het besluit om zijne nieuwe vrienden, op hunne beurt, aan zijne oude te verraden en op te offeren.
Tot zijn ongeluk, had hij zich in een duivelschen toovercirkel gewikkeld, binnen welken hij geen stap doen kon zonder andermaal misdadig te worden en zich met nieuwe gruwelen te bezoedelen.
Het kostte hem veel minder moeite dan hij aanvankelijk dacht, om weder met zijne voormalige landgenooten in aanraking te komen; deze toch zwierven van huis en have beroofd en aan de bitterste wanhoop ten prooi, als ballingen rond in de aangrenzende bosschen der kolonie.
De Apen-Kop trad hun stoutmoedig onder de oogen. Hij wachtte zich wel hun de ware toedragt der zaak te openbaren, en hun te vertellen dat hij alleen de oorzaak was van al hun ongeluk.
Integendeel stelde hij hun zijne wederverschijning voor als een verdienstelijk werk, door voor te wenden dat het gerucht der jammeren die hen zoo plotseling getroffen hadden de eenige oorzaak was van zijne terugkomst, en dat wanneer zij in vrede en voorspoed hadden blijven voortleven, zij hem nooit zouden hebben wedergezien; maar dat nu ook, tegenover de algemeene ramp die hen getroffen had, alle gevoel van onderlinge haat verdwijnen moest en zich oplossen in gemeenschappelijke wraakneming op de gehate blanken, die eeuwige en onveranderlijke vijanden van het roode geslacht.
Om kort te gaan, hij wist zich zoo goed voor te doen en de thans door hem gewaagde onderneming zoo krachtig te bepleiten, dat het hem gelukte de Indianen te misleiden, het vertrouwen der voornaamste Sachems te winnen en hen van de zuiverheid zijner plannen en bedoelingen volkomen te overtuigen.
Met de hem aangeboren behendigheid en duivelsche list, begon[72]hij thans een uitgebreid complot te beramen, om de Amerikanen in het verderf te storten—een complot waarin hij tevens andere Indiaansche stammen wist te betrekken, om zich van hunne medewerking te verzekeren. Intusschen bleef hij oogenschijnlijk de vriend der kolonisten, kwam hen van tijd tot tijd bezoeken, nam deel in hunne belangen, vertoefde dagen achtereen in hunne woning, en dit alles terwijl hij in stilte bezig was met hun volkomen ondergang te bewerken.
De invloed dien hij zich in korten tijd bij zijn stam had weten te verwerven, was schier onbegrensd, allen beschouwden hem als redder en hadden van hem de beste verwachtingen. Slechts drie mannen bleven ten zijnen opzigte met wantrouwen vervuld, en hielden al zijne gangen zorgvuldig in ’t oog: deze drie mannen waren Tranquille, het Zwarte-Hert, en de Blaauwe-Vos.
De Canadees vertrouwde hem nog het minst; hij kon zich het gedrag van den Apen-Kop maar niet verklaren; het kwam hem altijd zeer zonderling voor, dat de Sachem met de Amerikanen op zulk een goeden voet stond en hij begreep niet hoe hij ooit daartoe gekomen was; meermalen had hij hem hierover onderhouden, maar de sluwe Indiaan wist zijne vragen steeds te ontwijken of zoo dubbelzinnig te beantwoorden, dat de jager, zoo als men zegt, er geen mouw aan kon passen.
Tranquille was echter de man niet om zich op deze wijs te laten afschepen; hij had zich stellig voorgenomen tot zekerheid te komen omtrent den man wiens karakter en gedrag hem met iederen dag geheimzinniger en raadselachtiger werd; toen er dus in den grooten volksraad bepaald was om twee mannen met de oorlogsverklaring aan James Watt te zenden, wist hij te bewerken, dat hij zelf en het Zwarte-Hert daartoe gekozen werden.
Met deze keus, die zijne plannen dreigde te verstoren, was de Apen-Kop alles behalve ingenomen, daar hij de beide afgezanten als zijne geheime vijanden kende, en wist dat zij hem ligt konden tegenwerken. Hij verkropte echter zijn spijt en ontveinsde zijne teleurstelling, te meer daar de zaken reeds te ver gevorderd waren om terug te treden en alles tot den aanval gereed was.
Tranquille en het Zwarte-Hert vertrokken dus om aan de Bleekgezigten den oorlog te gaan verklaren.
„Het kan zijn dat ik mij bedrieg,” zei de Canadees onder weg tegen zijn vriend, „maar ik geloof zeker dat wij aangaande den Apen-Kop zonderling nieuws zullen hooren.
„Zoudt gij dat denken?”[73]
„Ik zou er op durven wedden; ik ben overtuigd dat de kerel onzuiver spel speelt en dat hij ons allen bedriegt tot zijn eigen voordeel.”
„Ik vertrouw hem wel niet veel, maar ik kan toch niet denken dat hij zijne onbeschaamdheid zoo ver zou durven drijven.”
„Wij zullen spoedig weten wat er van is. In allen geval moet gij mij één ding beloven.”
„Wat?”
„Dat gij mij alleen het woord zult laten doen; ik weet beter dan gij hoe men met de Bleekgezigten van het Westen handelen moet.”
„Goed,” antwoordde het Zwarte-Hert, „ik laat de behandeling aan u over.”
Vijf minuten later kwamen zij aan de kolonie. Wij hebben in het vorige hoofdstuk reeds gezien hoe zij ontvangen werden en wat er tusschen hen en kapitein Watt plaats greep.
De vaste gewoonte der Indianen om hunne vijanden een oorlogsverklaring te zenden, kan vreemd schijnen voor een volk dat men in Europa steeds als domme wilden beschouwt; maar men moet zich hierin niet bedriegen; de Roodhuiden zijn zeer ridderlijk van aard, en zullen, wanneer het ten minste om iets meer dan een razzio, dat is een strooptogt tot het rooven van paarden of rundvee te doen is, nimmer een vijand aanvallen zonder hem vooraf te waarschuwen en gelegenheid te geven zich te verdedigen.
Overigens wordt van deze ridderlijke geaardheid maar al te goed partij getrokken door de Amerikanen, die, wij moeten het tot hunne schande zeggen, er geheel van ontbloot zijn, en er hunne meeste overwinningen op de Roodhuiden aan te danken hebben.
Nadat de twee mannen de kolonie weder verlaten hadden, vonden zij op korten afstand hunne paarden terug, waar zij die gekluisterd hadden achtergelaten; zij sprongen in den zadel en verwijderden zich in galop.
„Welnu!” vroeg Tranquille aan het opperhoofd, „wat denkt gij van dit alles?”
„Mijn broeder had gelijk; de Apen-Kop heeft ons verraden, het blijkt maar al te klaar dat die acte van hem alleen is uitgegaan.”
„Wat denkt gij nu te doen?”
„Ik weet het nog niet; misschien zou het gevaarlijk zijn om hem in deze oogenblikken reeds te ontmaskeren.”
„Dat ben ik niet met u eens, hoofdman; de tegenwoordigheid van dien verrader kan onze zaak niet anders dan bederven.”[74]
„Laten wij het vooreerst afwachten.”
„Goed! maar vergun mij eene opmerking.”
„Ik luister, broeder.”
„Waarom hebt gij de oorlogsverklaring aan de Lang-Messen zoo halstarrig volgehouden, nadat gij erkend hadt dat de acte van verkoop valsch is; gij wist toch dat de kapitein door den Apen-Kop bedrogen was?”
Het opperhoofd lachte geslepen.
„De Bleekhuid is slechts bedrogen,” zeide hij, „omdat hij bedrogen wilde zijn.”
„Ik begrijp u niet, hoofdman.”
„Ik zal het u duidelijk maken. Weet mijn broeder hoe het met den verkoop van land toegaat?”
„O, hemel! neen. Ik moet u bekennen, dat ik voor mijzelven tot hiertoe nimmer land te koopen of te verkoopen heb gehad dus heb ik er mij ook nooit mede ingelaten.”
„Ooah!dan zal ik het mijn broeder zeggen.”
„Gij zult mij pleizier doen; ik wil altoos gaarne wat leeren, en daarbij, wie weet of het mij bij gelegenheid niet nog eens dienen kan,” lachte de Canadees.
„Luister dan. Als een der Bleekgezigten het jagtterrein van een Indianenstam wil koopen, wendt hij zich tot de voornaamste Sachems des volks en na met hen in den raad de vredespijp gerookt te hebben, stelt hij hun zijn verzoek voor; de voorwaarden worden besproken, en wanneer de beide partijen het eens zijn geworden, wordt er door den eersten priester des volks eene planteekening van het af te staan gebied opgemaakt; het Bleekgezigt levert alsdan de koopwaren uit die hij in ruiling geeft, al de aanwezige opperhoofden onderschrijven het plan met hun hieroglyf, de boomstammen worden met de bijl gemerkt, de grenzen afgebakend en de kooper treedtonmiddellijkin het bezit van zijn nieuwe eigendom.”
„Hum!” meesmuilde Tranquille, „dat alles is toch eenvoudig genoeg.”
„Welnu! in welken raad heeft nu de blanke met het grijze hoofd de vredespijp gerookt? waar zijn de Sachems die met hem onderhandeld hebben? kan hij mij de boomstammen aanwijzen die met de tomahawk werden gemerkt?”
„Ik geloof inderdaad dat dit hem zeer moeijelijk zou zijn,” antwoordde de jager.
„Het Grijze Hoofd wist dat de Apen-Kop hem bedroog,” vervolgde de Sachem, „maar het land beviel hem en hij rekende op de[75]kracht zijner wapenen om er zich goed- of kwaadschiks te vestigen.”
„Dat kan wel zijn.”
„Met de proef overtuigd en te laat inziende dat hij onbedachtzaam gehandeld had, heeft hij alle zwarigheden willen uit den weg ruimen, door ons eenige balen koopwaren meer aan te bieden; zoo is het. Welk Bleekgezigt had ooit een opregte en eerlijke tong?”
„Dank je wel!” riep de jager lagchende.
„Van mijns broeders volk spreek ik niet,” vervolgde de Sachem, „over de Canadezen heb ik mij nooit te beklagen gehad, ik heb het alleen tegen de Lang-Messen van het Westen. Denkt mijn broeder nu nog, dat ik kwalijk deed met de bloedige pijlen voor hunne deur te werpen?”
„Misschien zijt gij in dit geval wel een weinig te haastig geweest, hoofdman, en hebt gij u door gramschap laten vervoeren, maar gij hebt zoo vele oude grieven met de Amerikanen te vereffenen, dat ik u niet durf beschuldigen.”
„Ik kan dus altoos op mijns broeders bijstand rekenen?”
„Waarom zou ik u dien weigeren, hoofdman? Uw zaak blijft altijd wat zij was, namelijk regtvaardig; het is derhalve mijn pligt om u bij te staan, en dat zal ik doen, wat er ook gebeure.”
„Ooah! ik dank mijn broeder, zijn goede buks zal ons altijd nuttig zijn.”
„Hier zijn wij aan het kamp; het wordt tijd dat wij met den Apen-Kop een besluit nemen!”
„Dat is reeds genomen;”antwoordde de Indiaan lakoniek.
Op dit oogenblik reden zij een ruim boschkamp binnen, in het midden waarvan verscheidene vuren brandden. Vijfhonderd Indiaansche krijgslieden, allen gewapend, beschilderd en ten oorlog toegerust, lagen hier en daar op den grond, terwijl hunne paarden in ’t volle tuig en gereed om bestegen te worden, aan de beenen gekluisterd hun gras en boonenvoeder knabbelden.
Rondom het voornaamste vuur zaten verscheidene opperhoofden nedergehurkt in stilte hunne pijpen te rooken.
De nieuw aangekomenen stegen af en traden haastig naar het vuur, voor hetwelk deApen-Koponrustig heen en weder wandelde.
De beide mannen namen plaats bij de andere opperhoofden en ontstaken mede hunne pijpen; maar hoezeer hunne komst door allen met ongeduld was verbeid, sprak niemand tot hen, daar de Indiaansche etiquette streng verbood dat een opperhoofd het woord nam eer de calumet geheel was uitgerookt.[76]
Zoodra echter het Zwarte-Hert zijne pijp uit had, schudde hij de asch op zijn duim, stak het riet in zijn gordel en begon te spreken.
„De last der Sachems is door ons volbragt,” zeide hij, „de bloedige pijlen zijn aan de Bleekgezigten toegeworpen.”
De opperhoofden bogen, ten bewijze van goedkeuring, bij dit berigt.
De Apen-Kop trad nader.
„Heeft mijn broeder het Grijze Hoofd gezien?” vroeg hij.
„Ja!” antwoordde het Zwarte-Hert.
„En wat denkt mijn broeder?” hernam de Apen-Kop dringend.
Het Zwarte-Hert wierp hem een dubbelzinnigen blik toe.
„Wat het opperhoofd denkt is op dit oogenblik van weinig beteekenis,” antwoordde hij, „nu de raad der Sachems tot den oorlog besloten heeft.”
„De nachten zijn lang,” zei thans de Blaauwe-Vos, „blijven mijne broeders hier zitten rooken?”
Tranquille nam het woord.
„De Lang-Messen zijn op hunne hoede, zij waken op dit oogenblik; dat mijne broeders te paard stijgen en zich terugtrekken, het uur is niet gunstig.”
Al de opperhoofden gaven een teeken van toestemming.
„Ik ga op verkenning uit,” zei de Apen-Kop.
„Goed!” antwoordde het Zwarte-Hert met een spottenden grijnslach, „mijn broeder is knap, hij ziet vele dingen, hij zal ons berigt geven.”
De Apen-Kop maakte zich gereed om het paard te bestijgen dat een der krijgslieden hem bragt, maar op eens stond het Zwarte-Hert op, snelde naar hem toe, en hem met de hand ruw op den schouder drukkende, dwong hij hem op den grond neder te knielen.
Door dezen onverwachten aanval verschrikt, daar zij de reden niet van bevroedden, staarden de krijgslieden elkander verbaasd aan, zonder nogtans eene poging te wagen om zich tusschen de beide opperhoofden te stellen.
De Apen-Kop hief woest het hoofd op.
„Heeft de geest des kwaads mijn broeder de hersens gekrenkt?” riep hij, terwijl hij zich vruchteloos poogde te ontwringen aan de ijzeren vuist die hem op den grond als gekluisterd hield.
Het Zwarte-Hert glimlachte onheilspellend en nam zijn scalpeermes uit zijn gordel.
„De Apen-Kop is een verrader,” zeide hij met eene sombere[77]stem, „hij heeft zijne broeders aan de Bleekgezigten verkocht, hij moet sterven.”
Het Zwarte-Hert was niet slechts een vermaard krijgsman, maar zijne wijsheid en regtschapenheid waren bij zijne stamgenooten met regt beroemd; niemand twijfelde dus aan de beschuldiging die hij had uitgebragt, terwijl de Apen-Kop daarentegen sedert langen tijd als een boosdoener te boek stond.
Het blaauwe lemmer van den Sachem flikkerde een oogenblik in het licht van den haard, toen de Sachem den doodelijken stoot meende toe te brengen, maar door eene geweldige poging gelukte het den Apen-Kop zich aan zijn greep te ontrukken, en als een wild dier sprong hij de struiken in en verdween met een snerpenden schaterlach.
Het mes was maar even door de huid gegaan, zonder den vluggen Indiaan een ernstige wond te veroorzaken.
Er volgde een oogenblik van verstomming, toen stonden allen op om den vlugteling te vervolgen.
„Halt! blijft!” riep op eens de Canadees met eene krachtige stem, „het is te laat. Haast u slechts om de Bleekgezigten aan te vallen, eer de ellendeling tijd heeft om hen te waarschuwen, daar hij gewis op nieuw verraad bedacht is.”
De opperhoofden erkenden de juistheid van dezen raad en de Indianen bereidden zich tot den strijd.