X.

[Inhoud]X.HET GEVECHT.Inmiddels had de kapitein Watt, zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, al de leden der kolonie op het plein voor den toren verzameld.Het aantal zijner strijders bedroeg in alles twee en zestig, de vrouwen er bij gerekend.De Europesche dames zullen het misschien vreemd vinden dat wij ook de vrouwen onder het getal der strijders opnemen; werkelijk schijnt in de oude wereld de tijd der Marphises, Jeanne d’Arcs en Bradamantas gelukkig voor altijd voorbij te zijn, en is mitsdien het schoone geslacht, dank zij de beschaving, niet meer verpligt om in krijgsdapperheid met de mannen te wedijveren.[78]In Noord-Amerika, althans in het tijdvak van ons verhaal, en zelfs nog heden ten dage in deprairiënen op de koloniën, is dit anders; zoo vaak daar de oorlogskreet der Indianen onverhoeds den eenzamen planters in de ooren dringt, zijn de vrouwen verpligt den arbeid harer sekse te verlaten, om met teedere hand het wapen te grijpen en zich onverschrokken tot verdediging van het gemeenschappelijk welzijn te weer te stellen.Wij zouden, des gevorderd, een groot aantal dezer heldinnen met zachtzinnige oogen en engelachtige blikken kunnen aanvoeren, die door de gelegenheid geroepen, dapperlijk hun pligt deden en als echte duivelinnen tegen de Indianen gestreden hebben.Mistress Watt was geen heldin, verre van daar, maar zij was de vrouw en de dochter van een soldaat, zij was geboren en opgevoed aan de Indiaansche grenzen, meer dan eens had zij kruid geroken en bloed zien stroomen; wat meer zegt, zij was moeder. Zij werd geroepen om hare kinderen te verdedigen; kon zij minder doen dan eene wolvin voor hare welpen? Al hare teedere schroomvalligheid was geweken, om plaats te maken voor koelzinnige en krachtige besluiten.Door haar voorbeeld vuurde zij de andere vrouwen der kolonie aan, en allen hadden zich weldra gewapend, vast besloten om naast hare echtgenooten en vaders te strijden.Wij herhalen dus, dat de kapitein overtweeënzestiggewapenden zoo vrouwen als mannen beschikken kon.In ’t eerst poogde hij zijne vrouw iedere deelneming aan den strijd af te raden; maar het zachtzinnige schepsel, dat hij tot hiertoe altijd zoo bedeesd en gehoorzaam gekend had, weigerde ronduit haar voornemen op te geven, en de kapitein was genoodzaakt om haar stil te laten begaan.Hij nam thans de noodige maatregelen tot tegenweer.Vijfentwintig kloeke mannen werden op de wallen verdeeld, onder bevel van Bothrel. De kapitein zelf behield onder zijn eigen kommando een tweeden troep van vierentwintig jagers, om op alle punten dienst te doen waar de nood het vorderen zou. De vrouwen, onder aanvoering van Mistress Watt, waren bestemd om den toren te verdedigen, waar men de kinderen en de zieken in opsloot, en zoo wachtte men de komst der Indianen af.Het was omtrent een ure in den morgen toen de Canadeesche jager en het Zwarte-Hert de kolonie verlieten, en tegen half drie was alles voor de verdediging gereed.De kapitein deed voor het laatst de ronde op de verschansingen,[79]ten einde zich te overtuigen dat alles in orde was; daarna werden al de vuren gedoofd, en nu trok hij heimelijk uit de kolonie, door eene verborgene deur in den buitenwal, daar hij en Bothrel alleen kennis van droegen.Een plank werd over de gracht gelegd en de kapitein ging er over, gevolgd door Bothrel en een Kentuckiër met name Bob, een moedige breedgeschouderde knaap, dien wij reeds eenmaal gelegenheid hadden op te merken.De plank werd zorgvuldig geborgen, om bij hunne terugkomst weder te dienen, en de drie mannen slopen in de duisternis voort als drie nachtspoken.Toen zij tot op omtrent honderd passen van de kolonie gevorderd waren bleef de kapitein staan.„Mijneheeren,” zeide hij hun, zoo zacht dat zij verpligt waren hem te naderen om het te verstaan, „ik heb u uitgekozen, omdat wij een gevaarlijk waagstuk beginnen, en ik daarbij de hulp van een paar wakkere mannen noodig had.”„Waar is het om te doen?” vroeg Bothrel.„De nacht is zoo donker dat die vervloekte Roodhuiden, als zij wilden; tot aan den rand der gracht zouden kunnen komen zonder dat wij er iets van merkten; ik heb dus besloten om al het hakhout in brand te steken dat wij hier en daar op hoopen hebben gestapeld. Men moet als de nood het vereischt opofferingen weten te doen, door deze vuren, die lang genoeg branden zullen, zal er zooveel licht in de vallei worden verspreid, dat wij onze vijanden op verren afstand kunnen zien aankomen en dus met te meer zekerheid op hen schieten.”„Een uitmuntend idee!” riep Bothrel.„Ja,” hernam de kapitein, „maar ontveinzen wij ons niet, dat het tevens zeer gevaarlijk is; de Indiaansche landloopers zijn reeds in de vlakte verspreid, ja misschien reeds digt in onze nabijheid, en zoodra wij, nadat wij twee of drie hoopen in brand hebben gestoken, hen zien, kunnen wij zeker zijn dat zij ons evenzeer zien. Gebruiken wij derhalve de noodige voorzorgen; elk van ons moet een gedeelte van de taak op zich nemen, en door de snelheid onzer bewegingen zullen wij de listen dezer duivels zoeken te verschalken; onthoudt dus dat wij ieder afzonderlijk handelen en elk vier of vijf vuren moeten ontsteken, zonder op elkanders hulp te rekenen. Aan ’t werk!”De vuurmiddelen en ontvlambare stoffen werden nu tusschen de drie mannen verdeeld en zij gingen van elkander.[80]Vijf minuten later zag men een houtstapel ontvlammen, toen een tweede, en een derde, en na verloop van een kwartier waren er tien vuren in brand.In ’t eerst zwak, schenen zij eenige minuten te weifelen, maar van lieverlede werd de vlam grooter, nam toe in kracht, en weldra was de gansche vlakte door den rooden gloed dezer ontzaggelijke brandfakkels verlicht.De kapitein en zijne kameraden waren in hunne onderneming boven verwachting voorspoedig geweest, daar het hun gelukt was al de houtstapels in de vallei te ontsteken, zonder de aandacht der Indianen te wekken; zij haastten zich nu al wat zij loopen konden naar de verschansing terug. Het werd tijd, want op eens weergalmde achter hen een vreesselijke oorlogskreet en verscheen er aan den zoom van het bosch een talrijke troep Indiaansche ruiters, die in vollen galop en onder het zwaaijen hunner wapenen als woeste duivels op hen aanreden.Zij kwamen echter te laat om de Amerikanen in handen te krijgen, daar deze de gracht reeds over waren en zich achter hunne verschansing in veiligheid hadden gesteld.Een levendig geweervuur begroette de Indianen. Verscheidene van hen tuimelden van hunne paarden, terwijl de anderen den teugel wendden en inderijl terugtrokken.De strijd was thans werkelijk begonnen, ofschoon de kapitein er zich niet erg ongerust over maakte; door zijn gelukkigen inval was eene verrassing onmogelijk geworden, en kon men de gansche vlakte overzien zoo helder als bij dag.Er volgde een poos stilte, die de Amerikanen zich ten nutte maakten om hunne geweren te herladen.De kolonisten waren een oogenblik ongerust geweest, toen zij zoovele vuren, het een na het andere in de vallei zagen ontbranden; zij dachten aan een krijgslist der Indianen, maar werden weldra door den kapitein uit den droom geholpen, en nu wenschten zij zich geluk met dezen schranderen maatregel, die hen in staat stelde om bijna met ieder schot hun man te treffen.Intusschen hadden de Pawnees hun aanval niet opgegeven; naar alle waarschijnlijkheid waren zij slechts teruggetrokken om hun plan nader te overwegen.De kapitein stond met den schouder tegen de palissaden geleund en den blik onafgewend op de vlakte gerigt, toen hij op eens in een afgelegen maïsveld, dat omtrent twee geweerschoten van de kolonie verwijderd was, eene verdachte beweging opmerkte.[81]„Geeft acht!” riep hij uit, „de vijand komt.”Allen hielden zich gereed, met de hand aan den trekker.Op eens hoorde men een dof gedruisch, en de meest verwijderde houtstapel stortte krakend ineen onder het verspreiden van duizende vonken.„Duivels!” riep de kapitein, „daar ginder zijn de Indianen bezig; ’t is onmogelijk dat die houtstapel reeds uitgebrand zou zijn.”Op hetzelfde oogenblik stortte een tweede in, bijna onmiddellijk gevolgd door een derde; en toen door een vierde.Er viel aan de oorzaak dezer opeenvolgende instortingen niet langer te twijfelen; de Indianen, die hunne bewegingen door het schijnsel dezer monsterachtige vuurbaken verijdeld zagen, hadden het eenvoudige middel te baat genomen om ze uit te dooven, hetgeen zij gemakkelijk konden doen, daar deze buiten het bereik der buksen gelegen waren.Naauwelijks omvergeworpen, werd het hout naar alle zijden verstrooid en ging het van zelve uit.Deze behendige manoeuvre stelde de Indianen in de gelegenheid om de palissaden vrij digt te naderen, zonder gezien te worden.Intusschen waren al de houtstapels niet omvergehaald, want die er nog overbleven lagen te digt bij de kolonie en konden door het vuur der belegerden worden beschermd.De Pawnees deden echter eene poging om ook dezen uit te blusschen, maar werden met heftig geweervuur ontvangen; eene hagelbui van kogels stortte zich op de aanvallers, zoodat zij na eenige minuten stand gehouden te hebben, gedwongen werden te vlugten; want een andere naam kon op hun overhaasten aftogt niet worden toegepast.De Amerikanen juilden de vlugtelingen na met honend gelach en daverende spotkreten.„Ik geloof dat zij onze soep te heet vinden,” zei Bothrel snaaksch, „de goede lui beklagen zich dat zij er de vingers in hebben gestoken.”„Inderdaad,” dacht de kapitein, „zij zullen voor dezen keer niet veel lust hebben om terug te komen.”De kapitein bedroog zich; want eenige minuten daarna keerden de Indianen in vliegenden galop terug. Door niets te stuiten en zonder zelfs het geweldige geweervuur te beantwoorden, dat hen decimeerde, kwamen zij tot aan den rand der gracht.Naauwelijks hielden zij daar een oogenblik stil, of zij zwenkten onmiddellijk om, en renden even snel terug als zij gekomen waren,[82]maar niet zonder op hun pad een groot aantal dooden achter te laten, die door de kogels der Amerikanen waren neergeschoten.De Pawnees hadden echter hun oogmerk volkomen bereikt, en de blanken begrepen spoedig tot hun groote teleurstelling, dat zij zich al te ras met eene gemakkelijke overwinning gevleid hadden.Ieder ruiter namelijk had een krijgsman te voet achter zich op het paard gezet, die, zoodra zij tot aan de gracht waren genaderd, afstegen en terstond van de verwarring, de duisternis en den kruiddamp gebruik makende, zich zoo goed of kwaad mogelijk achter gevallen boomstammen en oneffenheden van den bodem in veiligheid stelden, om van daar den vijand te bestoken. Zoodra dus de rook was opgetrokken, werden de Amerikanen, die zich boven de verschansing vertoonden, om te zien wat hun musketvuur op den vijand had uitgewerkt, op hunne beurt door eene hagelbui van kogels en pijlen begroet, die vijftien der belegerden buiten gevecht stelden.Deze onverwachte aanval, van onzigtbare vijanden, bragt onder de Amerikanen eene geweldige verwarring en schrik te weeg.Vijftien man in een enkelen slag te verliezen, was een ontzettende ramp voor de kolonisten; de krijg begon nu een verontrustend aanzien te verkrijgen en dreigde in eene nederlaag te zullen eindigen, want nooit hadden de Indianen zooveel geestkracht en verbittering bij een aanval aan den dag gelegd; er viel niet langer te aarzelen, de vermetele vijanden moesten tot iederen prijs worden verdreven uit de hinderlaag waar zij zich zoo behendig genesteld hadden.De kapitein besloot er toe.Hij verzamelde een twintigtal onverschrokken mannen, en terwijl de overigen tot verdediging der schans achterbleven, liet hij de brug nederzakken en stormde met zijne keurbende naar buiten.Nu raakten de beide vijandenonmiddellijkhandgemeen; men streed met blank geweer en man tegen man.De kamp was vreeselijk; roodhuiden en blanken kronkelden als bloeddorstige slangen dooreen: dronken van woede en door haat verblind, zocht ieder zijn weerpartij te treffen; het koude staal glinsterde en kletterde, en de grond werd met dooden en stervenden bezaaid.…Op eens werd het bloedige tooneel door een groot licht overschenen, en verhief zich uit de kolonie een schrikkelijk noodgeschrei.De kapitein keek om, hij slaakte een wanhopigen kreet bij het akelig schouwspel dat zich aan zijne verbaasde oogen voordeed.[83]De toren en de voornaamste gebouwen stonden in brand; in het schijnsel der vlammen zag men de Indianen als duivels rondspringen en de kolonisten vervolgen, die hier en daar in groepen verdeeld, nog hopeloos weerstand poogden te bieden.Ziehier wat er gebeurd was.Terwijl het Zwarte-Hert, de Blaauwe-Vos en de andere opperhoofden, van voren de kolonie aanvielen, hadden Tranquille en Quoniam, met een vijftigtal uitgelezen krijgslieden, zich in eenige praauwen van bisonshuid ingescheept en in stilte den stroom af laten drijven om haar van achteren aan den rivierkant binnen te dringen, waar zij geheel onbewapend en open lag. Onopgemerkt en zonder zelfs het minste alarm te verwekken waren zij aan land gestapt, hetgeen hun des te gemakkelijker viel, daar de Amerikanen volstrekt geen gevaar of overrompeling vreesden van de zijde der Missouri.Om hier geen blaam van zorgeloosheid op den kapitein te werpen, moeten wij zeggen dat hij dit punt niet geheel zonder verdediging had gelaten, hij had er werkelijk een paar schildwachts geplaatst; ongelukkig echter, in de verwarring die op den laatsten aanval der Indianen was gevolgd, hadden de schildwachts, in den waan dat er van de rivierzijde niets te vreezen was, hun post verlaten, om zich naar het punt te begeven waar zij dachten dat het gevaar het meest dreigde, en hunne vrienden op de verschansing bij te staan.Deze onvergeeflijke misslag bragt de verdedigers ten verderve; Tranquille ontscheepte zijn troep zonder slag of stoot.De Pawnees eenmaal in de kolonie binnengedrongen, wierpen brandende fakkels op de houten gebouwen, hieven hun oorlogskreet aan en stormden naar de wallen; waar zij de Amerikanen in den rug vielen, en dus tusschen twee vuren bragten.Tranquille, Quoniam en eenige krijgslieden die bij hen waren gebleven, snelden naar den toren.Mistress Watt, ofschoon onverhoeds overvallen, hield zich echter gereed om den post die haar was toevertrouwd moedig te verdedigen.De Canadees naderde haar met opgeheven armen, ten teeken van vrede.„Geef u over, in ’s Hemels naam!” riep hij, „of gij zijt verloren: de kolonie is ons.”„Neen,” antwoordde zij koelbloedig, „ik geef mij niet over aan een lafaard, die zijne broeders verraadt om partij voor de heidenen te kiezen.”[84]„Gij beoordeelt mij onbillijk,” antwoordde de jager treurig, „ik kom u redden!”„Ik wil door u niet gered zijn!”„Ongelukkige vrouw, al is het niet om u zelve, doe het dan om uwe kinderen; gij ziet, de toren staat reeds in brand.”De jonge vrouw sloeg de oogen op, gaf een akeligen gil en liep ijlings naar het inwendige van het gebouw.De overige vrouwen, die op het woord van den jager vertrouwden, boden geen weerstand en gaven hare wapenen af.Tranquille stelde deze arme vrouwen onder de bescherming van Quoniam, aan wien hij eenige krijgslieden toevoegde, en verwijderde zich toen met allen spoed, om het bloedbad te doen eindigen, dat op de overige punten der kolonie nog voortduurde.Quoniam trad in den toren, waar hij Mistress Watt half wezenloos vond zitten, met hare twee kinderen, die zij met kracht in hare armen geklemd hield. De brave neger nam haar op en droeg haar naar buiten; daarna verzamelde hij al de andere vrouwen en kinderen en bragt hen naar den oever der Missouri, om hen buiten het bereik van het vuur te stellen en beter tegen de woede der overwinnaars te beveiligen, tot de strijd geëindigd zou zijn.Intusschen was het geen strijd meer, maar een ware slagting, des te gruwzamer door de onmenschelijke barbaarschheid der Indianen, die zich met onbeschrijfelijke bitterheid en door de wreedste martelingen op hunne vijanden zochten te wreken.De kapitein, Bothrel, Bob en een twintigtal Amerikanen, de eenigen die van al de kolonisten nog over waren, hadden zich in het centrum der esplanade vereenigd en weerden zich met de kracht der wanhoop tegen eene overmagt van Roodhuiden, vast besloten om zich tot den laatsten man te laten dooden, liever dan levend in de handen hunner vijanden te vallen.Na lang smeeken en met groot gevaar van zijn eigen leven, slaagde Tranquille echter om hun de wapens te doen nederleggen en zoo doende aan het bloedbad een einde te maken.Op eens verhief zich van de zijde der rivier een akelig angstgeschrei, doormengd met gillen, weenen en bidden.De jager, door een somber voorgevoel gedreven, ijlde terstond derwaarts. Het Zwarte-Hert en zijne krijgslieden volgden hem op den voet.Toen zij op de plaats kwamen waar Quoniam de vrouwen en kinderen verzameld had, vertoonde zich het akeligste schouwspel.Mistress Watt en drie andere vrouwen lagen bewegingloos op den[85]grond, zwemmende in haar bloed; Quoniam door twee wonden doorboord, de eene aan het hoofd en de andere in de borst lag nevens haar uitgestrekt.Het was onmogelijk om van de overige vrouwen eenige nadere opheldering van het gebeurde te bekomen; zij waren half krankzinnig van schrik.De kinderen van den kapitein waren spoorloos verdwenen.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

[Inhoud]X.HET GEVECHT.Inmiddels had de kapitein Watt, zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, al de leden der kolonie op het plein voor den toren verzameld.Het aantal zijner strijders bedroeg in alles twee en zestig, de vrouwen er bij gerekend.De Europesche dames zullen het misschien vreemd vinden dat wij ook de vrouwen onder het getal der strijders opnemen; werkelijk schijnt in de oude wereld de tijd der Marphises, Jeanne d’Arcs en Bradamantas gelukkig voor altijd voorbij te zijn, en is mitsdien het schoone geslacht, dank zij de beschaving, niet meer verpligt om in krijgsdapperheid met de mannen te wedijveren.[78]In Noord-Amerika, althans in het tijdvak van ons verhaal, en zelfs nog heden ten dage in deprairiënen op de koloniën, is dit anders; zoo vaak daar de oorlogskreet der Indianen onverhoeds den eenzamen planters in de ooren dringt, zijn de vrouwen verpligt den arbeid harer sekse te verlaten, om met teedere hand het wapen te grijpen en zich onverschrokken tot verdediging van het gemeenschappelijk welzijn te weer te stellen.Wij zouden, des gevorderd, een groot aantal dezer heldinnen met zachtzinnige oogen en engelachtige blikken kunnen aanvoeren, die door de gelegenheid geroepen, dapperlijk hun pligt deden en als echte duivelinnen tegen de Indianen gestreden hebben.Mistress Watt was geen heldin, verre van daar, maar zij was de vrouw en de dochter van een soldaat, zij was geboren en opgevoed aan de Indiaansche grenzen, meer dan eens had zij kruid geroken en bloed zien stroomen; wat meer zegt, zij was moeder. Zij werd geroepen om hare kinderen te verdedigen; kon zij minder doen dan eene wolvin voor hare welpen? Al hare teedere schroomvalligheid was geweken, om plaats te maken voor koelzinnige en krachtige besluiten.Door haar voorbeeld vuurde zij de andere vrouwen der kolonie aan, en allen hadden zich weldra gewapend, vast besloten om naast hare echtgenooten en vaders te strijden.Wij herhalen dus, dat de kapitein overtweeënzestiggewapenden zoo vrouwen als mannen beschikken kon.In ’t eerst poogde hij zijne vrouw iedere deelneming aan den strijd af te raden; maar het zachtzinnige schepsel, dat hij tot hiertoe altijd zoo bedeesd en gehoorzaam gekend had, weigerde ronduit haar voornemen op te geven, en de kapitein was genoodzaakt om haar stil te laten begaan.Hij nam thans de noodige maatregelen tot tegenweer.Vijfentwintig kloeke mannen werden op de wallen verdeeld, onder bevel van Bothrel. De kapitein zelf behield onder zijn eigen kommando een tweeden troep van vierentwintig jagers, om op alle punten dienst te doen waar de nood het vorderen zou. De vrouwen, onder aanvoering van Mistress Watt, waren bestemd om den toren te verdedigen, waar men de kinderen en de zieken in opsloot, en zoo wachtte men de komst der Indianen af.Het was omtrent een ure in den morgen toen de Canadeesche jager en het Zwarte-Hert de kolonie verlieten, en tegen half drie was alles voor de verdediging gereed.De kapitein deed voor het laatst de ronde op de verschansingen,[79]ten einde zich te overtuigen dat alles in orde was; daarna werden al de vuren gedoofd, en nu trok hij heimelijk uit de kolonie, door eene verborgene deur in den buitenwal, daar hij en Bothrel alleen kennis van droegen.Een plank werd over de gracht gelegd en de kapitein ging er over, gevolgd door Bothrel en een Kentuckiër met name Bob, een moedige breedgeschouderde knaap, dien wij reeds eenmaal gelegenheid hadden op te merken.De plank werd zorgvuldig geborgen, om bij hunne terugkomst weder te dienen, en de drie mannen slopen in de duisternis voort als drie nachtspoken.Toen zij tot op omtrent honderd passen van de kolonie gevorderd waren bleef de kapitein staan.„Mijneheeren,” zeide hij hun, zoo zacht dat zij verpligt waren hem te naderen om het te verstaan, „ik heb u uitgekozen, omdat wij een gevaarlijk waagstuk beginnen, en ik daarbij de hulp van een paar wakkere mannen noodig had.”„Waar is het om te doen?” vroeg Bothrel.„De nacht is zoo donker dat die vervloekte Roodhuiden, als zij wilden; tot aan den rand der gracht zouden kunnen komen zonder dat wij er iets van merkten; ik heb dus besloten om al het hakhout in brand te steken dat wij hier en daar op hoopen hebben gestapeld. Men moet als de nood het vereischt opofferingen weten te doen, door deze vuren, die lang genoeg branden zullen, zal er zooveel licht in de vallei worden verspreid, dat wij onze vijanden op verren afstand kunnen zien aankomen en dus met te meer zekerheid op hen schieten.”„Een uitmuntend idee!” riep Bothrel.„Ja,” hernam de kapitein, „maar ontveinzen wij ons niet, dat het tevens zeer gevaarlijk is; de Indiaansche landloopers zijn reeds in de vlakte verspreid, ja misschien reeds digt in onze nabijheid, en zoodra wij, nadat wij twee of drie hoopen in brand hebben gestoken, hen zien, kunnen wij zeker zijn dat zij ons evenzeer zien. Gebruiken wij derhalve de noodige voorzorgen; elk van ons moet een gedeelte van de taak op zich nemen, en door de snelheid onzer bewegingen zullen wij de listen dezer duivels zoeken te verschalken; onthoudt dus dat wij ieder afzonderlijk handelen en elk vier of vijf vuren moeten ontsteken, zonder op elkanders hulp te rekenen. Aan ’t werk!”De vuurmiddelen en ontvlambare stoffen werden nu tusschen de drie mannen verdeeld en zij gingen van elkander.[80]Vijf minuten later zag men een houtstapel ontvlammen, toen een tweede, en een derde, en na verloop van een kwartier waren er tien vuren in brand.In ’t eerst zwak, schenen zij eenige minuten te weifelen, maar van lieverlede werd de vlam grooter, nam toe in kracht, en weldra was de gansche vlakte door den rooden gloed dezer ontzaggelijke brandfakkels verlicht.De kapitein en zijne kameraden waren in hunne onderneming boven verwachting voorspoedig geweest, daar het hun gelukt was al de houtstapels in de vallei te ontsteken, zonder de aandacht der Indianen te wekken; zij haastten zich nu al wat zij loopen konden naar de verschansing terug. Het werd tijd, want op eens weergalmde achter hen een vreesselijke oorlogskreet en verscheen er aan den zoom van het bosch een talrijke troep Indiaansche ruiters, die in vollen galop en onder het zwaaijen hunner wapenen als woeste duivels op hen aanreden.Zij kwamen echter te laat om de Amerikanen in handen te krijgen, daar deze de gracht reeds over waren en zich achter hunne verschansing in veiligheid hadden gesteld.Een levendig geweervuur begroette de Indianen. Verscheidene van hen tuimelden van hunne paarden, terwijl de anderen den teugel wendden en inderijl terugtrokken.De strijd was thans werkelijk begonnen, ofschoon de kapitein er zich niet erg ongerust over maakte; door zijn gelukkigen inval was eene verrassing onmogelijk geworden, en kon men de gansche vlakte overzien zoo helder als bij dag.Er volgde een poos stilte, die de Amerikanen zich ten nutte maakten om hunne geweren te herladen.De kolonisten waren een oogenblik ongerust geweest, toen zij zoovele vuren, het een na het andere in de vallei zagen ontbranden; zij dachten aan een krijgslist der Indianen, maar werden weldra door den kapitein uit den droom geholpen, en nu wenschten zij zich geluk met dezen schranderen maatregel, die hen in staat stelde om bijna met ieder schot hun man te treffen.Intusschen hadden de Pawnees hun aanval niet opgegeven; naar alle waarschijnlijkheid waren zij slechts teruggetrokken om hun plan nader te overwegen.De kapitein stond met den schouder tegen de palissaden geleund en den blik onafgewend op de vlakte gerigt, toen hij op eens in een afgelegen maïsveld, dat omtrent twee geweerschoten van de kolonie verwijderd was, eene verdachte beweging opmerkte.[81]„Geeft acht!” riep hij uit, „de vijand komt.”Allen hielden zich gereed, met de hand aan den trekker.Op eens hoorde men een dof gedruisch, en de meest verwijderde houtstapel stortte krakend ineen onder het verspreiden van duizende vonken.„Duivels!” riep de kapitein, „daar ginder zijn de Indianen bezig; ’t is onmogelijk dat die houtstapel reeds uitgebrand zou zijn.”Op hetzelfde oogenblik stortte een tweede in, bijna onmiddellijk gevolgd door een derde; en toen door een vierde.Er viel aan de oorzaak dezer opeenvolgende instortingen niet langer te twijfelen; de Indianen, die hunne bewegingen door het schijnsel dezer monsterachtige vuurbaken verijdeld zagen, hadden het eenvoudige middel te baat genomen om ze uit te dooven, hetgeen zij gemakkelijk konden doen, daar deze buiten het bereik der buksen gelegen waren.Naauwelijks omvergeworpen, werd het hout naar alle zijden verstrooid en ging het van zelve uit.Deze behendige manoeuvre stelde de Indianen in de gelegenheid om de palissaden vrij digt te naderen, zonder gezien te worden.Intusschen waren al de houtstapels niet omvergehaald, want die er nog overbleven lagen te digt bij de kolonie en konden door het vuur der belegerden worden beschermd.De Pawnees deden echter eene poging om ook dezen uit te blusschen, maar werden met heftig geweervuur ontvangen; eene hagelbui van kogels stortte zich op de aanvallers, zoodat zij na eenige minuten stand gehouden te hebben, gedwongen werden te vlugten; want een andere naam kon op hun overhaasten aftogt niet worden toegepast.De Amerikanen juilden de vlugtelingen na met honend gelach en daverende spotkreten.„Ik geloof dat zij onze soep te heet vinden,” zei Bothrel snaaksch, „de goede lui beklagen zich dat zij er de vingers in hebben gestoken.”„Inderdaad,” dacht de kapitein, „zij zullen voor dezen keer niet veel lust hebben om terug te komen.”De kapitein bedroog zich; want eenige minuten daarna keerden de Indianen in vliegenden galop terug. Door niets te stuiten en zonder zelfs het geweldige geweervuur te beantwoorden, dat hen decimeerde, kwamen zij tot aan den rand der gracht.Naauwelijks hielden zij daar een oogenblik stil, of zij zwenkten onmiddellijk om, en renden even snel terug als zij gekomen waren,[82]maar niet zonder op hun pad een groot aantal dooden achter te laten, die door de kogels der Amerikanen waren neergeschoten.De Pawnees hadden echter hun oogmerk volkomen bereikt, en de blanken begrepen spoedig tot hun groote teleurstelling, dat zij zich al te ras met eene gemakkelijke overwinning gevleid hadden.Ieder ruiter namelijk had een krijgsman te voet achter zich op het paard gezet, die, zoodra zij tot aan de gracht waren genaderd, afstegen en terstond van de verwarring, de duisternis en den kruiddamp gebruik makende, zich zoo goed of kwaad mogelijk achter gevallen boomstammen en oneffenheden van den bodem in veiligheid stelden, om van daar den vijand te bestoken. Zoodra dus de rook was opgetrokken, werden de Amerikanen, die zich boven de verschansing vertoonden, om te zien wat hun musketvuur op den vijand had uitgewerkt, op hunne beurt door eene hagelbui van kogels en pijlen begroet, die vijftien der belegerden buiten gevecht stelden.Deze onverwachte aanval, van onzigtbare vijanden, bragt onder de Amerikanen eene geweldige verwarring en schrik te weeg.Vijftien man in een enkelen slag te verliezen, was een ontzettende ramp voor de kolonisten; de krijg begon nu een verontrustend aanzien te verkrijgen en dreigde in eene nederlaag te zullen eindigen, want nooit hadden de Indianen zooveel geestkracht en verbittering bij een aanval aan den dag gelegd; er viel niet langer te aarzelen, de vermetele vijanden moesten tot iederen prijs worden verdreven uit de hinderlaag waar zij zich zoo behendig genesteld hadden.De kapitein besloot er toe.Hij verzamelde een twintigtal onverschrokken mannen, en terwijl de overigen tot verdediging der schans achterbleven, liet hij de brug nederzakken en stormde met zijne keurbende naar buiten.Nu raakten de beide vijandenonmiddellijkhandgemeen; men streed met blank geweer en man tegen man.De kamp was vreeselijk; roodhuiden en blanken kronkelden als bloeddorstige slangen dooreen: dronken van woede en door haat verblind, zocht ieder zijn weerpartij te treffen; het koude staal glinsterde en kletterde, en de grond werd met dooden en stervenden bezaaid.…Op eens werd het bloedige tooneel door een groot licht overschenen, en verhief zich uit de kolonie een schrikkelijk noodgeschrei.De kapitein keek om, hij slaakte een wanhopigen kreet bij het akelig schouwspel dat zich aan zijne verbaasde oogen voordeed.[83]De toren en de voornaamste gebouwen stonden in brand; in het schijnsel der vlammen zag men de Indianen als duivels rondspringen en de kolonisten vervolgen, die hier en daar in groepen verdeeld, nog hopeloos weerstand poogden te bieden.Ziehier wat er gebeurd was.Terwijl het Zwarte-Hert, de Blaauwe-Vos en de andere opperhoofden, van voren de kolonie aanvielen, hadden Tranquille en Quoniam, met een vijftigtal uitgelezen krijgslieden, zich in eenige praauwen van bisonshuid ingescheept en in stilte den stroom af laten drijven om haar van achteren aan den rivierkant binnen te dringen, waar zij geheel onbewapend en open lag. Onopgemerkt en zonder zelfs het minste alarm te verwekken waren zij aan land gestapt, hetgeen hun des te gemakkelijker viel, daar de Amerikanen volstrekt geen gevaar of overrompeling vreesden van de zijde der Missouri.Om hier geen blaam van zorgeloosheid op den kapitein te werpen, moeten wij zeggen dat hij dit punt niet geheel zonder verdediging had gelaten, hij had er werkelijk een paar schildwachts geplaatst; ongelukkig echter, in de verwarring die op den laatsten aanval der Indianen was gevolgd, hadden de schildwachts, in den waan dat er van de rivierzijde niets te vreezen was, hun post verlaten, om zich naar het punt te begeven waar zij dachten dat het gevaar het meest dreigde, en hunne vrienden op de verschansing bij te staan.Deze onvergeeflijke misslag bragt de verdedigers ten verderve; Tranquille ontscheepte zijn troep zonder slag of stoot.De Pawnees eenmaal in de kolonie binnengedrongen, wierpen brandende fakkels op de houten gebouwen, hieven hun oorlogskreet aan en stormden naar de wallen; waar zij de Amerikanen in den rug vielen, en dus tusschen twee vuren bragten.Tranquille, Quoniam en eenige krijgslieden die bij hen waren gebleven, snelden naar den toren.Mistress Watt, ofschoon onverhoeds overvallen, hield zich echter gereed om den post die haar was toevertrouwd moedig te verdedigen.De Canadees naderde haar met opgeheven armen, ten teeken van vrede.„Geef u over, in ’s Hemels naam!” riep hij, „of gij zijt verloren: de kolonie is ons.”„Neen,” antwoordde zij koelbloedig, „ik geef mij niet over aan een lafaard, die zijne broeders verraadt om partij voor de heidenen te kiezen.”[84]„Gij beoordeelt mij onbillijk,” antwoordde de jager treurig, „ik kom u redden!”„Ik wil door u niet gered zijn!”„Ongelukkige vrouw, al is het niet om u zelve, doe het dan om uwe kinderen; gij ziet, de toren staat reeds in brand.”De jonge vrouw sloeg de oogen op, gaf een akeligen gil en liep ijlings naar het inwendige van het gebouw.De overige vrouwen, die op het woord van den jager vertrouwden, boden geen weerstand en gaven hare wapenen af.Tranquille stelde deze arme vrouwen onder de bescherming van Quoniam, aan wien hij eenige krijgslieden toevoegde, en verwijderde zich toen met allen spoed, om het bloedbad te doen eindigen, dat op de overige punten der kolonie nog voortduurde.Quoniam trad in den toren, waar hij Mistress Watt half wezenloos vond zitten, met hare twee kinderen, die zij met kracht in hare armen geklemd hield. De brave neger nam haar op en droeg haar naar buiten; daarna verzamelde hij al de andere vrouwen en kinderen en bragt hen naar den oever der Missouri, om hen buiten het bereik van het vuur te stellen en beter tegen de woede der overwinnaars te beveiligen, tot de strijd geëindigd zou zijn.Intusschen was het geen strijd meer, maar een ware slagting, des te gruwzamer door de onmenschelijke barbaarschheid der Indianen, die zich met onbeschrijfelijke bitterheid en door de wreedste martelingen op hunne vijanden zochten te wreken.De kapitein, Bothrel, Bob en een twintigtal Amerikanen, de eenigen die van al de kolonisten nog over waren, hadden zich in het centrum der esplanade vereenigd en weerden zich met de kracht der wanhoop tegen eene overmagt van Roodhuiden, vast besloten om zich tot den laatsten man te laten dooden, liever dan levend in de handen hunner vijanden te vallen.Na lang smeeken en met groot gevaar van zijn eigen leven, slaagde Tranquille echter om hun de wapens te doen nederleggen en zoo doende aan het bloedbad een einde te maken.Op eens verhief zich van de zijde der rivier een akelig angstgeschrei, doormengd met gillen, weenen en bidden.De jager, door een somber voorgevoel gedreven, ijlde terstond derwaarts. Het Zwarte-Hert en zijne krijgslieden volgden hem op den voet.Toen zij op de plaats kwamen waar Quoniam de vrouwen en kinderen verzameld had, vertoonde zich het akeligste schouwspel.Mistress Watt en drie andere vrouwen lagen bewegingloos op den[85]grond, zwemmende in haar bloed; Quoniam door twee wonden doorboord, de eene aan het hoofd en de andere in de borst lag nevens haar uitgestrekt.Het was onmogelijk om van de overige vrouwen eenige nadere opheldering van het gebeurde te bekomen; zij waren half krankzinnig van schrik.De kinderen van den kapitein waren spoorloos verdwenen.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

X.HET GEVECHT.

Inmiddels had de kapitein Watt, zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, al de leden der kolonie op het plein voor den toren verzameld.Het aantal zijner strijders bedroeg in alles twee en zestig, de vrouwen er bij gerekend.De Europesche dames zullen het misschien vreemd vinden dat wij ook de vrouwen onder het getal der strijders opnemen; werkelijk schijnt in de oude wereld de tijd der Marphises, Jeanne d’Arcs en Bradamantas gelukkig voor altijd voorbij te zijn, en is mitsdien het schoone geslacht, dank zij de beschaving, niet meer verpligt om in krijgsdapperheid met de mannen te wedijveren.[78]In Noord-Amerika, althans in het tijdvak van ons verhaal, en zelfs nog heden ten dage in deprairiënen op de koloniën, is dit anders; zoo vaak daar de oorlogskreet der Indianen onverhoeds den eenzamen planters in de ooren dringt, zijn de vrouwen verpligt den arbeid harer sekse te verlaten, om met teedere hand het wapen te grijpen en zich onverschrokken tot verdediging van het gemeenschappelijk welzijn te weer te stellen.Wij zouden, des gevorderd, een groot aantal dezer heldinnen met zachtzinnige oogen en engelachtige blikken kunnen aanvoeren, die door de gelegenheid geroepen, dapperlijk hun pligt deden en als echte duivelinnen tegen de Indianen gestreden hebben.Mistress Watt was geen heldin, verre van daar, maar zij was de vrouw en de dochter van een soldaat, zij was geboren en opgevoed aan de Indiaansche grenzen, meer dan eens had zij kruid geroken en bloed zien stroomen; wat meer zegt, zij was moeder. Zij werd geroepen om hare kinderen te verdedigen; kon zij minder doen dan eene wolvin voor hare welpen? Al hare teedere schroomvalligheid was geweken, om plaats te maken voor koelzinnige en krachtige besluiten.Door haar voorbeeld vuurde zij de andere vrouwen der kolonie aan, en allen hadden zich weldra gewapend, vast besloten om naast hare echtgenooten en vaders te strijden.Wij herhalen dus, dat de kapitein overtweeënzestiggewapenden zoo vrouwen als mannen beschikken kon.In ’t eerst poogde hij zijne vrouw iedere deelneming aan den strijd af te raden; maar het zachtzinnige schepsel, dat hij tot hiertoe altijd zoo bedeesd en gehoorzaam gekend had, weigerde ronduit haar voornemen op te geven, en de kapitein was genoodzaakt om haar stil te laten begaan.Hij nam thans de noodige maatregelen tot tegenweer.Vijfentwintig kloeke mannen werden op de wallen verdeeld, onder bevel van Bothrel. De kapitein zelf behield onder zijn eigen kommando een tweeden troep van vierentwintig jagers, om op alle punten dienst te doen waar de nood het vorderen zou. De vrouwen, onder aanvoering van Mistress Watt, waren bestemd om den toren te verdedigen, waar men de kinderen en de zieken in opsloot, en zoo wachtte men de komst der Indianen af.Het was omtrent een ure in den morgen toen de Canadeesche jager en het Zwarte-Hert de kolonie verlieten, en tegen half drie was alles voor de verdediging gereed.De kapitein deed voor het laatst de ronde op de verschansingen,[79]ten einde zich te overtuigen dat alles in orde was; daarna werden al de vuren gedoofd, en nu trok hij heimelijk uit de kolonie, door eene verborgene deur in den buitenwal, daar hij en Bothrel alleen kennis van droegen.Een plank werd over de gracht gelegd en de kapitein ging er over, gevolgd door Bothrel en een Kentuckiër met name Bob, een moedige breedgeschouderde knaap, dien wij reeds eenmaal gelegenheid hadden op te merken.De plank werd zorgvuldig geborgen, om bij hunne terugkomst weder te dienen, en de drie mannen slopen in de duisternis voort als drie nachtspoken.Toen zij tot op omtrent honderd passen van de kolonie gevorderd waren bleef de kapitein staan.„Mijneheeren,” zeide hij hun, zoo zacht dat zij verpligt waren hem te naderen om het te verstaan, „ik heb u uitgekozen, omdat wij een gevaarlijk waagstuk beginnen, en ik daarbij de hulp van een paar wakkere mannen noodig had.”„Waar is het om te doen?” vroeg Bothrel.„De nacht is zoo donker dat die vervloekte Roodhuiden, als zij wilden; tot aan den rand der gracht zouden kunnen komen zonder dat wij er iets van merkten; ik heb dus besloten om al het hakhout in brand te steken dat wij hier en daar op hoopen hebben gestapeld. Men moet als de nood het vereischt opofferingen weten te doen, door deze vuren, die lang genoeg branden zullen, zal er zooveel licht in de vallei worden verspreid, dat wij onze vijanden op verren afstand kunnen zien aankomen en dus met te meer zekerheid op hen schieten.”„Een uitmuntend idee!” riep Bothrel.„Ja,” hernam de kapitein, „maar ontveinzen wij ons niet, dat het tevens zeer gevaarlijk is; de Indiaansche landloopers zijn reeds in de vlakte verspreid, ja misschien reeds digt in onze nabijheid, en zoodra wij, nadat wij twee of drie hoopen in brand hebben gestoken, hen zien, kunnen wij zeker zijn dat zij ons evenzeer zien. Gebruiken wij derhalve de noodige voorzorgen; elk van ons moet een gedeelte van de taak op zich nemen, en door de snelheid onzer bewegingen zullen wij de listen dezer duivels zoeken te verschalken; onthoudt dus dat wij ieder afzonderlijk handelen en elk vier of vijf vuren moeten ontsteken, zonder op elkanders hulp te rekenen. Aan ’t werk!”De vuurmiddelen en ontvlambare stoffen werden nu tusschen de drie mannen verdeeld en zij gingen van elkander.[80]Vijf minuten later zag men een houtstapel ontvlammen, toen een tweede, en een derde, en na verloop van een kwartier waren er tien vuren in brand.In ’t eerst zwak, schenen zij eenige minuten te weifelen, maar van lieverlede werd de vlam grooter, nam toe in kracht, en weldra was de gansche vlakte door den rooden gloed dezer ontzaggelijke brandfakkels verlicht.De kapitein en zijne kameraden waren in hunne onderneming boven verwachting voorspoedig geweest, daar het hun gelukt was al de houtstapels in de vallei te ontsteken, zonder de aandacht der Indianen te wekken; zij haastten zich nu al wat zij loopen konden naar de verschansing terug. Het werd tijd, want op eens weergalmde achter hen een vreesselijke oorlogskreet en verscheen er aan den zoom van het bosch een talrijke troep Indiaansche ruiters, die in vollen galop en onder het zwaaijen hunner wapenen als woeste duivels op hen aanreden.Zij kwamen echter te laat om de Amerikanen in handen te krijgen, daar deze de gracht reeds over waren en zich achter hunne verschansing in veiligheid hadden gesteld.Een levendig geweervuur begroette de Indianen. Verscheidene van hen tuimelden van hunne paarden, terwijl de anderen den teugel wendden en inderijl terugtrokken.De strijd was thans werkelijk begonnen, ofschoon de kapitein er zich niet erg ongerust over maakte; door zijn gelukkigen inval was eene verrassing onmogelijk geworden, en kon men de gansche vlakte overzien zoo helder als bij dag.Er volgde een poos stilte, die de Amerikanen zich ten nutte maakten om hunne geweren te herladen.De kolonisten waren een oogenblik ongerust geweest, toen zij zoovele vuren, het een na het andere in de vallei zagen ontbranden; zij dachten aan een krijgslist der Indianen, maar werden weldra door den kapitein uit den droom geholpen, en nu wenschten zij zich geluk met dezen schranderen maatregel, die hen in staat stelde om bijna met ieder schot hun man te treffen.Intusschen hadden de Pawnees hun aanval niet opgegeven; naar alle waarschijnlijkheid waren zij slechts teruggetrokken om hun plan nader te overwegen.De kapitein stond met den schouder tegen de palissaden geleund en den blik onafgewend op de vlakte gerigt, toen hij op eens in een afgelegen maïsveld, dat omtrent twee geweerschoten van de kolonie verwijderd was, eene verdachte beweging opmerkte.[81]„Geeft acht!” riep hij uit, „de vijand komt.”Allen hielden zich gereed, met de hand aan den trekker.Op eens hoorde men een dof gedruisch, en de meest verwijderde houtstapel stortte krakend ineen onder het verspreiden van duizende vonken.„Duivels!” riep de kapitein, „daar ginder zijn de Indianen bezig; ’t is onmogelijk dat die houtstapel reeds uitgebrand zou zijn.”Op hetzelfde oogenblik stortte een tweede in, bijna onmiddellijk gevolgd door een derde; en toen door een vierde.Er viel aan de oorzaak dezer opeenvolgende instortingen niet langer te twijfelen; de Indianen, die hunne bewegingen door het schijnsel dezer monsterachtige vuurbaken verijdeld zagen, hadden het eenvoudige middel te baat genomen om ze uit te dooven, hetgeen zij gemakkelijk konden doen, daar deze buiten het bereik der buksen gelegen waren.Naauwelijks omvergeworpen, werd het hout naar alle zijden verstrooid en ging het van zelve uit.Deze behendige manoeuvre stelde de Indianen in de gelegenheid om de palissaden vrij digt te naderen, zonder gezien te worden.Intusschen waren al de houtstapels niet omvergehaald, want die er nog overbleven lagen te digt bij de kolonie en konden door het vuur der belegerden worden beschermd.De Pawnees deden echter eene poging om ook dezen uit te blusschen, maar werden met heftig geweervuur ontvangen; eene hagelbui van kogels stortte zich op de aanvallers, zoodat zij na eenige minuten stand gehouden te hebben, gedwongen werden te vlugten; want een andere naam kon op hun overhaasten aftogt niet worden toegepast.De Amerikanen juilden de vlugtelingen na met honend gelach en daverende spotkreten.„Ik geloof dat zij onze soep te heet vinden,” zei Bothrel snaaksch, „de goede lui beklagen zich dat zij er de vingers in hebben gestoken.”„Inderdaad,” dacht de kapitein, „zij zullen voor dezen keer niet veel lust hebben om terug te komen.”De kapitein bedroog zich; want eenige minuten daarna keerden de Indianen in vliegenden galop terug. Door niets te stuiten en zonder zelfs het geweldige geweervuur te beantwoorden, dat hen decimeerde, kwamen zij tot aan den rand der gracht.Naauwelijks hielden zij daar een oogenblik stil, of zij zwenkten onmiddellijk om, en renden even snel terug als zij gekomen waren,[82]maar niet zonder op hun pad een groot aantal dooden achter te laten, die door de kogels der Amerikanen waren neergeschoten.De Pawnees hadden echter hun oogmerk volkomen bereikt, en de blanken begrepen spoedig tot hun groote teleurstelling, dat zij zich al te ras met eene gemakkelijke overwinning gevleid hadden.Ieder ruiter namelijk had een krijgsman te voet achter zich op het paard gezet, die, zoodra zij tot aan de gracht waren genaderd, afstegen en terstond van de verwarring, de duisternis en den kruiddamp gebruik makende, zich zoo goed of kwaad mogelijk achter gevallen boomstammen en oneffenheden van den bodem in veiligheid stelden, om van daar den vijand te bestoken. Zoodra dus de rook was opgetrokken, werden de Amerikanen, die zich boven de verschansing vertoonden, om te zien wat hun musketvuur op den vijand had uitgewerkt, op hunne beurt door eene hagelbui van kogels en pijlen begroet, die vijftien der belegerden buiten gevecht stelden.Deze onverwachte aanval, van onzigtbare vijanden, bragt onder de Amerikanen eene geweldige verwarring en schrik te weeg.Vijftien man in een enkelen slag te verliezen, was een ontzettende ramp voor de kolonisten; de krijg begon nu een verontrustend aanzien te verkrijgen en dreigde in eene nederlaag te zullen eindigen, want nooit hadden de Indianen zooveel geestkracht en verbittering bij een aanval aan den dag gelegd; er viel niet langer te aarzelen, de vermetele vijanden moesten tot iederen prijs worden verdreven uit de hinderlaag waar zij zich zoo behendig genesteld hadden.De kapitein besloot er toe.Hij verzamelde een twintigtal onverschrokken mannen, en terwijl de overigen tot verdediging der schans achterbleven, liet hij de brug nederzakken en stormde met zijne keurbende naar buiten.Nu raakten de beide vijandenonmiddellijkhandgemeen; men streed met blank geweer en man tegen man.De kamp was vreeselijk; roodhuiden en blanken kronkelden als bloeddorstige slangen dooreen: dronken van woede en door haat verblind, zocht ieder zijn weerpartij te treffen; het koude staal glinsterde en kletterde, en de grond werd met dooden en stervenden bezaaid.…Op eens werd het bloedige tooneel door een groot licht overschenen, en verhief zich uit de kolonie een schrikkelijk noodgeschrei.De kapitein keek om, hij slaakte een wanhopigen kreet bij het akelig schouwspel dat zich aan zijne verbaasde oogen voordeed.[83]De toren en de voornaamste gebouwen stonden in brand; in het schijnsel der vlammen zag men de Indianen als duivels rondspringen en de kolonisten vervolgen, die hier en daar in groepen verdeeld, nog hopeloos weerstand poogden te bieden.Ziehier wat er gebeurd was.Terwijl het Zwarte-Hert, de Blaauwe-Vos en de andere opperhoofden, van voren de kolonie aanvielen, hadden Tranquille en Quoniam, met een vijftigtal uitgelezen krijgslieden, zich in eenige praauwen van bisonshuid ingescheept en in stilte den stroom af laten drijven om haar van achteren aan den rivierkant binnen te dringen, waar zij geheel onbewapend en open lag. Onopgemerkt en zonder zelfs het minste alarm te verwekken waren zij aan land gestapt, hetgeen hun des te gemakkelijker viel, daar de Amerikanen volstrekt geen gevaar of overrompeling vreesden van de zijde der Missouri.Om hier geen blaam van zorgeloosheid op den kapitein te werpen, moeten wij zeggen dat hij dit punt niet geheel zonder verdediging had gelaten, hij had er werkelijk een paar schildwachts geplaatst; ongelukkig echter, in de verwarring die op den laatsten aanval der Indianen was gevolgd, hadden de schildwachts, in den waan dat er van de rivierzijde niets te vreezen was, hun post verlaten, om zich naar het punt te begeven waar zij dachten dat het gevaar het meest dreigde, en hunne vrienden op de verschansing bij te staan.Deze onvergeeflijke misslag bragt de verdedigers ten verderve; Tranquille ontscheepte zijn troep zonder slag of stoot.De Pawnees eenmaal in de kolonie binnengedrongen, wierpen brandende fakkels op de houten gebouwen, hieven hun oorlogskreet aan en stormden naar de wallen; waar zij de Amerikanen in den rug vielen, en dus tusschen twee vuren bragten.Tranquille, Quoniam en eenige krijgslieden die bij hen waren gebleven, snelden naar den toren.Mistress Watt, ofschoon onverhoeds overvallen, hield zich echter gereed om den post die haar was toevertrouwd moedig te verdedigen.De Canadees naderde haar met opgeheven armen, ten teeken van vrede.„Geef u over, in ’s Hemels naam!” riep hij, „of gij zijt verloren: de kolonie is ons.”„Neen,” antwoordde zij koelbloedig, „ik geef mij niet over aan een lafaard, die zijne broeders verraadt om partij voor de heidenen te kiezen.”[84]„Gij beoordeelt mij onbillijk,” antwoordde de jager treurig, „ik kom u redden!”„Ik wil door u niet gered zijn!”„Ongelukkige vrouw, al is het niet om u zelve, doe het dan om uwe kinderen; gij ziet, de toren staat reeds in brand.”De jonge vrouw sloeg de oogen op, gaf een akeligen gil en liep ijlings naar het inwendige van het gebouw.De overige vrouwen, die op het woord van den jager vertrouwden, boden geen weerstand en gaven hare wapenen af.Tranquille stelde deze arme vrouwen onder de bescherming van Quoniam, aan wien hij eenige krijgslieden toevoegde, en verwijderde zich toen met allen spoed, om het bloedbad te doen eindigen, dat op de overige punten der kolonie nog voortduurde.Quoniam trad in den toren, waar hij Mistress Watt half wezenloos vond zitten, met hare twee kinderen, die zij met kracht in hare armen geklemd hield. De brave neger nam haar op en droeg haar naar buiten; daarna verzamelde hij al de andere vrouwen en kinderen en bragt hen naar den oever der Missouri, om hen buiten het bereik van het vuur te stellen en beter tegen de woede der overwinnaars te beveiligen, tot de strijd geëindigd zou zijn.Intusschen was het geen strijd meer, maar een ware slagting, des te gruwzamer door de onmenschelijke barbaarschheid der Indianen, die zich met onbeschrijfelijke bitterheid en door de wreedste martelingen op hunne vijanden zochten te wreken.De kapitein, Bothrel, Bob en een twintigtal Amerikanen, de eenigen die van al de kolonisten nog over waren, hadden zich in het centrum der esplanade vereenigd en weerden zich met de kracht der wanhoop tegen eene overmagt van Roodhuiden, vast besloten om zich tot den laatsten man te laten dooden, liever dan levend in de handen hunner vijanden te vallen.Na lang smeeken en met groot gevaar van zijn eigen leven, slaagde Tranquille echter om hun de wapens te doen nederleggen en zoo doende aan het bloedbad een einde te maken.Op eens verhief zich van de zijde der rivier een akelig angstgeschrei, doormengd met gillen, weenen en bidden.De jager, door een somber voorgevoel gedreven, ijlde terstond derwaarts. Het Zwarte-Hert en zijne krijgslieden volgden hem op den voet.Toen zij op de plaats kwamen waar Quoniam de vrouwen en kinderen verzameld had, vertoonde zich het akeligste schouwspel.Mistress Watt en drie andere vrouwen lagen bewegingloos op den[85]grond, zwemmende in haar bloed; Quoniam door twee wonden doorboord, de eene aan het hoofd en de andere in de borst lag nevens haar uitgestrekt.Het was onmogelijk om van de overige vrouwen eenige nadere opheldering van het gebeurde te bekomen; zij waren half krankzinnig van schrik.De kinderen van den kapitein waren spoorloos verdwenen.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Inmiddels had de kapitein Watt, zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, al de leden der kolonie op het plein voor den toren verzameld.

Het aantal zijner strijders bedroeg in alles twee en zestig, de vrouwen er bij gerekend.

De Europesche dames zullen het misschien vreemd vinden dat wij ook de vrouwen onder het getal der strijders opnemen; werkelijk schijnt in de oude wereld de tijd der Marphises, Jeanne d’Arcs en Bradamantas gelukkig voor altijd voorbij te zijn, en is mitsdien het schoone geslacht, dank zij de beschaving, niet meer verpligt om in krijgsdapperheid met de mannen te wedijveren.[78]

In Noord-Amerika, althans in het tijdvak van ons verhaal, en zelfs nog heden ten dage in deprairiënen op de koloniën, is dit anders; zoo vaak daar de oorlogskreet der Indianen onverhoeds den eenzamen planters in de ooren dringt, zijn de vrouwen verpligt den arbeid harer sekse te verlaten, om met teedere hand het wapen te grijpen en zich onverschrokken tot verdediging van het gemeenschappelijk welzijn te weer te stellen.

Wij zouden, des gevorderd, een groot aantal dezer heldinnen met zachtzinnige oogen en engelachtige blikken kunnen aanvoeren, die door de gelegenheid geroepen, dapperlijk hun pligt deden en als echte duivelinnen tegen de Indianen gestreden hebben.

Mistress Watt was geen heldin, verre van daar, maar zij was de vrouw en de dochter van een soldaat, zij was geboren en opgevoed aan de Indiaansche grenzen, meer dan eens had zij kruid geroken en bloed zien stroomen; wat meer zegt, zij was moeder. Zij werd geroepen om hare kinderen te verdedigen; kon zij minder doen dan eene wolvin voor hare welpen? Al hare teedere schroomvalligheid was geweken, om plaats te maken voor koelzinnige en krachtige besluiten.

Door haar voorbeeld vuurde zij de andere vrouwen der kolonie aan, en allen hadden zich weldra gewapend, vast besloten om naast hare echtgenooten en vaders te strijden.

Wij herhalen dus, dat de kapitein overtweeënzestiggewapenden zoo vrouwen als mannen beschikken kon.

In ’t eerst poogde hij zijne vrouw iedere deelneming aan den strijd af te raden; maar het zachtzinnige schepsel, dat hij tot hiertoe altijd zoo bedeesd en gehoorzaam gekend had, weigerde ronduit haar voornemen op te geven, en de kapitein was genoodzaakt om haar stil te laten begaan.

Hij nam thans de noodige maatregelen tot tegenweer.

Vijfentwintig kloeke mannen werden op de wallen verdeeld, onder bevel van Bothrel. De kapitein zelf behield onder zijn eigen kommando een tweeden troep van vierentwintig jagers, om op alle punten dienst te doen waar de nood het vorderen zou. De vrouwen, onder aanvoering van Mistress Watt, waren bestemd om den toren te verdedigen, waar men de kinderen en de zieken in opsloot, en zoo wachtte men de komst der Indianen af.

Het was omtrent een ure in den morgen toen de Canadeesche jager en het Zwarte-Hert de kolonie verlieten, en tegen half drie was alles voor de verdediging gereed.

De kapitein deed voor het laatst de ronde op de verschansingen,[79]ten einde zich te overtuigen dat alles in orde was; daarna werden al de vuren gedoofd, en nu trok hij heimelijk uit de kolonie, door eene verborgene deur in den buitenwal, daar hij en Bothrel alleen kennis van droegen.

Een plank werd over de gracht gelegd en de kapitein ging er over, gevolgd door Bothrel en een Kentuckiër met name Bob, een moedige breedgeschouderde knaap, dien wij reeds eenmaal gelegenheid hadden op te merken.

De plank werd zorgvuldig geborgen, om bij hunne terugkomst weder te dienen, en de drie mannen slopen in de duisternis voort als drie nachtspoken.

Toen zij tot op omtrent honderd passen van de kolonie gevorderd waren bleef de kapitein staan.

„Mijneheeren,” zeide hij hun, zoo zacht dat zij verpligt waren hem te naderen om het te verstaan, „ik heb u uitgekozen, omdat wij een gevaarlijk waagstuk beginnen, en ik daarbij de hulp van een paar wakkere mannen noodig had.”

„Waar is het om te doen?” vroeg Bothrel.

„De nacht is zoo donker dat die vervloekte Roodhuiden, als zij wilden; tot aan den rand der gracht zouden kunnen komen zonder dat wij er iets van merkten; ik heb dus besloten om al het hakhout in brand te steken dat wij hier en daar op hoopen hebben gestapeld. Men moet als de nood het vereischt opofferingen weten te doen, door deze vuren, die lang genoeg branden zullen, zal er zooveel licht in de vallei worden verspreid, dat wij onze vijanden op verren afstand kunnen zien aankomen en dus met te meer zekerheid op hen schieten.”

„Een uitmuntend idee!” riep Bothrel.

„Ja,” hernam de kapitein, „maar ontveinzen wij ons niet, dat het tevens zeer gevaarlijk is; de Indiaansche landloopers zijn reeds in de vlakte verspreid, ja misschien reeds digt in onze nabijheid, en zoodra wij, nadat wij twee of drie hoopen in brand hebben gestoken, hen zien, kunnen wij zeker zijn dat zij ons evenzeer zien. Gebruiken wij derhalve de noodige voorzorgen; elk van ons moet een gedeelte van de taak op zich nemen, en door de snelheid onzer bewegingen zullen wij de listen dezer duivels zoeken te verschalken; onthoudt dus dat wij ieder afzonderlijk handelen en elk vier of vijf vuren moeten ontsteken, zonder op elkanders hulp te rekenen. Aan ’t werk!”

De vuurmiddelen en ontvlambare stoffen werden nu tusschen de drie mannen verdeeld en zij gingen van elkander.[80]

Vijf minuten later zag men een houtstapel ontvlammen, toen een tweede, en een derde, en na verloop van een kwartier waren er tien vuren in brand.

In ’t eerst zwak, schenen zij eenige minuten te weifelen, maar van lieverlede werd de vlam grooter, nam toe in kracht, en weldra was de gansche vlakte door den rooden gloed dezer ontzaggelijke brandfakkels verlicht.

De kapitein en zijne kameraden waren in hunne onderneming boven verwachting voorspoedig geweest, daar het hun gelukt was al de houtstapels in de vallei te ontsteken, zonder de aandacht der Indianen te wekken; zij haastten zich nu al wat zij loopen konden naar de verschansing terug. Het werd tijd, want op eens weergalmde achter hen een vreesselijke oorlogskreet en verscheen er aan den zoom van het bosch een talrijke troep Indiaansche ruiters, die in vollen galop en onder het zwaaijen hunner wapenen als woeste duivels op hen aanreden.

Zij kwamen echter te laat om de Amerikanen in handen te krijgen, daar deze de gracht reeds over waren en zich achter hunne verschansing in veiligheid hadden gesteld.

Een levendig geweervuur begroette de Indianen. Verscheidene van hen tuimelden van hunne paarden, terwijl de anderen den teugel wendden en inderijl terugtrokken.

De strijd was thans werkelijk begonnen, ofschoon de kapitein er zich niet erg ongerust over maakte; door zijn gelukkigen inval was eene verrassing onmogelijk geworden, en kon men de gansche vlakte overzien zoo helder als bij dag.

Er volgde een poos stilte, die de Amerikanen zich ten nutte maakten om hunne geweren te herladen.

De kolonisten waren een oogenblik ongerust geweest, toen zij zoovele vuren, het een na het andere in de vallei zagen ontbranden; zij dachten aan een krijgslist der Indianen, maar werden weldra door den kapitein uit den droom geholpen, en nu wenschten zij zich geluk met dezen schranderen maatregel, die hen in staat stelde om bijna met ieder schot hun man te treffen.

Intusschen hadden de Pawnees hun aanval niet opgegeven; naar alle waarschijnlijkheid waren zij slechts teruggetrokken om hun plan nader te overwegen.

De kapitein stond met den schouder tegen de palissaden geleund en den blik onafgewend op de vlakte gerigt, toen hij op eens in een afgelegen maïsveld, dat omtrent twee geweerschoten van de kolonie verwijderd was, eene verdachte beweging opmerkte.[81]

„Geeft acht!” riep hij uit, „de vijand komt.”

Allen hielden zich gereed, met de hand aan den trekker.

Op eens hoorde men een dof gedruisch, en de meest verwijderde houtstapel stortte krakend ineen onder het verspreiden van duizende vonken.

„Duivels!” riep de kapitein, „daar ginder zijn de Indianen bezig; ’t is onmogelijk dat die houtstapel reeds uitgebrand zou zijn.”

Op hetzelfde oogenblik stortte een tweede in, bijna onmiddellijk gevolgd door een derde; en toen door een vierde.

Er viel aan de oorzaak dezer opeenvolgende instortingen niet langer te twijfelen; de Indianen, die hunne bewegingen door het schijnsel dezer monsterachtige vuurbaken verijdeld zagen, hadden het eenvoudige middel te baat genomen om ze uit te dooven, hetgeen zij gemakkelijk konden doen, daar deze buiten het bereik der buksen gelegen waren.

Naauwelijks omvergeworpen, werd het hout naar alle zijden verstrooid en ging het van zelve uit.

Deze behendige manoeuvre stelde de Indianen in de gelegenheid om de palissaden vrij digt te naderen, zonder gezien te worden.

Intusschen waren al de houtstapels niet omvergehaald, want die er nog overbleven lagen te digt bij de kolonie en konden door het vuur der belegerden worden beschermd.

De Pawnees deden echter eene poging om ook dezen uit te blusschen, maar werden met heftig geweervuur ontvangen; eene hagelbui van kogels stortte zich op de aanvallers, zoodat zij na eenige minuten stand gehouden te hebben, gedwongen werden te vlugten; want een andere naam kon op hun overhaasten aftogt niet worden toegepast.

De Amerikanen juilden de vlugtelingen na met honend gelach en daverende spotkreten.

„Ik geloof dat zij onze soep te heet vinden,” zei Bothrel snaaksch, „de goede lui beklagen zich dat zij er de vingers in hebben gestoken.”

„Inderdaad,” dacht de kapitein, „zij zullen voor dezen keer niet veel lust hebben om terug te komen.”

De kapitein bedroog zich; want eenige minuten daarna keerden de Indianen in vliegenden galop terug. Door niets te stuiten en zonder zelfs het geweldige geweervuur te beantwoorden, dat hen decimeerde, kwamen zij tot aan den rand der gracht.

Naauwelijks hielden zij daar een oogenblik stil, of zij zwenkten onmiddellijk om, en renden even snel terug als zij gekomen waren,[82]maar niet zonder op hun pad een groot aantal dooden achter te laten, die door de kogels der Amerikanen waren neergeschoten.

De Pawnees hadden echter hun oogmerk volkomen bereikt, en de blanken begrepen spoedig tot hun groote teleurstelling, dat zij zich al te ras met eene gemakkelijke overwinning gevleid hadden.

Ieder ruiter namelijk had een krijgsman te voet achter zich op het paard gezet, die, zoodra zij tot aan de gracht waren genaderd, afstegen en terstond van de verwarring, de duisternis en den kruiddamp gebruik makende, zich zoo goed of kwaad mogelijk achter gevallen boomstammen en oneffenheden van den bodem in veiligheid stelden, om van daar den vijand te bestoken. Zoodra dus de rook was opgetrokken, werden de Amerikanen, die zich boven de verschansing vertoonden, om te zien wat hun musketvuur op den vijand had uitgewerkt, op hunne beurt door eene hagelbui van kogels en pijlen begroet, die vijftien der belegerden buiten gevecht stelden.

Deze onverwachte aanval, van onzigtbare vijanden, bragt onder de Amerikanen eene geweldige verwarring en schrik te weeg.

Vijftien man in een enkelen slag te verliezen, was een ontzettende ramp voor de kolonisten; de krijg begon nu een verontrustend aanzien te verkrijgen en dreigde in eene nederlaag te zullen eindigen, want nooit hadden de Indianen zooveel geestkracht en verbittering bij een aanval aan den dag gelegd; er viel niet langer te aarzelen, de vermetele vijanden moesten tot iederen prijs worden verdreven uit de hinderlaag waar zij zich zoo behendig genesteld hadden.

De kapitein besloot er toe.

Hij verzamelde een twintigtal onverschrokken mannen, en terwijl de overigen tot verdediging der schans achterbleven, liet hij de brug nederzakken en stormde met zijne keurbende naar buiten.

Nu raakten de beide vijandenonmiddellijkhandgemeen; men streed met blank geweer en man tegen man.

De kamp was vreeselijk; roodhuiden en blanken kronkelden als bloeddorstige slangen dooreen: dronken van woede en door haat verblind, zocht ieder zijn weerpartij te treffen; het koude staal glinsterde en kletterde, en de grond werd met dooden en stervenden bezaaid.…

Op eens werd het bloedige tooneel door een groot licht overschenen, en verhief zich uit de kolonie een schrikkelijk noodgeschrei.

De kapitein keek om, hij slaakte een wanhopigen kreet bij het akelig schouwspel dat zich aan zijne verbaasde oogen voordeed.[83]

De toren en de voornaamste gebouwen stonden in brand; in het schijnsel der vlammen zag men de Indianen als duivels rondspringen en de kolonisten vervolgen, die hier en daar in groepen verdeeld, nog hopeloos weerstand poogden te bieden.

Ziehier wat er gebeurd was.

Terwijl het Zwarte-Hert, de Blaauwe-Vos en de andere opperhoofden, van voren de kolonie aanvielen, hadden Tranquille en Quoniam, met een vijftigtal uitgelezen krijgslieden, zich in eenige praauwen van bisonshuid ingescheept en in stilte den stroom af laten drijven om haar van achteren aan den rivierkant binnen te dringen, waar zij geheel onbewapend en open lag. Onopgemerkt en zonder zelfs het minste alarm te verwekken waren zij aan land gestapt, hetgeen hun des te gemakkelijker viel, daar de Amerikanen volstrekt geen gevaar of overrompeling vreesden van de zijde der Missouri.

Om hier geen blaam van zorgeloosheid op den kapitein te werpen, moeten wij zeggen dat hij dit punt niet geheel zonder verdediging had gelaten, hij had er werkelijk een paar schildwachts geplaatst; ongelukkig echter, in de verwarring die op den laatsten aanval der Indianen was gevolgd, hadden de schildwachts, in den waan dat er van de rivierzijde niets te vreezen was, hun post verlaten, om zich naar het punt te begeven waar zij dachten dat het gevaar het meest dreigde, en hunne vrienden op de verschansing bij te staan.

Deze onvergeeflijke misslag bragt de verdedigers ten verderve; Tranquille ontscheepte zijn troep zonder slag of stoot.

De Pawnees eenmaal in de kolonie binnengedrongen, wierpen brandende fakkels op de houten gebouwen, hieven hun oorlogskreet aan en stormden naar de wallen; waar zij de Amerikanen in den rug vielen, en dus tusschen twee vuren bragten.

Tranquille, Quoniam en eenige krijgslieden die bij hen waren gebleven, snelden naar den toren.

Mistress Watt, ofschoon onverhoeds overvallen, hield zich echter gereed om den post die haar was toevertrouwd moedig te verdedigen.

De Canadees naderde haar met opgeheven armen, ten teeken van vrede.

„Geef u over, in ’s Hemels naam!” riep hij, „of gij zijt verloren: de kolonie is ons.”

„Neen,” antwoordde zij koelbloedig, „ik geef mij niet over aan een lafaard, die zijne broeders verraadt om partij voor de heidenen te kiezen.”[84]

„Gij beoordeelt mij onbillijk,” antwoordde de jager treurig, „ik kom u redden!”

„Ik wil door u niet gered zijn!”

„Ongelukkige vrouw, al is het niet om u zelve, doe het dan om uwe kinderen; gij ziet, de toren staat reeds in brand.”

De jonge vrouw sloeg de oogen op, gaf een akeligen gil en liep ijlings naar het inwendige van het gebouw.

De overige vrouwen, die op het woord van den jager vertrouwden, boden geen weerstand en gaven hare wapenen af.

Tranquille stelde deze arme vrouwen onder de bescherming van Quoniam, aan wien hij eenige krijgslieden toevoegde, en verwijderde zich toen met allen spoed, om het bloedbad te doen eindigen, dat op de overige punten der kolonie nog voortduurde.

Quoniam trad in den toren, waar hij Mistress Watt half wezenloos vond zitten, met hare twee kinderen, die zij met kracht in hare armen geklemd hield. De brave neger nam haar op en droeg haar naar buiten; daarna verzamelde hij al de andere vrouwen en kinderen en bragt hen naar den oever der Missouri, om hen buiten het bereik van het vuur te stellen en beter tegen de woede der overwinnaars te beveiligen, tot de strijd geëindigd zou zijn.

Intusschen was het geen strijd meer, maar een ware slagting, des te gruwzamer door de onmenschelijke barbaarschheid der Indianen, die zich met onbeschrijfelijke bitterheid en door de wreedste martelingen op hunne vijanden zochten te wreken.

De kapitein, Bothrel, Bob en een twintigtal Amerikanen, de eenigen die van al de kolonisten nog over waren, hadden zich in het centrum der esplanade vereenigd en weerden zich met de kracht der wanhoop tegen eene overmagt van Roodhuiden, vast besloten om zich tot den laatsten man te laten dooden, liever dan levend in de handen hunner vijanden te vallen.

Na lang smeeken en met groot gevaar van zijn eigen leven, slaagde Tranquille echter om hun de wapens te doen nederleggen en zoo doende aan het bloedbad een einde te maken.

Op eens verhief zich van de zijde der rivier een akelig angstgeschrei, doormengd met gillen, weenen en bidden.

De jager, door een somber voorgevoel gedreven, ijlde terstond derwaarts. Het Zwarte-Hert en zijne krijgslieden volgden hem op den voet.

Toen zij op de plaats kwamen waar Quoniam de vrouwen en kinderen verzameld had, vertoonde zich het akeligste schouwspel.

Mistress Watt en drie andere vrouwen lagen bewegingloos op den[85]grond, zwemmende in haar bloed; Quoniam door twee wonden doorboord, de eene aan het hoofd en de andere in de borst lag nevens haar uitgestrekt.

Het was onmogelijk om van de overige vrouwen eenige nadere opheldering van het gebeurde te bekomen; zij waren half krankzinnig van schrik.

De kinderen van den kapitein waren spoorloos verdwenen.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —


Back to IndexNext