VI.

[Inhoud]VI.DE CONCESSIE.Wij zullen thans onze drie reizigers eene poos alleen laten, en, van ons regt als vertellers gebruik makende, het tooneel van ons[44]verhaal eenige honderde mijlen verplaatsen, in een rijk en bekoorlijk dal aan den Boven-Missouri, die majestueuze rivier met hare doorschijnende wateren, aan wier welige boorden zich thans zoovele welvarende steden en dorpen verheffen en zoovele spoorwegen elkander kruisen, en op wier breeden stroom de prachtige Amerikaansche stoombooten in alle rigtingen voortstevenen, maar die op het tijdstip van onze historie nog bijna onbekend, op haar heldere watervlak niets anders afspiegelde dan de sombere kruinen en geheimzinnige bladgewelven van het onmetelijk en eeuwenheugend bosch aan hare oevers.Aan het uiteinde van een breede waterkom of meir, door het zamenvloeijen van twee aanzienlijke stroomen gevormd, die zich in den Missouri uitmonden, begint eene uitgestrekte vallei, aan de eene zijde begrensd door steile rotsbergen en aan de andere door eene lange reeks van houtrijke heuvels.Deze vallei, bijna geheel met digte bosschen bedekt, rijk aan wild van allerlei soort, was de geliefkoosde verzamelplaats der Pawnees Indianen, van welke een talrijke stam, die der Slangen, zich zelf een vaste woonplaats had gekozen aan den uitersten hoek der landtong, om des te nader bij hun uitverkoren jagtveld te zijn. Het Indianendorp was vrij aanzienlijk en telde nagenoeg drie honderd vijftig haardsteden, hetgeen buitengewoon veel is voor de Roodhuiden, die zich in den regel niet gaarne in grooten getale op eene plaats vereenigen, uit vrees van honger te zullen lijden; maar de ligging van het dorp was zoo gelukkig gekozen, dat de Indianen voor ditmaal van hunne gewoonte afzagen; werkelijk verschafte het bosch aan den eenen kant hun meer wild dan zij konden vermannen, terwijl aan den anderen kant de rivier overvloed van visch opleverde van allerlei soort en uitmuntend van smaak, en de omliggende prairiën het gansche jaar door bedekt waren met hoog en welig gras, dat hunne paarden ruim van voortreffelijk voeder voorzag. Sedert eeuwen welligt, hadden de Slangen-Pawnees zich reeds bepaaldelijk in deze gelukkige vallei nedergezet, die dank zij hare gunstige aan alle zijden besloten ligging, een zacht klimaat genoot en beschut was tegen de geweldige natuurverschijnsels en luchtberoeringen die de hoogere breedten in Noord-Amerika vaak beheerschen. De Indianen leefden hier rustig en vergeten, zich bezighoudende met jagen en visschen, terwijl zij telken jare eenige kleine benden van hun jonge volk ver weg op het oorlogspad uitzonden, onder aanvoering van hunne meest beroemde opperhoofden.Op eenmaal werd dit rustige leven onherroepelijk verstoord;[45]moord en brandstichting hadden zich als een lijkkleed over de vallei verspreid, het dorp was tot den grond toe verwoest en de bewoners waren meedoogenloos omgebragt.De Noord-Amerikanen hadden eindelijk van dit onbekende Eden kennis bekomen, en als gewoonlijk, ook in dezen nieuwen hoek der aarde hunne inbezitneming met roof,brand en moord gekenmerkt.Wij zullen hier op het verhaal door het Zwarte-Hert aan den Canadees gedaan, niet terugkomen, maar alleen bevestigen dat dit verhaal in allen deele waarheid bevatte, en dat het opperhoofd, wel verre van de zaken te overdrijven, integendeel het sombere tafereel met ongewone billijkheid en onpartijdigheid had weten te verzachten.Wij begeven ons naar het dal, omtrent drie maanden na de voor de Roodhuiden zoo noodlottige komst der Amerikanen, en zullen in korte trekken beschrijven op welke wijs de nieuwe indringers zich op het grondgebied vestigden, daar zij de wettige bezitters zoo wreedaardig uit verjaagd hadden.Naauwelijks zagen de Amerikanen zich onbetwiste meesters van het terrein, of zij begonnen er wat men eene ontginning of kolonisatie noemt.Het gouvernement der Vereenigde Staten had voor dertig jaar, en waarschijnlijk nog heden ten dage, de gewoonte om de goede diensten van oude officieren te beloonen, met hun welgelegen gronden af te staan, aan de grenzen der republiek die het meest door de Indianen werden bedreigd. Deze gewoonte had het dubbele voordeel dat zij eensdeels de grenzen van het Amerikaansche grondgebied van lieverlede uitbreidde, door de Roodhuiden dieper in de woestijn terug te dringen, en anderdeels dat men aan de dappere soldaten, die het grootste deel van hun leven den oorlog gevoerd en hun beste bloed voor het vaderland vergoten hadden, een onbezorgden ouden dag kon verzekeren.Kapitein James Watt was de zoon van een officier die zich in den onafhankelijkheidsoorlog had onderscheiden; de kolonel Lionel Watt, ordonnans officier van Washington, had aan de zijde van dezen beroemden grondlegger der Amerikaansche republiek al de veldtogten tegen de Engelschen medegemaakt; in de belegering van Boston zwaar gewond, zag hij tot zijn groot verdriet zich genoodzaakt om de dienst te verlaten en tot het burgerlijk leven terug te keeren; doch getrouw aan zijne vaderlandslievende beginsels, liet hij zijn zoon, zoodra deze den twintigjarigen leeftijd had bereikt, zijne plaats onder het vaandel innemen.[46]Op het tijdstip waarmede ons verhaal begint, was James Watt een man van omtrent vijfenveertig jaar, ofschoon hij minstens tien jaar ouder scheen, ten gevolge der tallooze vermoeijenissen die hij in zijne jeugd onder het voeren der wapenen had moeten doorstaan.Hij was iemand van kolossale gestalte, vijf voet tien duim lang, sterk gebouwd, breed van schouders, mager maar forsch gespierd en genoot een ijzeren gezondheid; de diepe lijnen op zijn streng en sterk gerimpeld gelaat teekenden een krachtigen wil, gepaard met onbezorgd zelfvertrouwen, welke laatste trek bijzonder eigen is aan menschen wier gansche leven eene aaneenschakeling was van te boven gekomen moeijelijkheden en gevaren. Zijn korte ijzergraauwe haren, zijn vale kleur, zijne zwarte en doordringende oogen, zijn welbesneden mond, maar eenigzins dunne lippen, gaven hem het voorkomen van onbuigzame gestrengheid, doch niet zonder grootmoedigheid.Kapitein Watt sedert drie jaren gehuwd met eene bekoorlijke vrouw, die hij schier aanbad, was vader van twee kinderen, een zoon en eene dochter.Zijne echtgenoot, Fanny genaamd, was eene verre nicht van hem, eene brunette, met heerlijke blaauwe oogen, zachtzinnig en zedig van aard. Ofschoon veel jonger dan haar man, daar zij naauwlijks twee en twintig jaar telde, droeg zij hem de diepste en hartelijkste genegenheid toe. Toen de oude soldaat vader was geworden en de innige genoegens van het huwelijksleven begon te waardeeren, kwam er op eens eene omkeering in zijn karakter, hij kreeg een bepaalden afkeer van het militaire vak en verlangde niets liever dan de stille genoegens van den huiselijken haard.James Watt was een van die menschen voor welke tusschen het opvatten en uitvoeren van een ontwerp slechts eene enkele schrede bestaat. Naauwelijks dus was de gedachte om de dienst te verlaten bij hem opgekomen, of hij bragt haar terstond ten uitvoer, en bleef doof voor al de afmaningen en tegenwerpingen zijner vrienden.Intusschen, hoe sterk de kapitein ook verlangde om tot het ambtelooze leven terug te keeren, was hij toch volstrekt niet gezind om het soldatenpak voor de sombere kleeding van een stadsburger te verwisselen. Het eentoonige leven in de steden der Unie had weinig bekoorlijks voor den ouden soldaat, die zijne dagen in gedurige beweging en afwisseling gesleten had en voor wien de woelige krijgsmansstand als het ware normaal was geworden.[47]Na rijp beraad derhalve verkoos hij een middeltoestand, die naar zijn gevoelen de al te groote eenvoudigheid en stilte van het burgerlijke leven het beste zou verhelpen. Dezen middeltoestand vond bij in het aanvragen van eene concessie, met andere woorden, van een zekere uitgestrektheid land aan de Indiaansche grenzen, waar hij met behulp van een aantal bedienden en medewerkers een nieuwe kolonie zou aanleggen, om er een gelukkig en bedrijvig leven te leiden, als een heer uit de middeleeuwen te midden zijner vasallen.Dit plan lachte den kapitein des te meer toe, daar hij meende op deze wijze nog altijd in zekeren zin zijn vaderland te zullen blijven dienen, door de eerste zaden te strooijen van toekomstigen voorspoed en het eerste licht der beschaving te doen opgaan over eene landstreek, tot hiertoe in een nacht van barbaarschheid verzonken.De kapitein had gedurende zijne militaire loopbaan, met zijne compagnie langen tijd gediend om de grenzen der Unie tegen de jaarlijksche invallen der Roodhuiden te beschermen en hunne onophoudelijke strooptogten af te weren; hij bezat dus wel is waar eene oppervlakkige, maar toch voldoende kennis van de zeden der Indianen en van de middelen die men moest aanwenden om niet te veel door deze lastige buren verontrust te worden.Gedurende den loop zijner tallooze veldtogten waartoe de dienst hem verpligtte, had de kapitein menige vruchtbare streek bezocht en daarbij gronden ontmoet die hem bijzonder behaagden, maar van alle dezen was er geen hem zoo vast in het geheugen gebleven als eene bekoorlijke vallei, op zekeren dag gezien als in een droom, ten besluite eener jagtpartij met een woudlooper, welke jagtpartij ruim drie weken duurde en die hem, zonder het zelf te willen, veel dieper in de wildernis had gevoerd dan ooit een beschaafd mensch er was doorgedrongen.Sedert meer dan twintig jaar had hij deze vallei niet wedergezien, maar zij stond hem nog altijd voor oogen tot in de kleinste bijzonderheden, alsof hij haar eerst gisteren verlaten had, deze zonderlinge vasthoudendheid van zijn geheugen had eindelijk de verbeelding van den kapitein derwijze bewerkt, dat hij toen hij besloot om de dienst te verlaten en concessie aan te vragen, zich stellig voornam om daarheen te trekken, en nergens elders.James Watt bezat talrijke voorstanders en begunstigers in de bureaux van den president, en behalve dat spraken de door hem zelven en zijn vader aan de Republiek bewezen diensten, sterk ten zijnen voordeele; het kostte hem dus weinig moeite om de gevraagde gunst te verwerven.[48]Toen hij zijne aanvraag deed, legde men hem verscheidene plannen voor, sinds lang door de regeering geteekend en opgemaakt, en poogde men hem over te halen om er eene uit te kiezen die hem het beste beviel.Maar de kapitein had zijne keus reeds vooraf beslist, hij wees al de plannen die men hem voorlegde bepaald van de hand, en haalde uit zijn zak een stuk elandsvel, ontrolde het en liet het den commissaris die met de concessie belast was zien, met de verklaring dat hij deze landstreek verkoos, en geen andere.De Commissaris fronste de wenkbraauwen; hij was een der vrienden van den kapitein en kon bij zulk eene keus zijne afkeuring niet terughouden.De verlangde concessie lag midden in het land der Indianen, meer dan vier honderd mijlen ver van de Amerikaansche grenzen. Het was eene dwaasheid, ja een zelfmoord dien de kapitein wilde begaan; het zou eene onmogelijkheid zijn om zich tegen de oorlogzuchtige volksstammen, die hem van alle kanten omringden, staande te houden. Eer er een maand verloopen was, zou men hem onverbiddelijk hebben vermoord, met zijne gansche familie en al de bedienden of medehelpers die zich aan hem hadden durven verbinden.Op al deze tegenwerpingen, die zijn vriend opeenstapelde om hem van zijn gevoelen af te brengen, antwoordde de kapitein alleen met een weigerachtig hoofdschudden en dien veelbeteekenenden glimlach, eigen aan menschen wier besluit onherroepelijk vaststaat.Eindelijk uit zijn laatste verschansing verdreven en geen kans ziende om zijne stelling langer te verdedigen, verklaarde de commissaris ronduit dathijhet verzoek van den kapitein onmogelijk kon inwilligen, daar het land aan de Indianen toebehoorde, die er, wat meer zegt, sedert onheugelijke tijden een dorp gevestigd hadden.De commissaris had dit argument tot het laatst bewaard, wel overtuigd dat de kapitein er niets op zou kunnen antwoorden en zich genoopt zou vinden om zijne plannen op te geven, of althans te wijzigen.Maar hij had zich bedrogen; de waardige commissaris bleek het karakter van zijn vriend minder goed te kennen dan hij zichverbeeldde.Laatstgenoemde, zonder zich te bekreunen om de zegevierende wending waarmede de commissaris zijne rede besloot, haalde bedaardelijk een tweede rol elandsvel uit zijn zak en legde het zonder een woord te spreken zijn vriend voor.[49]Deze nam het op en wierp hem een vragenden blik toe; de kapitein wenkte hem, met een onweerstaanbaren hoofdknik, dat hij het bewijsstuk zou inzien.De commissaris ontrolde het met zekere aarzeling; hij had aan de manieren van den ouden soldaat reeds bemerkt, dat dit document voor een beslissend antwoord moest gelden.Inderdaad had hij het stuk naauwelijks ingezien, of hij wierp het op tafel, met een blik van de uiterste ontevredenheid.Het elandsvel behelsde een acte van verkoop van de vallei en al het omliggende land, opgemaakt doorItsichaiché, de Apen-Kop, een der voornaamste Sachems van den stam der Slangen-Pawnees, in zijn naam en dien der andere opperhoofden van zijn volk, voor den prijs van vijftig goede geweren, veertien dozijn scalpeermessen, zestig ponden buskruid, zestig pond kogels, twee vaten whiskey en drie en twintig komplete soldatenuniformen der Amerikaansche militie.Ieder opperhoofd had zijn hieroglyf of naamcijfer op de acte geteekend,onmiddellijkonder dat van den Apen-Kop.Wij moeten hier terstond bijvoegen dat het koopcontract valsch, en de kapitein in deze zaak door den Apen-Kop jammerlijk bedrogen was.Dit opperhoofd, om verschillende redenen, die wij later zullen vermelden, uit den stam der Slangen-Pawnees verdreven, had de genoemde acte opgemaakt met tweeledig doel, vooreerst om den kapitein te bedriegen, en ten anderen om zich op zijne stamgenooten te wreken; want hij wist zeer goed, dat de kapitein, als de regering hem concessie verleende, niet aarzelen zou om zich van de vallei meester te maken, zonder zich verder over de gevolgen van zijn roof te bekommeren. Het eenige wat de kapitein van den Roodhuid vorderde, was dat hij hem tot gids zou dienen, hetgeen deze zonder bezwaar had aangenomen.Met de acte van verkoop voor oogen, moest de commissaris zich gewonnen geven en tegen wil en dank de concessie verleenen daar de kapitein zoo hardnekkig op aandrong.Zoodra de stukken behoorlijk waren geregistreerd, geteekend en van het groote rijkszegel voorzien, liet de kapitein er geen gras over groeijen en begon hij terstond met de noodige maatregelen om op reis te kunnen gaan.Mistress Watt hield te veel van haar man om zich tegen zijne plannen in het minst te verzetten. Zelve op eene kolonie niet ver van de grenzen groot gebragt, was zij met de zeden der Indianen[50]te goed bekend, om voor hunne nabijheid overbodige vrees te koesteren; overigens bekommerde zij zich niet om het oord van haar verblijf, zoo zij haar man slechts bij zich had.Volkomen gerust wat zijne vrouw betrof, ging de kapitein aan het werk met al de drift en bedrijvigheid die zijn karakter kenmerkte.Amerika is het land der wonderen, en welligt is het de eenige streek op de wereld waar men altijd menschen en middelen vindt om de ongerijmdste en dolzinnigste ontwerpen mogelijk te maken of te helpen uitvoeren.De kapitein was volstrekt niet blind voor de waarschijnlijke gevolgen van zijn genomen besluit, ook wilde hij zooveel mogelijk alle dreigende gevaren afwenden, om de veiligheid te verzekeren van het personeel dat hem op zijn togt zou vergezellen en, in de eerste plaats, van zijne vrouw en zijne kinderen.Overigens was zijne keus niet moeijelijk. Onder zijne oude vrienden, dat is, zijne voormalige wapenbroeders, waren er velen die niets liever verlangden dan hem te volgen; onder anderen een oude sergeant, met name Walters Bothrel, die meer dan vijftien jaar onder zijne bevelen had gestaan, en die op het eerste gerucht dat de kommandant zijn ontslag had genomen, bij hem kwam met de verklaring, dat hij nu ook niet langer bij de kompagnie wilde blijven, terwijl hij vertrouwde dat zijn goede kapitein niet weigeren zou hem in dienst te nemen en zijn nieuwe baan te volgen.Het aanbod van Bothrel werd door James Watt met vreugde aangenomen. De kapitein kende den ouden sergeant als een man van beproefde dapperheid, een poedelhond in getrouwheid, op wien hij zich in nood en dood gerust zou kunnen verlaten.De sergeant kreeg nu last om het detachement jagers te organiseren dat de kapitein besloot mede te nemen, om zich te kunnen verdedigen, zoo de Indianen lust hadden om de nieuwe kolonie aan te vallen.Bothrel kweet zich van de bekomen order met zijn gewonen tact en naauwgezetheid, en had weldra in de voormalige kompagnie van den kapitein dertig kloeke mannen gevonden, die niets vuriger verlangden dan het fortuin van hun ouden chef te volgen en zich onder hem te laten aanwerven.Op zijne beurt had de kapitein een vijftiental werklieden van allerlei slag aangenomen, als smids, timmerlieden, tuin- en landbouwers enz.,die met hem een contract sloten voor vijf jaren, na verloop van welken termijn zij tegen betaling van een geringe pachtsom, eigenaars zouden worden van zekere gronden die de[51]kapitein hun zou afstaan, en waar zij zich met hunne gezinnen konden vestigen; zelfs die kleine pachtsom zou na het verstrijken van zekeren tijd ophouden.Alle toebereidselen thans afgeloopen zijnde, gingen de kolonisten ten getale van vijftig mannen en ongeveer twaalf vrouwen eindelijk op weg naar de ver gelegen concessie, tegen de helft der maand Mei, en ten geleide van een lange sleep wagens, met allerlei eetwaren en levensnooddruft beladen, benevens een talrijke troep koeijen, schapen en varkens, honden enz.,voor het onderhoud der kolonie en der veefokkerij.De Apen-Kop diende dekaravaanals gids, volgens afspraak. Om den Indiaan naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dathij zichvan zijn aangenomen taak met de meeste naauwgezetheid kweet en dat hij na een langen overtogt van bijna drie maanden door eenzame woestijnen, bevolkt met wilde dieren van allerlei soort, en in alle rigtingen doorkruist van woeste Indianen horden, alle gevaren behendig wist te ontwijken, en de gansche karavaan, die aan zijne leiding was toevertrouwd, behouden op het bedoelde punt deed aanlanden.

[Inhoud]VI.DE CONCESSIE.Wij zullen thans onze drie reizigers eene poos alleen laten, en, van ons regt als vertellers gebruik makende, het tooneel van ons[44]verhaal eenige honderde mijlen verplaatsen, in een rijk en bekoorlijk dal aan den Boven-Missouri, die majestueuze rivier met hare doorschijnende wateren, aan wier welige boorden zich thans zoovele welvarende steden en dorpen verheffen en zoovele spoorwegen elkander kruisen, en op wier breeden stroom de prachtige Amerikaansche stoombooten in alle rigtingen voortstevenen, maar die op het tijdstip van onze historie nog bijna onbekend, op haar heldere watervlak niets anders afspiegelde dan de sombere kruinen en geheimzinnige bladgewelven van het onmetelijk en eeuwenheugend bosch aan hare oevers.Aan het uiteinde van een breede waterkom of meir, door het zamenvloeijen van twee aanzienlijke stroomen gevormd, die zich in den Missouri uitmonden, begint eene uitgestrekte vallei, aan de eene zijde begrensd door steile rotsbergen en aan de andere door eene lange reeks van houtrijke heuvels.Deze vallei, bijna geheel met digte bosschen bedekt, rijk aan wild van allerlei soort, was de geliefkoosde verzamelplaats der Pawnees Indianen, van welke een talrijke stam, die der Slangen, zich zelf een vaste woonplaats had gekozen aan den uitersten hoek der landtong, om des te nader bij hun uitverkoren jagtveld te zijn. Het Indianendorp was vrij aanzienlijk en telde nagenoeg drie honderd vijftig haardsteden, hetgeen buitengewoon veel is voor de Roodhuiden, die zich in den regel niet gaarne in grooten getale op eene plaats vereenigen, uit vrees van honger te zullen lijden; maar de ligging van het dorp was zoo gelukkig gekozen, dat de Indianen voor ditmaal van hunne gewoonte afzagen; werkelijk verschafte het bosch aan den eenen kant hun meer wild dan zij konden vermannen, terwijl aan den anderen kant de rivier overvloed van visch opleverde van allerlei soort en uitmuntend van smaak, en de omliggende prairiën het gansche jaar door bedekt waren met hoog en welig gras, dat hunne paarden ruim van voortreffelijk voeder voorzag. Sedert eeuwen welligt, hadden de Slangen-Pawnees zich reeds bepaaldelijk in deze gelukkige vallei nedergezet, die dank zij hare gunstige aan alle zijden besloten ligging, een zacht klimaat genoot en beschut was tegen de geweldige natuurverschijnsels en luchtberoeringen die de hoogere breedten in Noord-Amerika vaak beheerschen. De Indianen leefden hier rustig en vergeten, zich bezighoudende met jagen en visschen, terwijl zij telken jare eenige kleine benden van hun jonge volk ver weg op het oorlogspad uitzonden, onder aanvoering van hunne meest beroemde opperhoofden.Op eenmaal werd dit rustige leven onherroepelijk verstoord;[45]moord en brandstichting hadden zich als een lijkkleed over de vallei verspreid, het dorp was tot den grond toe verwoest en de bewoners waren meedoogenloos omgebragt.De Noord-Amerikanen hadden eindelijk van dit onbekende Eden kennis bekomen, en als gewoonlijk, ook in dezen nieuwen hoek der aarde hunne inbezitneming met roof,brand en moord gekenmerkt.Wij zullen hier op het verhaal door het Zwarte-Hert aan den Canadees gedaan, niet terugkomen, maar alleen bevestigen dat dit verhaal in allen deele waarheid bevatte, en dat het opperhoofd, wel verre van de zaken te overdrijven, integendeel het sombere tafereel met ongewone billijkheid en onpartijdigheid had weten te verzachten.Wij begeven ons naar het dal, omtrent drie maanden na de voor de Roodhuiden zoo noodlottige komst der Amerikanen, en zullen in korte trekken beschrijven op welke wijs de nieuwe indringers zich op het grondgebied vestigden, daar zij de wettige bezitters zoo wreedaardig uit verjaagd hadden.Naauwelijks zagen de Amerikanen zich onbetwiste meesters van het terrein, of zij begonnen er wat men eene ontginning of kolonisatie noemt.Het gouvernement der Vereenigde Staten had voor dertig jaar, en waarschijnlijk nog heden ten dage, de gewoonte om de goede diensten van oude officieren te beloonen, met hun welgelegen gronden af te staan, aan de grenzen der republiek die het meest door de Indianen werden bedreigd. Deze gewoonte had het dubbele voordeel dat zij eensdeels de grenzen van het Amerikaansche grondgebied van lieverlede uitbreidde, door de Roodhuiden dieper in de woestijn terug te dringen, en anderdeels dat men aan de dappere soldaten, die het grootste deel van hun leven den oorlog gevoerd en hun beste bloed voor het vaderland vergoten hadden, een onbezorgden ouden dag kon verzekeren.Kapitein James Watt was de zoon van een officier die zich in den onafhankelijkheidsoorlog had onderscheiden; de kolonel Lionel Watt, ordonnans officier van Washington, had aan de zijde van dezen beroemden grondlegger der Amerikaansche republiek al de veldtogten tegen de Engelschen medegemaakt; in de belegering van Boston zwaar gewond, zag hij tot zijn groot verdriet zich genoodzaakt om de dienst te verlaten en tot het burgerlijk leven terug te keeren; doch getrouw aan zijne vaderlandslievende beginsels, liet hij zijn zoon, zoodra deze den twintigjarigen leeftijd had bereikt, zijne plaats onder het vaandel innemen.[46]Op het tijdstip waarmede ons verhaal begint, was James Watt een man van omtrent vijfenveertig jaar, ofschoon hij minstens tien jaar ouder scheen, ten gevolge der tallooze vermoeijenissen die hij in zijne jeugd onder het voeren der wapenen had moeten doorstaan.Hij was iemand van kolossale gestalte, vijf voet tien duim lang, sterk gebouwd, breed van schouders, mager maar forsch gespierd en genoot een ijzeren gezondheid; de diepe lijnen op zijn streng en sterk gerimpeld gelaat teekenden een krachtigen wil, gepaard met onbezorgd zelfvertrouwen, welke laatste trek bijzonder eigen is aan menschen wier gansche leven eene aaneenschakeling was van te boven gekomen moeijelijkheden en gevaren. Zijn korte ijzergraauwe haren, zijn vale kleur, zijne zwarte en doordringende oogen, zijn welbesneden mond, maar eenigzins dunne lippen, gaven hem het voorkomen van onbuigzame gestrengheid, doch niet zonder grootmoedigheid.Kapitein Watt sedert drie jaren gehuwd met eene bekoorlijke vrouw, die hij schier aanbad, was vader van twee kinderen, een zoon en eene dochter.Zijne echtgenoot, Fanny genaamd, was eene verre nicht van hem, eene brunette, met heerlijke blaauwe oogen, zachtzinnig en zedig van aard. Ofschoon veel jonger dan haar man, daar zij naauwlijks twee en twintig jaar telde, droeg zij hem de diepste en hartelijkste genegenheid toe. Toen de oude soldaat vader was geworden en de innige genoegens van het huwelijksleven begon te waardeeren, kwam er op eens eene omkeering in zijn karakter, hij kreeg een bepaalden afkeer van het militaire vak en verlangde niets liever dan de stille genoegens van den huiselijken haard.James Watt was een van die menschen voor welke tusschen het opvatten en uitvoeren van een ontwerp slechts eene enkele schrede bestaat. Naauwelijks dus was de gedachte om de dienst te verlaten bij hem opgekomen, of hij bragt haar terstond ten uitvoer, en bleef doof voor al de afmaningen en tegenwerpingen zijner vrienden.Intusschen, hoe sterk de kapitein ook verlangde om tot het ambtelooze leven terug te keeren, was hij toch volstrekt niet gezind om het soldatenpak voor de sombere kleeding van een stadsburger te verwisselen. Het eentoonige leven in de steden der Unie had weinig bekoorlijks voor den ouden soldaat, die zijne dagen in gedurige beweging en afwisseling gesleten had en voor wien de woelige krijgsmansstand als het ware normaal was geworden.[47]Na rijp beraad derhalve verkoos hij een middeltoestand, die naar zijn gevoelen de al te groote eenvoudigheid en stilte van het burgerlijke leven het beste zou verhelpen. Dezen middeltoestand vond bij in het aanvragen van eene concessie, met andere woorden, van een zekere uitgestrektheid land aan de Indiaansche grenzen, waar hij met behulp van een aantal bedienden en medewerkers een nieuwe kolonie zou aanleggen, om er een gelukkig en bedrijvig leven te leiden, als een heer uit de middeleeuwen te midden zijner vasallen.Dit plan lachte den kapitein des te meer toe, daar hij meende op deze wijze nog altijd in zekeren zin zijn vaderland te zullen blijven dienen, door de eerste zaden te strooijen van toekomstigen voorspoed en het eerste licht der beschaving te doen opgaan over eene landstreek, tot hiertoe in een nacht van barbaarschheid verzonken.De kapitein had gedurende zijne militaire loopbaan, met zijne compagnie langen tijd gediend om de grenzen der Unie tegen de jaarlijksche invallen der Roodhuiden te beschermen en hunne onophoudelijke strooptogten af te weren; hij bezat dus wel is waar eene oppervlakkige, maar toch voldoende kennis van de zeden der Indianen en van de middelen die men moest aanwenden om niet te veel door deze lastige buren verontrust te worden.Gedurende den loop zijner tallooze veldtogten waartoe de dienst hem verpligtte, had de kapitein menige vruchtbare streek bezocht en daarbij gronden ontmoet die hem bijzonder behaagden, maar van alle dezen was er geen hem zoo vast in het geheugen gebleven als eene bekoorlijke vallei, op zekeren dag gezien als in een droom, ten besluite eener jagtpartij met een woudlooper, welke jagtpartij ruim drie weken duurde en die hem, zonder het zelf te willen, veel dieper in de wildernis had gevoerd dan ooit een beschaafd mensch er was doorgedrongen.Sedert meer dan twintig jaar had hij deze vallei niet wedergezien, maar zij stond hem nog altijd voor oogen tot in de kleinste bijzonderheden, alsof hij haar eerst gisteren verlaten had, deze zonderlinge vasthoudendheid van zijn geheugen had eindelijk de verbeelding van den kapitein derwijze bewerkt, dat hij toen hij besloot om de dienst te verlaten en concessie aan te vragen, zich stellig voornam om daarheen te trekken, en nergens elders.James Watt bezat talrijke voorstanders en begunstigers in de bureaux van den president, en behalve dat spraken de door hem zelven en zijn vader aan de Republiek bewezen diensten, sterk ten zijnen voordeele; het kostte hem dus weinig moeite om de gevraagde gunst te verwerven.[48]Toen hij zijne aanvraag deed, legde men hem verscheidene plannen voor, sinds lang door de regeering geteekend en opgemaakt, en poogde men hem over te halen om er eene uit te kiezen die hem het beste beviel.Maar de kapitein had zijne keus reeds vooraf beslist, hij wees al de plannen die men hem voorlegde bepaald van de hand, en haalde uit zijn zak een stuk elandsvel, ontrolde het en liet het den commissaris die met de concessie belast was zien, met de verklaring dat hij deze landstreek verkoos, en geen andere.De Commissaris fronste de wenkbraauwen; hij was een der vrienden van den kapitein en kon bij zulk eene keus zijne afkeuring niet terughouden.De verlangde concessie lag midden in het land der Indianen, meer dan vier honderd mijlen ver van de Amerikaansche grenzen. Het was eene dwaasheid, ja een zelfmoord dien de kapitein wilde begaan; het zou eene onmogelijkheid zijn om zich tegen de oorlogzuchtige volksstammen, die hem van alle kanten omringden, staande te houden. Eer er een maand verloopen was, zou men hem onverbiddelijk hebben vermoord, met zijne gansche familie en al de bedienden of medehelpers die zich aan hem hadden durven verbinden.Op al deze tegenwerpingen, die zijn vriend opeenstapelde om hem van zijn gevoelen af te brengen, antwoordde de kapitein alleen met een weigerachtig hoofdschudden en dien veelbeteekenenden glimlach, eigen aan menschen wier besluit onherroepelijk vaststaat.Eindelijk uit zijn laatste verschansing verdreven en geen kans ziende om zijne stelling langer te verdedigen, verklaarde de commissaris ronduit dathijhet verzoek van den kapitein onmogelijk kon inwilligen, daar het land aan de Indianen toebehoorde, die er, wat meer zegt, sedert onheugelijke tijden een dorp gevestigd hadden.De commissaris had dit argument tot het laatst bewaard, wel overtuigd dat de kapitein er niets op zou kunnen antwoorden en zich genoopt zou vinden om zijne plannen op te geven, of althans te wijzigen.Maar hij had zich bedrogen; de waardige commissaris bleek het karakter van zijn vriend minder goed te kennen dan hij zichverbeeldde.Laatstgenoemde, zonder zich te bekreunen om de zegevierende wending waarmede de commissaris zijne rede besloot, haalde bedaardelijk een tweede rol elandsvel uit zijn zak en legde het zonder een woord te spreken zijn vriend voor.[49]Deze nam het op en wierp hem een vragenden blik toe; de kapitein wenkte hem, met een onweerstaanbaren hoofdknik, dat hij het bewijsstuk zou inzien.De commissaris ontrolde het met zekere aarzeling; hij had aan de manieren van den ouden soldaat reeds bemerkt, dat dit document voor een beslissend antwoord moest gelden.Inderdaad had hij het stuk naauwelijks ingezien, of hij wierp het op tafel, met een blik van de uiterste ontevredenheid.Het elandsvel behelsde een acte van verkoop van de vallei en al het omliggende land, opgemaakt doorItsichaiché, de Apen-Kop, een der voornaamste Sachems van den stam der Slangen-Pawnees, in zijn naam en dien der andere opperhoofden van zijn volk, voor den prijs van vijftig goede geweren, veertien dozijn scalpeermessen, zestig ponden buskruid, zestig pond kogels, twee vaten whiskey en drie en twintig komplete soldatenuniformen der Amerikaansche militie.Ieder opperhoofd had zijn hieroglyf of naamcijfer op de acte geteekend,onmiddellijkonder dat van den Apen-Kop.Wij moeten hier terstond bijvoegen dat het koopcontract valsch, en de kapitein in deze zaak door den Apen-Kop jammerlijk bedrogen was.Dit opperhoofd, om verschillende redenen, die wij later zullen vermelden, uit den stam der Slangen-Pawnees verdreven, had de genoemde acte opgemaakt met tweeledig doel, vooreerst om den kapitein te bedriegen, en ten anderen om zich op zijne stamgenooten te wreken; want hij wist zeer goed, dat de kapitein, als de regering hem concessie verleende, niet aarzelen zou om zich van de vallei meester te maken, zonder zich verder over de gevolgen van zijn roof te bekommeren. Het eenige wat de kapitein van den Roodhuid vorderde, was dat hij hem tot gids zou dienen, hetgeen deze zonder bezwaar had aangenomen.Met de acte van verkoop voor oogen, moest de commissaris zich gewonnen geven en tegen wil en dank de concessie verleenen daar de kapitein zoo hardnekkig op aandrong.Zoodra de stukken behoorlijk waren geregistreerd, geteekend en van het groote rijkszegel voorzien, liet de kapitein er geen gras over groeijen en begon hij terstond met de noodige maatregelen om op reis te kunnen gaan.Mistress Watt hield te veel van haar man om zich tegen zijne plannen in het minst te verzetten. Zelve op eene kolonie niet ver van de grenzen groot gebragt, was zij met de zeden der Indianen[50]te goed bekend, om voor hunne nabijheid overbodige vrees te koesteren; overigens bekommerde zij zich niet om het oord van haar verblijf, zoo zij haar man slechts bij zich had.Volkomen gerust wat zijne vrouw betrof, ging de kapitein aan het werk met al de drift en bedrijvigheid die zijn karakter kenmerkte.Amerika is het land der wonderen, en welligt is het de eenige streek op de wereld waar men altijd menschen en middelen vindt om de ongerijmdste en dolzinnigste ontwerpen mogelijk te maken of te helpen uitvoeren.De kapitein was volstrekt niet blind voor de waarschijnlijke gevolgen van zijn genomen besluit, ook wilde hij zooveel mogelijk alle dreigende gevaren afwenden, om de veiligheid te verzekeren van het personeel dat hem op zijn togt zou vergezellen en, in de eerste plaats, van zijne vrouw en zijne kinderen.Overigens was zijne keus niet moeijelijk. Onder zijne oude vrienden, dat is, zijne voormalige wapenbroeders, waren er velen die niets liever verlangden dan hem te volgen; onder anderen een oude sergeant, met name Walters Bothrel, die meer dan vijftien jaar onder zijne bevelen had gestaan, en die op het eerste gerucht dat de kommandant zijn ontslag had genomen, bij hem kwam met de verklaring, dat hij nu ook niet langer bij de kompagnie wilde blijven, terwijl hij vertrouwde dat zijn goede kapitein niet weigeren zou hem in dienst te nemen en zijn nieuwe baan te volgen.Het aanbod van Bothrel werd door James Watt met vreugde aangenomen. De kapitein kende den ouden sergeant als een man van beproefde dapperheid, een poedelhond in getrouwheid, op wien hij zich in nood en dood gerust zou kunnen verlaten.De sergeant kreeg nu last om het detachement jagers te organiseren dat de kapitein besloot mede te nemen, om zich te kunnen verdedigen, zoo de Indianen lust hadden om de nieuwe kolonie aan te vallen.Bothrel kweet zich van de bekomen order met zijn gewonen tact en naauwgezetheid, en had weldra in de voormalige kompagnie van den kapitein dertig kloeke mannen gevonden, die niets vuriger verlangden dan het fortuin van hun ouden chef te volgen en zich onder hem te laten aanwerven.Op zijne beurt had de kapitein een vijftiental werklieden van allerlei slag aangenomen, als smids, timmerlieden, tuin- en landbouwers enz.,die met hem een contract sloten voor vijf jaren, na verloop van welken termijn zij tegen betaling van een geringe pachtsom, eigenaars zouden worden van zekere gronden die de[51]kapitein hun zou afstaan, en waar zij zich met hunne gezinnen konden vestigen; zelfs die kleine pachtsom zou na het verstrijken van zekeren tijd ophouden.Alle toebereidselen thans afgeloopen zijnde, gingen de kolonisten ten getale van vijftig mannen en ongeveer twaalf vrouwen eindelijk op weg naar de ver gelegen concessie, tegen de helft der maand Mei, en ten geleide van een lange sleep wagens, met allerlei eetwaren en levensnooddruft beladen, benevens een talrijke troep koeijen, schapen en varkens, honden enz.,voor het onderhoud der kolonie en der veefokkerij.De Apen-Kop diende dekaravaanals gids, volgens afspraak. Om den Indiaan naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dathij zichvan zijn aangenomen taak met de meeste naauwgezetheid kweet en dat hij na een langen overtogt van bijna drie maanden door eenzame woestijnen, bevolkt met wilde dieren van allerlei soort, en in alle rigtingen doorkruist van woeste Indianen horden, alle gevaren behendig wist te ontwijken, en de gansche karavaan, die aan zijne leiding was toevertrouwd, behouden op het bedoelde punt deed aanlanden.

VI.DE CONCESSIE.

Wij zullen thans onze drie reizigers eene poos alleen laten, en, van ons regt als vertellers gebruik makende, het tooneel van ons[44]verhaal eenige honderde mijlen verplaatsen, in een rijk en bekoorlijk dal aan den Boven-Missouri, die majestueuze rivier met hare doorschijnende wateren, aan wier welige boorden zich thans zoovele welvarende steden en dorpen verheffen en zoovele spoorwegen elkander kruisen, en op wier breeden stroom de prachtige Amerikaansche stoombooten in alle rigtingen voortstevenen, maar die op het tijdstip van onze historie nog bijna onbekend, op haar heldere watervlak niets anders afspiegelde dan de sombere kruinen en geheimzinnige bladgewelven van het onmetelijk en eeuwenheugend bosch aan hare oevers.Aan het uiteinde van een breede waterkom of meir, door het zamenvloeijen van twee aanzienlijke stroomen gevormd, die zich in den Missouri uitmonden, begint eene uitgestrekte vallei, aan de eene zijde begrensd door steile rotsbergen en aan de andere door eene lange reeks van houtrijke heuvels.Deze vallei, bijna geheel met digte bosschen bedekt, rijk aan wild van allerlei soort, was de geliefkoosde verzamelplaats der Pawnees Indianen, van welke een talrijke stam, die der Slangen, zich zelf een vaste woonplaats had gekozen aan den uitersten hoek der landtong, om des te nader bij hun uitverkoren jagtveld te zijn. Het Indianendorp was vrij aanzienlijk en telde nagenoeg drie honderd vijftig haardsteden, hetgeen buitengewoon veel is voor de Roodhuiden, die zich in den regel niet gaarne in grooten getale op eene plaats vereenigen, uit vrees van honger te zullen lijden; maar de ligging van het dorp was zoo gelukkig gekozen, dat de Indianen voor ditmaal van hunne gewoonte afzagen; werkelijk verschafte het bosch aan den eenen kant hun meer wild dan zij konden vermannen, terwijl aan den anderen kant de rivier overvloed van visch opleverde van allerlei soort en uitmuntend van smaak, en de omliggende prairiën het gansche jaar door bedekt waren met hoog en welig gras, dat hunne paarden ruim van voortreffelijk voeder voorzag. Sedert eeuwen welligt, hadden de Slangen-Pawnees zich reeds bepaaldelijk in deze gelukkige vallei nedergezet, die dank zij hare gunstige aan alle zijden besloten ligging, een zacht klimaat genoot en beschut was tegen de geweldige natuurverschijnsels en luchtberoeringen die de hoogere breedten in Noord-Amerika vaak beheerschen. De Indianen leefden hier rustig en vergeten, zich bezighoudende met jagen en visschen, terwijl zij telken jare eenige kleine benden van hun jonge volk ver weg op het oorlogspad uitzonden, onder aanvoering van hunne meest beroemde opperhoofden.Op eenmaal werd dit rustige leven onherroepelijk verstoord;[45]moord en brandstichting hadden zich als een lijkkleed over de vallei verspreid, het dorp was tot den grond toe verwoest en de bewoners waren meedoogenloos omgebragt.De Noord-Amerikanen hadden eindelijk van dit onbekende Eden kennis bekomen, en als gewoonlijk, ook in dezen nieuwen hoek der aarde hunne inbezitneming met roof,brand en moord gekenmerkt.Wij zullen hier op het verhaal door het Zwarte-Hert aan den Canadees gedaan, niet terugkomen, maar alleen bevestigen dat dit verhaal in allen deele waarheid bevatte, en dat het opperhoofd, wel verre van de zaken te overdrijven, integendeel het sombere tafereel met ongewone billijkheid en onpartijdigheid had weten te verzachten.Wij begeven ons naar het dal, omtrent drie maanden na de voor de Roodhuiden zoo noodlottige komst der Amerikanen, en zullen in korte trekken beschrijven op welke wijs de nieuwe indringers zich op het grondgebied vestigden, daar zij de wettige bezitters zoo wreedaardig uit verjaagd hadden.Naauwelijks zagen de Amerikanen zich onbetwiste meesters van het terrein, of zij begonnen er wat men eene ontginning of kolonisatie noemt.Het gouvernement der Vereenigde Staten had voor dertig jaar, en waarschijnlijk nog heden ten dage, de gewoonte om de goede diensten van oude officieren te beloonen, met hun welgelegen gronden af te staan, aan de grenzen der republiek die het meest door de Indianen werden bedreigd. Deze gewoonte had het dubbele voordeel dat zij eensdeels de grenzen van het Amerikaansche grondgebied van lieverlede uitbreidde, door de Roodhuiden dieper in de woestijn terug te dringen, en anderdeels dat men aan de dappere soldaten, die het grootste deel van hun leven den oorlog gevoerd en hun beste bloed voor het vaderland vergoten hadden, een onbezorgden ouden dag kon verzekeren.Kapitein James Watt was de zoon van een officier die zich in den onafhankelijkheidsoorlog had onderscheiden; de kolonel Lionel Watt, ordonnans officier van Washington, had aan de zijde van dezen beroemden grondlegger der Amerikaansche republiek al de veldtogten tegen de Engelschen medegemaakt; in de belegering van Boston zwaar gewond, zag hij tot zijn groot verdriet zich genoodzaakt om de dienst te verlaten en tot het burgerlijk leven terug te keeren; doch getrouw aan zijne vaderlandslievende beginsels, liet hij zijn zoon, zoodra deze den twintigjarigen leeftijd had bereikt, zijne plaats onder het vaandel innemen.[46]Op het tijdstip waarmede ons verhaal begint, was James Watt een man van omtrent vijfenveertig jaar, ofschoon hij minstens tien jaar ouder scheen, ten gevolge der tallooze vermoeijenissen die hij in zijne jeugd onder het voeren der wapenen had moeten doorstaan.Hij was iemand van kolossale gestalte, vijf voet tien duim lang, sterk gebouwd, breed van schouders, mager maar forsch gespierd en genoot een ijzeren gezondheid; de diepe lijnen op zijn streng en sterk gerimpeld gelaat teekenden een krachtigen wil, gepaard met onbezorgd zelfvertrouwen, welke laatste trek bijzonder eigen is aan menschen wier gansche leven eene aaneenschakeling was van te boven gekomen moeijelijkheden en gevaren. Zijn korte ijzergraauwe haren, zijn vale kleur, zijne zwarte en doordringende oogen, zijn welbesneden mond, maar eenigzins dunne lippen, gaven hem het voorkomen van onbuigzame gestrengheid, doch niet zonder grootmoedigheid.Kapitein Watt sedert drie jaren gehuwd met eene bekoorlijke vrouw, die hij schier aanbad, was vader van twee kinderen, een zoon en eene dochter.Zijne echtgenoot, Fanny genaamd, was eene verre nicht van hem, eene brunette, met heerlijke blaauwe oogen, zachtzinnig en zedig van aard. Ofschoon veel jonger dan haar man, daar zij naauwlijks twee en twintig jaar telde, droeg zij hem de diepste en hartelijkste genegenheid toe. Toen de oude soldaat vader was geworden en de innige genoegens van het huwelijksleven begon te waardeeren, kwam er op eens eene omkeering in zijn karakter, hij kreeg een bepaalden afkeer van het militaire vak en verlangde niets liever dan de stille genoegens van den huiselijken haard.James Watt was een van die menschen voor welke tusschen het opvatten en uitvoeren van een ontwerp slechts eene enkele schrede bestaat. Naauwelijks dus was de gedachte om de dienst te verlaten bij hem opgekomen, of hij bragt haar terstond ten uitvoer, en bleef doof voor al de afmaningen en tegenwerpingen zijner vrienden.Intusschen, hoe sterk de kapitein ook verlangde om tot het ambtelooze leven terug te keeren, was hij toch volstrekt niet gezind om het soldatenpak voor de sombere kleeding van een stadsburger te verwisselen. Het eentoonige leven in de steden der Unie had weinig bekoorlijks voor den ouden soldaat, die zijne dagen in gedurige beweging en afwisseling gesleten had en voor wien de woelige krijgsmansstand als het ware normaal was geworden.[47]Na rijp beraad derhalve verkoos hij een middeltoestand, die naar zijn gevoelen de al te groote eenvoudigheid en stilte van het burgerlijke leven het beste zou verhelpen. Dezen middeltoestand vond bij in het aanvragen van eene concessie, met andere woorden, van een zekere uitgestrektheid land aan de Indiaansche grenzen, waar hij met behulp van een aantal bedienden en medewerkers een nieuwe kolonie zou aanleggen, om er een gelukkig en bedrijvig leven te leiden, als een heer uit de middeleeuwen te midden zijner vasallen.Dit plan lachte den kapitein des te meer toe, daar hij meende op deze wijze nog altijd in zekeren zin zijn vaderland te zullen blijven dienen, door de eerste zaden te strooijen van toekomstigen voorspoed en het eerste licht der beschaving te doen opgaan over eene landstreek, tot hiertoe in een nacht van barbaarschheid verzonken.De kapitein had gedurende zijne militaire loopbaan, met zijne compagnie langen tijd gediend om de grenzen der Unie tegen de jaarlijksche invallen der Roodhuiden te beschermen en hunne onophoudelijke strooptogten af te weren; hij bezat dus wel is waar eene oppervlakkige, maar toch voldoende kennis van de zeden der Indianen en van de middelen die men moest aanwenden om niet te veel door deze lastige buren verontrust te worden.Gedurende den loop zijner tallooze veldtogten waartoe de dienst hem verpligtte, had de kapitein menige vruchtbare streek bezocht en daarbij gronden ontmoet die hem bijzonder behaagden, maar van alle dezen was er geen hem zoo vast in het geheugen gebleven als eene bekoorlijke vallei, op zekeren dag gezien als in een droom, ten besluite eener jagtpartij met een woudlooper, welke jagtpartij ruim drie weken duurde en die hem, zonder het zelf te willen, veel dieper in de wildernis had gevoerd dan ooit een beschaafd mensch er was doorgedrongen.Sedert meer dan twintig jaar had hij deze vallei niet wedergezien, maar zij stond hem nog altijd voor oogen tot in de kleinste bijzonderheden, alsof hij haar eerst gisteren verlaten had, deze zonderlinge vasthoudendheid van zijn geheugen had eindelijk de verbeelding van den kapitein derwijze bewerkt, dat hij toen hij besloot om de dienst te verlaten en concessie aan te vragen, zich stellig voornam om daarheen te trekken, en nergens elders.James Watt bezat talrijke voorstanders en begunstigers in de bureaux van den president, en behalve dat spraken de door hem zelven en zijn vader aan de Republiek bewezen diensten, sterk ten zijnen voordeele; het kostte hem dus weinig moeite om de gevraagde gunst te verwerven.[48]Toen hij zijne aanvraag deed, legde men hem verscheidene plannen voor, sinds lang door de regeering geteekend en opgemaakt, en poogde men hem over te halen om er eene uit te kiezen die hem het beste beviel.Maar de kapitein had zijne keus reeds vooraf beslist, hij wees al de plannen die men hem voorlegde bepaald van de hand, en haalde uit zijn zak een stuk elandsvel, ontrolde het en liet het den commissaris die met de concessie belast was zien, met de verklaring dat hij deze landstreek verkoos, en geen andere.De Commissaris fronste de wenkbraauwen; hij was een der vrienden van den kapitein en kon bij zulk eene keus zijne afkeuring niet terughouden.De verlangde concessie lag midden in het land der Indianen, meer dan vier honderd mijlen ver van de Amerikaansche grenzen. Het was eene dwaasheid, ja een zelfmoord dien de kapitein wilde begaan; het zou eene onmogelijkheid zijn om zich tegen de oorlogzuchtige volksstammen, die hem van alle kanten omringden, staande te houden. Eer er een maand verloopen was, zou men hem onverbiddelijk hebben vermoord, met zijne gansche familie en al de bedienden of medehelpers die zich aan hem hadden durven verbinden.Op al deze tegenwerpingen, die zijn vriend opeenstapelde om hem van zijn gevoelen af te brengen, antwoordde de kapitein alleen met een weigerachtig hoofdschudden en dien veelbeteekenenden glimlach, eigen aan menschen wier besluit onherroepelijk vaststaat.Eindelijk uit zijn laatste verschansing verdreven en geen kans ziende om zijne stelling langer te verdedigen, verklaarde de commissaris ronduit dathijhet verzoek van den kapitein onmogelijk kon inwilligen, daar het land aan de Indianen toebehoorde, die er, wat meer zegt, sedert onheugelijke tijden een dorp gevestigd hadden.De commissaris had dit argument tot het laatst bewaard, wel overtuigd dat de kapitein er niets op zou kunnen antwoorden en zich genoopt zou vinden om zijne plannen op te geven, of althans te wijzigen.Maar hij had zich bedrogen; de waardige commissaris bleek het karakter van zijn vriend minder goed te kennen dan hij zichverbeeldde.Laatstgenoemde, zonder zich te bekreunen om de zegevierende wending waarmede de commissaris zijne rede besloot, haalde bedaardelijk een tweede rol elandsvel uit zijn zak en legde het zonder een woord te spreken zijn vriend voor.[49]Deze nam het op en wierp hem een vragenden blik toe; de kapitein wenkte hem, met een onweerstaanbaren hoofdknik, dat hij het bewijsstuk zou inzien.De commissaris ontrolde het met zekere aarzeling; hij had aan de manieren van den ouden soldaat reeds bemerkt, dat dit document voor een beslissend antwoord moest gelden.Inderdaad had hij het stuk naauwelijks ingezien, of hij wierp het op tafel, met een blik van de uiterste ontevredenheid.Het elandsvel behelsde een acte van verkoop van de vallei en al het omliggende land, opgemaakt doorItsichaiché, de Apen-Kop, een der voornaamste Sachems van den stam der Slangen-Pawnees, in zijn naam en dien der andere opperhoofden van zijn volk, voor den prijs van vijftig goede geweren, veertien dozijn scalpeermessen, zestig ponden buskruid, zestig pond kogels, twee vaten whiskey en drie en twintig komplete soldatenuniformen der Amerikaansche militie.Ieder opperhoofd had zijn hieroglyf of naamcijfer op de acte geteekend,onmiddellijkonder dat van den Apen-Kop.Wij moeten hier terstond bijvoegen dat het koopcontract valsch, en de kapitein in deze zaak door den Apen-Kop jammerlijk bedrogen was.Dit opperhoofd, om verschillende redenen, die wij later zullen vermelden, uit den stam der Slangen-Pawnees verdreven, had de genoemde acte opgemaakt met tweeledig doel, vooreerst om den kapitein te bedriegen, en ten anderen om zich op zijne stamgenooten te wreken; want hij wist zeer goed, dat de kapitein, als de regering hem concessie verleende, niet aarzelen zou om zich van de vallei meester te maken, zonder zich verder over de gevolgen van zijn roof te bekommeren. Het eenige wat de kapitein van den Roodhuid vorderde, was dat hij hem tot gids zou dienen, hetgeen deze zonder bezwaar had aangenomen.Met de acte van verkoop voor oogen, moest de commissaris zich gewonnen geven en tegen wil en dank de concessie verleenen daar de kapitein zoo hardnekkig op aandrong.Zoodra de stukken behoorlijk waren geregistreerd, geteekend en van het groote rijkszegel voorzien, liet de kapitein er geen gras over groeijen en begon hij terstond met de noodige maatregelen om op reis te kunnen gaan.Mistress Watt hield te veel van haar man om zich tegen zijne plannen in het minst te verzetten. Zelve op eene kolonie niet ver van de grenzen groot gebragt, was zij met de zeden der Indianen[50]te goed bekend, om voor hunne nabijheid overbodige vrees te koesteren; overigens bekommerde zij zich niet om het oord van haar verblijf, zoo zij haar man slechts bij zich had.Volkomen gerust wat zijne vrouw betrof, ging de kapitein aan het werk met al de drift en bedrijvigheid die zijn karakter kenmerkte.Amerika is het land der wonderen, en welligt is het de eenige streek op de wereld waar men altijd menschen en middelen vindt om de ongerijmdste en dolzinnigste ontwerpen mogelijk te maken of te helpen uitvoeren.De kapitein was volstrekt niet blind voor de waarschijnlijke gevolgen van zijn genomen besluit, ook wilde hij zooveel mogelijk alle dreigende gevaren afwenden, om de veiligheid te verzekeren van het personeel dat hem op zijn togt zou vergezellen en, in de eerste plaats, van zijne vrouw en zijne kinderen.Overigens was zijne keus niet moeijelijk. Onder zijne oude vrienden, dat is, zijne voormalige wapenbroeders, waren er velen die niets liever verlangden dan hem te volgen; onder anderen een oude sergeant, met name Walters Bothrel, die meer dan vijftien jaar onder zijne bevelen had gestaan, en die op het eerste gerucht dat de kommandant zijn ontslag had genomen, bij hem kwam met de verklaring, dat hij nu ook niet langer bij de kompagnie wilde blijven, terwijl hij vertrouwde dat zijn goede kapitein niet weigeren zou hem in dienst te nemen en zijn nieuwe baan te volgen.Het aanbod van Bothrel werd door James Watt met vreugde aangenomen. De kapitein kende den ouden sergeant als een man van beproefde dapperheid, een poedelhond in getrouwheid, op wien hij zich in nood en dood gerust zou kunnen verlaten.De sergeant kreeg nu last om het detachement jagers te organiseren dat de kapitein besloot mede te nemen, om zich te kunnen verdedigen, zoo de Indianen lust hadden om de nieuwe kolonie aan te vallen.Bothrel kweet zich van de bekomen order met zijn gewonen tact en naauwgezetheid, en had weldra in de voormalige kompagnie van den kapitein dertig kloeke mannen gevonden, die niets vuriger verlangden dan het fortuin van hun ouden chef te volgen en zich onder hem te laten aanwerven.Op zijne beurt had de kapitein een vijftiental werklieden van allerlei slag aangenomen, als smids, timmerlieden, tuin- en landbouwers enz.,die met hem een contract sloten voor vijf jaren, na verloop van welken termijn zij tegen betaling van een geringe pachtsom, eigenaars zouden worden van zekere gronden die de[51]kapitein hun zou afstaan, en waar zij zich met hunne gezinnen konden vestigen; zelfs die kleine pachtsom zou na het verstrijken van zekeren tijd ophouden.Alle toebereidselen thans afgeloopen zijnde, gingen de kolonisten ten getale van vijftig mannen en ongeveer twaalf vrouwen eindelijk op weg naar de ver gelegen concessie, tegen de helft der maand Mei, en ten geleide van een lange sleep wagens, met allerlei eetwaren en levensnooddruft beladen, benevens een talrijke troep koeijen, schapen en varkens, honden enz.,voor het onderhoud der kolonie en der veefokkerij.De Apen-Kop diende dekaravaanals gids, volgens afspraak. Om den Indiaan naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dathij zichvan zijn aangenomen taak met de meeste naauwgezetheid kweet en dat hij na een langen overtogt van bijna drie maanden door eenzame woestijnen, bevolkt met wilde dieren van allerlei soort, en in alle rigtingen doorkruist van woeste Indianen horden, alle gevaren behendig wist te ontwijken, en de gansche karavaan, die aan zijne leiding was toevertrouwd, behouden op het bedoelde punt deed aanlanden.

Wij zullen thans onze drie reizigers eene poos alleen laten, en, van ons regt als vertellers gebruik makende, het tooneel van ons[44]verhaal eenige honderde mijlen verplaatsen, in een rijk en bekoorlijk dal aan den Boven-Missouri, die majestueuze rivier met hare doorschijnende wateren, aan wier welige boorden zich thans zoovele welvarende steden en dorpen verheffen en zoovele spoorwegen elkander kruisen, en op wier breeden stroom de prachtige Amerikaansche stoombooten in alle rigtingen voortstevenen, maar die op het tijdstip van onze historie nog bijna onbekend, op haar heldere watervlak niets anders afspiegelde dan de sombere kruinen en geheimzinnige bladgewelven van het onmetelijk en eeuwenheugend bosch aan hare oevers.

Aan het uiteinde van een breede waterkom of meir, door het zamenvloeijen van twee aanzienlijke stroomen gevormd, die zich in den Missouri uitmonden, begint eene uitgestrekte vallei, aan de eene zijde begrensd door steile rotsbergen en aan de andere door eene lange reeks van houtrijke heuvels.

Deze vallei, bijna geheel met digte bosschen bedekt, rijk aan wild van allerlei soort, was de geliefkoosde verzamelplaats der Pawnees Indianen, van welke een talrijke stam, die der Slangen, zich zelf een vaste woonplaats had gekozen aan den uitersten hoek der landtong, om des te nader bij hun uitverkoren jagtveld te zijn. Het Indianendorp was vrij aanzienlijk en telde nagenoeg drie honderd vijftig haardsteden, hetgeen buitengewoon veel is voor de Roodhuiden, die zich in den regel niet gaarne in grooten getale op eene plaats vereenigen, uit vrees van honger te zullen lijden; maar de ligging van het dorp was zoo gelukkig gekozen, dat de Indianen voor ditmaal van hunne gewoonte afzagen; werkelijk verschafte het bosch aan den eenen kant hun meer wild dan zij konden vermannen, terwijl aan den anderen kant de rivier overvloed van visch opleverde van allerlei soort en uitmuntend van smaak, en de omliggende prairiën het gansche jaar door bedekt waren met hoog en welig gras, dat hunne paarden ruim van voortreffelijk voeder voorzag. Sedert eeuwen welligt, hadden de Slangen-Pawnees zich reeds bepaaldelijk in deze gelukkige vallei nedergezet, die dank zij hare gunstige aan alle zijden besloten ligging, een zacht klimaat genoot en beschut was tegen de geweldige natuurverschijnsels en luchtberoeringen die de hoogere breedten in Noord-Amerika vaak beheerschen. De Indianen leefden hier rustig en vergeten, zich bezighoudende met jagen en visschen, terwijl zij telken jare eenige kleine benden van hun jonge volk ver weg op het oorlogspad uitzonden, onder aanvoering van hunne meest beroemde opperhoofden.

Op eenmaal werd dit rustige leven onherroepelijk verstoord;[45]moord en brandstichting hadden zich als een lijkkleed over de vallei verspreid, het dorp was tot den grond toe verwoest en de bewoners waren meedoogenloos omgebragt.

De Noord-Amerikanen hadden eindelijk van dit onbekende Eden kennis bekomen, en als gewoonlijk, ook in dezen nieuwen hoek der aarde hunne inbezitneming met roof,brand en moord gekenmerkt.

Wij zullen hier op het verhaal door het Zwarte-Hert aan den Canadees gedaan, niet terugkomen, maar alleen bevestigen dat dit verhaal in allen deele waarheid bevatte, en dat het opperhoofd, wel verre van de zaken te overdrijven, integendeel het sombere tafereel met ongewone billijkheid en onpartijdigheid had weten te verzachten.

Wij begeven ons naar het dal, omtrent drie maanden na de voor de Roodhuiden zoo noodlottige komst der Amerikanen, en zullen in korte trekken beschrijven op welke wijs de nieuwe indringers zich op het grondgebied vestigden, daar zij de wettige bezitters zoo wreedaardig uit verjaagd hadden.

Naauwelijks zagen de Amerikanen zich onbetwiste meesters van het terrein, of zij begonnen er wat men eene ontginning of kolonisatie noemt.

Het gouvernement der Vereenigde Staten had voor dertig jaar, en waarschijnlijk nog heden ten dage, de gewoonte om de goede diensten van oude officieren te beloonen, met hun welgelegen gronden af te staan, aan de grenzen der republiek die het meest door de Indianen werden bedreigd. Deze gewoonte had het dubbele voordeel dat zij eensdeels de grenzen van het Amerikaansche grondgebied van lieverlede uitbreidde, door de Roodhuiden dieper in de woestijn terug te dringen, en anderdeels dat men aan de dappere soldaten, die het grootste deel van hun leven den oorlog gevoerd en hun beste bloed voor het vaderland vergoten hadden, een onbezorgden ouden dag kon verzekeren.

Kapitein James Watt was de zoon van een officier die zich in den onafhankelijkheidsoorlog had onderscheiden; de kolonel Lionel Watt, ordonnans officier van Washington, had aan de zijde van dezen beroemden grondlegger der Amerikaansche republiek al de veldtogten tegen de Engelschen medegemaakt; in de belegering van Boston zwaar gewond, zag hij tot zijn groot verdriet zich genoodzaakt om de dienst te verlaten en tot het burgerlijk leven terug te keeren; doch getrouw aan zijne vaderlandslievende beginsels, liet hij zijn zoon, zoodra deze den twintigjarigen leeftijd had bereikt, zijne plaats onder het vaandel innemen.[46]

Op het tijdstip waarmede ons verhaal begint, was James Watt een man van omtrent vijfenveertig jaar, ofschoon hij minstens tien jaar ouder scheen, ten gevolge der tallooze vermoeijenissen die hij in zijne jeugd onder het voeren der wapenen had moeten doorstaan.

Hij was iemand van kolossale gestalte, vijf voet tien duim lang, sterk gebouwd, breed van schouders, mager maar forsch gespierd en genoot een ijzeren gezondheid; de diepe lijnen op zijn streng en sterk gerimpeld gelaat teekenden een krachtigen wil, gepaard met onbezorgd zelfvertrouwen, welke laatste trek bijzonder eigen is aan menschen wier gansche leven eene aaneenschakeling was van te boven gekomen moeijelijkheden en gevaren. Zijn korte ijzergraauwe haren, zijn vale kleur, zijne zwarte en doordringende oogen, zijn welbesneden mond, maar eenigzins dunne lippen, gaven hem het voorkomen van onbuigzame gestrengheid, doch niet zonder grootmoedigheid.

Kapitein Watt sedert drie jaren gehuwd met eene bekoorlijke vrouw, die hij schier aanbad, was vader van twee kinderen, een zoon en eene dochter.

Zijne echtgenoot, Fanny genaamd, was eene verre nicht van hem, eene brunette, met heerlijke blaauwe oogen, zachtzinnig en zedig van aard. Ofschoon veel jonger dan haar man, daar zij naauwlijks twee en twintig jaar telde, droeg zij hem de diepste en hartelijkste genegenheid toe. Toen de oude soldaat vader was geworden en de innige genoegens van het huwelijksleven begon te waardeeren, kwam er op eens eene omkeering in zijn karakter, hij kreeg een bepaalden afkeer van het militaire vak en verlangde niets liever dan de stille genoegens van den huiselijken haard.

James Watt was een van die menschen voor welke tusschen het opvatten en uitvoeren van een ontwerp slechts eene enkele schrede bestaat. Naauwelijks dus was de gedachte om de dienst te verlaten bij hem opgekomen, of hij bragt haar terstond ten uitvoer, en bleef doof voor al de afmaningen en tegenwerpingen zijner vrienden.

Intusschen, hoe sterk de kapitein ook verlangde om tot het ambtelooze leven terug te keeren, was hij toch volstrekt niet gezind om het soldatenpak voor de sombere kleeding van een stadsburger te verwisselen. Het eentoonige leven in de steden der Unie had weinig bekoorlijks voor den ouden soldaat, die zijne dagen in gedurige beweging en afwisseling gesleten had en voor wien de woelige krijgsmansstand als het ware normaal was geworden.[47]

Na rijp beraad derhalve verkoos hij een middeltoestand, die naar zijn gevoelen de al te groote eenvoudigheid en stilte van het burgerlijke leven het beste zou verhelpen. Dezen middeltoestand vond bij in het aanvragen van eene concessie, met andere woorden, van een zekere uitgestrektheid land aan de Indiaansche grenzen, waar hij met behulp van een aantal bedienden en medewerkers een nieuwe kolonie zou aanleggen, om er een gelukkig en bedrijvig leven te leiden, als een heer uit de middeleeuwen te midden zijner vasallen.

Dit plan lachte den kapitein des te meer toe, daar hij meende op deze wijze nog altijd in zekeren zin zijn vaderland te zullen blijven dienen, door de eerste zaden te strooijen van toekomstigen voorspoed en het eerste licht der beschaving te doen opgaan over eene landstreek, tot hiertoe in een nacht van barbaarschheid verzonken.

De kapitein had gedurende zijne militaire loopbaan, met zijne compagnie langen tijd gediend om de grenzen der Unie tegen de jaarlijksche invallen der Roodhuiden te beschermen en hunne onophoudelijke strooptogten af te weren; hij bezat dus wel is waar eene oppervlakkige, maar toch voldoende kennis van de zeden der Indianen en van de middelen die men moest aanwenden om niet te veel door deze lastige buren verontrust te worden.

Gedurende den loop zijner tallooze veldtogten waartoe de dienst hem verpligtte, had de kapitein menige vruchtbare streek bezocht en daarbij gronden ontmoet die hem bijzonder behaagden, maar van alle dezen was er geen hem zoo vast in het geheugen gebleven als eene bekoorlijke vallei, op zekeren dag gezien als in een droom, ten besluite eener jagtpartij met een woudlooper, welke jagtpartij ruim drie weken duurde en die hem, zonder het zelf te willen, veel dieper in de wildernis had gevoerd dan ooit een beschaafd mensch er was doorgedrongen.

Sedert meer dan twintig jaar had hij deze vallei niet wedergezien, maar zij stond hem nog altijd voor oogen tot in de kleinste bijzonderheden, alsof hij haar eerst gisteren verlaten had, deze zonderlinge vasthoudendheid van zijn geheugen had eindelijk de verbeelding van den kapitein derwijze bewerkt, dat hij toen hij besloot om de dienst te verlaten en concessie aan te vragen, zich stellig voornam om daarheen te trekken, en nergens elders.

James Watt bezat talrijke voorstanders en begunstigers in de bureaux van den president, en behalve dat spraken de door hem zelven en zijn vader aan de Republiek bewezen diensten, sterk ten zijnen voordeele; het kostte hem dus weinig moeite om de gevraagde gunst te verwerven.[48]

Toen hij zijne aanvraag deed, legde men hem verscheidene plannen voor, sinds lang door de regeering geteekend en opgemaakt, en poogde men hem over te halen om er eene uit te kiezen die hem het beste beviel.

Maar de kapitein had zijne keus reeds vooraf beslist, hij wees al de plannen die men hem voorlegde bepaald van de hand, en haalde uit zijn zak een stuk elandsvel, ontrolde het en liet het den commissaris die met de concessie belast was zien, met de verklaring dat hij deze landstreek verkoos, en geen andere.

De Commissaris fronste de wenkbraauwen; hij was een der vrienden van den kapitein en kon bij zulk eene keus zijne afkeuring niet terughouden.

De verlangde concessie lag midden in het land der Indianen, meer dan vier honderd mijlen ver van de Amerikaansche grenzen. Het was eene dwaasheid, ja een zelfmoord dien de kapitein wilde begaan; het zou eene onmogelijkheid zijn om zich tegen de oorlogzuchtige volksstammen, die hem van alle kanten omringden, staande te houden. Eer er een maand verloopen was, zou men hem onverbiddelijk hebben vermoord, met zijne gansche familie en al de bedienden of medehelpers die zich aan hem hadden durven verbinden.

Op al deze tegenwerpingen, die zijn vriend opeenstapelde om hem van zijn gevoelen af te brengen, antwoordde de kapitein alleen met een weigerachtig hoofdschudden en dien veelbeteekenenden glimlach, eigen aan menschen wier besluit onherroepelijk vaststaat.

Eindelijk uit zijn laatste verschansing verdreven en geen kans ziende om zijne stelling langer te verdedigen, verklaarde de commissaris ronduit dathijhet verzoek van den kapitein onmogelijk kon inwilligen, daar het land aan de Indianen toebehoorde, die er, wat meer zegt, sedert onheugelijke tijden een dorp gevestigd hadden.

De commissaris had dit argument tot het laatst bewaard, wel overtuigd dat de kapitein er niets op zou kunnen antwoorden en zich genoopt zou vinden om zijne plannen op te geven, of althans te wijzigen.

Maar hij had zich bedrogen; de waardige commissaris bleek het karakter van zijn vriend minder goed te kennen dan hij zichverbeeldde.

Laatstgenoemde, zonder zich te bekreunen om de zegevierende wending waarmede de commissaris zijne rede besloot, haalde bedaardelijk een tweede rol elandsvel uit zijn zak en legde het zonder een woord te spreken zijn vriend voor.[49]

Deze nam het op en wierp hem een vragenden blik toe; de kapitein wenkte hem, met een onweerstaanbaren hoofdknik, dat hij het bewijsstuk zou inzien.

De commissaris ontrolde het met zekere aarzeling; hij had aan de manieren van den ouden soldaat reeds bemerkt, dat dit document voor een beslissend antwoord moest gelden.

Inderdaad had hij het stuk naauwelijks ingezien, of hij wierp het op tafel, met een blik van de uiterste ontevredenheid.

Het elandsvel behelsde een acte van verkoop van de vallei en al het omliggende land, opgemaakt doorItsichaiché, de Apen-Kop, een der voornaamste Sachems van den stam der Slangen-Pawnees, in zijn naam en dien der andere opperhoofden van zijn volk, voor den prijs van vijftig goede geweren, veertien dozijn scalpeermessen, zestig ponden buskruid, zestig pond kogels, twee vaten whiskey en drie en twintig komplete soldatenuniformen der Amerikaansche militie.

Ieder opperhoofd had zijn hieroglyf of naamcijfer op de acte geteekend,onmiddellijkonder dat van den Apen-Kop.

Wij moeten hier terstond bijvoegen dat het koopcontract valsch, en de kapitein in deze zaak door den Apen-Kop jammerlijk bedrogen was.

Dit opperhoofd, om verschillende redenen, die wij later zullen vermelden, uit den stam der Slangen-Pawnees verdreven, had de genoemde acte opgemaakt met tweeledig doel, vooreerst om den kapitein te bedriegen, en ten anderen om zich op zijne stamgenooten te wreken; want hij wist zeer goed, dat de kapitein, als de regering hem concessie verleende, niet aarzelen zou om zich van de vallei meester te maken, zonder zich verder over de gevolgen van zijn roof te bekommeren. Het eenige wat de kapitein van den Roodhuid vorderde, was dat hij hem tot gids zou dienen, hetgeen deze zonder bezwaar had aangenomen.

Met de acte van verkoop voor oogen, moest de commissaris zich gewonnen geven en tegen wil en dank de concessie verleenen daar de kapitein zoo hardnekkig op aandrong.

Zoodra de stukken behoorlijk waren geregistreerd, geteekend en van het groote rijkszegel voorzien, liet de kapitein er geen gras over groeijen en begon hij terstond met de noodige maatregelen om op reis te kunnen gaan.

Mistress Watt hield te veel van haar man om zich tegen zijne plannen in het minst te verzetten. Zelve op eene kolonie niet ver van de grenzen groot gebragt, was zij met de zeden der Indianen[50]te goed bekend, om voor hunne nabijheid overbodige vrees te koesteren; overigens bekommerde zij zich niet om het oord van haar verblijf, zoo zij haar man slechts bij zich had.

Volkomen gerust wat zijne vrouw betrof, ging de kapitein aan het werk met al de drift en bedrijvigheid die zijn karakter kenmerkte.

Amerika is het land der wonderen, en welligt is het de eenige streek op de wereld waar men altijd menschen en middelen vindt om de ongerijmdste en dolzinnigste ontwerpen mogelijk te maken of te helpen uitvoeren.

De kapitein was volstrekt niet blind voor de waarschijnlijke gevolgen van zijn genomen besluit, ook wilde hij zooveel mogelijk alle dreigende gevaren afwenden, om de veiligheid te verzekeren van het personeel dat hem op zijn togt zou vergezellen en, in de eerste plaats, van zijne vrouw en zijne kinderen.

Overigens was zijne keus niet moeijelijk. Onder zijne oude vrienden, dat is, zijne voormalige wapenbroeders, waren er velen die niets liever verlangden dan hem te volgen; onder anderen een oude sergeant, met name Walters Bothrel, die meer dan vijftien jaar onder zijne bevelen had gestaan, en die op het eerste gerucht dat de kommandant zijn ontslag had genomen, bij hem kwam met de verklaring, dat hij nu ook niet langer bij de kompagnie wilde blijven, terwijl hij vertrouwde dat zijn goede kapitein niet weigeren zou hem in dienst te nemen en zijn nieuwe baan te volgen.

Het aanbod van Bothrel werd door James Watt met vreugde aangenomen. De kapitein kende den ouden sergeant als een man van beproefde dapperheid, een poedelhond in getrouwheid, op wien hij zich in nood en dood gerust zou kunnen verlaten.

De sergeant kreeg nu last om het detachement jagers te organiseren dat de kapitein besloot mede te nemen, om zich te kunnen verdedigen, zoo de Indianen lust hadden om de nieuwe kolonie aan te vallen.

Bothrel kweet zich van de bekomen order met zijn gewonen tact en naauwgezetheid, en had weldra in de voormalige kompagnie van den kapitein dertig kloeke mannen gevonden, die niets vuriger verlangden dan het fortuin van hun ouden chef te volgen en zich onder hem te laten aanwerven.

Op zijne beurt had de kapitein een vijftiental werklieden van allerlei slag aangenomen, als smids, timmerlieden, tuin- en landbouwers enz.,die met hem een contract sloten voor vijf jaren, na verloop van welken termijn zij tegen betaling van een geringe pachtsom, eigenaars zouden worden van zekere gronden die de[51]kapitein hun zou afstaan, en waar zij zich met hunne gezinnen konden vestigen; zelfs die kleine pachtsom zou na het verstrijken van zekeren tijd ophouden.

Alle toebereidselen thans afgeloopen zijnde, gingen de kolonisten ten getale van vijftig mannen en ongeveer twaalf vrouwen eindelijk op weg naar de ver gelegen concessie, tegen de helft der maand Mei, en ten geleide van een lange sleep wagens, met allerlei eetwaren en levensnooddruft beladen, benevens een talrijke troep koeijen, schapen en varkens, honden enz.,voor het onderhoud der kolonie en der veefokkerij.

De Apen-Kop diende dekaravaanals gids, volgens afspraak. Om den Indiaan naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dathij zichvan zijn aangenomen taak met de meeste naauwgezetheid kweet en dat hij na een langen overtogt van bijna drie maanden door eenzame woestijnen, bevolkt met wilde dieren van allerlei soort, en in alle rigtingen doorkruist van woeste Indianen horden, alle gevaren behendig wist te ontwijken, en de gansche karavaan, die aan zijne leiding was toevertrouwd, behouden op het bedoelde punt deed aanlanden.


Back to IndexNext