VII.

[Inhoud]VII.DE APEN-KOP.Wij hebben vroeger reeds in de hoofdzaak gezien, hoe de kapitein zich van het door hem gekochte terrein meester maakte. Thans zullen wij vermelden hoe hij er zich op vestigde en welke voorzorgen hij nam, om niet verontrust te worden door de arme Indianen, die hij zoo woest uit hunne bezittingen had verdreven, en die hij, volgens hun bekend karakter, wel gissen kon, dat zich niet voor geslagen konden houden maar die zeker vroeg of laat zouden terugkomen, om eene bloedige wraak te nemen over de gruwzame mishandeling die zij hadden moeten ondergaan.Het gevecht met de Indianen was scherp en moorddadig geweest, maar door de tusschenkomst van den Apen-Kop, die den kapitein op al de zwakke punten derAtepetl(dorp) inlichtte, en vooral door de vuurwapenen die den Amerikanen verre de overhand gaf, waren de Indianen eindelijk genoodzaakt te vlugten en alles wat zij bezeten hadden aan de overwinnaars achter te laten.[52]Armoedige buit, alleen bestaande in dierenvellen en eenige lompe van leem gebakken vazen of potten.De kapitein zag zich naauwelijks meester van de plaats, of hij begon zijne taak met het leggen der grondslagen voor de nieuwe kolonie; hij begreep de noodzakelijkheid om zich zoo spoedig mogelijk tegen eene overrompeling in veiligheid te stellen.Het terrein waar het dorp gestaan had, werd eerst geruimd en gereinigd van de ruïnen die er verspreid lagen; vervolgens begonnen de aardwerkers den grond gelijk te maken en eene ringgracht te graven van zes ellen breedte en vier ellen diepte, die door middel van een sprank, aan den eenen kant met de kleinere rivier en aan de andere zijde met de Missouri in verband werd gebragt; achter deze gracht en op de kruin van het talud door de opgeworpen aarde gevormd, plantte men eene rij palen van vier ellen hoog en met stevige ijzeren klampen onderling zamen verbonden, terwijl men zorg droeg, van afstand tot afstand, kleine bijna onzigtbare openingen te laten, om er het schietgeweer in te leggen en zich dus veilig achter eene geschikte borstwering te kunnen verdedigen. In deze verschansing werd tevens een gesloten poort aangebragt, breed genoeg om een wagen door te laten, en daar buiten, dwars over de gracht, lag een wipbrug die elken avond met zonsondergang werd opgehaald.Deze voorloopige voorzorgen eenmaal genomen zijnde, was er binnen de gracht een terrein van ongeveer vierduizend vierkante ellen, aan alle zijden door water en stevige palissaden ingesloten, behalve aan de zijde der Missouri, daar men de rivier wegens hare breedte en diepte als een genoegzamen waarborg van veiligheid beschouwde.Het was binnen den omtrek van dit vrije terrein dat kapitein Watt thans de gebouwen en andere vereischten voor de kolonie begon in te rigten.Die gebouwen behoefden in den aanvang, zooals dit met alle koloniën plaats heeft, slechts van hout te worden opgetrokken, namelijk van boomstammen, daar men zelfs de schors aan liet; hout was er in overvloed voorhanden, dank zij het bosch dat naauwelijks honderd ellen van de kolonie verwijderd lag.Deze werken werden met zooveel ernst en vlijt uitgevoerd, dat reeds twee maanden na de aankomst der karavaan op deze plaats, al de gebouwen voltooid en de gansche inrigting genoegzaam gereed was.In het midden der kolonie, had men op eene verheven plaats een[53]soort van toren gebouwd, achthoekig en ongeveer vijf en twintig meters hoog, met een plat dak in den vorm van een terras, en uit drie verdiepingen bestaande; in de benedenste waren de keuken en de gewone bedienden kamers, terwijl het bovenhuis voor de leden van het gezin bestemd was, namelijk voor den kapitein, zijne vrouw, de kinderen en twee kindermeiden, Betsy en Emmy—een paar jonge en sterke Kentuckiërs met bolle blozende wangen—en voor Miss Margaret de keukenmeid, een deftige vrouw, reeds in haar vijf en veertigste jaar, terwijl men haar naauwelijks vijf en dertig zou hebben toegekend en zij nog altijd op den naam van schoon aanspraak kon maken; en eindelijk ook eene kamer voor sergeant Bothrel. Deze toren was gesloten door een stevige met ijzer beslagen deur en in het midden met een schuifje, om te kunnen zien wie er aanklopte.Omtrent tien ellen van den toren, en met dezen door middel van een onderaardschen gang verbonden, lag het woonhuis voor de jagers, dat voor de werklieden, en eindelijk dat der veehoeders en arbeiders.Vervolgens had men de stallen voor de paarden en de schuren voor het vee.Verder, hier en daar verspreid, lagen de wagenhuizen, de werkplaatsen, schuren en andere lokalen om de voortbrengels der kolonie in te bergen.Al deze gebouwen waren, voorzigtigheidshalve, afzonderlijk en ver genoeg van elkander geplaatst, om in geval van brand—die bij houten gebouwen altijd gevaarlijk was—te beletten dat de vlam van het eene naar het andere oversloeg; bovendien waren er van afstand tot afstand putten gegraven, om op alle punten overvloed van water te hebben zonder dat men het uit de rivier behoefde te gaan scheppen.Ten slotte behoeven wij naauwelijks te zeggen dat de kapitein, als een soldaat van ondervinding en met al de listen en gevaren van een oorlog op de grenzen wel bekend, niets verzuimd had om de kolonie tegen een aanval of zelfs tegen eene verrassing te dekken.Drie maanden waren er nu sedert de eerste vestiging der Amerikanen voorbijgegaan; de vallei, voorheen onbebouwd en met bosch bedekt, was thans grootendeels beploegd en bezaaid; de houtvellingen op groote schaal aangelegd, hadden den uitersten zoom der bosschen reeds op twee kilometers afstand van de kolonie verwijderd, alles had het aanzien van welvaart en voorspoed, op eene plek[54]die nog zoo kort te voren, door de zorgeloosheid der Roodhuiden, niets anders opleverde dan hetgeen de natuur zelve tot onmisbaar voedsel voor de beesten voortbragt.In de kom der kolonie was alles een tooneel vol leven en bezieling. Terwijl daarbuiten het vee liep grazen onder opzigt van eenige welgewapende koeherders te paard, en de eeuwenheugende boomstammen vielen onder de noeste bijlslagen der houthakkers, zag men daarbinnen al de werkplaatsen in volle bedrijvigheid, lange rookzuilen verhieven zich uit de smidsen, het gedreun der hamers vermengde zich met het geknars der zagen; langs de rivier lagen hooge stapels timmerhout aan balken of planken gezaagd en een weinig verder groote hoopen hakhout voor brandstof, terwijl eenige schuiten en vlotten aan den oever waren vastgemeerd, en men in de verte van tijd tot tijd schoten hoorde vallen door de jagers die een klopjagt hielden in het bosch, om de kolonisten van wildbraad te voorzien.Het was omtrent vier ure na den middag; de kapitein, gezeten op een heerlijk zwart paard met vier witte hoeven, reed in een korten draf door een pas aangelegd weideveld. Een vergenoegde glimlach ontplooide het strenge gelaat van den ouden krijgsman, toen hij zag welk eene verbazende verandering zijn vaste wil en ongewone bedrijvigheid in zulk een korten tijd hadden te weeg gebragt in deze onbekende streek, dien hij geenszins twijfelde dat, dank zij hare ligging, in een naderende toekomst voor handel en nijverheid van het grootste belang zou worden. Hij was reeds digt bij de kolonie, toen er van achter een hoop takken en wortels, die de arbeiders langs het pad hadden opgestapeld om ze te laten droogen, plotseling een man te voorschijn kwam en hem ter zijde trad. De kapitein kon naauwelijks zijn misnoegen verbergen toen hij in dezen man den Apen-Kop herkende.Wij moeten hier eenige woorden tot opheldering zeggen aangaande dezen persoon, die bestemd is om in den loop van ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.Itsichaiché (de Apen-Kop) was een man van omtrent veertig jaar, lang van gestalte, kloek gebouwd en buigzaam van leden; zijn guitachtig gezigt werd verhelderd door twee kleine oogen van verschillende kleur; zijn korte, zeer stompe haviksneus, zijn breede mond met dunne ingetrokken lippen, gaven hem een uitdrukking van sluwheid en kwaadwilligheid, die ondanks het beleefd gedienstige en katachtig vleijende zijner manieren en de gemaakte zachtheid van zijne stem, ieder die hem zag een onwillekeurigen en onweerstaanbaren afkeer inboezemde.[55]Geheel in strijd met hetgeen gewoonlijk gebeurt wanneer men iemand dagelijks ziet, werd deze ongunstige indruk, in plaats van langzamerhand te verdwijnen, ten zijnen aanzien integendeel gedurig sterker.De Indiaan had zich van zijn pligt als gids eerlijk en naauwgezet gekweten en de Amerikanen zonder slag of stoot naar de plaats hunner bestemming gebragt; na dien tijd was hij echter steeds bij hen gebleven, en had zich om zoo te zeggen in de nieuwe kolonie ingeburgerd, waar hij kwam en ging naar believen, zonder dat iemand naar hem omzag of zich bekommerde om hetgeen hij deed.Menigmaal bleef hij ongevraagd ongeweigerd verscheidene dagen achtereen weg, en keerde dan op eens weder terug, zonder dat het mogelijk scheen eenige opheldering van hem te ontvangen, of te vernemen waar hij zoo lang geweest was of wat hij gedurende zijne afwezigheid gedaan had.Intusschen was er een lid van de kolonie, aan wie het sombere uitzigt van den Indiaan eene gestadige en onverklaarbare vrees inboezemde en die haar afkeer niet kon onderdrukken, al wist zij ook niet waaraan zij dit onaangename gevoel moest toeschrijven; deze persoon was Mistress Watt. De moederlijke liefde maakte haar scherpziende; de jonge vrouw hield onbeschrijfelijk veel van hare kinderen, en zoo vaak de Roodhuid al was het maar een onverschilligen blik op de onnoozele schaapjes deed vallen, ging de arme moeder eene huivering over het lijf en haastte zij zich om de beide schatten, die alles voor haar waren, aan zijn oog te onttrekken.Meermalen had zij gepoogd hare vrees aan haar man mede te deelen, maar al hare aanmerkingen deswegens beantwoordde de kapitein met een geruststellend schouderophalen, in de vaste meening dat de ongunstige indruk mettertijd wel slijten en eindelijk geheel verdwijnen zou. Mistress Watt kwam echter telkens met stijfhoofdige volharding op hare eenmaal opgevatte denkbeelden terug en veranderde niet, zoodat de kapitein er ten laatste ongeduldig onder werd, en daar hij geen voldoende reden had om tegenover de vrouw die hij innig achtte en lief had, een man in bescherming te nemen daar hij volstrekt niets om gaf, beloofde hij haar eindelijk dat hij haar van het gevreesde monster zou ontslaan. Toen derhalve de Indiaan weder verscheidene dagen weg was gebleven, nam hij zich voor om zoodra hij terug kwam, hem opheldering te vragen van zijn geheimzinnig gedrag, en ingeval de andere geen voldoend of redelijk antwoord gaf, hem maar ronduit[56]te zeggen dat hij hem niet langer op de kolonie wilde zien en hij zich op staanden voet en voor altijd moest verwijderen.In deze gemoedsstemming bevond zich de kapitein tegenover den Apen-Kop, toen het toeval wilde dat hij dezen op eene plaats ontmoette, waar hij hem het minst verwachtte.Zoodra hij den Indiaan zag, hield de kapitein zijn paard in.„Gaat mijn vader de vallei bezoeken?” vroeg de Pawnee.„Ja,” antwoordde hij.„O!” hervatte de Indiaan, met een omzigtigen blik om zich heen, „alles is wel zeer veranderd, sedert de Lang-Messen uit het Westen rustig wonen op het terrein daar zij de Slangen-Pawnees van beroofd hebben.”De Indiaan sprak deze woorden op somber zwaarmoedigen toon, zoodat de kapitein hem niet zonder ongerustheid aanhoorde.„Is dat een klagt die gij uitspreekt, hoofdman?” vroeg hij, „die klinkt toch zeer ongepast in uw mond, daar gij zelf mij het land hebt verkocht dat ik thans in bezit heb.”„Dat is waar,” riep de Indiaan hoofdschuddend, „de Apen-Kop heeft het regt niet om zich te beklagen, hij zelf heeft aan de Bleekgezigten uit het Westen de gronden verkocht, waar het gebeente zijner vaderen rust en waar hij zelf en zijne broeders zoo vaak op elanden en jaguars jagt maakten.”„Zoo, hoofdman, ik vind u van daag vrij naargeestig, wat schort u toch? Hadt gij, toen gij dezen morgen wakker werdt, op uw linkerzij gelegen?” vroeg de kapitein, zinspelende op een der meest verspreide bijgeloovigheden onder de Indianen.„Neen,” antwoordde hij, „de Apen-Kop heeft goed geslapen, geheel zonder kwade voorteekenen of iets dat de rust van zijn geest kon verstoren.”„Dan wensch ik u geluk, hoofdman.”„Mijn vader heeft wel een weinig tabak voor zijn zoon, om met hem de pijp der vriendschap te rooken bij zijne terugkomst.”„Dat kan wel: maar eerst moet ik u eene vraag doen.”„Mijn vader spreke, de ooren van zijn zoon zijn open.”„Het is nu reeds een geruimen tijd dat wij hier gevestigd zijn, hoofdman,” hervatte de kapitein.„Ja, de vierde maan begint.”„Hoor eens, gij zijt sedert onze komst zeer dikwijls heengegaan zonder ons te waarschuwen.”„Waartoe zou dat dienen? de lucht en de ruimte behooren niet aan de Bleekgezigten, ik denk toch dat een krijgsman der Pawnees,[57]vrij genoeg is om te gaan waar hij goedvindt; hij was voorheen een beroemd opperhoofd in zijn stam.”„Dat mag alles waar zijn, krijgsman, en kan mij weinig schelen, maar wat mij zeer veel aangaat, is de rust en de veiligheid van mijn gezin en van de menschen die ik hier bij mij heb.”„Welnu,” riep de Roodhuid, „in welk opzigt zou de Apen-Kop die rust en veiligheid in gevaar kunnen brengen?”„Dat zal ik u zeggen, hoofdman, luister met aandacht, want wat gij hooren zult is ernstig.”„De Apen-Kop is maar een arme Indiaan,” antwoordde de Roodhuid spotachtig, „de Groote Geest gaf hem het helder en slim doorzigt niet dat de Bleekgezigten bezitten, maar toch zal ik mijn vader trachten te begrijpen.”„Gij zijt zoo dom niet als gij op dit oogenblik wel gelieft te schijnen, hoofdman; ik ben zeker dat gij mij volkomen begrijpen zult, als gij u die moeite wilt geven.”„Het opperhoofd zal zijn best doen.”De kapitein weerhield naauwelijks zijn ongenoegen.„Wij bevinden ons hier niet in een der groote steden in het hart der Amerikaansche Unie,” begon hij, „waar de wet de burgers beschermt en voor hunne veiligheid waakt, maar wij zijn op het gebied der Roodhuiden, ver van alle andere bescherming dan onze eigene; wij hebben hier van niemand hulp te verwachten, integendeel zijn wij door waakzame vijanden omgeven, die op een gunstig oogenblik loeren, om ons aan te vallen en ons te vermoorden als zij kunnen, het is derhalve onze pligt om met de meeste omzigtigheid te waken voor ons behoud, dat door de kleinste nalatigheid schromelijk kan worden bedreigd. Begrijpt gij dat, hoofdman?”„Ja, mijn vader heeft goed gesproken, zijn hoofd is grijs en zijne wijsheid is groot.”„Ik moet dus op alles acht geven,” vervolgde de kapitein, „de gangen en handelingen van al de meer of min tot de kolonie behoorende personen naauwkeurig nagaan, en als die gangen of handelingen mij verdacht voorkomen, hun om opheldering vragen, die zij het regt niet hebben mij te weigeren; nu ben ik tot mijn groote spijt verpligt u te bekennen, hoofdman, dat het leven hetwelk gij sinds eenigen tijd leidt mij meer dan verdacht voorkomt, dat het mijn nadenken zeer heeft opgewekt on dat ik van u eene voldoende verklaring verwacht.”De Roodhuid had zich tot dusver goed gehouden; geen spier op zijn gelaat had zich bewogen, zoodat de kapitein, die hem scherp[58]in het oog hield, geen het minste spoor van ontroering bij hem kon opmerken. De Indiaan had de vraag die hem werd voorgesteld wel verwacht en was gereed om er op te antwoorden.„De Apen-Kop heeft mijn vader en zijne kinderen van de groote steenen steden der Lang-Messen uit het Westen tot hier geleid. Kan mijn vader het opperhoofd daarom iets verwijten?”„In het minst niet, dat moet ik bekennen, hoofdman,” antwoorde de kapitein onbewimpeld: „gij hebt u eerlijk van uwe verpligting gekweten.”„Waarom trekt mijn vader dan een huid over zijn hart en waarom koestert zijn geest argwaan tegen een man, dien hij, zooals hij zelf zegt, niets te verwijten heeft; is dat nu de geregtigheid der Bleekgezigten?”„Laten wij niet van ons onderwerp afdwalen, hoofdman, en bovenal laten wij het niet verkeerd aanpakken, ik kan mij met uwe Indiaansche breedsprakigheid niet inlaten, ik verzoek u dus om mij de reden van uwe herhaalde afwezigheid duidelijk op te helderen en mij een afdoend bewijs van uwe onschuld te geven; als gij hieraan niet voldoet moet ik u kort en bondig zeggen dat gij geen oogenblik langer in de kolonie moogt blijven, en dat ik u noodzaken zal mijn grondgebied te verlaten om er nooit weer terug te komen.”Uit het oog van den Roodhuid bliksemde een straal van onbeschrijfelijken haat, maar hij temperde terstond den gloed van zijn blik en antwoordde met een slepende stem zoo zacht mogelijk:„DeApen-Kopis een arme Indiaan; zijne broeders verstieten hem omdat hij de Bleekgezigten liefhad; hij had gehoopt bij de Lang-Messen van het Westen, zooal geen vriendschap, dan ten minste dankbaarheid te vinden, voor de diensten die hij hun bewees: maar hij heeft zich bedrogen.”„Dat doet hier niets ter zake,” hernam de kapitein ongeduldig, „wilt ge antwoorden, ja of neen?”De Indiaan rigtte zich op in zijne volle lengte, en naderde den spreker zoo digt dat hij hem bijna aanraakte.„En als ik dit weiger?” vroeg hij met een blik van uitdaging en toorn.„Als gij weigert, ellendeling! dan verbied ik u mij ooit weder onder de oogen te komen, en zoo gij mij durft trotseren zal ik u met mijn karwats afranselen als een hond.”Naauwelijks had de kapitein deze beleedigende woorden geuit, of zij berouwden hem reeds: hij zag zich alleen en zonder wapens tegenover een man dien hij diep gekrenkt had; hij beproefde[59]dus de zaak weder goed te maken.„Maar,” vervolgde hij, „de Apen-Kop is een opperhoofd, hij heeft verstand en hij zal mij wel antwoorden, want hij weet dat ik van hem houd.”„Gij liegt! gij bleeke hond,” riep de Indiaan knarstandend van woede, „gij haat mij bijna even sterk, als ik u haat!”De kapitein, zich zelven niet langer meester, hief de zweep reeds op die hij in zijne hand had, maar op hetzelfde oogenblik sprong de Indiaan als een tijger op hem toe, zat in eens achter hem op het paard, tilde den kapitein uit den zadel, wierp hem tegen den grond en greep den teugel.„De Bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de krijgslieden der Pawnees verachten hen en zullen hun vrouwenrokken zenden.”Na deze woorden te hebben uitgebruld, op een toon van verguizing die niet zich laat beschrijven, boog de Indiaan op den hals van het paard, vierde het den teugel en verwijderde zich in vliegenden galop onder een schaterend gelach, zonder zich verder met den kapitein te bemoeijen, dien hij zwaar gekneusd op den grond liet liggen.James Watt was de man niet om zulk eene mishandeling te ondergaan, zonder op wraak bedacht te zijn; hij stond op zoo snel als zijne beenen toelieten, en schreeuwde zoo hard hij kon, om de in het veld verstrooide jagers en houthakkers tot zich te roepen.Sommigen hadden het gebeurde in de verte gezien en ijlden den kapitein ter hulp, maar eer zij hem bereikten of eer hij tijd had om hun te zeggen wat er gebeurd was en orders te geven om den vlugteling na te zetten, verdween deze reeds in het bosch.De jagers echter, onder aanvoering van Bothrel, renden den Indiaan in vliegenden galop achterna en zwoeren dat zij hem levend of dood zouden terugbrengen.De kapitein volgde hen met de oogen, tot hij ze den een na den ander in het geboomte zag verdwijnen, en keerde toen met langzamen tred naar de kolonie terug, in diepe gedachten over hetgeen tusschen hem en den Roodhuid was voorgevallen en met een beklemd hart over de waarschijnlijke gevolgen.Eene zaak vooral voorspelde hem het ergste, namelijk dat de Apen-Kop, die anders altijd zoo sluw en voorzigtig was, hem thans zoo ruw had durven bejegenen; daarvoor moest een geduchte reden bestaan, anders zou de vrees voor straf hem zeker hebben teruggehouden.[60]

[Inhoud]VII.DE APEN-KOP.Wij hebben vroeger reeds in de hoofdzaak gezien, hoe de kapitein zich van het door hem gekochte terrein meester maakte. Thans zullen wij vermelden hoe hij er zich op vestigde en welke voorzorgen hij nam, om niet verontrust te worden door de arme Indianen, die hij zoo woest uit hunne bezittingen had verdreven, en die hij, volgens hun bekend karakter, wel gissen kon, dat zich niet voor geslagen konden houden maar die zeker vroeg of laat zouden terugkomen, om eene bloedige wraak te nemen over de gruwzame mishandeling die zij hadden moeten ondergaan.Het gevecht met de Indianen was scherp en moorddadig geweest, maar door de tusschenkomst van den Apen-Kop, die den kapitein op al de zwakke punten derAtepetl(dorp) inlichtte, en vooral door de vuurwapenen die den Amerikanen verre de overhand gaf, waren de Indianen eindelijk genoodzaakt te vlugten en alles wat zij bezeten hadden aan de overwinnaars achter te laten.[52]Armoedige buit, alleen bestaande in dierenvellen en eenige lompe van leem gebakken vazen of potten.De kapitein zag zich naauwelijks meester van de plaats, of hij begon zijne taak met het leggen der grondslagen voor de nieuwe kolonie; hij begreep de noodzakelijkheid om zich zoo spoedig mogelijk tegen eene overrompeling in veiligheid te stellen.Het terrein waar het dorp gestaan had, werd eerst geruimd en gereinigd van de ruïnen die er verspreid lagen; vervolgens begonnen de aardwerkers den grond gelijk te maken en eene ringgracht te graven van zes ellen breedte en vier ellen diepte, die door middel van een sprank, aan den eenen kant met de kleinere rivier en aan de andere zijde met de Missouri in verband werd gebragt; achter deze gracht en op de kruin van het talud door de opgeworpen aarde gevormd, plantte men eene rij palen van vier ellen hoog en met stevige ijzeren klampen onderling zamen verbonden, terwijl men zorg droeg, van afstand tot afstand, kleine bijna onzigtbare openingen te laten, om er het schietgeweer in te leggen en zich dus veilig achter eene geschikte borstwering te kunnen verdedigen. In deze verschansing werd tevens een gesloten poort aangebragt, breed genoeg om een wagen door te laten, en daar buiten, dwars over de gracht, lag een wipbrug die elken avond met zonsondergang werd opgehaald.Deze voorloopige voorzorgen eenmaal genomen zijnde, was er binnen de gracht een terrein van ongeveer vierduizend vierkante ellen, aan alle zijden door water en stevige palissaden ingesloten, behalve aan de zijde der Missouri, daar men de rivier wegens hare breedte en diepte als een genoegzamen waarborg van veiligheid beschouwde.Het was binnen den omtrek van dit vrije terrein dat kapitein Watt thans de gebouwen en andere vereischten voor de kolonie begon in te rigten.Die gebouwen behoefden in den aanvang, zooals dit met alle koloniën plaats heeft, slechts van hout te worden opgetrokken, namelijk van boomstammen, daar men zelfs de schors aan liet; hout was er in overvloed voorhanden, dank zij het bosch dat naauwelijks honderd ellen van de kolonie verwijderd lag.Deze werken werden met zooveel ernst en vlijt uitgevoerd, dat reeds twee maanden na de aankomst der karavaan op deze plaats, al de gebouwen voltooid en de gansche inrigting genoegzaam gereed was.In het midden der kolonie, had men op eene verheven plaats een[53]soort van toren gebouwd, achthoekig en ongeveer vijf en twintig meters hoog, met een plat dak in den vorm van een terras, en uit drie verdiepingen bestaande; in de benedenste waren de keuken en de gewone bedienden kamers, terwijl het bovenhuis voor de leden van het gezin bestemd was, namelijk voor den kapitein, zijne vrouw, de kinderen en twee kindermeiden, Betsy en Emmy—een paar jonge en sterke Kentuckiërs met bolle blozende wangen—en voor Miss Margaret de keukenmeid, een deftige vrouw, reeds in haar vijf en veertigste jaar, terwijl men haar naauwelijks vijf en dertig zou hebben toegekend en zij nog altijd op den naam van schoon aanspraak kon maken; en eindelijk ook eene kamer voor sergeant Bothrel. Deze toren was gesloten door een stevige met ijzer beslagen deur en in het midden met een schuifje, om te kunnen zien wie er aanklopte.Omtrent tien ellen van den toren, en met dezen door middel van een onderaardschen gang verbonden, lag het woonhuis voor de jagers, dat voor de werklieden, en eindelijk dat der veehoeders en arbeiders.Vervolgens had men de stallen voor de paarden en de schuren voor het vee.Verder, hier en daar verspreid, lagen de wagenhuizen, de werkplaatsen, schuren en andere lokalen om de voortbrengels der kolonie in te bergen.Al deze gebouwen waren, voorzigtigheidshalve, afzonderlijk en ver genoeg van elkander geplaatst, om in geval van brand—die bij houten gebouwen altijd gevaarlijk was—te beletten dat de vlam van het eene naar het andere oversloeg; bovendien waren er van afstand tot afstand putten gegraven, om op alle punten overvloed van water te hebben zonder dat men het uit de rivier behoefde te gaan scheppen.Ten slotte behoeven wij naauwelijks te zeggen dat de kapitein, als een soldaat van ondervinding en met al de listen en gevaren van een oorlog op de grenzen wel bekend, niets verzuimd had om de kolonie tegen een aanval of zelfs tegen eene verrassing te dekken.Drie maanden waren er nu sedert de eerste vestiging der Amerikanen voorbijgegaan; de vallei, voorheen onbebouwd en met bosch bedekt, was thans grootendeels beploegd en bezaaid; de houtvellingen op groote schaal aangelegd, hadden den uitersten zoom der bosschen reeds op twee kilometers afstand van de kolonie verwijderd, alles had het aanzien van welvaart en voorspoed, op eene plek[54]die nog zoo kort te voren, door de zorgeloosheid der Roodhuiden, niets anders opleverde dan hetgeen de natuur zelve tot onmisbaar voedsel voor de beesten voortbragt.In de kom der kolonie was alles een tooneel vol leven en bezieling. Terwijl daarbuiten het vee liep grazen onder opzigt van eenige welgewapende koeherders te paard, en de eeuwenheugende boomstammen vielen onder de noeste bijlslagen der houthakkers, zag men daarbinnen al de werkplaatsen in volle bedrijvigheid, lange rookzuilen verhieven zich uit de smidsen, het gedreun der hamers vermengde zich met het geknars der zagen; langs de rivier lagen hooge stapels timmerhout aan balken of planken gezaagd en een weinig verder groote hoopen hakhout voor brandstof, terwijl eenige schuiten en vlotten aan den oever waren vastgemeerd, en men in de verte van tijd tot tijd schoten hoorde vallen door de jagers die een klopjagt hielden in het bosch, om de kolonisten van wildbraad te voorzien.Het was omtrent vier ure na den middag; de kapitein, gezeten op een heerlijk zwart paard met vier witte hoeven, reed in een korten draf door een pas aangelegd weideveld. Een vergenoegde glimlach ontplooide het strenge gelaat van den ouden krijgsman, toen hij zag welk eene verbazende verandering zijn vaste wil en ongewone bedrijvigheid in zulk een korten tijd hadden te weeg gebragt in deze onbekende streek, dien hij geenszins twijfelde dat, dank zij hare ligging, in een naderende toekomst voor handel en nijverheid van het grootste belang zou worden. Hij was reeds digt bij de kolonie, toen er van achter een hoop takken en wortels, die de arbeiders langs het pad hadden opgestapeld om ze te laten droogen, plotseling een man te voorschijn kwam en hem ter zijde trad. De kapitein kon naauwelijks zijn misnoegen verbergen toen hij in dezen man den Apen-Kop herkende.Wij moeten hier eenige woorden tot opheldering zeggen aangaande dezen persoon, die bestemd is om in den loop van ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.Itsichaiché (de Apen-Kop) was een man van omtrent veertig jaar, lang van gestalte, kloek gebouwd en buigzaam van leden; zijn guitachtig gezigt werd verhelderd door twee kleine oogen van verschillende kleur; zijn korte, zeer stompe haviksneus, zijn breede mond met dunne ingetrokken lippen, gaven hem een uitdrukking van sluwheid en kwaadwilligheid, die ondanks het beleefd gedienstige en katachtig vleijende zijner manieren en de gemaakte zachtheid van zijne stem, ieder die hem zag een onwillekeurigen en onweerstaanbaren afkeer inboezemde.[55]Geheel in strijd met hetgeen gewoonlijk gebeurt wanneer men iemand dagelijks ziet, werd deze ongunstige indruk, in plaats van langzamerhand te verdwijnen, ten zijnen aanzien integendeel gedurig sterker.De Indiaan had zich van zijn pligt als gids eerlijk en naauwgezet gekweten en de Amerikanen zonder slag of stoot naar de plaats hunner bestemming gebragt; na dien tijd was hij echter steeds bij hen gebleven, en had zich om zoo te zeggen in de nieuwe kolonie ingeburgerd, waar hij kwam en ging naar believen, zonder dat iemand naar hem omzag of zich bekommerde om hetgeen hij deed.Menigmaal bleef hij ongevraagd ongeweigerd verscheidene dagen achtereen weg, en keerde dan op eens weder terug, zonder dat het mogelijk scheen eenige opheldering van hem te ontvangen, of te vernemen waar hij zoo lang geweest was of wat hij gedurende zijne afwezigheid gedaan had.Intusschen was er een lid van de kolonie, aan wie het sombere uitzigt van den Indiaan eene gestadige en onverklaarbare vrees inboezemde en die haar afkeer niet kon onderdrukken, al wist zij ook niet waaraan zij dit onaangename gevoel moest toeschrijven; deze persoon was Mistress Watt. De moederlijke liefde maakte haar scherpziende; de jonge vrouw hield onbeschrijfelijk veel van hare kinderen, en zoo vaak de Roodhuid al was het maar een onverschilligen blik op de onnoozele schaapjes deed vallen, ging de arme moeder eene huivering over het lijf en haastte zij zich om de beide schatten, die alles voor haar waren, aan zijn oog te onttrekken.Meermalen had zij gepoogd hare vrees aan haar man mede te deelen, maar al hare aanmerkingen deswegens beantwoordde de kapitein met een geruststellend schouderophalen, in de vaste meening dat de ongunstige indruk mettertijd wel slijten en eindelijk geheel verdwijnen zou. Mistress Watt kwam echter telkens met stijfhoofdige volharding op hare eenmaal opgevatte denkbeelden terug en veranderde niet, zoodat de kapitein er ten laatste ongeduldig onder werd, en daar hij geen voldoende reden had om tegenover de vrouw die hij innig achtte en lief had, een man in bescherming te nemen daar hij volstrekt niets om gaf, beloofde hij haar eindelijk dat hij haar van het gevreesde monster zou ontslaan. Toen derhalve de Indiaan weder verscheidene dagen weg was gebleven, nam hij zich voor om zoodra hij terug kwam, hem opheldering te vragen van zijn geheimzinnig gedrag, en ingeval de andere geen voldoend of redelijk antwoord gaf, hem maar ronduit[56]te zeggen dat hij hem niet langer op de kolonie wilde zien en hij zich op staanden voet en voor altijd moest verwijderen.In deze gemoedsstemming bevond zich de kapitein tegenover den Apen-Kop, toen het toeval wilde dat hij dezen op eene plaats ontmoette, waar hij hem het minst verwachtte.Zoodra hij den Indiaan zag, hield de kapitein zijn paard in.„Gaat mijn vader de vallei bezoeken?” vroeg de Pawnee.„Ja,” antwoordde hij.„O!” hervatte de Indiaan, met een omzigtigen blik om zich heen, „alles is wel zeer veranderd, sedert de Lang-Messen uit het Westen rustig wonen op het terrein daar zij de Slangen-Pawnees van beroofd hebben.”De Indiaan sprak deze woorden op somber zwaarmoedigen toon, zoodat de kapitein hem niet zonder ongerustheid aanhoorde.„Is dat een klagt die gij uitspreekt, hoofdman?” vroeg hij, „die klinkt toch zeer ongepast in uw mond, daar gij zelf mij het land hebt verkocht dat ik thans in bezit heb.”„Dat is waar,” riep de Indiaan hoofdschuddend, „de Apen-Kop heeft het regt niet om zich te beklagen, hij zelf heeft aan de Bleekgezigten uit het Westen de gronden verkocht, waar het gebeente zijner vaderen rust en waar hij zelf en zijne broeders zoo vaak op elanden en jaguars jagt maakten.”„Zoo, hoofdman, ik vind u van daag vrij naargeestig, wat schort u toch? Hadt gij, toen gij dezen morgen wakker werdt, op uw linkerzij gelegen?” vroeg de kapitein, zinspelende op een der meest verspreide bijgeloovigheden onder de Indianen.„Neen,” antwoordde hij, „de Apen-Kop heeft goed geslapen, geheel zonder kwade voorteekenen of iets dat de rust van zijn geest kon verstoren.”„Dan wensch ik u geluk, hoofdman.”„Mijn vader heeft wel een weinig tabak voor zijn zoon, om met hem de pijp der vriendschap te rooken bij zijne terugkomst.”„Dat kan wel: maar eerst moet ik u eene vraag doen.”„Mijn vader spreke, de ooren van zijn zoon zijn open.”„Het is nu reeds een geruimen tijd dat wij hier gevestigd zijn, hoofdman,” hervatte de kapitein.„Ja, de vierde maan begint.”„Hoor eens, gij zijt sedert onze komst zeer dikwijls heengegaan zonder ons te waarschuwen.”„Waartoe zou dat dienen? de lucht en de ruimte behooren niet aan de Bleekgezigten, ik denk toch dat een krijgsman der Pawnees,[57]vrij genoeg is om te gaan waar hij goedvindt; hij was voorheen een beroemd opperhoofd in zijn stam.”„Dat mag alles waar zijn, krijgsman, en kan mij weinig schelen, maar wat mij zeer veel aangaat, is de rust en de veiligheid van mijn gezin en van de menschen die ik hier bij mij heb.”„Welnu,” riep de Roodhuid, „in welk opzigt zou de Apen-Kop die rust en veiligheid in gevaar kunnen brengen?”„Dat zal ik u zeggen, hoofdman, luister met aandacht, want wat gij hooren zult is ernstig.”„De Apen-Kop is maar een arme Indiaan,” antwoordde de Roodhuid spotachtig, „de Groote Geest gaf hem het helder en slim doorzigt niet dat de Bleekgezigten bezitten, maar toch zal ik mijn vader trachten te begrijpen.”„Gij zijt zoo dom niet als gij op dit oogenblik wel gelieft te schijnen, hoofdman; ik ben zeker dat gij mij volkomen begrijpen zult, als gij u die moeite wilt geven.”„Het opperhoofd zal zijn best doen.”De kapitein weerhield naauwelijks zijn ongenoegen.„Wij bevinden ons hier niet in een der groote steden in het hart der Amerikaansche Unie,” begon hij, „waar de wet de burgers beschermt en voor hunne veiligheid waakt, maar wij zijn op het gebied der Roodhuiden, ver van alle andere bescherming dan onze eigene; wij hebben hier van niemand hulp te verwachten, integendeel zijn wij door waakzame vijanden omgeven, die op een gunstig oogenblik loeren, om ons aan te vallen en ons te vermoorden als zij kunnen, het is derhalve onze pligt om met de meeste omzigtigheid te waken voor ons behoud, dat door de kleinste nalatigheid schromelijk kan worden bedreigd. Begrijpt gij dat, hoofdman?”„Ja, mijn vader heeft goed gesproken, zijn hoofd is grijs en zijne wijsheid is groot.”„Ik moet dus op alles acht geven,” vervolgde de kapitein, „de gangen en handelingen van al de meer of min tot de kolonie behoorende personen naauwkeurig nagaan, en als die gangen of handelingen mij verdacht voorkomen, hun om opheldering vragen, die zij het regt niet hebben mij te weigeren; nu ben ik tot mijn groote spijt verpligt u te bekennen, hoofdman, dat het leven hetwelk gij sinds eenigen tijd leidt mij meer dan verdacht voorkomt, dat het mijn nadenken zeer heeft opgewekt on dat ik van u eene voldoende verklaring verwacht.”De Roodhuid had zich tot dusver goed gehouden; geen spier op zijn gelaat had zich bewogen, zoodat de kapitein, die hem scherp[58]in het oog hield, geen het minste spoor van ontroering bij hem kon opmerken. De Indiaan had de vraag die hem werd voorgesteld wel verwacht en was gereed om er op te antwoorden.„De Apen-Kop heeft mijn vader en zijne kinderen van de groote steenen steden der Lang-Messen uit het Westen tot hier geleid. Kan mijn vader het opperhoofd daarom iets verwijten?”„In het minst niet, dat moet ik bekennen, hoofdman,” antwoorde de kapitein onbewimpeld: „gij hebt u eerlijk van uwe verpligting gekweten.”„Waarom trekt mijn vader dan een huid over zijn hart en waarom koestert zijn geest argwaan tegen een man, dien hij, zooals hij zelf zegt, niets te verwijten heeft; is dat nu de geregtigheid der Bleekgezigten?”„Laten wij niet van ons onderwerp afdwalen, hoofdman, en bovenal laten wij het niet verkeerd aanpakken, ik kan mij met uwe Indiaansche breedsprakigheid niet inlaten, ik verzoek u dus om mij de reden van uwe herhaalde afwezigheid duidelijk op te helderen en mij een afdoend bewijs van uwe onschuld te geven; als gij hieraan niet voldoet moet ik u kort en bondig zeggen dat gij geen oogenblik langer in de kolonie moogt blijven, en dat ik u noodzaken zal mijn grondgebied te verlaten om er nooit weer terug te komen.”Uit het oog van den Roodhuid bliksemde een straal van onbeschrijfelijken haat, maar hij temperde terstond den gloed van zijn blik en antwoordde met een slepende stem zoo zacht mogelijk:„DeApen-Kopis een arme Indiaan; zijne broeders verstieten hem omdat hij de Bleekgezigten liefhad; hij had gehoopt bij de Lang-Messen van het Westen, zooal geen vriendschap, dan ten minste dankbaarheid te vinden, voor de diensten die hij hun bewees: maar hij heeft zich bedrogen.”„Dat doet hier niets ter zake,” hernam de kapitein ongeduldig, „wilt ge antwoorden, ja of neen?”De Indiaan rigtte zich op in zijne volle lengte, en naderde den spreker zoo digt dat hij hem bijna aanraakte.„En als ik dit weiger?” vroeg hij met een blik van uitdaging en toorn.„Als gij weigert, ellendeling! dan verbied ik u mij ooit weder onder de oogen te komen, en zoo gij mij durft trotseren zal ik u met mijn karwats afranselen als een hond.”Naauwelijks had de kapitein deze beleedigende woorden geuit, of zij berouwden hem reeds: hij zag zich alleen en zonder wapens tegenover een man dien hij diep gekrenkt had; hij beproefde[59]dus de zaak weder goed te maken.„Maar,” vervolgde hij, „de Apen-Kop is een opperhoofd, hij heeft verstand en hij zal mij wel antwoorden, want hij weet dat ik van hem houd.”„Gij liegt! gij bleeke hond,” riep de Indiaan knarstandend van woede, „gij haat mij bijna even sterk, als ik u haat!”De kapitein, zich zelven niet langer meester, hief de zweep reeds op die hij in zijne hand had, maar op hetzelfde oogenblik sprong de Indiaan als een tijger op hem toe, zat in eens achter hem op het paard, tilde den kapitein uit den zadel, wierp hem tegen den grond en greep den teugel.„De Bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de krijgslieden der Pawnees verachten hen en zullen hun vrouwenrokken zenden.”Na deze woorden te hebben uitgebruld, op een toon van verguizing die niet zich laat beschrijven, boog de Indiaan op den hals van het paard, vierde het den teugel en verwijderde zich in vliegenden galop onder een schaterend gelach, zonder zich verder met den kapitein te bemoeijen, dien hij zwaar gekneusd op den grond liet liggen.James Watt was de man niet om zulk eene mishandeling te ondergaan, zonder op wraak bedacht te zijn; hij stond op zoo snel als zijne beenen toelieten, en schreeuwde zoo hard hij kon, om de in het veld verstrooide jagers en houthakkers tot zich te roepen.Sommigen hadden het gebeurde in de verte gezien en ijlden den kapitein ter hulp, maar eer zij hem bereikten of eer hij tijd had om hun te zeggen wat er gebeurd was en orders te geven om den vlugteling na te zetten, verdween deze reeds in het bosch.De jagers echter, onder aanvoering van Bothrel, renden den Indiaan in vliegenden galop achterna en zwoeren dat zij hem levend of dood zouden terugbrengen.De kapitein volgde hen met de oogen, tot hij ze den een na den ander in het geboomte zag verdwijnen, en keerde toen met langzamen tred naar de kolonie terug, in diepe gedachten over hetgeen tusschen hem en den Roodhuid was voorgevallen en met een beklemd hart over de waarschijnlijke gevolgen.Eene zaak vooral voorspelde hem het ergste, namelijk dat de Apen-Kop, die anders altijd zoo sluw en voorzigtig was, hem thans zoo ruw had durven bejegenen; daarvoor moest een geduchte reden bestaan, anders zou de vrees voor straf hem zeker hebben teruggehouden.[60]

VII.DE APEN-KOP.

Wij hebben vroeger reeds in de hoofdzaak gezien, hoe de kapitein zich van het door hem gekochte terrein meester maakte. Thans zullen wij vermelden hoe hij er zich op vestigde en welke voorzorgen hij nam, om niet verontrust te worden door de arme Indianen, die hij zoo woest uit hunne bezittingen had verdreven, en die hij, volgens hun bekend karakter, wel gissen kon, dat zich niet voor geslagen konden houden maar die zeker vroeg of laat zouden terugkomen, om eene bloedige wraak te nemen over de gruwzame mishandeling die zij hadden moeten ondergaan.Het gevecht met de Indianen was scherp en moorddadig geweest, maar door de tusschenkomst van den Apen-Kop, die den kapitein op al de zwakke punten derAtepetl(dorp) inlichtte, en vooral door de vuurwapenen die den Amerikanen verre de overhand gaf, waren de Indianen eindelijk genoodzaakt te vlugten en alles wat zij bezeten hadden aan de overwinnaars achter te laten.[52]Armoedige buit, alleen bestaande in dierenvellen en eenige lompe van leem gebakken vazen of potten.De kapitein zag zich naauwelijks meester van de plaats, of hij begon zijne taak met het leggen der grondslagen voor de nieuwe kolonie; hij begreep de noodzakelijkheid om zich zoo spoedig mogelijk tegen eene overrompeling in veiligheid te stellen.Het terrein waar het dorp gestaan had, werd eerst geruimd en gereinigd van de ruïnen die er verspreid lagen; vervolgens begonnen de aardwerkers den grond gelijk te maken en eene ringgracht te graven van zes ellen breedte en vier ellen diepte, die door middel van een sprank, aan den eenen kant met de kleinere rivier en aan de andere zijde met de Missouri in verband werd gebragt; achter deze gracht en op de kruin van het talud door de opgeworpen aarde gevormd, plantte men eene rij palen van vier ellen hoog en met stevige ijzeren klampen onderling zamen verbonden, terwijl men zorg droeg, van afstand tot afstand, kleine bijna onzigtbare openingen te laten, om er het schietgeweer in te leggen en zich dus veilig achter eene geschikte borstwering te kunnen verdedigen. In deze verschansing werd tevens een gesloten poort aangebragt, breed genoeg om een wagen door te laten, en daar buiten, dwars over de gracht, lag een wipbrug die elken avond met zonsondergang werd opgehaald.Deze voorloopige voorzorgen eenmaal genomen zijnde, was er binnen de gracht een terrein van ongeveer vierduizend vierkante ellen, aan alle zijden door water en stevige palissaden ingesloten, behalve aan de zijde der Missouri, daar men de rivier wegens hare breedte en diepte als een genoegzamen waarborg van veiligheid beschouwde.Het was binnen den omtrek van dit vrije terrein dat kapitein Watt thans de gebouwen en andere vereischten voor de kolonie begon in te rigten.Die gebouwen behoefden in den aanvang, zooals dit met alle koloniën plaats heeft, slechts van hout te worden opgetrokken, namelijk van boomstammen, daar men zelfs de schors aan liet; hout was er in overvloed voorhanden, dank zij het bosch dat naauwelijks honderd ellen van de kolonie verwijderd lag.Deze werken werden met zooveel ernst en vlijt uitgevoerd, dat reeds twee maanden na de aankomst der karavaan op deze plaats, al de gebouwen voltooid en de gansche inrigting genoegzaam gereed was.In het midden der kolonie, had men op eene verheven plaats een[53]soort van toren gebouwd, achthoekig en ongeveer vijf en twintig meters hoog, met een plat dak in den vorm van een terras, en uit drie verdiepingen bestaande; in de benedenste waren de keuken en de gewone bedienden kamers, terwijl het bovenhuis voor de leden van het gezin bestemd was, namelijk voor den kapitein, zijne vrouw, de kinderen en twee kindermeiden, Betsy en Emmy—een paar jonge en sterke Kentuckiërs met bolle blozende wangen—en voor Miss Margaret de keukenmeid, een deftige vrouw, reeds in haar vijf en veertigste jaar, terwijl men haar naauwelijks vijf en dertig zou hebben toegekend en zij nog altijd op den naam van schoon aanspraak kon maken; en eindelijk ook eene kamer voor sergeant Bothrel. Deze toren was gesloten door een stevige met ijzer beslagen deur en in het midden met een schuifje, om te kunnen zien wie er aanklopte.Omtrent tien ellen van den toren, en met dezen door middel van een onderaardschen gang verbonden, lag het woonhuis voor de jagers, dat voor de werklieden, en eindelijk dat der veehoeders en arbeiders.Vervolgens had men de stallen voor de paarden en de schuren voor het vee.Verder, hier en daar verspreid, lagen de wagenhuizen, de werkplaatsen, schuren en andere lokalen om de voortbrengels der kolonie in te bergen.Al deze gebouwen waren, voorzigtigheidshalve, afzonderlijk en ver genoeg van elkander geplaatst, om in geval van brand—die bij houten gebouwen altijd gevaarlijk was—te beletten dat de vlam van het eene naar het andere oversloeg; bovendien waren er van afstand tot afstand putten gegraven, om op alle punten overvloed van water te hebben zonder dat men het uit de rivier behoefde te gaan scheppen.Ten slotte behoeven wij naauwelijks te zeggen dat de kapitein, als een soldaat van ondervinding en met al de listen en gevaren van een oorlog op de grenzen wel bekend, niets verzuimd had om de kolonie tegen een aanval of zelfs tegen eene verrassing te dekken.Drie maanden waren er nu sedert de eerste vestiging der Amerikanen voorbijgegaan; de vallei, voorheen onbebouwd en met bosch bedekt, was thans grootendeels beploegd en bezaaid; de houtvellingen op groote schaal aangelegd, hadden den uitersten zoom der bosschen reeds op twee kilometers afstand van de kolonie verwijderd, alles had het aanzien van welvaart en voorspoed, op eene plek[54]die nog zoo kort te voren, door de zorgeloosheid der Roodhuiden, niets anders opleverde dan hetgeen de natuur zelve tot onmisbaar voedsel voor de beesten voortbragt.In de kom der kolonie was alles een tooneel vol leven en bezieling. Terwijl daarbuiten het vee liep grazen onder opzigt van eenige welgewapende koeherders te paard, en de eeuwenheugende boomstammen vielen onder de noeste bijlslagen der houthakkers, zag men daarbinnen al de werkplaatsen in volle bedrijvigheid, lange rookzuilen verhieven zich uit de smidsen, het gedreun der hamers vermengde zich met het geknars der zagen; langs de rivier lagen hooge stapels timmerhout aan balken of planken gezaagd en een weinig verder groote hoopen hakhout voor brandstof, terwijl eenige schuiten en vlotten aan den oever waren vastgemeerd, en men in de verte van tijd tot tijd schoten hoorde vallen door de jagers die een klopjagt hielden in het bosch, om de kolonisten van wildbraad te voorzien.Het was omtrent vier ure na den middag; de kapitein, gezeten op een heerlijk zwart paard met vier witte hoeven, reed in een korten draf door een pas aangelegd weideveld. Een vergenoegde glimlach ontplooide het strenge gelaat van den ouden krijgsman, toen hij zag welk eene verbazende verandering zijn vaste wil en ongewone bedrijvigheid in zulk een korten tijd hadden te weeg gebragt in deze onbekende streek, dien hij geenszins twijfelde dat, dank zij hare ligging, in een naderende toekomst voor handel en nijverheid van het grootste belang zou worden. Hij was reeds digt bij de kolonie, toen er van achter een hoop takken en wortels, die de arbeiders langs het pad hadden opgestapeld om ze te laten droogen, plotseling een man te voorschijn kwam en hem ter zijde trad. De kapitein kon naauwelijks zijn misnoegen verbergen toen hij in dezen man den Apen-Kop herkende.Wij moeten hier eenige woorden tot opheldering zeggen aangaande dezen persoon, die bestemd is om in den loop van ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.Itsichaiché (de Apen-Kop) was een man van omtrent veertig jaar, lang van gestalte, kloek gebouwd en buigzaam van leden; zijn guitachtig gezigt werd verhelderd door twee kleine oogen van verschillende kleur; zijn korte, zeer stompe haviksneus, zijn breede mond met dunne ingetrokken lippen, gaven hem een uitdrukking van sluwheid en kwaadwilligheid, die ondanks het beleefd gedienstige en katachtig vleijende zijner manieren en de gemaakte zachtheid van zijne stem, ieder die hem zag een onwillekeurigen en onweerstaanbaren afkeer inboezemde.[55]Geheel in strijd met hetgeen gewoonlijk gebeurt wanneer men iemand dagelijks ziet, werd deze ongunstige indruk, in plaats van langzamerhand te verdwijnen, ten zijnen aanzien integendeel gedurig sterker.De Indiaan had zich van zijn pligt als gids eerlijk en naauwgezet gekweten en de Amerikanen zonder slag of stoot naar de plaats hunner bestemming gebragt; na dien tijd was hij echter steeds bij hen gebleven, en had zich om zoo te zeggen in de nieuwe kolonie ingeburgerd, waar hij kwam en ging naar believen, zonder dat iemand naar hem omzag of zich bekommerde om hetgeen hij deed.Menigmaal bleef hij ongevraagd ongeweigerd verscheidene dagen achtereen weg, en keerde dan op eens weder terug, zonder dat het mogelijk scheen eenige opheldering van hem te ontvangen, of te vernemen waar hij zoo lang geweest was of wat hij gedurende zijne afwezigheid gedaan had.Intusschen was er een lid van de kolonie, aan wie het sombere uitzigt van den Indiaan eene gestadige en onverklaarbare vrees inboezemde en die haar afkeer niet kon onderdrukken, al wist zij ook niet waaraan zij dit onaangename gevoel moest toeschrijven; deze persoon was Mistress Watt. De moederlijke liefde maakte haar scherpziende; de jonge vrouw hield onbeschrijfelijk veel van hare kinderen, en zoo vaak de Roodhuid al was het maar een onverschilligen blik op de onnoozele schaapjes deed vallen, ging de arme moeder eene huivering over het lijf en haastte zij zich om de beide schatten, die alles voor haar waren, aan zijn oog te onttrekken.Meermalen had zij gepoogd hare vrees aan haar man mede te deelen, maar al hare aanmerkingen deswegens beantwoordde de kapitein met een geruststellend schouderophalen, in de vaste meening dat de ongunstige indruk mettertijd wel slijten en eindelijk geheel verdwijnen zou. Mistress Watt kwam echter telkens met stijfhoofdige volharding op hare eenmaal opgevatte denkbeelden terug en veranderde niet, zoodat de kapitein er ten laatste ongeduldig onder werd, en daar hij geen voldoende reden had om tegenover de vrouw die hij innig achtte en lief had, een man in bescherming te nemen daar hij volstrekt niets om gaf, beloofde hij haar eindelijk dat hij haar van het gevreesde monster zou ontslaan. Toen derhalve de Indiaan weder verscheidene dagen weg was gebleven, nam hij zich voor om zoodra hij terug kwam, hem opheldering te vragen van zijn geheimzinnig gedrag, en ingeval de andere geen voldoend of redelijk antwoord gaf, hem maar ronduit[56]te zeggen dat hij hem niet langer op de kolonie wilde zien en hij zich op staanden voet en voor altijd moest verwijderen.In deze gemoedsstemming bevond zich de kapitein tegenover den Apen-Kop, toen het toeval wilde dat hij dezen op eene plaats ontmoette, waar hij hem het minst verwachtte.Zoodra hij den Indiaan zag, hield de kapitein zijn paard in.„Gaat mijn vader de vallei bezoeken?” vroeg de Pawnee.„Ja,” antwoordde hij.„O!” hervatte de Indiaan, met een omzigtigen blik om zich heen, „alles is wel zeer veranderd, sedert de Lang-Messen uit het Westen rustig wonen op het terrein daar zij de Slangen-Pawnees van beroofd hebben.”De Indiaan sprak deze woorden op somber zwaarmoedigen toon, zoodat de kapitein hem niet zonder ongerustheid aanhoorde.„Is dat een klagt die gij uitspreekt, hoofdman?” vroeg hij, „die klinkt toch zeer ongepast in uw mond, daar gij zelf mij het land hebt verkocht dat ik thans in bezit heb.”„Dat is waar,” riep de Indiaan hoofdschuddend, „de Apen-Kop heeft het regt niet om zich te beklagen, hij zelf heeft aan de Bleekgezigten uit het Westen de gronden verkocht, waar het gebeente zijner vaderen rust en waar hij zelf en zijne broeders zoo vaak op elanden en jaguars jagt maakten.”„Zoo, hoofdman, ik vind u van daag vrij naargeestig, wat schort u toch? Hadt gij, toen gij dezen morgen wakker werdt, op uw linkerzij gelegen?” vroeg de kapitein, zinspelende op een der meest verspreide bijgeloovigheden onder de Indianen.„Neen,” antwoordde hij, „de Apen-Kop heeft goed geslapen, geheel zonder kwade voorteekenen of iets dat de rust van zijn geest kon verstoren.”„Dan wensch ik u geluk, hoofdman.”„Mijn vader heeft wel een weinig tabak voor zijn zoon, om met hem de pijp der vriendschap te rooken bij zijne terugkomst.”„Dat kan wel: maar eerst moet ik u eene vraag doen.”„Mijn vader spreke, de ooren van zijn zoon zijn open.”„Het is nu reeds een geruimen tijd dat wij hier gevestigd zijn, hoofdman,” hervatte de kapitein.„Ja, de vierde maan begint.”„Hoor eens, gij zijt sedert onze komst zeer dikwijls heengegaan zonder ons te waarschuwen.”„Waartoe zou dat dienen? de lucht en de ruimte behooren niet aan de Bleekgezigten, ik denk toch dat een krijgsman der Pawnees,[57]vrij genoeg is om te gaan waar hij goedvindt; hij was voorheen een beroemd opperhoofd in zijn stam.”„Dat mag alles waar zijn, krijgsman, en kan mij weinig schelen, maar wat mij zeer veel aangaat, is de rust en de veiligheid van mijn gezin en van de menschen die ik hier bij mij heb.”„Welnu,” riep de Roodhuid, „in welk opzigt zou de Apen-Kop die rust en veiligheid in gevaar kunnen brengen?”„Dat zal ik u zeggen, hoofdman, luister met aandacht, want wat gij hooren zult is ernstig.”„De Apen-Kop is maar een arme Indiaan,” antwoordde de Roodhuid spotachtig, „de Groote Geest gaf hem het helder en slim doorzigt niet dat de Bleekgezigten bezitten, maar toch zal ik mijn vader trachten te begrijpen.”„Gij zijt zoo dom niet als gij op dit oogenblik wel gelieft te schijnen, hoofdman; ik ben zeker dat gij mij volkomen begrijpen zult, als gij u die moeite wilt geven.”„Het opperhoofd zal zijn best doen.”De kapitein weerhield naauwelijks zijn ongenoegen.„Wij bevinden ons hier niet in een der groote steden in het hart der Amerikaansche Unie,” begon hij, „waar de wet de burgers beschermt en voor hunne veiligheid waakt, maar wij zijn op het gebied der Roodhuiden, ver van alle andere bescherming dan onze eigene; wij hebben hier van niemand hulp te verwachten, integendeel zijn wij door waakzame vijanden omgeven, die op een gunstig oogenblik loeren, om ons aan te vallen en ons te vermoorden als zij kunnen, het is derhalve onze pligt om met de meeste omzigtigheid te waken voor ons behoud, dat door de kleinste nalatigheid schromelijk kan worden bedreigd. Begrijpt gij dat, hoofdman?”„Ja, mijn vader heeft goed gesproken, zijn hoofd is grijs en zijne wijsheid is groot.”„Ik moet dus op alles acht geven,” vervolgde de kapitein, „de gangen en handelingen van al de meer of min tot de kolonie behoorende personen naauwkeurig nagaan, en als die gangen of handelingen mij verdacht voorkomen, hun om opheldering vragen, die zij het regt niet hebben mij te weigeren; nu ben ik tot mijn groote spijt verpligt u te bekennen, hoofdman, dat het leven hetwelk gij sinds eenigen tijd leidt mij meer dan verdacht voorkomt, dat het mijn nadenken zeer heeft opgewekt on dat ik van u eene voldoende verklaring verwacht.”De Roodhuid had zich tot dusver goed gehouden; geen spier op zijn gelaat had zich bewogen, zoodat de kapitein, die hem scherp[58]in het oog hield, geen het minste spoor van ontroering bij hem kon opmerken. De Indiaan had de vraag die hem werd voorgesteld wel verwacht en was gereed om er op te antwoorden.„De Apen-Kop heeft mijn vader en zijne kinderen van de groote steenen steden der Lang-Messen uit het Westen tot hier geleid. Kan mijn vader het opperhoofd daarom iets verwijten?”„In het minst niet, dat moet ik bekennen, hoofdman,” antwoorde de kapitein onbewimpeld: „gij hebt u eerlijk van uwe verpligting gekweten.”„Waarom trekt mijn vader dan een huid over zijn hart en waarom koestert zijn geest argwaan tegen een man, dien hij, zooals hij zelf zegt, niets te verwijten heeft; is dat nu de geregtigheid der Bleekgezigten?”„Laten wij niet van ons onderwerp afdwalen, hoofdman, en bovenal laten wij het niet verkeerd aanpakken, ik kan mij met uwe Indiaansche breedsprakigheid niet inlaten, ik verzoek u dus om mij de reden van uwe herhaalde afwezigheid duidelijk op te helderen en mij een afdoend bewijs van uwe onschuld te geven; als gij hieraan niet voldoet moet ik u kort en bondig zeggen dat gij geen oogenblik langer in de kolonie moogt blijven, en dat ik u noodzaken zal mijn grondgebied te verlaten om er nooit weer terug te komen.”Uit het oog van den Roodhuid bliksemde een straal van onbeschrijfelijken haat, maar hij temperde terstond den gloed van zijn blik en antwoordde met een slepende stem zoo zacht mogelijk:„DeApen-Kopis een arme Indiaan; zijne broeders verstieten hem omdat hij de Bleekgezigten liefhad; hij had gehoopt bij de Lang-Messen van het Westen, zooal geen vriendschap, dan ten minste dankbaarheid te vinden, voor de diensten die hij hun bewees: maar hij heeft zich bedrogen.”„Dat doet hier niets ter zake,” hernam de kapitein ongeduldig, „wilt ge antwoorden, ja of neen?”De Indiaan rigtte zich op in zijne volle lengte, en naderde den spreker zoo digt dat hij hem bijna aanraakte.„En als ik dit weiger?” vroeg hij met een blik van uitdaging en toorn.„Als gij weigert, ellendeling! dan verbied ik u mij ooit weder onder de oogen te komen, en zoo gij mij durft trotseren zal ik u met mijn karwats afranselen als een hond.”Naauwelijks had de kapitein deze beleedigende woorden geuit, of zij berouwden hem reeds: hij zag zich alleen en zonder wapens tegenover een man dien hij diep gekrenkt had; hij beproefde[59]dus de zaak weder goed te maken.„Maar,” vervolgde hij, „de Apen-Kop is een opperhoofd, hij heeft verstand en hij zal mij wel antwoorden, want hij weet dat ik van hem houd.”„Gij liegt! gij bleeke hond,” riep de Indiaan knarstandend van woede, „gij haat mij bijna even sterk, als ik u haat!”De kapitein, zich zelven niet langer meester, hief de zweep reeds op die hij in zijne hand had, maar op hetzelfde oogenblik sprong de Indiaan als een tijger op hem toe, zat in eens achter hem op het paard, tilde den kapitein uit den zadel, wierp hem tegen den grond en greep den teugel.„De Bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de krijgslieden der Pawnees verachten hen en zullen hun vrouwenrokken zenden.”Na deze woorden te hebben uitgebruld, op een toon van verguizing die niet zich laat beschrijven, boog de Indiaan op den hals van het paard, vierde het den teugel en verwijderde zich in vliegenden galop onder een schaterend gelach, zonder zich verder met den kapitein te bemoeijen, dien hij zwaar gekneusd op den grond liet liggen.James Watt was de man niet om zulk eene mishandeling te ondergaan, zonder op wraak bedacht te zijn; hij stond op zoo snel als zijne beenen toelieten, en schreeuwde zoo hard hij kon, om de in het veld verstrooide jagers en houthakkers tot zich te roepen.Sommigen hadden het gebeurde in de verte gezien en ijlden den kapitein ter hulp, maar eer zij hem bereikten of eer hij tijd had om hun te zeggen wat er gebeurd was en orders te geven om den vlugteling na te zetten, verdween deze reeds in het bosch.De jagers echter, onder aanvoering van Bothrel, renden den Indiaan in vliegenden galop achterna en zwoeren dat zij hem levend of dood zouden terugbrengen.De kapitein volgde hen met de oogen, tot hij ze den een na den ander in het geboomte zag verdwijnen, en keerde toen met langzamen tred naar de kolonie terug, in diepe gedachten over hetgeen tusschen hem en den Roodhuid was voorgevallen en met een beklemd hart over de waarschijnlijke gevolgen.Eene zaak vooral voorspelde hem het ergste, namelijk dat de Apen-Kop, die anders altijd zoo sluw en voorzigtig was, hem thans zoo ruw had durven bejegenen; daarvoor moest een geduchte reden bestaan, anders zou de vrees voor straf hem zeker hebben teruggehouden.[60]

Wij hebben vroeger reeds in de hoofdzaak gezien, hoe de kapitein zich van het door hem gekochte terrein meester maakte. Thans zullen wij vermelden hoe hij er zich op vestigde en welke voorzorgen hij nam, om niet verontrust te worden door de arme Indianen, die hij zoo woest uit hunne bezittingen had verdreven, en die hij, volgens hun bekend karakter, wel gissen kon, dat zich niet voor geslagen konden houden maar die zeker vroeg of laat zouden terugkomen, om eene bloedige wraak te nemen over de gruwzame mishandeling die zij hadden moeten ondergaan.

Het gevecht met de Indianen was scherp en moorddadig geweest, maar door de tusschenkomst van den Apen-Kop, die den kapitein op al de zwakke punten derAtepetl(dorp) inlichtte, en vooral door de vuurwapenen die den Amerikanen verre de overhand gaf, waren de Indianen eindelijk genoodzaakt te vlugten en alles wat zij bezeten hadden aan de overwinnaars achter te laten.[52]

Armoedige buit, alleen bestaande in dierenvellen en eenige lompe van leem gebakken vazen of potten.

De kapitein zag zich naauwelijks meester van de plaats, of hij begon zijne taak met het leggen der grondslagen voor de nieuwe kolonie; hij begreep de noodzakelijkheid om zich zoo spoedig mogelijk tegen eene overrompeling in veiligheid te stellen.

Het terrein waar het dorp gestaan had, werd eerst geruimd en gereinigd van de ruïnen die er verspreid lagen; vervolgens begonnen de aardwerkers den grond gelijk te maken en eene ringgracht te graven van zes ellen breedte en vier ellen diepte, die door middel van een sprank, aan den eenen kant met de kleinere rivier en aan de andere zijde met de Missouri in verband werd gebragt; achter deze gracht en op de kruin van het talud door de opgeworpen aarde gevormd, plantte men eene rij palen van vier ellen hoog en met stevige ijzeren klampen onderling zamen verbonden, terwijl men zorg droeg, van afstand tot afstand, kleine bijna onzigtbare openingen te laten, om er het schietgeweer in te leggen en zich dus veilig achter eene geschikte borstwering te kunnen verdedigen. In deze verschansing werd tevens een gesloten poort aangebragt, breed genoeg om een wagen door te laten, en daar buiten, dwars over de gracht, lag een wipbrug die elken avond met zonsondergang werd opgehaald.

Deze voorloopige voorzorgen eenmaal genomen zijnde, was er binnen de gracht een terrein van ongeveer vierduizend vierkante ellen, aan alle zijden door water en stevige palissaden ingesloten, behalve aan de zijde der Missouri, daar men de rivier wegens hare breedte en diepte als een genoegzamen waarborg van veiligheid beschouwde.

Het was binnen den omtrek van dit vrije terrein dat kapitein Watt thans de gebouwen en andere vereischten voor de kolonie begon in te rigten.

Die gebouwen behoefden in den aanvang, zooals dit met alle koloniën plaats heeft, slechts van hout te worden opgetrokken, namelijk van boomstammen, daar men zelfs de schors aan liet; hout was er in overvloed voorhanden, dank zij het bosch dat naauwelijks honderd ellen van de kolonie verwijderd lag.

Deze werken werden met zooveel ernst en vlijt uitgevoerd, dat reeds twee maanden na de aankomst der karavaan op deze plaats, al de gebouwen voltooid en de gansche inrigting genoegzaam gereed was.

In het midden der kolonie, had men op eene verheven plaats een[53]soort van toren gebouwd, achthoekig en ongeveer vijf en twintig meters hoog, met een plat dak in den vorm van een terras, en uit drie verdiepingen bestaande; in de benedenste waren de keuken en de gewone bedienden kamers, terwijl het bovenhuis voor de leden van het gezin bestemd was, namelijk voor den kapitein, zijne vrouw, de kinderen en twee kindermeiden, Betsy en Emmy—een paar jonge en sterke Kentuckiërs met bolle blozende wangen—en voor Miss Margaret de keukenmeid, een deftige vrouw, reeds in haar vijf en veertigste jaar, terwijl men haar naauwelijks vijf en dertig zou hebben toegekend en zij nog altijd op den naam van schoon aanspraak kon maken; en eindelijk ook eene kamer voor sergeant Bothrel. Deze toren was gesloten door een stevige met ijzer beslagen deur en in het midden met een schuifje, om te kunnen zien wie er aanklopte.

Omtrent tien ellen van den toren, en met dezen door middel van een onderaardschen gang verbonden, lag het woonhuis voor de jagers, dat voor de werklieden, en eindelijk dat der veehoeders en arbeiders.

Vervolgens had men de stallen voor de paarden en de schuren voor het vee.

Verder, hier en daar verspreid, lagen de wagenhuizen, de werkplaatsen, schuren en andere lokalen om de voortbrengels der kolonie in te bergen.

Al deze gebouwen waren, voorzigtigheidshalve, afzonderlijk en ver genoeg van elkander geplaatst, om in geval van brand—die bij houten gebouwen altijd gevaarlijk was—te beletten dat de vlam van het eene naar het andere oversloeg; bovendien waren er van afstand tot afstand putten gegraven, om op alle punten overvloed van water te hebben zonder dat men het uit de rivier behoefde te gaan scheppen.

Ten slotte behoeven wij naauwelijks te zeggen dat de kapitein, als een soldaat van ondervinding en met al de listen en gevaren van een oorlog op de grenzen wel bekend, niets verzuimd had om de kolonie tegen een aanval of zelfs tegen eene verrassing te dekken.

Drie maanden waren er nu sedert de eerste vestiging der Amerikanen voorbijgegaan; de vallei, voorheen onbebouwd en met bosch bedekt, was thans grootendeels beploegd en bezaaid; de houtvellingen op groote schaal aangelegd, hadden den uitersten zoom der bosschen reeds op twee kilometers afstand van de kolonie verwijderd, alles had het aanzien van welvaart en voorspoed, op eene plek[54]die nog zoo kort te voren, door de zorgeloosheid der Roodhuiden, niets anders opleverde dan hetgeen de natuur zelve tot onmisbaar voedsel voor de beesten voortbragt.

In de kom der kolonie was alles een tooneel vol leven en bezieling. Terwijl daarbuiten het vee liep grazen onder opzigt van eenige welgewapende koeherders te paard, en de eeuwenheugende boomstammen vielen onder de noeste bijlslagen der houthakkers, zag men daarbinnen al de werkplaatsen in volle bedrijvigheid, lange rookzuilen verhieven zich uit de smidsen, het gedreun der hamers vermengde zich met het geknars der zagen; langs de rivier lagen hooge stapels timmerhout aan balken of planken gezaagd en een weinig verder groote hoopen hakhout voor brandstof, terwijl eenige schuiten en vlotten aan den oever waren vastgemeerd, en men in de verte van tijd tot tijd schoten hoorde vallen door de jagers die een klopjagt hielden in het bosch, om de kolonisten van wildbraad te voorzien.

Het was omtrent vier ure na den middag; de kapitein, gezeten op een heerlijk zwart paard met vier witte hoeven, reed in een korten draf door een pas aangelegd weideveld. Een vergenoegde glimlach ontplooide het strenge gelaat van den ouden krijgsman, toen hij zag welk eene verbazende verandering zijn vaste wil en ongewone bedrijvigheid in zulk een korten tijd hadden te weeg gebragt in deze onbekende streek, dien hij geenszins twijfelde dat, dank zij hare ligging, in een naderende toekomst voor handel en nijverheid van het grootste belang zou worden. Hij was reeds digt bij de kolonie, toen er van achter een hoop takken en wortels, die de arbeiders langs het pad hadden opgestapeld om ze te laten droogen, plotseling een man te voorschijn kwam en hem ter zijde trad. De kapitein kon naauwelijks zijn misnoegen verbergen toen hij in dezen man den Apen-Kop herkende.

Wij moeten hier eenige woorden tot opheldering zeggen aangaande dezen persoon, die bestemd is om in den loop van ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.

Itsichaiché (de Apen-Kop) was een man van omtrent veertig jaar, lang van gestalte, kloek gebouwd en buigzaam van leden; zijn guitachtig gezigt werd verhelderd door twee kleine oogen van verschillende kleur; zijn korte, zeer stompe haviksneus, zijn breede mond met dunne ingetrokken lippen, gaven hem een uitdrukking van sluwheid en kwaadwilligheid, die ondanks het beleefd gedienstige en katachtig vleijende zijner manieren en de gemaakte zachtheid van zijne stem, ieder die hem zag een onwillekeurigen en onweerstaanbaren afkeer inboezemde.[55]

Geheel in strijd met hetgeen gewoonlijk gebeurt wanneer men iemand dagelijks ziet, werd deze ongunstige indruk, in plaats van langzamerhand te verdwijnen, ten zijnen aanzien integendeel gedurig sterker.

De Indiaan had zich van zijn pligt als gids eerlijk en naauwgezet gekweten en de Amerikanen zonder slag of stoot naar de plaats hunner bestemming gebragt; na dien tijd was hij echter steeds bij hen gebleven, en had zich om zoo te zeggen in de nieuwe kolonie ingeburgerd, waar hij kwam en ging naar believen, zonder dat iemand naar hem omzag of zich bekommerde om hetgeen hij deed.

Menigmaal bleef hij ongevraagd ongeweigerd verscheidene dagen achtereen weg, en keerde dan op eens weder terug, zonder dat het mogelijk scheen eenige opheldering van hem te ontvangen, of te vernemen waar hij zoo lang geweest was of wat hij gedurende zijne afwezigheid gedaan had.

Intusschen was er een lid van de kolonie, aan wie het sombere uitzigt van den Indiaan eene gestadige en onverklaarbare vrees inboezemde en die haar afkeer niet kon onderdrukken, al wist zij ook niet waaraan zij dit onaangename gevoel moest toeschrijven; deze persoon was Mistress Watt. De moederlijke liefde maakte haar scherpziende; de jonge vrouw hield onbeschrijfelijk veel van hare kinderen, en zoo vaak de Roodhuid al was het maar een onverschilligen blik op de onnoozele schaapjes deed vallen, ging de arme moeder eene huivering over het lijf en haastte zij zich om de beide schatten, die alles voor haar waren, aan zijn oog te onttrekken.

Meermalen had zij gepoogd hare vrees aan haar man mede te deelen, maar al hare aanmerkingen deswegens beantwoordde de kapitein met een geruststellend schouderophalen, in de vaste meening dat de ongunstige indruk mettertijd wel slijten en eindelijk geheel verdwijnen zou. Mistress Watt kwam echter telkens met stijfhoofdige volharding op hare eenmaal opgevatte denkbeelden terug en veranderde niet, zoodat de kapitein er ten laatste ongeduldig onder werd, en daar hij geen voldoende reden had om tegenover de vrouw die hij innig achtte en lief had, een man in bescherming te nemen daar hij volstrekt niets om gaf, beloofde hij haar eindelijk dat hij haar van het gevreesde monster zou ontslaan. Toen derhalve de Indiaan weder verscheidene dagen weg was gebleven, nam hij zich voor om zoodra hij terug kwam, hem opheldering te vragen van zijn geheimzinnig gedrag, en ingeval de andere geen voldoend of redelijk antwoord gaf, hem maar ronduit[56]te zeggen dat hij hem niet langer op de kolonie wilde zien en hij zich op staanden voet en voor altijd moest verwijderen.

In deze gemoedsstemming bevond zich de kapitein tegenover den Apen-Kop, toen het toeval wilde dat hij dezen op eene plaats ontmoette, waar hij hem het minst verwachtte.

Zoodra hij den Indiaan zag, hield de kapitein zijn paard in.

„Gaat mijn vader de vallei bezoeken?” vroeg de Pawnee.

„Ja,” antwoordde hij.

„O!” hervatte de Indiaan, met een omzigtigen blik om zich heen, „alles is wel zeer veranderd, sedert de Lang-Messen uit het Westen rustig wonen op het terrein daar zij de Slangen-Pawnees van beroofd hebben.”

De Indiaan sprak deze woorden op somber zwaarmoedigen toon, zoodat de kapitein hem niet zonder ongerustheid aanhoorde.

„Is dat een klagt die gij uitspreekt, hoofdman?” vroeg hij, „die klinkt toch zeer ongepast in uw mond, daar gij zelf mij het land hebt verkocht dat ik thans in bezit heb.”

„Dat is waar,” riep de Indiaan hoofdschuddend, „de Apen-Kop heeft het regt niet om zich te beklagen, hij zelf heeft aan de Bleekgezigten uit het Westen de gronden verkocht, waar het gebeente zijner vaderen rust en waar hij zelf en zijne broeders zoo vaak op elanden en jaguars jagt maakten.”

„Zoo, hoofdman, ik vind u van daag vrij naargeestig, wat schort u toch? Hadt gij, toen gij dezen morgen wakker werdt, op uw linkerzij gelegen?” vroeg de kapitein, zinspelende op een der meest verspreide bijgeloovigheden onder de Indianen.

„Neen,” antwoordde hij, „de Apen-Kop heeft goed geslapen, geheel zonder kwade voorteekenen of iets dat de rust van zijn geest kon verstoren.”

„Dan wensch ik u geluk, hoofdman.”

„Mijn vader heeft wel een weinig tabak voor zijn zoon, om met hem de pijp der vriendschap te rooken bij zijne terugkomst.”

„Dat kan wel: maar eerst moet ik u eene vraag doen.”

„Mijn vader spreke, de ooren van zijn zoon zijn open.”

„Het is nu reeds een geruimen tijd dat wij hier gevestigd zijn, hoofdman,” hervatte de kapitein.

„Ja, de vierde maan begint.”

„Hoor eens, gij zijt sedert onze komst zeer dikwijls heengegaan zonder ons te waarschuwen.”

„Waartoe zou dat dienen? de lucht en de ruimte behooren niet aan de Bleekgezigten, ik denk toch dat een krijgsman der Pawnees,[57]vrij genoeg is om te gaan waar hij goedvindt; hij was voorheen een beroemd opperhoofd in zijn stam.”

„Dat mag alles waar zijn, krijgsman, en kan mij weinig schelen, maar wat mij zeer veel aangaat, is de rust en de veiligheid van mijn gezin en van de menschen die ik hier bij mij heb.”

„Welnu,” riep de Roodhuid, „in welk opzigt zou de Apen-Kop die rust en veiligheid in gevaar kunnen brengen?”

„Dat zal ik u zeggen, hoofdman, luister met aandacht, want wat gij hooren zult is ernstig.”

„De Apen-Kop is maar een arme Indiaan,” antwoordde de Roodhuid spotachtig, „de Groote Geest gaf hem het helder en slim doorzigt niet dat de Bleekgezigten bezitten, maar toch zal ik mijn vader trachten te begrijpen.”

„Gij zijt zoo dom niet als gij op dit oogenblik wel gelieft te schijnen, hoofdman; ik ben zeker dat gij mij volkomen begrijpen zult, als gij u die moeite wilt geven.”

„Het opperhoofd zal zijn best doen.”

De kapitein weerhield naauwelijks zijn ongenoegen.

„Wij bevinden ons hier niet in een der groote steden in het hart der Amerikaansche Unie,” begon hij, „waar de wet de burgers beschermt en voor hunne veiligheid waakt, maar wij zijn op het gebied der Roodhuiden, ver van alle andere bescherming dan onze eigene; wij hebben hier van niemand hulp te verwachten, integendeel zijn wij door waakzame vijanden omgeven, die op een gunstig oogenblik loeren, om ons aan te vallen en ons te vermoorden als zij kunnen, het is derhalve onze pligt om met de meeste omzigtigheid te waken voor ons behoud, dat door de kleinste nalatigheid schromelijk kan worden bedreigd. Begrijpt gij dat, hoofdman?”

„Ja, mijn vader heeft goed gesproken, zijn hoofd is grijs en zijne wijsheid is groot.”

„Ik moet dus op alles acht geven,” vervolgde de kapitein, „de gangen en handelingen van al de meer of min tot de kolonie behoorende personen naauwkeurig nagaan, en als die gangen of handelingen mij verdacht voorkomen, hun om opheldering vragen, die zij het regt niet hebben mij te weigeren; nu ben ik tot mijn groote spijt verpligt u te bekennen, hoofdman, dat het leven hetwelk gij sinds eenigen tijd leidt mij meer dan verdacht voorkomt, dat het mijn nadenken zeer heeft opgewekt on dat ik van u eene voldoende verklaring verwacht.”

De Roodhuid had zich tot dusver goed gehouden; geen spier op zijn gelaat had zich bewogen, zoodat de kapitein, die hem scherp[58]in het oog hield, geen het minste spoor van ontroering bij hem kon opmerken. De Indiaan had de vraag die hem werd voorgesteld wel verwacht en was gereed om er op te antwoorden.

„De Apen-Kop heeft mijn vader en zijne kinderen van de groote steenen steden der Lang-Messen uit het Westen tot hier geleid. Kan mijn vader het opperhoofd daarom iets verwijten?”

„In het minst niet, dat moet ik bekennen, hoofdman,” antwoorde de kapitein onbewimpeld: „gij hebt u eerlijk van uwe verpligting gekweten.”

„Waarom trekt mijn vader dan een huid over zijn hart en waarom koestert zijn geest argwaan tegen een man, dien hij, zooals hij zelf zegt, niets te verwijten heeft; is dat nu de geregtigheid der Bleekgezigten?”

„Laten wij niet van ons onderwerp afdwalen, hoofdman, en bovenal laten wij het niet verkeerd aanpakken, ik kan mij met uwe Indiaansche breedsprakigheid niet inlaten, ik verzoek u dus om mij de reden van uwe herhaalde afwezigheid duidelijk op te helderen en mij een afdoend bewijs van uwe onschuld te geven; als gij hieraan niet voldoet moet ik u kort en bondig zeggen dat gij geen oogenblik langer in de kolonie moogt blijven, en dat ik u noodzaken zal mijn grondgebied te verlaten om er nooit weer terug te komen.”

Uit het oog van den Roodhuid bliksemde een straal van onbeschrijfelijken haat, maar hij temperde terstond den gloed van zijn blik en antwoordde met een slepende stem zoo zacht mogelijk:

„DeApen-Kopis een arme Indiaan; zijne broeders verstieten hem omdat hij de Bleekgezigten liefhad; hij had gehoopt bij de Lang-Messen van het Westen, zooal geen vriendschap, dan ten minste dankbaarheid te vinden, voor de diensten die hij hun bewees: maar hij heeft zich bedrogen.”

„Dat doet hier niets ter zake,” hernam de kapitein ongeduldig, „wilt ge antwoorden, ja of neen?”

De Indiaan rigtte zich op in zijne volle lengte, en naderde den spreker zoo digt dat hij hem bijna aanraakte.

„En als ik dit weiger?” vroeg hij met een blik van uitdaging en toorn.

„Als gij weigert, ellendeling! dan verbied ik u mij ooit weder onder de oogen te komen, en zoo gij mij durft trotseren zal ik u met mijn karwats afranselen als een hond.”

Naauwelijks had de kapitein deze beleedigende woorden geuit, of zij berouwden hem reeds: hij zag zich alleen en zonder wapens tegenover een man dien hij diep gekrenkt had; hij beproefde[59]dus de zaak weder goed te maken.„Maar,” vervolgde hij, „de Apen-Kop is een opperhoofd, hij heeft verstand en hij zal mij wel antwoorden, want hij weet dat ik van hem houd.”

„Gij liegt! gij bleeke hond,” riep de Indiaan knarstandend van woede, „gij haat mij bijna even sterk, als ik u haat!”

De kapitein, zich zelven niet langer meester, hief de zweep reeds op die hij in zijne hand had, maar op hetzelfde oogenblik sprong de Indiaan als een tijger op hem toe, zat in eens achter hem op het paard, tilde den kapitein uit den zadel, wierp hem tegen den grond en greep den teugel.

„De Bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de krijgslieden der Pawnees verachten hen en zullen hun vrouwenrokken zenden.”

Na deze woorden te hebben uitgebruld, op een toon van verguizing die niet zich laat beschrijven, boog de Indiaan op den hals van het paard, vierde het den teugel en verwijderde zich in vliegenden galop onder een schaterend gelach, zonder zich verder met den kapitein te bemoeijen, dien hij zwaar gekneusd op den grond liet liggen.

James Watt was de man niet om zulk eene mishandeling te ondergaan, zonder op wraak bedacht te zijn; hij stond op zoo snel als zijne beenen toelieten, en schreeuwde zoo hard hij kon, om de in het veld verstrooide jagers en houthakkers tot zich te roepen.

Sommigen hadden het gebeurde in de verte gezien en ijlden den kapitein ter hulp, maar eer zij hem bereikten of eer hij tijd had om hun te zeggen wat er gebeurd was en orders te geven om den vlugteling na te zetten, verdween deze reeds in het bosch.

De jagers echter, onder aanvoering van Bothrel, renden den Indiaan in vliegenden galop achterna en zwoeren dat zij hem levend of dood zouden terugbrengen.

De kapitein volgde hen met de oogen, tot hij ze den een na den ander in het geboomte zag verdwijnen, en keerde toen met langzamen tred naar de kolonie terug, in diepe gedachten over hetgeen tusschen hem en den Roodhuid was voorgevallen en met een beklemd hart over de waarschijnlijke gevolgen.

Eene zaak vooral voorspelde hem het ergste, namelijk dat de Apen-Kop, die anders altijd zoo sluw en voorzigtig was, hem thans zoo ruw had durven bejegenen; daarvoor moest een geduchte reden bestaan, anders zou de vrees voor straf hem zeker hebben teruggehouden.[60]


Back to IndexNext