VIII.

[Inhoud]VIII.DE OORLOGSVERKLARING.Er is eene onbegrijpelijke zaak, die ik gedurende den loop mijner lange en avontuurlijke togten in Amerika, menigmaal zelf ondervonden heb en als volkomen waar kan bevestigen; zij is deze, dat men vaak, zonder van dat gevoel reden te kunnen geven, een onheil, om zoo te zeggen voelt aankomen; men weet reeds vooruit dat men er door bedreigd wordt, zonder dat men nogtans weet van waar of hoe het ons overkomen zal; maar de dag schijnt somberder, de zonnestralen verliezen hun glans, alle voorwerpen nemen een treurigen tint aan, men hoort zonderlinge fluisteringen in de lucht, kortom, alles is in zekere onbepaalde en geheimzinnige onrust.Zonder dan dat er eenige blijkbare reden bestond om de vrees van den kapitein voor de gevolgen van zijn twist met den Pawnees te regtvaardigen, gevoelde niet alleen hij, maar ook de gansche bevolking der kolonie, den avond van dien dag, zich als onder den druk eener angstige bekommering.Ten zes ure, als naar gewoonte, had de klok geluid om de houthakkers en veehoeders thuis te roepen: allen waren binnengekomen, de beesten waren elk in hun stal opgesloten en, in schijn althans, was er niets ongewoons te zien dat de vreedzame rust der kolonisten kon verstoren.De sergeant Bothrel en zijne gezellen hadden denApen-Kopverscheidene uren nagezet, maar niets anders gevonden dan het paard, dat de Indiaan zoo stout vermeesterd had, maar dat hij waarschijnlijk weder had laten varen om zijne vlugt des te gemakkelijker te kunnen verbergen.Van Indianen was er geen spoor in den omtrek der kolonie te ontdekken; maar toch had de kapitein, die minder gerust was dan hij zelf wilde weten, de wachten laten verdubbelen die voor de algemeene veiligheid moesten waken, en gaf hij den sergeant bevel om alle twee uren met de patrouille op de verschansing de ronde te doen.Vervolgens, nadat deze voorzorgen genomen waren, hadden de familie en de huisbedienden zich in de groote zaal onder in den toren verzameld, voor de avondgodsdienst, eene gewoonte die sedert de eerste dagen op de kolonie was ingevoerd.[61]De kapitein zat in een grooten armstoel bij het vuur, want de nachten begonnen reeds koud te worden, met een oud boek voor zich over de militaire taktiek, terwijlmistressWatt met de meiden bezig was huislinnen te verstellen.Dien avond las de kapitein niet veel, maar zat met de armen kruiselings over de borst en de oogen op den haard gevestigd; hij scheen in diep nadenken verzonken.Eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich tot zijne vrouw.„Hoort gij de kinderen niet schreeuwen?” vroeg hij.„Ik weet waarlijk niet wat hun van daag schort,” antwoordde zij, „zij zijn niet tot bedaren te krijgen; Betsy is reeds langer dan een uur bij hen, zonder dat het haar gelukte ze te doen inslapen.”„Dan moest gij zelve liever eens gaan zien, melieve, dat zou misschien beter zijn dan ze geheel aan de zorg van eene dienstbode over te laten.”Mistress Watt ging zonder iets te zeggen de kamer uit en weldra hoorde men hare stem op de bovenverdieping, waar de kinderkamer was.De kapitein sprak nu tot den ouden sergeant, die in een hoek van het vertrek een juk zat te herstellen:„Het is u dus niet gelukt, Bothrel,” zeide hij, „om dien verwenschten heidenschen hondsvot meester te worden, die mij van daag zoo ruw op den grond heeft geworpen?”„Wij hebben hem zelfs geen enkele maal in ’t oog kunnen krijgen, kapitein,” antwoordde de sergeant; „die Indianen zijn als de slangen, zij glippen overal door heen. Gelukkig dat ik Boston heb teruggevonden; het arme beest scheen zelf blij dat hij ons wederzag.”„Ja, ja, Boston is een edel dier, ik zou hem niet gaarne hebben willen verliezen. De heiden heeft hem immers niet gekwetst? Zooals gij weet, zijn die roode duivels wel gewoon hunne paarden te mishandelen.”„Hij mankeert niets, zooveel ik heb kunnen zien; de Indiaan zal zeker genoodzaakt zijn geweest hem onverwijld in den steek te laten, toen hij merkte dat wij hem te digt achter de hielen kwamen?”„Dat zal wel zoo zijn, sergeant. Hebt gij de omstreken met zorg onderzocht?”„Met de grootste zorg, kapitein; ik heb niets ontdekt dat mij verdacht voorkwam. De Roodhuiden zullen zich wel tweemaal[62]bedenken eer zij ons aanvallen, wij hebben ze te ruw van den hals geschud, dat zullen zij zoo spoedig niet vergeten.”„Dat ben ik niet met u eens, sergeant, de heidenen zijn wraakgierig; ik houd mij overtuigd dat zij zich gaarne op ons zouden wreken en dat wij te avond of morgen, misschien reeds spoedig, hun oorlogskreet in het dal zullen hooren.”„Ik verlang er niet naar, als ik u de waarheid moet zeggen, maar ik geloof, als zij het durven wagen, dat zij weten zullen met wie zij te doen hebben.”„Dat denk ik ook; maar het zou voor ons eene treurige verrassing zijn, vooral nu wij, dank zij onze moeite en zorgen, op het punt zijn om de vruchten van onzen arbeid te plukken, en de eerste oogst op het veld staat.”„Dat is zoo, het zou zeer spijtig zijn, want de schade die wij door een aanval van zulke bandieten te vreezen hebben is niet te berekenen.”„Ongelukkig kunnen wij alleen op onze hoede zijn, daar het niet mogelijk is om de plannen te voorkomen of te verijdelen die de roode duivels zonder twijfel tegen ons smeden. Hebt gij de schildwachts wel zoodanig geplaatst als ik u gezegd had, sergeant?”„Ja, kapitein en ik heb hun aanbevolen om toch vooral waakzaam te zijn, zoodat ik niet geloof dat de Pawnees, hoe listig zij ook wezen mogen, ons ligt zullen overrompelen.”„Men moet op niets te veel vertrouwen, sergeant,” antwoordde de kapitein terwijl hij twijfelmoedig het hoofd schudde.Op hetzelfde oogenblik, alsof het toeval zijne vrees wilde bevestigen, werd de groote schel, die buiten was geplaatst en dienen moest om de kolonisten te verwittigen dat iemand verlangde binnen te komen, met kracht overgehaald.„Wat is dat?” riep de kapitein, terwijl hij op de klok keek die tegenover hem aan den muur hing; „het is reeds acht ure, wie komt daar nog zoo laat? Zijn al onze mannen nog niet binnen?”„Allen zijn thuis, kapitein, er is niemand van ons meer buiten.”James Watt stond op, greep zijn geweer, en den sergeant een wenk gevende om hem te volgen, trad hij reeds naar de deur.„Waar wilt gij naar toe, lieve vriend?” vroeg op eens eene zachte maar onrustige stem.De kapitein keerde zich om, en zag zijne vrouw, die in de zaal was gekomen zonder dat hij haar bemerkt had.„Hebt gij de bel niet gehoord?” vroeg hij haar, „er schijnt iemand buiten te staan.”[63]„Ja, ik heb die gehoord, lieve,” antwoordde zij; „maar zoudt gij wel open doen op zulk een laat uur?”„Mistress Watt” hervatte hij koel maar ferm, „ik ben het hoofd der kolonie, het is juist op dit uur mijn pligt om open te doen, omdat er misschien gevaar is en ik aan allen een voorbeeld van moed en pligtsbetrachting moet geven.”Op het oogenblik klonk de schel voor de tweede maal.„Gaan wij,” vervolgde de kapitein tegen den sergeant.De jonge vrouw antwoordde niet; zij zonk op een stoel neer, bleek en bevend van angst.Intusschen was de kapitein naar buiten gegaan, gevolgd door Bothrel en vier jagers, allen met buksen gewapend.De nacht was donker, er blonk geen enkele ster, en de hemel was zoo zwart als inkt, zoodat men op twee passen afstand niets kon onderscheiden, en er woei een koude huilende wind. Bothrel had een lantaarn medegenomen om in de duisternis vooruit te zien en den weg te vinden.„Hoe komt dat?” vroeg de kapitein, „dat de schildwacht die aan de ophaalbrug staat, geen werda heeft geroepen?”„Misschien heeft hij geen alarm willen maken, daar hij wel wist dat de bel in de toren gehoord kon worden.”„Hum!” mompelde de kapitein tusschen de tanden.Zij vervolgden hun weg; weldra hoorden zij geluid van stemmen en luisterden; het was de schildwacht die sprak.„Heb geduld,” riep hij, „ze komen al; ik zie een lantaren blinken, gij zult geen twee minuten meer behoeven te wachten; maar in uw eigen belang zou ik u raden om u niet te verroeren, of ik stuur u dadelijk een kogel in het lijf.”„Duivelsch!” antwoordde een spottende stem aan den overkant der gracht, „gij schijnt zonderlinge denkbeelden van de gastvrijheid te hebben, daar binnen; maar dat zij zoo, ik zal wachten; schouder intusschen uw geweer, ik heb volstrekt geen plan om hier alleen storm op u te loopen.”Op dit oogenblik kwam de kapitein op de verschansing.„Wat is dat, Bob?” vroeg hij aan de soldaat.„Ik ben een aap als ik het weet, kapitein,” antwoordde deze, „daar aan den overkant der gracht staat een man die met alle geweld binnen wil komen.”„Wie zijt gij? en wat verlangt gij?” riep de kapitein.„Wie zijt gij zelf?” antwoordde de onbekende.„Ik ben de kapitein James Watt, en ik laat u weten dat de kolonie[64]op dit uur voor onbekende landloopers gesloten is; kom tegen zonsopgang terug, misschien zal ik u dan vergunnen mijn huis binnen te treden.”„Pas wel op hetgeen gij doet” riep de onbekende,„uwe stijfhoofdigheid, om mij hier op den rand van een gracht te laten blaauwbekken, zou u duur te staan kunnen komen.”„Pas gij maar op u zelven, man,” antwoordde de kapitein ongeduldig, „ik ben niet te best geluimd om mij te hooren bedreigen.”„Ik bedreig u niet, ik waarschuw u slechts,” hervatte de andere; „gij hebt van daag reeds een grove fout begaan, maak het dezen avond maar niet erger door u zoo stijf tegen mijne binnenkomst te verzetten.”Dit antwoord trof den kapitein en bragt hem tot nadenken.„Maar,” riep hij een oogenblik later, „als ik u binnen laat, wie waarborgt mij dan dat gij mij niet zult verraden? De nacht is donker en gij kondt wel een talrijken troep volk bij u hebben, zonder dat ik er iets van zag.”„Ik heb niet anders bij mij dan een enkelen kameraad, daar ik u voor insta, leven om leven.”„Hum!” riep de de kapitein besluiteloozer dan ooit, „en wie blijft mij borg voor u?”„Ik!”„Wie zijt gij dan, die onze taal zoo zuiver spreekt dat men u voor een van ons volk zou kunnen houden.”„Dat ben ik ook ten naastenbij, ik ben Canadees, mijn naam is Tranquille.”„Tranquille!” riep de kapitein. „Zijt gij dan de beroemde woudlooper, bijgenaamd de Tijgerdooder?”„Of ik beroemd ben, kapitein, weet ik niet, maar wat ik wel weet is, dat ik de man ben dien gij bedoelt.”„Zoo gij werkelijk Tranquille zijt, laat ik u binnen komen; maar wie is de man die u vergezelt en daar gij voor instaat?”„Die is het Zwarte-Hert, de eerste Sachem der Slangen-Pawnees.”„O zoo!” mompelde de kapitein „wat komt die hier doen?”„Dat zult gij vernemen als gij ons binnen laat.”„Welnu, kom dan binnen!” riep de kapitein, „maar houd u voor gewaarschuwd dat gij en uw medgezel bij den minsten schijn van verraad onverbiddelijk zult gedood worden.”„Daar hebt gij het volste regt toe, als ik mijn woord aan u breken mogt.”De kapitein, na zijne jagers te hebben aanbevolen om zich op[65]alle gebeurlijke zaken gereed te houden, gaf thans bevel om de brug neer te laten.Tranquille en het Zwarte-Hert kwamen binnen.Beiden waren ongewapend, ten minste zooveel men zien kon.Bij zulk een doorslaand blijk van vertrouwen, schaamde de kapitein zich meer of min over zijn argwaan en nadat de brug weder was opgehaald, zond hij zijn geleide weg en hield niemand bij zich dan Bothrel.„Volgt mij,” zeide hij tegen de beide vreemdelingen.Deze bogen zonder te antwoorden en traden naast hem voort.Zoo bereikten zij den toren, zonder een woord gewisseld te hebben.De kapitein geleidde hen in de zaal, waar mistress Watt nog alleen zat, aan de grootste ongerustheid ten prooi.Op een wenk van haar man om zich te verwijderen, wierp zij hem een smeekenden blik toe, dien hij begreep, want hij drong er toen niet verder op aan en zij bleef stil op de plaats daar zij zat. Tranquille vertoonde hetzelfde open gelaat en de kalme bedaardheid die wij reeds van hem gewoon zijn, en niets in zijne houding of manieren gaf het minste blijk dat hij met vijandige bedoelingen jegens de kolonisten bezield was.Het Zwarte-Hert daarentegen was somber en gestreng.De kapitein bood zijnen gasten stoelen aan bij het vuur. „Gaat zitten, mijne heeren,” zeide hij, „gij zult u wel een weinig willen warmen. Is het als vriend of als vijand dat gij bij mij komt?”„Die vraag is ligter gedaan dan beantwoord,” zei de jager op een toon van ronde goedwilligheid, „tot dusver zijn onze bedoelingen vredelievend, het hangt van u zelven af, kapitein, hoe wij elkander verlaten.”„In allen geval zult gij niet weigeren om eenige ververschingen te gebruiken.”„Voor het oogenblik verzoek ik u ons daarvan te verschoonen,” hernam Tranquille, die bestemd scheen om het woord tegelijk voor zijn kameraad en voor zich zelven te doen; „het zal geloof ik beter zijn dat wij maar terstond tot de zaak overgaan die ons hier brengt.”„Hum!”mompelde de kapitein maar half in zijn schik met deze weigering, die hem weinig goeds voorspelde; „spreek dan, ik ben geheel oor, en het zal aan mij niet haperen of alles tusschen ons loopt goed af.”„Dat wensch ik van ganscher hart, kapitein, des te meer daar ik om geen andere reden hier kwam dan om de botsing te vermijden,[66]die het gevolg zou kunnen zijn hetzij van een misverstand of van een opgewonden oogenblik.”De kapitein boog, ten bewijze van dank en de Canadees vervolgde onmiddellijk.„Gij zijt een oud militair, mijnheer,” zeide hij, „en met u zal de kortste weg wel de beste zijn; twee woorden dus, ziehier de reden van onze komst: de Slangen-Pawnees beschuldigen u, dat gij u door verraad van hun dorp meester gemaakt en het grootste gedeelte hunner bloedverwanten en vrienden hebt omgebragt, is dat waar?”„Dat ik mij van het dorp heb meester gemaakt is waar,” zeide de kapitein, „maar ik had er het regt toe, daar de Roodhuiden weigerden het te ontruimen; ik ontken stellig dat ik hierbij verraad heb gepleegd, integendeel zijn het de Pawnees die zich verraderlijk jegens mij hebben gedragen.”„O!” riep het Zwarte-Hert met drift opstaande, „het Bleekgezigt heeft een leugenachtige tong in den mond!”„Stilte!” riep Tranquille, hem op zijn stoel terugdringende, „laat mij dit kluwen alleen afhaspelen, dat mij verward genoeg voorkomt. Vergeef mij zoo ik u beleedig, mijnheer,” hervatte hij tegen den kapitein, „maar de zaak is ernstig en de waarheid moet bekend worden. Zijt gij bij uwe aankomst niet als vrienden door de stamhoofden ontvangen?”„Zeer zeker, onze eerste betrekkingen waren zeer vriendschappelijk.”„Waarom zijn zij dan vijandelijk geworden?”„Dat heb ik u gezegd; omdat de Pawnees tegen de bezworen trouw en het gegeven woord, weigerden, mij de plaats af te staan.”„Hoedat? u de plaats af te staan!”„Welzeker! omdat zij het land daar zij woonden aan mij verkocht hadden.”„O, ho! kapitein, maar dat moet gij mij nader uitleggen.”„Welnu, dat is gemakkelijk genoeg, en om u dadelijk te bewijzen dat ik in deze zaak ter goeder trouw te werk ben gegaan, zal ik u de acte van verkoop laten zien.”De jager en het opperhoofd wisselden een blik van verwondering.„Ik begrijp er niets meer van,” zeide Tranquille.„Wacht een oogenblik,” hervatte de kapitein, „ik wil u de acte halen en zal hem u toonen.”Hij verwijderde zich.„O! mijnheer,” riep de jonge vrouw terwijl zij de handen smeekend[67]zamenvouwde, „zie toch dat gij de zaak inderminne schikt.”„Helaas! mevrouw,” antwoordde de jager meêwarig, na de wending die de zaken schenen te nemen, „dat zal niet gemakkelijk gaan.”„Ziedaar!” riep de kapitein toen hij terugkwam, „daar is de acte.”De beide mannen hadden de acte maar even in te zien om het bedrog dadelijk te ontdekken.„Die acte is valsch,” zeide Tranquille.„Valsch! dat is niet mogelijk,” riep de kapitein verbaasd, „want dan zou ik gruwelijk bedrogen zijn.”„Dat is, helaas, maar al te zeer het geval!”„Wat nu gedaan?” mompelde de kapitein werktuigelijk.Het Zwarte-Hert stond op.„Dat de Bleekgezigten hooren,” zeide hij met fierheid, „het is een Sachem die spreken zal.”De Canadees wilde tusschenbeide komen, maar een wenk van het opperhoofd legde hem het zwijgen op.„Mijn vader is bedrogen,” vervolgde hij, „hij is een regtvaardig krijgsman: zijn hoofd is grijs; de Wacondah heeft hem wijsheid gegeven; de Slangen-Pawnees zijn ook regtvaardig, zij willen met mijn vader in vrede leven, dewijl hij onschuldig is aan den misslag dien men hem verwijt en voor welken een ander zich zal moeten verantwoorden.”Het begin dezer redenering was eene aangename verrassing voor de toehoorders; de jeugdige moeder vooral, toen zij dit hoorde, voelde hare ongerustheid merkelijk verzacht en de blijdschap in haar hart teruggekeerd.„De Slangen-Pawnees,” vervolgde de Sachem, „zullen mijn vader al de koopwaren terug geven die hem wederregtelijk zijn afgeperst; hij van zijnen kant, zal zich daarentegen verbinden om de jagtgronden der Pawnees te ontruimen, en zich van hier te verwijderen, zoowel als al de Bleekgezigten die met hem herwaarts kwamen; de Pawnees zien af van iedere wraakneming die zij wegens het vermoorden hunner broederen in ’t zin hadden, en de oorlogsbijl tusschen de Roodhuiden en de Bleekgezigten van het Westen zal voortaan begraven worden. Ik heb gezegd.”Op deze woorden volgde eene diepe stilte.De aanwezigen waren stom van ontsteltenis, deze voorwaarden waren onaannemelijk, de oorlog scheen onvermijdelijk.„Wat antwoordt mijn vader?” vroeg het opperhoofd een oogenblik later.[68]„Helaas! hoofdman,” antwoordde de kapitein met smart, „in zulke voorwaarden kan ik niet bewilligen, gij vergt het onmogelijke; al wat ik doen kan is dat ik den prijs zal verdubbelen dien ik eenmaal betaald heb.”Het opperhoofd haalde hooghartig de schouders op.„Het Zwarte-Hert heeft zich bedrogen,” zeide hij met een minachtenden grijns, „de Bleekgezigten hebben waarlijk een dubbele tong.”Het was onmogelijk om den Sachem de ware toedragt der zaken begrijpelijk te maken; met de blinde stijfhoofdigheid die zijn ras eigen is wilde hij naar geen reden luisteren, en hoe meer men hem poogde te bewijzen dat hij verkeerd deed, des te meer was hij overtuigd dat hij gelijk had.Diep in den nacht gingen de Canadees en het Zwarte-Hert heen, tot aan den buitenwal uitgeleid door den kapitein.Toen zij vertrokken waren, keerde James Watt vol gedachten naar den toren terug. Op den dorpel voor het huis komende, stiet hij tegen een tamelijk groot voorwerp; hij bukte om te zien wat het was.„O!” riep hij zich weder oprigtende, „zij willen dus werkelijk oorlog? Bij God! zij zullen mij leeren kennen.”Het voorwerp daar de kapitein tegen gestooten had, was een bundel pijlen, met een slangenhuid zamen verbonden; de beide uiteinden dezer huid alsmede de punten der pijlen waren met bloed bestreken.Het Zwarte-Hert had dezen bundel bij zijn vertrek achter zich laten vallen, ten teeken van oorlogsverklaring.Alle hoop op vrede was derhalve vervlogen; men moest zich gereed maken tot den strijd.Nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, hernam de kapitein zijne gewone koelbloedigheid en ofschoon het nog lang geen dag zou worden, liet hij al de kolonisten wekken en op het plein voor den toren zamen komen, om raad te houden en de noodige middelen te beramen, ten einde de gevaren af te wenden waarmede de nieuwe kolonie bedreigd werd.[69]

[Inhoud]VIII.DE OORLOGSVERKLARING.Er is eene onbegrijpelijke zaak, die ik gedurende den loop mijner lange en avontuurlijke togten in Amerika, menigmaal zelf ondervonden heb en als volkomen waar kan bevestigen; zij is deze, dat men vaak, zonder van dat gevoel reden te kunnen geven, een onheil, om zoo te zeggen voelt aankomen; men weet reeds vooruit dat men er door bedreigd wordt, zonder dat men nogtans weet van waar of hoe het ons overkomen zal; maar de dag schijnt somberder, de zonnestralen verliezen hun glans, alle voorwerpen nemen een treurigen tint aan, men hoort zonderlinge fluisteringen in de lucht, kortom, alles is in zekere onbepaalde en geheimzinnige onrust.Zonder dan dat er eenige blijkbare reden bestond om de vrees van den kapitein voor de gevolgen van zijn twist met den Pawnees te regtvaardigen, gevoelde niet alleen hij, maar ook de gansche bevolking der kolonie, den avond van dien dag, zich als onder den druk eener angstige bekommering.Ten zes ure, als naar gewoonte, had de klok geluid om de houthakkers en veehoeders thuis te roepen: allen waren binnengekomen, de beesten waren elk in hun stal opgesloten en, in schijn althans, was er niets ongewoons te zien dat de vreedzame rust der kolonisten kon verstoren.De sergeant Bothrel en zijne gezellen hadden denApen-Kopverscheidene uren nagezet, maar niets anders gevonden dan het paard, dat de Indiaan zoo stout vermeesterd had, maar dat hij waarschijnlijk weder had laten varen om zijne vlugt des te gemakkelijker te kunnen verbergen.Van Indianen was er geen spoor in den omtrek der kolonie te ontdekken; maar toch had de kapitein, die minder gerust was dan hij zelf wilde weten, de wachten laten verdubbelen die voor de algemeene veiligheid moesten waken, en gaf hij den sergeant bevel om alle twee uren met de patrouille op de verschansing de ronde te doen.Vervolgens, nadat deze voorzorgen genomen waren, hadden de familie en de huisbedienden zich in de groote zaal onder in den toren verzameld, voor de avondgodsdienst, eene gewoonte die sedert de eerste dagen op de kolonie was ingevoerd.[61]De kapitein zat in een grooten armstoel bij het vuur, want de nachten begonnen reeds koud te worden, met een oud boek voor zich over de militaire taktiek, terwijlmistressWatt met de meiden bezig was huislinnen te verstellen.Dien avond las de kapitein niet veel, maar zat met de armen kruiselings over de borst en de oogen op den haard gevestigd; hij scheen in diep nadenken verzonken.Eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich tot zijne vrouw.„Hoort gij de kinderen niet schreeuwen?” vroeg hij.„Ik weet waarlijk niet wat hun van daag schort,” antwoordde zij, „zij zijn niet tot bedaren te krijgen; Betsy is reeds langer dan een uur bij hen, zonder dat het haar gelukte ze te doen inslapen.”„Dan moest gij zelve liever eens gaan zien, melieve, dat zou misschien beter zijn dan ze geheel aan de zorg van eene dienstbode over te laten.”Mistress Watt ging zonder iets te zeggen de kamer uit en weldra hoorde men hare stem op de bovenverdieping, waar de kinderkamer was.De kapitein sprak nu tot den ouden sergeant, die in een hoek van het vertrek een juk zat te herstellen:„Het is u dus niet gelukt, Bothrel,” zeide hij, „om dien verwenschten heidenschen hondsvot meester te worden, die mij van daag zoo ruw op den grond heeft geworpen?”„Wij hebben hem zelfs geen enkele maal in ’t oog kunnen krijgen, kapitein,” antwoordde de sergeant; „die Indianen zijn als de slangen, zij glippen overal door heen. Gelukkig dat ik Boston heb teruggevonden; het arme beest scheen zelf blij dat hij ons wederzag.”„Ja, ja, Boston is een edel dier, ik zou hem niet gaarne hebben willen verliezen. De heiden heeft hem immers niet gekwetst? Zooals gij weet, zijn die roode duivels wel gewoon hunne paarden te mishandelen.”„Hij mankeert niets, zooveel ik heb kunnen zien; de Indiaan zal zeker genoodzaakt zijn geweest hem onverwijld in den steek te laten, toen hij merkte dat wij hem te digt achter de hielen kwamen?”„Dat zal wel zoo zijn, sergeant. Hebt gij de omstreken met zorg onderzocht?”„Met de grootste zorg, kapitein; ik heb niets ontdekt dat mij verdacht voorkwam. De Roodhuiden zullen zich wel tweemaal[62]bedenken eer zij ons aanvallen, wij hebben ze te ruw van den hals geschud, dat zullen zij zoo spoedig niet vergeten.”„Dat ben ik niet met u eens, sergeant, de heidenen zijn wraakgierig; ik houd mij overtuigd dat zij zich gaarne op ons zouden wreken en dat wij te avond of morgen, misschien reeds spoedig, hun oorlogskreet in het dal zullen hooren.”„Ik verlang er niet naar, als ik u de waarheid moet zeggen, maar ik geloof, als zij het durven wagen, dat zij weten zullen met wie zij te doen hebben.”„Dat denk ik ook; maar het zou voor ons eene treurige verrassing zijn, vooral nu wij, dank zij onze moeite en zorgen, op het punt zijn om de vruchten van onzen arbeid te plukken, en de eerste oogst op het veld staat.”„Dat is zoo, het zou zeer spijtig zijn, want de schade die wij door een aanval van zulke bandieten te vreezen hebben is niet te berekenen.”„Ongelukkig kunnen wij alleen op onze hoede zijn, daar het niet mogelijk is om de plannen te voorkomen of te verijdelen die de roode duivels zonder twijfel tegen ons smeden. Hebt gij de schildwachts wel zoodanig geplaatst als ik u gezegd had, sergeant?”„Ja, kapitein en ik heb hun aanbevolen om toch vooral waakzaam te zijn, zoodat ik niet geloof dat de Pawnees, hoe listig zij ook wezen mogen, ons ligt zullen overrompelen.”„Men moet op niets te veel vertrouwen, sergeant,” antwoordde de kapitein terwijl hij twijfelmoedig het hoofd schudde.Op hetzelfde oogenblik, alsof het toeval zijne vrees wilde bevestigen, werd de groote schel, die buiten was geplaatst en dienen moest om de kolonisten te verwittigen dat iemand verlangde binnen te komen, met kracht overgehaald.„Wat is dat?” riep de kapitein, terwijl hij op de klok keek die tegenover hem aan den muur hing; „het is reeds acht ure, wie komt daar nog zoo laat? Zijn al onze mannen nog niet binnen?”„Allen zijn thuis, kapitein, er is niemand van ons meer buiten.”James Watt stond op, greep zijn geweer, en den sergeant een wenk gevende om hem te volgen, trad hij reeds naar de deur.„Waar wilt gij naar toe, lieve vriend?” vroeg op eens eene zachte maar onrustige stem.De kapitein keerde zich om, en zag zijne vrouw, die in de zaal was gekomen zonder dat hij haar bemerkt had.„Hebt gij de bel niet gehoord?” vroeg hij haar, „er schijnt iemand buiten te staan.”[63]„Ja, ik heb die gehoord, lieve,” antwoordde zij; „maar zoudt gij wel open doen op zulk een laat uur?”„Mistress Watt” hervatte hij koel maar ferm, „ik ben het hoofd der kolonie, het is juist op dit uur mijn pligt om open te doen, omdat er misschien gevaar is en ik aan allen een voorbeeld van moed en pligtsbetrachting moet geven.”Op het oogenblik klonk de schel voor de tweede maal.„Gaan wij,” vervolgde de kapitein tegen den sergeant.De jonge vrouw antwoordde niet; zij zonk op een stoel neer, bleek en bevend van angst.Intusschen was de kapitein naar buiten gegaan, gevolgd door Bothrel en vier jagers, allen met buksen gewapend.De nacht was donker, er blonk geen enkele ster, en de hemel was zoo zwart als inkt, zoodat men op twee passen afstand niets kon onderscheiden, en er woei een koude huilende wind. Bothrel had een lantaarn medegenomen om in de duisternis vooruit te zien en den weg te vinden.„Hoe komt dat?” vroeg de kapitein, „dat de schildwacht die aan de ophaalbrug staat, geen werda heeft geroepen?”„Misschien heeft hij geen alarm willen maken, daar hij wel wist dat de bel in de toren gehoord kon worden.”„Hum!” mompelde de kapitein tusschen de tanden.Zij vervolgden hun weg; weldra hoorden zij geluid van stemmen en luisterden; het was de schildwacht die sprak.„Heb geduld,” riep hij, „ze komen al; ik zie een lantaren blinken, gij zult geen twee minuten meer behoeven te wachten; maar in uw eigen belang zou ik u raden om u niet te verroeren, of ik stuur u dadelijk een kogel in het lijf.”„Duivelsch!” antwoordde een spottende stem aan den overkant der gracht, „gij schijnt zonderlinge denkbeelden van de gastvrijheid te hebben, daar binnen; maar dat zij zoo, ik zal wachten; schouder intusschen uw geweer, ik heb volstrekt geen plan om hier alleen storm op u te loopen.”Op dit oogenblik kwam de kapitein op de verschansing.„Wat is dat, Bob?” vroeg hij aan de soldaat.„Ik ben een aap als ik het weet, kapitein,” antwoordde deze, „daar aan den overkant der gracht staat een man die met alle geweld binnen wil komen.”„Wie zijt gij? en wat verlangt gij?” riep de kapitein.„Wie zijt gij zelf?” antwoordde de onbekende.„Ik ben de kapitein James Watt, en ik laat u weten dat de kolonie[64]op dit uur voor onbekende landloopers gesloten is; kom tegen zonsopgang terug, misschien zal ik u dan vergunnen mijn huis binnen te treden.”„Pas wel op hetgeen gij doet” riep de onbekende,„uwe stijfhoofdigheid, om mij hier op den rand van een gracht te laten blaauwbekken, zou u duur te staan kunnen komen.”„Pas gij maar op u zelven, man,” antwoordde de kapitein ongeduldig, „ik ben niet te best geluimd om mij te hooren bedreigen.”„Ik bedreig u niet, ik waarschuw u slechts,” hervatte de andere; „gij hebt van daag reeds een grove fout begaan, maak het dezen avond maar niet erger door u zoo stijf tegen mijne binnenkomst te verzetten.”Dit antwoord trof den kapitein en bragt hem tot nadenken.„Maar,” riep hij een oogenblik later, „als ik u binnen laat, wie waarborgt mij dan dat gij mij niet zult verraden? De nacht is donker en gij kondt wel een talrijken troep volk bij u hebben, zonder dat ik er iets van zag.”„Ik heb niet anders bij mij dan een enkelen kameraad, daar ik u voor insta, leven om leven.”„Hum!” riep de de kapitein besluiteloozer dan ooit, „en wie blijft mij borg voor u?”„Ik!”„Wie zijt gij dan, die onze taal zoo zuiver spreekt dat men u voor een van ons volk zou kunnen houden.”„Dat ben ik ook ten naastenbij, ik ben Canadees, mijn naam is Tranquille.”„Tranquille!” riep de kapitein. „Zijt gij dan de beroemde woudlooper, bijgenaamd de Tijgerdooder?”„Of ik beroemd ben, kapitein, weet ik niet, maar wat ik wel weet is, dat ik de man ben dien gij bedoelt.”„Zoo gij werkelijk Tranquille zijt, laat ik u binnen komen; maar wie is de man die u vergezelt en daar gij voor instaat?”„Die is het Zwarte-Hert, de eerste Sachem der Slangen-Pawnees.”„O zoo!” mompelde de kapitein „wat komt die hier doen?”„Dat zult gij vernemen als gij ons binnen laat.”„Welnu, kom dan binnen!” riep de kapitein, „maar houd u voor gewaarschuwd dat gij en uw medgezel bij den minsten schijn van verraad onverbiddelijk zult gedood worden.”„Daar hebt gij het volste regt toe, als ik mijn woord aan u breken mogt.”De kapitein, na zijne jagers te hebben aanbevolen om zich op[65]alle gebeurlijke zaken gereed te houden, gaf thans bevel om de brug neer te laten.Tranquille en het Zwarte-Hert kwamen binnen.Beiden waren ongewapend, ten minste zooveel men zien kon.Bij zulk een doorslaand blijk van vertrouwen, schaamde de kapitein zich meer of min over zijn argwaan en nadat de brug weder was opgehaald, zond hij zijn geleide weg en hield niemand bij zich dan Bothrel.„Volgt mij,” zeide hij tegen de beide vreemdelingen.Deze bogen zonder te antwoorden en traden naast hem voort.Zoo bereikten zij den toren, zonder een woord gewisseld te hebben.De kapitein geleidde hen in de zaal, waar mistress Watt nog alleen zat, aan de grootste ongerustheid ten prooi.Op een wenk van haar man om zich te verwijderen, wierp zij hem een smeekenden blik toe, dien hij begreep, want hij drong er toen niet verder op aan en zij bleef stil op de plaats daar zij zat. Tranquille vertoonde hetzelfde open gelaat en de kalme bedaardheid die wij reeds van hem gewoon zijn, en niets in zijne houding of manieren gaf het minste blijk dat hij met vijandige bedoelingen jegens de kolonisten bezield was.Het Zwarte-Hert daarentegen was somber en gestreng.De kapitein bood zijnen gasten stoelen aan bij het vuur. „Gaat zitten, mijne heeren,” zeide hij, „gij zult u wel een weinig willen warmen. Is het als vriend of als vijand dat gij bij mij komt?”„Die vraag is ligter gedaan dan beantwoord,” zei de jager op een toon van ronde goedwilligheid, „tot dusver zijn onze bedoelingen vredelievend, het hangt van u zelven af, kapitein, hoe wij elkander verlaten.”„In allen geval zult gij niet weigeren om eenige ververschingen te gebruiken.”„Voor het oogenblik verzoek ik u ons daarvan te verschoonen,” hernam Tranquille, die bestemd scheen om het woord tegelijk voor zijn kameraad en voor zich zelven te doen; „het zal geloof ik beter zijn dat wij maar terstond tot de zaak overgaan die ons hier brengt.”„Hum!”mompelde de kapitein maar half in zijn schik met deze weigering, die hem weinig goeds voorspelde; „spreek dan, ik ben geheel oor, en het zal aan mij niet haperen of alles tusschen ons loopt goed af.”„Dat wensch ik van ganscher hart, kapitein, des te meer daar ik om geen andere reden hier kwam dan om de botsing te vermijden,[66]die het gevolg zou kunnen zijn hetzij van een misverstand of van een opgewonden oogenblik.”De kapitein boog, ten bewijze van dank en de Canadees vervolgde onmiddellijk.„Gij zijt een oud militair, mijnheer,” zeide hij, „en met u zal de kortste weg wel de beste zijn; twee woorden dus, ziehier de reden van onze komst: de Slangen-Pawnees beschuldigen u, dat gij u door verraad van hun dorp meester gemaakt en het grootste gedeelte hunner bloedverwanten en vrienden hebt omgebragt, is dat waar?”„Dat ik mij van het dorp heb meester gemaakt is waar,” zeide de kapitein, „maar ik had er het regt toe, daar de Roodhuiden weigerden het te ontruimen; ik ontken stellig dat ik hierbij verraad heb gepleegd, integendeel zijn het de Pawnees die zich verraderlijk jegens mij hebben gedragen.”„O!” riep het Zwarte-Hert met drift opstaande, „het Bleekgezigt heeft een leugenachtige tong in den mond!”„Stilte!” riep Tranquille, hem op zijn stoel terugdringende, „laat mij dit kluwen alleen afhaspelen, dat mij verward genoeg voorkomt. Vergeef mij zoo ik u beleedig, mijnheer,” hervatte hij tegen den kapitein, „maar de zaak is ernstig en de waarheid moet bekend worden. Zijt gij bij uwe aankomst niet als vrienden door de stamhoofden ontvangen?”„Zeer zeker, onze eerste betrekkingen waren zeer vriendschappelijk.”„Waarom zijn zij dan vijandelijk geworden?”„Dat heb ik u gezegd; omdat de Pawnees tegen de bezworen trouw en het gegeven woord, weigerden, mij de plaats af te staan.”„Hoedat? u de plaats af te staan!”„Welzeker! omdat zij het land daar zij woonden aan mij verkocht hadden.”„O, ho! kapitein, maar dat moet gij mij nader uitleggen.”„Welnu, dat is gemakkelijk genoeg, en om u dadelijk te bewijzen dat ik in deze zaak ter goeder trouw te werk ben gegaan, zal ik u de acte van verkoop laten zien.”De jager en het opperhoofd wisselden een blik van verwondering.„Ik begrijp er niets meer van,” zeide Tranquille.„Wacht een oogenblik,” hervatte de kapitein, „ik wil u de acte halen en zal hem u toonen.”Hij verwijderde zich.„O! mijnheer,” riep de jonge vrouw terwijl zij de handen smeekend[67]zamenvouwde, „zie toch dat gij de zaak inderminne schikt.”„Helaas! mevrouw,” antwoordde de jager meêwarig, na de wending die de zaken schenen te nemen, „dat zal niet gemakkelijk gaan.”„Ziedaar!” riep de kapitein toen hij terugkwam, „daar is de acte.”De beide mannen hadden de acte maar even in te zien om het bedrog dadelijk te ontdekken.„Die acte is valsch,” zeide Tranquille.„Valsch! dat is niet mogelijk,” riep de kapitein verbaasd, „want dan zou ik gruwelijk bedrogen zijn.”„Dat is, helaas, maar al te zeer het geval!”„Wat nu gedaan?” mompelde de kapitein werktuigelijk.Het Zwarte-Hert stond op.„Dat de Bleekgezigten hooren,” zeide hij met fierheid, „het is een Sachem die spreken zal.”De Canadees wilde tusschenbeide komen, maar een wenk van het opperhoofd legde hem het zwijgen op.„Mijn vader is bedrogen,” vervolgde hij, „hij is een regtvaardig krijgsman: zijn hoofd is grijs; de Wacondah heeft hem wijsheid gegeven; de Slangen-Pawnees zijn ook regtvaardig, zij willen met mijn vader in vrede leven, dewijl hij onschuldig is aan den misslag dien men hem verwijt en voor welken een ander zich zal moeten verantwoorden.”Het begin dezer redenering was eene aangename verrassing voor de toehoorders; de jeugdige moeder vooral, toen zij dit hoorde, voelde hare ongerustheid merkelijk verzacht en de blijdschap in haar hart teruggekeerd.„De Slangen-Pawnees,” vervolgde de Sachem, „zullen mijn vader al de koopwaren terug geven die hem wederregtelijk zijn afgeperst; hij van zijnen kant, zal zich daarentegen verbinden om de jagtgronden der Pawnees te ontruimen, en zich van hier te verwijderen, zoowel als al de Bleekgezigten die met hem herwaarts kwamen; de Pawnees zien af van iedere wraakneming die zij wegens het vermoorden hunner broederen in ’t zin hadden, en de oorlogsbijl tusschen de Roodhuiden en de Bleekgezigten van het Westen zal voortaan begraven worden. Ik heb gezegd.”Op deze woorden volgde eene diepe stilte.De aanwezigen waren stom van ontsteltenis, deze voorwaarden waren onaannemelijk, de oorlog scheen onvermijdelijk.„Wat antwoordt mijn vader?” vroeg het opperhoofd een oogenblik later.[68]„Helaas! hoofdman,” antwoordde de kapitein met smart, „in zulke voorwaarden kan ik niet bewilligen, gij vergt het onmogelijke; al wat ik doen kan is dat ik den prijs zal verdubbelen dien ik eenmaal betaald heb.”Het opperhoofd haalde hooghartig de schouders op.„Het Zwarte-Hert heeft zich bedrogen,” zeide hij met een minachtenden grijns, „de Bleekgezigten hebben waarlijk een dubbele tong.”Het was onmogelijk om den Sachem de ware toedragt der zaken begrijpelijk te maken; met de blinde stijfhoofdigheid die zijn ras eigen is wilde hij naar geen reden luisteren, en hoe meer men hem poogde te bewijzen dat hij verkeerd deed, des te meer was hij overtuigd dat hij gelijk had.Diep in den nacht gingen de Canadees en het Zwarte-Hert heen, tot aan den buitenwal uitgeleid door den kapitein.Toen zij vertrokken waren, keerde James Watt vol gedachten naar den toren terug. Op den dorpel voor het huis komende, stiet hij tegen een tamelijk groot voorwerp; hij bukte om te zien wat het was.„O!” riep hij zich weder oprigtende, „zij willen dus werkelijk oorlog? Bij God! zij zullen mij leeren kennen.”Het voorwerp daar de kapitein tegen gestooten had, was een bundel pijlen, met een slangenhuid zamen verbonden; de beide uiteinden dezer huid alsmede de punten der pijlen waren met bloed bestreken.Het Zwarte-Hert had dezen bundel bij zijn vertrek achter zich laten vallen, ten teeken van oorlogsverklaring.Alle hoop op vrede was derhalve vervlogen; men moest zich gereed maken tot den strijd.Nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, hernam de kapitein zijne gewone koelbloedigheid en ofschoon het nog lang geen dag zou worden, liet hij al de kolonisten wekken en op het plein voor den toren zamen komen, om raad te houden en de noodige middelen te beramen, ten einde de gevaren af te wenden waarmede de nieuwe kolonie bedreigd werd.[69]

VIII.DE OORLOGSVERKLARING.

Er is eene onbegrijpelijke zaak, die ik gedurende den loop mijner lange en avontuurlijke togten in Amerika, menigmaal zelf ondervonden heb en als volkomen waar kan bevestigen; zij is deze, dat men vaak, zonder van dat gevoel reden te kunnen geven, een onheil, om zoo te zeggen voelt aankomen; men weet reeds vooruit dat men er door bedreigd wordt, zonder dat men nogtans weet van waar of hoe het ons overkomen zal; maar de dag schijnt somberder, de zonnestralen verliezen hun glans, alle voorwerpen nemen een treurigen tint aan, men hoort zonderlinge fluisteringen in de lucht, kortom, alles is in zekere onbepaalde en geheimzinnige onrust.Zonder dan dat er eenige blijkbare reden bestond om de vrees van den kapitein voor de gevolgen van zijn twist met den Pawnees te regtvaardigen, gevoelde niet alleen hij, maar ook de gansche bevolking der kolonie, den avond van dien dag, zich als onder den druk eener angstige bekommering.Ten zes ure, als naar gewoonte, had de klok geluid om de houthakkers en veehoeders thuis te roepen: allen waren binnengekomen, de beesten waren elk in hun stal opgesloten en, in schijn althans, was er niets ongewoons te zien dat de vreedzame rust der kolonisten kon verstoren.De sergeant Bothrel en zijne gezellen hadden denApen-Kopverscheidene uren nagezet, maar niets anders gevonden dan het paard, dat de Indiaan zoo stout vermeesterd had, maar dat hij waarschijnlijk weder had laten varen om zijne vlugt des te gemakkelijker te kunnen verbergen.Van Indianen was er geen spoor in den omtrek der kolonie te ontdekken; maar toch had de kapitein, die minder gerust was dan hij zelf wilde weten, de wachten laten verdubbelen die voor de algemeene veiligheid moesten waken, en gaf hij den sergeant bevel om alle twee uren met de patrouille op de verschansing de ronde te doen.Vervolgens, nadat deze voorzorgen genomen waren, hadden de familie en de huisbedienden zich in de groote zaal onder in den toren verzameld, voor de avondgodsdienst, eene gewoonte die sedert de eerste dagen op de kolonie was ingevoerd.[61]De kapitein zat in een grooten armstoel bij het vuur, want de nachten begonnen reeds koud te worden, met een oud boek voor zich over de militaire taktiek, terwijlmistressWatt met de meiden bezig was huislinnen te verstellen.Dien avond las de kapitein niet veel, maar zat met de armen kruiselings over de borst en de oogen op den haard gevestigd; hij scheen in diep nadenken verzonken.Eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich tot zijne vrouw.„Hoort gij de kinderen niet schreeuwen?” vroeg hij.„Ik weet waarlijk niet wat hun van daag schort,” antwoordde zij, „zij zijn niet tot bedaren te krijgen; Betsy is reeds langer dan een uur bij hen, zonder dat het haar gelukte ze te doen inslapen.”„Dan moest gij zelve liever eens gaan zien, melieve, dat zou misschien beter zijn dan ze geheel aan de zorg van eene dienstbode over te laten.”Mistress Watt ging zonder iets te zeggen de kamer uit en weldra hoorde men hare stem op de bovenverdieping, waar de kinderkamer was.De kapitein sprak nu tot den ouden sergeant, die in een hoek van het vertrek een juk zat te herstellen:„Het is u dus niet gelukt, Bothrel,” zeide hij, „om dien verwenschten heidenschen hondsvot meester te worden, die mij van daag zoo ruw op den grond heeft geworpen?”„Wij hebben hem zelfs geen enkele maal in ’t oog kunnen krijgen, kapitein,” antwoordde de sergeant; „die Indianen zijn als de slangen, zij glippen overal door heen. Gelukkig dat ik Boston heb teruggevonden; het arme beest scheen zelf blij dat hij ons wederzag.”„Ja, ja, Boston is een edel dier, ik zou hem niet gaarne hebben willen verliezen. De heiden heeft hem immers niet gekwetst? Zooals gij weet, zijn die roode duivels wel gewoon hunne paarden te mishandelen.”„Hij mankeert niets, zooveel ik heb kunnen zien; de Indiaan zal zeker genoodzaakt zijn geweest hem onverwijld in den steek te laten, toen hij merkte dat wij hem te digt achter de hielen kwamen?”„Dat zal wel zoo zijn, sergeant. Hebt gij de omstreken met zorg onderzocht?”„Met de grootste zorg, kapitein; ik heb niets ontdekt dat mij verdacht voorkwam. De Roodhuiden zullen zich wel tweemaal[62]bedenken eer zij ons aanvallen, wij hebben ze te ruw van den hals geschud, dat zullen zij zoo spoedig niet vergeten.”„Dat ben ik niet met u eens, sergeant, de heidenen zijn wraakgierig; ik houd mij overtuigd dat zij zich gaarne op ons zouden wreken en dat wij te avond of morgen, misschien reeds spoedig, hun oorlogskreet in het dal zullen hooren.”„Ik verlang er niet naar, als ik u de waarheid moet zeggen, maar ik geloof, als zij het durven wagen, dat zij weten zullen met wie zij te doen hebben.”„Dat denk ik ook; maar het zou voor ons eene treurige verrassing zijn, vooral nu wij, dank zij onze moeite en zorgen, op het punt zijn om de vruchten van onzen arbeid te plukken, en de eerste oogst op het veld staat.”„Dat is zoo, het zou zeer spijtig zijn, want de schade die wij door een aanval van zulke bandieten te vreezen hebben is niet te berekenen.”„Ongelukkig kunnen wij alleen op onze hoede zijn, daar het niet mogelijk is om de plannen te voorkomen of te verijdelen die de roode duivels zonder twijfel tegen ons smeden. Hebt gij de schildwachts wel zoodanig geplaatst als ik u gezegd had, sergeant?”„Ja, kapitein en ik heb hun aanbevolen om toch vooral waakzaam te zijn, zoodat ik niet geloof dat de Pawnees, hoe listig zij ook wezen mogen, ons ligt zullen overrompelen.”„Men moet op niets te veel vertrouwen, sergeant,” antwoordde de kapitein terwijl hij twijfelmoedig het hoofd schudde.Op hetzelfde oogenblik, alsof het toeval zijne vrees wilde bevestigen, werd de groote schel, die buiten was geplaatst en dienen moest om de kolonisten te verwittigen dat iemand verlangde binnen te komen, met kracht overgehaald.„Wat is dat?” riep de kapitein, terwijl hij op de klok keek die tegenover hem aan den muur hing; „het is reeds acht ure, wie komt daar nog zoo laat? Zijn al onze mannen nog niet binnen?”„Allen zijn thuis, kapitein, er is niemand van ons meer buiten.”James Watt stond op, greep zijn geweer, en den sergeant een wenk gevende om hem te volgen, trad hij reeds naar de deur.„Waar wilt gij naar toe, lieve vriend?” vroeg op eens eene zachte maar onrustige stem.De kapitein keerde zich om, en zag zijne vrouw, die in de zaal was gekomen zonder dat hij haar bemerkt had.„Hebt gij de bel niet gehoord?” vroeg hij haar, „er schijnt iemand buiten te staan.”[63]„Ja, ik heb die gehoord, lieve,” antwoordde zij; „maar zoudt gij wel open doen op zulk een laat uur?”„Mistress Watt” hervatte hij koel maar ferm, „ik ben het hoofd der kolonie, het is juist op dit uur mijn pligt om open te doen, omdat er misschien gevaar is en ik aan allen een voorbeeld van moed en pligtsbetrachting moet geven.”Op het oogenblik klonk de schel voor de tweede maal.„Gaan wij,” vervolgde de kapitein tegen den sergeant.De jonge vrouw antwoordde niet; zij zonk op een stoel neer, bleek en bevend van angst.Intusschen was de kapitein naar buiten gegaan, gevolgd door Bothrel en vier jagers, allen met buksen gewapend.De nacht was donker, er blonk geen enkele ster, en de hemel was zoo zwart als inkt, zoodat men op twee passen afstand niets kon onderscheiden, en er woei een koude huilende wind. Bothrel had een lantaarn medegenomen om in de duisternis vooruit te zien en den weg te vinden.„Hoe komt dat?” vroeg de kapitein, „dat de schildwacht die aan de ophaalbrug staat, geen werda heeft geroepen?”„Misschien heeft hij geen alarm willen maken, daar hij wel wist dat de bel in de toren gehoord kon worden.”„Hum!” mompelde de kapitein tusschen de tanden.Zij vervolgden hun weg; weldra hoorden zij geluid van stemmen en luisterden; het was de schildwacht die sprak.„Heb geduld,” riep hij, „ze komen al; ik zie een lantaren blinken, gij zult geen twee minuten meer behoeven te wachten; maar in uw eigen belang zou ik u raden om u niet te verroeren, of ik stuur u dadelijk een kogel in het lijf.”„Duivelsch!” antwoordde een spottende stem aan den overkant der gracht, „gij schijnt zonderlinge denkbeelden van de gastvrijheid te hebben, daar binnen; maar dat zij zoo, ik zal wachten; schouder intusschen uw geweer, ik heb volstrekt geen plan om hier alleen storm op u te loopen.”Op dit oogenblik kwam de kapitein op de verschansing.„Wat is dat, Bob?” vroeg hij aan de soldaat.„Ik ben een aap als ik het weet, kapitein,” antwoordde deze, „daar aan den overkant der gracht staat een man die met alle geweld binnen wil komen.”„Wie zijt gij? en wat verlangt gij?” riep de kapitein.„Wie zijt gij zelf?” antwoordde de onbekende.„Ik ben de kapitein James Watt, en ik laat u weten dat de kolonie[64]op dit uur voor onbekende landloopers gesloten is; kom tegen zonsopgang terug, misschien zal ik u dan vergunnen mijn huis binnen te treden.”„Pas wel op hetgeen gij doet” riep de onbekende,„uwe stijfhoofdigheid, om mij hier op den rand van een gracht te laten blaauwbekken, zou u duur te staan kunnen komen.”„Pas gij maar op u zelven, man,” antwoordde de kapitein ongeduldig, „ik ben niet te best geluimd om mij te hooren bedreigen.”„Ik bedreig u niet, ik waarschuw u slechts,” hervatte de andere; „gij hebt van daag reeds een grove fout begaan, maak het dezen avond maar niet erger door u zoo stijf tegen mijne binnenkomst te verzetten.”Dit antwoord trof den kapitein en bragt hem tot nadenken.„Maar,” riep hij een oogenblik later, „als ik u binnen laat, wie waarborgt mij dan dat gij mij niet zult verraden? De nacht is donker en gij kondt wel een talrijken troep volk bij u hebben, zonder dat ik er iets van zag.”„Ik heb niet anders bij mij dan een enkelen kameraad, daar ik u voor insta, leven om leven.”„Hum!” riep de de kapitein besluiteloozer dan ooit, „en wie blijft mij borg voor u?”„Ik!”„Wie zijt gij dan, die onze taal zoo zuiver spreekt dat men u voor een van ons volk zou kunnen houden.”„Dat ben ik ook ten naastenbij, ik ben Canadees, mijn naam is Tranquille.”„Tranquille!” riep de kapitein. „Zijt gij dan de beroemde woudlooper, bijgenaamd de Tijgerdooder?”„Of ik beroemd ben, kapitein, weet ik niet, maar wat ik wel weet is, dat ik de man ben dien gij bedoelt.”„Zoo gij werkelijk Tranquille zijt, laat ik u binnen komen; maar wie is de man die u vergezelt en daar gij voor instaat?”„Die is het Zwarte-Hert, de eerste Sachem der Slangen-Pawnees.”„O zoo!” mompelde de kapitein „wat komt die hier doen?”„Dat zult gij vernemen als gij ons binnen laat.”„Welnu, kom dan binnen!” riep de kapitein, „maar houd u voor gewaarschuwd dat gij en uw medgezel bij den minsten schijn van verraad onverbiddelijk zult gedood worden.”„Daar hebt gij het volste regt toe, als ik mijn woord aan u breken mogt.”De kapitein, na zijne jagers te hebben aanbevolen om zich op[65]alle gebeurlijke zaken gereed te houden, gaf thans bevel om de brug neer te laten.Tranquille en het Zwarte-Hert kwamen binnen.Beiden waren ongewapend, ten minste zooveel men zien kon.Bij zulk een doorslaand blijk van vertrouwen, schaamde de kapitein zich meer of min over zijn argwaan en nadat de brug weder was opgehaald, zond hij zijn geleide weg en hield niemand bij zich dan Bothrel.„Volgt mij,” zeide hij tegen de beide vreemdelingen.Deze bogen zonder te antwoorden en traden naast hem voort.Zoo bereikten zij den toren, zonder een woord gewisseld te hebben.De kapitein geleidde hen in de zaal, waar mistress Watt nog alleen zat, aan de grootste ongerustheid ten prooi.Op een wenk van haar man om zich te verwijderen, wierp zij hem een smeekenden blik toe, dien hij begreep, want hij drong er toen niet verder op aan en zij bleef stil op de plaats daar zij zat. Tranquille vertoonde hetzelfde open gelaat en de kalme bedaardheid die wij reeds van hem gewoon zijn, en niets in zijne houding of manieren gaf het minste blijk dat hij met vijandige bedoelingen jegens de kolonisten bezield was.Het Zwarte-Hert daarentegen was somber en gestreng.De kapitein bood zijnen gasten stoelen aan bij het vuur. „Gaat zitten, mijne heeren,” zeide hij, „gij zult u wel een weinig willen warmen. Is het als vriend of als vijand dat gij bij mij komt?”„Die vraag is ligter gedaan dan beantwoord,” zei de jager op een toon van ronde goedwilligheid, „tot dusver zijn onze bedoelingen vredelievend, het hangt van u zelven af, kapitein, hoe wij elkander verlaten.”„In allen geval zult gij niet weigeren om eenige ververschingen te gebruiken.”„Voor het oogenblik verzoek ik u ons daarvan te verschoonen,” hernam Tranquille, die bestemd scheen om het woord tegelijk voor zijn kameraad en voor zich zelven te doen; „het zal geloof ik beter zijn dat wij maar terstond tot de zaak overgaan die ons hier brengt.”„Hum!”mompelde de kapitein maar half in zijn schik met deze weigering, die hem weinig goeds voorspelde; „spreek dan, ik ben geheel oor, en het zal aan mij niet haperen of alles tusschen ons loopt goed af.”„Dat wensch ik van ganscher hart, kapitein, des te meer daar ik om geen andere reden hier kwam dan om de botsing te vermijden,[66]die het gevolg zou kunnen zijn hetzij van een misverstand of van een opgewonden oogenblik.”De kapitein boog, ten bewijze van dank en de Canadees vervolgde onmiddellijk.„Gij zijt een oud militair, mijnheer,” zeide hij, „en met u zal de kortste weg wel de beste zijn; twee woorden dus, ziehier de reden van onze komst: de Slangen-Pawnees beschuldigen u, dat gij u door verraad van hun dorp meester gemaakt en het grootste gedeelte hunner bloedverwanten en vrienden hebt omgebragt, is dat waar?”„Dat ik mij van het dorp heb meester gemaakt is waar,” zeide de kapitein, „maar ik had er het regt toe, daar de Roodhuiden weigerden het te ontruimen; ik ontken stellig dat ik hierbij verraad heb gepleegd, integendeel zijn het de Pawnees die zich verraderlijk jegens mij hebben gedragen.”„O!” riep het Zwarte-Hert met drift opstaande, „het Bleekgezigt heeft een leugenachtige tong in den mond!”„Stilte!” riep Tranquille, hem op zijn stoel terugdringende, „laat mij dit kluwen alleen afhaspelen, dat mij verward genoeg voorkomt. Vergeef mij zoo ik u beleedig, mijnheer,” hervatte hij tegen den kapitein, „maar de zaak is ernstig en de waarheid moet bekend worden. Zijt gij bij uwe aankomst niet als vrienden door de stamhoofden ontvangen?”„Zeer zeker, onze eerste betrekkingen waren zeer vriendschappelijk.”„Waarom zijn zij dan vijandelijk geworden?”„Dat heb ik u gezegd; omdat de Pawnees tegen de bezworen trouw en het gegeven woord, weigerden, mij de plaats af te staan.”„Hoedat? u de plaats af te staan!”„Welzeker! omdat zij het land daar zij woonden aan mij verkocht hadden.”„O, ho! kapitein, maar dat moet gij mij nader uitleggen.”„Welnu, dat is gemakkelijk genoeg, en om u dadelijk te bewijzen dat ik in deze zaak ter goeder trouw te werk ben gegaan, zal ik u de acte van verkoop laten zien.”De jager en het opperhoofd wisselden een blik van verwondering.„Ik begrijp er niets meer van,” zeide Tranquille.„Wacht een oogenblik,” hervatte de kapitein, „ik wil u de acte halen en zal hem u toonen.”Hij verwijderde zich.„O! mijnheer,” riep de jonge vrouw terwijl zij de handen smeekend[67]zamenvouwde, „zie toch dat gij de zaak inderminne schikt.”„Helaas! mevrouw,” antwoordde de jager meêwarig, na de wending die de zaken schenen te nemen, „dat zal niet gemakkelijk gaan.”„Ziedaar!” riep de kapitein toen hij terugkwam, „daar is de acte.”De beide mannen hadden de acte maar even in te zien om het bedrog dadelijk te ontdekken.„Die acte is valsch,” zeide Tranquille.„Valsch! dat is niet mogelijk,” riep de kapitein verbaasd, „want dan zou ik gruwelijk bedrogen zijn.”„Dat is, helaas, maar al te zeer het geval!”„Wat nu gedaan?” mompelde de kapitein werktuigelijk.Het Zwarte-Hert stond op.„Dat de Bleekgezigten hooren,” zeide hij met fierheid, „het is een Sachem die spreken zal.”De Canadees wilde tusschenbeide komen, maar een wenk van het opperhoofd legde hem het zwijgen op.„Mijn vader is bedrogen,” vervolgde hij, „hij is een regtvaardig krijgsman: zijn hoofd is grijs; de Wacondah heeft hem wijsheid gegeven; de Slangen-Pawnees zijn ook regtvaardig, zij willen met mijn vader in vrede leven, dewijl hij onschuldig is aan den misslag dien men hem verwijt en voor welken een ander zich zal moeten verantwoorden.”Het begin dezer redenering was eene aangename verrassing voor de toehoorders; de jeugdige moeder vooral, toen zij dit hoorde, voelde hare ongerustheid merkelijk verzacht en de blijdschap in haar hart teruggekeerd.„De Slangen-Pawnees,” vervolgde de Sachem, „zullen mijn vader al de koopwaren terug geven die hem wederregtelijk zijn afgeperst; hij van zijnen kant, zal zich daarentegen verbinden om de jagtgronden der Pawnees te ontruimen, en zich van hier te verwijderen, zoowel als al de Bleekgezigten die met hem herwaarts kwamen; de Pawnees zien af van iedere wraakneming die zij wegens het vermoorden hunner broederen in ’t zin hadden, en de oorlogsbijl tusschen de Roodhuiden en de Bleekgezigten van het Westen zal voortaan begraven worden. Ik heb gezegd.”Op deze woorden volgde eene diepe stilte.De aanwezigen waren stom van ontsteltenis, deze voorwaarden waren onaannemelijk, de oorlog scheen onvermijdelijk.„Wat antwoordt mijn vader?” vroeg het opperhoofd een oogenblik later.[68]„Helaas! hoofdman,” antwoordde de kapitein met smart, „in zulke voorwaarden kan ik niet bewilligen, gij vergt het onmogelijke; al wat ik doen kan is dat ik den prijs zal verdubbelen dien ik eenmaal betaald heb.”Het opperhoofd haalde hooghartig de schouders op.„Het Zwarte-Hert heeft zich bedrogen,” zeide hij met een minachtenden grijns, „de Bleekgezigten hebben waarlijk een dubbele tong.”Het was onmogelijk om den Sachem de ware toedragt der zaken begrijpelijk te maken; met de blinde stijfhoofdigheid die zijn ras eigen is wilde hij naar geen reden luisteren, en hoe meer men hem poogde te bewijzen dat hij verkeerd deed, des te meer was hij overtuigd dat hij gelijk had.Diep in den nacht gingen de Canadees en het Zwarte-Hert heen, tot aan den buitenwal uitgeleid door den kapitein.Toen zij vertrokken waren, keerde James Watt vol gedachten naar den toren terug. Op den dorpel voor het huis komende, stiet hij tegen een tamelijk groot voorwerp; hij bukte om te zien wat het was.„O!” riep hij zich weder oprigtende, „zij willen dus werkelijk oorlog? Bij God! zij zullen mij leeren kennen.”Het voorwerp daar de kapitein tegen gestooten had, was een bundel pijlen, met een slangenhuid zamen verbonden; de beide uiteinden dezer huid alsmede de punten der pijlen waren met bloed bestreken.Het Zwarte-Hert had dezen bundel bij zijn vertrek achter zich laten vallen, ten teeken van oorlogsverklaring.Alle hoop op vrede was derhalve vervlogen; men moest zich gereed maken tot den strijd.Nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, hernam de kapitein zijne gewone koelbloedigheid en ofschoon het nog lang geen dag zou worden, liet hij al de kolonisten wekken en op het plein voor den toren zamen komen, om raad te houden en de noodige middelen te beramen, ten einde de gevaren af te wenden waarmede de nieuwe kolonie bedreigd werd.[69]

Er is eene onbegrijpelijke zaak, die ik gedurende den loop mijner lange en avontuurlijke togten in Amerika, menigmaal zelf ondervonden heb en als volkomen waar kan bevestigen; zij is deze, dat men vaak, zonder van dat gevoel reden te kunnen geven, een onheil, om zoo te zeggen voelt aankomen; men weet reeds vooruit dat men er door bedreigd wordt, zonder dat men nogtans weet van waar of hoe het ons overkomen zal; maar de dag schijnt somberder, de zonnestralen verliezen hun glans, alle voorwerpen nemen een treurigen tint aan, men hoort zonderlinge fluisteringen in de lucht, kortom, alles is in zekere onbepaalde en geheimzinnige onrust.

Zonder dan dat er eenige blijkbare reden bestond om de vrees van den kapitein voor de gevolgen van zijn twist met den Pawnees te regtvaardigen, gevoelde niet alleen hij, maar ook de gansche bevolking der kolonie, den avond van dien dag, zich als onder den druk eener angstige bekommering.

Ten zes ure, als naar gewoonte, had de klok geluid om de houthakkers en veehoeders thuis te roepen: allen waren binnengekomen, de beesten waren elk in hun stal opgesloten en, in schijn althans, was er niets ongewoons te zien dat de vreedzame rust der kolonisten kon verstoren.

De sergeant Bothrel en zijne gezellen hadden denApen-Kopverscheidene uren nagezet, maar niets anders gevonden dan het paard, dat de Indiaan zoo stout vermeesterd had, maar dat hij waarschijnlijk weder had laten varen om zijne vlugt des te gemakkelijker te kunnen verbergen.

Van Indianen was er geen spoor in den omtrek der kolonie te ontdekken; maar toch had de kapitein, die minder gerust was dan hij zelf wilde weten, de wachten laten verdubbelen die voor de algemeene veiligheid moesten waken, en gaf hij den sergeant bevel om alle twee uren met de patrouille op de verschansing de ronde te doen.

Vervolgens, nadat deze voorzorgen genomen waren, hadden de familie en de huisbedienden zich in de groote zaal onder in den toren verzameld, voor de avondgodsdienst, eene gewoonte die sedert de eerste dagen op de kolonie was ingevoerd.[61]

De kapitein zat in een grooten armstoel bij het vuur, want de nachten begonnen reeds koud te worden, met een oud boek voor zich over de militaire taktiek, terwijlmistressWatt met de meiden bezig was huislinnen te verstellen.

Dien avond las de kapitein niet veel, maar zat met de armen kruiselings over de borst en de oogen op den haard gevestigd; hij scheen in diep nadenken verzonken.

Eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich tot zijne vrouw.

„Hoort gij de kinderen niet schreeuwen?” vroeg hij.

„Ik weet waarlijk niet wat hun van daag schort,” antwoordde zij, „zij zijn niet tot bedaren te krijgen; Betsy is reeds langer dan een uur bij hen, zonder dat het haar gelukte ze te doen inslapen.”

„Dan moest gij zelve liever eens gaan zien, melieve, dat zou misschien beter zijn dan ze geheel aan de zorg van eene dienstbode over te laten.”

Mistress Watt ging zonder iets te zeggen de kamer uit en weldra hoorde men hare stem op de bovenverdieping, waar de kinderkamer was.

De kapitein sprak nu tot den ouden sergeant, die in een hoek van het vertrek een juk zat te herstellen:

„Het is u dus niet gelukt, Bothrel,” zeide hij, „om dien verwenschten heidenschen hondsvot meester te worden, die mij van daag zoo ruw op den grond heeft geworpen?”

„Wij hebben hem zelfs geen enkele maal in ’t oog kunnen krijgen, kapitein,” antwoordde de sergeant; „die Indianen zijn als de slangen, zij glippen overal door heen. Gelukkig dat ik Boston heb teruggevonden; het arme beest scheen zelf blij dat hij ons wederzag.”

„Ja, ja, Boston is een edel dier, ik zou hem niet gaarne hebben willen verliezen. De heiden heeft hem immers niet gekwetst? Zooals gij weet, zijn die roode duivels wel gewoon hunne paarden te mishandelen.”

„Hij mankeert niets, zooveel ik heb kunnen zien; de Indiaan zal zeker genoodzaakt zijn geweest hem onverwijld in den steek te laten, toen hij merkte dat wij hem te digt achter de hielen kwamen?”

„Dat zal wel zoo zijn, sergeant. Hebt gij de omstreken met zorg onderzocht?”

„Met de grootste zorg, kapitein; ik heb niets ontdekt dat mij verdacht voorkwam. De Roodhuiden zullen zich wel tweemaal[62]bedenken eer zij ons aanvallen, wij hebben ze te ruw van den hals geschud, dat zullen zij zoo spoedig niet vergeten.”

„Dat ben ik niet met u eens, sergeant, de heidenen zijn wraakgierig; ik houd mij overtuigd dat zij zich gaarne op ons zouden wreken en dat wij te avond of morgen, misschien reeds spoedig, hun oorlogskreet in het dal zullen hooren.”

„Ik verlang er niet naar, als ik u de waarheid moet zeggen, maar ik geloof, als zij het durven wagen, dat zij weten zullen met wie zij te doen hebben.”

„Dat denk ik ook; maar het zou voor ons eene treurige verrassing zijn, vooral nu wij, dank zij onze moeite en zorgen, op het punt zijn om de vruchten van onzen arbeid te plukken, en de eerste oogst op het veld staat.”

„Dat is zoo, het zou zeer spijtig zijn, want de schade die wij door een aanval van zulke bandieten te vreezen hebben is niet te berekenen.”

„Ongelukkig kunnen wij alleen op onze hoede zijn, daar het niet mogelijk is om de plannen te voorkomen of te verijdelen die de roode duivels zonder twijfel tegen ons smeden. Hebt gij de schildwachts wel zoodanig geplaatst als ik u gezegd had, sergeant?”

„Ja, kapitein en ik heb hun aanbevolen om toch vooral waakzaam te zijn, zoodat ik niet geloof dat de Pawnees, hoe listig zij ook wezen mogen, ons ligt zullen overrompelen.”

„Men moet op niets te veel vertrouwen, sergeant,” antwoordde de kapitein terwijl hij twijfelmoedig het hoofd schudde.

Op hetzelfde oogenblik, alsof het toeval zijne vrees wilde bevestigen, werd de groote schel, die buiten was geplaatst en dienen moest om de kolonisten te verwittigen dat iemand verlangde binnen te komen, met kracht overgehaald.

„Wat is dat?” riep de kapitein, terwijl hij op de klok keek die tegenover hem aan den muur hing; „het is reeds acht ure, wie komt daar nog zoo laat? Zijn al onze mannen nog niet binnen?”

„Allen zijn thuis, kapitein, er is niemand van ons meer buiten.”

James Watt stond op, greep zijn geweer, en den sergeant een wenk gevende om hem te volgen, trad hij reeds naar de deur.

„Waar wilt gij naar toe, lieve vriend?” vroeg op eens eene zachte maar onrustige stem.

De kapitein keerde zich om, en zag zijne vrouw, die in de zaal was gekomen zonder dat hij haar bemerkt had.

„Hebt gij de bel niet gehoord?” vroeg hij haar, „er schijnt iemand buiten te staan.”[63]

„Ja, ik heb die gehoord, lieve,” antwoordde zij; „maar zoudt gij wel open doen op zulk een laat uur?”

„Mistress Watt” hervatte hij koel maar ferm, „ik ben het hoofd der kolonie, het is juist op dit uur mijn pligt om open te doen, omdat er misschien gevaar is en ik aan allen een voorbeeld van moed en pligtsbetrachting moet geven.”

Op het oogenblik klonk de schel voor de tweede maal.

„Gaan wij,” vervolgde de kapitein tegen den sergeant.

De jonge vrouw antwoordde niet; zij zonk op een stoel neer, bleek en bevend van angst.

Intusschen was de kapitein naar buiten gegaan, gevolgd door Bothrel en vier jagers, allen met buksen gewapend.

De nacht was donker, er blonk geen enkele ster, en de hemel was zoo zwart als inkt, zoodat men op twee passen afstand niets kon onderscheiden, en er woei een koude huilende wind. Bothrel had een lantaarn medegenomen om in de duisternis vooruit te zien en den weg te vinden.

„Hoe komt dat?” vroeg de kapitein, „dat de schildwacht die aan de ophaalbrug staat, geen werda heeft geroepen?”

„Misschien heeft hij geen alarm willen maken, daar hij wel wist dat de bel in de toren gehoord kon worden.”

„Hum!” mompelde de kapitein tusschen de tanden.

Zij vervolgden hun weg; weldra hoorden zij geluid van stemmen en luisterden; het was de schildwacht die sprak.

„Heb geduld,” riep hij, „ze komen al; ik zie een lantaren blinken, gij zult geen twee minuten meer behoeven te wachten; maar in uw eigen belang zou ik u raden om u niet te verroeren, of ik stuur u dadelijk een kogel in het lijf.”

„Duivelsch!” antwoordde een spottende stem aan den overkant der gracht, „gij schijnt zonderlinge denkbeelden van de gastvrijheid te hebben, daar binnen; maar dat zij zoo, ik zal wachten; schouder intusschen uw geweer, ik heb volstrekt geen plan om hier alleen storm op u te loopen.”

Op dit oogenblik kwam de kapitein op de verschansing.

„Wat is dat, Bob?” vroeg hij aan de soldaat.

„Ik ben een aap als ik het weet, kapitein,” antwoordde deze, „daar aan den overkant der gracht staat een man die met alle geweld binnen wil komen.”

„Wie zijt gij? en wat verlangt gij?” riep de kapitein.

„Wie zijt gij zelf?” antwoordde de onbekende.

„Ik ben de kapitein James Watt, en ik laat u weten dat de kolonie[64]op dit uur voor onbekende landloopers gesloten is; kom tegen zonsopgang terug, misschien zal ik u dan vergunnen mijn huis binnen te treden.”

„Pas wel op hetgeen gij doet” riep de onbekende,„uwe stijfhoofdigheid, om mij hier op den rand van een gracht te laten blaauwbekken, zou u duur te staan kunnen komen.”

„Pas gij maar op u zelven, man,” antwoordde de kapitein ongeduldig, „ik ben niet te best geluimd om mij te hooren bedreigen.”

„Ik bedreig u niet, ik waarschuw u slechts,” hervatte de andere; „gij hebt van daag reeds een grove fout begaan, maak het dezen avond maar niet erger door u zoo stijf tegen mijne binnenkomst te verzetten.”

Dit antwoord trof den kapitein en bragt hem tot nadenken.

„Maar,” riep hij een oogenblik later, „als ik u binnen laat, wie waarborgt mij dan dat gij mij niet zult verraden? De nacht is donker en gij kondt wel een talrijken troep volk bij u hebben, zonder dat ik er iets van zag.”

„Ik heb niet anders bij mij dan een enkelen kameraad, daar ik u voor insta, leven om leven.”

„Hum!” riep de de kapitein besluiteloozer dan ooit, „en wie blijft mij borg voor u?”

„Ik!”

„Wie zijt gij dan, die onze taal zoo zuiver spreekt dat men u voor een van ons volk zou kunnen houden.”

„Dat ben ik ook ten naastenbij, ik ben Canadees, mijn naam is Tranquille.”

„Tranquille!” riep de kapitein. „Zijt gij dan de beroemde woudlooper, bijgenaamd de Tijgerdooder?”

„Of ik beroemd ben, kapitein, weet ik niet, maar wat ik wel weet is, dat ik de man ben dien gij bedoelt.”

„Zoo gij werkelijk Tranquille zijt, laat ik u binnen komen; maar wie is de man die u vergezelt en daar gij voor instaat?”

„Die is het Zwarte-Hert, de eerste Sachem der Slangen-Pawnees.”

„O zoo!” mompelde de kapitein „wat komt die hier doen?”

„Dat zult gij vernemen als gij ons binnen laat.”

„Welnu, kom dan binnen!” riep de kapitein, „maar houd u voor gewaarschuwd dat gij en uw medgezel bij den minsten schijn van verraad onverbiddelijk zult gedood worden.”

„Daar hebt gij het volste regt toe, als ik mijn woord aan u breken mogt.”

De kapitein, na zijne jagers te hebben aanbevolen om zich op[65]alle gebeurlijke zaken gereed te houden, gaf thans bevel om de brug neer te laten.

Tranquille en het Zwarte-Hert kwamen binnen.

Beiden waren ongewapend, ten minste zooveel men zien kon.

Bij zulk een doorslaand blijk van vertrouwen, schaamde de kapitein zich meer of min over zijn argwaan en nadat de brug weder was opgehaald, zond hij zijn geleide weg en hield niemand bij zich dan Bothrel.

„Volgt mij,” zeide hij tegen de beide vreemdelingen.

Deze bogen zonder te antwoorden en traden naast hem voort.

Zoo bereikten zij den toren, zonder een woord gewisseld te hebben.

De kapitein geleidde hen in de zaal, waar mistress Watt nog alleen zat, aan de grootste ongerustheid ten prooi.

Op een wenk van haar man om zich te verwijderen, wierp zij hem een smeekenden blik toe, dien hij begreep, want hij drong er toen niet verder op aan en zij bleef stil op de plaats daar zij zat. Tranquille vertoonde hetzelfde open gelaat en de kalme bedaardheid die wij reeds van hem gewoon zijn, en niets in zijne houding of manieren gaf het minste blijk dat hij met vijandige bedoelingen jegens de kolonisten bezield was.

Het Zwarte-Hert daarentegen was somber en gestreng.

De kapitein bood zijnen gasten stoelen aan bij het vuur. „Gaat zitten, mijne heeren,” zeide hij, „gij zult u wel een weinig willen warmen. Is het als vriend of als vijand dat gij bij mij komt?”

„Die vraag is ligter gedaan dan beantwoord,” zei de jager op een toon van ronde goedwilligheid, „tot dusver zijn onze bedoelingen vredelievend, het hangt van u zelven af, kapitein, hoe wij elkander verlaten.”

„In allen geval zult gij niet weigeren om eenige ververschingen te gebruiken.”

„Voor het oogenblik verzoek ik u ons daarvan te verschoonen,” hernam Tranquille, die bestemd scheen om het woord tegelijk voor zijn kameraad en voor zich zelven te doen; „het zal geloof ik beter zijn dat wij maar terstond tot de zaak overgaan die ons hier brengt.”

„Hum!”mompelde de kapitein maar half in zijn schik met deze weigering, die hem weinig goeds voorspelde; „spreek dan, ik ben geheel oor, en het zal aan mij niet haperen of alles tusschen ons loopt goed af.”

„Dat wensch ik van ganscher hart, kapitein, des te meer daar ik om geen andere reden hier kwam dan om de botsing te vermijden,[66]die het gevolg zou kunnen zijn hetzij van een misverstand of van een opgewonden oogenblik.”

De kapitein boog, ten bewijze van dank en de Canadees vervolgde onmiddellijk.

„Gij zijt een oud militair, mijnheer,” zeide hij, „en met u zal de kortste weg wel de beste zijn; twee woorden dus, ziehier de reden van onze komst: de Slangen-Pawnees beschuldigen u, dat gij u door verraad van hun dorp meester gemaakt en het grootste gedeelte hunner bloedverwanten en vrienden hebt omgebragt, is dat waar?”

„Dat ik mij van het dorp heb meester gemaakt is waar,” zeide de kapitein, „maar ik had er het regt toe, daar de Roodhuiden weigerden het te ontruimen; ik ontken stellig dat ik hierbij verraad heb gepleegd, integendeel zijn het de Pawnees die zich verraderlijk jegens mij hebben gedragen.”

„O!” riep het Zwarte-Hert met drift opstaande, „het Bleekgezigt heeft een leugenachtige tong in den mond!”

„Stilte!” riep Tranquille, hem op zijn stoel terugdringende, „laat mij dit kluwen alleen afhaspelen, dat mij verward genoeg voorkomt. Vergeef mij zoo ik u beleedig, mijnheer,” hervatte hij tegen den kapitein, „maar de zaak is ernstig en de waarheid moet bekend worden. Zijt gij bij uwe aankomst niet als vrienden door de stamhoofden ontvangen?”

„Zeer zeker, onze eerste betrekkingen waren zeer vriendschappelijk.”

„Waarom zijn zij dan vijandelijk geworden?”

„Dat heb ik u gezegd; omdat de Pawnees tegen de bezworen trouw en het gegeven woord, weigerden, mij de plaats af te staan.”

„Hoedat? u de plaats af te staan!”

„Welzeker! omdat zij het land daar zij woonden aan mij verkocht hadden.”

„O, ho! kapitein, maar dat moet gij mij nader uitleggen.”

„Welnu, dat is gemakkelijk genoeg, en om u dadelijk te bewijzen dat ik in deze zaak ter goeder trouw te werk ben gegaan, zal ik u de acte van verkoop laten zien.”

De jager en het opperhoofd wisselden een blik van verwondering.

„Ik begrijp er niets meer van,” zeide Tranquille.

„Wacht een oogenblik,” hervatte de kapitein, „ik wil u de acte halen en zal hem u toonen.”

Hij verwijderde zich.

„O! mijnheer,” riep de jonge vrouw terwijl zij de handen smeekend[67]zamenvouwde, „zie toch dat gij de zaak inderminne schikt.”

„Helaas! mevrouw,” antwoordde de jager meêwarig, na de wending die de zaken schenen te nemen, „dat zal niet gemakkelijk gaan.”

„Ziedaar!” riep de kapitein toen hij terugkwam, „daar is de acte.”

De beide mannen hadden de acte maar even in te zien om het bedrog dadelijk te ontdekken.

„Die acte is valsch,” zeide Tranquille.

„Valsch! dat is niet mogelijk,” riep de kapitein verbaasd, „want dan zou ik gruwelijk bedrogen zijn.”

„Dat is, helaas, maar al te zeer het geval!”

„Wat nu gedaan?” mompelde de kapitein werktuigelijk.

Het Zwarte-Hert stond op.

„Dat de Bleekgezigten hooren,” zeide hij met fierheid, „het is een Sachem die spreken zal.”

De Canadees wilde tusschenbeide komen, maar een wenk van het opperhoofd legde hem het zwijgen op.

„Mijn vader is bedrogen,” vervolgde hij, „hij is een regtvaardig krijgsman: zijn hoofd is grijs; de Wacondah heeft hem wijsheid gegeven; de Slangen-Pawnees zijn ook regtvaardig, zij willen met mijn vader in vrede leven, dewijl hij onschuldig is aan den misslag dien men hem verwijt en voor welken een ander zich zal moeten verantwoorden.”

Het begin dezer redenering was eene aangename verrassing voor de toehoorders; de jeugdige moeder vooral, toen zij dit hoorde, voelde hare ongerustheid merkelijk verzacht en de blijdschap in haar hart teruggekeerd.

„De Slangen-Pawnees,” vervolgde de Sachem, „zullen mijn vader al de koopwaren terug geven die hem wederregtelijk zijn afgeperst; hij van zijnen kant, zal zich daarentegen verbinden om de jagtgronden der Pawnees te ontruimen, en zich van hier te verwijderen, zoowel als al de Bleekgezigten die met hem herwaarts kwamen; de Pawnees zien af van iedere wraakneming die zij wegens het vermoorden hunner broederen in ’t zin hadden, en de oorlogsbijl tusschen de Roodhuiden en de Bleekgezigten van het Westen zal voortaan begraven worden. Ik heb gezegd.”

Op deze woorden volgde eene diepe stilte.

De aanwezigen waren stom van ontsteltenis, deze voorwaarden waren onaannemelijk, de oorlog scheen onvermijdelijk.

„Wat antwoordt mijn vader?” vroeg het opperhoofd een oogenblik later.[68]

„Helaas! hoofdman,” antwoordde de kapitein met smart, „in zulke voorwaarden kan ik niet bewilligen, gij vergt het onmogelijke; al wat ik doen kan is dat ik den prijs zal verdubbelen dien ik eenmaal betaald heb.”

Het opperhoofd haalde hooghartig de schouders op.

„Het Zwarte-Hert heeft zich bedrogen,” zeide hij met een minachtenden grijns, „de Bleekgezigten hebben waarlijk een dubbele tong.”

Het was onmogelijk om den Sachem de ware toedragt der zaken begrijpelijk te maken; met de blinde stijfhoofdigheid die zijn ras eigen is wilde hij naar geen reden luisteren, en hoe meer men hem poogde te bewijzen dat hij verkeerd deed, des te meer was hij overtuigd dat hij gelijk had.

Diep in den nacht gingen de Canadees en het Zwarte-Hert heen, tot aan den buitenwal uitgeleid door den kapitein.

Toen zij vertrokken waren, keerde James Watt vol gedachten naar den toren terug. Op den dorpel voor het huis komende, stiet hij tegen een tamelijk groot voorwerp; hij bukte om te zien wat het was.

„O!” riep hij zich weder oprigtende, „zij willen dus werkelijk oorlog? Bij God! zij zullen mij leeren kennen.”

Het voorwerp daar de kapitein tegen gestooten had, was een bundel pijlen, met een slangenhuid zamen verbonden; de beide uiteinden dezer huid alsmede de punten der pijlen waren met bloed bestreken.

Het Zwarte-Hert had dezen bundel bij zijn vertrek achter zich laten vallen, ten teeken van oorlogsverklaring.

Alle hoop op vrede was derhalve vervlogen; men moest zich gereed maken tot den strijd.

Nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, hernam de kapitein zijne gewone koelbloedigheid en ofschoon het nog lang geen dag zou worden, liet hij al de kolonisten wekken en op het plein voor den toren zamen komen, om raad te houden en de noodige middelen te beramen, ten einde de gevaren af te wenden waarmede de nieuwe kolonie bedreigd werd.[69]


Back to IndexNext