XI.

[Inhoud]XI.DE VENTA DEL POTRERO.Van ons regt als romanschrijver gebruik makende, zullen wij thans het tooneel onzer geschiedenis naar Texas verplaatsen, en den draad van ons verhaal hervatten omtrent zestien jaar na de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.De dageraad begon de wolken met bleeke paarlemoertinten te kleuren; de sterren verdwenen de een na de andere in de blaauwe diepten des hemels; aan den uitersten rand der Oosterkimmen verkondigde een helderder rood dat de dag snel in aantogt was en de zon weldra zou opgaan. Duizende onzigtbare vogels, huiverend tusschen de digte takken verscholen, schenen plotseling te ontwaken en begonnen vrolijk hun welluidend morgenconcert aan te stemmen, terwijl het gehuil der wilde beesten, die ongaarne de rivierwedden verlieten en met langzamen tred naar hunne holen terugkeerden, al flaauwer en flaauwer werd en eindelijk in de verte wegstierf.Op dit oogenblik verhief zich de frissche morgenwind, onderschepte de digte neveldampen die in de keerkringslanden bij het opgaan der zon uit de aarde opstijgen, dwarrelde er een poos mede rond, scheurde ze toen van een en verstrooide ze door het luchtruim, als de tooneelschermen bij eencoup de théatre, die plotseling weggeschoven, den aanschouwer verrassen met het heerlijkste vergezigt dat de droomende verbeelding van een schilder of dichter zich zou kunnen voorstellen.Het is bovenal in Amerika dat de hand der Voorzienigheid behagen schijnt te hebben gevonden om de treffendste natuurtafereelen te scheppen, met een rijkdom van verscheidenheid en een[86]afwisseling van harmonie en tegenstellingen, die men elders te vergeefs zou zoeken.In eene onmetelijke vlakte, van alle zijden omgeven door de hooge kruinen van het ongerept en eeuwenheugend bosch, kronkelde in grillige bogten een breed pad van goudkleurig zand, dat aangenaam contrasteerde met het donkere groen der weligste grasvelden en heesters, terwijl het zilverwitte watervlak eener kleine rivier in de eerste stralen der morgenzon lag te glinsteren als eene verblindende juweelkist. Niet ver van de rivier, omtrent in het midden der vlakte, verhief zich een wit huis, omringd door eene luchtige kolonnade, in den vorm eener gaanderij, en met roode pannen gedekt. Dit huis als omhangen met een tapijt van allerlei klimplanten, die in digte bossen langs de muren omhoog slingerden, was een zoo genaamdeVentaof herberg, op een heuvel of kleinen berg gebouwd. Langs een opgaand pad steeg men ongevoelig naar boven en, dank zij de uitmuntende ligging, had men van daar een vergezigt over het omliggende landschap, zoo schoon en grootsch als de condor, wanneer hij zich tot de wolken verheft.Voor de deur der Venta stonden eenige dragonders ten getale van ongeveer twintig schilderachtig gegroepeerd, die juist gedaan hadden met hunne paarden te zadelen, terwijl eenigearrierosdruk bezig waren met zeven of acht muilezels op te laden.Op den weg, een paar mijlen voor de Venta uit, zag men als schier onmerkbare zwarte stippen, verscheidene ruiters zich snel verwijderen en op het punt van in het zooeven door ons genoemde bosch te verdwijnen, een bosch, dat zich allengs tegen de helling der bergen verhief, die het gansche tooneel als met prachtige lijst omsloten en wier besneeuwde, steil afgebrokkelde kruinen met het azuur des hemels ineensmolten.De deur der Venta ging open en een jong officier trad zingend naar buiten, gevolgd door een grooten dikbuikigen monnik met een vol en blozend gezigt; achter hen op den drempel verscheen een bekoorlijk jong meisje van achttien of negentien jaar, eene mollige blondine, met blaauwe oogen en goudgeele haren, en vol gratie in al hare bewegingen.„Kom, kom!” riep de kapitein—want de jonge officier droeg de onderscheidingsteekenen van dezen rang—„wij hebben reeds te veel tijd verloren. In den zadel!”„Hum!” bromde de monnik, „wij hebben ons naauwelijks tijd gegund om te ontbijten, wat maakt gij toch voor haast, kapitein?”[87]„Heilige man,” meesmuilde de officier, „als gij hier wilt blijven staat het u vrij.”„Neen, neen, ik vertrek met u!” schreeuwde de monnik met een gebaar van schrik; „Caspita! ik wil mij uw geleide ten nutte maken.”„Kom, haast u dan! want binnen vijf minuten geef ik order om te vertrekken.”De officier, na zijne oogen over de vlakte te hebben laten weiden, gaf den oppasser een wenk om zijn paard te brengen, en sprong in den zadel met al de vlugheid en zwier die den Mexicaanschen ruiters eigen zijn. De monnik smoorde een zucht, hij dacht waarschijnlijk aan de gulle gastvrijheid die hij verlaten zou, terwijl hij zich aan de gevaren van eene verre reis ging blootstellen; met behulp van de arrieros gelukte het hem eindelijk zich zoo goed of kwaad mogelijk op een muilezel te hijschen, wiens ruggestreng merkbaar doorboog onder de vracht die hij op zich kreeg.„Oef!” hijgde de monnik, „ik ben er.”„In den zadel!” kommandeerde de officier.De dragonders gehoorzaamden oogenblikkelijk, en gedurende eenige sekonden hoorde men niets dan een gekletter van ijzeren ringen en klingen.Het meisje daar wij zoo even van gewaagden, was tot dus ver zwijgend en roerloos in de deur blijven staan. Zij scheen aan eene heimelijke ontroering ten prooi, en wierp de blikken onrustig in ’t rond naar twee of driegambusinos(grensloopers) die achteloos met de schouders tegen de Venta geleund, al de bewegingen der karavaan zorgvuldig gadesloegen; toen echter de kapitein bevel zou geven om op te breken, trad zij onbeschroomd nader en bood hem een brandenden zwavelstok aan:„Officier,” zeide zij met een zachte welluidende stem: „uwe cigarette is uit.”„’t Is waarlijk waar!” antwoordde deze terwijl hij naar het meisje bukte, en na den zwavelstok gebruikt te hebben, haar dien terug gaf met een: „Ik dank u, mijn schoon kind.”Het meisje maakte zich deze beweging, die haar hoofd digt bij dat van den officier bragt, ten nutte, om hem snel deze twee woorden toe te fluisteren:„Wees op uwe hoede!”„Hoe zoo?” riep hij, haar strak aanziende.Maar zonder te antwoorden hield zij den wijsvinger voor hare[88]rozenlippen, keerde zich schielijk om en ijlde naar de Venta terug.De kapitein rigtte zich op; hij fronste de zwarte wenkbraauwen, wierp den twee of driegambusinosdie tegen den muur leunden een dreigenden blik toe, maar schudde weldra fier het hoofd.„Baba!” prevelde hij met minachting, „zij zouden niet durven.”Thans trok hij zijn sabel, de blanke kling schitterde in de zonnestralen, en hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep.„Op marsch!” kommandeerde hij.En zij reden weg.De muildieren volgden de bel der nena (moederezel) en de dragonders verdeelden zich rondom derecua(troep ezels), die zij geheel insloten.De gambusinos, die het vertrek der karavaan hadden gadegeslagen, volgden een poos met de oogen haar togt door de krommingen van het bogtige pad, en keerden toen de een na den ander in de Venta terug.Het jonge meisje zat alleen, op een taboeret en hield zich in schijn ijverig bezig met het verstellen van een vrouwelijk kleedingstuk; intusschen kon men aan eene snelle trilling die haar gansche ligchaam bewoog, aan het hooge rood van haar voorhoofd en aan een schuwen blik van onder haar lange wimpers, toen de landloopers binnenkwamen, wel zien dat zij verre was van de kalmte te bezitten die zij voorwendde, maar integendeel door eene heimelijke vrees werd gefolterd.De gambusinos waren drie in getal. Het waren mannen in de kracht des levens, met harde scherpgeteekende trekken, sluwe blikken en onbeschofte manieren.Zij droegen het gewone kostuum der Mexicaansche grensloopers en waren welgewapend.Zij namen plaats op een bank voor eene ruwe houten tafel; een van hen sloeg krachtig met de vuist op de tafel, wendde zich naar het jonge meisje en riep:„Geef ons drank!”Het meisje sidderde; zij zag schielijk op en vroeg:„Wat verlangt gij, caballeros?”„Mezcal.”Zij stond haastig op om hen te bedienen. Maar toen zij weer heen wilde gaan, hield de een, die haar om drank gevraagd had, haar bij haar japon vast.„Hoor even, Carmela,” riep hij.[89]„Laat mijn japon los, Ruperto,” zeide zij met een spijtig mondje, „gij zult hem scheuren.”„Loop!” riep hij met een ploertigen lach, „ziet gij mij nu voor zoo onhandig aan?”„Neen, maar uwe manieren bevallen mij niet.”„O, ho! mijn mooije parkietje! gij zijt altijd zoo schuw niet.”„Wat bedoelt gij daar mede?” vroeg zij blozende.„Is het niet mooi genoeg dat ik het weet? Maar voor het oogenblik is dit hier de vraag niet.”„En wat is dan de vraag?” hervatte zij met geveinsde verwondering; „heb ik u de mezcal niet gebragt die gij besteld hadt?”„Ja, ja, maar ik heb u iets te zeggen.”„Goed! zeg dan maar gaauw op, en laat mij los.”„Hebt gij zooveel haast om mij te ontsnappen; vreest gij dan dat uw liefje u zal komen overvallen, terwijl gij met mij spreekt?”De kameraden van Ruperto begonnen te lagchen en het meisje zweeg een oogenblik, blijkbaar verlegen.„Ik heb geen liefje, Ruperto, dat weet ge zeer goed,” antwoordde zij met tranen in de oogen, „het is slecht van u om een weerloos meisje te beleedigen.”„Goed, goed, huil maar niet! ik beleedig u immers niet, Carmela; wat steekt daar voor kwaad in dat een mooi kind, zooals gij, een vrijer heeft, al waren het er twee zelfs?”„Laat mij los!” schreeuwde zij, met eene schielijke wending om zich los te rukken.„Niet voor dat gij eerst mijn vraag hebt beantwoord!”„Doe dan die vraag, en maak er een eind aan.”„Welnu, kleine wildzang, wees dan zoo goed en zeg mij eens wat gij met dien fatterigen officier te fluisteren hadt.”„Ik!” hervatte zij verlegen, „wat denkt gij dan dat ik hem gezegd heb?”„Dat is juist de vraag,Niña, (meisje) ik denk niet dat gij hem iets gezegd hebt, maar ik verlang te wetenwatgij hem gezegd hebt.”„Laat mij met vrede, Ruperto; gij schijnt lust te hebben om mij te plagen.”De Mexicaan keek haar scherp in de oogen.„Ik laat mij niet met een kluitje in ’t riet sturen, mooije meid,” hervatte hij droogjes; „wat ik u vraag is hoog ernstig.”„Dat kan wel waar zijn, maar ik heb u niets te antwoorden.”„Omdat gij wel weet dat gij ongelijk hebt.”„Ik begrijp u niet.”[90]„Inderdaad niet! Komaan, dan zal ik het u nader uitleggen. Op het oogenblik toen de officier vertrok, hebt gij hem gezegd: „Wees op uw hoede!” durft gij dit ontkennen?”Carmela werd bleek.„Als gij mij zoo goed verstaan hebt,” poogde zij schertsend te zeggen, „waarom vraagt gij het mij dan nog?”De twee andere grensloopers keken verstoord op bij deze beschuldiging van Ruperto; de zaak kwam hun thans ernstiger voor dan zij gedacht hadden.„Ha!” riep een van hen met drift, „zou zij dit werkelijk gezegd hebben?”Carmela wierp een angstigen blik in het rond als zocht zij een beschermer, die er helaas niet was.„Neen, neen! hij is er niet,” riep Ruperto om haar te plagen, „gij zoekt te vergeefs.”„Wie?” stotterde zij half van schaamte bij deze veronderstelling, half uit vrees over haar gevaarlijken toestand.„Wel hij!” antwoordde Ruperto met een boosaardigen grijns.„Hoor eens, Carmela, gij hebt u reeds meer met onze zaken bemoeid dan u betaamt, wees dus gewaarschuwd; ik zal u nog eens herhalen wat gij daar straks tegen den kapitein gezegd hebt, en pas het u op u zelve toe. Wees op uwe hoede!”„Ja,” riep de tweede spreker brutaal, „want anders zouden wij wel eens kunnen vergeten dat gij nog maar een kind zijt en er u duur voor laten boeten.”„Baba!” riep de derde, die tot dusver had zitten drinken, zonder zich in het gesprek te mengen, „de wet moet voor allen gelijk zijn; heeft Carmela ons verraden, dan moet zij gestraft worden.”„Goed gezegd, Bernardo,” riep nu Ruperto terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg: „wij zijn juist genoegzaam in aantal om een vonnis uit te spreken.”„Mijn God!” riep het meisje zich met drift losrukkende uit de greep van den man die haar tot dusver vasthield, „laat mij gaan, laat mij gaan.”„Houd haar terug!” riep Ruperto opstaande, „anders gebeurt hier een ongeluk!”De drie mannen vlogen naar het meisje toe, dat half dood van schrik vruchteloos de deur poogde te openen om weg te komen.Maar op eens, terwijl de drie landloopers haar de ruwe handen reeds op de schouders legden, werd de deur, die zij niet snel genoeg[91]open had kunnen krijgen, met kracht open geworpen en verscheen er een man op den dorpel.„Wat is hier toch te doen?” bromde hij met eene barsche stem, terwijl hij met de armen op de borst gekruist, onbewegelijk op den dorpel staan bleef en zijne blikken over de aanwezigen liet rondgaan.Zijne stem klonk zoo dreigend en zijne oogen bliksemden zoo fel in het rond, dat de drie verschrikte gambusinos werktuigelijk terugdeinsden tot aan den muur, en niet anders riepen dan:„De Jaguar! de Jaguar!”„Red mij! o red mij!” kermde het meisje en vloog hem angstig te gemoet.„Ja,” zeide hij met eene ernstige stem, „ik zal u redden, Carmela; wee hem! die u een haar durft krenken.”Haar minzaam in zijne armen nemende, droeg hij haar naar eenbutaque(stoel), waar zij half bewusteloos op nederzonk.De man dien wij hier zoo onverwachts ten tooneele voeren scheen nog zeer jong; aan zijn blozend gezigt en baardelooze kin zou men hem voor een onvolwassen knaap hebben aangezien, zoo zijne regelmatige, bijna vrouwelijk zachte trekken niet verhoogd waren door een paar groote zwarte oogen, wier gloeijende blik eene magnetische kracht bezat, die maar weinige menschen konden verdragen, veel minder durfden weêrstaan of trotseren.Zijne gestalte was groot, maar tevens rank en vlug, zijne bewegingen vol edelen zwier, zijne leden welgevormd en zijne borst breed. Zijne lange haren, zwart als ravenwieken, kwamen rijkelijk onder den eleganten, met goud galon geboorden vilthoed te voorschijn, en golfden in volle lokken over zijne schouders.Overigens droeg hij het kostuum der Mexicaansche edellieden zijne calzoneras (of broek) van paars fluweel, tot boven de knie open, en met een dubbele rij geciseleerde gouden knoopen versierd, lieten een paar fraaije, krachtig gespierde beenen zien, die zwierig in wit zijden kousen waren gestoken; zijn mango of mantel, achteloos over den linker schouder geworpen, was met goud galon geboord; een gordel van wit Chineesch krip omsloot zijne heupen en bevatte, behalve een paar pistolen, een jagtmes zonder schede maar met breed en glinsterend lemmer en hangende in een ring van gepolijst staal; een Amerikaansche buks met zilver ingelegd hing aan een lederen band over zijn schouder.Het gansche voorkomen van dezen man, hoe jong hij wezen mogt, had iets bijzonder aantrekkelijks en maakte op elk die hem zag zulk een vreemden en geweldigen indruk, dat men zich onwillekeurig[92]door hem als beheerscht gevoelde, en hem reeds bij de eerste ontmoeting, hetzij beminnen of haten moest.Niemand wist wie hij was of waar hij van daan kwam, zelfs zijn naam was onbekend, zoodat men hem een bijnaam had moeten geven, dien hij zich overigens liet welgevallen en zonder smaad beantwoordde.Wat zijn karakter betreft, zullen de volgende tooneelen gelegenheid genoeg geven hem te leeren kennen, zoodat wij ons voor het tegenwoordige van eene nadere beschrijving ontslagen rekenen.

[Inhoud]XI.DE VENTA DEL POTRERO.Van ons regt als romanschrijver gebruik makende, zullen wij thans het tooneel onzer geschiedenis naar Texas verplaatsen, en den draad van ons verhaal hervatten omtrent zestien jaar na de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.De dageraad begon de wolken met bleeke paarlemoertinten te kleuren; de sterren verdwenen de een na de andere in de blaauwe diepten des hemels; aan den uitersten rand der Oosterkimmen verkondigde een helderder rood dat de dag snel in aantogt was en de zon weldra zou opgaan. Duizende onzigtbare vogels, huiverend tusschen de digte takken verscholen, schenen plotseling te ontwaken en begonnen vrolijk hun welluidend morgenconcert aan te stemmen, terwijl het gehuil der wilde beesten, die ongaarne de rivierwedden verlieten en met langzamen tred naar hunne holen terugkeerden, al flaauwer en flaauwer werd en eindelijk in de verte wegstierf.Op dit oogenblik verhief zich de frissche morgenwind, onderschepte de digte neveldampen die in de keerkringslanden bij het opgaan der zon uit de aarde opstijgen, dwarrelde er een poos mede rond, scheurde ze toen van een en verstrooide ze door het luchtruim, als de tooneelschermen bij eencoup de théatre, die plotseling weggeschoven, den aanschouwer verrassen met het heerlijkste vergezigt dat de droomende verbeelding van een schilder of dichter zich zou kunnen voorstellen.Het is bovenal in Amerika dat de hand der Voorzienigheid behagen schijnt te hebben gevonden om de treffendste natuurtafereelen te scheppen, met een rijkdom van verscheidenheid en een[86]afwisseling van harmonie en tegenstellingen, die men elders te vergeefs zou zoeken.In eene onmetelijke vlakte, van alle zijden omgeven door de hooge kruinen van het ongerept en eeuwenheugend bosch, kronkelde in grillige bogten een breed pad van goudkleurig zand, dat aangenaam contrasteerde met het donkere groen der weligste grasvelden en heesters, terwijl het zilverwitte watervlak eener kleine rivier in de eerste stralen der morgenzon lag te glinsteren als eene verblindende juweelkist. Niet ver van de rivier, omtrent in het midden der vlakte, verhief zich een wit huis, omringd door eene luchtige kolonnade, in den vorm eener gaanderij, en met roode pannen gedekt. Dit huis als omhangen met een tapijt van allerlei klimplanten, die in digte bossen langs de muren omhoog slingerden, was een zoo genaamdeVentaof herberg, op een heuvel of kleinen berg gebouwd. Langs een opgaand pad steeg men ongevoelig naar boven en, dank zij de uitmuntende ligging, had men van daar een vergezigt over het omliggende landschap, zoo schoon en grootsch als de condor, wanneer hij zich tot de wolken verheft.Voor de deur der Venta stonden eenige dragonders ten getale van ongeveer twintig schilderachtig gegroepeerd, die juist gedaan hadden met hunne paarden te zadelen, terwijl eenigearrierosdruk bezig waren met zeven of acht muilezels op te laden.Op den weg, een paar mijlen voor de Venta uit, zag men als schier onmerkbare zwarte stippen, verscheidene ruiters zich snel verwijderen en op het punt van in het zooeven door ons genoemde bosch te verdwijnen, een bosch, dat zich allengs tegen de helling der bergen verhief, die het gansche tooneel als met prachtige lijst omsloten en wier besneeuwde, steil afgebrokkelde kruinen met het azuur des hemels ineensmolten.De deur der Venta ging open en een jong officier trad zingend naar buiten, gevolgd door een grooten dikbuikigen monnik met een vol en blozend gezigt; achter hen op den drempel verscheen een bekoorlijk jong meisje van achttien of negentien jaar, eene mollige blondine, met blaauwe oogen en goudgeele haren, en vol gratie in al hare bewegingen.„Kom, kom!” riep de kapitein—want de jonge officier droeg de onderscheidingsteekenen van dezen rang—„wij hebben reeds te veel tijd verloren. In den zadel!”„Hum!” bromde de monnik, „wij hebben ons naauwelijks tijd gegund om te ontbijten, wat maakt gij toch voor haast, kapitein?”[87]„Heilige man,” meesmuilde de officier, „als gij hier wilt blijven staat het u vrij.”„Neen, neen, ik vertrek met u!” schreeuwde de monnik met een gebaar van schrik; „Caspita! ik wil mij uw geleide ten nutte maken.”„Kom, haast u dan! want binnen vijf minuten geef ik order om te vertrekken.”De officier, na zijne oogen over de vlakte te hebben laten weiden, gaf den oppasser een wenk om zijn paard te brengen, en sprong in den zadel met al de vlugheid en zwier die den Mexicaanschen ruiters eigen zijn. De monnik smoorde een zucht, hij dacht waarschijnlijk aan de gulle gastvrijheid die hij verlaten zou, terwijl hij zich aan de gevaren van eene verre reis ging blootstellen; met behulp van de arrieros gelukte het hem eindelijk zich zoo goed of kwaad mogelijk op een muilezel te hijschen, wiens ruggestreng merkbaar doorboog onder de vracht die hij op zich kreeg.„Oef!” hijgde de monnik, „ik ben er.”„In den zadel!” kommandeerde de officier.De dragonders gehoorzaamden oogenblikkelijk, en gedurende eenige sekonden hoorde men niets dan een gekletter van ijzeren ringen en klingen.Het meisje daar wij zoo even van gewaagden, was tot dus ver zwijgend en roerloos in de deur blijven staan. Zij scheen aan eene heimelijke ontroering ten prooi, en wierp de blikken onrustig in ’t rond naar twee of driegambusinos(grensloopers) die achteloos met de schouders tegen de Venta geleund, al de bewegingen der karavaan zorgvuldig gadesloegen; toen echter de kapitein bevel zou geven om op te breken, trad zij onbeschroomd nader en bood hem een brandenden zwavelstok aan:„Officier,” zeide zij met een zachte welluidende stem: „uwe cigarette is uit.”„’t Is waarlijk waar!” antwoordde deze terwijl hij naar het meisje bukte, en na den zwavelstok gebruikt te hebben, haar dien terug gaf met een: „Ik dank u, mijn schoon kind.”Het meisje maakte zich deze beweging, die haar hoofd digt bij dat van den officier bragt, ten nutte, om hem snel deze twee woorden toe te fluisteren:„Wees op uwe hoede!”„Hoe zoo?” riep hij, haar strak aanziende.Maar zonder te antwoorden hield zij den wijsvinger voor hare[88]rozenlippen, keerde zich schielijk om en ijlde naar de Venta terug.De kapitein rigtte zich op; hij fronste de zwarte wenkbraauwen, wierp den twee of driegambusinosdie tegen den muur leunden een dreigenden blik toe, maar schudde weldra fier het hoofd.„Baba!” prevelde hij met minachting, „zij zouden niet durven.”Thans trok hij zijn sabel, de blanke kling schitterde in de zonnestralen, en hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep.„Op marsch!” kommandeerde hij.En zij reden weg.De muildieren volgden de bel der nena (moederezel) en de dragonders verdeelden zich rondom derecua(troep ezels), die zij geheel insloten.De gambusinos, die het vertrek der karavaan hadden gadegeslagen, volgden een poos met de oogen haar togt door de krommingen van het bogtige pad, en keerden toen de een na den ander in de Venta terug.Het jonge meisje zat alleen, op een taboeret en hield zich in schijn ijverig bezig met het verstellen van een vrouwelijk kleedingstuk; intusschen kon men aan eene snelle trilling die haar gansche ligchaam bewoog, aan het hooge rood van haar voorhoofd en aan een schuwen blik van onder haar lange wimpers, toen de landloopers binnenkwamen, wel zien dat zij verre was van de kalmte te bezitten die zij voorwendde, maar integendeel door eene heimelijke vrees werd gefolterd.De gambusinos waren drie in getal. Het waren mannen in de kracht des levens, met harde scherpgeteekende trekken, sluwe blikken en onbeschofte manieren.Zij droegen het gewone kostuum der Mexicaansche grensloopers en waren welgewapend.Zij namen plaats op een bank voor eene ruwe houten tafel; een van hen sloeg krachtig met de vuist op de tafel, wendde zich naar het jonge meisje en riep:„Geef ons drank!”Het meisje sidderde; zij zag schielijk op en vroeg:„Wat verlangt gij, caballeros?”„Mezcal.”Zij stond haastig op om hen te bedienen. Maar toen zij weer heen wilde gaan, hield de een, die haar om drank gevraagd had, haar bij haar japon vast.„Hoor even, Carmela,” riep hij.[89]„Laat mijn japon los, Ruperto,” zeide zij met een spijtig mondje, „gij zult hem scheuren.”„Loop!” riep hij met een ploertigen lach, „ziet gij mij nu voor zoo onhandig aan?”„Neen, maar uwe manieren bevallen mij niet.”„O, ho! mijn mooije parkietje! gij zijt altijd zoo schuw niet.”„Wat bedoelt gij daar mede?” vroeg zij blozende.„Is het niet mooi genoeg dat ik het weet? Maar voor het oogenblik is dit hier de vraag niet.”„En wat is dan de vraag?” hervatte zij met geveinsde verwondering; „heb ik u de mezcal niet gebragt die gij besteld hadt?”„Ja, ja, maar ik heb u iets te zeggen.”„Goed! zeg dan maar gaauw op, en laat mij los.”„Hebt gij zooveel haast om mij te ontsnappen; vreest gij dan dat uw liefje u zal komen overvallen, terwijl gij met mij spreekt?”De kameraden van Ruperto begonnen te lagchen en het meisje zweeg een oogenblik, blijkbaar verlegen.„Ik heb geen liefje, Ruperto, dat weet ge zeer goed,” antwoordde zij met tranen in de oogen, „het is slecht van u om een weerloos meisje te beleedigen.”„Goed, goed, huil maar niet! ik beleedig u immers niet, Carmela; wat steekt daar voor kwaad in dat een mooi kind, zooals gij, een vrijer heeft, al waren het er twee zelfs?”„Laat mij los!” schreeuwde zij, met eene schielijke wending om zich los te rukken.„Niet voor dat gij eerst mijn vraag hebt beantwoord!”„Doe dan die vraag, en maak er een eind aan.”„Welnu, kleine wildzang, wees dan zoo goed en zeg mij eens wat gij met dien fatterigen officier te fluisteren hadt.”„Ik!” hervatte zij verlegen, „wat denkt gij dan dat ik hem gezegd heb?”„Dat is juist de vraag,Niña, (meisje) ik denk niet dat gij hem iets gezegd hebt, maar ik verlang te wetenwatgij hem gezegd hebt.”„Laat mij met vrede, Ruperto; gij schijnt lust te hebben om mij te plagen.”De Mexicaan keek haar scherp in de oogen.„Ik laat mij niet met een kluitje in ’t riet sturen, mooije meid,” hervatte hij droogjes; „wat ik u vraag is hoog ernstig.”„Dat kan wel waar zijn, maar ik heb u niets te antwoorden.”„Omdat gij wel weet dat gij ongelijk hebt.”„Ik begrijp u niet.”[90]„Inderdaad niet! Komaan, dan zal ik het u nader uitleggen. Op het oogenblik toen de officier vertrok, hebt gij hem gezegd: „Wees op uw hoede!” durft gij dit ontkennen?”Carmela werd bleek.„Als gij mij zoo goed verstaan hebt,” poogde zij schertsend te zeggen, „waarom vraagt gij het mij dan nog?”De twee andere grensloopers keken verstoord op bij deze beschuldiging van Ruperto; de zaak kwam hun thans ernstiger voor dan zij gedacht hadden.„Ha!” riep een van hen met drift, „zou zij dit werkelijk gezegd hebben?”Carmela wierp een angstigen blik in het rond als zocht zij een beschermer, die er helaas niet was.„Neen, neen! hij is er niet,” riep Ruperto om haar te plagen, „gij zoekt te vergeefs.”„Wie?” stotterde zij half van schaamte bij deze veronderstelling, half uit vrees over haar gevaarlijken toestand.„Wel hij!” antwoordde Ruperto met een boosaardigen grijns.„Hoor eens, Carmela, gij hebt u reeds meer met onze zaken bemoeid dan u betaamt, wees dus gewaarschuwd; ik zal u nog eens herhalen wat gij daar straks tegen den kapitein gezegd hebt, en pas het u op u zelve toe. Wees op uwe hoede!”„Ja,” riep de tweede spreker brutaal, „want anders zouden wij wel eens kunnen vergeten dat gij nog maar een kind zijt en er u duur voor laten boeten.”„Baba!” riep de derde, die tot dusver had zitten drinken, zonder zich in het gesprek te mengen, „de wet moet voor allen gelijk zijn; heeft Carmela ons verraden, dan moet zij gestraft worden.”„Goed gezegd, Bernardo,” riep nu Ruperto terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg: „wij zijn juist genoegzaam in aantal om een vonnis uit te spreken.”„Mijn God!” riep het meisje zich met drift losrukkende uit de greep van den man die haar tot dusver vasthield, „laat mij gaan, laat mij gaan.”„Houd haar terug!” riep Ruperto opstaande, „anders gebeurt hier een ongeluk!”De drie mannen vlogen naar het meisje toe, dat half dood van schrik vruchteloos de deur poogde te openen om weg te komen.Maar op eens, terwijl de drie landloopers haar de ruwe handen reeds op de schouders legden, werd de deur, die zij niet snel genoeg[91]open had kunnen krijgen, met kracht open geworpen en verscheen er een man op den dorpel.„Wat is hier toch te doen?” bromde hij met eene barsche stem, terwijl hij met de armen op de borst gekruist, onbewegelijk op den dorpel staan bleef en zijne blikken over de aanwezigen liet rondgaan.Zijne stem klonk zoo dreigend en zijne oogen bliksemden zoo fel in het rond, dat de drie verschrikte gambusinos werktuigelijk terugdeinsden tot aan den muur, en niet anders riepen dan:„De Jaguar! de Jaguar!”„Red mij! o red mij!” kermde het meisje en vloog hem angstig te gemoet.„Ja,” zeide hij met eene ernstige stem, „ik zal u redden, Carmela; wee hem! die u een haar durft krenken.”Haar minzaam in zijne armen nemende, droeg hij haar naar eenbutaque(stoel), waar zij half bewusteloos op nederzonk.De man dien wij hier zoo onverwachts ten tooneele voeren scheen nog zeer jong; aan zijn blozend gezigt en baardelooze kin zou men hem voor een onvolwassen knaap hebben aangezien, zoo zijne regelmatige, bijna vrouwelijk zachte trekken niet verhoogd waren door een paar groote zwarte oogen, wier gloeijende blik eene magnetische kracht bezat, die maar weinige menschen konden verdragen, veel minder durfden weêrstaan of trotseren.Zijne gestalte was groot, maar tevens rank en vlug, zijne bewegingen vol edelen zwier, zijne leden welgevormd en zijne borst breed. Zijne lange haren, zwart als ravenwieken, kwamen rijkelijk onder den eleganten, met goud galon geboorden vilthoed te voorschijn, en golfden in volle lokken over zijne schouders.Overigens droeg hij het kostuum der Mexicaansche edellieden zijne calzoneras (of broek) van paars fluweel, tot boven de knie open, en met een dubbele rij geciseleerde gouden knoopen versierd, lieten een paar fraaije, krachtig gespierde beenen zien, die zwierig in wit zijden kousen waren gestoken; zijn mango of mantel, achteloos over den linker schouder geworpen, was met goud galon geboord; een gordel van wit Chineesch krip omsloot zijne heupen en bevatte, behalve een paar pistolen, een jagtmes zonder schede maar met breed en glinsterend lemmer en hangende in een ring van gepolijst staal; een Amerikaansche buks met zilver ingelegd hing aan een lederen band over zijn schouder.Het gansche voorkomen van dezen man, hoe jong hij wezen mogt, had iets bijzonder aantrekkelijks en maakte op elk die hem zag zulk een vreemden en geweldigen indruk, dat men zich onwillekeurig[92]door hem als beheerscht gevoelde, en hem reeds bij de eerste ontmoeting, hetzij beminnen of haten moest.Niemand wist wie hij was of waar hij van daan kwam, zelfs zijn naam was onbekend, zoodat men hem een bijnaam had moeten geven, dien hij zich overigens liet welgevallen en zonder smaad beantwoordde.Wat zijn karakter betreft, zullen de volgende tooneelen gelegenheid genoeg geven hem te leeren kennen, zoodat wij ons voor het tegenwoordige van eene nadere beschrijving ontslagen rekenen.

XI.DE VENTA DEL POTRERO.

Van ons regt als romanschrijver gebruik makende, zullen wij thans het tooneel onzer geschiedenis naar Texas verplaatsen, en den draad van ons verhaal hervatten omtrent zestien jaar na de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.De dageraad begon de wolken met bleeke paarlemoertinten te kleuren; de sterren verdwenen de een na de andere in de blaauwe diepten des hemels; aan den uitersten rand der Oosterkimmen verkondigde een helderder rood dat de dag snel in aantogt was en de zon weldra zou opgaan. Duizende onzigtbare vogels, huiverend tusschen de digte takken verscholen, schenen plotseling te ontwaken en begonnen vrolijk hun welluidend morgenconcert aan te stemmen, terwijl het gehuil der wilde beesten, die ongaarne de rivierwedden verlieten en met langzamen tred naar hunne holen terugkeerden, al flaauwer en flaauwer werd en eindelijk in de verte wegstierf.Op dit oogenblik verhief zich de frissche morgenwind, onderschepte de digte neveldampen die in de keerkringslanden bij het opgaan der zon uit de aarde opstijgen, dwarrelde er een poos mede rond, scheurde ze toen van een en verstrooide ze door het luchtruim, als de tooneelschermen bij eencoup de théatre, die plotseling weggeschoven, den aanschouwer verrassen met het heerlijkste vergezigt dat de droomende verbeelding van een schilder of dichter zich zou kunnen voorstellen.Het is bovenal in Amerika dat de hand der Voorzienigheid behagen schijnt te hebben gevonden om de treffendste natuurtafereelen te scheppen, met een rijkdom van verscheidenheid en een[86]afwisseling van harmonie en tegenstellingen, die men elders te vergeefs zou zoeken.In eene onmetelijke vlakte, van alle zijden omgeven door de hooge kruinen van het ongerept en eeuwenheugend bosch, kronkelde in grillige bogten een breed pad van goudkleurig zand, dat aangenaam contrasteerde met het donkere groen der weligste grasvelden en heesters, terwijl het zilverwitte watervlak eener kleine rivier in de eerste stralen der morgenzon lag te glinsteren als eene verblindende juweelkist. Niet ver van de rivier, omtrent in het midden der vlakte, verhief zich een wit huis, omringd door eene luchtige kolonnade, in den vorm eener gaanderij, en met roode pannen gedekt. Dit huis als omhangen met een tapijt van allerlei klimplanten, die in digte bossen langs de muren omhoog slingerden, was een zoo genaamdeVentaof herberg, op een heuvel of kleinen berg gebouwd. Langs een opgaand pad steeg men ongevoelig naar boven en, dank zij de uitmuntende ligging, had men van daar een vergezigt over het omliggende landschap, zoo schoon en grootsch als de condor, wanneer hij zich tot de wolken verheft.Voor de deur der Venta stonden eenige dragonders ten getale van ongeveer twintig schilderachtig gegroepeerd, die juist gedaan hadden met hunne paarden te zadelen, terwijl eenigearrierosdruk bezig waren met zeven of acht muilezels op te laden.Op den weg, een paar mijlen voor de Venta uit, zag men als schier onmerkbare zwarte stippen, verscheidene ruiters zich snel verwijderen en op het punt van in het zooeven door ons genoemde bosch te verdwijnen, een bosch, dat zich allengs tegen de helling der bergen verhief, die het gansche tooneel als met prachtige lijst omsloten en wier besneeuwde, steil afgebrokkelde kruinen met het azuur des hemels ineensmolten.De deur der Venta ging open en een jong officier trad zingend naar buiten, gevolgd door een grooten dikbuikigen monnik met een vol en blozend gezigt; achter hen op den drempel verscheen een bekoorlijk jong meisje van achttien of negentien jaar, eene mollige blondine, met blaauwe oogen en goudgeele haren, en vol gratie in al hare bewegingen.„Kom, kom!” riep de kapitein—want de jonge officier droeg de onderscheidingsteekenen van dezen rang—„wij hebben reeds te veel tijd verloren. In den zadel!”„Hum!” bromde de monnik, „wij hebben ons naauwelijks tijd gegund om te ontbijten, wat maakt gij toch voor haast, kapitein?”[87]„Heilige man,” meesmuilde de officier, „als gij hier wilt blijven staat het u vrij.”„Neen, neen, ik vertrek met u!” schreeuwde de monnik met een gebaar van schrik; „Caspita! ik wil mij uw geleide ten nutte maken.”„Kom, haast u dan! want binnen vijf minuten geef ik order om te vertrekken.”De officier, na zijne oogen over de vlakte te hebben laten weiden, gaf den oppasser een wenk om zijn paard te brengen, en sprong in den zadel met al de vlugheid en zwier die den Mexicaanschen ruiters eigen zijn. De monnik smoorde een zucht, hij dacht waarschijnlijk aan de gulle gastvrijheid die hij verlaten zou, terwijl hij zich aan de gevaren van eene verre reis ging blootstellen; met behulp van de arrieros gelukte het hem eindelijk zich zoo goed of kwaad mogelijk op een muilezel te hijschen, wiens ruggestreng merkbaar doorboog onder de vracht die hij op zich kreeg.„Oef!” hijgde de monnik, „ik ben er.”„In den zadel!” kommandeerde de officier.De dragonders gehoorzaamden oogenblikkelijk, en gedurende eenige sekonden hoorde men niets dan een gekletter van ijzeren ringen en klingen.Het meisje daar wij zoo even van gewaagden, was tot dus ver zwijgend en roerloos in de deur blijven staan. Zij scheen aan eene heimelijke ontroering ten prooi, en wierp de blikken onrustig in ’t rond naar twee of driegambusinos(grensloopers) die achteloos met de schouders tegen de Venta geleund, al de bewegingen der karavaan zorgvuldig gadesloegen; toen echter de kapitein bevel zou geven om op te breken, trad zij onbeschroomd nader en bood hem een brandenden zwavelstok aan:„Officier,” zeide zij met een zachte welluidende stem: „uwe cigarette is uit.”„’t Is waarlijk waar!” antwoordde deze terwijl hij naar het meisje bukte, en na den zwavelstok gebruikt te hebben, haar dien terug gaf met een: „Ik dank u, mijn schoon kind.”Het meisje maakte zich deze beweging, die haar hoofd digt bij dat van den officier bragt, ten nutte, om hem snel deze twee woorden toe te fluisteren:„Wees op uwe hoede!”„Hoe zoo?” riep hij, haar strak aanziende.Maar zonder te antwoorden hield zij den wijsvinger voor hare[88]rozenlippen, keerde zich schielijk om en ijlde naar de Venta terug.De kapitein rigtte zich op; hij fronste de zwarte wenkbraauwen, wierp den twee of driegambusinosdie tegen den muur leunden een dreigenden blik toe, maar schudde weldra fier het hoofd.„Baba!” prevelde hij met minachting, „zij zouden niet durven.”Thans trok hij zijn sabel, de blanke kling schitterde in de zonnestralen, en hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep.„Op marsch!” kommandeerde hij.En zij reden weg.De muildieren volgden de bel der nena (moederezel) en de dragonders verdeelden zich rondom derecua(troep ezels), die zij geheel insloten.De gambusinos, die het vertrek der karavaan hadden gadegeslagen, volgden een poos met de oogen haar togt door de krommingen van het bogtige pad, en keerden toen de een na den ander in de Venta terug.Het jonge meisje zat alleen, op een taboeret en hield zich in schijn ijverig bezig met het verstellen van een vrouwelijk kleedingstuk; intusschen kon men aan eene snelle trilling die haar gansche ligchaam bewoog, aan het hooge rood van haar voorhoofd en aan een schuwen blik van onder haar lange wimpers, toen de landloopers binnenkwamen, wel zien dat zij verre was van de kalmte te bezitten die zij voorwendde, maar integendeel door eene heimelijke vrees werd gefolterd.De gambusinos waren drie in getal. Het waren mannen in de kracht des levens, met harde scherpgeteekende trekken, sluwe blikken en onbeschofte manieren.Zij droegen het gewone kostuum der Mexicaansche grensloopers en waren welgewapend.Zij namen plaats op een bank voor eene ruwe houten tafel; een van hen sloeg krachtig met de vuist op de tafel, wendde zich naar het jonge meisje en riep:„Geef ons drank!”Het meisje sidderde; zij zag schielijk op en vroeg:„Wat verlangt gij, caballeros?”„Mezcal.”Zij stond haastig op om hen te bedienen. Maar toen zij weer heen wilde gaan, hield de een, die haar om drank gevraagd had, haar bij haar japon vast.„Hoor even, Carmela,” riep hij.[89]„Laat mijn japon los, Ruperto,” zeide zij met een spijtig mondje, „gij zult hem scheuren.”„Loop!” riep hij met een ploertigen lach, „ziet gij mij nu voor zoo onhandig aan?”„Neen, maar uwe manieren bevallen mij niet.”„O, ho! mijn mooije parkietje! gij zijt altijd zoo schuw niet.”„Wat bedoelt gij daar mede?” vroeg zij blozende.„Is het niet mooi genoeg dat ik het weet? Maar voor het oogenblik is dit hier de vraag niet.”„En wat is dan de vraag?” hervatte zij met geveinsde verwondering; „heb ik u de mezcal niet gebragt die gij besteld hadt?”„Ja, ja, maar ik heb u iets te zeggen.”„Goed! zeg dan maar gaauw op, en laat mij los.”„Hebt gij zooveel haast om mij te ontsnappen; vreest gij dan dat uw liefje u zal komen overvallen, terwijl gij met mij spreekt?”De kameraden van Ruperto begonnen te lagchen en het meisje zweeg een oogenblik, blijkbaar verlegen.„Ik heb geen liefje, Ruperto, dat weet ge zeer goed,” antwoordde zij met tranen in de oogen, „het is slecht van u om een weerloos meisje te beleedigen.”„Goed, goed, huil maar niet! ik beleedig u immers niet, Carmela; wat steekt daar voor kwaad in dat een mooi kind, zooals gij, een vrijer heeft, al waren het er twee zelfs?”„Laat mij los!” schreeuwde zij, met eene schielijke wending om zich los te rukken.„Niet voor dat gij eerst mijn vraag hebt beantwoord!”„Doe dan die vraag, en maak er een eind aan.”„Welnu, kleine wildzang, wees dan zoo goed en zeg mij eens wat gij met dien fatterigen officier te fluisteren hadt.”„Ik!” hervatte zij verlegen, „wat denkt gij dan dat ik hem gezegd heb?”„Dat is juist de vraag,Niña, (meisje) ik denk niet dat gij hem iets gezegd hebt, maar ik verlang te wetenwatgij hem gezegd hebt.”„Laat mij met vrede, Ruperto; gij schijnt lust te hebben om mij te plagen.”De Mexicaan keek haar scherp in de oogen.„Ik laat mij niet met een kluitje in ’t riet sturen, mooije meid,” hervatte hij droogjes; „wat ik u vraag is hoog ernstig.”„Dat kan wel waar zijn, maar ik heb u niets te antwoorden.”„Omdat gij wel weet dat gij ongelijk hebt.”„Ik begrijp u niet.”[90]„Inderdaad niet! Komaan, dan zal ik het u nader uitleggen. Op het oogenblik toen de officier vertrok, hebt gij hem gezegd: „Wees op uw hoede!” durft gij dit ontkennen?”Carmela werd bleek.„Als gij mij zoo goed verstaan hebt,” poogde zij schertsend te zeggen, „waarom vraagt gij het mij dan nog?”De twee andere grensloopers keken verstoord op bij deze beschuldiging van Ruperto; de zaak kwam hun thans ernstiger voor dan zij gedacht hadden.„Ha!” riep een van hen met drift, „zou zij dit werkelijk gezegd hebben?”Carmela wierp een angstigen blik in het rond als zocht zij een beschermer, die er helaas niet was.„Neen, neen! hij is er niet,” riep Ruperto om haar te plagen, „gij zoekt te vergeefs.”„Wie?” stotterde zij half van schaamte bij deze veronderstelling, half uit vrees over haar gevaarlijken toestand.„Wel hij!” antwoordde Ruperto met een boosaardigen grijns.„Hoor eens, Carmela, gij hebt u reeds meer met onze zaken bemoeid dan u betaamt, wees dus gewaarschuwd; ik zal u nog eens herhalen wat gij daar straks tegen den kapitein gezegd hebt, en pas het u op u zelve toe. Wees op uwe hoede!”„Ja,” riep de tweede spreker brutaal, „want anders zouden wij wel eens kunnen vergeten dat gij nog maar een kind zijt en er u duur voor laten boeten.”„Baba!” riep de derde, die tot dusver had zitten drinken, zonder zich in het gesprek te mengen, „de wet moet voor allen gelijk zijn; heeft Carmela ons verraden, dan moet zij gestraft worden.”„Goed gezegd, Bernardo,” riep nu Ruperto terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg: „wij zijn juist genoegzaam in aantal om een vonnis uit te spreken.”„Mijn God!” riep het meisje zich met drift losrukkende uit de greep van den man die haar tot dusver vasthield, „laat mij gaan, laat mij gaan.”„Houd haar terug!” riep Ruperto opstaande, „anders gebeurt hier een ongeluk!”De drie mannen vlogen naar het meisje toe, dat half dood van schrik vruchteloos de deur poogde te openen om weg te komen.Maar op eens, terwijl de drie landloopers haar de ruwe handen reeds op de schouders legden, werd de deur, die zij niet snel genoeg[91]open had kunnen krijgen, met kracht open geworpen en verscheen er een man op den dorpel.„Wat is hier toch te doen?” bromde hij met eene barsche stem, terwijl hij met de armen op de borst gekruist, onbewegelijk op den dorpel staan bleef en zijne blikken over de aanwezigen liet rondgaan.Zijne stem klonk zoo dreigend en zijne oogen bliksemden zoo fel in het rond, dat de drie verschrikte gambusinos werktuigelijk terugdeinsden tot aan den muur, en niet anders riepen dan:„De Jaguar! de Jaguar!”„Red mij! o red mij!” kermde het meisje en vloog hem angstig te gemoet.„Ja,” zeide hij met eene ernstige stem, „ik zal u redden, Carmela; wee hem! die u een haar durft krenken.”Haar minzaam in zijne armen nemende, droeg hij haar naar eenbutaque(stoel), waar zij half bewusteloos op nederzonk.De man dien wij hier zoo onverwachts ten tooneele voeren scheen nog zeer jong; aan zijn blozend gezigt en baardelooze kin zou men hem voor een onvolwassen knaap hebben aangezien, zoo zijne regelmatige, bijna vrouwelijk zachte trekken niet verhoogd waren door een paar groote zwarte oogen, wier gloeijende blik eene magnetische kracht bezat, die maar weinige menschen konden verdragen, veel minder durfden weêrstaan of trotseren.Zijne gestalte was groot, maar tevens rank en vlug, zijne bewegingen vol edelen zwier, zijne leden welgevormd en zijne borst breed. Zijne lange haren, zwart als ravenwieken, kwamen rijkelijk onder den eleganten, met goud galon geboorden vilthoed te voorschijn, en golfden in volle lokken over zijne schouders.Overigens droeg hij het kostuum der Mexicaansche edellieden zijne calzoneras (of broek) van paars fluweel, tot boven de knie open, en met een dubbele rij geciseleerde gouden knoopen versierd, lieten een paar fraaije, krachtig gespierde beenen zien, die zwierig in wit zijden kousen waren gestoken; zijn mango of mantel, achteloos over den linker schouder geworpen, was met goud galon geboord; een gordel van wit Chineesch krip omsloot zijne heupen en bevatte, behalve een paar pistolen, een jagtmes zonder schede maar met breed en glinsterend lemmer en hangende in een ring van gepolijst staal; een Amerikaansche buks met zilver ingelegd hing aan een lederen band over zijn schouder.Het gansche voorkomen van dezen man, hoe jong hij wezen mogt, had iets bijzonder aantrekkelijks en maakte op elk die hem zag zulk een vreemden en geweldigen indruk, dat men zich onwillekeurig[92]door hem als beheerscht gevoelde, en hem reeds bij de eerste ontmoeting, hetzij beminnen of haten moest.Niemand wist wie hij was of waar hij van daan kwam, zelfs zijn naam was onbekend, zoodat men hem een bijnaam had moeten geven, dien hij zich overigens liet welgevallen en zonder smaad beantwoordde.Wat zijn karakter betreft, zullen de volgende tooneelen gelegenheid genoeg geven hem te leeren kennen, zoodat wij ons voor het tegenwoordige van eene nadere beschrijving ontslagen rekenen.

Van ons regt als romanschrijver gebruik makende, zullen wij thans het tooneel onzer geschiedenis naar Texas verplaatsen, en den draad van ons verhaal hervatten omtrent zestien jaar na de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.

De dageraad begon de wolken met bleeke paarlemoertinten te kleuren; de sterren verdwenen de een na de andere in de blaauwe diepten des hemels; aan den uitersten rand der Oosterkimmen verkondigde een helderder rood dat de dag snel in aantogt was en de zon weldra zou opgaan. Duizende onzigtbare vogels, huiverend tusschen de digte takken verscholen, schenen plotseling te ontwaken en begonnen vrolijk hun welluidend morgenconcert aan te stemmen, terwijl het gehuil der wilde beesten, die ongaarne de rivierwedden verlieten en met langzamen tred naar hunne holen terugkeerden, al flaauwer en flaauwer werd en eindelijk in de verte wegstierf.

Op dit oogenblik verhief zich de frissche morgenwind, onderschepte de digte neveldampen die in de keerkringslanden bij het opgaan der zon uit de aarde opstijgen, dwarrelde er een poos mede rond, scheurde ze toen van een en verstrooide ze door het luchtruim, als de tooneelschermen bij eencoup de théatre, die plotseling weggeschoven, den aanschouwer verrassen met het heerlijkste vergezigt dat de droomende verbeelding van een schilder of dichter zich zou kunnen voorstellen.

Het is bovenal in Amerika dat de hand der Voorzienigheid behagen schijnt te hebben gevonden om de treffendste natuurtafereelen te scheppen, met een rijkdom van verscheidenheid en een[86]afwisseling van harmonie en tegenstellingen, die men elders te vergeefs zou zoeken.

In eene onmetelijke vlakte, van alle zijden omgeven door de hooge kruinen van het ongerept en eeuwenheugend bosch, kronkelde in grillige bogten een breed pad van goudkleurig zand, dat aangenaam contrasteerde met het donkere groen der weligste grasvelden en heesters, terwijl het zilverwitte watervlak eener kleine rivier in de eerste stralen der morgenzon lag te glinsteren als eene verblindende juweelkist. Niet ver van de rivier, omtrent in het midden der vlakte, verhief zich een wit huis, omringd door eene luchtige kolonnade, in den vorm eener gaanderij, en met roode pannen gedekt. Dit huis als omhangen met een tapijt van allerlei klimplanten, die in digte bossen langs de muren omhoog slingerden, was een zoo genaamdeVentaof herberg, op een heuvel of kleinen berg gebouwd. Langs een opgaand pad steeg men ongevoelig naar boven en, dank zij de uitmuntende ligging, had men van daar een vergezigt over het omliggende landschap, zoo schoon en grootsch als de condor, wanneer hij zich tot de wolken verheft.

Voor de deur der Venta stonden eenige dragonders ten getale van ongeveer twintig schilderachtig gegroepeerd, die juist gedaan hadden met hunne paarden te zadelen, terwijl eenigearrierosdruk bezig waren met zeven of acht muilezels op te laden.

Op den weg, een paar mijlen voor de Venta uit, zag men als schier onmerkbare zwarte stippen, verscheidene ruiters zich snel verwijderen en op het punt van in het zooeven door ons genoemde bosch te verdwijnen, een bosch, dat zich allengs tegen de helling der bergen verhief, die het gansche tooneel als met prachtige lijst omsloten en wier besneeuwde, steil afgebrokkelde kruinen met het azuur des hemels ineensmolten.

De deur der Venta ging open en een jong officier trad zingend naar buiten, gevolgd door een grooten dikbuikigen monnik met een vol en blozend gezigt; achter hen op den drempel verscheen een bekoorlijk jong meisje van achttien of negentien jaar, eene mollige blondine, met blaauwe oogen en goudgeele haren, en vol gratie in al hare bewegingen.

„Kom, kom!” riep de kapitein—want de jonge officier droeg de onderscheidingsteekenen van dezen rang—„wij hebben reeds te veel tijd verloren. In den zadel!”

„Hum!” bromde de monnik, „wij hebben ons naauwelijks tijd gegund om te ontbijten, wat maakt gij toch voor haast, kapitein?”[87]

„Heilige man,” meesmuilde de officier, „als gij hier wilt blijven staat het u vrij.”

„Neen, neen, ik vertrek met u!” schreeuwde de monnik met een gebaar van schrik; „Caspita! ik wil mij uw geleide ten nutte maken.”

„Kom, haast u dan! want binnen vijf minuten geef ik order om te vertrekken.”

De officier, na zijne oogen over de vlakte te hebben laten weiden, gaf den oppasser een wenk om zijn paard te brengen, en sprong in den zadel met al de vlugheid en zwier die den Mexicaanschen ruiters eigen zijn. De monnik smoorde een zucht, hij dacht waarschijnlijk aan de gulle gastvrijheid die hij verlaten zou, terwijl hij zich aan de gevaren van eene verre reis ging blootstellen; met behulp van de arrieros gelukte het hem eindelijk zich zoo goed of kwaad mogelijk op een muilezel te hijschen, wiens ruggestreng merkbaar doorboog onder de vracht die hij op zich kreeg.

„Oef!” hijgde de monnik, „ik ben er.”

„In den zadel!” kommandeerde de officier.

De dragonders gehoorzaamden oogenblikkelijk, en gedurende eenige sekonden hoorde men niets dan een gekletter van ijzeren ringen en klingen.

Het meisje daar wij zoo even van gewaagden, was tot dus ver zwijgend en roerloos in de deur blijven staan. Zij scheen aan eene heimelijke ontroering ten prooi, en wierp de blikken onrustig in ’t rond naar twee of driegambusinos(grensloopers) die achteloos met de schouders tegen de Venta geleund, al de bewegingen der karavaan zorgvuldig gadesloegen; toen echter de kapitein bevel zou geven om op te breken, trad zij onbeschroomd nader en bood hem een brandenden zwavelstok aan:

„Officier,” zeide zij met een zachte welluidende stem: „uwe cigarette is uit.”

„’t Is waarlijk waar!” antwoordde deze terwijl hij naar het meisje bukte, en na den zwavelstok gebruikt te hebben, haar dien terug gaf met een: „Ik dank u, mijn schoon kind.”

Het meisje maakte zich deze beweging, die haar hoofd digt bij dat van den officier bragt, ten nutte, om hem snel deze twee woorden toe te fluisteren:

„Wees op uwe hoede!”

„Hoe zoo?” riep hij, haar strak aanziende.

Maar zonder te antwoorden hield zij den wijsvinger voor hare[88]rozenlippen, keerde zich schielijk om en ijlde naar de Venta terug.

De kapitein rigtte zich op; hij fronste de zwarte wenkbraauwen, wierp den twee of driegambusinosdie tegen den muur leunden een dreigenden blik toe, maar schudde weldra fier het hoofd.

„Baba!” prevelde hij met minachting, „zij zouden niet durven.”

Thans trok hij zijn sabel, de blanke kling schitterde in de zonnestralen, en hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep.

„Op marsch!” kommandeerde hij.

En zij reden weg.

De muildieren volgden de bel der nena (moederezel) en de dragonders verdeelden zich rondom derecua(troep ezels), die zij geheel insloten.

De gambusinos, die het vertrek der karavaan hadden gadegeslagen, volgden een poos met de oogen haar togt door de krommingen van het bogtige pad, en keerden toen de een na den ander in de Venta terug.

Het jonge meisje zat alleen, op een taboeret en hield zich in schijn ijverig bezig met het verstellen van een vrouwelijk kleedingstuk; intusschen kon men aan eene snelle trilling die haar gansche ligchaam bewoog, aan het hooge rood van haar voorhoofd en aan een schuwen blik van onder haar lange wimpers, toen de landloopers binnenkwamen, wel zien dat zij verre was van de kalmte te bezitten die zij voorwendde, maar integendeel door eene heimelijke vrees werd gefolterd.

De gambusinos waren drie in getal. Het waren mannen in de kracht des levens, met harde scherpgeteekende trekken, sluwe blikken en onbeschofte manieren.

Zij droegen het gewone kostuum der Mexicaansche grensloopers en waren welgewapend.

Zij namen plaats op een bank voor eene ruwe houten tafel; een van hen sloeg krachtig met de vuist op de tafel, wendde zich naar het jonge meisje en riep:

„Geef ons drank!”

Het meisje sidderde; zij zag schielijk op en vroeg:

„Wat verlangt gij, caballeros?”

„Mezcal.”

Zij stond haastig op om hen te bedienen. Maar toen zij weer heen wilde gaan, hield de een, die haar om drank gevraagd had, haar bij haar japon vast.

„Hoor even, Carmela,” riep hij.[89]

„Laat mijn japon los, Ruperto,” zeide zij met een spijtig mondje, „gij zult hem scheuren.”

„Loop!” riep hij met een ploertigen lach, „ziet gij mij nu voor zoo onhandig aan?”

„Neen, maar uwe manieren bevallen mij niet.”

„O, ho! mijn mooije parkietje! gij zijt altijd zoo schuw niet.”

„Wat bedoelt gij daar mede?” vroeg zij blozende.

„Is het niet mooi genoeg dat ik het weet? Maar voor het oogenblik is dit hier de vraag niet.”

„En wat is dan de vraag?” hervatte zij met geveinsde verwondering; „heb ik u de mezcal niet gebragt die gij besteld hadt?”

„Ja, ja, maar ik heb u iets te zeggen.”

„Goed! zeg dan maar gaauw op, en laat mij los.”

„Hebt gij zooveel haast om mij te ontsnappen; vreest gij dan dat uw liefje u zal komen overvallen, terwijl gij met mij spreekt?”

De kameraden van Ruperto begonnen te lagchen en het meisje zweeg een oogenblik, blijkbaar verlegen.

„Ik heb geen liefje, Ruperto, dat weet ge zeer goed,” antwoordde zij met tranen in de oogen, „het is slecht van u om een weerloos meisje te beleedigen.”

„Goed, goed, huil maar niet! ik beleedig u immers niet, Carmela; wat steekt daar voor kwaad in dat een mooi kind, zooals gij, een vrijer heeft, al waren het er twee zelfs?”

„Laat mij los!” schreeuwde zij, met eene schielijke wending om zich los te rukken.

„Niet voor dat gij eerst mijn vraag hebt beantwoord!”

„Doe dan die vraag, en maak er een eind aan.”

„Welnu, kleine wildzang, wees dan zoo goed en zeg mij eens wat gij met dien fatterigen officier te fluisteren hadt.”

„Ik!” hervatte zij verlegen, „wat denkt gij dan dat ik hem gezegd heb?”

„Dat is juist de vraag,Niña, (meisje) ik denk niet dat gij hem iets gezegd hebt, maar ik verlang te wetenwatgij hem gezegd hebt.”

„Laat mij met vrede, Ruperto; gij schijnt lust te hebben om mij te plagen.”

De Mexicaan keek haar scherp in de oogen.

„Ik laat mij niet met een kluitje in ’t riet sturen, mooije meid,” hervatte hij droogjes; „wat ik u vraag is hoog ernstig.”

„Dat kan wel waar zijn, maar ik heb u niets te antwoorden.”

„Omdat gij wel weet dat gij ongelijk hebt.”

„Ik begrijp u niet.”[90]

„Inderdaad niet! Komaan, dan zal ik het u nader uitleggen. Op het oogenblik toen de officier vertrok, hebt gij hem gezegd: „Wees op uw hoede!” durft gij dit ontkennen?”

Carmela werd bleek.

„Als gij mij zoo goed verstaan hebt,” poogde zij schertsend te zeggen, „waarom vraagt gij het mij dan nog?”

De twee andere grensloopers keken verstoord op bij deze beschuldiging van Ruperto; de zaak kwam hun thans ernstiger voor dan zij gedacht hadden.

„Ha!” riep een van hen met drift, „zou zij dit werkelijk gezegd hebben?”

Carmela wierp een angstigen blik in het rond als zocht zij een beschermer, die er helaas niet was.

„Neen, neen! hij is er niet,” riep Ruperto om haar te plagen, „gij zoekt te vergeefs.”

„Wie?” stotterde zij half van schaamte bij deze veronderstelling, half uit vrees over haar gevaarlijken toestand.

„Wel hij!” antwoordde Ruperto met een boosaardigen grijns.

„Hoor eens, Carmela, gij hebt u reeds meer met onze zaken bemoeid dan u betaamt, wees dus gewaarschuwd; ik zal u nog eens herhalen wat gij daar straks tegen den kapitein gezegd hebt, en pas het u op u zelve toe. Wees op uwe hoede!”

„Ja,” riep de tweede spreker brutaal, „want anders zouden wij wel eens kunnen vergeten dat gij nog maar een kind zijt en er u duur voor laten boeten.”

„Baba!” riep de derde, die tot dusver had zitten drinken, zonder zich in het gesprek te mengen, „de wet moet voor allen gelijk zijn; heeft Carmela ons verraden, dan moet zij gestraft worden.”

„Goed gezegd, Bernardo,” riep nu Ruperto terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg: „wij zijn juist genoegzaam in aantal om een vonnis uit te spreken.”

„Mijn God!” riep het meisje zich met drift losrukkende uit de greep van den man die haar tot dusver vasthield, „laat mij gaan, laat mij gaan.”

„Houd haar terug!” riep Ruperto opstaande, „anders gebeurt hier een ongeluk!”

De drie mannen vlogen naar het meisje toe, dat half dood van schrik vruchteloos de deur poogde te openen om weg te komen.

Maar op eens, terwijl de drie landloopers haar de ruwe handen reeds op de schouders legden, werd de deur, die zij niet snel genoeg[91]open had kunnen krijgen, met kracht open geworpen en verscheen er een man op den dorpel.

„Wat is hier toch te doen?” bromde hij met eene barsche stem, terwijl hij met de armen op de borst gekruist, onbewegelijk op den dorpel staan bleef en zijne blikken over de aanwezigen liet rondgaan.

Zijne stem klonk zoo dreigend en zijne oogen bliksemden zoo fel in het rond, dat de drie verschrikte gambusinos werktuigelijk terugdeinsden tot aan den muur, en niet anders riepen dan:

„De Jaguar! de Jaguar!”

„Red mij! o red mij!” kermde het meisje en vloog hem angstig te gemoet.

„Ja,” zeide hij met eene ernstige stem, „ik zal u redden, Carmela; wee hem! die u een haar durft krenken.”

Haar minzaam in zijne armen nemende, droeg hij haar naar eenbutaque(stoel), waar zij half bewusteloos op nederzonk.

De man dien wij hier zoo onverwachts ten tooneele voeren scheen nog zeer jong; aan zijn blozend gezigt en baardelooze kin zou men hem voor een onvolwassen knaap hebben aangezien, zoo zijne regelmatige, bijna vrouwelijk zachte trekken niet verhoogd waren door een paar groote zwarte oogen, wier gloeijende blik eene magnetische kracht bezat, die maar weinige menschen konden verdragen, veel minder durfden weêrstaan of trotseren.

Zijne gestalte was groot, maar tevens rank en vlug, zijne bewegingen vol edelen zwier, zijne leden welgevormd en zijne borst breed. Zijne lange haren, zwart als ravenwieken, kwamen rijkelijk onder den eleganten, met goud galon geboorden vilthoed te voorschijn, en golfden in volle lokken over zijne schouders.

Overigens droeg hij het kostuum der Mexicaansche edellieden zijne calzoneras (of broek) van paars fluweel, tot boven de knie open, en met een dubbele rij geciseleerde gouden knoopen versierd, lieten een paar fraaije, krachtig gespierde beenen zien, die zwierig in wit zijden kousen waren gestoken; zijn mango of mantel, achteloos over den linker schouder geworpen, was met goud galon geboord; een gordel van wit Chineesch krip omsloot zijne heupen en bevatte, behalve een paar pistolen, een jagtmes zonder schede maar met breed en glinsterend lemmer en hangende in een ring van gepolijst staal; een Amerikaansche buks met zilver ingelegd hing aan een lederen band over zijn schouder.

Het gansche voorkomen van dezen man, hoe jong hij wezen mogt, had iets bijzonder aantrekkelijks en maakte op elk die hem zag zulk een vreemden en geweldigen indruk, dat men zich onwillekeurig[92]door hem als beheerscht gevoelde, en hem reeds bij de eerste ontmoeting, hetzij beminnen of haten moest.

Niemand wist wie hij was of waar hij van daan kwam, zelfs zijn naam was onbekend, zoodat men hem een bijnaam had moeten geven, dien hij zich overigens liet welgevallen en zonder smaad beantwoordde.

Wat zijn karakter betreft, zullen de volgende tooneelen gelegenheid genoeg geven hem te leeren kennen, zoodat wij ons voor het tegenwoordige van eene nadere beschrijving ontslagen rekenen.


Back to IndexNext