XIV.

[Inhoud]XIV.DE CONDUCTA DE PLATA.Wij keeren thans terug naar de karavaan die wij met zonsopgang uit de Venta del Potrero hebben zien vertrekken, en in wier aanvoerder Carmela zulk een levendig belang scheen te stellen. Deze aanvoerder was een jongman van omtrent vier en twintig jaar, met fijne, moedige en edele gelaatstrekken; zijne houding teekende de uiterste vlugheid en zwier, en hij droeg de schitterende uniform van kapitein der dragonders.Ofschoon behoorende tot een der oudste en edelste geslachten in Mexico, had don Juan Melendez de Gongora zijne bevordering bij het leger, niet aan zijne geboorte, maar alleen aan eigen verdienste willen dank weten, eene wel ongewone zaak in een land waar de militaire eer zoo weinig in aanmerking komt, en waar de hoogere rangen voor hen die ze bezitten slechts een aanzien verleenen, dat hun van de zijde der bevolking veeleer uit vrees dan uit sympathie wordt toegekend.Intusschen had don Juan zich in zijne zonderlinge denkbeelden zeer goed weten te handhaven, en was iedere nieuwe graad dien hij verwierf geenszins het dubbelzinnige loon, voor bewezen hulp, bij een of andere welgeslaagde omwenteling ten behoeve van dezen of genen eerzuchtigen generaal, maar de welverdiende prijs voor[108]eene schitterende daad. Don Juan behoorde tot die klasse van echte Mexicanen, die hun vaderland opregt beminnen en die uit zuiver eergevoel steeds droomen van een nationaal herstel, dat, zoo al niet onmogelijk, dan toch hoogst moeijelijk te bereiken scheen.De invloed van een regtschapen karakter is groot, zelfs op de onverschilligste gemoederen, zoodat kapitein don Melendez de Gongora geëerbiedigd werd door allen die met hem in aanraking kwamen, zelfs door hen die hem het minst mogten lijden.Overigens had de deugd van den kapitein niets overdrevens of stijfzinnigs; hij was een rondborstig militair, opgeruimd en dienstvaardig, dapper als zijn degen en altijd gereed om te helpen met zijn arm en met zijne beurs, ieder, hetzij vriend of vijand, die zijne hulp noodig had. Ziedaar physiek en moreel den man geteekend die de kleine karavaan kommandeerde, en zijne bescherming had toegezegd aan den monnik die aan zijne zijde reed.Deze geestelijke broeder, van wien wij reeds met een enkel woord gewag maakten, vordert hier eene nadere beschrijving.Physisch beschouwd, was het een man van omtrent vijftig jaar, van gestalte bijna even breed als hoog, niet ongelijk aan een vat dat op pooten was gezet, en toch begaafd met ongewone kracht en vlugheid; zijn paarsche neus, uitpuilende mond met hangende dikke onderlip, en bolle vuurroode wangen, maakten zijn uitzigt joviaal, terwijl twee kleine, grijze, diepliggende oogen, vol vuur en kloekzinnigheid, hem een zweem gaven van onbezorgde luim en spotzucht.Wat zijn moreel aangaat, verschilde hij niet veel van het gros der overige monniken in Mexico, dat wil zeggen, hij was zoo dom als een karper, een echte pater goedleven, hartstogtelijk gezet op eene vette keuken, een fijne flesch en het schoone geslacht, en in den hoogsten graad bijgeloovig; overigens een uitmuntend tafelvriend, hoogst gezellig, in ieder gezelschap zijne plaats waard en altijd gereed om een luimigen zet te geven of om die van anderen te lagchen.Welk toeval hem thans zoo ver buiten de grenzen der beschaafde wereld had gevoerd, was eene vraag die niemand wist te beantwoorden en daar ook niemand zich mede bezig hield; iedereen kende de zwerfzucht der Mexicaansche monniken, wier gansche leven bestaat in reizen en trekken, van de eene plaats naar de andere, zonder bepaald doel en meestal zooals hun eigen grillige luim het hun ingeeft.[109]Gedurende den tijd van ons verhaal, maakte Texas in vereeniging met de provincie Cohahuila, nog slechts een enkelen staat uit, onder den naam van Texas en Cohahuila.De karavaan, onder kommando van kapitein don Juan de Melendez was acht dagen te voren vanNacogdochesvertrokken om zich naar Mexico te begeven; volgens bekomen aanwijzingen van hooger hand, had de kapitein echter geenszins den gewonen weg gekozen, daar deze thans doorgavillas, bandieten van allerlei slag als overstroomd werd, en had hij een langen omweg gemaakt om zekere kwalijk beruchte bergpassen in de Sierra San-Saba te vermijden, een gebergte dat hij noodwendig passeren moest, maar nu van den kant der groote prairie, namelijk aan die zijde waar het hooge tafelland aanmerkelijk begint te dalen, en niet meer zulke oneffen en hagchelijke punten aanbiedt als voor de reizigers zoo zeer te duchten zijn.De tien muilezels die de kapitein begeleidde, moeten wel met zeer kostbare goederen beladen zijn geweest, dat de regering, die over zoo weinig troepen te beschikken had, besluiten kon om voor dit eskorte veertig dragonders af te staan, onder bevel van een zoo beroemd officier als don Juan, wiens tegenwoordigheid in de gegeven omstandigheden, zonder twijfel hoogst noodig, zoo niet onmisbaar was in het binnenland van den staat, om de aanslagen der revolutionnairen te onderdrukken en de woelige burgers tot hun pligt te brengen of te houden.Inderdaad waren de goederen der karavaan zeer kostbaar, want de tien muilezels vervoerden niet minder dan drie millioen piasters aan geld die zeker een goede en gave buit zouden zijn geweest voor de insurgenten, zoo zij in hunne handen waren gevallen.De tijd was reeds ver te zoeken, toen onder de heerschappij der onderkoningen, de enkele Spaansche vlag aan het hoofd van een konvooi van vijftig of zestig met goud bevrachte muilezels, voldoende zou zijn geweest om zulk eeneconducta de plata(geldtransport) te beschermen en zonder eenig gevaar van de eene grens tot de andere, door Mexico te doen trekken; zoo groot was voor hen de schrik dien de naam van Spanje alleen reeds inboezemde.Thans waren ter bescherming, niet van zestig, of honderd, maar van slechts tien muilezels, veertig uitgelezen ruiters naauwelijks voldoende.Het gouvernement had ter verzekering van den conducta, die[110]te Mexico sinds lang met reikhalzend verlangen werd te gemoet gezien, de grootste omzigtigheid noodig geoordeeld; omtrent den dag en het uur van vertrek, zoowel als den weg dien het konvooi volgen zou, moest de diepste geheimhouding worden in acht genomen.De gouden staven en gelden waren met de meeste zorg derwijze gepakt dat de balen naar gewone pakgoederen geleken. Ook werden de muilezels op klaar lichten dag, een voor een en elk onder geleide van een enkelen arriero afgezonden, om zich eerst op vijftien mijlen van de stad te vereenigen, waar het eskorte reeds sedert eene maand, onder een of ander aannemelijk voorwendsel in eene oude presidio (dorp) gekantonneerd was geweest.Alles was dus met de grootste zorg beraamd en berekend om het kostbare konvooi in veilige haven te brengen; de arriero’s, de eenigste die met de waarde der lading bekend waren, wachtten zich wel om er van te spreken, te meer daar zij voor den veiligen overtogt met al wat zij in de wereld bezaten, hoe veel of weinig het wezen mogt aansprakelijk waren, en het dus om hun volslagen ondergang te doen was, zoo zij op weg mogten worden uitgeplunderd.De conducta trok in de beste orde voort onder het welluidend gerinkel derNena; de arriero’s zongen lustig achter hunne muilezels, hen voortdrijvende met hun eeuwig: „Arrea mula! arrea linda!” (Voort muil, voort, mijn beest!)De vlaggetjes aan de lange lansen der dragonders wapperden vrolijk in de morgenkoelte, en de kapitein luisterde onbezorgd naar het gesnap van den monnik, terwijl hij echter van tijd tot tijd zijne bespiedende blikken over de vlakte liet rondgaan.„Kom, kom, Fray Antonio,” zeide hij tegen zijn dikken reismakker, „klaag nu maar niet langer dat gij zoo vroeg op weg zijt moeten gaan, het is een heerlijke morgenstond en alles voorspelt ons een gelukkigen dag.”„Ja, ja, brave kapitein,” antwoordde de monnik met een lach, „daarvoor heeft onze Lieve Vrouwde la Soledadgezorgd, dat wij onder de meest gewenschte omstandigheden op reis zijn gegaan.”„Wel! het doet mij regt veel genoegen dat ik u in zulk een goede luim zie, ik was al bang dat de trompet u dezen morgen een beetje te vroeg had opgewekt en u uit uw humeur had gebragt.”„Mij! mijn hemel! kapitein,” hernam de monnik met geveinsde nederigheid, „wij onwaardige leden der kerk behooren ons zonder[111]murmureren te onderwerpen aan de wederwaardigheden die het den Heer behaagt ons toe te zenden; en daarbij, het leven is zoo kort, dat men wijs doet het van zijn besten kant te bezien, om de weinige vrolijke oogenblikken die ons ten deele vallen niet in onnutte klagten te verspillen.”„Bravo! zoo hoor ik het gaarne, dat is eene philosophie daar ik van houd; gij zijt een goed reisgezel, padre; ik hoop dat wij nog lang zamen zullen reizen.”„Dat hangt min of meer van u zelven af, heer kapitein.”„Van mij! hoe dat?”„Wel! van den koers dien gij nemen zult.”„Hum!” riep don Juan, „maar welken kant moet gij dan uit,Señorpadre?”De oude manier om de eene vraag met de andere te beantwoorden, is eene uitmuntende taktiek, die bijna altijd gelukt. De monnik althans werd er door gevangen; maar volgens de gewoonte zijner confraters, was zijn antwoord naar behooren, tamelijk uitwijkend.„O!” riep hij met gemaakte onverschilligheid,„voor mij zijn alle wegen bijna om het even; mijn kleed is mijn paspoort en verzekert mij overal, waar ik ook kom, een goed gezigt en een goed onthaal.”„Dat is waar, maar dan moet ik mij verwonderen over de vraag die gij mij zoo even gedaan hebt.”„O! die is de moeite niet waard om er zoo diep over te denken, brave kapitein. Het zou mij zeer spijten als ik er u een oogenblik mede geërgerd had; zoo dat het geval mogt zijn, verzoek ik u wel nederig om verschooning.”„Gij hebt mij in ’t minst niet geërgerd,Señorpadre; ik heb volstrekt geen reden om u te verbergen waar ik heen moet; met den troep muilezels die ik eskorteer, heb ik weinig te maken; reeds morgen, of overmorgen op zijn langst, denk ik er mij van te scheiden.”De monnik scheen zijne verwondering hierover niet te kunnen verbergen.„Ah!” riep hij met een doordringenden blik op den spreker.„Mijn hemel! neen,” vervolgde de kapitein luchthartig; „die goede lui hebben mij gevraagd of ik hen eenige dagen zou willen vergezellen, uit vrees voor degavillasdie hier de wegen verpesten; het schijnt dat zij nog al kostbare goederen bij zich hebben, die zij niet gaarne zouden zien plunderen.”„Ik begrijp u, dat zou voor hen niet aangenaam zijn.”[112]„Niet waar? Ik heb hun derhalve deze kleine dienst niet willen weigeren, die mij weinig ongelegenheid veroorzaakt, maar zoodra zij denken veilig te zijn, zal ik hen verlaten om dieper de prairie in te trekken, volgens mijne instructiën, want debravos(de wilde Indianen) zijn dezer dagen weder zeer on rustig, zoo als gij wel weten zult.”„Neen, dat wist ik niet.”„Nu, dan vertel ik het u, pater Antonio, dat is voor u eene schoone gelegenheid, die gij niet ongebruikt moet laten.”„Eene schoone gelegenheid voor mij!” riep de monnik verwonderd, „welke gelegenheid kapitein?”„Wel, om voor de heidenen te prediken en hun de gronden van ons geloof te onderwijzen,” antwoordde hij met onverstoorbare koelbloedigheid.Bij deze onverwachte verklaring deinsde de monnik met schrik terug.„Naar den duivel met zoo’n gelegenheid!” riep hij tusschen vinger en duim klappende;„zoo zot mogen anderen wezen! ik heb volstrekt geen lust om een martelaar te worden.”„Zoo als het u behaagt, padre, maar gij hebt toch ongelijk.”„Dat is wel mogelijk, brave kapitein, maar ik ben eenpaap zonderp! als ik u naar dat heidensch gebroed vergezel; over twee dagen verlaat ik u.”„Zoo spoedig reeds?”„Wel waarachtig! als gij naar de prairiën moet, verondersteld dat gij de muilezels die gij begeleidt, aan de rancho San-Jacinto verlaten zult, dat is het uiterste punt der Mexicaansche bezittingen en aan de grenzen der woestijn.….”„Wel waarschijnlijk.”„Welnu! dan denk ik bij de muildrijvers te blijven; als zij toch alle gevaarlijke punten voorbij zijn, heb ik niets meer te vreezen en zet ik mijne reis zoo aangenaam mogelijk voort.”„Ha!” riep de kapitein met een doordringenden blik, maar hoe veel belang dit gesprek hem ook inboezemde, kon hij het niet vervolgen, daar op eens een ruiter van de voorhoede kwam aanrennen, bij hem stil hield en hem iets in ’t oor fluisterde.De kapitein keek scherp naar alle zijden rond, ging weder regt in den zadel zitten en wendde zich tot den dragonder: „’t Is goed,” zeide hij, „Hoeveel zijn er?”„Twee, kapitein.”„Houd hen in ’t oog, maar zonder hen te laten merken dat zij[113]krijgsgevangen zijn; zoodra wij aan de halte komen zal ik hen ondervragen; ga weder bij uwe kameraden.”De soldaat boog eerbiedig zonder te antwoorden, en verwijderde zich even snel als hij gekomen was.Kapitein Melendez had zijne onderhebbenden sinds lang gewend om over zijne bevelen niet te redeneren, maar hem zonder aarzelen te gehoorzamen.Wij maken hier deze aanmerking, omdat zoo iets in Mexico zeer zelden gebeurt; nergens toch is de militaire tucht zoo onbeduidend, de ondergeschiktheid zoo gering en de krijgstucht zoo slecht gehandhaafd.Don Juan deed het eskorte weder in ’t gelid treden en gaf bevel om sneller door te rijden.De monnik had niet zonder heimelijke ongerustheid het gesprek tusschen den officier en den soldaat opgemerkt, daar hij er geen woord van begreep; toen de kapitein dus, nadat zijne bevelen naar behooren waren uitgevoerd, zich weder bij hem voegde, poogde pater Antonio zoo goed mogelijk over zijne bevelen te schertsen en over de ernstige wolk die het gelaat van den officier zoo plotseling had overschaduwd.„O! o! kapitein,” riep hij met een goelijken lach, „wat ziet ge er bezorgd uit! Hebt gij misschien drie uilen aan uwe regterhand zien vliegen? Zoo als de heidenen zeggen, is dat een kwaad voorteeken.”„Dat kan wel zijn!” antwoordde de kapitein droogjes.De toon waarop dit antwoord gegeven werd had zoo weinig vriendelijks of aanmoedigends, dat de monnik begreep dat elk gesprek voor het oogenblik onmogelijk was; hij hield het zich dus voor gezegd, beet zich op de lippen, en reed stil naast zijn reisgezel voort.Een uur later bereikten zij het kampement; noch de monnik noch de officier had een enkel woord gesproken; alleen schenen beiden, naarmate zij de bestemde halt naderden, meer ongerust te worden.[114]

[Inhoud]XIV.DE CONDUCTA DE PLATA.Wij keeren thans terug naar de karavaan die wij met zonsopgang uit de Venta del Potrero hebben zien vertrekken, en in wier aanvoerder Carmela zulk een levendig belang scheen te stellen. Deze aanvoerder was een jongman van omtrent vier en twintig jaar, met fijne, moedige en edele gelaatstrekken; zijne houding teekende de uiterste vlugheid en zwier, en hij droeg de schitterende uniform van kapitein der dragonders.Ofschoon behoorende tot een der oudste en edelste geslachten in Mexico, had don Juan Melendez de Gongora zijne bevordering bij het leger, niet aan zijne geboorte, maar alleen aan eigen verdienste willen dank weten, eene wel ongewone zaak in een land waar de militaire eer zoo weinig in aanmerking komt, en waar de hoogere rangen voor hen die ze bezitten slechts een aanzien verleenen, dat hun van de zijde der bevolking veeleer uit vrees dan uit sympathie wordt toegekend.Intusschen had don Juan zich in zijne zonderlinge denkbeelden zeer goed weten te handhaven, en was iedere nieuwe graad dien hij verwierf geenszins het dubbelzinnige loon, voor bewezen hulp, bij een of andere welgeslaagde omwenteling ten behoeve van dezen of genen eerzuchtigen generaal, maar de welverdiende prijs voor[108]eene schitterende daad. Don Juan behoorde tot die klasse van echte Mexicanen, die hun vaderland opregt beminnen en die uit zuiver eergevoel steeds droomen van een nationaal herstel, dat, zoo al niet onmogelijk, dan toch hoogst moeijelijk te bereiken scheen.De invloed van een regtschapen karakter is groot, zelfs op de onverschilligste gemoederen, zoodat kapitein don Melendez de Gongora geëerbiedigd werd door allen die met hem in aanraking kwamen, zelfs door hen die hem het minst mogten lijden.Overigens had de deugd van den kapitein niets overdrevens of stijfzinnigs; hij was een rondborstig militair, opgeruimd en dienstvaardig, dapper als zijn degen en altijd gereed om te helpen met zijn arm en met zijne beurs, ieder, hetzij vriend of vijand, die zijne hulp noodig had. Ziedaar physiek en moreel den man geteekend die de kleine karavaan kommandeerde, en zijne bescherming had toegezegd aan den monnik die aan zijne zijde reed.Deze geestelijke broeder, van wien wij reeds met een enkel woord gewag maakten, vordert hier eene nadere beschrijving.Physisch beschouwd, was het een man van omtrent vijftig jaar, van gestalte bijna even breed als hoog, niet ongelijk aan een vat dat op pooten was gezet, en toch begaafd met ongewone kracht en vlugheid; zijn paarsche neus, uitpuilende mond met hangende dikke onderlip, en bolle vuurroode wangen, maakten zijn uitzigt joviaal, terwijl twee kleine, grijze, diepliggende oogen, vol vuur en kloekzinnigheid, hem een zweem gaven van onbezorgde luim en spotzucht.Wat zijn moreel aangaat, verschilde hij niet veel van het gros der overige monniken in Mexico, dat wil zeggen, hij was zoo dom als een karper, een echte pater goedleven, hartstogtelijk gezet op eene vette keuken, een fijne flesch en het schoone geslacht, en in den hoogsten graad bijgeloovig; overigens een uitmuntend tafelvriend, hoogst gezellig, in ieder gezelschap zijne plaats waard en altijd gereed om een luimigen zet te geven of om die van anderen te lagchen.Welk toeval hem thans zoo ver buiten de grenzen der beschaafde wereld had gevoerd, was eene vraag die niemand wist te beantwoorden en daar ook niemand zich mede bezig hield; iedereen kende de zwerfzucht der Mexicaansche monniken, wier gansche leven bestaat in reizen en trekken, van de eene plaats naar de andere, zonder bepaald doel en meestal zooals hun eigen grillige luim het hun ingeeft.[109]Gedurende den tijd van ons verhaal, maakte Texas in vereeniging met de provincie Cohahuila, nog slechts een enkelen staat uit, onder den naam van Texas en Cohahuila.De karavaan, onder kommando van kapitein don Juan de Melendez was acht dagen te voren vanNacogdochesvertrokken om zich naar Mexico te begeven; volgens bekomen aanwijzingen van hooger hand, had de kapitein echter geenszins den gewonen weg gekozen, daar deze thans doorgavillas, bandieten van allerlei slag als overstroomd werd, en had hij een langen omweg gemaakt om zekere kwalijk beruchte bergpassen in de Sierra San-Saba te vermijden, een gebergte dat hij noodwendig passeren moest, maar nu van den kant der groote prairie, namelijk aan die zijde waar het hooge tafelland aanmerkelijk begint te dalen, en niet meer zulke oneffen en hagchelijke punten aanbiedt als voor de reizigers zoo zeer te duchten zijn.De tien muilezels die de kapitein begeleidde, moeten wel met zeer kostbare goederen beladen zijn geweest, dat de regering, die over zoo weinig troepen te beschikken had, besluiten kon om voor dit eskorte veertig dragonders af te staan, onder bevel van een zoo beroemd officier als don Juan, wiens tegenwoordigheid in de gegeven omstandigheden, zonder twijfel hoogst noodig, zoo niet onmisbaar was in het binnenland van den staat, om de aanslagen der revolutionnairen te onderdrukken en de woelige burgers tot hun pligt te brengen of te houden.Inderdaad waren de goederen der karavaan zeer kostbaar, want de tien muilezels vervoerden niet minder dan drie millioen piasters aan geld die zeker een goede en gave buit zouden zijn geweest voor de insurgenten, zoo zij in hunne handen waren gevallen.De tijd was reeds ver te zoeken, toen onder de heerschappij der onderkoningen, de enkele Spaansche vlag aan het hoofd van een konvooi van vijftig of zestig met goud bevrachte muilezels, voldoende zou zijn geweest om zulk eeneconducta de plata(geldtransport) te beschermen en zonder eenig gevaar van de eene grens tot de andere, door Mexico te doen trekken; zoo groot was voor hen de schrik dien de naam van Spanje alleen reeds inboezemde.Thans waren ter bescherming, niet van zestig, of honderd, maar van slechts tien muilezels, veertig uitgelezen ruiters naauwelijks voldoende.Het gouvernement had ter verzekering van den conducta, die[110]te Mexico sinds lang met reikhalzend verlangen werd te gemoet gezien, de grootste omzigtigheid noodig geoordeeld; omtrent den dag en het uur van vertrek, zoowel als den weg dien het konvooi volgen zou, moest de diepste geheimhouding worden in acht genomen.De gouden staven en gelden waren met de meeste zorg derwijze gepakt dat de balen naar gewone pakgoederen geleken. Ook werden de muilezels op klaar lichten dag, een voor een en elk onder geleide van een enkelen arriero afgezonden, om zich eerst op vijftien mijlen van de stad te vereenigen, waar het eskorte reeds sedert eene maand, onder een of ander aannemelijk voorwendsel in eene oude presidio (dorp) gekantonneerd was geweest.Alles was dus met de grootste zorg beraamd en berekend om het kostbare konvooi in veilige haven te brengen; de arriero’s, de eenigste die met de waarde der lading bekend waren, wachtten zich wel om er van te spreken, te meer daar zij voor den veiligen overtogt met al wat zij in de wereld bezaten, hoe veel of weinig het wezen mogt aansprakelijk waren, en het dus om hun volslagen ondergang te doen was, zoo zij op weg mogten worden uitgeplunderd.De conducta trok in de beste orde voort onder het welluidend gerinkel derNena; de arriero’s zongen lustig achter hunne muilezels, hen voortdrijvende met hun eeuwig: „Arrea mula! arrea linda!” (Voort muil, voort, mijn beest!)De vlaggetjes aan de lange lansen der dragonders wapperden vrolijk in de morgenkoelte, en de kapitein luisterde onbezorgd naar het gesnap van den monnik, terwijl hij echter van tijd tot tijd zijne bespiedende blikken over de vlakte liet rondgaan.„Kom, kom, Fray Antonio,” zeide hij tegen zijn dikken reismakker, „klaag nu maar niet langer dat gij zoo vroeg op weg zijt moeten gaan, het is een heerlijke morgenstond en alles voorspelt ons een gelukkigen dag.”„Ja, ja, brave kapitein,” antwoordde de monnik met een lach, „daarvoor heeft onze Lieve Vrouwde la Soledadgezorgd, dat wij onder de meest gewenschte omstandigheden op reis zijn gegaan.”„Wel! het doet mij regt veel genoegen dat ik u in zulk een goede luim zie, ik was al bang dat de trompet u dezen morgen een beetje te vroeg had opgewekt en u uit uw humeur had gebragt.”„Mij! mijn hemel! kapitein,” hernam de monnik met geveinsde nederigheid, „wij onwaardige leden der kerk behooren ons zonder[111]murmureren te onderwerpen aan de wederwaardigheden die het den Heer behaagt ons toe te zenden; en daarbij, het leven is zoo kort, dat men wijs doet het van zijn besten kant te bezien, om de weinige vrolijke oogenblikken die ons ten deele vallen niet in onnutte klagten te verspillen.”„Bravo! zoo hoor ik het gaarne, dat is eene philosophie daar ik van houd; gij zijt een goed reisgezel, padre; ik hoop dat wij nog lang zamen zullen reizen.”„Dat hangt min of meer van u zelven af, heer kapitein.”„Van mij! hoe dat?”„Wel! van den koers dien gij nemen zult.”„Hum!” riep don Juan, „maar welken kant moet gij dan uit,Señorpadre?”De oude manier om de eene vraag met de andere te beantwoorden, is eene uitmuntende taktiek, die bijna altijd gelukt. De monnik althans werd er door gevangen; maar volgens de gewoonte zijner confraters, was zijn antwoord naar behooren, tamelijk uitwijkend.„O!” riep hij met gemaakte onverschilligheid,„voor mij zijn alle wegen bijna om het even; mijn kleed is mijn paspoort en verzekert mij overal, waar ik ook kom, een goed gezigt en een goed onthaal.”„Dat is waar, maar dan moet ik mij verwonderen over de vraag die gij mij zoo even gedaan hebt.”„O! die is de moeite niet waard om er zoo diep over te denken, brave kapitein. Het zou mij zeer spijten als ik er u een oogenblik mede geërgerd had; zoo dat het geval mogt zijn, verzoek ik u wel nederig om verschooning.”„Gij hebt mij in ’t minst niet geërgerd,Señorpadre; ik heb volstrekt geen reden om u te verbergen waar ik heen moet; met den troep muilezels die ik eskorteer, heb ik weinig te maken; reeds morgen, of overmorgen op zijn langst, denk ik er mij van te scheiden.”De monnik scheen zijne verwondering hierover niet te kunnen verbergen.„Ah!” riep hij met een doordringenden blik op den spreker.„Mijn hemel! neen,” vervolgde de kapitein luchthartig; „die goede lui hebben mij gevraagd of ik hen eenige dagen zou willen vergezellen, uit vrees voor degavillasdie hier de wegen verpesten; het schijnt dat zij nog al kostbare goederen bij zich hebben, die zij niet gaarne zouden zien plunderen.”„Ik begrijp u, dat zou voor hen niet aangenaam zijn.”[112]„Niet waar? Ik heb hun derhalve deze kleine dienst niet willen weigeren, die mij weinig ongelegenheid veroorzaakt, maar zoodra zij denken veilig te zijn, zal ik hen verlaten om dieper de prairie in te trekken, volgens mijne instructiën, want debravos(de wilde Indianen) zijn dezer dagen weder zeer on rustig, zoo als gij wel weten zult.”„Neen, dat wist ik niet.”„Nu, dan vertel ik het u, pater Antonio, dat is voor u eene schoone gelegenheid, die gij niet ongebruikt moet laten.”„Eene schoone gelegenheid voor mij!” riep de monnik verwonderd, „welke gelegenheid kapitein?”„Wel, om voor de heidenen te prediken en hun de gronden van ons geloof te onderwijzen,” antwoordde hij met onverstoorbare koelbloedigheid.Bij deze onverwachte verklaring deinsde de monnik met schrik terug.„Naar den duivel met zoo’n gelegenheid!” riep hij tusschen vinger en duim klappende;„zoo zot mogen anderen wezen! ik heb volstrekt geen lust om een martelaar te worden.”„Zoo als het u behaagt, padre, maar gij hebt toch ongelijk.”„Dat is wel mogelijk, brave kapitein, maar ik ben eenpaap zonderp! als ik u naar dat heidensch gebroed vergezel; over twee dagen verlaat ik u.”„Zoo spoedig reeds?”„Wel waarachtig! als gij naar de prairiën moet, verondersteld dat gij de muilezels die gij begeleidt, aan de rancho San-Jacinto verlaten zult, dat is het uiterste punt der Mexicaansche bezittingen en aan de grenzen der woestijn.….”„Wel waarschijnlijk.”„Welnu! dan denk ik bij de muildrijvers te blijven; als zij toch alle gevaarlijke punten voorbij zijn, heb ik niets meer te vreezen en zet ik mijne reis zoo aangenaam mogelijk voort.”„Ha!” riep de kapitein met een doordringenden blik, maar hoe veel belang dit gesprek hem ook inboezemde, kon hij het niet vervolgen, daar op eens een ruiter van de voorhoede kwam aanrennen, bij hem stil hield en hem iets in ’t oor fluisterde.De kapitein keek scherp naar alle zijden rond, ging weder regt in den zadel zitten en wendde zich tot den dragonder: „’t Is goed,” zeide hij, „Hoeveel zijn er?”„Twee, kapitein.”„Houd hen in ’t oog, maar zonder hen te laten merken dat zij[113]krijgsgevangen zijn; zoodra wij aan de halte komen zal ik hen ondervragen; ga weder bij uwe kameraden.”De soldaat boog eerbiedig zonder te antwoorden, en verwijderde zich even snel als hij gekomen was.Kapitein Melendez had zijne onderhebbenden sinds lang gewend om over zijne bevelen niet te redeneren, maar hem zonder aarzelen te gehoorzamen.Wij maken hier deze aanmerking, omdat zoo iets in Mexico zeer zelden gebeurt; nergens toch is de militaire tucht zoo onbeduidend, de ondergeschiktheid zoo gering en de krijgstucht zoo slecht gehandhaafd.Don Juan deed het eskorte weder in ’t gelid treden en gaf bevel om sneller door te rijden.De monnik had niet zonder heimelijke ongerustheid het gesprek tusschen den officier en den soldaat opgemerkt, daar hij er geen woord van begreep; toen de kapitein dus, nadat zijne bevelen naar behooren waren uitgevoerd, zich weder bij hem voegde, poogde pater Antonio zoo goed mogelijk over zijne bevelen te schertsen en over de ernstige wolk die het gelaat van den officier zoo plotseling had overschaduwd.„O! o! kapitein,” riep hij met een goelijken lach, „wat ziet ge er bezorgd uit! Hebt gij misschien drie uilen aan uwe regterhand zien vliegen? Zoo als de heidenen zeggen, is dat een kwaad voorteeken.”„Dat kan wel zijn!” antwoordde de kapitein droogjes.De toon waarop dit antwoord gegeven werd had zoo weinig vriendelijks of aanmoedigends, dat de monnik begreep dat elk gesprek voor het oogenblik onmogelijk was; hij hield het zich dus voor gezegd, beet zich op de lippen, en reed stil naast zijn reisgezel voort.Een uur later bereikten zij het kampement; noch de monnik noch de officier had een enkel woord gesproken; alleen schenen beiden, naarmate zij de bestemde halt naderden, meer ongerust te worden.[114]

XIV.DE CONDUCTA DE PLATA.

Wij keeren thans terug naar de karavaan die wij met zonsopgang uit de Venta del Potrero hebben zien vertrekken, en in wier aanvoerder Carmela zulk een levendig belang scheen te stellen. Deze aanvoerder was een jongman van omtrent vier en twintig jaar, met fijne, moedige en edele gelaatstrekken; zijne houding teekende de uiterste vlugheid en zwier, en hij droeg de schitterende uniform van kapitein der dragonders.Ofschoon behoorende tot een der oudste en edelste geslachten in Mexico, had don Juan Melendez de Gongora zijne bevordering bij het leger, niet aan zijne geboorte, maar alleen aan eigen verdienste willen dank weten, eene wel ongewone zaak in een land waar de militaire eer zoo weinig in aanmerking komt, en waar de hoogere rangen voor hen die ze bezitten slechts een aanzien verleenen, dat hun van de zijde der bevolking veeleer uit vrees dan uit sympathie wordt toegekend.Intusschen had don Juan zich in zijne zonderlinge denkbeelden zeer goed weten te handhaven, en was iedere nieuwe graad dien hij verwierf geenszins het dubbelzinnige loon, voor bewezen hulp, bij een of andere welgeslaagde omwenteling ten behoeve van dezen of genen eerzuchtigen generaal, maar de welverdiende prijs voor[108]eene schitterende daad. Don Juan behoorde tot die klasse van echte Mexicanen, die hun vaderland opregt beminnen en die uit zuiver eergevoel steeds droomen van een nationaal herstel, dat, zoo al niet onmogelijk, dan toch hoogst moeijelijk te bereiken scheen.De invloed van een regtschapen karakter is groot, zelfs op de onverschilligste gemoederen, zoodat kapitein don Melendez de Gongora geëerbiedigd werd door allen die met hem in aanraking kwamen, zelfs door hen die hem het minst mogten lijden.Overigens had de deugd van den kapitein niets overdrevens of stijfzinnigs; hij was een rondborstig militair, opgeruimd en dienstvaardig, dapper als zijn degen en altijd gereed om te helpen met zijn arm en met zijne beurs, ieder, hetzij vriend of vijand, die zijne hulp noodig had. Ziedaar physiek en moreel den man geteekend die de kleine karavaan kommandeerde, en zijne bescherming had toegezegd aan den monnik die aan zijne zijde reed.Deze geestelijke broeder, van wien wij reeds met een enkel woord gewag maakten, vordert hier eene nadere beschrijving.Physisch beschouwd, was het een man van omtrent vijftig jaar, van gestalte bijna even breed als hoog, niet ongelijk aan een vat dat op pooten was gezet, en toch begaafd met ongewone kracht en vlugheid; zijn paarsche neus, uitpuilende mond met hangende dikke onderlip, en bolle vuurroode wangen, maakten zijn uitzigt joviaal, terwijl twee kleine, grijze, diepliggende oogen, vol vuur en kloekzinnigheid, hem een zweem gaven van onbezorgde luim en spotzucht.Wat zijn moreel aangaat, verschilde hij niet veel van het gros der overige monniken in Mexico, dat wil zeggen, hij was zoo dom als een karper, een echte pater goedleven, hartstogtelijk gezet op eene vette keuken, een fijne flesch en het schoone geslacht, en in den hoogsten graad bijgeloovig; overigens een uitmuntend tafelvriend, hoogst gezellig, in ieder gezelschap zijne plaats waard en altijd gereed om een luimigen zet te geven of om die van anderen te lagchen.Welk toeval hem thans zoo ver buiten de grenzen der beschaafde wereld had gevoerd, was eene vraag die niemand wist te beantwoorden en daar ook niemand zich mede bezig hield; iedereen kende de zwerfzucht der Mexicaansche monniken, wier gansche leven bestaat in reizen en trekken, van de eene plaats naar de andere, zonder bepaald doel en meestal zooals hun eigen grillige luim het hun ingeeft.[109]Gedurende den tijd van ons verhaal, maakte Texas in vereeniging met de provincie Cohahuila, nog slechts een enkelen staat uit, onder den naam van Texas en Cohahuila.De karavaan, onder kommando van kapitein don Juan de Melendez was acht dagen te voren vanNacogdochesvertrokken om zich naar Mexico te begeven; volgens bekomen aanwijzingen van hooger hand, had de kapitein echter geenszins den gewonen weg gekozen, daar deze thans doorgavillas, bandieten van allerlei slag als overstroomd werd, en had hij een langen omweg gemaakt om zekere kwalijk beruchte bergpassen in de Sierra San-Saba te vermijden, een gebergte dat hij noodwendig passeren moest, maar nu van den kant der groote prairie, namelijk aan die zijde waar het hooge tafelland aanmerkelijk begint te dalen, en niet meer zulke oneffen en hagchelijke punten aanbiedt als voor de reizigers zoo zeer te duchten zijn.De tien muilezels die de kapitein begeleidde, moeten wel met zeer kostbare goederen beladen zijn geweest, dat de regering, die over zoo weinig troepen te beschikken had, besluiten kon om voor dit eskorte veertig dragonders af te staan, onder bevel van een zoo beroemd officier als don Juan, wiens tegenwoordigheid in de gegeven omstandigheden, zonder twijfel hoogst noodig, zoo niet onmisbaar was in het binnenland van den staat, om de aanslagen der revolutionnairen te onderdrukken en de woelige burgers tot hun pligt te brengen of te houden.Inderdaad waren de goederen der karavaan zeer kostbaar, want de tien muilezels vervoerden niet minder dan drie millioen piasters aan geld die zeker een goede en gave buit zouden zijn geweest voor de insurgenten, zoo zij in hunne handen waren gevallen.De tijd was reeds ver te zoeken, toen onder de heerschappij der onderkoningen, de enkele Spaansche vlag aan het hoofd van een konvooi van vijftig of zestig met goud bevrachte muilezels, voldoende zou zijn geweest om zulk eeneconducta de plata(geldtransport) te beschermen en zonder eenig gevaar van de eene grens tot de andere, door Mexico te doen trekken; zoo groot was voor hen de schrik dien de naam van Spanje alleen reeds inboezemde.Thans waren ter bescherming, niet van zestig, of honderd, maar van slechts tien muilezels, veertig uitgelezen ruiters naauwelijks voldoende.Het gouvernement had ter verzekering van den conducta, die[110]te Mexico sinds lang met reikhalzend verlangen werd te gemoet gezien, de grootste omzigtigheid noodig geoordeeld; omtrent den dag en het uur van vertrek, zoowel als den weg dien het konvooi volgen zou, moest de diepste geheimhouding worden in acht genomen.De gouden staven en gelden waren met de meeste zorg derwijze gepakt dat de balen naar gewone pakgoederen geleken. Ook werden de muilezels op klaar lichten dag, een voor een en elk onder geleide van een enkelen arriero afgezonden, om zich eerst op vijftien mijlen van de stad te vereenigen, waar het eskorte reeds sedert eene maand, onder een of ander aannemelijk voorwendsel in eene oude presidio (dorp) gekantonneerd was geweest.Alles was dus met de grootste zorg beraamd en berekend om het kostbare konvooi in veilige haven te brengen; de arriero’s, de eenigste die met de waarde der lading bekend waren, wachtten zich wel om er van te spreken, te meer daar zij voor den veiligen overtogt met al wat zij in de wereld bezaten, hoe veel of weinig het wezen mogt aansprakelijk waren, en het dus om hun volslagen ondergang te doen was, zoo zij op weg mogten worden uitgeplunderd.De conducta trok in de beste orde voort onder het welluidend gerinkel derNena; de arriero’s zongen lustig achter hunne muilezels, hen voortdrijvende met hun eeuwig: „Arrea mula! arrea linda!” (Voort muil, voort, mijn beest!)De vlaggetjes aan de lange lansen der dragonders wapperden vrolijk in de morgenkoelte, en de kapitein luisterde onbezorgd naar het gesnap van den monnik, terwijl hij echter van tijd tot tijd zijne bespiedende blikken over de vlakte liet rondgaan.„Kom, kom, Fray Antonio,” zeide hij tegen zijn dikken reismakker, „klaag nu maar niet langer dat gij zoo vroeg op weg zijt moeten gaan, het is een heerlijke morgenstond en alles voorspelt ons een gelukkigen dag.”„Ja, ja, brave kapitein,” antwoordde de monnik met een lach, „daarvoor heeft onze Lieve Vrouwde la Soledadgezorgd, dat wij onder de meest gewenschte omstandigheden op reis zijn gegaan.”„Wel! het doet mij regt veel genoegen dat ik u in zulk een goede luim zie, ik was al bang dat de trompet u dezen morgen een beetje te vroeg had opgewekt en u uit uw humeur had gebragt.”„Mij! mijn hemel! kapitein,” hernam de monnik met geveinsde nederigheid, „wij onwaardige leden der kerk behooren ons zonder[111]murmureren te onderwerpen aan de wederwaardigheden die het den Heer behaagt ons toe te zenden; en daarbij, het leven is zoo kort, dat men wijs doet het van zijn besten kant te bezien, om de weinige vrolijke oogenblikken die ons ten deele vallen niet in onnutte klagten te verspillen.”„Bravo! zoo hoor ik het gaarne, dat is eene philosophie daar ik van houd; gij zijt een goed reisgezel, padre; ik hoop dat wij nog lang zamen zullen reizen.”„Dat hangt min of meer van u zelven af, heer kapitein.”„Van mij! hoe dat?”„Wel! van den koers dien gij nemen zult.”„Hum!” riep don Juan, „maar welken kant moet gij dan uit,Señorpadre?”De oude manier om de eene vraag met de andere te beantwoorden, is eene uitmuntende taktiek, die bijna altijd gelukt. De monnik althans werd er door gevangen; maar volgens de gewoonte zijner confraters, was zijn antwoord naar behooren, tamelijk uitwijkend.„O!” riep hij met gemaakte onverschilligheid,„voor mij zijn alle wegen bijna om het even; mijn kleed is mijn paspoort en verzekert mij overal, waar ik ook kom, een goed gezigt en een goed onthaal.”„Dat is waar, maar dan moet ik mij verwonderen over de vraag die gij mij zoo even gedaan hebt.”„O! die is de moeite niet waard om er zoo diep over te denken, brave kapitein. Het zou mij zeer spijten als ik er u een oogenblik mede geërgerd had; zoo dat het geval mogt zijn, verzoek ik u wel nederig om verschooning.”„Gij hebt mij in ’t minst niet geërgerd,Señorpadre; ik heb volstrekt geen reden om u te verbergen waar ik heen moet; met den troep muilezels die ik eskorteer, heb ik weinig te maken; reeds morgen, of overmorgen op zijn langst, denk ik er mij van te scheiden.”De monnik scheen zijne verwondering hierover niet te kunnen verbergen.„Ah!” riep hij met een doordringenden blik op den spreker.„Mijn hemel! neen,” vervolgde de kapitein luchthartig; „die goede lui hebben mij gevraagd of ik hen eenige dagen zou willen vergezellen, uit vrees voor degavillasdie hier de wegen verpesten; het schijnt dat zij nog al kostbare goederen bij zich hebben, die zij niet gaarne zouden zien plunderen.”„Ik begrijp u, dat zou voor hen niet aangenaam zijn.”[112]„Niet waar? Ik heb hun derhalve deze kleine dienst niet willen weigeren, die mij weinig ongelegenheid veroorzaakt, maar zoodra zij denken veilig te zijn, zal ik hen verlaten om dieper de prairie in te trekken, volgens mijne instructiën, want debravos(de wilde Indianen) zijn dezer dagen weder zeer on rustig, zoo als gij wel weten zult.”„Neen, dat wist ik niet.”„Nu, dan vertel ik het u, pater Antonio, dat is voor u eene schoone gelegenheid, die gij niet ongebruikt moet laten.”„Eene schoone gelegenheid voor mij!” riep de monnik verwonderd, „welke gelegenheid kapitein?”„Wel, om voor de heidenen te prediken en hun de gronden van ons geloof te onderwijzen,” antwoordde hij met onverstoorbare koelbloedigheid.Bij deze onverwachte verklaring deinsde de monnik met schrik terug.„Naar den duivel met zoo’n gelegenheid!” riep hij tusschen vinger en duim klappende;„zoo zot mogen anderen wezen! ik heb volstrekt geen lust om een martelaar te worden.”„Zoo als het u behaagt, padre, maar gij hebt toch ongelijk.”„Dat is wel mogelijk, brave kapitein, maar ik ben eenpaap zonderp! als ik u naar dat heidensch gebroed vergezel; over twee dagen verlaat ik u.”„Zoo spoedig reeds?”„Wel waarachtig! als gij naar de prairiën moet, verondersteld dat gij de muilezels die gij begeleidt, aan de rancho San-Jacinto verlaten zult, dat is het uiterste punt der Mexicaansche bezittingen en aan de grenzen der woestijn.….”„Wel waarschijnlijk.”„Welnu! dan denk ik bij de muildrijvers te blijven; als zij toch alle gevaarlijke punten voorbij zijn, heb ik niets meer te vreezen en zet ik mijne reis zoo aangenaam mogelijk voort.”„Ha!” riep de kapitein met een doordringenden blik, maar hoe veel belang dit gesprek hem ook inboezemde, kon hij het niet vervolgen, daar op eens een ruiter van de voorhoede kwam aanrennen, bij hem stil hield en hem iets in ’t oor fluisterde.De kapitein keek scherp naar alle zijden rond, ging weder regt in den zadel zitten en wendde zich tot den dragonder: „’t Is goed,” zeide hij, „Hoeveel zijn er?”„Twee, kapitein.”„Houd hen in ’t oog, maar zonder hen te laten merken dat zij[113]krijgsgevangen zijn; zoodra wij aan de halte komen zal ik hen ondervragen; ga weder bij uwe kameraden.”De soldaat boog eerbiedig zonder te antwoorden, en verwijderde zich even snel als hij gekomen was.Kapitein Melendez had zijne onderhebbenden sinds lang gewend om over zijne bevelen niet te redeneren, maar hem zonder aarzelen te gehoorzamen.Wij maken hier deze aanmerking, omdat zoo iets in Mexico zeer zelden gebeurt; nergens toch is de militaire tucht zoo onbeduidend, de ondergeschiktheid zoo gering en de krijgstucht zoo slecht gehandhaafd.Don Juan deed het eskorte weder in ’t gelid treden en gaf bevel om sneller door te rijden.De monnik had niet zonder heimelijke ongerustheid het gesprek tusschen den officier en den soldaat opgemerkt, daar hij er geen woord van begreep; toen de kapitein dus, nadat zijne bevelen naar behooren waren uitgevoerd, zich weder bij hem voegde, poogde pater Antonio zoo goed mogelijk over zijne bevelen te schertsen en over de ernstige wolk die het gelaat van den officier zoo plotseling had overschaduwd.„O! o! kapitein,” riep hij met een goelijken lach, „wat ziet ge er bezorgd uit! Hebt gij misschien drie uilen aan uwe regterhand zien vliegen? Zoo als de heidenen zeggen, is dat een kwaad voorteeken.”„Dat kan wel zijn!” antwoordde de kapitein droogjes.De toon waarop dit antwoord gegeven werd had zoo weinig vriendelijks of aanmoedigends, dat de monnik begreep dat elk gesprek voor het oogenblik onmogelijk was; hij hield het zich dus voor gezegd, beet zich op de lippen, en reed stil naast zijn reisgezel voort.Een uur later bereikten zij het kampement; noch de monnik noch de officier had een enkel woord gesproken; alleen schenen beiden, naarmate zij de bestemde halt naderden, meer ongerust te worden.[114]

Wij keeren thans terug naar de karavaan die wij met zonsopgang uit de Venta del Potrero hebben zien vertrekken, en in wier aanvoerder Carmela zulk een levendig belang scheen te stellen. Deze aanvoerder was een jongman van omtrent vier en twintig jaar, met fijne, moedige en edele gelaatstrekken; zijne houding teekende de uiterste vlugheid en zwier, en hij droeg de schitterende uniform van kapitein der dragonders.

Ofschoon behoorende tot een der oudste en edelste geslachten in Mexico, had don Juan Melendez de Gongora zijne bevordering bij het leger, niet aan zijne geboorte, maar alleen aan eigen verdienste willen dank weten, eene wel ongewone zaak in een land waar de militaire eer zoo weinig in aanmerking komt, en waar de hoogere rangen voor hen die ze bezitten slechts een aanzien verleenen, dat hun van de zijde der bevolking veeleer uit vrees dan uit sympathie wordt toegekend.

Intusschen had don Juan zich in zijne zonderlinge denkbeelden zeer goed weten te handhaven, en was iedere nieuwe graad dien hij verwierf geenszins het dubbelzinnige loon, voor bewezen hulp, bij een of andere welgeslaagde omwenteling ten behoeve van dezen of genen eerzuchtigen generaal, maar de welverdiende prijs voor[108]eene schitterende daad. Don Juan behoorde tot die klasse van echte Mexicanen, die hun vaderland opregt beminnen en die uit zuiver eergevoel steeds droomen van een nationaal herstel, dat, zoo al niet onmogelijk, dan toch hoogst moeijelijk te bereiken scheen.

De invloed van een regtschapen karakter is groot, zelfs op de onverschilligste gemoederen, zoodat kapitein don Melendez de Gongora geëerbiedigd werd door allen die met hem in aanraking kwamen, zelfs door hen die hem het minst mogten lijden.

Overigens had de deugd van den kapitein niets overdrevens of stijfzinnigs; hij was een rondborstig militair, opgeruimd en dienstvaardig, dapper als zijn degen en altijd gereed om te helpen met zijn arm en met zijne beurs, ieder, hetzij vriend of vijand, die zijne hulp noodig had. Ziedaar physiek en moreel den man geteekend die de kleine karavaan kommandeerde, en zijne bescherming had toegezegd aan den monnik die aan zijne zijde reed.

Deze geestelijke broeder, van wien wij reeds met een enkel woord gewag maakten, vordert hier eene nadere beschrijving.

Physisch beschouwd, was het een man van omtrent vijftig jaar, van gestalte bijna even breed als hoog, niet ongelijk aan een vat dat op pooten was gezet, en toch begaafd met ongewone kracht en vlugheid; zijn paarsche neus, uitpuilende mond met hangende dikke onderlip, en bolle vuurroode wangen, maakten zijn uitzigt joviaal, terwijl twee kleine, grijze, diepliggende oogen, vol vuur en kloekzinnigheid, hem een zweem gaven van onbezorgde luim en spotzucht.

Wat zijn moreel aangaat, verschilde hij niet veel van het gros der overige monniken in Mexico, dat wil zeggen, hij was zoo dom als een karper, een echte pater goedleven, hartstogtelijk gezet op eene vette keuken, een fijne flesch en het schoone geslacht, en in den hoogsten graad bijgeloovig; overigens een uitmuntend tafelvriend, hoogst gezellig, in ieder gezelschap zijne plaats waard en altijd gereed om een luimigen zet te geven of om die van anderen te lagchen.

Welk toeval hem thans zoo ver buiten de grenzen der beschaafde wereld had gevoerd, was eene vraag die niemand wist te beantwoorden en daar ook niemand zich mede bezig hield; iedereen kende de zwerfzucht der Mexicaansche monniken, wier gansche leven bestaat in reizen en trekken, van de eene plaats naar de andere, zonder bepaald doel en meestal zooals hun eigen grillige luim het hun ingeeft.[109]

Gedurende den tijd van ons verhaal, maakte Texas in vereeniging met de provincie Cohahuila, nog slechts een enkelen staat uit, onder den naam van Texas en Cohahuila.

De karavaan, onder kommando van kapitein don Juan de Melendez was acht dagen te voren vanNacogdochesvertrokken om zich naar Mexico te begeven; volgens bekomen aanwijzingen van hooger hand, had de kapitein echter geenszins den gewonen weg gekozen, daar deze thans doorgavillas, bandieten van allerlei slag als overstroomd werd, en had hij een langen omweg gemaakt om zekere kwalijk beruchte bergpassen in de Sierra San-Saba te vermijden, een gebergte dat hij noodwendig passeren moest, maar nu van den kant der groote prairie, namelijk aan die zijde waar het hooge tafelland aanmerkelijk begint te dalen, en niet meer zulke oneffen en hagchelijke punten aanbiedt als voor de reizigers zoo zeer te duchten zijn.

De tien muilezels die de kapitein begeleidde, moeten wel met zeer kostbare goederen beladen zijn geweest, dat de regering, die over zoo weinig troepen te beschikken had, besluiten kon om voor dit eskorte veertig dragonders af te staan, onder bevel van een zoo beroemd officier als don Juan, wiens tegenwoordigheid in de gegeven omstandigheden, zonder twijfel hoogst noodig, zoo niet onmisbaar was in het binnenland van den staat, om de aanslagen der revolutionnairen te onderdrukken en de woelige burgers tot hun pligt te brengen of te houden.

Inderdaad waren de goederen der karavaan zeer kostbaar, want de tien muilezels vervoerden niet minder dan drie millioen piasters aan geld die zeker een goede en gave buit zouden zijn geweest voor de insurgenten, zoo zij in hunne handen waren gevallen.

De tijd was reeds ver te zoeken, toen onder de heerschappij der onderkoningen, de enkele Spaansche vlag aan het hoofd van een konvooi van vijftig of zestig met goud bevrachte muilezels, voldoende zou zijn geweest om zulk eeneconducta de plata(geldtransport) te beschermen en zonder eenig gevaar van de eene grens tot de andere, door Mexico te doen trekken; zoo groot was voor hen de schrik dien de naam van Spanje alleen reeds inboezemde.

Thans waren ter bescherming, niet van zestig, of honderd, maar van slechts tien muilezels, veertig uitgelezen ruiters naauwelijks voldoende.

Het gouvernement had ter verzekering van den conducta, die[110]te Mexico sinds lang met reikhalzend verlangen werd te gemoet gezien, de grootste omzigtigheid noodig geoordeeld; omtrent den dag en het uur van vertrek, zoowel als den weg dien het konvooi volgen zou, moest de diepste geheimhouding worden in acht genomen.

De gouden staven en gelden waren met de meeste zorg derwijze gepakt dat de balen naar gewone pakgoederen geleken. Ook werden de muilezels op klaar lichten dag, een voor een en elk onder geleide van een enkelen arriero afgezonden, om zich eerst op vijftien mijlen van de stad te vereenigen, waar het eskorte reeds sedert eene maand, onder een of ander aannemelijk voorwendsel in eene oude presidio (dorp) gekantonneerd was geweest.

Alles was dus met de grootste zorg beraamd en berekend om het kostbare konvooi in veilige haven te brengen; de arriero’s, de eenigste die met de waarde der lading bekend waren, wachtten zich wel om er van te spreken, te meer daar zij voor den veiligen overtogt met al wat zij in de wereld bezaten, hoe veel of weinig het wezen mogt aansprakelijk waren, en het dus om hun volslagen ondergang te doen was, zoo zij op weg mogten worden uitgeplunderd.

De conducta trok in de beste orde voort onder het welluidend gerinkel derNena; de arriero’s zongen lustig achter hunne muilezels, hen voortdrijvende met hun eeuwig: „Arrea mula! arrea linda!” (Voort muil, voort, mijn beest!)

De vlaggetjes aan de lange lansen der dragonders wapperden vrolijk in de morgenkoelte, en de kapitein luisterde onbezorgd naar het gesnap van den monnik, terwijl hij echter van tijd tot tijd zijne bespiedende blikken over de vlakte liet rondgaan.

„Kom, kom, Fray Antonio,” zeide hij tegen zijn dikken reismakker, „klaag nu maar niet langer dat gij zoo vroeg op weg zijt moeten gaan, het is een heerlijke morgenstond en alles voorspelt ons een gelukkigen dag.”

„Ja, ja, brave kapitein,” antwoordde de monnik met een lach, „daarvoor heeft onze Lieve Vrouwde la Soledadgezorgd, dat wij onder de meest gewenschte omstandigheden op reis zijn gegaan.”

„Wel! het doet mij regt veel genoegen dat ik u in zulk een goede luim zie, ik was al bang dat de trompet u dezen morgen een beetje te vroeg had opgewekt en u uit uw humeur had gebragt.”

„Mij! mijn hemel! kapitein,” hernam de monnik met geveinsde nederigheid, „wij onwaardige leden der kerk behooren ons zonder[111]murmureren te onderwerpen aan de wederwaardigheden die het den Heer behaagt ons toe te zenden; en daarbij, het leven is zoo kort, dat men wijs doet het van zijn besten kant te bezien, om de weinige vrolijke oogenblikken die ons ten deele vallen niet in onnutte klagten te verspillen.”

„Bravo! zoo hoor ik het gaarne, dat is eene philosophie daar ik van houd; gij zijt een goed reisgezel, padre; ik hoop dat wij nog lang zamen zullen reizen.”

„Dat hangt min of meer van u zelven af, heer kapitein.”

„Van mij! hoe dat?”

„Wel! van den koers dien gij nemen zult.”

„Hum!” riep don Juan, „maar welken kant moet gij dan uit,Señorpadre?”

De oude manier om de eene vraag met de andere te beantwoorden, is eene uitmuntende taktiek, die bijna altijd gelukt. De monnik althans werd er door gevangen; maar volgens de gewoonte zijner confraters, was zijn antwoord naar behooren, tamelijk uitwijkend.

„O!” riep hij met gemaakte onverschilligheid,„voor mij zijn alle wegen bijna om het even; mijn kleed is mijn paspoort en verzekert mij overal, waar ik ook kom, een goed gezigt en een goed onthaal.”

„Dat is waar, maar dan moet ik mij verwonderen over de vraag die gij mij zoo even gedaan hebt.”

„O! die is de moeite niet waard om er zoo diep over te denken, brave kapitein. Het zou mij zeer spijten als ik er u een oogenblik mede geërgerd had; zoo dat het geval mogt zijn, verzoek ik u wel nederig om verschooning.”

„Gij hebt mij in ’t minst niet geërgerd,Señorpadre; ik heb volstrekt geen reden om u te verbergen waar ik heen moet; met den troep muilezels die ik eskorteer, heb ik weinig te maken; reeds morgen, of overmorgen op zijn langst, denk ik er mij van te scheiden.”

De monnik scheen zijne verwondering hierover niet te kunnen verbergen.

„Ah!” riep hij met een doordringenden blik op den spreker.

„Mijn hemel! neen,” vervolgde de kapitein luchthartig; „die goede lui hebben mij gevraagd of ik hen eenige dagen zou willen vergezellen, uit vrees voor degavillasdie hier de wegen verpesten; het schijnt dat zij nog al kostbare goederen bij zich hebben, die zij niet gaarne zouden zien plunderen.”

„Ik begrijp u, dat zou voor hen niet aangenaam zijn.”[112]

„Niet waar? Ik heb hun derhalve deze kleine dienst niet willen weigeren, die mij weinig ongelegenheid veroorzaakt, maar zoodra zij denken veilig te zijn, zal ik hen verlaten om dieper de prairie in te trekken, volgens mijne instructiën, want debravos(de wilde Indianen) zijn dezer dagen weder zeer on rustig, zoo als gij wel weten zult.”

„Neen, dat wist ik niet.”

„Nu, dan vertel ik het u, pater Antonio, dat is voor u eene schoone gelegenheid, die gij niet ongebruikt moet laten.”

„Eene schoone gelegenheid voor mij!” riep de monnik verwonderd, „welke gelegenheid kapitein?”

„Wel, om voor de heidenen te prediken en hun de gronden van ons geloof te onderwijzen,” antwoordde hij met onverstoorbare koelbloedigheid.

Bij deze onverwachte verklaring deinsde de monnik met schrik terug.

„Naar den duivel met zoo’n gelegenheid!” riep hij tusschen vinger en duim klappende;„zoo zot mogen anderen wezen! ik heb volstrekt geen lust om een martelaar te worden.”

„Zoo als het u behaagt, padre, maar gij hebt toch ongelijk.”

„Dat is wel mogelijk, brave kapitein, maar ik ben eenpaap zonderp! als ik u naar dat heidensch gebroed vergezel; over twee dagen verlaat ik u.”

„Zoo spoedig reeds?”

„Wel waarachtig! als gij naar de prairiën moet, verondersteld dat gij de muilezels die gij begeleidt, aan de rancho San-Jacinto verlaten zult, dat is het uiterste punt der Mexicaansche bezittingen en aan de grenzen der woestijn.….”

„Wel waarschijnlijk.”

„Welnu! dan denk ik bij de muildrijvers te blijven; als zij toch alle gevaarlijke punten voorbij zijn, heb ik niets meer te vreezen en zet ik mijne reis zoo aangenaam mogelijk voort.”

„Ha!” riep de kapitein met een doordringenden blik, maar hoe veel belang dit gesprek hem ook inboezemde, kon hij het niet vervolgen, daar op eens een ruiter van de voorhoede kwam aanrennen, bij hem stil hield en hem iets in ’t oor fluisterde.

De kapitein keek scherp naar alle zijden rond, ging weder regt in den zadel zitten en wendde zich tot den dragonder: „’t Is goed,” zeide hij, „Hoeveel zijn er?”

„Twee, kapitein.”

„Houd hen in ’t oog, maar zonder hen te laten merken dat zij[113]krijgsgevangen zijn; zoodra wij aan de halte komen zal ik hen ondervragen; ga weder bij uwe kameraden.”

De soldaat boog eerbiedig zonder te antwoorden, en verwijderde zich even snel als hij gekomen was.

Kapitein Melendez had zijne onderhebbenden sinds lang gewend om over zijne bevelen niet te redeneren, maar hem zonder aarzelen te gehoorzamen.

Wij maken hier deze aanmerking, omdat zoo iets in Mexico zeer zelden gebeurt; nergens toch is de militaire tucht zoo onbeduidend, de ondergeschiktheid zoo gering en de krijgstucht zoo slecht gehandhaafd.

Don Juan deed het eskorte weder in ’t gelid treden en gaf bevel om sneller door te rijden.

De monnik had niet zonder heimelijke ongerustheid het gesprek tusschen den officier en den soldaat opgemerkt, daar hij er geen woord van begreep; toen de kapitein dus, nadat zijne bevelen naar behooren waren uitgevoerd, zich weder bij hem voegde, poogde pater Antonio zoo goed mogelijk over zijne bevelen te schertsen en over de ernstige wolk die het gelaat van den officier zoo plotseling had overschaduwd.

„O! o! kapitein,” riep hij met een goelijken lach, „wat ziet ge er bezorgd uit! Hebt gij misschien drie uilen aan uwe regterhand zien vliegen? Zoo als de heidenen zeggen, is dat een kwaad voorteeken.”

„Dat kan wel zijn!” antwoordde de kapitein droogjes.

De toon waarop dit antwoord gegeven werd had zoo weinig vriendelijks of aanmoedigends, dat de monnik begreep dat elk gesprek voor het oogenblik onmogelijk was; hij hield het zich dus voor gezegd, beet zich op de lippen, en reed stil naast zijn reisgezel voort.

Een uur later bereikten zij het kampement; noch de monnik noch de officier had een enkel woord gesproken; alleen schenen beiden, naarmate zij de bestemde halt naderden, meer ongerust te worden.[114]


Back to IndexNext