[Inhoud]XV.DE HALTE.De zon was reeds bijna aan het ondergaan toen de karavaan in de legerplaats aankwam.Deze plaats, op de kruin van een steilen heuvel gelegen, was uitgekozen met de gewone schranderheid die den arriero van Texas of Mexico eigen is; iedere overrompeling was hier onmogelijk, terwijl de digte bosschen die den kleinen berg aan alle zijden besloegen, bij een onverhoedschen aanval een veilige schuilplaats tegen de kogels aanboden.De muildieren werden afgeladen, maar in strijd met het in zulke gevallen gewone gebruik, werden de balen, in plaats van tot verschansing of borstwering voor het kamp te dienen, op eene zekere plaats op elkander gestapeld, buiten het bereik der roovers, zoo deze misschien, wanneer de duisternis gevallen was, lust zouden hebben om er een kans op te wagen. Zes of acht groote vuren werden in een kring ontstoken, om de wilde dieren terug te houden; de muildieren kregen hun rantsoen maïs opmantasof linnen dekkleeden, die men op den grond uitspreidde; daarna, zoodra de schildwachten rondom het kamp waren uitgezet, begonnen de soldaten en muildrijvers hun mager soupé te bereiden, dat zij na de vermoeijenissen van den dag wel noodig hadden.Kapitein don Juan en de monnik zaten een weinig achterwaarts, bij een vuur dat voor hen afzonderlijk was aangelegd, en begonnen hunne maïs cigaretten te rooken, terwijl deassistente(oppasser) van den officier met allen spoed het maal voor zijn chef gereed maakte;—een maal, even eenvoudig als dat van de andere leden der karavaan, doch dat door een geweldigen eetlust gekruid, hem niet alleen wel smaakte, maar zelfs zeer voedzaam en sappig werd, al bestond het slechts uit eenigevaras(ellen)tocino, of in de zon gedroogde en aan repen gesneden vleesch, en vier of vijf platte beschuiten.De kapitein had er spoedig mede gedaan; hij stond op, en daar het intusschen geheel nacht was geworden, ging hij de posten bezoeken om te zien of alles in orde was. Toen hij zijne plaats bij het vuur weder innam, lag pater Antonio, zorgvuldig in zijn dikken zarape gewikkeld en met de voeten bij het vuur, in diepen slaap, althans zoo scheen het.Don Juan bespiedde hem een poos met een onbeschrijfelijken[115]blik van haat en verachting, schudde twee of drie keeren bedenkelijk het hoofd, maar beval toch zijn oppasser, die eenige schreden verder op orders stond te wachten, dat hij de twee gevangenen bij hem zoude brengen.Deze gevangenen waren tot op dit oogenblik achteraf gehouden, en ofschoon zij met alle onderscheiding werden behandeld, konden zij toch wel bemerken dat men hen zorgvuldig bewaakte en in ’t oog hield. Intusschen schenen zij zelven niet te vreezen dat zij lang gevangen zouden blijven, daar men hen, hetzij uit onverschilligheid hetzij om eenige andere oorzaak hunne wapens had laten behouden; bovendien, ofschoon beiden reeds den middelbaren leeftijd bereikt hadden, was het aan hunne forsch gespierde gestalten en krachtvolle gelaatstrekken wel te zien, dat zij, des noods, wanneer hunne vrijheid gevaar liep, wel in staat zouden zijn haar gewapenderhand te herwinnen, of ten minste er een kans voor te wagen. Zij volgden den oppasser zonder aanmerking of tegenstand, en weldra bevonden zij zich voor den kapitein.De nacht was stikdonker, maar het vlammende houtvuur verspreidde licht genoeg om hunne aangezigten duidelijk te kunnen onderscheiden.Zoodra don Juan hen bemerkte, gaf hij een teeken van verwondering, en nu hield een der gevangenen driftig den vinger aan den mond om hem voorzigtigheid aan te bevelen, terwijl hij met een zijdelingschen blik op den slapenden monnik wees.De kapitein begreep deze stilzwijgende waarschuwing en beantwoordde haar dadelijkmet een ligten hoofdknik, overigens de meeste kalmte en onverschilligheid toonende.„Wie zijt gij?” vroeg hij terwijl hij achteloos een cigarette tusschen zijne vingers rolde.„Jagers,” antwoordde een der gevangenen zonder aarzelen.„Men ontmoette u eenige uren geleden aan den oever der rivier.”„Ja.”„Wat deedt gij daar?”De gevangene wierp een oplettenden blik om zich heen, en vestigde toen de oogen weder op den kapitein.„Eer ik uwe vraag nader beantwoord,” zeide hij, „verlang ik er op mijne beurt een tot u te rigten.”„Welke? Spreek op.”„Welk regt hebt gij om mij te ondervragen?”„Zie maar eens rond,” antwoordde de kapitein luchthartig.„O, ik begrijp u wel, het regt van den sterkste meent gij,[116]niet waar? Ongelukkig erken ik dit regt niet, ten mijnen opzigte. Ik ben een vrij jager, ik erken geen anderen wil dan den mijnen, en geen anderen meester dan mij zelven.”„O ho! uwe taal klinkt wel fier, kameraad.”„Het is die van een man die niet gewoon is voor eens anders willekeur te bukken; gij hebt door mij gevangen te nemen geenszins misbruik van uwe kracht gemaakt, want uwe soldaten zouden mij hebben moeten dooden zoo zij mij tegen wil en dank tot u hadden willen brengen, maar van de gemakkelijkheid waarmede ik mij aan hen heb toevertrouwd; ik lever derhalve hiertegen protest in en vorder van u mijne onmiddellijke invrijheidstelling.”„Uwe hooghartige woorden kunnen mij niet van het spoor brengen en zoo het mij behaagde u tot spreken te dwingen, zou ik er u wel toe weten te noodzaken, door zekere onwederstaanbare middelen die ik in mijn bezit heb.”„Ja,” zei de gevangene bitter, „de Mexicanen zijn de Spanjaarden van vroeger dagen nog niet vergeten, die zich daartoe meermalen van de pijnbank bedienden; wel nu, neem er ook eens de proef van, kapitein, wie belet het u? Ik hoop dat mijne ijzergraauwe haren niet zullen wegkrimpen voor uw blonden knevelbaard.”„Zwijg daarvan,” riep de kapitein op een toon van gebelgdheid; „maar zeg mij, als ik u vrij liet vertrekken, zou ik dan een vriend of een vijand loslaten?”„Geen van beiden.”„Zoo! wat wilt gij daarmede zeggen?”„Mijn antwoord is immers duidelijk genoeg?”„Ik begrijp het toch niet.”„Met een paar woorden zal ik het u ophelderen.”„Spreek.”„Beiden in lijnregt uit elkander loopende rigtingen geplaatst, heeft het toeval ons heden gelieven zamen te brengen; zoo wij elkander thans verlaten, zal geen van ons beiden een gevoel van haat mede voeren, daar gij noch ik ons over iets te beklagen hebben, en wij elkander waarschijnlijk nooit zullen wederzien.”„Hum! het is echter duidelijk genoeg, dat, toen mijne soldaten u ontmoetten, gij op dezen weg iemand verwachttet.”„Wat geeft u reden om dit te denken?”„Duivels! gij zijt immers jagers, hebt gij mij gezegd, en ik zie geen wild dat gij hier op weg zoudt kunnen schieten.”De gevangene begon te lagchen.[117]„Wie weet!” hernam hij met zekeren klem op zijne woorden, „misschien kostbaarder wild dan gij veronderstelt en daar gij gaarne uw deel van zoudt willen hebben.”Hier maakte de monnik eene ligte beweging, en opende de oogen alsof hij ontwaakte.„Hoe is dat!” riep hij tegen den kapitein terwijl hij in schijn zijn best deed om niet te geeuwen, „slaapt gij niet,Señordon Juan?”„Nog niet,” antwoordde deze, „ik ondervraag de twee mannen die mijne voorwacht een paar uren geleden in hechtenis heeft genomen.”„Ah!” riep de monnik met een verachtelijken blik op de onbekenden, „die arme drommels schijnen volstrekt niet te vreezen te zijn.”„Zoudt gij dat denken?”„Ik weet het niet, maar waarom zijt gij beducht voor deze twee mannen?”„Wel! het zijn misschien spionnen.”Fray Antonio nam eene vaderlijke houding aan.„Spionnen!” herhaalde hij, „vreest gij dan eene hinderlaag?”„In zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden zou die veronderstelling alles behalve onwaarschijnlijk zijn, denk ik.”„Loop heen! in een land als hier en met een eskorte als het uwe, zou het wel vreemd zijn; overigens hebben deze lieden zoo als ik verneem, zich zonder verzet laten vangen, toen het hun zeer gemakkelijk zou gevallen zijn om weg te komen.”„Dat spreek ik niet tegen.”„Zij hadden dus geene kwade bedoelingen, dat blijkt duidelijk genoeg; als ik in uwe plaats was liet ik hen stilletjes gaan waar zij goedvonden.”„Is dat uw advies?”„Zonder twijfel.”„Gij schijnt in die twee onbekenden wel veel belang te stellen.”„Ik! niets ter wereld, ik zeg u maar wat billijk is, dat is alles; intusschen moogt gij doen wat u goeddunkt, ik wasch er mijne handen van af.”„Gij kunt wel gelijk hebben, maar toch zal ik deze lieden de vrijheid niet terug geven, voordat zij mij gezegd hebben wien zij hier verwachten.”„Wachten zij dan iemand?”„Dat zeggen zij ten minste.”[118]„’t Is waar, kapitein,” hervatte nu de gevangene die tot hiertoe alleen gesproken had; „maar ofschoon wij wisten dat gij hier langs zoudt komen, waart gij het toch niet dien wij verwachtten.”„Wie was het dan?”„Wilt gij het volstrekt weten?”„Zeker.”„Antwoord gij dan, Fray Antonio,” zei de gevangene meesmuilende, „want gij alleen zijt bekend met den naam dien de kapitein van ons verlangt.”„Ik!” schreeuwde de monnik uit, terwijl hij van toorn opsprong en zoo bleek werd als een lijk.„Ha! ha!” riep de kapitein, zich naar hem omwendende, „dat begint hier interessant te worden.”Het was zeker geene onbelangrijke vertooning die deze vier mannen maakten, staande tegenover elkander rondom het kampvuur, welks flikkerende vlammen op hunne aangezigten een tooverachtig licht verspreidden.De kapitein rookte onbezorgd zijne cigarette en hield den monnik spotachtig in ’t oog, op wiens gelaat de vrees en de onbeschaamdheid een harden kamp streden, welks afwisselende kansen zich gemakkelijk lieten waarnemen; de twee jagers stonden met de handen op den tromp hunner lange jagtroeren gekruist, in hunne vuist te lagchen, en schenen zich inwendig vrolijk te maken met de verlegenheid van den man dien zij zoo onverhoeds en zoo brutaal ten tooneele hadden gevoerd.„Stel u toch niet zoo verwonderd aan, padre Antonio,” zeide eindelijk de gevangene, „gij weet wel dat wij hier niemand anders verwachtten dan u.”„Mij!” hervatte de monnik met eene half gesmoorde stem, „die ellendige kerel is gek, zoo waar als ik leef!”„Ik ben alles behalve gek,Señorpadre, en ik zal u voor dezen keer die benamingen waarmede gij mij gelieft te begunstigen, kwijtschelden, maar pas op voor de tweede maal,” antwoordde de gevangene droogjes.„Kom aan, verklaar u,” riep nu de andere gevangene, die tot hiertoe gezwegen had, barsch. „Ik heb geen lust om aan een eindje touw te bengelen voor uw pleizier.”„Hetgeen toch onvermijdelijk gebeuren zal,” merkte de kapitein bedaard aan, „als gij niet besluit, caballeros, om mij eene duidelijke en volledige verklaring te geven van uw gedrag.”„Ei zoo! gij ziet wel, patertje,” hervatte de gevangene; „onze[119]positie begint slecht te worden; kom, zorg dat de zaak in orde komt.”„O!” brulde de monnik woedend, „ik ben in een gruwzamen strik gevallen.”„Genoeg!” riep de kapitein met eene donderende stem, „deze komedie heeft reeds veel te lang geduurd, pater Antonio. Niet gij zijt in een vreeselijken strik gevallen, maar ik integendeel ben het, dien gij er in zoekt te slepen; ik ken u van oude dagteekening en ik heb van de plannen die gij smeedt de omstandigste bewijzen in handen. Gij speelt sedert lang een gevaarlijk spel; men kan niet te gelijk God en den duivel dienen, zonder dat eindelijk alles aan ’t licht komt; maar ik heb u slechts tegenover deze twee eerlijke lieden willen stellen, om u te verpletteren en u het huichelaarsmasker af te rukken waarmede gij u bedekt.”Bij deze ruwe ontboezeming bleef de monnik een poos sprakeloos, geheel overstelpt door de kracht der verwijtingen die hem werden toegevoegd; eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich naar den kapitein:„Waarvan beschuldigt men mij?” vroeg hij op hooghartigen toon.Don Juan glimlachte met minachting.„Men beschuldigt u,” antwoordde hij, „dat gij de conducta, die onder mijne bescherming staat, in eene hinderlaag hebt willen voeren, die door u gelegd is en waar op dit oogenblik uwe waardige handlangers ons verwachten, om ons te vermoorden en uit te plunderen. Wat antwoordt gij hierop?”„Niets,” zeide hij kortaf.„Gij hebt gelijk, want uwe ontkenningen zouden niet gangbaar zijn; intusschen, nu gij door uw eigen bekentenis schuldig staat, zult gij mij niet meer ontsnappen, zonder dat ik u een eeuwig aandenken van onze ontmoeting mede geef!”„Zie toe wat gij begint,señorkapitein, ik behoor tot de kerk; dit ordekleed maakt mij onschendbaar.”Een spottende lach plooide zich om de lippen van den kapitein.„Als het daarom te doen is,” zeide hij opsarcastischentoon, „dan zal men u ontkleeden.”Het meerendeel der dragonders en muildrijvers, door het gekibbel van den monnik en den officier wakker geworden, waren allengs naderbij gekomen en volgden aandachtig den loop van het gesprek.De kapitein wenkte de soldaten en met vingerwijzing op den monnik zeide hij:[120]„Ontdoet dien man van het kleed dat hij draagt, bindt hem aan een catalpa en geeft hem twee honderd slagen met dechicote(karwats).”„Ellendelingen!” schreeuwde de monnik, buiten zich zelven van woede, „den eerste van u die mij durft aanraken vervloek ik; omdat hij de hand aan een dienaar van het altaar heeft geslagen, zal hij eeuwig verdoemd zijn.”De soldaten bleven verschrikt staan op het hooren dezer vervloeking, die zij hetzij uit onkunde of uit bijgeloovigen eerbied den moed niet hadden te braveren.De monnik kruiste thans de armen op de borst en riep op zegevierenden toon tegen den officier: „Rampzalige dwaas, ik zou u kunnen straffen voor uwe vermetelheid, maar ik schenk u vergiffenis. God zal zich wel met mijne wraak belasten; die zal u kastijden wanneer uw uur geslagen is; vaarwel. Kom, terug daar! en laat mij door,” vervolgde hij tegen de anderen.De dragonders, door schrik bevangen, weken langzaam en aarzelend voor hem terug: de kapitein, die genoodzaakt was zijn onvermogen te erkennen, balde de vuisten en wierp toornige blikken in ’t rond.Fray Antonio was de rijen der soldaten bijna door, toen hij zich op eens bij den arm voelde terughouden: hij keerde zich om, met het voornemen om het vermetel individu dat hem had durven aanraken streng te berispen, maar zijn gezigt kreeg oogenblikkelijk eene andere uitdrukking toen hij, in den man die hem tegenhield en hem met een koddigen blik aankeek, den gevangene herkende aan wien hij zijn laatsten hoon te danken had.„Nog een oogenblik,Señorpadre,” zei de jager; „ik kan zeer goed begrijpen dat deze brave lieden, die katholieken zijn, uwe vervloeking duchten en daarom de hand niet aan u durven uitsteken uit vrees voor het helsche vuur, doch met mij is dit gansch anders, ik ben een ketter, zoo als gij wel weet en waag dus niets met u het monnikskleed uit te trekken; zoo gij het mij dus vergunt zal ik u deze dienst wel bewijzen.”„O!”riep de monnik knarstandend, „ik zal u dooden, John. Ik vermoord u, ellendeling.”„Bah, bah! wie gedreigd wordt, leeft lang. Wie is ooit van dreigen gestorven?” zei John, terwijl hij hem dwong om het monniksgewaad uit te doen dat hij over zijn fijn linnen ondergoed aan had.„Ziedaar!” vervolgde hij een oogenblik later. „Nu, mijne braven,[121]kunt gij gerust het bevel van uw kapitein ten uitvoer brengen; de man is thans voor u niets beter dan een ander.”Het stoutmoedig bedrijf van den jager had op eens den bijgeloovigen schroom die de soldaten gebonden hield verbroken. Zoodra het heilige kleed de schouders van den monnik niet meer bedekte, luisterden zij niet langer naar zijne gebeden of bedreigingen, maar maakten zich van hem meester, bonden hem ondanks zijn geschreeuw aan den catalpa en dienden hem met alle militaire naauwgezetheid de twee honderd karwatsslagen toe, die de kapitein hem had opgelegd, terwijl de twee jagers de strafoefening bijwoonden, in stilte de slagen telden en zich luidkeels vrolijk maakten om de tuchtiging van den ongelukkigen monnik, die van pijn huilde en zich kronkelde als een slang.Toen de straf voor drievierden was toegediend, schreeuwde hij niet meer, zijn zenuwgestel scheen geheel vernietigd te zijn en maakte hem gevoelloos; intusschen was hij niet buiten kennis, maar zijne tanden waren gesloten en het schuim stond hem op den mond; hij staarde regt voor zich uit zonder iets te zien en gaf geen andere blijken van bewustzijn dan nu en dan een diepen zucht, die uit zijne breede borst moeijelijk opkwam.Toen de strafoefening was afgeloopen en men hem losmaakte viel hij op den grond, waar hij roerloos bleef liggen.Men gaf hem zijn monnikskleed terug en liet hem voor hetgeen hij was, zonder zich verder met hem te bemoeijen.De beide jagers verwijderden zich, na vooraf eenige oogenblikken in stilte met den kapitein gesproken te hebben.Het overige van den nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde.Eenige minuten voor zonsopgang, stonden de soldaten en arriero’s op om de paarden te zadelen, de muilezels te laden en alles gereed te maken voor hunne reis, tot het sein van vertrek zou gegeven worden.„Maar,” riep op eens de stem van den kapitein, „waar is toch de monnik,wij kunnen hem toch hier niet laten liggen; zet hem op een muilezel, en aan de eerste rancho de beste zullen wij hem achterlaten.”De soldaten gehoorzaamden en gingen aan het zoeken, maar al hunne nasporingen waren vergeefs. Pater Antonio was nergens te vinden, hij was spoorloos verdwenen.Don Juan fronste de wenkbraauwen bij dit berigt, maar na een oogenblik te hebben nagedacht, schudde hij onbezorgd het hoofd, en zeide:[122]„Zoo veel te beter. Wij zouden onder weg niets dan last van hem hebben gehad.”De conducta de plata (het geld-konvooi) kwam in beweging en hervatte den togt.
[Inhoud]XV.DE HALTE.De zon was reeds bijna aan het ondergaan toen de karavaan in de legerplaats aankwam.Deze plaats, op de kruin van een steilen heuvel gelegen, was uitgekozen met de gewone schranderheid die den arriero van Texas of Mexico eigen is; iedere overrompeling was hier onmogelijk, terwijl de digte bosschen die den kleinen berg aan alle zijden besloegen, bij een onverhoedschen aanval een veilige schuilplaats tegen de kogels aanboden.De muildieren werden afgeladen, maar in strijd met het in zulke gevallen gewone gebruik, werden de balen, in plaats van tot verschansing of borstwering voor het kamp te dienen, op eene zekere plaats op elkander gestapeld, buiten het bereik der roovers, zoo deze misschien, wanneer de duisternis gevallen was, lust zouden hebben om er een kans op te wagen. Zes of acht groote vuren werden in een kring ontstoken, om de wilde dieren terug te houden; de muildieren kregen hun rantsoen maïs opmantasof linnen dekkleeden, die men op den grond uitspreidde; daarna, zoodra de schildwachten rondom het kamp waren uitgezet, begonnen de soldaten en muildrijvers hun mager soupé te bereiden, dat zij na de vermoeijenissen van den dag wel noodig hadden.Kapitein don Juan en de monnik zaten een weinig achterwaarts, bij een vuur dat voor hen afzonderlijk was aangelegd, en begonnen hunne maïs cigaretten te rooken, terwijl deassistente(oppasser) van den officier met allen spoed het maal voor zijn chef gereed maakte;—een maal, even eenvoudig als dat van de andere leden der karavaan, doch dat door een geweldigen eetlust gekruid, hem niet alleen wel smaakte, maar zelfs zeer voedzaam en sappig werd, al bestond het slechts uit eenigevaras(ellen)tocino, of in de zon gedroogde en aan repen gesneden vleesch, en vier of vijf platte beschuiten.De kapitein had er spoedig mede gedaan; hij stond op, en daar het intusschen geheel nacht was geworden, ging hij de posten bezoeken om te zien of alles in orde was. Toen hij zijne plaats bij het vuur weder innam, lag pater Antonio, zorgvuldig in zijn dikken zarape gewikkeld en met de voeten bij het vuur, in diepen slaap, althans zoo scheen het.Don Juan bespiedde hem een poos met een onbeschrijfelijken[115]blik van haat en verachting, schudde twee of drie keeren bedenkelijk het hoofd, maar beval toch zijn oppasser, die eenige schreden verder op orders stond te wachten, dat hij de twee gevangenen bij hem zoude brengen.Deze gevangenen waren tot op dit oogenblik achteraf gehouden, en ofschoon zij met alle onderscheiding werden behandeld, konden zij toch wel bemerken dat men hen zorgvuldig bewaakte en in ’t oog hield. Intusschen schenen zij zelven niet te vreezen dat zij lang gevangen zouden blijven, daar men hen, hetzij uit onverschilligheid hetzij om eenige andere oorzaak hunne wapens had laten behouden; bovendien, ofschoon beiden reeds den middelbaren leeftijd bereikt hadden, was het aan hunne forsch gespierde gestalten en krachtvolle gelaatstrekken wel te zien, dat zij, des noods, wanneer hunne vrijheid gevaar liep, wel in staat zouden zijn haar gewapenderhand te herwinnen, of ten minste er een kans voor te wagen. Zij volgden den oppasser zonder aanmerking of tegenstand, en weldra bevonden zij zich voor den kapitein.De nacht was stikdonker, maar het vlammende houtvuur verspreidde licht genoeg om hunne aangezigten duidelijk te kunnen onderscheiden.Zoodra don Juan hen bemerkte, gaf hij een teeken van verwondering, en nu hield een der gevangenen driftig den vinger aan den mond om hem voorzigtigheid aan te bevelen, terwijl hij met een zijdelingschen blik op den slapenden monnik wees.De kapitein begreep deze stilzwijgende waarschuwing en beantwoordde haar dadelijkmet een ligten hoofdknik, overigens de meeste kalmte en onverschilligheid toonende.„Wie zijt gij?” vroeg hij terwijl hij achteloos een cigarette tusschen zijne vingers rolde.„Jagers,” antwoordde een der gevangenen zonder aarzelen.„Men ontmoette u eenige uren geleden aan den oever der rivier.”„Ja.”„Wat deedt gij daar?”De gevangene wierp een oplettenden blik om zich heen, en vestigde toen de oogen weder op den kapitein.„Eer ik uwe vraag nader beantwoord,” zeide hij, „verlang ik er op mijne beurt een tot u te rigten.”„Welke? Spreek op.”„Welk regt hebt gij om mij te ondervragen?”„Zie maar eens rond,” antwoordde de kapitein luchthartig.„O, ik begrijp u wel, het regt van den sterkste meent gij,[116]niet waar? Ongelukkig erken ik dit regt niet, ten mijnen opzigte. Ik ben een vrij jager, ik erken geen anderen wil dan den mijnen, en geen anderen meester dan mij zelven.”„O ho! uwe taal klinkt wel fier, kameraad.”„Het is die van een man die niet gewoon is voor eens anders willekeur te bukken; gij hebt door mij gevangen te nemen geenszins misbruik van uwe kracht gemaakt, want uwe soldaten zouden mij hebben moeten dooden zoo zij mij tegen wil en dank tot u hadden willen brengen, maar van de gemakkelijkheid waarmede ik mij aan hen heb toevertrouwd; ik lever derhalve hiertegen protest in en vorder van u mijne onmiddellijke invrijheidstelling.”„Uwe hooghartige woorden kunnen mij niet van het spoor brengen en zoo het mij behaagde u tot spreken te dwingen, zou ik er u wel toe weten te noodzaken, door zekere onwederstaanbare middelen die ik in mijn bezit heb.”„Ja,” zei de gevangene bitter, „de Mexicanen zijn de Spanjaarden van vroeger dagen nog niet vergeten, die zich daartoe meermalen van de pijnbank bedienden; wel nu, neem er ook eens de proef van, kapitein, wie belet het u? Ik hoop dat mijne ijzergraauwe haren niet zullen wegkrimpen voor uw blonden knevelbaard.”„Zwijg daarvan,” riep de kapitein op een toon van gebelgdheid; „maar zeg mij, als ik u vrij liet vertrekken, zou ik dan een vriend of een vijand loslaten?”„Geen van beiden.”„Zoo! wat wilt gij daarmede zeggen?”„Mijn antwoord is immers duidelijk genoeg?”„Ik begrijp het toch niet.”„Met een paar woorden zal ik het u ophelderen.”„Spreek.”„Beiden in lijnregt uit elkander loopende rigtingen geplaatst, heeft het toeval ons heden gelieven zamen te brengen; zoo wij elkander thans verlaten, zal geen van ons beiden een gevoel van haat mede voeren, daar gij noch ik ons over iets te beklagen hebben, en wij elkander waarschijnlijk nooit zullen wederzien.”„Hum! het is echter duidelijk genoeg, dat, toen mijne soldaten u ontmoetten, gij op dezen weg iemand verwachttet.”„Wat geeft u reden om dit te denken?”„Duivels! gij zijt immers jagers, hebt gij mij gezegd, en ik zie geen wild dat gij hier op weg zoudt kunnen schieten.”De gevangene begon te lagchen.[117]„Wie weet!” hernam hij met zekeren klem op zijne woorden, „misschien kostbaarder wild dan gij veronderstelt en daar gij gaarne uw deel van zoudt willen hebben.”Hier maakte de monnik eene ligte beweging, en opende de oogen alsof hij ontwaakte.„Hoe is dat!” riep hij tegen den kapitein terwijl hij in schijn zijn best deed om niet te geeuwen, „slaapt gij niet,Señordon Juan?”„Nog niet,” antwoordde deze, „ik ondervraag de twee mannen die mijne voorwacht een paar uren geleden in hechtenis heeft genomen.”„Ah!” riep de monnik met een verachtelijken blik op de onbekenden, „die arme drommels schijnen volstrekt niet te vreezen te zijn.”„Zoudt gij dat denken?”„Ik weet het niet, maar waarom zijt gij beducht voor deze twee mannen?”„Wel! het zijn misschien spionnen.”Fray Antonio nam eene vaderlijke houding aan.„Spionnen!” herhaalde hij, „vreest gij dan eene hinderlaag?”„In zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden zou die veronderstelling alles behalve onwaarschijnlijk zijn, denk ik.”„Loop heen! in een land als hier en met een eskorte als het uwe, zou het wel vreemd zijn; overigens hebben deze lieden zoo als ik verneem, zich zonder verzet laten vangen, toen het hun zeer gemakkelijk zou gevallen zijn om weg te komen.”„Dat spreek ik niet tegen.”„Zij hadden dus geene kwade bedoelingen, dat blijkt duidelijk genoeg; als ik in uwe plaats was liet ik hen stilletjes gaan waar zij goedvonden.”„Is dat uw advies?”„Zonder twijfel.”„Gij schijnt in die twee onbekenden wel veel belang te stellen.”„Ik! niets ter wereld, ik zeg u maar wat billijk is, dat is alles; intusschen moogt gij doen wat u goeddunkt, ik wasch er mijne handen van af.”„Gij kunt wel gelijk hebben, maar toch zal ik deze lieden de vrijheid niet terug geven, voordat zij mij gezegd hebben wien zij hier verwachten.”„Wachten zij dan iemand?”„Dat zeggen zij ten minste.”[118]„’t Is waar, kapitein,” hervatte nu de gevangene die tot hiertoe alleen gesproken had; „maar ofschoon wij wisten dat gij hier langs zoudt komen, waart gij het toch niet dien wij verwachtten.”„Wie was het dan?”„Wilt gij het volstrekt weten?”„Zeker.”„Antwoord gij dan, Fray Antonio,” zei de gevangene meesmuilende, „want gij alleen zijt bekend met den naam dien de kapitein van ons verlangt.”„Ik!” schreeuwde de monnik uit, terwijl hij van toorn opsprong en zoo bleek werd als een lijk.„Ha! ha!” riep de kapitein, zich naar hem omwendende, „dat begint hier interessant te worden.”Het was zeker geene onbelangrijke vertooning die deze vier mannen maakten, staande tegenover elkander rondom het kampvuur, welks flikkerende vlammen op hunne aangezigten een tooverachtig licht verspreidden.De kapitein rookte onbezorgd zijne cigarette en hield den monnik spotachtig in ’t oog, op wiens gelaat de vrees en de onbeschaamdheid een harden kamp streden, welks afwisselende kansen zich gemakkelijk lieten waarnemen; de twee jagers stonden met de handen op den tromp hunner lange jagtroeren gekruist, in hunne vuist te lagchen, en schenen zich inwendig vrolijk te maken met de verlegenheid van den man dien zij zoo onverhoeds en zoo brutaal ten tooneele hadden gevoerd.„Stel u toch niet zoo verwonderd aan, padre Antonio,” zeide eindelijk de gevangene, „gij weet wel dat wij hier niemand anders verwachtten dan u.”„Mij!” hervatte de monnik met eene half gesmoorde stem, „die ellendige kerel is gek, zoo waar als ik leef!”„Ik ben alles behalve gek,Señorpadre, en ik zal u voor dezen keer die benamingen waarmede gij mij gelieft te begunstigen, kwijtschelden, maar pas op voor de tweede maal,” antwoordde de gevangene droogjes.„Kom aan, verklaar u,” riep nu de andere gevangene, die tot hiertoe gezwegen had, barsch. „Ik heb geen lust om aan een eindje touw te bengelen voor uw pleizier.”„Hetgeen toch onvermijdelijk gebeuren zal,” merkte de kapitein bedaard aan, „als gij niet besluit, caballeros, om mij eene duidelijke en volledige verklaring te geven van uw gedrag.”„Ei zoo! gij ziet wel, patertje,” hervatte de gevangene; „onze[119]positie begint slecht te worden; kom, zorg dat de zaak in orde komt.”„O!” brulde de monnik woedend, „ik ben in een gruwzamen strik gevallen.”„Genoeg!” riep de kapitein met eene donderende stem, „deze komedie heeft reeds veel te lang geduurd, pater Antonio. Niet gij zijt in een vreeselijken strik gevallen, maar ik integendeel ben het, dien gij er in zoekt te slepen; ik ken u van oude dagteekening en ik heb van de plannen die gij smeedt de omstandigste bewijzen in handen. Gij speelt sedert lang een gevaarlijk spel; men kan niet te gelijk God en den duivel dienen, zonder dat eindelijk alles aan ’t licht komt; maar ik heb u slechts tegenover deze twee eerlijke lieden willen stellen, om u te verpletteren en u het huichelaarsmasker af te rukken waarmede gij u bedekt.”Bij deze ruwe ontboezeming bleef de monnik een poos sprakeloos, geheel overstelpt door de kracht der verwijtingen die hem werden toegevoegd; eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich naar den kapitein:„Waarvan beschuldigt men mij?” vroeg hij op hooghartigen toon.Don Juan glimlachte met minachting.„Men beschuldigt u,” antwoordde hij, „dat gij de conducta, die onder mijne bescherming staat, in eene hinderlaag hebt willen voeren, die door u gelegd is en waar op dit oogenblik uwe waardige handlangers ons verwachten, om ons te vermoorden en uit te plunderen. Wat antwoordt gij hierop?”„Niets,” zeide hij kortaf.„Gij hebt gelijk, want uwe ontkenningen zouden niet gangbaar zijn; intusschen, nu gij door uw eigen bekentenis schuldig staat, zult gij mij niet meer ontsnappen, zonder dat ik u een eeuwig aandenken van onze ontmoeting mede geef!”„Zie toe wat gij begint,señorkapitein, ik behoor tot de kerk; dit ordekleed maakt mij onschendbaar.”Een spottende lach plooide zich om de lippen van den kapitein.„Als het daarom te doen is,” zeide hij opsarcastischentoon, „dan zal men u ontkleeden.”Het meerendeel der dragonders en muildrijvers, door het gekibbel van den monnik en den officier wakker geworden, waren allengs naderbij gekomen en volgden aandachtig den loop van het gesprek.De kapitein wenkte de soldaten en met vingerwijzing op den monnik zeide hij:[120]„Ontdoet dien man van het kleed dat hij draagt, bindt hem aan een catalpa en geeft hem twee honderd slagen met dechicote(karwats).”„Ellendelingen!” schreeuwde de monnik, buiten zich zelven van woede, „den eerste van u die mij durft aanraken vervloek ik; omdat hij de hand aan een dienaar van het altaar heeft geslagen, zal hij eeuwig verdoemd zijn.”De soldaten bleven verschrikt staan op het hooren dezer vervloeking, die zij hetzij uit onkunde of uit bijgeloovigen eerbied den moed niet hadden te braveren.De monnik kruiste thans de armen op de borst en riep op zegevierenden toon tegen den officier: „Rampzalige dwaas, ik zou u kunnen straffen voor uwe vermetelheid, maar ik schenk u vergiffenis. God zal zich wel met mijne wraak belasten; die zal u kastijden wanneer uw uur geslagen is; vaarwel. Kom, terug daar! en laat mij door,” vervolgde hij tegen de anderen.De dragonders, door schrik bevangen, weken langzaam en aarzelend voor hem terug: de kapitein, die genoodzaakt was zijn onvermogen te erkennen, balde de vuisten en wierp toornige blikken in ’t rond.Fray Antonio was de rijen der soldaten bijna door, toen hij zich op eens bij den arm voelde terughouden: hij keerde zich om, met het voornemen om het vermetel individu dat hem had durven aanraken streng te berispen, maar zijn gezigt kreeg oogenblikkelijk eene andere uitdrukking toen hij, in den man die hem tegenhield en hem met een koddigen blik aankeek, den gevangene herkende aan wien hij zijn laatsten hoon te danken had.„Nog een oogenblik,Señorpadre,” zei de jager; „ik kan zeer goed begrijpen dat deze brave lieden, die katholieken zijn, uwe vervloeking duchten en daarom de hand niet aan u durven uitsteken uit vrees voor het helsche vuur, doch met mij is dit gansch anders, ik ben een ketter, zoo als gij wel weet en waag dus niets met u het monnikskleed uit te trekken; zoo gij het mij dus vergunt zal ik u deze dienst wel bewijzen.”„O!”riep de monnik knarstandend, „ik zal u dooden, John. Ik vermoord u, ellendeling.”„Bah, bah! wie gedreigd wordt, leeft lang. Wie is ooit van dreigen gestorven?” zei John, terwijl hij hem dwong om het monniksgewaad uit te doen dat hij over zijn fijn linnen ondergoed aan had.„Ziedaar!” vervolgde hij een oogenblik later. „Nu, mijne braven,[121]kunt gij gerust het bevel van uw kapitein ten uitvoer brengen; de man is thans voor u niets beter dan een ander.”Het stoutmoedig bedrijf van den jager had op eens den bijgeloovigen schroom die de soldaten gebonden hield verbroken. Zoodra het heilige kleed de schouders van den monnik niet meer bedekte, luisterden zij niet langer naar zijne gebeden of bedreigingen, maar maakten zich van hem meester, bonden hem ondanks zijn geschreeuw aan den catalpa en dienden hem met alle militaire naauwgezetheid de twee honderd karwatsslagen toe, die de kapitein hem had opgelegd, terwijl de twee jagers de strafoefening bijwoonden, in stilte de slagen telden en zich luidkeels vrolijk maakten om de tuchtiging van den ongelukkigen monnik, die van pijn huilde en zich kronkelde als een slang.Toen de straf voor drievierden was toegediend, schreeuwde hij niet meer, zijn zenuwgestel scheen geheel vernietigd te zijn en maakte hem gevoelloos; intusschen was hij niet buiten kennis, maar zijne tanden waren gesloten en het schuim stond hem op den mond; hij staarde regt voor zich uit zonder iets te zien en gaf geen andere blijken van bewustzijn dan nu en dan een diepen zucht, die uit zijne breede borst moeijelijk opkwam.Toen de strafoefening was afgeloopen en men hem losmaakte viel hij op den grond, waar hij roerloos bleef liggen.Men gaf hem zijn monnikskleed terug en liet hem voor hetgeen hij was, zonder zich verder met hem te bemoeijen.De beide jagers verwijderden zich, na vooraf eenige oogenblikken in stilte met den kapitein gesproken te hebben.Het overige van den nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde.Eenige minuten voor zonsopgang, stonden de soldaten en arriero’s op om de paarden te zadelen, de muilezels te laden en alles gereed te maken voor hunne reis, tot het sein van vertrek zou gegeven worden.„Maar,” riep op eens de stem van den kapitein, „waar is toch de monnik,wij kunnen hem toch hier niet laten liggen; zet hem op een muilezel, en aan de eerste rancho de beste zullen wij hem achterlaten.”De soldaten gehoorzaamden en gingen aan het zoeken, maar al hunne nasporingen waren vergeefs. Pater Antonio was nergens te vinden, hij was spoorloos verdwenen.Don Juan fronste de wenkbraauwen bij dit berigt, maar na een oogenblik te hebben nagedacht, schudde hij onbezorgd het hoofd, en zeide:[122]„Zoo veel te beter. Wij zouden onder weg niets dan last van hem hebben gehad.”De conducta de plata (het geld-konvooi) kwam in beweging en hervatte den togt.
XV.DE HALTE.
De zon was reeds bijna aan het ondergaan toen de karavaan in de legerplaats aankwam.Deze plaats, op de kruin van een steilen heuvel gelegen, was uitgekozen met de gewone schranderheid die den arriero van Texas of Mexico eigen is; iedere overrompeling was hier onmogelijk, terwijl de digte bosschen die den kleinen berg aan alle zijden besloegen, bij een onverhoedschen aanval een veilige schuilplaats tegen de kogels aanboden.De muildieren werden afgeladen, maar in strijd met het in zulke gevallen gewone gebruik, werden de balen, in plaats van tot verschansing of borstwering voor het kamp te dienen, op eene zekere plaats op elkander gestapeld, buiten het bereik der roovers, zoo deze misschien, wanneer de duisternis gevallen was, lust zouden hebben om er een kans op te wagen. Zes of acht groote vuren werden in een kring ontstoken, om de wilde dieren terug te houden; de muildieren kregen hun rantsoen maïs opmantasof linnen dekkleeden, die men op den grond uitspreidde; daarna, zoodra de schildwachten rondom het kamp waren uitgezet, begonnen de soldaten en muildrijvers hun mager soupé te bereiden, dat zij na de vermoeijenissen van den dag wel noodig hadden.Kapitein don Juan en de monnik zaten een weinig achterwaarts, bij een vuur dat voor hen afzonderlijk was aangelegd, en begonnen hunne maïs cigaretten te rooken, terwijl deassistente(oppasser) van den officier met allen spoed het maal voor zijn chef gereed maakte;—een maal, even eenvoudig als dat van de andere leden der karavaan, doch dat door een geweldigen eetlust gekruid, hem niet alleen wel smaakte, maar zelfs zeer voedzaam en sappig werd, al bestond het slechts uit eenigevaras(ellen)tocino, of in de zon gedroogde en aan repen gesneden vleesch, en vier of vijf platte beschuiten.De kapitein had er spoedig mede gedaan; hij stond op, en daar het intusschen geheel nacht was geworden, ging hij de posten bezoeken om te zien of alles in orde was. Toen hij zijne plaats bij het vuur weder innam, lag pater Antonio, zorgvuldig in zijn dikken zarape gewikkeld en met de voeten bij het vuur, in diepen slaap, althans zoo scheen het.Don Juan bespiedde hem een poos met een onbeschrijfelijken[115]blik van haat en verachting, schudde twee of drie keeren bedenkelijk het hoofd, maar beval toch zijn oppasser, die eenige schreden verder op orders stond te wachten, dat hij de twee gevangenen bij hem zoude brengen.Deze gevangenen waren tot op dit oogenblik achteraf gehouden, en ofschoon zij met alle onderscheiding werden behandeld, konden zij toch wel bemerken dat men hen zorgvuldig bewaakte en in ’t oog hield. Intusschen schenen zij zelven niet te vreezen dat zij lang gevangen zouden blijven, daar men hen, hetzij uit onverschilligheid hetzij om eenige andere oorzaak hunne wapens had laten behouden; bovendien, ofschoon beiden reeds den middelbaren leeftijd bereikt hadden, was het aan hunne forsch gespierde gestalten en krachtvolle gelaatstrekken wel te zien, dat zij, des noods, wanneer hunne vrijheid gevaar liep, wel in staat zouden zijn haar gewapenderhand te herwinnen, of ten minste er een kans voor te wagen. Zij volgden den oppasser zonder aanmerking of tegenstand, en weldra bevonden zij zich voor den kapitein.De nacht was stikdonker, maar het vlammende houtvuur verspreidde licht genoeg om hunne aangezigten duidelijk te kunnen onderscheiden.Zoodra don Juan hen bemerkte, gaf hij een teeken van verwondering, en nu hield een der gevangenen driftig den vinger aan den mond om hem voorzigtigheid aan te bevelen, terwijl hij met een zijdelingschen blik op den slapenden monnik wees.De kapitein begreep deze stilzwijgende waarschuwing en beantwoordde haar dadelijkmet een ligten hoofdknik, overigens de meeste kalmte en onverschilligheid toonende.„Wie zijt gij?” vroeg hij terwijl hij achteloos een cigarette tusschen zijne vingers rolde.„Jagers,” antwoordde een der gevangenen zonder aarzelen.„Men ontmoette u eenige uren geleden aan den oever der rivier.”„Ja.”„Wat deedt gij daar?”De gevangene wierp een oplettenden blik om zich heen, en vestigde toen de oogen weder op den kapitein.„Eer ik uwe vraag nader beantwoord,” zeide hij, „verlang ik er op mijne beurt een tot u te rigten.”„Welke? Spreek op.”„Welk regt hebt gij om mij te ondervragen?”„Zie maar eens rond,” antwoordde de kapitein luchthartig.„O, ik begrijp u wel, het regt van den sterkste meent gij,[116]niet waar? Ongelukkig erken ik dit regt niet, ten mijnen opzigte. Ik ben een vrij jager, ik erken geen anderen wil dan den mijnen, en geen anderen meester dan mij zelven.”„O ho! uwe taal klinkt wel fier, kameraad.”„Het is die van een man die niet gewoon is voor eens anders willekeur te bukken; gij hebt door mij gevangen te nemen geenszins misbruik van uwe kracht gemaakt, want uwe soldaten zouden mij hebben moeten dooden zoo zij mij tegen wil en dank tot u hadden willen brengen, maar van de gemakkelijkheid waarmede ik mij aan hen heb toevertrouwd; ik lever derhalve hiertegen protest in en vorder van u mijne onmiddellijke invrijheidstelling.”„Uwe hooghartige woorden kunnen mij niet van het spoor brengen en zoo het mij behaagde u tot spreken te dwingen, zou ik er u wel toe weten te noodzaken, door zekere onwederstaanbare middelen die ik in mijn bezit heb.”„Ja,” zei de gevangene bitter, „de Mexicanen zijn de Spanjaarden van vroeger dagen nog niet vergeten, die zich daartoe meermalen van de pijnbank bedienden; wel nu, neem er ook eens de proef van, kapitein, wie belet het u? Ik hoop dat mijne ijzergraauwe haren niet zullen wegkrimpen voor uw blonden knevelbaard.”„Zwijg daarvan,” riep de kapitein op een toon van gebelgdheid; „maar zeg mij, als ik u vrij liet vertrekken, zou ik dan een vriend of een vijand loslaten?”„Geen van beiden.”„Zoo! wat wilt gij daarmede zeggen?”„Mijn antwoord is immers duidelijk genoeg?”„Ik begrijp het toch niet.”„Met een paar woorden zal ik het u ophelderen.”„Spreek.”„Beiden in lijnregt uit elkander loopende rigtingen geplaatst, heeft het toeval ons heden gelieven zamen te brengen; zoo wij elkander thans verlaten, zal geen van ons beiden een gevoel van haat mede voeren, daar gij noch ik ons over iets te beklagen hebben, en wij elkander waarschijnlijk nooit zullen wederzien.”„Hum! het is echter duidelijk genoeg, dat, toen mijne soldaten u ontmoetten, gij op dezen weg iemand verwachttet.”„Wat geeft u reden om dit te denken?”„Duivels! gij zijt immers jagers, hebt gij mij gezegd, en ik zie geen wild dat gij hier op weg zoudt kunnen schieten.”De gevangene begon te lagchen.[117]„Wie weet!” hernam hij met zekeren klem op zijne woorden, „misschien kostbaarder wild dan gij veronderstelt en daar gij gaarne uw deel van zoudt willen hebben.”Hier maakte de monnik eene ligte beweging, en opende de oogen alsof hij ontwaakte.„Hoe is dat!” riep hij tegen den kapitein terwijl hij in schijn zijn best deed om niet te geeuwen, „slaapt gij niet,Señordon Juan?”„Nog niet,” antwoordde deze, „ik ondervraag de twee mannen die mijne voorwacht een paar uren geleden in hechtenis heeft genomen.”„Ah!” riep de monnik met een verachtelijken blik op de onbekenden, „die arme drommels schijnen volstrekt niet te vreezen te zijn.”„Zoudt gij dat denken?”„Ik weet het niet, maar waarom zijt gij beducht voor deze twee mannen?”„Wel! het zijn misschien spionnen.”Fray Antonio nam eene vaderlijke houding aan.„Spionnen!” herhaalde hij, „vreest gij dan eene hinderlaag?”„In zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden zou die veronderstelling alles behalve onwaarschijnlijk zijn, denk ik.”„Loop heen! in een land als hier en met een eskorte als het uwe, zou het wel vreemd zijn; overigens hebben deze lieden zoo als ik verneem, zich zonder verzet laten vangen, toen het hun zeer gemakkelijk zou gevallen zijn om weg te komen.”„Dat spreek ik niet tegen.”„Zij hadden dus geene kwade bedoelingen, dat blijkt duidelijk genoeg; als ik in uwe plaats was liet ik hen stilletjes gaan waar zij goedvonden.”„Is dat uw advies?”„Zonder twijfel.”„Gij schijnt in die twee onbekenden wel veel belang te stellen.”„Ik! niets ter wereld, ik zeg u maar wat billijk is, dat is alles; intusschen moogt gij doen wat u goeddunkt, ik wasch er mijne handen van af.”„Gij kunt wel gelijk hebben, maar toch zal ik deze lieden de vrijheid niet terug geven, voordat zij mij gezegd hebben wien zij hier verwachten.”„Wachten zij dan iemand?”„Dat zeggen zij ten minste.”[118]„’t Is waar, kapitein,” hervatte nu de gevangene die tot hiertoe alleen gesproken had; „maar ofschoon wij wisten dat gij hier langs zoudt komen, waart gij het toch niet dien wij verwachtten.”„Wie was het dan?”„Wilt gij het volstrekt weten?”„Zeker.”„Antwoord gij dan, Fray Antonio,” zei de gevangene meesmuilende, „want gij alleen zijt bekend met den naam dien de kapitein van ons verlangt.”„Ik!” schreeuwde de monnik uit, terwijl hij van toorn opsprong en zoo bleek werd als een lijk.„Ha! ha!” riep de kapitein, zich naar hem omwendende, „dat begint hier interessant te worden.”Het was zeker geene onbelangrijke vertooning die deze vier mannen maakten, staande tegenover elkander rondom het kampvuur, welks flikkerende vlammen op hunne aangezigten een tooverachtig licht verspreidden.De kapitein rookte onbezorgd zijne cigarette en hield den monnik spotachtig in ’t oog, op wiens gelaat de vrees en de onbeschaamdheid een harden kamp streden, welks afwisselende kansen zich gemakkelijk lieten waarnemen; de twee jagers stonden met de handen op den tromp hunner lange jagtroeren gekruist, in hunne vuist te lagchen, en schenen zich inwendig vrolijk te maken met de verlegenheid van den man dien zij zoo onverhoeds en zoo brutaal ten tooneele hadden gevoerd.„Stel u toch niet zoo verwonderd aan, padre Antonio,” zeide eindelijk de gevangene, „gij weet wel dat wij hier niemand anders verwachtten dan u.”„Mij!” hervatte de monnik met eene half gesmoorde stem, „die ellendige kerel is gek, zoo waar als ik leef!”„Ik ben alles behalve gek,Señorpadre, en ik zal u voor dezen keer die benamingen waarmede gij mij gelieft te begunstigen, kwijtschelden, maar pas op voor de tweede maal,” antwoordde de gevangene droogjes.„Kom aan, verklaar u,” riep nu de andere gevangene, die tot hiertoe gezwegen had, barsch. „Ik heb geen lust om aan een eindje touw te bengelen voor uw pleizier.”„Hetgeen toch onvermijdelijk gebeuren zal,” merkte de kapitein bedaard aan, „als gij niet besluit, caballeros, om mij eene duidelijke en volledige verklaring te geven van uw gedrag.”„Ei zoo! gij ziet wel, patertje,” hervatte de gevangene; „onze[119]positie begint slecht te worden; kom, zorg dat de zaak in orde komt.”„O!” brulde de monnik woedend, „ik ben in een gruwzamen strik gevallen.”„Genoeg!” riep de kapitein met eene donderende stem, „deze komedie heeft reeds veel te lang geduurd, pater Antonio. Niet gij zijt in een vreeselijken strik gevallen, maar ik integendeel ben het, dien gij er in zoekt te slepen; ik ken u van oude dagteekening en ik heb van de plannen die gij smeedt de omstandigste bewijzen in handen. Gij speelt sedert lang een gevaarlijk spel; men kan niet te gelijk God en den duivel dienen, zonder dat eindelijk alles aan ’t licht komt; maar ik heb u slechts tegenover deze twee eerlijke lieden willen stellen, om u te verpletteren en u het huichelaarsmasker af te rukken waarmede gij u bedekt.”Bij deze ruwe ontboezeming bleef de monnik een poos sprakeloos, geheel overstelpt door de kracht der verwijtingen die hem werden toegevoegd; eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich naar den kapitein:„Waarvan beschuldigt men mij?” vroeg hij op hooghartigen toon.Don Juan glimlachte met minachting.„Men beschuldigt u,” antwoordde hij, „dat gij de conducta, die onder mijne bescherming staat, in eene hinderlaag hebt willen voeren, die door u gelegd is en waar op dit oogenblik uwe waardige handlangers ons verwachten, om ons te vermoorden en uit te plunderen. Wat antwoordt gij hierop?”„Niets,” zeide hij kortaf.„Gij hebt gelijk, want uwe ontkenningen zouden niet gangbaar zijn; intusschen, nu gij door uw eigen bekentenis schuldig staat, zult gij mij niet meer ontsnappen, zonder dat ik u een eeuwig aandenken van onze ontmoeting mede geef!”„Zie toe wat gij begint,señorkapitein, ik behoor tot de kerk; dit ordekleed maakt mij onschendbaar.”Een spottende lach plooide zich om de lippen van den kapitein.„Als het daarom te doen is,” zeide hij opsarcastischentoon, „dan zal men u ontkleeden.”Het meerendeel der dragonders en muildrijvers, door het gekibbel van den monnik en den officier wakker geworden, waren allengs naderbij gekomen en volgden aandachtig den loop van het gesprek.De kapitein wenkte de soldaten en met vingerwijzing op den monnik zeide hij:[120]„Ontdoet dien man van het kleed dat hij draagt, bindt hem aan een catalpa en geeft hem twee honderd slagen met dechicote(karwats).”„Ellendelingen!” schreeuwde de monnik, buiten zich zelven van woede, „den eerste van u die mij durft aanraken vervloek ik; omdat hij de hand aan een dienaar van het altaar heeft geslagen, zal hij eeuwig verdoemd zijn.”De soldaten bleven verschrikt staan op het hooren dezer vervloeking, die zij hetzij uit onkunde of uit bijgeloovigen eerbied den moed niet hadden te braveren.De monnik kruiste thans de armen op de borst en riep op zegevierenden toon tegen den officier: „Rampzalige dwaas, ik zou u kunnen straffen voor uwe vermetelheid, maar ik schenk u vergiffenis. God zal zich wel met mijne wraak belasten; die zal u kastijden wanneer uw uur geslagen is; vaarwel. Kom, terug daar! en laat mij door,” vervolgde hij tegen de anderen.De dragonders, door schrik bevangen, weken langzaam en aarzelend voor hem terug: de kapitein, die genoodzaakt was zijn onvermogen te erkennen, balde de vuisten en wierp toornige blikken in ’t rond.Fray Antonio was de rijen der soldaten bijna door, toen hij zich op eens bij den arm voelde terughouden: hij keerde zich om, met het voornemen om het vermetel individu dat hem had durven aanraken streng te berispen, maar zijn gezigt kreeg oogenblikkelijk eene andere uitdrukking toen hij, in den man die hem tegenhield en hem met een koddigen blik aankeek, den gevangene herkende aan wien hij zijn laatsten hoon te danken had.„Nog een oogenblik,Señorpadre,” zei de jager; „ik kan zeer goed begrijpen dat deze brave lieden, die katholieken zijn, uwe vervloeking duchten en daarom de hand niet aan u durven uitsteken uit vrees voor het helsche vuur, doch met mij is dit gansch anders, ik ben een ketter, zoo als gij wel weet en waag dus niets met u het monnikskleed uit te trekken; zoo gij het mij dus vergunt zal ik u deze dienst wel bewijzen.”„O!”riep de monnik knarstandend, „ik zal u dooden, John. Ik vermoord u, ellendeling.”„Bah, bah! wie gedreigd wordt, leeft lang. Wie is ooit van dreigen gestorven?” zei John, terwijl hij hem dwong om het monniksgewaad uit te doen dat hij over zijn fijn linnen ondergoed aan had.„Ziedaar!” vervolgde hij een oogenblik later. „Nu, mijne braven,[121]kunt gij gerust het bevel van uw kapitein ten uitvoer brengen; de man is thans voor u niets beter dan een ander.”Het stoutmoedig bedrijf van den jager had op eens den bijgeloovigen schroom die de soldaten gebonden hield verbroken. Zoodra het heilige kleed de schouders van den monnik niet meer bedekte, luisterden zij niet langer naar zijne gebeden of bedreigingen, maar maakten zich van hem meester, bonden hem ondanks zijn geschreeuw aan den catalpa en dienden hem met alle militaire naauwgezetheid de twee honderd karwatsslagen toe, die de kapitein hem had opgelegd, terwijl de twee jagers de strafoefening bijwoonden, in stilte de slagen telden en zich luidkeels vrolijk maakten om de tuchtiging van den ongelukkigen monnik, die van pijn huilde en zich kronkelde als een slang.Toen de straf voor drievierden was toegediend, schreeuwde hij niet meer, zijn zenuwgestel scheen geheel vernietigd te zijn en maakte hem gevoelloos; intusschen was hij niet buiten kennis, maar zijne tanden waren gesloten en het schuim stond hem op den mond; hij staarde regt voor zich uit zonder iets te zien en gaf geen andere blijken van bewustzijn dan nu en dan een diepen zucht, die uit zijne breede borst moeijelijk opkwam.Toen de strafoefening was afgeloopen en men hem losmaakte viel hij op den grond, waar hij roerloos bleef liggen.Men gaf hem zijn monnikskleed terug en liet hem voor hetgeen hij was, zonder zich verder met hem te bemoeijen.De beide jagers verwijderden zich, na vooraf eenige oogenblikken in stilte met den kapitein gesproken te hebben.Het overige van den nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde.Eenige minuten voor zonsopgang, stonden de soldaten en arriero’s op om de paarden te zadelen, de muilezels te laden en alles gereed te maken voor hunne reis, tot het sein van vertrek zou gegeven worden.„Maar,” riep op eens de stem van den kapitein, „waar is toch de monnik,wij kunnen hem toch hier niet laten liggen; zet hem op een muilezel, en aan de eerste rancho de beste zullen wij hem achterlaten.”De soldaten gehoorzaamden en gingen aan het zoeken, maar al hunne nasporingen waren vergeefs. Pater Antonio was nergens te vinden, hij was spoorloos verdwenen.Don Juan fronste de wenkbraauwen bij dit berigt, maar na een oogenblik te hebben nagedacht, schudde hij onbezorgd het hoofd, en zeide:[122]„Zoo veel te beter. Wij zouden onder weg niets dan last van hem hebben gehad.”De conducta de plata (het geld-konvooi) kwam in beweging en hervatte den togt.
De zon was reeds bijna aan het ondergaan toen de karavaan in de legerplaats aankwam.
Deze plaats, op de kruin van een steilen heuvel gelegen, was uitgekozen met de gewone schranderheid die den arriero van Texas of Mexico eigen is; iedere overrompeling was hier onmogelijk, terwijl de digte bosschen die den kleinen berg aan alle zijden besloegen, bij een onverhoedschen aanval een veilige schuilplaats tegen de kogels aanboden.
De muildieren werden afgeladen, maar in strijd met het in zulke gevallen gewone gebruik, werden de balen, in plaats van tot verschansing of borstwering voor het kamp te dienen, op eene zekere plaats op elkander gestapeld, buiten het bereik der roovers, zoo deze misschien, wanneer de duisternis gevallen was, lust zouden hebben om er een kans op te wagen. Zes of acht groote vuren werden in een kring ontstoken, om de wilde dieren terug te houden; de muildieren kregen hun rantsoen maïs opmantasof linnen dekkleeden, die men op den grond uitspreidde; daarna, zoodra de schildwachten rondom het kamp waren uitgezet, begonnen de soldaten en muildrijvers hun mager soupé te bereiden, dat zij na de vermoeijenissen van den dag wel noodig hadden.
Kapitein don Juan en de monnik zaten een weinig achterwaarts, bij een vuur dat voor hen afzonderlijk was aangelegd, en begonnen hunne maïs cigaretten te rooken, terwijl deassistente(oppasser) van den officier met allen spoed het maal voor zijn chef gereed maakte;—een maal, even eenvoudig als dat van de andere leden der karavaan, doch dat door een geweldigen eetlust gekruid, hem niet alleen wel smaakte, maar zelfs zeer voedzaam en sappig werd, al bestond het slechts uit eenigevaras(ellen)tocino, of in de zon gedroogde en aan repen gesneden vleesch, en vier of vijf platte beschuiten.
De kapitein had er spoedig mede gedaan; hij stond op, en daar het intusschen geheel nacht was geworden, ging hij de posten bezoeken om te zien of alles in orde was. Toen hij zijne plaats bij het vuur weder innam, lag pater Antonio, zorgvuldig in zijn dikken zarape gewikkeld en met de voeten bij het vuur, in diepen slaap, althans zoo scheen het.
Don Juan bespiedde hem een poos met een onbeschrijfelijken[115]blik van haat en verachting, schudde twee of drie keeren bedenkelijk het hoofd, maar beval toch zijn oppasser, die eenige schreden verder op orders stond te wachten, dat hij de twee gevangenen bij hem zoude brengen.
Deze gevangenen waren tot op dit oogenblik achteraf gehouden, en ofschoon zij met alle onderscheiding werden behandeld, konden zij toch wel bemerken dat men hen zorgvuldig bewaakte en in ’t oog hield. Intusschen schenen zij zelven niet te vreezen dat zij lang gevangen zouden blijven, daar men hen, hetzij uit onverschilligheid hetzij om eenige andere oorzaak hunne wapens had laten behouden; bovendien, ofschoon beiden reeds den middelbaren leeftijd bereikt hadden, was het aan hunne forsch gespierde gestalten en krachtvolle gelaatstrekken wel te zien, dat zij, des noods, wanneer hunne vrijheid gevaar liep, wel in staat zouden zijn haar gewapenderhand te herwinnen, of ten minste er een kans voor te wagen. Zij volgden den oppasser zonder aanmerking of tegenstand, en weldra bevonden zij zich voor den kapitein.
De nacht was stikdonker, maar het vlammende houtvuur verspreidde licht genoeg om hunne aangezigten duidelijk te kunnen onderscheiden.
Zoodra don Juan hen bemerkte, gaf hij een teeken van verwondering, en nu hield een der gevangenen driftig den vinger aan den mond om hem voorzigtigheid aan te bevelen, terwijl hij met een zijdelingschen blik op den slapenden monnik wees.
De kapitein begreep deze stilzwijgende waarschuwing en beantwoordde haar dadelijkmet een ligten hoofdknik, overigens de meeste kalmte en onverschilligheid toonende.
„Wie zijt gij?” vroeg hij terwijl hij achteloos een cigarette tusschen zijne vingers rolde.
„Jagers,” antwoordde een der gevangenen zonder aarzelen.
„Men ontmoette u eenige uren geleden aan den oever der rivier.”
„Ja.”
„Wat deedt gij daar?”
De gevangene wierp een oplettenden blik om zich heen, en vestigde toen de oogen weder op den kapitein.
„Eer ik uwe vraag nader beantwoord,” zeide hij, „verlang ik er op mijne beurt een tot u te rigten.”
„Welke? Spreek op.”
„Welk regt hebt gij om mij te ondervragen?”
„Zie maar eens rond,” antwoordde de kapitein luchthartig.
„O, ik begrijp u wel, het regt van den sterkste meent gij,[116]niet waar? Ongelukkig erken ik dit regt niet, ten mijnen opzigte. Ik ben een vrij jager, ik erken geen anderen wil dan den mijnen, en geen anderen meester dan mij zelven.”
„O ho! uwe taal klinkt wel fier, kameraad.”
„Het is die van een man die niet gewoon is voor eens anders willekeur te bukken; gij hebt door mij gevangen te nemen geenszins misbruik van uwe kracht gemaakt, want uwe soldaten zouden mij hebben moeten dooden zoo zij mij tegen wil en dank tot u hadden willen brengen, maar van de gemakkelijkheid waarmede ik mij aan hen heb toevertrouwd; ik lever derhalve hiertegen protest in en vorder van u mijne onmiddellijke invrijheidstelling.”
„Uwe hooghartige woorden kunnen mij niet van het spoor brengen en zoo het mij behaagde u tot spreken te dwingen, zou ik er u wel toe weten te noodzaken, door zekere onwederstaanbare middelen die ik in mijn bezit heb.”
„Ja,” zei de gevangene bitter, „de Mexicanen zijn de Spanjaarden van vroeger dagen nog niet vergeten, die zich daartoe meermalen van de pijnbank bedienden; wel nu, neem er ook eens de proef van, kapitein, wie belet het u? Ik hoop dat mijne ijzergraauwe haren niet zullen wegkrimpen voor uw blonden knevelbaard.”
„Zwijg daarvan,” riep de kapitein op een toon van gebelgdheid; „maar zeg mij, als ik u vrij liet vertrekken, zou ik dan een vriend of een vijand loslaten?”
„Geen van beiden.”
„Zoo! wat wilt gij daarmede zeggen?”
„Mijn antwoord is immers duidelijk genoeg?”
„Ik begrijp het toch niet.”
„Met een paar woorden zal ik het u ophelderen.”
„Spreek.”
„Beiden in lijnregt uit elkander loopende rigtingen geplaatst, heeft het toeval ons heden gelieven zamen te brengen; zoo wij elkander thans verlaten, zal geen van ons beiden een gevoel van haat mede voeren, daar gij noch ik ons over iets te beklagen hebben, en wij elkander waarschijnlijk nooit zullen wederzien.”
„Hum! het is echter duidelijk genoeg, dat, toen mijne soldaten u ontmoetten, gij op dezen weg iemand verwachttet.”
„Wat geeft u reden om dit te denken?”
„Duivels! gij zijt immers jagers, hebt gij mij gezegd, en ik zie geen wild dat gij hier op weg zoudt kunnen schieten.”
De gevangene begon te lagchen.[117]
„Wie weet!” hernam hij met zekeren klem op zijne woorden, „misschien kostbaarder wild dan gij veronderstelt en daar gij gaarne uw deel van zoudt willen hebben.”
Hier maakte de monnik eene ligte beweging, en opende de oogen alsof hij ontwaakte.
„Hoe is dat!” riep hij tegen den kapitein terwijl hij in schijn zijn best deed om niet te geeuwen, „slaapt gij niet,Señordon Juan?”
„Nog niet,” antwoordde deze, „ik ondervraag de twee mannen die mijne voorwacht een paar uren geleden in hechtenis heeft genomen.”
„Ah!” riep de monnik met een verachtelijken blik op de onbekenden, „die arme drommels schijnen volstrekt niet te vreezen te zijn.”
„Zoudt gij dat denken?”
„Ik weet het niet, maar waarom zijt gij beducht voor deze twee mannen?”
„Wel! het zijn misschien spionnen.”
Fray Antonio nam eene vaderlijke houding aan.
„Spionnen!” herhaalde hij, „vreest gij dan eene hinderlaag?”
„In zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden zou die veronderstelling alles behalve onwaarschijnlijk zijn, denk ik.”
„Loop heen! in een land als hier en met een eskorte als het uwe, zou het wel vreemd zijn; overigens hebben deze lieden zoo als ik verneem, zich zonder verzet laten vangen, toen het hun zeer gemakkelijk zou gevallen zijn om weg te komen.”
„Dat spreek ik niet tegen.”
„Zij hadden dus geene kwade bedoelingen, dat blijkt duidelijk genoeg; als ik in uwe plaats was liet ik hen stilletjes gaan waar zij goedvonden.”
„Is dat uw advies?”
„Zonder twijfel.”
„Gij schijnt in die twee onbekenden wel veel belang te stellen.”
„Ik! niets ter wereld, ik zeg u maar wat billijk is, dat is alles; intusschen moogt gij doen wat u goeddunkt, ik wasch er mijne handen van af.”
„Gij kunt wel gelijk hebben, maar toch zal ik deze lieden de vrijheid niet terug geven, voordat zij mij gezegd hebben wien zij hier verwachten.”
„Wachten zij dan iemand?”
„Dat zeggen zij ten minste.”[118]
„’t Is waar, kapitein,” hervatte nu de gevangene die tot hiertoe alleen gesproken had; „maar ofschoon wij wisten dat gij hier langs zoudt komen, waart gij het toch niet dien wij verwachtten.”
„Wie was het dan?”
„Wilt gij het volstrekt weten?”
„Zeker.”
„Antwoord gij dan, Fray Antonio,” zei de gevangene meesmuilende, „want gij alleen zijt bekend met den naam dien de kapitein van ons verlangt.”
„Ik!” schreeuwde de monnik uit, terwijl hij van toorn opsprong en zoo bleek werd als een lijk.
„Ha! ha!” riep de kapitein, zich naar hem omwendende, „dat begint hier interessant te worden.”
Het was zeker geene onbelangrijke vertooning die deze vier mannen maakten, staande tegenover elkander rondom het kampvuur, welks flikkerende vlammen op hunne aangezigten een tooverachtig licht verspreidden.
De kapitein rookte onbezorgd zijne cigarette en hield den monnik spotachtig in ’t oog, op wiens gelaat de vrees en de onbeschaamdheid een harden kamp streden, welks afwisselende kansen zich gemakkelijk lieten waarnemen; de twee jagers stonden met de handen op den tromp hunner lange jagtroeren gekruist, in hunne vuist te lagchen, en schenen zich inwendig vrolijk te maken met de verlegenheid van den man dien zij zoo onverhoeds en zoo brutaal ten tooneele hadden gevoerd.
„Stel u toch niet zoo verwonderd aan, padre Antonio,” zeide eindelijk de gevangene, „gij weet wel dat wij hier niemand anders verwachtten dan u.”
„Mij!” hervatte de monnik met eene half gesmoorde stem, „die ellendige kerel is gek, zoo waar als ik leef!”
„Ik ben alles behalve gek,Señorpadre, en ik zal u voor dezen keer die benamingen waarmede gij mij gelieft te begunstigen, kwijtschelden, maar pas op voor de tweede maal,” antwoordde de gevangene droogjes.
„Kom aan, verklaar u,” riep nu de andere gevangene, die tot hiertoe gezwegen had, barsch. „Ik heb geen lust om aan een eindje touw te bengelen voor uw pleizier.”
„Hetgeen toch onvermijdelijk gebeuren zal,” merkte de kapitein bedaard aan, „als gij niet besluit, caballeros, om mij eene duidelijke en volledige verklaring te geven van uw gedrag.”
„Ei zoo! gij ziet wel, patertje,” hervatte de gevangene; „onze[119]positie begint slecht te worden; kom, zorg dat de zaak in orde komt.”
„O!” brulde de monnik woedend, „ik ben in een gruwzamen strik gevallen.”
„Genoeg!” riep de kapitein met eene donderende stem, „deze komedie heeft reeds veel te lang geduurd, pater Antonio. Niet gij zijt in een vreeselijken strik gevallen, maar ik integendeel ben het, dien gij er in zoekt te slepen; ik ken u van oude dagteekening en ik heb van de plannen die gij smeedt de omstandigste bewijzen in handen. Gij speelt sedert lang een gevaarlijk spel; men kan niet te gelijk God en den duivel dienen, zonder dat eindelijk alles aan ’t licht komt; maar ik heb u slechts tegenover deze twee eerlijke lieden willen stellen, om u te verpletteren en u het huichelaarsmasker af te rukken waarmede gij u bedekt.”
Bij deze ruwe ontboezeming bleef de monnik een poos sprakeloos, geheel overstelpt door de kracht der verwijtingen die hem werden toegevoegd; eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich naar den kapitein:
„Waarvan beschuldigt men mij?” vroeg hij op hooghartigen toon.
Don Juan glimlachte met minachting.
„Men beschuldigt u,” antwoordde hij, „dat gij de conducta, die onder mijne bescherming staat, in eene hinderlaag hebt willen voeren, die door u gelegd is en waar op dit oogenblik uwe waardige handlangers ons verwachten, om ons te vermoorden en uit te plunderen. Wat antwoordt gij hierop?”
„Niets,” zeide hij kortaf.
„Gij hebt gelijk, want uwe ontkenningen zouden niet gangbaar zijn; intusschen, nu gij door uw eigen bekentenis schuldig staat, zult gij mij niet meer ontsnappen, zonder dat ik u een eeuwig aandenken van onze ontmoeting mede geef!”
„Zie toe wat gij begint,señorkapitein, ik behoor tot de kerk; dit ordekleed maakt mij onschendbaar.”
Een spottende lach plooide zich om de lippen van den kapitein.
„Als het daarom te doen is,” zeide hij opsarcastischentoon, „dan zal men u ontkleeden.”
Het meerendeel der dragonders en muildrijvers, door het gekibbel van den monnik en den officier wakker geworden, waren allengs naderbij gekomen en volgden aandachtig den loop van het gesprek.
De kapitein wenkte de soldaten en met vingerwijzing op den monnik zeide hij:[120]
„Ontdoet dien man van het kleed dat hij draagt, bindt hem aan een catalpa en geeft hem twee honderd slagen met dechicote(karwats).”
„Ellendelingen!” schreeuwde de monnik, buiten zich zelven van woede, „den eerste van u die mij durft aanraken vervloek ik; omdat hij de hand aan een dienaar van het altaar heeft geslagen, zal hij eeuwig verdoemd zijn.”
De soldaten bleven verschrikt staan op het hooren dezer vervloeking, die zij hetzij uit onkunde of uit bijgeloovigen eerbied den moed niet hadden te braveren.
De monnik kruiste thans de armen op de borst en riep op zegevierenden toon tegen den officier: „Rampzalige dwaas, ik zou u kunnen straffen voor uwe vermetelheid, maar ik schenk u vergiffenis. God zal zich wel met mijne wraak belasten; die zal u kastijden wanneer uw uur geslagen is; vaarwel. Kom, terug daar! en laat mij door,” vervolgde hij tegen de anderen.
De dragonders, door schrik bevangen, weken langzaam en aarzelend voor hem terug: de kapitein, die genoodzaakt was zijn onvermogen te erkennen, balde de vuisten en wierp toornige blikken in ’t rond.
Fray Antonio was de rijen der soldaten bijna door, toen hij zich op eens bij den arm voelde terughouden: hij keerde zich om, met het voornemen om het vermetel individu dat hem had durven aanraken streng te berispen, maar zijn gezigt kreeg oogenblikkelijk eene andere uitdrukking toen hij, in den man die hem tegenhield en hem met een koddigen blik aankeek, den gevangene herkende aan wien hij zijn laatsten hoon te danken had.
„Nog een oogenblik,Señorpadre,” zei de jager; „ik kan zeer goed begrijpen dat deze brave lieden, die katholieken zijn, uwe vervloeking duchten en daarom de hand niet aan u durven uitsteken uit vrees voor het helsche vuur, doch met mij is dit gansch anders, ik ben een ketter, zoo als gij wel weet en waag dus niets met u het monnikskleed uit te trekken; zoo gij het mij dus vergunt zal ik u deze dienst wel bewijzen.”
„O!”riep de monnik knarstandend, „ik zal u dooden, John. Ik vermoord u, ellendeling.”
„Bah, bah! wie gedreigd wordt, leeft lang. Wie is ooit van dreigen gestorven?” zei John, terwijl hij hem dwong om het monniksgewaad uit te doen dat hij over zijn fijn linnen ondergoed aan had.
„Ziedaar!” vervolgde hij een oogenblik later. „Nu, mijne braven,[121]kunt gij gerust het bevel van uw kapitein ten uitvoer brengen; de man is thans voor u niets beter dan een ander.”
Het stoutmoedig bedrijf van den jager had op eens den bijgeloovigen schroom die de soldaten gebonden hield verbroken. Zoodra het heilige kleed de schouders van den monnik niet meer bedekte, luisterden zij niet langer naar zijne gebeden of bedreigingen, maar maakten zich van hem meester, bonden hem ondanks zijn geschreeuw aan den catalpa en dienden hem met alle militaire naauwgezetheid de twee honderd karwatsslagen toe, die de kapitein hem had opgelegd, terwijl de twee jagers de strafoefening bijwoonden, in stilte de slagen telden en zich luidkeels vrolijk maakten om de tuchtiging van den ongelukkigen monnik, die van pijn huilde en zich kronkelde als een slang.
Toen de straf voor drievierden was toegediend, schreeuwde hij niet meer, zijn zenuwgestel scheen geheel vernietigd te zijn en maakte hem gevoelloos; intusschen was hij niet buiten kennis, maar zijne tanden waren gesloten en het schuim stond hem op den mond; hij staarde regt voor zich uit zonder iets te zien en gaf geen andere blijken van bewustzijn dan nu en dan een diepen zucht, die uit zijne breede borst moeijelijk opkwam.
Toen de strafoefening was afgeloopen en men hem losmaakte viel hij op den grond, waar hij roerloos bleef liggen.
Men gaf hem zijn monnikskleed terug en liet hem voor hetgeen hij was, zonder zich verder met hem te bemoeijen.
De beide jagers verwijderden zich, na vooraf eenige oogenblikken in stilte met den kapitein gesproken te hebben.
Het overige van den nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde.
Eenige minuten voor zonsopgang, stonden de soldaten en arriero’s op om de paarden te zadelen, de muilezels te laden en alles gereed te maken voor hunne reis, tot het sein van vertrek zou gegeven worden.
„Maar,” riep op eens de stem van den kapitein, „waar is toch de monnik,wij kunnen hem toch hier niet laten liggen; zet hem op een muilezel, en aan de eerste rancho de beste zullen wij hem achterlaten.”
De soldaten gehoorzaamden en gingen aan het zoeken, maar al hunne nasporingen waren vergeefs. Pater Antonio was nergens te vinden, hij was spoorloos verdwenen.
Don Juan fronste de wenkbraauwen bij dit berigt, maar na een oogenblik te hebben nagedacht, schudde hij onbezorgd het hoofd, en zeide:[122]
„Zoo veel te beter. Wij zouden onder weg niets dan last van hem hebben gehad.”
De conducta de plata (het geld-konvooi) kwam in beweging en hervatte den togt.