XIX.

[Inhoud]XIX.DE JAGT.Sommigen onzer lezers zullen misschien vinden, dat het middel door Lanzi aangewend om zich van de Apachen te ontdoen al te geweldig was, en dat hij daarvan niet dan in den uitersten nood had mogen gebruik maken.De verantwoording van den mesties, is echter even eenvoudig als gemakkelijk te geven; zie hier wat er van is: de zoogenaamde Indios bravos, wanneer zij de grenzen van Mexico overschrijden, maken zich zonder erbarming aan allerlei moedwil schuldig en begaan de gruwzaamste wreedheden tegen de ongelukkige blanken, wien zij een onverzoenlijken haat toedragen.De toestand van Lanzi, alleen en zonder hulp op eene afgelegen plaats, onder de magt van een vijftigtal duivels zonder trouw of wet, was allerhagchelijkst, des te meer nog, daar de Apachen door sterken drank verhit, welks misbruik bij hen een soort van dolle razernij verwekt, zich met al den bloeddorst die hun karakter eigen is aan de onbeteugeldste wreedheden zouden hebben overgegeven, uit louter genoegen om een vijand van hun ras te folteren.De mesties had buitendat eene afdoende reden om niets te ontzien; hij moest, onverschillig op welke wijs en het mogt kosten wat het wilde, voor het behoud van Carmela zorgen, die hij aan Tranquille plegtig bezworen had te zullen verdedigen, zelfs met gevaar en met opoffering van zijn eigen leven.In het tegenwoordig geval wist hij dat zijn leven of dood alleen van de willekeur der Indianen afhing, hij behoefde dus niets te ontzien.Lanzi was een koelbloedig, streng en planmatig te werk gaand man, die nooit handelde zonder vooraf de waarschijnlijke kansen van al of niet slagen rijpelijk te hebben overwogen. In de tegenwoordige omstandigheden waagde de mesties eindelijk niets, daar hij vooruit wist dat de Indianen hem den dood hadden gezworen; zoo zijn plan gelukte zou hij misschien nog kunnen ontsnappen, zoo niet, dan zou hij als een dappere grensbewoner sterven, en gelijktijdig een aanzienlijk getal zijner onverzoenlijke vijanden met zich in het graf slepen.Zijn besluit eenmaal genomen zijnde, voerde hij het uit met de[149]hem eigene koelbloedigheid, zooals wij boven gezien hebben; en dank zij zijne tegenwoordigheid van geest, had hij nog even tijd gehad om een paard te bestijgen en te ontvlugten.Intusschen was alles hiermede niet gedaan, de galop die de mesties achter zich hoorde, verontrustte hem uitermate, daar het hem scheen te bewijzen, dat zijn plan niet ten volle geslaagd en dat het ten minste aan een zijner vijanden gelukt was te ontsnappen en hem op de hielen te volgen.De mesties verdubbelde zijne snelheid, hij deed zijn paard tallooze wendingen en dwarsritten maken; om zijn hardnekkigen vervolger van het spoor te helpen; maar alles was vruchteloos: steeds hoorde hij achter zich den onverbiddelijken galop van den onbekenden ruiter.Hoe dapper iemand ook wezen, en hoeveel geestkracht hij bezitten mag, niets is er dat meer ontmoedigt, dan zich bij nacht op een ongebaand spoor nagezet te voelen door een onzigtbaren en daardoor juist onverdelgbaren vijand. De nachtelijke duisternis, de heerschende stilte in de woestijn, de boomen die hem bij zijn dolle vaart, als een legioen dreigende spoken links en regts voorbij vlogen, alles vereenigde zich om den ongelukkigen vlugteling te doen duizelen en als onder den druk te brengen van een benaauwden droom, dien hij ondanks zijn volle bewustzijn van het gevaar niet in staat was te bezweren of af te werpen.Zoo rende Lanzi, met gefronste wenkbraauwen, bevende lippen, en het koude zweet op zijn voorhoofd, diep over den hals van zijn paard gebogen, verscheidene uren achtereen dwars door de prairie, zonder eenige bepaalde rigting te volgen, en altijd nagezet door den korten en schokkenden galop van een paard.Het zonderlingste van alles was echter, dat dit galopperend paard, sedert het zich voor de eerste maal liet hooren, niet merkbaar scheen te naderen; men zou moeten veronderstellen dat de onbekende ruiter zich vergenoegde met den mesties op het spoor te volgen, en geen plan had om hem in te halen. Intusschen was de eerste schrik bij den mesties tot bedaren gekomen; de koude nachtlucht had in zijne denkbeelden een weinig orde gebragt, zijne koelbloedigheid was terug gekeerd, en daarmede de noodige helderheid van geest om zijn toestand verstandig te beoordeelen.Lanzi schaamde zich over zijne kinderachtige vrees, die een man van zijn naauwgezet en beproefd karakter onwaardig scheen, daar zij hem nu reeds zoolang, om redenen van persoonlijk behoud, de heilige taak deed vergeten die hij zich had opgelegd, namelijk om[150]met gevaar van zijn eigen leven de dochter van zijn vriend te zullen beschermen, want als zoodanig beschouwde hij Carmela.Bij deze gedachte die hem trof als een bliksemslag, voelde hij zijne wangen van schaamte gloeijen, zijn oogen fonkelden van verontwaardiging over zich zelven, en hij hield terstond zijn paard in, vastbesloten om het tot iederen prijs met zijn vervolger voor goed uit te maken.Het paard, zoo op eens in zijn loop gestuit, zwikte bijna op de bevende schenkels en hinnikte van smart, maar stond weldra onbeweeglijk. Op hetzelfdeoogenblikechter, scheen ook de onzigtbare ruiter stil te houden, want de galop werd niet meer gehoord.„Ei! ei!” mompelde de mesties, „dat begint er aardig uit te zien.”Hij greep een pistool uit zijn gordel, en haalde den haan over.Oogenblikkelijk hoorde hij, als eene doodelijke echo het zelfde geluid van een pistool dat door den onbekenden ruiter van zijn kant werd overgehaald.Evenwel, dit geluid, in plaats van zijne vrees te doen toenemen, scheen haar integendeel tot bedaren te brengen.„Wat kan dat beteekenen?” vroeg hij zich zelven met nadenkend hoofdschudden, „zou ik mij zoo bedrogen hebben? Is het dan geen Apache met wien ik te doen heb?”Na deze bedenking, gedurende welke Lanzi, ofschoon te vergeefs, gepoogd had zijn onbekenden vijand te zien te krijgen, riep hij met eene sterke stem:„Hola! wie zijt gij?”„En wie zijt gij?” klonk eene heldere mannenstem uit het midden der duisternis, doch op minder beslissenden toon als die van den mesties.„Dat is een zonderling antwoord,” hervatte Lanzi.„Toch niet zonderlinger dan de vraag,” klonk het terug.Deze woorden werden in zuiver Spaansch gesproken.De mesties, hierdoor verzekerd dat hij met een blanke te doen had, liet alle vrees varen, en zijn pistool ontspannende stak hij het weder in zijn gordel en riep op goedwilligen toon:„Gij zult zeker wel behoefte hebben om een weinig op adem te komen, caballero, na zulk een langen rid, zoowel als ik. Hebt gij er ook iets tegen dat wij bij elkander gaan zitten?”„Dat is juist wat ik verlang,” antwoordde de andere.„Hé! maar,” riep eene derde stem, die de mesties dadelijk herkende, „dat is Lanzi!”[151]„Wel zeker!” riep deze verheugd, „voto a brios!doñaCarmela, ik had niet gehoopt u hier te ontmoeten!”Onze drie personaadjen voegden zich bij elkander.De wederzijdsche ophelderingen vorderden niet veel tijd.De vrees denkt niet na en berekent niet.DoñaCarmela zoo wel als Lanzi, door dwazen schrik vervoerd, waren gevlugt zonder te weten of te vragen voor wie, en alleen gedreven door die zucht tot zelfbehoud, door God aan den mensch gegeven, als een laatste middel om zich te kunnen redden en het gevaar te ontwijken.Het eenige onderscheid tusschen hen bestond hierin, dat de mesties meende door de Apachen vervolgd te worden, terwijldoñaCarmela dacht dat deze voor haar uitreden.Toen het meisje op aanraden van Lanzi de Venta verliet, was zij in blinde drift het eerste pad het beste opgereden dat zij voor zich zag.Tot haar geluk had God het zoo beschikt, datdoñaCarmela, juist op het oogenblik toen het huis met zulk een vervaarlijken slag in de lucht vloog, en zij half dood van schrik met haar paard omverbuitelde, door een blanken jager werd gevonden, die uit medelijden, bij het vernemen der gevaren die haar bedreigden, zich edelmoedig aanbood haar tot aan de hacienda del Mezquite te begeleiden, waar het meisje heen wilde om zich onder de onmiddellijke bescherming van Tranquille te stellen.Na een bespiedenden blik op den jager, wiens eerlijk en vrij gelaat en openhartige toespraak haar terstond van zijne opregtheid en goede trouw overtuigden, haddoñaCarmela zijn aanbodmet dankbaarheid aangenomen, daar zij zeer angstig was om in de duisternis onder eene of andere bende Indianen te geraken, die hier in menigte rondzwierven en die zij, bij hare onbekendheid met het terrein, onvermijdelijk in handen zou zijn gevallen.Zij had zich dus met haar gids onmiddellijk op weg begeven naar de hacienda; maar omringd door duizend onzigtbare gevaren in den onzekeren nacht, had de galop van Lanzi’s paard hen in den waan gebragt dat er een vijandelijke troep Indianen voor hen uitreed; en mitsdien hadden zij steeds gezorgd op een behoorlijken afstand van hen te blijven, om bij de minste verdachte beweging hunner vijanden, terstond den teugel te kunnen wenden en hun in tijds te ontsnappen.Na deze opheldering hield alle ongerustheid tusschen onze driepersonaadjenop; Carmela en Lanzi gevoelden zich gelukkig dat zij elkander zoo boven verwachting hadden weder gevonden.[152]Terwijl thans de mesties haar op zijne beurt vertelde hoe hij zich van de Apachen had afgeholpen, bragt de jager als een voorzigtig man, de drie paarden naar een digt kreupelbosch, waar hij hen zorgvuldig verborg en van het noodige voeder voorzag; vervolgens keerde hij tot zijne nieuwe vrienden terug, die intusschen op het gras waren gaan zitten om eenige oogenblikken te rusten.Toen de jager weder bij hen kwam, zeide Lanzi tegen Carmela:„Waartoe zoudt gij u dezen nacht verder vermoeijen,Señorita? Onze nieuwe vriend en ik, wij zullen binnen weinige oogenblikken eene hut van takken bouwen, onder welke gij volkomen veilig zult uitrusten; gij kunt slapen tot de dag aankomt, dan gaan wij terstond weder op weg naar de hacienda. Voor het oogenblik hebt gij geen het minste gevaar te duchten, onder de bescherming van twee mannen die niet aarzelen zouden, hun leven voor u op te offeren als het noodig was.”„Ik dank u wel, mijn goede Lanzi,” antwoordde het meisje, „uwe getrouwheid is mij bekend en ik zou niet aarzelen mij op u te verlaten, zoo ik op dit oogenblik door de vrees voor de Apachen gedreven werd. Ik verzeker u dat de gevaren die mij van de zijde der Roodhuiden bedreigen, geen den minsten invloed hebben op mijn besluit om zoo spoedig mogelijk weder op weg te gaan.”„Welke gewigtige reden kan u dan daartoe verpligten,Señorita?” riep de mesties ten hoogste verwonderd.„Dat, goede vriend, is eene zaak tusschen mijn vader en mij; laat het u genoeg zijn te weten dat ik hem nog dezen nacht volstrekt zien en spreken moet.”„Goed, als gij er op staat,Señorita, geef ik toe,” antwoordde de mesties hoofdschuddend, „maar hoe het ook zij, gij zult mij toestemmen dat dit eene zonderlinge gril van u is.”„Neen neen, goede Lanzi,” hervatte zij treurig, „het is geen gril; als gij later de reden zult hooren die mij dus doet handelen, ben ik overtuigd dat gij haar zult goedkeuren.”„’t Is mogelijk; maar waarom kunt gij mij die niet terstond zeggen?”„Omdat mij dit onmogelijk is.”„Stil! stil!” riep de jager op eens tusschenbeide komende, „er valt niet langer over te redekavelen, wij moeten oogenblikkelijk van hier vertrekken.”„Wat wilt gij ons zeggen?” riepen beiden verschrikt.[153]„De Apachen hebben ons spoor gevonden, zij komen snel op ons af, over twintig minuten kunnen zij hier zijn; voor dezen keer bedrieg ik mij niet, zij zijn het zeker.”Er volgde eene poos stilte.DoñaCarmela en Lanzi luisterden met alle aandacht.„Ik hoor niets,” zei de mesties een oogenblik later.„Ik evenmin,” zei het meisje.De jager glimlachte goedig.„Gij kunt hen zeker nog niet hooren,” zeide hij, „want uwe ooren zijn niet zoo gewoon als de mijne om ieder geluid in de woestijn op te merken. Maar geloof toch hetgeen ik u zeg en verlaat u op eene ervaring die nimmer gefaald heeft: uwe vijanden zijn stellig in aantogt.”„Wat moeten wij doen?” prevelde Carmela.„Vlugten,” riep de mesties.„Hoor eens,” hervatte de jager bedaard, „de Apachen zijn talrijk, bovendien zijn zij listig en wreed, wij kunnen hen niet anders overwinnen dan door list. Als wij hun weerstand wilden bieden waren wij verloren, en als wij alle drie te zamen vlugten vallen wij vroeg of laat in hunne magt; terwijl ik dus alleen hier blijf, gaat gij met deseñoritazoo spoedig mogelijk op weg, maar draag wel zorg dat gij vooraf de hoeven uwer paarden omwoelt, om het gedruisch van uw galop minder hoorbaar te maken.”„En gij dan?” riep het meisje met drift.„Ik zeg u immers dat ik hier zal blijven?”„Ja, maar dan valt gij onvermijdelijk den Roodhuiden in handen, en die zullen u zeker vermoorden.”„Misschien!” antwoordde hij met een onbeschrijfelijken zweem van weemoed, „maar dan zal mijn dood ten minste gediend hebben om u te redden.”„Zeer goed,” zei Lanzi, „ik zeg u wel dank voor uw aanbod,caballero; maar ongelukkig kan noch mag ik het aannemen: zoo moeten de zaken hier niet gaan; ik ben de man die hier het spel begonnen heb, en ik alleen moet het op mijne manier eindigen. Vertrek gij met deseñorita, stel haar in de handen van haar vader, en zoo gij mij niet mogt wederzien, en hij u vraagt wat er gebeurd is, zeg hem dan eenvoudig, dat ik mijn woord gehouden en dat ik mijn leven voor haar heb opgeofferd.”„Daar zal ik nooit in toestemmen,” zeidoñaCarmela met nadruk.„Zwijg stil!” riep de mesties brusk, „vertrek, vertrek! gij hebt geen oogenblik te verliezen.”[154]Ondanks de tegenstribbeling van het meisje, nam hij haar in zijne forsche armen en droeg haar op een drafje naar het kreupelbosch.Carmela die wel begreep dat de mesties niet van zijn besluit was af te brengen, gehoorzaamde.Ook de jager nam de edelmoedige zelfopoffering van Lanzi even gewillig aan als hij de zijne had aangeboden. Het gedrag van den mesties kwam hem zeer natuurlijk voor, hij maakte dus geen de minste tegenwerping en hield zich ijverig bezig met de paarden in orde te brengen.„Vertrekt nu,” sprak de trouwe mesties toen de jager en het meisje waren opgestegen, „vertrekt, en God beware u!”„En gij nu, mijn vriend?” moest Carmela hem nog toevoegen.„Ik!” antwoordde Lanzi onbezorgd het hoofd schuddend, „die roode duivels hebben mij nog niet. Kom, maakt voort!”Om alle verdere redewisseling af te snijden, gaf de mesties de paarden een fermen slag met zijnchicote, en de edele dieren snelden voort in galop, zoodat zij spoedig uit zijn oog verdwenen waren.„Hum!” prevelde hij bedrukt, „voor ditmaal vrees ik toch dat het met mij wel gedaan zal zijn; maar om het even, canarios! ik zal vechten tot mijn laatstenademtogten als de heidenen mij krijgen zal het hun duur te staan komen.”Na dit krachtige besluit te hebben genomen, dat hem al zijn moed scheen terug te geven, steeg de brave mesties te paard en hield zich gereed om te handelen.De Apachen kwamen aanstormen met het klaterend gedruisch van een rollenden donder.Reeds kon men in de verte hunne sombere gestalten zwart en onbestemd in de duisternis onderscheiden.Lanzi nam de teugels tusschen zijne tanden en in iedere hand een pistool, en zoodra het gunstige oogenblik daar was, gaf hij zijn paard fel de sporen, en rende in gestrekten galop de Roodhuiden te gemoet, schuins op hun front af.Toen hij hen onder zijn schot had, loste hij zijne twee pistolen tegelijk op den troep, onder het aanheffen van een uitdagenden kreet, terwijl hij met verdubbelde snelheid digt langs hen voorbij reed en zijnevlugtvoortzette.Wat de mesties voorzien had, was gebeurd. Zijne schoten hadden geraakt. Twee Apachen waren levenloos in het zand gebuiteld.De Indianen, woedend over dezen vermetelen aanval dien zij van een enkel man zoo niet hadden verwacht, stieten een vervaarlijken oorlogskreet uit en stoven hem gezamelijk na.[155]Dit was, zooals wij reeds zeiden, juist wat Lanzi wenschte.„Ha!” riep hij toen hij het welslagen van zijn krijgslist gezien had, „nu heb ik hen verzameld, en nu is er voor eerst geen nood dat zij zich zullen verspreiden; de anderen zijn gered. Wat mij betreft!… Bah! wie weet?”DoñaCarmela en de jager waren aan de Apachen ontsnapt, maar om eenige oogenblikken later onder de tijgers te vervallen.Wij hebben reeds gezien hoe zij, dank zij Tranquille, ook hiervan verlost werden.

[Inhoud]XIX.DE JAGT.Sommigen onzer lezers zullen misschien vinden, dat het middel door Lanzi aangewend om zich van de Apachen te ontdoen al te geweldig was, en dat hij daarvan niet dan in den uitersten nood had mogen gebruik maken.De verantwoording van den mesties, is echter even eenvoudig als gemakkelijk te geven; zie hier wat er van is: de zoogenaamde Indios bravos, wanneer zij de grenzen van Mexico overschrijden, maken zich zonder erbarming aan allerlei moedwil schuldig en begaan de gruwzaamste wreedheden tegen de ongelukkige blanken, wien zij een onverzoenlijken haat toedragen.De toestand van Lanzi, alleen en zonder hulp op eene afgelegen plaats, onder de magt van een vijftigtal duivels zonder trouw of wet, was allerhagchelijkst, des te meer nog, daar de Apachen door sterken drank verhit, welks misbruik bij hen een soort van dolle razernij verwekt, zich met al den bloeddorst die hun karakter eigen is aan de onbeteugeldste wreedheden zouden hebben overgegeven, uit louter genoegen om een vijand van hun ras te folteren.De mesties had buitendat eene afdoende reden om niets te ontzien; hij moest, onverschillig op welke wijs en het mogt kosten wat het wilde, voor het behoud van Carmela zorgen, die hij aan Tranquille plegtig bezworen had te zullen verdedigen, zelfs met gevaar en met opoffering van zijn eigen leven.In het tegenwoordig geval wist hij dat zijn leven of dood alleen van de willekeur der Indianen afhing, hij behoefde dus niets te ontzien.Lanzi was een koelbloedig, streng en planmatig te werk gaand man, die nooit handelde zonder vooraf de waarschijnlijke kansen van al of niet slagen rijpelijk te hebben overwogen. In de tegenwoordige omstandigheden waagde de mesties eindelijk niets, daar hij vooruit wist dat de Indianen hem den dood hadden gezworen; zoo zijn plan gelukte zou hij misschien nog kunnen ontsnappen, zoo niet, dan zou hij als een dappere grensbewoner sterven, en gelijktijdig een aanzienlijk getal zijner onverzoenlijke vijanden met zich in het graf slepen.Zijn besluit eenmaal genomen zijnde, voerde hij het uit met de[149]hem eigene koelbloedigheid, zooals wij boven gezien hebben; en dank zij zijne tegenwoordigheid van geest, had hij nog even tijd gehad om een paard te bestijgen en te ontvlugten.Intusschen was alles hiermede niet gedaan, de galop die de mesties achter zich hoorde, verontrustte hem uitermate, daar het hem scheen te bewijzen, dat zijn plan niet ten volle geslaagd en dat het ten minste aan een zijner vijanden gelukt was te ontsnappen en hem op de hielen te volgen.De mesties verdubbelde zijne snelheid, hij deed zijn paard tallooze wendingen en dwarsritten maken; om zijn hardnekkigen vervolger van het spoor te helpen; maar alles was vruchteloos: steeds hoorde hij achter zich den onverbiddelijken galop van den onbekenden ruiter.Hoe dapper iemand ook wezen, en hoeveel geestkracht hij bezitten mag, niets is er dat meer ontmoedigt, dan zich bij nacht op een ongebaand spoor nagezet te voelen door een onzigtbaren en daardoor juist onverdelgbaren vijand. De nachtelijke duisternis, de heerschende stilte in de woestijn, de boomen die hem bij zijn dolle vaart, als een legioen dreigende spoken links en regts voorbij vlogen, alles vereenigde zich om den ongelukkigen vlugteling te doen duizelen en als onder den druk te brengen van een benaauwden droom, dien hij ondanks zijn volle bewustzijn van het gevaar niet in staat was te bezweren of af te werpen.Zoo rende Lanzi, met gefronste wenkbraauwen, bevende lippen, en het koude zweet op zijn voorhoofd, diep over den hals van zijn paard gebogen, verscheidene uren achtereen dwars door de prairie, zonder eenige bepaalde rigting te volgen, en altijd nagezet door den korten en schokkenden galop van een paard.Het zonderlingste van alles was echter, dat dit galopperend paard, sedert het zich voor de eerste maal liet hooren, niet merkbaar scheen te naderen; men zou moeten veronderstellen dat de onbekende ruiter zich vergenoegde met den mesties op het spoor te volgen, en geen plan had om hem in te halen. Intusschen was de eerste schrik bij den mesties tot bedaren gekomen; de koude nachtlucht had in zijne denkbeelden een weinig orde gebragt, zijne koelbloedigheid was terug gekeerd, en daarmede de noodige helderheid van geest om zijn toestand verstandig te beoordeelen.Lanzi schaamde zich over zijne kinderachtige vrees, die een man van zijn naauwgezet en beproefd karakter onwaardig scheen, daar zij hem nu reeds zoolang, om redenen van persoonlijk behoud, de heilige taak deed vergeten die hij zich had opgelegd, namelijk om[150]met gevaar van zijn eigen leven de dochter van zijn vriend te zullen beschermen, want als zoodanig beschouwde hij Carmela.Bij deze gedachte die hem trof als een bliksemslag, voelde hij zijne wangen van schaamte gloeijen, zijn oogen fonkelden van verontwaardiging over zich zelven, en hij hield terstond zijn paard in, vastbesloten om het tot iederen prijs met zijn vervolger voor goed uit te maken.Het paard, zoo op eens in zijn loop gestuit, zwikte bijna op de bevende schenkels en hinnikte van smart, maar stond weldra onbeweeglijk. Op hetzelfdeoogenblikechter, scheen ook de onzigtbare ruiter stil te houden, want de galop werd niet meer gehoord.„Ei! ei!” mompelde de mesties, „dat begint er aardig uit te zien.”Hij greep een pistool uit zijn gordel, en haalde den haan over.Oogenblikkelijk hoorde hij, als eene doodelijke echo het zelfde geluid van een pistool dat door den onbekenden ruiter van zijn kant werd overgehaald.Evenwel, dit geluid, in plaats van zijne vrees te doen toenemen, scheen haar integendeel tot bedaren te brengen.„Wat kan dat beteekenen?” vroeg hij zich zelven met nadenkend hoofdschudden, „zou ik mij zoo bedrogen hebben? Is het dan geen Apache met wien ik te doen heb?”Na deze bedenking, gedurende welke Lanzi, ofschoon te vergeefs, gepoogd had zijn onbekenden vijand te zien te krijgen, riep hij met eene sterke stem:„Hola! wie zijt gij?”„En wie zijt gij?” klonk eene heldere mannenstem uit het midden der duisternis, doch op minder beslissenden toon als die van den mesties.„Dat is een zonderling antwoord,” hervatte Lanzi.„Toch niet zonderlinger dan de vraag,” klonk het terug.Deze woorden werden in zuiver Spaansch gesproken.De mesties, hierdoor verzekerd dat hij met een blanke te doen had, liet alle vrees varen, en zijn pistool ontspannende stak hij het weder in zijn gordel en riep op goedwilligen toon:„Gij zult zeker wel behoefte hebben om een weinig op adem te komen, caballero, na zulk een langen rid, zoowel als ik. Hebt gij er ook iets tegen dat wij bij elkander gaan zitten?”„Dat is juist wat ik verlang,” antwoordde de andere.„Hé! maar,” riep eene derde stem, die de mesties dadelijk herkende, „dat is Lanzi!”[151]„Wel zeker!” riep deze verheugd, „voto a brios!doñaCarmela, ik had niet gehoopt u hier te ontmoeten!”Onze drie personaadjen voegden zich bij elkander.De wederzijdsche ophelderingen vorderden niet veel tijd.De vrees denkt niet na en berekent niet.DoñaCarmela zoo wel als Lanzi, door dwazen schrik vervoerd, waren gevlugt zonder te weten of te vragen voor wie, en alleen gedreven door die zucht tot zelfbehoud, door God aan den mensch gegeven, als een laatste middel om zich te kunnen redden en het gevaar te ontwijken.Het eenige onderscheid tusschen hen bestond hierin, dat de mesties meende door de Apachen vervolgd te worden, terwijldoñaCarmela dacht dat deze voor haar uitreden.Toen het meisje op aanraden van Lanzi de Venta verliet, was zij in blinde drift het eerste pad het beste opgereden dat zij voor zich zag.Tot haar geluk had God het zoo beschikt, datdoñaCarmela, juist op het oogenblik toen het huis met zulk een vervaarlijken slag in de lucht vloog, en zij half dood van schrik met haar paard omverbuitelde, door een blanken jager werd gevonden, die uit medelijden, bij het vernemen der gevaren die haar bedreigden, zich edelmoedig aanbood haar tot aan de hacienda del Mezquite te begeleiden, waar het meisje heen wilde om zich onder de onmiddellijke bescherming van Tranquille te stellen.Na een bespiedenden blik op den jager, wiens eerlijk en vrij gelaat en openhartige toespraak haar terstond van zijne opregtheid en goede trouw overtuigden, haddoñaCarmela zijn aanbodmet dankbaarheid aangenomen, daar zij zeer angstig was om in de duisternis onder eene of andere bende Indianen te geraken, die hier in menigte rondzwierven en die zij, bij hare onbekendheid met het terrein, onvermijdelijk in handen zou zijn gevallen.Zij had zich dus met haar gids onmiddellijk op weg begeven naar de hacienda; maar omringd door duizend onzigtbare gevaren in den onzekeren nacht, had de galop van Lanzi’s paard hen in den waan gebragt dat er een vijandelijke troep Indianen voor hen uitreed; en mitsdien hadden zij steeds gezorgd op een behoorlijken afstand van hen te blijven, om bij de minste verdachte beweging hunner vijanden, terstond den teugel te kunnen wenden en hun in tijds te ontsnappen.Na deze opheldering hield alle ongerustheid tusschen onze driepersonaadjenop; Carmela en Lanzi gevoelden zich gelukkig dat zij elkander zoo boven verwachting hadden weder gevonden.[152]Terwijl thans de mesties haar op zijne beurt vertelde hoe hij zich van de Apachen had afgeholpen, bragt de jager als een voorzigtig man, de drie paarden naar een digt kreupelbosch, waar hij hen zorgvuldig verborg en van het noodige voeder voorzag; vervolgens keerde hij tot zijne nieuwe vrienden terug, die intusschen op het gras waren gaan zitten om eenige oogenblikken te rusten.Toen de jager weder bij hen kwam, zeide Lanzi tegen Carmela:„Waartoe zoudt gij u dezen nacht verder vermoeijen,Señorita? Onze nieuwe vriend en ik, wij zullen binnen weinige oogenblikken eene hut van takken bouwen, onder welke gij volkomen veilig zult uitrusten; gij kunt slapen tot de dag aankomt, dan gaan wij terstond weder op weg naar de hacienda. Voor het oogenblik hebt gij geen het minste gevaar te duchten, onder de bescherming van twee mannen die niet aarzelen zouden, hun leven voor u op te offeren als het noodig was.”„Ik dank u wel, mijn goede Lanzi,” antwoordde het meisje, „uwe getrouwheid is mij bekend en ik zou niet aarzelen mij op u te verlaten, zoo ik op dit oogenblik door de vrees voor de Apachen gedreven werd. Ik verzeker u dat de gevaren die mij van de zijde der Roodhuiden bedreigen, geen den minsten invloed hebben op mijn besluit om zoo spoedig mogelijk weder op weg te gaan.”„Welke gewigtige reden kan u dan daartoe verpligten,Señorita?” riep de mesties ten hoogste verwonderd.„Dat, goede vriend, is eene zaak tusschen mijn vader en mij; laat het u genoeg zijn te weten dat ik hem nog dezen nacht volstrekt zien en spreken moet.”„Goed, als gij er op staat,Señorita, geef ik toe,” antwoordde de mesties hoofdschuddend, „maar hoe het ook zij, gij zult mij toestemmen dat dit eene zonderlinge gril van u is.”„Neen neen, goede Lanzi,” hervatte zij treurig, „het is geen gril; als gij later de reden zult hooren die mij dus doet handelen, ben ik overtuigd dat gij haar zult goedkeuren.”„’t Is mogelijk; maar waarom kunt gij mij die niet terstond zeggen?”„Omdat mij dit onmogelijk is.”„Stil! stil!” riep de jager op eens tusschenbeide komende, „er valt niet langer over te redekavelen, wij moeten oogenblikkelijk van hier vertrekken.”„Wat wilt gij ons zeggen?” riepen beiden verschrikt.[153]„De Apachen hebben ons spoor gevonden, zij komen snel op ons af, over twintig minuten kunnen zij hier zijn; voor dezen keer bedrieg ik mij niet, zij zijn het zeker.”Er volgde eene poos stilte.DoñaCarmela en Lanzi luisterden met alle aandacht.„Ik hoor niets,” zei de mesties een oogenblik later.„Ik evenmin,” zei het meisje.De jager glimlachte goedig.„Gij kunt hen zeker nog niet hooren,” zeide hij, „want uwe ooren zijn niet zoo gewoon als de mijne om ieder geluid in de woestijn op te merken. Maar geloof toch hetgeen ik u zeg en verlaat u op eene ervaring die nimmer gefaald heeft: uwe vijanden zijn stellig in aantogt.”„Wat moeten wij doen?” prevelde Carmela.„Vlugten,” riep de mesties.„Hoor eens,” hervatte de jager bedaard, „de Apachen zijn talrijk, bovendien zijn zij listig en wreed, wij kunnen hen niet anders overwinnen dan door list. Als wij hun weerstand wilden bieden waren wij verloren, en als wij alle drie te zamen vlugten vallen wij vroeg of laat in hunne magt; terwijl ik dus alleen hier blijf, gaat gij met deseñoritazoo spoedig mogelijk op weg, maar draag wel zorg dat gij vooraf de hoeven uwer paarden omwoelt, om het gedruisch van uw galop minder hoorbaar te maken.”„En gij dan?” riep het meisje met drift.„Ik zeg u immers dat ik hier zal blijven?”„Ja, maar dan valt gij onvermijdelijk den Roodhuiden in handen, en die zullen u zeker vermoorden.”„Misschien!” antwoordde hij met een onbeschrijfelijken zweem van weemoed, „maar dan zal mijn dood ten minste gediend hebben om u te redden.”„Zeer goed,” zei Lanzi, „ik zeg u wel dank voor uw aanbod,caballero; maar ongelukkig kan noch mag ik het aannemen: zoo moeten de zaken hier niet gaan; ik ben de man die hier het spel begonnen heb, en ik alleen moet het op mijne manier eindigen. Vertrek gij met deseñorita, stel haar in de handen van haar vader, en zoo gij mij niet mogt wederzien, en hij u vraagt wat er gebeurd is, zeg hem dan eenvoudig, dat ik mijn woord gehouden en dat ik mijn leven voor haar heb opgeofferd.”„Daar zal ik nooit in toestemmen,” zeidoñaCarmela met nadruk.„Zwijg stil!” riep de mesties brusk, „vertrek, vertrek! gij hebt geen oogenblik te verliezen.”[154]Ondanks de tegenstribbeling van het meisje, nam hij haar in zijne forsche armen en droeg haar op een drafje naar het kreupelbosch.Carmela die wel begreep dat de mesties niet van zijn besluit was af te brengen, gehoorzaamde.Ook de jager nam de edelmoedige zelfopoffering van Lanzi even gewillig aan als hij de zijne had aangeboden. Het gedrag van den mesties kwam hem zeer natuurlijk voor, hij maakte dus geen de minste tegenwerping en hield zich ijverig bezig met de paarden in orde te brengen.„Vertrekt nu,” sprak de trouwe mesties toen de jager en het meisje waren opgestegen, „vertrekt, en God beware u!”„En gij nu, mijn vriend?” moest Carmela hem nog toevoegen.„Ik!” antwoordde Lanzi onbezorgd het hoofd schuddend, „die roode duivels hebben mij nog niet. Kom, maakt voort!”Om alle verdere redewisseling af te snijden, gaf de mesties de paarden een fermen slag met zijnchicote, en de edele dieren snelden voort in galop, zoodat zij spoedig uit zijn oog verdwenen waren.„Hum!” prevelde hij bedrukt, „voor ditmaal vrees ik toch dat het met mij wel gedaan zal zijn; maar om het even, canarios! ik zal vechten tot mijn laatstenademtogten als de heidenen mij krijgen zal het hun duur te staan komen.”Na dit krachtige besluit te hebben genomen, dat hem al zijn moed scheen terug te geven, steeg de brave mesties te paard en hield zich gereed om te handelen.De Apachen kwamen aanstormen met het klaterend gedruisch van een rollenden donder.Reeds kon men in de verte hunne sombere gestalten zwart en onbestemd in de duisternis onderscheiden.Lanzi nam de teugels tusschen zijne tanden en in iedere hand een pistool, en zoodra het gunstige oogenblik daar was, gaf hij zijn paard fel de sporen, en rende in gestrekten galop de Roodhuiden te gemoet, schuins op hun front af.Toen hij hen onder zijn schot had, loste hij zijne twee pistolen tegelijk op den troep, onder het aanheffen van een uitdagenden kreet, terwijl hij met verdubbelde snelheid digt langs hen voorbij reed en zijnevlugtvoortzette.Wat de mesties voorzien had, was gebeurd. Zijne schoten hadden geraakt. Twee Apachen waren levenloos in het zand gebuiteld.De Indianen, woedend over dezen vermetelen aanval dien zij van een enkel man zoo niet hadden verwacht, stieten een vervaarlijken oorlogskreet uit en stoven hem gezamelijk na.[155]Dit was, zooals wij reeds zeiden, juist wat Lanzi wenschte.„Ha!” riep hij toen hij het welslagen van zijn krijgslist gezien had, „nu heb ik hen verzameld, en nu is er voor eerst geen nood dat zij zich zullen verspreiden; de anderen zijn gered. Wat mij betreft!… Bah! wie weet?”DoñaCarmela en de jager waren aan de Apachen ontsnapt, maar om eenige oogenblikken later onder de tijgers te vervallen.Wij hebben reeds gezien hoe zij, dank zij Tranquille, ook hiervan verlost werden.

XIX.DE JAGT.

Sommigen onzer lezers zullen misschien vinden, dat het middel door Lanzi aangewend om zich van de Apachen te ontdoen al te geweldig was, en dat hij daarvan niet dan in den uitersten nood had mogen gebruik maken.De verantwoording van den mesties, is echter even eenvoudig als gemakkelijk te geven; zie hier wat er van is: de zoogenaamde Indios bravos, wanneer zij de grenzen van Mexico overschrijden, maken zich zonder erbarming aan allerlei moedwil schuldig en begaan de gruwzaamste wreedheden tegen de ongelukkige blanken, wien zij een onverzoenlijken haat toedragen.De toestand van Lanzi, alleen en zonder hulp op eene afgelegen plaats, onder de magt van een vijftigtal duivels zonder trouw of wet, was allerhagchelijkst, des te meer nog, daar de Apachen door sterken drank verhit, welks misbruik bij hen een soort van dolle razernij verwekt, zich met al den bloeddorst die hun karakter eigen is aan de onbeteugeldste wreedheden zouden hebben overgegeven, uit louter genoegen om een vijand van hun ras te folteren.De mesties had buitendat eene afdoende reden om niets te ontzien; hij moest, onverschillig op welke wijs en het mogt kosten wat het wilde, voor het behoud van Carmela zorgen, die hij aan Tranquille plegtig bezworen had te zullen verdedigen, zelfs met gevaar en met opoffering van zijn eigen leven.In het tegenwoordig geval wist hij dat zijn leven of dood alleen van de willekeur der Indianen afhing, hij behoefde dus niets te ontzien.Lanzi was een koelbloedig, streng en planmatig te werk gaand man, die nooit handelde zonder vooraf de waarschijnlijke kansen van al of niet slagen rijpelijk te hebben overwogen. In de tegenwoordige omstandigheden waagde de mesties eindelijk niets, daar hij vooruit wist dat de Indianen hem den dood hadden gezworen; zoo zijn plan gelukte zou hij misschien nog kunnen ontsnappen, zoo niet, dan zou hij als een dappere grensbewoner sterven, en gelijktijdig een aanzienlijk getal zijner onverzoenlijke vijanden met zich in het graf slepen.Zijn besluit eenmaal genomen zijnde, voerde hij het uit met de[149]hem eigene koelbloedigheid, zooals wij boven gezien hebben; en dank zij zijne tegenwoordigheid van geest, had hij nog even tijd gehad om een paard te bestijgen en te ontvlugten.Intusschen was alles hiermede niet gedaan, de galop die de mesties achter zich hoorde, verontrustte hem uitermate, daar het hem scheen te bewijzen, dat zijn plan niet ten volle geslaagd en dat het ten minste aan een zijner vijanden gelukt was te ontsnappen en hem op de hielen te volgen.De mesties verdubbelde zijne snelheid, hij deed zijn paard tallooze wendingen en dwarsritten maken; om zijn hardnekkigen vervolger van het spoor te helpen; maar alles was vruchteloos: steeds hoorde hij achter zich den onverbiddelijken galop van den onbekenden ruiter.Hoe dapper iemand ook wezen, en hoeveel geestkracht hij bezitten mag, niets is er dat meer ontmoedigt, dan zich bij nacht op een ongebaand spoor nagezet te voelen door een onzigtbaren en daardoor juist onverdelgbaren vijand. De nachtelijke duisternis, de heerschende stilte in de woestijn, de boomen die hem bij zijn dolle vaart, als een legioen dreigende spoken links en regts voorbij vlogen, alles vereenigde zich om den ongelukkigen vlugteling te doen duizelen en als onder den druk te brengen van een benaauwden droom, dien hij ondanks zijn volle bewustzijn van het gevaar niet in staat was te bezweren of af te werpen.Zoo rende Lanzi, met gefronste wenkbraauwen, bevende lippen, en het koude zweet op zijn voorhoofd, diep over den hals van zijn paard gebogen, verscheidene uren achtereen dwars door de prairie, zonder eenige bepaalde rigting te volgen, en altijd nagezet door den korten en schokkenden galop van een paard.Het zonderlingste van alles was echter, dat dit galopperend paard, sedert het zich voor de eerste maal liet hooren, niet merkbaar scheen te naderen; men zou moeten veronderstellen dat de onbekende ruiter zich vergenoegde met den mesties op het spoor te volgen, en geen plan had om hem in te halen. Intusschen was de eerste schrik bij den mesties tot bedaren gekomen; de koude nachtlucht had in zijne denkbeelden een weinig orde gebragt, zijne koelbloedigheid was terug gekeerd, en daarmede de noodige helderheid van geest om zijn toestand verstandig te beoordeelen.Lanzi schaamde zich over zijne kinderachtige vrees, die een man van zijn naauwgezet en beproefd karakter onwaardig scheen, daar zij hem nu reeds zoolang, om redenen van persoonlijk behoud, de heilige taak deed vergeten die hij zich had opgelegd, namelijk om[150]met gevaar van zijn eigen leven de dochter van zijn vriend te zullen beschermen, want als zoodanig beschouwde hij Carmela.Bij deze gedachte die hem trof als een bliksemslag, voelde hij zijne wangen van schaamte gloeijen, zijn oogen fonkelden van verontwaardiging over zich zelven, en hij hield terstond zijn paard in, vastbesloten om het tot iederen prijs met zijn vervolger voor goed uit te maken.Het paard, zoo op eens in zijn loop gestuit, zwikte bijna op de bevende schenkels en hinnikte van smart, maar stond weldra onbeweeglijk. Op hetzelfdeoogenblikechter, scheen ook de onzigtbare ruiter stil te houden, want de galop werd niet meer gehoord.„Ei! ei!” mompelde de mesties, „dat begint er aardig uit te zien.”Hij greep een pistool uit zijn gordel, en haalde den haan over.Oogenblikkelijk hoorde hij, als eene doodelijke echo het zelfde geluid van een pistool dat door den onbekenden ruiter van zijn kant werd overgehaald.Evenwel, dit geluid, in plaats van zijne vrees te doen toenemen, scheen haar integendeel tot bedaren te brengen.„Wat kan dat beteekenen?” vroeg hij zich zelven met nadenkend hoofdschudden, „zou ik mij zoo bedrogen hebben? Is het dan geen Apache met wien ik te doen heb?”Na deze bedenking, gedurende welke Lanzi, ofschoon te vergeefs, gepoogd had zijn onbekenden vijand te zien te krijgen, riep hij met eene sterke stem:„Hola! wie zijt gij?”„En wie zijt gij?” klonk eene heldere mannenstem uit het midden der duisternis, doch op minder beslissenden toon als die van den mesties.„Dat is een zonderling antwoord,” hervatte Lanzi.„Toch niet zonderlinger dan de vraag,” klonk het terug.Deze woorden werden in zuiver Spaansch gesproken.De mesties, hierdoor verzekerd dat hij met een blanke te doen had, liet alle vrees varen, en zijn pistool ontspannende stak hij het weder in zijn gordel en riep op goedwilligen toon:„Gij zult zeker wel behoefte hebben om een weinig op adem te komen, caballero, na zulk een langen rid, zoowel als ik. Hebt gij er ook iets tegen dat wij bij elkander gaan zitten?”„Dat is juist wat ik verlang,” antwoordde de andere.„Hé! maar,” riep eene derde stem, die de mesties dadelijk herkende, „dat is Lanzi!”[151]„Wel zeker!” riep deze verheugd, „voto a brios!doñaCarmela, ik had niet gehoopt u hier te ontmoeten!”Onze drie personaadjen voegden zich bij elkander.De wederzijdsche ophelderingen vorderden niet veel tijd.De vrees denkt niet na en berekent niet.DoñaCarmela zoo wel als Lanzi, door dwazen schrik vervoerd, waren gevlugt zonder te weten of te vragen voor wie, en alleen gedreven door die zucht tot zelfbehoud, door God aan den mensch gegeven, als een laatste middel om zich te kunnen redden en het gevaar te ontwijken.Het eenige onderscheid tusschen hen bestond hierin, dat de mesties meende door de Apachen vervolgd te worden, terwijldoñaCarmela dacht dat deze voor haar uitreden.Toen het meisje op aanraden van Lanzi de Venta verliet, was zij in blinde drift het eerste pad het beste opgereden dat zij voor zich zag.Tot haar geluk had God het zoo beschikt, datdoñaCarmela, juist op het oogenblik toen het huis met zulk een vervaarlijken slag in de lucht vloog, en zij half dood van schrik met haar paard omverbuitelde, door een blanken jager werd gevonden, die uit medelijden, bij het vernemen der gevaren die haar bedreigden, zich edelmoedig aanbood haar tot aan de hacienda del Mezquite te begeleiden, waar het meisje heen wilde om zich onder de onmiddellijke bescherming van Tranquille te stellen.Na een bespiedenden blik op den jager, wiens eerlijk en vrij gelaat en openhartige toespraak haar terstond van zijne opregtheid en goede trouw overtuigden, haddoñaCarmela zijn aanbodmet dankbaarheid aangenomen, daar zij zeer angstig was om in de duisternis onder eene of andere bende Indianen te geraken, die hier in menigte rondzwierven en die zij, bij hare onbekendheid met het terrein, onvermijdelijk in handen zou zijn gevallen.Zij had zich dus met haar gids onmiddellijk op weg begeven naar de hacienda; maar omringd door duizend onzigtbare gevaren in den onzekeren nacht, had de galop van Lanzi’s paard hen in den waan gebragt dat er een vijandelijke troep Indianen voor hen uitreed; en mitsdien hadden zij steeds gezorgd op een behoorlijken afstand van hen te blijven, om bij de minste verdachte beweging hunner vijanden, terstond den teugel te kunnen wenden en hun in tijds te ontsnappen.Na deze opheldering hield alle ongerustheid tusschen onze driepersonaadjenop; Carmela en Lanzi gevoelden zich gelukkig dat zij elkander zoo boven verwachting hadden weder gevonden.[152]Terwijl thans de mesties haar op zijne beurt vertelde hoe hij zich van de Apachen had afgeholpen, bragt de jager als een voorzigtig man, de drie paarden naar een digt kreupelbosch, waar hij hen zorgvuldig verborg en van het noodige voeder voorzag; vervolgens keerde hij tot zijne nieuwe vrienden terug, die intusschen op het gras waren gaan zitten om eenige oogenblikken te rusten.Toen de jager weder bij hen kwam, zeide Lanzi tegen Carmela:„Waartoe zoudt gij u dezen nacht verder vermoeijen,Señorita? Onze nieuwe vriend en ik, wij zullen binnen weinige oogenblikken eene hut van takken bouwen, onder welke gij volkomen veilig zult uitrusten; gij kunt slapen tot de dag aankomt, dan gaan wij terstond weder op weg naar de hacienda. Voor het oogenblik hebt gij geen het minste gevaar te duchten, onder de bescherming van twee mannen die niet aarzelen zouden, hun leven voor u op te offeren als het noodig was.”„Ik dank u wel, mijn goede Lanzi,” antwoordde het meisje, „uwe getrouwheid is mij bekend en ik zou niet aarzelen mij op u te verlaten, zoo ik op dit oogenblik door de vrees voor de Apachen gedreven werd. Ik verzeker u dat de gevaren die mij van de zijde der Roodhuiden bedreigen, geen den minsten invloed hebben op mijn besluit om zoo spoedig mogelijk weder op weg te gaan.”„Welke gewigtige reden kan u dan daartoe verpligten,Señorita?” riep de mesties ten hoogste verwonderd.„Dat, goede vriend, is eene zaak tusschen mijn vader en mij; laat het u genoeg zijn te weten dat ik hem nog dezen nacht volstrekt zien en spreken moet.”„Goed, als gij er op staat,Señorita, geef ik toe,” antwoordde de mesties hoofdschuddend, „maar hoe het ook zij, gij zult mij toestemmen dat dit eene zonderlinge gril van u is.”„Neen neen, goede Lanzi,” hervatte zij treurig, „het is geen gril; als gij later de reden zult hooren die mij dus doet handelen, ben ik overtuigd dat gij haar zult goedkeuren.”„’t Is mogelijk; maar waarom kunt gij mij die niet terstond zeggen?”„Omdat mij dit onmogelijk is.”„Stil! stil!” riep de jager op eens tusschenbeide komende, „er valt niet langer over te redekavelen, wij moeten oogenblikkelijk van hier vertrekken.”„Wat wilt gij ons zeggen?” riepen beiden verschrikt.[153]„De Apachen hebben ons spoor gevonden, zij komen snel op ons af, over twintig minuten kunnen zij hier zijn; voor dezen keer bedrieg ik mij niet, zij zijn het zeker.”Er volgde eene poos stilte.DoñaCarmela en Lanzi luisterden met alle aandacht.„Ik hoor niets,” zei de mesties een oogenblik later.„Ik evenmin,” zei het meisje.De jager glimlachte goedig.„Gij kunt hen zeker nog niet hooren,” zeide hij, „want uwe ooren zijn niet zoo gewoon als de mijne om ieder geluid in de woestijn op te merken. Maar geloof toch hetgeen ik u zeg en verlaat u op eene ervaring die nimmer gefaald heeft: uwe vijanden zijn stellig in aantogt.”„Wat moeten wij doen?” prevelde Carmela.„Vlugten,” riep de mesties.„Hoor eens,” hervatte de jager bedaard, „de Apachen zijn talrijk, bovendien zijn zij listig en wreed, wij kunnen hen niet anders overwinnen dan door list. Als wij hun weerstand wilden bieden waren wij verloren, en als wij alle drie te zamen vlugten vallen wij vroeg of laat in hunne magt; terwijl ik dus alleen hier blijf, gaat gij met deseñoritazoo spoedig mogelijk op weg, maar draag wel zorg dat gij vooraf de hoeven uwer paarden omwoelt, om het gedruisch van uw galop minder hoorbaar te maken.”„En gij dan?” riep het meisje met drift.„Ik zeg u immers dat ik hier zal blijven?”„Ja, maar dan valt gij onvermijdelijk den Roodhuiden in handen, en die zullen u zeker vermoorden.”„Misschien!” antwoordde hij met een onbeschrijfelijken zweem van weemoed, „maar dan zal mijn dood ten minste gediend hebben om u te redden.”„Zeer goed,” zei Lanzi, „ik zeg u wel dank voor uw aanbod,caballero; maar ongelukkig kan noch mag ik het aannemen: zoo moeten de zaken hier niet gaan; ik ben de man die hier het spel begonnen heb, en ik alleen moet het op mijne manier eindigen. Vertrek gij met deseñorita, stel haar in de handen van haar vader, en zoo gij mij niet mogt wederzien, en hij u vraagt wat er gebeurd is, zeg hem dan eenvoudig, dat ik mijn woord gehouden en dat ik mijn leven voor haar heb opgeofferd.”„Daar zal ik nooit in toestemmen,” zeidoñaCarmela met nadruk.„Zwijg stil!” riep de mesties brusk, „vertrek, vertrek! gij hebt geen oogenblik te verliezen.”[154]Ondanks de tegenstribbeling van het meisje, nam hij haar in zijne forsche armen en droeg haar op een drafje naar het kreupelbosch.Carmela die wel begreep dat de mesties niet van zijn besluit was af te brengen, gehoorzaamde.Ook de jager nam de edelmoedige zelfopoffering van Lanzi even gewillig aan als hij de zijne had aangeboden. Het gedrag van den mesties kwam hem zeer natuurlijk voor, hij maakte dus geen de minste tegenwerping en hield zich ijverig bezig met de paarden in orde te brengen.„Vertrekt nu,” sprak de trouwe mesties toen de jager en het meisje waren opgestegen, „vertrekt, en God beware u!”„En gij nu, mijn vriend?” moest Carmela hem nog toevoegen.„Ik!” antwoordde Lanzi onbezorgd het hoofd schuddend, „die roode duivels hebben mij nog niet. Kom, maakt voort!”Om alle verdere redewisseling af te snijden, gaf de mesties de paarden een fermen slag met zijnchicote, en de edele dieren snelden voort in galop, zoodat zij spoedig uit zijn oog verdwenen waren.„Hum!” prevelde hij bedrukt, „voor ditmaal vrees ik toch dat het met mij wel gedaan zal zijn; maar om het even, canarios! ik zal vechten tot mijn laatstenademtogten als de heidenen mij krijgen zal het hun duur te staan komen.”Na dit krachtige besluit te hebben genomen, dat hem al zijn moed scheen terug te geven, steeg de brave mesties te paard en hield zich gereed om te handelen.De Apachen kwamen aanstormen met het klaterend gedruisch van een rollenden donder.Reeds kon men in de verte hunne sombere gestalten zwart en onbestemd in de duisternis onderscheiden.Lanzi nam de teugels tusschen zijne tanden en in iedere hand een pistool, en zoodra het gunstige oogenblik daar was, gaf hij zijn paard fel de sporen, en rende in gestrekten galop de Roodhuiden te gemoet, schuins op hun front af.Toen hij hen onder zijn schot had, loste hij zijne twee pistolen tegelijk op den troep, onder het aanheffen van een uitdagenden kreet, terwijl hij met verdubbelde snelheid digt langs hen voorbij reed en zijnevlugtvoortzette.Wat de mesties voorzien had, was gebeurd. Zijne schoten hadden geraakt. Twee Apachen waren levenloos in het zand gebuiteld.De Indianen, woedend over dezen vermetelen aanval dien zij van een enkel man zoo niet hadden verwacht, stieten een vervaarlijken oorlogskreet uit en stoven hem gezamelijk na.[155]Dit was, zooals wij reeds zeiden, juist wat Lanzi wenschte.„Ha!” riep hij toen hij het welslagen van zijn krijgslist gezien had, „nu heb ik hen verzameld, en nu is er voor eerst geen nood dat zij zich zullen verspreiden; de anderen zijn gered. Wat mij betreft!… Bah! wie weet?”DoñaCarmela en de jager waren aan de Apachen ontsnapt, maar om eenige oogenblikken later onder de tijgers te vervallen.Wij hebben reeds gezien hoe zij, dank zij Tranquille, ook hiervan verlost werden.

Sommigen onzer lezers zullen misschien vinden, dat het middel door Lanzi aangewend om zich van de Apachen te ontdoen al te geweldig was, en dat hij daarvan niet dan in den uitersten nood had mogen gebruik maken.

De verantwoording van den mesties, is echter even eenvoudig als gemakkelijk te geven; zie hier wat er van is: de zoogenaamde Indios bravos, wanneer zij de grenzen van Mexico overschrijden, maken zich zonder erbarming aan allerlei moedwil schuldig en begaan de gruwzaamste wreedheden tegen de ongelukkige blanken, wien zij een onverzoenlijken haat toedragen.

De toestand van Lanzi, alleen en zonder hulp op eene afgelegen plaats, onder de magt van een vijftigtal duivels zonder trouw of wet, was allerhagchelijkst, des te meer nog, daar de Apachen door sterken drank verhit, welks misbruik bij hen een soort van dolle razernij verwekt, zich met al den bloeddorst die hun karakter eigen is aan de onbeteugeldste wreedheden zouden hebben overgegeven, uit louter genoegen om een vijand van hun ras te folteren.

De mesties had buitendat eene afdoende reden om niets te ontzien; hij moest, onverschillig op welke wijs en het mogt kosten wat het wilde, voor het behoud van Carmela zorgen, die hij aan Tranquille plegtig bezworen had te zullen verdedigen, zelfs met gevaar en met opoffering van zijn eigen leven.

In het tegenwoordig geval wist hij dat zijn leven of dood alleen van de willekeur der Indianen afhing, hij behoefde dus niets te ontzien.

Lanzi was een koelbloedig, streng en planmatig te werk gaand man, die nooit handelde zonder vooraf de waarschijnlijke kansen van al of niet slagen rijpelijk te hebben overwogen. In de tegenwoordige omstandigheden waagde de mesties eindelijk niets, daar hij vooruit wist dat de Indianen hem den dood hadden gezworen; zoo zijn plan gelukte zou hij misschien nog kunnen ontsnappen, zoo niet, dan zou hij als een dappere grensbewoner sterven, en gelijktijdig een aanzienlijk getal zijner onverzoenlijke vijanden met zich in het graf slepen.

Zijn besluit eenmaal genomen zijnde, voerde hij het uit met de[149]hem eigene koelbloedigheid, zooals wij boven gezien hebben; en dank zij zijne tegenwoordigheid van geest, had hij nog even tijd gehad om een paard te bestijgen en te ontvlugten.

Intusschen was alles hiermede niet gedaan, de galop die de mesties achter zich hoorde, verontrustte hem uitermate, daar het hem scheen te bewijzen, dat zijn plan niet ten volle geslaagd en dat het ten minste aan een zijner vijanden gelukt was te ontsnappen en hem op de hielen te volgen.

De mesties verdubbelde zijne snelheid, hij deed zijn paard tallooze wendingen en dwarsritten maken; om zijn hardnekkigen vervolger van het spoor te helpen; maar alles was vruchteloos: steeds hoorde hij achter zich den onverbiddelijken galop van den onbekenden ruiter.

Hoe dapper iemand ook wezen, en hoeveel geestkracht hij bezitten mag, niets is er dat meer ontmoedigt, dan zich bij nacht op een ongebaand spoor nagezet te voelen door een onzigtbaren en daardoor juist onverdelgbaren vijand. De nachtelijke duisternis, de heerschende stilte in de woestijn, de boomen die hem bij zijn dolle vaart, als een legioen dreigende spoken links en regts voorbij vlogen, alles vereenigde zich om den ongelukkigen vlugteling te doen duizelen en als onder den druk te brengen van een benaauwden droom, dien hij ondanks zijn volle bewustzijn van het gevaar niet in staat was te bezweren of af te werpen.

Zoo rende Lanzi, met gefronste wenkbraauwen, bevende lippen, en het koude zweet op zijn voorhoofd, diep over den hals van zijn paard gebogen, verscheidene uren achtereen dwars door de prairie, zonder eenige bepaalde rigting te volgen, en altijd nagezet door den korten en schokkenden galop van een paard.

Het zonderlingste van alles was echter, dat dit galopperend paard, sedert het zich voor de eerste maal liet hooren, niet merkbaar scheen te naderen; men zou moeten veronderstellen dat de onbekende ruiter zich vergenoegde met den mesties op het spoor te volgen, en geen plan had om hem in te halen. Intusschen was de eerste schrik bij den mesties tot bedaren gekomen; de koude nachtlucht had in zijne denkbeelden een weinig orde gebragt, zijne koelbloedigheid was terug gekeerd, en daarmede de noodige helderheid van geest om zijn toestand verstandig te beoordeelen.

Lanzi schaamde zich over zijne kinderachtige vrees, die een man van zijn naauwgezet en beproefd karakter onwaardig scheen, daar zij hem nu reeds zoolang, om redenen van persoonlijk behoud, de heilige taak deed vergeten die hij zich had opgelegd, namelijk om[150]met gevaar van zijn eigen leven de dochter van zijn vriend te zullen beschermen, want als zoodanig beschouwde hij Carmela.

Bij deze gedachte die hem trof als een bliksemslag, voelde hij zijne wangen van schaamte gloeijen, zijn oogen fonkelden van verontwaardiging over zich zelven, en hij hield terstond zijn paard in, vastbesloten om het tot iederen prijs met zijn vervolger voor goed uit te maken.

Het paard, zoo op eens in zijn loop gestuit, zwikte bijna op de bevende schenkels en hinnikte van smart, maar stond weldra onbeweeglijk. Op hetzelfdeoogenblikechter, scheen ook de onzigtbare ruiter stil te houden, want de galop werd niet meer gehoord.

„Ei! ei!” mompelde de mesties, „dat begint er aardig uit te zien.”

Hij greep een pistool uit zijn gordel, en haalde den haan over.

Oogenblikkelijk hoorde hij, als eene doodelijke echo het zelfde geluid van een pistool dat door den onbekenden ruiter van zijn kant werd overgehaald.

Evenwel, dit geluid, in plaats van zijne vrees te doen toenemen, scheen haar integendeel tot bedaren te brengen.

„Wat kan dat beteekenen?” vroeg hij zich zelven met nadenkend hoofdschudden, „zou ik mij zoo bedrogen hebben? Is het dan geen Apache met wien ik te doen heb?”

Na deze bedenking, gedurende welke Lanzi, ofschoon te vergeefs, gepoogd had zijn onbekenden vijand te zien te krijgen, riep hij met eene sterke stem:

„Hola! wie zijt gij?”

„En wie zijt gij?” klonk eene heldere mannenstem uit het midden der duisternis, doch op minder beslissenden toon als die van den mesties.

„Dat is een zonderling antwoord,” hervatte Lanzi.

„Toch niet zonderlinger dan de vraag,” klonk het terug.

Deze woorden werden in zuiver Spaansch gesproken.

De mesties, hierdoor verzekerd dat hij met een blanke te doen had, liet alle vrees varen, en zijn pistool ontspannende stak hij het weder in zijn gordel en riep op goedwilligen toon:

„Gij zult zeker wel behoefte hebben om een weinig op adem te komen, caballero, na zulk een langen rid, zoowel als ik. Hebt gij er ook iets tegen dat wij bij elkander gaan zitten?”

„Dat is juist wat ik verlang,” antwoordde de andere.

„Hé! maar,” riep eene derde stem, die de mesties dadelijk herkende, „dat is Lanzi!”[151]

„Wel zeker!” riep deze verheugd, „voto a brios!doñaCarmela, ik had niet gehoopt u hier te ontmoeten!”

Onze drie personaadjen voegden zich bij elkander.

De wederzijdsche ophelderingen vorderden niet veel tijd.

De vrees denkt niet na en berekent niet.DoñaCarmela zoo wel als Lanzi, door dwazen schrik vervoerd, waren gevlugt zonder te weten of te vragen voor wie, en alleen gedreven door die zucht tot zelfbehoud, door God aan den mensch gegeven, als een laatste middel om zich te kunnen redden en het gevaar te ontwijken.

Het eenige onderscheid tusschen hen bestond hierin, dat de mesties meende door de Apachen vervolgd te worden, terwijldoñaCarmela dacht dat deze voor haar uitreden.

Toen het meisje op aanraden van Lanzi de Venta verliet, was zij in blinde drift het eerste pad het beste opgereden dat zij voor zich zag.

Tot haar geluk had God het zoo beschikt, datdoñaCarmela, juist op het oogenblik toen het huis met zulk een vervaarlijken slag in de lucht vloog, en zij half dood van schrik met haar paard omverbuitelde, door een blanken jager werd gevonden, die uit medelijden, bij het vernemen der gevaren die haar bedreigden, zich edelmoedig aanbood haar tot aan de hacienda del Mezquite te begeleiden, waar het meisje heen wilde om zich onder de onmiddellijke bescherming van Tranquille te stellen.

Na een bespiedenden blik op den jager, wiens eerlijk en vrij gelaat en openhartige toespraak haar terstond van zijne opregtheid en goede trouw overtuigden, haddoñaCarmela zijn aanbodmet dankbaarheid aangenomen, daar zij zeer angstig was om in de duisternis onder eene of andere bende Indianen te geraken, die hier in menigte rondzwierven en die zij, bij hare onbekendheid met het terrein, onvermijdelijk in handen zou zijn gevallen.

Zij had zich dus met haar gids onmiddellijk op weg begeven naar de hacienda; maar omringd door duizend onzigtbare gevaren in den onzekeren nacht, had de galop van Lanzi’s paard hen in den waan gebragt dat er een vijandelijke troep Indianen voor hen uitreed; en mitsdien hadden zij steeds gezorgd op een behoorlijken afstand van hen te blijven, om bij de minste verdachte beweging hunner vijanden, terstond den teugel te kunnen wenden en hun in tijds te ontsnappen.

Na deze opheldering hield alle ongerustheid tusschen onze driepersonaadjenop; Carmela en Lanzi gevoelden zich gelukkig dat zij elkander zoo boven verwachting hadden weder gevonden.[152]

Terwijl thans de mesties haar op zijne beurt vertelde hoe hij zich van de Apachen had afgeholpen, bragt de jager als een voorzigtig man, de drie paarden naar een digt kreupelbosch, waar hij hen zorgvuldig verborg en van het noodige voeder voorzag; vervolgens keerde hij tot zijne nieuwe vrienden terug, die intusschen op het gras waren gaan zitten om eenige oogenblikken te rusten.

Toen de jager weder bij hen kwam, zeide Lanzi tegen Carmela:

„Waartoe zoudt gij u dezen nacht verder vermoeijen,Señorita? Onze nieuwe vriend en ik, wij zullen binnen weinige oogenblikken eene hut van takken bouwen, onder welke gij volkomen veilig zult uitrusten; gij kunt slapen tot de dag aankomt, dan gaan wij terstond weder op weg naar de hacienda. Voor het oogenblik hebt gij geen het minste gevaar te duchten, onder de bescherming van twee mannen die niet aarzelen zouden, hun leven voor u op te offeren als het noodig was.”

„Ik dank u wel, mijn goede Lanzi,” antwoordde het meisje, „uwe getrouwheid is mij bekend en ik zou niet aarzelen mij op u te verlaten, zoo ik op dit oogenblik door de vrees voor de Apachen gedreven werd. Ik verzeker u dat de gevaren die mij van de zijde der Roodhuiden bedreigen, geen den minsten invloed hebben op mijn besluit om zoo spoedig mogelijk weder op weg te gaan.”

„Welke gewigtige reden kan u dan daartoe verpligten,Señorita?” riep de mesties ten hoogste verwonderd.

„Dat, goede vriend, is eene zaak tusschen mijn vader en mij; laat het u genoeg zijn te weten dat ik hem nog dezen nacht volstrekt zien en spreken moet.”

„Goed, als gij er op staat,Señorita, geef ik toe,” antwoordde de mesties hoofdschuddend, „maar hoe het ook zij, gij zult mij toestemmen dat dit eene zonderlinge gril van u is.”

„Neen neen, goede Lanzi,” hervatte zij treurig, „het is geen gril; als gij later de reden zult hooren die mij dus doet handelen, ben ik overtuigd dat gij haar zult goedkeuren.”

„’t Is mogelijk; maar waarom kunt gij mij die niet terstond zeggen?”

„Omdat mij dit onmogelijk is.”

„Stil! stil!” riep de jager op eens tusschenbeide komende, „er valt niet langer over te redekavelen, wij moeten oogenblikkelijk van hier vertrekken.”

„Wat wilt gij ons zeggen?” riepen beiden verschrikt.[153]

„De Apachen hebben ons spoor gevonden, zij komen snel op ons af, over twintig minuten kunnen zij hier zijn; voor dezen keer bedrieg ik mij niet, zij zijn het zeker.”

Er volgde eene poos stilte.

DoñaCarmela en Lanzi luisterden met alle aandacht.

„Ik hoor niets,” zei de mesties een oogenblik later.

„Ik evenmin,” zei het meisje.

De jager glimlachte goedig.

„Gij kunt hen zeker nog niet hooren,” zeide hij, „want uwe ooren zijn niet zoo gewoon als de mijne om ieder geluid in de woestijn op te merken. Maar geloof toch hetgeen ik u zeg en verlaat u op eene ervaring die nimmer gefaald heeft: uwe vijanden zijn stellig in aantogt.”

„Wat moeten wij doen?” prevelde Carmela.

„Vlugten,” riep de mesties.

„Hoor eens,” hervatte de jager bedaard, „de Apachen zijn talrijk, bovendien zijn zij listig en wreed, wij kunnen hen niet anders overwinnen dan door list. Als wij hun weerstand wilden bieden waren wij verloren, en als wij alle drie te zamen vlugten vallen wij vroeg of laat in hunne magt; terwijl ik dus alleen hier blijf, gaat gij met deseñoritazoo spoedig mogelijk op weg, maar draag wel zorg dat gij vooraf de hoeven uwer paarden omwoelt, om het gedruisch van uw galop minder hoorbaar te maken.”

„En gij dan?” riep het meisje met drift.

„Ik zeg u immers dat ik hier zal blijven?”

„Ja, maar dan valt gij onvermijdelijk den Roodhuiden in handen, en die zullen u zeker vermoorden.”

„Misschien!” antwoordde hij met een onbeschrijfelijken zweem van weemoed, „maar dan zal mijn dood ten minste gediend hebben om u te redden.”

„Zeer goed,” zei Lanzi, „ik zeg u wel dank voor uw aanbod,caballero; maar ongelukkig kan noch mag ik het aannemen: zoo moeten de zaken hier niet gaan; ik ben de man die hier het spel begonnen heb, en ik alleen moet het op mijne manier eindigen. Vertrek gij met deseñorita, stel haar in de handen van haar vader, en zoo gij mij niet mogt wederzien, en hij u vraagt wat er gebeurd is, zeg hem dan eenvoudig, dat ik mijn woord gehouden en dat ik mijn leven voor haar heb opgeofferd.”

„Daar zal ik nooit in toestemmen,” zeidoñaCarmela met nadruk.

„Zwijg stil!” riep de mesties brusk, „vertrek, vertrek! gij hebt geen oogenblik te verliezen.”[154]

Ondanks de tegenstribbeling van het meisje, nam hij haar in zijne forsche armen en droeg haar op een drafje naar het kreupelbosch.

Carmela die wel begreep dat de mesties niet van zijn besluit was af te brengen, gehoorzaamde.

Ook de jager nam de edelmoedige zelfopoffering van Lanzi even gewillig aan als hij de zijne had aangeboden. Het gedrag van den mesties kwam hem zeer natuurlijk voor, hij maakte dus geen de minste tegenwerping en hield zich ijverig bezig met de paarden in orde te brengen.

„Vertrekt nu,” sprak de trouwe mesties toen de jager en het meisje waren opgestegen, „vertrekt, en God beware u!”

„En gij nu, mijn vriend?” moest Carmela hem nog toevoegen.

„Ik!” antwoordde Lanzi onbezorgd het hoofd schuddend, „die roode duivels hebben mij nog niet. Kom, maakt voort!”

Om alle verdere redewisseling af te snijden, gaf de mesties de paarden een fermen slag met zijnchicote, en de edele dieren snelden voort in galop, zoodat zij spoedig uit zijn oog verdwenen waren.

„Hum!” prevelde hij bedrukt, „voor ditmaal vrees ik toch dat het met mij wel gedaan zal zijn; maar om het even, canarios! ik zal vechten tot mijn laatstenademtogten als de heidenen mij krijgen zal het hun duur te staan komen.”

Na dit krachtige besluit te hebben genomen, dat hem al zijn moed scheen terug te geven, steeg de brave mesties te paard en hield zich gereed om te handelen.

De Apachen kwamen aanstormen met het klaterend gedruisch van een rollenden donder.

Reeds kon men in de verte hunne sombere gestalten zwart en onbestemd in de duisternis onderscheiden.

Lanzi nam de teugels tusschen zijne tanden en in iedere hand een pistool, en zoodra het gunstige oogenblik daar was, gaf hij zijn paard fel de sporen, en rende in gestrekten galop de Roodhuiden te gemoet, schuins op hun front af.

Toen hij hen onder zijn schot had, loste hij zijne twee pistolen tegelijk op den troep, onder het aanheffen van een uitdagenden kreet, terwijl hij met verdubbelde snelheid digt langs hen voorbij reed en zijnevlugtvoortzette.

Wat de mesties voorzien had, was gebeurd. Zijne schoten hadden geraakt. Twee Apachen waren levenloos in het zand gebuiteld.

De Indianen, woedend over dezen vermetelen aanval dien zij van een enkel man zoo niet hadden verwacht, stieten een vervaarlijken oorlogskreet uit en stoven hem gezamelijk na.[155]

Dit was, zooals wij reeds zeiden, juist wat Lanzi wenschte.

„Ha!” riep hij toen hij het welslagen van zijn krijgslist gezien had, „nu heb ik hen verzameld, en nu is er voor eerst geen nood dat zij zich zullen verspreiden; de anderen zijn gered. Wat mij betreft!… Bah! wie weet?”

DoñaCarmela en de jager waren aan de Apachen ontsnapt, maar om eenige oogenblikken later onder de tijgers te vervallen.

Wij hebben reeds gezien hoe zij, dank zij Tranquille, ook hiervan verlost werden.


Back to IndexNext