XVIII.

[Inhoud]XVIII.LANZI.Wij hebben aan het slot van het twaalfde hoofdstuk gezien dat de Jaguar de Venta verliet en Carmela er alleen achterbleef. Terwijl hij onstuimig wegreed, bleef zij hem een geruimen tijd nakijken, en toen zij hem eindelijk in een boschje van Peruboomen had[139]zien verdwijnen, liet zij het hoofd treurig op de borst zinken en keerde met langzamen tred naar de Venta terug.„Hij haat den kapitein,” mompelde zij ongerust in zich zelve, „hij haat hem; zou hij hem dus wel willen redden?”Zij zonk op eene bank neer en zat een geruime poos in diep gepeins.Eindelijk hief zij het hoofd op, een koortsachtig rood kleurde hare wangen, en hare anders zoo zachte oogen schitterden met ongewonen gloed.„Ik zal hem redden!” riep zij met fiere vastberadenheid.Na dezen uitroep stond zij op, en snel de zaal doorgaande opende zij de deur aan de zijde van de corral.„Lanzi!” riep zij.„Niña?” antwoordde de mesties, die op dit oogenblik bezig was met haver te geven aan twee fraaije paarden, die het meisje toebehoorden en die aan zijne bijzondere zorg waren toevertrouwd.„Kom hier!”„Ik kom; ik ben oogenblikkelijk tot uwe dienst.”Werkelijk liet hij zich niet lang wachten en verscheen hij geen vijf minuten later in de deur der zaal.„Wat was er van uwe bevelen,Señorita?” vroeg hij met die kalme onderdanigheid, welke aan bedorven huisknechten in Mexico eigen is, „ik heb het op het oogenblik zeer druk.”„Dat kan wel waar zijn, beste Lanzi,” antwoordde zij, „maar wat ik u te zeggen heb lijdt geen uitstel.”„Wel zoo!” riep hij min of meer verwonderd, „wat verlangt gij dan?”„Niets buitengewoons, vriend; alles in de Venta is in orde, zoo als gewoonlijk; ik heb u alleen eene dienst te verzoeken.”„Eene dienst, aan mij?”„Ja.”„Hum! gij hebt maar te spreken,Señorita, gij weet dat ik alles voor u doen zou.”„Het begint reeds laat te worden, waarschijnlijk komen er vandaag geen reizigers meer in de Venta.”De mesties keek op en berekende in gedachte den loop der zon.„Ik geloof ook niet dat er van daag nog reizigers komen zullen,” antwoordde hij eindelijk; „het is haast vier ure; maar toch, het kon wel zijn dat er nog een kwam.”„Er bestaat geen reden om het te veronderstellen.”„Reden om het te veronderstellen, neen,Señorita.”[140]„Goed, dan moest gij de Venta maar sluiten.”„De Venta sluiten! waarom dat?”„Ik zal het u zeggen.”„Is het inderdaad zoo belangrijk?”„Inderdaad.”„Spreek dan,Niña, ik ben geheel oor.”Het meisje keek haar trouwen mesties lang en vragend aan, terwijl hij als een paal voor haar stond; zij liet hare ellebogen op de tafel rusten en hervatte toen met eene zachte stem op onverschilligen toon.„Ik maak mij ongerust, Lanzi.”„Ongerust!” riep hij, „en waarover?”„Over het lang uitblijven van mijn vader.”„Hoe dat! hij is immers geen vier dagen geleden nog hier geweest?”„Hij heeft mij nog nooit zoo lang alleen gelaten.”„Maar.…” begon de mesties, terwijl hij zich verlegen achter het oor krabde.„Kortaf,” hervatte zij, opstaande en hem bepaald in de rede vallende, „ik maak mij ongerust over mijn vader en ik wil hem zien; gij sluit de Venta en zadelt de paarden, en wij gaan terstond naar de hacienda del Mezquite; dat is zoo ver niet, over vier of vijf uren kunnen wij terug zijn.”„Dat zal toch laat worden.”„Een reden te meer om dadelijk te vertrekken.”„Maar, als het uw.…”„Geene aanmerkingen, doe wat ik u zeg, ik wil het zoo.”De mesties boog het hoofd zonder te antwoorden; hij wist wel, als zijne meesteres dus sprak, dat er voor hem niets anders opzat dan te gehoorzamen.Het meisje deed een stap vooruit, legde haar kleine blanke hand den mesties op den schouder, bragt haar bevallige kopje digt bij zijn bruine gezigt, en sprak ten slotte, met een glimlach die den armen drommel bijna van blijdschap deed opspringen:„Wees toch niet boos op mij om deze gril, mijn goede Lanzi.”„Ik boos op u,Niña!” antwoordde de mesties met nadruk; „gij weet immers wel dat ik voor u door een vuur zou loopen als het wezen moest, hoe veel te meer dan zou ik zulk een onschuldigen inval van u niet gehoorzamen?”Met den meesten spoed grendelde hij de deuren en vensters der Venta, en ging toen naar de corral om de paarden te zadelen, terwijl Carmela met zenuwachtig ongeduld andere kleederen[141]aantrok, die beter voor haar eigenlijke reis konden dienen; want zij wilde den ouden knecht de waarheid niet zeggen, en had gansch andere voornemens dan om naar Tranquille te gaan.Maar de Voorzienigheid besliste het anders, en het plan dat zij in haar kleine hoofd had beraamd zou niet worden verwezenlijkt, gelijk wij later zien zullen.Op hetzelfde oogenblik toen zij, gekleed en gereed om te paard te stijgen, in de zaal terug kwam, stormde Lanzi de deur der corral binnen met een gezigt vol schrik en verslagenheid.Carmela vloog terstond naar hem toe, in den waan dat hij zich gekwetst had.„Wat scheelt u?” vroeg zij met belangstelling.„Wij zijn verloren!” antwoordde hij somber, terwijl hij verschrikt om zich heen zag.„Hoe dat, verloren!” riep zij, zigtbaar verbleekend, „wat wilt gij zeggen, mijn vriend?”De mesties wees met zijn vinger dat zij zwijgen zou, wenkte haar om te volgen en sloop terstond naar de corral terug.Carmela volgde hem op de hielen.De corral was door een heining van planken omgeven van omtrent twee ellen hoog. Lanzi bragt haar naar eene plaats waar zich in de schutting een reet bevond, breed genoeg om over het land uit te zien.„Zie eens!” zeide hij, haar de reet aanwijzende.Carmela gehoorzaamde, zij bragt haar gezigt digt tegen de planken.De avond begon reeds te dalen en de schemering, die met ieder oogenblik toenam, breidde zich snel uit over het omliggende landschap. Het was echter nog ligt genoeg om op eenige duizend passen afstand in de prairie een talrijken troep ruiters te onderscheiden, die in vollen galop de Venta naderden.Met een oogopslag had het meisje gezien dat het wilde Indianen waren.Deze ruiters, ten getale van vijftig, in vollen wapendos en ten oorlog toegerust, renden diep over den hals hunner ontembare paarden gebogen, en zwaaiden de lange lansen uitdagend boven hunne hoofden.„Mijn God! het zijn de Apachen!” riep Carmela, verschrikt terugdeinzend. „Hoe zijn die zoo ver kunnen doordringen, zonder dat wij iets van hunne komst hebben geweten?”De mesties schudde treurig het hoofd.[142]„Binnen weinige minuten zijn zij hier,” zeide hij; „wat zullen wij doen?”„Ons verdedigen!” riep het meisje vol moed; „het schijnt dat zij geene vuurwapenen bij zich hebben; wij kunnen dus achter de muren van ons huis gemakkelijk weerstand bieden tot de zon opkomt.”„En dan?” vroeg de mesties met een twijfelmoedig gezigt.„O!” riep zij in vervoering, „dan zal God ons wel helpen.”„Amen!” antwoordde de mesties, slechts half overtuigd dat zulk een wonder mogelijk was.„Haast u intusschen,” vervolgde zij, „om al de vuurwapens die wij hebben in de zaal te brengen; misschien zullen de Roodhuiden afdeinzen als zij zien dat zij zoo warm ontvangen worden; en bovendien, wie weet of zij ons wel eens aanvallen?”„Hum! de roode duivels zijn niet gek, zij weten zeer wel hoeveel volk hier in huis is; reken er dus maar niet op, dat zij zullen aftrekken eer zij er zich meester van hebben gemaakt.”„Welnu,” riep zij standvastig, „dan zij God ons genadig! wij zullen als dapperen in den strijd omkomen, liever dan ons lafhartig te laten vangen en slaven te worden van die ellendelingen zonder hart en zonder mededoogen.”„Welaan dan,” antwoordde de mesties, aangemoedigd door de heldhaftige taal van zijne gebiedster, „dan ten strijde! Gij weet,Señorita, dat ik niet bang ben om te vechten; laat de heidenen wel weten wat zij doen, want als zij niet oppassen, zou ik hun een trek kunnen spelen dien zij niet ligt zullen vergeten!”Hiermede werd het gesprek afgebroken, uithoofde van de noodzakelijkheid waarin de beide sprekers zich bevonden om hunne middelen van tegenweer gereed te maken; zij deden dit met een spoed en behendigheid, die duidelijk genoeg bewees dat zij niet voor de eerste maal zulk een hagchelijk oogenblik hadden doorgestaan.Onze lezers moeten zich niet te zeer verwonderen over den manhaftigen heldenmoed door Carmela in deze omstandigheden ten toon gespreid, op de grenzen der woestijn, waar men onophoudelijk aan de invallen der Indianen en stroopers van allerlei aard blootstaat, strijden de vrouwen zoowel als de mannen, en weet de zwakkere sekse zich bij voorkomende gelegenheden even dapper te toonen als hare broeders of echtgenooten.Carmela had zich niet bedrogen; het was wel degelijk een troepIndios bravosdie thans in galop op hen afkwam; weldra hadden zij de Venta bereikt en omsingelden haar aan alle kanten.[143]Gewoonlijk gaan de Indianen bij hunne vijandelijke invallen met de meeste omzigtigheid te werk, en zullen zij zich niet ligt bloot geven of zonder de noodige voorzorg naderen; thans echter was het aan hunne gansche houding te zien dat zij aan den goeden uitslag van hunne onderneming niet twijfelden, wel wetende dat het der Venta aan genoegzame verdedigers ontbrak.Toen zij het huis tot op twintig ellen genaderd waren, hielden zij stil, stegen af en schenen zich onderling te beraden.Lanzi maakte van deze weinige minuten uitstel gebruik om al de in de Venta voorhandene wapens in de zaal bijeen te brengen; er lagen weldra omtrent tien of twaalf karabijnen op de tafel.Ofschoon de deuren en vensters behoorlijk voorzien en met stevige luiken gesloten waren, gaf het aantal hier en daar in den muur aanwezige schietgaten gelegenheid genoeg om de bewegingen des vijands gade te slaan.Carmela, met een karabijn gewapend, had zich stoutmoedig aan de deur geplaatst, terwijl de mesties met een bezorgd gezigt gedurig in- en uitliep, om zoo het scheen uitvoering te geven aan een gewigtig en geheimzinnig plan van verdediging; wat hij eigentlijk voorbereidde, kon Carmela in de toenemende duisternis moeijelijk opmerken.„Ziedaar,” zeide hij eenige oogenblikken later, „nu is alles gereed, laat hen nu maar komen, zoo zij willen. Leg uwe karabijn maar op deze tafel,Señorita; het is niet door geweld, maar door list dat wij die duivels kunnen overwinnen; laat mij slechts begaan.”„Wat is uw plan?” vroeg zij.„Dat zult gij zien; ik heb daar buiten in de corral twee planken in de schutting doorgezaagd; stijg gij nu te paard, en zoodra gij mij de voordeur hoort openen, neem gij dan spoorslags de vlugt.”„Maar wat gij dan?”„Bekommer u niet over mij, maar stijg te paard en doe wat ik u zeg.”„Ik wil u niet verlaten.”„Ba, ba! geen haarklooverijen; ik ben oud, mijn leven is zooveel niet meer waard, het uwe is kostbaar, gij moet gered worden; laat mij begaan, zeg ik u.”„Neen Lanzi, als gij mij niet zegt …”„Ik zeg u niets; gij zult Tranquille vinden aan het veer del Venado; geen woord meer!”[144]„Helaas! staat het zoo?” riep zij; „o neen! dan zweer ik dat ik niet van u weg ga, wat er ook gebeure.”„Gij doet dwaas; ik heb u immers gezegd dat ik dezen Indianen een fijnen trek zou spelen?”„Zult gij werkelijk.”„Gij zult het zien. Alleen maar, daar ik vrees dat gij de een of andere onvoorzigtigheid zoudt begaan, verlang ik u eerst te zien vertrekken, dat is alles.”„Zegt gij mij de waarheid?”„Zeer zeker! Gij kunt er stellig op aan dat ik over vijf minuten weder bij u ben.”„Belooft gij mij dat?”„Denkt gij dan dat ik zooveel lust zou hebben om hier te blijven?”„Maar wat wilt gij eigentlijk doen?”„Daar zijn de Indianen reeds! Ga de zaal uit en verzuim niet, om zoodra gij mij de deur voor de Roodhuiden hoort openen spoorslags te vertrekken in de rigting van het veer del Venado.”„Maar ik reken …”„Ga, ga toch!” viel Lanzi haar in de rede, haar naar de corral drijvende, „en denk aan onze afspraak.”Het meisje gehoorzaamde tegen wil en dank; doch op dit oogenblik werd er hevig op de deur en de buitenblinden geklopt; de mesties maakte van deze gelegenheid gebruik om de deur der corral achter Carmela te sluiten.„Ik heb Tranquille gezworen dat ik haar beschermen zou, wat er ook gebeuren mogt,” prevelde hij. „En kan ik haar niet anders redden dan door mij voor haar op te offeren, welnu! ik wil sterven, maarcuerpo de Dios! ik zal mij een schoone begrafenis weten te verschaffen.”Er werd weder op de blinden gebeukt, maar nu met zooveel geweld, dat men gemakkelijk kon voorzien dat zij niet lang weerstand zouden bieden.„Wie is daar?” vroeg de mesties met een bedaarde stem.„Gente de paz,” antwoordde men daar buiten.„Gente de paz!” herhaalde Lanzi, „nu, als gij goed volk zijt, hebt gij wel eene zonderlinge manier van aan te kloppen.”„Doe open! doe open!” riep de stem daar buiten.„Dat wil ik met pleizier doen, maar wie verzekert mij dat gij mij geen overlast doet?”„Doe open! of wij breken de deur in!”[145]„O ho!” riep de mesties, „gij schijnt er al mooi mede bezig; geeft u maar zooveel moeite niet, ik zal open doen.”Het kloppen hield op.De mesties ontgrendelde de deur en opende haar, en de Indianen stormden naar binnen onder vervaarlijk geschreeuw en vreugdegejuich.Lanzi had zich in tijds teruggetrokken om hen door te laten, en hoorde op dit oogenblik tot zijn onuitsprekelijk genoegen den galop van een paard dat zich snel verwijderde.De Indianen gaven geen acht op dit geluid.„Geef ons drank;” riepen zij.„Wat wilt gij voor drank?” vroeg de mesties, dien het slechts te doen was om tijd te winnen.„Vuurwater!” brulden de Indianen.Lanzi beijverde zich om hen te dienen. De zwelgpartij ving aan.Wel wetende dat zij, nu de deur eenmaal open was, niets van de bewoners der Venta te vreezen hadden, waren de Roodhuiden onbesuisd naar binnen gedrongen, zonder het noodig te achten om schildwachten te plaatsen; deze nalatigheid, op welke Lanzi wel gerekend had, gaf aan Carmela de beste gelegenheid om ongemerkt weg te komen.De Indianen en vooral de Apachen, zijn hartstogtelijk belust op sterken drank en gaan er zich toomeloos aan te buiten zoo vaak zij dien krijgen kunnen; alleen de Comanchen verdienen den lof eener beproefde matigheid en hebben zich tot hiertoe weten te bewaren voor deze noodlottige drankzucht, die de verdierlijking en den ondergang van al de overige Indianen-stammen na zich sleept.Lanzi lette met heimelijk welgevallen en spot op de uitspattingen der Roodhuiden, die zich rondom de tafels verdrongen, en met volle teugen de bekers mezcal en whiskey verzwolgen die hij hun voorzette; hunne oogen begonnen reeds te schemeren en hunne aangezigten te gloeijen, zij wisten niet meer wat zij deden of spraken, en dachten aan niets dan om zich een vrolijken roes te drinken.Eensklaps voelde de mesties eene hand op zijn schouder, hij keek om, en een Indiaan stond met de armen op de borst gekruist voor hem.„Wat wilt gij?” vroeg Lanzi.„De Blaauwe-Vos is een opperhoofd,” antwoordde de Indiaan, „en hij heeft het Bleekgezigt iets te zeggen.”[146]„Is de Blaauwe-Vos misschien niet tevreden over de wijs waarop ik hem of zijne kameraden ontvangen heb?” vroeg Lanzi.„Dat is het niet, de krijgslieden drinken, maar hun opperhoofdwilwat anders.”„Och! dat spijt mij,” zei de mesties, „want ik heb alles gegeven wat ik had.”„Neen,” antwoordde de Indiaan droog.„Hoe dat neen?”„Waar is het meisje met het gouden haar?”„Ik begrijp u niet, hoofdman,” zei Lanzi, die hem intusschen zeer goed begreep.De Indiaan glimlachte.„Laat het Bleekgezigt den Blaauwe-Vos maar eens goed in de oogen kijken, dan zal hij wel zien dat hij een opperhoofd is en geenszins een kind dat zich met logens laat vrolijk maken. Waar is dus het meisje met het gouden haar gebleven, dat hier bij mijn broeder woont?”„De vrouw daar gij van spreekt, zoo gij ten minste het jonge meisje bedoelt aan wie dit huis toebehoort.…”„Ja! ja,” riep de Indiaan.„Welnu, die is niet hier.”De Blaauwe-Vos keek hem uitvorschend aan.„Het Bleekgezigt liegt,” zeide hij.„Zoek haar vrij.”„Zij was hier nog, geen uur geleden.”„Dat is wel mogelijk.”„Waar is zij?”„Zoek haar.”„Het Bleekgezigt is een hond, ik zal hem scalperen.”„Wel moge het u bekomen,” antwoordde de mesties spotachtig.Ongelukkigerwijs had Lanzi zich bij het uitspreken van deze woorden een triomfanten blik in de rigting der corral laten ontglippen; de Sachem liet dit niet onopgemerkt, hij stormde naar de corral, opende de deur en slaakte een kreet van teleurstelling, toen hij de bres in de schutting zag; thans was hem de zaak opgehelderd.„Hond!” brulde hij, en terstond het scalpeermes uit zijn gordel rukkende, smeet hij het woest naar zijn vijand.Deze echter, die hem scherp in ’t oog hield, ontweek den worp, zoodat het mes eenige duimen bezijden zijn hoofd in het beschot bleef steken.[147]Lanzi herstelde zich oogenblikkelijk, en over de schenktafel springende, vloog hij naar den Blaauwen-Vos.De Indianen stonden in massa op; sommigen staken het huis in brand, anderen grepen hunne wapenen en ijlden als wilde dieren den mesties achterna.Toen de laatstgenoemde de deur der corral bereikt had, keerde hij zich om, en schoot zijne pistolen af onder den woesten hoop, die daardoor in verwarring terugdeinsde; ijlings liep hij thans de corral in, sprong oogenblikkelijk te paard, gaf het de sporen en reed door de bres der schutting naar buiten.Op het zelfde oogenblik had er kort achter hem eene vreeselijke ontploffing plaats, de grond schokte geweldig, en eene verwarde massa van steenen, pannen, planken en balken en allerlei puin stortte achter en rondom den ruiter en zijn voorthollend paard neder.De Venta del Potrero was in de lucht gesprongen en had de Apachen die er zich in bevonden onder haar puin bedolven.Dit was de trek dien Lanzi zich had voorgenomen den Indianen te spelen; hij had eenige vaatjes buskruid, die in den kelder der Venta lagen, met een loopend lont in verband gebragt, toen dus de Apachen het huis poogden in brand te steken was deze geïmproviseerde mijn op het juiste oogenblik gesprongen.Onze lezers zullen nu begrijpen waarom hij er zoo sterk op aandrong, dat Carmela zich ten spoedigste zou verwijderen.De heldhaftige mesties mogt van bijzonder geluk spreken dat hij er zelf zoo goed afkwam: zoo min hij als zijn paard waren gekwetst; het edele dier, een mustang in de wildernis geboren, rende met dampende neusgaten in duizelende snelheid door de prairie, alsof hem de stormwind vleugelen had gegeven. De ongeduldige ruiter gunde het geen oogenblik verademing en smoorde het onophoudelijk aan met stem en gebaren, vooral daar hij weldra meende tamelijk kort achter zich den galop van een ander paard te hooren dat hem scheen te vervolgen.Ongelukkig was de nacht te donker om hem te doen zien wat er van was en zich te overtuigen of hij zich hierin niet bedroog.[148]

[Inhoud]XVIII.LANZI.Wij hebben aan het slot van het twaalfde hoofdstuk gezien dat de Jaguar de Venta verliet en Carmela er alleen achterbleef. Terwijl hij onstuimig wegreed, bleef zij hem een geruimen tijd nakijken, en toen zij hem eindelijk in een boschje van Peruboomen had[139]zien verdwijnen, liet zij het hoofd treurig op de borst zinken en keerde met langzamen tred naar de Venta terug.„Hij haat den kapitein,” mompelde zij ongerust in zich zelve, „hij haat hem; zou hij hem dus wel willen redden?”Zij zonk op eene bank neer en zat een geruime poos in diep gepeins.Eindelijk hief zij het hoofd op, een koortsachtig rood kleurde hare wangen, en hare anders zoo zachte oogen schitterden met ongewonen gloed.„Ik zal hem redden!” riep zij met fiere vastberadenheid.Na dezen uitroep stond zij op, en snel de zaal doorgaande opende zij de deur aan de zijde van de corral.„Lanzi!” riep zij.„Niña?” antwoordde de mesties, die op dit oogenblik bezig was met haver te geven aan twee fraaije paarden, die het meisje toebehoorden en die aan zijne bijzondere zorg waren toevertrouwd.„Kom hier!”„Ik kom; ik ben oogenblikkelijk tot uwe dienst.”Werkelijk liet hij zich niet lang wachten en verscheen hij geen vijf minuten later in de deur der zaal.„Wat was er van uwe bevelen,Señorita?” vroeg hij met die kalme onderdanigheid, welke aan bedorven huisknechten in Mexico eigen is, „ik heb het op het oogenblik zeer druk.”„Dat kan wel waar zijn, beste Lanzi,” antwoordde zij, „maar wat ik u te zeggen heb lijdt geen uitstel.”„Wel zoo!” riep hij min of meer verwonderd, „wat verlangt gij dan?”„Niets buitengewoons, vriend; alles in de Venta is in orde, zoo als gewoonlijk; ik heb u alleen eene dienst te verzoeken.”„Eene dienst, aan mij?”„Ja.”„Hum! gij hebt maar te spreken,Señorita, gij weet dat ik alles voor u doen zou.”„Het begint reeds laat te worden, waarschijnlijk komen er vandaag geen reizigers meer in de Venta.”De mesties keek op en berekende in gedachte den loop der zon.„Ik geloof ook niet dat er van daag nog reizigers komen zullen,” antwoordde hij eindelijk; „het is haast vier ure; maar toch, het kon wel zijn dat er nog een kwam.”„Er bestaat geen reden om het te veronderstellen.”„Reden om het te veronderstellen, neen,Señorita.”[140]„Goed, dan moest gij de Venta maar sluiten.”„De Venta sluiten! waarom dat?”„Ik zal het u zeggen.”„Is het inderdaad zoo belangrijk?”„Inderdaad.”„Spreek dan,Niña, ik ben geheel oor.”Het meisje keek haar trouwen mesties lang en vragend aan, terwijl hij als een paal voor haar stond; zij liet hare ellebogen op de tafel rusten en hervatte toen met eene zachte stem op onverschilligen toon.„Ik maak mij ongerust, Lanzi.”„Ongerust!” riep hij, „en waarover?”„Over het lang uitblijven van mijn vader.”„Hoe dat! hij is immers geen vier dagen geleden nog hier geweest?”„Hij heeft mij nog nooit zoo lang alleen gelaten.”„Maar.…” begon de mesties, terwijl hij zich verlegen achter het oor krabde.„Kortaf,” hervatte zij, opstaande en hem bepaald in de rede vallende, „ik maak mij ongerust over mijn vader en ik wil hem zien; gij sluit de Venta en zadelt de paarden, en wij gaan terstond naar de hacienda del Mezquite; dat is zoo ver niet, over vier of vijf uren kunnen wij terug zijn.”„Dat zal toch laat worden.”„Een reden te meer om dadelijk te vertrekken.”„Maar, als het uw.…”„Geene aanmerkingen, doe wat ik u zeg, ik wil het zoo.”De mesties boog het hoofd zonder te antwoorden; hij wist wel, als zijne meesteres dus sprak, dat er voor hem niets anders opzat dan te gehoorzamen.Het meisje deed een stap vooruit, legde haar kleine blanke hand den mesties op den schouder, bragt haar bevallige kopje digt bij zijn bruine gezigt, en sprak ten slotte, met een glimlach die den armen drommel bijna van blijdschap deed opspringen:„Wees toch niet boos op mij om deze gril, mijn goede Lanzi.”„Ik boos op u,Niña!” antwoordde de mesties met nadruk; „gij weet immers wel dat ik voor u door een vuur zou loopen als het wezen moest, hoe veel te meer dan zou ik zulk een onschuldigen inval van u niet gehoorzamen?”Met den meesten spoed grendelde hij de deuren en vensters der Venta, en ging toen naar de corral om de paarden te zadelen, terwijl Carmela met zenuwachtig ongeduld andere kleederen[141]aantrok, die beter voor haar eigenlijke reis konden dienen; want zij wilde den ouden knecht de waarheid niet zeggen, en had gansch andere voornemens dan om naar Tranquille te gaan.Maar de Voorzienigheid besliste het anders, en het plan dat zij in haar kleine hoofd had beraamd zou niet worden verwezenlijkt, gelijk wij later zien zullen.Op hetzelfde oogenblik toen zij, gekleed en gereed om te paard te stijgen, in de zaal terug kwam, stormde Lanzi de deur der corral binnen met een gezigt vol schrik en verslagenheid.Carmela vloog terstond naar hem toe, in den waan dat hij zich gekwetst had.„Wat scheelt u?” vroeg zij met belangstelling.„Wij zijn verloren!” antwoordde hij somber, terwijl hij verschrikt om zich heen zag.„Hoe dat, verloren!” riep zij, zigtbaar verbleekend, „wat wilt gij zeggen, mijn vriend?”De mesties wees met zijn vinger dat zij zwijgen zou, wenkte haar om te volgen en sloop terstond naar de corral terug.Carmela volgde hem op de hielen.De corral was door een heining van planken omgeven van omtrent twee ellen hoog. Lanzi bragt haar naar eene plaats waar zich in de schutting een reet bevond, breed genoeg om over het land uit te zien.„Zie eens!” zeide hij, haar de reet aanwijzende.Carmela gehoorzaamde, zij bragt haar gezigt digt tegen de planken.De avond begon reeds te dalen en de schemering, die met ieder oogenblik toenam, breidde zich snel uit over het omliggende landschap. Het was echter nog ligt genoeg om op eenige duizend passen afstand in de prairie een talrijken troep ruiters te onderscheiden, die in vollen galop de Venta naderden.Met een oogopslag had het meisje gezien dat het wilde Indianen waren.Deze ruiters, ten getale van vijftig, in vollen wapendos en ten oorlog toegerust, renden diep over den hals hunner ontembare paarden gebogen, en zwaaiden de lange lansen uitdagend boven hunne hoofden.„Mijn God! het zijn de Apachen!” riep Carmela, verschrikt terugdeinzend. „Hoe zijn die zoo ver kunnen doordringen, zonder dat wij iets van hunne komst hebben geweten?”De mesties schudde treurig het hoofd.[142]„Binnen weinige minuten zijn zij hier,” zeide hij; „wat zullen wij doen?”„Ons verdedigen!” riep het meisje vol moed; „het schijnt dat zij geene vuurwapenen bij zich hebben; wij kunnen dus achter de muren van ons huis gemakkelijk weerstand bieden tot de zon opkomt.”„En dan?” vroeg de mesties met een twijfelmoedig gezigt.„O!” riep zij in vervoering, „dan zal God ons wel helpen.”„Amen!” antwoordde de mesties, slechts half overtuigd dat zulk een wonder mogelijk was.„Haast u intusschen,” vervolgde zij, „om al de vuurwapens die wij hebben in de zaal te brengen; misschien zullen de Roodhuiden afdeinzen als zij zien dat zij zoo warm ontvangen worden; en bovendien, wie weet of zij ons wel eens aanvallen?”„Hum! de roode duivels zijn niet gek, zij weten zeer wel hoeveel volk hier in huis is; reken er dus maar niet op, dat zij zullen aftrekken eer zij er zich meester van hebben gemaakt.”„Welnu,” riep zij standvastig, „dan zij God ons genadig! wij zullen als dapperen in den strijd omkomen, liever dan ons lafhartig te laten vangen en slaven te worden van die ellendelingen zonder hart en zonder mededoogen.”„Welaan dan,” antwoordde de mesties, aangemoedigd door de heldhaftige taal van zijne gebiedster, „dan ten strijde! Gij weet,Señorita, dat ik niet bang ben om te vechten; laat de heidenen wel weten wat zij doen, want als zij niet oppassen, zou ik hun een trek kunnen spelen dien zij niet ligt zullen vergeten!”Hiermede werd het gesprek afgebroken, uithoofde van de noodzakelijkheid waarin de beide sprekers zich bevonden om hunne middelen van tegenweer gereed te maken; zij deden dit met een spoed en behendigheid, die duidelijk genoeg bewees dat zij niet voor de eerste maal zulk een hagchelijk oogenblik hadden doorgestaan.Onze lezers moeten zich niet te zeer verwonderen over den manhaftigen heldenmoed door Carmela in deze omstandigheden ten toon gespreid, op de grenzen der woestijn, waar men onophoudelijk aan de invallen der Indianen en stroopers van allerlei aard blootstaat, strijden de vrouwen zoowel als de mannen, en weet de zwakkere sekse zich bij voorkomende gelegenheden even dapper te toonen als hare broeders of echtgenooten.Carmela had zich niet bedrogen; het was wel degelijk een troepIndios bravosdie thans in galop op hen afkwam; weldra hadden zij de Venta bereikt en omsingelden haar aan alle kanten.[143]Gewoonlijk gaan de Indianen bij hunne vijandelijke invallen met de meeste omzigtigheid te werk, en zullen zij zich niet ligt bloot geven of zonder de noodige voorzorg naderen; thans echter was het aan hunne gansche houding te zien dat zij aan den goeden uitslag van hunne onderneming niet twijfelden, wel wetende dat het der Venta aan genoegzame verdedigers ontbrak.Toen zij het huis tot op twintig ellen genaderd waren, hielden zij stil, stegen af en schenen zich onderling te beraden.Lanzi maakte van deze weinige minuten uitstel gebruik om al de in de Venta voorhandene wapens in de zaal bijeen te brengen; er lagen weldra omtrent tien of twaalf karabijnen op de tafel.Ofschoon de deuren en vensters behoorlijk voorzien en met stevige luiken gesloten waren, gaf het aantal hier en daar in den muur aanwezige schietgaten gelegenheid genoeg om de bewegingen des vijands gade te slaan.Carmela, met een karabijn gewapend, had zich stoutmoedig aan de deur geplaatst, terwijl de mesties met een bezorgd gezigt gedurig in- en uitliep, om zoo het scheen uitvoering te geven aan een gewigtig en geheimzinnig plan van verdediging; wat hij eigentlijk voorbereidde, kon Carmela in de toenemende duisternis moeijelijk opmerken.„Ziedaar,” zeide hij eenige oogenblikken later, „nu is alles gereed, laat hen nu maar komen, zoo zij willen. Leg uwe karabijn maar op deze tafel,Señorita; het is niet door geweld, maar door list dat wij die duivels kunnen overwinnen; laat mij slechts begaan.”„Wat is uw plan?” vroeg zij.„Dat zult gij zien; ik heb daar buiten in de corral twee planken in de schutting doorgezaagd; stijg gij nu te paard, en zoodra gij mij de voordeur hoort openen, neem gij dan spoorslags de vlugt.”„Maar wat gij dan?”„Bekommer u niet over mij, maar stijg te paard en doe wat ik u zeg.”„Ik wil u niet verlaten.”„Ba, ba! geen haarklooverijen; ik ben oud, mijn leven is zooveel niet meer waard, het uwe is kostbaar, gij moet gered worden; laat mij begaan, zeg ik u.”„Neen Lanzi, als gij mij niet zegt …”„Ik zeg u niets; gij zult Tranquille vinden aan het veer del Venado; geen woord meer!”[144]„Helaas! staat het zoo?” riep zij; „o neen! dan zweer ik dat ik niet van u weg ga, wat er ook gebeure.”„Gij doet dwaas; ik heb u immers gezegd dat ik dezen Indianen een fijnen trek zou spelen?”„Zult gij werkelijk.”„Gij zult het zien. Alleen maar, daar ik vrees dat gij de een of andere onvoorzigtigheid zoudt begaan, verlang ik u eerst te zien vertrekken, dat is alles.”„Zegt gij mij de waarheid?”„Zeer zeker! Gij kunt er stellig op aan dat ik over vijf minuten weder bij u ben.”„Belooft gij mij dat?”„Denkt gij dan dat ik zooveel lust zou hebben om hier te blijven?”„Maar wat wilt gij eigentlijk doen?”„Daar zijn de Indianen reeds! Ga de zaal uit en verzuim niet, om zoodra gij mij de deur voor de Roodhuiden hoort openen spoorslags te vertrekken in de rigting van het veer del Venado.”„Maar ik reken …”„Ga, ga toch!” viel Lanzi haar in de rede, haar naar de corral drijvende, „en denk aan onze afspraak.”Het meisje gehoorzaamde tegen wil en dank; doch op dit oogenblik werd er hevig op de deur en de buitenblinden geklopt; de mesties maakte van deze gelegenheid gebruik om de deur der corral achter Carmela te sluiten.„Ik heb Tranquille gezworen dat ik haar beschermen zou, wat er ook gebeuren mogt,” prevelde hij. „En kan ik haar niet anders redden dan door mij voor haar op te offeren, welnu! ik wil sterven, maarcuerpo de Dios! ik zal mij een schoone begrafenis weten te verschaffen.”Er werd weder op de blinden gebeukt, maar nu met zooveel geweld, dat men gemakkelijk kon voorzien dat zij niet lang weerstand zouden bieden.„Wie is daar?” vroeg de mesties met een bedaarde stem.„Gente de paz,” antwoordde men daar buiten.„Gente de paz!” herhaalde Lanzi, „nu, als gij goed volk zijt, hebt gij wel eene zonderlinge manier van aan te kloppen.”„Doe open! doe open!” riep de stem daar buiten.„Dat wil ik met pleizier doen, maar wie verzekert mij dat gij mij geen overlast doet?”„Doe open! of wij breken de deur in!”[145]„O ho!” riep de mesties, „gij schijnt er al mooi mede bezig; geeft u maar zooveel moeite niet, ik zal open doen.”Het kloppen hield op.De mesties ontgrendelde de deur en opende haar, en de Indianen stormden naar binnen onder vervaarlijk geschreeuw en vreugdegejuich.Lanzi had zich in tijds teruggetrokken om hen door te laten, en hoorde op dit oogenblik tot zijn onuitsprekelijk genoegen den galop van een paard dat zich snel verwijderde.De Indianen gaven geen acht op dit geluid.„Geef ons drank;” riepen zij.„Wat wilt gij voor drank?” vroeg de mesties, dien het slechts te doen was om tijd te winnen.„Vuurwater!” brulden de Indianen.Lanzi beijverde zich om hen te dienen. De zwelgpartij ving aan.Wel wetende dat zij, nu de deur eenmaal open was, niets van de bewoners der Venta te vreezen hadden, waren de Roodhuiden onbesuisd naar binnen gedrongen, zonder het noodig te achten om schildwachten te plaatsen; deze nalatigheid, op welke Lanzi wel gerekend had, gaf aan Carmela de beste gelegenheid om ongemerkt weg te komen.De Indianen en vooral de Apachen, zijn hartstogtelijk belust op sterken drank en gaan er zich toomeloos aan te buiten zoo vaak zij dien krijgen kunnen; alleen de Comanchen verdienen den lof eener beproefde matigheid en hebben zich tot hiertoe weten te bewaren voor deze noodlottige drankzucht, die de verdierlijking en den ondergang van al de overige Indianen-stammen na zich sleept.Lanzi lette met heimelijk welgevallen en spot op de uitspattingen der Roodhuiden, die zich rondom de tafels verdrongen, en met volle teugen de bekers mezcal en whiskey verzwolgen die hij hun voorzette; hunne oogen begonnen reeds te schemeren en hunne aangezigten te gloeijen, zij wisten niet meer wat zij deden of spraken, en dachten aan niets dan om zich een vrolijken roes te drinken.Eensklaps voelde de mesties eene hand op zijn schouder, hij keek om, en een Indiaan stond met de armen op de borst gekruist voor hem.„Wat wilt gij?” vroeg Lanzi.„De Blaauwe-Vos is een opperhoofd,” antwoordde de Indiaan, „en hij heeft het Bleekgezigt iets te zeggen.”[146]„Is de Blaauwe-Vos misschien niet tevreden over de wijs waarop ik hem of zijne kameraden ontvangen heb?” vroeg Lanzi.„Dat is het niet, de krijgslieden drinken, maar hun opperhoofdwilwat anders.”„Och! dat spijt mij,” zei de mesties, „want ik heb alles gegeven wat ik had.”„Neen,” antwoordde de Indiaan droog.„Hoe dat neen?”„Waar is het meisje met het gouden haar?”„Ik begrijp u niet, hoofdman,” zei Lanzi, die hem intusschen zeer goed begreep.De Indiaan glimlachte.„Laat het Bleekgezigt den Blaauwe-Vos maar eens goed in de oogen kijken, dan zal hij wel zien dat hij een opperhoofd is en geenszins een kind dat zich met logens laat vrolijk maken. Waar is dus het meisje met het gouden haar gebleven, dat hier bij mijn broeder woont?”„De vrouw daar gij van spreekt, zoo gij ten minste het jonge meisje bedoelt aan wie dit huis toebehoort.…”„Ja! ja,” riep de Indiaan.„Welnu, die is niet hier.”De Blaauwe-Vos keek hem uitvorschend aan.„Het Bleekgezigt liegt,” zeide hij.„Zoek haar vrij.”„Zij was hier nog, geen uur geleden.”„Dat is wel mogelijk.”„Waar is zij?”„Zoek haar.”„Het Bleekgezigt is een hond, ik zal hem scalperen.”„Wel moge het u bekomen,” antwoordde de mesties spotachtig.Ongelukkigerwijs had Lanzi zich bij het uitspreken van deze woorden een triomfanten blik in de rigting der corral laten ontglippen; de Sachem liet dit niet onopgemerkt, hij stormde naar de corral, opende de deur en slaakte een kreet van teleurstelling, toen hij de bres in de schutting zag; thans was hem de zaak opgehelderd.„Hond!” brulde hij, en terstond het scalpeermes uit zijn gordel rukkende, smeet hij het woest naar zijn vijand.Deze echter, die hem scherp in ’t oog hield, ontweek den worp, zoodat het mes eenige duimen bezijden zijn hoofd in het beschot bleef steken.[147]Lanzi herstelde zich oogenblikkelijk, en over de schenktafel springende, vloog hij naar den Blaauwen-Vos.De Indianen stonden in massa op; sommigen staken het huis in brand, anderen grepen hunne wapenen en ijlden als wilde dieren den mesties achterna.Toen de laatstgenoemde de deur der corral bereikt had, keerde hij zich om, en schoot zijne pistolen af onder den woesten hoop, die daardoor in verwarring terugdeinsde; ijlings liep hij thans de corral in, sprong oogenblikkelijk te paard, gaf het de sporen en reed door de bres der schutting naar buiten.Op het zelfde oogenblik had er kort achter hem eene vreeselijke ontploffing plaats, de grond schokte geweldig, en eene verwarde massa van steenen, pannen, planken en balken en allerlei puin stortte achter en rondom den ruiter en zijn voorthollend paard neder.De Venta del Potrero was in de lucht gesprongen en had de Apachen die er zich in bevonden onder haar puin bedolven.Dit was de trek dien Lanzi zich had voorgenomen den Indianen te spelen; hij had eenige vaatjes buskruid, die in den kelder der Venta lagen, met een loopend lont in verband gebragt, toen dus de Apachen het huis poogden in brand te steken was deze geïmproviseerde mijn op het juiste oogenblik gesprongen.Onze lezers zullen nu begrijpen waarom hij er zoo sterk op aandrong, dat Carmela zich ten spoedigste zou verwijderen.De heldhaftige mesties mogt van bijzonder geluk spreken dat hij er zelf zoo goed afkwam: zoo min hij als zijn paard waren gekwetst; het edele dier, een mustang in de wildernis geboren, rende met dampende neusgaten in duizelende snelheid door de prairie, alsof hem de stormwind vleugelen had gegeven. De ongeduldige ruiter gunde het geen oogenblik verademing en smoorde het onophoudelijk aan met stem en gebaren, vooral daar hij weldra meende tamelijk kort achter zich den galop van een ander paard te hooren dat hem scheen te vervolgen.Ongelukkig was de nacht te donker om hem te doen zien wat er van was en zich te overtuigen of hij zich hierin niet bedroog.[148]

XVIII.LANZI.

Wij hebben aan het slot van het twaalfde hoofdstuk gezien dat de Jaguar de Venta verliet en Carmela er alleen achterbleef. Terwijl hij onstuimig wegreed, bleef zij hem een geruimen tijd nakijken, en toen zij hem eindelijk in een boschje van Peruboomen had[139]zien verdwijnen, liet zij het hoofd treurig op de borst zinken en keerde met langzamen tred naar de Venta terug.„Hij haat den kapitein,” mompelde zij ongerust in zich zelve, „hij haat hem; zou hij hem dus wel willen redden?”Zij zonk op eene bank neer en zat een geruime poos in diep gepeins.Eindelijk hief zij het hoofd op, een koortsachtig rood kleurde hare wangen, en hare anders zoo zachte oogen schitterden met ongewonen gloed.„Ik zal hem redden!” riep zij met fiere vastberadenheid.Na dezen uitroep stond zij op, en snel de zaal doorgaande opende zij de deur aan de zijde van de corral.„Lanzi!” riep zij.„Niña?” antwoordde de mesties, die op dit oogenblik bezig was met haver te geven aan twee fraaije paarden, die het meisje toebehoorden en die aan zijne bijzondere zorg waren toevertrouwd.„Kom hier!”„Ik kom; ik ben oogenblikkelijk tot uwe dienst.”Werkelijk liet hij zich niet lang wachten en verscheen hij geen vijf minuten later in de deur der zaal.„Wat was er van uwe bevelen,Señorita?” vroeg hij met die kalme onderdanigheid, welke aan bedorven huisknechten in Mexico eigen is, „ik heb het op het oogenblik zeer druk.”„Dat kan wel waar zijn, beste Lanzi,” antwoordde zij, „maar wat ik u te zeggen heb lijdt geen uitstel.”„Wel zoo!” riep hij min of meer verwonderd, „wat verlangt gij dan?”„Niets buitengewoons, vriend; alles in de Venta is in orde, zoo als gewoonlijk; ik heb u alleen eene dienst te verzoeken.”„Eene dienst, aan mij?”„Ja.”„Hum! gij hebt maar te spreken,Señorita, gij weet dat ik alles voor u doen zou.”„Het begint reeds laat te worden, waarschijnlijk komen er vandaag geen reizigers meer in de Venta.”De mesties keek op en berekende in gedachte den loop der zon.„Ik geloof ook niet dat er van daag nog reizigers komen zullen,” antwoordde hij eindelijk; „het is haast vier ure; maar toch, het kon wel zijn dat er nog een kwam.”„Er bestaat geen reden om het te veronderstellen.”„Reden om het te veronderstellen, neen,Señorita.”[140]„Goed, dan moest gij de Venta maar sluiten.”„De Venta sluiten! waarom dat?”„Ik zal het u zeggen.”„Is het inderdaad zoo belangrijk?”„Inderdaad.”„Spreek dan,Niña, ik ben geheel oor.”Het meisje keek haar trouwen mesties lang en vragend aan, terwijl hij als een paal voor haar stond; zij liet hare ellebogen op de tafel rusten en hervatte toen met eene zachte stem op onverschilligen toon.„Ik maak mij ongerust, Lanzi.”„Ongerust!” riep hij, „en waarover?”„Over het lang uitblijven van mijn vader.”„Hoe dat! hij is immers geen vier dagen geleden nog hier geweest?”„Hij heeft mij nog nooit zoo lang alleen gelaten.”„Maar.…” begon de mesties, terwijl hij zich verlegen achter het oor krabde.„Kortaf,” hervatte zij, opstaande en hem bepaald in de rede vallende, „ik maak mij ongerust over mijn vader en ik wil hem zien; gij sluit de Venta en zadelt de paarden, en wij gaan terstond naar de hacienda del Mezquite; dat is zoo ver niet, over vier of vijf uren kunnen wij terug zijn.”„Dat zal toch laat worden.”„Een reden te meer om dadelijk te vertrekken.”„Maar, als het uw.…”„Geene aanmerkingen, doe wat ik u zeg, ik wil het zoo.”De mesties boog het hoofd zonder te antwoorden; hij wist wel, als zijne meesteres dus sprak, dat er voor hem niets anders opzat dan te gehoorzamen.Het meisje deed een stap vooruit, legde haar kleine blanke hand den mesties op den schouder, bragt haar bevallige kopje digt bij zijn bruine gezigt, en sprak ten slotte, met een glimlach die den armen drommel bijna van blijdschap deed opspringen:„Wees toch niet boos op mij om deze gril, mijn goede Lanzi.”„Ik boos op u,Niña!” antwoordde de mesties met nadruk; „gij weet immers wel dat ik voor u door een vuur zou loopen als het wezen moest, hoe veel te meer dan zou ik zulk een onschuldigen inval van u niet gehoorzamen?”Met den meesten spoed grendelde hij de deuren en vensters der Venta, en ging toen naar de corral om de paarden te zadelen, terwijl Carmela met zenuwachtig ongeduld andere kleederen[141]aantrok, die beter voor haar eigenlijke reis konden dienen; want zij wilde den ouden knecht de waarheid niet zeggen, en had gansch andere voornemens dan om naar Tranquille te gaan.Maar de Voorzienigheid besliste het anders, en het plan dat zij in haar kleine hoofd had beraamd zou niet worden verwezenlijkt, gelijk wij later zien zullen.Op hetzelfde oogenblik toen zij, gekleed en gereed om te paard te stijgen, in de zaal terug kwam, stormde Lanzi de deur der corral binnen met een gezigt vol schrik en verslagenheid.Carmela vloog terstond naar hem toe, in den waan dat hij zich gekwetst had.„Wat scheelt u?” vroeg zij met belangstelling.„Wij zijn verloren!” antwoordde hij somber, terwijl hij verschrikt om zich heen zag.„Hoe dat, verloren!” riep zij, zigtbaar verbleekend, „wat wilt gij zeggen, mijn vriend?”De mesties wees met zijn vinger dat zij zwijgen zou, wenkte haar om te volgen en sloop terstond naar de corral terug.Carmela volgde hem op de hielen.De corral was door een heining van planken omgeven van omtrent twee ellen hoog. Lanzi bragt haar naar eene plaats waar zich in de schutting een reet bevond, breed genoeg om over het land uit te zien.„Zie eens!” zeide hij, haar de reet aanwijzende.Carmela gehoorzaamde, zij bragt haar gezigt digt tegen de planken.De avond begon reeds te dalen en de schemering, die met ieder oogenblik toenam, breidde zich snel uit over het omliggende landschap. Het was echter nog ligt genoeg om op eenige duizend passen afstand in de prairie een talrijken troep ruiters te onderscheiden, die in vollen galop de Venta naderden.Met een oogopslag had het meisje gezien dat het wilde Indianen waren.Deze ruiters, ten getale van vijftig, in vollen wapendos en ten oorlog toegerust, renden diep over den hals hunner ontembare paarden gebogen, en zwaaiden de lange lansen uitdagend boven hunne hoofden.„Mijn God! het zijn de Apachen!” riep Carmela, verschrikt terugdeinzend. „Hoe zijn die zoo ver kunnen doordringen, zonder dat wij iets van hunne komst hebben geweten?”De mesties schudde treurig het hoofd.[142]„Binnen weinige minuten zijn zij hier,” zeide hij; „wat zullen wij doen?”„Ons verdedigen!” riep het meisje vol moed; „het schijnt dat zij geene vuurwapenen bij zich hebben; wij kunnen dus achter de muren van ons huis gemakkelijk weerstand bieden tot de zon opkomt.”„En dan?” vroeg de mesties met een twijfelmoedig gezigt.„O!” riep zij in vervoering, „dan zal God ons wel helpen.”„Amen!” antwoordde de mesties, slechts half overtuigd dat zulk een wonder mogelijk was.„Haast u intusschen,” vervolgde zij, „om al de vuurwapens die wij hebben in de zaal te brengen; misschien zullen de Roodhuiden afdeinzen als zij zien dat zij zoo warm ontvangen worden; en bovendien, wie weet of zij ons wel eens aanvallen?”„Hum! de roode duivels zijn niet gek, zij weten zeer wel hoeveel volk hier in huis is; reken er dus maar niet op, dat zij zullen aftrekken eer zij er zich meester van hebben gemaakt.”„Welnu,” riep zij standvastig, „dan zij God ons genadig! wij zullen als dapperen in den strijd omkomen, liever dan ons lafhartig te laten vangen en slaven te worden van die ellendelingen zonder hart en zonder mededoogen.”„Welaan dan,” antwoordde de mesties, aangemoedigd door de heldhaftige taal van zijne gebiedster, „dan ten strijde! Gij weet,Señorita, dat ik niet bang ben om te vechten; laat de heidenen wel weten wat zij doen, want als zij niet oppassen, zou ik hun een trek kunnen spelen dien zij niet ligt zullen vergeten!”Hiermede werd het gesprek afgebroken, uithoofde van de noodzakelijkheid waarin de beide sprekers zich bevonden om hunne middelen van tegenweer gereed te maken; zij deden dit met een spoed en behendigheid, die duidelijk genoeg bewees dat zij niet voor de eerste maal zulk een hagchelijk oogenblik hadden doorgestaan.Onze lezers moeten zich niet te zeer verwonderen over den manhaftigen heldenmoed door Carmela in deze omstandigheden ten toon gespreid, op de grenzen der woestijn, waar men onophoudelijk aan de invallen der Indianen en stroopers van allerlei aard blootstaat, strijden de vrouwen zoowel als de mannen, en weet de zwakkere sekse zich bij voorkomende gelegenheden even dapper te toonen als hare broeders of echtgenooten.Carmela had zich niet bedrogen; het was wel degelijk een troepIndios bravosdie thans in galop op hen afkwam; weldra hadden zij de Venta bereikt en omsingelden haar aan alle kanten.[143]Gewoonlijk gaan de Indianen bij hunne vijandelijke invallen met de meeste omzigtigheid te werk, en zullen zij zich niet ligt bloot geven of zonder de noodige voorzorg naderen; thans echter was het aan hunne gansche houding te zien dat zij aan den goeden uitslag van hunne onderneming niet twijfelden, wel wetende dat het der Venta aan genoegzame verdedigers ontbrak.Toen zij het huis tot op twintig ellen genaderd waren, hielden zij stil, stegen af en schenen zich onderling te beraden.Lanzi maakte van deze weinige minuten uitstel gebruik om al de in de Venta voorhandene wapens in de zaal bijeen te brengen; er lagen weldra omtrent tien of twaalf karabijnen op de tafel.Ofschoon de deuren en vensters behoorlijk voorzien en met stevige luiken gesloten waren, gaf het aantal hier en daar in den muur aanwezige schietgaten gelegenheid genoeg om de bewegingen des vijands gade te slaan.Carmela, met een karabijn gewapend, had zich stoutmoedig aan de deur geplaatst, terwijl de mesties met een bezorgd gezigt gedurig in- en uitliep, om zoo het scheen uitvoering te geven aan een gewigtig en geheimzinnig plan van verdediging; wat hij eigentlijk voorbereidde, kon Carmela in de toenemende duisternis moeijelijk opmerken.„Ziedaar,” zeide hij eenige oogenblikken later, „nu is alles gereed, laat hen nu maar komen, zoo zij willen. Leg uwe karabijn maar op deze tafel,Señorita; het is niet door geweld, maar door list dat wij die duivels kunnen overwinnen; laat mij slechts begaan.”„Wat is uw plan?” vroeg zij.„Dat zult gij zien; ik heb daar buiten in de corral twee planken in de schutting doorgezaagd; stijg gij nu te paard, en zoodra gij mij de voordeur hoort openen, neem gij dan spoorslags de vlugt.”„Maar wat gij dan?”„Bekommer u niet over mij, maar stijg te paard en doe wat ik u zeg.”„Ik wil u niet verlaten.”„Ba, ba! geen haarklooverijen; ik ben oud, mijn leven is zooveel niet meer waard, het uwe is kostbaar, gij moet gered worden; laat mij begaan, zeg ik u.”„Neen Lanzi, als gij mij niet zegt …”„Ik zeg u niets; gij zult Tranquille vinden aan het veer del Venado; geen woord meer!”[144]„Helaas! staat het zoo?” riep zij; „o neen! dan zweer ik dat ik niet van u weg ga, wat er ook gebeure.”„Gij doet dwaas; ik heb u immers gezegd dat ik dezen Indianen een fijnen trek zou spelen?”„Zult gij werkelijk.”„Gij zult het zien. Alleen maar, daar ik vrees dat gij de een of andere onvoorzigtigheid zoudt begaan, verlang ik u eerst te zien vertrekken, dat is alles.”„Zegt gij mij de waarheid?”„Zeer zeker! Gij kunt er stellig op aan dat ik over vijf minuten weder bij u ben.”„Belooft gij mij dat?”„Denkt gij dan dat ik zooveel lust zou hebben om hier te blijven?”„Maar wat wilt gij eigentlijk doen?”„Daar zijn de Indianen reeds! Ga de zaal uit en verzuim niet, om zoodra gij mij de deur voor de Roodhuiden hoort openen spoorslags te vertrekken in de rigting van het veer del Venado.”„Maar ik reken …”„Ga, ga toch!” viel Lanzi haar in de rede, haar naar de corral drijvende, „en denk aan onze afspraak.”Het meisje gehoorzaamde tegen wil en dank; doch op dit oogenblik werd er hevig op de deur en de buitenblinden geklopt; de mesties maakte van deze gelegenheid gebruik om de deur der corral achter Carmela te sluiten.„Ik heb Tranquille gezworen dat ik haar beschermen zou, wat er ook gebeuren mogt,” prevelde hij. „En kan ik haar niet anders redden dan door mij voor haar op te offeren, welnu! ik wil sterven, maarcuerpo de Dios! ik zal mij een schoone begrafenis weten te verschaffen.”Er werd weder op de blinden gebeukt, maar nu met zooveel geweld, dat men gemakkelijk kon voorzien dat zij niet lang weerstand zouden bieden.„Wie is daar?” vroeg de mesties met een bedaarde stem.„Gente de paz,” antwoordde men daar buiten.„Gente de paz!” herhaalde Lanzi, „nu, als gij goed volk zijt, hebt gij wel eene zonderlinge manier van aan te kloppen.”„Doe open! doe open!” riep de stem daar buiten.„Dat wil ik met pleizier doen, maar wie verzekert mij dat gij mij geen overlast doet?”„Doe open! of wij breken de deur in!”[145]„O ho!” riep de mesties, „gij schijnt er al mooi mede bezig; geeft u maar zooveel moeite niet, ik zal open doen.”Het kloppen hield op.De mesties ontgrendelde de deur en opende haar, en de Indianen stormden naar binnen onder vervaarlijk geschreeuw en vreugdegejuich.Lanzi had zich in tijds teruggetrokken om hen door te laten, en hoorde op dit oogenblik tot zijn onuitsprekelijk genoegen den galop van een paard dat zich snel verwijderde.De Indianen gaven geen acht op dit geluid.„Geef ons drank;” riepen zij.„Wat wilt gij voor drank?” vroeg de mesties, dien het slechts te doen was om tijd te winnen.„Vuurwater!” brulden de Indianen.Lanzi beijverde zich om hen te dienen. De zwelgpartij ving aan.Wel wetende dat zij, nu de deur eenmaal open was, niets van de bewoners der Venta te vreezen hadden, waren de Roodhuiden onbesuisd naar binnen gedrongen, zonder het noodig te achten om schildwachten te plaatsen; deze nalatigheid, op welke Lanzi wel gerekend had, gaf aan Carmela de beste gelegenheid om ongemerkt weg te komen.De Indianen en vooral de Apachen, zijn hartstogtelijk belust op sterken drank en gaan er zich toomeloos aan te buiten zoo vaak zij dien krijgen kunnen; alleen de Comanchen verdienen den lof eener beproefde matigheid en hebben zich tot hiertoe weten te bewaren voor deze noodlottige drankzucht, die de verdierlijking en den ondergang van al de overige Indianen-stammen na zich sleept.Lanzi lette met heimelijk welgevallen en spot op de uitspattingen der Roodhuiden, die zich rondom de tafels verdrongen, en met volle teugen de bekers mezcal en whiskey verzwolgen die hij hun voorzette; hunne oogen begonnen reeds te schemeren en hunne aangezigten te gloeijen, zij wisten niet meer wat zij deden of spraken, en dachten aan niets dan om zich een vrolijken roes te drinken.Eensklaps voelde de mesties eene hand op zijn schouder, hij keek om, en een Indiaan stond met de armen op de borst gekruist voor hem.„Wat wilt gij?” vroeg Lanzi.„De Blaauwe-Vos is een opperhoofd,” antwoordde de Indiaan, „en hij heeft het Bleekgezigt iets te zeggen.”[146]„Is de Blaauwe-Vos misschien niet tevreden over de wijs waarop ik hem of zijne kameraden ontvangen heb?” vroeg Lanzi.„Dat is het niet, de krijgslieden drinken, maar hun opperhoofdwilwat anders.”„Och! dat spijt mij,” zei de mesties, „want ik heb alles gegeven wat ik had.”„Neen,” antwoordde de Indiaan droog.„Hoe dat neen?”„Waar is het meisje met het gouden haar?”„Ik begrijp u niet, hoofdman,” zei Lanzi, die hem intusschen zeer goed begreep.De Indiaan glimlachte.„Laat het Bleekgezigt den Blaauwe-Vos maar eens goed in de oogen kijken, dan zal hij wel zien dat hij een opperhoofd is en geenszins een kind dat zich met logens laat vrolijk maken. Waar is dus het meisje met het gouden haar gebleven, dat hier bij mijn broeder woont?”„De vrouw daar gij van spreekt, zoo gij ten minste het jonge meisje bedoelt aan wie dit huis toebehoort.…”„Ja! ja,” riep de Indiaan.„Welnu, die is niet hier.”De Blaauwe-Vos keek hem uitvorschend aan.„Het Bleekgezigt liegt,” zeide hij.„Zoek haar vrij.”„Zij was hier nog, geen uur geleden.”„Dat is wel mogelijk.”„Waar is zij?”„Zoek haar.”„Het Bleekgezigt is een hond, ik zal hem scalperen.”„Wel moge het u bekomen,” antwoordde de mesties spotachtig.Ongelukkigerwijs had Lanzi zich bij het uitspreken van deze woorden een triomfanten blik in de rigting der corral laten ontglippen; de Sachem liet dit niet onopgemerkt, hij stormde naar de corral, opende de deur en slaakte een kreet van teleurstelling, toen hij de bres in de schutting zag; thans was hem de zaak opgehelderd.„Hond!” brulde hij, en terstond het scalpeermes uit zijn gordel rukkende, smeet hij het woest naar zijn vijand.Deze echter, die hem scherp in ’t oog hield, ontweek den worp, zoodat het mes eenige duimen bezijden zijn hoofd in het beschot bleef steken.[147]Lanzi herstelde zich oogenblikkelijk, en over de schenktafel springende, vloog hij naar den Blaauwen-Vos.De Indianen stonden in massa op; sommigen staken het huis in brand, anderen grepen hunne wapenen en ijlden als wilde dieren den mesties achterna.Toen de laatstgenoemde de deur der corral bereikt had, keerde hij zich om, en schoot zijne pistolen af onder den woesten hoop, die daardoor in verwarring terugdeinsde; ijlings liep hij thans de corral in, sprong oogenblikkelijk te paard, gaf het de sporen en reed door de bres der schutting naar buiten.Op het zelfde oogenblik had er kort achter hem eene vreeselijke ontploffing plaats, de grond schokte geweldig, en eene verwarde massa van steenen, pannen, planken en balken en allerlei puin stortte achter en rondom den ruiter en zijn voorthollend paard neder.De Venta del Potrero was in de lucht gesprongen en had de Apachen die er zich in bevonden onder haar puin bedolven.Dit was de trek dien Lanzi zich had voorgenomen den Indianen te spelen; hij had eenige vaatjes buskruid, die in den kelder der Venta lagen, met een loopend lont in verband gebragt, toen dus de Apachen het huis poogden in brand te steken was deze geïmproviseerde mijn op het juiste oogenblik gesprongen.Onze lezers zullen nu begrijpen waarom hij er zoo sterk op aandrong, dat Carmela zich ten spoedigste zou verwijderen.De heldhaftige mesties mogt van bijzonder geluk spreken dat hij er zelf zoo goed afkwam: zoo min hij als zijn paard waren gekwetst; het edele dier, een mustang in de wildernis geboren, rende met dampende neusgaten in duizelende snelheid door de prairie, alsof hem de stormwind vleugelen had gegeven. De ongeduldige ruiter gunde het geen oogenblik verademing en smoorde het onophoudelijk aan met stem en gebaren, vooral daar hij weldra meende tamelijk kort achter zich den galop van een ander paard te hooren dat hem scheen te vervolgen.Ongelukkig was de nacht te donker om hem te doen zien wat er van was en zich te overtuigen of hij zich hierin niet bedroog.[148]

Wij hebben aan het slot van het twaalfde hoofdstuk gezien dat de Jaguar de Venta verliet en Carmela er alleen achterbleef. Terwijl hij onstuimig wegreed, bleef zij hem een geruimen tijd nakijken, en toen zij hem eindelijk in een boschje van Peruboomen had[139]zien verdwijnen, liet zij het hoofd treurig op de borst zinken en keerde met langzamen tred naar de Venta terug.

„Hij haat den kapitein,” mompelde zij ongerust in zich zelve, „hij haat hem; zou hij hem dus wel willen redden?”

Zij zonk op eene bank neer en zat een geruime poos in diep gepeins.

Eindelijk hief zij het hoofd op, een koortsachtig rood kleurde hare wangen, en hare anders zoo zachte oogen schitterden met ongewonen gloed.

„Ik zal hem redden!” riep zij met fiere vastberadenheid.

Na dezen uitroep stond zij op, en snel de zaal doorgaande opende zij de deur aan de zijde van de corral.

„Lanzi!” riep zij.

„Niña?” antwoordde de mesties, die op dit oogenblik bezig was met haver te geven aan twee fraaije paarden, die het meisje toebehoorden en die aan zijne bijzondere zorg waren toevertrouwd.

„Kom hier!”

„Ik kom; ik ben oogenblikkelijk tot uwe dienst.”

Werkelijk liet hij zich niet lang wachten en verscheen hij geen vijf minuten later in de deur der zaal.

„Wat was er van uwe bevelen,Señorita?” vroeg hij met die kalme onderdanigheid, welke aan bedorven huisknechten in Mexico eigen is, „ik heb het op het oogenblik zeer druk.”

„Dat kan wel waar zijn, beste Lanzi,” antwoordde zij, „maar wat ik u te zeggen heb lijdt geen uitstel.”

„Wel zoo!” riep hij min of meer verwonderd, „wat verlangt gij dan?”

„Niets buitengewoons, vriend; alles in de Venta is in orde, zoo als gewoonlijk; ik heb u alleen eene dienst te verzoeken.”

„Eene dienst, aan mij?”

„Ja.”

„Hum! gij hebt maar te spreken,Señorita, gij weet dat ik alles voor u doen zou.”

„Het begint reeds laat te worden, waarschijnlijk komen er vandaag geen reizigers meer in de Venta.”

De mesties keek op en berekende in gedachte den loop der zon.

„Ik geloof ook niet dat er van daag nog reizigers komen zullen,” antwoordde hij eindelijk; „het is haast vier ure; maar toch, het kon wel zijn dat er nog een kwam.”

„Er bestaat geen reden om het te veronderstellen.”

„Reden om het te veronderstellen, neen,Señorita.”[140]

„Goed, dan moest gij de Venta maar sluiten.”

„De Venta sluiten! waarom dat?”

„Ik zal het u zeggen.”

„Is het inderdaad zoo belangrijk?”

„Inderdaad.”

„Spreek dan,Niña, ik ben geheel oor.”

Het meisje keek haar trouwen mesties lang en vragend aan, terwijl hij als een paal voor haar stond; zij liet hare ellebogen op de tafel rusten en hervatte toen met eene zachte stem op onverschilligen toon.

„Ik maak mij ongerust, Lanzi.”

„Ongerust!” riep hij, „en waarover?”

„Over het lang uitblijven van mijn vader.”

„Hoe dat! hij is immers geen vier dagen geleden nog hier geweest?”

„Hij heeft mij nog nooit zoo lang alleen gelaten.”

„Maar.…” begon de mesties, terwijl hij zich verlegen achter het oor krabde.

„Kortaf,” hervatte zij, opstaande en hem bepaald in de rede vallende, „ik maak mij ongerust over mijn vader en ik wil hem zien; gij sluit de Venta en zadelt de paarden, en wij gaan terstond naar de hacienda del Mezquite; dat is zoo ver niet, over vier of vijf uren kunnen wij terug zijn.”

„Dat zal toch laat worden.”

„Een reden te meer om dadelijk te vertrekken.”

„Maar, als het uw.…”

„Geene aanmerkingen, doe wat ik u zeg, ik wil het zoo.”

De mesties boog het hoofd zonder te antwoorden; hij wist wel, als zijne meesteres dus sprak, dat er voor hem niets anders opzat dan te gehoorzamen.

Het meisje deed een stap vooruit, legde haar kleine blanke hand den mesties op den schouder, bragt haar bevallige kopje digt bij zijn bruine gezigt, en sprak ten slotte, met een glimlach die den armen drommel bijna van blijdschap deed opspringen:

„Wees toch niet boos op mij om deze gril, mijn goede Lanzi.”

„Ik boos op u,Niña!” antwoordde de mesties met nadruk; „gij weet immers wel dat ik voor u door een vuur zou loopen als het wezen moest, hoe veel te meer dan zou ik zulk een onschuldigen inval van u niet gehoorzamen?”

Met den meesten spoed grendelde hij de deuren en vensters der Venta, en ging toen naar de corral om de paarden te zadelen, terwijl Carmela met zenuwachtig ongeduld andere kleederen[141]aantrok, die beter voor haar eigenlijke reis konden dienen; want zij wilde den ouden knecht de waarheid niet zeggen, en had gansch andere voornemens dan om naar Tranquille te gaan.

Maar de Voorzienigheid besliste het anders, en het plan dat zij in haar kleine hoofd had beraamd zou niet worden verwezenlijkt, gelijk wij later zien zullen.

Op hetzelfde oogenblik toen zij, gekleed en gereed om te paard te stijgen, in de zaal terug kwam, stormde Lanzi de deur der corral binnen met een gezigt vol schrik en verslagenheid.

Carmela vloog terstond naar hem toe, in den waan dat hij zich gekwetst had.

„Wat scheelt u?” vroeg zij met belangstelling.

„Wij zijn verloren!” antwoordde hij somber, terwijl hij verschrikt om zich heen zag.

„Hoe dat, verloren!” riep zij, zigtbaar verbleekend, „wat wilt gij zeggen, mijn vriend?”

De mesties wees met zijn vinger dat zij zwijgen zou, wenkte haar om te volgen en sloop terstond naar de corral terug.

Carmela volgde hem op de hielen.

De corral was door een heining van planken omgeven van omtrent twee ellen hoog. Lanzi bragt haar naar eene plaats waar zich in de schutting een reet bevond, breed genoeg om over het land uit te zien.

„Zie eens!” zeide hij, haar de reet aanwijzende.

Carmela gehoorzaamde, zij bragt haar gezigt digt tegen de planken.

De avond begon reeds te dalen en de schemering, die met ieder oogenblik toenam, breidde zich snel uit over het omliggende landschap. Het was echter nog ligt genoeg om op eenige duizend passen afstand in de prairie een talrijken troep ruiters te onderscheiden, die in vollen galop de Venta naderden.

Met een oogopslag had het meisje gezien dat het wilde Indianen waren.

Deze ruiters, ten getale van vijftig, in vollen wapendos en ten oorlog toegerust, renden diep over den hals hunner ontembare paarden gebogen, en zwaaiden de lange lansen uitdagend boven hunne hoofden.

„Mijn God! het zijn de Apachen!” riep Carmela, verschrikt terugdeinzend. „Hoe zijn die zoo ver kunnen doordringen, zonder dat wij iets van hunne komst hebben geweten?”

De mesties schudde treurig het hoofd.[142]

„Binnen weinige minuten zijn zij hier,” zeide hij; „wat zullen wij doen?”

„Ons verdedigen!” riep het meisje vol moed; „het schijnt dat zij geene vuurwapenen bij zich hebben; wij kunnen dus achter de muren van ons huis gemakkelijk weerstand bieden tot de zon opkomt.”

„En dan?” vroeg de mesties met een twijfelmoedig gezigt.

„O!” riep zij in vervoering, „dan zal God ons wel helpen.”

„Amen!” antwoordde de mesties, slechts half overtuigd dat zulk een wonder mogelijk was.

„Haast u intusschen,” vervolgde zij, „om al de vuurwapens die wij hebben in de zaal te brengen; misschien zullen de Roodhuiden afdeinzen als zij zien dat zij zoo warm ontvangen worden; en bovendien, wie weet of zij ons wel eens aanvallen?”

„Hum! de roode duivels zijn niet gek, zij weten zeer wel hoeveel volk hier in huis is; reken er dus maar niet op, dat zij zullen aftrekken eer zij er zich meester van hebben gemaakt.”

„Welnu,” riep zij standvastig, „dan zij God ons genadig! wij zullen als dapperen in den strijd omkomen, liever dan ons lafhartig te laten vangen en slaven te worden van die ellendelingen zonder hart en zonder mededoogen.”

„Welaan dan,” antwoordde de mesties, aangemoedigd door de heldhaftige taal van zijne gebiedster, „dan ten strijde! Gij weet,Señorita, dat ik niet bang ben om te vechten; laat de heidenen wel weten wat zij doen, want als zij niet oppassen, zou ik hun een trek kunnen spelen dien zij niet ligt zullen vergeten!”

Hiermede werd het gesprek afgebroken, uithoofde van de noodzakelijkheid waarin de beide sprekers zich bevonden om hunne middelen van tegenweer gereed te maken; zij deden dit met een spoed en behendigheid, die duidelijk genoeg bewees dat zij niet voor de eerste maal zulk een hagchelijk oogenblik hadden doorgestaan.

Onze lezers moeten zich niet te zeer verwonderen over den manhaftigen heldenmoed door Carmela in deze omstandigheden ten toon gespreid, op de grenzen der woestijn, waar men onophoudelijk aan de invallen der Indianen en stroopers van allerlei aard blootstaat, strijden de vrouwen zoowel als de mannen, en weet de zwakkere sekse zich bij voorkomende gelegenheden even dapper te toonen als hare broeders of echtgenooten.

Carmela had zich niet bedrogen; het was wel degelijk een troepIndios bravosdie thans in galop op hen afkwam; weldra hadden zij de Venta bereikt en omsingelden haar aan alle kanten.[143]

Gewoonlijk gaan de Indianen bij hunne vijandelijke invallen met de meeste omzigtigheid te werk, en zullen zij zich niet ligt bloot geven of zonder de noodige voorzorg naderen; thans echter was het aan hunne gansche houding te zien dat zij aan den goeden uitslag van hunne onderneming niet twijfelden, wel wetende dat het der Venta aan genoegzame verdedigers ontbrak.

Toen zij het huis tot op twintig ellen genaderd waren, hielden zij stil, stegen af en schenen zich onderling te beraden.

Lanzi maakte van deze weinige minuten uitstel gebruik om al de in de Venta voorhandene wapens in de zaal bijeen te brengen; er lagen weldra omtrent tien of twaalf karabijnen op de tafel.

Ofschoon de deuren en vensters behoorlijk voorzien en met stevige luiken gesloten waren, gaf het aantal hier en daar in den muur aanwezige schietgaten gelegenheid genoeg om de bewegingen des vijands gade te slaan.

Carmela, met een karabijn gewapend, had zich stoutmoedig aan de deur geplaatst, terwijl de mesties met een bezorgd gezigt gedurig in- en uitliep, om zoo het scheen uitvoering te geven aan een gewigtig en geheimzinnig plan van verdediging; wat hij eigentlijk voorbereidde, kon Carmela in de toenemende duisternis moeijelijk opmerken.

„Ziedaar,” zeide hij eenige oogenblikken later, „nu is alles gereed, laat hen nu maar komen, zoo zij willen. Leg uwe karabijn maar op deze tafel,Señorita; het is niet door geweld, maar door list dat wij die duivels kunnen overwinnen; laat mij slechts begaan.”

„Wat is uw plan?” vroeg zij.

„Dat zult gij zien; ik heb daar buiten in de corral twee planken in de schutting doorgezaagd; stijg gij nu te paard, en zoodra gij mij de voordeur hoort openen, neem gij dan spoorslags de vlugt.”

„Maar wat gij dan?”

„Bekommer u niet over mij, maar stijg te paard en doe wat ik u zeg.”

„Ik wil u niet verlaten.”

„Ba, ba! geen haarklooverijen; ik ben oud, mijn leven is zooveel niet meer waard, het uwe is kostbaar, gij moet gered worden; laat mij begaan, zeg ik u.”

„Neen Lanzi, als gij mij niet zegt …”

„Ik zeg u niets; gij zult Tranquille vinden aan het veer del Venado; geen woord meer!”[144]

„Helaas! staat het zoo?” riep zij; „o neen! dan zweer ik dat ik niet van u weg ga, wat er ook gebeure.”

„Gij doet dwaas; ik heb u immers gezegd dat ik dezen Indianen een fijnen trek zou spelen?”

„Zult gij werkelijk.”

„Gij zult het zien. Alleen maar, daar ik vrees dat gij de een of andere onvoorzigtigheid zoudt begaan, verlang ik u eerst te zien vertrekken, dat is alles.”

„Zegt gij mij de waarheid?”

„Zeer zeker! Gij kunt er stellig op aan dat ik over vijf minuten weder bij u ben.”

„Belooft gij mij dat?”

„Denkt gij dan dat ik zooveel lust zou hebben om hier te blijven?”

„Maar wat wilt gij eigentlijk doen?”

„Daar zijn de Indianen reeds! Ga de zaal uit en verzuim niet, om zoodra gij mij de deur voor de Roodhuiden hoort openen spoorslags te vertrekken in de rigting van het veer del Venado.”

„Maar ik reken …”

„Ga, ga toch!” viel Lanzi haar in de rede, haar naar de corral drijvende, „en denk aan onze afspraak.”

Het meisje gehoorzaamde tegen wil en dank; doch op dit oogenblik werd er hevig op de deur en de buitenblinden geklopt; de mesties maakte van deze gelegenheid gebruik om de deur der corral achter Carmela te sluiten.

„Ik heb Tranquille gezworen dat ik haar beschermen zou, wat er ook gebeuren mogt,” prevelde hij. „En kan ik haar niet anders redden dan door mij voor haar op te offeren, welnu! ik wil sterven, maarcuerpo de Dios! ik zal mij een schoone begrafenis weten te verschaffen.”

Er werd weder op de blinden gebeukt, maar nu met zooveel geweld, dat men gemakkelijk kon voorzien dat zij niet lang weerstand zouden bieden.

„Wie is daar?” vroeg de mesties met een bedaarde stem.

„Gente de paz,” antwoordde men daar buiten.

„Gente de paz!” herhaalde Lanzi, „nu, als gij goed volk zijt, hebt gij wel eene zonderlinge manier van aan te kloppen.”

„Doe open! doe open!” riep de stem daar buiten.

„Dat wil ik met pleizier doen, maar wie verzekert mij dat gij mij geen overlast doet?”

„Doe open! of wij breken de deur in!”[145]

„O ho!” riep de mesties, „gij schijnt er al mooi mede bezig; geeft u maar zooveel moeite niet, ik zal open doen.”

Het kloppen hield op.

De mesties ontgrendelde de deur en opende haar, en de Indianen stormden naar binnen onder vervaarlijk geschreeuw en vreugdegejuich.

Lanzi had zich in tijds teruggetrokken om hen door te laten, en hoorde op dit oogenblik tot zijn onuitsprekelijk genoegen den galop van een paard dat zich snel verwijderde.

De Indianen gaven geen acht op dit geluid.

„Geef ons drank;” riepen zij.

„Wat wilt gij voor drank?” vroeg de mesties, dien het slechts te doen was om tijd te winnen.

„Vuurwater!” brulden de Indianen.

Lanzi beijverde zich om hen te dienen. De zwelgpartij ving aan.

Wel wetende dat zij, nu de deur eenmaal open was, niets van de bewoners der Venta te vreezen hadden, waren de Roodhuiden onbesuisd naar binnen gedrongen, zonder het noodig te achten om schildwachten te plaatsen; deze nalatigheid, op welke Lanzi wel gerekend had, gaf aan Carmela de beste gelegenheid om ongemerkt weg te komen.

De Indianen en vooral de Apachen, zijn hartstogtelijk belust op sterken drank en gaan er zich toomeloos aan te buiten zoo vaak zij dien krijgen kunnen; alleen de Comanchen verdienen den lof eener beproefde matigheid en hebben zich tot hiertoe weten te bewaren voor deze noodlottige drankzucht, die de verdierlijking en den ondergang van al de overige Indianen-stammen na zich sleept.

Lanzi lette met heimelijk welgevallen en spot op de uitspattingen der Roodhuiden, die zich rondom de tafels verdrongen, en met volle teugen de bekers mezcal en whiskey verzwolgen die hij hun voorzette; hunne oogen begonnen reeds te schemeren en hunne aangezigten te gloeijen, zij wisten niet meer wat zij deden of spraken, en dachten aan niets dan om zich een vrolijken roes te drinken.

Eensklaps voelde de mesties eene hand op zijn schouder, hij keek om, en een Indiaan stond met de armen op de borst gekruist voor hem.

„Wat wilt gij?” vroeg Lanzi.

„De Blaauwe-Vos is een opperhoofd,” antwoordde de Indiaan, „en hij heeft het Bleekgezigt iets te zeggen.”[146]

„Is de Blaauwe-Vos misschien niet tevreden over de wijs waarop ik hem of zijne kameraden ontvangen heb?” vroeg Lanzi.

„Dat is het niet, de krijgslieden drinken, maar hun opperhoofdwilwat anders.”

„Och! dat spijt mij,” zei de mesties, „want ik heb alles gegeven wat ik had.”

„Neen,” antwoordde de Indiaan droog.

„Hoe dat neen?”

„Waar is het meisje met het gouden haar?”

„Ik begrijp u niet, hoofdman,” zei Lanzi, die hem intusschen zeer goed begreep.

De Indiaan glimlachte.

„Laat het Bleekgezigt den Blaauwe-Vos maar eens goed in de oogen kijken, dan zal hij wel zien dat hij een opperhoofd is en geenszins een kind dat zich met logens laat vrolijk maken. Waar is dus het meisje met het gouden haar gebleven, dat hier bij mijn broeder woont?”

„De vrouw daar gij van spreekt, zoo gij ten minste het jonge meisje bedoelt aan wie dit huis toebehoort.…”

„Ja! ja,” riep de Indiaan.

„Welnu, die is niet hier.”

De Blaauwe-Vos keek hem uitvorschend aan.

„Het Bleekgezigt liegt,” zeide hij.

„Zoek haar vrij.”

„Zij was hier nog, geen uur geleden.”

„Dat is wel mogelijk.”

„Waar is zij?”

„Zoek haar.”

„Het Bleekgezigt is een hond, ik zal hem scalperen.”

„Wel moge het u bekomen,” antwoordde de mesties spotachtig.

Ongelukkigerwijs had Lanzi zich bij het uitspreken van deze woorden een triomfanten blik in de rigting der corral laten ontglippen; de Sachem liet dit niet onopgemerkt, hij stormde naar de corral, opende de deur en slaakte een kreet van teleurstelling, toen hij de bres in de schutting zag; thans was hem de zaak opgehelderd.

„Hond!” brulde hij, en terstond het scalpeermes uit zijn gordel rukkende, smeet hij het woest naar zijn vijand.

Deze echter, die hem scherp in ’t oog hield, ontweek den worp, zoodat het mes eenige duimen bezijden zijn hoofd in het beschot bleef steken.[147]

Lanzi herstelde zich oogenblikkelijk, en over de schenktafel springende, vloog hij naar den Blaauwen-Vos.

De Indianen stonden in massa op; sommigen staken het huis in brand, anderen grepen hunne wapenen en ijlden als wilde dieren den mesties achterna.

Toen de laatstgenoemde de deur der corral bereikt had, keerde hij zich om, en schoot zijne pistolen af onder den woesten hoop, die daardoor in verwarring terugdeinsde; ijlings liep hij thans de corral in, sprong oogenblikkelijk te paard, gaf het de sporen en reed door de bres der schutting naar buiten.

Op het zelfde oogenblik had er kort achter hem eene vreeselijke ontploffing plaats, de grond schokte geweldig, en eene verwarde massa van steenen, pannen, planken en balken en allerlei puin stortte achter en rondom den ruiter en zijn voorthollend paard neder.

De Venta del Potrero was in de lucht gesprongen en had de Apachen die er zich in bevonden onder haar puin bedolven.

Dit was de trek dien Lanzi zich had voorgenomen den Indianen te spelen; hij had eenige vaatjes buskruid, die in den kelder der Venta lagen, met een loopend lont in verband gebragt, toen dus de Apachen het huis poogden in brand te steken was deze geïmproviseerde mijn op het juiste oogenblik gesprongen.

Onze lezers zullen nu begrijpen waarom hij er zoo sterk op aandrong, dat Carmela zich ten spoedigste zou verwijderen.

De heldhaftige mesties mogt van bijzonder geluk spreken dat hij er zelf zoo goed afkwam: zoo min hij als zijn paard waren gekwetst; het edele dier, een mustang in de wildernis geboren, rende met dampende neusgaten in duizelende snelheid door de prairie, alsof hem de stormwind vleugelen had gegeven. De ongeduldige ruiter gunde het geen oogenblik verademing en smoorde het onophoudelijk aan met stem en gebaren, vooral daar hij weldra meende tamelijk kort achter zich den galop van een ander paard te hooren dat hem scheen te vervolgen.

Ongelukkig was de nacht te donker om hem te doen zien wat er van was en zich te overtuigen of hij zich hierin niet bedroog.[148]


Back to IndexNext