XXII.

[Inhoud]XXII.DE BLAAUWE-VOS.Wij keeren thans tot den Blaauwe-Vos en zijne twee kameraden terug, die wij in een vorig hoofdstuk verlaten hebben, op het oogenblik dat zij kogels langs hunne ooren hoorende fluiten, zich onwillekeurig achter rotsblokken en boomstammen in veiligheid hadden gesteld.Na het nemen dezer onvermijdelijke voorzorgen tegen hunne onzigtbare aanvallers, onderzochten de drie mannen zorgvuldig hunne wapens, ten einde in staat te zijn scherp met scherp te keeren, en wachtten toen met den vinger aan den trekker en een waakzamen blik in alle rigtingen, het oogenblik af dat de vijand zich zou vertoonen.Zij bleven echter een geruimen tijd onbewegelijk op hun post, zonder dat de stilte der prairie van nieuws werd gestoord, of het minste blijk zich vertoonde dat de aanval zou worden hervat.Aan de grootste ongerustheid ten prooi en niet wetende waaraan zij deze onverwachte aanranding moesten toeschrijven, noch welke vijanden zij te duchten hadden, zagen de drie mannen geen middel om zich met eere uit de hagchelijke positie te redden, waarin het vreemde geval hen zoo eensklaps geplaatst had, tot de Blaauwe-Vos eindelijk besloot om op verkenning uit te gaan.Evenwel, daar het opperhoofd niet zonder reden vreesde in eene hinderlaag te zullen vallen, die men met list zou kunnen gespannen hebben om hem en zijne kameraden onverhoeds te overrompelen, achtte hij het alvorens zich te verwijderen noodig, de meest mogelijke voorzorgen te nemen.[172]De Indianen zijn te regt vermaard wegens hunne scherpzinnigheid; door hunne levenswijze in de woestijn van jongs af gewoon de natuurlijke vermogens te oefenen, waarmede de Voorzienigheid hen zoo rijkelijk bedeelde, wordt hun gehoor, reuk en vooral hun gezigt in zulk eene hooge mate ontwikkeld en verfijnd, dat zij zich ten dezen opzigte gerust met de wilde dieren kunnen meten. Bovendien bezitten zij, behalve het dierlijk instinct, nog het menschelijk verstand, waardoor zij in staat zijn om hunne gewaarwordingen met elkander in verband te brengen en er de gevolgen van te berekenen, zoodat zij, om het zoo eens te noemen, eene soort van kattengeleerdheid of dierlijke wetenschap bezitten, die hen de ongelooflijkste dingen doet verrigten, dingen welke schier de grenzen van het mogelijke te buiten gaan, en die men moet hebben gezien om er zich een denkbeeld van te maken.Het is inzonderheid wanneer zij een spoor volgen dat deze scherpzinnigheid en instincts-wetenschap der Indianen zich in al haren omvang doen kennen. Welke voorzorgen hun vijand ook neemt om zijn pad te verbergen en zijn spoor onzigtbaar te maken, de Roodhuiden zullen het eindelijk weten te ontdekken; voor hen heeft de woestijn geene geheimen, voor hen is de ongerepte en grootsche natuur een geopend boek, waar zij iedere bladzijde van kennen en dagelijks doorlezen, zonder ooit, wij zeggen niet, zich te bedriegen, maar zelfs in ’t onzekere rond te tasten.De Blaauwe-Vos, ofschoon nog zeer jong, had zich wegens zijne sluwheid en arglistigheid reeds een welverdienden naam verworven; hij zou zich derhalve ook in de tegenwoordige omstandigheden, nu hij naar alle waarschijnlijkheid door onzigtbare vijanden werd omgeven, niet ongestraft in zijn schuilhoek laten beloeren of bespringen, maar maakte zich met verdubbelde waakzaamheid gereed om hunne aanslagen te verijdelen en hunne plannen door tegenplannen te ondermijnen.Na met zijne twee kameraden te zijn overeengekomen omtrent het signaal dat hij hun geven zou, in geval hij hunne hulp noodig had, zooals wel waarschijnlijk was, ontdeed hij zich van zijn bisonsmantel, die hem in zijne bewegingen slechts zou hebben belemmerd, legde ook de versiersels af waarmede zijn hoofd, hals en borst beladen waren, en hield niets anders aan dan zijnemitasse, een soort van broek uit twee deelen bestaande, van afstand tot afstand met menschenhaar aan elkander genaaid, die aan de heupen werd opgehouden door een riem van ongelooid hertenleder, en tot aan de enkels reikte.[173]Aldus gekleed, wentelde hij zich verscheidene malen in het zand, om aan zijn ligchaam een aschgraauwe kleur te geven; vervolgens stak hij zijn tomahawk en zijn scalpeermes in zijn gordel, twee wapens die geen Indiaan ooit verzuimen zal bij zich te dragen, nam zijn buks in de regterhand, en na een laatsten groet aan zijne vrienden, die al zijn toebereidels met aandacht gadesloegen, strekte hij zich op den grond uit en begon als een slang door de struiken en het hooge gras te kruipen.Ofschoon de zon reeds eenigen tijd op was en haar verblindend licht over de prairie uitgoot, volvoerde de Blaauwe-Vos zijn uittogt met zooveel omzigtigheid, dat hij reeds een eind ver in de vlakte was, toen zij meenden dat hij zich nog in hunne nabijheid bevond: geen grashalm hadden zij zien bewegen, geen keisteen was onder zijne voeten weggerold.Van tijd tot tijd hield de Roodhuid stil om met zijn doordringenden blik den omtrek te bespieden, en als hij dan zag dat alles in rust was en dat zijne tegenwoordigheid door niemand werd opgemerkt, kroop hij van nieuws op handen en knieën voort, steeds in de rigting van het geboomte, waar hij niet ver meer van verwijderd was.Eindelijk bereikte hij aan den zoom van het bosch eene plek waar het digte kreupelhout begon, en waar het gras hier en daar min of meer gekneusd scheen, zoodat hij vermoedde niet ver van de plaats der hinderlaag te zijn uit welke het verraderlijk schot gedaan was.Hier hield de Indiaan stil, om met aandacht het terrein op te nemen en te zien of hij ook sporen ontdekte. Werkelijk zag hij een aantal voetstappen; doch zij waren blijkbaar slechts van een enkel persoon afkomstig, buitengewoon breed en zwaar en zonder eenige voorzorg gemaakt, en schenen veeleer het werk van een blanke die volstrekt niet met de gebruiken der woestijn bekend was, dan van een jager of Roodhuid.De struiken waren zeer beschadigd, geknakt en gebroken, alsof de persoon die hier geloopen had, er met onstuimige drift was doorgegaan: zonder zich de moeite te geven de takken uit een te buigen en weder op hunne plaats te brengen; ook was het gras hier en daar geweldig plat gedrukt.De Blaauwe-Vos begreep niets van dit vreemde verschijnsel, dat op geenerlei wijs geleek naar hetgeen hij gewoon was in de woestijn op te merken.Was het misschien eene list van zijne vijanden om hem als met[174]open oogen te bedriegen, en door een valsch spoor zijn blik van het ware spoor af te leiden? of waren het werkelijk de voetstappen van een of anderen zwaarlijvigen blanke, die in de wildernis verdwaald was en er de gebruiken niet van kende?De Indiaan wist niet welke van deze twee denkbeelden hij moest vasthouden en geraakte in geen geringe verlegenheid. Aan eene zaak twijfelde hij niet, namelijk dat de kogels die hem toen hij op het punt was om zijn verhaal te beginnen, om de ooren hadden gefloten van deze plaats geschoten waren; maar om welke reden zou dan de man, wie het ook wezen mogt, die hier in hinderlaag had gelegen zulke duidelijke bewijzen van zijn doortogt hebben achtergelaten? Hij kon immers wel begrijpen dat zijn aanval op die wijs niet ongestraft zou blijven en dat de lieden op welke hij geschoten had hem onmiddellijk zouden vervolgen.Eindelijk, na lang en te vergeefs de oplossing van dit duistere raadsel gezocht te hebben, kwam de Roodhuid, niet wetende waaraan hij zich te houden had,onwillekeurigop zijne eerste gedachte terug, namelijk, dat het spoor valsch was en alleen dienen moest om het echte spoor te verbergen en de vervolgers ven den regten weg te helpen.Het gewone gebrek van listige lieden is, dat zij andere menschen voor even listig houden als zij en in iedere beweging hunner vijanden niets dan sluwheid meenen te zien; hierdoor worden zij menigmaal bedrogen, en door de eenvoudigste middelen hunner tegenpartij zoo volkomen misleid, dat zij vaak door eigen argwaan een reeds gewonnen spel komen te verliezen.De Blaauwe-Vos bemerkte weldra dat zijne veronderstelling valsch was, dat hij zijnen vijand te veel eer bewezen en hem meer sluwheid en verstand had toegeschreven dan deze werkelijk bezat, en dat hetgeen hij in ’t eerst voor een streek van de fijnste soort had aangezien, niet anders was dan de eenvoudige doortogt van een gewoon mensch.Na lang aarzelens en overleggens, besloot hij eindelijk om voorwaarts te rukken en het spoor te volgen zoodanig als het was, wel overtuigd dat hij spoedig de waarheid zou ontdekken. Intusschen altijd te werk gaande alsof hij met doortrapte belagers te doen had, ging hij niet dan met de uiterste behoedzaamheid en voet voor voet vooruit, telkens in de holten en struiken rondziende en zich niet verder wagende dan na volkomen zekerheid te hebben dat hij geene overrompeling te vreezen had.Deze manoeuvre duurde vrij lang, en het was reeds twee uren[175]nadat hij zijne kameraden verlaten had, toen hij zich op eens aan den ingang bevond van een ruim boschkamp of opene plek, van hetwelk hij alleen door een digt kreupelboschje gescheiden werd.De Indiaan hield stil, rigtte zich op in zijne volle lengte en boog zachtjes de takken uit elkander, zoodat hij, zonder zelf gezien te worden, met een enkelen blik het boschkamp kon overzien.In de Amerikaansche wouden bestaan er vele zulke boschkampen, die gevormd worden door gevallen boomen, hetzij door ouderdom vermolmd of door den bliksem getroffen of door een dier vreesselijke orkanen omvergeworpen, die zoo vaak den Mexicaanschen bodem verwoesten en omkeeren. De opene plek van welke hier sprake is was vrij uitgestrekt; een kleine beek doorsneed haar over de geheele lengte, en op hare modderige klei-oevers zag men de diepe voetsporen der wilde dieren afgedrukt, die aan dit onbekende wed kwamen drinken.Een prachtige acajou-eik, die met zijn welige bladerkroon de gansche vallei overschaduwde, verhief zich bijna in het midden. Aan den voet van dezen woudreus bevonden zich twee mannen digt bij elkander.De een, als monnik gekleed, lag met de oogen gesloten en een doodsbleek gelaat roerloos op den grond uitgestrekt; de andere, aan zijne zijde nedergeknield, scheen hem met de meeste zorg te willen verplegen.Door de gunstige stelling waarin de Roodhuid zich bevond, kon hij de trekken van laatstgenoemden persoon zeer gemakkelijk onderscheiden, daar hij hem juist tegenover zich had.Deze persoon was lang van gestalte, maar uiterst mager, terwijl zijn gelaat, door langdurige blootstelling aan de invloeden van koude en hitte, de kleur van rooden biksteen had aangenomen en met diepe rimpels doorploegd was; een lange baard, zoo wit als sneeuw, hing tot op zijne borst en vermengde zich met de lange even witte lokken, die ordeloos over zijne schouders golfden. Hij droeg deels het kostuum der Amerikaansche partijgangers, deels dat der Mexicaansche landheeren, namelijk een hoed van vigonia wol, met gouden boordsel, een ruime zarapé die hem tot mantel diende, en een pantalon van paarsch katoen fluweel, naauw sluitend en in een paar slobkousen van dassenvel gestoken die hem tot aan de knieën reikten.Het was niet wel mogelijk zijn ouderdom te gissen. Ofschoon zijne sombere, sterk sprekende trekken en zijne roode oogen, die als karbonkels glinsterden en verstrooid rondblikten, hem reeds[176]een vrij gevorderden leeftijd toekenden, was er in zijn gansche voorkomen geen spoor van verval op te merken; rank van gestalte en zoo regt als een kaars van rug en lenden, scheen hij nog geen halven duimbreed in de lengte verloren te hebben; zijne knokkige ledematen, met spieren als kabels gedekt, teekenden buitengemeene kracht en buigzaamheid; in een woord, hij had al het voorkomen van een geducht partijganger; wiens oog nog zoo juist en wiens arm nog even vlug en vaardig was als van een man die naauwelijks veertig jaren telde.In zijn gordel staken een paar lange ruiterpistolen; een breede korte sabel, of zoogenaamdemachete, zonder schede, hing aan een ijzeren ring op de linker heup. Twee karabijnen, waarvan de eene hem ongetwijfeld toebehoorde, waren tegen den boomstam gezet, terwijl een prachtige mustang, of in de wildernis geboren paard, eenige schreden verder met een kluister aan het been ronddrentelde en naar hartelust met het jonge loof der struiken zijn maal deed.Wat ons zooveel tijd van beschrijven kostte, zag de Blaauwe-Vos in een oogopslag; maar het schijnt dat dit tooneel, dat hij wel verre was van te verwachten, hem alles behalve vertrouwen inboezemde, want zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij weerhield naauwelijks een uitroep van verwondering en teleurstelling, toen hij hier deze twee onbekende personen gewaar werd.Onwillekeurig, bij wijze van voorzigtigheidsmaatregel, spande hij den haan van zijn geweer, en begon weder te letten op hetgeen er in het boschkamp voorviel en wat er verder met de twee personaadjes gebeuren zou.Inmiddels maakte de man in het monnikskleed eene ligte beweging, als om zich op te rigten, en opende even de oogen, maar waarschijnlijk nog te zwak om het zonlicht te verdragen, dat hem ofschoon door het digte loof getemperd, juist op het gezigt viel, sloot hij ze weder.De man intusschen die hem ondersteunde, had reeds gemerkt dat hij weder bij kennis was gekomen, hij had hem de lippen zien bewegen als prevelde hij iets in zich zelven.Hij oordeelde nu dat de monnik ten minste vooreerst zijne hulp niet meer noodig had, en rees overeind, nam zijn buks, kruiste de beide handen op den tromp en bleef lijdelijk staan wachten, nu en dan om zich heen glurende met een blik zoo vol haat en sombere zwartgalligheid, dat het Indiaansche opperhoofd,[177]die nog altijd in de struiken alles bespiedde, er onwillekeurig van sidderde.Thans volgden eenige minuten stilte, gedurende welke men geen ander geluid hoorde, dan het eentoonig gemurmel der beek over de rotsige keijen in hare bedding, en het geheimzinnig gonzen der tallooze vliegen en insecten onder het gras verscholen.Eindelijk maakte de man die op den grond lag eene tweede beweging, sterker dan de eerste, en opende op nieuw de oogen.Na een verstrooiden blik in het rond te hebben geworpen, vestigden zijne oogen zich met zekere vreemde verbazing op den grooten grijzen man, die altoos onbewegelijk naast hem stond, en die hem met eene zonderlinge mengeling van spotachtig medelijden en sombere zwaarmoedigheid aankeek.„Ik dank u,” murmelde eindelijk de monnik met een zwakke stem.„Ik dank u! Waarvoor?” antwoordde de onbekende barsch.„Ik dank u, omdat gij mij het leven hebt gered, broeder,” hernam de gewonde.„Ik ben uw broeder niet, monnik,” hervatte de onbekende spotachtig; „ik ben een ketter, een gringo, zoo als gij ons gelieft te noemen; kijk mij eens goed aan, gij hebt mij nog niet naauwkeurig bezien: ik heb immers horens op mijn hoofd, en bokspooten aan mijne beenen?”Deze woorden klonken op zulk een sarcastischen en tevens nadrukkelijken toon, dat de monnik er een poos van verstomde.„Wie zijt gij dan?” vroeg hij eindelijk met heimelijke vrees.„Wat kan het u schelen?” hernam de onbekende met een kwaadwilligen lach, „de duivel misschien.”De gewonde deed eene geweldige poging om zich op te rigten, en kruiste zich bij herhaling.„De hemel beware mij! dat ik in handen van den boozen geest zou gevallen zijn,” stotterde hij.„Loop, onnoozele dwaas!” hervatte de onbekende verachtelijk de schouders ophalend, „wees maar niet bang; ik ben de duivel niet, maar een mensch zoo goed als gij, misschien een beetje minder schijnheilig, dat is het eenige onderscheid tusschen ons.”„Spreekt gij de waarheid? Zijt gij werkelijk een van mijns gelijken, gereed om mij te helpen?”„Voor het vervolg sta ik u geen borg,” antwoordde de onbekende met een raadselachtigen glimlach, „maar tot dusver althans hebt gij geloof ik geen reden u over mij te beklagen.”[178]„O, neen! neen! dat geloof ik ook niet, ofschoon sedert mijne flaauwte mijne gedachten geheel in de war zijn en ik mij niets meer herinner.”„Dat kan mij weinig schelen, het raakt mij zelfs niet: ik vraag ù naar niets; ik heb te veel aan mijne eigene zaken te doen om mij met die van anderen te bemoeijen. Maar, zeg! gevoelt gij u beter? Zijt gij genoeg hersteld om uw weg te vervolgen?”„Hoedat! mijn weg te vervolgen?” vroeg de monnik angstig, „denkt gij mij dan hier alleen te laten?”„Waarom niet? Ik heb met u reeds te veel tijd verloren, ik moet thans aan mijne eigen zaken denken.”„Wat zegt gij?” riep de monnik dringend, „na al de belangstelling die gij mij zoo welwillend getoond hebt, zoudt gij den moed hebben om mij bijna stervende alleen te laten, zonder u te bekommeren over hetgeen mij gebeuren kan na uw vertrek?”„Waarom niet? Wat geef ik om u? Ik ken u niet, ik heb er volstrekt geen belang bij om u te helpen. Toevallig over dit kamp gaande, heb ik u daar zien liggen, levenloos en bleek als een lijk, en ik heb u de zorgen bewezen die men in de woestijn aan niemand weigert; nu zijt gij tot het leven teruggekeerd, ik kan u niet meer van dienst zijn en ik vertrek; wat kan men eenvoudiger en redelijker wenschen? Vaarwel! en laat de duivel, daar gij mij zoo even voor hebt aangezien, u verder in zijne bescherming nemen.”Na deze woorden, op een toon van schampere ironie te hebben uitgesproken, wierp de onbekende zijn geweer over den schouder en deed een paar stappen naar zijn paard.„Blijf! in ’s hemels naam!” riep de monnik, zich schielijker oprigtende dan zijn zwakke toestand had doen veronderstellen, daar de vrees hem de ontbrekende krachten schonk. „Wat zal er van mij worden, alleen, in deze wildernis?”„Dat kan mij weinig schelen,” hernam de onbekende, hardvochtig den slip van zijn zarape losrukkende dien de monnik gegrepen had; „de grondregel der woestijn is immers: Ieder voor zich.”„Hoor mij!” schreeuwde de monnik, op zijn ouden spraakzamen toon. „Mijn naam is Fray Antonio, ik ben rijk, als gij mij wilt beschermen zal ik u ruim beloonen.”De onbekende glimlachte minachtend.„Wat hebt gij te vreezen? Gij zijt jong, sterk, goed gewapend, en dus wel in staat om u zelven te beschermen.”[179]„Neen, dat ben ik niet, daar ik door onverbiddelijke vijanden word vervolgd. Dezen nacht hebben zij mij eene gruwzame en vernederende marteling doen ondergaan; het is mij met groote moeite gelukt aan hunne handen te ontkomen. Heden morgen vroeg, bragt het toeval mij weder in de tegenwoordigheid van twee dezer lieden; toen ik hen zag maakte een soort van dolle razernij zich van mij meester; het idee om mij te wreken kwam in mij op; ik heb mijn geweer op hen aangelegd en op hen gevuurd, en toen heb ik het op een loopen gezet, zonder te weten waar ik ging, dronken van gramschap en schrik; tot ik hier kwam en nederviel, geheel afgemat, overstelpt en vernietigd, deels door het lijden dat ik dezen nacht heb doorgestaan, deels van vermoeijenis door een verren en snellen marsch, langs afschuwelijke wegen, dwars door de wildernis. De schelmen zitten mij zonder twijfel na. Zoo zij mij vinden, en dat zullen zij zeker, want het zijn woudloopers die met de wildernis in allen deele bekend zijn, zullen zij mij onbarmhartig vermoorden; ik heb geen hoop meer dan op u; red mij, bij al wat u op aarde dierbaar is, red mij! en mijne dankbaarheid voor u zal onbegrensd zijn.”De onbekende had dit lange en hartstogtelijk pleidooi aangehoord zonder een spier op zijn gezigt te verroeren. Toen de monnik eindelijk zweeg, waarschijnlijk uit gebrek aan adem of redeneerkracht, zette de vreemdeling zijn geweer met de kolf op den grond.„Alles wat gij daar zegt kan wel waar zijn,” antwoordde hij droog, „maar ik geef er zooveel om als om een schot met los kruid; zie dat gij u redt zoo goed als gij kunt, uwe gebeden baten niets: zoo gij wist wie ik ben, zoudt gij u niet langer de moeite geven om mij de ooren te doen klappen.”De monnik keek den onbekende aan met een vervaarden blik, niet meer wetende wat hij hem zeggen, noch waarmede hij hem het hart zou vermurwen.„Maar wie zijt gij dan?” vroeg hij, veeleer om toch iets te zeggen, dan wel op hoop van eenig antwoord te bekomen.„Wie ik ben,” herhaalde de gevreesde man, met een spotachtigen grijns, „wilt gij dat weten? Goed, luister dan op uwe beurt, ik heb u slechts een paar woorden te zeggen, maar zij zullen voldoende zijn om het bloed in uwe aderen te doen verstijven: ik ben de zoogenaamdeBlanke-Scalpeur, of Zonder-Genade!”De monnik deed eenige stappen terug, waggelend en de handen vouwende, terwijl hij verschrikt uitriep:„Mijn God! ik ben verloren.”[180]Op dit oogenblik klonk digt in de nabijheid het klagend geroep van den nachtuil.De Scalpeur sidderde.„Men heeft ons beluisterd,” riep hij, en oogenblikkelijk snelde hij naar dien kant vanwaar het signaal zich hooren liet, terwijl de monnik, half dood van schrik, op de knieën zonk, en een gebed begon te prevelen.

[Inhoud]XXII.DE BLAAUWE-VOS.Wij keeren thans tot den Blaauwe-Vos en zijne twee kameraden terug, die wij in een vorig hoofdstuk verlaten hebben, op het oogenblik dat zij kogels langs hunne ooren hoorende fluiten, zich onwillekeurig achter rotsblokken en boomstammen in veiligheid hadden gesteld.Na het nemen dezer onvermijdelijke voorzorgen tegen hunne onzigtbare aanvallers, onderzochten de drie mannen zorgvuldig hunne wapens, ten einde in staat te zijn scherp met scherp te keeren, en wachtten toen met den vinger aan den trekker en een waakzamen blik in alle rigtingen, het oogenblik af dat de vijand zich zou vertoonen.Zij bleven echter een geruimen tijd onbewegelijk op hun post, zonder dat de stilte der prairie van nieuws werd gestoord, of het minste blijk zich vertoonde dat de aanval zou worden hervat.Aan de grootste ongerustheid ten prooi en niet wetende waaraan zij deze onverwachte aanranding moesten toeschrijven, noch welke vijanden zij te duchten hadden, zagen de drie mannen geen middel om zich met eere uit de hagchelijke positie te redden, waarin het vreemde geval hen zoo eensklaps geplaatst had, tot de Blaauwe-Vos eindelijk besloot om op verkenning uit te gaan.Evenwel, daar het opperhoofd niet zonder reden vreesde in eene hinderlaag te zullen vallen, die men met list zou kunnen gespannen hebben om hem en zijne kameraden onverhoeds te overrompelen, achtte hij het alvorens zich te verwijderen noodig, de meest mogelijke voorzorgen te nemen.[172]De Indianen zijn te regt vermaard wegens hunne scherpzinnigheid; door hunne levenswijze in de woestijn van jongs af gewoon de natuurlijke vermogens te oefenen, waarmede de Voorzienigheid hen zoo rijkelijk bedeelde, wordt hun gehoor, reuk en vooral hun gezigt in zulk eene hooge mate ontwikkeld en verfijnd, dat zij zich ten dezen opzigte gerust met de wilde dieren kunnen meten. Bovendien bezitten zij, behalve het dierlijk instinct, nog het menschelijk verstand, waardoor zij in staat zijn om hunne gewaarwordingen met elkander in verband te brengen en er de gevolgen van te berekenen, zoodat zij, om het zoo eens te noemen, eene soort van kattengeleerdheid of dierlijke wetenschap bezitten, die hen de ongelooflijkste dingen doet verrigten, dingen welke schier de grenzen van het mogelijke te buiten gaan, en die men moet hebben gezien om er zich een denkbeeld van te maken.Het is inzonderheid wanneer zij een spoor volgen dat deze scherpzinnigheid en instincts-wetenschap der Indianen zich in al haren omvang doen kennen. Welke voorzorgen hun vijand ook neemt om zijn pad te verbergen en zijn spoor onzigtbaar te maken, de Roodhuiden zullen het eindelijk weten te ontdekken; voor hen heeft de woestijn geene geheimen, voor hen is de ongerepte en grootsche natuur een geopend boek, waar zij iedere bladzijde van kennen en dagelijks doorlezen, zonder ooit, wij zeggen niet, zich te bedriegen, maar zelfs in ’t onzekere rond te tasten.De Blaauwe-Vos, ofschoon nog zeer jong, had zich wegens zijne sluwheid en arglistigheid reeds een welverdienden naam verworven; hij zou zich derhalve ook in de tegenwoordige omstandigheden, nu hij naar alle waarschijnlijkheid door onzigtbare vijanden werd omgeven, niet ongestraft in zijn schuilhoek laten beloeren of bespringen, maar maakte zich met verdubbelde waakzaamheid gereed om hunne aanslagen te verijdelen en hunne plannen door tegenplannen te ondermijnen.Na met zijne twee kameraden te zijn overeengekomen omtrent het signaal dat hij hun geven zou, in geval hij hunne hulp noodig had, zooals wel waarschijnlijk was, ontdeed hij zich van zijn bisonsmantel, die hem in zijne bewegingen slechts zou hebben belemmerd, legde ook de versiersels af waarmede zijn hoofd, hals en borst beladen waren, en hield niets anders aan dan zijnemitasse, een soort van broek uit twee deelen bestaande, van afstand tot afstand met menschenhaar aan elkander genaaid, die aan de heupen werd opgehouden door een riem van ongelooid hertenleder, en tot aan de enkels reikte.[173]Aldus gekleed, wentelde hij zich verscheidene malen in het zand, om aan zijn ligchaam een aschgraauwe kleur te geven; vervolgens stak hij zijn tomahawk en zijn scalpeermes in zijn gordel, twee wapens die geen Indiaan ooit verzuimen zal bij zich te dragen, nam zijn buks in de regterhand, en na een laatsten groet aan zijne vrienden, die al zijn toebereidels met aandacht gadesloegen, strekte hij zich op den grond uit en begon als een slang door de struiken en het hooge gras te kruipen.Ofschoon de zon reeds eenigen tijd op was en haar verblindend licht over de prairie uitgoot, volvoerde de Blaauwe-Vos zijn uittogt met zooveel omzigtigheid, dat hij reeds een eind ver in de vlakte was, toen zij meenden dat hij zich nog in hunne nabijheid bevond: geen grashalm hadden zij zien bewegen, geen keisteen was onder zijne voeten weggerold.Van tijd tot tijd hield de Roodhuid stil om met zijn doordringenden blik den omtrek te bespieden, en als hij dan zag dat alles in rust was en dat zijne tegenwoordigheid door niemand werd opgemerkt, kroop hij van nieuws op handen en knieën voort, steeds in de rigting van het geboomte, waar hij niet ver meer van verwijderd was.Eindelijk bereikte hij aan den zoom van het bosch eene plek waar het digte kreupelhout begon, en waar het gras hier en daar min of meer gekneusd scheen, zoodat hij vermoedde niet ver van de plaats der hinderlaag te zijn uit welke het verraderlijk schot gedaan was.Hier hield de Indiaan stil, om met aandacht het terrein op te nemen en te zien of hij ook sporen ontdekte. Werkelijk zag hij een aantal voetstappen; doch zij waren blijkbaar slechts van een enkel persoon afkomstig, buitengewoon breed en zwaar en zonder eenige voorzorg gemaakt, en schenen veeleer het werk van een blanke die volstrekt niet met de gebruiken der woestijn bekend was, dan van een jager of Roodhuid.De struiken waren zeer beschadigd, geknakt en gebroken, alsof de persoon die hier geloopen had, er met onstuimige drift was doorgegaan: zonder zich de moeite te geven de takken uit een te buigen en weder op hunne plaats te brengen; ook was het gras hier en daar geweldig plat gedrukt.De Blaauwe-Vos begreep niets van dit vreemde verschijnsel, dat op geenerlei wijs geleek naar hetgeen hij gewoon was in de woestijn op te merken.Was het misschien eene list van zijne vijanden om hem als met[174]open oogen te bedriegen, en door een valsch spoor zijn blik van het ware spoor af te leiden? of waren het werkelijk de voetstappen van een of anderen zwaarlijvigen blanke, die in de wildernis verdwaald was en er de gebruiken niet van kende?De Indiaan wist niet welke van deze twee denkbeelden hij moest vasthouden en geraakte in geen geringe verlegenheid. Aan eene zaak twijfelde hij niet, namelijk dat de kogels die hem toen hij op het punt was om zijn verhaal te beginnen, om de ooren hadden gefloten van deze plaats geschoten waren; maar om welke reden zou dan de man, wie het ook wezen mogt, die hier in hinderlaag had gelegen zulke duidelijke bewijzen van zijn doortogt hebben achtergelaten? Hij kon immers wel begrijpen dat zijn aanval op die wijs niet ongestraft zou blijven en dat de lieden op welke hij geschoten had hem onmiddellijk zouden vervolgen.Eindelijk, na lang en te vergeefs de oplossing van dit duistere raadsel gezocht te hebben, kwam de Roodhuid, niet wetende waaraan hij zich te houden had,onwillekeurigop zijne eerste gedachte terug, namelijk, dat het spoor valsch was en alleen dienen moest om het echte spoor te verbergen en de vervolgers ven den regten weg te helpen.Het gewone gebrek van listige lieden is, dat zij andere menschen voor even listig houden als zij en in iedere beweging hunner vijanden niets dan sluwheid meenen te zien; hierdoor worden zij menigmaal bedrogen, en door de eenvoudigste middelen hunner tegenpartij zoo volkomen misleid, dat zij vaak door eigen argwaan een reeds gewonnen spel komen te verliezen.De Blaauwe-Vos bemerkte weldra dat zijne veronderstelling valsch was, dat hij zijnen vijand te veel eer bewezen en hem meer sluwheid en verstand had toegeschreven dan deze werkelijk bezat, en dat hetgeen hij in ’t eerst voor een streek van de fijnste soort had aangezien, niet anders was dan de eenvoudige doortogt van een gewoon mensch.Na lang aarzelens en overleggens, besloot hij eindelijk om voorwaarts te rukken en het spoor te volgen zoodanig als het was, wel overtuigd dat hij spoedig de waarheid zou ontdekken. Intusschen altijd te werk gaande alsof hij met doortrapte belagers te doen had, ging hij niet dan met de uiterste behoedzaamheid en voet voor voet vooruit, telkens in de holten en struiken rondziende en zich niet verder wagende dan na volkomen zekerheid te hebben dat hij geene overrompeling te vreezen had.Deze manoeuvre duurde vrij lang, en het was reeds twee uren[175]nadat hij zijne kameraden verlaten had, toen hij zich op eens aan den ingang bevond van een ruim boschkamp of opene plek, van hetwelk hij alleen door een digt kreupelboschje gescheiden werd.De Indiaan hield stil, rigtte zich op in zijne volle lengte en boog zachtjes de takken uit elkander, zoodat hij, zonder zelf gezien te worden, met een enkelen blik het boschkamp kon overzien.In de Amerikaansche wouden bestaan er vele zulke boschkampen, die gevormd worden door gevallen boomen, hetzij door ouderdom vermolmd of door den bliksem getroffen of door een dier vreesselijke orkanen omvergeworpen, die zoo vaak den Mexicaanschen bodem verwoesten en omkeeren. De opene plek van welke hier sprake is was vrij uitgestrekt; een kleine beek doorsneed haar over de geheele lengte, en op hare modderige klei-oevers zag men de diepe voetsporen der wilde dieren afgedrukt, die aan dit onbekende wed kwamen drinken.Een prachtige acajou-eik, die met zijn welige bladerkroon de gansche vallei overschaduwde, verhief zich bijna in het midden. Aan den voet van dezen woudreus bevonden zich twee mannen digt bij elkander.De een, als monnik gekleed, lag met de oogen gesloten en een doodsbleek gelaat roerloos op den grond uitgestrekt; de andere, aan zijne zijde nedergeknield, scheen hem met de meeste zorg te willen verplegen.Door de gunstige stelling waarin de Roodhuid zich bevond, kon hij de trekken van laatstgenoemden persoon zeer gemakkelijk onderscheiden, daar hij hem juist tegenover zich had.Deze persoon was lang van gestalte, maar uiterst mager, terwijl zijn gelaat, door langdurige blootstelling aan de invloeden van koude en hitte, de kleur van rooden biksteen had aangenomen en met diepe rimpels doorploegd was; een lange baard, zoo wit als sneeuw, hing tot op zijne borst en vermengde zich met de lange even witte lokken, die ordeloos over zijne schouders golfden. Hij droeg deels het kostuum der Amerikaansche partijgangers, deels dat der Mexicaansche landheeren, namelijk een hoed van vigonia wol, met gouden boordsel, een ruime zarapé die hem tot mantel diende, en een pantalon van paarsch katoen fluweel, naauw sluitend en in een paar slobkousen van dassenvel gestoken die hem tot aan de knieën reikten.Het was niet wel mogelijk zijn ouderdom te gissen. Ofschoon zijne sombere, sterk sprekende trekken en zijne roode oogen, die als karbonkels glinsterden en verstrooid rondblikten, hem reeds[176]een vrij gevorderden leeftijd toekenden, was er in zijn gansche voorkomen geen spoor van verval op te merken; rank van gestalte en zoo regt als een kaars van rug en lenden, scheen hij nog geen halven duimbreed in de lengte verloren te hebben; zijne knokkige ledematen, met spieren als kabels gedekt, teekenden buitengemeene kracht en buigzaamheid; in een woord, hij had al het voorkomen van een geducht partijganger; wiens oog nog zoo juist en wiens arm nog even vlug en vaardig was als van een man die naauwelijks veertig jaren telde.In zijn gordel staken een paar lange ruiterpistolen; een breede korte sabel, of zoogenaamdemachete, zonder schede, hing aan een ijzeren ring op de linker heup. Twee karabijnen, waarvan de eene hem ongetwijfeld toebehoorde, waren tegen den boomstam gezet, terwijl een prachtige mustang, of in de wildernis geboren paard, eenige schreden verder met een kluister aan het been ronddrentelde en naar hartelust met het jonge loof der struiken zijn maal deed.Wat ons zooveel tijd van beschrijven kostte, zag de Blaauwe-Vos in een oogopslag; maar het schijnt dat dit tooneel, dat hij wel verre was van te verwachten, hem alles behalve vertrouwen inboezemde, want zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij weerhield naauwelijks een uitroep van verwondering en teleurstelling, toen hij hier deze twee onbekende personen gewaar werd.Onwillekeurig, bij wijze van voorzigtigheidsmaatregel, spande hij den haan van zijn geweer, en begon weder te letten op hetgeen er in het boschkamp voorviel en wat er verder met de twee personaadjes gebeuren zou.Inmiddels maakte de man in het monnikskleed eene ligte beweging, als om zich op te rigten, en opende even de oogen, maar waarschijnlijk nog te zwak om het zonlicht te verdragen, dat hem ofschoon door het digte loof getemperd, juist op het gezigt viel, sloot hij ze weder.De man intusschen die hem ondersteunde, had reeds gemerkt dat hij weder bij kennis was gekomen, hij had hem de lippen zien bewegen als prevelde hij iets in zich zelven.Hij oordeelde nu dat de monnik ten minste vooreerst zijne hulp niet meer noodig had, en rees overeind, nam zijn buks, kruiste de beide handen op den tromp en bleef lijdelijk staan wachten, nu en dan om zich heen glurende met een blik zoo vol haat en sombere zwartgalligheid, dat het Indiaansche opperhoofd,[177]die nog altijd in de struiken alles bespiedde, er onwillekeurig van sidderde.Thans volgden eenige minuten stilte, gedurende welke men geen ander geluid hoorde, dan het eentoonig gemurmel der beek over de rotsige keijen in hare bedding, en het geheimzinnig gonzen der tallooze vliegen en insecten onder het gras verscholen.Eindelijk maakte de man die op den grond lag eene tweede beweging, sterker dan de eerste, en opende op nieuw de oogen.Na een verstrooiden blik in het rond te hebben geworpen, vestigden zijne oogen zich met zekere vreemde verbazing op den grooten grijzen man, die altoos onbewegelijk naast hem stond, en die hem met eene zonderlinge mengeling van spotachtig medelijden en sombere zwaarmoedigheid aankeek.„Ik dank u,” murmelde eindelijk de monnik met een zwakke stem.„Ik dank u! Waarvoor?” antwoordde de onbekende barsch.„Ik dank u, omdat gij mij het leven hebt gered, broeder,” hernam de gewonde.„Ik ben uw broeder niet, monnik,” hervatte de onbekende spotachtig; „ik ben een ketter, een gringo, zoo als gij ons gelieft te noemen; kijk mij eens goed aan, gij hebt mij nog niet naauwkeurig bezien: ik heb immers horens op mijn hoofd, en bokspooten aan mijne beenen?”Deze woorden klonken op zulk een sarcastischen en tevens nadrukkelijken toon, dat de monnik er een poos van verstomde.„Wie zijt gij dan?” vroeg hij eindelijk met heimelijke vrees.„Wat kan het u schelen?” hernam de onbekende met een kwaadwilligen lach, „de duivel misschien.”De gewonde deed eene geweldige poging om zich op te rigten, en kruiste zich bij herhaling.„De hemel beware mij! dat ik in handen van den boozen geest zou gevallen zijn,” stotterde hij.„Loop, onnoozele dwaas!” hervatte de onbekende verachtelijk de schouders ophalend, „wees maar niet bang; ik ben de duivel niet, maar een mensch zoo goed als gij, misschien een beetje minder schijnheilig, dat is het eenige onderscheid tusschen ons.”„Spreekt gij de waarheid? Zijt gij werkelijk een van mijns gelijken, gereed om mij te helpen?”„Voor het vervolg sta ik u geen borg,” antwoordde de onbekende met een raadselachtigen glimlach, „maar tot dusver althans hebt gij geloof ik geen reden u over mij te beklagen.”[178]„O, neen! neen! dat geloof ik ook niet, ofschoon sedert mijne flaauwte mijne gedachten geheel in de war zijn en ik mij niets meer herinner.”„Dat kan mij weinig schelen, het raakt mij zelfs niet: ik vraag ù naar niets; ik heb te veel aan mijne eigene zaken te doen om mij met die van anderen te bemoeijen. Maar, zeg! gevoelt gij u beter? Zijt gij genoeg hersteld om uw weg te vervolgen?”„Hoedat! mijn weg te vervolgen?” vroeg de monnik angstig, „denkt gij mij dan hier alleen te laten?”„Waarom niet? Ik heb met u reeds te veel tijd verloren, ik moet thans aan mijne eigen zaken denken.”„Wat zegt gij?” riep de monnik dringend, „na al de belangstelling die gij mij zoo welwillend getoond hebt, zoudt gij den moed hebben om mij bijna stervende alleen te laten, zonder u te bekommeren over hetgeen mij gebeuren kan na uw vertrek?”„Waarom niet? Wat geef ik om u? Ik ken u niet, ik heb er volstrekt geen belang bij om u te helpen. Toevallig over dit kamp gaande, heb ik u daar zien liggen, levenloos en bleek als een lijk, en ik heb u de zorgen bewezen die men in de woestijn aan niemand weigert; nu zijt gij tot het leven teruggekeerd, ik kan u niet meer van dienst zijn en ik vertrek; wat kan men eenvoudiger en redelijker wenschen? Vaarwel! en laat de duivel, daar gij mij zoo even voor hebt aangezien, u verder in zijne bescherming nemen.”Na deze woorden, op een toon van schampere ironie te hebben uitgesproken, wierp de onbekende zijn geweer over den schouder en deed een paar stappen naar zijn paard.„Blijf! in ’s hemels naam!” riep de monnik, zich schielijker oprigtende dan zijn zwakke toestand had doen veronderstellen, daar de vrees hem de ontbrekende krachten schonk. „Wat zal er van mij worden, alleen, in deze wildernis?”„Dat kan mij weinig schelen,” hernam de onbekende, hardvochtig den slip van zijn zarape losrukkende dien de monnik gegrepen had; „de grondregel der woestijn is immers: Ieder voor zich.”„Hoor mij!” schreeuwde de monnik, op zijn ouden spraakzamen toon. „Mijn naam is Fray Antonio, ik ben rijk, als gij mij wilt beschermen zal ik u ruim beloonen.”De onbekende glimlachte minachtend.„Wat hebt gij te vreezen? Gij zijt jong, sterk, goed gewapend, en dus wel in staat om u zelven te beschermen.”[179]„Neen, dat ben ik niet, daar ik door onverbiddelijke vijanden word vervolgd. Dezen nacht hebben zij mij eene gruwzame en vernederende marteling doen ondergaan; het is mij met groote moeite gelukt aan hunne handen te ontkomen. Heden morgen vroeg, bragt het toeval mij weder in de tegenwoordigheid van twee dezer lieden; toen ik hen zag maakte een soort van dolle razernij zich van mij meester; het idee om mij te wreken kwam in mij op; ik heb mijn geweer op hen aangelegd en op hen gevuurd, en toen heb ik het op een loopen gezet, zonder te weten waar ik ging, dronken van gramschap en schrik; tot ik hier kwam en nederviel, geheel afgemat, overstelpt en vernietigd, deels door het lijden dat ik dezen nacht heb doorgestaan, deels van vermoeijenis door een verren en snellen marsch, langs afschuwelijke wegen, dwars door de wildernis. De schelmen zitten mij zonder twijfel na. Zoo zij mij vinden, en dat zullen zij zeker, want het zijn woudloopers die met de wildernis in allen deele bekend zijn, zullen zij mij onbarmhartig vermoorden; ik heb geen hoop meer dan op u; red mij, bij al wat u op aarde dierbaar is, red mij! en mijne dankbaarheid voor u zal onbegrensd zijn.”De onbekende had dit lange en hartstogtelijk pleidooi aangehoord zonder een spier op zijn gezigt te verroeren. Toen de monnik eindelijk zweeg, waarschijnlijk uit gebrek aan adem of redeneerkracht, zette de vreemdeling zijn geweer met de kolf op den grond.„Alles wat gij daar zegt kan wel waar zijn,” antwoordde hij droog, „maar ik geef er zooveel om als om een schot met los kruid; zie dat gij u redt zoo goed als gij kunt, uwe gebeden baten niets: zoo gij wist wie ik ben, zoudt gij u niet langer de moeite geven om mij de ooren te doen klappen.”De monnik keek den onbekende aan met een vervaarden blik, niet meer wetende wat hij hem zeggen, noch waarmede hij hem het hart zou vermurwen.„Maar wie zijt gij dan?” vroeg hij, veeleer om toch iets te zeggen, dan wel op hoop van eenig antwoord te bekomen.„Wie ik ben,” herhaalde de gevreesde man, met een spotachtigen grijns, „wilt gij dat weten? Goed, luister dan op uwe beurt, ik heb u slechts een paar woorden te zeggen, maar zij zullen voldoende zijn om het bloed in uwe aderen te doen verstijven: ik ben de zoogenaamdeBlanke-Scalpeur, of Zonder-Genade!”De monnik deed eenige stappen terug, waggelend en de handen vouwende, terwijl hij verschrikt uitriep:„Mijn God! ik ben verloren.”[180]Op dit oogenblik klonk digt in de nabijheid het klagend geroep van den nachtuil.De Scalpeur sidderde.„Men heeft ons beluisterd,” riep hij, en oogenblikkelijk snelde hij naar dien kant vanwaar het signaal zich hooren liet, terwijl de monnik, half dood van schrik, op de knieën zonk, en een gebed begon te prevelen.

XXII.DE BLAAUWE-VOS.

Wij keeren thans tot den Blaauwe-Vos en zijne twee kameraden terug, die wij in een vorig hoofdstuk verlaten hebben, op het oogenblik dat zij kogels langs hunne ooren hoorende fluiten, zich onwillekeurig achter rotsblokken en boomstammen in veiligheid hadden gesteld.Na het nemen dezer onvermijdelijke voorzorgen tegen hunne onzigtbare aanvallers, onderzochten de drie mannen zorgvuldig hunne wapens, ten einde in staat te zijn scherp met scherp te keeren, en wachtten toen met den vinger aan den trekker en een waakzamen blik in alle rigtingen, het oogenblik af dat de vijand zich zou vertoonen.Zij bleven echter een geruimen tijd onbewegelijk op hun post, zonder dat de stilte der prairie van nieuws werd gestoord, of het minste blijk zich vertoonde dat de aanval zou worden hervat.Aan de grootste ongerustheid ten prooi en niet wetende waaraan zij deze onverwachte aanranding moesten toeschrijven, noch welke vijanden zij te duchten hadden, zagen de drie mannen geen middel om zich met eere uit de hagchelijke positie te redden, waarin het vreemde geval hen zoo eensklaps geplaatst had, tot de Blaauwe-Vos eindelijk besloot om op verkenning uit te gaan.Evenwel, daar het opperhoofd niet zonder reden vreesde in eene hinderlaag te zullen vallen, die men met list zou kunnen gespannen hebben om hem en zijne kameraden onverhoeds te overrompelen, achtte hij het alvorens zich te verwijderen noodig, de meest mogelijke voorzorgen te nemen.[172]De Indianen zijn te regt vermaard wegens hunne scherpzinnigheid; door hunne levenswijze in de woestijn van jongs af gewoon de natuurlijke vermogens te oefenen, waarmede de Voorzienigheid hen zoo rijkelijk bedeelde, wordt hun gehoor, reuk en vooral hun gezigt in zulk eene hooge mate ontwikkeld en verfijnd, dat zij zich ten dezen opzigte gerust met de wilde dieren kunnen meten. Bovendien bezitten zij, behalve het dierlijk instinct, nog het menschelijk verstand, waardoor zij in staat zijn om hunne gewaarwordingen met elkander in verband te brengen en er de gevolgen van te berekenen, zoodat zij, om het zoo eens te noemen, eene soort van kattengeleerdheid of dierlijke wetenschap bezitten, die hen de ongelooflijkste dingen doet verrigten, dingen welke schier de grenzen van het mogelijke te buiten gaan, en die men moet hebben gezien om er zich een denkbeeld van te maken.Het is inzonderheid wanneer zij een spoor volgen dat deze scherpzinnigheid en instincts-wetenschap der Indianen zich in al haren omvang doen kennen. Welke voorzorgen hun vijand ook neemt om zijn pad te verbergen en zijn spoor onzigtbaar te maken, de Roodhuiden zullen het eindelijk weten te ontdekken; voor hen heeft de woestijn geene geheimen, voor hen is de ongerepte en grootsche natuur een geopend boek, waar zij iedere bladzijde van kennen en dagelijks doorlezen, zonder ooit, wij zeggen niet, zich te bedriegen, maar zelfs in ’t onzekere rond te tasten.De Blaauwe-Vos, ofschoon nog zeer jong, had zich wegens zijne sluwheid en arglistigheid reeds een welverdienden naam verworven; hij zou zich derhalve ook in de tegenwoordige omstandigheden, nu hij naar alle waarschijnlijkheid door onzigtbare vijanden werd omgeven, niet ongestraft in zijn schuilhoek laten beloeren of bespringen, maar maakte zich met verdubbelde waakzaamheid gereed om hunne aanslagen te verijdelen en hunne plannen door tegenplannen te ondermijnen.Na met zijne twee kameraden te zijn overeengekomen omtrent het signaal dat hij hun geven zou, in geval hij hunne hulp noodig had, zooals wel waarschijnlijk was, ontdeed hij zich van zijn bisonsmantel, die hem in zijne bewegingen slechts zou hebben belemmerd, legde ook de versiersels af waarmede zijn hoofd, hals en borst beladen waren, en hield niets anders aan dan zijnemitasse, een soort van broek uit twee deelen bestaande, van afstand tot afstand met menschenhaar aan elkander genaaid, die aan de heupen werd opgehouden door een riem van ongelooid hertenleder, en tot aan de enkels reikte.[173]Aldus gekleed, wentelde hij zich verscheidene malen in het zand, om aan zijn ligchaam een aschgraauwe kleur te geven; vervolgens stak hij zijn tomahawk en zijn scalpeermes in zijn gordel, twee wapens die geen Indiaan ooit verzuimen zal bij zich te dragen, nam zijn buks in de regterhand, en na een laatsten groet aan zijne vrienden, die al zijn toebereidels met aandacht gadesloegen, strekte hij zich op den grond uit en begon als een slang door de struiken en het hooge gras te kruipen.Ofschoon de zon reeds eenigen tijd op was en haar verblindend licht over de prairie uitgoot, volvoerde de Blaauwe-Vos zijn uittogt met zooveel omzigtigheid, dat hij reeds een eind ver in de vlakte was, toen zij meenden dat hij zich nog in hunne nabijheid bevond: geen grashalm hadden zij zien bewegen, geen keisteen was onder zijne voeten weggerold.Van tijd tot tijd hield de Roodhuid stil om met zijn doordringenden blik den omtrek te bespieden, en als hij dan zag dat alles in rust was en dat zijne tegenwoordigheid door niemand werd opgemerkt, kroop hij van nieuws op handen en knieën voort, steeds in de rigting van het geboomte, waar hij niet ver meer van verwijderd was.Eindelijk bereikte hij aan den zoom van het bosch eene plek waar het digte kreupelhout begon, en waar het gras hier en daar min of meer gekneusd scheen, zoodat hij vermoedde niet ver van de plaats der hinderlaag te zijn uit welke het verraderlijk schot gedaan was.Hier hield de Indiaan stil, om met aandacht het terrein op te nemen en te zien of hij ook sporen ontdekte. Werkelijk zag hij een aantal voetstappen; doch zij waren blijkbaar slechts van een enkel persoon afkomstig, buitengewoon breed en zwaar en zonder eenige voorzorg gemaakt, en schenen veeleer het werk van een blanke die volstrekt niet met de gebruiken der woestijn bekend was, dan van een jager of Roodhuid.De struiken waren zeer beschadigd, geknakt en gebroken, alsof de persoon die hier geloopen had, er met onstuimige drift was doorgegaan: zonder zich de moeite te geven de takken uit een te buigen en weder op hunne plaats te brengen; ook was het gras hier en daar geweldig plat gedrukt.De Blaauwe-Vos begreep niets van dit vreemde verschijnsel, dat op geenerlei wijs geleek naar hetgeen hij gewoon was in de woestijn op te merken.Was het misschien eene list van zijne vijanden om hem als met[174]open oogen te bedriegen, en door een valsch spoor zijn blik van het ware spoor af te leiden? of waren het werkelijk de voetstappen van een of anderen zwaarlijvigen blanke, die in de wildernis verdwaald was en er de gebruiken niet van kende?De Indiaan wist niet welke van deze twee denkbeelden hij moest vasthouden en geraakte in geen geringe verlegenheid. Aan eene zaak twijfelde hij niet, namelijk dat de kogels die hem toen hij op het punt was om zijn verhaal te beginnen, om de ooren hadden gefloten van deze plaats geschoten waren; maar om welke reden zou dan de man, wie het ook wezen mogt, die hier in hinderlaag had gelegen zulke duidelijke bewijzen van zijn doortogt hebben achtergelaten? Hij kon immers wel begrijpen dat zijn aanval op die wijs niet ongestraft zou blijven en dat de lieden op welke hij geschoten had hem onmiddellijk zouden vervolgen.Eindelijk, na lang en te vergeefs de oplossing van dit duistere raadsel gezocht te hebben, kwam de Roodhuid, niet wetende waaraan hij zich te houden had,onwillekeurigop zijne eerste gedachte terug, namelijk, dat het spoor valsch was en alleen dienen moest om het echte spoor te verbergen en de vervolgers ven den regten weg te helpen.Het gewone gebrek van listige lieden is, dat zij andere menschen voor even listig houden als zij en in iedere beweging hunner vijanden niets dan sluwheid meenen te zien; hierdoor worden zij menigmaal bedrogen, en door de eenvoudigste middelen hunner tegenpartij zoo volkomen misleid, dat zij vaak door eigen argwaan een reeds gewonnen spel komen te verliezen.De Blaauwe-Vos bemerkte weldra dat zijne veronderstelling valsch was, dat hij zijnen vijand te veel eer bewezen en hem meer sluwheid en verstand had toegeschreven dan deze werkelijk bezat, en dat hetgeen hij in ’t eerst voor een streek van de fijnste soort had aangezien, niet anders was dan de eenvoudige doortogt van een gewoon mensch.Na lang aarzelens en overleggens, besloot hij eindelijk om voorwaarts te rukken en het spoor te volgen zoodanig als het was, wel overtuigd dat hij spoedig de waarheid zou ontdekken. Intusschen altijd te werk gaande alsof hij met doortrapte belagers te doen had, ging hij niet dan met de uiterste behoedzaamheid en voet voor voet vooruit, telkens in de holten en struiken rondziende en zich niet verder wagende dan na volkomen zekerheid te hebben dat hij geene overrompeling te vreezen had.Deze manoeuvre duurde vrij lang, en het was reeds twee uren[175]nadat hij zijne kameraden verlaten had, toen hij zich op eens aan den ingang bevond van een ruim boschkamp of opene plek, van hetwelk hij alleen door een digt kreupelboschje gescheiden werd.De Indiaan hield stil, rigtte zich op in zijne volle lengte en boog zachtjes de takken uit elkander, zoodat hij, zonder zelf gezien te worden, met een enkelen blik het boschkamp kon overzien.In de Amerikaansche wouden bestaan er vele zulke boschkampen, die gevormd worden door gevallen boomen, hetzij door ouderdom vermolmd of door den bliksem getroffen of door een dier vreesselijke orkanen omvergeworpen, die zoo vaak den Mexicaanschen bodem verwoesten en omkeeren. De opene plek van welke hier sprake is was vrij uitgestrekt; een kleine beek doorsneed haar over de geheele lengte, en op hare modderige klei-oevers zag men de diepe voetsporen der wilde dieren afgedrukt, die aan dit onbekende wed kwamen drinken.Een prachtige acajou-eik, die met zijn welige bladerkroon de gansche vallei overschaduwde, verhief zich bijna in het midden. Aan den voet van dezen woudreus bevonden zich twee mannen digt bij elkander.De een, als monnik gekleed, lag met de oogen gesloten en een doodsbleek gelaat roerloos op den grond uitgestrekt; de andere, aan zijne zijde nedergeknield, scheen hem met de meeste zorg te willen verplegen.Door de gunstige stelling waarin de Roodhuid zich bevond, kon hij de trekken van laatstgenoemden persoon zeer gemakkelijk onderscheiden, daar hij hem juist tegenover zich had.Deze persoon was lang van gestalte, maar uiterst mager, terwijl zijn gelaat, door langdurige blootstelling aan de invloeden van koude en hitte, de kleur van rooden biksteen had aangenomen en met diepe rimpels doorploegd was; een lange baard, zoo wit als sneeuw, hing tot op zijne borst en vermengde zich met de lange even witte lokken, die ordeloos over zijne schouders golfden. Hij droeg deels het kostuum der Amerikaansche partijgangers, deels dat der Mexicaansche landheeren, namelijk een hoed van vigonia wol, met gouden boordsel, een ruime zarapé die hem tot mantel diende, en een pantalon van paarsch katoen fluweel, naauw sluitend en in een paar slobkousen van dassenvel gestoken die hem tot aan de knieën reikten.Het was niet wel mogelijk zijn ouderdom te gissen. Ofschoon zijne sombere, sterk sprekende trekken en zijne roode oogen, die als karbonkels glinsterden en verstrooid rondblikten, hem reeds[176]een vrij gevorderden leeftijd toekenden, was er in zijn gansche voorkomen geen spoor van verval op te merken; rank van gestalte en zoo regt als een kaars van rug en lenden, scheen hij nog geen halven duimbreed in de lengte verloren te hebben; zijne knokkige ledematen, met spieren als kabels gedekt, teekenden buitengemeene kracht en buigzaamheid; in een woord, hij had al het voorkomen van een geducht partijganger; wiens oog nog zoo juist en wiens arm nog even vlug en vaardig was als van een man die naauwelijks veertig jaren telde.In zijn gordel staken een paar lange ruiterpistolen; een breede korte sabel, of zoogenaamdemachete, zonder schede, hing aan een ijzeren ring op de linker heup. Twee karabijnen, waarvan de eene hem ongetwijfeld toebehoorde, waren tegen den boomstam gezet, terwijl een prachtige mustang, of in de wildernis geboren paard, eenige schreden verder met een kluister aan het been ronddrentelde en naar hartelust met het jonge loof der struiken zijn maal deed.Wat ons zooveel tijd van beschrijven kostte, zag de Blaauwe-Vos in een oogopslag; maar het schijnt dat dit tooneel, dat hij wel verre was van te verwachten, hem alles behalve vertrouwen inboezemde, want zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij weerhield naauwelijks een uitroep van verwondering en teleurstelling, toen hij hier deze twee onbekende personen gewaar werd.Onwillekeurig, bij wijze van voorzigtigheidsmaatregel, spande hij den haan van zijn geweer, en begon weder te letten op hetgeen er in het boschkamp voorviel en wat er verder met de twee personaadjes gebeuren zou.Inmiddels maakte de man in het monnikskleed eene ligte beweging, als om zich op te rigten, en opende even de oogen, maar waarschijnlijk nog te zwak om het zonlicht te verdragen, dat hem ofschoon door het digte loof getemperd, juist op het gezigt viel, sloot hij ze weder.De man intusschen die hem ondersteunde, had reeds gemerkt dat hij weder bij kennis was gekomen, hij had hem de lippen zien bewegen als prevelde hij iets in zich zelven.Hij oordeelde nu dat de monnik ten minste vooreerst zijne hulp niet meer noodig had, en rees overeind, nam zijn buks, kruiste de beide handen op den tromp en bleef lijdelijk staan wachten, nu en dan om zich heen glurende met een blik zoo vol haat en sombere zwartgalligheid, dat het Indiaansche opperhoofd,[177]die nog altijd in de struiken alles bespiedde, er onwillekeurig van sidderde.Thans volgden eenige minuten stilte, gedurende welke men geen ander geluid hoorde, dan het eentoonig gemurmel der beek over de rotsige keijen in hare bedding, en het geheimzinnig gonzen der tallooze vliegen en insecten onder het gras verscholen.Eindelijk maakte de man die op den grond lag eene tweede beweging, sterker dan de eerste, en opende op nieuw de oogen.Na een verstrooiden blik in het rond te hebben geworpen, vestigden zijne oogen zich met zekere vreemde verbazing op den grooten grijzen man, die altoos onbewegelijk naast hem stond, en die hem met eene zonderlinge mengeling van spotachtig medelijden en sombere zwaarmoedigheid aankeek.„Ik dank u,” murmelde eindelijk de monnik met een zwakke stem.„Ik dank u! Waarvoor?” antwoordde de onbekende barsch.„Ik dank u, omdat gij mij het leven hebt gered, broeder,” hernam de gewonde.„Ik ben uw broeder niet, monnik,” hervatte de onbekende spotachtig; „ik ben een ketter, een gringo, zoo als gij ons gelieft te noemen; kijk mij eens goed aan, gij hebt mij nog niet naauwkeurig bezien: ik heb immers horens op mijn hoofd, en bokspooten aan mijne beenen?”Deze woorden klonken op zulk een sarcastischen en tevens nadrukkelijken toon, dat de monnik er een poos van verstomde.„Wie zijt gij dan?” vroeg hij eindelijk met heimelijke vrees.„Wat kan het u schelen?” hernam de onbekende met een kwaadwilligen lach, „de duivel misschien.”De gewonde deed eene geweldige poging om zich op te rigten, en kruiste zich bij herhaling.„De hemel beware mij! dat ik in handen van den boozen geest zou gevallen zijn,” stotterde hij.„Loop, onnoozele dwaas!” hervatte de onbekende verachtelijk de schouders ophalend, „wees maar niet bang; ik ben de duivel niet, maar een mensch zoo goed als gij, misschien een beetje minder schijnheilig, dat is het eenige onderscheid tusschen ons.”„Spreekt gij de waarheid? Zijt gij werkelijk een van mijns gelijken, gereed om mij te helpen?”„Voor het vervolg sta ik u geen borg,” antwoordde de onbekende met een raadselachtigen glimlach, „maar tot dusver althans hebt gij geloof ik geen reden u over mij te beklagen.”[178]„O, neen! neen! dat geloof ik ook niet, ofschoon sedert mijne flaauwte mijne gedachten geheel in de war zijn en ik mij niets meer herinner.”„Dat kan mij weinig schelen, het raakt mij zelfs niet: ik vraag ù naar niets; ik heb te veel aan mijne eigene zaken te doen om mij met die van anderen te bemoeijen. Maar, zeg! gevoelt gij u beter? Zijt gij genoeg hersteld om uw weg te vervolgen?”„Hoedat! mijn weg te vervolgen?” vroeg de monnik angstig, „denkt gij mij dan hier alleen te laten?”„Waarom niet? Ik heb met u reeds te veel tijd verloren, ik moet thans aan mijne eigen zaken denken.”„Wat zegt gij?” riep de monnik dringend, „na al de belangstelling die gij mij zoo welwillend getoond hebt, zoudt gij den moed hebben om mij bijna stervende alleen te laten, zonder u te bekommeren over hetgeen mij gebeuren kan na uw vertrek?”„Waarom niet? Wat geef ik om u? Ik ken u niet, ik heb er volstrekt geen belang bij om u te helpen. Toevallig over dit kamp gaande, heb ik u daar zien liggen, levenloos en bleek als een lijk, en ik heb u de zorgen bewezen die men in de woestijn aan niemand weigert; nu zijt gij tot het leven teruggekeerd, ik kan u niet meer van dienst zijn en ik vertrek; wat kan men eenvoudiger en redelijker wenschen? Vaarwel! en laat de duivel, daar gij mij zoo even voor hebt aangezien, u verder in zijne bescherming nemen.”Na deze woorden, op een toon van schampere ironie te hebben uitgesproken, wierp de onbekende zijn geweer over den schouder en deed een paar stappen naar zijn paard.„Blijf! in ’s hemels naam!” riep de monnik, zich schielijker oprigtende dan zijn zwakke toestand had doen veronderstellen, daar de vrees hem de ontbrekende krachten schonk. „Wat zal er van mij worden, alleen, in deze wildernis?”„Dat kan mij weinig schelen,” hernam de onbekende, hardvochtig den slip van zijn zarape losrukkende dien de monnik gegrepen had; „de grondregel der woestijn is immers: Ieder voor zich.”„Hoor mij!” schreeuwde de monnik, op zijn ouden spraakzamen toon. „Mijn naam is Fray Antonio, ik ben rijk, als gij mij wilt beschermen zal ik u ruim beloonen.”De onbekende glimlachte minachtend.„Wat hebt gij te vreezen? Gij zijt jong, sterk, goed gewapend, en dus wel in staat om u zelven te beschermen.”[179]„Neen, dat ben ik niet, daar ik door onverbiddelijke vijanden word vervolgd. Dezen nacht hebben zij mij eene gruwzame en vernederende marteling doen ondergaan; het is mij met groote moeite gelukt aan hunne handen te ontkomen. Heden morgen vroeg, bragt het toeval mij weder in de tegenwoordigheid van twee dezer lieden; toen ik hen zag maakte een soort van dolle razernij zich van mij meester; het idee om mij te wreken kwam in mij op; ik heb mijn geweer op hen aangelegd en op hen gevuurd, en toen heb ik het op een loopen gezet, zonder te weten waar ik ging, dronken van gramschap en schrik; tot ik hier kwam en nederviel, geheel afgemat, overstelpt en vernietigd, deels door het lijden dat ik dezen nacht heb doorgestaan, deels van vermoeijenis door een verren en snellen marsch, langs afschuwelijke wegen, dwars door de wildernis. De schelmen zitten mij zonder twijfel na. Zoo zij mij vinden, en dat zullen zij zeker, want het zijn woudloopers die met de wildernis in allen deele bekend zijn, zullen zij mij onbarmhartig vermoorden; ik heb geen hoop meer dan op u; red mij, bij al wat u op aarde dierbaar is, red mij! en mijne dankbaarheid voor u zal onbegrensd zijn.”De onbekende had dit lange en hartstogtelijk pleidooi aangehoord zonder een spier op zijn gezigt te verroeren. Toen de monnik eindelijk zweeg, waarschijnlijk uit gebrek aan adem of redeneerkracht, zette de vreemdeling zijn geweer met de kolf op den grond.„Alles wat gij daar zegt kan wel waar zijn,” antwoordde hij droog, „maar ik geef er zooveel om als om een schot met los kruid; zie dat gij u redt zoo goed als gij kunt, uwe gebeden baten niets: zoo gij wist wie ik ben, zoudt gij u niet langer de moeite geven om mij de ooren te doen klappen.”De monnik keek den onbekende aan met een vervaarden blik, niet meer wetende wat hij hem zeggen, noch waarmede hij hem het hart zou vermurwen.„Maar wie zijt gij dan?” vroeg hij, veeleer om toch iets te zeggen, dan wel op hoop van eenig antwoord te bekomen.„Wie ik ben,” herhaalde de gevreesde man, met een spotachtigen grijns, „wilt gij dat weten? Goed, luister dan op uwe beurt, ik heb u slechts een paar woorden te zeggen, maar zij zullen voldoende zijn om het bloed in uwe aderen te doen verstijven: ik ben de zoogenaamdeBlanke-Scalpeur, of Zonder-Genade!”De monnik deed eenige stappen terug, waggelend en de handen vouwende, terwijl hij verschrikt uitriep:„Mijn God! ik ben verloren.”[180]Op dit oogenblik klonk digt in de nabijheid het klagend geroep van den nachtuil.De Scalpeur sidderde.„Men heeft ons beluisterd,” riep hij, en oogenblikkelijk snelde hij naar dien kant vanwaar het signaal zich hooren liet, terwijl de monnik, half dood van schrik, op de knieën zonk, en een gebed begon te prevelen.

Wij keeren thans tot den Blaauwe-Vos en zijne twee kameraden terug, die wij in een vorig hoofdstuk verlaten hebben, op het oogenblik dat zij kogels langs hunne ooren hoorende fluiten, zich onwillekeurig achter rotsblokken en boomstammen in veiligheid hadden gesteld.

Na het nemen dezer onvermijdelijke voorzorgen tegen hunne onzigtbare aanvallers, onderzochten de drie mannen zorgvuldig hunne wapens, ten einde in staat te zijn scherp met scherp te keeren, en wachtten toen met den vinger aan den trekker en een waakzamen blik in alle rigtingen, het oogenblik af dat de vijand zich zou vertoonen.

Zij bleven echter een geruimen tijd onbewegelijk op hun post, zonder dat de stilte der prairie van nieuws werd gestoord, of het minste blijk zich vertoonde dat de aanval zou worden hervat.

Aan de grootste ongerustheid ten prooi en niet wetende waaraan zij deze onverwachte aanranding moesten toeschrijven, noch welke vijanden zij te duchten hadden, zagen de drie mannen geen middel om zich met eere uit de hagchelijke positie te redden, waarin het vreemde geval hen zoo eensklaps geplaatst had, tot de Blaauwe-Vos eindelijk besloot om op verkenning uit te gaan.

Evenwel, daar het opperhoofd niet zonder reden vreesde in eene hinderlaag te zullen vallen, die men met list zou kunnen gespannen hebben om hem en zijne kameraden onverhoeds te overrompelen, achtte hij het alvorens zich te verwijderen noodig, de meest mogelijke voorzorgen te nemen.[172]

De Indianen zijn te regt vermaard wegens hunne scherpzinnigheid; door hunne levenswijze in de woestijn van jongs af gewoon de natuurlijke vermogens te oefenen, waarmede de Voorzienigheid hen zoo rijkelijk bedeelde, wordt hun gehoor, reuk en vooral hun gezigt in zulk eene hooge mate ontwikkeld en verfijnd, dat zij zich ten dezen opzigte gerust met de wilde dieren kunnen meten. Bovendien bezitten zij, behalve het dierlijk instinct, nog het menschelijk verstand, waardoor zij in staat zijn om hunne gewaarwordingen met elkander in verband te brengen en er de gevolgen van te berekenen, zoodat zij, om het zoo eens te noemen, eene soort van kattengeleerdheid of dierlijke wetenschap bezitten, die hen de ongelooflijkste dingen doet verrigten, dingen welke schier de grenzen van het mogelijke te buiten gaan, en die men moet hebben gezien om er zich een denkbeeld van te maken.

Het is inzonderheid wanneer zij een spoor volgen dat deze scherpzinnigheid en instincts-wetenschap der Indianen zich in al haren omvang doen kennen. Welke voorzorgen hun vijand ook neemt om zijn pad te verbergen en zijn spoor onzigtbaar te maken, de Roodhuiden zullen het eindelijk weten te ontdekken; voor hen heeft de woestijn geene geheimen, voor hen is de ongerepte en grootsche natuur een geopend boek, waar zij iedere bladzijde van kennen en dagelijks doorlezen, zonder ooit, wij zeggen niet, zich te bedriegen, maar zelfs in ’t onzekere rond te tasten.

De Blaauwe-Vos, ofschoon nog zeer jong, had zich wegens zijne sluwheid en arglistigheid reeds een welverdienden naam verworven; hij zou zich derhalve ook in de tegenwoordige omstandigheden, nu hij naar alle waarschijnlijkheid door onzigtbare vijanden werd omgeven, niet ongestraft in zijn schuilhoek laten beloeren of bespringen, maar maakte zich met verdubbelde waakzaamheid gereed om hunne aanslagen te verijdelen en hunne plannen door tegenplannen te ondermijnen.

Na met zijne twee kameraden te zijn overeengekomen omtrent het signaal dat hij hun geven zou, in geval hij hunne hulp noodig had, zooals wel waarschijnlijk was, ontdeed hij zich van zijn bisonsmantel, die hem in zijne bewegingen slechts zou hebben belemmerd, legde ook de versiersels af waarmede zijn hoofd, hals en borst beladen waren, en hield niets anders aan dan zijnemitasse, een soort van broek uit twee deelen bestaande, van afstand tot afstand met menschenhaar aan elkander genaaid, die aan de heupen werd opgehouden door een riem van ongelooid hertenleder, en tot aan de enkels reikte.[173]

Aldus gekleed, wentelde hij zich verscheidene malen in het zand, om aan zijn ligchaam een aschgraauwe kleur te geven; vervolgens stak hij zijn tomahawk en zijn scalpeermes in zijn gordel, twee wapens die geen Indiaan ooit verzuimen zal bij zich te dragen, nam zijn buks in de regterhand, en na een laatsten groet aan zijne vrienden, die al zijn toebereidels met aandacht gadesloegen, strekte hij zich op den grond uit en begon als een slang door de struiken en het hooge gras te kruipen.

Ofschoon de zon reeds eenigen tijd op was en haar verblindend licht over de prairie uitgoot, volvoerde de Blaauwe-Vos zijn uittogt met zooveel omzigtigheid, dat hij reeds een eind ver in de vlakte was, toen zij meenden dat hij zich nog in hunne nabijheid bevond: geen grashalm hadden zij zien bewegen, geen keisteen was onder zijne voeten weggerold.

Van tijd tot tijd hield de Roodhuid stil om met zijn doordringenden blik den omtrek te bespieden, en als hij dan zag dat alles in rust was en dat zijne tegenwoordigheid door niemand werd opgemerkt, kroop hij van nieuws op handen en knieën voort, steeds in de rigting van het geboomte, waar hij niet ver meer van verwijderd was.

Eindelijk bereikte hij aan den zoom van het bosch eene plek waar het digte kreupelhout begon, en waar het gras hier en daar min of meer gekneusd scheen, zoodat hij vermoedde niet ver van de plaats der hinderlaag te zijn uit welke het verraderlijk schot gedaan was.

Hier hield de Indiaan stil, om met aandacht het terrein op te nemen en te zien of hij ook sporen ontdekte. Werkelijk zag hij een aantal voetstappen; doch zij waren blijkbaar slechts van een enkel persoon afkomstig, buitengewoon breed en zwaar en zonder eenige voorzorg gemaakt, en schenen veeleer het werk van een blanke die volstrekt niet met de gebruiken der woestijn bekend was, dan van een jager of Roodhuid.

De struiken waren zeer beschadigd, geknakt en gebroken, alsof de persoon die hier geloopen had, er met onstuimige drift was doorgegaan: zonder zich de moeite te geven de takken uit een te buigen en weder op hunne plaats te brengen; ook was het gras hier en daar geweldig plat gedrukt.

De Blaauwe-Vos begreep niets van dit vreemde verschijnsel, dat op geenerlei wijs geleek naar hetgeen hij gewoon was in de woestijn op te merken.

Was het misschien eene list van zijne vijanden om hem als met[174]open oogen te bedriegen, en door een valsch spoor zijn blik van het ware spoor af te leiden? of waren het werkelijk de voetstappen van een of anderen zwaarlijvigen blanke, die in de wildernis verdwaald was en er de gebruiken niet van kende?

De Indiaan wist niet welke van deze twee denkbeelden hij moest vasthouden en geraakte in geen geringe verlegenheid. Aan eene zaak twijfelde hij niet, namelijk dat de kogels die hem toen hij op het punt was om zijn verhaal te beginnen, om de ooren hadden gefloten van deze plaats geschoten waren; maar om welke reden zou dan de man, wie het ook wezen mogt, die hier in hinderlaag had gelegen zulke duidelijke bewijzen van zijn doortogt hebben achtergelaten? Hij kon immers wel begrijpen dat zijn aanval op die wijs niet ongestraft zou blijven en dat de lieden op welke hij geschoten had hem onmiddellijk zouden vervolgen.

Eindelijk, na lang en te vergeefs de oplossing van dit duistere raadsel gezocht te hebben, kwam de Roodhuid, niet wetende waaraan hij zich te houden had,onwillekeurigop zijne eerste gedachte terug, namelijk, dat het spoor valsch was en alleen dienen moest om het echte spoor te verbergen en de vervolgers ven den regten weg te helpen.

Het gewone gebrek van listige lieden is, dat zij andere menschen voor even listig houden als zij en in iedere beweging hunner vijanden niets dan sluwheid meenen te zien; hierdoor worden zij menigmaal bedrogen, en door de eenvoudigste middelen hunner tegenpartij zoo volkomen misleid, dat zij vaak door eigen argwaan een reeds gewonnen spel komen te verliezen.

De Blaauwe-Vos bemerkte weldra dat zijne veronderstelling valsch was, dat hij zijnen vijand te veel eer bewezen en hem meer sluwheid en verstand had toegeschreven dan deze werkelijk bezat, en dat hetgeen hij in ’t eerst voor een streek van de fijnste soort had aangezien, niet anders was dan de eenvoudige doortogt van een gewoon mensch.

Na lang aarzelens en overleggens, besloot hij eindelijk om voorwaarts te rukken en het spoor te volgen zoodanig als het was, wel overtuigd dat hij spoedig de waarheid zou ontdekken. Intusschen altijd te werk gaande alsof hij met doortrapte belagers te doen had, ging hij niet dan met de uiterste behoedzaamheid en voet voor voet vooruit, telkens in de holten en struiken rondziende en zich niet verder wagende dan na volkomen zekerheid te hebben dat hij geene overrompeling te vreezen had.

Deze manoeuvre duurde vrij lang, en het was reeds twee uren[175]nadat hij zijne kameraden verlaten had, toen hij zich op eens aan den ingang bevond van een ruim boschkamp of opene plek, van hetwelk hij alleen door een digt kreupelboschje gescheiden werd.

De Indiaan hield stil, rigtte zich op in zijne volle lengte en boog zachtjes de takken uit elkander, zoodat hij, zonder zelf gezien te worden, met een enkelen blik het boschkamp kon overzien.

In de Amerikaansche wouden bestaan er vele zulke boschkampen, die gevormd worden door gevallen boomen, hetzij door ouderdom vermolmd of door den bliksem getroffen of door een dier vreesselijke orkanen omvergeworpen, die zoo vaak den Mexicaanschen bodem verwoesten en omkeeren. De opene plek van welke hier sprake is was vrij uitgestrekt; een kleine beek doorsneed haar over de geheele lengte, en op hare modderige klei-oevers zag men de diepe voetsporen der wilde dieren afgedrukt, die aan dit onbekende wed kwamen drinken.

Een prachtige acajou-eik, die met zijn welige bladerkroon de gansche vallei overschaduwde, verhief zich bijna in het midden. Aan den voet van dezen woudreus bevonden zich twee mannen digt bij elkander.

De een, als monnik gekleed, lag met de oogen gesloten en een doodsbleek gelaat roerloos op den grond uitgestrekt; de andere, aan zijne zijde nedergeknield, scheen hem met de meeste zorg te willen verplegen.

Door de gunstige stelling waarin de Roodhuid zich bevond, kon hij de trekken van laatstgenoemden persoon zeer gemakkelijk onderscheiden, daar hij hem juist tegenover zich had.

Deze persoon was lang van gestalte, maar uiterst mager, terwijl zijn gelaat, door langdurige blootstelling aan de invloeden van koude en hitte, de kleur van rooden biksteen had aangenomen en met diepe rimpels doorploegd was; een lange baard, zoo wit als sneeuw, hing tot op zijne borst en vermengde zich met de lange even witte lokken, die ordeloos over zijne schouders golfden. Hij droeg deels het kostuum der Amerikaansche partijgangers, deels dat der Mexicaansche landheeren, namelijk een hoed van vigonia wol, met gouden boordsel, een ruime zarapé die hem tot mantel diende, en een pantalon van paarsch katoen fluweel, naauw sluitend en in een paar slobkousen van dassenvel gestoken die hem tot aan de knieën reikten.

Het was niet wel mogelijk zijn ouderdom te gissen. Ofschoon zijne sombere, sterk sprekende trekken en zijne roode oogen, die als karbonkels glinsterden en verstrooid rondblikten, hem reeds[176]een vrij gevorderden leeftijd toekenden, was er in zijn gansche voorkomen geen spoor van verval op te merken; rank van gestalte en zoo regt als een kaars van rug en lenden, scheen hij nog geen halven duimbreed in de lengte verloren te hebben; zijne knokkige ledematen, met spieren als kabels gedekt, teekenden buitengemeene kracht en buigzaamheid; in een woord, hij had al het voorkomen van een geducht partijganger; wiens oog nog zoo juist en wiens arm nog even vlug en vaardig was als van een man die naauwelijks veertig jaren telde.

In zijn gordel staken een paar lange ruiterpistolen; een breede korte sabel, of zoogenaamdemachete, zonder schede, hing aan een ijzeren ring op de linker heup. Twee karabijnen, waarvan de eene hem ongetwijfeld toebehoorde, waren tegen den boomstam gezet, terwijl een prachtige mustang, of in de wildernis geboren paard, eenige schreden verder met een kluister aan het been ronddrentelde en naar hartelust met het jonge loof der struiken zijn maal deed.

Wat ons zooveel tijd van beschrijven kostte, zag de Blaauwe-Vos in een oogopslag; maar het schijnt dat dit tooneel, dat hij wel verre was van te verwachten, hem alles behalve vertrouwen inboezemde, want zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij weerhield naauwelijks een uitroep van verwondering en teleurstelling, toen hij hier deze twee onbekende personen gewaar werd.

Onwillekeurig, bij wijze van voorzigtigheidsmaatregel, spande hij den haan van zijn geweer, en begon weder te letten op hetgeen er in het boschkamp voorviel en wat er verder met de twee personaadjes gebeuren zou.

Inmiddels maakte de man in het monnikskleed eene ligte beweging, als om zich op te rigten, en opende even de oogen, maar waarschijnlijk nog te zwak om het zonlicht te verdragen, dat hem ofschoon door het digte loof getemperd, juist op het gezigt viel, sloot hij ze weder.

De man intusschen die hem ondersteunde, had reeds gemerkt dat hij weder bij kennis was gekomen, hij had hem de lippen zien bewegen als prevelde hij iets in zich zelven.

Hij oordeelde nu dat de monnik ten minste vooreerst zijne hulp niet meer noodig had, en rees overeind, nam zijn buks, kruiste de beide handen op den tromp en bleef lijdelijk staan wachten, nu en dan om zich heen glurende met een blik zoo vol haat en sombere zwartgalligheid, dat het Indiaansche opperhoofd,[177]die nog altijd in de struiken alles bespiedde, er onwillekeurig van sidderde.

Thans volgden eenige minuten stilte, gedurende welke men geen ander geluid hoorde, dan het eentoonig gemurmel der beek over de rotsige keijen in hare bedding, en het geheimzinnig gonzen der tallooze vliegen en insecten onder het gras verscholen.

Eindelijk maakte de man die op den grond lag eene tweede beweging, sterker dan de eerste, en opende op nieuw de oogen.

Na een verstrooiden blik in het rond te hebben geworpen, vestigden zijne oogen zich met zekere vreemde verbazing op den grooten grijzen man, die altoos onbewegelijk naast hem stond, en die hem met eene zonderlinge mengeling van spotachtig medelijden en sombere zwaarmoedigheid aankeek.

„Ik dank u,” murmelde eindelijk de monnik met een zwakke stem.

„Ik dank u! Waarvoor?” antwoordde de onbekende barsch.

„Ik dank u, omdat gij mij het leven hebt gered, broeder,” hernam de gewonde.

„Ik ben uw broeder niet, monnik,” hervatte de onbekende spotachtig; „ik ben een ketter, een gringo, zoo als gij ons gelieft te noemen; kijk mij eens goed aan, gij hebt mij nog niet naauwkeurig bezien: ik heb immers horens op mijn hoofd, en bokspooten aan mijne beenen?”

Deze woorden klonken op zulk een sarcastischen en tevens nadrukkelijken toon, dat de monnik er een poos van verstomde.

„Wie zijt gij dan?” vroeg hij eindelijk met heimelijke vrees.

„Wat kan het u schelen?” hernam de onbekende met een kwaadwilligen lach, „de duivel misschien.”

De gewonde deed eene geweldige poging om zich op te rigten, en kruiste zich bij herhaling.

„De hemel beware mij! dat ik in handen van den boozen geest zou gevallen zijn,” stotterde hij.

„Loop, onnoozele dwaas!” hervatte de onbekende verachtelijk de schouders ophalend, „wees maar niet bang; ik ben de duivel niet, maar een mensch zoo goed als gij, misschien een beetje minder schijnheilig, dat is het eenige onderscheid tusschen ons.”

„Spreekt gij de waarheid? Zijt gij werkelijk een van mijns gelijken, gereed om mij te helpen?”

„Voor het vervolg sta ik u geen borg,” antwoordde de onbekende met een raadselachtigen glimlach, „maar tot dusver althans hebt gij geloof ik geen reden u over mij te beklagen.”[178]

„O, neen! neen! dat geloof ik ook niet, ofschoon sedert mijne flaauwte mijne gedachten geheel in de war zijn en ik mij niets meer herinner.”

„Dat kan mij weinig schelen, het raakt mij zelfs niet: ik vraag ù naar niets; ik heb te veel aan mijne eigene zaken te doen om mij met die van anderen te bemoeijen. Maar, zeg! gevoelt gij u beter? Zijt gij genoeg hersteld om uw weg te vervolgen?”

„Hoedat! mijn weg te vervolgen?” vroeg de monnik angstig, „denkt gij mij dan hier alleen te laten?”

„Waarom niet? Ik heb met u reeds te veel tijd verloren, ik moet thans aan mijne eigen zaken denken.”

„Wat zegt gij?” riep de monnik dringend, „na al de belangstelling die gij mij zoo welwillend getoond hebt, zoudt gij den moed hebben om mij bijna stervende alleen te laten, zonder u te bekommeren over hetgeen mij gebeuren kan na uw vertrek?”

„Waarom niet? Wat geef ik om u? Ik ken u niet, ik heb er volstrekt geen belang bij om u te helpen. Toevallig over dit kamp gaande, heb ik u daar zien liggen, levenloos en bleek als een lijk, en ik heb u de zorgen bewezen die men in de woestijn aan niemand weigert; nu zijt gij tot het leven teruggekeerd, ik kan u niet meer van dienst zijn en ik vertrek; wat kan men eenvoudiger en redelijker wenschen? Vaarwel! en laat de duivel, daar gij mij zoo even voor hebt aangezien, u verder in zijne bescherming nemen.”

Na deze woorden, op een toon van schampere ironie te hebben uitgesproken, wierp de onbekende zijn geweer over den schouder en deed een paar stappen naar zijn paard.

„Blijf! in ’s hemels naam!” riep de monnik, zich schielijker oprigtende dan zijn zwakke toestand had doen veronderstellen, daar de vrees hem de ontbrekende krachten schonk. „Wat zal er van mij worden, alleen, in deze wildernis?”

„Dat kan mij weinig schelen,” hernam de onbekende, hardvochtig den slip van zijn zarape losrukkende dien de monnik gegrepen had; „de grondregel der woestijn is immers: Ieder voor zich.”

„Hoor mij!” schreeuwde de monnik, op zijn ouden spraakzamen toon. „Mijn naam is Fray Antonio, ik ben rijk, als gij mij wilt beschermen zal ik u ruim beloonen.”

De onbekende glimlachte minachtend.

„Wat hebt gij te vreezen? Gij zijt jong, sterk, goed gewapend, en dus wel in staat om u zelven te beschermen.”[179]

„Neen, dat ben ik niet, daar ik door onverbiddelijke vijanden word vervolgd. Dezen nacht hebben zij mij eene gruwzame en vernederende marteling doen ondergaan; het is mij met groote moeite gelukt aan hunne handen te ontkomen. Heden morgen vroeg, bragt het toeval mij weder in de tegenwoordigheid van twee dezer lieden; toen ik hen zag maakte een soort van dolle razernij zich van mij meester; het idee om mij te wreken kwam in mij op; ik heb mijn geweer op hen aangelegd en op hen gevuurd, en toen heb ik het op een loopen gezet, zonder te weten waar ik ging, dronken van gramschap en schrik; tot ik hier kwam en nederviel, geheel afgemat, overstelpt en vernietigd, deels door het lijden dat ik dezen nacht heb doorgestaan, deels van vermoeijenis door een verren en snellen marsch, langs afschuwelijke wegen, dwars door de wildernis. De schelmen zitten mij zonder twijfel na. Zoo zij mij vinden, en dat zullen zij zeker, want het zijn woudloopers die met de wildernis in allen deele bekend zijn, zullen zij mij onbarmhartig vermoorden; ik heb geen hoop meer dan op u; red mij, bij al wat u op aarde dierbaar is, red mij! en mijne dankbaarheid voor u zal onbegrensd zijn.”

De onbekende had dit lange en hartstogtelijk pleidooi aangehoord zonder een spier op zijn gezigt te verroeren. Toen de monnik eindelijk zweeg, waarschijnlijk uit gebrek aan adem of redeneerkracht, zette de vreemdeling zijn geweer met de kolf op den grond.

„Alles wat gij daar zegt kan wel waar zijn,” antwoordde hij droog, „maar ik geef er zooveel om als om een schot met los kruid; zie dat gij u redt zoo goed als gij kunt, uwe gebeden baten niets: zoo gij wist wie ik ben, zoudt gij u niet langer de moeite geven om mij de ooren te doen klappen.”

De monnik keek den onbekende aan met een vervaarden blik, niet meer wetende wat hij hem zeggen, noch waarmede hij hem het hart zou vermurwen.

„Maar wie zijt gij dan?” vroeg hij, veeleer om toch iets te zeggen, dan wel op hoop van eenig antwoord te bekomen.

„Wie ik ben,” herhaalde de gevreesde man, met een spotachtigen grijns, „wilt gij dat weten? Goed, luister dan op uwe beurt, ik heb u slechts een paar woorden te zeggen, maar zij zullen voldoende zijn om het bloed in uwe aderen te doen verstijven: ik ben de zoogenaamdeBlanke-Scalpeur, of Zonder-Genade!”

De monnik deed eenige stappen terug, waggelend en de handen vouwende, terwijl hij verschrikt uitriep:

„Mijn God! ik ben verloren.”[180]

Op dit oogenblik klonk digt in de nabijheid het klagend geroep van den nachtuil.

De Scalpeur sidderde.

„Men heeft ons beluisterd,” riep hij, en oogenblikkelijk snelde hij naar dien kant vanwaar het signaal zich hooren liet, terwijl de monnik, half dood van schrik, op de knieën zonk, en een gebed begon te prevelen.


Back to IndexNext