[Inhoud]XXIII.DE BLANKE-SCALPEUR.Thans moeten wij den draad van ons verhaal een oogenblik laten rusten, om den lezer eenige bijzonderheden te melden aangaande den vreemden man dien wij in het vorige hoofdstuk ten tooneele voerden, bijzonderheden wel is waar op zich zelf onvolledig, maar desniettemin onmisbaar tot regt verstand der zaken die volgen zullen.Zoo wij in plaats van eene ware geschiedenis een roman schreven, zouden wij ons wel wachten in ons verhaal personen op te nemen gelijk aan die waarmede wij ons in deze oogenblikken bezighouden; ongelukkig echter zijn wij gedwongen om de rigting te volgen die ons is aangewezen, en ons personeel te beschrijven zoo als het inderdaad bestaan heeft, en meerendeels thans nog bestaat.Ettelijke jaren voor het tijdstip waarop het eerste gedeelte van ons verhaal aanvangt, verspreidde zich in de wildernissen van Texas een los gerucht, in den beginne van weinig beteekenis, maar dat weldra zich bevestigde en toen het algemeen bekend werd, de harten van al de Indios-bravos, jagers en woudloopers met ontzetting en schrik vervulde.Een man, zoo men zeide een blanke, zwierf sedert eenigen tijd door de woestijn, om op de Roodhuiden jagt te maken, aan welke hij een onverbiddelijken oorlog scheen te hebben verklaard; deze man, die zoo men verzekerde steeds alleen rond zwierf, beging daden van ongehoorde stoutmoedigheid en wreedheid; waar hij slechts Indianen ontmoette, onverschillig hoe sterk in getal, viel hij hen aan; die hij in handen kreeg scalpeerde hij, rukte hun het hart uit het lijf, en om te bewijzen dat zij onder zijne[181]slagen waren gevallen, gaf hij hun twee groote sneden op de borst, in den vorm van een kruis. Somwijlen terwijl hij de woestijn in al hare lengte doorliep, sloop deze onverzoenlijke vijand van het roode geslacht in hunne dorpen, stak bij nacht wanneer de Indianen sliepen hunne hutten in brand, en vermoordde dan alles wat hij vond, mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zonder uitzondering of genade.Doch het waren niet alleen de Indianen die door dezen gevreesden overweldiger zoo bloeddorstig werden vervolgd; ook de andere kleurlingen, mestiezen ofmulatten, de smokkelaars, roovers, kortom al de andere grensloopers, van welke soort of naam ook, die gewoon zijn ten koste der maatschappij te leven, hadden eene zware rekening met hem te verantwoorden; wel is waar, deze laatste scalpeerde hij niet, maar vergenoegde zich met hen stevig aan boomen vast te binden, waar zij van honger moesten sterven of door de wilde dieren verslonden werden.Gedurende de eerste jaren zijner verschijning hadden de avonturiers en Roodhuiden uit besef van gemeenschappelijk gevaar, zich meermalen zamen verbonden om zich van dezen woesten vijand meester te maken en de wet der wedervergelding op hem toe te passen; maar het was als of hij door eene onzigtbare hand werd beschermd, zoo behendig wist hij aan iederen strik dien men hem spande te ontsnappen en telkens de hinderlagen te raden welke men hem in den weg legde. Het was onmogelijk hem te bereiken, zijne bewegingen waren zoo snel en onvoorzien, dat hij menigwerf verscheen op ongelooflijke afstanden van de plaats, waar men hem verwachtte of waar men hem kort te voren nog gezien had. Volgens het zeggen der Indianen en grensloopers, was hij onkwetsbaar en schampten de kogels zoowel als de pijlen, op zijne borst weerloos af. Door het aanhoudend geluk dat al zijne aanslagen begunstigde, werd deze man weldra de algemeene schrik der prairie, zijne vijanden, overtuigd dat al hunne pogingen tegen hem nutteloos waren, zagen af van een strijd dien zij als tegen meer dan aardsche magt gerigt rekenden; de vreemdsoortigste legenden kwamen nopens hem in omloop, iedereen vreesde hem als een boosaardig wezen, dat met den duivel in verband stond; de Indianen noemden hem in hunne taalKiein-Stomann, dat is de Blanke-Scalpeur, en de woudloopers betitelden hem met den naam van den Zonder-Genade.Deze beide namen werden, gelijk men ziet, niet ten onregte gegeven aan iemand voor wien moord en bloedstorting het hoogste[182]genoegen schenen en die niets liever deed dan zijne slagtoffers op de gruwzaamste wijze te folteren. Tengevolge hiervan was zijn naam alleen reeds genoeg om den dapperste van schrik te doen beven.Maar wie was nu die man?Van waar kwam hij?Welke vreeselijke gebeurtenis had hem de afschuwelijke levensbaan doen kiezen die hij betrad?Op deze vragen wist niemand te antwoorden, en zijn ontzettend aanwezen bleef voor ieder een raadsel zonder oplossing:Was hij misschien een dier gedrochtelijke wanschepsels die onder menschelijke gedaante een tijgerhart huisvesten, of was hij eene dier verpeste zielen die zich aan den duivel hadden overgegeven, en wier vermogens ten gevolge van een of ander ontzettend ongeluk gekrenkt, zich in de enkele hartstogt der wraakzucht hadden opgelost?Deze twee veronderstellingen schenen even mogelijk, misschien waren beiden wel te zamen in hem vereenigd.Hoe dit wezen mag, iedere muntslag heeft zijne keerzijde en zoo is ook de mensch evenmin geheel kwaad als geheel goed: de Scalpeur had dus nu en dan zijne heldere buijen, niet zoozeer van medelijden als van vermoeijenis, wanneer zijne eigen bloedgierigheid hem walgde en misschien een weinig minder wreed en minder onverbiddelijk, in een woord, een weinig menschelijker maakte; zulke oogenblikken waren echter zeer kort van duur en uiterst zeldzaam, en na deze zwakke buijen, gelijk hij zelf ze noemde, kreeg zijne natuur terstond weder de overhand en dan werd hij des te wreedaardiger naarmate hij zich meer had laten verteederen.Ziedaar alles wat er van hem bekend was op het oogenblik dat wij hem zoo zonderling op ons tooneel zagen verschijnen; de hulp die hij den monnik bewezen had was zoo geheel buiten zijn gewoon bedrijf, dat hij toen zonder twijfel in een van zijne zwakke buijen moet geweest zijn, anders zou hij zooveel zorg niet aan een ongelukkige hebben besteed, veelmin zoo langen tijd hebben verspild om naar zijne klagten en gebeden te luisteren.Om met de noodige berigten over dezen geheimzinnigen persoon te eindigen, moeten wij er bijvoegen, dat niemand wist of hij ergens een vast verblijf had, dat hij geen bijzondere kameraden scheen te hebben, dat men hem steeds alleen had gezien, en dat gedurende de tien jaren die hij nu reeds de woestijn in alle rigtingen doorkruiste, zijn voorkomen geen de minste verandering had ondergaan: altijd droeg hij dezelfde kleederen, altijd scheen hij van[183]denzelfden ouderdom en kracht, altijd verscheen hij met denzelfden witten baard en met hetzelfde gerimpelde gezigt.Zooals wij straks reeds gezegd hebben, was de Scalpeur naar het kreupelbosch gesneld om te zien wie het signaal had gegeven dat zijne aandacht had opgewekt; zijn onderzoek hoe naauwkeurig ook, had echter geen ander gevolg dan hem te overtuigen dat hij zich niet bedrogen had en dat er werkelijk een spion in de struiken was geweest, die alles gezien en gehoord had wat er in het boschkamp gebeurd of gesproken was.De Blaauwe-Vos intusschen, na zijne kameraden het bovengemelde sein te hebben gegeven, had zich voorzigtig teruggetrokken, wel overtuigd dat hij, ondanks al zijn moed, verloren zou zijn, zoo hij den Scalpeur in handen viel.Laatstgenoemde keerde peinzend naar den monnik terug, wiens gebed nog altijd voortduurde en zoo het scheen niet spoedig geëindigd zou zijn.De Scalpeur beschouwde den pater een poos met een spotachtigen blik, en gaf hem eindelijk met de kolf van zijn geweer een fermen stoot in den rug.„Sta op!” zeide hij barsch.De monnik viel echter op de beide handen en bleef onbewegelijk liggen. Daar hij niet anders dacht of de wildeman had het voornemen hem dood te slaan, onderwierp hij zich aan zijn lot en wachtte den genadeslag, die naar zijne meening niet lang zou uitblijven.„Komaan, sta op! duivelsche monnik,” hervatte de Scalpeur, „hebt gij nog al niet gedaan met paternosters lezen?”Fray Antonio rigtte even het hoofd op; er blonk voor hem een nieuwe straal van hoop.„Vergeef mij, caballero,” antwoordde hij, „ik heb gedaan, ik ben thans tot uwe orders: wat verlangt gij van mij?”En met een sprong als een losgelaten veer stond hij op de beenen, daar hij aan den donkeren blik van zijn zegsman wel begreep dat geen verontschuldiging hier baten zou.„’t Is goed, man: het schijnt mij toe dat gij even knap een geweer kunt afschieten, als een paternoster bidden; laad dus uw karabijn; want het oogenblik is gekomen om te vechten als een man; zoo gij niet wilt gedood worden als een hond.”De monnik wierp een schuwen blik om zich heen.„Caballero,” stotterde hij aarzelend, „is het dan zoo volstrekt noodig dat ik vecht?”[184]„Als gij ten minste uw huid heel wilt houden, anders kunt gij gerust uw lot afwachten.”„Maar misschien is er wel een ander middel?”„Wat dan?”„Vlugten bij voorbeeld,” riep de monnik op smeekenden toon.„Neem er de proef van,” zei de andere meesmuilend.Door deze halve vergunning aangemoedigd, vervolgde de monnik een weinig stouter:„Gij hebt een heerlijk paard.”„Vindt gij dat?”„Een heerlijk paard!” hervatte Fray Antonio met vuur.„Ja, en dat zoudt gij wel gaarne willen berijden als ik het u toeliet, om er mede te vlugten, niet waar?”„O, neen, denk dat toch niet,” riep hij met een wenk van ontkenning.„Genoeg met uwe praatjes,” smaalde de Scalpeur barsch; „denk om u zelven! daar zijn uwe vijanden.”En met een sprong zat de Scalpeur in den zadel, liet zijn paard wenden en plaatste zich achter den verbazend dikken stam van een acajou-boom.Fray Antonio door de aannadering des gevaars op lijfsbehoud denkende, greep met drift naar zijn geweer en verschool zich insgelijks achter den boom.Op hetzelfde oogenblik deed zich een geweldig gekraak in de struiken hooren, de takken werden uit elkander gebogen en er verscheen een troep mannen, ten getale van ongeveer achttien of twintig; het waren krijgslieden der Apachen: in hun midden bevonden zich de Blaauwe-Vos, John Davis en zijn kameraad.De Blaauwe-Vos, ofschoon hij den Blanke-Scalpeur nooit had ontmoet, en hem dus niet persoonlijk kende, had dikwijls van hem hooren spreken, hetzij door de Indianen of door de jagers; zoodra hij dus den naam hoorde noemen werd hij door een vreesselijken angst bevangen en kwamen hem terstond al de wreedheden voor den geest die zijne broeders van hem te verduren hadden gehad; het volgende oogenblik echter kwam hij op de gedachte een verdienstelijk werk te kunnen doen, door hem bij deze gelegenheid te overrompelen; hij haastte zich dus om het tusschen hem en de jagers afgesproken signaal aan te geven, en toen met de snelheid die de Indianen kenmerkt, het kreupelhout doorloopende, begaf hij zich naar de plaats waar hij zijne krijgslieden had achtergelaten en beval hun hem dadelijk te volgen; hiermede gereed, keerde[185]hij onverwijld naar de jagers terug, die, daar zij het signaal hadden gehoord, hem reeds te gemoet kwamen.Met weinige woorden bragt de Blaauwe-Vos hen op de hoogte van hetgeen er gebeurd was; maar om de waarheid te zeggen, moeten wij hier bekennen, dat deze mededeeling de jagers zoowel als de Indianen niet weinig in hun ijver deed verflaauwen, daar zij begrepen dat zij zich aan een allervreesselijkst gevaar zouden moeten blootstellen, door te gaan strijden tegen iemand die met geen wapens te treffen of te bereiken was, en voor wien allen die hem tot hiertoe hadden durven bevechten onverbiddelijk als slagtoffers waren gevallen.Intusschen was het nu te laat om terug te treden, aan vlugten viel niet te denken; de krijgslieden besloten dus tegen wil en dank om voorwaarts te rukken.Wat de twee jagers John Davis en zijn kameraad betreft, al deelden zij niet ten volle in de blinde en bijgeloovige vrees der Indianen, zoo was hun deze strijd toch alles behalve aangenaam; uit schaamte echter, om de lieden niet in den steek te laten boven welke zij zich niet alleen in verstand maar ook in moed verre verheven waanden, besloten zij met hen mede te gaan.„Caballero!” riep de monnik met eene benaauwde stem, toen hij de Indianen zag aankomen, „gij zult mij toch niet verlaten, hoop ik!”„Wel neen, als gij u zelven maar niet verlaat, domkop!” antwoordde de Scalpeur.Toen de Apachen den zoom van het bosch bereikten, verscholen zij zich, volgens hunne gewone krijgstaktiek, ieder achter een boomstam, zoodat er binnen den ganschen omtrek waar zulk een aantal menschen op het punt waren een hardnekkigen strijd te beginnen, niemand te zien was.Er volgde een poos van stilstand en aarzeling.De Scalpeur was de eerste die het woord opvatte.„Heila!” riep hij, „wat komt gij hier doen?”De Blaauwe-Vos wilde antwoorden, doch John Davis belette het.„Laat dat liever aan mij over,” zeide hij.Nu den boomstam verlatende waarachter hij verscholen was, trad hij stoutmoedig eenige stappen vooruit en bleef ongeveer midden in het kamp staan.„Waar zijt gij die daar spreekt?” riep hij met eene luide en ferme stem; „zijt gij soms bang om u te laten zien?”„Ik vrees voor niets,” antwoordde de Scalpeur.[186]„Als dat zoo is, kom dan voor den dag en laat u kennen,” riep John op spotachtigen toon.Aldus uitgetart, deed de Scalpeur met zijn paard eenige galopsprongen van achter den boom en bleef op twee passen afstand voor den jager staan.„Hier ben ik,” zeide hij, „wat wilt gij van mij?”Davis had het paard laten naderen zonder een duimbreed van zijne plaats te gaan.„Wel!” riep hij, „ik verlangde gaarne u eens te zien.”„Is dat al wat gij mij te zeggen hebt?” riep de andere gemelijk.„Hum! gij schijnt duivelsch veel haast te hebben,” zei Davis,„laat ons ten minste even tijd om adem te scheppen.”„Houd op met uwe ongepaste scherts, die u wel eens duur zou kunnen te staan komen; zeg mij oogenblikkelijk wat gij mij komt voorstellen, ik heb geen tijd om zotte praatjes te houden.”„Zoo! Maar wie duivel zegt u dat ik u iets heb voor te stellen?”„Wat zoudt gij anders hier komen doen?”„Maar mijne voorstellen zijn u zeker reeds bekend.”„Dat is wel mogelijk.”„En wat antwoordt gij er dan op?”„Niets.”„Hoedat, niets?”„Ik wil u liever aanvallen.”„O, ho! daar zou voor u een zware wijs op gaan; wij zijn met ons achttienen, weet gij dat?„Hoevelen er zijn is mij onverschillig. Al waren er honderd zou ik u toch aanvallen.”„Duivelsch! al was het maar voor de aardigheid alleen, zou ik wel een gevecht zien willen van een tegen twintig.”„Dat zal zoo lang niet meer duren.”Met deze woorden deed de Scalpeur zijn paard eenige passen teruggaan.„Een oogenblik geduld, voor den duivel!” riep de jager met drift, „laat ik u eerst een woordje zeggen.”„Spreek.”„Wilt gij u overgeven?”„Wat zegt gij?”„Ik vraag u, of gij u wilt overgeven?”„Loop heen!” riep de Scalpeur meesmuilend, „gij zijt dwaas. Ik mij overgeven? ik! neen, gij met u allen, zult mij weldra om genade vragen.”[187]„Duivelsch! dat geloof ik niet, al zoudt gij mij moeten dooden.”„Wij zullen zien; keer naar uw schuilplaats terug,” zei de Blanke-Scalpeur de schouders ophalend, „ik wil u niet dooden als een weerlooze.”„Waarachtig, dat zal u slecht bekomen,” antwoordde John, „ik heb u eerlijk gewaarschuwd, en ik wasch mijne handen in onschuld, zie nu hoe gij er best afkomt.”„Ik zeg u dank,” hernam de Scalpeur met nadruk; „maar het staat met mij nog niet zoo slecht als gij denkt.”John Davis vergenoegde zich met de schouders op te halen en trad zonder te antwoorden langzaam naar zijn schuilhoek terug, onder het fluiten van het Amerikaansche volksliedYankee doodle.De Scalpeur volgde geenszins zijn voorbeeld; ofschoon hij zeer goed wist dat hij met een groot aantal vijanden te doen zou hebben, bleef hij ferm en onbeweeglijk te midden van het boschkamp staan.„Heila!” riep hij op spottenden toon, „gij dappere Apachen, die u als hazen in de struiken verschuilt, moet ik u in uw leger komen overvallen om u te noodzaken u te vertoonen? Kom op! als gij durft zoo gij niet wilt dat ik u voor lafhartige en vreesachtige oude vrouwen houd.”Deze beleedigende taal voerde de verontwaardiging der Apachen ten top, en zij beantwoordden hem met een luiden en langdurigen oorlogskreet.„Zouden mijne broeders zich nog langer door een enkel man laten trotseren?” riep de Blaauwe-Vos; „onze lafheid alleen maakt hem zoo stout. Laten wij met de snelheid van een orkaan instormen op dezen geest des kwaads; hij zal den schok van zooveel beroemde krijgslieden niet kunnen weerstaan. Voorwaarts! mijne broeders, voorwaarts! Aan ons zij de eer verbleven dat wij den onverzoenlijken vijand van ons geslacht verslagen hebben!”Bij deze woorden zwaaide hij moedig de karabijn boven zijn hoofd, en onder het aanheffen van een vervaarlijken oorlogskreet stormde de dappere Sachem onverschrokken den Scalpeur te gemoet.Al zijne krijgslieden volgden hem.De Scalpeur wachtte hen af zonder een duimbreed te wijken; maar zoodra waren zij niet onder zijn bereik, of hij gaf zijn paard de sporen en sprong met het edele dier midden onder de Indianen. Oogenblikkelijk greep hij zijn geweer bij den tromp, gebruikte het als een knods en begon er mede rond te zwaaijen[188]en links en regts zijne slagen uit te deelen, met eene snelheid en juistheid die aan bovennatuurlijke kracht deden denken.Nu ontstond er eene vervaarlijke schermutseling; de Indianen drongen met verbittering in op den wildeman, die als een bekwaam ruiter zijn paard onverwachte sprongen deed maken, en door de vaardigheid zijner bewegingen zijnen vijanden belette het bij den teugel te grijpen en tot staan te brengen.De beide jagers, John Davis en zijn kameraad, stonden met het geweer bij den voet den uitslag van het gevecht af te wachten, daar zij het voor onmogelijk hielden, dat een enkel man in staat zou zijn, om tegen zoovele en zulke dappere vijanden den strijd vol te houden, en langer dan eenige minuten weerstand te bieden. Tot hunne groote verwondering, bemerkten zij echter weldra dat zij zich vergist hadden; reeds lagen verscheidene Indianen met gebroken schedel of op andere wijs door de vreesselijke buks van den Scalpeur doodelijk getroffen op den grond te zieltogen.De jagers begonnen dus over den afloop van den strijd anders te denken en wilden hunne kameraden te hulp komen, maar door de snelle bewegingen van het gevecht waren hunne geweren onbruikbaar, daar het tooneel ieder oogenblik veranderde en hunne kogels even goed een vriend als hun eenigen vijand kondentreffen;zij wierpen derhalve hunne buksen weg en snelden met blank geweer de Apachen ter hulp, die reeds begonnen af te deinzen.De Blaauwe-Vos lag gevaarlijk gekwetst, bewusteloos op den grond uitgestrekt; de overige krijgslieden, in zoover zij nog niet buiten gevecht waren gesteld, begonnen aan den aftogt te denken en wierpen nu en dan reeds een bezorgden blik achterwaarts.De Blanke-Scalpeur stond nog altijd even woest en kordaat midden in den hoop, zijne vijanden te beschimpen en uit te dagen, terwijl zijn arm oprees en daalde met de regelmatigheid van een stoombalans.„Ha, ha!” riep hij zoodra hij de jagers in ’t oog kreeg, „wilt gij ook uw aandeel hebben, kom dan maar hier!”Laatstgenoemden lieten het zich geen tweemaal zeggen en stormden met dolle drift op hem in.Maar het bekwam hun bijster slecht: John Davis werd door de borst van het paard met zooveel kracht getroffen, dat hij tien passen verder over den grond tuimelde, waar hij stil bleef liggen; op het zelfde oogenblik stortte zijn kameraad, dien een kolfslag de hersenpan verbrijzeld had, ter aarde en blies den adem uit zonder een klagt te slaken.[189]Deze laatste wederwaardigheid was voor de Indianen zooveel als de genadeslag, en overmand door schrik voor de onweerstaanbare kracht van dezen buitengewonen man, namen zij in alle rigtingen de vlugt, huilende van angst.De Scalpeur wierp een blik van triumf en bevredigden haat over de bloedige kampplaats en het aantal zijner slagtoffers; eensklapsdreefhij zijn paard voorwaarts, achterhaalde een der vlugtelingen, greep hem bij de haren, wierp hem voor zich op den zadel en verdween er mede in het bosch onder het uiten van een daverend hoongelach.In het boschkamp bleven niet meer dan tien of twaalf verslagenen over, die op het gras lagen uitgestrekt; twee of drie er van leefden nog, de overigen waren gesneuveld.Ook voor dezen keer had de Blanke-Scalpeur weder gezegevierd en zich een bloedigen doortogt weten te openen. Wat Fray Antonio betreft, zoodra hij zag dat het gevecht goed aan den gang was, oordeelde hij het onnoodig om er den uitslag van af te wachten; hij had wijsselijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om stilletjes weg te sluipen, van boom tot boom en van boschje tot boschje, tot hij eindelijk zijn aftogt had volbragt en zijn kans schoon zag om het hazenpad te kiezen.
[Inhoud]XXIII.DE BLANKE-SCALPEUR.Thans moeten wij den draad van ons verhaal een oogenblik laten rusten, om den lezer eenige bijzonderheden te melden aangaande den vreemden man dien wij in het vorige hoofdstuk ten tooneele voerden, bijzonderheden wel is waar op zich zelf onvolledig, maar desniettemin onmisbaar tot regt verstand der zaken die volgen zullen.Zoo wij in plaats van eene ware geschiedenis een roman schreven, zouden wij ons wel wachten in ons verhaal personen op te nemen gelijk aan die waarmede wij ons in deze oogenblikken bezighouden; ongelukkig echter zijn wij gedwongen om de rigting te volgen die ons is aangewezen, en ons personeel te beschrijven zoo als het inderdaad bestaan heeft, en meerendeels thans nog bestaat.Ettelijke jaren voor het tijdstip waarop het eerste gedeelte van ons verhaal aanvangt, verspreidde zich in de wildernissen van Texas een los gerucht, in den beginne van weinig beteekenis, maar dat weldra zich bevestigde en toen het algemeen bekend werd, de harten van al de Indios-bravos, jagers en woudloopers met ontzetting en schrik vervulde.Een man, zoo men zeide een blanke, zwierf sedert eenigen tijd door de woestijn, om op de Roodhuiden jagt te maken, aan welke hij een onverbiddelijken oorlog scheen te hebben verklaard; deze man, die zoo men verzekerde steeds alleen rond zwierf, beging daden van ongehoorde stoutmoedigheid en wreedheid; waar hij slechts Indianen ontmoette, onverschillig hoe sterk in getal, viel hij hen aan; die hij in handen kreeg scalpeerde hij, rukte hun het hart uit het lijf, en om te bewijzen dat zij onder zijne[181]slagen waren gevallen, gaf hij hun twee groote sneden op de borst, in den vorm van een kruis. Somwijlen terwijl hij de woestijn in al hare lengte doorliep, sloop deze onverzoenlijke vijand van het roode geslacht in hunne dorpen, stak bij nacht wanneer de Indianen sliepen hunne hutten in brand, en vermoordde dan alles wat hij vond, mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zonder uitzondering of genade.Doch het waren niet alleen de Indianen die door dezen gevreesden overweldiger zoo bloeddorstig werden vervolgd; ook de andere kleurlingen, mestiezen ofmulatten, de smokkelaars, roovers, kortom al de andere grensloopers, van welke soort of naam ook, die gewoon zijn ten koste der maatschappij te leven, hadden eene zware rekening met hem te verantwoorden; wel is waar, deze laatste scalpeerde hij niet, maar vergenoegde zich met hen stevig aan boomen vast te binden, waar zij van honger moesten sterven of door de wilde dieren verslonden werden.Gedurende de eerste jaren zijner verschijning hadden de avonturiers en Roodhuiden uit besef van gemeenschappelijk gevaar, zich meermalen zamen verbonden om zich van dezen woesten vijand meester te maken en de wet der wedervergelding op hem toe te passen; maar het was als of hij door eene onzigtbare hand werd beschermd, zoo behendig wist hij aan iederen strik dien men hem spande te ontsnappen en telkens de hinderlagen te raden welke men hem in den weg legde. Het was onmogelijk hem te bereiken, zijne bewegingen waren zoo snel en onvoorzien, dat hij menigwerf verscheen op ongelooflijke afstanden van de plaats, waar men hem verwachtte of waar men hem kort te voren nog gezien had. Volgens het zeggen der Indianen en grensloopers, was hij onkwetsbaar en schampten de kogels zoowel als de pijlen, op zijne borst weerloos af. Door het aanhoudend geluk dat al zijne aanslagen begunstigde, werd deze man weldra de algemeene schrik der prairie, zijne vijanden, overtuigd dat al hunne pogingen tegen hem nutteloos waren, zagen af van een strijd dien zij als tegen meer dan aardsche magt gerigt rekenden; de vreemdsoortigste legenden kwamen nopens hem in omloop, iedereen vreesde hem als een boosaardig wezen, dat met den duivel in verband stond; de Indianen noemden hem in hunne taalKiein-Stomann, dat is de Blanke-Scalpeur, en de woudloopers betitelden hem met den naam van den Zonder-Genade.Deze beide namen werden, gelijk men ziet, niet ten onregte gegeven aan iemand voor wien moord en bloedstorting het hoogste[182]genoegen schenen en die niets liever deed dan zijne slagtoffers op de gruwzaamste wijze te folteren. Tengevolge hiervan was zijn naam alleen reeds genoeg om den dapperste van schrik te doen beven.Maar wie was nu die man?Van waar kwam hij?Welke vreeselijke gebeurtenis had hem de afschuwelijke levensbaan doen kiezen die hij betrad?Op deze vragen wist niemand te antwoorden, en zijn ontzettend aanwezen bleef voor ieder een raadsel zonder oplossing:Was hij misschien een dier gedrochtelijke wanschepsels die onder menschelijke gedaante een tijgerhart huisvesten, of was hij eene dier verpeste zielen die zich aan den duivel hadden overgegeven, en wier vermogens ten gevolge van een of ander ontzettend ongeluk gekrenkt, zich in de enkele hartstogt der wraakzucht hadden opgelost?Deze twee veronderstellingen schenen even mogelijk, misschien waren beiden wel te zamen in hem vereenigd.Hoe dit wezen mag, iedere muntslag heeft zijne keerzijde en zoo is ook de mensch evenmin geheel kwaad als geheel goed: de Scalpeur had dus nu en dan zijne heldere buijen, niet zoozeer van medelijden als van vermoeijenis, wanneer zijne eigen bloedgierigheid hem walgde en misschien een weinig minder wreed en minder onverbiddelijk, in een woord, een weinig menschelijker maakte; zulke oogenblikken waren echter zeer kort van duur en uiterst zeldzaam, en na deze zwakke buijen, gelijk hij zelf ze noemde, kreeg zijne natuur terstond weder de overhand en dan werd hij des te wreedaardiger naarmate hij zich meer had laten verteederen.Ziedaar alles wat er van hem bekend was op het oogenblik dat wij hem zoo zonderling op ons tooneel zagen verschijnen; de hulp die hij den monnik bewezen had was zoo geheel buiten zijn gewoon bedrijf, dat hij toen zonder twijfel in een van zijne zwakke buijen moet geweest zijn, anders zou hij zooveel zorg niet aan een ongelukkige hebben besteed, veelmin zoo langen tijd hebben verspild om naar zijne klagten en gebeden te luisteren.Om met de noodige berigten over dezen geheimzinnigen persoon te eindigen, moeten wij er bijvoegen, dat niemand wist of hij ergens een vast verblijf had, dat hij geen bijzondere kameraden scheen te hebben, dat men hem steeds alleen had gezien, en dat gedurende de tien jaren die hij nu reeds de woestijn in alle rigtingen doorkruiste, zijn voorkomen geen de minste verandering had ondergaan: altijd droeg hij dezelfde kleederen, altijd scheen hij van[183]denzelfden ouderdom en kracht, altijd verscheen hij met denzelfden witten baard en met hetzelfde gerimpelde gezigt.Zooals wij straks reeds gezegd hebben, was de Scalpeur naar het kreupelbosch gesneld om te zien wie het signaal had gegeven dat zijne aandacht had opgewekt; zijn onderzoek hoe naauwkeurig ook, had echter geen ander gevolg dan hem te overtuigen dat hij zich niet bedrogen had en dat er werkelijk een spion in de struiken was geweest, die alles gezien en gehoord had wat er in het boschkamp gebeurd of gesproken was.De Blaauwe-Vos intusschen, na zijne kameraden het bovengemelde sein te hebben gegeven, had zich voorzigtig teruggetrokken, wel overtuigd dat hij, ondanks al zijn moed, verloren zou zijn, zoo hij den Scalpeur in handen viel.Laatstgenoemde keerde peinzend naar den monnik terug, wiens gebed nog altijd voortduurde en zoo het scheen niet spoedig geëindigd zou zijn.De Scalpeur beschouwde den pater een poos met een spotachtigen blik, en gaf hem eindelijk met de kolf van zijn geweer een fermen stoot in den rug.„Sta op!” zeide hij barsch.De monnik viel echter op de beide handen en bleef onbewegelijk liggen. Daar hij niet anders dacht of de wildeman had het voornemen hem dood te slaan, onderwierp hij zich aan zijn lot en wachtte den genadeslag, die naar zijne meening niet lang zou uitblijven.„Komaan, sta op! duivelsche monnik,” hervatte de Scalpeur, „hebt gij nog al niet gedaan met paternosters lezen?”Fray Antonio rigtte even het hoofd op; er blonk voor hem een nieuwe straal van hoop.„Vergeef mij, caballero,” antwoordde hij, „ik heb gedaan, ik ben thans tot uwe orders: wat verlangt gij van mij?”En met een sprong als een losgelaten veer stond hij op de beenen, daar hij aan den donkeren blik van zijn zegsman wel begreep dat geen verontschuldiging hier baten zou.„’t Is goed, man: het schijnt mij toe dat gij even knap een geweer kunt afschieten, als een paternoster bidden; laad dus uw karabijn; want het oogenblik is gekomen om te vechten als een man; zoo gij niet wilt gedood worden als een hond.”De monnik wierp een schuwen blik om zich heen.„Caballero,” stotterde hij aarzelend, „is het dan zoo volstrekt noodig dat ik vecht?”[184]„Als gij ten minste uw huid heel wilt houden, anders kunt gij gerust uw lot afwachten.”„Maar misschien is er wel een ander middel?”„Wat dan?”„Vlugten bij voorbeeld,” riep de monnik op smeekenden toon.„Neem er de proef van,” zei de andere meesmuilend.Door deze halve vergunning aangemoedigd, vervolgde de monnik een weinig stouter:„Gij hebt een heerlijk paard.”„Vindt gij dat?”„Een heerlijk paard!” hervatte Fray Antonio met vuur.„Ja, en dat zoudt gij wel gaarne willen berijden als ik het u toeliet, om er mede te vlugten, niet waar?”„O, neen, denk dat toch niet,” riep hij met een wenk van ontkenning.„Genoeg met uwe praatjes,” smaalde de Scalpeur barsch; „denk om u zelven! daar zijn uwe vijanden.”En met een sprong zat de Scalpeur in den zadel, liet zijn paard wenden en plaatste zich achter den verbazend dikken stam van een acajou-boom.Fray Antonio door de aannadering des gevaars op lijfsbehoud denkende, greep met drift naar zijn geweer en verschool zich insgelijks achter den boom.Op hetzelfde oogenblik deed zich een geweldig gekraak in de struiken hooren, de takken werden uit elkander gebogen en er verscheen een troep mannen, ten getale van ongeveer achttien of twintig; het waren krijgslieden der Apachen: in hun midden bevonden zich de Blaauwe-Vos, John Davis en zijn kameraad.De Blaauwe-Vos, ofschoon hij den Blanke-Scalpeur nooit had ontmoet, en hem dus niet persoonlijk kende, had dikwijls van hem hooren spreken, hetzij door de Indianen of door de jagers; zoodra hij dus den naam hoorde noemen werd hij door een vreesselijken angst bevangen en kwamen hem terstond al de wreedheden voor den geest die zijne broeders van hem te verduren hadden gehad; het volgende oogenblik echter kwam hij op de gedachte een verdienstelijk werk te kunnen doen, door hem bij deze gelegenheid te overrompelen; hij haastte zich dus om het tusschen hem en de jagers afgesproken signaal aan te geven, en toen met de snelheid die de Indianen kenmerkt, het kreupelhout doorloopende, begaf hij zich naar de plaats waar hij zijne krijgslieden had achtergelaten en beval hun hem dadelijk te volgen; hiermede gereed, keerde[185]hij onverwijld naar de jagers terug, die, daar zij het signaal hadden gehoord, hem reeds te gemoet kwamen.Met weinige woorden bragt de Blaauwe-Vos hen op de hoogte van hetgeen er gebeurd was; maar om de waarheid te zeggen, moeten wij hier bekennen, dat deze mededeeling de jagers zoowel als de Indianen niet weinig in hun ijver deed verflaauwen, daar zij begrepen dat zij zich aan een allervreesselijkst gevaar zouden moeten blootstellen, door te gaan strijden tegen iemand die met geen wapens te treffen of te bereiken was, en voor wien allen die hem tot hiertoe hadden durven bevechten onverbiddelijk als slagtoffers waren gevallen.Intusschen was het nu te laat om terug te treden, aan vlugten viel niet te denken; de krijgslieden besloten dus tegen wil en dank om voorwaarts te rukken.Wat de twee jagers John Davis en zijn kameraad betreft, al deelden zij niet ten volle in de blinde en bijgeloovige vrees der Indianen, zoo was hun deze strijd toch alles behalve aangenaam; uit schaamte echter, om de lieden niet in den steek te laten boven welke zij zich niet alleen in verstand maar ook in moed verre verheven waanden, besloten zij met hen mede te gaan.„Caballero!” riep de monnik met eene benaauwde stem, toen hij de Indianen zag aankomen, „gij zult mij toch niet verlaten, hoop ik!”„Wel neen, als gij u zelven maar niet verlaat, domkop!” antwoordde de Scalpeur.Toen de Apachen den zoom van het bosch bereikten, verscholen zij zich, volgens hunne gewone krijgstaktiek, ieder achter een boomstam, zoodat er binnen den ganschen omtrek waar zulk een aantal menschen op het punt waren een hardnekkigen strijd te beginnen, niemand te zien was.Er volgde een poos van stilstand en aarzeling.De Scalpeur was de eerste die het woord opvatte.„Heila!” riep hij, „wat komt gij hier doen?”De Blaauwe-Vos wilde antwoorden, doch John Davis belette het.„Laat dat liever aan mij over,” zeide hij.Nu den boomstam verlatende waarachter hij verscholen was, trad hij stoutmoedig eenige stappen vooruit en bleef ongeveer midden in het kamp staan.„Waar zijt gij die daar spreekt?” riep hij met eene luide en ferme stem; „zijt gij soms bang om u te laten zien?”„Ik vrees voor niets,” antwoordde de Scalpeur.[186]„Als dat zoo is, kom dan voor den dag en laat u kennen,” riep John op spotachtigen toon.Aldus uitgetart, deed de Scalpeur met zijn paard eenige galopsprongen van achter den boom en bleef op twee passen afstand voor den jager staan.„Hier ben ik,” zeide hij, „wat wilt gij van mij?”Davis had het paard laten naderen zonder een duimbreed van zijne plaats te gaan.„Wel!” riep hij, „ik verlangde gaarne u eens te zien.”„Is dat al wat gij mij te zeggen hebt?” riep de andere gemelijk.„Hum! gij schijnt duivelsch veel haast te hebben,” zei Davis,„laat ons ten minste even tijd om adem te scheppen.”„Houd op met uwe ongepaste scherts, die u wel eens duur zou kunnen te staan komen; zeg mij oogenblikkelijk wat gij mij komt voorstellen, ik heb geen tijd om zotte praatjes te houden.”„Zoo! Maar wie duivel zegt u dat ik u iets heb voor te stellen?”„Wat zoudt gij anders hier komen doen?”„Maar mijne voorstellen zijn u zeker reeds bekend.”„Dat is wel mogelijk.”„En wat antwoordt gij er dan op?”„Niets.”„Hoedat, niets?”„Ik wil u liever aanvallen.”„O, ho! daar zou voor u een zware wijs op gaan; wij zijn met ons achttienen, weet gij dat?„Hoevelen er zijn is mij onverschillig. Al waren er honderd zou ik u toch aanvallen.”„Duivelsch! al was het maar voor de aardigheid alleen, zou ik wel een gevecht zien willen van een tegen twintig.”„Dat zal zoo lang niet meer duren.”Met deze woorden deed de Scalpeur zijn paard eenige passen teruggaan.„Een oogenblik geduld, voor den duivel!” riep de jager met drift, „laat ik u eerst een woordje zeggen.”„Spreek.”„Wilt gij u overgeven?”„Wat zegt gij?”„Ik vraag u, of gij u wilt overgeven?”„Loop heen!” riep de Scalpeur meesmuilend, „gij zijt dwaas. Ik mij overgeven? ik! neen, gij met u allen, zult mij weldra om genade vragen.”[187]„Duivelsch! dat geloof ik niet, al zoudt gij mij moeten dooden.”„Wij zullen zien; keer naar uw schuilplaats terug,” zei de Blanke-Scalpeur de schouders ophalend, „ik wil u niet dooden als een weerlooze.”„Waarachtig, dat zal u slecht bekomen,” antwoordde John, „ik heb u eerlijk gewaarschuwd, en ik wasch mijne handen in onschuld, zie nu hoe gij er best afkomt.”„Ik zeg u dank,” hernam de Scalpeur met nadruk; „maar het staat met mij nog niet zoo slecht als gij denkt.”John Davis vergenoegde zich met de schouders op te halen en trad zonder te antwoorden langzaam naar zijn schuilhoek terug, onder het fluiten van het Amerikaansche volksliedYankee doodle.De Scalpeur volgde geenszins zijn voorbeeld; ofschoon hij zeer goed wist dat hij met een groot aantal vijanden te doen zou hebben, bleef hij ferm en onbeweeglijk te midden van het boschkamp staan.„Heila!” riep hij op spottenden toon, „gij dappere Apachen, die u als hazen in de struiken verschuilt, moet ik u in uw leger komen overvallen om u te noodzaken u te vertoonen? Kom op! als gij durft zoo gij niet wilt dat ik u voor lafhartige en vreesachtige oude vrouwen houd.”Deze beleedigende taal voerde de verontwaardiging der Apachen ten top, en zij beantwoordden hem met een luiden en langdurigen oorlogskreet.„Zouden mijne broeders zich nog langer door een enkel man laten trotseren?” riep de Blaauwe-Vos; „onze lafheid alleen maakt hem zoo stout. Laten wij met de snelheid van een orkaan instormen op dezen geest des kwaads; hij zal den schok van zooveel beroemde krijgslieden niet kunnen weerstaan. Voorwaarts! mijne broeders, voorwaarts! Aan ons zij de eer verbleven dat wij den onverzoenlijken vijand van ons geslacht verslagen hebben!”Bij deze woorden zwaaide hij moedig de karabijn boven zijn hoofd, en onder het aanheffen van een vervaarlijken oorlogskreet stormde de dappere Sachem onverschrokken den Scalpeur te gemoet.Al zijne krijgslieden volgden hem.De Scalpeur wachtte hen af zonder een duimbreed te wijken; maar zoodra waren zij niet onder zijn bereik, of hij gaf zijn paard de sporen en sprong met het edele dier midden onder de Indianen. Oogenblikkelijk greep hij zijn geweer bij den tromp, gebruikte het als een knods en begon er mede rond te zwaaijen[188]en links en regts zijne slagen uit te deelen, met eene snelheid en juistheid die aan bovennatuurlijke kracht deden denken.Nu ontstond er eene vervaarlijke schermutseling; de Indianen drongen met verbittering in op den wildeman, die als een bekwaam ruiter zijn paard onverwachte sprongen deed maken, en door de vaardigheid zijner bewegingen zijnen vijanden belette het bij den teugel te grijpen en tot staan te brengen.De beide jagers, John Davis en zijn kameraad, stonden met het geweer bij den voet den uitslag van het gevecht af te wachten, daar zij het voor onmogelijk hielden, dat een enkel man in staat zou zijn, om tegen zoovele en zulke dappere vijanden den strijd vol te houden, en langer dan eenige minuten weerstand te bieden. Tot hunne groote verwondering, bemerkten zij echter weldra dat zij zich vergist hadden; reeds lagen verscheidene Indianen met gebroken schedel of op andere wijs door de vreesselijke buks van den Scalpeur doodelijk getroffen op den grond te zieltogen.De jagers begonnen dus over den afloop van den strijd anders te denken en wilden hunne kameraden te hulp komen, maar door de snelle bewegingen van het gevecht waren hunne geweren onbruikbaar, daar het tooneel ieder oogenblik veranderde en hunne kogels even goed een vriend als hun eenigen vijand kondentreffen;zij wierpen derhalve hunne buksen weg en snelden met blank geweer de Apachen ter hulp, die reeds begonnen af te deinzen.De Blaauwe-Vos lag gevaarlijk gekwetst, bewusteloos op den grond uitgestrekt; de overige krijgslieden, in zoover zij nog niet buiten gevecht waren gesteld, begonnen aan den aftogt te denken en wierpen nu en dan reeds een bezorgden blik achterwaarts.De Blanke-Scalpeur stond nog altijd even woest en kordaat midden in den hoop, zijne vijanden te beschimpen en uit te dagen, terwijl zijn arm oprees en daalde met de regelmatigheid van een stoombalans.„Ha, ha!” riep hij zoodra hij de jagers in ’t oog kreeg, „wilt gij ook uw aandeel hebben, kom dan maar hier!”Laatstgenoemden lieten het zich geen tweemaal zeggen en stormden met dolle drift op hem in.Maar het bekwam hun bijster slecht: John Davis werd door de borst van het paard met zooveel kracht getroffen, dat hij tien passen verder over den grond tuimelde, waar hij stil bleef liggen; op het zelfde oogenblik stortte zijn kameraad, dien een kolfslag de hersenpan verbrijzeld had, ter aarde en blies den adem uit zonder een klagt te slaken.[189]Deze laatste wederwaardigheid was voor de Indianen zooveel als de genadeslag, en overmand door schrik voor de onweerstaanbare kracht van dezen buitengewonen man, namen zij in alle rigtingen de vlugt, huilende van angst.De Scalpeur wierp een blik van triumf en bevredigden haat over de bloedige kampplaats en het aantal zijner slagtoffers; eensklapsdreefhij zijn paard voorwaarts, achterhaalde een der vlugtelingen, greep hem bij de haren, wierp hem voor zich op den zadel en verdween er mede in het bosch onder het uiten van een daverend hoongelach.In het boschkamp bleven niet meer dan tien of twaalf verslagenen over, die op het gras lagen uitgestrekt; twee of drie er van leefden nog, de overigen waren gesneuveld.Ook voor dezen keer had de Blanke-Scalpeur weder gezegevierd en zich een bloedigen doortogt weten te openen. Wat Fray Antonio betreft, zoodra hij zag dat het gevecht goed aan den gang was, oordeelde hij het onnoodig om er den uitslag van af te wachten; hij had wijsselijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om stilletjes weg te sluipen, van boom tot boom en van boschje tot boschje, tot hij eindelijk zijn aftogt had volbragt en zijn kans schoon zag om het hazenpad te kiezen.
XXIII.DE BLANKE-SCALPEUR.
Thans moeten wij den draad van ons verhaal een oogenblik laten rusten, om den lezer eenige bijzonderheden te melden aangaande den vreemden man dien wij in het vorige hoofdstuk ten tooneele voerden, bijzonderheden wel is waar op zich zelf onvolledig, maar desniettemin onmisbaar tot regt verstand der zaken die volgen zullen.Zoo wij in plaats van eene ware geschiedenis een roman schreven, zouden wij ons wel wachten in ons verhaal personen op te nemen gelijk aan die waarmede wij ons in deze oogenblikken bezighouden; ongelukkig echter zijn wij gedwongen om de rigting te volgen die ons is aangewezen, en ons personeel te beschrijven zoo als het inderdaad bestaan heeft, en meerendeels thans nog bestaat.Ettelijke jaren voor het tijdstip waarop het eerste gedeelte van ons verhaal aanvangt, verspreidde zich in de wildernissen van Texas een los gerucht, in den beginne van weinig beteekenis, maar dat weldra zich bevestigde en toen het algemeen bekend werd, de harten van al de Indios-bravos, jagers en woudloopers met ontzetting en schrik vervulde.Een man, zoo men zeide een blanke, zwierf sedert eenigen tijd door de woestijn, om op de Roodhuiden jagt te maken, aan welke hij een onverbiddelijken oorlog scheen te hebben verklaard; deze man, die zoo men verzekerde steeds alleen rond zwierf, beging daden van ongehoorde stoutmoedigheid en wreedheid; waar hij slechts Indianen ontmoette, onverschillig hoe sterk in getal, viel hij hen aan; die hij in handen kreeg scalpeerde hij, rukte hun het hart uit het lijf, en om te bewijzen dat zij onder zijne[181]slagen waren gevallen, gaf hij hun twee groote sneden op de borst, in den vorm van een kruis. Somwijlen terwijl hij de woestijn in al hare lengte doorliep, sloop deze onverzoenlijke vijand van het roode geslacht in hunne dorpen, stak bij nacht wanneer de Indianen sliepen hunne hutten in brand, en vermoordde dan alles wat hij vond, mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zonder uitzondering of genade.Doch het waren niet alleen de Indianen die door dezen gevreesden overweldiger zoo bloeddorstig werden vervolgd; ook de andere kleurlingen, mestiezen ofmulatten, de smokkelaars, roovers, kortom al de andere grensloopers, van welke soort of naam ook, die gewoon zijn ten koste der maatschappij te leven, hadden eene zware rekening met hem te verantwoorden; wel is waar, deze laatste scalpeerde hij niet, maar vergenoegde zich met hen stevig aan boomen vast te binden, waar zij van honger moesten sterven of door de wilde dieren verslonden werden.Gedurende de eerste jaren zijner verschijning hadden de avonturiers en Roodhuiden uit besef van gemeenschappelijk gevaar, zich meermalen zamen verbonden om zich van dezen woesten vijand meester te maken en de wet der wedervergelding op hem toe te passen; maar het was als of hij door eene onzigtbare hand werd beschermd, zoo behendig wist hij aan iederen strik dien men hem spande te ontsnappen en telkens de hinderlagen te raden welke men hem in den weg legde. Het was onmogelijk hem te bereiken, zijne bewegingen waren zoo snel en onvoorzien, dat hij menigwerf verscheen op ongelooflijke afstanden van de plaats, waar men hem verwachtte of waar men hem kort te voren nog gezien had. Volgens het zeggen der Indianen en grensloopers, was hij onkwetsbaar en schampten de kogels zoowel als de pijlen, op zijne borst weerloos af. Door het aanhoudend geluk dat al zijne aanslagen begunstigde, werd deze man weldra de algemeene schrik der prairie, zijne vijanden, overtuigd dat al hunne pogingen tegen hem nutteloos waren, zagen af van een strijd dien zij als tegen meer dan aardsche magt gerigt rekenden; de vreemdsoortigste legenden kwamen nopens hem in omloop, iedereen vreesde hem als een boosaardig wezen, dat met den duivel in verband stond; de Indianen noemden hem in hunne taalKiein-Stomann, dat is de Blanke-Scalpeur, en de woudloopers betitelden hem met den naam van den Zonder-Genade.Deze beide namen werden, gelijk men ziet, niet ten onregte gegeven aan iemand voor wien moord en bloedstorting het hoogste[182]genoegen schenen en die niets liever deed dan zijne slagtoffers op de gruwzaamste wijze te folteren. Tengevolge hiervan was zijn naam alleen reeds genoeg om den dapperste van schrik te doen beven.Maar wie was nu die man?Van waar kwam hij?Welke vreeselijke gebeurtenis had hem de afschuwelijke levensbaan doen kiezen die hij betrad?Op deze vragen wist niemand te antwoorden, en zijn ontzettend aanwezen bleef voor ieder een raadsel zonder oplossing:Was hij misschien een dier gedrochtelijke wanschepsels die onder menschelijke gedaante een tijgerhart huisvesten, of was hij eene dier verpeste zielen die zich aan den duivel hadden overgegeven, en wier vermogens ten gevolge van een of ander ontzettend ongeluk gekrenkt, zich in de enkele hartstogt der wraakzucht hadden opgelost?Deze twee veronderstellingen schenen even mogelijk, misschien waren beiden wel te zamen in hem vereenigd.Hoe dit wezen mag, iedere muntslag heeft zijne keerzijde en zoo is ook de mensch evenmin geheel kwaad als geheel goed: de Scalpeur had dus nu en dan zijne heldere buijen, niet zoozeer van medelijden als van vermoeijenis, wanneer zijne eigen bloedgierigheid hem walgde en misschien een weinig minder wreed en minder onverbiddelijk, in een woord, een weinig menschelijker maakte; zulke oogenblikken waren echter zeer kort van duur en uiterst zeldzaam, en na deze zwakke buijen, gelijk hij zelf ze noemde, kreeg zijne natuur terstond weder de overhand en dan werd hij des te wreedaardiger naarmate hij zich meer had laten verteederen.Ziedaar alles wat er van hem bekend was op het oogenblik dat wij hem zoo zonderling op ons tooneel zagen verschijnen; de hulp die hij den monnik bewezen had was zoo geheel buiten zijn gewoon bedrijf, dat hij toen zonder twijfel in een van zijne zwakke buijen moet geweest zijn, anders zou hij zooveel zorg niet aan een ongelukkige hebben besteed, veelmin zoo langen tijd hebben verspild om naar zijne klagten en gebeden te luisteren.Om met de noodige berigten over dezen geheimzinnigen persoon te eindigen, moeten wij er bijvoegen, dat niemand wist of hij ergens een vast verblijf had, dat hij geen bijzondere kameraden scheen te hebben, dat men hem steeds alleen had gezien, en dat gedurende de tien jaren die hij nu reeds de woestijn in alle rigtingen doorkruiste, zijn voorkomen geen de minste verandering had ondergaan: altijd droeg hij dezelfde kleederen, altijd scheen hij van[183]denzelfden ouderdom en kracht, altijd verscheen hij met denzelfden witten baard en met hetzelfde gerimpelde gezigt.Zooals wij straks reeds gezegd hebben, was de Scalpeur naar het kreupelbosch gesneld om te zien wie het signaal had gegeven dat zijne aandacht had opgewekt; zijn onderzoek hoe naauwkeurig ook, had echter geen ander gevolg dan hem te overtuigen dat hij zich niet bedrogen had en dat er werkelijk een spion in de struiken was geweest, die alles gezien en gehoord had wat er in het boschkamp gebeurd of gesproken was.De Blaauwe-Vos intusschen, na zijne kameraden het bovengemelde sein te hebben gegeven, had zich voorzigtig teruggetrokken, wel overtuigd dat hij, ondanks al zijn moed, verloren zou zijn, zoo hij den Scalpeur in handen viel.Laatstgenoemde keerde peinzend naar den monnik terug, wiens gebed nog altijd voortduurde en zoo het scheen niet spoedig geëindigd zou zijn.De Scalpeur beschouwde den pater een poos met een spotachtigen blik, en gaf hem eindelijk met de kolf van zijn geweer een fermen stoot in den rug.„Sta op!” zeide hij barsch.De monnik viel echter op de beide handen en bleef onbewegelijk liggen. Daar hij niet anders dacht of de wildeman had het voornemen hem dood te slaan, onderwierp hij zich aan zijn lot en wachtte den genadeslag, die naar zijne meening niet lang zou uitblijven.„Komaan, sta op! duivelsche monnik,” hervatte de Scalpeur, „hebt gij nog al niet gedaan met paternosters lezen?”Fray Antonio rigtte even het hoofd op; er blonk voor hem een nieuwe straal van hoop.„Vergeef mij, caballero,” antwoordde hij, „ik heb gedaan, ik ben thans tot uwe orders: wat verlangt gij van mij?”En met een sprong als een losgelaten veer stond hij op de beenen, daar hij aan den donkeren blik van zijn zegsman wel begreep dat geen verontschuldiging hier baten zou.„’t Is goed, man: het schijnt mij toe dat gij even knap een geweer kunt afschieten, als een paternoster bidden; laad dus uw karabijn; want het oogenblik is gekomen om te vechten als een man; zoo gij niet wilt gedood worden als een hond.”De monnik wierp een schuwen blik om zich heen.„Caballero,” stotterde hij aarzelend, „is het dan zoo volstrekt noodig dat ik vecht?”[184]„Als gij ten minste uw huid heel wilt houden, anders kunt gij gerust uw lot afwachten.”„Maar misschien is er wel een ander middel?”„Wat dan?”„Vlugten bij voorbeeld,” riep de monnik op smeekenden toon.„Neem er de proef van,” zei de andere meesmuilend.Door deze halve vergunning aangemoedigd, vervolgde de monnik een weinig stouter:„Gij hebt een heerlijk paard.”„Vindt gij dat?”„Een heerlijk paard!” hervatte Fray Antonio met vuur.„Ja, en dat zoudt gij wel gaarne willen berijden als ik het u toeliet, om er mede te vlugten, niet waar?”„O, neen, denk dat toch niet,” riep hij met een wenk van ontkenning.„Genoeg met uwe praatjes,” smaalde de Scalpeur barsch; „denk om u zelven! daar zijn uwe vijanden.”En met een sprong zat de Scalpeur in den zadel, liet zijn paard wenden en plaatste zich achter den verbazend dikken stam van een acajou-boom.Fray Antonio door de aannadering des gevaars op lijfsbehoud denkende, greep met drift naar zijn geweer en verschool zich insgelijks achter den boom.Op hetzelfde oogenblik deed zich een geweldig gekraak in de struiken hooren, de takken werden uit elkander gebogen en er verscheen een troep mannen, ten getale van ongeveer achttien of twintig; het waren krijgslieden der Apachen: in hun midden bevonden zich de Blaauwe-Vos, John Davis en zijn kameraad.De Blaauwe-Vos, ofschoon hij den Blanke-Scalpeur nooit had ontmoet, en hem dus niet persoonlijk kende, had dikwijls van hem hooren spreken, hetzij door de Indianen of door de jagers; zoodra hij dus den naam hoorde noemen werd hij door een vreesselijken angst bevangen en kwamen hem terstond al de wreedheden voor den geest die zijne broeders van hem te verduren hadden gehad; het volgende oogenblik echter kwam hij op de gedachte een verdienstelijk werk te kunnen doen, door hem bij deze gelegenheid te overrompelen; hij haastte zich dus om het tusschen hem en de jagers afgesproken signaal aan te geven, en toen met de snelheid die de Indianen kenmerkt, het kreupelhout doorloopende, begaf hij zich naar de plaats waar hij zijne krijgslieden had achtergelaten en beval hun hem dadelijk te volgen; hiermede gereed, keerde[185]hij onverwijld naar de jagers terug, die, daar zij het signaal hadden gehoord, hem reeds te gemoet kwamen.Met weinige woorden bragt de Blaauwe-Vos hen op de hoogte van hetgeen er gebeurd was; maar om de waarheid te zeggen, moeten wij hier bekennen, dat deze mededeeling de jagers zoowel als de Indianen niet weinig in hun ijver deed verflaauwen, daar zij begrepen dat zij zich aan een allervreesselijkst gevaar zouden moeten blootstellen, door te gaan strijden tegen iemand die met geen wapens te treffen of te bereiken was, en voor wien allen die hem tot hiertoe hadden durven bevechten onverbiddelijk als slagtoffers waren gevallen.Intusschen was het nu te laat om terug te treden, aan vlugten viel niet te denken; de krijgslieden besloten dus tegen wil en dank om voorwaarts te rukken.Wat de twee jagers John Davis en zijn kameraad betreft, al deelden zij niet ten volle in de blinde en bijgeloovige vrees der Indianen, zoo was hun deze strijd toch alles behalve aangenaam; uit schaamte echter, om de lieden niet in den steek te laten boven welke zij zich niet alleen in verstand maar ook in moed verre verheven waanden, besloten zij met hen mede te gaan.„Caballero!” riep de monnik met eene benaauwde stem, toen hij de Indianen zag aankomen, „gij zult mij toch niet verlaten, hoop ik!”„Wel neen, als gij u zelven maar niet verlaat, domkop!” antwoordde de Scalpeur.Toen de Apachen den zoom van het bosch bereikten, verscholen zij zich, volgens hunne gewone krijgstaktiek, ieder achter een boomstam, zoodat er binnen den ganschen omtrek waar zulk een aantal menschen op het punt waren een hardnekkigen strijd te beginnen, niemand te zien was.Er volgde een poos van stilstand en aarzeling.De Scalpeur was de eerste die het woord opvatte.„Heila!” riep hij, „wat komt gij hier doen?”De Blaauwe-Vos wilde antwoorden, doch John Davis belette het.„Laat dat liever aan mij over,” zeide hij.Nu den boomstam verlatende waarachter hij verscholen was, trad hij stoutmoedig eenige stappen vooruit en bleef ongeveer midden in het kamp staan.„Waar zijt gij die daar spreekt?” riep hij met eene luide en ferme stem; „zijt gij soms bang om u te laten zien?”„Ik vrees voor niets,” antwoordde de Scalpeur.[186]„Als dat zoo is, kom dan voor den dag en laat u kennen,” riep John op spotachtigen toon.Aldus uitgetart, deed de Scalpeur met zijn paard eenige galopsprongen van achter den boom en bleef op twee passen afstand voor den jager staan.„Hier ben ik,” zeide hij, „wat wilt gij van mij?”Davis had het paard laten naderen zonder een duimbreed van zijne plaats te gaan.„Wel!” riep hij, „ik verlangde gaarne u eens te zien.”„Is dat al wat gij mij te zeggen hebt?” riep de andere gemelijk.„Hum! gij schijnt duivelsch veel haast te hebben,” zei Davis,„laat ons ten minste even tijd om adem te scheppen.”„Houd op met uwe ongepaste scherts, die u wel eens duur zou kunnen te staan komen; zeg mij oogenblikkelijk wat gij mij komt voorstellen, ik heb geen tijd om zotte praatjes te houden.”„Zoo! Maar wie duivel zegt u dat ik u iets heb voor te stellen?”„Wat zoudt gij anders hier komen doen?”„Maar mijne voorstellen zijn u zeker reeds bekend.”„Dat is wel mogelijk.”„En wat antwoordt gij er dan op?”„Niets.”„Hoedat, niets?”„Ik wil u liever aanvallen.”„O, ho! daar zou voor u een zware wijs op gaan; wij zijn met ons achttienen, weet gij dat?„Hoevelen er zijn is mij onverschillig. Al waren er honderd zou ik u toch aanvallen.”„Duivelsch! al was het maar voor de aardigheid alleen, zou ik wel een gevecht zien willen van een tegen twintig.”„Dat zal zoo lang niet meer duren.”Met deze woorden deed de Scalpeur zijn paard eenige passen teruggaan.„Een oogenblik geduld, voor den duivel!” riep de jager met drift, „laat ik u eerst een woordje zeggen.”„Spreek.”„Wilt gij u overgeven?”„Wat zegt gij?”„Ik vraag u, of gij u wilt overgeven?”„Loop heen!” riep de Scalpeur meesmuilend, „gij zijt dwaas. Ik mij overgeven? ik! neen, gij met u allen, zult mij weldra om genade vragen.”[187]„Duivelsch! dat geloof ik niet, al zoudt gij mij moeten dooden.”„Wij zullen zien; keer naar uw schuilplaats terug,” zei de Blanke-Scalpeur de schouders ophalend, „ik wil u niet dooden als een weerlooze.”„Waarachtig, dat zal u slecht bekomen,” antwoordde John, „ik heb u eerlijk gewaarschuwd, en ik wasch mijne handen in onschuld, zie nu hoe gij er best afkomt.”„Ik zeg u dank,” hernam de Scalpeur met nadruk; „maar het staat met mij nog niet zoo slecht als gij denkt.”John Davis vergenoegde zich met de schouders op te halen en trad zonder te antwoorden langzaam naar zijn schuilhoek terug, onder het fluiten van het Amerikaansche volksliedYankee doodle.De Scalpeur volgde geenszins zijn voorbeeld; ofschoon hij zeer goed wist dat hij met een groot aantal vijanden te doen zou hebben, bleef hij ferm en onbeweeglijk te midden van het boschkamp staan.„Heila!” riep hij op spottenden toon, „gij dappere Apachen, die u als hazen in de struiken verschuilt, moet ik u in uw leger komen overvallen om u te noodzaken u te vertoonen? Kom op! als gij durft zoo gij niet wilt dat ik u voor lafhartige en vreesachtige oude vrouwen houd.”Deze beleedigende taal voerde de verontwaardiging der Apachen ten top, en zij beantwoordden hem met een luiden en langdurigen oorlogskreet.„Zouden mijne broeders zich nog langer door een enkel man laten trotseren?” riep de Blaauwe-Vos; „onze lafheid alleen maakt hem zoo stout. Laten wij met de snelheid van een orkaan instormen op dezen geest des kwaads; hij zal den schok van zooveel beroemde krijgslieden niet kunnen weerstaan. Voorwaarts! mijne broeders, voorwaarts! Aan ons zij de eer verbleven dat wij den onverzoenlijken vijand van ons geslacht verslagen hebben!”Bij deze woorden zwaaide hij moedig de karabijn boven zijn hoofd, en onder het aanheffen van een vervaarlijken oorlogskreet stormde de dappere Sachem onverschrokken den Scalpeur te gemoet.Al zijne krijgslieden volgden hem.De Scalpeur wachtte hen af zonder een duimbreed te wijken; maar zoodra waren zij niet onder zijn bereik, of hij gaf zijn paard de sporen en sprong met het edele dier midden onder de Indianen. Oogenblikkelijk greep hij zijn geweer bij den tromp, gebruikte het als een knods en begon er mede rond te zwaaijen[188]en links en regts zijne slagen uit te deelen, met eene snelheid en juistheid die aan bovennatuurlijke kracht deden denken.Nu ontstond er eene vervaarlijke schermutseling; de Indianen drongen met verbittering in op den wildeman, die als een bekwaam ruiter zijn paard onverwachte sprongen deed maken, en door de vaardigheid zijner bewegingen zijnen vijanden belette het bij den teugel te grijpen en tot staan te brengen.De beide jagers, John Davis en zijn kameraad, stonden met het geweer bij den voet den uitslag van het gevecht af te wachten, daar zij het voor onmogelijk hielden, dat een enkel man in staat zou zijn, om tegen zoovele en zulke dappere vijanden den strijd vol te houden, en langer dan eenige minuten weerstand te bieden. Tot hunne groote verwondering, bemerkten zij echter weldra dat zij zich vergist hadden; reeds lagen verscheidene Indianen met gebroken schedel of op andere wijs door de vreesselijke buks van den Scalpeur doodelijk getroffen op den grond te zieltogen.De jagers begonnen dus over den afloop van den strijd anders te denken en wilden hunne kameraden te hulp komen, maar door de snelle bewegingen van het gevecht waren hunne geweren onbruikbaar, daar het tooneel ieder oogenblik veranderde en hunne kogels even goed een vriend als hun eenigen vijand kondentreffen;zij wierpen derhalve hunne buksen weg en snelden met blank geweer de Apachen ter hulp, die reeds begonnen af te deinzen.De Blaauwe-Vos lag gevaarlijk gekwetst, bewusteloos op den grond uitgestrekt; de overige krijgslieden, in zoover zij nog niet buiten gevecht waren gesteld, begonnen aan den aftogt te denken en wierpen nu en dan reeds een bezorgden blik achterwaarts.De Blanke-Scalpeur stond nog altijd even woest en kordaat midden in den hoop, zijne vijanden te beschimpen en uit te dagen, terwijl zijn arm oprees en daalde met de regelmatigheid van een stoombalans.„Ha, ha!” riep hij zoodra hij de jagers in ’t oog kreeg, „wilt gij ook uw aandeel hebben, kom dan maar hier!”Laatstgenoemden lieten het zich geen tweemaal zeggen en stormden met dolle drift op hem in.Maar het bekwam hun bijster slecht: John Davis werd door de borst van het paard met zooveel kracht getroffen, dat hij tien passen verder over den grond tuimelde, waar hij stil bleef liggen; op het zelfde oogenblik stortte zijn kameraad, dien een kolfslag de hersenpan verbrijzeld had, ter aarde en blies den adem uit zonder een klagt te slaken.[189]Deze laatste wederwaardigheid was voor de Indianen zooveel als de genadeslag, en overmand door schrik voor de onweerstaanbare kracht van dezen buitengewonen man, namen zij in alle rigtingen de vlugt, huilende van angst.De Scalpeur wierp een blik van triumf en bevredigden haat over de bloedige kampplaats en het aantal zijner slagtoffers; eensklapsdreefhij zijn paard voorwaarts, achterhaalde een der vlugtelingen, greep hem bij de haren, wierp hem voor zich op den zadel en verdween er mede in het bosch onder het uiten van een daverend hoongelach.In het boschkamp bleven niet meer dan tien of twaalf verslagenen over, die op het gras lagen uitgestrekt; twee of drie er van leefden nog, de overigen waren gesneuveld.Ook voor dezen keer had de Blanke-Scalpeur weder gezegevierd en zich een bloedigen doortogt weten te openen. Wat Fray Antonio betreft, zoodra hij zag dat het gevecht goed aan den gang was, oordeelde hij het onnoodig om er den uitslag van af te wachten; hij had wijsselijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om stilletjes weg te sluipen, van boom tot boom en van boschje tot boschje, tot hij eindelijk zijn aftogt had volbragt en zijn kans schoon zag om het hazenpad te kiezen.
Thans moeten wij den draad van ons verhaal een oogenblik laten rusten, om den lezer eenige bijzonderheden te melden aangaande den vreemden man dien wij in het vorige hoofdstuk ten tooneele voerden, bijzonderheden wel is waar op zich zelf onvolledig, maar desniettemin onmisbaar tot regt verstand der zaken die volgen zullen.
Zoo wij in plaats van eene ware geschiedenis een roman schreven, zouden wij ons wel wachten in ons verhaal personen op te nemen gelijk aan die waarmede wij ons in deze oogenblikken bezighouden; ongelukkig echter zijn wij gedwongen om de rigting te volgen die ons is aangewezen, en ons personeel te beschrijven zoo als het inderdaad bestaan heeft, en meerendeels thans nog bestaat.
Ettelijke jaren voor het tijdstip waarop het eerste gedeelte van ons verhaal aanvangt, verspreidde zich in de wildernissen van Texas een los gerucht, in den beginne van weinig beteekenis, maar dat weldra zich bevestigde en toen het algemeen bekend werd, de harten van al de Indios-bravos, jagers en woudloopers met ontzetting en schrik vervulde.
Een man, zoo men zeide een blanke, zwierf sedert eenigen tijd door de woestijn, om op de Roodhuiden jagt te maken, aan welke hij een onverbiddelijken oorlog scheen te hebben verklaard; deze man, die zoo men verzekerde steeds alleen rond zwierf, beging daden van ongehoorde stoutmoedigheid en wreedheid; waar hij slechts Indianen ontmoette, onverschillig hoe sterk in getal, viel hij hen aan; die hij in handen kreeg scalpeerde hij, rukte hun het hart uit het lijf, en om te bewijzen dat zij onder zijne[181]slagen waren gevallen, gaf hij hun twee groote sneden op de borst, in den vorm van een kruis. Somwijlen terwijl hij de woestijn in al hare lengte doorliep, sloop deze onverzoenlijke vijand van het roode geslacht in hunne dorpen, stak bij nacht wanneer de Indianen sliepen hunne hutten in brand, en vermoordde dan alles wat hij vond, mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zonder uitzondering of genade.
Doch het waren niet alleen de Indianen die door dezen gevreesden overweldiger zoo bloeddorstig werden vervolgd; ook de andere kleurlingen, mestiezen ofmulatten, de smokkelaars, roovers, kortom al de andere grensloopers, van welke soort of naam ook, die gewoon zijn ten koste der maatschappij te leven, hadden eene zware rekening met hem te verantwoorden; wel is waar, deze laatste scalpeerde hij niet, maar vergenoegde zich met hen stevig aan boomen vast te binden, waar zij van honger moesten sterven of door de wilde dieren verslonden werden.
Gedurende de eerste jaren zijner verschijning hadden de avonturiers en Roodhuiden uit besef van gemeenschappelijk gevaar, zich meermalen zamen verbonden om zich van dezen woesten vijand meester te maken en de wet der wedervergelding op hem toe te passen; maar het was als of hij door eene onzigtbare hand werd beschermd, zoo behendig wist hij aan iederen strik dien men hem spande te ontsnappen en telkens de hinderlagen te raden welke men hem in den weg legde. Het was onmogelijk hem te bereiken, zijne bewegingen waren zoo snel en onvoorzien, dat hij menigwerf verscheen op ongelooflijke afstanden van de plaats, waar men hem verwachtte of waar men hem kort te voren nog gezien had. Volgens het zeggen der Indianen en grensloopers, was hij onkwetsbaar en schampten de kogels zoowel als de pijlen, op zijne borst weerloos af. Door het aanhoudend geluk dat al zijne aanslagen begunstigde, werd deze man weldra de algemeene schrik der prairie, zijne vijanden, overtuigd dat al hunne pogingen tegen hem nutteloos waren, zagen af van een strijd dien zij als tegen meer dan aardsche magt gerigt rekenden; de vreemdsoortigste legenden kwamen nopens hem in omloop, iedereen vreesde hem als een boosaardig wezen, dat met den duivel in verband stond; de Indianen noemden hem in hunne taalKiein-Stomann, dat is de Blanke-Scalpeur, en de woudloopers betitelden hem met den naam van den Zonder-Genade.
Deze beide namen werden, gelijk men ziet, niet ten onregte gegeven aan iemand voor wien moord en bloedstorting het hoogste[182]genoegen schenen en die niets liever deed dan zijne slagtoffers op de gruwzaamste wijze te folteren. Tengevolge hiervan was zijn naam alleen reeds genoeg om den dapperste van schrik te doen beven.
Maar wie was nu die man?
Van waar kwam hij?
Welke vreeselijke gebeurtenis had hem de afschuwelijke levensbaan doen kiezen die hij betrad?
Op deze vragen wist niemand te antwoorden, en zijn ontzettend aanwezen bleef voor ieder een raadsel zonder oplossing:
Was hij misschien een dier gedrochtelijke wanschepsels die onder menschelijke gedaante een tijgerhart huisvesten, of was hij eene dier verpeste zielen die zich aan den duivel hadden overgegeven, en wier vermogens ten gevolge van een of ander ontzettend ongeluk gekrenkt, zich in de enkele hartstogt der wraakzucht hadden opgelost?
Deze twee veronderstellingen schenen even mogelijk, misschien waren beiden wel te zamen in hem vereenigd.
Hoe dit wezen mag, iedere muntslag heeft zijne keerzijde en zoo is ook de mensch evenmin geheel kwaad als geheel goed: de Scalpeur had dus nu en dan zijne heldere buijen, niet zoozeer van medelijden als van vermoeijenis, wanneer zijne eigen bloedgierigheid hem walgde en misschien een weinig minder wreed en minder onverbiddelijk, in een woord, een weinig menschelijker maakte; zulke oogenblikken waren echter zeer kort van duur en uiterst zeldzaam, en na deze zwakke buijen, gelijk hij zelf ze noemde, kreeg zijne natuur terstond weder de overhand en dan werd hij des te wreedaardiger naarmate hij zich meer had laten verteederen.
Ziedaar alles wat er van hem bekend was op het oogenblik dat wij hem zoo zonderling op ons tooneel zagen verschijnen; de hulp die hij den monnik bewezen had was zoo geheel buiten zijn gewoon bedrijf, dat hij toen zonder twijfel in een van zijne zwakke buijen moet geweest zijn, anders zou hij zooveel zorg niet aan een ongelukkige hebben besteed, veelmin zoo langen tijd hebben verspild om naar zijne klagten en gebeden te luisteren.
Om met de noodige berigten over dezen geheimzinnigen persoon te eindigen, moeten wij er bijvoegen, dat niemand wist of hij ergens een vast verblijf had, dat hij geen bijzondere kameraden scheen te hebben, dat men hem steeds alleen had gezien, en dat gedurende de tien jaren die hij nu reeds de woestijn in alle rigtingen doorkruiste, zijn voorkomen geen de minste verandering had ondergaan: altijd droeg hij dezelfde kleederen, altijd scheen hij van[183]denzelfden ouderdom en kracht, altijd verscheen hij met denzelfden witten baard en met hetzelfde gerimpelde gezigt.
Zooals wij straks reeds gezegd hebben, was de Scalpeur naar het kreupelbosch gesneld om te zien wie het signaal had gegeven dat zijne aandacht had opgewekt; zijn onderzoek hoe naauwkeurig ook, had echter geen ander gevolg dan hem te overtuigen dat hij zich niet bedrogen had en dat er werkelijk een spion in de struiken was geweest, die alles gezien en gehoord had wat er in het boschkamp gebeurd of gesproken was.
De Blaauwe-Vos intusschen, na zijne kameraden het bovengemelde sein te hebben gegeven, had zich voorzigtig teruggetrokken, wel overtuigd dat hij, ondanks al zijn moed, verloren zou zijn, zoo hij den Scalpeur in handen viel.
Laatstgenoemde keerde peinzend naar den monnik terug, wiens gebed nog altijd voortduurde en zoo het scheen niet spoedig geëindigd zou zijn.
De Scalpeur beschouwde den pater een poos met een spotachtigen blik, en gaf hem eindelijk met de kolf van zijn geweer een fermen stoot in den rug.
„Sta op!” zeide hij barsch.
De monnik viel echter op de beide handen en bleef onbewegelijk liggen. Daar hij niet anders dacht of de wildeman had het voornemen hem dood te slaan, onderwierp hij zich aan zijn lot en wachtte den genadeslag, die naar zijne meening niet lang zou uitblijven.
„Komaan, sta op! duivelsche monnik,” hervatte de Scalpeur, „hebt gij nog al niet gedaan met paternosters lezen?”
Fray Antonio rigtte even het hoofd op; er blonk voor hem een nieuwe straal van hoop.
„Vergeef mij, caballero,” antwoordde hij, „ik heb gedaan, ik ben thans tot uwe orders: wat verlangt gij van mij?”
En met een sprong als een losgelaten veer stond hij op de beenen, daar hij aan den donkeren blik van zijn zegsman wel begreep dat geen verontschuldiging hier baten zou.
„’t Is goed, man: het schijnt mij toe dat gij even knap een geweer kunt afschieten, als een paternoster bidden; laad dus uw karabijn; want het oogenblik is gekomen om te vechten als een man; zoo gij niet wilt gedood worden als een hond.”
De monnik wierp een schuwen blik om zich heen.
„Caballero,” stotterde hij aarzelend, „is het dan zoo volstrekt noodig dat ik vecht?”[184]
„Als gij ten minste uw huid heel wilt houden, anders kunt gij gerust uw lot afwachten.”
„Maar misschien is er wel een ander middel?”
„Wat dan?”
„Vlugten bij voorbeeld,” riep de monnik op smeekenden toon.
„Neem er de proef van,” zei de andere meesmuilend.
Door deze halve vergunning aangemoedigd, vervolgde de monnik een weinig stouter:
„Gij hebt een heerlijk paard.”
„Vindt gij dat?”
„Een heerlijk paard!” hervatte Fray Antonio met vuur.
„Ja, en dat zoudt gij wel gaarne willen berijden als ik het u toeliet, om er mede te vlugten, niet waar?”
„O, neen, denk dat toch niet,” riep hij met een wenk van ontkenning.
„Genoeg met uwe praatjes,” smaalde de Scalpeur barsch; „denk om u zelven! daar zijn uwe vijanden.”
En met een sprong zat de Scalpeur in den zadel, liet zijn paard wenden en plaatste zich achter den verbazend dikken stam van een acajou-boom.
Fray Antonio door de aannadering des gevaars op lijfsbehoud denkende, greep met drift naar zijn geweer en verschool zich insgelijks achter den boom.
Op hetzelfde oogenblik deed zich een geweldig gekraak in de struiken hooren, de takken werden uit elkander gebogen en er verscheen een troep mannen, ten getale van ongeveer achttien of twintig; het waren krijgslieden der Apachen: in hun midden bevonden zich de Blaauwe-Vos, John Davis en zijn kameraad.
De Blaauwe-Vos, ofschoon hij den Blanke-Scalpeur nooit had ontmoet, en hem dus niet persoonlijk kende, had dikwijls van hem hooren spreken, hetzij door de Indianen of door de jagers; zoodra hij dus den naam hoorde noemen werd hij door een vreesselijken angst bevangen en kwamen hem terstond al de wreedheden voor den geest die zijne broeders van hem te verduren hadden gehad; het volgende oogenblik echter kwam hij op de gedachte een verdienstelijk werk te kunnen doen, door hem bij deze gelegenheid te overrompelen; hij haastte zich dus om het tusschen hem en de jagers afgesproken signaal aan te geven, en toen met de snelheid die de Indianen kenmerkt, het kreupelhout doorloopende, begaf hij zich naar de plaats waar hij zijne krijgslieden had achtergelaten en beval hun hem dadelijk te volgen; hiermede gereed, keerde[185]hij onverwijld naar de jagers terug, die, daar zij het signaal hadden gehoord, hem reeds te gemoet kwamen.
Met weinige woorden bragt de Blaauwe-Vos hen op de hoogte van hetgeen er gebeurd was; maar om de waarheid te zeggen, moeten wij hier bekennen, dat deze mededeeling de jagers zoowel als de Indianen niet weinig in hun ijver deed verflaauwen, daar zij begrepen dat zij zich aan een allervreesselijkst gevaar zouden moeten blootstellen, door te gaan strijden tegen iemand die met geen wapens te treffen of te bereiken was, en voor wien allen die hem tot hiertoe hadden durven bevechten onverbiddelijk als slagtoffers waren gevallen.
Intusschen was het nu te laat om terug te treden, aan vlugten viel niet te denken; de krijgslieden besloten dus tegen wil en dank om voorwaarts te rukken.
Wat de twee jagers John Davis en zijn kameraad betreft, al deelden zij niet ten volle in de blinde en bijgeloovige vrees der Indianen, zoo was hun deze strijd toch alles behalve aangenaam; uit schaamte echter, om de lieden niet in den steek te laten boven welke zij zich niet alleen in verstand maar ook in moed verre verheven waanden, besloten zij met hen mede te gaan.
„Caballero!” riep de monnik met eene benaauwde stem, toen hij de Indianen zag aankomen, „gij zult mij toch niet verlaten, hoop ik!”
„Wel neen, als gij u zelven maar niet verlaat, domkop!” antwoordde de Scalpeur.
Toen de Apachen den zoom van het bosch bereikten, verscholen zij zich, volgens hunne gewone krijgstaktiek, ieder achter een boomstam, zoodat er binnen den ganschen omtrek waar zulk een aantal menschen op het punt waren een hardnekkigen strijd te beginnen, niemand te zien was.
Er volgde een poos van stilstand en aarzeling.
De Scalpeur was de eerste die het woord opvatte.
„Heila!” riep hij, „wat komt gij hier doen?”
De Blaauwe-Vos wilde antwoorden, doch John Davis belette het.
„Laat dat liever aan mij over,” zeide hij.
Nu den boomstam verlatende waarachter hij verscholen was, trad hij stoutmoedig eenige stappen vooruit en bleef ongeveer midden in het kamp staan.
„Waar zijt gij die daar spreekt?” riep hij met eene luide en ferme stem; „zijt gij soms bang om u te laten zien?”
„Ik vrees voor niets,” antwoordde de Scalpeur.[186]
„Als dat zoo is, kom dan voor den dag en laat u kennen,” riep John op spotachtigen toon.
Aldus uitgetart, deed de Scalpeur met zijn paard eenige galopsprongen van achter den boom en bleef op twee passen afstand voor den jager staan.
„Hier ben ik,” zeide hij, „wat wilt gij van mij?”
Davis had het paard laten naderen zonder een duimbreed van zijne plaats te gaan.
„Wel!” riep hij, „ik verlangde gaarne u eens te zien.”
„Is dat al wat gij mij te zeggen hebt?” riep de andere gemelijk.
„Hum! gij schijnt duivelsch veel haast te hebben,” zei Davis,„laat ons ten minste even tijd om adem te scheppen.”
„Houd op met uwe ongepaste scherts, die u wel eens duur zou kunnen te staan komen; zeg mij oogenblikkelijk wat gij mij komt voorstellen, ik heb geen tijd om zotte praatjes te houden.”
„Zoo! Maar wie duivel zegt u dat ik u iets heb voor te stellen?”
„Wat zoudt gij anders hier komen doen?”
„Maar mijne voorstellen zijn u zeker reeds bekend.”
„Dat is wel mogelijk.”
„En wat antwoordt gij er dan op?”
„Niets.”
„Hoedat, niets?”
„Ik wil u liever aanvallen.”
„O, ho! daar zou voor u een zware wijs op gaan; wij zijn met ons achttienen, weet gij dat?
„Hoevelen er zijn is mij onverschillig. Al waren er honderd zou ik u toch aanvallen.”
„Duivelsch! al was het maar voor de aardigheid alleen, zou ik wel een gevecht zien willen van een tegen twintig.”
„Dat zal zoo lang niet meer duren.”
Met deze woorden deed de Scalpeur zijn paard eenige passen teruggaan.
„Een oogenblik geduld, voor den duivel!” riep de jager met drift, „laat ik u eerst een woordje zeggen.”
„Spreek.”
„Wilt gij u overgeven?”
„Wat zegt gij?”
„Ik vraag u, of gij u wilt overgeven?”
„Loop heen!” riep de Scalpeur meesmuilend, „gij zijt dwaas. Ik mij overgeven? ik! neen, gij met u allen, zult mij weldra om genade vragen.”[187]
„Duivelsch! dat geloof ik niet, al zoudt gij mij moeten dooden.”
„Wij zullen zien; keer naar uw schuilplaats terug,” zei de Blanke-Scalpeur de schouders ophalend, „ik wil u niet dooden als een weerlooze.”
„Waarachtig, dat zal u slecht bekomen,” antwoordde John, „ik heb u eerlijk gewaarschuwd, en ik wasch mijne handen in onschuld, zie nu hoe gij er best afkomt.”
„Ik zeg u dank,” hernam de Scalpeur met nadruk; „maar het staat met mij nog niet zoo slecht als gij denkt.”
John Davis vergenoegde zich met de schouders op te halen en trad zonder te antwoorden langzaam naar zijn schuilhoek terug, onder het fluiten van het Amerikaansche volksliedYankee doodle.
De Scalpeur volgde geenszins zijn voorbeeld; ofschoon hij zeer goed wist dat hij met een groot aantal vijanden te doen zou hebben, bleef hij ferm en onbeweeglijk te midden van het boschkamp staan.
„Heila!” riep hij op spottenden toon, „gij dappere Apachen, die u als hazen in de struiken verschuilt, moet ik u in uw leger komen overvallen om u te noodzaken u te vertoonen? Kom op! als gij durft zoo gij niet wilt dat ik u voor lafhartige en vreesachtige oude vrouwen houd.”
Deze beleedigende taal voerde de verontwaardiging der Apachen ten top, en zij beantwoordden hem met een luiden en langdurigen oorlogskreet.
„Zouden mijne broeders zich nog langer door een enkel man laten trotseren?” riep de Blaauwe-Vos; „onze lafheid alleen maakt hem zoo stout. Laten wij met de snelheid van een orkaan instormen op dezen geest des kwaads; hij zal den schok van zooveel beroemde krijgslieden niet kunnen weerstaan. Voorwaarts! mijne broeders, voorwaarts! Aan ons zij de eer verbleven dat wij den onverzoenlijken vijand van ons geslacht verslagen hebben!”
Bij deze woorden zwaaide hij moedig de karabijn boven zijn hoofd, en onder het aanheffen van een vervaarlijken oorlogskreet stormde de dappere Sachem onverschrokken den Scalpeur te gemoet.
Al zijne krijgslieden volgden hem.
De Scalpeur wachtte hen af zonder een duimbreed te wijken; maar zoodra waren zij niet onder zijn bereik, of hij gaf zijn paard de sporen en sprong met het edele dier midden onder de Indianen. Oogenblikkelijk greep hij zijn geweer bij den tromp, gebruikte het als een knods en begon er mede rond te zwaaijen[188]en links en regts zijne slagen uit te deelen, met eene snelheid en juistheid die aan bovennatuurlijke kracht deden denken.
Nu ontstond er eene vervaarlijke schermutseling; de Indianen drongen met verbittering in op den wildeman, die als een bekwaam ruiter zijn paard onverwachte sprongen deed maken, en door de vaardigheid zijner bewegingen zijnen vijanden belette het bij den teugel te grijpen en tot staan te brengen.
De beide jagers, John Davis en zijn kameraad, stonden met het geweer bij den voet den uitslag van het gevecht af te wachten, daar zij het voor onmogelijk hielden, dat een enkel man in staat zou zijn, om tegen zoovele en zulke dappere vijanden den strijd vol te houden, en langer dan eenige minuten weerstand te bieden. Tot hunne groote verwondering, bemerkten zij echter weldra dat zij zich vergist hadden; reeds lagen verscheidene Indianen met gebroken schedel of op andere wijs door de vreesselijke buks van den Scalpeur doodelijk getroffen op den grond te zieltogen.
De jagers begonnen dus over den afloop van den strijd anders te denken en wilden hunne kameraden te hulp komen, maar door de snelle bewegingen van het gevecht waren hunne geweren onbruikbaar, daar het tooneel ieder oogenblik veranderde en hunne kogels even goed een vriend als hun eenigen vijand kondentreffen;zij wierpen derhalve hunne buksen weg en snelden met blank geweer de Apachen ter hulp, die reeds begonnen af te deinzen.
De Blaauwe-Vos lag gevaarlijk gekwetst, bewusteloos op den grond uitgestrekt; de overige krijgslieden, in zoover zij nog niet buiten gevecht waren gesteld, begonnen aan den aftogt te denken en wierpen nu en dan reeds een bezorgden blik achterwaarts.
De Blanke-Scalpeur stond nog altijd even woest en kordaat midden in den hoop, zijne vijanden te beschimpen en uit te dagen, terwijl zijn arm oprees en daalde met de regelmatigheid van een stoombalans.
„Ha, ha!” riep hij zoodra hij de jagers in ’t oog kreeg, „wilt gij ook uw aandeel hebben, kom dan maar hier!”
Laatstgenoemden lieten het zich geen tweemaal zeggen en stormden met dolle drift op hem in.
Maar het bekwam hun bijster slecht: John Davis werd door de borst van het paard met zooveel kracht getroffen, dat hij tien passen verder over den grond tuimelde, waar hij stil bleef liggen; op het zelfde oogenblik stortte zijn kameraad, dien een kolfslag de hersenpan verbrijzeld had, ter aarde en blies den adem uit zonder een klagt te slaken.[189]
Deze laatste wederwaardigheid was voor de Indianen zooveel als de genadeslag, en overmand door schrik voor de onweerstaanbare kracht van dezen buitengewonen man, namen zij in alle rigtingen de vlugt, huilende van angst.
De Scalpeur wierp een blik van triumf en bevredigden haat over de bloedige kampplaats en het aantal zijner slagtoffers; eensklapsdreefhij zijn paard voorwaarts, achterhaalde een der vlugtelingen, greep hem bij de haren, wierp hem voor zich op den zadel en verdween er mede in het bosch onder het uiten van een daverend hoongelach.
In het boschkamp bleven niet meer dan tien of twaalf verslagenen over, die op het gras lagen uitgestrekt; twee of drie er van leefden nog, de overigen waren gesneuveld.
Ook voor dezen keer had de Blanke-Scalpeur weder gezegevierd en zich een bloedigen doortogt weten te openen. Wat Fray Antonio betreft, zoodra hij zag dat het gevecht goed aan den gang was, oordeelde hij het onnoodig om er den uitslag van af te wachten; hij had wijsselijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om stilletjes weg te sluipen, van boom tot boom en van boschje tot boschje, tot hij eindelijk zijn aftogt had volbragt en zijn kans schoon zag om het hazenpad te kiezen.