[Inhoud]XXIV.NA HET GEVECHT.Gedurende meer dan een half uur heerschte er eene doodsche stilte in het boschkamp, dat na den in het vorige hoofdstuk door ons beschreven strijd een akelig en treurig schouwspel opleverde.Intusschen had John Davis, die door den geweldigen stoot van het paard niet ernstig gewond, maar alleen bedwelmd was, de oogen geopend en zijne blikken verwonderd rond laten weiden; de schok was echter hevig genoeg geweest om hem eenige kneuzingen te veroorzaken en hem in eene diepe flaauwte te dompelen; ook kon de Amerikaan, toen hij weder bijkwam, zich niet zoo dadelijk herinneren wat er met hem gebeurd was, en vroeg hij zich verbaasd af hoe het toch mogelijk was dat hij zich in zulk een zonderlingen toestand bevond.Van lieverlede nogtans begonnen zijne denkbeelden op te helderen[190]en keerde zijn geheugen terug, en nu herinnerde hij zich dien vreemdsoortigen en ongelijken strijd van één man alleen tegenachttienof twintig;een strijd waar deze als overwinnaar uitkwam, na zijne aanvallers deels gedood, deels op devlugtte hebben gejaagd.„Wel, wel!” mompelde hij bij zich zelven, „wat hij ook wezen mag, mensch of duivel, maar ik zeg voor den drommel, dat de vent meer dan knap is!”Met eenige moeite stond hij op, betastte zich de pijnlijke leden en na zich verzekerd te hebben dat er niets bij hem gebroken was vervolgde hij met blijkbare zelfvoldoening:„Ik ben er Goddank! beter afgekomen dan ik ooit had durven verwachten, de lompe wijze in aanmerking nemende waarop ik omver werd geloopen.—Maar hij,” vervolgde hij met een meêwarigen blik op zijn kameraad, die naast hem lag, „die arme Jim, is minder gelukkig geweest dan ik, zijn loop is geëindigd! Wat heeft hij een ruwen slag op zijn hoofd gehad! Bah! wat zal ik er aan doen?” besloot hij met de zelfzuchtige wijsheid der wildernis, „alle menschen moeten sterven, elk krijgt zijn beurt,vandaaghij, morgen ik, zoo gaat het in de wereld.”Thans op zijn geweer leunende, want het loopen ging nog niet gemakkelijk, deed hij eenige stappen door het kamp, om zijne verdoofde leden op te wekken en zich voor goed te overtuigen dat zij in gezonden staat waren.Na zich een poosje met deze oefening te hebben bezig gehouden, die den omloop van zijn bloed en de lenigheid zijner gewrichten spoedig herstelde, zoodat hij volkomen omtrent zich zelven gerust was, kwam de gedachte bij hem op om te zien of er onder de rondom hem verstrooid liggende verslagenen, ook enkele waren die nog ademden.„Het zijn wel is waar slechts Indianen,”prevelde hij, „maar in allen geval zijn het toch menschen, en al hebben zij bijna geen redelijk verstand, vordert de menschelijkheid dat ik hun hulp verleen, te meer daar mijn tegenwoordige toestand niet van de aangenaamste is; en als het mij gelukte een of ander onder hen te redden, zou hunne kennis van de wildernis mij in deze oogenblikken zeer te stade komen.”Deze laatste overweging inzonderheid deed hem besluiten om hulp te bieden aan menschen die hij anders waarschijnlijk aan hun lot zou hebben overgelaten, met andere woorden, aan de klaauwen en tanden der verscheurende dieren, die door den reuk des bloeds[191]aangelokt, den volgenden nacht niet zouden verzuimd hebben er hun prooi van te maken.Wij zijn echter verpligt om den Amerikaan in zooverre regt te laten wedervaren, dat hij, zoodra zijn besluit eenmaal genomen was, zich met alle naauwgezetheid en beleid kweet van de zich opgelegde taak—eene taak die hem trouwens niet moeijelijk viel, daar de menigte ambachten die hij gedurende den loop van zijn wisselvallig leven had uitgeoefend, hem, onder anderen, eene geneeskundige kennis en ervaring hadden medegedeeld, die hem volkomen in staat stelden om aan gewonden de noodige zorg en bijstand te verleenen.Ongelukkig hadden verreweg de meeste Indianen die hij onderzocht, zulke zware wonden ontvangen, dat het leven hen reeds verlaten had en dus alle hulp voor hen nutteloos was.„Duivel! nog eens!” pruttelde de Amerikaan bij elk lijk dat hij te vergeefs omkeerde, „die arme wilden zijn knaphandig genekt, dat moet ik zeggen! Een ding is gelukkig voor hen, dat zij ten minste niet lang pijn zullen hebben geleden, want met zulke wonden hebben zij bijna oogenblikkelijk den geest moeten geven.”Zoo voortgaande, kwam hij aan de plaats waar de Blaauwe-Vos lag; een groote open wond met eene machete toegebragt gaapte in zijne borst.„Ei, zie! daar ligt onze goede Sachem!” riep hij: „welk eene wond! Laat ons zien of ook hij dood is.”Hij bukte over het roerlooze lijk en hield zijn glimmend mes voor den mond van den Indiaan.„Hij verroert zich niet,” vervolgde hij op moedeloozen toon, „ik denk niet dat ik hem ooit weder aan het loopen zal krijgen.”Intusschen beschouwde hij na eenige minuten het lemmet van zijn mes, en bemerkte dat het meer of min beslagen was.„Goeden moed!” prevelde hij,„hij is ten minste nog niet geheel dood, en zoo lang er leven is, is er hoop; laten wij zien.”Na deze alleenspraak schepte John Davis met zijn hoed water uit de beek, deed er een weinig brandewijn bij, en begon zorgvuldig de wond te wasschen; deze pligt volbragt zijnde, peilde hij de wond, en zag tot zijne voldoening, dat zij weinig diepte had, en dat alleen bloedverlies naar alle waarschijnlijkheid de bezwijming had te weeg gebragt. Van deze juiste beoordeeling nader overtuigd zijnde, wreef hij eenigeoreganobladeren tusschen twee steenen, maakte er een papje van, legde het op de wond en bevestigde het met een verband van boomschors en biezen; vervolgens met[192]de punt van zijn mes den gewonde de tanden ontsluitende, bragt hij hem de tuit van zijn kalabasflesch in den mond en liet hem een goeden teug brandewijn drinken.De aangewende poging van den Amerikaan werd bijnaonmiddellijkmet gunstig gevolg bekroond, want de gewonde slaakte een diepen zucht en opende de oogen.„Bravo,” riep John, wel verheugd over deze schier onverhoopte goede uitkomst. „Schep moed, hoofdman, gij zijt behouden Goddank! gij moogt van geluk spreken, want gij waart reeds ver heen.”De Indiaan bleef eenige minuten stompzinnig rondkijken met verwezen blikken, zonder bewustzijn van zijn toestand noch van de voorwerpen die hem omgaven.John hield hem oplettend in ’t oog, gereed om hem terstond nieuwe hulp toe te brengen wanneer dit noodig mogt zijn, maar vooreerst behoefde hij die niet meer. De Indiaan scheen langzamerhand bij te komen. Zijne oogen stonden weldra minder verstrooid, en eindelijk keerde hij tot zijn volle bewustzijn terug. Hij ging overeind zitten en wischte zich met de regterhand het klamme zweet van het voorhoofd.„Het gevecht is dus geëindigd?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde John, „met onze volkomene nederlaag; een aardig idee van ons, om dien duivel te willen overmeesteren.”„Is hij ons dan ontsnapt?”„Zoo mooi als er ooit een ontsnapt is, en wat meer zegt, ongewond, nadat hij ten minste tien uwer krijgslieden had omgebragt en mijn armen kameraad Jim bijna het hoofd van den romp had afgeslagen.”„O!” mompelde de Indiaan binnensmonds, „hij is geen mensch, hij is de geest des kwaads.”„Laat hij wezen wat hij wil,” riep John met nadruk, „maar bij den hemel! ik zal er het mijne van hebben, want ik hoop mij eenmaal op nieuw met dien duivel te meten.”„Dat de Wacondah mijn broeder voor die ontmoeting beware, want die duivel zou hem zeker dooden.”„’t Is mogelijk; en dat hij het van daag niet reeds gedaan heeft is zijne schuld niet; maar laat hij op zijne hoede zijn, welligt staan wij nog eens tegenover elkander met gelijke wapenen, en dan.….”„Wat vermogen wapenen bij hem? Hebt gij dan niet gezien dat wij op zijn lijf niets kunnen uitwerken, en dat hij onkwetsbaar is?”[193]„Hum, ’t is mogelijk; maar laten wij thans niet langer over hem praten, wij hebben andere zaken te behandelen die ons nader aangaan. Hoe bevindt gij u, zeg?”„Beter, veel beter; het middel dat gij op mijne wond hebt aangewend heeft mij goed gedaan, ik gevoel er onuitsprekelijk veel baat bij.”„Dat verheugt mij; zie nu vooreerst maar dat gij twee of drie uren rust neemt, ik zal intusschen blijven waken, en dan kunnen wij ons zamen beraden over de middelen om uit de moeijelijkheid te geraken waarin wij ons gebragt hebben.”„De Blaauwe-Vos is geen oude vrouw, of een kleinzeerig kind, dat door een weinig pijn in tanden of ooren, buiten staat wordt, zich te bewegen.”„Ik weet dat gij een dapper krijgsman zijt, hoofdman, maar de natuur heeft hare grenzen, die zij niet kan overschrijden, en hoe sterk ook uw moed of uw wil wezen mag, de hevige bloeding die uwe wond u veroorzaakt heeft moet u zeer verzwakt hebben.”„Ik dank u, mijn broeder, uwe woorden zijn die van een vriend; maar de Blaauwe-Vos is een Sachem in zijn stam, de dood alleen moet hem beletten zich te bewegen, laat mijn broeder oordeelen of het opperhoofd zoo zwak is.”Terwijl hij deze woorden sprak, deed de Indiaan eene uiterste poging om zich op te rigten. Zich met al de zielskracht en lijdensverachting die het roode menschenras eigen zijn, tegen de pijn inzettende, gelukte het hem op te staan, en niet alleen stevig op de beenen te blijven, maar zelfs eenige stappen te doen zonder vreemde hulp en zonder den minsten zweem van smart op zijn gelaat te vertoonen.De Amerikaan beschouwde hem met innige verbazing. Ofschoon hij zelf een welverdienden roem bezat van dapperheid en geestkracht, begreep hij niet hoe het mogelijk was dat iemand de heerschappij der morele boven de stoffelijke kracht zoo ver kon drijven.De Indiaan glimlachte met zekeren hoogmoed, toen hij in het oog van den Amerikaan de bewondering las die zijne daad bij dezen verwekte.„Denkt mijn broeder nu nog dat de Blaauwe-Vos zoo zwak is?” vroeg hij.„Om u de waarheid te zeggen, hoofdman,” was het antwoord, „weet ik niet meer wat ik er van denken moet; wat ik u zie doen, brengt mij in de war; ik ben geneigd te veronderstellen dat gij in staat zijt het onmogelijke te doen.”[194]„De Hoofden van mijn volk zijn beproefde krijgslieden, die lagchen om de smart en voor wie het lijden niet bestaat,” zei de Roodhuid trotsch.„Ik kan er niet langer aan twijfelen na hetgeen ik van u gezien heb.”„Mijn broeder is een man; hij heeft mij begrepen. Laat ons nu zamen de krijgslieden onderzoeken die hier om ons heen liggen, daarna zullen wij aan ons zelven denken.”„Wat uwe arme kameraden betreft, hoofdman, ben ik genoodzaakt u te verklaren dat wij ons met hen niet meer behoeven bezig te houden, alle hulp zou hier overbodig zijn; zij zijn dood.”„Goed, zij zijn met eere gevallen in den strijd; Wacondah zal hen ontvangen in zijn schoot, om met hen te jagen in de velden der gelukzaligen.”„Dat zij zoo.”„Laten wij thans, voor alle andere dingen, de zaak afdoen die wij heden morgen begonnen zijn, en die wij op zulk eene ongelegene wijs hebben moeten afbreken.”John Davis, ofschoon aan het leven der wildernis gewoon, was verslagen over het koelbloedig gedrag van dezen man, die naauwelijks aan den dood ontsnapt, nog lijdende aan eene vreesselijke wonde, en eerst sedert weinige minuten tot verstandelijk bewustzijn teruggekeerd, reeds niet meer aan het gebeurde scheen te denken, anders dan aan een voorval, daar hij bijna het slagtoffer van was geworden, maar dat overigens in zijn dagelijksche leven zeer natuurlijk scheen, zoodat hij, zonder de minste belemmering van geest een gesprek, door een bloedig gevecht gestoord, kon hervatten juist op hetzelfde punt waar hij het gelaten had. Dat zulk een koelzinnig gedrag hem bevreemdde, was omdat de Amerikaan, ondanks zijn veeljarig verkeer met de Roodhuiden, zich nooit de moeite had gegeven om hun karakter ernstig te bestuderen, overtuigd, gelijk de meeste blanken, dat deze lieden bijna geen verstandelijke vermogens bezitten, en dat zij door hunne levenswijs schier met het redelooze gedierte gelijk zijn; terwijl integendeel dit leven van vrijheid en van onophoudelijk gevaar hen met ontberingen en wonden zoo gemeenzaam maakt, dat zij die hebben leeren verachten en er niets meer dan eene zeer betrekkelijk gewigt aan toekennen.„’t Is goed,” zeide hij een oogenblik later, „als gij het zoo verlangt, hoofdman, ben ik gereed om u de zending waarmede ik belast ben, mede te deelen.”[195]„Laat mijn broeder dan aan mijne zijde plaats nemen.”De Amerikaan ging naast het opperhoofd zitten, ofschoon niet zonder vrees voor de roerlooze stilte, te midden van een slagveld bezaaid met dooden. De Indiaan daarentegen scheen zoo kalm en bedaard dat John Davis zich schaamde om iets van zijne ongerustheid te doen blijken, en eene onverschilligheid aannemende die hij wel verre was van te bezitten, vatte hijonmiddellijkhet woord op.„Ik ben tot mijn broeder gezonden door een groot krijgsman der Bleekgezigten,” begon hij.„Ik ken hem,” antwoordde de Blaauwe-Vos, „hij heet de Jaguar, zijn arm is sterk en zijn oog fonkelt als die van het dier welks naam hij draagt.”„Goed. De Jaguar wenscht de oorlogsbijl tusschen hem en zijne Roode broeders te begraven, opdat de vrede hen voortaan vereenige, en zij in plaats van elkander te bestrijden, zamen den bison jagen op dezelfde jagtgronden, en zich aan hunne gemeenschappelijke vijanden wreken. Welk antwoord zal ik den Jaguar geven?”De Indiaan zweeg een geruimen tijd; eindelijk hief hij het hoofd op.„Dat mijn broeder zijne ooren opene,” zeide hij, „het is een Sachem die spreken zal.”„Ik luister,” antwoordde John Davis.Het opperhoofd hervatte:„De woorden die mijne borst uitblaast zijn opregt, het is de Wacondah die ze mij ingeeft: De Bleekgezigten, sedert zij door den Geest des kwaads, in hunne groote tooverkano’s naar het land mijner vaderen werden gevoerd, zijn steeds de bitterste vijanden der Roodhuiden geweest, hunne rijkste en vruchtbaarste jagtvelden hebben zij ingenomen; waar zij hen ontmoetten hebben zij hen als wilde dieren vervolgd, hunnecallis(dorpen) hebben zij verbrand en het gebeente hunner vaderen in de vier winden des hemels verstrooid. Is het niet zoo? Is dit niet altijd het gedrag der Bleekgezigten geweest? Dat mijn broeder antwoorde.”„Hum! ja,” riep de Amerikaan min of meer verlegen, „ik wil niet ontkennen, hoofdman, dat er iets waars is in hetgeen gij zegt, maar toch, al de lieden van mijne kleur zijn niet zoo slecht gezind jegens de Roodhuiden geweest, sommige daarentegen hebben hun goed zoeken te doen.”[196]„Ooah! twee of drie ja, dat kan waar zijn, maar dat bewijst niets tegen hetgeen ik beweer; spreken wij er intusschen niet meer van en gaan wij liever over tot de zaak die ons thans moet bezig houden.”„Ja, ik geloof dat dit beter zal zijn,” antwoordde de Amerikaan, inwendig verheugd dat hij niet verpligt was een gesprek voort te zetten daar hij vooruit van wist, dat het niet tot zijn voordeel zou afloopen.„Mijn volk haat de Bleekgezigten,” hervatte het Opperhoofd, „de condor maakt zijn nest niet met de mawkawis, en de graauwe beer paart zich niet met de antilope; ik zelf draag den Bleekgezigten een aangeboren haat toe. Nog dezen morgen zou ik dus de voorstellen van den Jaguar zeker hebben afgeslagen; wat gaan ons de onderlinge oorlogen der Blanken aan? wanneer de coyotes elkander verslinden, verheugen zich de herten; het doet ons genoegen te zien dat onze wreede onderdrukkers elkander verscheuren; thans echter, ofschoon mijn haat nog even levendig is, moet ik die in mijn hart opsluiten. Mijn broeder heeft mij het leven gered, hij heeft mij geholpen toen ik magteloos op den grond lag uitgestrekt en de Engel des doods zijne vleugelen reeds over mij uitbreidde; de ondankbaarheid is een ondeugd der Blanken, de erkentelijkheid eene deugd der Rooden: van heden af is de bijl tusschen den Jaguar en den Blaauwe-Vos voor de volgende manen begraven: vijf manen lang zullen de vijanden van den Jaguar die van den Blaauwe-Vos zijn; de beide opperhoofden zullen naast elkander strijden, als twee broeders die elkander liefhebben; binnen drie zonnen zal de Sachem het Blanke opperhoofd vijf honderd vermaarde krijgslieden toevoegen, wier hielen met tallooze wolvenstaarten versierd zijn, en die tot de uitgelezen mannen zijner natie behooren. Wat zal daarentegen de Jaguar voor den Blaauwe-Vos en zijne krijgslieden doen?”„De Jaguar is een grootmoedig opperhoofd; hij moge voor zijne vijanden vreesselijk zijn, voor zijne vrienden is hij altijd toegankelijk en vrijgevig; iedere krijgsman der Apachen ontvangt van hem een geweer, honderd ponden buskruid en een scalpeermes. De Sachem bekomt bovendien twee vigoniavellen met vuurwater gevuld.”„Ooah!” riep de Blaauwe-Vos met blijkbare tevredenheid, „mijn broeder heeft goed gesproken, de Jaguar is een grootmoedig opperhoofd. Ziedaar mijntotemten bewijze van ons verbond, zoowel als mijn veer van kommando.”Dit zeggende haalde de Sachem uit zijn weitasch of knapzak, die hij aan een band over zijn schouder droeg, een vierkant stukperkament[197]te voorschijn, waarop in ruwe trekken het totem, of zinnebeeldig diergestalte van zijn stam geteekend was; vervolgens de adelaarsveer uit zijn oorlogskap nemende, stelde hij die beiden aan John Davis ter hand.„Ik dank mijn broeder, den Sachem,” zei laatstgenoemde, „dat hij mijn voorstel heeft aangenomen, hij zal geen reden hebben om er zich over te beklagen.”„Een opperhoofd gaf hem zijn woord. Maar zie, de zon verlengt de schaduw der boomen, de mawkawis zal weldra zijn avondzang laten hooren; het uur is gekomen om aan de doode krijgslieden de laatste eer te bewijzen, en wij moeten vertrekken; om ons elk naar onze vrienden te begeven.”„Te voet, zooals wij hier zijn, dat zal bezwaarlijk gaan,” beweerde John.De Indiaan glimlachte.„De krijgslieden van den Blaauwe-Vos waken altijd voor hem,” zeide hij.Werkelijk had hij naauwlijks tweemaal een bijzonder signaal laten hooren, of een vijftigtal Apachen-krijgslieden snelden van alle kanten toe en schaarden zich zwijgend om hun opperhoofd.De vlugtelingen die aan den geduchten arm van den Scalpeur ontsnapt waren, hadden zich in der ijl naar het naastbijgelegen Indianenkamp begeven en hunne kameraden met het noodlottig nieuws hunner nederlaag bekend gemaakt; daarop was er onder bevel van een opperhoofd van lageren rang een detachement ruiters afgezonden om den Sachem te zoeken. Deze ruiters nogtans, toen zij den Blaauwe-Vos met John Davis in gesprek zagen, waren op eenigen afstand onder het geboomte blijven staan, geduldig wachtende tot het hem behagen zou hen tot zich te roepen.De Blaauwe-Vos beval hun thans de dooden te begraven, en nu begon de ceremonie der ter aarde bestelling, eene plegtigheid die onder den drang der omstandigheden zooveel mogelijk moest worden bekort.De lijken werden eerst met zorg gewasschen, in nieuwe bisonsmantels gewikkeld, en toen, in zittende houding, in de kuilen geplaatst die men voor ieder van hen gedolven had: hunne wapens werden bij hen in het graf gelegd, alsmede een paardenhoofdstel en eenige levensvoorraad, opdat het hun niet aan de noodige middelen ontbreken zou, om de velden der gelukzaligen te bereiken en zij bij hunne komst bij den Wacondahonmiddellijkte paard konden stijgen om op de jagt te gaan.Nadat deze verschillende ceremoniën waren volbragt, werden[198]de kuilen gevuld en met groote steenen belegd, opdat de wilde dieren de lijken niet zouden kunnen opgraven en verslinden.De zon was reeds op het punt van onder te gaan eer de Apachen geëindigd hadden met hunnen broeders de laatste dienst te bewijzen. De Blaauwe-Vos trad nu naar den jager, die tot dusver van de ceremonie zoo al geen onverschillig, dan toch een lijdelijk toeschouwer was gebleven.„Keert mijn broeder naar de krijgslieden van zijn volk terug?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde de Indiaan lakoniek.„Het Bleekgezigt heeft zijn paard verloren,” vervolgde de Sachem; „laat hij den mustang bestijgen dien de Blaauwe-Vos hem aanbiedt, en binnen twee uren zal hij bij de zijnen terug zijn.”John Davis nam het geschenk, dat hem zoo edelmoedig gedaan werd, met dankbaarheid aan, steeg terstond in den zadel en na van de Indianen afscheid genomen te hebben, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk.Op een wenk van hun opperhoofd, reden ook de Apachen naar hunne legerplaats terug, en het open boschkamp waar zulke vreesselijke dingen gebeurd waren, verviel weder tot zijne gewone stilte en eenzaamheid.
[Inhoud]XXIV.NA HET GEVECHT.Gedurende meer dan een half uur heerschte er eene doodsche stilte in het boschkamp, dat na den in het vorige hoofdstuk door ons beschreven strijd een akelig en treurig schouwspel opleverde.Intusschen had John Davis, die door den geweldigen stoot van het paard niet ernstig gewond, maar alleen bedwelmd was, de oogen geopend en zijne blikken verwonderd rond laten weiden; de schok was echter hevig genoeg geweest om hem eenige kneuzingen te veroorzaken en hem in eene diepe flaauwte te dompelen; ook kon de Amerikaan, toen hij weder bijkwam, zich niet zoo dadelijk herinneren wat er met hem gebeurd was, en vroeg hij zich verbaasd af hoe het toch mogelijk was dat hij zich in zulk een zonderlingen toestand bevond.Van lieverlede nogtans begonnen zijne denkbeelden op te helderen[190]en keerde zijn geheugen terug, en nu herinnerde hij zich dien vreemdsoortigen en ongelijken strijd van één man alleen tegenachttienof twintig;een strijd waar deze als overwinnaar uitkwam, na zijne aanvallers deels gedood, deels op devlugtte hebben gejaagd.„Wel, wel!” mompelde hij bij zich zelven, „wat hij ook wezen mag, mensch of duivel, maar ik zeg voor den drommel, dat de vent meer dan knap is!”Met eenige moeite stond hij op, betastte zich de pijnlijke leden en na zich verzekerd te hebben dat er niets bij hem gebroken was vervolgde hij met blijkbare zelfvoldoening:„Ik ben er Goddank! beter afgekomen dan ik ooit had durven verwachten, de lompe wijze in aanmerking nemende waarop ik omver werd geloopen.—Maar hij,” vervolgde hij met een meêwarigen blik op zijn kameraad, die naast hem lag, „die arme Jim, is minder gelukkig geweest dan ik, zijn loop is geëindigd! Wat heeft hij een ruwen slag op zijn hoofd gehad! Bah! wat zal ik er aan doen?” besloot hij met de zelfzuchtige wijsheid der wildernis, „alle menschen moeten sterven, elk krijgt zijn beurt,vandaaghij, morgen ik, zoo gaat het in de wereld.”Thans op zijn geweer leunende, want het loopen ging nog niet gemakkelijk, deed hij eenige stappen door het kamp, om zijne verdoofde leden op te wekken en zich voor goed te overtuigen dat zij in gezonden staat waren.Na zich een poosje met deze oefening te hebben bezig gehouden, die den omloop van zijn bloed en de lenigheid zijner gewrichten spoedig herstelde, zoodat hij volkomen omtrent zich zelven gerust was, kwam de gedachte bij hem op om te zien of er onder de rondom hem verstrooid liggende verslagenen, ook enkele waren die nog ademden.„Het zijn wel is waar slechts Indianen,”prevelde hij, „maar in allen geval zijn het toch menschen, en al hebben zij bijna geen redelijk verstand, vordert de menschelijkheid dat ik hun hulp verleen, te meer daar mijn tegenwoordige toestand niet van de aangenaamste is; en als het mij gelukte een of ander onder hen te redden, zou hunne kennis van de wildernis mij in deze oogenblikken zeer te stade komen.”Deze laatste overweging inzonderheid deed hem besluiten om hulp te bieden aan menschen die hij anders waarschijnlijk aan hun lot zou hebben overgelaten, met andere woorden, aan de klaauwen en tanden der verscheurende dieren, die door den reuk des bloeds[191]aangelokt, den volgenden nacht niet zouden verzuimd hebben er hun prooi van te maken.Wij zijn echter verpligt om den Amerikaan in zooverre regt te laten wedervaren, dat hij, zoodra zijn besluit eenmaal genomen was, zich met alle naauwgezetheid en beleid kweet van de zich opgelegde taak—eene taak die hem trouwens niet moeijelijk viel, daar de menigte ambachten die hij gedurende den loop van zijn wisselvallig leven had uitgeoefend, hem, onder anderen, eene geneeskundige kennis en ervaring hadden medegedeeld, die hem volkomen in staat stelden om aan gewonden de noodige zorg en bijstand te verleenen.Ongelukkig hadden verreweg de meeste Indianen die hij onderzocht, zulke zware wonden ontvangen, dat het leven hen reeds verlaten had en dus alle hulp voor hen nutteloos was.„Duivel! nog eens!” pruttelde de Amerikaan bij elk lijk dat hij te vergeefs omkeerde, „die arme wilden zijn knaphandig genekt, dat moet ik zeggen! Een ding is gelukkig voor hen, dat zij ten minste niet lang pijn zullen hebben geleden, want met zulke wonden hebben zij bijna oogenblikkelijk den geest moeten geven.”Zoo voortgaande, kwam hij aan de plaats waar de Blaauwe-Vos lag; een groote open wond met eene machete toegebragt gaapte in zijne borst.„Ei, zie! daar ligt onze goede Sachem!” riep hij: „welk eene wond! Laat ons zien of ook hij dood is.”Hij bukte over het roerlooze lijk en hield zijn glimmend mes voor den mond van den Indiaan.„Hij verroert zich niet,” vervolgde hij op moedeloozen toon, „ik denk niet dat ik hem ooit weder aan het loopen zal krijgen.”Intusschen beschouwde hij na eenige minuten het lemmet van zijn mes, en bemerkte dat het meer of min beslagen was.„Goeden moed!” prevelde hij,„hij is ten minste nog niet geheel dood, en zoo lang er leven is, is er hoop; laten wij zien.”Na deze alleenspraak schepte John Davis met zijn hoed water uit de beek, deed er een weinig brandewijn bij, en begon zorgvuldig de wond te wasschen; deze pligt volbragt zijnde, peilde hij de wond, en zag tot zijne voldoening, dat zij weinig diepte had, en dat alleen bloedverlies naar alle waarschijnlijkheid de bezwijming had te weeg gebragt. Van deze juiste beoordeeling nader overtuigd zijnde, wreef hij eenigeoreganobladeren tusschen twee steenen, maakte er een papje van, legde het op de wond en bevestigde het met een verband van boomschors en biezen; vervolgens met[192]de punt van zijn mes den gewonde de tanden ontsluitende, bragt hij hem de tuit van zijn kalabasflesch in den mond en liet hem een goeden teug brandewijn drinken.De aangewende poging van den Amerikaan werd bijnaonmiddellijkmet gunstig gevolg bekroond, want de gewonde slaakte een diepen zucht en opende de oogen.„Bravo,” riep John, wel verheugd over deze schier onverhoopte goede uitkomst. „Schep moed, hoofdman, gij zijt behouden Goddank! gij moogt van geluk spreken, want gij waart reeds ver heen.”De Indiaan bleef eenige minuten stompzinnig rondkijken met verwezen blikken, zonder bewustzijn van zijn toestand noch van de voorwerpen die hem omgaven.John hield hem oplettend in ’t oog, gereed om hem terstond nieuwe hulp toe te brengen wanneer dit noodig mogt zijn, maar vooreerst behoefde hij die niet meer. De Indiaan scheen langzamerhand bij te komen. Zijne oogen stonden weldra minder verstrooid, en eindelijk keerde hij tot zijn volle bewustzijn terug. Hij ging overeind zitten en wischte zich met de regterhand het klamme zweet van het voorhoofd.„Het gevecht is dus geëindigd?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde John, „met onze volkomene nederlaag; een aardig idee van ons, om dien duivel te willen overmeesteren.”„Is hij ons dan ontsnapt?”„Zoo mooi als er ooit een ontsnapt is, en wat meer zegt, ongewond, nadat hij ten minste tien uwer krijgslieden had omgebragt en mijn armen kameraad Jim bijna het hoofd van den romp had afgeslagen.”„O!” mompelde de Indiaan binnensmonds, „hij is geen mensch, hij is de geest des kwaads.”„Laat hij wezen wat hij wil,” riep John met nadruk, „maar bij den hemel! ik zal er het mijne van hebben, want ik hoop mij eenmaal op nieuw met dien duivel te meten.”„Dat de Wacondah mijn broeder voor die ontmoeting beware, want die duivel zou hem zeker dooden.”„’t Is mogelijk; en dat hij het van daag niet reeds gedaan heeft is zijne schuld niet; maar laat hij op zijne hoede zijn, welligt staan wij nog eens tegenover elkander met gelijke wapenen, en dan.….”„Wat vermogen wapenen bij hem? Hebt gij dan niet gezien dat wij op zijn lijf niets kunnen uitwerken, en dat hij onkwetsbaar is?”[193]„Hum, ’t is mogelijk; maar laten wij thans niet langer over hem praten, wij hebben andere zaken te behandelen die ons nader aangaan. Hoe bevindt gij u, zeg?”„Beter, veel beter; het middel dat gij op mijne wond hebt aangewend heeft mij goed gedaan, ik gevoel er onuitsprekelijk veel baat bij.”„Dat verheugt mij; zie nu vooreerst maar dat gij twee of drie uren rust neemt, ik zal intusschen blijven waken, en dan kunnen wij ons zamen beraden over de middelen om uit de moeijelijkheid te geraken waarin wij ons gebragt hebben.”„De Blaauwe-Vos is geen oude vrouw, of een kleinzeerig kind, dat door een weinig pijn in tanden of ooren, buiten staat wordt, zich te bewegen.”„Ik weet dat gij een dapper krijgsman zijt, hoofdman, maar de natuur heeft hare grenzen, die zij niet kan overschrijden, en hoe sterk ook uw moed of uw wil wezen mag, de hevige bloeding die uwe wond u veroorzaakt heeft moet u zeer verzwakt hebben.”„Ik dank u, mijn broeder, uwe woorden zijn die van een vriend; maar de Blaauwe-Vos is een Sachem in zijn stam, de dood alleen moet hem beletten zich te bewegen, laat mijn broeder oordeelen of het opperhoofd zoo zwak is.”Terwijl hij deze woorden sprak, deed de Indiaan eene uiterste poging om zich op te rigten. Zich met al de zielskracht en lijdensverachting die het roode menschenras eigen zijn, tegen de pijn inzettende, gelukte het hem op te staan, en niet alleen stevig op de beenen te blijven, maar zelfs eenige stappen te doen zonder vreemde hulp en zonder den minsten zweem van smart op zijn gelaat te vertoonen.De Amerikaan beschouwde hem met innige verbazing. Ofschoon hij zelf een welverdienden roem bezat van dapperheid en geestkracht, begreep hij niet hoe het mogelijk was dat iemand de heerschappij der morele boven de stoffelijke kracht zoo ver kon drijven.De Indiaan glimlachte met zekeren hoogmoed, toen hij in het oog van den Amerikaan de bewondering las die zijne daad bij dezen verwekte.„Denkt mijn broeder nu nog dat de Blaauwe-Vos zoo zwak is?” vroeg hij.„Om u de waarheid te zeggen, hoofdman,” was het antwoord, „weet ik niet meer wat ik er van denken moet; wat ik u zie doen, brengt mij in de war; ik ben geneigd te veronderstellen dat gij in staat zijt het onmogelijke te doen.”[194]„De Hoofden van mijn volk zijn beproefde krijgslieden, die lagchen om de smart en voor wie het lijden niet bestaat,” zei de Roodhuid trotsch.„Ik kan er niet langer aan twijfelen na hetgeen ik van u gezien heb.”„Mijn broeder is een man; hij heeft mij begrepen. Laat ons nu zamen de krijgslieden onderzoeken die hier om ons heen liggen, daarna zullen wij aan ons zelven denken.”„Wat uwe arme kameraden betreft, hoofdman, ben ik genoodzaakt u te verklaren dat wij ons met hen niet meer behoeven bezig te houden, alle hulp zou hier overbodig zijn; zij zijn dood.”„Goed, zij zijn met eere gevallen in den strijd; Wacondah zal hen ontvangen in zijn schoot, om met hen te jagen in de velden der gelukzaligen.”„Dat zij zoo.”„Laten wij thans, voor alle andere dingen, de zaak afdoen die wij heden morgen begonnen zijn, en die wij op zulk eene ongelegene wijs hebben moeten afbreken.”John Davis, ofschoon aan het leven der wildernis gewoon, was verslagen over het koelbloedig gedrag van dezen man, die naauwelijks aan den dood ontsnapt, nog lijdende aan eene vreesselijke wonde, en eerst sedert weinige minuten tot verstandelijk bewustzijn teruggekeerd, reeds niet meer aan het gebeurde scheen te denken, anders dan aan een voorval, daar hij bijna het slagtoffer van was geworden, maar dat overigens in zijn dagelijksche leven zeer natuurlijk scheen, zoodat hij, zonder de minste belemmering van geest een gesprek, door een bloedig gevecht gestoord, kon hervatten juist op hetzelfde punt waar hij het gelaten had. Dat zulk een koelzinnig gedrag hem bevreemdde, was omdat de Amerikaan, ondanks zijn veeljarig verkeer met de Roodhuiden, zich nooit de moeite had gegeven om hun karakter ernstig te bestuderen, overtuigd, gelijk de meeste blanken, dat deze lieden bijna geen verstandelijke vermogens bezitten, en dat zij door hunne levenswijs schier met het redelooze gedierte gelijk zijn; terwijl integendeel dit leven van vrijheid en van onophoudelijk gevaar hen met ontberingen en wonden zoo gemeenzaam maakt, dat zij die hebben leeren verachten en er niets meer dan eene zeer betrekkelijk gewigt aan toekennen.„’t Is goed,” zeide hij een oogenblik later, „als gij het zoo verlangt, hoofdman, ben ik gereed om u de zending waarmede ik belast ben, mede te deelen.”[195]„Laat mijn broeder dan aan mijne zijde plaats nemen.”De Amerikaan ging naast het opperhoofd zitten, ofschoon niet zonder vrees voor de roerlooze stilte, te midden van een slagveld bezaaid met dooden. De Indiaan daarentegen scheen zoo kalm en bedaard dat John Davis zich schaamde om iets van zijne ongerustheid te doen blijken, en eene onverschilligheid aannemende die hij wel verre was van te bezitten, vatte hijonmiddellijkhet woord op.„Ik ben tot mijn broeder gezonden door een groot krijgsman der Bleekgezigten,” begon hij.„Ik ken hem,” antwoordde de Blaauwe-Vos, „hij heet de Jaguar, zijn arm is sterk en zijn oog fonkelt als die van het dier welks naam hij draagt.”„Goed. De Jaguar wenscht de oorlogsbijl tusschen hem en zijne Roode broeders te begraven, opdat de vrede hen voortaan vereenige, en zij in plaats van elkander te bestrijden, zamen den bison jagen op dezelfde jagtgronden, en zich aan hunne gemeenschappelijke vijanden wreken. Welk antwoord zal ik den Jaguar geven?”De Indiaan zweeg een geruimen tijd; eindelijk hief hij het hoofd op.„Dat mijn broeder zijne ooren opene,” zeide hij, „het is een Sachem die spreken zal.”„Ik luister,” antwoordde John Davis.Het opperhoofd hervatte:„De woorden die mijne borst uitblaast zijn opregt, het is de Wacondah die ze mij ingeeft: De Bleekgezigten, sedert zij door den Geest des kwaads, in hunne groote tooverkano’s naar het land mijner vaderen werden gevoerd, zijn steeds de bitterste vijanden der Roodhuiden geweest, hunne rijkste en vruchtbaarste jagtvelden hebben zij ingenomen; waar zij hen ontmoetten hebben zij hen als wilde dieren vervolgd, hunnecallis(dorpen) hebben zij verbrand en het gebeente hunner vaderen in de vier winden des hemels verstrooid. Is het niet zoo? Is dit niet altijd het gedrag der Bleekgezigten geweest? Dat mijn broeder antwoorde.”„Hum! ja,” riep de Amerikaan min of meer verlegen, „ik wil niet ontkennen, hoofdman, dat er iets waars is in hetgeen gij zegt, maar toch, al de lieden van mijne kleur zijn niet zoo slecht gezind jegens de Roodhuiden geweest, sommige daarentegen hebben hun goed zoeken te doen.”[196]„Ooah! twee of drie ja, dat kan waar zijn, maar dat bewijst niets tegen hetgeen ik beweer; spreken wij er intusschen niet meer van en gaan wij liever over tot de zaak die ons thans moet bezig houden.”„Ja, ik geloof dat dit beter zal zijn,” antwoordde de Amerikaan, inwendig verheugd dat hij niet verpligt was een gesprek voort te zetten daar hij vooruit van wist, dat het niet tot zijn voordeel zou afloopen.„Mijn volk haat de Bleekgezigten,” hervatte het Opperhoofd, „de condor maakt zijn nest niet met de mawkawis, en de graauwe beer paart zich niet met de antilope; ik zelf draag den Bleekgezigten een aangeboren haat toe. Nog dezen morgen zou ik dus de voorstellen van den Jaguar zeker hebben afgeslagen; wat gaan ons de onderlinge oorlogen der Blanken aan? wanneer de coyotes elkander verslinden, verheugen zich de herten; het doet ons genoegen te zien dat onze wreede onderdrukkers elkander verscheuren; thans echter, ofschoon mijn haat nog even levendig is, moet ik die in mijn hart opsluiten. Mijn broeder heeft mij het leven gered, hij heeft mij geholpen toen ik magteloos op den grond lag uitgestrekt en de Engel des doods zijne vleugelen reeds over mij uitbreidde; de ondankbaarheid is een ondeugd der Blanken, de erkentelijkheid eene deugd der Rooden: van heden af is de bijl tusschen den Jaguar en den Blaauwe-Vos voor de volgende manen begraven: vijf manen lang zullen de vijanden van den Jaguar die van den Blaauwe-Vos zijn; de beide opperhoofden zullen naast elkander strijden, als twee broeders die elkander liefhebben; binnen drie zonnen zal de Sachem het Blanke opperhoofd vijf honderd vermaarde krijgslieden toevoegen, wier hielen met tallooze wolvenstaarten versierd zijn, en die tot de uitgelezen mannen zijner natie behooren. Wat zal daarentegen de Jaguar voor den Blaauwe-Vos en zijne krijgslieden doen?”„De Jaguar is een grootmoedig opperhoofd; hij moge voor zijne vijanden vreesselijk zijn, voor zijne vrienden is hij altijd toegankelijk en vrijgevig; iedere krijgsman der Apachen ontvangt van hem een geweer, honderd ponden buskruid en een scalpeermes. De Sachem bekomt bovendien twee vigoniavellen met vuurwater gevuld.”„Ooah!” riep de Blaauwe-Vos met blijkbare tevredenheid, „mijn broeder heeft goed gesproken, de Jaguar is een grootmoedig opperhoofd. Ziedaar mijntotemten bewijze van ons verbond, zoowel als mijn veer van kommando.”Dit zeggende haalde de Sachem uit zijn weitasch of knapzak, die hij aan een band over zijn schouder droeg, een vierkant stukperkament[197]te voorschijn, waarop in ruwe trekken het totem, of zinnebeeldig diergestalte van zijn stam geteekend was; vervolgens de adelaarsveer uit zijn oorlogskap nemende, stelde hij die beiden aan John Davis ter hand.„Ik dank mijn broeder, den Sachem,” zei laatstgenoemde, „dat hij mijn voorstel heeft aangenomen, hij zal geen reden hebben om er zich over te beklagen.”„Een opperhoofd gaf hem zijn woord. Maar zie, de zon verlengt de schaduw der boomen, de mawkawis zal weldra zijn avondzang laten hooren; het uur is gekomen om aan de doode krijgslieden de laatste eer te bewijzen, en wij moeten vertrekken; om ons elk naar onze vrienden te begeven.”„Te voet, zooals wij hier zijn, dat zal bezwaarlijk gaan,” beweerde John.De Indiaan glimlachte.„De krijgslieden van den Blaauwe-Vos waken altijd voor hem,” zeide hij.Werkelijk had hij naauwlijks tweemaal een bijzonder signaal laten hooren, of een vijftigtal Apachen-krijgslieden snelden van alle kanten toe en schaarden zich zwijgend om hun opperhoofd.De vlugtelingen die aan den geduchten arm van den Scalpeur ontsnapt waren, hadden zich in der ijl naar het naastbijgelegen Indianenkamp begeven en hunne kameraden met het noodlottig nieuws hunner nederlaag bekend gemaakt; daarop was er onder bevel van een opperhoofd van lageren rang een detachement ruiters afgezonden om den Sachem te zoeken. Deze ruiters nogtans, toen zij den Blaauwe-Vos met John Davis in gesprek zagen, waren op eenigen afstand onder het geboomte blijven staan, geduldig wachtende tot het hem behagen zou hen tot zich te roepen.De Blaauwe-Vos beval hun thans de dooden te begraven, en nu begon de ceremonie der ter aarde bestelling, eene plegtigheid die onder den drang der omstandigheden zooveel mogelijk moest worden bekort.De lijken werden eerst met zorg gewasschen, in nieuwe bisonsmantels gewikkeld, en toen, in zittende houding, in de kuilen geplaatst die men voor ieder van hen gedolven had: hunne wapens werden bij hen in het graf gelegd, alsmede een paardenhoofdstel en eenige levensvoorraad, opdat het hun niet aan de noodige middelen ontbreken zou, om de velden der gelukzaligen te bereiken en zij bij hunne komst bij den Wacondahonmiddellijkte paard konden stijgen om op de jagt te gaan.Nadat deze verschillende ceremoniën waren volbragt, werden[198]de kuilen gevuld en met groote steenen belegd, opdat de wilde dieren de lijken niet zouden kunnen opgraven en verslinden.De zon was reeds op het punt van onder te gaan eer de Apachen geëindigd hadden met hunnen broeders de laatste dienst te bewijzen. De Blaauwe-Vos trad nu naar den jager, die tot dusver van de ceremonie zoo al geen onverschillig, dan toch een lijdelijk toeschouwer was gebleven.„Keert mijn broeder naar de krijgslieden van zijn volk terug?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde de Indiaan lakoniek.„Het Bleekgezigt heeft zijn paard verloren,” vervolgde de Sachem; „laat hij den mustang bestijgen dien de Blaauwe-Vos hem aanbiedt, en binnen twee uren zal hij bij de zijnen terug zijn.”John Davis nam het geschenk, dat hem zoo edelmoedig gedaan werd, met dankbaarheid aan, steeg terstond in den zadel en na van de Indianen afscheid genomen te hebben, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk.Op een wenk van hun opperhoofd, reden ook de Apachen naar hunne legerplaats terug, en het open boschkamp waar zulke vreesselijke dingen gebeurd waren, verviel weder tot zijne gewone stilte en eenzaamheid.
XXIV.NA HET GEVECHT.
Gedurende meer dan een half uur heerschte er eene doodsche stilte in het boschkamp, dat na den in het vorige hoofdstuk door ons beschreven strijd een akelig en treurig schouwspel opleverde.Intusschen had John Davis, die door den geweldigen stoot van het paard niet ernstig gewond, maar alleen bedwelmd was, de oogen geopend en zijne blikken verwonderd rond laten weiden; de schok was echter hevig genoeg geweest om hem eenige kneuzingen te veroorzaken en hem in eene diepe flaauwte te dompelen; ook kon de Amerikaan, toen hij weder bijkwam, zich niet zoo dadelijk herinneren wat er met hem gebeurd was, en vroeg hij zich verbaasd af hoe het toch mogelijk was dat hij zich in zulk een zonderlingen toestand bevond.Van lieverlede nogtans begonnen zijne denkbeelden op te helderen[190]en keerde zijn geheugen terug, en nu herinnerde hij zich dien vreemdsoortigen en ongelijken strijd van één man alleen tegenachttienof twintig;een strijd waar deze als overwinnaar uitkwam, na zijne aanvallers deels gedood, deels op devlugtte hebben gejaagd.„Wel, wel!” mompelde hij bij zich zelven, „wat hij ook wezen mag, mensch of duivel, maar ik zeg voor den drommel, dat de vent meer dan knap is!”Met eenige moeite stond hij op, betastte zich de pijnlijke leden en na zich verzekerd te hebben dat er niets bij hem gebroken was vervolgde hij met blijkbare zelfvoldoening:„Ik ben er Goddank! beter afgekomen dan ik ooit had durven verwachten, de lompe wijze in aanmerking nemende waarop ik omver werd geloopen.—Maar hij,” vervolgde hij met een meêwarigen blik op zijn kameraad, die naast hem lag, „die arme Jim, is minder gelukkig geweest dan ik, zijn loop is geëindigd! Wat heeft hij een ruwen slag op zijn hoofd gehad! Bah! wat zal ik er aan doen?” besloot hij met de zelfzuchtige wijsheid der wildernis, „alle menschen moeten sterven, elk krijgt zijn beurt,vandaaghij, morgen ik, zoo gaat het in de wereld.”Thans op zijn geweer leunende, want het loopen ging nog niet gemakkelijk, deed hij eenige stappen door het kamp, om zijne verdoofde leden op te wekken en zich voor goed te overtuigen dat zij in gezonden staat waren.Na zich een poosje met deze oefening te hebben bezig gehouden, die den omloop van zijn bloed en de lenigheid zijner gewrichten spoedig herstelde, zoodat hij volkomen omtrent zich zelven gerust was, kwam de gedachte bij hem op om te zien of er onder de rondom hem verstrooid liggende verslagenen, ook enkele waren die nog ademden.„Het zijn wel is waar slechts Indianen,”prevelde hij, „maar in allen geval zijn het toch menschen, en al hebben zij bijna geen redelijk verstand, vordert de menschelijkheid dat ik hun hulp verleen, te meer daar mijn tegenwoordige toestand niet van de aangenaamste is; en als het mij gelukte een of ander onder hen te redden, zou hunne kennis van de wildernis mij in deze oogenblikken zeer te stade komen.”Deze laatste overweging inzonderheid deed hem besluiten om hulp te bieden aan menschen die hij anders waarschijnlijk aan hun lot zou hebben overgelaten, met andere woorden, aan de klaauwen en tanden der verscheurende dieren, die door den reuk des bloeds[191]aangelokt, den volgenden nacht niet zouden verzuimd hebben er hun prooi van te maken.Wij zijn echter verpligt om den Amerikaan in zooverre regt te laten wedervaren, dat hij, zoodra zijn besluit eenmaal genomen was, zich met alle naauwgezetheid en beleid kweet van de zich opgelegde taak—eene taak die hem trouwens niet moeijelijk viel, daar de menigte ambachten die hij gedurende den loop van zijn wisselvallig leven had uitgeoefend, hem, onder anderen, eene geneeskundige kennis en ervaring hadden medegedeeld, die hem volkomen in staat stelden om aan gewonden de noodige zorg en bijstand te verleenen.Ongelukkig hadden verreweg de meeste Indianen die hij onderzocht, zulke zware wonden ontvangen, dat het leven hen reeds verlaten had en dus alle hulp voor hen nutteloos was.„Duivel! nog eens!” pruttelde de Amerikaan bij elk lijk dat hij te vergeefs omkeerde, „die arme wilden zijn knaphandig genekt, dat moet ik zeggen! Een ding is gelukkig voor hen, dat zij ten minste niet lang pijn zullen hebben geleden, want met zulke wonden hebben zij bijna oogenblikkelijk den geest moeten geven.”Zoo voortgaande, kwam hij aan de plaats waar de Blaauwe-Vos lag; een groote open wond met eene machete toegebragt gaapte in zijne borst.„Ei, zie! daar ligt onze goede Sachem!” riep hij: „welk eene wond! Laat ons zien of ook hij dood is.”Hij bukte over het roerlooze lijk en hield zijn glimmend mes voor den mond van den Indiaan.„Hij verroert zich niet,” vervolgde hij op moedeloozen toon, „ik denk niet dat ik hem ooit weder aan het loopen zal krijgen.”Intusschen beschouwde hij na eenige minuten het lemmet van zijn mes, en bemerkte dat het meer of min beslagen was.„Goeden moed!” prevelde hij,„hij is ten minste nog niet geheel dood, en zoo lang er leven is, is er hoop; laten wij zien.”Na deze alleenspraak schepte John Davis met zijn hoed water uit de beek, deed er een weinig brandewijn bij, en begon zorgvuldig de wond te wasschen; deze pligt volbragt zijnde, peilde hij de wond, en zag tot zijne voldoening, dat zij weinig diepte had, en dat alleen bloedverlies naar alle waarschijnlijkheid de bezwijming had te weeg gebragt. Van deze juiste beoordeeling nader overtuigd zijnde, wreef hij eenigeoreganobladeren tusschen twee steenen, maakte er een papje van, legde het op de wond en bevestigde het met een verband van boomschors en biezen; vervolgens met[192]de punt van zijn mes den gewonde de tanden ontsluitende, bragt hij hem de tuit van zijn kalabasflesch in den mond en liet hem een goeden teug brandewijn drinken.De aangewende poging van den Amerikaan werd bijnaonmiddellijkmet gunstig gevolg bekroond, want de gewonde slaakte een diepen zucht en opende de oogen.„Bravo,” riep John, wel verheugd over deze schier onverhoopte goede uitkomst. „Schep moed, hoofdman, gij zijt behouden Goddank! gij moogt van geluk spreken, want gij waart reeds ver heen.”De Indiaan bleef eenige minuten stompzinnig rondkijken met verwezen blikken, zonder bewustzijn van zijn toestand noch van de voorwerpen die hem omgaven.John hield hem oplettend in ’t oog, gereed om hem terstond nieuwe hulp toe te brengen wanneer dit noodig mogt zijn, maar vooreerst behoefde hij die niet meer. De Indiaan scheen langzamerhand bij te komen. Zijne oogen stonden weldra minder verstrooid, en eindelijk keerde hij tot zijn volle bewustzijn terug. Hij ging overeind zitten en wischte zich met de regterhand het klamme zweet van het voorhoofd.„Het gevecht is dus geëindigd?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde John, „met onze volkomene nederlaag; een aardig idee van ons, om dien duivel te willen overmeesteren.”„Is hij ons dan ontsnapt?”„Zoo mooi als er ooit een ontsnapt is, en wat meer zegt, ongewond, nadat hij ten minste tien uwer krijgslieden had omgebragt en mijn armen kameraad Jim bijna het hoofd van den romp had afgeslagen.”„O!” mompelde de Indiaan binnensmonds, „hij is geen mensch, hij is de geest des kwaads.”„Laat hij wezen wat hij wil,” riep John met nadruk, „maar bij den hemel! ik zal er het mijne van hebben, want ik hoop mij eenmaal op nieuw met dien duivel te meten.”„Dat de Wacondah mijn broeder voor die ontmoeting beware, want die duivel zou hem zeker dooden.”„’t Is mogelijk; en dat hij het van daag niet reeds gedaan heeft is zijne schuld niet; maar laat hij op zijne hoede zijn, welligt staan wij nog eens tegenover elkander met gelijke wapenen, en dan.….”„Wat vermogen wapenen bij hem? Hebt gij dan niet gezien dat wij op zijn lijf niets kunnen uitwerken, en dat hij onkwetsbaar is?”[193]„Hum, ’t is mogelijk; maar laten wij thans niet langer over hem praten, wij hebben andere zaken te behandelen die ons nader aangaan. Hoe bevindt gij u, zeg?”„Beter, veel beter; het middel dat gij op mijne wond hebt aangewend heeft mij goed gedaan, ik gevoel er onuitsprekelijk veel baat bij.”„Dat verheugt mij; zie nu vooreerst maar dat gij twee of drie uren rust neemt, ik zal intusschen blijven waken, en dan kunnen wij ons zamen beraden over de middelen om uit de moeijelijkheid te geraken waarin wij ons gebragt hebben.”„De Blaauwe-Vos is geen oude vrouw, of een kleinzeerig kind, dat door een weinig pijn in tanden of ooren, buiten staat wordt, zich te bewegen.”„Ik weet dat gij een dapper krijgsman zijt, hoofdman, maar de natuur heeft hare grenzen, die zij niet kan overschrijden, en hoe sterk ook uw moed of uw wil wezen mag, de hevige bloeding die uwe wond u veroorzaakt heeft moet u zeer verzwakt hebben.”„Ik dank u, mijn broeder, uwe woorden zijn die van een vriend; maar de Blaauwe-Vos is een Sachem in zijn stam, de dood alleen moet hem beletten zich te bewegen, laat mijn broeder oordeelen of het opperhoofd zoo zwak is.”Terwijl hij deze woorden sprak, deed de Indiaan eene uiterste poging om zich op te rigten. Zich met al de zielskracht en lijdensverachting die het roode menschenras eigen zijn, tegen de pijn inzettende, gelukte het hem op te staan, en niet alleen stevig op de beenen te blijven, maar zelfs eenige stappen te doen zonder vreemde hulp en zonder den minsten zweem van smart op zijn gelaat te vertoonen.De Amerikaan beschouwde hem met innige verbazing. Ofschoon hij zelf een welverdienden roem bezat van dapperheid en geestkracht, begreep hij niet hoe het mogelijk was dat iemand de heerschappij der morele boven de stoffelijke kracht zoo ver kon drijven.De Indiaan glimlachte met zekeren hoogmoed, toen hij in het oog van den Amerikaan de bewondering las die zijne daad bij dezen verwekte.„Denkt mijn broeder nu nog dat de Blaauwe-Vos zoo zwak is?” vroeg hij.„Om u de waarheid te zeggen, hoofdman,” was het antwoord, „weet ik niet meer wat ik er van denken moet; wat ik u zie doen, brengt mij in de war; ik ben geneigd te veronderstellen dat gij in staat zijt het onmogelijke te doen.”[194]„De Hoofden van mijn volk zijn beproefde krijgslieden, die lagchen om de smart en voor wie het lijden niet bestaat,” zei de Roodhuid trotsch.„Ik kan er niet langer aan twijfelen na hetgeen ik van u gezien heb.”„Mijn broeder is een man; hij heeft mij begrepen. Laat ons nu zamen de krijgslieden onderzoeken die hier om ons heen liggen, daarna zullen wij aan ons zelven denken.”„Wat uwe arme kameraden betreft, hoofdman, ben ik genoodzaakt u te verklaren dat wij ons met hen niet meer behoeven bezig te houden, alle hulp zou hier overbodig zijn; zij zijn dood.”„Goed, zij zijn met eere gevallen in den strijd; Wacondah zal hen ontvangen in zijn schoot, om met hen te jagen in de velden der gelukzaligen.”„Dat zij zoo.”„Laten wij thans, voor alle andere dingen, de zaak afdoen die wij heden morgen begonnen zijn, en die wij op zulk eene ongelegene wijs hebben moeten afbreken.”John Davis, ofschoon aan het leven der wildernis gewoon, was verslagen over het koelbloedig gedrag van dezen man, die naauwelijks aan den dood ontsnapt, nog lijdende aan eene vreesselijke wonde, en eerst sedert weinige minuten tot verstandelijk bewustzijn teruggekeerd, reeds niet meer aan het gebeurde scheen te denken, anders dan aan een voorval, daar hij bijna het slagtoffer van was geworden, maar dat overigens in zijn dagelijksche leven zeer natuurlijk scheen, zoodat hij, zonder de minste belemmering van geest een gesprek, door een bloedig gevecht gestoord, kon hervatten juist op hetzelfde punt waar hij het gelaten had. Dat zulk een koelzinnig gedrag hem bevreemdde, was omdat de Amerikaan, ondanks zijn veeljarig verkeer met de Roodhuiden, zich nooit de moeite had gegeven om hun karakter ernstig te bestuderen, overtuigd, gelijk de meeste blanken, dat deze lieden bijna geen verstandelijke vermogens bezitten, en dat zij door hunne levenswijs schier met het redelooze gedierte gelijk zijn; terwijl integendeel dit leven van vrijheid en van onophoudelijk gevaar hen met ontberingen en wonden zoo gemeenzaam maakt, dat zij die hebben leeren verachten en er niets meer dan eene zeer betrekkelijk gewigt aan toekennen.„’t Is goed,” zeide hij een oogenblik later, „als gij het zoo verlangt, hoofdman, ben ik gereed om u de zending waarmede ik belast ben, mede te deelen.”[195]„Laat mijn broeder dan aan mijne zijde plaats nemen.”De Amerikaan ging naast het opperhoofd zitten, ofschoon niet zonder vrees voor de roerlooze stilte, te midden van een slagveld bezaaid met dooden. De Indiaan daarentegen scheen zoo kalm en bedaard dat John Davis zich schaamde om iets van zijne ongerustheid te doen blijken, en eene onverschilligheid aannemende die hij wel verre was van te bezitten, vatte hijonmiddellijkhet woord op.„Ik ben tot mijn broeder gezonden door een groot krijgsman der Bleekgezigten,” begon hij.„Ik ken hem,” antwoordde de Blaauwe-Vos, „hij heet de Jaguar, zijn arm is sterk en zijn oog fonkelt als die van het dier welks naam hij draagt.”„Goed. De Jaguar wenscht de oorlogsbijl tusschen hem en zijne Roode broeders te begraven, opdat de vrede hen voortaan vereenige, en zij in plaats van elkander te bestrijden, zamen den bison jagen op dezelfde jagtgronden, en zich aan hunne gemeenschappelijke vijanden wreken. Welk antwoord zal ik den Jaguar geven?”De Indiaan zweeg een geruimen tijd; eindelijk hief hij het hoofd op.„Dat mijn broeder zijne ooren opene,” zeide hij, „het is een Sachem die spreken zal.”„Ik luister,” antwoordde John Davis.Het opperhoofd hervatte:„De woorden die mijne borst uitblaast zijn opregt, het is de Wacondah die ze mij ingeeft: De Bleekgezigten, sedert zij door den Geest des kwaads, in hunne groote tooverkano’s naar het land mijner vaderen werden gevoerd, zijn steeds de bitterste vijanden der Roodhuiden geweest, hunne rijkste en vruchtbaarste jagtvelden hebben zij ingenomen; waar zij hen ontmoetten hebben zij hen als wilde dieren vervolgd, hunnecallis(dorpen) hebben zij verbrand en het gebeente hunner vaderen in de vier winden des hemels verstrooid. Is het niet zoo? Is dit niet altijd het gedrag der Bleekgezigten geweest? Dat mijn broeder antwoorde.”„Hum! ja,” riep de Amerikaan min of meer verlegen, „ik wil niet ontkennen, hoofdman, dat er iets waars is in hetgeen gij zegt, maar toch, al de lieden van mijne kleur zijn niet zoo slecht gezind jegens de Roodhuiden geweest, sommige daarentegen hebben hun goed zoeken te doen.”[196]„Ooah! twee of drie ja, dat kan waar zijn, maar dat bewijst niets tegen hetgeen ik beweer; spreken wij er intusschen niet meer van en gaan wij liever over tot de zaak die ons thans moet bezig houden.”„Ja, ik geloof dat dit beter zal zijn,” antwoordde de Amerikaan, inwendig verheugd dat hij niet verpligt was een gesprek voort te zetten daar hij vooruit van wist, dat het niet tot zijn voordeel zou afloopen.„Mijn volk haat de Bleekgezigten,” hervatte het Opperhoofd, „de condor maakt zijn nest niet met de mawkawis, en de graauwe beer paart zich niet met de antilope; ik zelf draag den Bleekgezigten een aangeboren haat toe. Nog dezen morgen zou ik dus de voorstellen van den Jaguar zeker hebben afgeslagen; wat gaan ons de onderlinge oorlogen der Blanken aan? wanneer de coyotes elkander verslinden, verheugen zich de herten; het doet ons genoegen te zien dat onze wreede onderdrukkers elkander verscheuren; thans echter, ofschoon mijn haat nog even levendig is, moet ik die in mijn hart opsluiten. Mijn broeder heeft mij het leven gered, hij heeft mij geholpen toen ik magteloos op den grond lag uitgestrekt en de Engel des doods zijne vleugelen reeds over mij uitbreidde; de ondankbaarheid is een ondeugd der Blanken, de erkentelijkheid eene deugd der Rooden: van heden af is de bijl tusschen den Jaguar en den Blaauwe-Vos voor de volgende manen begraven: vijf manen lang zullen de vijanden van den Jaguar die van den Blaauwe-Vos zijn; de beide opperhoofden zullen naast elkander strijden, als twee broeders die elkander liefhebben; binnen drie zonnen zal de Sachem het Blanke opperhoofd vijf honderd vermaarde krijgslieden toevoegen, wier hielen met tallooze wolvenstaarten versierd zijn, en die tot de uitgelezen mannen zijner natie behooren. Wat zal daarentegen de Jaguar voor den Blaauwe-Vos en zijne krijgslieden doen?”„De Jaguar is een grootmoedig opperhoofd; hij moge voor zijne vijanden vreesselijk zijn, voor zijne vrienden is hij altijd toegankelijk en vrijgevig; iedere krijgsman der Apachen ontvangt van hem een geweer, honderd ponden buskruid en een scalpeermes. De Sachem bekomt bovendien twee vigoniavellen met vuurwater gevuld.”„Ooah!” riep de Blaauwe-Vos met blijkbare tevredenheid, „mijn broeder heeft goed gesproken, de Jaguar is een grootmoedig opperhoofd. Ziedaar mijntotemten bewijze van ons verbond, zoowel als mijn veer van kommando.”Dit zeggende haalde de Sachem uit zijn weitasch of knapzak, die hij aan een band over zijn schouder droeg, een vierkant stukperkament[197]te voorschijn, waarop in ruwe trekken het totem, of zinnebeeldig diergestalte van zijn stam geteekend was; vervolgens de adelaarsveer uit zijn oorlogskap nemende, stelde hij die beiden aan John Davis ter hand.„Ik dank mijn broeder, den Sachem,” zei laatstgenoemde, „dat hij mijn voorstel heeft aangenomen, hij zal geen reden hebben om er zich over te beklagen.”„Een opperhoofd gaf hem zijn woord. Maar zie, de zon verlengt de schaduw der boomen, de mawkawis zal weldra zijn avondzang laten hooren; het uur is gekomen om aan de doode krijgslieden de laatste eer te bewijzen, en wij moeten vertrekken; om ons elk naar onze vrienden te begeven.”„Te voet, zooals wij hier zijn, dat zal bezwaarlijk gaan,” beweerde John.De Indiaan glimlachte.„De krijgslieden van den Blaauwe-Vos waken altijd voor hem,” zeide hij.Werkelijk had hij naauwlijks tweemaal een bijzonder signaal laten hooren, of een vijftigtal Apachen-krijgslieden snelden van alle kanten toe en schaarden zich zwijgend om hun opperhoofd.De vlugtelingen die aan den geduchten arm van den Scalpeur ontsnapt waren, hadden zich in der ijl naar het naastbijgelegen Indianenkamp begeven en hunne kameraden met het noodlottig nieuws hunner nederlaag bekend gemaakt; daarop was er onder bevel van een opperhoofd van lageren rang een detachement ruiters afgezonden om den Sachem te zoeken. Deze ruiters nogtans, toen zij den Blaauwe-Vos met John Davis in gesprek zagen, waren op eenigen afstand onder het geboomte blijven staan, geduldig wachtende tot het hem behagen zou hen tot zich te roepen.De Blaauwe-Vos beval hun thans de dooden te begraven, en nu begon de ceremonie der ter aarde bestelling, eene plegtigheid die onder den drang der omstandigheden zooveel mogelijk moest worden bekort.De lijken werden eerst met zorg gewasschen, in nieuwe bisonsmantels gewikkeld, en toen, in zittende houding, in de kuilen geplaatst die men voor ieder van hen gedolven had: hunne wapens werden bij hen in het graf gelegd, alsmede een paardenhoofdstel en eenige levensvoorraad, opdat het hun niet aan de noodige middelen ontbreken zou, om de velden der gelukzaligen te bereiken en zij bij hunne komst bij den Wacondahonmiddellijkte paard konden stijgen om op de jagt te gaan.Nadat deze verschillende ceremoniën waren volbragt, werden[198]de kuilen gevuld en met groote steenen belegd, opdat de wilde dieren de lijken niet zouden kunnen opgraven en verslinden.De zon was reeds op het punt van onder te gaan eer de Apachen geëindigd hadden met hunnen broeders de laatste dienst te bewijzen. De Blaauwe-Vos trad nu naar den jager, die tot dusver van de ceremonie zoo al geen onverschillig, dan toch een lijdelijk toeschouwer was gebleven.„Keert mijn broeder naar de krijgslieden van zijn volk terug?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde de Indiaan lakoniek.„Het Bleekgezigt heeft zijn paard verloren,” vervolgde de Sachem; „laat hij den mustang bestijgen dien de Blaauwe-Vos hem aanbiedt, en binnen twee uren zal hij bij de zijnen terug zijn.”John Davis nam het geschenk, dat hem zoo edelmoedig gedaan werd, met dankbaarheid aan, steeg terstond in den zadel en na van de Indianen afscheid genomen te hebben, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk.Op een wenk van hun opperhoofd, reden ook de Apachen naar hunne legerplaats terug, en het open boschkamp waar zulke vreesselijke dingen gebeurd waren, verviel weder tot zijne gewone stilte en eenzaamheid.
Gedurende meer dan een half uur heerschte er eene doodsche stilte in het boschkamp, dat na den in het vorige hoofdstuk door ons beschreven strijd een akelig en treurig schouwspel opleverde.
Intusschen had John Davis, die door den geweldigen stoot van het paard niet ernstig gewond, maar alleen bedwelmd was, de oogen geopend en zijne blikken verwonderd rond laten weiden; de schok was echter hevig genoeg geweest om hem eenige kneuzingen te veroorzaken en hem in eene diepe flaauwte te dompelen; ook kon de Amerikaan, toen hij weder bijkwam, zich niet zoo dadelijk herinneren wat er met hem gebeurd was, en vroeg hij zich verbaasd af hoe het toch mogelijk was dat hij zich in zulk een zonderlingen toestand bevond.
Van lieverlede nogtans begonnen zijne denkbeelden op te helderen[190]en keerde zijn geheugen terug, en nu herinnerde hij zich dien vreemdsoortigen en ongelijken strijd van één man alleen tegenachttienof twintig;een strijd waar deze als overwinnaar uitkwam, na zijne aanvallers deels gedood, deels op devlugtte hebben gejaagd.
„Wel, wel!” mompelde hij bij zich zelven, „wat hij ook wezen mag, mensch of duivel, maar ik zeg voor den drommel, dat de vent meer dan knap is!”
Met eenige moeite stond hij op, betastte zich de pijnlijke leden en na zich verzekerd te hebben dat er niets bij hem gebroken was vervolgde hij met blijkbare zelfvoldoening:
„Ik ben er Goddank! beter afgekomen dan ik ooit had durven verwachten, de lompe wijze in aanmerking nemende waarop ik omver werd geloopen.—Maar hij,” vervolgde hij met een meêwarigen blik op zijn kameraad, die naast hem lag, „die arme Jim, is minder gelukkig geweest dan ik, zijn loop is geëindigd! Wat heeft hij een ruwen slag op zijn hoofd gehad! Bah! wat zal ik er aan doen?” besloot hij met de zelfzuchtige wijsheid der wildernis, „alle menschen moeten sterven, elk krijgt zijn beurt,vandaaghij, morgen ik, zoo gaat het in de wereld.”
Thans op zijn geweer leunende, want het loopen ging nog niet gemakkelijk, deed hij eenige stappen door het kamp, om zijne verdoofde leden op te wekken en zich voor goed te overtuigen dat zij in gezonden staat waren.
Na zich een poosje met deze oefening te hebben bezig gehouden, die den omloop van zijn bloed en de lenigheid zijner gewrichten spoedig herstelde, zoodat hij volkomen omtrent zich zelven gerust was, kwam de gedachte bij hem op om te zien of er onder de rondom hem verstrooid liggende verslagenen, ook enkele waren die nog ademden.
„Het zijn wel is waar slechts Indianen,”prevelde hij, „maar in allen geval zijn het toch menschen, en al hebben zij bijna geen redelijk verstand, vordert de menschelijkheid dat ik hun hulp verleen, te meer daar mijn tegenwoordige toestand niet van de aangenaamste is; en als het mij gelukte een of ander onder hen te redden, zou hunne kennis van de wildernis mij in deze oogenblikken zeer te stade komen.”
Deze laatste overweging inzonderheid deed hem besluiten om hulp te bieden aan menschen die hij anders waarschijnlijk aan hun lot zou hebben overgelaten, met andere woorden, aan de klaauwen en tanden der verscheurende dieren, die door den reuk des bloeds[191]aangelokt, den volgenden nacht niet zouden verzuimd hebben er hun prooi van te maken.
Wij zijn echter verpligt om den Amerikaan in zooverre regt te laten wedervaren, dat hij, zoodra zijn besluit eenmaal genomen was, zich met alle naauwgezetheid en beleid kweet van de zich opgelegde taak—eene taak die hem trouwens niet moeijelijk viel, daar de menigte ambachten die hij gedurende den loop van zijn wisselvallig leven had uitgeoefend, hem, onder anderen, eene geneeskundige kennis en ervaring hadden medegedeeld, die hem volkomen in staat stelden om aan gewonden de noodige zorg en bijstand te verleenen.
Ongelukkig hadden verreweg de meeste Indianen die hij onderzocht, zulke zware wonden ontvangen, dat het leven hen reeds verlaten had en dus alle hulp voor hen nutteloos was.
„Duivel! nog eens!” pruttelde de Amerikaan bij elk lijk dat hij te vergeefs omkeerde, „die arme wilden zijn knaphandig genekt, dat moet ik zeggen! Een ding is gelukkig voor hen, dat zij ten minste niet lang pijn zullen hebben geleden, want met zulke wonden hebben zij bijna oogenblikkelijk den geest moeten geven.”
Zoo voortgaande, kwam hij aan de plaats waar de Blaauwe-Vos lag; een groote open wond met eene machete toegebragt gaapte in zijne borst.
„Ei, zie! daar ligt onze goede Sachem!” riep hij: „welk eene wond! Laat ons zien of ook hij dood is.”
Hij bukte over het roerlooze lijk en hield zijn glimmend mes voor den mond van den Indiaan.
„Hij verroert zich niet,” vervolgde hij op moedeloozen toon, „ik denk niet dat ik hem ooit weder aan het loopen zal krijgen.”
Intusschen beschouwde hij na eenige minuten het lemmet van zijn mes, en bemerkte dat het meer of min beslagen was.
„Goeden moed!” prevelde hij,„hij is ten minste nog niet geheel dood, en zoo lang er leven is, is er hoop; laten wij zien.”
Na deze alleenspraak schepte John Davis met zijn hoed water uit de beek, deed er een weinig brandewijn bij, en begon zorgvuldig de wond te wasschen; deze pligt volbragt zijnde, peilde hij de wond, en zag tot zijne voldoening, dat zij weinig diepte had, en dat alleen bloedverlies naar alle waarschijnlijkheid de bezwijming had te weeg gebragt. Van deze juiste beoordeeling nader overtuigd zijnde, wreef hij eenigeoreganobladeren tusschen twee steenen, maakte er een papje van, legde het op de wond en bevestigde het met een verband van boomschors en biezen; vervolgens met[192]de punt van zijn mes den gewonde de tanden ontsluitende, bragt hij hem de tuit van zijn kalabasflesch in den mond en liet hem een goeden teug brandewijn drinken.
De aangewende poging van den Amerikaan werd bijnaonmiddellijkmet gunstig gevolg bekroond, want de gewonde slaakte een diepen zucht en opende de oogen.
„Bravo,” riep John, wel verheugd over deze schier onverhoopte goede uitkomst. „Schep moed, hoofdman, gij zijt behouden Goddank! gij moogt van geluk spreken, want gij waart reeds ver heen.”
De Indiaan bleef eenige minuten stompzinnig rondkijken met verwezen blikken, zonder bewustzijn van zijn toestand noch van de voorwerpen die hem omgaven.
John hield hem oplettend in ’t oog, gereed om hem terstond nieuwe hulp toe te brengen wanneer dit noodig mogt zijn, maar vooreerst behoefde hij die niet meer. De Indiaan scheen langzamerhand bij te komen. Zijne oogen stonden weldra minder verstrooid, en eindelijk keerde hij tot zijn volle bewustzijn terug. Hij ging overeind zitten en wischte zich met de regterhand het klamme zweet van het voorhoofd.
„Het gevecht is dus geëindigd?” vroeg hij.
„Ja,” antwoordde John, „met onze volkomene nederlaag; een aardig idee van ons, om dien duivel te willen overmeesteren.”
„Is hij ons dan ontsnapt?”
„Zoo mooi als er ooit een ontsnapt is, en wat meer zegt, ongewond, nadat hij ten minste tien uwer krijgslieden had omgebragt en mijn armen kameraad Jim bijna het hoofd van den romp had afgeslagen.”
„O!” mompelde de Indiaan binnensmonds, „hij is geen mensch, hij is de geest des kwaads.”
„Laat hij wezen wat hij wil,” riep John met nadruk, „maar bij den hemel! ik zal er het mijne van hebben, want ik hoop mij eenmaal op nieuw met dien duivel te meten.”
„Dat de Wacondah mijn broeder voor die ontmoeting beware, want die duivel zou hem zeker dooden.”
„’t Is mogelijk; en dat hij het van daag niet reeds gedaan heeft is zijne schuld niet; maar laat hij op zijne hoede zijn, welligt staan wij nog eens tegenover elkander met gelijke wapenen, en dan.….”
„Wat vermogen wapenen bij hem? Hebt gij dan niet gezien dat wij op zijn lijf niets kunnen uitwerken, en dat hij onkwetsbaar is?”[193]
„Hum, ’t is mogelijk; maar laten wij thans niet langer over hem praten, wij hebben andere zaken te behandelen die ons nader aangaan. Hoe bevindt gij u, zeg?”
„Beter, veel beter; het middel dat gij op mijne wond hebt aangewend heeft mij goed gedaan, ik gevoel er onuitsprekelijk veel baat bij.”
„Dat verheugt mij; zie nu vooreerst maar dat gij twee of drie uren rust neemt, ik zal intusschen blijven waken, en dan kunnen wij ons zamen beraden over de middelen om uit de moeijelijkheid te geraken waarin wij ons gebragt hebben.”
„De Blaauwe-Vos is geen oude vrouw, of een kleinzeerig kind, dat door een weinig pijn in tanden of ooren, buiten staat wordt, zich te bewegen.”
„Ik weet dat gij een dapper krijgsman zijt, hoofdman, maar de natuur heeft hare grenzen, die zij niet kan overschrijden, en hoe sterk ook uw moed of uw wil wezen mag, de hevige bloeding die uwe wond u veroorzaakt heeft moet u zeer verzwakt hebben.”
„Ik dank u, mijn broeder, uwe woorden zijn die van een vriend; maar de Blaauwe-Vos is een Sachem in zijn stam, de dood alleen moet hem beletten zich te bewegen, laat mijn broeder oordeelen of het opperhoofd zoo zwak is.”
Terwijl hij deze woorden sprak, deed de Indiaan eene uiterste poging om zich op te rigten. Zich met al de zielskracht en lijdensverachting die het roode menschenras eigen zijn, tegen de pijn inzettende, gelukte het hem op te staan, en niet alleen stevig op de beenen te blijven, maar zelfs eenige stappen te doen zonder vreemde hulp en zonder den minsten zweem van smart op zijn gelaat te vertoonen.
De Amerikaan beschouwde hem met innige verbazing. Ofschoon hij zelf een welverdienden roem bezat van dapperheid en geestkracht, begreep hij niet hoe het mogelijk was dat iemand de heerschappij der morele boven de stoffelijke kracht zoo ver kon drijven.
De Indiaan glimlachte met zekeren hoogmoed, toen hij in het oog van den Amerikaan de bewondering las die zijne daad bij dezen verwekte.
„Denkt mijn broeder nu nog dat de Blaauwe-Vos zoo zwak is?” vroeg hij.
„Om u de waarheid te zeggen, hoofdman,” was het antwoord, „weet ik niet meer wat ik er van denken moet; wat ik u zie doen, brengt mij in de war; ik ben geneigd te veronderstellen dat gij in staat zijt het onmogelijke te doen.”[194]
„De Hoofden van mijn volk zijn beproefde krijgslieden, die lagchen om de smart en voor wie het lijden niet bestaat,” zei de Roodhuid trotsch.
„Ik kan er niet langer aan twijfelen na hetgeen ik van u gezien heb.”
„Mijn broeder is een man; hij heeft mij begrepen. Laat ons nu zamen de krijgslieden onderzoeken die hier om ons heen liggen, daarna zullen wij aan ons zelven denken.”
„Wat uwe arme kameraden betreft, hoofdman, ben ik genoodzaakt u te verklaren dat wij ons met hen niet meer behoeven bezig te houden, alle hulp zou hier overbodig zijn; zij zijn dood.”
„Goed, zij zijn met eere gevallen in den strijd; Wacondah zal hen ontvangen in zijn schoot, om met hen te jagen in de velden der gelukzaligen.”
„Dat zij zoo.”
„Laten wij thans, voor alle andere dingen, de zaak afdoen die wij heden morgen begonnen zijn, en die wij op zulk eene ongelegene wijs hebben moeten afbreken.”
John Davis, ofschoon aan het leven der wildernis gewoon, was verslagen over het koelbloedig gedrag van dezen man, die naauwelijks aan den dood ontsnapt, nog lijdende aan eene vreesselijke wonde, en eerst sedert weinige minuten tot verstandelijk bewustzijn teruggekeerd, reeds niet meer aan het gebeurde scheen te denken, anders dan aan een voorval, daar hij bijna het slagtoffer van was geworden, maar dat overigens in zijn dagelijksche leven zeer natuurlijk scheen, zoodat hij, zonder de minste belemmering van geest een gesprek, door een bloedig gevecht gestoord, kon hervatten juist op hetzelfde punt waar hij het gelaten had. Dat zulk een koelzinnig gedrag hem bevreemdde, was omdat de Amerikaan, ondanks zijn veeljarig verkeer met de Roodhuiden, zich nooit de moeite had gegeven om hun karakter ernstig te bestuderen, overtuigd, gelijk de meeste blanken, dat deze lieden bijna geen verstandelijke vermogens bezitten, en dat zij door hunne levenswijs schier met het redelooze gedierte gelijk zijn; terwijl integendeel dit leven van vrijheid en van onophoudelijk gevaar hen met ontberingen en wonden zoo gemeenzaam maakt, dat zij die hebben leeren verachten en er niets meer dan eene zeer betrekkelijk gewigt aan toekennen.
„’t Is goed,” zeide hij een oogenblik later, „als gij het zoo verlangt, hoofdman, ben ik gereed om u de zending waarmede ik belast ben, mede te deelen.”[195]
„Laat mijn broeder dan aan mijne zijde plaats nemen.”
De Amerikaan ging naast het opperhoofd zitten, ofschoon niet zonder vrees voor de roerlooze stilte, te midden van een slagveld bezaaid met dooden. De Indiaan daarentegen scheen zoo kalm en bedaard dat John Davis zich schaamde om iets van zijne ongerustheid te doen blijken, en eene onverschilligheid aannemende die hij wel verre was van te bezitten, vatte hijonmiddellijkhet woord op.
„Ik ben tot mijn broeder gezonden door een groot krijgsman der Bleekgezigten,” begon hij.
„Ik ken hem,” antwoordde de Blaauwe-Vos, „hij heet de Jaguar, zijn arm is sterk en zijn oog fonkelt als die van het dier welks naam hij draagt.”
„Goed. De Jaguar wenscht de oorlogsbijl tusschen hem en zijne Roode broeders te begraven, opdat de vrede hen voortaan vereenige, en zij in plaats van elkander te bestrijden, zamen den bison jagen op dezelfde jagtgronden, en zich aan hunne gemeenschappelijke vijanden wreken. Welk antwoord zal ik den Jaguar geven?”
De Indiaan zweeg een geruimen tijd; eindelijk hief hij het hoofd op.
„Dat mijn broeder zijne ooren opene,” zeide hij, „het is een Sachem die spreken zal.”
„Ik luister,” antwoordde John Davis.
Het opperhoofd hervatte:
„De woorden die mijne borst uitblaast zijn opregt, het is de Wacondah die ze mij ingeeft: De Bleekgezigten, sedert zij door den Geest des kwaads, in hunne groote tooverkano’s naar het land mijner vaderen werden gevoerd, zijn steeds de bitterste vijanden der Roodhuiden geweest, hunne rijkste en vruchtbaarste jagtvelden hebben zij ingenomen; waar zij hen ontmoetten hebben zij hen als wilde dieren vervolgd, hunnecallis(dorpen) hebben zij verbrand en het gebeente hunner vaderen in de vier winden des hemels verstrooid. Is het niet zoo? Is dit niet altijd het gedrag der Bleekgezigten geweest? Dat mijn broeder antwoorde.”
„Hum! ja,” riep de Amerikaan min of meer verlegen, „ik wil niet ontkennen, hoofdman, dat er iets waars is in hetgeen gij zegt, maar toch, al de lieden van mijne kleur zijn niet zoo slecht gezind jegens de Roodhuiden geweest, sommige daarentegen hebben hun goed zoeken te doen.”[196]
„Ooah! twee of drie ja, dat kan waar zijn, maar dat bewijst niets tegen hetgeen ik beweer; spreken wij er intusschen niet meer van en gaan wij liever over tot de zaak die ons thans moet bezig houden.”
„Ja, ik geloof dat dit beter zal zijn,” antwoordde de Amerikaan, inwendig verheugd dat hij niet verpligt was een gesprek voort te zetten daar hij vooruit van wist, dat het niet tot zijn voordeel zou afloopen.
„Mijn volk haat de Bleekgezigten,” hervatte het Opperhoofd, „de condor maakt zijn nest niet met de mawkawis, en de graauwe beer paart zich niet met de antilope; ik zelf draag den Bleekgezigten een aangeboren haat toe. Nog dezen morgen zou ik dus de voorstellen van den Jaguar zeker hebben afgeslagen; wat gaan ons de onderlinge oorlogen der Blanken aan? wanneer de coyotes elkander verslinden, verheugen zich de herten; het doet ons genoegen te zien dat onze wreede onderdrukkers elkander verscheuren; thans echter, ofschoon mijn haat nog even levendig is, moet ik die in mijn hart opsluiten. Mijn broeder heeft mij het leven gered, hij heeft mij geholpen toen ik magteloos op den grond lag uitgestrekt en de Engel des doods zijne vleugelen reeds over mij uitbreidde; de ondankbaarheid is een ondeugd der Blanken, de erkentelijkheid eene deugd der Rooden: van heden af is de bijl tusschen den Jaguar en den Blaauwe-Vos voor de volgende manen begraven: vijf manen lang zullen de vijanden van den Jaguar die van den Blaauwe-Vos zijn; de beide opperhoofden zullen naast elkander strijden, als twee broeders die elkander liefhebben; binnen drie zonnen zal de Sachem het Blanke opperhoofd vijf honderd vermaarde krijgslieden toevoegen, wier hielen met tallooze wolvenstaarten versierd zijn, en die tot de uitgelezen mannen zijner natie behooren. Wat zal daarentegen de Jaguar voor den Blaauwe-Vos en zijne krijgslieden doen?”
„De Jaguar is een grootmoedig opperhoofd; hij moge voor zijne vijanden vreesselijk zijn, voor zijne vrienden is hij altijd toegankelijk en vrijgevig; iedere krijgsman der Apachen ontvangt van hem een geweer, honderd ponden buskruid en een scalpeermes. De Sachem bekomt bovendien twee vigoniavellen met vuurwater gevuld.”
„Ooah!” riep de Blaauwe-Vos met blijkbare tevredenheid, „mijn broeder heeft goed gesproken, de Jaguar is een grootmoedig opperhoofd. Ziedaar mijntotemten bewijze van ons verbond, zoowel als mijn veer van kommando.”
Dit zeggende haalde de Sachem uit zijn weitasch of knapzak, die hij aan een band over zijn schouder droeg, een vierkant stukperkament[197]te voorschijn, waarop in ruwe trekken het totem, of zinnebeeldig diergestalte van zijn stam geteekend was; vervolgens de adelaarsveer uit zijn oorlogskap nemende, stelde hij die beiden aan John Davis ter hand.
„Ik dank mijn broeder, den Sachem,” zei laatstgenoemde, „dat hij mijn voorstel heeft aangenomen, hij zal geen reden hebben om er zich over te beklagen.”
„Een opperhoofd gaf hem zijn woord. Maar zie, de zon verlengt de schaduw der boomen, de mawkawis zal weldra zijn avondzang laten hooren; het uur is gekomen om aan de doode krijgslieden de laatste eer te bewijzen, en wij moeten vertrekken; om ons elk naar onze vrienden te begeven.”
„Te voet, zooals wij hier zijn, dat zal bezwaarlijk gaan,” beweerde John.
De Indiaan glimlachte.
„De krijgslieden van den Blaauwe-Vos waken altijd voor hem,” zeide hij.
Werkelijk had hij naauwlijks tweemaal een bijzonder signaal laten hooren, of een vijftigtal Apachen-krijgslieden snelden van alle kanten toe en schaarden zich zwijgend om hun opperhoofd.
De vlugtelingen die aan den geduchten arm van den Scalpeur ontsnapt waren, hadden zich in der ijl naar het naastbijgelegen Indianenkamp begeven en hunne kameraden met het noodlottig nieuws hunner nederlaag bekend gemaakt; daarop was er onder bevel van een opperhoofd van lageren rang een detachement ruiters afgezonden om den Sachem te zoeken. Deze ruiters nogtans, toen zij den Blaauwe-Vos met John Davis in gesprek zagen, waren op eenigen afstand onder het geboomte blijven staan, geduldig wachtende tot het hem behagen zou hen tot zich te roepen.
De Blaauwe-Vos beval hun thans de dooden te begraven, en nu begon de ceremonie der ter aarde bestelling, eene plegtigheid die onder den drang der omstandigheden zooveel mogelijk moest worden bekort.
De lijken werden eerst met zorg gewasschen, in nieuwe bisonsmantels gewikkeld, en toen, in zittende houding, in de kuilen geplaatst die men voor ieder van hen gedolven had: hunne wapens werden bij hen in het graf gelegd, alsmede een paardenhoofdstel en eenige levensvoorraad, opdat het hun niet aan de noodige middelen ontbreken zou, om de velden der gelukzaligen te bereiken en zij bij hunne komst bij den Wacondahonmiddellijkte paard konden stijgen om op de jagt te gaan.
Nadat deze verschillende ceremoniën waren volbragt, werden[198]de kuilen gevuld en met groote steenen belegd, opdat de wilde dieren de lijken niet zouden kunnen opgraven en verslinden.
De zon was reeds op het punt van onder te gaan eer de Apachen geëindigd hadden met hunnen broeders de laatste dienst te bewijzen. De Blaauwe-Vos trad nu naar den jager, die tot dusver van de ceremonie zoo al geen onverschillig, dan toch een lijdelijk toeschouwer was gebleven.
„Keert mijn broeder naar de krijgslieden van zijn volk terug?” vroeg hij.
„Ja,” antwoordde de Indiaan lakoniek.
„Het Bleekgezigt heeft zijn paard verloren,” vervolgde de Sachem; „laat hij den mustang bestijgen dien de Blaauwe-Vos hem aanbiedt, en binnen twee uren zal hij bij de zijnen terug zijn.”
John Davis nam het geschenk, dat hem zoo edelmoedig gedaan werd, met dankbaarheid aan, steeg terstond in den zadel en na van de Indianen afscheid genomen te hebben, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk.
Op een wenk van hun opperhoofd, reden ook de Apachen naar hunne legerplaats terug, en het open boschkamp waar zulke vreesselijke dingen gebeurd waren, verviel weder tot zijne gewone stilte en eenzaamheid.