XXV.

[Inhoud]XXV.OPHELDERING.Gelijk alle menschen die hun leven grootendeels in de wildernis hebben doorgebragt, bezat de Jaguar groote koelzinnigheid, gepaard met de uiterste omzigtigheid.Ofschoon nog jong, was zijn leven eene aaneenschakeling geweest van de zonderlingste moeijelijkheden en gevaren, en had hij aan zoovele buitengewone tooneelen deel genomen, dat hij zijne gevoelens reeds vroeg in zijn hart had leeren opsluiten; hij wist zijn gelaat steeds in dien onverschilligen plooi te bewaren, welke de Indianen, onder alle zelfs onder de hagchelijkste omstandigheden kenmerkt en hun een der geduchtste wapenen verschaft tegen hunne vijanden.Toen hem derhalve op eens de stem van Tranquille in de ooren klonk, gevoelde de Jaguar terstond eene geweldige huivering door zijn gansche ligchaam, en fronste hij onwillekeurig de wenkbraauwen,[199]bij de vraag: wat toch den jager bewoog om hem in zijn kamp te bezoeken? daar zijne verhouding met den Canadees in de tegenwoordige oogenblikken zoo al niet geheel vijandig, ten minste ver van vriendschappelijk was.Evenwel wist de jongman, bij wien het eergevoel steedsluidersprak en die zich door de komst van een man zoo geacht en gewaardeerd als Tranquille zeer gestreeld voelde, de vrees die hem beklemde terstond te onderdrukken en snelde hij den jager met een glimlach op de lippen te gemoet.Laatstgenoemde was niet alleen, maar had Edelhart bij zich.De houding waarmede de Canadees verscheen, was, zonder bepaald terugstootend te zijn, nogtans ingetogen; zijne manieren waren koud en op zijn gelaat lag eene wolk van droefgeestigheid.„Wees welkom in mijn kamp, Tranquille,” zei de Jaguar, hem vriendschappelijk de hand toestekende.„Dank u,” antwoordde de Canadees lakoniek, zonder de hand aan te nemen die hem werd aangeboden.„Ik ben blijde u te zien,” vervolgde de jongman, even minzaam als te voren. „Welk gelukkig toeval brengt u herwaarts?”„Mijn kameraad en ik zijn reeds sedert langen tijd op de jagt geweest; de vermoeijenis overstelpt ons, en de rook van uw kamp heeft ons tot u gelokt.”De Jaguar veinsde deze onhandige verontschuldiging voor goede munt aan te nemen, ofschoon de Canadees met reden voor een der krachtvolste woudloopers in de woestijn gehouden werd.„Neem dan plaats bij het vuur in mijne tent,” zeide hij, „beschouw al wat hier is als het uwe en doe als of gij thuis waart.”De Canadees boog zonder te antwoorden en volgde zoowel als Edelhart den Jaguar, die hun voorging langs de kronkelpaden van het kamp.Toen zij bij het vuur kwamen, waar de jongman eenige armvollen droog hout op wierp, zetten de jagers zich op de bisonsschedels die hier als stoelen dienden, en zonder het stilzwijgen te breken stopten zij hunne pijpen en begonnen te rooken.De Jaguar volgde hun voorbeeld.De blanke woudloopers, die hun gansche leven met jagen en strikkenzetten in de eenzame wildernissen doorbrengen, maken zich onwillekeurig de gewoonten en gebruiken der Roodhuiden eigen, met welke zij, dank zij hunne positie, dagelijks in aanraking komen of omgaan.Het is hierbij een merkwaardig verschijnsel hoe gereedelijk beschaafde[200]menschen tot het wilde natuurleven terugkeeren, en hoe gereedelijk de jagers, die toch meerendeels in den boezem der steden zijn geboren en opgevoed, hunne vroegere gebruiken afleggen en de gemakken der gezellige zamenleving vaarwel zeggen om de ruwe zeden en gewoonten der Roodhuiden aan te nemen.Velen onder deze jagers drijven dit zoo ver, dat men hun geen grooter kompliment kan maken dan hen voor Indiaansche krijgslieden en volslagen wildemannen aan te zien of te begroeten.Daarentegen moeten wij erkennen dat de Roodhuiden maar weinig met onze beschaving zijn ingenomen, en volstrekt niet naar onze maatschappelijke toestanden verlangen: voor zooveel het toeval of hunne handelsaangelegenheden hen soms in onze steden voeren—en als wij hier steden zeggen bedoelen wij geen onbeduidende gehuchten uit den achterhoek, maar hoofdsteden als New-York of Nieuw Orleans,—zullen zij hunne oogen niet uitkijken van bewondering over hetgeen zij zien, maar werpen zij een onverschilligen ja medelijdenden blik in het rond en begrijpen niet hoe de menschen er ooit toe komen kunnen om zich vrijwillig in berookte kooijen op te sluiten die zij huizen noemen, en hun leven in ondankbaren arbeid verslijten, in plaats van in de vrije lucht te leven en in de onmetelijke wildernissen op bisons, beeren en tijgers te jagen, om zoo te zeggen als Nimrods voor Gods aangezigt.Hebben de wilden hierin zoo geheel ongelijk, of is hun oordeel verkeerd?Wij voor ons gelooven het niet.Het leven in de woestijn heeft voor menschen wier hart nog open en vatbaar is om er de treffende verrassingen van te begrijpen, eene wegslepende aantrekkelijkheid, die het wiskunstig afgepaste bestaan in de steden, als men haar eenmaal genoten heeft, nooit kan vergoeden noch doen vergeten.Volgens den grondregel der Indiaansche etiquette, die wat de beleefdheid aangaat zeer streng aan de regels der hoffelijkheid gebonden is, mag men den vreemdelingen die zich aan het haardvuur in het kamp nederzetten, geen vragen doen voor dat het hun behaagt het gesprek te beginnen.In de hut van den Indiaan, wordt iedere gast als een gezant van den Grooten Geest beschouwt, hij is heilig voor den gastheer zoolang het hem behaagt er te vertoeven, al ware hij ook zijn doodvijand.De Jaguar volkomen van de gewoonten der Roodhuiden doordrongen,[201]bleef stilzwijgend bij zijne gasten zitten en rookte in gedachten zijne pijp, geduldig wachtende tot zij goedvonden het woord op te vatten.Eindelijk, na een vrij lang tijdsverloop, schudde Tranquille de asch van zijn pijp op den nagel van zijn duim en wendde zich tot den jongman.„Gij hebt mij zeker niet verwacht, niet waar?” vroeg hij.„Waarlijk niet,” antwoordde de Jaguar, „maar geloof mij al was uw bezoek onverhoopt, het is mij echter niet minder aangenaam.”De jager trok de lippen op eene zonderlinge wijs zamen.„’t Is mogelijk!” prevelde hij, meer in antwoord op zijn eigene gedachten dan op hetgeen de Jaguar sprak, „misschien ja, misschien neen; het menschelijk hart is een geheimzinnig en moeijelijk te ontcijferen boek, dat alleen de dwazen meenen te kunnen lezen.”„Zoo is het toch niet met het mijne, jager,” zei de jongman, „gij kent mij te goed om het niet te weten.”De Canadees schudde het hoofd.„Gij zijt nog jong, het hart waarvan gij spreekt is u zelven nog niet bekend; gedurende het kort bestek van uw leven heeft de storm der hartstogten nog niet uitgeblazen en u onder zijn magtigen aangreep doen krommen; wacht eer gij mij bepaald kunt antwoorden tot gij bemind en geleden hebt, zoo gij dan den schok moedig doorgestaan en het vuur der jeugd dapper weerstand hebt geboden, staat het u vrij het hoofd hooger op te steken.”Deze woorden werden op strengen, maar geenszins scherpen toon uitgesproken.„Gij zijt hard voor mij van daag, Tranquille,” antwoordde de jongman verdrietig. „Waarmede kan ik het in uwe oogen verkorven hebben? Welke berispelijke daad heb ik begaan?”„Geenerlei, ik wil het ten minste liefst niet denken, maar ik vrees dat gij spoedig.…” Hier hield hij op en schudde treurig het hoofd.„Ga voort!” riep de jongman met drift.„Wat zou het baten,” hervatte hij, „wie ben ik, dat ik u eene moraal zou opzeggen die gij zonder twijfel veracht, en raadgevingen die u geenszins welkom zijn? Het is beter te zwijgen.”„Tranquille!” antwoordde de jongman op een toon van ontroering die hij niet kon overmeesteren, „wij kennen elkander sedert lang, gij weet hoeveel achting en eerbied ik u toedraag,[202]spreek! Wat gij mij ook te zeggen hebt, en welke harde verwijten gij mij moogt toevoegen, ik zweer u dat ik u zal aanhooren.”„Bah! denk niet meer om hetgeen ik u gezegd heb, ik had ongelijk mij met uwe zaken te bemoeijen, ieder moet zijn eigen zaken weten, spreken wij er niet meer van.”De Jaguar schoot hem een langen en scherpen blik toe.„Goed. Het zij zoo,” antwoordde hij, „spreken wij er niet meer van.”Hij stond op, stapte een paar malen onrustig op en neer, en kwam op eens weder bij den jager terug:„Neem mij niet kwalijk dat ik u nog geen ververschingen heb aangeboden,” zeide hij, „maar het is thans etenstijd, ik hoop dat gij en uw vriend mij de eer zult aandoen van mijn sober ontbijt met mij te deelen.”Terwijl hij dit sprak vestigde de Jaguar op den Canadees een zonderlingen blik.Tranquille aarzelde op nieuw.„Dezen morgen met het opgaan der zon,” zeide hij eindelijk, „hebben wij reeds gegeten, juist even voor dat wij in uw kamp binnentraden.”„Dat dacht ik wel!” riep de jongman met een uitbarsting van jeugdige drift: „O! nu is al mijn twijfel opgelost, ik zie gij weigert water en zout aan mijn haard te gebruiken, jager.”„Ik? maar gij ver.…”„Och!” viel hij hem heftig in de rede, „ontken het toch maar niet; zoek geen uitvlugten die u en mij onwaardig zijn; gij zijt een te eerlijk en opregt man, om niet ronduit te spreken,cuerpo de Cristo! Gij kent de wet der prairiën even goed als ik; men eet niet met zijn vijand. Nu dan, zoo gij in uwe ziel nog een vonkje van de welwillendheid bezit die gij altijd voor mij gehad hebt, verklaar mij dan duidelijk en zonder omwegen wat er van is: ik vorder het.”De Canadees scheen eenige minuten na te denken; eindelijk riep hij op eens:„’t Is waar, gij hebt gelijk, Jaguar, het is beter dat wij onbewimpeld voor de zaken uitkomen als rondborstige jagers, dan met elkander te zitten meesmuilen als Roodhuiden, en daarbij geen mensch is onfeilbaar: ik kan mij even goed vergissen als een ander; en God is mijn getuige, hoezeer ik thans wensch dat ik mij bedrogen heb.”„Ik verlang u te hooren, en op mijn eer, zoo de dingen die gij mij verwijt gegrond zijn, zal ik ze bekennen.”[203]„Goed,” riep de jager op vriendelijker toon dan hij tot hiertoe gebezigd had, „gijspreektals een man; maar misschien,” vervolgde hij, op Edelhart wijzende, die reeds op wilde staan om zich te verwijderen, „misschien hebt gij liever dat ons gesprek geheim blijft.”„Integendeel,” antwoordde de Jaguar levendig, „die jager is uw vriend en ik hoop dat hij weldra ook de mijne zal zijn, ik wil niets voor hem verbergen.”„Ik voor mij wensch niets liever,” zei Edelhart met eene buiging, „dan dat de kleine wolk die tusschen u en Tranquille is opgerezen verdwijne als ligte morgendamp voor de zon, om mij daarop nader met u in kennis te brengen, en daar gij het wilt, zal ik uw gesprek bijwonen.”„Dank u, caballero. Spreek nu, Tranquille, ik ben gereed om de grieven te hooren die gij ten mijnen laste denkt te hebben.”„Ongelukkig maar,” zeide Tranquille, „geeft de zonderlinge levenswijze die gij sedert uwe komst in de woestijn voert, zeer veel aanleiding voor de ongunstigste veronderstellingen; gij hebt u eene bende slecht volk aangeworven; grensloopers en vagebonden, het schuim der maatschappij, en gij leeft geheel buiten alle regten en wetten der beschaafde natiën.”„Zijn wij, mannen van de wildernis, woudloopers en jagers der prairiën, dan verpligt om ons aan al de bekrompen gebruiken der steden te onderwerpen?”„Ja, tot op zekere hoogte, dat wil zeggen dat het ons niet vrijstaat om in openbaar verzet te komen tegen de wettige instellingen van menschen, die ofschoon wij van hen gescheiden zijn, niettemin onze broeders blijven, tot welke wij voortdurend in betrekking staan door onze kleur, onze godsdienst, onze geboorte en verder alle banden van aan- of bloedverwantschap die wij niet hebben kunnen verbreken.”„Goed, ik geef tot op zeker punt de juistheid uwer redenering toe; maar gesteld al eens dat de mannen die ik onder mijne bevelen heb inderdaad bandieten, grensloopers, of hoe gij ze noemen wilt, zijn; weet gij dan tevens welke drijfveer hen doet handelen? met welk doel zij te werk gaan? kunt gij tegen hen eene bepaalde beschuldiging inbrengen?”„Wacht even! ik heb nog niet uitgesproken.”„Ga dan voort.”„Bovendien hebt gij, behalve die troep bandieten daar gij duidelijk en blijkbaar openlijk de chef van zijt, ook verbindtenissen met de[204]Roodhuiden aangeknoopt, met de Apachen onder anderen, de onbeschaamdste roovers en plunderaars der prairie; is dat waar?”„Ja en neen, mijn vriend, in zoo ver als de verbindtenis die gij mij verwijt tot hiertoe nooit heeft bestaan; maar dat zij juist dezen morgen door twee mijner vrienden gesloten moet zijn met den Blaauwe-Vos, een der meest beroemde opperhoofden der Apachen.”„Zoo! nu, dat valt al ongelukkig zamen.”„Hoedat?”„Weet gij wat uwe nieuwe bondgenooten dezen nacht gedaan hebben?”„Hoe zou ik het weten, daar ik niet weet waar zij zijn en zelfs geen stellig berigt heb ontvangen dat het contract met hen werkelijk gesloten is.”„Ah! welnu dan zal ik het u zeggen: zij hebben de Venta del Potrero aangevallen en tot den grond toe afgebrand.”Het zwarte oog van den Jaguar schoot een woedenden blik; hij stampvoette en greep krampachtig naar zijn karabijn.„Vive Dios!” riep hij met een schaterende stem, „hebben zij dat gedaan?”„Zij hebben het gedaan en men onderstelt dat het op uw aanstoken was.”De Jaguar haalde verachtelijk de schouders op.„Met welk oogmerk zou ik dat gedaan hebben? MaardoñaCarmela, wat is daarvan geworden?”„Zij is gered, Goddank!”De jongman slaakte een zucht van ontspanning die hem ruimer deed ademen.„En hebt gij ooit aan zulk een schandaal van mijn kant kunnen gelooven?” zeide hij op een toon van verwijt.„Ik geloof het niet meer,” antwoordde de jager.„Dank u, dank u; maar, bij den Hemel! de booswichten zullen de misdaad die zij gepleegd hebben duur betalen, dat zweer ik u; intusschen, ga voort.”„Ongelukkig, ofschoon gij u van mijn eerste grief hebt kunnen vrijpleiten, vrees ik dat gij het niet zult kunnen wat mijn tweede betreft.”„Spreek evenwel.”„Er is eene conducta de plata onder geleide van kapitein Melendez op weg naar Mexico.”De jongman ontroerde min of meer.„Dat wist ik,” zeide hij kort.[205]De jager wierp hem een bespiedenden blik toe.„Men zegt.…” vervolgde deze met zekere aarzeling.„Men zegt,” viel hem de Jaguar schielijk in de rede, „dat ik het konvooi naga, en dat ik, wanneer het geschikte oogenblik komt, aan het hoofd van mijne bandieten het zal aanvallen om mij van het geld meester te maken, zoo zegt men immers?”„Ja.”„Men heeft gelijk,” hervatte de jongman koel, „dat is inderdaad mijn voornemen; wat meer?”Tranquille sprong op van verbazing en verontwaardiging over dit onbeschaamde antwoord.„O!” riep hij met smart,„het is dus waar wat men van u zegt? Gij zijt danwaarlijkeen bandiet?”De jongman glimlachte schamper.„Misschien,” zeide hij met een doffe stem. „Tranquille, gij zijt tweemaal zoo oud als ik, uwe ondervinding is groot: hoe kunt gij zoo stout naar den uiterlijken schijn oordeelen?”„Wat zegt gij! naar den uiterlijken schijn? Hebt gij zelf het niet bekend?”„Ja, dat heb ik.”„Gij zijt dus op diefstal uit?”„Op diefstal!” riep hij gloeijend van verontwaardiging, maar zich terstond herstellende, vervolgde hij:„’t Is waar, gij kunt niet anders denken.”„Welken anderen naam moet ik geven aan zulk eene schandelijke daad?” riep de jager met drift.De Jaguar hief schielijk het hoofd op, als wilde hij antwoorden; maar zijne lippen bleven stom.Tranquille beschouwde hem een oogenblik met eene mengeling van medelijden en teederheid en wendde zich naar Edelhart:„Gaan wij, vriend,” zeide hij,„wij zijn reeds te lang hier geweest.”„Blijf,” riep de jongman; „veroordeel mij niet zoo ras; ik herhaal u, gij weet niet met welke bedoelingen ik te werk ga.”„Wat die bedoelingen ook wezen mogen, zij kunnen niet eerlijk zijn; ik zie er niets anders in dan plundering en moord.”„O!” riep de jongman treurig, zijn hoofd met de beide handen bedekkende.„Laten wij gaan,” hervatte Tranquille.Edelhart had dit gansche tooneel oplettend en koelzinnig gadegeslagen.[206]„Een oogenblik,” riep hij. Toen een stap vooruit komende legde hij den Jaguar de hand op den schouder. Deze hief het hoofd op.„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.„Hoor eens, Caballero,” antwoordde Edelhart met een ernstige stem: „ik weet niet waarom, maar een heimelijk voorgevoel zegt mij dat uw gedrag niet zoo eerloos is als wij op het eerste gezigt moeten veronderstellen, en dat gij eenmaal in staatzultzijn om het op te helderen en u in de oogen van allen te verontschuldigen.”„O! als het mij vrijstond te spreken.”„Hoe lang denkt gij nog gedwongen te zullen zijn om te zwijgen?”„Weet ik het; dat hangt van omstandigheden af die niet in mijne magt liggen.”„Gij kunt derhalve geen tijd bepalen?”„Onmogelijk; ik heb een eed gezworen, dien moet ik houden.”„Goed, beloof mij nu eene zaak.”„Welke?”„Dat gij kapitein Melendez niet naar het leven zult staan.”De Jaguar aarzelde.„Hoe is het?” hervatte Edelhart.„Ik zal doen wat ik kan om hem te sparen.”„Dank u,” zei Edelhart. Zich toen tot Tranquille wendende, die onbeweeglijk naast hem stond, vervolgde hij: „Ga weder zitten, broeder, stellen wij allen verderen argwaan ter zijde, en laten wij ontbijten met den caballero, ik sta u borg voor hem, leven om leven; als hij u van heden af binnen twee maanden wegens zijn gedrag geen voldoende opheldering geeft, dan zal ik, die door geenerlei eed gebonden ben, u dit geheim oplossen, dat u thans zoo duister schijnt en voor u inderdaad onverklaarbaar is.”De Jaguar sidderde en schoot Edelhart een uitvorschenden blik toe, die echter op het effen en strak gelaat van den jager zonder eenige uitwerking bleef.De Canadees aarzelde nog eenige sekonden, maar nam eindelijk weder plaats bij het vuur, in zich zelven mompelende:„Binnen twee maanden, goed,” en liet er terstond nog zachter op volgen: „Maar van nu af aan houd ik hem in ’t oog.”[207]

[Inhoud]XXV.OPHELDERING.Gelijk alle menschen die hun leven grootendeels in de wildernis hebben doorgebragt, bezat de Jaguar groote koelzinnigheid, gepaard met de uiterste omzigtigheid.Ofschoon nog jong, was zijn leven eene aaneenschakeling geweest van de zonderlingste moeijelijkheden en gevaren, en had hij aan zoovele buitengewone tooneelen deel genomen, dat hij zijne gevoelens reeds vroeg in zijn hart had leeren opsluiten; hij wist zijn gelaat steeds in dien onverschilligen plooi te bewaren, welke de Indianen, onder alle zelfs onder de hagchelijkste omstandigheden kenmerkt en hun een der geduchtste wapenen verschaft tegen hunne vijanden.Toen hem derhalve op eens de stem van Tranquille in de ooren klonk, gevoelde de Jaguar terstond eene geweldige huivering door zijn gansche ligchaam, en fronste hij onwillekeurig de wenkbraauwen,[199]bij de vraag: wat toch den jager bewoog om hem in zijn kamp te bezoeken? daar zijne verhouding met den Canadees in de tegenwoordige oogenblikken zoo al niet geheel vijandig, ten minste ver van vriendschappelijk was.Evenwel wist de jongman, bij wien het eergevoel steedsluidersprak en die zich door de komst van een man zoo geacht en gewaardeerd als Tranquille zeer gestreeld voelde, de vrees die hem beklemde terstond te onderdrukken en snelde hij den jager met een glimlach op de lippen te gemoet.Laatstgenoemde was niet alleen, maar had Edelhart bij zich.De houding waarmede de Canadees verscheen, was, zonder bepaald terugstootend te zijn, nogtans ingetogen; zijne manieren waren koud en op zijn gelaat lag eene wolk van droefgeestigheid.„Wees welkom in mijn kamp, Tranquille,” zei de Jaguar, hem vriendschappelijk de hand toestekende.„Dank u,” antwoordde de Canadees lakoniek, zonder de hand aan te nemen die hem werd aangeboden.„Ik ben blijde u te zien,” vervolgde de jongman, even minzaam als te voren. „Welk gelukkig toeval brengt u herwaarts?”„Mijn kameraad en ik zijn reeds sedert langen tijd op de jagt geweest; de vermoeijenis overstelpt ons, en de rook van uw kamp heeft ons tot u gelokt.”De Jaguar veinsde deze onhandige verontschuldiging voor goede munt aan te nemen, ofschoon de Canadees met reden voor een der krachtvolste woudloopers in de woestijn gehouden werd.„Neem dan plaats bij het vuur in mijne tent,” zeide hij, „beschouw al wat hier is als het uwe en doe als of gij thuis waart.”De Canadees boog zonder te antwoorden en volgde zoowel als Edelhart den Jaguar, die hun voorging langs de kronkelpaden van het kamp.Toen zij bij het vuur kwamen, waar de jongman eenige armvollen droog hout op wierp, zetten de jagers zich op de bisonsschedels die hier als stoelen dienden, en zonder het stilzwijgen te breken stopten zij hunne pijpen en begonnen te rooken.De Jaguar volgde hun voorbeeld.De blanke woudloopers, die hun gansche leven met jagen en strikkenzetten in de eenzame wildernissen doorbrengen, maken zich onwillekeurig de gewoonten en gebruiken der Roodhuiden eigen, met welke zij, dank zij hunne positie, dagelijks in aanraking komen of omgaan.Het is hierbij een merkwaardig verschijnsel hoe gereedelijk beschaafde[200]menschen tot het wilde natuurleven terugkeeren, en hoe gereedelijk de jagers, die toch meerendeels in den boezem der steden zijn geboren en opgevoed, hunne vroegere gebruiken afleggen en de gemakken der gezellige zamenleving vaarwel zeggen om de ruwe zeden en gewoonten der Roodhuiden aan te nemen.Velen onder deze jagers drijven dit zoo ver, dat men hun geen grooter kompliment kan maken dan hen voor Indiaansche krijgslieden en volslagen wildemannen aan te zien of te begroeten.Daarentegen moeten wij erkennen dat de Roodhuiden maar weinig met onze beschaving zijn ingenomen, en volstrekt niet naar onze maatschappelijke toestanden verlangen: voor zooveel het toeval of hunne handelsaangelegenheden hen soms in onze steden voeren—en als wij hier steden zeggen bedoelen wij geen onbeduidende gehuchten uit den achterhoek, maar hoofdsteden als New-York of Nieuw Orleans,—zullen zij hunne oogen niet uitkijken van bewondering over hetgeen zij zien, maar werpen zij een onverschilligen ja medelijdenden blik in het rond en begrijpen niet hoe de menschen er ooit toe komen kunnen om zich vrijwillig in berookte kooijen op te sluiten die zij huizen noemen, en hun leven in ondankbaren arbeid verslijten, in plaats van in de vrije lucht te leven en in de onmetelijke wildernissen op bisons, beeren en tijgers te jagen, om zoo te zeggen als Nimrods voor Gods aangezigt.Hebben de wilden hierin zoo geheel ongelijk, of is hun oordeel verkeerd?Wij voor ons gelooven het niet.Het leven in de woestijn heeft voor menschen wier hart nog open en vatbaar is om er de treffende verrassingen van te begrijpen, eene wegslepende aantrekkelijkheid, die het wiskunstig afgepaste bestaan in de steden, als men haar eenmaal genoten heeft, nooit kan vergoeden noch doen vergeten.Volgens den grondregel der Indiaansche etiquette, die wat de beleefdheid aangaat zeer streng aan de regels der hoffelijkheid gebonden is, mag men den vreemdelingen die zich aan het haardvuur in het kamp nederzetten, geen vragen doen voor dat het hun behaagt het gesprek te beginnen.In de hut van den Indiaan, wordt iedere gast als een gezant van den Grooten Geest beschouwt, hij is heilig voor den gastheer zoolang het hem behaagt er te vertoeven, al ware hij ook zijn doodvijand.De Jaguar volkomen van de gewoonten der Roodhuiden doordrongen,[201]bleef stilzwijgend bij zijne gasten zitten en rookte in gedachten zijne pijp, geduldig wachtende tot zij goedvonden het woord op te vatten.Eindelijk, na een vrij lang tijdsverloop, schudde Tranquille de asch van zijn pijp op den nagel van zijn duim en wendde zich tot den jongman.„Gij hebt mij zeker niet verwacht, niet waar?” vroeg hij.„Waarlijk niet,” antwoordde de Jaguar, „maar geloof mij al was uw bezoek onverhoopt, het is mij echter niet minder aangenaam.”De jager trok de lippen op eene zonderlinge wijs zamen.„’t Is mogelijk!” prevelde hij, meer in antwoord op zijn eigene gedachten dan op hetgeen de Jaguar sprak, „misschien ja, misschien neen; het menschelijk hart is een geheimzinnig en moeijelijk te ontcijferen boek, dat alleen de dwazen meenen te kunnen lezen.”„Zoo is het toch niet met het mijne, jager,” zei de jongman, „gij kent mij te goed om het niet te weten.”De Canadees schudde het hoofd.„Gij zijt nog jong, het hart waarvan gij spreekt is u zelven nog niet bekend; gedurende het kort bestek van uw leven heeft de storm der hartstogten nog niet uitgeblazen en u onder zijn magtigen aangreep doen krommen; wacht eer gij mij bepaald kunt antwoorden tot gij bemind en geleden hebt, zoo gij dan den schok moedig doorgestaan en het vuur der jeugd dapper weerstand hebt geboden, staat het u vrij het hoofd hooger op te steken.”Deze woorden werden op strengen, maar geenszins scherpen toon uitgesproken.„Gij zijt hard voor mij van daag, Tranquille,” antwoordde de jongman verdrietig. „Waarmede kan ik het in uwe oogen verkorven hebben? Welke berispelijke daad heb ik begaan?”„Geenerlei, ik wil het ten minste liefst niet denken, maar ik vrees dat gij spoedig.…” Hier hield hij op en schudde treurig het hoofd.„Ga voort!” riep de jongman met drift.„Wat zou het baten,” hervatte hij, „wie ben ik, dat ik u eene moraal zou opzeggen die gij zonder twijfel veracht, en raadgevingen die u geenszins welkom zijn? Het is beter te zwijgen.”„Tranquille!” antwoordde de jongman op een toon van ontroering die hij niet kon overmeesteren, „wij kennen elkander sedert lang, gij weet hoeveel achting en eerbied ik u toedraag,[202]spreek! Wat gij mij ook te zeggen hebt, en welke harde verwijten gij mij moogt toevoegen, ik zweer u dat ik u zal aanhooren.”„Bah! denk niet meer om hetgeen ik u gezegd heb, ik had ongelijk mij met uwe zaken te bemoeijen, ieder moet zijn eigen zaken weten, spreken wij er niet meer van.”De Jaguar schoot hem een langen en scherpen blik toe.„Goed. Het zij zoo,” antwoordde hij, „spreken wij er niet meer van.”Hij stond op, stapte een paar malen onrustig op en neer, en kwam op eens weder bij den jager terug:„Neem mij niet kwalijk dat ik u nog geen ververschingen heb aangeboden,” zeide hij, „maar het is thans etenstijd, ik hoop dat gij en uw vriend mij de eer zult aandoen van mijn sober ontbijt met mij te deelen.”Terwijl hij dit sprak vestigde de Jaguar op den Canadees een zonderlingen blik.Tranquille aarzelde op nieuw.„Dezen morgen met het opgaan der zon,” zeide hij eindelijk, „hebben wij reeds gegeten, juist even voor dat wij in uw kamp binnentraden.”„Dat dacht ik wel!” riep de jongman met een uitbarsting van jeugdige drift: „O! nu is al mijn twijfel opgelost, ik zie gij weigert water en zout aan mijn haard te gebruiken, jager.”„Ik? maar gij ver.…”„Och!” viel hij hem heftig in de rede, „ontken het toch maar niet; zoek geen uitvlugten die u en mij onwaardig zijn; gij zijt een te eerlijk en opregt man, om niet ronduit te spreken,cuerpo de Cristo! Gij kent de wet der prairiën even goed als ik; men eet niet met zijn vijand. Nu dan, zoo gij in uwe ziel nog een vonkje van de welwillendheid bezit die gij altijd voor mij gehad hebt, verklaar mij dan duidelijk en zonder omwegen wat er van is: ik vorder het.”De Canadees scheen eenige minuten na te denken; eindelijk riep hij op eens:„’t Is waar, gij hebt gelijk, Jaguar, het is beter dat wij onbewimpeld voor de zaken uitkomen als rondborstige jagers, dan met elkander te zitten meesmuilen als Roodhuiden, en daarbij geen mensch is onfeilbaar: ik kan mij even goed vergissen als een ander; en God is mijn getuige, hoezeer ik thans wensch dat ik mij bedrogen heb.”„Ik verlang u te hooren, en op mijn eer, zoo de dingen die gij mij verwijt gegrond zijn, zal ik ze bekennen.”[203]„Goed,” riep de jager op vriendelijker toon dan hij tot hiertoe gebezigd had, „gijspreektals een man; maar misschien,” vervolgde hij, op Edelhart wijzende, die reeds op wilde staan om zich te verwijderen, „misschien hebt gij liever dat ons gesprek geheim blijft.”„Integendeel,” antwoordde de Jaguar levendig, „die jager is uw vriend en ik hoop dat hij weldra ook de mijne zal zijn, ik wil niets voor hem verbergen.”„Ik voor mij wensch niets liever,” zei Edelhart met eene buiging, „dan dat de kleine wolk die tusschen u en Tranquille is opgerezen verdwijne als ligte morgendamp voor de zon, om mij daarop nader met u in kennis te brengen, en daar gij het wilt, zal ik uw gesprek bijwonen.”„Dank u, caballero. Spreek nu, Tranquille, ik ben gereed om de grieven te hooren die gij ten mijnen laste denkt te hebben.”„Ongelukkig maar,” zeide Tranquille, „geeft de zonderlinge levenswijze die gij sedert uwe komst in de woestijn voert, zeer veel aanleiding voor de ongunstigste veronderstellingen; gij hebt u eene bende slecht volk aangeworven; grensloopers en vagebonden, het schuim der maatschappij, en gij leeft geheel buiten alle regten en wetten der beschaafde natiën.”„Zijn wij, mannen van de wildernis, woudloopers en jagers der prairiën, dan verpligt om ons aan al de bekrompen gebruiken der steden te onderwerpen?”„Ja, tot op zekere hoogte, dat wil zeggen dat het ons niet vrijstaat om in openbaar verzet te komen tegen de wettige instellingen van menschen, die ofschoon wij van hen gescheiden zijn, niettemin onze broeders blijven, tot welke wij voortdurend in betrekking staan door onze kleur, onze godsdienst, onze geboorte en verder alle banden van aan- of bloedverwantschap die wij niet hebben kunnen verbreken.”„Goed, ik geef tot op zeker punt de juistheid uwer redenering toe; maar gesteld al eens dat de mannen die ik onder mijne bevelen heb inderdaad bandieten, grensloopers, of hoe gij ze noemen wilt, zijn; weet gij dan tevens welke drijfveer hen doet handelen? met welk doel zij te werk gaan? kunt gij tegen hen eene bepaalde beschuldiging inbrengen?”„Wacht even! ik heb nog niet uitgesproken.”„Ga dan voort.”„Bovendien hebt gij, behalve die troep bandieten daar gij duidelijk en blijkbaar openlijk de chef van zijt, ook verbindtenissen met de[204]Roodhuiden aangeknoopt, met de Apachen onder anderen, de onbeschaamdste roovers en plunderaars der prairie; is dat waar?”„Ja en neen, mijn vriend, in zoo ver als de verbindtenis die gij mij verwijt tot hiertoe nooit heeft bestaan; maar dat zij juist dezen morgen door twee mijner vrienden gesloten moet zijn met den Blaauwe-Vos, een der meest beroemde opperhoofden der Apachen.”„Zoo! nu, dat valt al ongelukkig zamen.”„Hoedat?”„Weet gij wat uwe nieuwe bondgenooten dezen nacht gedaan hebben?”„Hoe zou ik het weten, daar ik niet weet waar zij zijn en zelfs geen stellig berigt heb ontvangen dat het contract met hen werkelijk gesloten is.”„Ah! welnu dan zal ik het u zeggen: zij hebben de Venta del Potrero aangevallen en tot den grond toe afgebrand.”Het zwarte oog van den Jaguar schoot een woedenden blik; hij stampvoette en greep krampachtig naar zijn karabijn.„Vive Dios!” riep hij met een schaterende stem, „hebben zij dat gedaan?”„Zij hebben het gedaan en men onderstelt dat het op uw aanstoken was.”De Jaguar haalde verachtelijk de schouders op.„Met welk oogmerk zou ik dat gedaan hebben? MaardoñaCarmela, wat is daarvan geworden?”„Zij is gered, Goddank!”De jongman slaakte een zucht van ontspanning die hem ruimer deed ademen.„En hebt gij ooit aan zulk een schandaal van mijn kant kunnen gelooven?” zeide hij op een toon van verwijt.„Ik geloof het niet meer,” antwoordde de jager.„Dank u, dank u; maar, bij den Hemel! de booswichten zullen de misdaad die zij gepleegd hebben duur betalen, dat zweer ik u; intusschen, ga voort.”„Ongelukkig, ofschoon gij u van mijn eerste grief hebt kunnen vrijpleiten, vrees ik dat gij het niet zult kunnen wat mijn tweede betreft.”„Spreek evenwel.”„Er is eene conducta de plata onder geleide van kapitein Melendez op weg naar Mexico.”De jongman ontroerde min of meer.„Dat wist ik,” zeide hij kort.[205]De jager wierp hem een bespiedenden blik toe.„Men zegt.…” vervolgde deze met zekere aarzeling.„Men zegt,” viel hem de Jaguar schielijk in de rede, „dat ik het konvooi naga, en dat ik, wanneer het geschikte oogenblik komt, aan het hoofd van mijne bandieten het zal aanvallen om mij van het geld meester te maken, zoo zegt men immers?”„Ja.”„Men heeft gelijk,” hervatte de jongman koel, „dat is inderdaad mijn voornemen; wat meer?”Tranquille sprong op van verbazing en verontwaardiging over dit onbeschaamde antwoord.„O!” riep hij met smart,„het is dus waar wat men van u zegt? Gij zijt danwaarlijkeen bandiet?”De jongman glimlachte schamper.„Misschien,” zeide hij met een doffe stem. „Tranquille, gij zijt tweemaal zoo oud als ik, uwe ondervinding is groot: hoe kunt gij zoo stout naar den uiterlijken schijn oordeelen?”„Wat zegt gij! naar den uiterlijken schijn? Hebt gij zelf het niet bekend?”„Ja, dat heb ik.”„Gij zijt dus op diefstal uit?”„Op diefstal!” riep hij gloeijend van verontwaardiging, maar zich terstond herstellende, vervolgde hij:„’t Is waar, gij kunt niet anders denken.”„Welken anderen naam moet ik geven aan zulk eene schandelijke daad?” riep de jager met drift.De Jaguar hief schielijk het hoofd op, als wilde hij antwoorden; maar zijne lippen bleven stom.Tranquille beschouwde hem een oogenblik met eene mengeling van medelijden en teederheid en wendde zich naar Edelhart:„Gaan wij, vriend,” zeide hij,„wij zijn reeds te lang hier geweest.”„Blijf,” riep de jongman; „veroordeel mij niet zoo ras; ik herhaal u, gij weet niet met welke bedoelingen ik te werk ga.”„Wat die bedoelingen ook wezen mogen, zij kunnen niet eerlijk zijn; ik zie er niets anders in dan plundering en moord.”„O!” riep de jongman treurig, zijn hoofd met de beide handen bedekkende.„Laten wij gaan,” hervatte Tranquille.Edelhart had dit gansche tooneel oplettend en koelzinnig gadegeslagen.[206]„Een oogenblik,” riep hij. Toen een stap vooruit komende legde hij den Jaguar de hand op den schouder. Deze hief het hoofd op.„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.„Hoor eens, Caballero,” antwoordde Edelhart met een ernstige stem: „ik weet niet waarom, maar een heimelijk voorgevoel zegt mij dat uw gedrag niet zoo eerloos is als wij op het eerste gezigt moeten veronderstellen, en dat gij eenmaal in staatzultzijn om het op te helderen en u in de oogen van allen te verontschuldigen.”„O! als het mij vrijstond te spreken.”„Hoe lang denkt gij nog gedwongen te zullen zijn om te zwijgen?”„Weet ik het; dat hangt van omstandigheden af die niet in mijne magt liggen.”„Gij kunt derhalve geen tijd bepalen?”„Onmogelijk; ik heb een eed gezworen, dien moet ik houden.”„Goed, beloof mij nu eene zaak.”„Welke?”„Dat gij kapitein Melendez niet naar het leven zult staan.”De Jaguar aarzelde.„Hoe is het?” hervatte Edelhart.„Ik zal doen wat ik kan om hem te sparen.”„Dank u,” zei Edelhart. Zich toen tot Tranquille wendende, die onbeweeglijk naast hem stond, vervolgde hij: „Ga weder zitten, broeder, stellen wij allen verderen argwaan ter zijde, en laten wij ontbijten met den caballero, ik sta u borg voor hem, leven om leven; als hij u van heden af binnen twee maanden wegens zijn gedrag geen voldoende opheldering geeft, dan zal ik, die door geenerlei eed gebonden ben, u dit geheim oplossen, dat u thans zoo duister schijnt en voor u inderdaad onverklaarbaar is.”De Jaguar sidderde en schoot Edelhart een uitvorschenden blik toe, die echter op het effen en strak gelaat van den jager zonder eenige uitwerking bleef.De Canadees aarzelde nog eenige sekonden, maar nam eindelijk weder plaats bij het vuur, in zich zelven mompelende:„Binnen twee maanden, goed,” en liet er terstond nog zachter op volgen: „Maar van nu af aan houd ik hem in ’t oog.”[207]

XXV.OPHELDERING.

Gelijk alle menschen die hun leven grootendeels in de wildernis hebben doorgebragt, bezat de Jaguar groote koelzinnigheid, gepaard met de uiterste omzigtigheid.Ofschoon nog jong, was zijn leven eene aaneenschakeling geweest van de zonderlingste moeijelijkheden en gevaren, en had hij aan zoovele buitengewone tooneelen deel genomen, dat hij zijne gevoelens reeds vroeg in zijn hart had leeren opsluiten; hij wist zijn gelaat steeds in dien onverschilligen plooi te bewaren, welke de Indianen, onder alle zelfs onder de hagchelijkste omstandigheden kenmerkt en hun een der geduchtste wapenen verschaft tegen hunne vijanden.Toen hem derhalve op eens de stem van Tranquille in de ooren klonk, gevoelde de Jaguar terstond eene geweldige huivering door zijn gansche ligchaam, en fronste hij onwillekeurig de wenkbraauwen,[199]bij de vraag: wat toch den jager bewoog om hem in zijn kamp te bezoeken? daar zijne verhouding met den Canadees in de tegenwoordige oogenblikken zoo al niet geheel vijandig, ten minste ver van vriendschappelijk was.Evenwel wist de jongman, bij wien het eergevoel steedsluidersprak en die zich door de komst van een man zoo geacht en gewaardeerd als Tranquille zeer gestreeld voelde, de vrees die hem beklemde terstond te onderdrukken en snelde hij den jager met een glimlach op de lippen te gemoet.Laatstgenoemde was niet alleen, maar had Edelhart bij zich.De houding waarmede de Canadees verscheen, was, zonder bepaald terugstootend te zijn, nogtans ingetogen; zijne manieren waren koud en op zijn gelaat lag eene wolk van droefgeestigheid.„Wees welkom in mijn kamp, Tranquille,” zei de Jaguar, hem vriendschappelijk de hand toestekende.„Dank u,” antwoordde de Canadees lakoniek, zonder de hand aan te nemen die hem werd aangeboden.„Ik ben blijde u te zien,” vervolgde de jongman, even minzaam als te voren. „Welk gelukkig toeval brengt u herwaarts?”„Mijn kameraad en ik zijn reeds sedert langen tijd op de jagt geweest; de vermoeijenis overstelpt ons, en de rook van uw kamp heeft ons tot u gelokt.”De Jaguar veinsde deze onhandige verontschuldiging voor goede munt aan te nemen, ofschoon de Canadees met reden voor een der krachtvolste woudloopers in de woestijn gehouden werd.„Neem dan plaats bij het vuur in mijne tent,” zeide hij, „beschouw al wat hier is als het uwe en doe als of gij thuis waart.”De Canadees boog zonder te antwoorden en volgde zoowel als Edelhart den Jaguar, die hun voorging langs de kronkelpaden van het kamp.Toen zij bij het vuur kwamen, waar de jongman eenige armvollen droog hout op wierp, zetten de jagers zich op de bisonsschedels die hier als stoelen dienden, en zonder het stilzwijgen te breken stopten zij hunne pijpen en begonnen te rooken.De Jaguar volgde hun voorbeeld.De blanke woudloopers, die hun gansche leven met jagen en strikkenzetten in de eenzame wildernissen doorbrengen, maken zich onwillekeurig de gewoonten en gebruiken der Roodhuiden eigen, met welke zij, dank zij hunne positie, dagelijks in aanraking komen of omgaan.Het is hierbij een merkwaardig verschijnsel hoe gereedelijk beschaafde[200]menschen tot het wilde natuurleven terugkeeren, en hoe gereedelijk de jagers, die toch meerendeels in den boezem der steden zijn geboren en opgevoed, hunne vroegere gebruiken afleggen en de gemakken der gezellige zamenleving vaarwel zeggen om de ruwe zeden en gewoonten der Roodhuiden aan te nemen.Velen onder deze jagers drijven dit zoo ver, dat men hun geen grooter kompliment kan maken dan hen voor Indiaansche krijgslieden en volslagen wildemannen aan te zien of te begroeten.Daarentegen moeten wij erkennen dat de Roodhuiden maar weinig met onze beschaving zijn ingenomen, en volstrekt niet naar onze maatschappelijke toestanden verlangen: voor zooveel het toeval of hunne handelsaangelegenheden hen soms in onze steden voeren—en als wij hier steden zeggen bedoelen wij geen onbeduidende gehuchten uit den achterhoek, maar hoofdsteden als New-York of Nieuw Orleans,—zullen zij hunne oogen niet uitkijken van bewondering over hetgeen zij zien, maar werpen zij een onverschilligen ja medelijdenden blik in het rond en begrijpen niet hoe de menschen er ooit toe komen kunnen om zich vrijwillig in berookte kooijen op te sluiten die zij huizen noemen, en hun leven in ondankbaren arbeid verslijten, in plaats van in de vrije lucht te leven en in de onmetelijke wildernissen op bisons, beeren en tijgers te jagen, om zoo te zeggen als Nimrods voor Gods aangezigt.Hebben de wilden hierin zoo geheel ongelijk, of is hun oordeel verkeerd?Wij voor ons gelooven het niet.Het leven in de woestijn heeft voor menschen wier hart nog open en vatbaar is om er de treffende verrassingen van te begrijpen, eene wegslepende aantrekkelijkheid, die het wiskunstig afgepaste bestaan in de steden, als men haar eenmaal genoten heeft, nooit kan vergoeden noch doen vergeten.Volgens den grondregel der Indiaansche etiquette, die wat de beleefdheid aangaat zeer streng aan de regels der hoffelijkheid gebonden is, mag men den vreemdelingen die zich aan het haardvuur in het kamp nederzetten, geen vragen doen voor dat het hun behaagt het gesprek te beginnen.In de hut van den Indiaan, wordt iedere gast als een gezant van den Grooten Geest beschouwt, hij is heilig voor den gastheer zoolang het hem behaagt er te vertoeven, al ware hij ook zijn doodvijand.De Jaguar volkomen van de gewoonten der Roodhuiden doordrongen,[201]bleef stilzwijgend bij zijne gasten zitten en rookte in gedachten zijne pijp, geduldig wachtende tot zij goedvonden het woord op te vatten.Eindelijk, na een vrij lang tijdsverloop, schudde Tranquille de asch van zijn pijp op den nagel van zijn duim en wendde zich tot den jongman.„Gij hebt mij zeker niet verwacht, niet waar?” vroeg hij.„Waarlijk niet,” antwoordde de Jaguar, „maar geloof mij al was uw bezoek onverhoopt, het is mij echter niet minder aangenaam.”De jager trok de lippen op eene zonderlinge wijs zamen.„’t Is mogelijk!” prevelde hij, meer in antwoord op zijn eigene gedachten dan op hetgeen de Jaguar sprak, „misschien ja, misschien neen; het menschelijk hart is een geheimzinnig en moeijelijk te ontcijferen boek, dat alleen de dwazen meenen te kunnen lezen.”„Zoo is het toch niet met het mijne, jager,” zei de jongman, „gij kent mij te goed om het niet te weten.”De Canadees schudde het hoofd.„Gij zijt nog jong, het hart waarvan gij spreekt is u zelven nog niet bekend; gedurende het kort bestek van uw leven heeft de storm der hartstogten nog niet uitgeblazen en u onder zijn magtigen aangreep doen krommen; wacht eer gij mij bepaald kunt antwoorden tot gij bemind en geleden hebt, zoo gij dan den schok moedig doorgestaan en het vuur der jeugd dapper weerstand hebt geboden, staat het u vrij het hoofd hooger op te steken.”Deze woorden werden op strengen, maar geenszins scherpen toon uitgesproken.„Gij zijt hard voor mij van daag, Tranquille,” antwoordde de jongman verdrietig. „Waarmede kan ik het in uwe oogen verkorven hebben? Welke berispelijke daad heb ik begaan?”„Geenerlei, ik wil het ten minste liefst niet denken, maar ik vrees dat gij spoedig.…” Hier hield hij op en schudde treurig het hoofd.„Ga voort!” riep de jongman met drift.„Wat zou het baten,” hervatte hij, „wie ben ik, dat ik u eene moraal zou opzeggen die gij zonder twijfel veracht, en raadgevingen die u geenszins welkom zijn? Het is beter te zwijgen.”„Tranquille!” antwoordde de jongman op een toon van ontroering die hij niet kon overmeesteren, „wij kennen elkander sedert lang, gij weet hoeveel achting en eerbied ik u toedraag,[202]spreek! Wat gij mij ook te zeggen hebt, en welke harde verwijten gij mij moogt toevoegen, ik zweer u dat ik u zal aanhooren.”„Bah! denk niet meer om hetgeen ik u gezegd heb, ik had ongelijk mij met uwe zaken te bemoeijen, ieder moet zijn eigen zaken weten, spreken wij er niet meer van.”De Jaguar schoot hem een langen en scherpen blik toe.„Goed. Het zij zoo,” antwoordde hij, „spreken wij er niet meer van.”Hij stond op, stapte een paar malen onrustig op en neer, en kwam op eens weder bij den jager terug:„Neem mij niet kwalijk dat ik u nog geen ververschingen heb aangeboden,” zeide hij, „maar het is thans etenstijd, ik hoop dat gij en uw vriend mij de eer zult aandoen van mijn sober ontbijt met mij te deelen.”Terwijl hij dit sprak vestigde de Jaguar op den Canadees een zonderlingen blik.Tranquille aarzelde op nieuw.„Dezen morgen met het opgaan der zon,” zeide hij eindelijk, „hebben wij reeds gegeten, juist even voor dat wij in uw kamp binnentraden.”„Dat dacht ik wel!” riep de jongman met een uitbarsting van jeugdige drift: „O! nu is al mijn twijfel opgelost, ik zie gij weigert water en zout aan mijn haard te gebruiken, jager.”„Ik? maar gij ver.…”„Och!” viel hij hem heftig in de rede, „ontken het toch maar niet; zoek geen uitvlugten die u en mij onwaardig zijn; gij zijt een te eerlijk en opregt man, om niet ronduit te spreken,cuerpo de Cristo! Gij kent de wet der prairiën even goed als ik; men eet niet met zijn vijand. Nu dan, zoo gij in uwe ziel nog een vonkje van de welwillendheid bezit die gij altijd voor mij gehad hebt, verklaar mij dan duidelijk en zonder omwegen wat er van is: ik vorder het.”De Canadees scheen eenige minuten na te denken; eindelijk riep hij op eens:„’t Is waar, gij hebt gelijk, Jaguar, het is beter dat wij onbewimpeld voor de zaken uitkomen als rondborstige jagers, dan met elkander te zitten meesmuilen als Roodhuiden, en daarbij geen mensch is onfeilbaar: ik kan mij even goed vergissen als een ander; en God is mijn getuige, hoezeer ik thans wensch dat ik mij bedrogen heb.”„Ik verlang u te hooren, en op mijn eer, zoo de dingen die gij mij verwijt gegrond zijn, zal ik ze bekennen.”[203]„Goed,” riep de jager op vriendelijker toon dan hij tot hiertoe gebezigd had, „gijspreektals een man; maar misschien,” vervolgde hij, op Edelhart wijzende, die reeds op wilde staan om zich te verwijderen, „misschien hebt gij liever dat ons gesprek geheim blijft.”„Integendeel,” antwoordde de Jaguar levendig, „die jager is uw vriend en ik hoop dat hij weldra ook de mijne zal zijn, ik wil niets voor hem verbergen.”„Ik voor mij wensch niets liever,” zei Edelhart met eene buiging, „dan dat de kleine wolk die tusschen u en Tranquille is opgerezen verdwijne als ligte morgendamp voor de zon, om mij daarop nader met u in kennis te brengen, en daar gij het wilt, zal ik uw gesprek bijwonen.”„Dank u, caballero. Spreek nu, Tranquille, ik ben gereed om de grieven te hooren die gij ten mijnen laste denkt te hebben.”„Ongelukkig maar,” zeide Tranquille, „geeft de zonderlinge levenswijze die gij sedert uwe komst in de woestijn voert, zeer veel aanleiding voor de ongunstigste veronderstellingen; gij hebt u eene bende slecht volk aangeworven; grensloopers en vagebonden, het schuim der maatschappij, en gij leeft geheel buiten alle regten en wetten der beschaafde natiën.”„Zijn wij, mannen van de wildernis, woudloopers en jagers der prairiën, dan verpligt om ons aan al de bekrompen gebruiken der steden te onderwerpen?”„Ja, tot op zekere hoogte, dat wil zeggen dat het ons niet vrijstaat om in openbaar verzet te komen tegen de wettige instellingen van menschen, die ofschoon wij van hen gescheiden zijn, niettemin onze broeders blijven, tot welke wij voortdurend in betrekking staan door onze kleur, onze godsdienst, onze geboorte en verder alle banden van aan- of bloedverwantschap die wij niet hebben kunnen verbreken.”„Goed, ik geef tot op zeker punt de juistheid uwer redenering toe; maar gesteld al eens dat de mannen die ik onder mijne bevelen heb inderdaad bandieten, grensloopers, of hoe gij ze noemen wilt, zijn; weet gij dan tevens welke drijfveer hen doet handelen? met welk doel zij te werk gaan? kunt gij tegen hen eene bepaalde beschuldiging inbrengen?”„Wacht even! ik heb nog niet uitgesproken.”„Ga dan voort.”„Bovendien hebt gij, behalve die troep bandieten daar gij duidelijk en blijkbaar openlijk de chef van zijt, ook verbindtenissen met de[204]Roodhuiden aangeknoopt, met de Apachen onder anderen, de onbeschaamdste roovers en plunderaars der prairie; is dat waar?”„Ja en neen, mijn vriend, in zoo ver als de verbindtenis die gij mij verwijt tot hiertoe nooit heeft bestaan; maar dat zij juist dezen morgen door twee mijner vrienden gesloten moet zijn met den Blaauwe-Vos, een der meest beroemde opperhoofden der Apachen.”„Zoo! nu, dat valt al ongelukkig zamen.”„Hoedat?”„Weet gij wat uwe nieuwe bondgenooten dezen nacht gedaan hebben?”„Hoe zou ik het weten, daar ik niet weet waar zij zijn en zelfs geen stellig berigt heb ontvangen dat het contract met hen werkelijk gesloten is.”„Ah! welnu dan zal ik het u zeggen: zij hebben de Venta del Potrero aangevallen en tot den grond toe afgebrand.”Het zwarte oog van den Jaguar schoot een woedenden blik; hij stampvoette en greep krampachtig naar zijn karabijn.„Vive Dios!” riep hij met een schaterende stem, „hebben zij dat gedaan?”„Zij hebben het gedaan en men onderstelt dat het op uw aanstoken was.”De Jaguar haalde verachtelijk de schouders op.„Met welk oogmerk zou ik dat gedaan hebben? MaardoñaCarmela, wat is daarvan geworden?”„Zij is gered, Goddank!”De jongman slaakte een zucht van ontspanning die hem ruimer deed ademen.„En hebt gij ooit aan zulk een schandaal van mijn kant kunnen gelooven?” zeide hij op een toon van verwijt.„Ik geloof het niet meer,” antwoordde de jager.„Dank u, dank u; maar, bij den Hemel! de booswichten zullen de misdaad die zij gepleegd hebben duur betalen, dat zweer ik u; intusschen, ga voort.”„Ongelukkig, ofschoon gij u van mijn eerste grief hebt kunnen vrijpleiten, vrees ik dat gij het niet zult kunnen wat mijn tweede betreft.”„Spreek evenwel.”„Er is eene conducta de plata onder geleide van kapitein Melendez op weg naar Mexico.”De jongman ontroerde min of meer.„Dat wist ik,” zeide hij kort.[205]De jager wierp hem een bespiedenden blik toe.„Men zegt.…” vervolgde deze met zekere aarzeling.„Men zegt,” viel hem de Jaguar schielijk in de rede, „dat ik het konvooi naga, en dat ik, wanneer het geschikte oogenblik komt, aan het hoofd van mijne bandieten het zal aanvallen om mij van het geld meester te maken, zoo zegt men immers?”„Ja.”„Men heeft gelijk,” hervatte de jongman koel, „dat is inderdaad mijn voornemen; wat meer?”Tranquille sprong op van verbazing en verontwaardiging over dit onbeschaamde antwoord.„O!” riep hij met smart,„het is dus waar wat men van u zegt? Gij zijt danwaarlijkeen bandiet?”De jongman glimlachte schamper.„Misschien,” zeide hij met een doffe stem. „Tranquille, gij zijt tweemaal zoo oud als ik, uwe ondervinding is groot: hoe kunt gij zoo stout naar den uiterlijken schijn oordeelen?”„Wat zegt gij! naar den uiterlijken schijn? Hebt gij zelf het niet bekend?”„Ja, dat heb ik.”„Gij zijt dus op diefstal uit?”„Op diefstal!” riep hij gloeijend van verontwaardiging, maar zich terstond herstellende, vervolgde hij:„’t Is waar, gij kunt niet anders denken.”„Welken anderen naam moet ik geven aan zulk eene schandelijke daad?” riep de jager met drift.De Jaguar hief schielijk het hoofd op, als wilde hij antwoorden; maar zijne lippen bleven stom.Tranquille beschouwde hem een oogenblik met eene mengeling van medelijden en teederheid en wendde zich naar Edelhart:„Gaan wij, vriend,” zeide hij,„wij zijn reeds te lang hier geweest.”„Blijf,” riep de jongman; „veroordeel mij niet zoo ras; ik herhaal u, gij weet niet met welke bedoelingen ik te werk ga.”„Wat die bedoelingen ook wezen mogen, zij kunnen niet eerlijk zijn; ik zie er niets anders in dan plundering en moord.”„O!” riep de jongman treurig, zijn hoofd met de beide handen bedekkende.„Laten wij gaan,” hervatte Tranquille.Edelhart had dit gansche tooneel oplettend en koelzinnig gadegeslagen.[206]„Een oogenblik,” riep hij. Toen een stap vooruit komende legde hij den Jaguar de hand op den schouder. Deze hief het hoofd op.„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.„Hoor eens, Caballero,” antwoordde Edelhart met een ernstige stem: „ik weet niet waarom, maar een heimelijk voorgevoel zegt mij dat uw gedrag niet zoo eerloos is als wij op het eerste gezigt moeten veronderstellen, en dat gij eenmaal in staatzultzijn om het op te helderen en u in de oogen van allen te verontschuldigen.”„O! als het mij vrijstond te spreken.”„Hoe lang denkt gij nog gedwongen te zullen zijn om te zwijgen?”„Weet ik het; dat hangt van omstandigheden af die niet in mijne magt liggen.”„Gij kunt derhalve geen tijd bepalen?”„Onmogelijk; ik heb een eed gezworen, dien moet ik houden.”„Goed, beloof mij nu eene zaak.”„Welke?”„Dat gij kapitein Melendez niet naar het leven zult staan.”De Jaguar aarzelde.„Hoe is het?” hervatte Edelhart.„Ik zal doen wat ik kan om hem te sparen.”„Dank u,” zei Edelhart. Zich toen tot Tranquille wendende, die onbeweeglijk naast hem stond, vervolgde hij: „Ga weder zitten, broeder, stellen wij allen verderen argwaan ter zijde, en laten wij ontbijten met den caballero, ik sta u borg voor hem, leven om leven; als hij u van heden af binnen twee maanden wegens zijn gedrag geen voldoende opheldering geeft, dan zal ik, die door geenerlei eed gebonden ben, u dit geheim oplossen, dat u thans zoo duister schijnt en voor u inderdaad onverklaarbaar is.”De Jaguar sidderde en schoot Edelhart een uitvorschenden blik toe, die echter op het effen en strak gelaat van den jager zonder eenige uitwerking bleef.De Canadees aarzelde nog eenige sekonden, maar nam eindelijk weder plaats bij het vuur, in zich zelven mompelende:„Binnen twee maanden, goed,” en liet er terstond nog zachter op volgen: „Maar van nu af aan houd ik hem in ’t oog.”[207]

Gelijk alle menschen die hun leven grootendeels in de wildernis hebben doorgebragt, bezat de Jaguar groote koelzinnigheid, gepaard met de uiterste omzigtigheid.

Ofschoon nog jong, was zijn leven eene aaneenschakeling geweest van de zonderlingste moeijelijkheden en gevaren, en had hij aan zoovele buitengewone tooneelen deel genomen, dat hij zijne gevoelens reeds vroeg in zijn hart had leeren opsluiten; hij wist zijn gelaat steeds in dien onverschilligen plooi te bewaren, welke de Indianen, onder alle zelfs onder de hagchelijkste omstandigheden kenmerkt en hun een der geduchtste wapenen verschaft tegen hunne vijanden.

Toen hem derhalve op eens de stem van Tranquille in de ooren klonk, gevoelde de Jaguar terstond eene geweldige huivering door zijn gansche ligchaam, en fronste hij onwillekeurig de wenkbraauwen,[199]bij de vraag: wat toch den jager bewoog om hem in zijn kamp te bezoeken? daar zijne verhouding met den Canadees in de tegenwoordige oogenblikken zoo al niet geheel vijandig, ten minste ver van vriendschappelijk was.

Evenwel wist de jongman, bij wien het eergevoel steedsluidersprak en die zich door de komst van een man zoo geacht en gewaardeerd als Tranquille zeer gestreeld voelde, de vrees die hem beklemde terstond te onderdrukken en snelde hij den jager met een glimlach op de lippen te gemoet.

Laatstgenoemde was niet alleen, maar had Edelhart bij zich.

De houding waarmede de Canadees verscheen, was, zonder bepaald terugstootend te zijn, nogtans ingetogen; zijne manieren waren koud en op zijn gelaat lag eene wolk van droefgeestigheid.

„Wees welkom in mijn kamp, Tranquille,” zei de Jaguar, hem vriendschappelijk de hand toestekende.

„Dank u,” antwoordde de Canadees lakoniek, zonder de hand aan te nemen die hem werd aangeboden.

„Ik ben blijde u te zien,” vervolgde de jongman, even minzaam als te voren. „Welk gelukkig toeval brengt u herwaarts?”

„Mijn kameraad en ik zijn reeds sedert langen tijd op de jagt geweest; de vermoeijenis overstelpt ons, en de rook van uw kamp heeft ons tot u gelokt.”

De Jaguar veinsde deze onhandige verontschuldiging voor goede munt aan te nemen, ofschoon de Canadees met reden voor een der krachtvolste woudloopers in de woestijn gehouden werd.

„Neem dan plaats bij het vuur in mijne tent,” zeide hij, „beschouw al wat hier is als het uwe en doe als of gij thuis waart.”

De Canadees boog zonder te antwoorden en volgde zoowel als Edelhart den Jaguar, die hun voorging langs de kronkelpaden van het kamp.

Toen zij bij het vuur kwamen, waar de jongman eenige armvollen droog hout op wierp, zetten de jagers zich op de bisonsschedels die hier als stoelen dienden, en zonder het stilzwijgen te breken stopten zij hunne pijpen en begonnen te rooken.

De Jaguar volgde hun voorbeeld.

De blanke woudloopers, die hun gansche leven met jagen en strikkenzetten in de eenzame wildernissen doorbrengen, maken zich onwillekeurig de gewoonten en gebruiken der Roodhuiden eigen, met welke zij, dank zij hunne positie, dagelijks in aanraking komen of omgaan.

Het is hierbij een merkwaardig verschijnsel hoe gereedelijk beschaafde[200]menschen tot het wilde natuurleven terugkeeren, en hoe gereedelijk de jagers, die toch meerendeels in den boezem der steden zijn geboren en opgevoed, hunne vroegere gebruiken afleggen en de gemakken der gezellige zamenleving vaarwel zeggen om de ruwe zeden en gewoonten der Roodhuiden aan te nemen.

Velen onder deze jagers drijven dit zoo ver, dat men hun geen grooter kompliment kan maken dan hen voor Indiaansche krijgslieden en volslagen wildemannen aan te zien of te begroeten.

Daarentegen moeten wij erkennen dat de Roodhuiden maar weinig met onze beschaving zijn ingenomen, en volstrekt niet naar onze maatschappelijke toestanden verlangen: voor zooveel het toeval of hunne handelsaangelegenheden hen soms in onze steden voeren—en als wij hier steden zeggen bedoelen wij geen onbeduidende gehuchten uit den achterhoek, maar hoofdsteden als New-York of Nieuw Orleans,—zullen zij hunne oogen niet uitkijken van bewondering over hetgeen zij zien, maar werpen zij een onverschilligen ja medelijdenden blik in het rond en begrijpen niet hoe de menschen er ooit toe komen kunnen om zich vrijwillig in berookte kooijen op te sluiten die zij huizen noemen, en hun leven in ondankbaren arbeid verslijten, in plaats van in de vrije lucht te leven en in de onmetelijke wildernissen op bisons, beeren en tijgers te jagen, om zoo te zeggen als Nimrods voor Gods aangezigt.

Hebben de wilden hierin zoo geheel ongelijk, of is hun oordeel verkeerd?

Wij voor ons gelooven het niet.

Het leven in de woestijn heeft voor menschen wier hart nog open en vatbaar is om er de treffende verrassingen van te begrijpen, eene wegslepende aantrekkelijkheid, die het wiskunstig afgepaste bestaan in de steden, als men haar eenmaal genoten heeft, nooit kan vergoeden noch doen vergeten.

Volgens den grondregel der Indiaansche etiquette, die wat de beleefdheid aangaat zeer streng aan de regels der hoffelijkheid gebonden is, mag men den vreemdelingen die zich aan het haardvuur in het kamp nederzetten, geen vragen doen voor dat het hun behaagt het gesprek te beginnen.

In de hut van den Indiaan, wordt iedere gast als een gezant van den Grooten Geest beschouwt, hij is heilig voor den gastheer zoolang het hem behaagt er te vertoeven, al ware hij ook zijn doodvijand.

De Jaguar volkomen van de gewoonten der Roodhuiden doordrongen,[201]bleef stilzwijgend bij zijne gasten zitten en rookte in gedachten zijne pijp, geduldig wachtende tot zij goedvonden het woord op te vatten.

Eindelijk, na een vrij lang tijdsverloop, schudde Tranquille de asch van zijn pijp op den nagel van zijn duim en wendde zich tot den jongman.

„Gij hebt mij zeker niet verwacht, niet waar?” vroeg hij.

„Waarlijk niet,” antwoordde de Jaguar, „maar geloof mij al was uw bezoek onverhoopt, het is mij echter niet minder aangenaam.”

De jager trok de lippen op eene zonderlinge wijs zamen.

„’t Is mogelijk!” prevelde hij, meer in antwoord op zijn eigene gedachten dan op hetgeen de Jaguar sprak, „misschien ja, misschien neen; het menschelijk hart is een geheimzinnig en moeijelijk te ontcijferen boek, dat alleen de dwazen meenen te kunnen lezen.”

„Zoo is het toch niet met het mijne, jager,” zei de jongman, „gij kent mij te goed om het niet te weten.”

De Canadees schudde het hoofd.

„Gij zijt nog jong, het hart waarvan gij spreekt is u zelven nog niet bekend; gedurende het kort bestek van uw leven heeft de storm der hartstogten nog niet uitgeblazen en u onder zijn magtigen aangreep doen krommen; wacht eer gij mij bepaald kunt antwoorden tot gij bemind en geleden hebt, zoo gij dan den schok moedig doorgestaan en het vuur der jeugd dapper weerstand hebt geboden, staat het u vrij het hoofd hooger op te steken.”

Deze woorden werden op strengen, maar geenszins scherpen toon uitgesproken.

„Gij zijt hard voor mij van daag, Tranquille,” antwoordde de jongman verdrietig. „Waarmede kan ik het in uwe oogen verkorven hebben? Welke berispelijke daad heb ik begaan?”

„Geenerlei, ik wil het ten minste liefst niet denken, maar ik vrees dat gij spoedig.…” Hier hield hij op en schudde treurig het hoofd.

„Ga voort!” riep de jongman met drift.

„Wat zou het baten,” hervatte hij, „wie ben ik, dat ik u eene moraal zou opzeggen die gij zonder twijfel veracht, en raadgevingen die u geenszins welkom zijn? Het is beter te zwijgen.”

„Tranquille!” antwoordde de jongman op een toon van ontroering die hij niet kon overmeesteren, „wij kennen elkander sedert lang, gij weet hoeveel achting en eerbied ik u toedraag,[202]spreek! Wat gij mij ook te zeggen hebt, en welke harde verwijten gij mij moogt toevoegen, ik zweer u dat ik u zal aanhooren.”

„Bah! denk niet meer om hetgeen ik u gezegd heb, ik had ongelijk mij met uwe zaken te bemoeijen, ieder moet zijn eigen zaken weten, spreken wij er niet meer van.”

De Jaguar schoot hem een langen en scherpen blik toe.

„Goed. Het zij zoo,” antwoordde hij, „spreken wij er niet meer van.”

Hij stond op, stapte een paar malen onrustig op en neer, en kwam op eens weder bij den jager terug:

„Neem mij niet kwalijk dat ik u nog geen ververschingen heb aangeboden,” zeide hij, „maar het is thans etenstijd, ik hoop dat gij en uw vriend mij de eer zult aandoen van mijn sober ontbijt met mij te deelen.”

Terwijl hij dit sprak vestigde de Jaguar op den Canadees een zonderlingen blik.

Tranquille aarzelde op nieuw.

„Dezen morgen met het opgaan der zon,” zeide hij eindelijk, „hebben wij reeds gegeten, juist even voor dat wij in uw kamp binnentraden.”

„Dat dacht ik wel!” riep de jongman met een uitbarsting van jeugdige drift: „O! nu is al mijn twijfel opgelost, ik zie gij weigert water en zout aan mijn haard te gebruiken, jager.”

„Ik? maar gij ver.…”

„Och!” viel hij hem heftig in de rede, „ontken het toch maar niet; zoek geen uitvlugten die u en mij onwaardig zijn; gij zijt een te eerlijk en opregt man, om niet ronduit te spreken,cuerpo de Cristo! Gij kent de wet der prairiën even goed als ik; men eet niet met zijn vijand. Nu dan, zoo gij in uwe ziel nog een vonkje van de welwillendheid bezit die gij altijd voor mij gehad hebt, verklaar mij dan duidelijk en zonder omwegen wat er van is: ik vorder het.”

De Canadees scheen eenige minuten na te denken; eindelijk riep hij op eens:

„’t Is waar, gij hebt gelijk, Jaguar, het is beter dat wij onbewimpeld voor de zaken uitkomen als rondborstige jagers, dan met elkander te zitten meesmuilen als Roodhuiden, en daarbij geen mensch is onfeilbaar: ik kan mij even goed vergissen als een ander; en God is mijn getuige, hoezeer ik thans wensch dat ik mij bedrogen heb.”

„Ik verlang u te hooren, en op mijn eer, zoo de dingen die gij mij verwijt gegrond zijn, zal ik ze bekennen.”[203]

„Goed,” riep de jager op vriendelijker toon dan hij tot hiertoe gebezigd had, „gijspreektals een man; maar misschien,” vervolgde hij, op Edelhart wijzende, die reeds op wilde staan om zich te verwijderen, „misschien hebt gij liever dat ons gesprek geheim blijft.”

„Integendeel,” antwoordde de Jaguar levendig, „die jager is uw vriend en ik hoop dat hij weldra ook de mijne zal zijn, ik wil niets voor hem verbergen.”

„Ik voor mij wensch niets liever,” zei Edelhart met eene buiging, „dan dat de kleine wolk die tusschen u en Tranquille is opgerezen verdwijne als ligte morgendamp voor de zon, om mij daarop nader met u in kennis te brengen, en daar gij het wilt, zal ik uw gesprek bijwonen.”

„Dank u, caballero. Spreek nu, Tranquille, ik ben gereed om de grieven te hooren die gij ten mijnen laste denkt te hebben.”

„Ongelukkig maar,” zeide Tranquille, „geeft de zonderlinge levenswijze die gij sedert uwe komst in de woestijn voert, zeer veel aanleiding voor de ongunstigste veronderstellingen; gij hebt u eene bende slecht volk aangeworven; grensloopers en vagebonden, het schuim der maatschappij, en gij leeft geheel buiten alle regten en wetten der beschaafde natiën.”

„Zijn wij, mannen van de wildernis, woudloopers en jagers der prairiën, dan verpligt om ons aan al de bekrompen gebruiken der steden te onderwerpen?”

„Ja, tot op zekere hoogte, dat wil zeggen dat het ons niet vrijstaat om in openbaar verzet te komen tegen de wettige instellingen van menschen, die ofschoon wij van hen gescheiden zijn, niettemin onze broeders blijven, tot welke wij voortdurend in betrekking staan door onze kleur, onze godsdienst, onze geboorte en verder alle banden van aan- of bloedverwantschap die wij niet hebben kunnen verbreken.”

„Goed, ik geef tot op zeker punt de juistheid uwer redenering toe; maar gesteld al eens dat de mannen die ik onder mijne bevelen heb inderdaad bandieten, grensloopers, of hoe gij ze noemen wilt, zijn; weet gij dan tevens welke drijfveer hen doet handelen? met welk doel zij te werk gaan? kunt gij tegen hen eene bepaalde beschuldiging inbrengen?”

„Wacht even! ik heb nog niet uitgesproken.”

„Ga dan voort.”

„Bovendien hebt gij, behalve die troep bandieten daar gij duidelijk en blijkbaar openlijk de chef van zijt, ook verbindtenissen met de[204]Roodhuiden aangeknoopt, met de Apachen onder anderen, de onbeschaamdste roovers en plunderaars der prairie; is dat waar?”

„Ja en neen, mijn vriend, in zoo ver als de verbindtenis die gij mij verwijt tot hiertoe nooit heeft bestaan; maar dat zij juist dezen morgen door twee mijner vrienden gesloten moet zijn met den Blaauwe-Vos, een der meest beroemde opperhoofden der Apachen.”

„Zoo! nu, dat valt al ongelukkig zamen.”

„Hoedat?”

„Weet gij wat uwe nieuwe bondgenooten dezen nacht gedaan hebben?”

„Hoe zou ik het weten, daar ik niet weet waar zij zijn en zelfs geen stellig berigt heb ontvangen dat het contract met hen werkelijk gesloten is.”

„Ah! welnu dan zal ik het u zeggen: zij hebben de Venta del Potrero aangevallen en tot den grond toe afgebrand.”

Het zwarte oog van den Jaguar schoot een woedenden blik; hij stampvoette en greep krampachtig naar zijn karabijn.

„Vive Dios!” riep hij met een schaterende stem, „hebben zij dat gedaan?”

„Zij hebben het gedaan en men onderstelt dat het op uw aanstoken was.”

De Jaguar haalde verachtelijk de schouders op.

„Met welk oogmerk zou ik dat gedaan hebben? MaardoñaCarmela, wat is daarvan geworden?”

„Zij is gered, Goddank!”

De jongman slaakte een zucht van ontspanning die hem ruimer deed ademen.

„En hebt gij ooit aan zulk een schandaal van mijn kant kunnen gelooven?” zeide hij op een toon van verwijt.

„Ik geloof het niet meer,” antwoordde de jager.

„Dank u, dank u; maar, bij den Hemel! de booswichten zullen de misdaad die zij gepleegd hebben duur betalen, dat zweer ik u; intusschen, ga voort.”

„Ongelukkig, ofschoon gij u van mijn eerste grief hebt kunnen vrijpleiten, vrees ik dat gij het niet zult kunnen wat mijn tweede betreft.”

„Spreek evenwel.”

„Er is eene conducta de plata onder geleide van kapitein Melendez op weg naar Mexico.”

De jongman ontroerde min of meer.

„Dat wist ik,” zeide hij kort.[205]

De jager wierp hem een bespiedenden blik toe.

„Men zegt.…” vervolgde deze met zekere aarzeling.

„Men zegt,” viel hem de Jaguar schielijk in de rede, „dat ik het konvooi naga, en dat ik, wanneer het geschikte oogenblik komt, aan het hoofd van mijne bandieten het zal aanvallen om mij van het geld meester te maken, zoo zegt men immers?”

„Ja.”

„Men heeft gelijk,” hervatte de jongman koel, „dat is inderdaad mijn voornemen; wat meer?”

Tranquille sprong op van verbazing en verontwaardiging over dit onbeschaamde antwoord.

„O!” riep hij met smart,„het is dus waar wat men van u zegt? Gij zijt danwaarlijkeen bandiet?”

De jongman glimlachte schamper.

„Misschien,” zeide hij met een doffe stem. „Tranquille, gij zijt tweemaal zoo oud als ik, uwe ondervinding is groot: hoe kunt gij zoo stout naar den uiterlijken schijn oordeelen?”

„Wat zegt gij! naar den uiterlijken schijn? Hebt gij zelf het niet bekend?”

„Ja, dat heb ik.”

„Gij zijt dus op diefstal uit?”

„Op diefstal!” riep hij gloeijend van verontwaardiging, maar zich terstond herstellende, vervolgde hij:

„’t Is waar, gij kunt niet anders denken.”

„Welken anderen naam moet ik geven aan zulk eene schandelijke daad?” riep de jager met drift.

De Jaguar hief schielijk het hoofd op, als wilde hij antwoorden; maar zijne lippen bleven stom.

Tranquille beschouwde hem een oogenblik met eene mengeling van medelijden en teederheid en wendde zich naar Edelhart:

„Gaan wij, vriend,” zeide hij,„wij zijn reeds te lang hier geweest.”

„Blijf,” riep de jongman; „veroordeel mij niet zoo ras; ik herhaal u, gij weet niet met welke bedoelingen ik te werk ga.”

„Wat die bedoelingen ook wezen mogen, zij kunnen niet eerlijk zijn; ik zie er niets anders in dan plundering en moord.”

„O!” riep de jongman treurig, zijn hoofd met de beide handen bedekkende.

„Laten wij gaan,” hervatte Tranquille.

Edelhart had dit gansche tooneel oplettend en koelzinnig gadegeslagen.[206]

„Een oogenblik,” riep hij. Toen een stap vooruit komende legde hij den Jaguar de hand op den schouder. Deze hief het hoofd op.

„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.

„Hoor eens, Caballero,” antwoordde Edelhart met een ernstige stem: „ik weet niet waarom, maar een heimelijk voorgevoel zegt mij dat uw gedrag niet zoo eerloos is als wij op het eerste gezigt moeten veronderstellen, en dat gij eenmaal in staatzultzijn om het op te helderen en u in de oogen van allen te verontschuldigen.”

„O! als het mij vrijstond te spreken.”

„Hoe lang denkt gij nog gedwongen te zullen zijn om te zwijgen?”

„Weet ik het; dat hangt van omstandigheden af die niet in mijne magt liggen.”

„Gij kunt derhalve geen tijd bepalen?”

„Onmogelijk; ik heb een eed gezworen, dien moet ik houden.”

„Goed, beloof mij nu eene zaak.”

„Welke?”

„Dat gij kapitein Melendez niet naar het leven zult staan.”

De Jaguar aarzelde.

„Hoe is het?” hervatte Edelhart.

„Ik zal doen wat ik kan om hem te sparen.”

„Dank u,” zei Edelhart. Zich toen tot Tranquille wendende, die onbeweeglijk naast hem stond, vervolgde hij: „Ga weder zitten, broeder, stellen wij allen verderen argwaan ter zijde, en laten wij ontbijten met den caballero, ik sta u borg voor hem, leven om leven; als hij u van heden af binnen twee maanden wegens zijn gedrag geen voldoende opheldering geeft, dan zal ik, die door geenerlei eed gebonden ben, u dit geheim oplossen, dat u thans zoo duister schijnt en voor u inderdaad onverklaarbaar is.”

De Jaguar sidderde en schoot Edelhart een uitvorschenden blik toe, die echter op het effen en strak gelaat van den jager zonder eenige uitwerking bleef.

De Canadees aarzelde nog eenige sekonden, maar nam eindelijk weder plaats bij het vuur, in zich zelven mompelende:

„Binnen twee maanden, goed,” en liet er terstond nog zachter op volgen: „Maar van nu af aan houd ik hem in ’t oog.”[207]


Back to IndexNext