XXIX.

[Inhoud]XXIX.DE KOOP.De twee avonturiers galoppeerden vrolijk naast elkander voort, keuvelden zamen over zonneschijn en regen, over de nieuwtjes der woestijn, namelijk hunne jagtpartijen en schermutselingen met de Indianen, en redeneerden over de staatkundige gebeurtenissen die sedert de laatste maanden een ernstigen keer hadden genomen en niet zonder verontrustend gewigt waren voor de Mexicaansche regering.Zoo al voortpratend, soms over de nietigste zaken, en elkander vragen doende daar zij naauwlijks het antwoord op verlangden, had hun gesprek geen ander doel dan om de gedachten te verbergen waar elk van hen zich in stilte mede bezig hield.Bij hunne vorige redewisseling hadden beiden met list gewerkt om achter elkanders geheimen te komen, de jager manoeuvreerde om den soldaat tot verraad over te halen en de soldaat op zijne beurt om zich daartoe op eene voordeelige manier te laten omkoopen; aan het slot van dezen tweestrijd met de wapenen der sluwheid, bleken beiden even sterk te zijn, maar had toch ieder de uitkomst verkregen die hij beoogde.Dit punt bereikt zijnde, kon de kwestie tusschen hen niet lang blijven staan; gelijk bij alle schraapzuchtige gemoederen, had het succes, in plaats van hun voldoening te geven, in hun binnenste een aantal vermoedens doen oprijzen; John Davis bijv. vroeg zich in stilte, wat toch den dragonder bewogen had om zoo gemakkelijk zijne partij te verraden, zonder vooraf eenige aanzienlijke voordeelen voor zich zelven te bedingen?Want in Amerika telt alles, vooral eerloosheid doet er vaak goede zaken.Van zijn kant vond de dragonder dat de jager wat al te ligt geloof had geslagen aan hetgeen hij hem vertelde, en ondanks de minzame manieren van zijn nieuwen kameraad nam zijne ongerustheid meer en meer toe, naarmate hij het kamp der grensloopers naderkwam, daar hij begon te vreezen dat hij zich blindelings in een strik had laten vangen, door zoo onvoorzigtig vertrouwen te schenken aan iemand wiens goede naam veel te wenschen overliet.Dit was zoo wat ongeveer de gemoedsstemming tusschen de[232]twee avonturiers tegenover elkander, een uurtje nadat zij de plek verlaten hadden die hen zoo toevallig te zamen bragt.Intusschen hielden zij de vrees die hen bezielde elk voor zich zorgvuldig geheim; uitwendig was er niets van te bespeuren; integendeel wedijverden zij in beleefdheid en voorkomendheid en behandelden zich onderling veeleer als lieve broeders, die verrukt waren elkander na lange scheiding weder te zien, dan als lieden die naauwlijks twee uren geleden elkander voor het eerst in hun leven gesproken hadden.De zon was reeds een uur ondergegaan en de nacht stikdonker toen zij het kamp van den Jaguar bereikten, en op korten afstand in de duisternis de bivakvuren zagen flikkeren, wier roode gloed op de omringende voorwerpen een tooverachtige uitwerking deed en op het sombere landschap der prairie het stempel drukte eener majestueuze woestheid.„Wij zijn er,” riep de jager zijn paard inhoudende met een zijdelingschen wenk tegen zijn kameraad, „niemand heeft ons bemerkt: gij kunt dus nog terugkeeren zoo gij verkiest, zonder vrees voor vervolging, hoe wilt gij?”„Canarios! kameraad,” antwoordde de dragonder even de schouders ophalende op een toon van minachting, „ik ben niet herwaarts gekomen om nog aan den ingang van het kamp te staan weifelen; neem mij niet kwalijk, maar met allen eerbied voor uw verstand, vind ik uwe vraag ten minste vrij zonderling.”„Ik was aan mij zelven schuldig u die te doen,” meesmuilde John Davis, „wie weet of gij u morgen niet beklaagt over den stap dien gij van daag doet?”„’t Is mogelijk. Maar het zij zoo, ik waag er mij aan; mijn besluit is eenmaal genomen, en staat onbewegelijk. Rukken wij dus in ’s hemels naam voorwaarts!”„Zoo als gij verkiest, caballero, binnen vijf minuten zijt gij in de tegenwoordigheid van den chef dien gij verlangt te zien; gij kunt u met hem verstaan, mijne taak is geëindigd.”„En ik heb niets meer te doen dan er u voor te bedanken,” viel de soldaat hem met drift in de rede; „maar blijven wij hier toch niet langer staan, wij zouden ligt de aandacht trekken en een kogel op ons af krijgen, daar ik om u de waarheid te zeggen niet op gesteld ben.”Zonder te antwoorden, gaf de jager zijn paard de sporen en zij reden op nieuw voort.Na verloop van een paar minuten kwamen zij binnen den kring[233]der door de vuren verlichte ruimte; bijna op het zelfde oogenblik hoorden zij het ketsen van een geweerslot en riep er eene ruwe stem om voor den duivel niet verder te komen.Deze aanmaning, ofschoon niet zeer beleefd, was desniettemin verpligtend; de beide avonturiers achtten het dus voorzigtig om er zich naar te gedragen.Verscheidene gewapenden kwamen thans uit de verschansing te voorschijn, en een van hen de vreemdelingen toesprekende, vroeg wie zij waren en wat zij op zulk een onvoegzaam uur verlangden.„Wie wij zijn?” antwoordde de Amerikaan; „vrienden! en wat wij verlangen? zoodra mogelijk binnen te komen.”„Dat is alles zeer fraai en goed,” hervatte de andere, „maar als gij uw naam niet opgeeft, zult gij niet zoo spoedig worden binnengelaten, te minder, daar een van u een uniform draagt die bij ons niet in den besten reuk staat.”„Zeer goed, Ruperto,” antwoordde de Amerikaan, „ik ben John Davis, gij kent mij, zou ik denken; laat mij derhalve zonder verder oponthoud binnen; voor dezen caballero sta ik u borg, hij heeft aan uw chef eene belangrijke mededeeling te doen.”„Wees welkom, master John; neem mij niet kwalijk dat ik u heb opgehouden, zoo als gij weet is de voorzigtigheid de moeder van de zekerheid.”Zij traden thans zonder verdere verhindering het kamp binnen.De grensloopers lagen allen rondom hunne bivakvuren ingeslapen; slechts een kordon schildwachten, aan de uitgangen van het kamp geplaatst, waakten voor de algemeene veiligheid.John Davis steeg af en verzocht zijn kameraad om het zelfde te doen; daarop wenkte hij hem te volgen, terwijl hij naar eene tent stapte, door welker linnen gordijn men een zwak licht zag flikkeren.Aan den ingang der tent komende bleef de jager staan, klapte tweemaal in de handen, en riep met eene gerekte stem:„Slaapt gij, Jaguar?”„Zijt gij het, John Davis, mijn oude kameraad?” antwoordde terstond eene stem uit de tent.„Ja.”„Kom binnen dan, ik wacht u met ongeduld.”De Amerikaan hief het gordijn op dat voor den ingang hing en sloop de tent binnen, op de hielen gevolgd door den dragonder, terwijl het gordijn achter hen toeviel.[234]De Jaguar zat op een bisonsschedel aan een kleine tafel, en doorbladerde een aantal brieven en papieren bij het licht eener schemerende candil; in een hoek der tent zag men twee of drie beerenvellen, zonder twijfel bestemd om hem tot bed te dienen. Op het gezigt der binnenkomenden, schoof de jongman zijne papieren bij een en sloot ze weg in een kleine ijzeren schrijfcassette, waarvan hij den sleutel in zijn borstzak verborg; toen hief hij het hoofd op en wierp een onrustigen blik naar den dragonder.„Wat is dat, John?” vroeg hij, „brengt gij mij gevangenen?”„Neen,” antwoordde John; „deze caballero heeft volstrekt verlangd u te zien, om zekere redenen die hij u zelf verklaren zal, ik heb gemeend aan zijn verlangen gevolg te moeten geven.”„Goed, wij zullen ons dadelijk met hem bezig houden; maar wat hebt gij gedaan?”„Wat gij mij hadt opgedragen.”„Gij zijt derhalve geslaagd?”„Volkomen.”„Bravo! mijn vriend; vertel mij dat eens nader.”„Waartoe nadere opheldering?” hernam de Amerikaan met een zijdelingschen oogwenk naar den dragonder, die onbewegelijk en bedaard twee passen van hem afstond.De Jaguar begreep hem.„Gij hebt gelijk,” zeide hij; „laten wij dan zien wat wij van dezen man kunnen maken;” zich toen tot den soldaat wendende, vervolgde hij: „kom nader, mijn dappere.”„Geheel tot uwe orders, kapitein.”„Hoe heet gij?”„Gregorio Felpa. Ik ben dragonder, zooals gij reeds aan mijn uniform kunt zien, kapitein.”„Om welke reden verlangt gij mij te zien?”„Uit verlangen om u een gewigtige dienst te bewijzen, kapitein.”„Ik zeg u dank; maar goede diensten laten zich gewoonlijk verduiveld duur betalen, en ik ben niet rijk.”„Gij kunt het worden.”„Ik hoop ja. Maar welke is die groote dienst die gij mij wilt bewijzen?”„Dat zal ik u in twee woorden zeggen, kapitein. Alle politieke zaken hebben twee aangezigten, het hangt slechts af van het oogpunt uit hetwelk men ze beziet. Ik ben een kind van Texas, de zoon van een Amerikaanschen vader en eene Indiaansche moeder[235]hetgeen met andere woorden wil zeggen, dat ik de Mexicanen van ganscher hart verfoei.”„Kom ter zake.”„Ik ben er reeds. Soldaat tegen mijn zin, heeft de generaal Rubio mij met een brief belast voor kapitein Melendez, in welken hij hem het punt aanwijst daar hij zich heen begeven moet om de Rio-Seco te vermijden, waar men zegt dat gij plan hebt om hem af te wachten, ten einde de conducta op te ligten.”„Ah zoo!” riep de Jaguar, op eens met gespannen aandacht luisterende; „maar hoe weet gij zoo goed wat er in den brief staat?”„Dat is zeer eenvoudig, kapitein. De generaal stelt in mij een onbepaald vertrouwen. Hij heeft mij de dépêche voorgelezen, te meer daar mij gelast is om den kapitein als gids te dienen en hem op het aangewezen punt te brengen.”„Maar dan verraadt gij uw chef?”„Is dat wel de regte naam waarmedegijmijne daad bestempelen moet?”„Ik spreek uit het gezigtspunt van den generaal.”„En uit het uwe dan?”„Als wij het eens zijn geworden, zal ik u dat zeggen.”„Goed,” antwoordde de soldaat onbekommerd.„Hebt gij die dépêche?”„Hier is zij.”De Jaguar nam haar aan, bekeek haar aandachtig, keerde haar om en om en hield zich alsof hij haar wilde openbreken.„Pas op, kapitein!” riep de soldaat schielijk.„Waarom?”„Als gij haar openbreekt, kan ik haar niet meer aan het adres bezorgen.”„Hoe zegt gij daar?”„Gij begrijpt mij niet,” riep de soldaat met kwalijk verholen ongeduld.„Dat kan wel zijn,” antwoordde de Jaguar.„Ik verzoek u alleen om mij vijf minuten aan te hooren.”„Spreek.”„De plaats die generaal Rubio den kapitein heeft aangewezen, is de laguna del Venado. Eer men aan dit punt komt, ligt een vrij naauwe en zeer boschrijke bergengte.”„De pas delPalo-Muerto, die ken ik.”„Goed. Daar moet gij u links en regts in de bosschen versteken,[236]en als de conducta voorbijkomt haar aan alle zijden te gelijk bespringen, dan is het onmogelijk dat zij u ontsnapt, wanneer gij, zoo als ik niet twijfel, uwe maatregelen goed weet te nemen.”„Ja, voor een overrompeling is de plaats uitmuntend geschikt; maar wie staat mij borg dat het konvooi deze bergengte passeert, en niet de Rio-Seco?”„Ik.”„Hoe dat, gij?”„Welzeker, daar ik haar geleiden moet als gids.”„Hum! nu verstaan wij elkander niet meer.”„Integendeel, zeer goed; ik verlaat u, en ik begeef mij naar den kapitein, om hem den brief ter hand te stellen; dan zal hij tegen wil en dank gedwongen zijn mij tot gids te nemen; en ik zal hem in uwe handen leveren zoo zeker als een schaap dat naar den slagter gaat.”De Jaguar schoot den soldaat een blik toe zoo doordringend, als had hij hem tot in het diepst van zijn hart willen zien.„Gij zijt een stoutmoedige knaap,” zeide hij, „maar gij regelt de zaken dunkt mij een weinig te veel naar uw eigen goedvinden. Ik ken u niet, het is voor het eerst dat ik u zie en, neem mij niet kwalijk dat ik het zeg, gij komt nog wel om mij met u in een verraad te betrekken. Wie staat mij borg voor uwe trouw? Als ik onnoozel genoeg ben u stil te laten gaan, wie verzekert mij dan dat gij u niet tegen mij zult keeren?”„Vooreerst mijn eigen belang; zoo gij u van het konvooi meester maakt, krijg ik van u vijf honderd oncen.”„Dat is niet te veel; veroorloof mij eene bedenking.”„Spreek, kapitein.”„Wie verzekert mij, dat men u niet tweemaal zooveel heeft gegeven, om u van mij meester te maken?”„O!” riep de soldaat met een wenk van sterke ontkenning.„Wat duivel! hoor eens, men heeft wel eens vreemder dingen gezien, en hoe weinig mijn hoofd ook waard zij, moet ik tot mijne schande bekennen dat ik het niet gaarne zou verspelen; ik verklaar u dus, als gij geen betere waarborgen hebt, dat er van de zaak niets komt.”„Dat zou jammer zijn.”„Ik weet het wel, maar dat hapert aan u en niet aan mij; gij hadt uwe maatregelen beter moeten nemen alvorens bij mij te komen.”„Er is dus niets dat u van mijne goede trouw zou kunnen verzekeren?”„Niets.”[237]„Wacht! wij zullen er een eind aan maken,” riep de soldaat vol ongeduld.„Hoe eer hoe liever bid ik u. Dat is al wat ik verlang.”„Ik kan er immers op rekenen,señor, dat ik de vijf honderd oncen goud van u krijg?”„Als ik door uw toedoen meester ben van de conducta de plata.”„Pardi!”„Ik beloof het u.”„Dat is mij genoeg, ik weet wel dat gij uw woord niet zult breken.”Thans knoopte hij zijn uniformbuis los, nam een zakje dat aan een kettingje aan zijn hals hing en hield het den kapitein voor.„Weet gij wat dat is?” vroeg hij.„Wel zeker,” antwoordde de Jaguar een kruis slaande, „dat is een reliek.”„Gezegend door den Paus, zoo als het attest dat er bij is, aantoont.”„’t Is waar.”Hij deed het van zijn hals, stelde het den jongman ter hand, maakte toen met de beide duimen een kruis en sprak met eene nadrukkelijke stem:„Ik, Gregorio Felpa, zweer op dit reliek, dat ik al de voorwaarden van den tusschen mij en den edelen kapitein Jaguar gesloten koop, getrouw zal nakomen; zoo ik mijn eed mogt breken, dan verzaak ik van heden afvooraltijd mijn deel aan het paradijs en geef mij over aan de eeuwige vlammen der hel—hiermede,” vervolgde hij, „bewaart gij deze kostbare reliek, en geeft mij die niet weder voor dat ik terug kom.”De kapitein hing het zichonmiddellijkom den hals, zonder een woord te antwoorden.Kan er grooter ongerijmdheid bestaan dan deze tegenstrijdigheid van het menschelijk hart! Deze Indianen, nog grootendeels heidenen, ofschoon zij den heiligen Doop ontvangen hebben en terwijl zij in het openbaar de regelen der katholieke godsdienst waarnemen, houden zij zich nog altijd in ’t geheim aan de vormen en denkbeelden van hun voorvaderlijk geloof, en stellen daarbij een onbepaald vertrouwen op relieken en amuletten of toovermiddelen; ieder draagt er een in een zakje om den hals, en deze losbandige menschen, voor welke niets te heilig is, die met de edelste gevoelens spotten en wier leven in het bedenken en najagen van allerlei bedrog en verraderij omgaat, hebben voor deze relieken zoo veeleerbieddat zij er hunne plegtigste eeden op zweren en er[238]geen voorbeeld bestaat dat zij zulk een eed immer gebroken hebben.Verklare wie lust heeft dit buitengewoon verschijnsel, wij voor ons willen het hier alleen aangeven.Nadat de soldaat zijn eed had afgelegd, waren de twijfelingen van den Jaguaronmiddellijkverdwenen om voor het onbepaaldste vertrouwen plaats te maken.Het gesprek verloor thans dien gespierden toon dien het tot op dit oogenblik had; de dragonder nam op een der bisonsschedels plaats en de drie mannen, voortaan eensgezind, begonnen eene vertrouwde redewisseling over de beste middelen om zonder gevaar of hindernis hun doel te bereiken.Het hoofdzakelijke plan door den soldaat voorgesteld was zoo eenvoudig en gemakkelijk in de uitvoering dat er aan het welslagen geen twijfel kon bestaan; het werd dus in zijn geheel aangenomen en het gesprek liep alleen over kleine bijzonderheden.Eindelijk, toen de nacht reeds ver gevorderd was, gingen de drie mannen uiteen, om eenige oogenblikken rust te nemen tusschen de vermoeijenissen van den afgeloopen dag en die welke zij op den volgenden zouden hebben door te staan.Gregorio sliep, zoo als een Spaansch spreekwoord het noemta pierna suelta, dat is als een trekos.Omtrent twee uren voor zonsopgang stiet de Jaguar hem aan om hem te wekken, en de soldaat stond dadelijk op, wreef zich de oogen uit en na verloop van vijf minuten was hij zoo frisch en gereed alsof hij vierentwintig uren geslapen had.„Het is tijd om te vertrekken,” zei de Jaguar zacht;„John Davis heeft uw paard reeds verzorgd en gezadeld.”Zij gingen de tent uit; werkelijk had de Amerikaan het paard van den soldaat bij den teugel, en deze sprong terstond in den zadel zonder eens van den stijgbeugel gebruik te maken, om te doen zien dat hij volkomen had uitgerust.„Vooral de grootste voorzigtigheid,” beet de Jaguar hem in ’t oor; „pas toch op uwe woorden en zelfs op uwe gebaren, gij hebt met den dappersten en slimsten officier te doen van het gansche Mexicaansche leger.”„Laat dat gerust aan mij over, kapitein. Canarios! de kans staat te schoon om door los spelen de partij te verliezen.”„Nog een woord.”„Ik luister.”„Zie het zoo aan te leggen, dat gij eerst met het vallen van den avond aan den bergpas komt; in de duisternis hebben zulke overrompelingen[239]het beste kans om te slagen: en hiermede adieu en goed fortuin!”„Ik wensch u hetzelfde.”De Jaguar en de Amerikaan begeleidden den dragonder tot aan de verschansing om hem ongehinderd voorbij de voorposten te brengen, die zonder deze voorzorg, wegens de uniform die hij droeg, onverbiddelijk op hem zouden gevuurd hebben.Toen hij buiten het kamp was, volgden de beide mannen hem met de oogen zoo lang zij de zwarte gestalte als een schim door het geboomte konden zien voortzweven waar zij weldra verdween.„Hum!” riep John Davis, „dat noem ik een uitgeleerde schelm, hij is listiger dan een oppossum.Damn! wat een verfoeijelijke kerel!”„Wel! vriend,” antwoordde de Jaguar luchthartig, „zulke menschen moeten er ook zijn, hoe zouden wij het anders maken?”„Dat is waar, hij is omtrent even noodzakelijk als de pest en de geele koorts; maar dat daargelaten, zeg ik nog eens hij is de volmaaktste gaauwdief dien ik ooit gezien heb, en ik durf zweren dat ik er al een fraaije verzameling van heb bijgewoond gedurende mijn langen levensloop!”Eenige minuten later braken de grensloopers het kamp op en stegen te paard om zich naar de bergengte del Palo-Muerto te begeven, hun aangewezen door Gregorio Felpa, de assistent van den generaal Rubio, wiens volle vertrouwen hij genoot en zoo voorbeeldig op prijs stelde.

[Inhoud]XXIX.DE KOOP.De twee avonturiers galoppeerden vrolijk naast elkander voort, keuvelden zamen over zonneschijn en regen, over de nieuwtjes der woestijn, namelijk hunne jagtpartijen en schermutselingen met de Indianen, en redeneerden over de staatkundige gebeurtenissen die sedert de laatste maanden een ernstigen keer hadden genomen en niet zonder verontrustend gewigt waren voor de Mexicaansche regering.Zoo al voortpratend, soms over de nietigste zaken, en elkander vragen doende daar zij naauwlijks het antwoord op verlangden, had hun gesprek geen ander doel dan om de gedachten te verbergen waar elk van hen zich in stilte mede bezig hield.Bij hunne vorige redewisseling hadden beiden met list gewerkt om achter elkanders geheimen te komen, de jager manoeuvreerde om den soldaat tot verraad over te halen en de soldaat op zijne beurt om zich daartoe op eene voordeelige manier te laten omkoopen; aan het slot van dezen tweestrijd met de wapenen der sluwheid, bleken beiden even sterk te zijn, maar had toch ieder de uitkomst verkregen die hij beoogde.Dit punt bereikt zijnde, kon de kwestie tusschen hen niet lang blijven staan; gelijk bij alle schraapzuchtige gemoederen, had het succes, in plaats van hun voldoening te geven, in hun binnenste een aantal vermoedens doen oprijzen; John Davis bijv. vroeg zich in stilte, wat toch den dragonder bewogen had om zoo gemakkelijk zijne partij te verraden, zonder vooraf eenige aanzienlijke voordeelen voor zich zelven te bedingen?Want in Amerika telt alles, vooral eerloosheid doet er vaak goede zaken.Van zijn kant vond de dragonder dat de jager wat al te ligt geloof had geslagen aan hetgeen hij hem vertelde, en ondanks de minzame manieren van zijn nieuwen kameraad nam zijne ongerustheid meer en meer toe, naarmate hij het kamp der grensloopers naderkwam, daar hij begon te vreezen dat hij zich blindelings in een strik had laten vangen, door zoo onvoorzigtig vertrouwen te schenken aan iemand wiens goede naam veel te wenschen overliet.Dit was zoo wat ongeveer de gemoedsstemming tusschen de[232]twee avonturiers tegenover elkander, een uurtje nadat zij de plek verlaten hadden die hen zoo toevallig te zamen bragt.Intusschen hielden zij de vrees die hen bezielde elk voor zich zorgvuldig geheim; uitwendig was er niets van te bespeuren; integendeel wedijverden zij in beleefdheid en voorkomendheid en behandelden zich onderling veeleer als lieve broeders, die verrukt waren elkander na lange scheiding weder te zien, dan als lieden die naauwlijks twee uren geleden elkander voor het eerst in hun leven gesproken hadden.De zon was reeds een uur ondergegaan en de nacht stikdonker toen zij het kamp van den Jaguar bereikten, en op korten afstand in de duisternis de bivakvuren zagen flikkeren, wier roode gloed op de omringende voorwerpen een tooverachtige uitwerking deed en op het sombere landschap der prairie het stempel drukte eener majestueuze woestheid.„Wij zijn er,” riep de jager zijn paard inhoudende met een zijdelingschen wenk tegen zijn kameraad, „niemand heeft ons bemerkt: gij kunt dus nog terugkeeren zoo gij verkiest, zonder vrees voor vervolging, hoe wilt gij?”„Canarios! kameraad,” antwoordde de dragonder even de schouders ophalende op een toon van minachting, „ik ben niet herwaarts gekomen om nog aan den ingang van het kamp te staan weifelen; neem mij niet kwalijk, maar met allen eerbied voor uw verstand, vind ik uwe vraag ten minste vrij zonderling.”„Ik was aan mij zelven schuldig u die te doen,” meesmuilde John Davis, „wie weet of gij u morgen niet beklaagt over den stap dien gij van daag doet?”„’t Is mogelijk. Maar het zij zoo, ik waag er mij aan; mijn besluit is eenmaal genomen, en staat onbewegelijk. Rukken wij dus in ’s hemels naam voorwaarts!”„Zoo als gij verkiest, caballero, binnen vijf minuten zijt gij in de tegenwoordigheid van den chef dien gij verlangt te zien; gij kunt u met hem verstaan, mijne taak is geëindigd.”„En ik heb niets meer te doen dan er u voor te bedanken,” viel de soldaat hem met drift in de rede; „maar blijven wij hier toch niet langer staan, wij zouden ligt de aandacht trekken en een kogel op ons af krijgen, daar ik om u de waarheid te zeggen niet op gesteld ben.”Zonder te antwoorden, gaf de jager zijn paard de sporen en zij reden op nieuw voort.Na verloop van een paar minuten kwamen zij binnen den kring[233]der door de vuren verlichte ruimte; bijna op het zelfde oogenblik hoorden zij het ketsen van een geweerslot en riep er eene ruwe stem om voor den duivel niet verder te komen.Deze aanmaning, ofschoon niet zeer beleefd, was desniettemin verpligtend; de beide avonturiers achtten het dus voorzigtig om er zich naar te gedragen.Verscheidene gewapenden kwamen thans uit de verschansing te voorschijn, en een van hen de vreemdelingen toesprekende, vroeg wie zij waren en wat zij op zulk een onvoegzaam uur verlangden.„Wie wij zijn?” antwoordde de Amerikaan; „vrienden! en wat wij verlangen? zoodra mogelijk binnen te komen.”„Dat is alles zeer fraai en goed,” hervatte de andere, „maar als gij uw naam niet opgeeft, zult gij niet zoo spoedig worden binnengelaten, te minder, daar een van u een uniform draagt die bij ons niet in den besten reuk staat.”„Zeer goed, Ruperto,” antwoordde de Amerikaan, „ik ben John Davis, gij kent mij, zou ik denken; laat mij derhalve zonder verder oponthoud binnen; voor dezen caballero sta ik u borg, hij heeft aan uw chef eene belangrijke mededeeling te doen.”„Wees welkom, master John; neem mij niet kwalijk dat ik u heb opgehouden, zoo als gij weet is de voorzigtigheid de moeder van de zekerheid.”Zij traden thans zonder verdere verhindering het kamp binnen.De grensloopers lagen allen rondom hunne bivakvuren ingeslapen; slechts een kordon schildwachten, aan de uitgangen van het kamp geplaatst, waakten voor de algemeene veiligheid.John Davis steeg af en verzocht zijn kameraad om het zelfde te doen; daarop wenkte hij hem te volgen, terwijl hij naar eene tent stapte, door welker linnen gordijn men een zwak licht zag flikkeren.Aan den ingang der tent komende bleef de jager staan, klapte tweemaal in de handen, en riep met eene gerekte stem:„Slaapt gij, Jaguar?”„Zijt gij het, John Davis, mijn oude kameraad?” antwoordde terstond eene stem uit de tent.„Ja.”„Kom binnen dan, ik wacht u met ongeduld.”De Amerikaan hief het gordijn op dat voor den ingang hing en sloop de tent binnen, op de hielen gevolgd door den dragonder, terwijl het gordijn achter hen toeviel.[234]De Jaguar zat op een bisonsschedel aan een kleine tafel, en doorbladerde een aantal brieven en papieren bij het licht eener schemerende candil; in een hoek der tent zag men twee of drie beerenvellen, zonder twijfel bestemd om hem tot bed te dienen. Op het gezigt der binnenkomenden, schoof de jongman zijne papieren bij een en sloot ze weg in een kleine ijzeren schrijfcassette, waarvan hij den sleutel in zijn borstzak verborg; toen hief hij het hoofd op en wierp een onrustigen blik naar den dragonder.„Wat is dat, John?” vroeg hij, „brengt gij mij gevangenen?”„Neen,” antwoordde John; „deze caballero heeft volstrekt verlangd u te zien, om zekere redenen die hij u zelf verklaren zal, ik heb gemeend aan zijn verlangen gevolg te moeten geven.”„Goed, wij zullen ons dadelijk met hem bezig houden; maar wat hebt gij gedaan?”„Wat gij mij hadt opgedragen.”„Gij zijt derhalve geslaagd?”„Volkomen.”„Bravo! mijn vriend; vertel mij dat eens nader.”„Waartoe nadere opheldering?” hernam de Amerikaan met een zijdelingschen oogwenk naar den dragonder, die onbewegelijk en bedaard twee passen van hem afstond.De Jaguar begreep hem.„Gij hebt gelijk,” zeide hij; „laten wij dan zien wat wij van dezen man kunnen maken;” zich toen tot den soldaat wendende, vervolgde hij: „kom nader, mijn dappere.”„Geheel tot uwe orders, kapitein.”„Hoe heet gij?”„Gregorio Felpa. Ik ben dragonder, zooals gij reeds aan mijn uniform kunt zien, kapitein.”„Om welke reden verlangt gij mij te zien?”„Uit verlangen om u een gewigtige dienst te bewijzen, kapitein.”„Ik zeg u dank; maar goede diensten laten zich gewoonlijk verduiveld duur betalen, en ik ben niet rijk.”„Gij kunt het worden.”„Ik hoop ja. Maar welke is die groote dienst die gij mij wilt bewijzen?”„Dat zal ik u in twee woorden zeggen, kapitein. Alle politieke zaken hebben twee aangezigten, het hangt slechts af van het oogpunt uit hetwelk men ze beziet. Ik ben een kind van Texas, de zoon van een Amerikaanschen vader en eene Indiaansche moeder[235]hetgeen met andere woorden wil zeggen, dat ik de Mexicanen van ganscher hart verfoei.”„Kom ter zake.”„Ik ben er reeds. Soldaat tegen mijn zin, heeft de generaal Rubio mij met een brief belast voor kapitein Melendez, in welken hij hem het punt aanwijst daar hij zich heen begeven moet om de Rio-Seco te vermijden, waar men zegt dat gij plan hebt om hem af te wachten, ten einde de conducta op te ligten.”„Ah zoo!” riep de Jaguar, op eens met gespannen aandacht luisterende; „maar hoe weet gij zoo goed wat er in den brief staat?”„Dat is zeer eenvoudig, kapitein. De generaal stelt in mij een onbepaald vertrouwen. Hij heeft mij de dépêche voorgelezen, te meer daar mij gelast is om den kapitein als gids te dienen en hem op het aangewezen punt te brengen.”„Maar dan verraadt gij uw chef?”„Is dat wel de regte naam waarmedegijmijne daad bestempelen moet?”„Ik spreek uit het gezigtspunt van den generaal.”„En uit het uwe dan?”„Als wij het eens zijn geworden, zal ik u dat zeggen.”„Goed,” antwoordde de soldaat onbekommerd.„Hebt gij die dépêche?”„Hier is zij.”De Jaguar nam haar aan, bekeek haar aandachtig, keerde haar om en om en hield zich alsof hij haar wilde openbreken.„Pas op, kapitein!” riep de soldaat schielijk.„Waarom?”„Als gij haar openbreekt, kan ik haar niet meer aan het adres bezorgen.”„Hoe zegt gij daar?”„Gij begrijpt mij niet,” riep de soldaat met kwalijk verholen ongeduld.„Dat kan wel zijn,” antwoordde de Jaguar.„Ik verzoek u alleen om mij vijf minuten aan te hooren.”„Spreek.”„De plaats die generaal Rubio den kapitein heeft aangewezen, is de laguna del Venado. Eer men aan dit punt komt, ligt een vrij naauwe en zeer boschrijke bergengte.”„De pas delPalo-Muerto, die ken ik.”„Goed. Daar moet gij u links en regts in de bosschen versteken,[236]en als de conducta voorbijkomt haar aan alle zijden te gelijk bespringen, dan is het onmogelijk dat zij u ontsnapt, wanneer gij, zoo als ik niet twijfel, uwe maatregelen goed weet te nemen.”„Ja, voor een overrompeling is de plaats uitmuntend geschikt; maar wie staat mij borg dat het konvooi deze bergengte passeert, en niet de Rio-Seco?”„Ik.”„Hoe dat, gij?”„Welzeker, daar ik haar geleiden moet als gids.”„Hum! nu verstaan wij elkander niet meer.”„Integendeel, zeer goed; ik verlaat u, en ik begeef mij naar den kapitein, om hem den brief ter hand te stellen; dan zal hij tegen wil en dank gedwongen zijn mij tot gids te nemen; en ik zal hem in uwe handen leveren zoo zeker als een schaap dat naar den slagter gaat.”De Jaguar schoot den soldaat een blik toe zoo doordringend, als had hij hem tot in het diepst van zijn hart willen zien.„Gij zijt een stoutmoedige knaap,” zeide hij, „maar gij regelt de zaken dunkt mij een weinig te veel naar uw eigen goedvinden. Ik ken u niet, het is voor het eerst dat ik u zie en, neem mij niet kwalijk dat ik het zeg, gij komt nog wel om mij met u in een verraad te betrekken. Wie staat mij borg voor uwe trouw? Als ik onnoozel genoeg ben u stil te laten gaan, wie verzekert mij dan dat gij u niet tegen mij zult keeren?”„Vooreerst mijn eigen belang; zoo gij u van het konvooi meester maakt, krijg ik van u vijf honderd oncen.”„Dat is niet te veel; veroorloof mij eene bedenking.”„Spreek, kapitein.”„Wie verzekert mij, dat men u niet tweemaal zooveel heeft gegeven, om u van mij meester te maken?”„O!” riep de soldaat met een wenk van sterke ontkenning.„Wat duivel! hoor eens, men heeft wel eens vreemder dingen gezien, en hoe weinig mijn hoofd ook waard zij, moet ik tot mijne schande bekennen dat ik het niet gaarne zou verspelen; ik verklaar u dus, als gij geen betere waarborgen hebt, dat er van de zaak niets komt.”„Dat zou jammer zijn.”„Ik weet het wel, maar dat hapert aan u en niet aan mij; gij hadt uwe maatregelen beter moeten nemen alvorens bij mij te komen.”„Er is dus niets dat u van mijne goede trouw zou kunnen verzekeren?”„Niets.”[237]„Wacht! wij zullen er een eind aan maken,” riep de soldaat vol ongeduld.„Hoe eer hoe liever bid ik u. Dat is al wat ik verlang.”„Ik kan er immers op rekenen,señor, dat ik de vijf honderd oncen goud van u krijg?”„Als ik door uw toedoen meester ben van de conducta de plata.”„Pardi!”„Ik beloof het u.”„Dat is mij genoeg, ik weet wel dat gij uw woord niet zult breken.”Thans knoopte hij zijn uniformbuis los, nam een zakje dat aan een kettingje aan zijn hals hing en hield het den kapitein voor.„Weet gij wat dat is?” vroeg hij.„Wel zeker,” antwoordde de Jaguar een kruis slaande, „dat is een reliek.”„Gezegend door den Paus, zoo als het attest dat er bij is, aantoont.”„’t Is waar.”Hij deed het van zijn hals, stelde het den jongman ter hand, maakte toen met de beide duimen een kruis en sprak met eene nadrukkelijke stem:„Ik, Gregorio Felpa, zweer op dit reliek, dat ik al de voorwaarden van den tusschen mij en den edelen kapitein Jaguar gesloten koop, getrouw zal nakomen; zoo ik mijn eed mogt breken, dan verzaak ik van heden afvooraltijd mijn deel aan het paradijs en geef mij over aan de eeuwige vlammen der hel—hiermede,” vervolgde hij, „bewaart gij deze kostbare reliek, en geeft mij die niet weder voor dat ik terug kom.”De kapitein hing het zichonmiddellijkom den hals, zonder een woord te antwoorden.Kan er grooter ongerijmdheid bestaan dan deze tegenstrijdigheid van het menschelijk hart! Deze Indianen, nog grootendeels heidenen, ofschoon zij den heiligen Doop ontvangen hebben en terwijl zij in het openbaar de regelen der katholieke godsdienst waarnemen, houden zij zich nog altijd in ’t geheim aan de vormen en denkbeelden van hun voorvaderlijk geloof, en stellen daarbij een onbepaald vertrouwen op relieken en amuletten of toovermiddelen; ieder draagt er een in een zakje om den hals, en deze losbandige menschen, voor welke niets te heilig is, die met de edelste gevoelens spotten en wier leven in het bedenken en najagen van allerlei bedrog en verraderij omgaat, hebben voor deze relieken zoo veeleerbieddat zij er hunne plegtigste eeden op zweren en er[238]geen voorbeeld bestaat dat zij zulk een eed immer gebroken hebben.Verklare wie lust heeft dit buitengewoon verschijnsel, wij voor ons willen het hier alleen aangeven.Nadat de soldaat zijn eed had afgelegd, waren de twijfelingen van den Jaguaronmiddellijkverdwenen om voor het onbepaaldste vertrouwen plaats te maken.Het gesprek verloor thans dien gespierden toon dien het tot op dit oogenblik had; de dragonder nam op een der bisonsschedels plaats en de drie mannen, voortaan eensgezind, begonnen eene vertrouwde redewisseling over de beste middelen om zonder gevaar of hindernis hun doel te bereiken.Het hoofdzakelijke plan door den soldaat voorgesteld was zoo eenvoudig en gemakkelijk in de uitvoering dat er aan het welslagen geen twijfel kon bestaan; het werd dus in zijn geheel aangenomen en het gesprek liep alleen over kleine bijzonderheden.Eindelijk, toen de nacht reeds ver gevorderd was, gingen de drie mannen uiteen, om eenige oogenblikken rust te nemen tusschen de vermoeijenissen van den afgeloopen dag en die welke zij op den volgenden zouden hebben door te staan.Gregorio sliep, zoo als een Spaansch spreekwoord het noemta pierna suelta, dat is als een trekos.Omtrent twee uren voor zonsopgang stiet de Jaguar hem aan om hem te wekken, en de soldaat stond dadelijk op, wreef zich de oogen uit en na verloop van vijf minuten was hij zoo frisch en gereed alsof hij vierentwintig uren geslapen had.„Het is tijd om te vertrekken,” zei de Jaguar zacht;„John Davis heeft uw paard reeds verzorgd en gezadeld.”Zij gingen de tent uit; werkelijk had de Amerikaan het paard van den soldaat bij den teugel, en deze sprong terstond in den zadel zonder eens van den stijgbeugel gebruik te maken, om te doen zien dat hij volkomen had uitgerust.„Vooral de grootste voorzigtigheid,” beet de Jaguar hem in ’t oor; „pas toch op uwe woorden en zelfs op uwe gebaren, gij hebt met den dappersten en slimsten officier te doen van het gansche Mexicaansche leger.”„Laat dat gerust aan mij over, kapitein. Canarios! de kans staat te schoon om door los spelen de partij te verliezen.”„Nog een woord.”„Ik luister.”„Zie het zoo aan te leggen, dat gij eerst met het vallen van den avond aan den bergpas komt; in de duisternis hebben zulke overrompelingen[239]het beste kans om te slagen: en hiermede adieu en goed fortuin!”„Ik wensch u hetzelfde.”De Jaguar en de Amerikaan begeleidden den dragonder tot aan de verschansing om hem ongehinderd voorbij de voorposten te brengen, die zonder deze voorzorg, wegens de uniform die hij droeg, onverbiddelijk op hem zouden gevuurd hebben.Toen hij buiten het kamp was, volgden de beide mannen hem met de oogen zoo lang zij de zwarte gestalte als een schim door het geboomte konden zien voortzweven waar zij weldra verdween.„Hum!” riep John Davis, „dat noem ik een uitgeleerde schelm, hij is listiger dan een oppossum.Damn! wat een verfoeijelijke kerel!”„Wel! vriend,” antwoordde de Jaguar luchthartig, „zulke menschen moeten er ook zijn, hoe zouden wij het anders maken?”„Dat is waar, hij is omtrent even noodzakelijk als de pest en de geele koorts; maar dat daargelaten, zeg ik nog eens hij is de volmaaktste gaauwdief dien ik ooit gezien heb, en ik durf zweren dat ik er al een fraaije verzameling van heb bijgewoond gedurende mijn langen levensloop!”Eenige minuten later braken de grensloopers het kamp op en stegen te paard om zich naar de bergengte del Palo-Muerto te begeven, hun aangewezen door Gregorio Felpa, de assistent van den generaal Rubio, wiens volle vertrouwen hij genoot en zoo voorbeeldig op prijs stelde.

XXIX.DE KOOP.

De twee avonturiers galoppeerden vrolijk naast elkander voort, keuvelden zamen over zonneschijn en regen, over de nieuwtjes der woestijn, namelijk hunne jagtpartijen en schermutselingen met de Indianen, en redeneerden over de staatkundige gebeurtenissen die sedert de laatste maanden een ernstigen keer hadden genomen en niet zonder verontrustend gewigt waren voor de Mexicaansche regering.Zoo al voortpratend, soms over de nietigste zaken, en elkander vragen doende daar zij naauwlijks het antwoord op verlangden, had hun gesprek geen ander doel dan om de gedachten te verbergen waar elk van hen zich in stilte mede bezig hield.Bij hunne vorige redewisseling hadden beiden met list gewerkt om achter elkanders geheimen te komen, de jager manoeuvreerde om den soldaat tot verraad over te halen en de soldaat op zijne beurt om zich daartoe op eene voordeelige manier te laten omkoopen; aan het slot van dezen tweestrijd met de wapenen der sluwheid, bleken beiden even sterk te zijn, maar had toch ieder de uitkomst verkregen die hij beoogde.Dit punt bereikt zijnde, kon de kwestie tusschen hen niet lang blijven staan; gelijk bij alle schraapzuchtige gemoederen, had het succes, in plaats van hun voldoening te geven, in hun binnenste een aantal vermoedens doen oprijzen; John Davis bijv. vroeg zich in stilte, wat toch den dragonder bewogen had om zoo gemakkelijk zijne partij te verraden, zonder vooraf eenige aanzienlijke voordeelen voor zich zelven te bedingen?Want in Amerika telt alles, vooral eerloosheid doet er vaak goede zaken.Van zijn kant vond de dragonder dat de jager wat al te ligt geloof had geslagen aan hetgeen hij hem vertelde, en ondanks de minzame manieren van zijn nieuwen kameraad nam zijne ongerustheid meer en meer toe, naarmate hij het kamp der grensloopers naderkwam, daar hij begon te vreezen dat hij zich blindelings in een strik had laten vangen, door zoo onvoorzigtig vertrouwen te schenken aan iemand wiens goede naam veel te wenschen overliet.Dit was zoo wat ongeveer de gemoedsstemming tusschen de[232]twee avonturiers tegenover elkander, een uurtje nadat zij de plek verlaten hadden die hen zoo toevallig te zamen bragt.Intusschen hielden zij de vrees die hen bezielde elk voor zich zorgvuldig geheim; uitwendig was er niets van te bespeuren; integendeel wedijverden zij in beleefdheid en voorkomendheid en behandelden zich onderling veeleer als lieve broeders, die verrukt waren elkander na lange scheiding weder te zien, dan als lieden die naauwlijks twee uren geleden elkander voor het eerst in hun leven gesproken hadden.De zon was reeds een uur ondergegaan en de nacht stikdonker toen zij het kamp van den Jaguar bereikten, en op korten afstand in de duisternis de bivakvuren zagen flikkeren, wier roode gloed op de omringende voorwerpen een tooverachtige uitwerking deed en op het sombere landschap der prairie het stempel drukte eener majestueuze woestheid.„Wij zijn er,” riep de jager zijn paard inhoudende met een zijdelingschen wenk tegen zijn kameraad, „niemand heeft ons bemerkt: gij kunt dus nog terugkeeren zoo gij verkiest, zonder vrees voor vervolging, hoe wilt gij?”„Canarios! kameraad,” antwoordde de dragonder even de schouders ophalende op een toon van minachting, „ik ben niet herwaarts gekomen om nog aan den ingang van het kamp te staan weifelen; neem mij niet kwalijk, maar met allen eerbied voor uw verstand, vind ik uwe vraag ten minste vrij zonderling.”„Ik was aan mij zelven schuldig u die te doen,” meesmuilde John Davis, „wie weet of gij u morgen niet beklaagt over den stap dien gij van daag doet?”„’t Is mogelijk. Maar het zij zoo, ik waag er mij aan; mijn besluit is eenmaal genomen, en staat onbewegelijk. Rukken wij dus in ’s hemels naam voorwaarts!”„Zoo als gij verkiest, caballero, binnen vijf minuten zijt gij in de tegenwoordigheid van den chef dien gij verlangt te zien; gij kunt u met hem verstaan, mijne taak is geëindigd.”„En ik heb niets meer te doen dan er u voor te bedanken,” viel de soldaat hem met drift in de rede; „maar blijven wij hier toch niet langer staan, wij zouden ligt de aandacht trekken en een kogel op ons af krijgen, daar ik om u de waarheid te zeggen niet op gesteld ben.”Zonder te antwoorden, gaf de jager zijn paard de sporen en zij reden op nieuw voort.Na verloop van een paar minuten kwamen zij binnen den kring[233]der door de vuren verlichte ruimte; bijna op het zelfde oogenblik hoorden zij het ketsen van een geweerslot en riep er eene ruwe stem om voor den duivel niet verder te komen.Deze aanmaning, ofschoon niet zeer beleefd, was desniettemin verpligtend; de beide avonturiers achtten het dus voorzigtig om er zich naar te gedragen.Verscheidene gewapenden kwamen thans uit de verschansing te voorschijn, en een van hen de vreemdelingen toesprekende, vroeg wie zij waren en wat zij op zulk een onvoegzaam uur verlangden.„Wie wij zijn?” antwoordde de Amerikaan; „vrienden! en wat wij verlangen? zoodra mogelijk binnen te komen.”„Dat is alles zeer fraai en goed,” hervatte de andere, „maar als gij uw naam niet opgeeft, zult gij niet zoo spoedig worden binnengelaten, te minder, daar een van u een uniform draagt die bij ons niet in den besten reuk staat.”„Zeer goed, Ruperto,” antwoordde de Amerikaan, „ik ben John Davis, gij kent mij, zou ik denken; laat mij derhalve zonder verder oponthoud binnen; voor dezen caballero sta ik u borg, hij heeft aan uw chef eene belangrijke mededeeling te doen.”„Wees welkom, master John; neem mij niet kwalijk dat ik u heb opgehouden, zoo als gij weet is de voorzigtigheid de moeder van de zekerheid.”Zij traden thans zonder verdere verhindering het kamp binnen.De grensloopers lagen allen rondom hunne bivakvuren ingeslapen; slechts een kordon schildwachten, aan de uitgangen van het kamp geplaatst, waakten voor de algemeene veiligheid.John Davis steeg af en verzocht zijn kameraad om het zelfde te doen; daarop wenkte hij hem te volgen, terwijl hij naar eene tent stapte, door welker linnen gordijn men een zwak licht zag flikkeren.Aan den ingang der tent komende bleef de jager staan, klapte tweemaal in de handen, en riep met eene gerekte stem:„Slaapt gij, Jaguar?”„Zijt gij het, John Davis, mijn oude kameraad?” antwoordde terstond eene stem uit de tent.„Ja.”„Kom binnen dan, ik wacht u met ongeduld.”De Amerikaan hief het gordijn op dat voor den ingang hing en sloop de tent binnen, op de hielen gevolgd door den dragonder, terwijl het gordijn achter hen toeviel.[234]De Jaguar zat op een bisonsschedel aan een kleine tafel, en doorbladerde een aantal brieven en papieren bij het licht eener schemerende candil; in een hoek der tent zag men twee of drie beerenvellen, zonder twijfel bestemd om hem tot bed te dienen. Op het gezigt der binnenkomenden, schoof de jongman zijne papieren bij een en sloot ze weg in een kleine ijzeren schrijfcassette, waarvan hij den sleutel in zijn borstzak verborg; toen hief hij het hoofd op en wierp een onrustigen blik naar den dragonder.„Wat is dat, John?” vroeg hij, „brengt gij mij gevangenen?”„Neen,” antwoordde John; „deze caballero heeft volstrekt verlangd u te zien, om zekere redenen die hij u zelf verklaren zal, ik heb gemeend aan zijn verlangen gevolg te moeten geven.”„Goed, wij zullen ons dadelijk met hem bezig houden; maar wat hebt gij gedaan?”„Wat gij mij hadt opgedragen.”„Gij zijt derhalve geslaagd?”„Volkomen.”„Bravo! mijn vriend; vertel mij dat eens nader.”„Waartoe nadere opheldering?” hernam de Amerikaan met een zijdelingschen oogwenk naar den dragonder, die onbewegelijk en bedaard twee passen van hem afstond.De Jaguar begreep hem.„Gij hebt gelijk,” zeide hij; „laten wij dan zien wat wij van dezen man kunnen maken;” zich toen tot den soldaat wendende, vervolgde hij: „kom nader, mijn dappere.”„Geheel tot uwe orders, kapitein.”„Hoe heet gij?”„Gregorio Felpa. Ik ben dragonder, zooals gij reeds aan mijn uniform kunt zien, kapitein.”„Om welke reden verlangt gij mij te zien?”„Uit verlangen om u een gewigtige dienst te bewijzen, kapitein.”„Ik zeg u dank; maar goede diensten laten zich gewoonlijk verduiveld duur betalen, en ik ben niet rijk.”„Gij kunt het worden.”„Ik hoop ja. Maar welke is die groote dienst die gij mij wilt bewijzen?”„Dat zal ik u in twee woorden zeggen, kapitein. Alle politieke zaken hebben twee aangezigten, het hangt slechts af van het oogpunt uit hetwelk men ze beziet. Ik ben een kind van Texas, de zoon van een Amerikaanschen vader en eene Indiaansche moeder[235]hetgeen met andere woorden wil zeggen, dat ik de Mexicanen van ganscher hart verfoei.”„Kom ter zake.”„Ik ben er reeds. Soldaat tegen mijn zin, heeft de generaal Rubio mij met een brief belast voor kapitein Melendez, in welken hij hem het punt aanwijst daar hij zich heen begeven moet om de Rio-Seco te vermijden, waar men zegt dat gij plan hebt om hem af te wachten, ten einde de conducta op te ligten.”„Ah zoo!” riep de Jaguar, op eens met gespannen aandacht luisterende; „maar hoe weet gij zoo goed wat er in den brief staat?”„Dat is zeer eenvoudig, kapitein. De generaal stelt in mij een onbepaald vertrouwen. Hij heeft mij de dépêche voorgelezen, te meer daar mij gelast is om den kapitein als gids te dienen en hem op het aangewezen punt te brengen.”„Maar dan verraadt gij uw chef?”„Is dat wel de regte naam waarmedegijmijne daad bestempelen moet?”„Ik spreek uit het gezigtspunt van den generaal.”„En uit het uwe dan?”„Als wij het eens zijn geworden, zal ik u dat zeggen.”„Goed,” antwoordde de soldaat onbekommerd.„Hebt gij die dépêche?”„Hier is zij.”De Jaguar nam haar aan, bekeek haar aandachtig, keerde haar om en om en hield zich alsof hij haar wilde openbreken.„Pas op, kapitein!” riep de soldaat schielijk.„Waarom?”„Als gij haar openbreekt, kan ik haar niet meer aan het adres bezorgen.”„Hoe zegt gij daar?”„Gij begrijpt mij niet,” riep de soldaat met kwalijk verholen ongeduld.„Dat kan wel zijn,” antwoordde de Jaguar.„Ik verzoek u alleen om mij vijf minuten aan te hooren.”„Spreek.”„De plaats die generaal Rubio den kapitein heeft aangewezen, is de laguna del Venado. Eer men aan dit punt komt, ligt een vrij naauwe en zeer boschrijke bergengte.”„De pas delPalo-Muerto, die ken ik.”„Goed. Daar moet gij u links en regts in de bosschen versteken,[236]en als de conducta voorbijkomt haar aan alle zijden te gelijk bespringen, dan is het onmogelijk dat zij u ontsnapt, wanneer gij, zoo als ik niet twijfel, uwe maatregelen goed weet te nemen.”„Ja, voor een overrompeling is de plaats uitmuntend geschikt; maar wie staat mij borg dat het konvooi deze bergengte passeert, en niet de Rio-Seco?”„Ik.”„Hoe dat, gij?”„Welzeker, daar ik haar geleiden moet als gids.”„Hum! nu verstaan wij elkander niet meer.”„Integendeel, zeer goed; ik verlaat u, en ik begeef mij naar den kapitein, om hem den brief ter hand te stellen; dan zal hij tegen wil en dank gedwongen zijn mij tot gids te nemen; en ik zal hem in uwe handen leveren zoo zeker als een schaap dat naar den slagter gaat.”De Jaguar schoot den soldaat een blik toe zoo doordringend, als had hij hem tot in het diepst van zijn hart willen zien.„Gij zijt een stoutmoedige knaap,” zeide hij, „maar gij regelt de zaken dunkt mij een weinig te veel naar uw eigen goedvinden. Ik ken u niet, het is voor het eerst dat ik u zie en, neem mij niet kwalijk dat ik het zeg, gij komt nog wel om mij met u in een verraad te betrekken. Wie staat mij borg voor uwe trouw? Als ik onnoozel genoeg ben u stil te laten gaan, wie verzekert mij dan dat gij u niet tegen mij zult keeren?”„Vooreerst mijn eigen belang; zoo gij u van het konvooi meester maakt, krijg ik van u vijf honderd oncen.”„Dat is niet te veel; veroorloof mij eene bedenking.”„Spreek, kapitein.”„Wie verzekert mij, dat men u niet tweemaal zooveel heeft gegeven, om u van mij meester te maken?”„O!” riep de soldaat met een wenk van sterke ontkenning.„Wat duivel! hoor eens, men heeft wel eens vreemder dingen gezien, en hoe weinig mijn hoofd ook waard zij, moet ik tot mijne schande bekennen dat ik het niet gaarne zou verspelen; ik verklaar u dus, als gij geen betere waarborgen hebt, dat er van de zaak niets komt.”„Dat zou jammer zijn.”„Ik weet het wel, maar dat hapert aan u en niet aan mij; gij hadt uwe maatregelen beter moeten nemen alvorens bij mij te komen.”„Er is dus niets dat u van mijne goede trouw zou kunnen verzekeren?”„Niets.”[237]„Wacht! wij zullen er een eind aan maken,” riep de soldaat vol ongeduld.„Hoe eer hoe liever bid ik u. Dat is al wat ik verlang.”„Ik kan er immers op rekenen,señor, dat ik de vijf honderd oncen goud van u krijg?”„Als ik door uw toedoen meester ben van de conducta de plata.”„Pardi!”„Ik beloof het u.”„Dat is mij genoeg, ik weet wel dat gij uw woord niet zult breken.”Thans knoopte hij zijn uniformbuis los, nam een zakje dat aan een kettingje aan zijn hals hing en hield het den kapitein voor.„Weet gij wat dat is?” vroeg hij.„Wel zeker,” antwoordde de Jaguar een kruis slaande, „dat is een reliek.”„Gezegend door den Paus, zoo als het attest dat er bij is, aantoont.”„’t Is waar.”Hij deed het van zijn hals, stelde het den jongman ter hand, maakte toen met de beide duimen een kruis en sprak met eene nadrukkelijke stem:„Ik, Gregorio Felpa, zweer op dit reliek, dat ik al de voorwaarden van den tusschen mij en den edelen kapitein Jaguar gesloten koop, getrouw zal nakomen; zoo ik mijn eed mogt breken, dan verzaak ik van heden afvooraltijd mijn deel aan het paradijs en geef mij over aan de eeuwige vlammen der hel—hiermede,” vervolgde hij, „bewaart gij deze kostbare reliek, en geeft mij die niet weder voor dat ik terug kom.”De kapitein hing het zichonmiddellijkom den hals, zonder een woord te antwoorden.Kan er grooter ongerijmdheid bestaan dan deze tegenstrijdigheid van het menschelijk hart! Deze Indianen, nog grootendeels heidenen, ofschoon zij den heiligen Doop ontvangen hebben en terwijl zij in het openbaar de regelen der katholieke godsdienst waarnemen, houden zij zich nog altijd in ’t geheim aan de vormen en denkbeelden van hun voorvaderlijk geloof, en stellen daarbij een onbepaald vertrouwen op relieken en amuletten of toovermiddelen; ieder draagt er een in een zakje om den hals, en deze losbandige menschen, voor welke niets te heilig is, die met de edelste gevoelens spotten en wier leven in het bedenken en najagen van allerlei bedrog en verraderij omgaat, hebben voor deze relieken zoo veeleerbieddat zij er hunne plegtigste eeden op zweren en er[238]geen voorbeeld bestaat dat zij zulk een eed immer gebroken hebben.Verklare wie lust heeft dit buitengewoon verschijnsel, wij voor ons willen het hier alleen aangeven.Nadat de soldaat zijn eed had afgelegd, waren de twijfelingen van den Jaguaronmiddellijkverdwenen om voor het onbepaaldste vertrouwen plaats te maken.Het gesprek verloor thans dien gespierden toon dien het tot op dit oogenblik had; de dragonder nam op een der bisonsschedels plaats en de drie mannen, voortaan eensgezind, begonnen eene vertrouwde redewisseling over de beste middelen om zonder gevaar of hindernis hun doel te bereiken.Het hoofdzakelijke plan door den soldaat voorgesteld was zoo eenvoudig en gemakkelijk in de uitvoering dat er aan het welslagen geen twijfel kon bestaan; het werd dus in zijn geheel aangenomen en het gesprek liep alleen over kleine bijzonderheden.Eindelijk, toen de nacht reeds ver gevorderd was, gingen de drie mannen uiteen, om eenige oogenblikken rust te nemen tusschen de vermoeijenissen van den afgeloopen dag en die welke zij op den volgenden zouden hebben door te staan.Gregorio sliep, zoo als een Spaansch spreekwoord het noemta pierna suelta, dat is als een trekos.Omtrent twee uren voor zonsopgang stiet de Jaguar hem aan om hem te wekken, en de soldaat stond dadelijk op, wreef zich de oogen uit en na verloop van vijf minuten was hij zoo frisch en gereed alsof hij vierentwintig uren geslapen had.„Het is tijd om te vertrekken,” zei de Jaguar zacht;„John Davis heeft uw paard reeds verzorgd en gezadeld.”Zij gingen de tent uit; werkelijk had de Amerikaan het paard van den soldaat bij den teugel, en deze sprong terstond in den zadel zonder eens van den stijgbeugel gebruik te maken, om te doen zien dat hij volkomen had uitgerust.„Vooral de grootste voorzigtigheid,” beet de Jaguar hem in ’t oor; „pas toch op uwe woorden en zelfs op uwe gebaren, gij hebt met den dappersten en slimsten officier te doen van het gansche Mexicaansche leger.”„Laat dat gerust aan mij over, kapitein. Canarios! de kans staat te schoon om door los spelen de partij te verliezen.”„Nog een woord.”„Ik luister.”„Zie het zoo aan te leggen, dat gij eerst met het vallen van den avond aan den bergpas komt; in de duisternis hebben zulke overrompelingen[239]het beste kans om te slagen: en hiermede adieu en goed fortuin!”„Ik wensch u hetzelfde.”De Jaguar en de Amerikaan begeleidden den dragonder tot aan de verschansing om hem ongehinderd voorbij de voorposten te brengen, die zonder deze voorzorg, wegens de uniform die hij droeg, onverbiddelijk op hem zouden gevuurd hebben.Toen hij buiten het kamp was, volgden de beide mannen hem met de oogen zoo lang zij de zwarte gestalte als een schim door het geboomte konden zien voortzweven waar zij weldra verdween.„Hum!” riep John Davis, „dat noem ik een uitgeleerde schelm, hij is listiger dan een oppossum.Damn! wat een verfoeijelijke kerel!”„Wel! vriend,” antwoordde de Jaguar luchthartig, „zulke menschen moeten er ook zijn, hoe zouden wij het anders maken?”„Dat is waar, hij is omtrent even noodzakelijk als de pest en de geele koorts; maar dat daargelaten, zeg ik nog eens hij is de volmaaktste gaauwdief dien ik ooit gezien heb, en ik durf zweren dat ik er al een fraaije verzameling van heb bijgewoond gedurende mijn langen levensloop!”Eenige minuten later braken de grensloopers het kamp op en stegen te paard om zich naar de bergengte del Palo-Muerto te begeven, hun aangewezen door Gregorio Felpa, de assistent van den generaal Rubio, wiens volle vertrouwen hij genoot en zoo voorbeeldig op prijs stelde.

De twee avonturiers galoppeerden vrolijk naast elkander voort, keuvelden zamen over zonneschijn en regen, over de nieuwtjes der woestijn, namelijk hunne jagtpartijen en schermutselingen met de Indianen, en redeneerden over de staatkundige gebeurtenissen die sedert de laatste maanden een ernstigen keer hadden genomen en niet zonder verontrustend gewigt waren voor de Mexicaansche regering.

Zoo al voortpratend, soms over de nietigste zaken, en elkander vragen doende daar zij naauwlijks het antwoord op verlangden, had hun gesprek geen ander doel dan om de gedachten te verbergen waar elk van hen zich in stilte mede bezig hield.

Bij hunne vorige redewisseling hadden beiden met list gewerkt om achter elkanders geheimen te komen, de jager manoeuvreerde om den soldaat tot verraad over te halen en de soldaat op zijne beurt om zich daartoe op eene voordeelige manier te laten omkoopen; aan het slot van dezen tweestrijd met de wapenen der sluwheid, bleken beiden even sterk te zijn, maar had toch ieder de uitkomst verkregen die hij beoogde.

Dit punt bereikt zijnde, kon de kwestie tusschen hen niet lang blijven staan; gelijk bij alle schraapzuchtige gemoederen, had het succes, in plaats van hun voldoening te geven, in hun binnenste een aantal vermoedens doen oprijzen; John Davis bijv. vroeg zich in stilte, wat toch den dragonder bewogen had om zoo gemakkelijk zijne partij te verraden, zonder vooraf eenige aanzienlijke voordeelen voor zich zelven te bedingen?

Want in Amerika telt alles, vooral eerloosheid doet er vaak goede zaken.

Van zijn kant vond de dragonder dat de jager wat al te ligt geloof had geslagen aan hetgeen hij hem vertelde, en ondanks de minzame manieren van zijn nieuwen kameraad nam zijne ongerustheid meer en meer toe, naarmate hij het kamp der grensloopers naderkwam, daar hij begon te vreezen dat hij zich blindelings in een strik had laten vangen, door zoo onvoorzigtig vertrouwen te schenken aan iemand wiens goede naam veel te wenschen overliet.

Dit was zoo wat ongeveer de gemoedsstemming tusschen de[232]twee avonturiers tegenover elkander, een uurtje nadat zij de plek verlaten hadden die hen zoo toevallig te zamen bragt.

Intusschen hielden zij de vrees die hen bezielde elk voor zich zorgvuldig geheim; uitwendig was er niets van te bespeuren; integendeel wedijverden zij in beleefdheid en voorkomendheid en behandelden zich onderling veeleer als lieve broeders, die verrukt waren elkander na lange scheiding weder te zien, dan als lieden die naauwlijks twee uren geleden elkander voor het eerst in hun leven gesproken hadden.

De zon was reeds een uur ondergegaan en de nacht stikdonker toen zij het kamp van den Jaguar bereikten, en op korten afstand in de duisternis de bivakvuren zagen flikkeren, wier roode gloed op de omringende voorwerpen een tooverachtige uitwerking deed en op het sombere landschap der prairie het stempel drukte eener majestueuze woestheid.

„Wij zijn er,” riep de jager zijn paard inhoudende met een zijdelingschen wenk tegen zijn kameraad, „niemand heeft ons bemerkt: gij kunt dus nog terugkeeren zoo gij verkiest, zonder vrees voor vervolging, hoe wilt gij?”

„Canarios! kameraad,” antwoordde de dragonder even de schouders ophalende op een toon van minachting, „ik ben niet herwaarts gekomen om nog aan den ingang van het kamp te staan weifelen; neem mij niet kwalijk, maar met allen eerbied voor uw verstand, vind ik uwe vraag ten minste vrij zonderling.”

„Ik was aan mij zelven schuldig u die te doen,” meesmuilde John Davis, „wie weet of gij u morgen niet beklaagt over den stap dien gij van daag doet?”

„’t Is mogelijk. Maar het zij zoo, ik waag er mij aan; mijn besluit is eenmaal genomen, en staat onbewegelijk. Rukken wij dus in ’s hemels naam voorwaarts!”

„Zoo als gij verkiest, caballero, binnen vijf minuten zijt gij in de tegenwoordigheid van den chef dien gij verlangt te zien; gij kunt u met hem verstaan, mijne taak is geëindigd.”

„En ik heb niets meer te doen dan er u voor te bedanken,” viel de soldaat hem met drift in de rede; „maar blijven wij hier toch niet langer staan, wij zouden ligt de aandacht trekken en een kogel op ons af krijgen, daar ik om u de waarheid te zeggen niet op gesteld ben.”

Zonder te antwoorden, gaf de jager zijn paard de sporen en zij reden op nieuw voort.

Na verloop van een paar minuten kwamen zij binnen den kring[233]der door de vuren verlichte ruimte; bijna op het zelfde oogenblik hoorden zij het ketsen van een geweerslot en riep er eene ruwe stem om voor den duivel niet verder te komen.

Deze aanmaning, ofschoon niet zeer beleefd, was desniettemin verpligtend; de beide avonturiers achtten het dus voorzigtig om er zich naar te gedragen.

Verscheidene gewapenden kwamen thans uit de verschansing te voorschijn, en een van hen de vreemdelingen toesprekende, vroeg wie zij waren en wat zij op zulk een onvoegzaam uur verlangden.

„Wie wij zijn?” antwoordde de Amerikaan; „vrienden! en wat wij verlangen? zoodra mogelijk binnen te komen.”

„Dat is alles zeer fraai en goed,” hervatte de andere, „maar als gij uw naam niet opgeeft, zult gij niet zoo spoedig worden binnengelaten, te minder, daar een van u een uniform draagt die bij ons niet in den besten reuk staat.”

„Zeer goed, Ruperto,” antwoordde de Amerikaan, „ik ben John Davis, gij kent mij, zou ik denken; laat mij derhalve zonder verder oponthoud binnen; voor dezen caballero sta ik u borg, hij heeft aan uw chef eene belangrijke mededeeling te doen.”

„Wees welkom, master John; neem mij niet kwalijk dat ik u heb opgehouden, zoo als gij weet is de voorzigtigheid de moeder van de zekerheid.”

Zij traden thans zonder verdere verhindering het kamp binnen.

De grensloopers lagen allen rondom hunne bivakvuren ingeslapen; slechts een kordon schildwachten, aan de uitgangen van het kamp geplaatst, waakten voor de algemeene veiligheid.

John Davis steeg af en verzocht zijn kameraad om het zelfde te doen; daarop wenkte hij hem te volgen, terwijl hij naar eene tent stapte, door welker linnen gordijn men een zwak licht zag flikkeren.

Aan den ingang der tent komende bleef de jager staan, klapte tweemaal in de handen, en riep met eene gerekte stem:

„Slaapt gij, Jaguar?”

„Zijt gij het, John Davis, mijn oude kameraad?” antwoordde terstond eene stem uit de tent.

„Ja.”

„Kom binnen dan, ik wacht u met ongeduld.”

De Amerikaan hief het gordijn op dat voor den ingang hing en sloop de tent binnen, op de hielen gevolgd door den dragonder, terwijl het gordijn achter hen toeviel.[234]

De Jaguar zat op een bisonsschedel aan een kleine tafel, en doorbladerde een aantal brieven en papieren bij het licht eener schemerende candil; in een hoek der tent zag men twee of drie beerenvellen, zonder twijfel bestemd om hem tot bed te dienen. Op het gezigt der binnenkomenden, schoof de jongman zijne papieren bij een en sloot ze weg in een kleine ijzeren schrijfcassette, waarvan hij den sleutel in zijn borstzak verborg; toen hief hij het hoofd op en wierp een onrustigen blik naar den dragonder.

„Wat is dat, John?” vroeg hij, „brengt gij mij gevangenen?”

„Neen,” antwoordde John; „deze caballero heeft volstrekt verlangd u te zien, om zekere redenen die hij u zelf verklaren zal, ik heb gemeend aan zijn verlangen gevolg te moeten geven.”

„Goed, wij zullen ons dadelijk met hem bezig houden; maar wat hebt gij gedaan?”

„Wat gij mij hadt opgedragen.”

„Gij zijt derhalve geslaagd?”

„Volkomen.”

„Bravo! mijn vriend; vertel mij dat eens nader.”

„Waartoe nadere opheldering?” hernam de Amerikaan met een zijdelingschen oogwenk naar den dragonder, die onbewegelijk en bedaard twee passen van hem afstond.

De Jaguar begreep hem.

„Gij hebt gelijk,” zeide hij; „laten wij dan zien wat wij van dezen man kunnen maken;” zich toen tot den soldaat wendende, vervolgde hij: „kom nader, mijn dappere.”

„Geheel tot uwe orders, kapitein.”

„Hoe heet gij?”

„Gregorio Felpa. Ik ben dragonder, zooals gij reeds aan mijn uniform kunt zien, kapitein.”

„Om welke reden verlangt gij mij te zien?”

„Uit verlangen om u een gewigtige dienst te bewijzen, kapitein.”

„Ik zeg u dank; maar goede diensten laten zich gewoonlijk verduiveld duur betalen, en ik ben niet rijk.”

„Gij kunt het worden.”

„Ik hoop ja. Maar welke is die groote dienst die gij mij wilt bewijzen?”

„Dat zal ik u in twee woorden zeggen, kapitein. Alle politieke zaken hebben twee aangezigten, het hangt slechts af van het oogpunt uit hetwelk men ze beziet. Ik ben een kind van Texas, de zoon van een Amerikaanschen vader en eene Indiaansche moeder[235]hetgeen met andere woorden wil zeggen, dat ik de Mexicanen van ganscher hart verfoei.”

„Kom ter zake.”

„Ik ben er reeds. Soldaat tegen mijn zin, heeft de generaal Rubio mij met een brief belast voor kapitein Melendez, in welken hij hem het punt aanwijst daar hij zich heen begeven moet om de Rio-Seco te vermijden, waar men zegt dat gij plan hebt om hem af te wachten, ten einde de conducta op te ligten.”

„Ah zoo!” riep de Jaguar, op eens met gespannen aandacht luisterende; „maar hoe weet gij zoo goed wat er in den brief staat?”

„Dat is zeer eenvoudig, kapitein. De generaal stelt in mij een onbepaald vertrouwen. Hij heeft mij de dépêche voorgelezen, te meer daar mij gelast is om den kapitein als gids te dienen en hem op het aangewezen punt te brengen.”

„Maar dan verraadt gij uw chef?”

„Is dat wel de regte naam waarmedegijmijne daad bestempelen moet?”

„Ik spreek uit het gezigtspunt van den generaal.”

„En uit het uwe dan?”

„Als wij het eens zijn geworden, zal ik u dat zeggen.”

„Goed,” antwoordde de soldaat onbekommerd.

„Hebt gij die dépêche?”

„Hier is zij.”

De Jaguar nam haar aan, bekeek haar aandachtig, keerde haar om en om en hield zich alsof hij haar wilde openbreken.

„Pas op, kapitein!” riep de soldaat schielijk.

„Waarom?”

„Als gij haar openbreekt, kan ik haar niet meer aan het adres bezorgen.”

„Hoe zegt gij daar?”

„Gij begrijpt mij niet,” riep de soldaat met kwalijk verholen ongeduld.

„Dat kan wel zijn,” antwoordde de Jaguar.

„Ik verzoek u alleen om mij vijf minuten aan te hooren.”

„Spreek.”

„De plaats die generaal Rubio den kapitein heeft aangewezen, is de laguna del Venado. Eer men aan dit punt komt, ligt een vrij naauwe en zeer boschrijke bergengte.”

„De pas delPalo-Muerto, die ken ik.”

„Goed. Daar moet gij u links en regts in de bosschen versteken,[236]en als de conducta voorbijkomt haar aan alle zijden te gelijk bespringen, dan is het onmogelijk dat zij u ontsnapt, wanneer gij, zoo als ik niet twijfel, uwe maatregelen goed weet te nemen.”

„Ja, voor een overrompeling is de plaats uitmuntend geschikt; maar wie staat mij borg dat het konvooi deze bergengte passeert, en niet de Rio-Seco?”

„Ik.”

„Hoe dat, gij?”

„Welzeker, daar ik haar geleiden moet als gids.”

„Hum! nu verstaan wij elkander niet meer.”

„Integendeel, zeer goed; ik verlaat u, en ik begeef mij naar den kapitein, om hem den brief ter hand te stellen; dan zal hij tegen wil en dank gedwongen zijn mij tot gids te nemen; en ik zal hem in uwe handen leveren zoo zeker als een schaap dat naar den slagter gaat.”

De Jaguar schoot den soldaat een blik toe zoo doordringend, als had hij hem tot in het diepst van zijn hart willen zien.

„Gij zijt een stoutmoedige knaap,” zeide hij, „maar gij regelt de zaken dunkt mij een weinig te veel naar uw eigen goedvinden. Ik ken u niet, het is voor het eerst dat ik u zie en, neem mij niet kwalijk dat ik het zeg, gij komt nog wel om mij met u in een verraad te betrekken. Wie staat mij borg voor uwe trouw? Als ik onnoozel genoeg ben u stil te laten gaan, wie verzekert mij dan dat gij u niet tegen mij zult keeren?”

„Vooreerst mijn eigen belang; zoo gij u van het konvooi meester maakt, krijg ik van u vijf honderd oncen.”

„Dat is niet te veel; veroorloof mij eene bedenking.”

„Spreek, kapitein.”

„Wie verzekert mij, dat men u niet tweemaal zooveel heeft gegeven, om u van mij meester te maken?”

„O!” riep de soldaat met een wenk van sterke ontkenning.

„Wat duivel! hoor eens, men heeft wel eens vreemder dingen gezien, en hoe weinig mijn hoofd ook waard zij, moet ik tot mijne schande bekennen dat ik het niet gaarne zou verspelen; ik verklaar u dus, als gij geen betere waarborgen hebt, dat er van de zaak niets komt.”

„Dat zou jammer zijn.”

„Ik weet het wel, maar dat hapert aan u en niet aan mij; gij hadt uwe maatregelen beter moeten nemen alvorens bij mij te komen.”

„Er is dus niets dat u van mijne goede trouw zou kunnen verzekeren?”

„Niets.”[237]

„Wacht! wij zullen er een eind aan maken,” riep de soldaat vol ongeduld.

„Hoe eer hoe liever bid ik u. Dat is al wat ik verlang.”

„Ik kan er immers op rekenen,señor, dat ik de vijf honderd oncen goud van u krijg?”

„Als ik door uw toedoen meester ben van de conducta de plata.”

„Pardi!”

„Ik beloof het u.”

„Dat is mij genoeg, ik weet wel dat gij uw woord niet zult breken.”

Thans knoopte hij zijn uniformbuis los, nam een zakje dat aan een kettingje aan zijn hals hing en hield het den kapitein voor.

„Weet gij wat dat is?” vroeg hij.

„Wel zeker,” antwoordde de Jaguar een kruis slaande, „dat is een reliek.”

„Gezegend door den Paus, zoo als het attest dat er bij is, aantoont.”

„’t Is waar.”

Hij deed het van zijn hals, stelde het den jongman ter hand, maakte toen met de beide duimen een kruis en sprak met eene nadrukkelijke stem:

„Ik, Gregorio Felpa, zweer op dit reliek, dat ik al de voorwaarden van den tusschen mij en den edelen kapitein Jaguar gesloten koop, getrouw zal nakomen; zoo ik mijn eed mogt breken, dan verzaak ik van heden afvooraltijd mijn deel aan het paradijs en geef mij over aan de eeuwige vlammen der hel—hiermede,” vervolgde hij, „bewaart gij deze kostbare reliek, en geeft mij die niet weder voor dat ik terug kom.”

De kapitein hing het zichonmiddellijkom den hals, zonder een woord te antwoorden.

Kan er grooter ongerijmdheid bestaan dan deze tegenstrijdigheid van het menschelijk hart! Deze Indianen, nog grootendeels heidenen, ofschoon zij den heiligen Doop ontvangen hebben en terwijl zij in het openbaar de regelen der katholieke godsdienst waarnemen, houden zij zich nog altijd in ’t geheim aan de vormen en denkbeelden van hun voorvaderlijk geloof, en stellen daarbij een onbepaald vertrouwen op relieken en amuletten of toovermiddelen; ieder draagt er een in een zakje om den hals, en deze losbandige menschen, voor welke niets te heilig is, die met de edelste gevoelens spotten en wier leven in het bedenken en najagen van allerlei bedrog en verraderij omgaat, hebben voor deze relieken zoo veeleerbieddat zij er hunne plegtigste eeden op zweren en er[238]geen voorbeeld bestaat dat zij zulk een eed immer gebroken hebben.

Verklare wie lust heeft dit buitengewoon verschijnsel, wij voor ons willen het hier alleen aangeven.

Nadat de soldaat zijn eed had afgelegd, waren de twijfelingen van den Jaguaronmiddellijkverdwenen om voor het onbepaaldste vertrouwen plaats te maken.

Het gesprek verloor thans dien gespierden toon dien het tot op dit oogenblik had; de dragonder nam op een der bisonsschedels plaats en de drie mannen, voortaan eensgezind, begonnen eene vertrouwde redewisseling over de beste middelen om zonder gevaar of hindernis hun doel te bereiken.

Het hoofdzakelijke plan door den soldaat voorgesteld was zoo eenvoudig en gemakkelijk in de uitvoering dat er aan het welslagen geen twijfel kon bestaan; het werd dus in zijn geheel aangenomen en het gesprek liep alleen over kleine bijzonderheden.

Eindelijk, toen de nacht reeds ver gevorderd was, gingen de drie mannen uiteen, om eenige oogenblikken rust te nemen tusschen de vermoeijenissen van den afgeloopen dag en die welke zij op den volgenden zouden hebben door te staan.

Gregorio sliep, zoo als een Spaansch spreekwoord het noemta pierna suelta, dat is als een trekos.

Omtrent twee uren voor zonsopgang stiet de Jaguar hem aan om hem te wekken, en de soldaat stond dadelijk op, wreef zich de oogen uit en na verloop van vijf minuten was hij zoo frisch en gereed alsof hij vierentwintig uren geslapen had.

„Het is tijd om te vertrekken,” zei de Jaguar zacht;„John Davis heeft uw paard reeds verzorgd en gezadeld.”

Zij gingen de tent uit; werkelijk had de Amerikaan het paard van den soldaat bij den teugel, en deze sprong terstond in den zadel zonder eens van den stijgbeugel gebruik te maken, om te doen zien dat hij volkomen had uitgerust.

„Vooral de grootste voorzigtigheid,” beet de Jaguar hem in ’t oor; „pas toch op uwe woorden en zelfs op uwe gebaren, gij hebt met den dappersten en slimsten officier te doen van het gansche Mexicaansche leger.”

„Laat dat gerust aan mij over, kapitein. Canarios! de kans staat te schoon om door los spelen de partij te verliezen.”

„Nog een woord.”

„Ik luister.”

„Zie het zoo aan te leggen, dat gij eerst met het vallen van den avond aan den bergpas komt; in de duisternis hebben zulke overrompelingen[239]het beste kans om te slagen: en hiermede adieu en goed fortuin!”

„Ik wensch u hetzelfde.”

De Jaguar en de Amerikaan begeleidden den dragonder tot aan de verschansing om hem ongehinderd voorbij de voorposten te brengen, die zonder deze voorzorg, wegens de uniform die hij droeg, onverbiddelijk op hem zouden gevuurd hebben.

Toen hij buiten het kamp was, volgden de beide mannen hem met de oogen zoo lang zij de zwarte gestalte als een schim door het geboomte konden zien voortzweven waar zij weldra verdween.

„Hum!” riep John Davis, „dat noem ik een uitgeleerde schelm, hij is listiger dan een oppossum.Damn! wat een verfoeijelijke kerel!”

„Wel! vriend,” antwoordde de Jaguar luchthartig, „zulke menschen moeten er ook zijn, hoe zouden wij het anders maken?”

„Dat is waar, hij is omtrent even noodzakelijk als de pest en de geele koorts; maar dat daargelaten, zeg ik nog eens hij is de volmaaktste gaauwdief dien ik ooit gezien heb, en ik durf zweren dat ik er al een fraaije verzameling van heb bijgewoond gedurende mijn langen levensloop!”

Eenige minuten later braken de grensloopers het kamp op en stegen te paard om zich naar de bergengte del Palo-Muerto te begeven, hun aangewezen door Gregorio Felpa, de assistent van den generaal Rubio, wiens volle vertrouwen hij genoot en zoo voorbeeldig op prijs stelde.


Back to IndexNext