XXX.

[Inhoud]XXX.DE HINDERLAAG.De Jaguar had zijne maatregelen zoo goed gekozen, en de verrader die het geld-konvooi als gids zou geleiden had zoo fijn gemanoeuvreerd, dat de Mexicanen letterlijk in een wolfskuil waren gevallen, daar zij zeer bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk uit konden komen.Hoezeer voor een oogenblik gedemoraliseerd toen zij hun chef zagen nederstorten, wiens paard, gelijk wij in een vorig hoofdstuk gezien hebben, reeds in het begin van den aanval doodelijk getroffen[240]werd—hadden de dragonders, daar zij den kapitein nabij oogenblikkelijk weder zagen opstaan, zich ordelijk rondom de muilezels geschaard die het geld droegen, en maakten zij aan alle kanten moedig front, zich gereed houdende om den kostbaren schat die aan hunne hoede was toevertrouwd, met mannenmoed te verdedigen.Het eskorte onder kommando van kapitein Melendez, ofschoon niet talrijk, was uit geoefende krijgslieden zamengesteld, die langzamerhand aan den kleinen oorlog in de bosschen gewend waren en voor welke de hagchelijke stelling waarin zij zich op eens geplaatst zagen niets buitengewoons opleverde.De dragonders waren afgestegen, en hunne lange lansen ter zijde stellende, die in een strijd als de tegenwoordige geen nut konden doen, hadden zij zich met gevelde karabijnen rondom de karavaan in slagorde geschaard, met de oogen op het kreupelbosch gerigt, en wachtten onverschrokken het kommando af om hun vuur te openen en den strijd te beginnen.Kapitein Melendez had met eenen snellen blik het terrein bespied; het was ver van gunstig. Links en regts waren de rotssteilten met vijanden bezet; achter hen lag een talrijke troep grensloopers in hinderlaag achter eene borstwering van omgehakte boomen die als door een tooverslag den weg versperd en den terugtogt afgesneden hadden; voor hen uit eindelijk, was een steile kloof van twintig ellen breedte en onberekenbare diepte.Alle hoop om zonder slag of stoot uit de stelling te geraken, waarin zij zich bekneld zagen, scheen voor de Mexicanen verloren, niet alleen wegens het groot aantal vijanden die hen omringden, maar ook door de plaatselijke ligging; intusschen, na het terrein oplettend te hebben bestudeerd, blonk er een lichtstraal in het oog van den kapitein en trilde een sombere glimlach op zijn gelaat.De dragonders kenden hun chef van ouds, zij vertrouwden op hem, zij hadden dien vlugtigen blik gezien en hun moed wakkerde weder op.De kapitein had immers geglimlacht, hij hoopte dus.Wel is waar was er geen man bij het gansche eskorte die had kunnen zeggen waarin deze hoop bestond.Na de eerste losbranding, hadden de grensloopers onverhoeds de hoogte beklommen, doch aldaar onbewegelijk stand houdende, vergenoegden zij zich met de bewegingen der Mexicanen oplettend gade te slaan.De kapitein maakte van dit uitstel, dat de vijand hem zoo[241]edelmoedig scheen te vergunnen handig gebruik om eenige verbeteringen in zijn plan van verdediging te brengen.De muilezels werden afgeladen, de kostbare kisten werden geheel achteraf, zoover mogelijk van den vijand geplaatst; vervolgens werden de muilezels en paarden voor het vlaggefront van het detachement gebragt en zoodanig geplaatst dat hunne ligchamen tot bolwerk dienden voor de soldaten, die gebukt of nedergeknield, achter deze levende verschansing eene betrekkelijk veilige schuilplaats vonden tegen de vijandelijke kogels.Toen deze maatregelen genomen waren, en de kapitein met een laatsten oogopslag zich overtuigd had dat zijne orders stipt waren uitgevoerd, boog hij zich naast het oor van no Bautista, den hoofdman der arrieros, en fluisterde hem eenige woorden toe.De arriero sprong bijna op van verbazing toen hij deze woorden vernam, maar zich oogenblikkelijk herstellende, knikte hij toestemmend.„Gij zult gehoorzamen?” vroeg don Juan hem scherp aanziende.„Op mijn eer, kapitein,” antwoordde no Bautista.„Welnu!” zeide de jongman opgeruimd, „wij zullen nog lagchen, daar sta ik u borg voor.”De arriero verwijderde zich en de kapitein plaatste zich voor de soldaten. Naauwelijks had hij zijn post ingenomen, of er verscheen op den top van den berg aan de regterzijde, een man; die man had een lange lans in de hand aan wier top een witte vlag wapperde.„O ho!” mompelde de kapitein, „wat moet dat beteekenen? zouden ze reeds vreezen dat hun prooi hun ontgaan zal?—Heila!” riep hij, „wat wilt gij.”„Parlementeren!” antwoordde de man met de witte vlag lakoniek.„Parlementeren,” herhaalde de kapitein, „waartoe zou dat dienen? Buitendien heb ik de eer officier van het Mexicaansche leger te zijn, en kan dus met geen bandieten onderhandelen.”„Wees voorzigtig, kapitein, kwalijk geplaatste moed is veeltijds niets dan blazerij; uwe positie is hopeloos.”„Zoudt gij dat denken?” hernam de jongman op schertsenden toon.„Gij zijt van alle kanten ingesloten.”„Behalve van een kant.”„Ja, maar daar is een onoverkomelijke steilte.”„Wie weet?” riep de kapitein altijd snaaksch.„Het zij zoo! Wilt gij naar mij luisteren?” hervatte de andere wien dit gesprek begon te vervelen.[242]„Ter zake,” zei Melendez, „laat hooren uwe voorstellen, daarna zal ik u mijne voorwaarden zeggen.”„Welke voorwaarden?” vroeg de parlementair met verwondering.„Die ik u denk voor te schrijven, pardi!”Deze trotsche taal werd door de grensloopers met schaterend gelach beantwoord. De kapitein bleef koel en bedaard.„Wie zijt gij?” vroeg hij.„De kommandant dergenen die u gevangen houden.”„Gevangen houden! dat denk ik nog niet; maar, wij zullen zien.”„Ha, zijt gij het, de Jaguar, die woeste bandiet, wiens naam aan de grenzen algemeen verwenscht wordt?”„Ik ben de Jaguar,” antwoordde deze bedaard.„’tIs goed. Wat wilt gij van mij? Spreek, en vooral, spreek kort,” hernam de kapitein terwijl hij de punt van zijn degen op de punt van zijn laars zette.„Ik wil bloedvergieten voorkomen,” zei de Jaguar.„Dat is zeer mooi van u; maar uw loffelijk besluit komt, dunkt mij, een weinig te laat,” riep de officier op denzelfden spottenden toon.„Hoor eens, kapitein, gij zijt een dapper officier, het zou mij razend leed doen als u een ongeluk overkwam; wees niet zoo hardnekkig om een strijd te willen voortzetten die onmogelijk is, omringd als gij zijt door eene magt die de uwe ver overtreft; iedere poging tot wederstand zou eene onvergefelijke dwaasheid zijn, die op den moord van uw gansche detachement tot den laatsten man zou uitloopen, zonder dat gij kunt hopen het convooi te redden dat gij eskorteert. Geef u gevangen; ik herzeg u, het is de laatste kans op behoud die u overblijft.”„Caballero,” antwoordde de kapitein voor dit maal ernstig, „ik zeg u dank voor de taal die gij tegen mij voert; ik ken mijne lieden en ik zie dat gij op dit oogenblik loffelijk en loyaal gesproken hebt.”„Dat heb ik gedaan,” riep de Jaguar.„Ongelukkigerwijs,” vervolgde de kapitein, „ben ik genoodzaakt u te herhalen dat ik de eer heb officier te zijn, en dat ik nooit kan toestemmen mijn degen over te geven aan het opperhoofd van een bende landloopers buiten de wet. Ben ik zoo dwaas en dom geweest om mij in een strik te laten vangen, welnu, dan is het mijne schuld, en dan moet ik er voor boeten.”De beide sprekers waren intusschen tot elkander genaderd en wisselden thans hunne gedachten met ridderlijk vertrouwen.[243]„Ik begrijp, kapitein, dat uw militaire eer u in zekere gevallen verpligten moet om een strijd te wagen, zelfs onder ongunstige omstandigheden; maar hier is het een ander geval: alle kansen zijn hier tegen u, en uwe eer heeft niets te lijden door eene overgave die het leven uwer dapperen sparen zal.”„En die u zonder slag of stoot den rijken buit in handen levert dien gij beoogt, niet waar?”„Die buit, wat gij ook doet, kan ons niet ontgaan.”De kapitein haalde de schouders op.„Gij zijt dwaas,” zeide hij; „gelijk al de lieden die in de prairie oorlog voeren, hebt gij te slim willen zijn, en heeft uwe slimheid haar doel voorbij geschoten.”„Hoedat?”„Leer mij kennen, caballero; ik ben van een oud Christengeslacht, ik stam af van de aloude veroveraars, het Spaansche bloed vloeit zuiver in mijne aderen; al mijne manschappen zijn in leven en dood aan mij verbonden, op mijn bevel zullen zij zich totden laatsten mantoe laten dooden; maar hoe groot ook de voordeelen uwer stelling, en het aantal uwer volgers zijn mogen, er is een bepaalde tijd noodig om vijftig man af te maken, die als wanhopigen zullen strijden en vast besloten zijn om geen kwartier te vragen.”„Ja,” zei de Jaguar met een sombere stem, „maar eindelijk doodt men ze toch.”„Zonder twijfel,” antwoordde de kapitein bedaard, „maar terwijl gij ons vermoordt, zullen de muildrijvers, die hiertoe mijne bepaalde orders hebben ontvangen, de koffers die het geld bevatten, een voor een in den afgrond storten aan welker rand gij ons hebt opgesloten.”„O!” riep de Jaguar, op een toon van bedreiging die hem zeer slecht afging, „dat zult gij niet doen, kapitein.”„Waarom zou ik dat niet doen?” hernam de kapitein bedaard.„Zeker zal ik het doen, ik zweer het u op mijn eer.”„O!”„En wat hebt gij dan gewonnen? Dan zult gij lafhartig vijftig menschen hebben vermoord, zonder ander gevolg, dan dat gij u tot den elleboog in het bloed uwer medeburgers hebt gebaad.”„Rayo de Dios!dat noem ik razernij.”„Neen, dat is eenvoudig het logisch gevolg van uwe bedreiging. Wij zullen sterven, maar als brave lieden die tot het uiterste hun pligt hebben gedaan; terwijl het geld gered is.”[244]„Derhalve zijn al mijne pogingen om de zaak tot eene vreedzame oplossing te brengen vergeefs?”„Er is slechts een middel.”„Welk?”„Ons te laten vertrekken, en u zelven te verbinden dat gij onzen aftogt niet zult verontrusten.”„Nooit! dat geld is voor mij onontbeerlijk, ik moet het hebben.”„Zie dan hoe gij het krijgt.”„Dat zal ik zien.”„Ga uw gang.”„Uw bloed, dat ik heb willen sparen, kome op uw hoofd.”„Of op het uwe.”De Jaguar verwijderde zich.De kapitein keerde naar zijne soldaten terug, die digt genoeg bij de sprekers hadden gestaan om het gesprek tot in de minste bijzonderheden te volgen.„Hoe denkt gij er over, mijne kinderen?” vroeg hij.„Sterven!” antwoordden zij ferm en kortaf.„Goed, wij sterven te zamen.” En met zijn degen boven zijn hoofd zwaaijend, riep hij:Dios y libertad, vive Mejico!(God en de vrijheid! leve Mexico!)„Viva Mejico!” herhaalden de dragonders vol geestdrift.Onder deze bedrijven was de zon aan den gezigteinder verdwenen, en had de avondschaduw het aardrijk als met een lijkkleed bedekt.De Jaguar was woedend van spijt over het mislukken zijner poging, bij zijne kameraden terug gekomen.„Wel!” vroeg hem John Davis, die zijne terugkomst met ongeduld had verwacht, „wat hebt gij verkregen?”„Niets. Die man is razend.”„Ik heb het u gezegd, het is een duivel; gelukkigerwijs ontkomt hij ons niet, wat hij ook doen mag.”„Daarin vergist gij u,” antwoordde de Jaguar stampvoetend van gramschap; „of hij leeft of sterft, het geld is voor ons verloren.”„Hoe dat?”De Jaguar vertelde hem nu in weinige woorden wat er tusschen hem en den kapitein gesproken was.„Dat is vervloekt!” riep de Amerikaan, „dan moeten wij ons haasten.”„Tot overmaat van ongeluk, is het zoo helsch donker.”„Caramba! laten wij lichtvuren maken, misschien zullen wij[245]daarmede die duivels zoo verschrikken, dat zij kwaken als kikkers om regen.”„Gij hebt gelijk, brandfakkels!brandfakkels!”„Nog beter, laten wij het bosch in brandsteken.”„Ha! ja!”lachte de Jaguar, „bravo! laten wij hen berooken als muskusratten.”Dit duivelsche plan werdonmiddellijkten uitvoer gebragt, en weldra steeg er een kordon van vlammen omhoog, op den top des heuvels, en omsingelde den ganschen bergpas, waar de Mexicanen met onverschrokken bedaardheid den aanval van hunne vijanden verbeidden.Zij behoefden niet lang te wachten; een levendig geweervuur opende zich, vermengd met de huilende oorlogskreten der aanvallers.„Het is tijd!” riep Melendez.Terstond hoorde men het gedruisch van een vallende geldkist in de diepte.Dank zij het brandende bosch, was de gansche omtrek zoo ligt als de dag, en bleef geen enkele beweging der Mexicanen bij hunne tegenstanders onopgemerkt.Dezen schreeuwden van woede, toen zij de geldkisten de een na de ander in den afgrond zagen verdwijnen.Zij waagden thans op de soldaten storm te loopen, maar deze ontvingen hen met gevelde bajonetten, zonder een duim breed te wijken.Eene losbranding op manslengte van de zijde der Mexicanen, die hun kruid tot dusver gespaard hadden, deed een groot aantal vijanden in het gras bijten en bragt hunne gelederen voor een oogenblik in verwarring zoo dat zij tegen wil en dank terugdeinsden.„Voorwaarts!” brulde de Jaguar.En zijne volgers hervatten den storm nog woedender dan te voren.„Houdt stand! wij moeten sterven!” zei de kapitein.Nu ontstond er eene worsteling van man tegen man, voet aan voet en borst aan borst; aanvallers en verdedigers mengden zich ondereen en stieten elkander overhoop in stomme woede of met naauw hoorbaar gemompel, strijdende veeleer als verscheurende dieren dan als menschen.De arriero’s, ofschoon door een hagelbui van welgerigte kogels bestookt, vervolgden desniettemin met den meesten ijver hunne taak; naauwelijks stortte een hunner zieltogend op den grond, of een ander greep de hem ontvallen ijzeren koevoet, en de kisten[246]met geld tuimelden onverpoosd in de diepte, ondanks de woeste verwenschingen en schier bovenmenschelijke inspanning hunner vijanden om den heldhaftigen menschenmuur te verbreken die hun den doortogt versperde.Het was een ijzingwekkend schouwspel, deze hardnekkige strijd en onverbiddelijke worsteling tusschen aanval en verdediging op dit beperkt terrein, beschermd door den schitterenden gloed van een vlammend bosch, als door een akeligen onheilspellenden vuurtoren.Het krijgsgeschrei hield thans op, maar de slagting duurde onverpoosd voort, slechts nu en dan hoorde men de nadrukkelijke stem van den kapitein, in het korte kommando:„Sluit de gelederen! sluit de gelederen!”En de gelederen werden gesloten, en de dapperen vielen zonder zich te beklagen, hun leven opofferende of den strijd volhoudende, alleen om nog eenige minuten te winnen, die onontbeerlijk waren ter bereiking van het hardnekkig beoogde doel.Vruchteloos poogden de grensloopers, door winstbejag aangevuurd, den krachtigen weerstand te breken, die hun door een handvol dapperen geboden werd. De heldhaftige dragonders, schouder aan schouder geschaard, en door elkander gerugsteund, of door de lijken hunner gesneuvelde spitsbroeders als door een bloedig bolwerk beschermd, schenen telkens nieuwen moed te scheppen of in kracht te verdubbelen om den bergpas van alle kanten af te sluiten.Met dat al kon het gevecht niet lang meer duren; tien mannen op zijn hoogst, van het gansche detachement door den kapitein aangevoerd, hielden nog stand, de overigen waren bezweken maar allen als helden gevallen, met wonden in de borst en met het front naar den vijand.Al de muildrijvers waren gesneuveld; nog twee koffers stonden er op den rand der steilte; de kapitein wierp een snellen blik in het rond.„Nog eene poging, mijne kinderen!” riep hij, „slechts vijf minuten, en onze taak is volbragt.”„Dios y libertad!” juichten de soldaten, en ofschoon uitgeput van vermoeijenis, wierpen zij zich stoutmoedig in den digtsten drom der hen omringende vijanden.Gedurende eenige minuten deden deze tien mannen wonderen van dapperheid; maar eindelijk behield de overmagt het veld; zij werden allen gedood.[247]De kapitein alleen bleef over.Hij had zich de zelfopoffering zijner soldaten ten nutte gemaakt, om een koevoet te grijpen en een der beide kisten in den afgrond te doen tuimelen; de tweede, met veel moeite op zijn kant gewenteld, vorderde slechts eene laatste poging om op zijne beurt te verdwijnen, toen zich eensklaps een donderend hoerah! boven het hoofd van den officier hooren liet.Hij keek op.De grensloopers snelden op hem toe in dolle vaart, als bloeddorstige tijgers.„Ha!” juichte Gregorio Felpa, de verraderlijke gids, die de voorste was; „één ten minste zullen wij er van hebben!”„Gij liegt, ellendeling!” antwoordde de kapitein.En met zijne beide handen den zwaren ijzeren koevoet opheffende, liet hij dien op het hoofd van den soldaat neerkomen, die als een gekuiste os levenloos neerstortte, zonder een enkelen schreeuw of zucht te slaken.„Wie nog!” riep de kapitein zijn koevoet weder opheffende.Een gehuil van schrik ging op onder de menigte, die een oogenblik aarzelde.De kapitein maakte van dit oogenblik gebruik, liet zijn hefboom dalen, en de laatste geldkist stond aan den rand der steilte.Deze beweging gaf aan de grensloopers al hunne woede en gramschap terug.„Dood! dood hem!” schreeuwden allen en storten zich op den officier.„Houd op!” riep de Jaguar, snel voorwaarts dringende en alles omverwerpend wat hem in den weg trad; „dat niemand zich verder roere, die man behoort aan mij.”Bij het hooren dezer welbekende stem, bleven al de mannen staan.De kapitein wierp zijn koevoet weg; de laatste kist was in den afgrond gestort.„Geef u over, kapitein Melendez,” zeide de Jaguar terwijl hij den kapitein te gemoed trad.Deze had zijn degen weder in de hand genomen.„Het is de moeite niet meer waard,” antwoordde hij, „ik wil liever sterven.”„Verdedig u dan.”De beide kampvechters stelden zich in postuur. Gedurende eenige sekonden hoorde men een hevig gekletter van wapenen.[248]Door een onverhoedschen en allerbehendigsten stoot, deed de kapitein zijn tegenstander den degen tien ellen ver uit de hand vliegen. Eer laatstgenoemde van zijne verrassing bekomen kon, had de officier zich reeds op hem geworpen, greep hij hem aan en klamte zich aan hem vast.De beide mannen vielen op den grond als twee kronkelende slangen.Geen twee ellen achter hen gaapte de afgrond.De officier wendde al zijne pogingen aan om den Jaguar naar den rand der steilte te dringen: deze daarentegen trachtte zich, zoo mogelijk, uit de knellende armen van zijn tegenstander los te rukken, wiens ontzettende bedoeling hij maar al te goed begreep.Eindelijk, na eene worsteling van weinige minuten, lieten de armen die het lijf van den Jaguar omstrengelden los, de krampachtige handen van den officier ontspanden zich, en met de uiterste krachtsinspanning gelukte het den jongman zich aan zijn vijand te ontwringen en op te staan.Naauwelijks echter was hij overeind, of de kapitein, die reeds uitgeput en bijna in flaauwte scheen, sprong op als een tijger, sloeg zijn tegenstander op nieuw de armen om het lijf en bragt hem een geweldigen schok toe.De Jaguar, nog duizelend van de worsteling die hij even te voren had doorgestaan, was op dezen fellen aanval weinig verdacht, hij wankelde, verloor het evenwigt en gaf een geweldigen schreeuw.„Eindelijk!”… brulde de kapitein met woeste vreugd.De toeschouwers huilden van wanhoop en afgrijzen.De beide vijanden waren in den afgrond verdwenen.1EINDE.[249]1Zie het vervolg in „deVrij-buiters”, dat bij dezelfde uitgevers ter perse is.↑

[Inhoud]XXX.DE HINDERLAAG.De Jaguar had zijne maatregelen zoo goed gekozen, en de verrader die het geld-konvooi als gids zou geleiden had zoo fijn gemanoeuvreerd, dat de Mexicanen letterlijk in een wolfskuil waren gevallen, daar zij zeer bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk uit konden komen.Hoezeer voor een oogenblik gedemoraliseerd toen zij hun chef zagen nederstorten, wiens paard, gelijk wij in een vorig hoofdstuk gezien hebben, reeds in het begin van den aanval doodelijk getroffen[240]werd—hadden de dragonders, daar zij den kapitein nabij oogenblikkelijk weder zagen opstaan, zich ordelijk rondom de muilezels geschaard die het geld droegen, en maakten zij aan alle kanten moedig front, zich gereed houdende om den kostbaren schat die aan hunne hoede was toevertrouwd, met mannenmoed te verdedigen.Het eskorte onder kommando van kapitein Melendez, ofschoon niet talrijk, was uit geoefende krijgslieden zamengesteld, die langzamerhand aan den kleinen oorlog in de bosschen gewend waren en voor welke de hagchelijke stelling waarin zij zich op eens geplaatst zagen niets buitengewoons opleverde.De dragonders waren afgestegen, en hunne lange lansen ter zijde stellende, die in een strijd als de tegenwoordige geen nut konden doen, hadden zij zich met gevelde karabijnen rondom de karavaan in slagorde geschaard, met de oogen op het kreupelbosch gerigt, en wachtten onverschrokken het kommando af om hun vuur te openen en den strijd te beginnen.Kapitein Melendez had met eenen snellen blik het terrein bespied; het was ver van gunstig. Links en regts waren de rotssteilten met vijanden bezet; achter hen lag een talrijke troep grensloopers in hinderlaag achter eene borstwering van omgehakte boomen die als door een tooverslag den weg versperd en den terugtogt afgesneden hadden; voor hen uit eindelijk, was een steile kloof van twintig ellen breedte en onberekenbare diepte.Alle hoop om zonder slag of stoot uit de stelling te geraken, waarin zij zich bekneld zagen, scheen voor de Mexicanen verloren, niet alleen wegens het groot aantal vijanden die hen omringden, maar ook door de plaatselijke ligging; intusschen, na het terrein oplettend te hebben bestudeerd, blonk er een lichtstraal in het oog van den kapitein en trilde een sombere glimlach op zijn gelaat.De dragonders kenden hun chef van ouds, zij vertrouwden op hem, zij hadden dien vlugtigen blik gezien en hun moed wakkerde weder op.De kapitein had immers geglimlacht, hij hoopte dus.Wel is waar was er geen man bij het gansche eskorte die had kunnen zeggen waarin deze hoop bestond.Na de eerste losbranding, hadden de grensloopers onverhoeds de hoogte beklommen, doch aldaar onbewegelijk stand houdende, vergenoegden zij zich met de bewegingen der Mexicanen oplettend gade te slaan.De kapitein maakte van dit uitstel, dat de vijand hem zoo[241]edelmoedig scheen te vergunnen handig gebruik om eenige verbeteringen in zijn plan van verdediging te brengen.De muilezels werden afgeladen, de kostbare kisten werden geheel achteraf, zoover mogelijk van den vijand geplaatst; vervolgens werden de muilezels en paarden voor het vlaggefront van het detachement gebragt en zoodanig geplaatst dat hunne ligchamen tot bolwerk dienden voor de soldaten, die gebukt of nedergeknield, achter deze levende verschansing eene betrekkelijk veilige schuilplaats vonden tegen de vijandelijke kogels.Toen deze maatregelen genomen waren, en de kapitein met een laatsten oogopslag zich overtuigd had dat zijne orders stipt waren uitgevoerd, boog hij zich naast het oor van no Bautista, den hoofdman der arrieros, en fluisterde hem eenige woorden toe.De arriero sprong bijna op van verbazing toen hij deze woorden vernam, maar zich oogenblikkelijk herstellende, knikte hij toestemmend.„Gij zult gehoorzamen?” vroeg don Juan hem scherp aanziende.„Op mijn eer, kapitein,” antwoordde no Bautista.„Welnu!” zeide de jongman opgeruimd, „wij zullen nog lagchen, daar sta ik u borg voor.”De arriero verwijderde zich en de kapitein plaatste zich voor de soldaten. Naauwelijks had hij zijn post ingenomen, of er verscheen op den top van den berg aan de regterzijde, een man; die man had een lange lans in de hand aan wier top een witte vlag wapperde.„O ho!” mompelde de kapitein, „wat moet dat beteekenen? zouden ze reeds vreezen dat hun prooi hun ontgaan zal?—Heila!” riep hij, „wat wilt gij.”„Parlementeren!” antwoordde de man met de witte vlag lakoniek.„Parlementeren,” herhaalde de kapitein, „waartoe zou dat dienen? Buitendien heb ik de eer officier van het Mexicaansche leger te zijn, en kan dus met geen bandieten onderhandelen.”„Wees voorzigtig, kapitein, kwalijk geplaatste moed is veeltijds niets dan blazerij; uwe positie is hopeloos.”„Zoudt gij dat denken?” hernam de jongman op schertsenden toon.„Gij zijt van alle kanten ingesloten.”„Behalve van een kant.”„Ja, maar daar is een onoverkomelijke steilte.”„Wie weet?” riep de kapitein altijd snaaksch.„Het zij zoo! Wilt gij naar mij luisteren?” hervatte de andere wien dit gesprek begon te vervelen.[242]„Ter zake,” zei Melendez, „laat hooren uwe voorstellen, daarna zal ik u mijne voorwaarden zeggen.”„Welke voorwaarden?” vroeg de parlementair met verwondering.„Die ik u denk voor te schrijven, pardi!”Deze trotsche taal werd door de grensloopers met schaterend gelach beantwoord. De kapitein bleef koel en bedaard.„Wie zijt gij?” vroeg hij.„De kommandant dergenen die u gevangen houden.”„Gevangen houden! dat denk ik nog niet; maar, wij zullen zien.”„Ha, zijt gij het, de Jaguar, die woeste bandiet, wiens naam aan de grenzen algemeen verwenscht wordt?”„Ik ben de Jaguar,” antwoordde deze bedaard.„’tIs goed. Wat wilt gij van mij? Spreek, en vooral, spreek kort,” hernam de kapitein terwijl hij de punt van zijn degen op de punt van zijn laars zette.„Ik wil bloedvergieten voorkomen,” zei de Jaguar.„Dat is zeer mooi van u; maar uw loffelijk besluit komt, dunkt mij, een weinig te laat,” riep de officier op denzelfden spottenden toon.„Hoor eens, kapitein, gij zijt een dapper officier, het zou mij razend leed doen als u een ongeluk overkwam; wees niet zoo hardnekkig om een strijd te willen voortzetten die onmogelijk is, omringd als gij zijt door eene magt die de uwe ver overtreft; iedere poging tot wederstand zou eene onvergefelijke dwaasheid zijn, die op den moord van uw gansche detachement tot den laatsten man zou uitloopen, zonder dat gij kunt hopen het convooi te redden dat gij eskorteert. Geef u gevangen; ik herzeg u, het is de laatste kans op behoud die u overblijft.”„Caballero,” antwoordde de kapitein voor dit maal ernstig, „ik zeg u dank voor de taal die gij tegen mij voert; ik ken mijne lieden en ik zie dat gij op dit oogenblik loffelijk en loyaal gesproken hebt.”„Dat heb ik gedaan,” riep de Jaguar.„Ongelukkigerwijs,” vervolgde de kapitein, „ben ik genoodzaakt u te herhalen dat ik de eer heb officier te zijn, en dat ik nooit kan toestemmen mijn degen over te geven aan het opperhoofd van een bende landloopers buiten de wet. Ben ik zoo dwaas en dom geweest om mij in een strik te laten vangen, welnu, dan is het mijne schuld, en dan moet ik er voor boeten.”De beide sprekers waren intusschen tot elkander genaderd en wisselden thans hunne gedachten met ridderlijk vertrouwen.[243]„Ik begrijp, kapitein, dat uw militaire eer u in zekere gevallen verpligten moet om een strijd te wagen, zelfs onder ongunstige omstandigheden; maar hier is het een ander geval: alle kansen zijn hier tegen u, en uwe eer heeft niets te lijden door eene overgave die het leven uwer dapperen sparen zal.”„En die u zonder slag of stoot den rijken buit in handen levert dien gij beoogt, niet waar?”„Die buit, wat gij ook doet, kan ons niet ontgaan.”De kapitein haalde de schouders op.„Gij zijt dwaas,” zeide hij; „gelijk al de lieden die in de prairie oorlog voeren, hebt gij te slim willen zijn, en heeft uwe slimheid haar doel voorbij geschoten.”„Hoedat?”„Leer mij kennen, caballero; ik ben van een oud Christengeslacht, ik stam af van de aloude veroveraars, het Spaansche bloed vloeit zuiver in mijne aderen; al mijne manschappen zijn in leven en dood aan mij verbonden, op mijn bevel zullen zij zich totden laatsten mantoe laten dooden; maar hoe groot ook de voordeelen uwer stelling, en het aantal uwer volgers zijn mogen, er is een bepaalde tijd noodig om vijftig man af te maken, die als wanhopigen zullen strijden en vast besloten zijn om geen kwartier te vragen.”„Ja,” zei de Jaguar met een sombere stem, „maar eindelijk doodt men ze toch.”„Zonder twijfel,” antwoordde de kapitein bedaard, „maar terwijl gij ons vermoordt, zullen de muildrijvers, die hiertoe mijne bepaalde orders hebben ontvangen, de koffers die het geld bevatten, een voor een in den afgrond storten aan welker rand gij ons hebt opgesloten.”„O!” riep de Jaguar, op een toon van bedreiging die hem zeer slecht afging, „dat zult gij niet doen, kapitein.”„Waarom zou ik dat niet doen?” hernam de kapitein bedaard.„Zeker zal ik het doen, ik zweer het u op mijn eer.”„O!”„En wat hebt gij dan gewonnen? Dan zult gij lafhartig vijftig menschen hebben vermoord, zonder ander gevolg, dan dat gij u tot den elleboog in het bloed uwer medeburgers hebt gebaad.”„Rayo de Dios!dat noem ik razernij.”„Neen, dat is eenvoudig het logisch gevolg van uwe bedreiging. Wij zullen sterven, maar als brave lieden die tot het uiterste hun pligt hebben gedaan; terwijl het geld gered is.”[244]„Derhalve zijn al mijne pogingen om de zaak tot eene vreedzame oplossing te brengen vergeefs?”„Er is slechts een middel.”„Welk?”„Ons te laten vertrekken, en u zelven te verbinden dat gij onzen aftogt niet zult verontrusten.”„Nooit! dat geld is voor mij onontbeerlijk, ik moet het hebben.”„Zie dan hoe gij het krijgt.”„Dat zal ik zien.”„Ga uw gang.”„Uw bloed, dat ik heb willen sparen, kome op uw hoofd.”„Of op het uwe.”De Jaguar verwijderde zich.De kapitein keerde naar zijne soldaten terug, die digt genoeg bij de sprekers hadden gestaan om het gesprek tot in de minste bijzonderheden te volgen.„Hoe denkt gij er over, mijne kinderen?” vroeg hij.„Sterven!” antwoordden zij ferm en kortaf.„Goed, wij sterven te zamen.” En met zijn degen boven zijn hoofd zwaaijend, riep hij:Dios y libertad, vive Mejico!(God en de vrijheid! leve Mexico!)„Viva Mejico!” herhaalden de dragonders vol geestdrift.Onder deze bedrijven was de zon aan den gezigteinder verdwenen, en had de avondschaduw het aardrijk als met een lijkkleed bedekt.De Jaguar was woedend van spijt over het mislukken zijner poging, bij zijne kameraden terug gekomen.„Wel!” vroeg hem John Davis, die zijne terugkomst met ongeduld had verwacht, „wat hebt gij verkregen?”„Niets. Die man is razend.”„Ik heb het u gezegd, het is een duivel; gelukkigerwijs ontkomt hij ons niet, wat hij ook doen mag.”„Daarin vergist gij u,” antwoordde de Jaguar stampvoetend van gramschap; „of hij leeft of sterft, het geld is voor ons verloren.”„Hoe dat?”De Jaguar vertelde hem nu in weinige woorden wat er tusschen hem en den kapitein gesproken was.„Dat is vervloekt!” riep de Amerikaan, „dan moeten wij ons haasten.”„Tot overmaat van ongeluk, is het zoo helsch donker.”„Caramba! laten wij lichtvuren maken, misschien zullen wij[245]daarmede die duivels zoo verschrikken, dat zij kwaken als kikkers om regen.”„Gij hebt gelijk, brandfakkels!brandfakkels!”„Nog beter, laten wij het bosch in brandsteken.”„Ha! ja!”lachte de Jaguar, „bravo! laten wij hen berooken als muskusratten.”Dit duivelsche plan werdonmiddellijkten uitvoer gebragt, en weldra steeg er een kordon van vlammen omhoog, op den top des heuvels, en omsingelde den ganschen bergpas, waar de Mexicanen met onverschrokken bedaardheid den aanval van hunne vijanden verbeidden.Zij behoefden niet lang te wachten; een levendig geweervuur opende zich, vermengd met de huilende oorlogskreten der aanvallers.„Het is tijd!” riep Melendez.Terstond hoorde men het gedruisch van een vallende geldkist in de diepte.Dank zij het brandende bosch, was de gansche omtrek zoo ligt als de dag, en bleef geen enkele beweging der Mexicanen bij hunne tegenstanders onopgemerkt.Dezen schreeuwden van woede, toen zij de geldkisten de een na de ander in den afgrond zagen verdwijnen.Zij waagden thans op de soldaten storm te loopen, maar deze ontvingen hen met gevelde bajonetten, zonder een duim breed te wijken.Eene losbranding op manslengte van de zijde der Mexicanen, die hun kruid tot dusver gespaard hadden, deed een groot aantal vijanden in het gras bijten en bragt hunne gelederen voor een oogenblik in verwarring zoo dat zij tegen wil en dank terugdeinsden.„Voorwaarts!” brulde de Jaguar.En zijne volgers hervatten den storm nog woedender dan te voren.„Houdt stand! wij moeten sterven!” zei de kapitein.Nu ontstond er eene worsteling van man tegen man, voet aan voet en borst aan borst; aanvallers en verdedigers mengden zich ondereen en stieten elkander overhoop in stomme woede of met naauw hoorbaar gemompel, strijdende veeleer als verscheurende dieren dan als menschen.De arriero’s, ofschoon door een hagelbui van welgerigte kogels bestookt, vervolgden desniettemin met den meesten ijver hunne taak; naauwelijks stortte een hunner zieltogend op den grond, of een ander greep de hem ontvallen ijzeren koevoet, en de kisten[246]met geld tuimelden onverpoosd in de diepte, ondanks de woeste verwenschingen en schier bovenmenschelijke inspanning hunner vijanden om den heldhaftigen menschenmuur te verbreken die hun den doortogt versperde.Het was een ijzingwekkend schouwspel, deze hardnekkige strijd en onverbiddelijke worsteling tusschen aanval en verdediging op dit beperkt terrein, beschermd door den schitterenden gloed van een vlammend bosch, als door een akeligen onheilspellenden vuurtoren.Het krijgsgeschrei hield thans op, maar de slagting duurde onverpoosd voort, slechts nu en dan hoorde men de nadrukkelijke stem van den kapitein, in het korte kommando:„Sluit de gelederen! sluit de gelederen!”En de gelederen werden gesloten, en de dapperen vielen zonder zich te beklagen, hun leven opofferende of den strijd volhoudende, alleen om nog eenige minuten te winnen, die onontbeerlijk waren ter bereiking van het hardnekkig beoogde doel.Vruchteloos poogden de grensloopers, door winstbejag aangevuurd, den krachtigen weerstand te breken, die hun door een handvol dapperen geboden werd. De heldhaftige dragonders, schouder aan schouder geschaard, en door elkander gerugsteund, of door de lijken hunner gesneuvelde spitsbroeders als door een bloedig bolwerk beschermd, schenen telkens nieuwen moed te scheppen of in kracht te verdubbelen om den bergpas van alle kanten af te sluiten.Met dat al kon het gevecht niet lang meer duren; tien mannen op zijn hoogst, van het gansche detachement door den kapitein aangevoerd, hielden nog stand, de overigen waren bezweken maar allen als helden gevallen, met wonden in de borst en met het front naar den vijand.Al de muildrijvers waren gesneuveld; nog twee koffers stonden er op den rand der steilte; de kapitein wierp een snellen blik in het rond.„Nog eene poging, mijne kinderen!” riep hij, „slechts vijf minuten, en onze taak is volbragt.”„Dios y libertad!” juichten de soldaten, en ofschoon uitgeput van vermoeijenis, wierpen zij zich stoutmoedig in den digtsten drom der hen omringende vijanden.Gedurende eenige minuten deden deze tien mannen wonderen van dapperheid; maar eindelijk behield de overmagt het veld; zij werden allen gedood.[247]De kapitein alleen bleef over.Hij had zich de zelfopoffering zijner soldaten ten nutte gemaakt, om een koevoet te grijpen en een der beide kisten in den afgrond te doen tuimelen; de tweede, met veel moeite op zijn kant gewenteld, vorderde slechts eene laatste poging om op zijne beurt te verdwijnen, toen zich eensklaps een donderend hoerah! boven het hoofd van den officier hooren liet.Hij keek op.De grensloopers snelden op hem toe in dolle vaart, als bloeddorstige tijgers.„Ha!” juichte Gregorio Felpa, de verraderlijke gids, die de voorste was; „één ten minste zullen wij er van hebben!”„Gij liegt, ellendeling!” antwoordde de kapitein.En met zijne beide handen den zwaren ijzeren koevoet opheffende, liet hij dien op het hoofd van den soldaat neerkomen, die als een gekuiste os levenloos neerstortte, zonder een enkelen schreeuw of zucht te slaken.„Wie nog!” riep de kapitein zijn koevoet weder opheffende.Een gehuil van schrik ging op onder de menigte, die een oogenblik aarzelde.De kapitein maakte van dit oogenblik gebruik, liet zijn hefboom dalen, en de laatste geldkist stond aan den rand der steilte.Deze beweging gaf aan de grensloopers al hunne woede en gramschap terug.„Dood! dood hem!” schreeuwden allen en storten zich op den officier.„Houd op!” riep de Jaguar, snel voorwaarts dringende en alles omverwerpend wat hem in den weg trad; „dat niemand zich verder roere, die man behoort aan mij.”Bij het hooren dezer welbekende stem, bleven al de mannen staan.De kapitein wierp zijn koevoet weg; de laatste kist was in den afgrond gestort.„Geef u over, kapitein Melendez,” zeide de Jaguar terwijl hij den kapitein te gemoed trad.Deze had zijn degen weder in de hand genomen.„Het is de moeite niet meer waard,” antwoordde hij, „ik wil liever sterven.”„Verdedig u dan.”De beide kampvechters stelden zich in postuur. Gedurende eenige sekonden hoorde men een hevig gekletter van wapenen.[248]Door een onverhoedschen en allerbehendigsten stoot, deed de kapitein zijn tegenstander den degen tien ellen ver uit de hand vliegen. Eer laatstgenoemde van zijne verrassing bekomen kon, had de officier zich reeds op hem geworpen, greep hij hem aan en klamte zich aan hem vast.De beide mannen vielen op den grond als twee kronkelende slangen.Geen twee ellen achter hen gaapte de afgrond.De officier wendde al zijne pogingen aan om den Jaguar naar den rand der steilte te dringen: deze daarentegen trachtte zich, zoo mogelijk, uit de knellende armen van zijn tegenstander los te rukken, wiens ontzettende bedoeling hij maar al te goed begreep.Eindelijk, na eene worsteling van weinige minuten, lieten de armen die het lijf van den Jaguar omstrengelden los, de krampachtige handen van den officier ontspanden zich, en met de uiterste krachtsinspanning gelukte het den jongman zich aan zijn vijand te ontwringen en op te staan.Naauwelijks echter was hij overeind, of de kapitein, die reeds uitgeput en bijna in flaauwte scheen, sprong op als een tijger, sloeg zijn tegenstander op nieuw de armen om het lijf en bragt hem een geweldigen schok toe.De Jaguar, nog duizelend van de worsteling die hij even te voren had doorgestaan, was op dezen fellen aanval weinig verdacht, hij wankelde, verloor het evenwigt en gaf een geweldigen schreeuw.„Eindelijk!”… brulde de kapitein met woeste vreugd.De toeschouwers huilden van wanhoop en afgrijzen.De beide vijanden waren in den afgrond verdwenen.1EINDE.[249]1Zie het vervolg in „deVrij-buiters”, dat bij dezelfde uitgevers ter perse is.↑

XXX.DE HINDERLAAG.

De Jaguar had zijne maatregelen zoo goed gekozen, en de verrader die het geld-konvooi als gids zou geleiden had zoo fijn gemanoeuvreerd, dat de Mexicanen letterlijk in een wolfskuil waren gevallen, daar zij zeer bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk uit konden komen.Hoezeer voor een oogenblik gedemoraliseerd toen zij hun chef zagen nederstorten, wiens paard, gelijk wij in een vorig hoofdstuk gezien hebben, reeds in het begin van den aanval doodelijk getroffen[240]werd—hadden de dragonders, daar zij den kapitein nabij oogenblikkelijk weder zagen opstaan, zich ordelijk rondom de muilezels geschaard die het geld droegen, en maakten zij aan alle kanten moedig front, zich gereed houdende om den kostbaren schat die aan hunne hoede was toevertrouwd, met mannenmoed te verdedigen.Het eskorte onder kommando van kapitein Melendez, ofschoon niet talrijk, was uit geoefende krijgslieden zamengesteld, die langzamerhand aan den kleinen oorlog in de bosschen gewend waren en voor welke de hagchelijke stelling waarin zij zich op eens geplaatst zagen niets buitengewoons opleverde.De dragonders waren afgestegen, en hunne lange lansen ter zijde stellende, die in een strijd als de tegenwoordige geen nut konden doen, hadden zij zich met gevelde karabijnen rondom de karavaan in slagorde geschaard, met de oogen op het kreupelbosch gerigt, en wachtten onverschrokken het kommando af om hun vuur te openen en den strijd te beginnen.Kapitein Melendez had met eenen snellen blik het terrein bespied; het was ver van gunstig. Links en regts waren de rotssteilten met vijanden bezet; achter hen lag een talrijke troep grensloopers in hinderlaag achter eene borstwering van omgehakte boomen die als door een tooverslag den weg versperd en den terugtogt afgesneden hadden; voor hen uit eindelijk, was een steile kloof van twintig ellen breedte en onberekenbare diepte.Alle hoop om zonder slag of stoot uit de stelling te geraken, waarin zij zich bekneld zagen, scheen voor de Mexicanen verloren, niet alleen wegens het groot aantal vijanden die hen omringden, maar ook door de plaatselijke ligging; intusschen, na het terrein oplettend te hebben bestudeerd, blonk er een lichtstraal in het oog van den kapitein en trilde een sombere glimlach op zijn gelaat.De dragonders kenden hun chef van ouds, zij vertrouwden op hem, zij hadden dien vlugtigen blik gezien en hun moed wakkerde weder op.De kapitein had immers geglimlacht, hij hoopte dus.Wel is waar was er geen man bij het gansche eskorte die had kunnen zeggen waarin deze hoop bestond.Na de eerste losbranding, hadden de grensloopers onverhoeds de hoogte beklommen, doch aldaar onbewegelijk stand houdende, vergenoegden zij zich met de bewegingen der Mexicanen oplettend gade te slaan.De kapitein maakte van dit uitstel, dat de vijand hem zoo[241]edelmoedig scheen te vergunnen handig gebruik om eenige verbeteringen in zijn plan van verdediging te brengen.De muilezels werden afgeladen, de kostbare kisten werden geheel achteraf, zoover mogelijk van den vijand geplaatst; vervolgens werden de muilezels en paarden voor het vlaggefront van het detachement gebragt en zoodanig geplaatst dat hunne ligchamen tot bolwerk dienden voor de soldaten, die gebukt of nedergeknield, achter deze levende verschansing eene betrekkelijk veilige schuilplaats vonden tegen de vijandelijke kogels.Toen deze maatregelen genomen waren, en de kapitein met een laatsten oogopslag zich overtuigd had dat zijne orders stipt waren uitgevoerd, boog hij zich naast het oor van no Bautista, den hoofdman der arrieros, en fluisterde hem eenige woorden toe.De arriero sprong bijna op van verbazing toen hij deze woorden vernam, maar zich oogenblikkelijk herstellende, knikte hij toestemmend.„Gij zult gehoorzamen?” vroeg don Juan hem scherp aanziende.„Op mijn eer, kapitein,” antwoordde no Bautista.„Welnu!” zeide de jongman opgeruimd, „wij zullen nog lagchen, daar sta ik u borg voor.”De arriero verwijderde zich en de kapitein plaatste zich voor de soldaten. Naauwelijks had hij zijn post ingenomen, of er verscheen op den top van den berg aan de regterzijde, een man; die man had een lange lans in de hand aan wier top een witte vlag wapperde.„O ho!” mompelde de kapitein, „wat moet dat beteekenen? zouden ze reeds vreezen dat hun prooi hun ontgaan zal?—Heila!” riep hij, „wat wilt gij.”„Parlementeren!” antwoordde de man met de witte vlag lakoniek.„Parlementeren,” herhaalde de kapitein, „waartoe zou dat dienen? Buitendien heb ik de eer officier van het Mexicaansche leger te zijn, en kan dus met geen bandieten onderhandelen.”„Wees voorzigtig, kapitein, kwalijk geplaatste moed is veeltijds niets dan blazerij; uwe positie is hopeloos.”„Zoudt gij dat denken?” hernam de jongman op schertsenden toon.„Gij zijt van alle kanten ingesloten.”„Behalve van een kant.”„Ja, maar daar is een onoverkomelijke steilte.”„Wie weet?” riep de kapitein altijd snaaksch.„Het zij zoo! Wilt gij naar mij luisteren?” hervatte de andere wien dit gesprek begon te vervelen.[242]„Ter zake,” zei Melendez, „laat hooren uwe voorstellen, daarna zal ik u mijne voorwaarden zeggen.”„Welke voorwaarden?” vroeg de parlementair met verwondering.„Die ik u denk voor te schrijven, pardi!”Deze trotsche taal werd door de grensloopers met schaterend gelach beantwoord. De kapitein bleef koel en bedaard.„Wie zijt gij?” vroeg hij.„De kommandant dergenen die u gevangen houden.”„Gevangen houden! dat denk ik nog niet; maar, wij zullen zien.”„Ha, zijt gij het, de Jaguar, die woeste bandiet, wiens naam aan de grenzen algemeen verwenscht wordt?”„Ik ben de Jaguar,” antwoordde deze bedaard.„’tIs goed. Wat wilt gij van mij? Spreek, en vooral, spreek kort,” hernam de kapitein terwijl hij de punt van zijn degen op de punt van zijn laars zette.„Ik wil bloedvergieten voorkomen,” zei de Jaguar.„Dat is zeer mooi van u; maar uw loffelijk besluit komt, dunkt mij, een weinig te laat,” riep de officier op denzelfden spottenden toon.„Hoor eens, kapitein, gij zijt een dapper officier, het zou mij razend leed doen als u een ongeluk overkwam; wees niet zoo hardnekkig om een strijd te willen voortzetten die onmogelijk is, omringd als gij zijt door eene magt die de uwe ver overtreft; iedere poging tot wederstand zou eene onvergefelijke dwaasheid zijn, die op den moord van uw gansche detachement tot den laatsten man zou uitloopen, zonder dat gij kunt hopen het convooi te redden dat gij eskorteert. Geef u gevangen; ik herzeg u, het is de laatste kans op behoud die u overblijft.”„Caballero,” antwoordde de kapitein voor dit maal ernstig, „ik zeg u dank voor de taal die gij tegen mij voert; ik ken mijne lieden en ik zie dat gij op dit oogenblik loffelijk en loyaal gesproken hebt.”„Dat heb ik gedaan,” riep de Jaguar.„Ongelukkigerwijs,” vervolgde de kapitein, „ben ik genoodzaakt u te herhalen dat ik de eer heb officier te zijn, en dat ik nooit kan toestemmen mijn degen over te geven aan het opperhoofd van een bende landloopers buiten de wet. Ben ik zoo dwaas en dom geweest om mij in een strik te laten vangen, welnu, dan is het mijne schuld, en dan moet ik er voor boeten.”De beide sprekers waren intusschen tot elkander genaderd en wisselden thans hunne gedachten met ridderlijk vertrouwen.[243]„Ik begrijp, kapitein, dat uw militaire eer u in zekere gevallen verpligten moet om een strijd te wagen, zelfs onder ongunstige omstandigheden; maar hier is het een ander geval: alle kansen zijn hier tegen u, en uwe eer heeft niets te lijden door eene overgave die het leven uwer dapperen sparen zal.”„En die u zonder slag of stoot den rijken buit in handen levert dien gij beoogt, niet waar?”„Die buit, wat gij ook doet, kan ons niet ontgaan.”De kapitein haalde de schouders op.„Gij zijt dwaas,” zeide hij; „gelijk al de lieden die in de prairie oorlog voeren, hebt gij te slim willen zijn, en heeft uwe slimheid haar doel voorbij geschoten.”„Hoedat?”„Leer mij kennen, caballero; ik ben van een oud Christengeslacht, ik stam af van de aloude veroveraars, het Spaansche bloed vloeit zuiver in mijne aderen; al mijne manschappen zijn in leven en dood aan mij verbonden, op mijn bevel zullen zij zich totden laatsten mantoe laten dooden; maar hoe groot ook de voordeelen uwer stelling, en het aantal uwer volgers zijn mogen, er is een bepaalde tijd noodig om vijftig man af te maken, die als wanhopigen zullen strijden en vast besloten zijn om geen kwartier te vragen.”„Ja,” zei de Jaguar met een sombere stem, „maar eindelijk doodt men ze toch.”„Zonder twijfel,” antwoordde de kapitein bedaard, „maar terwijl gij ons vermoordt, zullen de muildrijvers, die hiertoe mijne bepaalde orders hebben ontvangen, de koffers die het geld bevatten, een voor een in den afgrond storten aan welker rand gij ons hebt opgesloten.”„O!” riep de Jaguar, op een toon van bedreiging die hem zeer slecht afging, „dat zult gij niet doen, kapitein.”„Waarom zou ik dat niet doen?” hernam de kapitein bedaard.„Zeker zal ik het doen, ik zweer het u op mijn eer.”„O!”„En wat hebt gij dan gewonnen? Dan zult gij lafhartig vijftig menschen hebben vermoord, zonder ander gevolg, dan dat gij u tot den elleboog in het bloed uwer medeburgers hebt gebaad.”„Rayo de Dios!dat noem ik razernij.”„Neen, dat is eenvoudig het logisch gevolg van uwe bedreiging. Wij zullen sterven, maar als brave lieden die tot het uiterste hun pligt hebben gedaan; terwijl het geld gered is.”[244]„Derhalve zijn al mijne pogingen om de zaak tot eene vreedzame oplossing te brengen vergeefs?”„Er is slechts een middel.”„Welk?”„Ons te laten vertrekken, en u zelven te verbinden dat gij onzen aftogt niet zult verontrusten.”„Nooit! dat geld is voor mij onontbeerlijk, ik moet het hebben.”„Zie dan hoe gij het krijgt.”„Dat zal ik zien.”„Ga uw gang.”„Uw bloed, dat ik heb willen sparen, kome op uw hoofd.”„Of op het uwe.”De Jaguar verwijderde zich.De kapitein keerde naar zijne soldaten terug, die digt genoeg bij de sprekers hadden gestaan om het gesprek tot in de minste bijzonderheden te volgen.„Hoe denkt gij er over, mijne kinderen?” vroeg hij.„Sterven!” antwoordden zij ferm en kortaf.„Goed, wij sterven te zamen.” En met zijn degen boven zijn hoofd zwaaijend, riep hij:Dios y libertad, vive Mejico!(God en de vrijheid! leve Mexico!)„Viva Mejico!” herhaalden de dragonders vol geestdrift.Onder deze bedrijven was de zon aan den gezigteinder verdwenen, en had de avondschaduw het aardrijk als met een lijkkleed bedekt.De Jaguar was woedend van spijt over het mislukken zijner poging, bij zijne kameraden terug gekomen.„Wel!” vroeg hem John Davis, die zijne terugkomst met ongeduld had verwacht, „wat hebt gij verkregen?”„Niets. Die man is razend.”„Ik heb het u gezegd, het is een duivel; gelukkigerwijs ontkomt hij ons niet, wat hij ook doen mag.”„Daarin vergist gij u,” antwoordde de Jaguar stampvoetend van gramschap; „of hij leeft of sterft, het geld is voor ons verloren.”„Hoe dat?”De Jaguar vertelde hem nu in weinige woorden wat er tusschen hem en den kapitein gesproken was.„Dat is vervloekt!” riep de Amerikaan, „dan moeten wij ons haasten.”„Tot overmaat van ongeluk, is het zoo helsch donker.”„Caramba! laten wij lichtvuren maken, misschien zullen wij[245]daarmede die duivels zoo verschrikken, dat zij kwaken als kikkers om regen.”„Gij hebt gelijk, brandfakkels!brandfakkels!”„Nog beter, laten wij het bosch in brandsteken.”„Ha! ja!”lachte de Jaguar, „bravo! laten wij hen berooken als muskusratten.”Dit duivelsche plan werdonmiddellijkten uitvoer gebragt, en weldra steeg er een kordon van vlammen omhoog, op den top des heuvels, en omsingelde den ganschen bergpas, waar de Mexicanen met onverschrokken bedaardheid den aanval van hunne vijanden verbeidden.Zij behoefden niet lang te wachten; een levendig geweervuur opende zich, vermengd met de huilende oorlogskreten der aanvallers.„Het is tijd!” riep Melendez.Terstond hoorde men het gedruisch van een vallende geldkist in de diepte.Dank zij het brandende bosch, was de gansche omtrek zoo ligt als de dag, en bleef geen enkele beweging der Mexicanen bij hunne tegenstanders onopgemerkt.Dezen schreeuwden van woede, toen zij de geldkisten de een na de ander in den afgrond zagen verdwijnen.Zij waagden thans op de soldaten storm te loopen, maar deze ontvingen hen met gevelde bajonetten, zonder een duim breed te wijken.Eene losbranding op manslengte van de zijde der Mexicanen, die hun kruid tot dusver gespaard hadden, deed een groot aantal vijanden in het gras bijten en bragt hunne gelederen voor een oogenblik in verwarring zoo dat zij tegen wil en dank terugdeinsden.„Voorwaarts!” brulde de Jaguar.En zijne volgers hervatten den storm nog woedender dan te voren.„Houdt stand! wij moeten sterven!” zei de kapitein.Nu ontstond er eene worsteling van man tegen man, voet aan voet en borst aan borst; aanvallers en verdedigers mengden zich ondereen en stieten elkander overhoop in stomme woede of met naauw hoorbaar gemompel, strijdende veeleer als verscheurende dieren dan als menschen.De arriero’s, ofschoon door een hagelbui van welgerigte kogels bestookt, vervolgden desniettemin met den meesten ijver hunne taak; naauwelijks stortte een hunner zieltogend op den grond, of een ander greep de hem ontvallen ijzeren koevoet, en de kisten[246]met geld tuimelden onverpoosd in de diepte, ondanks de woeste verwenschingen en schier bovenmenschelijke inspanning hunner vijanden om den heldhaftigen menschenmuur te verbreken die hun den doortogt versperde.Het was een ijzingwekkend schouwspel, deze hardnekkige strijd en onverbiddelijke worsteling tusschen aanval en verdediging op dit beperkt terrein, beschermd door den schitterenden gloed van een vlammend bosch, als door een akeligen onheilspellenden vuurtoren.Het krijgsgeschrei hield thans op, maar de slagting duurde onverpoosd voort, slechts nu en dan hoorde men de nadrukkelijke stem van den kapitein, in het korte kommando:„Sluit de gelederen! sluit de gelederen!”En de gelederen werden gesloten, en de dapperen vielen zonder zich te beklagen, hun leven opofferende of den strijd volhoudende, alleen om nog eenige minuten te winnen, die onontbeerlijk waren ter bereiking van het hardnekkig beoogde doel.Vruchteloos poogden de grensloopers, door winstbejag aangevuurd, den krachtigen weerstand te breken, die hun door een handvol dapperen geboden werd. De heldhaftige dragonders, schouder aan schouder geschaard, en door elkander gerugsteund, of door de lijken hunner gesneuvelde spitsbroeders als door een bloedig bolwerk beschermd, schenen telkens nieuwen moed te scheppen of in kracht te verdubbelen om den bergpas van alle kanten af te sluiten.Met dat al kon het gevecht niet lang meer duren; tien mannen op zijn hoogst, van het gansche detachement door den kapitein aangevoerd, hielden nog stand, de overigen waren bezweken maar allen als helden gevallen, met wonden in de borst en met het front naar den vijand.Al de muildrijvers waren gesneuveld; nog twee koffers stonden er op den rand der steilte; de kapitein wierp een snellen blik in het rond.„Nog eene poging, mijne kinderen!” riep hij, „slechts vijf minuten, en onze taak is volbragt.”„Dios y libertad!” juichten de soldaten, en ofschoon uitgeput van vermoeijenis, wierpen zij zich stoutmoedig in den digtsten drom der hen omringende vijanden.Gedurende eenige minuten deden deze tien mannen wonderen van dapperheid; maar eindelijk behield de overmagt het veld; zij werden allen gedood.[247]De kapitein alleen bleef over.Hij had zich de zelfopoffering zijner soldaten ten nutte gemaakt, om een koevoet te grijpen en een der beide kisten in den afgrond te doen tuimelen; de tweede, met veel moeite op zijn kant gewenteld, vorderde slechts eene laatste poging om op zijne beurt te verdwijnen, toen zich eensklaps een donderend hoerah! boven het hoofd van den officier hooren liet.Hij keek op.De grensloopers snelden op hem toe in dolle vaart, als bloeddorstige tijgers.„Ha!” juichte Gregorio Felpa, de verraderlijke gids, die de voorste was; „één ten minste zullen wij er van hebben!”„Gij liegt, ellendeling!” antwoordde de kapitein.En met zijne beide handen den zwaren ijzeren koevoet opheffende, liet hij dien op het hoofd van den soldaat neerkomen, die als een gekuiste os levenloos neerstortte, zonder een enkelen schreeuw of zucht te slaken.„Wie nog!” riep de kapitein zijn koevoet weder opheffende.Een gehuil van schrik ging op onder de menigte, die een oogenblik aarzelde.De kapitein maakte van dit oogenblik gebruik, liet zijn hefboom dalen, en de laatste geldkist stond aan den rand der steilte.Deze beweging gaf aan de grensloopers al hunne woede en gramschap terug.„Dood! dood hem!” schreeuwden allen en storten zich op den officier.„Houd op!” riep de Jaguar, snel voorwaarts dringende en alles omverwerpend wat hem in den weg trad; „dat niemand zich verder roere, die man behoort aan mij.”Bij het hooren dezer welbekende stem, bleven al de mannen staan.De kapitein wierp zijn koevoet weg; de laatste kist was in den afgrond gestort.„Geef u over, kapitein Melendez,” zeide de Jaguar terwijl hij den kapitein te gemoed trad.Deze had zijn degen weder in de hand genomen.„Het is de moeite niet meer waard,” antwoordde hij, „ik wil liever sterven.”„Verdedig u dan.”De beide kampvechters stelden zich in postuur. Gedurende eenige sekonden hoorde men een hevig gekletter van wapenen.[248]Door een onverhoedschen en allerbehendigsten stoot, deed de kapitein zijn tegenstander den degen tien ellen ver uit de hand vliegen. Eer laatstgenoemde van zijne verrassing bekomen kon, had de officier zich reeds op hem geworpen, greep hij hem aan en klamte zich aan hem vast.De beide mannen vielen op den grond als twee kronkelende slangen.Geen twee ellen achter hen gaapte de afgrond.De officier wendde al zijne pogingen aan om den Jaguar naar den rand der steilte te dringen: deze daarentegen trachtte zich, zoo mogelijk, uit de knellende armen van zijn tegenstander los te rukken, wiens ontzettende bedoeling hij maar al te goed begreep.Eindelijk, na eene worsteling van weinige minuten, lieten de armen die het lijf van den Jaguar omstrengelden los, de krampachtige handen van den officier ontspanden zich, en met de uiterste krachtsinspanning gelukte het den jongman zich aan zijn vijand te ontwringen en op te staan.Naauwelijks echter was hij overeind, of de kapitein, die reeds uitgeput en bijna in flaauwte scheen, sprong op als een tijger, sloeg zijn tegenstander op nieuw de armen om het lijf en bragt hem een geweldigen schok toe.De Jaguar, nog duizelend van de worsteling die hij even te voren had doorgestaan, was op dezen fellen aanval weinig verdacht, hij wankelde, verloor het evenwigt en gaf een geweldigen schreeuw.„Eindelijk!”… brulde de kapitein met woeste vreugd.De toeschouwers huilden van wanhoop en afgrijzen.De beide vijanden waren in den afgrond verdwenen.1EINDE.[249]

De Jaguar had zijne maatregelen zoo goed gekozen, en de verrader die het geld-konvooi als gids zou geleiden had zoo fijn gemanoeuvreerd, dat de Mexicanen letterlijk in een wolfskuil waren gevallen, daar zij zeer bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk uit konden komen.

Hoezeer voor een oogenblik gedemoraliseerd toen zij hun chef zagen nederstorten, wiens paard, gelijk wij in een vorig hoofdstuk gezien hebben, reeds in het begin van den aanval doodelijk getroffen[240]werd—hadden de dragonders, daar zij den kapitein nabij oogenblikkelijk weder zagen opstaan, zich ordelijk rondom de muilezels geschaard die het geld droegen, en maakten zij aan alle kanten moedig front, zich gereed houdende om den kostbaren schat die aan hunne hoede was toevertrouwd, met mannenmoed te verdedigen.

Het eskorte onder kommando van kapitein Melendez, ofschoon niet talrijk, was uit geoefende krijgslieden zamengesteld, die langzamerhand aan den kleinen oorlog in de bosschen gewend waren en voor welke de hagchelijke stelling waarin zij zich op eens geplaatst zagen niets buitengewoons opleverde.

De dragonders waren afgestegen, en hunne lange lansen ter zijde stellende, die in een strijd als de tegenwoordige geen nut konden doen, hadden zij zich met gevelde karabijnen rondom de karavaan in slagorde geschaard, met de oogen op het kreupelbosch gerigt, en wachtten onverschrokken het kommando af om hun vuur te openen en den strijd te beginnen.

Kapitein Melendez had met eenen snellen blik het terrein bespied; het was ver van gunstig. Links en regts waren de rotssteilten met vijanden bezet; achter hen lag een talrijke troep grensloopers in hinderlaag achter eene borstwering van omgehakte boomen die als door een tooverslag den weg versperd en den terugtogt afgesneden hadden; voor hen uit eindelijk, was een steile kloof van twintig ellen breedte en onberekenbare diepte.

Alle hoop om zonder slag of stoot uit de stelling te geraken, waarin zij zich bekneld zagen, scheen voor de Mexicanen verloren, niet alleen wegens het groot aantal vijanden die hen omringden, maar ook door de plaatselijke ligging; intusschen, na het terrein oplettend te hebben bestudeerd, blonk er een lichtstraal in het oog van den kapitein en trilde een sombere glimlach op zijn gelaat.

De dragonders kenden hun chef van ouds, zij vertrouwden op hem, zij hadden dien vlugtigen blik gezien en hun moed wakkerde weder op.

De kapitein had immers geglimlacht, hij hoopte dus.

Wel is waar was er geen man bij het gansche eskorte die had kunnen zeggen waarin deze hoop bestond.

Na de eerste losbranding, hadden de grensloopers onverhoeds de hoogte beklommen, doch aldaar onbewegelijk stand houdende, vergenoegden zij zich met de bewegingen der Mexicanen oplettend gade te slaan.

De kapitein maakte van dit uitstel, dat de vijand hem zoo[241]edelmoedig scheen te vergunnen handig gebruik om eenige verbeteringen in zijn plan van verdediging te brengen.

De muilezels werden afgeladen, de kostbare kisten werden geheel achteraf, zoover mogelijk van den vijand geplaatst; vervolgens werden de muilezels en paarden voor het vlaggefront van het detachement gebragt en zoodanig geplaatst dat hunne ligchamen tot bolwerk dienden voor de soldaten, die gebukt of nedergeknield, achter deze levende verschansing eene betrekkelijk veilige schuilplaats vonden tegen de vijandelijke kogels.

Toen deze maatregelen genomen waren, en de kapitein met een laatsten oogopslag zich overtuigd had dat zijne orders stipt waren uitgevoerd, boog hij zich naast het oor van no Bautista, den hoofdman der arrieros, en fluisterde hem eenige woorden toe.

De arriero sprong bijna op van verbazing toen hij deze woorden vernam, maar zich oogenblikkelijk herstellende, knikte hij toestemmend.

„Gij zult gehoorzamen?” vroeg don Juan hem scherp aanziende.

„Op mijn eer, kapitein,” antwoordde no Bautista.

„Welnu!” zeide de jongman opgeruimd, „wij zullen nog lagchen, daar sta ik u borg voor.”

De arriero verwijderde zich en de kapitein plaatste zich voor de soldaten. Naauwelijks had hij zijn post ingenomen, of er verscheen op den top van den berg aan de regterzijde, een man; die man had een lange lans in de hand aan wier top een witte vlag wapperde.

„O ho!” mompelde de kapitein, „wat moet dat beteekenen? zouden ze reeds vreezen dat hun prooi hun ontgaan zal?—Heila!” riep hij, „wat wilt gij.”

„Parlementeren!” antwoordde de man met de witte vlag lakoniek.

„Parlementeren,” herhaalde de kapitein, „waartoe zou dat dienen? Buitendien heb ik de eer officier van het Mexicaansche leger te zijn, en kan dus met geen bandieten onderhandelen.”

„Wees voorzigtig, kapitein, kwalijk geplaatste moed is veeltijds niets dan blazerij; uwe positie is hopeloos.”

„Zoudt gij dat denken?” hernam de jongman op schertsenden toon.

„Gij zijt van alle kanten ingesloten.”

„Behalve van een kant.”

„Ja, maar daar is een onoverkomelijke steilte.”

„Wie weet?” riep de kapitein altijd snaaksch.

„Het zij zoo! Wilt gij naar mij luisteren?” hervatte de andere wien dit gesprek begon te vervelen.[242]

„Ter zake,” zei Melendez, „laat hooren uwe voorstellen, daarna zal ik u mijne voorwaarden zeggen.”

„Welke voorwaarden?” vroeg de parlementair met verwondering.

„Die ik u denk voor te schrijven, pardi!”

Deze trotsche taal werd door de grensloopers met schaterend gelach beantwoord. De kapitein bleef koel en bedaard.

„Wie zijt gij?” vroeg hij.

„De kommandant dergenen die u gevangen houden.”

„Gevangen houden! dat denk ik nog niet; maar, wij zullen zien.”

„Ha, zijt gij het, de Jaguar, die woeste bandiet, wiens naam aan de grenzen algemeen verwenscht wordt?”

„Ik ben de Jaguar,” antwoordde deze bedaard.

„’tIs goed. Wat wilt gij van mij? Spreek, en vooral, spreek kort,” hernam de kapitein terwijl hij de punt van zijn degen op de punt van zijn laars zette.

„Ik wil bloedvergieten voorkomen,” zei de Jaguar.

„Dat is zeer mooi van u; maar uw loffelijk besluit komt, dunkt mij, een weinig te laat,” riep de officier op denzelfden spottenden toon.

„Hoor eens, kapitein, gij zijt een dapper officier, het zou mij razend leed doen als u een ongeluk overkwam; wees niet zoo hardnekkig om een strijd te willen voortzetten die onmogelijk is, omringd als gij zijt door eene magt die de uwe ver overtreft; iedere poging tot wederstand zou eene onvergefelijke dwaasheid zijn, die op den moord van uw gansche detachement tot den laatsten man zou uitloopen, zonder dat gij kunt hopen het convooi te redden dat gij eskorteert. Geef u gevangen; ik herzeg u, het is de laatste kans op behoud die u overblijft.”

„Caballero,” antwoordde de kapitein voor dit maal ernstig, „ik zeg u dank voor de taal die gij tegen mij voert; ik ken mijne lieden en ik zie dat gij op dit oogenblik loffelijk en loyaal gesproken hebt.”

„Dat heb ik gedaan,” riep de Jaguar.

„Ongelukkigerwijs,” vervolgde de kapitein, „ben ik genoodzaakt u te herhalen dat ik de eer heb officier te zijn, en dat ik nooit kan toestemmen mijn degen over te geven aan het opperhoofd van een bende landloopers buiten de wet. Ben ik zoo dwaas en dom geweest om mij in een strik te laten vangen, welnu, dan is het mijne schuld, en dan moet ik er voor boeten.”

De beide sprekers waren intusschen tot elkander genaderd en wisselden thans hunne gedachten met ridderlijk vertrouwen.[243]

„Ik begrijp, kapitein, dat uw militaire eer u in zekere gevallen verpligten moet om een strijd te wagen, zelfs onder ongunstige omstandigheden; maar hier is het een ander geval: alle kansen zijn hier tegen u, en uwe eer heeft niets te lijden door eene overgave die het leven uwer dapperen sparen zal.”

„En die u zonder slag of stoot den rijken buit in handen levert dien gij beoogt, niet waar?”

„Die buit, wat gij ook doet, kan ons niet ontgaan.”

De kapitein haalde de schouders op.

„Gij zijt dwaas,” zeide hij; „gelijk al de lieden die in de prairie oorlog voeren, hebt gij te slim willen zijn, en heeft uwe slimheid haar doel voorbij geschoten.”

„Hoedat?”

„Leer mij kennen, caballero; ik ben van een oud Christengeslacht, ik stam af van de aloude veroveraars, het Spaansche bloed vloeit zuiver in mijne aderen; al mijne manschappen zijn in leven en dood aan mij verbonden, op mijn bevel zullen zij zich totden laatsten mantoe laten dooden; maar hoe groot ook de voordeelen uwer stelling, en het aantal uwer volgers zijn mogen, er is een bepaalde tijd noodig om vijftig man af te maken, die als wanhopigen zullen strijden en vast besloten zijn om geen kwartier te vragen.”

„Ja,” zei de Jaguar met een sombere stem, „maar eindelijk doodt men ze toch.”

„Zonder twijfel,” antwoordde de kapitein bedaard, „maar terwijl gij ons vermoordt, zullen de muildrijvers, die hiertoe mijne bepaalde orders hebben ontvangen, de koffers die het geld bevatten, een voor een in den afgrond storten aan welker rand gij ons hebt opgesloten.”

„O!” riep de Jaguar, op een toon van bedreiging die hem zeer slecht afging, „dat zult gij niet doen, kapitein.”

„Waarom zou ik dat niet doen?” hernam de kapitein bedaard.„Zeker zal ik het doen, ik zweer het u op mijn eer.”

„O!”

„En wat hebt gij dan gewonnen? Dan zult gij lafhartig vijftig menschen hebben vermoord, zonder ander gevolg, dan dat gij u tot den elleboog in het bloed uwer medeburgers hebt gebaad.”

„Rayo de Dios!dat noem ik razernij.”

„Neen, dat is eenvoudig het logisch gevolg van uwe bedreiging. Wij zullen sterven, maar als brave lieden die tot het uiterste hun pligt hebben gedaan; terwijl het geld gered is.”[244]

„Derhalve zijn al mijne pogingen om de zaak tot eene vreedzame oplossing te brengen vergeefs?”

„Er is slechts een middel.”

„Welk?”

„Ons te laten vertrekken, en u zelven te verbinden dat gij onzen aftogt niet zult verontrusten.”

„Nooit! dat geld is voor mij onontbeerlijk, ik moet het hebben.”

„Zie dan hoe gij het krijgt.”

„Dat zal ik zien.”

„Ga uw gang.”

„Uw bloed, dat ik heb willen sparen, kome op uw hoofd.”

„Of op het uwe.”

De Jaguar verwijderde zich.

De kapitein keerde naar zijne soldaten terug, die digt genoeg bij de sprekers hadden gestaan om het gesprek tot in de minste bijzonderheden te volgen.

„Hoe denkt gij er over, mijne kinderen?” vroeg hij.

„Sterven!” antwoordden zij ferm en kortaf.

„Goed, wij sterven te zamen.” En met zijn degen boven zijn hoofd zwaaijend, riep hij:Dios y libertad, vive Mejico!(God en de vrijheid! leve Mexico!)

„Viva Mejico!” herhaalden de dragonders vol geestdrift.

Onder deze bedrijven was de zon aan den gezigteinder verdwenen, en had de avondschaduw het aardrijk als met een lijkkleed bedekt.

De Jaguar was woedend van spijt over het mislukken zijner poging, bij zijne kameraden terug gekomen.

„Wel!” vroeg hem John Davis, die zijne terugkomst met ongeduld had verwacht, „wat hebt gij verkregen?”

„Niets. Die man is razend.”

„Ik heb het u gezegd, het is een duivel; gelukkigerwijs ontkomt hij ons niet, wat hij ook doen mag.”

„Daarin vergist gij u,” antwoordde de Jaguar stampvoetend van gramschap; „of hij leeft of sterft, het geld is voor ons verloren.”

„Hoe dat?”

De Jaguar vertelde hem nu in weinige woorden wat er tusschen hem en den kapitein gesproken was.

„Dat is vervloekt!” riep de Amerikaan, „dan moeten wij ons haasten.”

„Tot overmaat van ongeluk, is het zoo helsch donker.”

„Caramba! laten wij lichtvuren maken, misschien zullen wij[245]daarmede die duivels zoo verschrikken, dat zij kwaken als kikkers om regen.”

„Gij hebt gelijk, brandfakkels!brandfakkels!”

„Nog beter, laten wij het bosch in brandsteken.”

„Ha! ja!”lachte de Jaguar, „bravo! laten wij hen berooken als muskusratten.”

Dit duivelsche plan werdonmiddellijkten uitvoer gebragt, en weldra steeg er een kordon van vlammen omhoog, op den top des heuvels, en omsingelde den ganschen bergpas, waar de Mexicanen met onverschrokken bedaardheid den aanval van hunne vijanden verbeidden.

Zij behoefden niet lang te wachten; een levendig geweervuur opende zich, vermengd met de huilende oorlogskreten der aanvallers.

„Het is tijd!” riep Melendez.

Terstond hoorde men het gedruisch van een vallende geldkist in de diepte.

Dank zij het brandende bosch, was de gansche omtrek zoo ligt als de dag, en bleef geen enkele beweging der Mexicanen bij hunne tegenstanders onopgemerkt.

Dezen schreeuwden van woede, toen zij de geldkisten de een na de ander in den afgrond zagen verdwijnen.

Zij waagden thans op de soldaten storm te loopen, maar deze ontvingen hen met gevelde bajonetten, zonder een duim breed te wijken.

Eene losbranding op manslengte van de zijde der Mexicanen, die hun kruid tot dusver gespaard hadden, deed een groot aantal vijanden in het gras bijten en bragt hunne gelederen voor een oogenblik in verwarring zoo dat zij tegen wil en dank terugdeinsden.

„Voorwaarts!” brulde de Jaguar.

En zijne volgers hervatten den storm nog woedender dan te voren.

„Houdt stand! wij moeten sterven!” zei de kapitein.

Nu ontstond er eene worsteling van man tegen man, voet aan voet en borst aan borst; aanvallers en verdedigers mengden zich ondereen en stieten elkander overhoop in stomme woede of met naauw hoorbaar gemompel, strijdende veeleer als verscheurende dieren dan als menschen.

De arriero’s, ofschoon door een hagelbui van welgerigte kogels bestookt, vervolgden desniettemin met den meesten ijver hunne taak; naauwelijks stortte een hunner zieltogend op den grond, of een ander greep de hem ontvallen ijzeren koevoet, en de kisten[246]met geld tuimelden onverpoosd in de diepte, ondanks de woeste verwenschingen en schier bovenmenschelijke inspanning hunner vijanden om den heldhaftigen menschenmuur te verbreken die hun den doortogt versperde.

Het was een ijzingwekkend schouwspel, deze hardnekkige strijd en onverbiddelijke worsteling tusschen aanval en verdediging op dit beperkt terrein, beschermd door den schitterenden gloed van een vlammend bosch, als door een akeligen onheilspellenden vuurtoren.

Het krijgsgeschrei hield thans op, maar de slagting duurde onverpoosd voort, slechts nu en dan hoorde men de nadrukkelijke stem van den kapitein, in het korte kommando:

„Sluit de gelederen! sluit de gelederen!”

En de gelederen werden gesloten, en de dapperen vielen zonder zich te beklagen, hun leven opofferende of den strijd volhoudende, alleen om nog eenige minuten te winnen, die onontbeerlijk waren ter bereiking van het hardnekkig beoogde doel.

Vruchteloos poogden de grensloopers, door winstbejag aangevuurd, den krachtigen weerstand te breken, die hun door een handvol dapperen geboden werd. De heldhaftige dragonders, schouder aan schouder geschaard, en door elkander gerugsteund, of door de lijken hunner gesneuvelde spitsbroeders als door een bloedig bolwerk beschermd, schenen telkens nieuwen moed te scheppen of in kracht te verdubbelen om den bergpas van alle kanten af te sluiten.

Met dat al kon het gevecht niet lang meer duren; tien mannen op zijn hoogst, van het gansche detachement door den kapitein aangevoerd, hielden nog stand, de overigen waren bezweken maar allen als helden gevallen, met wonden in de borst en met het front naar den vijand.

Al de muildrijvers waren gesneuveld; nog twee koffers stonden er op den rand der steilte; de kapitein wierp een snellen blik in het rond.

„Nog eene poging, mijne kinderen!” riep hij, „slechts vijf minuten, en onze taak is volbragt.”

„Dios y libertad!” juichten de soldaten, en ofschoon uitgeput van vermoeijenis, wierpen zij zich stoutmoedig in den digtsten drom der hen omringende vijanden.

Gedurende eenige minuten deden deze tien mannen wonderen van dapperheid; maar eindelijk behield de overmagt het veld; zij werden allen gedood.[247]

De kapitein alleen bleef over.

Hij had zich de zelfopoffering zijner soldaten ten nutte gemaakt, om een koevoet te grijpen en een der beide kisten in den afgrond te doen tuimelen; de tweede, met veel moeite op zijn kant gewenteld, vorderde slechts eene laatste poging om op zijne beurt te verdwijnen, toen zich eensklaps een donderend hoerah! boven het hoofd van den officier hooren liet.

Hij keek op.

De grensloopers snelden op hem toe in dolle vaart, als bloeddorstige tijgers.

„Ha!” juichte Gregorio Felpa, de verraderlijke gids, die de voorste was; „één ten minste zullen wij er van hebben!”

„Gij liegt, ellendeling!” antwoordde de kapitein.

En met zijne beide handen den zwaren ijzeren koevoet opheffende, liet hij dien op het hoofd van den soldaat neerkomen, die als een gekuiste os levenloos neerstortte, zonder een enkelen schreeuw of zucht te slaken.

„Wie nog!” riep de kapitein zijn koevoet weder opheffende.

Een gehuil van schrik ging op onder de menigte, die een oogenblik aarzelde.

De kapitein maakte van dit oogenblik gebruik, liet zijn hefboom dalen, en de laatste geldkist stond aan den rand der steilte.

Deze beweging gaf aan de grensloopers al hunne woede en gramschap terug.

„Dood! dood hem!” schreeuwden allen en storten zich op den officier.

„Houd op!” riep de Jaguar, snel voorwaarts dringende en alles omverwerpend wat hem in den weg trad; „dat niemand zich verder roere, die man behoort aan mij.”

Bij het hooren dezer welbekende stem, bleven al de mannen staan.

De kapitein wierp zijn koevoet weg; de laatste kist was in den afgrond gestort.

„Geef u over, kapitein Melendez,” zeide de Jaguar terwijl hij den kapitein te gemoed trad.

Deze had zijn degen weder in de hand genomen.

„Het is de moeite niet meer waard,” antwoordde hij, „ik wil liever sterven.”

„Verdedig u dan.”

De beide kampvechters stelden zich in postuur. Gedurende eenige sekonden hoorde men een hevig gekletter van wapenen.[248]

Door een onverhoedschen en allerbehendigsten stoot, deed de kapitein zijn tegenstander den degen tien ellen ver uit de hand vliegen. Eer laatstgenoemde van zijne verrassing bekomen kon, had de officier zich reeds op hem geworpen, greep hij hem aan en klamte zich aan hem vast.

De beide mannen vielen op den grond als twee kronkelende slangen.

Geen twee ellen achter hen gaapte de afgrond.

De officier wendde al zijne pogingen aan om den Jaguar naar den rand der steilte te dringen: deze daarentegen trachtte zich, zoo mogelijk, uit de knellende armen van zijn tegenstander los te rukken, wiens ontzettende bedoeling hij maar al te goed begreep.

Eindelijk, na eene worsteling van weinige minuten, lieten de armen die het lijf van den Jaguar omstrengelden los, de krampachtige handen van den officier ontspanden zich, en met de uiterste krachtsinspanning gelukte het den jongman zich aan zijn vijand te ontwringen en op te staan.

Naauwelijks echter was hij overeind, of de kapitein, die reeds uitgeput en bijna in flaauwte scheen, sprong op als een tijger, sloeg zijn tegenstander op nieuw de armen om het lijf en bragt hem een geweldigen schok toe.

De Jaguar, nog duizelend van de worsteling die hij even te voren had doorgestaan, was op dezen fellen aanval weinig verdacht, hij wankelde, verloor het evenwigt en gaf een geweldigen schreeuw.

„Eindelijk!”… brulde de kapitein met woeste vreugd.

De toeschouwers huilden van wanhoop en afgrijzen.

De beide vijanden waren in den afgrond verdwenen.1

EINDE.

[249]

1Zie het vervolg in „deVrij-buiters”, dat bij dezelfde uitgevers ter perse is.↑

1Zie het vervolg in „deVrij-buiters”, dat bij dezelfde uitgevers ter perse is.↑

1Zie het vervolg in „deVrij-buiters”, dat bij dezelfde uitgevers ter perse is.↑

1Zie het vervolg in „deVrij-buiters”, dat bij dezelfde uitgevers ter perse is.↑


Back to IndexNext