XXVI.

[Inhoud]XXVI.DE ESTAFETTE.Kapitein Melendez had spoed gemaakt om de bergengte door te komen, bij welke hij zijn konvooi had laten kamperen; hij wist hoe groot de verantwoordelijkheid was die op hem rustte door het kommando over de conducte op zich te nemen, en zoo haar eenig ongeluk overkwam, zou hij voor niets ter wereld willen dat men hem van zorgeloosheid of nalatigheid konde beschuldigen.De geldsom daar de muilezels mede bevracht waren, was aanzienlijk; de regering van Mexico, steeds op middelen bedacht om zich geld te verschaffen, wachtte haar met ongeduld; de kapitein ontveinsde zich dus geenszins dat men hem iederen aanval ten zwaarste zou toerekenen en dat hij er al de gevolgen van zou moeten verantwoorden, hoedanig ook de uitkomst zijner ontmoeting met de grensloopers wezen mogt.Daarbij namen zijne angst en bezorgdheid met ieder oogenblik toe; het blijkbaar schelmstuk van den monnik Antonio maakte hem nog angstvalliger en omzigtiger, en deed hem van meer dan eene zijde verraad vreezen. Zonder bij mogelijkheid te kunnen gissen van welken kant het gevaar komen zou, gevoelde hij het, om zoo te zeggen, stap voor stap naderen, hem van alle zijden omsingelen en verwachtte hij ieder oogenblik eene vreesselijke uitbarsting.Deze heimelijke ingeving, het waarschuwend voorgevoel dat hem inwendig toeriep om toch op zijne hoede te zijn, bragt hem in een staat van onbeschrijfelijke opwinding en maakte zijn toestand zoo ondragelijk, dat hij er tot iederen prijs een einde aan wilde zien, en duizend maal liever wenschte het gevaar zelve te ontmoeten en met de wapens in de vuist te bestrijden, dan nog langer als in den blinde te moeten schermen. Hij verdubbelde dus zijne waakzaamheid, ging zelf de omstreken van het kamp onderzoeken, hielp aan het opladen der muilezels, die aan elkander gekoppeld, in geval van onraad, tusschen de getrouwste en meestgeoefende dragonders zouden worden geplaatst.Reeds lang voor het opgaan der zon, had de kapitein, wiens slaap niets meer dan een vervolg van afgebroken sluimeringen geweest was, zijn harde legerstee van dierenvellen en dekens verlaten, waar hij te vergeefs eenige uren de rust had gezocht die zijn zenuwachtigen toestand geheel onmogelijk maakte. Met korte driftige schreden[208]begon hij de enge ruimte in zijn kamp op en neder te stappen, den zorgeloozen en gerusten slaap benijdende der soldaten, die hier en daar in hunne mantels gewikkeld op den grond lagen uitgestrekt.Inmiddels begon het allengs dag te worden. De uil, wiens morgengeroep de verschijning der zon aankondigt, had zijne zwaarmoedige toonen reeds laten hooren en de kapitein stiet met den voet den hoofdman der muildrijvers wakker, die digt bij het vuur was ingeslapen.De eenvoudige boer wreef zich eenige malen de oogen tot de laatste wolken der slaap verdwenen waren en de orde in zijne denkbeelden zich begon te herstellen.„Carai! kapitein,” riep hij een laatsten geeuw onderdrukkende, „staken u de moskieten dat gij mij zoo vroeg reeds wakker maakt? Zie maar eens, de hemel begint naauwelijks te verbleeken; laat mij nog een uurtje slapen. Ik had daar zulk een aangenamen droom, dien zal ik weder hervatten, er gaat niets boven een lekker slaapje.”De kapitein kon zich niet weerhouden te glimlagchen over dezen vreemden bluf; maar hij achtte het niet raadzaam om op het verzoek van den arriero te letten, de omstandigheden waren te ernstig om den tijd aan ijdele beloften te verspillen.„Op, op,Cuerpo de Christo!” riep hij,„bedenk dat wij nog niet aan de Rio-Seco zijn, en dat wij ons zullen moeten haasten als wij die voor zonsondergang door willen komen.”„Gij hebt gelijk, kapitein,” antwoordde de arriero, die oogenblikkelijk opsprong zoo frisch en gereed als ware hij reeds een uur ontwaakt geweest; „neem mij niet kwalijk! kapitein,vive Dios!ik heb evenveel belang bij het ontwijken eener verkeerde ontmoeting als gij; volgens de wet, is mijn gansche fortuin aansprakelijk voor het rigtige transport, en als er met het konvooi een ongeluk gebeurde zou ik met mijn geheele familie doodarm worden.”„Dat is waar, ik dacht niet om deze voorwaarde van uw contract.”„Dat verwondert mij niet, daar het u niet aangaat, maar mij is het geen oogenblik uit de gedachten; ik zweer u, kapitein, nadat ik onze gevaarlijke reis begonnen ben, heeft het mij dikwijls berouwd dat ik deze bezwarende voorwaarde heb aangenomen; het ligt mij zoo bij, dat wij nooit heelhuids aan de andere zijde van die verwenschte bergen komen.”„Bah! Bah! geen dwaasheden, No Baptista. Gij zijt immers[209]in den best mogelijken staat en goed geëskorteerd; wat hebt gij te vreezen?”„Niets ik weet het en toch ben ik overtuigd dat ik mij niet bedrieg en dat deze reis niet goed voor mij zal afloopen.”De kapitein ging onder dezelfde voorgevoelens gebukt; evenwel mogt hij ten aanzien van den arriero niets van zijn inwendige ongerustheid laten blijken, integendeel moest hij hem veeleer een riem onder het hart steken en den moed opwekken, die hem dreigde te ontzinken.„Gij zijt dwaas, op mijn eer gij zijt dwaas!” riep hij, „loop naar den drommel met zulke muizennesten als gij u in het hoofd haalt.”De muildrijver schudde ernstig het hoofd.„Het staat u vrij, don Juan Melendez, om met zulke ideeën te lagchen, gij zijt geleerd, en gelooft dus aan niets. Maar ik, caballero, ik ben maar een arme Indiaan, en ik geloof wat mijne vaderen voor mij geloofd hebben; zie, kapitein, wij Indianen, beschaafd of wild, als wij zijn mogen, wij hebben harde hoofden en uwe nieuwe denkbeelden willen er bij ons maar niet in.”„Maar kom, leg mij dat eens nader uit,” riep de kapitein, die er een eind aan wilde maken, zonder de vooroordeelen van den muildrijver te zeer te krenken; „zeg mij welke reden gij eigenlijk hebt om aan den goeden afloop van onze reis te twijfelen? Gij schijnt mij toch de man niet om voor uwe schim te vreezen: ik ken u sinds jaren en ik weet dat gij ontegenzeggelijk dapper zijt.”„Ik zeg u dank, kapitein, voor den goeden dunk dien gij van mij gelieft te koesteren; ja, ik ben moedig, en ik geloof dat ik dit meermalen bewezen heb, maar dat was steeds tegenover gevaren die ik om zoo te zeggen met mijne hand en mijn verstand vatten kon en niet tegenover donkere vermoedens, die de onbegrijpelijke natuurwet in ons doet oprijzen.”De kapitein kaauwde zijne knevels van ongeduld bij de lastige langwijligheid van den arriero, maar zooals hij zelf reeds gezegd had, kende hij den eenvoudigen man sinds lang en wist hij bij ondervinding dat het verloren moeite zou zijn om hem zijn verhaal te doen bekorten; hij moest hem dus ongestoord zijn gang laten gaan.Er zijn zulke stugge gemoederen die even als stijfkoppige paarden; als men de sporen gebruikt om hen voort te drijven, integendeel terugslaan of achterwaarts keeren.De jongman bedwong dus zijn ongeduld en antwoordde bedaard:[204a]„Gij hebt zeker een kwaad voorteeken gezien, toen gij vertrokken zijt.”„Dat heb ik ook, kapitein, en waarlijk, bij hetgeen ik toen gezien heb, zou ik zeker geweigerd hebben te vertrekken als ik iemand was, die zich gemakkelijk laat afschrikken.”„Welk voorteeken hebt gij gezien?”„Lach er niet om, kapitein: de schrift zelf zegt, op onderscheidene plaatsen, dat het God somtijds behaagt om den menschen een heilzame waarschuwing te geven, waarnaar zij[205a]ongelukkig genoeg niet altijd luisteren,” vervolgde hij met een zucht.„Dat is wel waar!” mompelde de kapitein.„Daarom,” zoo vervolgde de arriero, gevleid door dit kleine bewijs van toestemming, van zoo iemand als den kapitein, „mijne muilezels waren gezadeld, de stoet stond in de corral op mij te wachten onder toezicht der peons, en ik zou vertrekken. Evenwel daar ik van mijne vrouw, wie weet voor hoelang misschien, niet wilde scheiden zonder afscheid van haar te nemen, trad ik in huis om haar nog eens te omhelzen, toen ik voor de deur toevallig de oogen opsloeg en op deazoteo(plat dak) een paar uilen zag zitten, die mij met sombere blikken strak aankeken. Bij deze onverwachte vertooning huiverde ik tegen wil en dank en wendde het hoofd af. Op hetzelfde oogenblik werd er een stervend mensch op een baar door twee soldaten voorbij gedragen, begeleid door een monnik, die hem de boetpsalmen liet opzeggen en hem zachtzinnig zocht voor te bereiden, om als eenopregtChristen te sterven; maar de gewonde antwoordde niet en lachte de monnik op een schampere wijs uit: eensklaps echterrigttehij zich op de baar overeind, zijne oogen fonkelden, hij keerde zich om, wierp mij een spotachtigen blik toe en viel toenmagteloosop de baar terug, binnensmonds mompelend, zeker tegen mij, deze twee woorden:„Hasta lucro!” (tot straks).„Hum!” riep de kapitein.„Dit korte bescheid van iemand in dien toestand, was alles behalve prettig voor mij, wat dunkt u?” vervolgde de muildrijver. „Ik was er zoo door getroffen, dat ik ijlings naar hem toeliep om er hem naar ik meende metregtvoor te bestraffen; maar toen ik bij hem kwam, was hij dood.”„En wie was die man? hebt gij dat ook gehoord?”„Ja, het was een Selteador (straatroover) die in een ontmoeting met deciricos(stadswacht) doodelijk gewond geraakte en naar de trappen der hoofdkerk werd gedragen, om daar te sterven.”„Is dat alles?” vroeg de kapitein.„Ja.”„Nu, vriend, dan heb ik wijs gedaan dat ik de reden van uwe ongerustheid met zooveel aandrang heb willen hooren.”„Zoo!”„Ja, want gij hebt het voorteeken waar gij mede begunstigd werdt, juist verkeerd uitgelegd.”„Hoe dat?”[206a]„Ik zal u zeggen wat ik bedoel. Dat voorteeken beduidt veeleer, dat gij met wijsheid en onvermoeide waakzaamheid het gevaar en verraad moet verijdelen en dat gij de bandieten zult neerslaan die u durven aanvallen.”„O!” riep de muildrijver verheugd, „is het inderdaad waar wat gij mij daar zegt?”„Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,” antwoordde de kapitein eerbiedig een kruis slaande.De arriero stelde volkomen vertrouwen in de woorden van den kapitein, dien hij, wegens zijne erkende meerderheid eene onbepaalde achting toedroeg; hij twijfelde dus geen oogenblik aan de verzekering, die deze hem gaf, dat hij de verontrustende voorteekenen verkeerd had uitgelegd; hij antwoordde in de beste luim, terwijl hij luchthartig met de vingers klapte.„Carai! als het er zoo mede gelegen is, loop ik geen gevaar. Zou het dan ook wel noodig zijn dat ik aanNuestraSeñorade la Soledadde waskaars geef, die ik haar beloofd had?”„Volstrekt onnoodig,” verzekerde de kapitein.Hierdoor geheel gerust gesteld, ging de muildrijver met allen spoed aan zijne gewone bezigheden.Zoo had de kapitein, door den dommen Indiaan in zijne onnoozele denkbeelden te sterken, er hem ongemerkt van af weten te brengen.Intusschen was in het kamp alles in beweging gekomen, de arrieros haastten zich met het voederen en opladen der muilezels, terwijl de dragonders druk bezig waren hunne paarden te zadelen en alles voor denaftogtgereed te maken.De kapitein overzag en bestuurde al deze bewegingen met koortsachtig ongeduld, den een berispende, den anderteregtwijzende, allen tot spoed aanzettende en wel toeziende dat zijne bevelen stipt werden uitgevoerd.[210]Toen al de aanstalten gereed waren, gaf de jonge officier order om den ochtendmaaltijd staande en met den teugel over den arm te houden, ten einde zoo min mogelijk tijd te verliezen, daarop gaf hij het sein om te vertrekken.De dragonders stegen in den zadel, maar juist op het oogenblik toen de kolonne zich in beweging stelde om het kamp te verlaten, ontstond er een levendig gedruisch in de struiken; de takken werden krakend uit een gerukt, en op eens verscheen er een ruiter, in dragonders uniform en reed in vollen galop op den troep af.Toen hij den kapitein bereikt had, bleef hij als een meester in de rijkunst plotseling staan, groette eerbiedig, en met de hand aan zijn gegalonneerden hoed zeide hij:„Dios guardi a usted.Heb ik de eer kapitein don Juan Melendez te spreken?”„Hem zelf,” antwoordde de kapitein verwonderd; „wat hebt gij te zeggen?”„Voor mij zelven niets,” hernam de soldaat, „maar ik heb uwe geëerde eene schriftelijke order te overhandigen.”„Een schriftelijke order, en van wie komt die?”„Van zijne Excellentie den generaal don José Maria Rubio, en wat deze brief behelst moet wel zeer gewigtig zijn, daar de generaal mij gelast heeft den meesten spoed te maken, zoo dat ik vier en veertig mijlen in negentien uren heb afgelegd om hier te komen.”„Goed,” antwoordde de kapitein, „geef over.”De dragonder haalde een grooten brief met rood zegel uit zijne borst en stelde hem den kapitein eerbiedig ter hand.Deze nam hem en opende hem, maar alvorens te lezen, wierp hij den soldaat, die onbewegelijk en koen voor hem stond, een argwanenden blik toe, dien deze echter met onverstoorbare stoutheid doorstond.Deze man scheen op zijn hoogst dertig jaar oud, hij was lang van gestalte en welgemaakt, en de militaire kleeding die hij aanhad stond hem bijzonder goed; zijne vrij regelmatige gelaatstrekken teekenden zekere geslepenheid en list, die nog sterker uitkwam door zijne zwarte steeds beweeglijke oogen, die zich nu en dan met blijkbare aarzeling op den kapitein vestigden.Over het geheel geleek deze man naar alle andere Mexicaansche soldaten en had hij niets dat geschikt was om bijzonder de aandacht gaande te maken of vermoedens te wekken.Het was intusschen niet dan met veel tegenzin dat de kapitein[211]zich gedwongen zag om met hem in aanraking te komen; om welke reden, had hij moeijelijk, zoo niet onmogelijk kunnen zeggen; maar er zijn in de natuur zekere wetten wier kracht men niet betwijfelen kan, en die dus voor sommige personen op het eerste gezigt en zelfs voordat men met hen gesproken heeft een bepaalden voor- of tegenzin inboezemen, zoodat men zich onwillekeurig tot hen getrokken of van hen afkeerig gevoelt. Waar deze geheimzinnige voor- of tegeningenomenheid, die zich maar zelden bedriegt, eigenlijk doorontstaat, willen of kunnen wij hier moeijelijk onderzoeken en nog veel minder verklaren, maar bepalen ons eenvoudig bij de verzekering dat dit gevoel werkelijk bestaat, en dat wij gedurende ons afwisselend leven er vaak den invloed van ondervonden en de kracht van erkend hebben.Wat den kapitein betreft, moeten wij zeggen, dat hij zich door den bovengenoemden persoon geenszins aangetrokken gevoelde, maar integendeel geneigd was hem voor het minst niet te vertrouwen.„Op welk punt hebt gij den generaal verlaten?” vroeg hij, terwijl hij den opengevouwen brief werktuigelijk tusschen zijne vingers liet spelen, zonder dat hij er tot nog toe een oog ingeslagen had.„Te Pazo-Redondo, een weinig aan gene zijde der Noria de Guadalupe, kapitein.”„Zoo; wie zijt gij? hoe is uw naam?”„Ik ben de adjudant van zijne Excellentie den generaal, en mijn naam is Gregorio Lopez.”„Zijt gij bekend met den inhoud van deze dépêche?”„Neen; ik wist alleen dat zij zeer gewigtig is.”De soldaat had op de vragen van den kapitein volkomen ongedwongen en met eene vrijmoedigheid van het beste allooi geantwoord. Het was blijkbaar dat hij niet loog.Na een laatste aarzeling besloot don Juan den brief te lezen; maar spoedig trok hij de wenkbraauwen zamen, en kwam er eene uitdrukking van bepaalde ontevredenheid op zijn gelaat.Het stuk was van den volgenden inhoud:„Pazo-Redondo, den.… 18 …”„De Generaal don José Maria Rubio, militaire opperkommandant van den staat Texas, heeft de eer den kapitein don Juan Melendez[212]de Gongora te berigten, dat er in den staat nieuwe onlusten zijn uitgebroken; dat verscheidene benden roovers en grensloopers, onder aanvoering van verschillende opperhoofden, het land hebben bezet, overal de haciendas plunderende en verbrandende, de konvooijen opligtende en het openbare verkeer belemmerende. Ten aanzien van deze ernstige feiten, die het algemeene welzijn en de veiligheid der inwoners bedreigen, heeft de regering, gelijk haar pligt dit gebiedend vordert, in het belang van allen, buitengewone maatregelen moeten nemen, ten einde deze wanordelijkheden te keer te gaan eer zij zich op eene grootere schaal uitbreiden. Dien ten gevolge is de staat Texas in staat van beleg verklaard, enz. (hier volgden de verschillende maatregelen door den generaal genomen om den opstand te dempen; verder luidde de dépêche als volgt:) De Generaal don José Maria Rubio, door vertrouwde spionnen onderrigt zijnde dat een der voornaamste hoofden der opstandelingen, die door zijne medegenooten de Jaguar wordt genoemd, voornemens is om de conducta de plata, onder het eskorte van kapitein don Juan Melendez de Gongora, op te ligten en zich ten dien einde aan de Rio-Seco in hinderlaag zal stellen, een punt dat voor eene overrompeling bijzonder geschikt is, zoo beveelt de generaal Rubio den kapitein Melendez om zich te laten geleiden door den brenger der tegenwoordige dépêche, een loijaal en vertrouwd man, die het konvooi naar de laguna del Venado zal brengen, waar gezegde conducta zich zal vereenigen met een detachement kavallerie door den generaal ten dien einde afgezonden en welks getalsterkte voldoende is om het konvooi verder tegen iederen aanval te beveiligen. De kapitein Melendez zal het kommando over deze troepen op zich nemen en zich zoo spoedig doenlijk bij den generaal in zijn hoofdkwartier vervoegen.„Dios y libertad.”„De generaal militaire opperkommandant van den staat Texas,”„DON JOSÉ-MARIA RUBIO.”Na deze marschorder met de meeste oplettendheid gelezen te hebben, hief de kapitein het hoofd op en beschouwde den ordonnans een oogenblik met de grootste aandacht.Deze stond met de hand op zijn degen geleund en speelde achteloos met den aker van zijn dragon, zonder zich naar het scheen te bemoeijen met hetgeen er rondom hem voorviel.[213]„De order is stellig,” mompelde de kapitein bij herhaling in zich zelven, „ik moet mij er naar gedragen; intusschen zegt alles mij dat deze man een verrader is.”Toen vervolgde hij hardop:„Zijt gij wel goed met deze landstreek bekend?”„Son hijo del pays(ik ben een kind van het land) kapitein,” antwoordde de dragonder, „er is geen pad zoo onbeduidend of ik ben er als kind honderde malen geweest.”„Gij weet immers dat gij mij als gids moet dienen?”„Zijne Excellentie de generaal deed mij de eer mij hiervan te informeren, kapitein.”„En houdt gij voor zeker, dat gij in staat zijt om ons veilig naar de plaats te brengen die ons wacht?”„Ik zal ten minste alles doen wat daartoe noodig is.”„Goed, zijt gij niet vermoeid?”„Mijn paard meer dan ik. Als gij mij een ander liet geven zou ikonmiddellijktot uwe orders zijn, want ik zie dat gij haast hebt om te vertrekken.”„Inderdaad heb ik dat. Kies zelf maar een paard voor u.”De soldaat liet zich dit verlof geen tweemaal geven. Er waren verscheidene remonte paarden bij het eskorte, hij nam er een van, waar hij zijn eigen zadeltuig op over bragt. Na eenige minuten was hij hiermede klaar en zat de ruiter in den zadel.„Ik ben tot uwe geëerde orders, kapitein,” zeide hij.„Vertrekken wij,” antwoordde de kapitein terwijl hij er in stilte bijvoegde: „Ik zal dien kerel op den marsch niet uit het oog verliezen.”

[Inhoud]XXVI.DE ESTAFETTE.Kapitein Melendez had spoed gemaakt om de bergengte door te komen, bij welke hij zijn konvooi had laten kamperen; hij wist hoe groot de verantwoordelijkheid was die op hem rustte door het kommando over de conducte op zich te nemen, en zoo haar eenig ongeluk overkwam, zou hij voor niets ter wereld willen dat men hem van zorgeloosheid of nalatigheid konde beschuldigen.De geldsom daar de muilezels mede bevracht waren, was aanzienlijk; de regering van Mexico, steeds op middelen bedacht om zich geld te verschaffen, wachtte haar met ongeduld; de kapitein ontveinsde zich dus geenszins dat men hem iederen aanval ten zwaarste zou toerekenen en dat hij er al de gevolgen van zou moeten verantwoorden, hoedanig ook de uitkomst zijner ontmoeting met de grensloopers wezen mogt.Daarbij namen zijne angst en bezorgdheid met ieder oogenblik toe; het blijkbaar schelmstuk van den monnik Antonio maakte hem nog angstvalliger en omzigtiger, en deed hem van meer dan eene zijde verraad vreezen. Zonder bij mogelijkheid te kunnen gissen van welken kant het gevaar komen zou, gevoelde hij het, om zoo te zeggen, stap voor stap naderen, hem van alle zijden omsingelen en verwachtte hij ieder oogenblik eene vreesselijke uitbarsting.Deze heimelijke ingeving, het waarschuwend voorgevoel dat hem inwendig toeriep om toch op zijne hoede te zijn, bragt hem in een staat van onbeschrijfelijke opwinding en maakte zijn toestand zoo ondragelijk, dat hij er tot iederen prijs een einde aan wilde zien, en duizend maal liever wenschte het gevaar zelve te ontmoeten en met de wapens in de vuist te bestrijden, dan nog langer als in den blinde te moeten schermen. Hij verdubbelde dus zijne waakzaamheid, ging zelf de omstreken van het kamp onderzoeken, hielp aan het opladen der muilezels, die aan elkander gekoppeld, in geval van onraad, tusschen de getrouwste en meestgeoefende dragonders zouden worden geplaatst.Reeds lang voor het opgaan der zon, had de kapitein, wiens slaap niets meer dan een vervolg van afgebroken sluimeringen geweest was, zijn harde legerstee van dierenvellen en dekens verlaten, waar hij te vergeefs eenige uren de rust had gezocht die zijn zenuwachtigen toestand geheel onmogelijk maakte. Met korte driftige schreden[208]begon hij de enge ruimte in zijn kamp op en neder te stappen, den zorgeloozen en gerusten slaap benijdende der soldaten, die hier en daar in hunne mantels gewikkeld op den grond lagen uitgestrekt.Inmiddels begon het allengs dag te worden. De uil, wiens morgengeroep de verschijning der zon aankondigt, had zijne zwaarmoedige toonen reeds laten hooren en de kapitein stiet met den voet den hoofdman der muildrijvers wakker, die digt bij het vuur was ingeslapen.De eenvoudige boer wreef zich eenige malen de oogen tot de laatste wolken der slaap verdwenen waren en de orde in zijne denkbeelden zich begon te herstellen.„Carai! kapitein,” riep hij een laatsten geeuw onderdrukkende, „staken u de moskieten dat gij mij zoo vroeg reeds wakker maakt? Zie maar eens, de hemel begint naauwelijks te verbleeken; laat mij nog een uurtje slapen. Ik had daar zulk een aangenamen droom, dien zal ik weder hervatten, er gaat niets boven een lekker slaapje.”De kapitein kon zich niet weerhouden te glimlagchen over dezen vreemden bluf; maar hij achtte het niet raadzaam om op het verzoek van den arriero te letten, de omstandigheden waren te ernstig om den tijd aan ijdele beloften te verspillen.„Op, op,Cuerpo de Christo!” riep hij,„bedenk dat wij nog niet aan de Rio-Seco zijn, en dat wij ons zullen moeten haasten als wij die voor zonsondergang door willen komen.”„Gij hebt gelijk, kapitein,” antwoordde de arriero, die oogenblikkelijk opsprong zoo frisch en gereed als ware hij reeds een uur ontwaakt geweest; „neem mij niet kwalijk! kapitein,vive Dios!ik heb evenveel belang bij het ontwijken eener verkeerde ontmoeting als gij; volgens de wet, is mijn gansche fortuin aansprakelijk voor het rigtige transport, en als er met het konvooi een ongeluk gebeurde zou ik met mijn geheele familie doodarm worden.”„Dat is waar, ik dacht niet om deze voorwaarde van uw contract.”„Dat verwondert mij niet, daar het u niet aangaat, maar mij is het geen oogenblik uit de gedachten; ik zweer u, kapitein, nadat ik onze gevaarlijke reis begonnen ben, heeft het mij dikwijls berouwd dat ik deze bezwarende voorwaarde heb aangenomen; het ligt mij zoo bij, dat wij nooit heelhuids aan de andere zijde van die verwenschte bergen komen.”„Bah! Bah! geen dwaasheden, No Baptista. Gij zijt immers[209]in den best mogelijken staat en goed geëskorteerd; wat hebt gij te vreezen?”„Niets ik weet het en toch ben ik overtuigd dat ik mij niet bedrieg en dat deze reis niet goed voor mij zal afloopen.”De kapitein ging onder dezelfde voorgevoelens gebukt; evenwel mogt hij ten aanzien van den arriero niets van zijn inwendige ongerustheid laten blijken, integendeel moest hij hem veeleer een riem onder het hart steken en den moed opwekken, die hem dreigde te ontzinken.„Gij zijt dwaas, op mijn eer gij zijt dwaas!” riep hij, „loop naar den drommel met zulke muizennesten als gij u in het hoofd haalt.”De muildrijver schudde ernstig het hoofd.„Het staat u vrij, don Juan Melendez, om met zulke ideeën te lagchen, gij zijt geleerd, en gelooft dus aan niets. Maar ik, caballero, ik ben maar een arme Indiaan, en ik geloof wat mijne vaderen voor mij geloofd hebben; zie, kapitein, wij Indianen, beschaafd of wild, als wij zijn mogen, wij hebben harde hoofden en uwe nieuwe denkbeelden willen er bij ons maar niet in.”„Maar kom, leg mij dat eens nader uit,” riep de kapitein, die er een eind aan wilde maken, zonder de vooroordeelen van den muildrijver te zeer te krenken; „zeg mij welke reden gij eigenlijk hebt om aan den goeden afloop van onze reis te twijfelen? Gij schijnt mij toch de man niet om voor uwe schim te vreezen: ik ken u sinds jaren en ik weet dat gij ontegenzeggelijk dapper zijt.”„Ik zeg u dank, kapitein, voor den goeden dunk dien gij van mij gelieft te koesteren; ja, ik ben moedig, en ik geloof dat ik dit meermalen bewezen heb, maar dat was steeds tegenover gevaren die ik om zoo te zeggen met mijne hand en mijn verstand vatten kon en niet tegenover donkere vermoedens, die de onbegrijpelijke natuurwet in ons doet oprijzen.”De kapitein kaauwde zijne knevels van ongeduld bij de lastige langwijligheid van den arriero, maar zooals hij zelf reeds gezegd had, kende hij den eenvoudigen man sinds lang en wist hij bij ondervinding dat het verloren moeite zou zijn om hem zijn verhaal te doen bekorten; hij moest hem dus ongestoord zijn gang laten gaan.Er zijn zulke stugge gemoederen die even als stijfkoppige paarden; als men de sporen gebruikt om hen voort te drijven, integendeel terugslaan of achterwaarts keeren.De jongman bedwong dus zijn ongeduld en antwoordde bedaard:[204a]„Gij hebt zeker een kwaad voorteeken gezien, toen gij vertrokken zijt.”„Dat heb ik ook, kapitein, en waarlijk, bij hetgeen ik toen gezien heb, zou ik zeker geweigerd hebben te vertrekken als ik iemand was, die zich gemakkelijk laat afschrikken.”„Welk voorteeken hebt gij gezien?”„Lach er niet om, kapitein: de schrift zelf zegt, op onderscheidene plaatsen, dat het God somtijds behaagt om den menschen een heilzame waarschuwing te geven, waarnaar zij[205a]ongelukkig genoeg niet altijd luisteren,” vervolgde hij met een zucht.„Dat is wel waar!” mompelde de kapitein.„Daarom,” zoo vervolgde de arriero, gevleid door dit kleine bewijs van toestemming, van zoo iemand als den kapitein, „mijne muilezels waren gezadeld, de stoet stond in de corral op mij te wachten onder toezicht der peons, en ik zou vertrekken. Evenwel daar ik van mijne vrouw, wie weet voor hoelang misschien, niet wilde scheiden zonder afscheid van haar te nemen, trad ik in huis om haar nog eens te omhelzen, toen ik voor de deur toevallig de oogen opsloeg en op deazoteo(plat dak) een paar uilen zag zitten, die mij met sombere blikken strak aankeken. Bij deze onverwachte vertooning huiverde ik tegen wil en dank en wendde het hoofd af. Op hetzelfde oogenblik werd er een stervend mensch op een baar door twee soldaten voorbij gedragen, begeleid door een monnik, die hem de boetpsalmen liet opzeggen en hem zachtzinnig zocht voor te bereiden, om als eenopregtChristen te sterven; maar de gewonde antwoordde niet en lachte de monnik op een schampere wijs uit: eensklaps echterrigttehij zich op de baar overeind, zijne oogen fonkelden, hij keerde zich om, wierp mij een spotachtigen blik toe en viel toenmagteloosop de baar terug, binnensmonds mompelend, zeker tegen mij, deze twee woorden:„Hasta lucro!” (tot straks).„Hum!” riep de kapitein.„Dit korte bescheid van iemand in dien toestand, was alles behalve prettig voor mij, wat dunkt u?” vervolgde de muildrijver. „Ik was er zoo door getroffen, dat ik ijlings naar hem toeliep om er hem naar ik meende metregtvoor te bestraffen; maar toen ik bij hem kwam, was hij dood.”„En wie was die man? hebt gij dat ook gehoord?”„Ja, het was een Selteador (straatroover) die in een ontmoeting met deciricos(stadswacht) doodelijk gewond geraakte en naar de trappen der hoofdkerk werd gedragen, om daar te sterven.”„Is dat alles?” vroeg de kapitein.„Ja.”„Nu, vriend, dan heb ik wijs gedaan dat ik de reden van uwe ongerustheid met zooveel aandrang heb willen hooren.”„Zoo!”„Ja, want gij hebt het voorteeken waar gij mede begunstigd werdt, juist verkeerd uitgelegd.”„Hoe dat?”[206a]„Ik zal u zeggen wat ik bedoel. Dat voorteeken beduidt veeleer, dat gij met wijsheid en onvermoeide waakzaamheid het gevaar en verraad moet verijdelen en dat gij de bandieten zult neerslaan die u durven aanvallen.”„O!” riep de muildrijver verheugd, „is het inderdaad waar wat gij mij daar zegt?”„Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,” antwoordde de kapitein eerbiedig een kruis slaande.De arriero stelde volkomen vertrouwen in de woorden van den kapitein, dien hij, wegens zijne erkende meerderheid eene onbepaalde achting toedroeg; hij twijfelde dus geen oogenblik aan de verzekering, die deze hem gaf, dat hij de verontrustende voorteekenen verkeerd had uitgelegd; hij antwoordde in de beste luim, terwijl hij luchthartig met de vingers klapte.„Carai! als het er zoo mede gelegen is, loop ik geen gevaar. Zou het dan ook wel noodig zijn dat ik aanNuestraSeñorade la Soledadde waskaars geef, die ik haar beloofd had?”„Volstrekt onnoodig,” verzekerde de kapitein.Hierdoor geheel gerust gesteld, ging de muildrijver met allen spoed aan zijne gewone bezigheden.Zoo had de kapitein, door den dommen Indiaan in zijne onnoozele denkbeelden te sterken, er hem ongemerkt van af weten te brengen.Intusschen was in het kamp alles in beweging gekomen, de arrieros haastten zich met het voederen en opladen der muilezels, terwijl de dragonders druk bezig waren hunne paarden te zadelen en alles voor denaftogtgereed te maken.De kapitein overzag en bestuurde al deze bewegingen met koortsachtig ongeduld, den een berispende, den anderteregtwijzende, allen tot spoed aanzettende en wel toeziende dat zijne bevelen stipt werden uitgevoerd.[210]Toen al de aanstalten gereed waren, gaf de jonge officier order om den ochtendmaaltijd staande en met den teugel over den arm te houden, ten einde zoo min mogelijk tijd te verliezen, daarop gaf hij het sein om te vertrekken.De dragonders stegen in den zadel, maar juist op het oogenblik toen de kolonne zich in beweging stelde om het kamp te verlaten, ontstond er een levendig gedruisch in de struiken; de takken werden krakend uit een gerukt, en op eens verscheen er een ruiter, in dragonders uniform en reed in vollen galop op den troep af.Toen hij den kapitein bereikt had, bleef hij als een meester in de rijkunst plotseling staan, groette eerbiedig, en met de hand aan zijn gegalonneerden hoed zeide hij:„Dios guardi a usted.Heb ik de eer kapitein don Juan Melendez te spreken?”„Hem zelf,” antwoordde de kapitein verwonderd; „wat hebt gij te zeggen?”„Voor mij zelven niets,” hernam de soldaat, „maar ik heb uwe geëerde eene schriftelijke order te overhandigen.”„Een schriftelijke order, en van wie komt die?”„Van zijne Excellentie den generaal don José Maria Rubio, en wat deze brief behelst moet wel zeer gewigtig zijn, daar de generaal mij gelast heeft den meesten spoed te maken, zoo dat ik vier en veertig mijlen in negentien uren heb afgelegd om hier te komen.”„Goed,” antwoordde de kapitein, „geef over.”De dragonder haalde een grooten brief met rood zegel uit zijne borst en stelde hem den kapitein eerbiedig ter hand.Deze nam hem en opende hem, maar alvorens te lezen, wierp hij den soldaat, die onbewegelijk en koen voor hem stond, een argwanenden blik toe, dien deze echter met onverstoorbare stoutheid doorstond.Deze man scheen op zijn hoogst dertig jaar oud, hij was lang van gestalte en welgemaakt, en de militaire kleeding die hij aanhad stond hem bijzonder goed; zijne vrij regelmatige gelaatstrekken teekenden zekere geslepenheid en list, die nog sterker uitkwam door zijne zwarte steeds beweeglijke oogen, die zich nu en dan met blijkbare aarzeling op den kapitein vestigden.Over het geheel geleek deze man naar alle andere Mexicaansche soldaten en had hij niets dat geschikt was om bijzonder de aandacht gaande te maken of vermoedens te wekken.Het was intusschen niet dan met veel tegenzin dat de kapitein[211]zich gedwongen zag om met hem in aanraking te komen; om welke reden, had hij moeijelijk, zoo niet onmogelijk kunnen zeggen; maar er zijn in de natuur zekere wetten wier kracht men niet betwijfelen kan, en die dus voor sommige personen op het eerste gezigt en zelfs voordat men met hen gesproken heeft een bepaalden voor- of tegenzin inboezemen, zoodat men zich onwillekeurig tot hen getrokken of van hen afkeerig gevoelt. Waar deze geheimzinnige voor- of tegeningenomenheid, die zich maar zelden bedriegt, eigenlijk doorontstaat, willen of kunnen wij hier moeijelijk onderzoeken en nog veel minder verklaren, maar bepalen ons eenvoudig bij de verzekering dat dit gevoel werkelijk bestaat, en dat wij gedurende ons afwisselend leven er vaak den invloed van ondervonden en de kracht van erkend hebben.Wat den kapitein betreft, moeten wij zeggen, dat hij zich door den bovengenoemden persoon geenszins aangetrokken gevoelde, maar integendeel geneigd was hem voor het minst niet te vertrouwen.„Op welk punt hebt gij den generaal verlaten?” vroeg hij, terwijl hij den opengevouwen brief werktuigelijk tusschen zijne vingers liet spelen, zonder dat hij er tot nog toe een oog ingeslagen had.„Te Pazo-Redondo, een weinig aan gene zijde der Noria de Guadalupe, kapitein.”„Zoo; wie zijt gij? hoe is uw naam?”„Ik ben de adjudant van zijne Excellentie den generaal, en mijn naam is Gregorio Lopez.”„Zijt gij bekend met den inhoud van deze dépêche?”„Neen; ik wist alleen dat zij zeer gewigtig is.”De soldaat had op de vragen van den kapitein volkomen ongedwongen en met eene vrijmoedigheid van het beste allooi geantwoord. Het was blijkbaar dat hij niet loog.Na een laatste aarzeling besloot don Juan den brief te lezen; maar spoedig trok hij de wenkbraauwen zamen, en kwam er eene uitdrukking van bepaalde ontevredenheid op zijn gelaat.Het stuk was van den volgenden inhoud:„Pazo-Redondo, den.… 18 …”„De Generaal don José Maria Rubio, militaire opperkommandant van den staat Texas, heeft de eer den kapitein don Juan Melendez[212]de Gongora te berigten, dat er in den staat nieuwe onlusten zijn uitgebroken; dat verscheidene benden roovers en grensloopers, onder aanvoering van verschillende opperhoofden, het land hebben bezet, overal de haciendas plunderende en verbrandende, de konvooijen opligtende en het openbare verkeer belemmerende. Ten aanzien van deze ernstige feiten, die het algemeene welzijn en de veiligheid der inwoners bedreigen, heeft de regering, gelijk haar pligt dit gebiedend vordert, in het belang van allen, buitengewone maatregelen moeten nemen, ten einde deze wanordelijkheden te keer te gaan eer zij zich op eene grootere schaal uitbreiden. Dien ten gevolge is de staat Texas in staat van beleg verklaard, enz. (hier volgden de verschillende maatregelen door den generaal genomen om den opstand te dempen; verder luidde de dépêche als volgt:) De Generaal don José Maria Rubio, door vertrouwde spionnen onderrigt zijnde dat een der voornaamste hoofden der opstandelingen, die door zijne medegenooten de Jaguar wordt genoemd, voornemens is om de conducta de plata, onder het eskorte van kapitein don Juan Melendez de Gongora, op te ligten en zich ten dien einde aan de Rio-Seco in hinderlaag zal stellen, een punt dat voor eene overrompeling bijzonder geschikt is, zoo beveelt de generaal Rubio den kapitein Melendez om zich te laten geleiden door den brenger der tegenwoordige dépêche, een loijaal en vertrouwd man, die het konvooi naar de laguna del Venado zal brengen, waar gezegde conducta zich zal vereenigen met een detachement kavallerie door den generaal ten dien einde afgezonden en welks getalsterkte voldoende is om het konvooi verder tegen iederen aanval te beveiligen. De kapitein Melendez zal het kommando over deze troepen op zich nemen en zich zoo spoedig doenlijk bij den generaal in zijn hoofdkwartier vervoegen.„Dios y libertad.”„De generaal militaire opperkommandant van den staat Texas,”„DON JOSÉ-MARIA RUBIO.”Na deze marschorder met de meeste oplettendheid gelezen te hebben, hief de kapitein het hoofd op en beschouwde den ordonnans een oogenblik met de grootste aandacht.Deze stond met de hand op zijn degen geleund en speelde achteloos met den aker van zijn dragon, zonder zich naar het scheen te bemoeijen met hetgeen er rondom hem voorviel.[213]„De order is stellig,” mompelde de kapitein bij herhaling in zich zelven, „ik moet mij er naar gedragen; intusschen zegt alles mij dat deze man een verrader is.”Toen vervolgde hij hardop:„Zijt gij wel goed met deze landstreek bekend?”„Son hijo del pays(ik ben een kind van het land) kapitein,” antwoordde de dragonder, „er is geen pad zoo onbeduidend of ik ben er als kind honderde malen geweest.”„Gij weet immers dat gij mij als gids moet dienen?”„Zijne Excellentie de generaal deed mij de eer mij hiervan te informeren, kapitein.”„En houdt gij voor zeker, dat gij in staat zijt om ons veilig naar de plaats te brengen die ons wacht?”„Ik zal ten minste alles doen wat daartoe noodig is.”„Goed, zijt gij niet vermoeid?”„Mijn paard meer dan ik. Als gij mij een ander liet geven zou ikonmiddellijktot uwe orders zijn, want ik zie dat gij haast hebt om te vertrekken.”„Inderdaad heb ik dat. Kies zelf maar een paard voor u.”De soldaat liet zich dit verlof geen tweemaal geven. Er waren verscheidene remonte paarden bij het eskorte, hij nam er een van, waar hij zijn eigen zadeltuig op over bragt. Na eenige minuten was hij hiermede klaar en zat de ruiter in den zadel.„Ik ben tot uwe geëerde orders, kapitein,” zeide hij.„Vertrekken wij,” antwoordde de kapitein terwijl hij er in stilte bijvoegde: „Ik zal dien kerel op den marsch niet uit het oog verliezen.”

XXVI.DE ESTAFETTE.

Kapitein Melendez had spoed gemaakt om de bergengte door te komen, bij welke hij zijn konvooi had laten kamperen; hij wist hoe groot de verantwoordelijkheid was die op hem rustte door het kommando over de conducte op zich te nemen, en zoo haar eenig ongeluk overkwam, zou hij voor niets ter wereld willen dat men hem van zorgeloosheid of nalatigheid konde beschuldigen.De geldsom daar de muilezels mede bevracht waren, was aanzienlijk; de regering van Mexico, steeds op middelen bedacht om zich geld te verschaffen, wachtte haar met ongeduld; de kapitein ontveinsde zich dus geenszins dat men hem iederen aanval ten zwaarste zou toerekenen en dat hij er al de gevolgen van zou moeten verantwoorden, hoedanig ook de uitkomst zijner ontmoeting met de grensloopers wezen mogt.Daarbij namen zijne angst en bezorgdheid met ieder oogenblik toe; het blijkbaar schelmstuk van den monnik Antonio maakte hem nog angstvalliger en omzigtiger, en deed hem van meer dan eene zijde verraad vreezen. Zonder bij mogelijkheid te kunnen gissen van welken kant het gevaar komen zou, gevoelde hij het, om zoo te zeggen, stap voor stap naderen, hem van alle zijden omsingelen en verwachtte hij ieder oogenblik eene vreesselijke uitbarsting.Deze heimelijke ingeving, het waarschuwend voorgevoel dat hem inwendig toeriep om toch op zijne hoede te zijn, bragt hem in een staat van onbeschrijfelijke opwinding en maakte zijn toestand zoo ondragelijk, dat hij er tot iederen prijs een einde aan wilde zien, en duizend maal liever wenschte het gevaar zelve te ontmoeten en met de wapens in de vuist te bestrijden, dan nog langer als in den blinde te moeten schermen. Hij verdubbelde dus zijne waakzaamheid, ging zelf de omstreken van het kamp onderzoeken, hielp aan het opladen der muilezels, die aan elkander gekoppeld, in geval van onraad, tusschen de getrouwste en meestgeoefende dragonders zouden worden geplaatst.Reeds lang voor het opgaan der zon, had de kapitein, wiens slaap niets meer dan een vervolg van afgebroken sluimeringen geweest was, zijn harde legerstee van dierenvellen en dekens verlaten, waar hij te vergeefs eenige uren de rust had gezocht die zijn zenuwachtigen toestand geheel onmogelijk maakte. Met korte driftige schreden[208]begon hij de enge ruimte in zijn kamp op en neder te stappen, den zorgeloozen en gerusten slaap benijdende der soldaten, die hier en daar in hunne mantels gewikkeld op den grond lagen uitgestrekt.Inmiddels begon het allengs dag te worden. De uil, wiens morgengeroep de verschijning der zon aankondigt, had zijne zwaarmoedige toonen reeds laten hooren en de kapitein stiet met den voet den hoofdman der muildrijvers wakker, die digt bij het vuur was ingeslapen.De eenvoudige boer wreef zich eenige malen de oogen tot de laatste wolken der slaap verdwenen waren en de orde in zijne denkbeelden zich begon te herstellen.„Carai! kapitein,” riep hij een laatsten geeuw onderdrukkende, „staken u de moskieten dat gij mij zoo vroeg reeds wakker maakt? Zie maar eens, de hemel begint naauwelijks te verbleeken; laat mij nog een uurtje slapen. Ik had daar zulk een aangenamen droom, dien zal ik weder hervatten, er gaat niets boven een lekker slaapje.”De kapitein kon zich niet weerhouden te glimlagchen over dezen vreemden bluf; maar hij achtte het niet raadzaam om op het verzoek van den arriero te letten, de omstandigheden waren te ernstig om den tijd aan ijdele beloften te verspillen.„Op, op,Cuerpo de Christo!” riep hij,„bedenk dat wij nog niet aan de Rio-Seco zijn, en dat wij ons zullen moeten haasten als wij die voor zonsondergang door willen komen.”„Gij hebt gelijk, kapitein,” antwoordde de arriero, die oogenblikkelijk opsprong zoo frisch en gereed als ware hij reeds een uur ontwaakt geweest; „neem mij niet kwalijk! kapitein,vive Dios!ik heb evenveel belang bij het ontwijken eener verkeerde ontmoeting als gij; volgens de wet, is mijn gansche fortuin aansprakelijk voor het rigtige transport, en als er met het konvooi een ongeluk gebeurde zou ik met mijn geheele familie doodarm worden.”„Dat is waar, ik dacht niet om deze voorwaarde van uw contract.”„Dat verwondert mij niet, daar het u niet aangaat, maar mij is het geen oogenblik uit de gedachten; ik zweer u, kapitein, nadat ik onze gevaarlijke reis begonnen ben, heeft het mij dikwijls berouwd dat ik deze bezwarende voorwaarde heb aangenomen; het ligt mij zoo bij, dat wij nooit heelhuids aan de andere zijde van die verwenschte bergen komen.”„Bah! Bah! geen dwaasheden, No Baptista. Gij zijt immers[209]in den best mogelijken staat en goed geëskorteerd; wat hebt gij te vreezen?”„Niets ik weet het en toch ben ik overtuigd dat ik mij niet bedrieg en dat deze reis niet goed voor mij zal afloopen.”De kapitein ging onder dezelfde voorgevoelens gebukt; evenwel mogt hij ten aanzien van den arriero niets van zijn inwendige ongerustheid laten blijken, integendeel moest hij hem veeleer een riem onder het hart steken en den moed opwekken, die hem dreigde te ontzinken.„Gij zijt dwaas, op mijn eer gij zijt dwaas!” riep hij, „loop naar den drommel met zulke muizennesten als gij u in het hoofd haalt.”De muildrijver schudde ernstig het hoofd.„Het staat u vrij, don Juan Melendez, om met zulke ideeën te lagchen, gij zijt geleerd, en gelooft dus aan niets. Maar ik, caballero, ik ben maar een arme Indiaan, en ik geloof wat mijne vaderen voor mij geloofd hebben; zie, kapitein, wij Indianen, beschaafd of wild, als wij zijn mogen, wij hebben harde hoofden en uwe nieuwe denkbeelden willen er bij ons maar niet in.”„Maar kom, leg mij dat eens nader uit,” riep de kapitein, die er een eind aan wilde maken, zonder de vooroordeelen van den muildrijver te zeer te krenken; „zeg mij welke reden gij eigenlijk hebt om aan den goeden afloop van onze reis te twijfelen? Gij schijnt mij toch de man niet om voor uwe schim te vreezen: ik ken u sinds jaren en ik weet dat gij ontegenzeggelijk dapper zijt.”„Ik zeg u dank, kapitein, voor den goeden dunk dien gij van mij gelieft te koesteren; ja, ik ben moedig, en ik geloof dat ik dit meermalen bewezen heb, maar dat was steeds tegenover gevaren die ik om zoo te zeggen met mijne hand en mijn verstand vatten kon en niet tegenover donkere vermoedens, die de onbegrijpelijke natuurwet in ons doet oprijzen.”De kapitein kaauwde zijne knevels van ongeduld bij de lastige langwijligheid van den arriero, maar zooals hij zelf reeds gezegd had, kende hij den eenvoudigen man sinds lang en wist hij bij ondervinding dat het verloren moeite zou zijn om hem zijn verhaal te doen bekorten; hij moest hem dus ongestoord zijn gang laten gaan.Er zijn zulke stugge gemoederen die even als stijfkoppige paarden; als men de sporen gebruikt om hen voort te drijven, integendeel terugslaan of achterwaarts keeren.De jongman bedwong dus zijn ongeduld en antwoordde bedaard:[204a]„Gij hebt zeker een kwaad voorteeken gezien, toen gij vertrokken zijt.”„Dat heb ik ook, kapitein, en waarlijk, bij hetgeen ik toen gezien heb, zou ik zeker geweigerd hebben te vertrekken als ik iemand was, die zich gemakkelijk laat afschrikken.”„Welk voorteeken hebt gij gezien?”„Lach er niet om, kapitein: de schrift zelf zegt, op onderscheidene plaatsen, dat het God somtijds behaagt om den menschen een heilzame waarschuwing te geven, waarnaar zij[205a]ongelukkig genoeg niet altijd luisteren,” vervolgde hij met een zucht.„Dat is wel waar!” mompelde de kapitein.„Daarom,” zoo vervolgde de arriero, gevleid door dit kleine bewijs van toestemming, van zoo iemand als den kapitein, „mijne muilezels waren gezadeld, de stoet stond in de corral op mij te wachten onder toezicht der peons, en ik zou vertrekken. Evenwel daar ik van mijne vrouw, wie weet voor hoelang misschien, niet wilde scheiden zonder afscheid van haar te nemen, trad ik in huis om haar nog eens te omhelzen, toen ik voor de deur toevallig de oogen opsloeg en op deazoteo(plat dak) een paar uilen zag zitten, die mij met sombere blikken strak aankeken. Bij deze onverwachte vertooning huiverde ik tegen wil en dank en wendde het hoofd af. Op hetzelfde oogenblik werd er een stervend mensch op een baar door twee soldaten voorbij gedragen, begeleid door een monnik, die hem de boetpsalmen liet opzeggen en hem zachtzinnig zocht voor te bereiden, om als eenopregtChristen te sterven; maar de gewonde antwoordde niet en lachte de monnik op een schampere wijs uit: eensklaps echterrigttehij zich op de baar overeind, zijne oogen fonkelden, hij keerde zich om, wierp mij een spotachtigen blik toe en viel toenmagteloosop de baar terug, binnensmonds mompelend, zeker tegen mij, deze twee woorden:„Hasta lucro!” (tot straks).„Hum!” riep de kapitein.„Dit korte bescheid van iemand in dien toestand, was alles behalve prettig voor mij, wat dunkt u?” vervolgde de muildrijver. „Ik was er zoo door getroffen, dat ik ijlings naar hem toeliep om er hem naar ik meende metregtvoor te bestraffen; maar toen ik bij hem kwam, was hij dood.”„En wie was die man? hebt gij dat ook gehoord?”„Ja, het was een Selteador (straatroover) die in een ontmoeting met deciricos(stadswacht) doodelijk gewond geraakte en naar de trappen der hoofdkerk werd gedragen, om daar te sterven.”„Is dat alles?” vroeg de kapitein.„Ja.”„Nu, vriend, dan heb ik wijs gedaan dat ik de reden van uwe ongerustheid met zooveel aandrang heb willen hooren.”„Zoo!”„Ja, want gij hebt het voorteeken waar gij mede begunstigd werdt, juist verkeerd uitgelegd.”„Hoe dat?”[206a]„Ik zal u zeggen wat ik bedoel. Dat voorteeken beduidt veeleer, dat gij met wijsheid en onvermoeide waakzaamheid het gevaar en verraad moet verijdelen en dat gij de bandieten zult neerslaan die u durven aanvallen.”„O!” riep de muildrijver verheugd, „is het inderdaad waar wat gij mij daar zegt?”„Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,” antwoordde de kapitein eerbiedig een kruis slaande.De arriero stelde volkomen vertrouwen in de woorden van den kapitein, dien hij, wegens zijne erkende meerderheid eene onbepaalde achting toedroeg; hij twijfelde dus geen oogenblik aan de verzekering, die deze hem gaf, dat hij de verontrustende voorteekenen verkeerd had uitgelegd; hij antwoordde in de beste luim, terwijl hij luchthartig met de vingers klapte.„Carai! als het er zoo mede gelegen is, loop ik geen gevaar. Zou het dan ook wel noodig zijn dat ik aanNuestraSeñorade la Soledadde waskaars geef, die ik haar beloofd had?”„Volstrekt onnoodig,” verzekerde de kapitein.Hierdoor geheel gerust gesteld, ging de muildrijver met allen spoed aan zijne gewone bezigheden.Zoo had de kapitein, door den dommen Indiaan in zijne onnoozele denkbeelden te sterken, er hem ongemerkt van af weten te brengen.Intusschen was in het kamp alles in beweging gekomen, de arrieros haastten zich met het voederen en opladen der muilezels, terwijl de dragonders druk bezig waren hunne paarden te zadelen en alles voor denaftogtgereed te maken.De kapitein overzag en bestuurde al deze bewegingen met koortsachtig ongeduld, den een berispende, den anderteregtwijzende, allen tot spoed aanzettende en wel toeziende dat zijne bevelen stipt werden uitgevoerd.[210]Toen al de aanstalten gereed waren, gaf de jonge officier order om den ochtendmaaltijd staande en met den teugel over den arm te houden, ten einde zoo min mogelijk tijd te verliezen, daarop gaf hij het sein om te vertrekken.De dragonders stegen in den zadel, maar juist op het oogenblik toen de kolonne zich in beweging stelde om het kamp te verlaten, ontstond er een levendig gedruisch in de struiken; de takken werden krakend uit een gerukt, en op eens verscheen er een ruiter, in dragonders uniform en reed in vollen galop op den troep af.Toen hij den kapitein bereikt had, bleef hij als een meester in de rijkunst plotseling staan, groette eerbiedig, en met de hand aan zijn gegalonneerden hoed zeide hij:„Dios guardi a usted.Heb ik de eer kapitein don Juan Melendez te spreken?”„Hem zelf,” antwoordde de kapitein verwonderd; „wat hebt gij te zeggen?”„Voor mij zelven niets,” hernam de soldaat, „maar ik heb uwe geëerde eene schriftelijke order te overhandigen.”„Een schriftelijke order, en van wie komt die?”„Van zijne Excellentie den generaal don José Maria Rubio, en wat deze brief behelst moet wel zeer gewigtig zijn, daar de generaal mij gelast heeft den meesten spoed te maken, zoo dat ik vier en veertig mijlen in negentien uren heb afgelegd om hier te komen.”„Goed,” antwoordde de kapitein, „geef over.”De dragonder haalde een grooten brief met rood zegel uit zijne borst en stelde hem den kapitein eerbiedig ter hand.Deze nam hem en opende hem, maar alvorens te lezen, wierp hij den soldaat, die onbewegelijk en koen voor hem stond, een argwanenden blik toe, dien deze echter met onverstoorbare stoutheid doorstond.Deze man scheen op zijn hoogst dertig jaar oud, hij was lang van gestalte en welgemaakt, en de militaire kleeding die hij aanhad stond hem bijzonder goed; zijne vrij regelmatige gelaatstrekken teekenden zekere geslepenheid en list, die nog sterker uitkwam door zijne zwarte steeds beweeglijke oogen, die zich nu en dan met blijkbare aarzeling op den kapitein vestigden.Over het geheel geleek deze man naar alle andere Mexicaansche soldaten en had hij niets dat geschikt was om bijzonder de aandacht gaande te maken of vermoedens te wekken.Het was intusschen niet dan met veel tegenzin dat de kapitein[211]zich gedwongen zag om met hem in aanraking te komen; om welke reden, had hij moeijelijk, zoo niet onmogelijk kunnen zeggen; maar er zijn in de natuur zekere wetten wier kracht men niet betwijfelen kan, en die dus voor sommige personen op het eerste gezigt en zelfs voordat men met hen gesproken heeft een bepaalden voor- of tegenzin inboezemen, zoodat men zich onwillekeurig tot hen getrokken of van hen afkeerig gevoelt. Waar deze geheimzinnige voor- of tegeningenomenheid, die zich maar zelden bedriegt, eigenlijk doorontstaat, willen of kunnen wij hier moeijelijk onderzoeken en nog veel minder verklaren, maar bepalen ons eenvoudig bij de verzekering dat dit gevoel werkelijk bestaat, en dat wij gedurende ons afwisselend leven er vaak den invloed van ondervonden en de kracht van erkend hebben.Wat den kapitein betreft, moeten wij zeggen, dat hij zich door den bovengenoemden persoon geenszins aangetrokken gevoelde, maar integendeel geneigd was hem voor het minst niet te vertrouwen.„Op welk punt hebt gij den generaal verlaten?” vroeg hij, terwijl hij den opengevouwen brief werktuigelijk tusschen zijne vingers liet spelen, zonder dat hij er tot nog toe een oog ingeslagen had.„Te Pazo-Redondo, een weinig aan gene zijde der Noria de Guadalupe, kapitein.”„Zoo; wie zijt gij? hoe is uw naam?”„Ik ben de adjudant van zijne Excellentie den generaal, en mijn naam is Gregorio Lopez.”„Zijt gij bekend met den inhoud van deze dépêche?”„Neen; ik wist alleen dat zij zeer gewigtig is.”De soldaat had op de vragen van den kapitein volkomen ongedwongen en met eene vrijmoedigheid van het beste allooi geantwoord. Het was blijkbaar dat hij niet loog.Na een laatste aarzeling besloot don Juan den brief te lezen; maar spoedig trok hij de wenkbraauwen zamen, en kwam er eene uitdrukking van bepaalde ontevredenheid op zijn gelaat.Het stuk was van den volgenden inhoud:„Pazo-Redondo, den.… 18 …”„De Generaal don José Maria Rubio, militaire opperkommandant van den staat Texas, heeft de eer den kapitein don Juan Melendez[212]de Gongora te berigten, dat er in den staat nieuwe onlusten zijn uitgebroken; dat verscheidene benden roovers en grensloopers, onder aanvoering van verschillende opperhoofden, het land hebben bezet, overal de haciendas plunderende en verbrandende, de konvooijen opligtende en het openbare verkeer belemmerende. Ten aanzien van deze ernstige feiten, die het algemeene welzijn en de veiligheid der inwoners bedreigen, heeft de regering, gelijk haar pligt dit gebiedend vordert, in het belang van allen, buitengewone maatregelen moeten nemen, ten einde deze wanordelijkheden te keer te gaan eer zij zich op eene grootere schaal uitbreiden. Dien ten gevolge is de staat Texas in staat van beleg verklaard, enz. (hier volgden de verschillende maatregelen door den generaal genomen om den opstand te dempen; verder luidde de dépêche als volgt:) De Generaal don José Maria Rubio, door vertrouwde spionnen onderrigt zijnde dat een der voornaamste hoofden der opstandelingen, die door zijne medegenooten de Jaguar wordt genoemd, voornemens is om de conducta de plata, onder het eskorte van kapitein don Juan Melendez de Gongora, op te ligten en zich ten dien einde aan de Rio-Seco in hinderlaag zal stellen, een punt dat voor eene overrompeling bijzonder geschikt is, zoo beveelt de generaal Rubio den kapitein Melendez om zich te laten geleiden door den brenger der tegenwoordige dépêche, een loijaal en vertrouwd man, die het konvooi naar de laguna del Venado zal brengen, waar gezegde conducta zich zal vereenigen met een detachement kavallerie door den generaal ten dien einde afgezonden en welks getalsterkte voldoende is om het konvooi verder tegen iederen aanval te beveiligen. De kapitein Melendez zal het kommando over deze troepen op zich nemen en zich zoo spoedig doenlijk bij den generaal in zijn hoofdkwartier vervoegen.„Dios y libertad.”„De generaal militaire opperkommandant van den staat Texas,”„DON JOSÉ-MARIA RUBIO.”Na deze marschorder met de meeste oplettendheid gelezen te hebben, hief de kapitein het hoofd op en beschouwde den ordonnans een oogenblik met de grootste aandacht.Deze stond met de hand op zijn degen geleund en speelde achteloos met den aker van zijn dragon, zonder zich naar het scheen te bemoeijen met hetgeen er rondom hem voorviel.[213]„De order is stellig,” mompelde de kapitein bij herhaling in zich zelven, „ik moet mij er naar gedragen; intusschen zegt alles mij dat deze man een verrader is.”Toen vervolgde hij hardop:„Zijt gij wel goed met deze landstreek bekend?”„Son hijo del pays(ik ben een kind van het land) kapitein,” antwoordde de dragonder, „er is geen pad zoo onbeduidend of ik ben er als kind honderde malen geweest.”„Gij weet immers dat gij mij als gids moet dienen?”„Zijne Excellentie de generaal deed mij de eer mij hiervan te informeren, kapitein.”„En houdt gij voor zeker, dat gij in staat zijt om ons veilig naar de plaats te brengen die ons wacht?”„Ik zal ten minste alles doen wat daartoe noodig is.”„Goed, zijt gij niet vermoeid?”„Mijn paard meer dan ik. Als gij mij een ander liet geven zou ikonmiddellijktot uwe orders zijn, want ik zie dat gij haast hebt om te vertrekken.”„Inderdaad heb ik dat. Kies zelf maar een paard voor u.”De soldaat liet zich dit verlof geen tweemaal geven. Er waren verscheidene remonte paarden bij het eskorte, hij nam er een van, waar hij zijn eigen zadeltuig op over bragt. Na eenige minuten was hij hiermede klaar en zat de ruiter in den zadel.„Ik ben tot uwe geëerde orders, kapitein,” zeide hij.„Vertrekken wij,” antwoordde de kapitein terwijl hij er in stilte bijvoegde: „Ik zal dien kerel op den marsch niet uit het oog verliezen.”

Kapitein Melendez had spoed gemaakt om de bergengte door te komen, bij welke hij zijn konvooi had laten kamperen; hij wist hoe groot de verantwoordelijkheid was die op hem rustte door het kommando over de conducte op zich te nemen, en zoo haar eenig ongeluk overkwam, zou hij voor niets ter wereld willen dat men hem van zorgeloosheid of nalatigheid konde beschuldigen.

De geldsom daar de muilezels mede bevracht waren, was aanzienlijk; de regering van Mexico, steeds op middelen bedacht om zich geld te verschaffen, wachtte haar met ongeduld; de kapitein ontveinsde zich dus geenszins dat men hem iederen aanval ten zwaarste zou toerekenen en dat hij er al de gevolgen van zou moeten verantwoorden, hoedanig ook de uitkomst zijner ontmoeting met de grensloopers wezen mogt.

Daarbij namen zijne angst en bezorgdheid met ieder oogenblik toe; het blijkbaar schelmstuk van den monnik Antonio maakte hem nog angstvalliger en omzigtiger, en deed hem van meer dan eene zijde verraad vreezen. Zonder bij mogelijkheid te kunnen gissen van welken kant het gevaar komen zou, gevoelde hij het, om zoo te zeggen, stap voor stap naderen, hem van alle zijden omsingelen en verwachtte hij ieder oogenblik eene vreesselijke uitbarsting.

Deze heimelijke ingeving, het waarschuwend voorgevoel dat hem inwendig toeriep om toch op zijne hoede te zijn, bragt hem in een staat van onbeschrijfelijke opwinding en maakte zijn toestand zoo ondragelijk, dat hij er tot iederen prijs een einde aan wilde zien, en duizend maal liever wenschte het gevaar zelve te ontmoeten en met de wapens in de vuist te bestrijden, dan nog langer als in den blinde te moeten schermen. Hij verdubbelde dus zijne waakzaamheid, ging zelf de omstreken van het kamp onderzoeken, hielp aan het opladen der muilezels, die aan elkander gekoppeld, in geval van onraad, tusschen de getrouwste en meestgeoefende dragonders zouden worden geplaatst.

Reeds lang voor het opgaan der zon, had de kapitein, wiens slaap niets meer dan een vervolg van afgebroken sluimeringen geweest was, zijn harde legerstee van dierenvellen en dekens verlaten, waar hij te vergeefs eenige uren de rust had gezocht die zijn zenuwachtigen toestand geheel onmogelijk maakte. Met korte driftige schreden[208]begon hij de enge ruimte in zijn kamp op en neder te stappen, den zorgeloozen en gerusten slaap benijdende der soldaten, die hier en daar in hunne mantels gewikkeld op den grond lagen uitgestrekt.

Inmiddels begon het allengs dag te worden. De uil, wiens morgengeroep de verschijning der zon aankondigt, had zijne zwaarmoedige toonen reeds laten hooren en de kapitein stiet met den voet den hoofdman der muildrijvers wakker, die digt bij het vuur was ingeslapen.

De eenvoudige boer wreef zich eenige malen de oogen tot de laatste wolken der slaap verdwenen waren en de orde in zijne denkbeelden zich begon te herstellen.

„Carai! kapitein,” riep hij een laatsten geeuw onderdrukkende, „staken u de moskieten dat gij mij zoo vroeg reeds wakker maakt? Zie maar eens, de hemel begint naauwelijks te verbleeken; laat mij nog een uurtje slapen. Ik had daar zulk een aangenamen droom, dien zal ik weder hervatten, er gaat niets boven een lekker slaapje.”

De kapitein kon zich niet weerhouden te glimlagchen over dezen vreemden bluf; maar hij achtte het niet raadzaam om op het verzoek van den arriero te letten, de omstandigheden waren te ernstig om den tijd aan ijdele beloften te verspillen.

„Op, op,Cuerpo de Christo!” riep hij,„bedenk dat wij nog niet aan de Rio-Seco zijn, en dat wij ons zullen moeten haasten als wij die voor zonsondergang door willen komen.”

„Gij hebt gelijk, kapitein,” antwoordde de arriero, die oogenblikkelijk opsprong zoo frisch en gereed als ware hij reeds een uur ontwaakt geweest; „neem mij niet kwalijk! kapitein,vive Dios!ik heb evenveel belang bij het ontwijken eener verkeerde ontmoeting als gij; volgens de wet, is mijn gansche fortuin aansprakelijk voor het rigtige transport, en als er met het konvooi een ongeluk gebeurde zou ik met mijn geheele familie doodarm worden.”

„Dat is waar, ik dacht niet om deze voorwaarde van uw contract.”

„Dat verwondert mij niet, daar het u niet aangaat, maar mij is het geen oogenblik uit de gedachten; ik zweer u, kapitein, nadat ik onze gevaarlijke reis begonnen ben, heeft het mij dikwijls berouwd dat ik deze bezwarende voorwaarde heb aangenomen; het ligt mij zoo bij, dat wij nooit heelhuids aan de andere zijde van die verwenschte bergen komen.”

„Bah! Bah! geen dwaasheden, No Baptista. Gij zijt immers[209]in den best mogelijken staat en goed geëskorteerd; wat hebt gij te vreezen?”

„Niets ik weet het en toch ben ik overtuigd dat ik mij niet bedrieg en dat deze reis niet goed voor mij zal afloopen.”

De kapitein ging onder dezelfde voorgevoelens gebukt; evenwel mogt hij ten aanzien van den arriero niets van zijn inwendige ongerustheid laten blijken, integendeel moest hij hem veeleer een riem onder het hart steken en den moed opwekken, die hem dreigde te ontzinken.

„Gij zijt dwaas, op mijn eer gij zijt dwaas!” riep hij, „loop naar den drommel met zulke muizennesten als gij u in het hoofd haalt.”

De muildrijver schudde ernstig het hoofd.

„Het staat u vrij, don Juan Melendez, om met zulke ideeën te lagchen, gij zijt geleerd, en gelooft dus aan niets. Maar ik, caballero, ik ben maar een arme Indiaan, en ik geloof wat mijne vaderen voor mij geloofd hebben; zie, kapitein, wij Indianen, beschaafd of wild, als wij zijn mogen, wij hebben harde hoofden en uwe nieuwe denkbeelden willen er bij ons maar niet in.”

„Maar kom, leg mij dat eens nader uit,” riep de kapitein, die er een eind aan wilde maken, zonder de vooroordeelen van den muildrijver te zeer te krenken; „zeg mij welke reden gij eigenlijk hebt om aan den goeden afloop van onze reis te twijfelen? Gij schijnt mij toch de man niet om voor uwe schim te vreezen: ik ken u sinds jaren en ik weet dat gij ontegenzeggelijk dapper zijt.”

„Ik zeg u dank, kapitein, voor den goeden dunk dien gij van mij gelieft te koesteren; ja, ik ben moedig, en ik geloof dat ik dit meermalen bewezen heb, maar dat was steeds tegenover gevaren die ik om zoo te zeggen met mijne hand en mijn verstand vatten kon en niet tegenover donkere vermoedens, die de onbegrijpelijke natuurwet in ons doet oprijzen.”

De kapitein kaauwde zijne knevels van ongeduld bij de lastige langwijligheid van den arriero, maar zooals hij zelf reeds gezegd had, kende hij den eenvoudigen man sinds lang en wist hij bij ondervinding dat het verloren moeite zou zijn om hem zijn verhaal te doen bekorten; hij moest hem dus ongestoord zijn gang laten gaan.

Er zijn zulke stugge gemoederen die even als stijfkoppige paarden; als men de sporen gebruikt om hen voort te drijven, integendeel terugslaan of achterwaarts keeren.

De jongman bedwong dus zijn ongeduld en antwoordde bedaard:[204a]

„Gij hebt zeker een kwaad voorteeken gezien, toen gij vertrokken zijt.”

„Dat heb ik ook, kapitein, en waarlijk, bij hetgeen ik toen gezien heb, zou ik zeker geweigerd hebben te vertrekken als ik iemand was, die zich gemakkelijk laat afschrikken.”

„Welk voorteeken hebt gij gezien?”

„Lach er niet om, kapitein: de schrift zelf zegt, op onderscheidene plaatsen, dat het God somtijds behaagt om den menschen een heilzame waarschuwing te geven, waarnaar zij[205a]ongelukkig genoeg niet altijd luisteren,” vervolgde hij met een zucht.

„Dat is wel waar!” mompelde de kapitein.

„Daarom,” zoo vervolgde de arriero, gevleid door dit kleine bewijs van toestemming, van zoo iemand als den kapitein, „mijne muilezels waren gezadeld, de stoet stond in de corral op mij te wachten onder toezicht der peons, en ik zou vertrekken. Evenwel daar ik van mijne vrouw, wie weet voor hoelang misschien, niet wilde scheiden zonder afscheid van haar te nemen, trad ik in huis om haar nog eens te omhelzen, toen ik voor de deur toevallig de oogen opsloeg en op deazoteo(plat dak) een paar uilen zag zitten, die mij met sombere blikken strak aankeken. Bij deze onverwachte vertooning huiverde ik tegen wil en dank en wendde het hoofd af. Op hetzelfde oogenblik werd er een stervend mensch op een baar door twee soldaten voorbij gedragen, begeleid door een monnik, die hem de boetpsalmen liet opzeggen en hem zachtzinnig zocht voor te bereiden, om als eenopregtChristen te sterven; maar de gewonde antwoordde niet en lachte de monnik op een schampere wijs uit: eensklaps echterrigttehij zich op de baar overeind, zijne oogen fonkelden, hij keerde zich om, wierp mij een spotachtigen blik toe en viel toenmagteloosop de baar terug, binnensmonds mompelend, zeker tegen mij, deze twee woorden:

„Hasta lucro!” (tot straks).

„Hum!” riep de kapitein.

„Dit korte bescheid van iemand in dien toestand, was alles behalve prettig voor mij, wat dunkt u?” vervolgde de muildrijver. „Ik was er zoo door getroffen, dat ik ijlings naar hem toeliep om er hem naar ik meende metregtvoor te bestraffen; maar toen ik bij hem kwam, was hij dood.”

„En wie was die man? hebt gij dat ook gehoord?”

„Ja, het was een Selteador (straatroover) die in een ontmoeting met deciricos(stadswacht) doodelijk gewond geraakte en naar de trappen der hoofdkerk werd gedragen, om daar te sterven.”

„Is dat alles?” vroeg de kapitein.

„Ja.”

„Nu, vriend, dan heb ik wijs gedaan dat ik de reden van uwe ongerustheid met zooveel aandrang heb willen hooren.”

„Zoo!”

„Ja, want gij hebt het voorteeken waar gij mede begunstigd werdt, juist verkeerd uitgelegd.”

„Hoe dat?”[206a]

„Ik zal u zeggen wat ik bedoel. Dat voorteeken beduidt veeleer, dat gij met wijsheid en onvermoeide waakzaamheid het gevaar en verraad moet verijdelen en dat gij de bandieten zult neerslaan die u durven aanvallen.”

„O!” riep de muildrijver verheugd, „is het inderdaad waar wat gij mij daar zegt?”

„Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,” antwoordde de kapitein eerbiedig een kruis slaande.

De arriero stelde volkomen vertrouwen in de woorden van den kapitein, dien hij, wegens zijne erkende meerderheid eene onbepaalde achting toedroeg; hij twijfelde dus geen oogenblik aan de verzekering, die deze hem gaf, dat hij de verontrustende voorteekenen verkeerd had uitgelegd; hij antwoordde in de beste luim, terwijl hij luchthartig met de vingers klapte.

„Carai! als het er zoo mede gelegen is, loop ik geen gevaar. Zou het dan ook wel noodig zijn dat ik aanNuestraSeñorade la Soledadde waskaars geef, die ik haar beloofd had?”

„Volstrekt onnoodig,” verzekerde de kapitein.

Hierdoor geheel gerust gesteld, ging de muildrijver met allen spoed aan zijne gewone bezigheden.

Zoo had de kapitein, door den dommen Indiaan in zijne onnoozele denkbeelden te sterken, er hem ongemerkt van af weten te brengen.

Intusschen was in het kamp alles in beweging gekomen, de arrieros haastten zich met het voederen en opladen der muilezels, terwijl de dragonders druk bezig waren hunne paarden te zadelen en alles voor denaftogtgereed te maken.

De kapitein overzag en bestuurde al deze bewegingen met koortsachtig ongeduld, den een berispende, den anderteregtwijzende, allen tot spoed aanzettende en wel toeziende dat zijne bevelen stipt werden uitgevoerd.[210]

Toen al de aanstalten gereed waren, gaf de jonge officier order om den ochtendmaaltijd staande en met den teugel over den arm te houden, ten einde zoo min mogelijk tijd te verliezen, daarop gaf hij het sein om te vertrekken.

De dragonders stegen in den zadel, maar juist op het oogenblik toen de kolonne zich in beweging stelde om het kamp te verlaten, ontstond er een levendig gedruisch in de struiken; de takken werden krakend uit een gerukt, en op eens verscheen er een ruiter, in dragonders uniform en reed in vollen galop op den troep af.

Toen hij den kapitein bereikt had, bleef hij als een meester in de rijkunst plotseling staan, groette eerbiedig, en met de hand aan zijn gegalonneerden hoed zeide hij:

„Dios guardi a usted.Heb ik de eer kapitein don Juan Melendez te spreken?”

„Hem zelf,” antwoordde de kapitein verwonderd; „wat hebt gij te zeggen?”

„Voor mij zelven niets,” hernam de soldaat, „maar ik heb uwe geëerde eene schriftelijke order te overhandigen.”

„Een schriftelijke order, en van wie komt die?”

„Van zijne Excellentie den generaal don José Maria Rubio, en wat deze brief behelst moet wel zeer gewigtig zijn, daar de generaal mij gelast heeft den meesten spoed te maken, zoo dat ik vier en veertig mijlen in negentien uren heb afgelegd om hier te komen.”

„Goed,” antwoordde de kapitein, „geef over.”

De dragonder haalde een grooten brief met rood zegel uit zijne borst en stelde hem den kapitein eerbiedig ter hand.

Deze nam hem en opende hem, maar alvorens te lezen, wierp hij den soldaat, die onbewegelijk en koen voor hem stond, een argwanenden blik toe, dien deze echter met onverstoorbare stoutheid doorstond.

Deze man scheen op zijn hoogst dertig jaar oud, hij was lang van gestalte en welgemaakt, en de militaire kleeding die hij aanhad stond hem bijzonder goed; zijne vrij regelmatige gelaatstrekken teekenden zekere geslepenheid en list, die nog sterker uitkwam door zijne zwarte steeds beweeglijke oogen, die zich nu en dan met blijkbare aarzeling op den kapitein vestigden.

Over het geheel geleek deze man naar alle andere Mexicaansche soldaten en had hij niets dat geschikt was om bijzonder de aandacht gaande te maken of vermoedens te wekken.

Het was intusschen niet dan met veel tegenzin dat de kapitein[211]zich gedwongen zag om met hem in aanraking te komen; om welke reden, had hij moeijelijk, zoo niet onmogelijk kunnen zeggen; maar er zijn in de natuur zekere wetten wier kracht men niet betwijfelen kan, en die dus voor sommige personen op het eerste gezigt en zelfs voordat men met hen gesproken heeft een bepaalden voor- of tegenzin inboezemen, zoodat men zich onwillekeurig tot hen getrokken of van hen afkeerig gevoelt. Waar deze geheimzinnige voor- of tegeningenomenheid, die zich maar zelden bedriegt, eigenlijk doorontstaat, willen of kunnen wij hier moeijelijk onderzoeken en nog veel minder verklaren, maar bepalen ons eenvoudig bij de verzekering dat dit gevoel werkelijk bestaat, en dat wij gedurende ons afwisselend leven er vaak den invloed van ondervonden en de kracht van erkend hebben.

Wat den kapitein betreft, moeten wij zeggen, dat hij zich door den bovengenoemden persoon geenszins aangetrokken gevoelde, maar integendeel geneigd was hem voor het minst niet te vertrouwen.

„Op welk punt hebt gij den generaal verlaten?” vroeg hij, terwijl hij den opengevouwen brief werktuigelijk tusschen zijne vingers liet spelen, zonder dat hij er tot nog toe een oog ingeslagen had.

„Te Pazo-Redondo, een weinig aan gene zijde der Noria de Guadalupe, kapitein.”

„Zoo; wie zijt gij? hoe is uw naam?”

„Ik ben de adjudant van zijne Excellentie den generaal, en mijn naam is Gregorio Lopez.”

„Zijt gij bekend met den inhoud van deze dépêche?”

„Neen; ik wist alleen dat zij zeer gewigtig is.”

De soldaat had op de vragen van den kapitein volkomen ongedwongen en met eene vrijmoedigheid van het beste allooi geantwoord. Het was blijkbaar dat hij niet loog.

Na een laatste aarzeling besloot don Juan den brief te lezen; maar spoedig trok hij de wenkbraauwen zamen, en kwam er eene uitdrukking van bepaalde ontevredenheid op zijn gelaat.

Het stuk was van den volgenden inhoud:

„Pazo-Redondo, den.… 18 …”„De Generaal don José Maria Rubio, militaire opperkommandant van den staat Texas, heeft de eer den kapitein don Juan Melendez[212]de Gongora te berigten, dat er in den staat nieuwe onlusten zijn uitgebroken; dat verscheidene benden roovers en grensloopers, onder aanvoering van verschillende opperhoofden, het land hebben bezet, overal de haciendas plunderende en verbrandende, de konvooijen opligtende en het openbare verkeer belemmerende. Ten aanzien van deze ernstige feiten, die het algemeene welzijn en de veiligheid der inwoners bedreigen, heeft de regering, gelijk haar pligt dit gebiedend vordert, in het belang van allen, buitengewone maatregelen moeten nemen, ten einde deze wanordelijkheden te keer te gaan eer zij zich op eene grootere schaal uitbreiden. Dien ten gevolge is de staat Texas in staat van beleg verklaard, enz. (hier volgden de verschillende maatregelen door den generaal genomen om den opstand te dempen; verder luidde de dépêche als volgt:) De Generaal don José Maria Rubio, door vertrouwde spionnen onderrigt zijnde dat een der voornaamste hoofden der opstandelingen, die door zijne medegenooten de Jaguar wordt genoemd, voornemens is om de conducta de plata, onder het eskorte van kapitein don Juan Melendez de Gongora, op te ligten en zich ten dien einde aan de Rio-Seco in hinderlaag zal stellen, een punt dat voor eene overrompeling bijzonder geschikt is, zoo beveelt de generaal Rubio den kapitein Melendez om zich te laten geleiden door den brenger der tegenwoordige dépêche, een loijaal en vertrouwd man, die het konvooi naar de laguna del Venado zal brengen, waar gezegde conducta zich zal vereenigen met een detachement kavallerie door den generaal ten dien einde afgezonden en welks getalsterkte voldoende is om het konvooi verder tegen iederen aanval te beveiligen. De kapitein Melendez zal het kommando over deze troepen op zich nemen en zich zoo spoedig doenlijk bij den generaal in zijn hoofdkwartier vervoegen.„Dios y libertad.”„De generaal militaire opperkommandant van den staat Texas,”„DON JOSÉ-MARIA RUBIO.”

„Pazo-Redondo, den.… 18 …”

„De Generaal don José Maria Rubio, militaire opperkommandant van den staat Texas, heeft de eer den kapitein don Juan Melendez[212]de Gongora te berigten, dat er in den staat nieuwe onlusten zijn uitgebroken; dat verscheidene benden roovers en grensloopers, onder aanvoering van verschillende opperhoofden, het land hebben bezet, overal de haciendas plunderende en verbrandende, de konvooijen opligtende en het openbare verkeer belemmerende. Ten aanzien van deze ernstige feiten, die het algemeene welzijn en de veiligheid der inwoners bedreigen, heeft de regering, gelijk haar pligt dit gebiedend vordert, in het belang van allen, buitengewone maatregelen moeten nemen, ten einde deze wanordelijkheden te keer te gaan eer zij zich op eene grootere schaal uitbreiden. Dien ten gevolge is de staat Texas in staat van beleg verklaard, enz. (hier volgden de verschillende maatregelen door den generaal genomen om den opstand te dempen; verder luidde de dépêche als volgt:) De Generaal don José Maria Rubio, door vertrouwde spionnen onderrigt zijnde dat een der voornaamste hoofden der opstandelingen, die door zijne medegenooten de Jaguar wordt genoemd, voornemens is om de conducta de plata, onder het eskorte van kapitein don Juan Melendez de Gongora, op te ligten en zich ten dien einde aan de Rio-Seco in hinderlaag zal stellen, een punt dat voor eene overrompeling bijzonder geschikt is, zoo beveelt de generaal Rubio den kapitein Melendez om zich te laten geleiden door den brenger der tegenwoordige dépêche, een loijaal en vertrouwd man, die het konvooi naar de laguna del Venado zal brengen, waar gezegde conducta zich zal vereenigen met een detachement kavallerie door den generaal ten dien einde afgezonden en welks getalsterkte voldoende is om het konvooi verder tegen iederen aanval te beveiligen. De kapitein Melendez zal het kommando over deze troepen op zich nemen en zich zoo spoedig doenlijk bij den generaal in zijn hoofdkwartier vervoegen.

„Dios y libertad.”

„De generaal militaire opperkommandant van den staat Texas,”

„DON JOSÉ-MARIA RUBIO.”

Na deze marschorder met de meeste oplettendheid gelezen te hebben, hief de kapitein het hoofd op en beschouwde den ordonnans een oogenblik met de grootste aandacht.

Deze stond met de hand op zijn degen geleund en speelde achteloos met den aker van zijn dragon, zonder zich naar het scheen te bemoeijen met hetgeen er rondom hem voorviel.[213]

„De order is stellig,” mompelde de kapitein bij herhaling in zich zelven, „ik moet mij er naar gedragen; intusschen zegt alles mij dat deze man een verrader is.”

Toen vervolgde hij hardop:

„Zijt gij wel goed met deze landstreek bekend?”

„Son hijo del pays(ik ben een kind van het land) kapitein,” antwoordde de dragonder, „er is geen pad zoo onbeduidend of ik ben er als kind honderde malen geweest.”

„Gij weet immers dat gij mij als gids moet dienen?”

„Zijne Excellentie de generaal deed mij de eer mij hiervan te informeren, kapitein.”

„En houdt gij voor zeker, dat gij in staat zijt om ons veilig naar de plaats te brengen die ons wacht?”

„Ik zal ten minste alles doen wat daartoe noodig is.”

„Goed, zijt gij niet vermoeid?”

„Mijn paard meer dan ik. Als gij mij een ander liet geven zou ikonmiddellijktot uwe orders zijn, want ik zie dat gij haast hebt om te vertrekken.”

„Inderdaad heb ik dat. Kies zelf maar een paard voor u.”

De soldaat liet zich dit verlof geen tweemaal geven. Er waren verscheidene remonte paarden bij het eskorte, hij nam er een van, waar hij zijn eigen zadeltuig op over bragt. Na eenige minuten was hij hiermede klaar en zat de ruiter in den zadel.

„Ik ben tot uwe geëerde orders, kapitein,” zeide hij.

„Vertrekken wij,” antwoordde de kapitein terwijl hij er in stilte bijvoegde: „Ik zal dien kerel op den marsch niet uit het oog verliezen.”


Back to IndexNext