[Inhoud]XXVII.DE GIDS.De militaire wet isonverbiddelijk, zij heeft regels daar zij niet van afwijkt, de krijgstucht duldt geen aarzeling noch bedenking; de despotieke grondregel aan de Oostersche hoven in gebruik: „hooren is gehoorzamen” wordt in militaire zaken ten volle bewaarheid. Overigens, hoe hard dit ook bij den eersten oogopslag schijnen mag, moet het toch niet anders zijn; want als men het regt van beoordeeling den ondergeschikten ten aanzien der bevelen door[214]hoogeren gegeven wilde toelaten, dan ware alle krijgstucht den bodem ingeslagen; wanneer de soldaten hunne eigen denkbeelden of grillen mogten volgen, zouden zij niet langer te regeren zijn en het leger, in plaats van de diensten te bewijzen die het land er met reden van verwacht, voor hetzelve een ware plaag worden.Deze en meer dergelijke beschouwingen liepen den jongen kapitein door het hoofd, terwijl hij vol gedachten den gids volgde dien de order van zijn generaal hem zoo onverwacht had toegevoegd; maar de order was duidelijk en bepaald, hij was gedwongen te gehoorzamen en hij gehoorzaamde, al was hij uitwendig overtuigd dat de man op wien men hem dwong zich te verlaten, zoo al geen volslagen schurk, dan toch het in hem gestelde vertrouwen onwaardig was.Wat den gids betreft, deze galoppeerde onbezorgd aan het hoofd der karavaan, hij rookte, lachte en zong zonder zich in ’t minst te bekommeren over de vermoedens die men te zijnen aanzien koesterde.’t Is waar, de kapitein had den kwaden dunk dien hij van zijn gids koesterde zorgvuldig weten te verbergen en scheen voor het oog in hem een onbepaald vertrouwen te stellen; bij den gevaarlijken marsch dien de conducta te volbrengen had, vorderde de voorzigtigheid gebiedend, dat zij die er deel van uitmaakten, onbekend bleven met de ongerustheid van hun chef, ten einde niet gedemoraliseerd te worden door de vrees voor ophanden verraad.Voor den afmarsch had de kapitein met zekeren ophef de meest gestrenge orders gegeven om de wapens in goeden staat en dadelijk gereed te houden; hij had op de beide flanken van den troep tirailleurs vooruitgezonden, om de omstreken te doorzoeken en den doortogt vrij te houden en tegen overrompeling te waken; kortom, de noodige voorzigtigheidsmaatregelen waren met de meeste zorg genomen om den goeden afloop der reis te verzekeren.De gids, ten wiens gevalle deze voorzorgen opzettelijk zoo ruim en breed waren aangelegd, had ze met de grootste bedaardheid aangezien en scheen ze zeer gepast te keuren: hij had er zelfs het zijne aan toegevoegd door aan te merken dat de landloopers aan de grenzen zoo bekwaam waren om door de struiken en het gras te sluipen zonder een spoor na te laten, en dus de veldontdekkers wel scherp moesten toezien om de hun toevertrouwde taak goed uit te voeren.Naarmate de conducta meer de bergen naderde, werd de marsch moeijelijker en gevaarlijker; de boomen, die in ’t eerst ver van[215]elkander verwijderd stonden, begonnen zich allengs meer aan een te sluiten; weldra vormden zij een digt bosch, in hetwelk men zich op sommige plaatsen met de bijl een pad moest banen door de lianenranken, die zich van stam tot stam slingerden en soms een ondoordringbaar bosch vormden; op andere punten kwam men aan een kleine rivier of beek, wier oevers moeijelijk te bereiken waren, die de paarden en muildieren moesten doorwaden, niet zonder gevaar van alligators en andere watergedrochten, terwijl het water hen dikwijls tot aan den buik stond.Het digte bladgewelf onder hetwelk de karavaan langzaam voorttrok, sloot den hemel geheel af; slechts hier en daar drong een verdwaalde zonnestraal door de zaamgevlochten takken, naauwelijks voldoende om de duisternis te verdrijven, die in het digtste bosch doorgaans blijft heerschen zelfs op den vollen middag. De Europeaan, die geen andere bosschen kent dan die der oude wereld, kan zich in de verte geen denkbeeld maken van de onmetelijke „plantenoceanen” die men in Amerika onder den naam van ongerepte wouden begrijpt.In die ongebaande wildernissen schijnen de boomen elkander vast te houden, zoo digt zijn allen aan elkander gegroeid en onderling zaam verbonden, door netwerken van lianen en andere slingerplanten, die de stammen aaneenstrengelen, zich om de takken kronkelen, tot op den grond afdalen en wortel vatten, om vandaar weder op te schieten, nu eens als de pijpen van een reuzenorgel, dan onder allerlei fantastische vormen, figuren en guirlandes, opwaarts en nederwaarts slingeren, soms tusschen vervaarlijke massaas van zekere woekerplant, Spaansche Baard genaamd, die in groote trossen aan het uiteinde van al de takken hangt; terwijl de bodem, bedekt met het vergane blad van duizend winters, zich verschuilt onder een tapijt van ondoordringbare struiken en gras van eenige ellen hoogte. De boomen, meest allen van dezelfde soort, bieden zoo weinig verscheidenheid van vorm, dat de een slechts de getrouwe afdruk van al de overigen schijnt te zijn.In deze wouden vindt men in alle rigtingen smalle voetsporen, sedert vele eeuwen door de wilde dieren gebaand om naar hunne geheime drinkplaatsen te komen. Hier en daar onder het afgevallen blad verschuilen zich stinkende moerassen, boven welke zwermen moskieten gonzen en dikke nevelwalmen opstijgen, die het bosch verduisteren; kruipdieren, slangen, hagedissen en insecten van allerlei soort wriemelen over den grond, zacht schuifelend[216]of in verraderlijke stilte; terwijl het geschreeuw der vogels en het heesch gebrul der wilde beesten soms een schrikbarend concert maakt, dat de echoos der meeren en poelen doet weergalmen.De meest geoefende woudlooper zelfs waagt zich niet zonder beven in zulk een ongerepte wildernis, want het is schier onmogelijk om er zonder kompas den weg te vinden, en op de bedriegelijke doolpaden die er zich in alle rigtingen kruisen kan men niet vertrouwen; de jagers weten bij ondervinding dat men in zulk een bosch eenmaal verdwaald geraakt en aan alle zijden door muren van hoogstaand gras of ondoordringbare lianengordijnen ingesloten, slechts door een wonder zou kunnen worden gered, en er geene hulp van menschen, hetzij vriend of vijand te hopen is.Te midden van zulk een bosch verdiepte zich op dit oogenblik de karavaan.De Gids reed altijd even onbezorgd vooruit, zonder de minste aarzeling, en scheen volkomen zeker van den weg dien hij kiezen moest; slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, wierp hij een verstrooiden blik links of regts om zich heen, zonder daarom een oogenblik den stap van zijn paard te vertragen.Intusschen was het bijna middag, de hitte begon ondragelijk te worden, de paarden en menschen, sedert vijf uren des morgens langs uiterst moeijelijke wegen op marsch, waren overstelpt van vermoeijenis en vereischten gebiedend eenige uren rust om den togt verder te vervolgen.De kapitein besloot om den troep te laten kamperen in een dier ruime open vakken, die men van afstand tot afstand ontmoet, en die gevormd schijnen door omgeworpen geboomte, ten gevolge van hevige orkanen of door ouderdom geveld.Het signaal om halt te maken werd gehoord. De soldaten en arrieros slaakten een dankbaren zucht en hielden oogenblikkelijk stil.De kapitein toevallig zijn blik op den gids vestigende, zag dat dit oponthoud hem weinig beviel, er lag een wolk van ontevredenheid op zijn gelaat; zoodra hij echter bemerkte dat men hem in ’t oog hield herstelde hij zich, veinsde in de algemeene vreugde te deelen, en steeg mede af.De paarden en muilezels werden ontzadeld om zich in vrijheid te kunnen versnaperen aan het jonge boomloof en het gras dat hier in overvloed voorhanden was.De soldaten deden hun soberen maaltijd en vlijden zich neer op hunne mantels om te rusten.[217]Weldra lagen al de leden der karavaan in een diepen slaap gedompeld; slechts twee mannen bleven waken. Deze twee mannen waren de kapitein en de gids.Waarschijnlijk werden beiden te veel door ernstige gedachten bezig gehouden, om zich aan de anders zoo welkome rust over te geven.Op weinige passen van het kamp lagen eenige monsterachtige krokodillen in de heete zon te bakeren op het graauwe slijk van een kleinen stroom, die zacht murmelend voortkronkelde tusschen de rotsklompen en rietplaten die zijn loop belemmerden. Myriaden insecten vervulden de lucht met hun eentoonig gehommel; de eekhoorns huppelden vrolijk van tak tot tak; de vogels onder het loof verscholen zongen met vollen gorgel, en nu en dan zag men boven het lange gras een damhert of ashata met schuwen blik den fijnen kop opsteken, om het volgend oogenblik verschrikt weg te springen en zich in het kreupelbosch te verbergen.Maar de twee wakende mannen hadden het te druk met hunne eigene gedachten om te letten op hetgeen er rondom hen gebeurde.De kapitein hief het hoofd op; op dit oogenblik had de gids juist met zonderlinge vastheid den blik op hem gerigt; verlegen dat hij zich zoo onverhoeds zag overrompelen, zocht hij den kapitein terstond af te leiden door het woord tot hem te rigten, een taktiek die dezen niet ontging en hem dus geenszins van het spoor bragt.„Wij hebben een heeten dag, kapitein,” zei de gids met een onverschilligen blik.„Ja,” antwoordde de officier lakoniek.„Zoudt gij ook geen trek hebben om eenige rust te nemen?”„Neen.”„Wat mij betreft, mijne oogen zijn zoo bezwaard dat ze tegen wil en dank bijna toevallen, als gij het mij vergunt zal ik doen als de anderen en eenige oogenblikken rust nemen, die zij zoo onbezorgd schijnen te genieten.”„Wacht nog even, ik heb u eenige woorden te zeggen.”„Mij?”„Ja.”„Goed,” hernam hij op een toon van volkomen onverschilligheid.Hij stond op, smoorde een zucht van spijt en kwam bij den kapitein zitten, die een weinig opschoof om plaats voor hem te maken onder delommerrijkeschaduw van een dikken boom, die zijne reuzenarmen, beladen met digte ranken Spaansch mos, ver over hen uitbreidde.[218]„Wij hebben ernstige zaken te bespreken,” hervatte de kapitein.„Zoo als u behaagt.”„Kunt gij opregt zijn?”„Hoe zoo!” riep de soldaat min of meer van zijn stuk gebragt door deze onbewimpelde vraag.„Of, als gij dat liever wilt, kunt gij trouw en verknocht zijn?”„Dat kan er naar wezen.”De kapitein keek hem aan.„Zult gij op mijne vragen antwoorden?” vroeg hij.„Dat weet ik niet.”„Hoe dat, weet gij dat niet?”„Hoor eens, kapitein!” riep de gids als om er een grap van te maken, „mijne moeder was eene zeer verstandige vrouw, zij heeft mij altijd geleerd twee soorten van lieden te mistrouwen, namelijk de leeners en de vragers, „want zeide zij,” en niet zonder reden, „de eene komt om uw beurs en de andere om uwe geheimen.”„Gij hebt dus geheimen?”„Ik? volstrekt niet.”„Wat vreest gij dan?”„Niet veel, dat beken ik. Welnu! vraag maar, kapitein, ik zal zien dat ik u beantwoord.”De Mexicaansche boer, Indiaan, of kreool, heeft veel van den Normandischen boer, namelijk dat hij bijna nooit eenig bepaald antwoord zal geven op de vraag die men hem doet. De kapitein was dus genoodzaakt zich met de geveinsde belofte van den gids te vergenoegen; hij hervatte:„Wie zijt gij?”„Ik?”„Ja!”De gids begon te lagchen.„Dat ziet gij wel.”De kapitein schudde het hoofd.„Ik vraag u niet wat gij schijnt te zijn, maar wat gij werkelijk zijt.”„Wel! mijnheer, welk mensch is in staat om bepaald van zich zelven te zeggen wat hij werkelijk is?”„Hoor eens, kerel,” hervatte de kapitein op bedreigenden toon, „ik wil mijn tijd niet verbeuzelen met de uitwijkende praatjes te volgen die gij gelieft te maken. Antwoord mij stellig en ordelijk op hetgeen ik u vraag, of anders.…”„Anders?.…” viel de gids hem op schertsenden toon in de rede.„Schiet ik u voor den kop als een hond!” antwoordde hij,[219]terwijl hij een pistool uit zijn gordel nam en den haan overhaalde.Het oog van den soldaat fonkelde, maar zijne trekken bleven onverschillig en geen spier op zijn gelaat vertrok.„O, ho! heer kapitein,” riep hij met eene sombere stem; „gij hebt eene wonderlijke manier om uwe vrienden te ondervragen.”„Wie verzekert mij dat gij een vriend zijt?… Ik ken u niet.”„Dat is waar, maar gij kent den persoon die mij tot u zond, die persoon is uw chef, zoowel als de mijne; ik heb hem gehoorzaamd met tot u te komen, en gij moet hem gehoorzamen door de orders op te volgen die hij u gegeven heeft.”„Ja, maar die orders zijn mij door u overgebragt.”„Wat doet er dat toe?”„Wie verzekert mij dat die dépêche die gij mij gebragt hebt u werkelijk door hem gegeven werd?”„Caramba! kapitein, wat gij mij daar zegt is alles behalve vleijend voor mij,” antwoordde de gids op een toon van gevoeligheid.„Dat weet ik; maar ongelukkig leven wij in een tijd dat het zeer moeijelijk is om zijne vrienden van zijne vijanden te onderkennen; men kan niet genoeg op zijne hoede zijn om niet in den strik te vallen; ik ben door het gouvernement met eene bijzonder teedere zending belast en moet dus uiterst omzigtig te werk gaan met de lieden die ik niet ken.”„Gij hebt gelijk, kapitein; ook ben ik, ofschoon uwe vermoedens voor mij alles behalve vereerend zijn, geenszins gebelgd over hetgeen gij mij zegt; buitengewone toestanden vereischen buitengewone maatregelen. Alleen zal ik u door mijn gedrag zien te bewijzen dat gij u ten mijnen aanzien bedrogen hebt.”„Het zal mij hoogst aangenaam zijn als ik mij vergis, maar pas op. Bij den minsten slinkschen trek of dubbelzinnigheid die ik, het zij in uwe bewegingen of woorden bespeurde, zou ik niet aarzelen u een kogel door de hersens te jagen. Intusschen heb ik u gewaarschuwd en kunt gij er u naar gedragen.”„Goed, kapitein, ik waag er mij aan. Wat er ook gebeure ben ik overtuigd dat mijn geweten mij vrijspreekt, want ik weet dat ik mijn pligt doe.”Dit gezegde ging hem zoo rond en vrijmoedig af, dat de kapitein ondanks zijn argwaan, er door getroffen werd.„Wij zullen zien,” zeide hij. „Komen wij spoedig uit dat verwenschte bosch daar wij nu reeds zoo lang in zijn?”„Wij hebben nog maar twee uren te marcheren, tegen zonsondergang komen wij aan het detachement dat ons wacht.”[220]„God geve het!” murmelde de kapitein.„Amen!” zei de soldaat op grappigen toon.„Maar terwijl gij niet hebt kunnen goedvinden op mijne vragen te antwoorden,” hervatte Melendez, „zult gij mij niet kwalijk nemen dat ik u geen oogenblik uit het oog verlies, en als wij weder op marsch gaan, u aan mijne zijde neem.”„Dat kunt gij doen naar het u behaagt, kapitein; gij hebt de magt, zoo niet het regt aan uw kant, ik ben verpligt mij naar uwe wenschen te voegen.”„Zeer goed, gij moogt thans gaan slapen als gij lust hebt.”„Dus hebt gij mij niets meer te zeggen?”„Niets.”„Dan zal ik mij de vrijheid, die gij mij wel wilt toestaan, ten nutte maken om mijn verloren tijd in te halen.”De soldaat stond op, rekte zich uit en bedwong zich met moeite om niet te geeuwen; hij verwijderde zich eenige passen, strekte zich op den grond uit, sloot de oogen, en lag eenige minuten later in een diepen slaap.De kapitein bleef waken. Het gevoerde gesprek met den gids had zijne onrust niet weinig doen toenemen, daar het hem bewees, dat deze man onder eene alledaagsch en rondborstig uiterlijk, groote sluwheid verborg. Inderdaad had hij op geen enkele der hem gedane vragen geantwoord, en was het hem in weinige oogenblikken gelukt de aanvallende houding van den kapitein af te slaan en om te keeren, door een redeneertrant die op zich zelf weinig afdeed, maar tegen welke de kapitein niets had kunnen inbrengen.Don Juan bevond zich op dit oogenblik in de onaangenaamste stemming waarin een man van moed en verstand wezen kan, die over zich zelf noch over anderen voldaan, innig overtuigd was dat hij gelijk had en toch in zekeren zin bekennen moest dat hij ongelijk had en de zaak niet rigtig was.Zoo als meestal in dergelijke gevallen gebeurt, moesten de soldaten de kwade luim van hun chef misgelden, want de officier, uit vrees dat de duisternis van den nacht iedere slechte kans voor hem zou verergeren, en zich niet gaarne bij nacht in de eindelooze doolhoven van het bosch willende laten overrompelen, maakte de halt veel korter dan hij bij iedere andere gelegenheid zou gedaan hebben.Omstreeks twee uren na den middag liet hij in den zadel blazen, en gaf bevel om te vertrekken.De grootste hitte van den dag was echter voorbij; de stralen der zon, die thans minder loodregt neder vielen hadden veel van[221]hunne kracht verloren en de marsch werd onder beter omstandigheden voortgezet dan vroeger.Zooals hij hem te voren gezegd had, liet de kapitein den gids naast zich rijden, en verloor hij hem, zooveel dit immer mogelijk was, geen oogenblik uit het oog.Laatstgenoemdescheen zich om deze hinderlijke naauwlettendheid gansch niet te bekommeren, hij reedaltooseven onverschillig voort; rookte zijn maïs cigarette en neuriede half overluid nu en dan een soldatenliedje.Het bosch begon langzamerhand ijler te worden, de opene plekken werden grooter en talrijker en het oog kreeg een meer uitgebreiden gezigteinder: alles droeg bij om te verzekeren dat men weldra het einde der bladgewelven zou bereiken.Intusschen zag men het land links en regts heuvelachtig worden, de grond begon zich langzamerhand te verheffen en naarmate men vorderde, raakte de weg meer en meer ingesloten.„Komen wij reeds aan de voorposten der bergen?” vroeg de kapitein.„O neen, nog niet,” antwoordde de gids.„Wij geraken toch weldra tusschen twee heuvels.”„Ja maar geen hooge.”„Dat is waar, evenwel, als ik mij niet bedrieg, naderen wij een bergengte.”„Ja, maar van weinig uitgestrektheid.”„Dat hadt gij wel kunnen waarschuwen.”„Waarom?”„Dan zou ik tirailleurs vooruit hebben gezonden.”„Dat is zoo, maar daar is nog tijd voor, zoo gij dat wilt; aan het einde van dien bergpas moeten wij vinden die ons wachten.”„Dus zijn wij waar wij wezen moeten?”„Ten naastenbij.”„Haasten wij ons dan.”„Met alle genoegen.”Zij reden sneller voort.Op eens bleef de gids staan.„Hé! kapitein,” riep hij, „kijk eens daar! is dat geen geweerloop dien ik in de zon zie glinsteren?”De kapitein hief schielijk de oogen op in de aangewezen rigting.Op het zelfde oogenblik knalde er een vreeselijk geweervuur aan beide kanten van den weg, en regende een hagelbui van kogels op de karavaan.[222]Eer nog de kapitein, over dezen aanval verontwaardigd, den tijd had om zijn pistool te grijpen, tuimelde hij op den grond, weggesleept door zijn paard, dat door een kogel in het hart was getroffen.De gids had reeds het hazenpad gekozen, zonder dat men wist hoe of waarheen hij ontsnapt was.
[Inhoud]XXVII.DE GIDS.De militaire wet isonverbiddelijk, zij heeft regels daar zij niet van afwijkt, de krijgstucht duldt geen aarzeling noch bedenking; de despotieke grondregel aan de Oostersche hoven in gebruik: „hooren is gehoorzamen” wordt in militaire zaken ten volle bewaarheid. Overigens, hoe hard dit ook bij den eersten oogopslag schijnen mag, moet het toch niet anders zijn; want als men het regt van beoordeeling den ondergeschikten ten aanzien der bevelen door[214]hoogeren gegeven wilde toelaten, dan ware alle krijgstucht den bodem ingeslagen; wanneer de soldaten hunne eigen denkbeelden of grillen mogten volgen, zouden zij niet langer te regeren zijn en het leger, in plaats van de diensten te bewijzen die het land er met reden van verwacht, voor hetzelve een ware plaag worden.Deze en meer dergelijke beschouwingen liepen den jongen kapitein door het hoofd, terwijl hij vol gedachten den gids volgde dien de order van zijn generaal hem zoo onverwacht had toegevoegd; maar de order was duidelijk en bepaald, hij was gedwongen te gehoorzamen en hij gehoorzaamde, al was hij uitwendig overtuigd dat de man op wien men hem dwong zich te verlaten, zoo al geen volslagen schurk, dan toch het in hem gestelde vertrouwen onwaardig was.Wat den gids betreft, deze galoppeerde onbezorgd aan het hoofd der karavaan, hij rookte, lachte en zong zonder zich in ’t minst te bekommeren over de vermoedens die men te zijnen aanzien koesterde.’t Is waar, de kapitein had den kwaden dunk dien hij van zijn gids koesterde zorgvuldig weten te verbergen en scheen voor het oog in hem een onbepaald vertrouwen te stellen; bij den gevaarlijken marsch dien de conducta te volbrengen had, vorderde de voorzigtigheid gebiedend, dat zij die er deel van uitmaakten, onbekend bleven met de ongerustheid van hun chef, ten einde niet gedemoraliseerd te worden door de vrees voor ophanden verraad.Voor den afmarsch had de kapitein met zekeren ophef de meest gestrenge orders gegeven om de wapens in goeden staat en dadelijk gereed te houden; hij had op de beide flanken van den troep tirailleurs vooruitgezonden, om de omstreken te doorzoeken en den doortogt vrij te houden en tegen overrompeling te waken; kortom, de noodige voorzigtigheidsmaatregelen waren met de meeste zorg genomen om den goeden afloop der reis te verzekeren.De gids, ten wiens gevalle deze voorzorgen opzettelijk zoo ruim en breed waren aangelegd, had ze met de grootste bedaardheid aangezien en scheen ze zeer gepast te keuren: hij had er zelfs het zijne aan toegevoegd door aan te merken dat de landloopers aan de grenzen zoo bekwaam waren om door de struiken en het gras te sluipen zonder een spoor na te laten, en dus de veldontdekkers wel scherp moesten toezien om de hun toevertrouwde taak goed uit te voeren.Naarmate de conducta meer de bergen naderde, werd de marsch moeijelijker en gevaarlijker; de boomen, die in ’t eerst ver van[215]elkander verwijderd stonden, begonnen zich allengs meer aan een te sluiten; weldra vormden zij een digt bosch, in hetwelk men zich op sommige plaatsen met de bijl een pad moest banen door de lianenranken, die zich van stam tot stam slingerden en soms een ondoordringbaar bosch vormden; op andere punten kwam men aan een kleine rivier of beek, wier oevers moeijelijk te bereiken waren, die de paarden en muildieren moesten doorwaden, niet zonder gevaar van alligators en andere watergedrochten, terwijl het water hen dikwijls tot aan den buik stond.Het digte bladgewelf onder hetwelk de karavaan langzaam voorttrok, sloot den hemel geheel af; slechts hier en daar drong een verdwaalde zonnestraal door de zaamgevlochten takken, naauwelijks voldoende om de duisternis te verdrijven, die in het digtste bosch doorgaans blijft heerschen zelfs op den vollen middag. De Europeaan, die geen andere bosschen kent dan die der oude wereld, kan zich in de verte geen denkbeeld maken van de onmetelijke „plantenoceanen” die men in Amerika onder den naam van ongerepte wouden begrijpt.In die ongebaande wildernissen schijnen de boomen elkander vast te houden, zoo digt zijn allen aan elkander gegroeid en onderling zaam verbonden, door netwerken van lianen en andere slingerplanten, die de stammen aaneenstrengelen, zich om de takken kronkelen, tot op den grond afdalen en wortel vatten, om vandaar weder op te schieten, nu eens als de pijpen van een reuzenorgel, dan onder allerlei fantastische vormen, figuren en guirlandes, opwaarts en nederwaarts slingeren, soms tusschen vervaarlijke massaas van zekere woekerplant, Spaansche Baard genaamd, die in groote trossen aan het uiteinde van al de takken hangt; terwijl de bodem, bedekt met het vergane blad van duizend winters, zich verschuilt onder een tapijt van ondoordringbare struiken en gras van eenige ellen hoogte. De boomen, meest allen van dezelfde soort, bieden zoo weinig verscheidenheid van vorm, dat de een slechts de getrouwe afdruk van al de overigen schijnt te zijn.In deze wouden vindt men in alle rigtingen smalle voetsporen, sedert vele eeuwen door de wilde dieren gebaand om naar hunne geheime drinkplaatsen te komen. Hier en daar onder het afgevallen blad verschuilen zich stinkende moerassen, boven welke zwermen moskieten gonzen en dikke nevelwalmen opstijgen, die het bosch verduisteren; kruipdieren, slangen, hagedissen en insecten van allerlei soort wriemelen over den grond, zacht schuifelend[216]of in verraderlijke stilte; terwijl het geschreeuw der vogels en het heesch gebrul der wilde beesten soms een schrikbarend concert maakt, dat de echoos der meeren en poelen doet weergalmen.De meest geoefende woudlooper zelfs waagt zich niet zonder beven in zulk een ongerepte wildernis, want het is schier onmogelijk om er zonder kompas den weg te vinden, en op de bedriegelijke doolpaden die er zich in alle rigtingen kruisen kan men niet vertrouwen; de jagers weten bij ondervinding dat men in zulk een bosch eenmaal verdwaald geraakt en aan alle zijden door muren van hoogstaand gras of ondoordringbare lianengordijnen ingesloten, slechts door een wonder zou kunnen worden gered, en er geene hulp van menschen, hetzij vriend of vijand te hopen is.Te midden van zulk een bosch verdiepte zich op dit oogenblik de karavaan.De Gids reed altijd even onbezorgd vooruit, zonder de minste aarzeling, en scheen volkomen zeker van den weg dien hij kiezen moest; slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, wierp hij een verstrooiden blik links of regts om zich heen, zonder daarom een oogenblik den stap van zijn paard te vertragen.Intusschen was het bijna middag, de hitte begon ondragelijk te worden, de paarden en menschen, sedert vijf uren des morgens langs uiterst moeijelijke wegen op marsch, waren overstelpt van vermoeijenis en vereischten gebiedend eenige uren rust om den togt verder te vervolgen.De kapitein besloot om den troep te laten kamperen in een dier ruime open vakken, die men van afstand tot afstand ontmoet, en die gevormd schijnen door omgeworpen geboomte, ten gevolge van hevige orkanen of door ouderdom geveld.Het signaal om halt te maken werd gehoord. De soldaten en arrieros slaakten een dankbaren zucht en hielden oogenblikkelijk stil.De kapitein toevallig zijn blik op den gids vestigende, zag dat dit oponthoud hem weinig beviel, er lag een wolk van ontevredenheid op zijn gelaat; zoodra hij echter bemerkte dat men hem in ’t oog hield herstelde hij zich, veinsde in de algemeene vreugde te deelen, en steeg mede af.De paarden en muilezels werden ontzadeld om zich in vrijheid te kunnen versnaperen aan het jonge boomloof en het gras dat hier in overvloed voorhanden was.De soldaten deden hun soberen maaltijd en vlijden zich neer op hunne mantels om te rusten.[217]Weldra lagen al de leden der karavaan in een diepen slaap gedompeld; slechts twee mannen bleven waken. Deze twee mannen waren de kapitein en de gids.Waarschijnlijk werden beiden te veel door ernstige gedachten bezig gehouden, om zich aan de anders zoo welkome rust over te geven.Op weinige passen van het kamp lagen eenige monsterachtige krokodillen in de heete zon te bakeren op het graauwe slijk van een kleinen stroom, die zacht murmelend voortkronkelde tusschen de rotsklompen en rietplaten die zijn loop belemmerden. Myriaden insecten vervulden de lucht met hun eentoonig gehommel; de eekhoorns huppelden vrolijk van tak tot tak; de vogels onder het loof verscholen zongen met vollen gorgel, en nu en dan zag men boven het lange gras een damhert of ashata met schuwen blik den fijnen kop opsteken, om het volgend oogenblik verschrikt weg te springen en zich in het kreupelbosch te verbergen.Maar de twee wakende mannen hadden het te druk met hunne eigene gedachten om te letten op hetgeen er rondom hen gebeurde.De kapitein hief het hoofd op; op dit oogenblik had de gids juist met zonderlinge vastheid den blik op hem gerigt; verlegen dat hij zich zoo onverhoeds zag overrompelen, zocht hij den kapitein terstond af te leiden door het woord tot hem te rigten, een taktiek die dezen niet ontging en hem dus geenszins van het spoor bragt.„Wij hebben een heeten dag, kapitein,” zei de gids met een onverschilligen blik.„Ja,” antwoordde de officier lakoniek.„Zoudt gij ook geen trek hebben om eenige rust te nemen?”„Neen.”„Wat mij betreft, mijne oogen zijn zoo bezwaard dat ze tegen wil en dank bijna toevallen, als gij het mij vergunt zal ik doen als de anderen en eenige oogenblikken rust nemen, die zij zoo onbezorgd schijnen te genieten.”„Wacht nog even, ik heb u eenige woorden te zeggen.”„Mij?”„Ja.”„Goed,” hernam hij op een toon van volkomen onverschilligheid.Hij stond op, smoorde een zucht van spijt en kwam bij den kapitein zitten, die een weinig opschoof om plaats voor hem te maken onder delommerrijkeschaduw van een dikken boom, die zijne reuzenarmen, beladen met digte ranken Spaansch mos, ver over hen uitbreidde.[218]„Wij hebben ernstige zaken te bespreken,” hervatte de kapitein.„Zoo als u behaagt.”„Kunt gij opregt zijn?”„Hoe zoo!” riep de soldaat min of meer van zijn stuk gebragt door deze onbewimpelde vraag.„Of, als gij dat liever wilt, kunt gij trouw en verknocht zijn?”„Dat kan er naar wezen.”De kapitein keek hem aan.„Zult gij op mijne vragen antwoorden?” vroeg hij.„Dat weet ik niet.”„Hoe dat, weet gij dat niet?”„Hoor eens, kapitein!” riep de gids als om er een grap van te maken, „mijne moeder was eene zeer verstandige vrouw, zij heeft mij altijd geleerd twee soorten van lieden te mistrouwen, namelijk de leeners en de vragers, „want zeide zij,” en niet zonder reden, „de eene komt om uw beurs en de andere om uwe geheimen.”„Gij hebt dus geheimen?”„Ik? volstrekt niet.”„Wat vreest gij dan?”„Niet veel, dat beken ik. Welnu! vraag maar, kapitein, ik zal zien dat ik u beantwoord.”De Mexicaansche boer, Indiaan, of kreool, heeft veel van den Normandischen boer, namelijk dat hij bijna nooit eenig bepaald antwoord zal geven op de vraag die men hem doet. De kapitein was dus genoodzaakt zich met de geveinsde belofte van den gids te vergenoegen; hij hervatte:„Wie zijt gij?”„Ik?”„Ja!”De gids begon te lagchen.„Dat ziet gij wel.”De kapitein schudde het hoofd.„Ik vraag u niet wat gij schijnt te zijn, maar wat gij werkelijk zijt.”„Wel! mijnheer, welk mensch is in staat om bepaald van zich zelven te zeggen wat hij werkelijk is?”„Hoor eens, kerel,” hervatte de kapitein op bedreigenden toon, „ik wil mijn tijd niet verbeuzelen met de uitwijkende praatjes te volgen die gij gelieft te maken. Antwoord mij stellig en ordelijk op hetgeen ik u vraag, of anders.…”„Anders?.…” viel de gids hem op schertsenden toon in de rede.„Schiet ik u voor den kop als een hond!” antwoordde hij,[219]terwijl hij een pistool uit zijn gordel nam en den haan overhaalde.Het oog van den soldaat fonkelde, maar zijne trekken bleven onverschillig en geen spier op zijn gelaat vertrok.„O, ho! heer kapitein,” riep hij met eene sombere stem; „gij hebt eene wonderlijke manier om uwe vrienden te ondervragen.”„Wie verzekert mij dat gij een vriend zijt?… Ik ken u niet.”„Dat is waar, maar gij kent den persoon die mij tot u zond, die persoon is uw chef, zoowel als de mijne; ik heb hem gehoorzaamd met tot u te komen, en gij moet hem gehoorzamen door de orders op te volgen die hij u gegeven heeft.”„Ja, maar die orders zijn mij door u overgebragt.”„Wat doet er dat toe?”„Wie verzekert mij dat die dépêche die gij mij gebragt hebt u werkelijk door hem gegeven werd?”„Caramba! kapitein, wat gij mij daar zegt is alles behalve vleijend voor mij,” antwoordde de gids op een toon van gevoeligheid.„Dat weet ik; maar ongelukkig leven wij in een tijd dat het zeer moeijelijk is om zijne vrienden van zijne vijanden te onderkennen; men kan niet genoeg op zijne hoede zijn om niet in den strik te vallen; ik ben door het gouvernement met eene bijzonder teedere zending belast en moet dus uiterst omzigtig te werk gaan met de lieden die ik niet ken.”„Gij hebt gelijk, kapitein; ook ben ik, ofschoon uwe vermoedens voor mij alles behalve vereerend zijn, geenszins gebelgd over hetgeen gij mij zegt; buitengewone toestanden vereischen buitengewone maatregelen. Alleen zal ik u door mijn gedrag zien te bewijzen dat gij u ten mijnen aanzien bedrogen hebt.”„Het zal mij hoogst aangenaam zijn als ik mij vergis, maar pas op. Bij den minsten slinkschen trek of dubbelzinnigheid die ik, het zij in uwe bewegingen of woorden bespeurde, zou ik niet aarzelen u een kogel door de hersens te jagen. Intusschen heb ik u gewaarschuwd en kunt gij er u naar gedragen.”„Goed, kapitein, ik waag er mij aan. Wat er ook gebeure ben ik overtuigd dat mijn geweten mij vrijspreekt, want ik weet dat ik mijn pligt doe.”Dit gezegde ging hem zoo rond en vrijmoedig af, dat de kapitein ondanks zijn argwaan, er door getroffen werd.„Wij zullen zien,” zeide hij. „Komen wij spoedig uit dat verwenschte bosch daar wij nu reeds zoo lang in zijn?”„Wij hebben nog maar twee uren te marcheren, tegen zonsondergang komen wij aan het detachement dat ons wacht.”[220]„God geve het!” murmelde de kapitein.„Amen!” zei de soldaat op grappigen toon.„Maar terwijl gij niet hebt kunnen goedvinden op mijne vragen te antwoorden,” hervatte Melendez, „zult gij mij niet kwalijk nemen dat ik u geen oogenblik uit het oog verlies, en als wij weder op marsch gaan, u aan mijne zijde neem.”„Dat kunt gij doen naar het u behaagt, kapitein; gij hebt de magt, zoo niet het regt aan uw kant, ik ben verpligt mij naar uwe wenschen te voegen.”„Zeer goed, gij moogt thans gaan slapen als gij lust hebt.”„Dus hebt gij mij niets meer te zeggen?”„Niets.”„Dan zal ik mij de vrijheid, die gij mij wel wilt toestaan, ten nutte maken om mijn verloren tijd in te halen.”De soldaat stond op, rekte zich uit en bedwong zich met moeite om niet te geeuwen; hij verwijderde zich eenige passen, strekte zich op den grond uit, sloot de oogen, en lag eenige minuten later in een diepen slaap.De kapitein bleef waken. Het gevoerde gesprek met den gids had zijne onrust niet weinig doen toenemen, daar het hem bewees, dat deze man onder eene alledaagsch en rondborstig uiterlijk, groote sluwheid verborg. Inderdaad had hij op geen enkele der hem gedane vragen geantwoord, en was het hem in weinige oogenblikken gelukt de aanvallende houding van den kapitein af te slaan en om te keeren, door een redeneertrant die op zich zelf weinig afdeed, maar tegen welke de kapitein niets had kunnen inbrengen.Don Juan bevond zich op dit oogenblik in de onaangenaamste stemming waarin een man van moed en verstand wezen kan, die over zich zelf noch over anderen voldaan, innig overtuigd was dat hij gelijk had en toch in zekeren zin bekennen moest dat hij ongelijk had en de zaak niet rigtig was.Zoo als meestal in dergelijke gevallen gebeurt, moesten de soldaten de kwade luim van hun chef misgelden, want de officier, uit vrees dat de duisternis van den nacht iedere slechte kans voor hem zou verergeren, en zich niet gaarne bij nacht in de eindelooze doolhoven van het bosch willende laten overrompelen, maakte de halt veel korter dan hij bij iedere andere gelegenheid zou gedaan hebben.Omstreeks twee uren na den middag liet hij in den zadel blazen, en gaf bevel om te vertrekken.De grootste hitte van den dag was echter voorbij; de stralen der zon, die thans minder loodregt neder vielen hadden veel van[221]hunne kracht verloren en de marsch werd onder beter omstandigheden voortgezet dan vroeger.Zooals hij hem te voren gezegd had, liet de kapitein den gids naast zich rijden, en verloor hij hem, zooveel dit immer mogelijk was, geen oogenblik uit het oog.Laatstgenoemdescheen zich om deze hinderlijke naauwlettendheid gansch niet te bekommeren, hij reedaltooseven onverschillig voort; rookte zijn maïs cigarette en neuriede half overluid nu en dan een soldatenliedje.Het bosch begon langzamerhand ijler te worden, de opene plekken werden grooter en talrijker en het oog kreeg een meer uitgebreiden gezigteinder: alles droeg bij om te verzekeren dat men weldra het einde der bladgewelven zou bereiken.Intusschen zag men het land links en regts heuvelachtig worden, de grond begon zich langzamerhand te verheffen en naarmate men vorderde, raakte de weg meer en meer ingesloten.„Komen wij reeds aan de voorposten der bergen?” vroeg de kapitein.„O neen, nog niet,” antwoordde de gids.„Wij geraken toch weldra tusschen twee heuvels.”„Ja maar geen hooge.”„Dat is waar, evenwel, als ik mij niet bedrieg, naderen wij een bergengte.”„Ja, maar van weinig uitgestrektheid.”„Dat hadt gij wel kunnen waarschuwen.”„Waarom?”„Dan zou ik tirailleurs vooruit hebben gezonden.”„Dat is zoo, maar daar is nog tijd voor, zoo gij dat wilt; aan het einde van dien bergpas moeten wij vinden die ons wachten.”„Dus zijn wij waar wij wezen moeten?”„Ten naastenbij.”„Haasten wij ons dan.”„Met alle genoegen.”Zij reden sneller voort.Op eens bleef de gids staan.„Hé! kapitein,” riep hij, „kijk eens daar! is dat geen geweerloop dien ik in de zon zie glinsteren?”De kapitein hief schielijk de oogen op in de aangewezen rigting.Op het zelfde oogenblik knalde er een vreeselijk geweervuur aan beide kanten van den weg, en regende een hagelbui van kogels op de karavaan.[222]Eer nog de kapitein, over dezen aanval verontwaardigd, den tijd had om zijn pistool te grijpen, tuimelde hij op den grond, weggesleept door zijn paard, dat door een kogel in het hart was getroffen.De gids had reeds het hazenpad gekozen, zonder dat men wist hoe of waarheen hij ontsnapt was.
XXVII.DE GIDS.
De militaire wet isonverbiddelijk, zij heeft regels daar zij niet van afwijkt, de krijgstucht duldt geen aarzeling noch bedenking; de despotieke grondregel aan de Oostersche hoven in gebruik: „hooren is gehoorzamen” wordt in militaire zaken ten volle bewaarheid. Overigens, hoe hard dit ook bij den eersten oogopslag schijnen mag, moet het toch niet anders zijn; want als men het regt van beoordeeling den ondergeschikten ten aanzien der bevelen door[214]hoogeren gegeven wilde toelaten, dan ware alle krijgstucht den bodem ingeslagen; wanneer de soldaten hunne eigen denkbeelden of grillen mogten volgen, zouden zij niet langer te regeren zijn en het leger, in plaats van de diensten te bewijzen die het land er met reden van verwacht, voor hetzelve een ware plaag worden.Deze en meer dergelijke beschouwingen liepen den jongen kapitein door het hoofd, terwijl hij vol gedachten den gids volgde dien de order van zijn generaal hem zoo onverwacht had toegevoegd; maar de order was duidelijk en bepaald, hij was gedwongen te gehoorzamen en hij gehoorzaamde, al was hij uitwendig overtuigd dat de man op wien men hem dwong zich te verlaten, zoo al geen volslagen schurk, dan toch het in hem gestelde vertrouwen onwaardig was.Wat den gids betreft, deze galoppeerde onbezorgd aan het hoofd der karavaan, hij rookte, lachte en zong zonder zich in ’t minst te bekommeren over de vermoedens die men te zijnen aanzien koesterde.’t Is waar, de kapitein had den kwaden dunk dien hij van zijn gids koesterde zorgvuldig weten te verbergen en scheen voor het oog in hem een onbepaald vertrouwen te stellen; bij den gevaarlijken marsch dien de conducta te volbrengen had, vorderde de voorzigtigheid gebiedend, dat zij die er deel van uitmaakten, onbekend bleven met de ongerustheid van hun chef, ten einde niet gedemoraliseerd te worden door de vrees voor ophanden verraad.Voor den afmarsch had de kapitein met zekeren ophef de meest gestrenge orders gegeven om de wapens in goeden staat en dadelijk gereed te houden; hij had op de beide flanken van den troep tirailleurs vooruitgezonden, om de omstreken te doorzoeken en den doortogt vrij te houden en tegen overrompeling te waken; kortom, de noodige voorzigtigheidsmaatregelen waren met de meeste zorg genomen om den goeden afloop der reis te verzekeren.De gids, ten wiens gevalle deze voorzorgen opzettelijk zoo ruim en breed waren aangelegd, had ze met de grootste bedaardheid aangezien en scheen ze zeer gepast te keuren: hij had er zelfs het zijne aan toegevoegd door aan te merken dat de landloopers aan de grenzen zoo bekwaam waren om door de struiken en het gras te sluipen zonder een spoor na te laten, en dus de veldontdekkers wel scherp moesten toezien om de hun toevertrouwde taak goed uit te voeren.Naarmate de conducta meer de bergen naderde, werd de marsch moeijelijker en gevaarlijker; de boomen, die in ’t eerst ver van[215]elkander verwijderd stonden, begonnen zich allengs meer aan een te sluiten; weldra vormden zij een digt bosch, in hetwelk men zich op sommige plaatsen met de bijl een pad moest banen door de lianenranken, die zich van stam tot stam slingerden en soms een ondoordringbaar bosch vormden; op andere punten kwam men aan een kleine rivier of beek, wier oevers moeijelijk te bereiken waren, die de paarden en muildieren moesten doorwaden, niet zonder gevaar van alligators en andere watergedrochten, terwijl het water hen dikwijls tot aan den buik stond.Het digte bladgewelf onder hetwelk de karavaan langzaam voorttrok, sloot den hemel geheel af; slechts hier en daar drong een verdwaalde zonnestraal door de zaamgevlochten takken, naauwelijks voldoende om de duisternis te verdrijven, die in het digtste bosch doorgaans blijft heerschen zelfs op den vollen middag. De Europeaan, die geen andere bosschen kent dan die der oude wereld, kan zich in de verte geen denkbeeld maken van de onmetelijke „plantenoceanen” die men in Amerika onder den naam van ongerepte wouden begrijpt.In die ongebaande wildernissen schijnen de boomen elkander vast te houden, zoo digt zijn allen aan elkander gegroeid en onderling zaam verbonden, door netwerken van lianen en andere slingerplanten, die de stammen aaneenstrengelen, zich om de takken kronkelen, tot op den grond afdalen en wortel vatten, om vandaar weder op te schieten, nu eens als de pijpen van een reuzenorgel, dan onder allerlei fantastische vormen, figuren en guirlandes, opwaarts en nederwaarts slingeren, soms tusschen vervaarlijke massaas van zekere woekerplant, Spaansche Baard genaamd, die in groote trossen aan het uiteinde van al de takken hangt; terwijl de bodem, bedekt met het vergane blad van duizend winters, zich verschuilt onder een tapijt van ondoordringbare struiken en gras van eenige ellen hoogte. De boomen, meest allen van dezelfde soort, bieden zoo weinig verscheidenheid van vorm, dat de een slechts de getrouwe afdruk van al de overigen schijnt te zijn.In deze wouden vindt men in alle rigtingen smalle voetsporen, sedert vele eeuwen door de wilde dieren gebaand om naar hunne geheime drinkplaatsen te komen. Hier en daar onder het afgevallen blad verschuilen zich stinkende moerassen, boven welke zwermen moskieten gonzen en dikke nevelwalmen opstijgen, die het bosch verduisteren; kruipdieren, slangen, hagedissen en insecten van allerlei soort wriemelen over den grond, zacht schuifelend[216]of in verraderlijke stilte; terwijl het geschreeuw der vogels en het heesch gebrul der wilde beesten soms een schrikbarend concert maakt, dat de echoos der meeren en poelen doet weergalmen.De meest geoefende woudlooper zelfs waagt zich niet zonder beven in zulk een ongerepte wildernis, want het is schier onmogelijk om er zonder kompas den weg te vinden, en op de bedriegelijke doolpaden die er zich in alle rigtingen kruisen kan men niet vertrouwen; de jagers weten bij ondervinding dat men in zulk een bosch eenmaal verdwaald geraakt en aan alle zijden door muren van hoogstaand gras of ondoordringbare lianengordijnen ingesloten, slechts door een wonder zou kunnen worden gered, en er geene hulp van menschen, hetzij vriend of vijand te hopen is.Te midden van zulk een bosch verdiepte zich op dit oogenblik de karavaan.De Gids reed altijd even onbezorgd vooruit, zonder de minste aarzeling, en scheen volkomen zeker van den weg dien hij kiezen moest; slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, wierp hij een verstrooiden blik links of regts om zich heen, zonder daarom een oogenblik den stap van zijn paard te vertragen.Intusschen was het bijna middag, de hitte begon ondragelijk te worden, de paarden en menschen, sedert vijf uren des morgens langs uiterst moeijelijke wegen op marsch, waren overstelpt van vermoeijenis en vereischten gebiedend eenige uren rust om den togt verder te vervolgen.De kapitein besloot om den troep te laten kamperen in een dier ruime open vakken, die men van afstand tot afstand ontmoet, en die gevormd schijnen door omgeworpen geboomte, ten gevolge van hevige orkanen of door ouderdom geveld.Het signaal om halt te maken werd gehoord. De soldaten en arrieros slaakten een dankbaren zucht en hielden oogenblikkelijk stil.De kapitein toevallig zijn blik op den gids vestigende, zag dat dit oponthoud hem weinig beviel, er lag een wolk van ontevredenheid op zijn gelaat; zoodra hij echter bemerkte dat men hem in ’t oog hield herstelde hij zich, veinsde in de algemeene vreugde te deelen, en steeg mede af.De paarden en muilezels werden ontzadeld om zich in vrijheid te kunnen versnaperen aan het jonge boomloof en het gras dat hier in overvloed voorhanden was.De soldaten deden hun soberen maaltijd en vlijden zich neer op hunne mantels om te rusten.[217]Weldra lagen al de leden der karavaan in een diepen slaap gedompeld; slechts twee mannen bleven waken. Deze twee mannen waren de kapitein en de gids.Waarschijnlijk werden beiden te veel door ernstige gedachten bezig gehouden, om zich aan de anders zoo welkome rust over te geven.Op weinige passen van het kamp lagen eenige monsterachtige krokodillen in de heete zon te bakeren op het graauwe slijk van een kleinen stroom, die zacht murmelend voortkronkelde tusschen de rotsklompen en rietplaten die zijn loop belemmerden. Myriaden insecten vervulden de lucht met hun eentoonig gehommel; de eekhoorns huppelden vrolijk van tak tot tak; de vogels onder het loof verscholen zongen met vollen gorgel, en nu en dan zag men boven het lange gras een damhert of ashata met schuwen blik den fijnen kop opsteken, om het volgend oogenblik verschrikt weg te springen en zich in het kreupelbosch te verbergen.Maar de twee wakende mannen hadden het te druk met hunne eigene gedachten om te letten op hetgeen er rondom hen gebeurde.De kapitein hief het hoofd op; op dit oogenblik had de gids juist met zonderlinge vastheid den blik op hem gerigt; verlegen dat hij zich zoo onverhoeds zag overrompelen, zocht hij den kapitein terstond af te leiden door het woord tot hem te rigten, een taktiek die dezen niet ontging en hem dus geenszins van het spoor bragt.„Wij hebben een heeten dag, kapitein,” zei de gids met een onverschilligen blik.„Ja,” antwoordde de officier lakoniek.„Zoudt gij ook geen trek hebben om eenige rust te nemen?”„Neen.”„Wat mij betreft, mijne oogen zijn zoo bezwaard dat ze tegen wil en dank bijna toevallen, als gij het mij vergunt zal ik doen als de anderen en eenige oogenblikken rust nemen, die zij zoo onbezorgd schijnen te genieten.”„Wacht nog even, ik heb u eenige woorden te zeggen.”„Mij?”„Ja.”„Goed,” hernam hij op een toon van volkomen onverschilligheid.Hij stond op, smoorde een zucht van spijt en kwam bij den kapitein zitten, die een weinig opschoof om plaats voor hem te maken onder delommerrijkeschaduw van een dikken boom, die zijne reuzenarmen, beladen met digte ranken Spaansch mos, ver over hen uitbreidde.[218]„Wij hebben ernstige zaken te bespreken,” hervatte de kapitein.„Zoo als u behaagt.”„Kunt gij opregt zijn?”„Hoe zoo!” riep de soldaat min of meer van zijn stuk gebragt door deze onbewimpelde vraag.„Of, als gij dat liever wilt, kunt gij trouw en verknocht zijn?”„Dat kan er naar wezen.”De kapitein keek hem aan.„Zult gij op mijne vragen antwoorden?” vroeg hij.„Dat weet ik niet.”„Hoe dat, weet gij dat niet?”„Hoor eens, kapitein!” riep de gids als om er een grap van te maken, „mijne moeder was eene zeer verstandige vrouw, zij heeft mij altijd geleerd twee soorten van lieden te mistrouwen, namelijk de leeners en de vragers, „want zeide zij,” en niet zonder reden, „de eene komt om uw beurs en de andere om uwe geheimen.”„Gij hebt dus geheimen?”„Ik? volstrekt niet.”„Wat vreest gij dan?”„Niet veel, dat beken ik. Welnu! vraag maar, kapitein, ik zal zien dat ik u beantwoord.”De Mexicaansche boer, Indiaan, of kreool, heeft veel van den Normandischen boer, namelijk dat hij bijna nooit eenig bepaald antwoord zal geven op de vraag die men hem doet. De kapitein was dus genoodzaakt zich met de geveinsde belofte van den gids te vergenoegen; hij hervatte:„Wie zijt gij?”„Ik?”„Ja!”De gids begon te lagchen.„Dat ziet gij wel.”De kapitein schudde het hoofd.„Ik vraag u niet wat gij schijnt te zijn, maar wat gij werkelijk zijt.”„Wel! mijnheer, welk mensch is in staat om bepaald van zich zelven te zeggen wat hij werkelijk is?”„Hoor eens, kerel,” hervatte de kapitein op bedreigenden toon, „ik wil mijn tijd niet verbeuzelen met de uitwijkende praatjes te volgen die gij gelieft te maken. Antwoord mij stellig en ordelijk op hetgeen ik u vraag, of anders.…”„Anders?.…” viel de gids hem op schertsenden toon in de rede.„Schiet ik u voor den kop als een hond!” antwoordde hij,[219]terwijl hij een pistool uit zijn gordel nam en den haan overhaalde.Het oog van den soldaat fonkelde, maar zijne trekken bleven onverschillig en geen spier op zijn gelaat vertrok.„O, ho! heer kapitein,” riep hij met eene sombere stem; „gij hebt eene wonderlijke manier om uwe vrienden te ondervragen.”„Wie verzekert mij dat gij een vriend zijt?… Ik ken u niet.”„Dat is waar, maar gij kent den persoon die mij tot u zond, die persoon is uw chef, zoowel als de mijne; ik heb hem gehoorzaamd met tot u te komen, en gij moet hem gehoorzamen door de orders op te volgen die hij u gegeven heeft.”„Ja, maar die orders zijn mij door u overgebragt.”„Wat doet er dat toe?”„Wie verzekert mij dat die dépêche die gij mij gebragt hebt u werkelijk door hem gegeven werd?”„Caramba! kapitein, wat gij mij daar zegt is alles behalve vleijend voor mij,” antwoordde de gids op een toon van gevoeligheid.„Dat weet ik; maar ongelukkig leven wij in een tijd dat het zeer moeijelijk is om zijne vrienden van zijne vijanden te onderkennen; men kan niet genoeg op zijne hoede zijn om niet in den strik te vallen; ik ben door het gouvernement met eene bijzonder teedere zending belast en moet dus uiterst omzigtig te werk gaan met de lieden die ik niet ken.”„Gij hebt gelijk, kapitein; ook ben ik, ofschoon uwe vermoedens voor mij alles behalve vereerend zijn, geenszins gebelgd over hetgeen gij mij zegt; buitengewone toestanden vereischen buitengewone maatregelen. Alleen zal ik u door mijn gedrag zien te bewijzen dat gij u ten mijnen aanzien bedrogen hebt.”„Het zal mij hoogst aangenaam zijn als ik mij vergis, maar pas op. Bij den minsten slinkschen trek of dubbelzinnigheid die ik, het zij in uwe bewegingen of woorden bespeurde, zou ik niet aarzelen u een kogel door de hersens te jagen. Intusschen heb ik u gewaarschuwd en kunt gij er u naar gedragen.”„Goed, kapitein, ik waag er mij aan. Wat er ook gebeure ben ik overtuigd dat mijn geweten mij vrijspreekt, want ik weet dat ik mijn pligt doe.”Dit gezegde ging hem zoo rond en vrijmoedig af, dat de kapitein ondanks zijn argwaan, er door getroffen werd.„Wij zullen zien,” zeide hij. „Komen wij spoedig uit dat verwenschte bosch daar wij nu reeds zoo lang in zijn?”„Wij hebben nog maar twee uren te marcheren, tegen zonsondergang komen wij aan het detachement dat ons wacht.”[220]„God geve het!” murmelde de kapitein.„Amen!” zei de soldaat op grappigen toon.„Maar terwijl gij niet hebt kunnen goedvinden op mijne vragen te antwoorden,” hervatte Melendez, „zult gij mij niet kwalijk nemen dat ik u geen oogenblik uit het oog verlies, en als wij weder op marsch gaan, u aan mijne zijde neem.”„Dat kunt gij doen naar het u behaagt, kapitein; gij hebt de magt, zoo niet het regt aan uw kant, ik ben verpligt mij naar uwe wenschen te voegen.”„Zeer goed, gij moogt thans gaan slapen als gij lust hebt.”„Dus hebt gij mij niets meer te zeggen?”„Niets.”„Dan zal ik mij de vrijheid, die gij mij wel wilt toestaan, ten nutte maken om mijn verloren tijd in te halen.”De soldaat stond op, rekte zich uit en bedwong zich met moeite om niet te geeuwen; hij verwijderde zich eenige passen, strekte zich op den grond uit, sloot de oogen, en lag eenige minuten later in een diepen slaap.De kapitein bleef waken. Het gevoerde gesprek met den gids had zijne onrust niet weinig doen toenemen, daar het hem bewees, dat deze man onder eene alledaagsch en rondborstig uiterlijk, groote sluwheid verborg. Inderdaad had hij op geen enkele der hem gedane vragen geantwoord, en was het hem in weinige oogenblikken gelukt de aanvallende houding van den kapitein af te slaan en om te keeren, door een redeneertrant die op zich zelf weinig afdeed, maar tegen welke de kapitein niets had kunnen inbrengen.Don Juan bevond zich op dit oogenblik in de onaangenaamste stemming waarin een man van moed en verstand wezen kan, die over zich zelf noch over anderen voldaan, innig overtuigd was dat hij gelijk had en toch in zekeren zin bekennen moest dat hij ongelijk had en de zaak niet rigtig was.Zoo als meestal in dergelijke gevallen gebeurt, moesten de soldaten de kwade luim van hun chef misgelden, want de officier, uit vrees dat de duisternis van den nacht iedere slechte kans voor hem zou verergeren, en zich niet gaarne bij nacht in de eindelooze doolhoven van het bosch willende laten overrompelen, maakte de halt veel korter dan hij bij iedere andere gelegenheid zou gedaan hebben.Omstreeks twee uren na den middag liet hij in den zadel blazen, en gaf bevel om te vertrekken.De grootste hitte van den dag was echter voorbij; de stralen der zon, die thans minder loodregt neder vielen hadden veel van[221]hunne kracht verloren en de marsch werd onder beter omstandigheden voortgezet dan vroeger.Zooals hij hem te voren gezegd had, liet de kapitein den gids naast zich rijden, en verloor hij hem, zooveel dit immer mogelijk was, geen oogenblik uit het oog.Laatstgenoemdescheen zich om deze hinderlijke naauwlettendheid gansch niet te bekommeren, hij reedaltooseven onverschillig voort; rookte zijn maïs cigarette en neuriede half overluid nu en dan een soldatenliedje.Het bosch begon langzamerhand ijler te worden, de opene plekken werden grooter en talrijker en het oog kreeg een meer uitgebreiden gezigteinder: alles droeg bij om te verzekeren dat men weldra het einde der bladgewelven zou bereiken.Intusschen zag men het land links en regts heuvelachtig worden, de grond begon zich langzamerhand te verheffen en naarmate men vorderde, raakte de weg meer en meer ingesloten.„Komen wij reeds aan de voorposten der bergen?” vroeg de kapitein.„O neen, nog niet,” antwoordde de gids.„Wij geraken toch weldra tusschen twee heuvels.”„Ja maar geen hooge.”„Dat is waar, evenwel, als ik mij niet bedrieg, naderen wij een bergengte.”„Ja, maar van weinig uitgestrektheid.”„Dat hadt gij wel kunnen waarschuwen.”„Waarom?”„Dan zou ik tirailleurs vooruit hebben gezonden.”„Dat is zoo, maar daar is nog tijd voor, zoo gij dat wilt; aan het einde van dien bergpas moeten wij vinden die ons wachten.”„Dus zijn wij waar wij wezen moeten?”„Ten naastenbij.”„Haasten wij ons dan.”„Met alle genoegen.”Zij reden sneller voort.Op eens bleef de gids staan.„Hé! kapitein,” riep hij, „kijk eens daar! is dat geen geweerloop dien ik in de zon zie glinsteren?”De kapitein hief schielijk de oogen op in de aangewezen rigting.Op het zelfde oogenblik knalde er een vreeselijk geweervuur aan beide kanten van den weg, en regende een hagelbui van kogels op de karavaan.[222]Eer nog de kapitein, over dezen aanval verontwaardigd, den tijd had om zijn pistool te grijpen, tuimelde hij op den grond, weggesleept door zijn paard, dat door een kogel in het hart was getroffen.De gids had reeds het hazenpad gekozen, zonder dat men wist hoe of waarheen hij ontsnapt was.
De militaire wet isonverbiddelijk, zij heeft regels daar zij niet van afwijkt, de krijgstucht duldt geen aarzeling noch bedenking; de despotieke grondregel aan de Oostersche hoven in gebruik: „hooren is gehoorzamen” wordt in militaire zaken ten volle bewaarheid. Overigens, hoe hard dit ook bij den eersten oogopslag schijnen mag, moet het toch niet anders zijn; want als men het regt van beoordeeling den ondergeschikten ten aanzien der bevelen door[214]hoogeren gegeven wilde toelaten, dan ware alle krijgstucht den bodem ingeslagen; wanneer de soldaten hunne eigen denkbeelden of grillen mogten volgen, zouden zij niet langer te regeren zijn en het leger, in plaats van de diensten te bewijzen die het land er met reden van verwacht, voor hetzelve een ware plaag worden.
Deze en meer dergelijke beschouwingen liepen den jongen kapitein door het hoofd, terwijl hij vol gedachten den gids volgde dien de order van zijn generaal hem zoo onverwacht had toegevoegd; maar de order was duidelijk en bepaald, hij was gedwongen te gehoorzamen en hij gehoorzaamde, al was hij uitwendig overtuigd dat de man op wien men hem dwong zich te verlaten, zoo al geen volslagen schurk, dan toch het in hem gestelde vertrouwen onwaardig was.
Wat den gids betreft, deze galoppeerde onbezorgd aan het hoofd der karavaan, hij rookte, lachte en zong zonder zich in ’t minst te bekommeren over de vermoedens die men te zijnen aanzien koesterde.
’t Is waar, de kapitein had den kwaden dunk dien hij van zijn gids koesterde zorgvuldig weten te verbergen en scheen voor het oog in hem een onbepaald vertrouwen te stellen; bij den gevaarlijken marsch dien de conducta te volbrengen had, vorderde de voorzigtigheid gebiedend, dat zij die er deel van uitmaakten, onbekend bleven met de ongerustheid van hun chef, ten einde niet gedemoraliseerd te worden door de vrees voor ophanden verraad.
Voor den afmarsch had de kapitein met zekeren ophef de meest gestrenge orders gegeven om de wapens in goeden staat en dadelijk gereed te houden; hij had op de beide flanken van den troep tirailleurs vooruitgezonden, om de omstreken te doorzoeken en den doortogt vrij te houden en tegen overrompeling te waken; kortom, de noodige voorzigtigheidsmaatregelen waren met de meeste zorg genomen om den goeden afloop der reis te verzekeren.
De gids, ten wiens gevalle deze voorzorgen opzettelijk zoo ruim en breed waren aangelegd, had ze met de grootste bedaardheid aangezien en scheen ze zeer gepast te keuren: hij had er zelfs het zijne aan toegevoegd door aan te merken dat de landloopers aan de grenzen zoo bekwaam waren om door de struiken en het gras te sluipen zonder een spoor na te laten, en dus de veldontdekkers wel scherp moesten toezien om de hun toevertrouwde taak goed uit te voeren.
Naarmate de conducta meer de bergen naderde, werd de marsch moeijelijker en gevaarlijker; de boomen, die in ’t eerst ver van[215]elkander verwijderd stonden, begonnen zich allengs meer aan een te sluiten; weldra vormden zij een digt bosch, in hetwelk men zich op sommige plaatsen met de bijl een pad moest banen door de lianenranken, die zich van stam tot stam slingerden en soms een ondoordringbaar bosch vormden; op andere punten kwam men aan een kleine rivier of beek, wier oevers moeijelijk te bereiken waren, die de paarden en muildieren moesten doorwaden, niet zonder gevaar van alligators en andere watergedrochten, terwijl het water hen dikwijls tot aan den buik stond.
Het digte bladgewelf onder hetwelk de karavaan langzaam voorttrok, sloot den hemel geheel af; slechts hier en daar drong een verdwaalde zonnestraal door de zaamgevlochten takken, naauwelijks voldoende om de duisternis te verdrijven, die in het digtste bosch doorgaans blijft heerschen zelfs op den vollen middag. De Europeaan, die geen andere bosschen kent dan die der oude wereld, kan zich in de verte geen denkbeeld maken van de onmetelijke „plantenoceanen” die men in Amerika onder den naam van ongerepte wouden begrijpt.
In die ongebaande wildernissen schijnen de boomen elkander vast te houden, zoo digt zijn allen aan elkander gegroeid en onderling zaam verbonden, door netwerken van lianen en andere slingerplanten, die de stammen aaneenstrengelen, zich om de takken kronkelen, tot op den grond afdalen en wortel vatten, om vandaar weder op te schieten, nu eens als de pijpen van een reuzenorgel, dan onder allerlei fantastische vormen, figuren en guirlandes, opwaarts en nederwaarts slingeren, soms tusschen vervaarlijke massaas van zekere woekerplant, Spaansche Baard genaamd, die in groote trossen aan het uiteinde van al de takken hangt; terwijl de bodem, bedekt met het vergane blad van duizend winters, zich verschuilt onder een tapijt van ondoordringbare struiken en gras van eenige ellen hoogte. De boomen, meest allen van dezelfde soort, bieden zoo weinig verscheidenheid van vorm, dat de een slechts de getrouwe afdruk van al de overigen schijnt te zijn.
In deze wouden vindt men in alle rigtingen smalle voetsporen, sedert vele eeuwen door de wilde dieren gebaand om naar hunne geheime drinkplaatsen te komen. Hier en daar onder het afgevallen blad verschuilen zich stinkende moerassen, boven welke zwermen moskieten gonzen en dikke nevelwalmen opstijgen, die het bosch verduisteren; kruipdieren, slangen, hagedissen en insecten van allerlei soort wriemelen over den grond, zacht schuifelend[216]of in verraderlijke stilte; terwijl het geschreeuw der vogels en het heesch gebrul der wilde beesten soms een schrikbarend concert maakt, dat de echoos der meeren en poelen doet weergalmen.
De meest geoefende woudlooper zelfs waagt zich niet zonder beven in zulk een ongerepte wildernis, want het is schier onmogelijk om er zonder kompas den weg te vinden, en op de bedriegelijke doolpaden die er zich in alle rigtingen kruisen kan men niet vertrouwen; de jagers weten bij ondervinding dat men in zulk een bosch eenmaal verdwaald geraakt en aan alle zijden door muren van hoogstaand gras of ondoordringbare lianengordijnen ingesloten, slechts door een wonder zou kunnen worden gered, en er geene hulp van menschen, hetzij vriend of vijand te hopen is.
Te midden van zulk een bosch verdiepte zich op dit oogenblik de karavaan.
De Gids reed altijd even onbezorgd vooruit, zonder de minste aarzeling, en scheen volkomen zeker van den weg dien hij kiezen moest; slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, wierp hij een verstrooiden blik links of regts om zich heen, zonder daarom een oogenblik den stap van zijn paard te vertragen.
Intusschen was het bijna middag, de hitte begon ondragelijk te worden, de paarden en menschen, sedert vijf uren des morgens langs uiterst moeijelijke wegen op marsch, waren overstelpt van vermoeijenis en vereischten gebiedend eenige uren rust om den togt verder te vervolgen.
De kapitein besloot om den troep te laten kamperen in een dier ruime open vakken, die men van afstand tot afstand ontmoet, en die gevormd schijnen door omgeworpen geboomte, ten gevolge van hevige orkanen of door ouderdom geveld.
Het signaal om halt te maken werd gehoord. De soldaten en arrieros slaakten een dankbaren zucht en hielden oogenblikkelijk stil.
De kapitein toevallig zijn blik op den gids vestigende, zag dat dit oponthoud hem weinig beviel, er lag een wolk van ontevredenheid op zijn gelaat; zoodra hij echter bemerkte dat men hem in ’t oog hield herstelde hij zich, veinsde in de algemeene vreugde te deelen, en steeg mede af.
De paarden en muilezels werden ontzadeld om zich in vrijheid te kunnen versnaperen aan het jonge boomloof en het gras dat hier in overvloed voorhanden was.
De soldaten deden hun soberen maaltijd en vlijden zich neer op hunne mantels om te rusten.[217]
Weldra lagen al de leden der karavaan in een diepen slaap gedompeld; slechts twee mannen bleven waken. Deze twee mannen waren de kapitein en de gids.
Waarschijnlijk werden beiden te veel door ernstige gedachten bezig gehouden, om zich aan de anders zoo welkome rust over te geven.
Op weinige passen van het kamp lagen eenige monsterachtige krokodillen in de heete zon te bakeren op het graauwe slijk van een kleinen stroom, die zacht murmelend voortkronkelde tusschen de rotsklompen en rietplaten die zijn loop belemmerden. Myriaden insecten vervulden de lucht met hun eentoonig gehommel; de eekhoorns huppelden vrolijk van tak tot tak; de vogels onder het loof verscholen zongen met vollen gorgel, en nu en dan zag men boven het lange gras een damhert of ashata met schuwen blik den fijnen kop opsteken, om het volgend oogenblik verschrikt weg te springen en zich in het kreupelbosch te verbergen.
Maar de twee wakende mannen hadden het te druk met hunne eigene gedachten om te letten op hetgeen er rondom hen gebeurde.
De kapitein hief het hoofd op; op dit oogenblik had de gids juist met zonderlinge vastheid den blik op hem gerigt; verlegen dat hij zich zoo onverhoeds zag overrompelen, zocht hij den kapitein terstond af te leiden door het woord tot hem te rigten, een taktiek die dezen niet ontging en hem dus geenszins van het spoor bragt.
„Wij hebben een heeten dag, kapitein,” zei de gids met een onverschilligen blik.
„Ja,” antwoordde de officier lakoniek.
„Zoudt gij ook geen trek hebben om eenige rust te nemen?”
„Neen.”
„Wat mij betreft, mijne oogen zijn zoo bezwaard dat ze tegen wil en dank bijna toevallen, als gij het mij vergunt zal ik doen als de anderen en eenige oogenblikken rust nemen, die zij zoo onbezorgd schijnen te genieten.”
„Wacht nog even, ik heb u eenige woorden te zeggen.”
„Mij?”
„Ja.”
„Goed,” hernam hij op een toon van volkomen onverschilligheid.
Hij stond op, smoorde een zucht van spijt en kwam bij den kapitein zitten, die een weinig opschoof om plaats voor hem te maken onder delommerrijkeschaduw van een dikken boom, die zijne reuzenarmen, beladen met digte ranken Spaansch mos, ver over hen uitbreidde.[218]
„Wij hebben ernstige zaken te bespreken,” hervatte de kapitein.
„Zoo als u behaagt.”
„Kunt gij opregt zijn?”
„Hoe zoo!” riep de soldaat min of meer van zijn stuk gebragt door deze onbewimpelde vraag.
„Of, als gij dat liever wilt, kunt gij trouw en verknocht zijn?”
„Dat kan er naar wezen.”
De kapitein keek hem aan.
„Zult gij op mijne vragen antwoorden?” vroeg hij.
„Dat weet ik niet.”
„Hoe dat, weet gij dat niet?”
„Hoor eens, kapitein!” riep de gids als om er een grap van te maken, „mijne moeder was eene zeer verstandige vrouw, zij heeft mij altijd geleerd twee soorten van lieden te mistrouwen, namelijk de leeners en de vragers, „want zeide zij,” en niet zonder reden, „de eene komt om uw beurs en de andere om uwe geheimen.”
„Gij hebt dus geheimen?”
„Ik? volstrekt niet.”
„Wat vreest gij dan?”
„Niet veel, dat beken ik. Welnu! vraag maar, kapitein, ik zal zien dat ik u beantwoord.”
De Mexicaansche boer, Indiaan, of kreool, heeft veel van den Normandischen boer, namelijk dat hij bijna nooit eenig bepaald antwoord zal geven op de vraag die men hem doet. De kapitein was dus genoodzaakt zich met de geveinsde belofte van den gids te vergenoegen; hij hervatte:
„Wie zijt gij?”
„Ik?”
„Ja!”
De gids begon te lagchen.
„Dat ziet gij wel.”
De kapitein schudde het hoofd.
„Ik vraag u niet wat gij schijnt te zijn, maar wat gij werkelijk zijt.”
„Wel! mijnheer, welk mensch is in staat om bepaald van zich zelven te zeggen wat hij werkelijk is?”
„Hoor eens, kerel,” hervatte de kapitein op bedreigenden toon, „ik wil mijn tijd niet verbeuzelen met de uitwijkende praatjes te volgen die gij gelieft te maken. Antwoord mij stellig en ordelijk op hetgeen ik u vraag, of anders.…”
„Anders?.…” viel de gids hem op schertsenden toon in de rede.
„Schiet ik u voor den kop als een hond!” antwoordde hij,[219]terwijl hij een pistool uit zijn gordel nam en den haan overhaalde.
Het oog van den soldaat fonkelde, maar zijne trekken bleven onverschillig en geen spier op zijn gelaat vertrok.
„O, ho! heer kapitein,” riep hij met eene sombere stem; „gij hebt eene wonderlijke manier om uwe vrienden te ondervragen.”
„Wie verzekert mij dat gij een vriend zijt?… Ik ken u niet.”
„Dat is waar, maar gij kent den persoon die mij tot u zond, die persoon is uw chef, zoowel als de mijne; ik heb hem gehoorzaamd met tot u te komen, en gij moet hem gehoorzamen door de orders op te volgen die hij u gegeven heeft.”
„Ja, maar die orders zijn mij door u overgebragt.”
„Wat doet er dat toe?”
„Wie verzekert mij dat die dépêche die gij mij gebragt hebt u werkelijk door hem gegeven werd?”
„Caramba! kapitein, wat gij mij daar zegt is alles behalve vleijend voor mij,” antwoordde de gids op een toon van gevoeligheid.
„Dat weet ik; maar ongelukkig leven wij in een tijd dat het zeer moeijelijk is om zijne vrienden van zijne vijanden te onderkennen; men kan niet genoeg op zijne hoede zijn om niet in den strik te vallen; ik ben door het gouvernement met eene bijzonder teedere zending belast en moet dus uiterst omzigtig te werk gaan met de lieden die ik niet ken.”
„Gij hebt gelijk, kapitein; ook ben ik, ofschoon uwe vermoedens voor mij alles behalve vereerend zijn, geenszins gebelgd over hetgeen gij mij zegt; buitengewone toestanden vereischen buitengewone maatregelen. Alleen zal ik u door mijn gedrag zien te bewijzen dat gij u ten mijnen aanzien bedrogen hebt.”
„Het zal mij hoogst aangenaam zijn als ik mij vergis, maar pas op. Bij den minsten slinkschen trek of dubbelzinnigheid die ik, het zij in uwe bewegingen of woorden bespeurde, zou ik niet aarzelen u een kogel door de hersens te jagen. Intusschen heb ik u gewaarschuwd en kunt gij er u naar gedragen.”
„Goed, kapitein, ik waag er mij aan. Wat er ook gebeure ben ik overtuigd dat mijn geweten mij vrijspreekt, want ik weet dat ik mijn pligt doe.”
Dit gezegde ging hem zoo rond en vrijmoedig af, dat de kapitein ondanks zijn argwaan, er door getroffen werd.
„Wij zullen zien,” zeide hij. „Komen wij spoedig uit dat verwenschte bosch daar wij nu reeds zoo lang in zijn?”
„Wij hebben nog maar twee uren te marcheren, tegen zonsondergang komen wij aan het detachement dat ons wacht.”[220]
„God geve het!” murmelde de kapitein.
„Amen!” zei de soldaat op grappigen toon.
„Maar terwijl gij niet hebt kunnen goedvinden op mijne vragen te antwoorden,” hervatte Melendez, „zult gij mij niet kwalijk nemen dat ik u geen oogenblik uit het oog verlies, en als wij weder op marsch gaan, u aan mijne zijde neem.”
„Dat kunt gij doen naar het u behaagt, kapitein; gij hebt de magt, zoo niet het regt aan uw kant, ik ben verpligt mij naar uwe wenschen te voegen.”
„Zeer goed, gij moogt thans gaan slapen als gij lust hebt.”
„Dus hebt gij mij niets meer te zeggen?”
„Niets.”
„Dan zal ik mij de vrijheid, die gij mij wel wilt toestaan, ten nutte maken om mijn verloren tijd in te halen.”
De soldaat stond op, rekte zich uit en bedwong zich met moeite om niet te geeuwen; hij verwijderde zich eenige passen, strekte zich op den grond uit, sloot de oogen, en lag eenige minuten later in een diepen slaap.
De kapitein bleef waken. Het gevoerde gesprek met den gids had zijne onrust niet weinig doen toenemen, daar het hem bewees, dat deze man onder eene alledaagsch en rondborstig uiterlijk, groote sluwheid verborg. Inderdaad had hij op geen enkele der hem gedane vragen geantwoord, en was het hem in weinige oogenblikken gelukt de aanvallende houding van den kapitein af te slaan en om te keeren, door een redeneertrant die op zich zelf weinig afdeed, maar tegen welke de kapitein niets had kunnen inbrengen.
Don Juan bevond zich op dit oogenblik in de onaangenaamste stemming waarin een man van moed en verstand wezen kan, die over zich zelf noch over anderen voldaan, innig overtuigd was dat hij gelijk had en toch in zekeren zin bekennen moest dat hij ongelijk had en de zaak niet rigtig was.
Zoo als meestal in dergelijke gevallen gebeurt, moesten de soldaten de kwade luim van hun chef misgelden, want de officier, uit vrees dat de duisternis van den nacht iedere slechte kans voor hem zou verergeren, en zich niet gaarne bij nacht in de eindelooze doolhoven van het bosch willende laten overrompelen, maakte de halt veel korter dan hij bij iedere andere gelegenheid zou gedaan hebben.
Omstreeks twee uren na den middag liet hij in den zadel blazen, en gaf bevel om te vertrekken.
De grootste hitte van den dag was echter voorbij; de stralen der zon, die thans minder loodregt neder vielen hadden veel van[221]hunne kracht verloren en de marsch werd onder beter omstandigheden voortgezet dan vroeger.
Zooals hij hem te voren gezegd had, liet de kapitein den gids naast zich rijden, en verloor hij hem, zooveel dit immer mogelijk was, geen oogenblik uit het oog.
Laatstgenoemdescheen zich om deze hinderlijke naauwlettendheid gansch niet te bekommeren, hij reedaltooseven onverschillig voort; rookte zijn maïs cigarette en neuriede half overluid nu en dan een soldatenliedje.
Het bosch begon langzamerhand ijler te worden, de opene plekken werden grooter en talrijker en het oog kreeg een meer uitgebreiden gezigteinder: alles droeg bij om te verzekeren dat men weldra het einde der bladgewelven zou bereiken.
Intusschen zag men het land links en regts heuvelachtig worden, de grond begon zich langzamerhand te verheffen en naarmate men vorderde, raakte de weg meer en meer ingesloten.
„Komen wij reeds aan de voorposten der bergen?” vroeg de kapitein.
„O neen, nog niet,” antwoordde de gids.
„Wij geraken toch weldra tusschen twee heuvels.”
„Ja maar geen hooge.”
„Dat is waar, evenwel, als ik mij niet bedrieg, naderen wij een bergengte.”
„Ja, maar van weinig uitgestrektheid.”
„Dat hadt gij wel kunnen waarschuwen.”
„Waarom?”
„Dan zou ik tirailleurs vooruit hebben gezonden.”
„Dat is zoo, maar daar is nog tijd voor, zoo gij dat wilt; aan het einde van dien bergpas moeten wij vinden die ons wachten.”
„Dus zijn wij waar wij wezen moeten?”
„Ten naastenbij.”
„Haasten wij ons dan.”
„Met alle genoegen.”
Zij reden sneller voort.
Op eens bleef de gids staan.
„Hé! kapitein,” riep hij, „kijk eens daar! is dat geen geweerloop dien ik in de zon zie glinsteren?”
De kapitein hief schielijk de oogen op in de aangewezen rigting.
Op het zelfde oogenblik knalde er een vreeselijk geweervuur aan beide kanten van den weg, en regende een hagelbui van kogels op de karavaan.[222]
Eer nog de kapitein, over dezen aanval verontwaardigd, den tijd had om zijn pistool te grijpen, tuimelde hij op den grond, weggesleept door zijn paard, dat door een kogel in het hart was getroffen.
De gids had reeds het hazenpad gekozen, zonder dat men wist hoe of waarheen hij ontsnapt was.