XXVIII.

[Inhoud]XXVIII.JOHN DAVIS.John Davis, de gewezen slavenkooper, was te sterk van zenuwen om zich door den indruk der tooneelen, die hij in den loop van dien dag had bijgewoond en in welke hij zelfs op zeker oogenblik een vrij gevaarlijke rol had gespeeld, op den duur te laten beheerschen.Nadat hij den Blaauwe-Vos verlaten had, vervolgde hij een geruimen tijd zijn galop, in de rigting waar hij berekenen kon den Jaguar te zullen ontmoeten. Maar allengs gaf hij zich aan zijne gedachten over, en zijn paard, met het wonderbaar instinct dat deze edele dieren bezitten, weldra begrijpende dat zijn meester zich niet langer met hem bezig hield, begon van lieverlede zijn pas te verslappen, en ging van den vliegenden ren in een matigen galop over; vervolgens in den draf en eindelijk in den telgang komende, stapte hij langzaam voort, met het hoofd omlaag en nu en dan met de lippen eenige grashalmen of versche bladeren opsnappende die onder zijn bereik kwamen.John Davis was sterk getroffen door het gedrag van een der personaadjen met welke de onverwachte gebeurtenissen van dien gedenkwaardigen morgen hem toevallig in verband hadden gebragt.De persoon die thans de eer genoot de belangstelling van den Amerikaan in zoo hooge mate gaande te maken, was deBlanke-Scalpeur.De heldhaftige strijd door dezen man alleen tegen een ganschen troep woedende vijanden volgehouden, zijne herculische kracht, de vaardigheid waarmede hij zijn paard bestuurde, kortom, alles scheen in dien man aan het wonderbare te grenzen.Dikwijls had hij gedurende de ledige avonden bij het bivakvuur in de prairie, omtrent dezen wilden jager de zonderlingste[223]en meest overdreven vertellingen gehoord, door de Indianen, dien hij eene vrees inboezemde van welke hij thans, nu hij den man gezien had, zeer goed de reden begreep; want de zoogenaamde Scalpeur, die met de wapens welke men op hem rigtte scheen te spotten, en die uit iederen strijd welken hij aanving, onverschillig hoe groot het aantal zijner vijanden wezen mogt, ongedeerd terugkwam, scheen inderdaad veeleer een duivel dan een mensch te zijn. Deze gedachte deed John Davis tegen wil en dank sidderen en hij wenschte zich geluk, op zulk eene bijna wonderdadige wijs aan het gevaar te zijn ontsnapt, dat hij bij zijn ontmoeting met hem geloopen had.Wij zullen hier in ’t voorbijgaan aanmerken, dat er ondanks al hunne schranderheid, welligt geen bijgelooviger volk op de wereld bestaat dan de Noord-Amerikanen.Dit laat zich gemakkelijk begrijpen: deze natie is een wareharlekijnsmantel, een bont zamenstel van alle geslachten des aardbodems! ieder vertegenwoordigt er zijn eigen ras en brengt bij zijne komst in Amerika als landverhuizer niet alleen zijne ondeugden en hartstogten, maar ook zijn eigen veelsoortig geloof en bijgeloof mede, en daaronder vaak de kinderachtigste en ongerijmdste sprookjes; zooveel te meer nog, daar de emigranten die in verschillende tijdvakken naar Amerika verhuisden grootendeels bestonden uit lieden zonder beschaving, ja zelfs zonder iets dat naar opvoeding geleek; en wat dit laatste betreft zijn de meeste Noord-Amerikanen nog weinig veranderd en steeds even ruw en onbeschaafd als hunne voorvaderen.Men kan zich ligtelijk verbeelden welk een menigte legenden van toovenaars, duivels, spoken enz. in Noord-Amerika gangbaar zijn en hoe deze legenden, door de overlevering bewaard en van mond tot mond voortgeplant, door den tijd met elkander zijn vermengd en verward geraakt niet alleen, maar aangegroeid en vermenigvuldigd, in een land waar de grootsche natuurtooneelen die men dagelijks voor oogen heeft als van zelve bijdragen om den geest tot zwaarmoedige droomen te stemmen.Zoo was ook John Davis, hoeveel hij zich op zijn helder doorzigt liet voorstaan, even als zijne meeste landgenooten met een sterke dosis bijgeloovigheid begaafd, zoodat deze zelfde man, die van geen wijken wist al zag hij een aantal geweren op zijne borst gerigt, soms kon sidderen als er bij nacht een vallend blad op zijn schouder ritselde.Overigens, zoodra John Davis eenmaal het denkbeeld had opgevat[224]dat deBlanke-Scalpeureen duivel of ten minste een toovenaar was, liet hij het gelden en werd deze opvatting voor hem zoo vast als een geloofsartikel.Natuurlijk gevoelde hij zich terstond verligt door dit besluit; zijne denkbeelden hernamen hun gewonen loop en de bezorgdheid die hem kwelde was als door een tooverslag verdwenen. Hij had nu zijn bepaalde meening over dien wonderman, en zoo het toeval hem ooit weder in zijne nabijheid bragt, zou hij wel weten hoe hij zich jegens hem gedragen moest.Gelukkig met zijne bevredigende oplossing, hief hij vrolijk het hoofd op en liet de blikken weder vrij in het rond weiden om de streek te bezien die hij doortrok.Hij bevond zich omtrent in het midden van eene uitgestrekte vlakte, bijna geheel bedekt met hoog gras en hier en daar met eenige groepen mahonie- en peru-boomen bezet.Maar op eens verhief hij zich in de stijgbeugels, hield zich de regterhand als een scherm boven de oogen en tuurde scherp in de verte.Op ongeveer een halve mijl afstands van de plaats waar hij thans stil hield, een weinig regts af, dat is juist in de rigting die hij dacht te volgen, zag hij uit een kreupelbosch van mastik en aloë’s en ettelijke lorkenboomen, een kleine rookzuil opstijgen.In de woestijn geeft een kolom rook, op weg ontmoet, altijd ruime stof tot bedenking, want rook stijgt gewoonlijk op uit een vuur rondom hetwelk verscheidene personen gezeten zijn.Nu is er in de wildernis geen ongelukkiger schepsel dan de mensch, want als hij daar zijns gelijken ontmoet, is het honderd tegen een dat het vijanden zullen zijn.Evenwel, na rijpe overweging, besloot John Davis om regelregt op het vuur af te gaan; sedert den vroegen morgen had hij nog niets gegeten, de honger begon hem dus te kwellen en bovendien was hij zeer vermoeid; hij onderzocht vooraf zorgvuldig zijne wapens, om er zich in geval van nood van te kunnen bedienen, gaf toen zijn paard de sporen en reed stoutmoedig op den rook af, zonder nogtans te verzuimen naauwkeurig rond te zien, uit vrees voor overrompeling.Na verloop van tien minuten bereikte hij het doel van zijn rid, maar op vijftig passen van het boschje vertraagde hij den loop van zijn paard, en legde zijne buks dwars voor zich op den zadel; toen verdween van zijn gelaat de trek der bezorgdheid die er tot dusver op verspreid lag, en hij naderde het vuur met een glimlach[225]op de lippen zoo vriendelijk als hem immer mogelijk was.In een digt boschje, welks schaduw den vermoeiden reiziger eene verkwikkende schuilplaats bood, zat een man in de uniform der Mexicaansche dragonders, rustig bij een helder vuur zijn maal te bereiden, terwijl hij onder de hand eenmaïs-sigaarrookte. Een lange lans met een vaantje stond tegen den stam van een lorkenboom, en een volkomen getuigd paard, dat men alleen het hoofdstel had afgenomen, knabbelde vreedzaam aan de jonge twijgen en het malsche gras der prairie.De soldaat scheen zeven- of acht en twintig jaar oud te zijn, zijne sluwe gelaatstrekken werden door kleine maar levendige oogen opgeluisterd, en de koperkleurige tint van zijne huid bewees dat hij van Indiaansche afkomst was.Hij had den ruiter reeds lang zijn kamp zien naderen, maar scheen aan diens komst niet veel gewigt te hechten, en was onbekommerd blijven doorrooken en op zijn kokenden ketel passen, zonder andere voorzorg tegen den onverwachten bezoeker, dan eventjes te zien of zijn sabel wel vlot uit de schede ging.John Davis, toen hij den soldaat tot op weinige passen genaderd was, bleef staan, bragt de hand aan den hoed en riep:„Ave Maria purissima!”„Sinpecadoconcebida!” antwoordde de dragonder, hem denzelfden groet teruggevende.„Santas tardes!” hervatte de Amerikaan.„Dios las de a ustem buenas!” antwoordde de andere onmiddellijk.Deze grondvormen van iedere Mexicaansche begroeting afgeloopen zijnde, was het ijs gebroken en de kennis gemaakt.„Stijg af, caballero,” zei de dragonder, „het is smoorheet in de prairie; hier in de schaduw is het uitmuntend; ik heb daar in dien kleinen ketel wat cecina en roode boonen met spaansche peper, daar gij mij straks meer van zult zeggen, als gij mij de eer wilt doen van mijn maaltijd te deelen.”„Ik neem uwe minzame uitnoodiging van ganscher harte aan, caballero,” antwoordde de Amerikaan glimlagchende; „want ik moet u, wat meer is, bekennen dat ik letterlijk verga van den honger, en bovendien zoo moe ben dat ik naauwelijks voortkan.”„Carai! dan wensch ik mij zelven geluk met onze onverhoopte vereeniging. Maar wacht toch niet langer en stijg af!”„Dat doe ik al.”Werkelijk steeg de Amerikaan van zijn paard, nam het den hoofdstel af, en liet het edele dier onmiddellijk grazen bij zijn[226]kameraad, terwijl zijn meester zich met een zucht van zelfvoldoening bij den dragonder op het gras nedervlijde.„Gij schijnt een langen rid gemaakt te hebben, caballero?” zei de soldaat.„Ja,” antwoordde de Amerikaan, „ik heb nu acht uren te paard gezeten, ongerekend dat ik den vroegen morgen met vechten heb doorgebragt.”„Caramba! dan hebt gij een zware taak gehad.”„Dat moogt gij gerust zeggen, zonder gevaar van u te vergissen; want op mijn eer als jager, heb ik maar zelden zoo veel te doen gehad.”„Zijt gij jager?”„Om u te dienen.”„Dat is een schoon vak,” zei de soldaat met een zucht; „ik ben het ook geweest.”„En gij treurt er nog om?”„Alle dagen.”„Dat kan ik wel denken; als men eens het leven der wildernis genoten heeft, verlangt men er steeds naar terug.”„Helaas!”„Waarom hebt gij het vaarwel gezegd, als gij er toch zooveel van houdt?”„Ach, ja!” riep de soldaat, „de liefde!”„Hoedat, de liefde?”„Ja, eenechola, daar ik zoo gek was op te verlieven, heeft mij overgehaald om dienst te nemen.”„Wel drommels!”„Ja, en naauwelijks had ik mijn uniform aangetrokken, of zij vertelde mij dat zij zich in mij vergist had, daar ik er in mijn nieuwe pak veel leelijker uitzag dan zij zich ooit had kunnen verbeelden; kortom, zij gaf mij zonder omwegen den zak, om een arriero na te loopen.”De Amerikaan moest om deze zonderlinge historie hartelijk lagchen.„Dat is treurig, niet waar?” hervatte de soldaat.„Zeer treurig,” antwoordde John Davis, terwijl hij te vergeefs zijn gewone bedaardheid zocht te hernemen.„Wat zal ik er tegen doen?” vervolgde de dragonder zwaarmoedig, „de wereld is vol bedrog.Maar,” riep hij, op eens van toon veranderend, „ik geloof dat ons eten klaar is, ik krijg een zekeren reuk in den neus die mij zegt dat het tijd is om den ketel af te nemen.”[227]Terwijl John Davis op dit besluit van den soldaat natuurlijk niets had aan te merken, begon laatstgenoemde hetonmiddellijkten uitvoer te leggen; de ketel werd van het vuur getild en voor de twee gasten op den grond geplaatst, die er terstond een krachtdadigen aanval op begonnen, zoodat hij ondanks den redelijken omvang weldra geledigd was.Dit heerlijke maal werd met een teug catalonische refino besproeid, waar de soldaat rijkelijk van voorzien scheen te zijn.Eindelijk werd alles besloten met een zware cigarette, de onmisbare bekrooning van iederen maaltijd in Spaansch Amerika, en de beide mannen, versterkt door het goede voedsel dat zij genoten hadden, waren thans welgemoed en in de beste stemming om openhartig zamen te praten.„Gij schijnt mij toe een man van voorzorgen te zijn, caballero,” merkte de Amerikaan aan, terwijl hij een verbazende wolk tabaksdamp deels door zijn mond deels door zijn neus uitblies.„Dat is nog een overblijfsel van mijn oude beroep als jager,” zei de ander. „De soldaten zijn over het geheel zoo zorgzaam niet, dat scheelt veel.”„Hoe meer ik u leer kennen,” hernam John Davis, „hoe meer ik mij verwonderen moet dat gij een zoo weinig voordeel gevend vak hebt kunnen kiezen als het militaire.”„Wat kan men er tegen doen? dat is mijn kruis en bovendien, de onmogelijkheid om mijn uniform naar den duivel te zenden! Maar toch, ik hoop over een jaarcabo(brigadier) te zijn.”„Hum! dat is een mooije graad, zooals ik hoor zeggen; dat geeft een goed traktement.”„Dat zou zeker zoo slecht niet zijn, als wij het maar ontvingen.”„Hoedat? als wij het maar ontvingen.”„Ja!…Hetschijnt dat het gouvernement niet rijk is.”„Zoo! geeft gij het dan krediet?”„Wij moeten wel.”„Te duivel! neem mij niet kwalijk, dat ik u al deze vragen doe, die gij wel onbescheiden zult vinden.”„Geenszins, stoor u daaraan niet,wij praten als vrienden.”„Hoe kunt gij dan leven?”„Ha, ja! wij hebben hetcasual.”„Het casual! wat is dat?”„Weet gij dat niet?”„Ik moet zeggen van neen.”[228]„Ik zal het u uitleggen.”„Dat zal mij pleizier doen.”„Het gebeurt dikwijls dat onze kapitein of generaal ons eene bijzondere zending opdraagt.”„Zeer goed.”„Die zending wordt afzonderlijk betaald, hoe gevaarlijker zij is hoe grooter wordt de som.”„Altijd op krediet?”„Te duivel neen! vooruit.”„Dat is beter.”„Niet waar?”„En hebt gij nog wel eens van die zendingen?”„Dikwijls, vooral in tijden vanpronunciamento(nieuwe regering.)”„Ja, maar het is nu bijna een jaar dat er geen nieuwe generaal aan ’t bewind is gekomen.”„Ongelukkig genoeg.”„Dus zit gij nu op droog zaad?”„Niet geheel en al.”„Hebt gij dan zendingen gehad?”„Ik heb er een op dit oogenblik.”„Goed betaald?”„Ordentelijk.”„Is het niet al te nieuwsgierig u te vragen hoeveel?”„O, neen: ik heb vijfentwintig oncen gehad.”„Carai! een aardige som. Die zending moet wel gevaarlijk zijn, dat zij zoo goed betaald wordt.”„Zij is niet zonder gevaar.”„Hum! pas dan maar goed op.”„Dank u; maar ik waag niet veel: ik heb slechts een brief over te brengen.”„Is ’t waar, een brief.…” riep de Amerikaan onverschillig.„O! maar deze is van meer belang dan gij misschien denkt.”„Bah!”„Waarachtig! op mijn woord, het geldt eenigemillioenen.”„Wat zegt gij daar?” riep John Davis tegen wil en dank onthutst.Sedert zijne ontmoeting met den soldaat, had de jager het er op toegelegd om hem uit te hooren over de reden van zijne komst in deze eenzame streek, want het vinden van een dragonder in de prairie kwam hem niet zonder reden zeer vreemd voor; het deed[229]hem dus bijzonder genoegen dat deze als van zelf in den strik liep dien hij hem gespannen had.„Ja,” hervatte de soldaat, „generaal Rubio, wiens ordonnans ik ben, heeft mij met een estafette naar kapitein Melendez belast, die op dit oogenblik een geld-konvooi eskorteert.”„Denkt gij dat?”„Carai! of ik het denk? ik zeg u immers dat ik den brief bij mij heb.”„Dat is zoo; maar wat heeft de generaal er mede voor, dat hij aan den kapitein schrijft?”De soldaat keek den jager aan met een guiterig gezigt; toen op eens van toon veranderende, zeide hij, hem scherp in de oogen ziende:„Wilt gij met open kaart spelen?”De jager begon te meesmuilen.„Goed,” antwoordde hij, „ik zie dat wij elkander wel verstaan zullen.”„Waarom niet? Goed afspreken is alles tusschen caballeros. Wij spelen dus zuiver spel, niet waar?”„Dat begrijpt zich.”„Beken het maar dat gij gaarne woudt weten wat er in den brief staat.”„O! louter nieuwsgierigheid, dat zweer ik u.”„Pardi! daar ben ik van overtuigd: welnu, het hangt slechts van u af om het te weten.”„Goed, dan zullen wij het spoedig eens worden; zeg mij uwe voorwaarden?”„O, die zijn eenvoudig genoeg.”„Spreek op!”„Zie mij eens goed aan; herkent gij mij niet.”„Op mijn woord, neen.”„Dan moet ik zeggen dat ik beter geheugen heb dan gij.”„Dat is wel mogelijk.”„Ik herken u.”„Gij?”„Ja, zeer goed.”„Gij kunt mij ergens gezien hebben.”„Wel waarschijnlijk, maar dat maakt weinig uit, het voornaamste is, dat ik weet wie gij zijt.”„O! een eenvoudig jager.”„Ja, en een intiem vriend van den Jaguar.”[230]„Wat zegt gij daar!” riep John Davis met een sprong van verrassing.„Laat u niet verschrikken door zulk eene beuzeling; antwoord liever: is het waar, of niet waar?”„Het is waar; ik zie niet in waarom ik dit tusschen u en mij zou verbergen.”„Gij zoudt verkeerd doen. Waar is de Jaguar op dit oogenblik?”„Ik weet het niet.”„Zeg liever dat gij het niet wilt zeggen.”„Gij hebt het geraden.”„Goed. Zoudt gij, indien ik zulks verlangde, mij bij hem kunnen brengen?”„Daar zie ik geen bezwaar in, zoo de zaak de moeite waard is.”„Heb ik u niet gezegd dat het om millioenen te doen was?”„Dat wel, maar gij hebt het mij niet bewezen.”„Het is dus dit bewijs dat gij van mij verlangt?”„Anders niets.”„Dat gaat moeijelijk genoeg.”„Toch niet.”„Hoe meent gij?”„Mijn hemel! ik ben een goed kameraad; ik wil niets meer dan mijne verantwoording dekken; laat mij den brief zien, meer vraag ik niet.”„Zoudt gij daarmede voldaan zijn?”„Zooveel te meer daar het schrift van den generaal mij bekend is.”„O! dan zijn wij spoedig geholpen.” Thans haalde hij een groot toegevouwenen gezegeld papier uit zijne borst: „Kijk,” zeide hij terwijl hij het aan den Amerikaan liet zien, zonder het echter los te laten.Laatstgenoemde beschouwde het eenige minuten met aandacht.„’t Is wel het schrift van den generaal, niet waar?” vervolgde de soldaat.„Ja.”„Bewilligt gij nu, mij naar den Jaguar te brengen?”„Zoodra gij maar wilt.”„Dadelijk dan.”„Dadelijk? goed.”De beide mannen stonden op als met gemeen overleg, deden de paarden het gebit weder aan, sprongen in den zadel, en reden in galop weg van de plaats die hun verscheidene uren zulk eene verkwikkelijke schaduw verleend had.[231]

[Inhoud]XXVIII.JOHN DAVIS.John Davis, de gewezen slavenkooper, was te sterk van zenuwen om zich door den indruk der tooneelen, die hij in den loop van dien dag had bijgewoond en in welke hij zelfs op zeker oogenblik een vrij gevaarlijke rol had gespeeld, op den duur te laten beheerschen.Nadat hij den Blaauwe-Vos verlaten had, vervolgde hij een geruimen tijd zijn galop, in de rigting waar hij berekenen kon den Jaguar te zullen ontmoeten. Maar allengs gaf hij zich aan zijne gedachten over, en zijn paard, met het wonderbaar instinct dat deze edele dieren bezitten, weldra begrijpende dat zijn meester zich niet langer met hem bezig hield, begon van lieverlede zijn pas te verslappen, en ging van den vliegenden ren in een matigen galop over; vervolgens in den draf en eindelijk in den telgang komende, stapte hij langzaam voort, met het hoofd omlaag en nu en dan met de lippen eenige grashalmen of versche bladeren opsnappende die onder zijn bereik kwamen.John Davis was sterk getroffen door het gedrag van een der personaadjen met welke de onverwachte gebeurtenissen van dien gedenkwaardigen morgen hem toevallig in verband hadden gebragt.De persoon die thans de eer genoot de belangstelling van den Amerikaan in zoo hooge mate gaande te maken, was deBlanke-Scalpeur.De heldhaftige strijd door dezen man alleen tegen een ganschen troep woedende vijanden volgehouden, zijne herculische kracht, de vaardigheid waarmede hij zijn paard bestuurde, kortom, alles scheen in dien man aan het wonderbare te grenzen.Dikwijls had hij gedurende de ledige avonden bij het bivakvuur in de prairie, omtrent dezen wilden jager de zonderlingste[223]en meest overdreven vertellingen gehoord, door de Indianen, dien hij eene vrees inboezemde van welke hij thans, nu hij den man gezien had, zeer goed de reden begreep; want de zoogenaamde Scalpeur, die met de wapens welke men op hem rigtte scheen te spotten, en die uit iederen strijd welken hij aanving, onverschillig hoe groot het aantal zijner vijanden wezen mogt, ongedeerd terugkwam, scheen inderdaad veeleer een duivel dan een mensch te zijn. Deze gedachte deed John Davis tegen wil en dank sidderen en hij wenschte zich geluk, op zulk eene bijna wonderdadige wijs aan het gevaar te zijn ontsnapt, dat hij bij zijn ontmoeting met hem geloopen had.Wij zullen hier in ’t voorbijgaan aanmerken, dat er ondanks al hunne schranderheid, welligt geen bijgelooviger volk op de wereld bestaat dan de Noord-Amerikanen.Dit laat zich gemakkelijk begrijpen: deze natie is een wareharlekijnsmantel, een bont zamenstel van alle geslachten des aardbodems! ieder vertegenwoordigt er zijn eigen ras en brengt bij zijne komst in Amerika als landverhuizer niet alleen zijne ondeugden en hartstogten, maar ook zijn eigen veelsoortig geloof en bijgeloof mede, en daaronder vaak de kinderachtigste en ongerijmdste sprookjes; zooveel te meer nog, daar de emigranten die in verschillende tijdvakken naar Amerika verhuisden grootendeels bestonden uit lieden zonder beschaving, ja zelfs zonder iets dat naar opvoeding geleek; en wat dit laatste betreft zijn de meeste Noord-Amerikanen nog weinig veranderd en steeds even ruw en onbeschaafd als hunne voorvaderen.Men kan zich ligtelijk verbeelden welk een menigte legenden van toovenaars, duivels, spoken enz. in Noord-Amerika gangbaar zijn en hoe deze legenden, door de overlevering bewaard en van mond tot mond voortgeplant, door den tijd met elkander zijn vermengd en verward geraakt niet alleen, maar aangegroeid en vermenigvuldigd, in een land waar de grootsche natuurtooneelen die men dagelijks voor oogen heeft als van zelve bijdragen om den geest tot zwaarmoedige droomen te stemmen.Zoo was ook John Davis, hoeveel hij zich op zijn helder doorzigt liet voorstaan, even als zijne meeste landgenooten met een sterke dosis bijgeloovigheid begaafd, zoodat deze zelfde man, die van geen wijken wist al zag hij een aantal geweren op zijne borst gerigt, soms kon sidderen als er bij nacht een vallend blad op zijn schouder ritselde.Overigens, zoodra John Davis eenmaal het denkbeeld had opgevat[224]dat deBlanke-Scalpeureen duivel of ten minste een toovenaar was, liet hij het gelden en werd deze opvatting voor hem zoo vast als een geloofsartikel.Natuurlijk gevoelde hij zich terstond verligt door dit besluit; zijne denkbeelden hernamen hun gewonen loop en de bezorgdheid die hem kwelde was als door een tooverslag verdwenen. Hij had nu zijn bepaalde meening over dien wonderman, en zoo het toeval hem ooit weder in zijne nabijheid bragt, zou hij wel weten hoe hij zich jegens hem gedragen moest.Gelukkig met zijne bevredigende oplossing, hief hij vrolijk het hoofd op en liet de blikken weder vrij in het rond weiden om de streek te bezien die hij doortrok.Hij bevond zich omtrent in het midden van eene uitgestrekte vlakte, bijna geheel bedekt met hoog gras en hier en daar met eenige groepen mahonie- en peru-boomen bezet.Maar op eens verhief hij zich in de stijgbeugels, hield zich de regterhand als een scherm boven de oogen en tuurde scherp in de verte.Op ongeveer een halve mijl afstands van de plaats waar hij thans stil hield, een weinig regts af, dat is juist in de rigting die hij dacht te volgen, zag hij uit een kreupelbosch van mastik en aloë’s en ettelijke lorkenboomen, een kleine rookzuil opstijgen.In de woestijn geeft een kolom rook, op weg ontmoet, altijd ruime stof tot bedenking, want rook stijgt gewoonlijk op uit een vuur rondom hetwelk verscheidene personen gezeten zijn.Nu is er in de wildernis geen ongelukkiger schepsel dan de mensch, want als hij daar zijns gelijken ontmoet, is het honderd tegen een dat het vijanden zullen zijn.Evenwel, na rijpe overweging, besloot John Davis om regelregt op het vuur af te gaan; sedert den vroegen morgen had hij nog niets gegeten, de honger begon hem dus te kwellen en bovendien was hij zeer vermoeid; hij onderzocht vooraf zorgvuldig zijne wapens, om er zich in geval van nood van te kunnen bedienen, gaf toen zijn paard de sporen en reed stoutmoedig op den rook af, zonder nogtans te verzuimen naauwkeurig rond te zien, uit vrees voor overrompeling.Na verloop van tien minuten bereikte hij het doel van zijn rid, maar op vijftig passen van het boschje vertraagde hij den loop van zijn paard, en legde zijne buks dwars voor zich op den zadel; toen verdween van zijn gelaat de trek der bezorgdheid die er tot dusver op verspreid lag, en hij naderde het vuur met een glimlach[225]op de lippen zoo vriendelijk als hem immer mogelijk was.In een digt boschje, welks schaduw den vermoeiden reiziger eene verkwikkende schuilplaats bood, zat een man in de uniform der Mexicaansche dragonders, rustig bij een helder vuur zijn maal te bereiden, terwijl hij onder de hand eenmaïs-sigaarrookte. Een lange lans met een vaantje stond tegen den stam van een lorkenboom, en een volkomen getuigd paard, dat men alleen het hoofdstel had afgenomen, knabbelde vreedzaam aan de jonge twijgen en het malsche gras der prairie.De soldaat scheen zeven- of acht en twintig jaar oud te zijn, zijne sluwe gelaatstrekken werden door kleine maar levendige oogen opgeluisterd, en de koperkleurige tint van zijne huid bewees dat hij van Indiaansche afkomst was.Hij had den ruiter reeds lang zijn kamp zien naderen, maar scheen aan diens komst niet veel gewigt te hechten, en was onbekommerd blijven doorrooken en op zijn kokenden ketel passen, zonder andere voorzorg tegen den onverwachten bezoeker, dan eventjes te zien of zijn sabel wel vlot uit de schede ging.John Davis, toen hij den soldaat tot op weinige passen genaderd was, bleef staan, bragt de hand aan den hoed en riep:„Ave Maria purissima!”„Sinpecadoconcebida!” antwoordde de dragonder, hem denzelfden groet teruggevende.„Santas tardes!” hervatte de Amerikaan.„Dios las de a ustem buenas!” antwoordde de andere onmiddellijk.Deze grondvormen van iedere Mexicaansche begroeting afgeloopen zijnde, was het ijs gebroken en de kennis gemaakt.„Stijg af, caballero,” zei de dragonder, „het is smoorheet in de prairie; hier in de schaduw is het uitmuntend; ik heb daar in dien kleinen ketel wat cecina en roode boonen met spaansche peper, daar gij mij straks meer van zult zeggen, als gij mij de eer wilt doen van mijn maaltijd te deelen.”„Ik neem uwe minzame uitnoodiging van ganscher harte aan, caballero,” antwoordde de Amerikaan glimlagchende; „want ik moet u, wat meer is, bekennen dat ik letterlijk verga van den honger, en bovendien zoo moe ben dat ik naauwelijks voortkan.”„Carai! dan wensch ik mij zelven geluk met onze onverhoopte vereeniging. Maar wacht toch niet langer en stijg af!”„Dat doe ik al.”Werkelijk steeg de Amerikaan van zijn paard, nam het den hoofdstel af, en liet het edele dier onmiddellijk grazen bij zijn[226]kameraad, terwijl zijn meester zich met een zucht van zelfvoldoening bij den dragonder op het gras nedervlijde.„Gij schijnt een langen rid gemaakt te hebben, caballero?” zei de soldaat.„Ja,” antwoordde de Amerikaan, „ik heb nu acht uren te paard gezeten, ongerekend dat ik den vroegen morgen met vechten heb doorgebragt.”„Caramba! dan hebt gij een zware taak gehad.”„Dat moogt gij gerust zeggen, zonder gevaar van u te vergissen; want op mijn eer als jager, heb ik maar zelden zoo veel te doen gehad.”„Zijt gij jager?”„Om u te dienen.”„Dat is een schoon vak,” zei de soldaat met een zucht; „ik ben het ook geweest.”„En gij treurt er nog om?”„Alle dagen.”„Dat kan ik wel denken; als men eens het leven der wildernis genoten heeft, verlangt men er steeds naar terug.”„Helaas!”„Waarom hebt gij het vaarwel gezegd, als gij er toch zooveel van houdt?”„Ach, ja!” riep de soldaat, „de liefde!”„Hoedat, de liefde?”„Ja, eenechola, daar ik zoo gek was op te verlieven, heeft mij overgehaald om dienst te nemen.”„Wel drommels!”„Ja, en naauwelijks had ik mijn uniform aangetrokken, of zij vertelde mij dat zij zich in mij vergist had, daar ik er in mijn nieuwe pak veel leelijker uitzag dan zij zich ooit had kunnen verbeelden; kortom, zij gaf mij zonder omwegen den zak, om een arriero na te loopen.”De Amerikaan moest om deze zonderlinge historie hartelijk lagchen.„Dat is treurig, niet waar?” hervatte de soldaat.„Zeer treurig,” antwoordde John Davis, terwijl hij te vergeefs zijn gewone bedaardheid zocht te hernemen.„Wat zal ik er tegen doen?” vervolgde de dragonder zwaarmoedig, „de wereld is vol bedrog.Maar,” riep hij, op eens van toon veranderend, „ik geloof dat ons eten klaar is, ik krijg een zekeren reuk in den neus die mij zegt dat het tijd is om den ketel af te nemen.”[227]Terwijl John Davis op dit besluit van den soldaat natuurlijk niets had aan te merken, begon laatstgenoemde hetonmiddellijkten uitvoer te leggen; de ketel werd van het vuur getild en voor de twee gasten op den grond geplaatst, die er terstond een krachtdadigen aanval op begonnen, zoodat hij ondanks den redelijken omvang weldra geledigd was.Dit heerlijke maal werd met een teug catalonische refino besproeid, waar de soldaat rijkelijk van voorzien scheen te zijn.Eindelijk werd alles besloten met een zware cigarette, de onmisbare bekrooning van iederen maaltijd in Spaansch Amerika, en de beide mannen, versterkt door het goede voedsel dat zij genoten hadden, waren thans welgemoed en in de beste stemming om openhartig zamen te praten.„Gij schijnt mij toe een man van voorzorgen te zijn, caballero,” merkte de Amerikaan aan, terwijl hij een verbazende wolk tabaksdamp deels door zijn mond deels door zijn neus uitblies.„Dat is nog een overblijfsel van mijn oude beroep als jager,” zei de ander. „De soldaten zijn over het geheel zoo zorgzaam niet, dat scheelt veel.”„Hoe meer ik u leer kennen,” hernam John Davis, „hoe meer ik mij verwonderen moet dat gij een zoo weinig voordeel gevend vak hebt kunnen kiezen als het militaire.”„Wat kan men er tegen doen? dat is mijn kruis en bovendien, de onmogelijkheid om mijn uniform naar den duivel te zenden! Maar toch, ik hoop over een jaarcabo(brigadier) te zijn.”„Hum! dat is een mooije graad, zooals ik hoor zeggen; dat geeft een goed traktement.”„Dat zou zeker zoo slecht niet zijn, als wij het maar ontvingen.”„Hoedat? als wij het maar ontvingen.”„Ja!…Hetschijnt dat het gouvernement niet rijk is.”„Zoo! geeft gij het dan krediet?”„Wij moeten wel.”„Te duivel! neem mij niet kwalijk, dat ik u al deze vragen doe, die gij wel onbescheiden zult vinden.”„Geenszins, stoor u daaraan niet,wij praten als vrienden.”„Hoe kunt gij dan leven?”„Ha, ja! wij hebben hetcasual.”„Het casual! wat is dat?”„Weet gij dat niet?”„Ik moet zeggen van neen.”[228]„Ik zal het u uitleggen.”„Dat zal mij pleizier doen.”„Het gebeurt dikwijls dat onze kapitein of generaal ons eene bijzondere zending opdraagt.”„Zeer goed.”„Die zending wordt afzonderlijk betaald, hoe gevaarlijker zij is hoe grooter wordt de som.”„Altijd op krediet?”„Te duivel neen! vooruit.”„Dat is beter.”„Niet waar?”„En hebt gij nog wel eens van die zendingen?”„Dikwijls, vooral in tijden vanpronunciamento(nieuwe regering.)”„Ja, maar het is nu bijna een jaar dat er geen nieuwe generaal aan ’t bewind is gekomen.”„Ongelukkig genoeg.”„Dus zit gij nu op droog zaad?”„Niet geheel en al.”„Hebt gij dan zendingen gehad?”„Ik heb er een op dit oogenblik.”„Goed betaald?”„Ordentelijk.”„Is het niet al te nieuwsgierig u te vragen hoeveel?”„O, neen: ik heb vijfentwintig oncen gehad.”„Carai! een aardige som. Die zending moet wel gevaarlijk zijn, dat zij zoo goed betaald wordt.”„Zij is niet zonder gevaar.”„Hum! pas dan maar goed op.”„Dank u; maar ik waag niet veel: ik heb slechts een brief over te brengen.”„Is ’t waar, een brief.…” riep de Amerikaan onverschillig.„O! maar deze is van meer belang dan gij misschien denkt.”„Bah!”„Waarachtig! op mijn woord, het geldt eenigemillioenen.”„Wat zegt gij daar?” riep John Davis tegen wil en dank onthutst.Sedert zijne ontmoeting met den soldaat, had de jager het er op toegelegd om hem uit te hooren over de reden van zijne komst in deze eenzame streek, want het vinden van een dragonder in de prairie kwam hem niet zonder reden zeer vreemd voor; het deed[229]hem dus bijzonder genoegen dat deze als van zelf in den strik liep dien hij hem gespannen had.„Ja,” hervatte de soldaat, „generaal Rubio, wiens ordonnans ik ben, heeft mij met een estafette naar kapitein Melendez belast, die op dit oogenblik een geld-konvooi eskorteert.”„Denkt gij dat?”„Carai! of ik het denk? ik zeg u immers dat ik den brief bij mij heb.”„Dat is zoo; maar wat heeft de generaal er mede voor, dat hij aan den kapitein schrijft?”De soldaat keek den jager aan met een guiterig gezigt; toen op eens van toon veranderende, zeide hij, hem scherp in de oogen ziende:„Wilt gij met open kaart spelen?”De jager begon te meesmuilen.„Goed,” antwoordde hij, „ik zie dat wij elkander wel verstaan zullen.”„Waarom niet? Goed afspreken is alles tusschen caballeros. Wij spelen dus zuiver spel, niet waar?”„Dat begrijpt zich.”„Beken het maar dat gij gaarne woudt weten wat er in den brief staat.”„O! louter nieuwsgierigheid, dat zweer ik u.”„Pardi! daar ben ik van overtuigd: welnu, het hangt slechts van u af om het te weten.”„Goed, dan zullen wij het spoedig eens worden; zeg mij uwe voorwaarden?”„O, die zijn eenvoudig genoeg.”„Spreek op!”„Zie mij eens goed aan; herkent gij mij niet.”„Op mijn woord, neen.”„Dan moet ik zeggen dat ik beter geheugen heb dan gij.”„Dat is wel mogelijk.”„Ik herken u.”„Gij?”„Ja, zeer goed.”„Gij kunt mij ergens gezien hebben.”„Wel waarschijnlijk, maar dat maakt weinig uit, het voornaamste is, dat ik weet wie gij zijt.”„O! een eenvoudig jager.”„Ja, en een intiem vriend van den Jaguar.”[230]„Wat zegt gij daar!” riep John Davis met een sprong van verrassing.„Laat u niet verschrikken door zulk eene beuzeling; antwoord liever: is het waar, of niet waar?”„Het is waar; ik zie niet in waarom ik dit tusschen u en mij zou verbergen.”„Gij zoudt verkeerd doen. Waar is de Jaguar op dit oogenblik?”„Ik weet het niet.”„Zeg liever dat gij het niet wilt zeggen.”„Gij hebt het geraden.”„Goed. Zoudt gij, indien ik zulks verlangde, mij bij hem kunnen brengen?”„Daar zie ik geen bezwaar in, zoo de zaak de moeite waard is.”„Heb ik u niet gezegd dat het om millioenen te doen was?”„Dat wel, maar gij hebt het mij niet bewezen.”„Het is dus dit bewijs dat gij van mij verlangt?”„Anders niets.”„Dat gaat moeijelijk genoeg.”„Toch niet.”„Hoe meent gij?”„Mijn hemel! ik ben een goed kameraad; ik wil niets meer dan mijne verantwoording dekken; laat mij den brief zien, meer vraag ik niet.”„Zoudt gij daarmede voldaan zijn?”„Zooveel te meer daar het schrift van den generaal mij bekend is.”„O! dan zijn wij spoedig geholpen.” Thans haalde hij een groot toegevouwenen gezegeld papier uit zijne borst: „Kijk,” zeide hij terwijl hij het aan den Amerikaan liet zien, zonder het echter los te laten.Laatstgenoemde beschouwde het eenige minuten met aandacht.„’t Is wel het schrift van den generaal, niet waar?” vervolgde de soldaat.„Ja.”„Bewilligt gij nu, mij naar den Jaguar te brengen?”„Zoodra gij maar wilt.”„Dadelijk dan.”„Dadelijk? goed.”De beide mannen stonden op als met gemeen overleg, deden de paarden het gebit weder aan, sprongen in den zadel, en reden in galop weg van de plaats die hun verscheidene uren zulk eene verkwikkelijke schaduw verleend had.[231]

XXVIII.JOHN DAVIS.

John Davis, de gewezen slavenkooper, was te sterk van zenuwen om zich door den indruk der tooneelen, die hij in den loop van dien dag had bijgewoond en in welke hij zelfs op zeker oogenblik een vrij gevaarlijke rol had gespeeld, op den duur te laten beheerschen.Nadat hij den Blaauwe-Vos verlaten had, vervolgde hij een geruimen tijd zijn galop, in de rigting waar hij berekenen kon den Jaguar te zullen ontmoeten. Maar allengs gaf hij zich aan zijne gedachten over, en zijn paard, met het wonderbaar instinct dat deze edele dieren bezitten, weldra begrijpende dat zijn meester zich niet langer met hem bezig hield, begon van lieverlede zijn pas te verslappen, en ging van den vliegenden ren in een matigen galop over; vervolgens in den draf en eindelijk in den telgang komende, stapte hij langzaam voort, met het hoofd omlaag en nu en dan met de lippen eenige grashalmen of versche bladeren opsnappende die onder zijn bereik kwamen.John Davis was sterk getroffen door het gedrag van een der personaadjen met welke de onverwachte gebeurtenissen van dien gedenkwaardigen morgen hem toevallig in verband hadden gebragt.De persoon die thans de eer genoot de belangstelling van den Amerikaan in zoo hooge mate gaande te maken, was deBlanke-Scalpeur.De heldhaftige strijd door dezen man alleen tegen een ganschen troep woedende vijanden volgehouden, zijne herculische kracht, de vaardigheid waarmede hij zijn paard bestuurde, kortom, alles scheen in dien man aan het wonderbare te grenzen.Dikwijls had hij gedurende de ledige avonden bij het bivakvuur in de prairie, omtrent dezen wilden jager de zonderlingste[223]en meest overdreven vertellingen gehoord, door de Indianen, dien hij eene vrees inboezemde van welke hij thans, nu hij den man gezien had, zeer goed de reden begreep; want de zoogenaamde Scalpeur, die met de wapens welke men op hem rigtte scheen te spotten, en die uit iederen strijd welken hij aanving, onverschillig hoe groot het aantal zijner vijanden wezen mogt, ongedeerd terugkwam, scheen inderdaad veeleer een duivel dan een mensch te zijn. Deze gedachte deed John Davis tegen wil en dank sidderen en hij wenschte zich geluk, op zulk eene bijna wonderdadige wijs aan het gevaar te zijn ontsnapt, dat hij bij zijn ontmoeting met hem geloopen had.Wij zullen hier in ’t voorbijgaan aanmerken, dat er ondanks al hunne schranderheid, welligt geen bijgelooviger volk op de wereld bestaat dan de Noord-Amerikanen.Dit laat zich gemakkelijk begrijpen: deze natie is een wareharlekijnsmantel, een bont zamenstel van alle geslachten des aardbodems! ieder vertegenwoordigt er zijn eigen ras en brengt bij zijne komst in Amerika als landverhuizer niet alleen zijne ondeugden en hartstogten, maar ook zijn eigen veelsoortig geloof en bijgeloof mede, en daaronder vaak de kinderachtigste en ongerijmdste sprookjes; zooveel te meer nog, daar de emigranten die in verschillende tijdvakken naar Amerika verhuisden grootendeels bestonden uit lieden zonder beschaving, ja zelfs zonder iets dat naar opvoeding geleek; en wat dit laatste betreft zijn de meeste Noord-Amerikanen nog weinig veranderd en steeds even ruw en onbeschaafd als hunne voorvaderen.Men kan zich ligtelijk verbeelden welk een menigte legenden van toovenaars, duivels, spoken enz. in Noord-Amerika gangbaar zijn en hoe deze legenden, door de overlevering bewaard en van mond tot mond voortgeplant, door den tijd met elkander zijn vermengd en verward geraakt niet alleen, maar aangegroeid en vermenigvuldigd, in een land waar de grootsche natuurtooneelen die men dagelijks voor oogen heeft als van zelve bijdragen om den geest tot zwaarmoedige droomen te stemmen.Zoo was ook John Davis, hoeveel hij zich op zijn helder doorzigt liet voorstaan, even als zijne meeste landgenooten met een sterke dosis bijgeloovigheid begaafd, zoodat deze zelfde man, die van geen wijken wist al zag hij een aantal geweren op zijne borst gerigt, soms kon sidderen als er bij nacht een vallend blad op zijn schouder ritselde.Overigens, zoodra John Davis eenmaal het denkbeeld had opgevat[224]dat deBlanke-Scalpeureen duivel of ten minste een toovenaar was, liet hij het gelden en werd deze opvatting voor hem zoo vast als een geloofsartikel.Natuurlijk gevoelde hij zich terstond verligt door dit besluit; zijne denkbeelden hernamen hun gewonen loop en de bezorgdheid die hem kwelde was als door een tooverslag verdwenen. Hij had nu zijn bepaalde meening over dien wonderman, en zoo het toeval hem ooit weder in zijne nabijheid bragt, zou hij wel weten hoe hij zich jegens hem gedragen moest.Gelukkig met zijne bevredigende oplossing, hief hij vrolijk het hoofd op en liet de blikken weder vrij in het rond weiden om de streek te bezien die hij doortrok.Hij bevond zich omtrent in het midden van eene uitgestrekte vlakte, bijna geheel bedekt met hoog gras en hier en daar met eenige groepen mahonie- en peru-boomen bezet.Maar op eens verhief hij zich in de stijgbeugels, hield zich de regterhand als een scherm boven de oogen en tuurde scherp in de verte.Op ongeveer een halve mijl afstands van de plaats waar hij thans stil hield, een weinig regts af, dat is juist in de rigting die hij dacht te volgen, zag hij uit een kreupelbosch van mastik en aloë’s en ettelijke lorkenboomen, een kleine rookzuil opstijgen.In de woestijn geeft een kolom rook, op weg ontmoet, altijd ruime stof tot bedenking, want rook stijgt gewoonlijk op uit een vuur rondom hetwelk verscheidene personen gezeten zijn.Nu is er in de wildernis geen ongelukkiger schepsel dan de mensch, want als hij daar zijns gelijken ontmoet, is het honderd tegen een dat het vijanden zullen zijn.Evenwel, na rijpe overweging, besloot John Davis om regelregt op het vuur af te gaan; sedert den vroegen morgen had hij nog niets gegeten, de honger begon hem dus te kwellen en bovendien was hij zeer vermoeid; hij onderzocht vooraf zorgvuldig zijne wapens, om er zich in geval van nood van te kunnen bedienen, gaf toen zijn paard de sporen en reed stoutmoedig op den rook af, zonder nogtans te verzuimen naauwkeurig rond te zien, uit vrees voor overrompeling.Na verloop van tien minuten bereikte hij het doel van zijn rid, maar op vijftig passen van het boschje vertraagde hij den loop van zijn paard, en legde zijne buks dwars voor zich op den zadel; toen verdween van zijn gelaat de trek der bezorgdheid die er tot dusver op verspreid lag, en hij naderde het vuur met een glimlach[225]op de lippen zoo vriendelijk als hem immer mogelijk was.In een digt boschje, welks schaduw den vermoeiden reiziger eene verkwikkende schuilplaats bood, zat een man in de uniform der Mexicaansche dragonders, rustig bij een helder vuur zijn maal te bereiden, terwijl hij onder de hand eenmaïs-sigaarrookte. Een lange lans met een vaantje stond tegen den stam van een lorkenboom, en een volkomen getuigd paard, dat men alleen het hoofdstel had afgenomen, knabbelde vreedzaam aan de jonge twijgen en het malsche gras der prairie.De soldaat scheen zeven- of acht en twintig jaar oud te zijn, zijne sluwe gelaatstrekken werden door kleine maar levendige oogen opgeluisterd, en de koperkleurige tint van zijne huid bewees dat hij van Indiaansche afkomst was.Hij had den ruiter reeds lang zijn kamp zien naderen, maar scheen aan diens komst niet veel gewigt te hechten, en was onbekommerd blijven doorrooken en op zijn kokenden ketel passen, zonder andere voorzorg tegen den onverwachten bezoeker, dan eventjes te zien of zijn sabel wel vlot uit de schede ging.John Davis, toen hij den soldaat tot op weinige passen genaderd was, bleef staan, bragt de hand aan den hoed en riep:„Ave Maria purissima!”„Sinpecadoconcebida!” antwoordde de dragonder, hem denzelfden groet teruggevende.„Santas tardes!” hervatte de Amerikaan.„Dios las de a ustem buenas!” antwoordde de andere onmiddellijk.Deze grondvormen van iedere Mexicaansche begroeting afgeloopen zijnde, was het ijs gebroken en de kennis gemaakt.„Stijg af, caballero,” zei de dragonder, „het is smoorheet in de prairie; hier in de schaduw is het uitmuntend; ik heb daar in dien kleinen ketel wat cecina en roode boonen met spaansche peper, daar gij mij straks meer van zult zeggen, als gij mij de eer wilt doen van mijn maaltijd te deelen.”„Ik neem uwe minzame uitnoodiging van ganscher harte aan, caballero,” antwoordde de Amerikaan glimlagchende; „want ik moet u, wat meer is, bekennen dat ik letterlijk verga van den honger, en bovendien zoo moe ben dat ik naauwelijks voortkan.”„Carai! dan wensch ik mij zelven geluk met onze onverhoopte vereeniging. Maar wacht toch niet langer en stijg af!”„Dat doe ik al.”Werkelijk steeg de Amerikaan van zijn paard, nam het den hoofdstel af, en liet het edele dier onmiddellijk grazen bij zijn[226]kameraad, terwijl zijn meester zich met een zucht van zelfvoldoening bij den dragonder op het gras nedervlijde.„Gij schijnt een langen rid gemaakt te hebben, caballero?” zei de soldaat.„Ja,” antwoordde de Amerikaan, „ik heb nu acht uren te paard gezeten, ongerekend dat ik den vroegen morgen met vechten heb doorgebragt.”„Caramba! dan hebt gij een zware taak gehad.”„Dat moogt gij gerust zeggen, zonder gevaar van u te vergissen; want op mijn eer als jager, heb ik maar zelden zoo veel te doen gehad.”„Zijt gij jager?”„Om u te dienen.”„Dat is een schoon vak,” zei de soldaat met een zucht; „ik ben het ook geweest.”„En gij treurt er nog om?”„Alle dagen.”„Dat kan ik wel denken; als men eens het leven der wildernis genoten heeft, verlangt men er steeds naar terug.”„Helaas!”„Waarom hebt gij het vaarwel gezegd, als gij er toch zooveel van houdt?”„Ach, ja!” riep de soldaat, „de liefde!”„Hoedat, de liefde?”„Ja, eenechola, daar ik zoo gek was op te verlieven, heeft mij overgehaald om dienst te nemen.”„Wel drommels!”„Ja, en naauwelijks had ik mijn uniform aangetrokken, of zij vertelde mij dat zij zich in mij vergist had, daar ik er in mijn nieuwe pak veel leelijker uitzag dan zij zich ooit had kunnen verbeelden; kortom, zij gaf mij zonder omwegen den zak, om een arriero na te loopen.”De Amerikaan moest om deze zonderlinge historie hartelijk lagchen.„Dat is treurig, niet waar?” hervatte de soldaat.„Zeer treurig,” antwoordde John Davis, terwijl hij te vergeefs zijn gewone bedaardheid zocht te hernemen.„Wat zal ik er tegen doen?” vervolgde de dragonder zwaarmoedig, „de wereld is vol bedrog.Maar,” riep hij, op eens van toon veranderend, „ik geloof dat ons eten klaar is, ik krijg een zekeren reuk in den neus die mij zegt dat het tijd is om den ketel af te nemen.”[227]Terwijl John Davis op dit besluit van den soldaat natuurlijk niets had aan te merken, begon laatstgenoemde hetonmiddellijkten uitvoer te leggen; de ketel werd van het vuur getild en voor de twee gasten op den grond geplaatst, die er terstond een krachtdadigen aanval op begonnen, zoodat hij ondanks den redelijken omvang weldra geledigd was.Dit heerlijke maal werd met een teug catalonische refino besproeid, waar de soldaat rijkelijk van voorzien scheen te zijn.Eindelijk werd alles besloten met een zware cigarette, de onmisbare bekrooning van iederen maaltijd in Spaansch Amerika, en de beide mannen, versterkt door het goede voedsel dat zij genoten hadden, waren thans welgemoed en in de beste stemming om openhartig zamen te praten.„Gij schijnt mij toe een man van voorzorgen te zijn, caballero,” merkte de Amerikaan aan, terwijl hij een verbazende wolk tabaksdamp deels door zijn mond deels door zijn neus uitblies.„Dat is nog een overblijfsel van mijn oude beroep als jager,” zei de ander. „De soldaten zijn over het geheel zoo zorgzaam niet, dat scheelt veel.”„Hoe meer ik u leer kennen,” hernam John Davis, „hoe meer ik mij verwonderen moet dat gij een zoo weinig voordeel gevend vak hebt kunnen kiezen als het militaire.”„Wat kan men er tegen doen? dat is mijn kruis en bovendien, de onmogelijkheid om mijn uniform naar den duivel te zenden! Maar toch, ik hoop over een jaarcabo(brigadier) te zijn.”„Hum! dat is een mooije graad, zooals ik hoor zeggen; dat geeft een goed traktement.”„Dat zou zeker zoo slecht niet zijn, als wij het maar ontvingen.”„Hoedat? als wij het maar ontvingen.”„Ja!…Hetschijnt dat het gouvernement niet rijk is.”„Zoo! geeft gij het dan krediet?”„Wij moeten wel.”„Te duivel! neem mij niet kwalijk, dat ik u al deze vragen doe, die gij wel onbescheiden zult vinden.”„Geenszins, stoor u daaraan niet,wij praten als vrienden.”„Hoe kunt gij dan leven?”„Ha, ja! wij hebben hetcasual.”„Het casual! wat is dat?”„Weet gij dat niet?”„Ik moet zeggen van neen.”[228]„Ik zal het u uitleggen.”„Dat zal mij pleizier doen.”„Het gebeurt dikwijls dat onze kapitein of generaal ons eene bijzondere zending opdraagt.”„Zeer goed.”„Die zending wordt afzonderlijk betaald, hoe gevaarlijker zij is hoe grooter wordt de som.”„Altijd op krediet?”„Te duivel neen! vooruit.”„Dat is beter.”„Niet waar?”„En hebt gij nog wel eens van die zendingen?”„Dikwijls, vooral in tijden vanpronunciamento(nieuwe regering.)”„Ja, maar het is nu bijna een jaar dat er geen nieuwe generaal aan ’t bewind is gekomen.”„Ongelukkig genoeg.”„Dus zit gij nu op droog zaad?”„Niet geheel en al.”„Hebt gij dan zendingen gehad?”„Ik heb er een op dit oogenblik.”„Goed betaald?”„Ordentelijk.”„Is het niet al te nieuwsgierig u te vragen hoeveel?”„O, neen: ik heb vijfentwintig oncen gehad.”„Carai! een aardige som. Die zending moet wel gevaarlijk zijn, dat zij zoo goed betaald wordt.”„Zij is niet zonder gevaar.”„Hum! pas dan maar goed op.”„Dank u; maar ik waag niet veel: ik heb slechts een brief over te brengen.”„Is ’t waar, een brief.…” riep de Amerikaan onverschillig.„O! maar deze is van meer belang dan gij misschien denkt.”„Bah!”„Waarachtig! op mijn woord, het geldt eenigemillioenen.”„Wat zegt gij daar?” riep John Davis tegen wil en dank onthutst.Sedert zijne ontmoeting met den soldaat, had de jager het er op toegelegd om hem uit te hooren over de reden van zijne komst in deze eenzame streek, want het vinden van een dragonder in de prairie kwam hem niet zonder reden zeer vreemd voor; het deed[229]hem dus bijzonder genoegen dat deze als van zelf in den strik liep dien hij hem gespannen had.„Ja,” hervatte de soldaat, „generaal Rubio, wiens ordonnans ik ben, heeft mij met een estafette naar kapitein Melendez belast, die op dit oogenblik een geld-konvooi eskorteert.”„Denkt gij dat?”„Carai! of ik het denk? ik zeg u immers dat ik den brief bij mij heb.”„Dat is zoo; maar wat heeft de generaal er mede voor, dat hij aan den kapitein schrijft?”De soldaat keek den jager aan met een guiterig gezigt; toen op eens van toon veranderende, zeide hij, hem scherp in de oogen ziende:„Wilt gij met open kaart spelen?”De jager begon te meesmuilen.„Goed,” antwoordde hij, „ik zie dat wij elkander wel verstaan zullen.”„Waarom niet? Goed afspreken is alles tusschen caballeros. Wij spelen dus zuiver spel, niet waar?”„Dat begrijpt zich.”„Beken het maar dat gij gaarne woudt weten wat er in den brief staat.”„O! louter nieuwsgierigheid, dat zweer ik u.”„Pardi! daar ben ik van overtuigd: welnu, het hangt slechts van u af om het te weten.”„Goed, dan zullen wij het spoedig eens worden; zeg mij uwe voorwaarden?”„O, die zijn eenvoudig genoeg.”„Spreek op!”„Zie mij eens goed aan; herkent gij mij niet.”„Op mijn woord, neen.”„Dan moet ik zeggen dat ik beter geheugen heb dan gij.”„Dat is wel mogelijk.”„Ik herken u.”„Gij?”„Ja, zeer goed.”„Gij kunt mij ergens gezien hebben.”„Wel waarschijnlijk, maar dat maakt weinig uit, het voornaamste is, dat ik weet wie gij zijt.”„O! een eenvoudig jager.”„Ja, en een intiem vriend van den Jaguar.”[230]„Wat zegt gij daar!” riep John Davis met een sprong van verrassing.„Laat u niet verschrikken door zulk eene beuzeling; antwoord liever: is het waar, of niet waar?”„Het is waar; ik zie niet in waarom ik dit tusschen u en mij zou verbergen.”„Gij zoudt verkeerd doen. Waar is de Jaguar op dit oogenblik?”„Ik weet het niet.”„Zeg liever dat gij het niet wilt zeggen.”„Gij hebt het geraden.”„Goed. Zoudt gij, indien ik zulks verlangde, mij bij hem kunnen brengen?”„Daar zie ik geen bezwaar in, zoo de zaak de moeite waard is.”„Heb ik u niet gezegd dat het om millioenen te doen was?”„Dat wel, maar gij hebt het mij niet bewezen.”„Het is dus dit bewijs dat gij van mij verlangt?”„Anders niets.”„Dat gaat moeijelijk genoeg.”„Toch niet.”„Hoe meent gij?”„Mijn hemel! ik ben een goed kameraad; ik wil niets meer dan mijne verantwoording dekken; laat mij den brief zien, meer vraag ik niet.”„Zoudt gij daarmede voldaan zijn?”„Zooveel te meer daar het schrift van den generaal mij bekend is.”„O! dan zijn wij spoedig geholpen.” Thans haalde hij een groot toegevouwenen gezegeld papier uit zijne borst: „Kijk,” zeide hij terwijl hij het aan den Amerikaan liet zien, zonder het echter los te laten.Laatstgenoemde beschouwde het eenige minuten met aandacht.„’t Is wel het schrift van den generaal, niet waar?” vervolgde de soldaat.„Ja.”„Bewilligt gij nu, mij naar den Jaguar te brengen?”„Zoodra gij maar wilt.”„Dadelijk dan.”„Dadelijk? goed.”De beide mannen stonden op als met gemeen overleg, deden de paarden het gebit weder aan, sprongen in den zadel, en reden in galop weg van de plaats die hun verscheidene uren zulk eene verkwikkelijke schaduw verleend had.[231]

John Davis, de gewezen slavenkooper, was te sterk van zenuwen om zich door den indruk der tooneelen, die hij in den loop van dien dag had bijgewoond en in welke hij zelfs op zeker oogenblik een vrij gevaarlijke rol had gespeeld, op den duur te laten beheerschen.

Nadat hij den Blaauwe-Vos verlaten had, vervolgde hij een geruimen tijd zijn galop, in de rigting waar hij berekenen kon den Jaguar te zullen ontmoeten. Maar allengs gaf hij zich aan zijne gedachten over, en zijn paard, met het wonderbaar instinct dat deze edele dieren bezitten, weldra begrijpende dat zijn meester zich niet langer met hem bezig hield, begon van lieverlede zijn pas te verslappen, en ging van den vliegenden ren in een matigen galop over; vervolgens in den draf en eindelijk in den telgang komende, stapte hij langzaam voort, met het hoofd omlaag en nu en dan met de lippen eenige grashalmen of versche bladeren opsnappende die onder zijn bereik kwamen.

John Davis was sterk getroffen door het gedrag van een der personaadjen met welke de onverwachte gebeurtenissen van dien gedenkwaardigen morgen hem toevallig in verband hadden gebragt.

De persoon die thans de eer genoot de belangstelling van den Amerikaan in zoo hooge mate gaande te maken, was deBlanke-Scalpeur.

De heldhaftige strijd door dezen man alleen tegen een ganschen troep woedende vijanden volgehouden, zijne herculische kracht, de vaardigheid waarmede hij zijn paard bestuurde, kortom, alles scheen in dien man aan het wonderbare te grenzen.

Dikwijls had hij gedurende de ledige avonden bij het bivakvuur in de prairie, omtrent dezen wilden jager de zonderlingste[223]en meest overdreven vertellingen gehoord, door de Indianen, dien hij eene vrees inboezemde van welke hij thans, nu hij den man gezien had, zeer goed de reden begreep; want de zoogenaamde Scalpeur, die met de wapens welke men op hem rigtte scheen te spotten, en die uit iederen strijd welken hij aanving, onverschillig hoe groot het aantal zijner vijanden wezen mogt, ongedeerd terugkwam, scheen inderdaad veeleer een duivel dan een mensch te zijn. Deze gedachte deed John Davis tegen wil en dank sidderen en hij wenschte zich geluk, op zulk eene bijna wonderdadige wijs aan het gevaar te zijn ontsnapt, dat hij bij zijn ontmoeting met hem geloopen had.

Wij zullen hier in ’t voorbijgaan aanmerken, dat er ondanks al hunne schranderheid, welligt geen bijgelooviger volk op de wereld bestaat dan de Noord-Amerikanen.

Dit laat zich gemakkelijk begrijpen: deze natie is een wareharlekijnsmantel, een bont zamenstel van alle geslachten des aardbodems! ieder vertegenwoordigt er zijn eigen ras en brengt bij zijne komst in Amerika als landverhuizer niet alleen zijne ondeugden en hartstogten, maar ook zijn eigen veelsoortig geloof en bijgeloof mede, en daaronder vaak de kinderachtigste en ongerijmdste sprookjes; zooveel te meer nog, daar de emigranten die in verschillende tijdvakken naar Amerika verhuisden grootendeels bestonden uit lieden zonder beschaving, ja zelfs zonder iets dat naar opvoeding geleek; en wat dit laatste betreft zijn de meeste Noord-Amerikanen nog weinig veranderd en steeds even ruw en onbeschaafd als hunne voorvaderen.

Men kan zich ligtelijk verbeelden welk een menigte legenden van toovenaars, duivels, spoken enz. in Noord-Amerika gangbaar zijn en hoe deze legenden, door de overlevering bewaard en van mond tot mond voortgeplant, door den tijd met elkander zijn vermengd en verward geraakt niet alleen, maar aangegroeid en vermenigvuldigd, in een land waar de grootsche natuurtooneelen die men dagelijks voor oogen heeft als van zelve bijdragen om den geest tot zwaarmoedige droomen te stemmen.

Zoo was ook John Davis, hoeveel hij zich op zijn helder doorzigt liet voorstaan, even als zijne meeste landgenooten met een sterke dosis bijgeloovigheid begaafd, zoodat deze zelfde man, die van geen wijken wist al zag hij een aantal geweren op zijne borst gerigt, soms kon sidderen als er bij nacht een vallend blad op zijn schouder ritselde.

Overigens, zoodra John Davis eenmaal het denkbeeld had opgevat[224]dat deBlanke-Scalpeureen duivel of ten minste een toovenaar was, liet hij het gelden en werd deze opvatting voor hem zoo vast als een geloofsartikel.

Natuurlijk gevoelde hij zich terstond verligt door dit besluit; zijne denkbeelden hernamen hun gewonen loop en de bezorgdheid die hem kwelde was als door een tooverslag verdwenen. Hij had nu zijn bepaalde meening over dien wonderman, en zoo het toeval hem ooit weder in zijne nabijheid bragt, zou hij wel weten hoe hij zich jegens hem gedragen moest.

Gelukkig met zijne bevredigende oplossing, hief hij vrolijk het hoofd op en liet de blikken weder vrij in het rond weiden om de streek te bezien die hij doortrok.

Hij bevond zich omtrent in het midden van eene uitgestrekte vlakte, bijna geheel bedekt met hoog gras en hier en daar met eenige groepen mahonie- en peru-boomen bezet.

Maar op eens verhief hij zich in de stijgbeugels, hield zich de regterhand als een scherm boven de oogen en tuurde scherp in de verte.

Op ongeveer een halve mijl afstands van de plaats waar hij thans stil hield, een weinig regts af, dat is juist in de rigting die hij dacht te volgen, zag hij uit een kreupelbosch van mastik en aloë’s en ettelijke lorkenboomen, een kleine rookzuil opstijgen.

In de woestijn geeft een kolom rook, op weg ontmoet, altijd ruime stof tot bedenking, want rook stijgt gewoonlijk op uit een vuur rondom hetwelk verscheidene personen gezeten zijn.

Nu is er in de wildernis geen ongelukkiger schepsel dan de mensch, want als hij daar zijns gelijken ontmoet, is het honderd tegen een dat het vijanden zullen zijn.

Evenwel, na rijpe overweging, besloot John Davis om regelregt op het vuur af te gaan; sedert den vroegen morgen had hij nog niets gegeten, de honger begon hem dus te kwellen en bovendien was hij zeer vermoeid; hij onderzocht vooraf zorgvuldig zijne wapens, om er zich in geval van nood van te kunnen bedienen, gaf toen zijn paard de sporen en reed stoutmoedig op den rook af, zonder nogtans te verzuimen naauwkeurig rond te zien, uit vrees voor overrompeling.

Na verloop van tien minuten bereikte hij het doel van zijn rid, maar op vijftig passen van het boschje vertraagde hij den loop van zijn paard, en legde zijne buks dwars voor zich op den zadel; toen verdween van zijn gelaat de trek der bezorgdheid die er tot dusver op verspreid lag, en hij naderde het vuur met een glimlach[225]op de lippen zoo vriendelijk als hem immer mogelijk was.

In een digt boschje, welks schaduw den vermoeiden reiziger eene verkwikkende schuilplaats bood, zat een man in de uniform der Mexicaansche dragonders, rustig bij een helder vuur zijn maal te bereiden, terwijl hij onder de hand eenmaïs-sigaarrookte. Een lange lans met een vaantje stond tegen den stam van een lorkenboom, en een volkomen getuigd paard, dat men alleen het hoofdstel had afgenomen, knabbelde vreedzaam aan de jonge twijgen en het malsche gras der prairie.

De soldaat scheen zeven- of acht en twintig jaar oud te zijn, zijne sluwe gelaatstrekken werden door kleine maar levendige oogen opgeluisterd, en de koperkleurige tint van zijne huid bewees dat hij van Indiaansche afkomst was.

Hij had den ruiter reeds lang zijn kamp zien naderen, maar scheen aan diens komst niet veel gewigt te hechten, en was onbekommerd blijven doorrooken en op zijn kokenden ketel passen, zonder andere voorzorg tegen den onverwachten bezoeker, dan eventjes te zien of zijn sabel wel vlot uit de schede ging.

John Davis, toen hij den soldaat tot op weinige passen genaderd was, bleef staan, bragt de hand aan den hoed en riep:

„Ave Maria purissima!”

„Sinpecadoconcebida!” antwoordde de dragonder, hem denzelfden groet teruggevende.

„Santas tardes!” hervatte de Amerikaan.

„Dios las de a ustem buenas!” antwoordde de andere onmiddellijk.

Deze grondvormen van iedere Mexicaansche begroeting afgeloopen zijnde, was het ijs gebroken en de kennis gemaakt.

„Stijg af, caballero,” zei de dragonder, „het is smoorheet in de prairie; hier in de schaduw is het uitmuntend; ik heb daar in dien kleinen ketel wat cecina en roode boonen met spaansche peper, daar gij mij straks meer van zult zeggen, als gij mij de eer wilt doen van mijn maaltijd te deelen.”

„Ik neem uwe minzame uitnoodiging van ganscher harte aan, caballero,” antwoordde de Amerikaan glimlagchende; „want ik moet u, wat meer is, bekennen dat ik letterlijk verga van den honger, en bovendien zoo moe ben dat ik naauwelijks voortkan.”

„Carai! dan wensch ik mij zelven geluk met onze onverhoopte vereeniging. Maar wacht toch niet langer en stijg af!”

„Dat doe ik al.”

Werkelijk steeg de Amerikaan van zijn paard, nam het den hoofdstel af, en liet het edele dier onmiddellijk grazen bij zijn[226]kameraad, terwijl zijn meester zich met een zucht van zelfvoldoening bij den dragonder op het gras nedervlijde.

„Gij schijnt een langen rid gemaakt te hebben, caballero?” zei de soldaat.

„Ja,” antwoordde de Amerikaan, „ik heb nu acht uren te paard gezeten, ongerekend dat ik den vroegen morgen met vechten heb doorgebragt.”

„Caramba! dan hebt gij een zware taak gehad.”

„Dat moogt gij gerust zeggen, zonder gevaar van u te vergissen; want op mijn eer als jager, heb ik maar zelden zoo veel te doen gehad.”

„Zijt gij jager?”

„Om u te dienen.”

„Dat is een schoon vak,” zei de soldaat met een zucht; „ik ben het ook geweest.”

„En gij treurt er nog om?”

„Alle dagen.”

„Dat kan ik wel denken; als men eens het leven der wildernis genoten heeft, verlangt men er steeds naar terug.”

„Helaas!”

„Waarom hebt gij het vaarwel gezegd, als gij er toch zooveel van houdt?”

„Ach, ja!” riep de soldaat, „de liefde!”

„Hoedat, de liefde?”

„Ja, eenechola, daar ik zoo gek was op te verlieven, heeft mij overgehaald om dienst te nemen.”

„Wel drommels!”

„Ja, en naauwelijks had ik mijn uniform aangetrokken, of zij vertelde mij dat zij zich in mij vergist had, daar ik er in mijn nieuwe pak veel leelijker uitzag dan zij zich ooit had kunnen verbeelden; kortom, zij gaf mij zonder omwegen den zak, om een arriero na te loopen.”

De Amerikaan moest om deze zonderlinge historie hartelijk lagchen.

„Dat is treurig, niet waar?” hervatte de soldaat.

„Zeer treurig,” antwoordde John Davis, terwijl hij te vergeefs zijn gewone bedaardheid zocht te hernemen.

„Wat zal ik er tegen doen?” vervolgde de dragonder zwaarmoedig, „de wereld is vol bedrog.Maar,” riep hij, op eens van toon veranderend, „ik geloof dat ons eten klaar is, ik krijg een zekeren reuk in den neus die mij zegt dat het tijd is om den ketel af te nemen.”[227]

Terwijl John Davis op dit besluit van den soldaat natuurlijk niets had aan te merken, begon laatstgenoemde hetonmiddellijkten uitvoer te leggen; de ketel werd van het vuur getild en voor de twee gasten op den grond geplaatst, die er terstond een krachtdadigen aanval op begonnen, zoodat hij ondanks den redelijken omvang weldra geledigd was.

Dit heerlijke maal werd met een teug catalonische refino besproeid, waar de soldaat rijkelijk van voorzien scheen te zijn.

Eindelijk werd alles besloten met een zware cigarette, de onmisbare bekrooning van iederen maaltijd in Spaansch Amerika, en de beide mannen, versterkt door het goede voedsel dat zij genoten hadden, waren thans welgemoed en in de beste stemming om openhartig zamen te praten.

„Gij schijnt mij toe een man van voorzorgen te zijn, caballero,” merkte de Amerikaan aan, terwijl hij een verbazende wolk tabaksdamp deels door zijn mond deels door zijn neus uitblies.

„Dat is nog een overblijfsel van mijn oude beroep als jager,” zei de ander. „De soldaten zijn over het geheel zoo zorgzaam niet, dat scheelt veel.”

„Hoe meer ik u leer kennen,” hernam John Davis, „hoe meer ik mij verwonderen moet dat gij een zoo weinig voordeel gevend vak hebt kunnen kiezen als het militaire.”

„Wat kan men er tegen doen? dat is mijn kruis en bovendien, de onmogelijkheid om mijn uniform naar den duivel te zenden! Maar toch, ik hoop over een jaarcabo(brigadier) te zijn.”

„Hum! dat is een mooije graad, zooals ik hoor zeggen; dat geeft een goed traktement.”

„Dat zou zeker zoo slecht niet zijn, als wij het maar ontvingen.”

„Hoedat? als wij het maar ontvingen.”

„Ja!…Hetschijnt dat het gouvernement niet rijk is.”

„Zoo! geeft gij het dan krediet?”

„Wij moeten wel.”

„Te duivel! neem mij niet kwalijk, dat ik u al deze vragen doe, die gij wel onbescheiden zult vinden.”

„Geenszins, stoor u daaraan niet,wij praten als vrienden.”

„Hoe kunt gij dan leven?”

„Ha, ja! wij hebben hetcasual.”

„Het casual! wat is dat?”

„Weet gij dat niet?”

„Ik moet zeggen van neen.”[228]

„Ik zal het u uitleggen.”

„Dat zal mij pleizier doen.”

„Het gebeurt dikwijls dat onze kapitein of generaal ons eene bijzondere zending opdraagt.”

„Zeer goed.”

„Die zending wordt afzonderlijk betaald, hoe gevaarlijker zij is hoe grooter wordt de som.”

„Altijd op krediet?”

„Te duivel neen! vooruit.”

„Dat is beter.”

„Niet waar?”

„En hebt gij nog wel eens van die zendingen?”

„Dikwijls, vooral in tijden vanpronunciamento(nieuwe regering.)”

„Ja, maar het is nu bijna een jaar dat er geen nieuwe generaal aan ’t bewind is gekomen.”

„Ongelukkig genoeg.”

„Dus zit gij nu op droog zaad?”

„Niet geheel en al.”

„Hebt gij dan zendingen gehad?”

„Ik heb er een op dit oogenblik.”

„Goed betaald?”

„Ordentelijk.”

„Is het niet al te nieuwsgierig u te vragen hoeveel?”

„O, neen: ik heb vijfentwintig oncen gehad.”

„Carai! een aardige som. Die zending moet wel gevaarlijk zijn, dat zij zoo goed betaald wordt.”

„Zij is niet zonder gevaar.”

„Hum! pas dan maar goed op.”

„Dank u; maar ik waag niet veel: ik heb slechts een brief over te brengen.”

„Is ’t waar, een brief.…” riep de Amerikaan onverschillig.

„O! maar deze is van meer belang dan gij misschien denkt.”

„Bah!”

„Waarachtig! op mijn woord, het geldt eenigemillioenen.”

„Wat zegt gij daar?” riep John Davis tegen wil en dank onthutst.

Sedert zijne ontmoeting met den soldaat, had de jager het er op toegelegd om hem uit te hooren over de reden van zijne komst in deze eenzame streek, want het vinden van een dragonder in de prairie kwam hem niet zonder reden zeer vreemd voor; het deed[229]hem dus bijzonder genoegen dat deze als van zelf in den strik liep dien hij hem gespannen had.

„Ja,” hervatte de soldaat, „generaal Rubio, wiens ordonnans ik ben, heeft mij met een estafette naar kapitein Melendez belast, die op dit oogenblik een geld-konvooi eskorteert.”

„Denkt gij dat?”

„Carai! of ik het denk? ik zeg u immers dat ik den brief bij mij heb.”

„Dat is zoo; maar wat heeft de generaal er mede voor, dat hij aan den kapitein schrijft?”

De soldaat keek den jager aan met een guiterig gezigt; toen op eens van toon veranderende, zeide hij, hem scherp in de oogen ziende:

„Wilt gij met open kaart spelen?”

De jager begon te meesmuilen.

„Goed,” antwoordde hij, „ik zie dat wij elkander wel verstaan zullen.”

„Waarom niet? Goed afspreken is alles tusschen caballeros. Wij spelen dus zuiver spel, niet waar?”

„Dat begrijpt zich.”

„Beken het maar dat gij gaarne woudt weten wat er in den brief staat.”

„O! louter nieuwsgierigheid, dat zweer ik u.”

„Pardi! daar ben ik van overtuigd: welnu, het hangt slechts van u af om het te weten.”

„Goed, dan zullen wij het spoedig eens worden; zeg mij uwe voorwaarden?”

„O, die zijn eenvoudig genoeg.”

„Spreek op!”

„Zie mij eens goed aan; herkent gij mij niet.”

„Op mijn woord, neen.”

„Dan moet ik zeggen dat ik beter geheugen heb dan gij.”

„Dat is wel mogelijk.”

„Ik herken u.”

„Gij?”

„Ja, zeer goed.”

„Gij kunt mij ergens gezien hebben.”

„Wel waarschijnlijk, maar dat maakt weinig uit, het voornaamste is, dat ik weet wie gij zijt.”

„O! een eenvoudig jager.”

„Ja, en een intiem vriend van den Jaguar.”[230]

„Wat zegt gij daar!” riep John Davis met een sprong van verrassing.

„Laat u niet verschrikken door zulk eene beuzeling; antwoord liever: is het waar, of niet waar?”

„Het is waar; ik zie niet in waarom ik dit tusschen u en mij zou verbergen.”

„Gij zoudt verkeerd doen. Waar is de Jaguar op dit oogenblik?”

„Ik weet het niet.”

„Zeg liever dat gij het niet wilt zeggen.”

„Gij hebt het geraden.”

„Goed. Zoudt gij, indien ik zulks verlangde, mij bij hem kunnen brengen?”

„Daar zie ik geen bezwaar in, zoo de zaak de moeite waard is.”

„Heb ik u niet gezegd dat het om millioenen te doen was?”

„Dat wel, maar gij hebt het mij niet bewezen.”

„Het is dus dit bewijs dat gij van mij verlangt?”

„Anders niets.”

„Dat gaat moeijelijk genoeg.”

„Toch niet.”

„Hoe meent gij?”

„Mijn hemel! ik ben een goed kameraad; ik wil niets meer dan mijne verantwoording dekken; laat mij den brief zien, meer vraag ik niet.”

„Zoudt gij daarmede voldaan zijn?”

„Zooveel te meer daar het schrift van den generaal mij bekend is.”

„O! dan zijn wij spoedig geholpen.” Thans haalde hij een groot toegevouwenen gezegeld papier uit zijne borst: „Kijk,” zeide hij terwijl hij het aan den Amerikaan liet zien, zonder het echter los te laten.

Laatstgenoemde beschouwde het eenige minuten met aandacht.

„’t Is wel het schrift van den generaal, niet waar?” vervolgde de soldaat.

„Ja.”

„Bewilligt gij nu, mij naar den Jaguar te brengen?”

„Zoodra gij maar wilt.”

„Dadelijk dan.”

„Dadelijk? goed.”

De beide mannen stonden op als met gemeen overleg, deden de paarden het gebit weder aan, sprongen in den zadel, en reden in galop weg van de plaats die hun verscheidene uren zulk eene verkwikkelijke schaduw verleend had.[231]


Back to IndexNext