I.Vlak bijCasinosprong hij van de tram, stond stil, kijkend naar de oude gevels. Tusschen de dracht der vaal-lijnende huizen spaakte groen in een tralieënd raster. Zóó had hij het onthouden, niet alles afzonderlijk, niet een énkel huis met opdringende vormen, niet het kleine van menschen die er gewoond hadden, nòg woonden—nee, zóó als hij het weèr zag: massaal, zwart-geslagen van straatvuil, huisklomp in stedebenauwing, omwringend het groene stofperkje. Het gaf hem eene vreugde en pijn van lichte verwondring—dat dit alles zoo verweerd geleek, zoo óuder geworden, ouder zelfs dan de herinnering, die het in wazige schaduw gezet. Op zee had hij zich dikwijls de jodenbuurt gedácht, uitsluitend gedácht, en warm-lieve, zacht-glimlachende genegenheid gevoeld voor het bruin der straattintingen, zooals hij hetzag, bij gedroom achter oogleden. Maar na zoo làngen tijd werd het moeilijk jongensindrukken te hervinden, scheen je jeugd als ’n koorts van onrijpe verwarring, mal en gejaagd, vèr van je leven gegleden. Tòch klukte ’t in z’n keel, traagde z’n adem, wás er ’t vreugdlijk ontmoeten van kleuren, die het verlangen naar deze straten tot zwaarmoedige draperie had gevormd, mèt de vloeiing van bruin en zwart—wit-venstertjes doorsneden—die over het plein dampte en in de Joden-Amstelstraat van gevel naar gevel, dak naar dak henen-loomde. Al-stratenschoon was hier, slinger van stegen en sloppen, huizengehuif in scheemring van luchten, daken molm en bot, wig naast wig, met bronzend-bruin in de dalen. Zóo had hij het meenen te zien, toen nog niet hij het zag.Alleen, het was oúder geworden, vàag-ouder, als jodenvrouwke wier kruin van jaren schuilt onder zwart van bandeau. ’t Gaf hem een lichte pijn, ’t dee denken aan luidloozen dood van tierige dingen, die sterven zonder gerauwgil van angst.In de wijdte, áchter op ’t Waterlooplein plompte het grauwe cement der Mozes-en-Aaronkerk,zwaar boven de zonnekappen van ventende joden. Perkje groen, stoffig, heet, stond in de branding der zon—vèrder waren het ouwe, gore huizen, deurtjes en ramen, droogstokken en lappen van kreukerig wit, met een enklen roodbaaien rok en wat bloempotten.Eleazar zag niets dan het plein en de straat, de huizen daar in, die hij héérlijk vond, aanbidlijk van kleuren-versterving, indrukwekkend als schemer-neersponzing op zee. Was niet elk droomend gezwijg gódlijker klank dan het puurste geluid? O, ’t huizengedroom, vast aan ’t bewegen der lieden wier gezoem tegen de wanden ging, was sterker, smartlijker dan ’t groote-water gepeins en gewatel, dat hij nu maanden gevoeld en door-angstigd had, ’t water dat noòit rust kende....Joodje, dat hem zag staan met het valies in de hand, riep van de stoep vanCasino, wenkend met schoenborstel. Ja, hij had nog wel tijd. Blinde tante Reggie wachtte ’m eerst tegen middag—hij voelde zich vuil-stoffig van de lange reis in den trein. Zijn valies zette hij neer en joodje plots vlug van bewegen, gemeenzaam van toon daar hij jóod voor zich had, strooptede broekspijp, schuierde snel. Eleazar keek neer op den rug, bol-gebogen, rug vervormd naar de graat nooit recht van standing geweest. Grauwe, witte haren, stug als borstel-gepluim, vlerkten onder de pet, die had een los-tarnde klep. Op de stoep van morsige steenen, lei joodje als in knieling voor hem, verachtlijk van knechtschheid, spuug sputrend op borstel—joodje gebogen, grauw-klittig van haar, slavig van lichaam, voeten uitpuilend den flarden-broek.“....Wàrrem, mehèir....”Het was bijna een schaamte dat hij den ander zoo lièt, wreed-gedienstig gebukt, eersten jood dien hij sprak. Maar ’t bedenken was zòtheid, prikkel van overgevoelen nu hij weer stond in de huiving der ouwe vormen, in ’t bruine, doffe getint der jodenkwartieren. En hij dacht er niet verder over, want zijn innigste aandacht dreef naar deCasino-ramen, twee, drie, vier vensters, met groepjes bezige joden. Achter dichtst-bijzijnd was stilte van kijken, hokking van lijven, buiging van koppen, oogen in lijning naar stukje papier dat op tafel lag, randen verwipt. Er waren er zes. Voorste,Pool van uitzien, hoofd groot en bleek met rood-haren baardslieren, hield loep in de langvingrige hand, die dicht bij het stukje papier rustte. Zijn oogen kleinden in kippige kijking, wat de roode wenkbrauwen stoppelde saâm. Op het ros-kroezig haar, schuin gezakt, ovaalde een zwarte fantasiehoed, vreemd bij het bleekroode hoofd, ongewoon hoed te dragen. Bruin-zijden das, hoog-in-wrong om den hals, rimpelde aan langs het dunnende kroes van den nek. Het gelaat was melk-flets en vleezig, toch met hardere puiling van jukken. Gansch onbeweeglijk, loep in de hand, ernstig-aandachtig, zat Poolsche jood, borst aangeleund tegen kant van de tafel. Op zijn schouder leunde ouwelijk joodje, diep in schaduw van kleppet, mager gezicht zwaar bestoppeld, stoppels over wangen, bovenlip, kin, stoppels grijs en gedord tot in plooien van das, die wat los hing. Mond was open in aandacht, oogen knipperden zacht. Stukje papier lei midden op tafel. Recht over het raam, héél te zien, zat een ander met koper-schimmenden baard, baard in ringvorm geknipt met slordige pieken, gekreukt door pletting van hand, die steunde het hoofd. Eleazar meende hem te herkennen, meende meèr te hebbengezien dat breed-weeke masker, mom van papperig vleesch, zoet-gedweeën trek om den mond, oogen zachtlijk-lichtschuw. Wáar had hij hem gezien? Hij kende hem, kende den grooten krachtloozen neus met de zinlijke vleugels, vooral den dunlippigen-mond omsabbeld door sigaren-gekauw in ringveld van haartjes. Het was een gezicht van gladdige goedheid, week van bloedeloos vleesch, gezicht-van-nièt-werken op lichaam doorvoed, gezicht zònder sneden van denken of zorgen of ziekte, vervet in huisleven, gezicht zonder hartstocht, gehavend alléen door sterke geslachtsdrift als bij àndere joden. In Eleazar was vaag gezoek. Nee, hij kende hem nièt. Nee.Joodje in ijvrig gewrijf over de schoenen rustte en vroeg wat. Dommelig antwoordde Eleazar.Over den Pool, gehurkt op de tafel, keek vièrde jood naar het papier. Die had wijdgatigen neus, zwaar van vleezige vleugels en oogen omwald. Zijn aandacht was zóo gescherpt bij ’t papier dat het neusvel berstte in bultige rimpels en de oogen knepen tot gleufjes in wimpergeplet, alsof wat hij zag vies en verwonderend was. Gezicht, rond van kwallende koonen, gladgeschoren,had blauw-paarse tinten, gittig-zwart haar dat ’t aangezichtsvel kwam doorpeepren. Gehéel onbeweeglijk, gatwerk gewipt van den stoel, om meerder te buigen naar ’t stukje papier, hurkte hij—buikje op tafel—over den kijkenden Pool.Op zij van dien met het weeke gezicht, stonden er twee, een met vuisten op tafel gesteund, ander met handen in zakken. Niets was van hun hoofden te zien dan een fletsing van vleesch, met den rug van ’n neus en snorregestriem. Vest van den een was opengesprongen op zwelling van buik. Niet éen bewoog. ’t Papier had de aandacht. Gordijn half-neer, posten van raam en vensterbank, omlijstten in ’t zwart van de zaal de jodenkoppen, bleek in den schijn van het zonlooze licht. Zij spraken niet, gebaarden niet, waren in starre aanschouwing achter de ruiten zacht-glimmend. In het aarzlend gedonker der zaal schuchterlijk bolden de vleesch-koppen met wenkbrauw-vagen, lippengleuf, wimpers om oogen in glazerig kijken. Lichamen en hoeden diffuseerden naar het kamergrijs, hoofden-in-schijn-van-den-dag boorden naar buiten, vol-week of wit-hoekig, met de scherp-blanke randjes papier op de tafel. Bij de andereramen was het een zelfde vreemde aan-schimming—vèrder vluchtte ’t bewegen in schaduw. Glansjes horlogeketting knipperden zoet. Gladderig puntboord streepte ontzet. Anders was niets dan het hoofden-geklit, doezel van haar, jukbeen in vleeschmom, handen geslapt in betasten. Zònlooze licht kwijnde, heesch van verleefde weerkaatsing op het plat der gezichten, op de wigging der neuzen, op de vochtig-glazene oogen, geil van begeeren naar wat lag op de tafels.Eleazar stond in droomend verwondren om de geheimzinnigheid van elk der vensters met koppen. Stratenrumoer en de ruiten slokten geluid van daarbinnen. Hij zag de gebaren, lippen in laks en nijdig beweeg, handen geheven, oogen in vragenden trek, maar niets van hun doen kwam tot hem. Ze schenen klankloos te leven in scheemrenden nacht, wild-bleeke maskers heftig geboeid en geschokt door wonderlijk ding.Achter de ruiten dichtst-bij, was de starre aandacht gebroken. Poolsche jood, handen in vraging gespreid, schokkelde driftig, lippengemum verschrikkend van rapheid, besnauwendden jood òver hem. Bei hunne koppen heet-overbogen tot bij het papier, knikten en gromden. Haren trilden in drift. Baard van den Pool, rood en rullig, slierde langs tafel. Dan dook zijn hoofd naar het duister der zaal, mumden de lippen langzaam en zéker-van-plet, werd drillend van schudding de ander, neus met de vleezige vleugels vóoruit, aêrengezwel aan de slapen die stonden gevierkant boven het blauw van de koonen. De loep was gezakt. Die met het weeke-gedweëe gezicht had met pincet iets getipt uit ’t papier, bekeek het met spitsende oogen tusschen wijsvinger en duim. De aandacht der andren was bij het wrokken der voorste, gebarende joden, wier kuiven haast raàkten, zóo als zij bogen over de tafel. De Pool, rood van het bukken, nekvel gepurperd door daswrong, bewoog lippen èn koonen èn oogen, kribbigde samen z’n vingers. De ander terugleunend nu, palmde de handen wijd-uit, duimen omhoog, hief ze op, wrikte ze neer, meerukkend het lijf, koonen gebobbeld door lach, mond als troebel spelonkje. Al dit leek bizar, grap van geheimnis achter het glas, dat de klanken verslorpte. Nooit was Eleazar zoo stérk onder indruk gekomen van grofheiddoor lichtspel tot schoonheid gebracht. Elk venster greep aan, schokte tot drooming. Elke schaduw en tinting-van-duister spreidde soepel en mild, wazig en wijd-van-vervloeien om het ontdane der hoofden, het geilen der broeiende oogen.Schoenjoodje wreef al zijn twéeden voet—nòg stond hij weg-van-gedachten. De roode Polenkop rauwde op tegen dien met de kwallende, blauw-druilige koonen. Hoeden scheef achteruit, in volle woede van ’t luidloos gepraat, wriemden de lippen achter het glas en nu schoven ook andere hoofden méer naar het raam, zes hoofden van joden, schichtig in dagschijn, gelaatmaskers in ernstig gestaar. Die met het kurkige mom, tanig van vel, en stoppels als kwakken, duwde de anderen weg, hield weegschaaltje in hand. De weeke gedweëe met den koperen ringbaard lei op ’t ovaal wat hij had in de hand en de oogen van allen volgden het gaan van de schomlende naald. Maar dan berstte ’t gebarenleven opnieuw. Handen hoopten tezaam en het haar der hoofden verklitte. De Pool in nijdig geproest wuifde de handen afwerend, reikte de loep aan den achtersten jood, geel met zwart-klevenden snor. Zes handen leienbleek-wiegend op tafel, duimen opwaarts gekromd. Het papierbrokje in ’t midden. En wéer was de stilte van aandacht, bij het bespieden der loep.Het licht witte kil op de hokking der hoofden, op de rompen in scheemring.Hand van den Pool gedrukt langs de ruit, vel tegen glas, had bevende lijkkleur.Het was schoon-geheimzinnig, diep-melankolisch, leven op vèr-liggend plan.Maar langzaam ontzonk het bedrog dat de dingen gelogen deed zien en een overgang van stemming waarvoor geen daadlijke reden was, dreef in hem plotse, zonderling-nuchtere opletting van realiteitjes, die hem in de dronken droom-overgeving waren ontgaan, waarop hij niet had kùnnen letten, vòl als hij zich aan de schemer-vreugde gegeven had, stugheidjes die hem ruw tot het rauwe, harde der dingen brachten. Het was eene stemmings-afknapping zonder scherpe oorzaak—,waarneming mooglijk van stoffige tranen op ’t glas, het zien van vuile stompnagels, het voelen der reisvermoeidheid nù. Versterkt werd het nog door het indaglicht komen van een mageren jood, die uit vettige zak met open slijmrig-malenden mond, koek, bròkklende koek at. Doch het hevigst striemde hem de herkenning van den man met den ringbaard, den jood met het week-zinlijk gezicht en den krachtloozen neus. Hij wàs het, Druif, de onder-rabbijn, Druif, die hem in ver geleden jaren geleid had tot debarmitswe, Druif, de geduldige, achter de tefilem verhalend het doen van de Joden, hun uittocht uit Egypte, hun vrome omwalling van den berg Sinaï, Druif met vochtige oogen onder de schijning der lamp in de kleine, laag-balkige kamer—Druif, onder-rabbijn—zóo hij het was nog—sjaggerend hier mèt de andren bij ’t papieren vod met ongeslepen diamanten. Drift vlamde in Eleazar. Heet sloeg de minachting uit zijn oogen naar de ramen van hetCasinoontdaan van hun schijn, hun kleuren-geneurie. Al de oude bedenkingen gromden in hem. Zoo hij straks had gekeken, was hij zwakling geweest, in blijdschap van weerzien, in extatisch houden van dingen en menschen en kleuren sinds lang niet gezien. Nu was hij zichzelf weer en stérk, sterk door zijn wil, zijn verlangen, zijn weten. Ze zoudenhem hooren éens, diè daar, al moest ’t jàren duren, al zou hij er bij onder gaan, ze zouden hem hóóren, de veiligen achter de ruiten.Neerkijkend zag hij de grauw-zilvren haren van het joodje dat den schoenborstel bespuugde, joodje op drekkige steenen, nek gebogen, rug krom van graat, lijf van rotting, ellende. De lompe ouwe schouders schokten bij het gewrijf. De knieën wiebelden mee. Warm schuierde de borstel heen en weer over het leer dat glansjes van zwart kreeg.Rondom wigden huizen hun daken. Muur stond naast muur, goorbruin, bloedbruin, slijkzwart, doorklodderd van loodmorsig wit. Vensters kniesden er in met zwarte gordijnen en beneê suften de puien met stille bordesjes en opstaande luiken. In de flets-tragende lucht loomde de rook van Marken en Uilenburg, krimpend uit ouwe saamkwakkende huizen geschoord op elkander. Dáar was het eerwaarde, grijze huizengeleef, dat opkroop in zijn herinnering, daar schuwde schaduw van muren, waar geen licht kwam, waar eeuwige scheemring devrouwen verlepte en klagende kindren uit dikke buiken ontving, dàar was alles vruchtbaar zonder zon—daar wist hij het massale gedommel van sloppen en binnenplaatsen, grijs van cement, grauw van ouden stervenden steen—èn het beweeg van jodinnen verdord en geel met bandeaus en mutsen met linten—èn het groezel gespeel van joggies met zeere oogen—èn het waduwen van nacht om kleine, roode, heete kamers, waar lampen hingen en lippen ademzuchtten. Er leek benauwing te hijgen in de verte en dichtbij, benauwing van héél-ouwe menschen die zwakjes luchtstootten, dor in hun stoel, benauwing van stikkende, rogglende, krimpende joden, beloerd op hun doodsbed door ’t waaiend geveer der walmende kaars. Gerucht van het plein, van de straten wijd-weg, gerucht van Breestraat, Uilenburg, Marken, heeschte aan, doezlig gereutel, gesmoord onder kreunende muren, log-bedelvende daken. Hij voelde, doorsmartte het àl, snel en zeker-van-weten—het stedengezieltoog van een oud volk dat geduld werd, zich liet dulden, te slaafsch was, t’erbarmlijk-verdorven om af te laten de geil-begeerige oogen van aardmodder, waarom hun wedgezang, hundansrijen schaterden en waarin zij tabernakels van sittimhout met gewaden van getweernd byssusgaren gebouwd hadden. Spot, spot, spòt! Verdoemlijke nageboorte. Spot op wat Israël wàs, móest zijn als schakel in drang naar benepen gelooven, móest zijn door wormstekig, verlept testament, giftwalmen dampend als een moeras.Joodje, klaar, hief zijn kop van diep-sneden trekken, verweerd en vuil onder de pet met de lostarnde klep. Ruw gestoppel van zweeterig haar piekte in de vettige plooien der onderkin. Het geld kringde in zijn hand, zwart van stof en schoensmeer en met lach van verwonderd bedanken, tikte hij aan.Eleazar nam het valies, voortstapte verhit door de vleug van opstanding naar het Waterlooplein. Maar op stoep aan de overzij stond hij weèr stil, indrinkend de scheemring der huizen, het wijde gerucht van de sloppen vèr-af. De ramen van hetCasinomet de sjagrende joden in het zwart van de zaal, suften leefloos en kwijnend. Jodenkoppen hokten in driftig getast, toeschuivend en bukkend, adoratie van flonkerend gruis. Bij de deuren groepten mannenmet das hoog om den hals en deuk-zwarte hoeden. Er liepen anderen aan, die wipten de stoep op, verdwenen in de donkerte van het huis, geslokt door de nacht-schemering der sjaggerhal, de hal met de glimmrende ramen. Het was een geloop in en uit, stommel van zwarte figuren, hoofden bleek onder hoeden, gestappel op stoep, voorbij den hurkenden schoenjood. Daaromhenen roesde ’t geraas van de brug met rijdende trams en zwaar in de wit-onbewogen lucht norschte hetToevluchtsoordzijn muren.“Geen stad op de wereld is lièver”, peinsde Eleazar: “maar ze is oúd, oúd—er is geen groen en geen zón—menschen als wìj sterven in ’t graf van de huizen. Wie zal de reus zijn, de heffer van al de inerten? Wie zal dol en godlijk-gelukkig de tafelen breken en op de plaats van de arken, cherubim, gouden kelken en knoppen, takken van feestelijk Meigroen planten? Meiblóésems, jòdendom, chrìstendom, Meigroen—diamanten, wat is dat gèk”.... Glimlachend, den mond in glimlach, de groote grijze oogen in glimlach ging hij verder. En terwijl hij moeilijk liep door ’t valies met de zware in dorstige lezing gekreukte boeken, debeduimelde boeken met de drift van den tijd, spon hij dat uit, zuiver gevoelend dat hij ’t geloovend jodenvolk, zoo als het gedegenereerd, zonder éigen leven stierf in schulp van ouwe, triestig-droomende huizen, dit volk schim van eèns schoonen wil, nooit anders zou kunnen dan háten. Hij stak het plein over, waar koopwaren onder zonnekappen lagen, geschreeuw van venters drensde. Uit d’aangrenzende stegen, sloppen, krotten en wakken drong leven van menschen. Voeten slierden over keien, kleeren flapten in haastig bedrijf. Mee met de strooming door de Uilenburgersteeg kwam hij in deJodenbreestraat, stoffig en vol, er dwaas over tobbend òf Druif nog onderrabbijn was, òf hij zich vergist had, òf een onderrabbijn zou durven sjaggeren.Maar iemand lei de hand op zijn schouder.“Bin je al àngekomme!... Je ziet ’runbeschriejegoed uit!”....Het was Suikerpeer, die naast tante Reggie woonde.II.Mond open, sliep zij in den leunstoel, handen verzakt naar den schoot. Het was bijna geheel scheemring. Op de morsige plaats speelden kindren wier vroolijk geraas door de kierende deur watelde. Het hoofd van de oude vrouw, weggeknikkeld in slaap, leunde achterover, halsplooien in strakheid gerekt. Eene zij van ’t gelaat was in het voorwerpen-donker der kamer, andere in den kil-doffen schijn van het binnenplaats-licht, dat den deurkier doorzeefde. Het sneed haar oud hoofd in tweeën, een bleek profiel, een schaduwglooi met den donkeren mondwreef in ’t midden. Van onder den zwarten bandeau, die slap in de haarpinnen hing, stuifde ’t haar wit en zilvrig. Zacht klukte de strot. Door den kier van de deur rapte het kindergeraas, vervreemdend in de kamerschemering, omdwalend het oude gelaat, als stermklank door wanden gefilterd. Het hoofd kniptelichtlijk, gespetter der stemmen ging als luchtig behaamren van wieglende gongen. Lang-rustig slierde een klokslinger, vallend en heffend, met kirrig, klagend gepiep.Op de plaats waren er vier, drie joden-kindjes, een mank christen-joggie. ’t Jongste, opgeblazen, ziekelijk-geel, had groot-zwarte oogen, oogen met starre pupillen en dun, warrig haar. ’t Kind zat met de beentjes gespreid op de slijk-drabbige steenen, pompadour jurkje gedeukt, billen en lidje bloot en bemodderd door ’t vuil van de plaats. In de krom-kleine handen hield het een afgekapt blad van een bloemkool, waarvan er leien vertrapt en te stinken. De groot-zwarte oogen keken naar het gespeel der andere kinderen, de vingertjes wriemden en plukten het groen van het blad. De ànderen maakten het leven. Uit een zinken afvoerbuis, grauw beslagen, tikkelde water in een zoeten-stank walmend riool, bedekt door een klein houten luikje. Meijer van Suikerpeer bòven, had het plankje gelicht aan den roestigen ring en in den vet-modderen koek, rotting uitspoegend als opene, lang-gedekselde beerput, roerden ze met latten, ’t meisje met een kolenschop. Om het gat lagen kluiten dik-donkrepap, groen-rottende kwakken gepeuerd uit den stinkenden buik, die onder de krotten zijn darmen had. Jan, mank joggie van den schoenmaker, languit, hoofd over het gat, neus dichtgeknepen, tastte met stok naar omlaag. Het horrelvoetje stond schuin gewipt. Saartje, op handen en knieën, keek naar ’t gebagger. Van onder het groen-verschoten rokje spilden de beentjes, zwart-wollen kousjes doorbeten van groezelig vel. Meijer, de grootste, bleek kind, smal van trekjes, hurkte aan tegen den muur, hoofdje van zwart donzig haar doorlitteekend, garstig van korsten, korsten om de ooren, om de slapen, tusschen de haren, korsten geel-bruin en bloedrig.“Ik zie d’m, gedoome”, zei Jan, pratend met brom-stem door dichtknepen neus.“Zie je n’m?”, vroeg Meijer, overbuigend het hoofd met de korsten naar ’t gat in den grond, en Saartje opschurkend, ademde den log-zoeten stank, het bleek gezichtje met ’t kroes tot vlak bij den put.“Waar zie je n’m dan?”“Nou dáár. Jij ken ’m niet zien.”“Kè-je d’r bij?”“Hou nou effen je smoel!.... ’t Stinkt as de pest!”“Wi-je de schop?”“Hou nou je smóél!”Voorzichtig tastte de lat in de modder benee. De drie gezichtjes, aandachtig, bogen bij het riool, dat z’n zwaar-zoete walmen door openen slijmstrot tegen roodzwarte huismuren hijgde.“Hei-je n’m?”“Denk-ie dat ’t zoo makkelek is”, neus-gromde Jan.“Laat mijn ’t dan doen met de schop”, zei Saar, dichter toekruipend.“Je ken d’r niet bij met de schop.... Hou nou je smoel!.... ’t Is me gòvergeefme ’n stank!.. Jessus, jessus wat ’n mietersche stank.. Allemaal stront en swijnerij.... Nòu haal ’k ’m an ...”“As je de schop an de lat bindt”, zei Meijer, spuugend, pratend tusschen z’n vingers door: “wattè?... wattè?”“Hij komp zoo wel.”“’k Zie nog geen scheet!...”“Ken die niet sinke?”vroeg Saartje, handjes in uitgebaggerde modder. Jan antwoordde niet, zacht schrapjes aaiend in den drekpoel beneden. Moos, ’t ziekelijk kind in ’t pompadour jurkje,dat tot nu toe gewriemd had aan ’t bloemkoolblad, was billen-wrijvend over de steenen gekikkerd, tusschen Saartje en Meijer. De handjes kleefden in ’t rotsel, grabden er in, besmeerden ’t jurkje, sapten het slijk in de zwarte knijpvingers. De oogen groot, vochtig, keken zonder begrijpen naar de pijp en het vierkante gat.“Ga je weg, Moosie”—snauwde Saartje: “mot je d’r invalle!”“Ta... Ta!... Ta!”, dwong ’t kind, de handjes strekkend naar ’t riool.Saartje rees op dan, vatte ’m onder de armen, sleepte ’m weg naar de deur.“Sel je nou hièr blijve sitte... Mo’k tante gaan roope... Sel je doen wa’k je seg, hè, hè?.... As je weer is durf.... hoor-ie? hoor-ie?”...En ’t opgeblazen jongske beplukte opnieuw den stronk dien zij gaf, beentjes slijkzwart, ’t lidje bleek propje er tusschen.Jan was nu bezig den kolenschop te binden aan den stok. Meijer hield de einden tezaam. Maar het touwtje brak af.“’k Sel me veter geve”, zei Meijer, zoekend achter de benglende lip van z’n schoen. Saartjewas vlugger, scheurde een band van haar broek bij de knie en Jan, straf knippend met d’oogen, trok tot het hield. Hoofdjes dicht op elkaar, leien ze weer over het gat, waar de stankbellen barstten als oprispende boeren. Vol en zoet, hijgend, dof-klukkend, gurgelde de stank uit de darmspleet, kruipend langs de vaal-bruine wanden die stonden gevierkant onder het plat van den hemel. Het was eene klein-zwarte binnenplaats, achter een donkre gebrokkelde poort, die naar ’n nauwe gangstraat kokerde. In die poort waren twee deuren, onzichtbaar in ’t duister, op de plaats waren er twee. Het derde huis had beneden den blinden muur van een pakhuis, er boven het druilig ge-rij van vensters met grauwe, verweerde kozijnen en ruitjes beschimmeld in stof. Als water vettig besausd, parelmoerig van glans, glimde het glas daar der opperste vensters in ’t huizenvierkant—ramen bedroomden mekander, altijd ziend een glanzend gezwijg en menschenbewegen in schaduw. De steenen koker met ’t venstergelijn, pijlerde op naar den hemel—bòven, een dorre mond die lucht zoog en licht—benèden, de plaats slijkrig en zwart met vertrapte bloemkoolstronken, een wippendehandkar en een hoek nat en pekel-beslagen van mannen-gepies. De bovenste ramen van ’t huis òver den blinden muur, zilverden in avondlicht, de eenige die over daken, goten, schoorsteenen, rigglende pannen heenkeken. De andre stonden op kieren, twee met bloempotjes, en gapende droogrekken. Wit tegen het doode der muren, geheel-onbewogen, hing drogend goed, hemden slap-futloos, boezeroenen blauw-drenzig gebuild, een paars-wolle broek met luchtbillen en dijen en zakdoeken rood, wijnrood, als windlooze vanen.Stemgeroes siepelde uit de raamkieren, uit het donker der huizen, echoode in dof gemummel, vèr-praten van saamhoopende menschen, zonder klink van heller geluid. Als een hoog-wijde schoorsteen trok de koker ’t gerucht uit de kamer-dompingen, den adem uit de monden, den opbrakenden stank uit het rioolgat naar het gebroei van den lagen stadshemel. De kinderen speelden, klein-bleek in de schaduw beneden, benepen vierkant waar geen licht ooit gevreemd had. De stem van Saartje schelde het luidst. Eén hoog, werd raam opgeschoven. Vrouw met borsten, plomp-kwallend in ’t wit van ’n jak, ’t haar wild geknoet in barstige dot,elboogde over een droogrek, keek naar beneden. De avond-grauwing van den huiskoker omlei haar hoofd, het vagend, zacht-bleekend, verteedrend de wangen, het ruwe der oogen, het snauwen der lippen. De borsten bepropten de buigende armen en plots bol van geraas schreeuwde ze:“Doe de deksel d’r op!... Is dat me ’n pèststank... Nou dèn!... Nou dèn!”...“’k Sou niet wete wèrom”, zei Jan voortpeurend, koppig.“Sulleke snothannese!”, raspte de vrouw, schreeuwrig naar ’t donker der kamer:—“overal motte se met d’rlui poote ansitte”, en weer de borsten in kwallende zwelling op de armen: “doe j’m d’r op, sellemander!”“Nou!” schreeuwde Jan terug: “d’r leit wat in.”“Wàt leit ’r in, lamme horrelpoot!”, giftigde de vrouw.“’n Appel van háar”, zei Meijer op Saartje wijzend.“Mot je daarom de boel verpeste?—Doe ’m d’r òp, tòe!”Een man wrong ’t lichaam naast de vrouw door de raamopening, bolle kop, rood en zweetend.“Doe j’m dich!”—schreeuwde hij schor, maar Jan, koppig, wetend dat de menschen-van-boven-het-pakhuis geen deur op de plaats hadden en overhoop leien met die van benee, zei alleen maar brutaal het manshoofd besarrend: “Daar hei-je háár ook!”—en keek bot, met jongens-verachting, naar de roode, lillende koonen. Woede verpaarste ’t gezicht van den man. Met de vuisten steunend op het kozijn, in opwinding van drift, mepte hij woorden die traag uit den vet-korten nek met de bobling van onderkin kwijlden, zwaar van nadreuning in ’t murenvierkant.... “Godverdommisse mankèèè!.... Om de boel te verpeste!.... Schorremorrie!.... Groote.... leeleke smeerkanis bandiet!.... Bandiet.... Bandiet!...” Verder bracht hij ’t niet, verpaarsend, te vet van nek en onderkinnen-gedril. Maar de vrouw, dieper neerbuigend, wassig in de grauwing van den huizenkoker, mokerend met den bleeken, vleezigen arm, rauwde krijscherig in zijn plaats, rekkend elk scheldwoord dat de gulpende drens van wand naar wand rakette.... “Snothannesse!... Laa-aa-aa-zerstéééééééne!.... Doe ’t bij je moer thuis!... Om de boel te ver-pès-teèè!... Om de boel te ver-pès-tèèèè!....Rot-sellemandèèèèèèrs!”..... Kners-galmend, lang schrapend van achterkeel-stoot, sleepte de vrouwstem, klankkotsing in zoetwalmen stank. Mét smeet ze het raam dicht, knappende klak in na-dazende stilte. Uit andere vensters werden hoofden gebogen, kort van geemlijke kijking. De kindren, even beduusd van ’t gescheld, zaten verdaan bij ’t gat. Ramen triestten in muren, het drooggoed hing willoos. Dan riep uit de poortdonkerte schoenmaker’s stem, wat ’t was. Jan, zeker door vader’s gevraag, schreeuwde beklag....“Hij wil niet hebbe, vàder, da’k ’n appel zoek, die keerel van boven.”“Hij heit niks te wille”, knerpte de stem uit de poort: “.... die kwartjesvinder!.... die flessetrekker!....”Weer was rust in het vierkant. Stemmenroes mumde vèr-af door de raam-kieren. Venster keek venster aan, broos kwijnen van oogen. Gordijnen hingen tam-neer, oud-geel, met slobrige franje. Op de grauwlooden kozijnen vraten slijktranen, krimpende stralen van ’t gootwater. Suikerpeer, voor den inkijk, had groene horren, licht zeewier-groen in gladlakte randen met priemende pennen. Leefloos,vaal-wit, flarden-lichaam in stof-damp verstuipend, wendden de wanden heur scheemringen, snikkende benauwenissen naar den platten, vadzig-plettenden hemel, die als een melktroeble domper vlakte van goten naar pannen en schuchter-glanzende ramen.De oude vrouw sliep nog, ’t hoofd in tweeën gesneden, strot zachtjes klagend in slaapzang, het leêren geplooi van den hals in wijde slurven gespannen. Het kindergeraas, heller doorschetterde den deurkier, omwaatlend het hoofd, toetrend in donkere hoeken.“Hei-je n’m?”“Stil nou!.... Hij glijdt ’r weer af... Nou zie ’k ’m heelemaal nie-meer.”“Laat mijn ’t dan doen!....”En weder, gespannen van kijken, hoofdjes over den rand, schoven de kinderen bij den put, knieën in klevende, slijmrige modder. Moos, op de knietjes gekropen, met machtloos bewegen der beentjes naar den nat-groenen hoek, waar de mannen piesten en ’t vulnis staâg rotte, had daar gevonden een leege citroenschil, verperst en grijs van weeldrige schimmel. Het ziekelijk kind, bleek-opgeblazen, met groote, idiote, glanslooze oogen, pulkte met ’t zwartwijsvingertje in de wrange bulten der schil, likte vies-smakkend, zachte kreetjes pratend, in klankengetast naar het schreeuwen van die bij ’t riool. De billetjes bewreven de donker-nattige plek, waar priklende, laffe pis-wasem jaren-lang mufte en kakkerlakken hoopten achter ’t weeke cement. In ’t een knuistje hield hij de schil, boorde het vingertje, zoog tot de vooze smaak ’t mondje vertrok en kwijl langs de kin op het pompadour jurkje glipte. Terwijl was bij de andren driftig gepraat. Tweemaal was de appel terug gegleden in ’t gat.“Laat mijn ’t dan doen”, zei korzlig Meijer: “’t is toch hàar schop en haár appel.”“Ja, laat hèm ’t dan doen as jij ’t niet ken, jà”, kribde Saartje: “hij heit langere arme as jìj!”....“Denk-ie gedoome dat ’t zoo makkelek is?.... Nou zàchies.... Stoot nou niet.... Hou jij ’m teugen met je lat, Meijer, anders flikkert-ie weer weg. Houe hoor! ... Houe! ... Zachies....”Licht klonk ’t gejuich. Bij het riool bleven ze zitten, Saartje den appel verknufflend in ’t verschoten-groen rokje, de modderpitten zorgzaam wegwrijvend. Jan keek toe met denschop in de hand, Meijer, zeker van ’t aandeel, sopte de kwakken terug in den put.“Je ken ’m zoo bèst vrete”, zei Jan, maar Saartje, ’t hoofd met de zwarte krulletjes gebogen, spoegde witte schuim-propjes op ’t rood van den appel, wiesch ’m na met ’r hand dat ’t kringelend slijkte, droogde sekuur met ’t grijs van ’r rokje, tot de appel rooderig-glom.“Nou krijge jullie àllemaal ’n stikkie.... eerst Jan”. De tandjes beten een hap. Jan, gulzig-bijschuivend hield de hand op, hand zwart van het slijk. Saartje gaf hem ’t stukje, dan Meijer, dan Moos, die de citroenschil had laten vallen, weer bij den put zat.“Je proef d’r zoo niks an”, zei Meijer.“Denk-ie dan dat ’t door de schil heengaat?” zei Jan, wijs: “as-die ’r ’n week inleit blijft-ie nòg om te vrete.”“Nou, dat zou ìk wille zien, wat jij, Saar?” schorde Meijer.“Ik zou d’m niemeer luste as-die d’r ’n week in gelege heit”, zei Saar, vinnig-happend, omdat de appel van haàr was.“Nou ikke wel”, schetterde Jan: “Wij hebbe laast op de Singel gestoken, de schele en ikke—weet je wel?—met ’n stok met ’n spijkerd’r in.... Jeesis-mierande wat ’n hoop leie d’r in ’t water en best hoor!”“Legge d’r altijd zoo’n boel?”—vroeg Meijer, volgend het gaan van den uitgebeten appel in Saartjes hand.“As d’r markt geweest is àltijd en hóópe, hoor..... O jee..... hóópe..... Je ken je d’r ziek an vrete.... Koos had ’r over de twintig.... As d’r maar zóó’n rot stukkie an is, keile z’m weg... Krijg ’k nou niks meer, zeg?”“Je heit al zòo’n brok gehad”, zei Saar: “’k Hou zellef niks over”. Maar bij ’t zwijgend kijken der andren, beten de witte tandjes toch nog voor elk ’n hapje, bloedig van schil. Het ging van mond naar mond, ’t appel-vleesch met het spoeg van Saartje.Jan, die nou wist dat-ie niks meer kreeg, bukte opnieuw over het open, stinkende gat, morrlend met schop in de modder die blazende bellen boerde.“Sou-die diep sijn?” vroeg Meijer.“Noú!.... Je sou d’r smerig in versuipe—òf-ie!”, schreeuwde Jan, modder opleeplend en prettig neerklukkend.“As je maar swemme ken”, zei Meijer, spoegend in ’t riool.“Swemme helpt je geen luis”, zei Jan: “hoe ken je nou swemme in swijnerij... daar suig je ommers in vast.”“Nou dat sit nog!”“Jò”, helderklonk-stem van Jan, brutaal van verzeekring: “ik heb is ’e meissie sien legge in de Burgwal... Nóu!... Enne de keerel die d’r na-sprong zat met z’n poote vast in de modder... Jò, modder is zoo vùil!”Meijer spoog moeilijker spoeg-fluimpjes, mòe as-ie ’r van werd—Saartje wierp ’t klokhuis in ’t gat en de dikke logge modder droop van den kolenschop, slaagjes smakkend in het riool.“’k Wou da’k hàd wat ’r in is gerold”, zei Jan weer.“Noù!”, knikte Saartje: “d’r leit van alles... As se wat in de gootsteene late valle, zakt ’t ’r allemaal in.”“Pas op!” waarschuwde Meijer.Boven werd heet water geloosd, dat door de zinken buis snaterde en met lawaaiend geplas in het gat stortte. De witte damp sloeg om de hoofden der kindren.“Sodejuu!”—schrikte Jan.Meijer hield z’n hand onder de pijp om te voelen of ’t heet was.“Jò—mot-je je poote brande!”...“’t Is nie-eens heet... Aardappelewater... Voel maar.”Vreemd-onnoozel werd hun gepraat bij de gaping der riool-opening, rakkerig kinder-doen, schijnbaar-volwerklijk door groote-mans-woorden. Saartje, ouwelijk-wijs, keek van Meijer naar Jan, Moosje druk staamlend perste de handen in de gebleven modderkoeken. Het licht van het brokje hemel, benêe tot scheemring geloomd, was als een wikkel van laat-killen Novemberdag, bleeken wasemschijn stollend om het wit van de hoofden, de handen, de blootwoelde beentjes van Moosje. Bij tijden, als straatgerucht ganschlijk verstoven en ’t stemgeroes in de kamers heenschrielde, brutaalde het hooge geluid van ’t manke joggie, als schettring in leeg-holle kamer, hel-schel wegklikkend langs luistrende wanden.Jan kudderde modder, sprak daar tusschen door:“... Mot jij niks voor je vader doen an die sweere op je kop?”“’t Sijne geen sweere”, zei Meijer: “’t is brand.”“Mot je met salf smeere”, verzekerde Jan, viezerig kijkend naar ’t korsten-hoofd.“Vader seit dat ’t niks is”, zei Meijer: “me broer heit ’t en me sussie en me groote sus”...“Met hoevele benne jullie?”, vroeg Jan.“Met s’n sevene.”“Benne jullie met sijn sevene? Wij met sijn viere.”“We sijne met s’n elleve gewees”, zei Meijer: “vier sijne d’r dood en me sussie gaat oòk dood.”“Gaat-die oòk dood?”“Nòu hoor!”“Wat scheelt se dan as se dood gaat?”“Jò, weet ik ’t!”...“Bij ons is d’r ook een gesturreve”, vertelde Jan, modderlepel stil op den rand bij het droomrig-herinnren: “Jeesis, jò, wat is dat gedoomes gek... D’r was net weer soo’n lek in de kelder... Stinke dee’t!... Stinke!... Godvergeefme wat ’n stank!... We moste ’s morges allemaal meehelpe met ’n emmer... ’t Hielp geen mieter, hoor... En soo kemiek, seg... nou maar die wàs kemiek... ’t Kissie stond op twee stoele... Heb-ie wel is ’n kissie gesien?... Heelemaal wit as van de appelesiene... nou en daar lee-die in”...“Lee-die in ’t kissie?”“Nou en wat!”...“Met ’n deksel d’r op?”, vroeg Saartje.“Wat doch-ie anders?... Kemiek, hè?”...“Was dat je broertje Dirrek?”“Dirrek?... Is Dirrek dan dood, stommert? ’t Was zòo’n kleine... Meijer heit ’m gesien... D’r was niks an, hoor!.... Die zei nog geen woord, net as jouw broertje Moos.... Enne kakke as die dee... godvergeefme de sonde wat kakte die!... Vader seit dat-ie an de eeuwige schijterij is gesturreve.... ’n Kissie soo groot as ’t luikie van ’t riool... Maar de lòl ’s morges met ’t water in de kelder!... We moste allemaal op bloote voete loope, seg... enne me broer die viel soo met s’n nakende kont in ’t nat... Hahaha!...”Rinklend sloeg de kinderlach door den koker.“Enne toen?”, vroeg Saartje.“Nou... enne toen... Enne toen!... Verrek, seg!... ’t Is geen verhaaltje, seg!... Soo ken je blijve vrage”....Achter piepte de deur. In het vierkant der deurposten kwam de oude vrouw, gebogen, geel, verdroogd jodenwijfje, handen in beevrig getast. De bandeau, weggezakt, dekte warm nog het zilver-krulhaar, dat slapen en voorhoofd schichtig beploos. Bruine diepsels onder-kringdende mat-grijze oogen. Er was zorgen-gevreet in ’t gelaat van neus naar mondhoeken, door ’t beenige voorhoofd, onder de wiggende jukken. Witte matinee, bij den hals vastgehouden door rood-platte broche, omkreukte het gebogene lijf tot op den zwarten rok. De eene hand sloeg om den deurpost, vingerknekels om ’t molmende hout.“Zit je daar, Saartje?”, vroeg ze.“Ja tante.”“Pas je op Moosie?”...“Ja tante.”“Wie is ’r nog meer?”...“Jan-van-hiernaast en Meijer.”“O zoo... O zoo... Ken jij op de klok kijke, Meijer?”“Ja jeffrouw”, zei Meijer, beknikkend de blinde oogen der vrouw.“Enne hóe laat is ’t dan?”, vroeg ze, kleintjes lachend.“Wáar mot ’k kijke?”“Nou bij óns”, zei Saartje, meeloopend naar de holte der deur en mede opkijkend naar het kopergeglim in het donker.“Hallef ses”, las Meijer... “net twéé minnute d’r voor.”“Hallef zes?”, knikte de blinde: “... speule jullie maar vort”...Zachjes inschuifden de voeten de kamer, naar de koperen kachel waar water op ruisde. Wegend nam ze den ketel in d’oude handen, bevoelend de zwaarte, liep er mee naar een kraan-dicht-bij-den-grond, bleef héel-zeker van luistren bij het geploemp van het water, tot de spetting versnerpte tot heller getok. En voorbij de tafel, ziende de schikking der dingen in ’t zwart van haar hoofd, voorbij de alkoof en de stoelen, schuifde ze terug naar de kachel, dempend het rookend gezuig in het gat door ’t herplaatsen van den ketel. Buiten hoorde ze ’t gepraat van de kindren, de brutaal-snappende stem van ’t mank joggie, het mulle hamergeklop van den schoenmaker in de poort. De kachel droog-warmde de kamer. Ze kon wel ’n luchtje scheppen, ’m wachten voor de deur. As ze ’m maar niet misliepe. Stoel, dichtst-bij, nam ze bij leuning, kniklachte vrindelijk tastend tegen de kindren.“Geef Moosie maar hier, Saartje”, wenkte ze, tilde het kind op den schoot, wreef de koud-vochtige beentjes met ’r magere hand en zat stil, rustig, kniprend alleen met deoogleên. Jan ratelde verder, morsend, pratend met stootjes...“.... Enne ’n smerisse!... Hóópe... Nou enne toen de brandweer an ’t spuite... Jò, wat-’n strale... Je zag niks as róok... enne-’n vlamme... godvergeefme wat-’n vlamme!... De lucht sag soo rood as.... as.... vúúrrood hoor... je kon de sterre niet sien”....“Brandde ’t héélemaal?” vroeg Meijer, ingespannen van kijken.“Nou!... ’t Was rood as de kachel van binnen... Je sag soo de balleke valle.”“Steen brandt ommers niet”, zei Saartje, ongeloovig.“Of die brandt”, schetterde Jan, opkijkend en de huizen rondom taxeerend: “’k Wou gedoome dat ’t hìer is gebeurde”...“Nou, ikke niet”, schuwde Saartje.“Ikke wèl”, zei Meijer, die nooit een brand had gezien en te fantaseeren begon hóé ’t kon wezen: “’k Wou dat ’r nòù brand kwam, hè? Dan ware wij d’r meteen bij, watte?... Zou jij niet wille?”“Nou òf”, zei Jan: “nog al niet pràchtig... de vonke die valle over de hééle stad... enne dan de brandweer: tingelingeling!.... tingelingeling!... tingelingeling... Nòu!”“En àsje verbrandt”, zei Saartje.“Je verbrandt niet”, hel-antwoordde Jan: “ze hale je met ladders ’r uit.... enne dan mag-ie blijve kijke as je in ’t huis woont”...“’k Wou dat ’t zòo gebeurde”, zei Meijer, kijkend de muren langs naar d’opperste ramen, die zwakjes zon-zilverden.“Over dag is geen aarigheid”, hoofdschudde Jan.“Waarom niet?”“Dan zie je alleen rook.”“Zie je overdag geen vlamme?”“Née hoor. ’k Heb is ’n schoorsteenbrand gesien, die niks was”....“Heit u wel is ’n brand gesien, tante?” riep Saartje.“Ja”, knikte de blinde: “... prate jullie over wat ànders...Beschrie’t huis niet”...Maar de kindren fluisterden onder mekander, schrikkend door nieuw watergeraas dat in de afvoerbuis snaterde.Stil bij den deurpost zat de oude vrouw, arm om ’t ziekelijk kind, been wiegend in sussende schokking. In de buurt luidde een klok. Luistrend keken de mat-grijze oogen naar boven, vochtloos in de benauwing der huivende muren. Naasthaar hoofd, roestig, schuinhangend, was de blikken huls met demezoezos. En op het geheven gelaat, geel en dor onder het stuiven der zilverharen, schuwde het licht, alsof het kleurloos van achter onweerskoppen hevelde. Moosje lei in slaap gedommeld.
I.Vlak bijCasinosprong hij van de tram, stond stil, kijkend naar de oude gevels. Tusschen de dracht der vaal-lijnende huizen spaakte groen in een tralieënd raster. Zóó had hij het onthouden, niet alles afzonderlijk, niet een énkel huis met opdringende vormen, niet het kleine van menschen die er gewoond hadden, nòg woonden—nee, zóó als hij het weèr zag: massaal, zwart-geslagen van straatvuil, huisklomp in stedebenauwing, omwringend het groene stofperkje. Het gaf hem eene vreugde en pijn van lichte verwondring—dat dit alles zoo verweerd geleek, zoo óuder geworden, ouder zelfs dan de herinnering, die het in wazige schaduw gezet. Op zee had hij zich dikwijls de jodenbuurt gedácht, uitsluitend gedácht, en warm-lieve, zacht-glimlachende genegenheid gevoeld voor het bruin der straattintingen, zooals hij hetzag, bij gedroom achter oogleden. Maar na zoo làngen tijd werd het moeilijk jongensindrukken te hervinden, scheen je jeugd als ’n koorts van onrijpe verwarring, mal en gejaagd, vèr van je leven gegleden. Tòch klukte ’t in z’n keel, traagde z’n adem, wás er ’t vreugdlijk ontmoeten van kleuren, die het verlangen naar deze straten tot zwaarmoedige draperie had gevormd, mèt de vloeiing van bruin en zwart—wit-venstertjes doorsneden—die over het plein dampte en in de Joden-Amstelstraat van gevel naar gevel, dak naar dak henen-loomde. Al-stratenschoon was hier, slinger van stegen en sloppen, huizengehuif in scheemring van luchten, daken molm en bot, wig naast wig, met bronzend-bruin in de dalen. Zóo had hij het meenen te zien, toen nog niet hij het zag.Alleen, het was oúder geworden, vàag-ouder, als jodenvrouwke wier kruin van jaren schuilt onder zwart van bandeau. ’t Gaf hem een lichte pijn, ’t dee denken aan luidloozen dood van tierige dingen, die sterven zonder gerauwgil van angst.In de wijdte, áchter op ’t Waterlooplein plompte het grauwe cement der Mozes-en-Aaronkerk,zwaar boven de zonnekappen van ventende joden. Perkje groen, stoffig, heet, stond in de branding der zon—vèrder waren het ouwe, gore huizen, deurtjes en ramen, droogstokken en lappen van kreukerig wit, met een enklen roodbaaien rok en wat bloempotten.Eleazar zag niets dan het plein en de straat, de huizen daar in, die hij héérlijk vond, aanbidlijk van kleuren-versterving, indrukwekkend als schemer-neersponzing op zee. Was niet elk droomend gezwijg gódlijker klank dan het puurste geluid? O, ’t huizengedroom, vast aan ’t bewegen der lieden wier gezoem tegen de wanden ging, was sterker, smartlijker dan ’t groote-water gepeins en gewatel, dat hij nu maanden gevoeld en door-angstigd had, ’t water dat noòit rust kende....Joodje, dat hem zag staan met het valies in de hand, riep van de stoep vanCasino, wenkend met schoenborstel. Ja, hij had nog wel tijd. Blinde tante Reggie wachtte ’m eerst tegen middag—hij voelde zich vuil-stoffig van de lange reis in den trein. Zijn valies zette hij neer en joodje plots vlug van bewegen, gemeenzaam van toon daar hij jóod voor zich had, strooptede broekspijp, schuierde snel. Eleazar keek neer op den rug, bol-gebogen, rug vervormd naar de graat nooit recht van standing geweest. Grauwe, witte haren, stug als borstel-gepluim, vlerkten onder de pet, die had een los-tarnde klep. Op de stoep van morsige steenen, lei joodje als in knieling voor hem, verachtlijk van knechtschheid, spuug sputrend op borstel—joodje gebogen, grauw-klittig van haar, slavig van lichaam, voeten uitpuilend den flarden-broek.“....Wàrrem, mehèir....”Het was bijna een schaamte dat hij den ander zoo lièt, wreed-gedienstig gebukt, eersten jood dien hij sprak. Maar ’t bedenken was zòtheid, prikkel van overgevoelen nu hij weer stond in de huiving der ouwe vormen, in ’t bruine, doffe getint der jodenkwartieren. En hij dacht er niet verder over, want zijn innigste aandacht dreef naar deCasino-ramen, twee, drie, vier vensters, met groepjes bezige joden. Achter dichtst-bijzijnd was stilte van kijken, hokking van lijven, buiging van koppen, oogen in lijning naar stukje papier dat op tafel lag, randen verwipt. Er waren er zes. Voorste,Pool van uitzien, hoofd groot en bleek met rood-haren baardslieren, hield loep in de langvingrige hand, die dicht bij het stukje papier rustte. Zijn oogen kleinden in kippige kijking, wat de roode wenkbrauwen stoppelde saâm. Op het ros-kroezig haar, schuin gezakt, ovaalde een zwarte fantasiehoed, vreemd bij het bleekroode hoofd, ongewoon hoed te dragen. Bruin-zijden das, hoog-in-wrong om den hals, rimpelde aan langs het dunnende kroes van den nek. Het gelaat was melk-flets en vleezig, toch met hardere puiling van jukken. Gansch onbeweeglijk, loep in de hand, ernstig-aandachtig, zat Poolsche jood, borst aangeleund tegen kant van de tafel. Op zijn schouder leunde ouwelijk joodje, diep in schaduw van kleppet, mager gezicht zwaar bestoppeld, stoppels over wangen, bovenlip, kin, stoppels grijs en gedord tot in plooien van das, die wat los hing. Mond was open in aandacht, oogen knipperden zacht. Stukje papier lei midden op tafel. Recht over het raam, héél te zien, zat een ander met koper-schimmenden baard, baard in ringvorm geknipt met slordige pieken, gekreukt door pletting van hand, die steunde het hoofd. Eleazar meende hem te herkennen, meende meèr te hebbengezien dat breed-weeke masker, mom van papperig vleesch, zoet-gedweeën trek om den mond, oogen zachtlijk-lichtschuw. Wáar had hij hem gezien? Hij kende hem, kende den grooten krachtloozen neus met de zinlijke vleugels, vooral den dunlippigen-mond omsabbeld door sigaren-gekauw in ringveld van haartjes. Het was een gezicht van gladdige goedheid, week van bloedeloos vleesch, gezicht-van-nièt-werken op lichaam doorvoed, gezicht zònder sneden van denken of zorgen of ziekte, vervet in huisleven, gezicht zonder hartstocht, gehavend alléen door sterke geslachtsdrift als bij àndere joden. In Eleazar was vaag gezoek. Nee, hij kende hem nièt. Nee.Joodje in ijvrig gewrijf over de schoenen rustte en vroeg wat. Dommelig antwoordde Eleazar.Over den Pool, gehurkt op de tafel, keek vièrde jood naar het papier. Die had wijdgatigen neus, zwaar van vleezige vleugels en oogen omwald. Zijn aandacht was zóo gescherpt bij ’t papier dat het neusvel berstte in bultige rimpels en de oogen knepen tot gleufjes in wimpergeplet, alsof wat hij zag vies en verwonderend was. Gezicht, rond van kwallende koonen, gladgeschoren,had blauw-paarse tinten, gittig-zwart haar dat ’t aangezichtsvel kwam doorpeepren. Gehéel onbeweeglijk, gatwerk gewipt van den stoel, om meerder te buigen naar ’t stukje papier, hurkte hij—buikje op tafel—over den kijkenden Pool.Op zij van dien met het weeke gezicht, stonden er twee, een met vuisten op tafel gesteund, ander met handen in zakken. Niets was van hun hoofden te zien dan een fletsing van vleesch, met den rug van ’n neus en snorregestriem. Vest van den een was opengesprongen op zwelling van buik. Niet éen bewoog. ’t Papier had de aandacht. Gordijn half-neer, posten van raam en vensterbank, omlijstten in ’t zwart van de zaal de jodenkoppen, bleek in den schijn van het zonlooze licht. Zij spraken niet, gebaarden niet, waren in starre aanschouwing achter de ruiten zacht-glimmend. In het aarzlend gedonker der zaal schuchterlijk bolden de vleesch-koppen met wenkbrauw-vagen, lippengleuf, wimpers om oogen in glazerig kijken. Lichamen en hoeden diffuseerden naar het kamergrijs, hoofden-in-schijn-van-den-dag boorden naar buiten, vol-week of wit-hoekig, met de scherp-blanke randjes papier op de tafel. Bij de andereramen was het een zelfde vreemde aan-schimming—vèrder vluchtte ’t bewegen in schaduw. Glansjes horlogeketting knipperden zoet. Gladderig puntboord streepte ontzet. Anders was niets dan het hoofden-geklit, doezel van haar, jukbeen in vleeschmom, handen geslapt in betasten. Zònlooze licht kwijnde, heesch van verleefde weerkaatsing op het plat der gezichten, op de wigging der neuzen, op de vochtig-glazene oogen, geil van begeeren naar wat lag op de tafels.Eleazar stond in droomend verwondren om de geheimzinnigheid van elk der vensters met koppen. Stratenrumoer en de ruiten slokten geluid van daarbinnen. Hij zag de gebaren, lippen in laks en nijdig beweeg, handen geheven, oogen in vragenden trek, maar niets van hun doen kwam tot hem. Ze schenen klankloos te leven in scheemrenden nacht, wild-bleeke maskers heftig geboeid en geschokt door wonderlijk ding.Achter de ruiten dichtst-bij, was de starre aandacht gebroken. Poolsche jood, handen in vraging gespreid, schokkelde driftig, lippengemum verschrikkend van rapheid, besnauwendden jood òver hem. Bei hunne koppen heet-overbogen tot bij het papier, knikten en gromden. Haren trilden in drift. Baard van den Pool, rood en rullig, slierde langs tafel. Dan dook zijn hoofd naar het duister der zaal, mumden de lippen langzaam en zéker-van-plet, werd drillend van schudding de ander, neus met de vleezige vleugels vóoruit, aêrengezwel aan de slapen die stonden gevierkant boven het blauw van de koonen. De loep was gezakt. Die met het weeke-gedweëe gezicht had met pincet iets getipt uit ’t papier, bekeek het met spitsende oogen tusschen wijsvinger en duim. De aandacht der andren was bij het wrokken der voorste, gebarende joden, wier kuiven haast raàkten, zóo als zij bogen over de tafel. De Pool, rood van het bukken, nekvel gepurperd door daswrong, bewoog lippen èn koonen èn oogen, kribbigde samen z’n vingers. De ander terugleunend nu, palmde de handen wijd-uit, duimen omhoog, hief ze op, wrikte ze neer, meerukkend het lijf, koonen gebobbeld door lach, mond als troebel spelonkje. Al dit leek bizar, grap van geheimnis achter het glas, dat de klanken verslorpte. Nooit was Eleazar zoo stérk onder indruk gekomen van grofheiddoor lichtspel tot schoonheid gebracht. Elk venster greep aan, schokte tot drooming. Elke schaduw en tinting-van-duister spreidde soepel en mild, wazig en wijd-van-vervloeien om het ontdane der hoofden, het geilen der broeiende oogen.Schoenjoodje wreef al zijn twéeden voet—nòg stond hij weg-van-gedachten. De roode Polenkop rauwde op tegen dien met de kwallende, blauw-druilige koonen. Hoeden scheef achteruit, in volle woede van ’t luidloos gepraat, wriemden de lippen achter het glas en nu schoven ook andere hoofden méer naar het raam, zes hoofden van joden, schichtig in dagschijn, gelaatmaskers in ernstig gestaar. Die met het kurkige mom, tanig van vel, en stoppels als kwakken, duwde de anderen weg, hield weegschaaltje in hand. De weeke gedweëe met den koperen ringbaard lei op ’t ovaal wat hij had in de hand en de oogen van allen volgden het gaan van de schomlende naald. Maar dan berstte ’t gebarenleven opnieuw. Handen hoopten tezaam en het haar der hoofden verklitte. De Pool in nijdig geproest wuifde de handen afwerend, reikte de loep aan den achtersten jood, geel met zwart-klevenden snor. Zes handen leienbleek-wiegend op tafel, duimen opwaarts gekromd. Het papierbrokje in ’t midden. En wéer was de stilte van aandacht, bij het bespieden der loep.Het licht witte kil op de hokking der hoofden, op de rompen in scheemring.Hand van den Pool gedrukt langs de ruit, vel tegen glas, had bevende lijkkleur.Het was schoon-geheimzinnig, diep-melankolisch, leven op vèr-liggend plan.Maar langzaam ontzonk het bedrog dat de dingen gelogen deed zien en een overgang van stemming waarvoor geen daadlijke reden was, dreef in hem plotse, zonderling-nuchtere opletting van realiteitjes, die hem in de dronken droom-overgeving waren ontgaan, waarop hij niet had kùnnen letten, vòl als hij zich aan de schemer-vreugde gegeven had, stugheidjes die hem ruw tot het rauwe, harde der dingen brachten. Het was eene stemmings-afknapping zonder scherpe oorzaak—,waarneming mooglijk van stoffige tranen op ’t glas, het zien van vuile stompnagels, het voelen der reisvermoeidheid nù. Versterkt werd het nog door het indaglicht komen van een mageren jood, die uit vettige zak met open slijmrig-malenden mond, koek, bròkklende koek at. Doch het hevigst striemde hem de herkenning van den man met den ringbaard, den jood met het week-zinlijk gezicht en den krachtloozen neus. Hij wàs het, Druif, de onder-rabbijn, Druif, die hem in ver geleden jaren geleid had tot debarmitswe, Druif, de geduldige, achter de tefilem verhalend het doen van de Joden, hun uittocht uit Egypte, hun vrome omwalling van den berg Sinaï, Druif met vochtige oogen onder de schijning der lamp in de kleine, laag-balkige kamer—Druif, onder-rabbijn—zóo hij het was nog—sjaggerend hier mèt de andren bij ’t papieren vod met ongeslepen diamanten. Drift vlamde in Eleazar. Heet sloeg de minachting uit zijn oogen naar de ramen van hetCasinoontdaan van hun schijn, hun kleuren-geneurie. Al de oude bedenkingen gromden in hem. Zoo hij straks had gekeken, was hij zwakling geweest, in blijdschap van weerzien, in extatisch houden van dingen en menschen en kleuren sinds lang niet gezien. Nu was hij zichzelf weer en stérk, sterk door zijn wil, zijn verlangen, zijn weten. Ze zoudenhem hooren éens, diè daar, al moest ’t jàren duren, al zou hij er bij onder gaan, ze zouden hem hóóren, de veiligen achter de ruiten.Neerkijkend zag hij de grauw-zilvren haren van het joodje dat den schoenborstel bespuugde, joodje op drekkige steenen, nek gebogen, rug krom van graat, lijf van rotting, ellende. De lompe ouwe schouders schokten bij het gewrijf. De knieën wiebelden mee. Warm schuierde de borstel heen en weer over het leer dat glansjes van zwart kreeg.Rondom wigden huizen hun daken. Muur stond naast muur, goorbruin, bloedbruin, slijkzwart, doorklodderd van loodmorsig wit. Vensters kniesden er in met zwarte gordijnen en beneê suften de puien met stille bordesjes en opstaande luiken. In de flets-tragende lucht loomde de rook van Marken en Uilenburg, krimpend uit ouwe saamkwakkende huizen geschoord op elkander. Dáar was het eerwaarde, grijze huizengeleef, dat opkroop in zijn herinnering, daar schuwde schaduw van muren, waar geen licht kwam, waar eeuwige scheemring devrouwen verlepte en klagende kindren uit dikke buiken ontving, dàar was alles vruchtbaar zonder zon—daar wist hij het massale gedommel van sloppen en binnenplaatsen, grijs van cement, grauw van ouden stervenden steen—èn het beweeg van jodinnen verdord en geel met bandeaus en mutsen met linten—èn het groezel gespeel van joggies met zeere oogen—èn het waduwen van nacht om kleine, roode, heete kamers, waar lampen hingen en lippen ademzuchtten. Er leek benauwing te hijgen in de verte en dichtbij, benauwing van héél-ouwe menschen die zwakjes luchtstootten, dor in hun stoel, benauwing van stikkende, rogglende, krimpende joden, beloerd op hun doodsbed door ’t waaiend geveer der walmende kaars. Gerucht van het plein, van de straten wijd-weg, gerucht van Breestraat, Uilenburg, Marken, heeschte aan, doezlig gereutel, gesmoord onder kreunende muren, log-bedelvende daken. Hij voelde, doorsmartte het àl, snel en zeker-van-weten—het stedengezieltoog van een oud volk dat geduld werd, zich liet dulden, te slaafsch was, t’erbarmlijk-verdorven om af te laten de geil-begeerige oogen van aardmodder, waarom hun wedgezang, hundansrijen schaterden en waarin zij tabernakels van sittimhout met gewaden van getweernd byssusgaren gebouwd hadden. Spot, spot, spòt! Verdoemlijke nageboorte. Spot op wat Israël wàs, móest zijn als schakel in drang naar benepen gelooven, móest zijn door wormstekig, verlept testament, giftwalmen dampend als een moeras.Joodje, klaar, hief zijn kop van diep-sneden trekken, verweerd en vuil onder de pet met de lostarnde klep. Ruw gestoppel van zweeterig haar piekte in de vettige plooien der onderkin. Het geld kringde in zijn hand, zwart van stof en schoensmeer en met lach van verwonderd bedanken, tikte hij aan.Eleazar nam het valies, voortstapte verhit door de vleug van opstanding naar het Waterlooplein. Maar op stoep aan de overzij stond hij weèr stil, indrinkend de scheemring der huizen, het wijde gerucht van de sloppen vèr-af. De ramen van hetCasinomet de sjagrende joden in het zwart van de zaal, suften leefloos en kwijnend. Jodenkoppen hokten in driftig getast, toeschuivend en bukkend, adoratie van flonkerend gruis. Bij de deuren groepten mannenmet das hoog om den hals en deuk-zwarte hoeden. Er liepen anderen aan, die wipten de stoep op, verdwenen in de donkerte van het huis, geslokt door de nacht-schemering der sjaggerhal, de hal met de glimmrende ramen. Het was een geloop in en uit, stommel van zwarte figuren, hoofden bleek onder hoeden, gestappel op stoep, voorbij den hurkenden schoenjood. Daaromhenen roesde ’t geraas van de brug met rijdende trams en zwaar in de wit-onbewogen lucht norschte hetToevluchtsoordzijn muren.“Geen stad op de wereld is lièver”, peinsde Eleazar: “maar ze is oúd, oúd—er is geen groen en geen zón—menschen als wìj sterven in ’t graf van de huizen. Wie zal de reus zijn, de heffer van al de inerten? Wie zal dol en godlijk-gelukkig de tafelen breken en op de plaats van de arken, cherubim, gouden kelken en knoppen, takken van feestelijk Meigroen planten? Meiblóésems, jòdendom, chrìstendom, Meigroen—diamanten, wat is dat gèk”.... Glimlachend, den mond in glimlach, de groote grijze oogen in glimlach ging hij verder. En terwijl hij moeilijk liep door ’t valies met de zware in dorstige lezing gekreukte boeken, debeduimelde boeken met de drift van den tijd, spon hij dat uit, zuiver gevoelend dat hij ’t geloovend jodenvolk, zoo als het gedegenereerd, zonder éigen leven stierf in schulp van ouwe, triestig-droomende huizen, dit volk schim van eèns schoonen wil, nooit anders zou kunnen dan háten. Hij stak het plein over, waar koopwaren onder zonnekappen lagen, geschreeuw van venters drensde. Uit d’aangrenzende stegen, sloppen, krotten en wakken drong leven van menschen. Voeten slierden over keien, kleeren flapten in haastig bedrijf. Mee met de strooming door de Uilenburgersteeg kwam hij in deJodenbreestraat, stoffig en vol, er dwaas over tobbend òf Druif nog onderrabbijn was, òf hij zich vergist had, òf een onderrabbijn zou durven sjaggeren.Maar iemand lei de hand op zijn schouder.“Bin je al àngekomme!... Je ziet ’runbeschriejegoed uit!”....Het was Suikerpeer, die naast tante Reggie woonde.
Vlak bijCasinosprong hij van de tram, stond stil, kijkend naar de oude gevels. Tusschen de dracht der vaal-lijnende huizen spaakte groen in een tralieënd raster. Zóó had hij het onthouden, niet alles afzonderlijk, niet een énkel huis met opdringende vormen, niet het kleine van menschen die er gewoond hadden, nòg woonden—nee, zóó als hij het weèr zag: massaal, zwart-geslagen van straatvuil, huisklomp in stedebenauwing, omwringend het groene stofperkje. Het gaf hem eene vreugde en pijn van lichte verwondring—dat dit alles zoo verweerd geleek, zoo óuder geworden, ouder zelfs dan de herinnering, die het in wazige schaduw gezet. Op zee had hij zich dikwijls de jodenbuurt gedácht, uitsluitend gedácht, en warm-lieve, zacht-glimlachende genegenheid gevoeld voor het bruin der straattintingen, zooals hij hetzag, bij gedroom achter oogleden. Maar na zoo làngen tijd werd het moeilijk jongensindrukken te hervinden, scheen je jeugd als ’n koorts van onrijpe verwarring, mal en gejaagd, vèr van je leven gegleden. Tòch klukte ’t in z’n keel, traagde z’n adem, wás er ’t vreugdlijk ontmoeten van kleuren, die het verlangen naar deze straten tot zwaarmoedige draperie had gevormd, mèt de vloeiing van bruin en zwart—wit-venstertjes doorsneden—die over het plein dampte en in de Joden-Amstelstraat van gevel naar gevel, dak naar dak henen-loomde. Al-stratenschoon was hier, slinger van stegen en sloppen, huizengehuif in scheemring van luchten, daken molm en bot, wig naast wig, met bronzend-bruin in de dalen. Zóo had hij het meenen te zien, toen nog niet hij het zag.
Alleen, het was oúder geworden, vàag-ouder, als jodenvrouwke wier kruin van jaren schuilt onder zwart van bandeau. ’t Gaf hem een lichte pijn, ’t dee denken aan luidloozen dood van tierige dingen, die sterven zonder gerauwgil van angst.
In de wijdte, áchter op ’t Waterlooplein plompte het grauwe cement der Mozes-en-Aaronkerk,zwaar boven de zonnekappen van ventende joden. Perkje groen, stoffig, heet, stond in de branding der zon—vèrder waren het ouwe, gore huizen, deurtjes en ramen, droogstokken en lappen van kreukerig wit, met een enklen roodbaaien rok en wat bloempotten.
Eleazar zag niets dan het plein en de straat, de huizen daar in, die hij héérlijk vond, aanbidlijk van kleuren-versterving, indrukwekkend als schemer-neersponzing op zee. Was niet elk droomend gezwijg gódlijker klank dan het puurste geluid? O, ’t huizengedroom, vast aan ’t bewegen der lieden wier gezoem tegen de wanden ging, was sterker, smartlijker dan ’t groote-water gepeins en gewatel, dat hij nu maanden gevoeld en door-angstigd had, ’t water dat noòit rust kende....
Joodje, dat hem zag staan met het valies in de hand, riep van de stoep vanCasino, wenkend met schoenborstel. Ja, hij had nog wel tijd. Blinde tante Reggie wachtte ’m eerst tegen middag—hij voelde zich vuil-stoffig van de lange reis in den trein. Zijn valies zette hij neer en joodje plots vlug van bewegen, gemeenzaam van toon daar hij jóod voor zich had, strooptede broekspijp, schuierde snel. Eleazar keek neer op den rug, bol-gebogen, rug vervormd naar de graat nooit recht van standing geweest. Grauwe, witte haren, stug als borstel-gepluim, vlerkten onder de pet, die had een los-tarnde klep. Op de stoep van morsige steenen, lei joodje als in knieling voor hem, verachtlijk van knechtschheid, spuug sputrend op borstel—joodje gebogen, grauw-klittig van haar, slavig van lichaam, voeten uitpuilend den flarden-broek.
“....Wàrrem, mehèir....”
Het was bijna een schaamte dat hij den ander zoo lièt, wreed-gedienstig gebukt, eersten jood dien hij sprak. Maar ’t bedenken was zòtheid, prikkel van overgevoelen nu hij weer stond in de huiving der ouwe vormen, in ’t bruine, doffe getint der jodenkwartieren. En hij dacht er niet verder over, want zijn innigste aandacht dreef naar deCasino-ramen, twee, drie, vier vensters, met groepjes bezige joden. Achter dichtst-bijzijnd was stilte van kijken, hokking van lijven, buiging van koppen, oogen in lijning naar stukje papier dat op tafel lag, randen verwipt. Er waren er zes. Voorste,Pool van uitzien, hoofd groot en bleek met rood-haren baardslieren, hield loep in de langvingrige hand, die dicht bij het stukje papier rustte. Zijn oogen kleinden in kippige kijking, wat de roode wenkbrauwen stoppelde saâm. Op het ros-kroezig haar, schuin gezakt, ovaalde een zwarte fantasiehoed, vreemd bij het bleekroode hoofd, ongewoon hoed te dragen. Bruin-zijden das, hoog-in-wrong om den hals, rimpelde aan langs het dunnende kroes van den nek. Het gelaat was melk-flets en vleezig, toch met hardere puiling van jukken. Gansch onbeweeglijk, loep in de hand, ernstig-aandachtig, zat Poolsche jood, borst aangeleund tegen kant van de tafel. Op zijn schouder leunde ouwelijk joodje, diep in schaduw van kleppet, mager gezicht zwaar bestoppeld, stoppels over wangen, bovenlip, kin, stoppels grijs en gedord tot in plooien van das, die wat los hing. Mond was open in aandacht, oogen knipperden zacht. Stukje papier lei midden op tafel. Recht over het raam, héél te zien, zat een ander met koper-schimmenden baard, baard in ringvorm geknipt met slordige pieken, gekreukt door pletting van hand, die steunde het hoofd. Eleazar meende hem te herkennen, meende meèr te hebbengezien dat breed-weeke masker, mom van papperig vleesch, zoet-gedweeën trek om den mond, oogen zachtlijk-lichtschuw. Wáar had hij hem gezien? Hij kende hem, kende den grooten krachtloozen neus met de zinlijke vleugels, vooral den dunlippigen-mond omsabbeld door sigaren-gekauw in ringveld van haartjes. Het was een gezicht van gladdige goedheid, week van bloedeloos vleesch, gezicht-van-nièt-werken op lichaam doorvoed, gezicht zònder sneden van denken of zorgen of ziekte, vervet in huisleven, gezicht zonder hartstocht, gehavend alléen door sterke geslachtsdrift als bij àndere joden. In Eleazar was vaag gezoek. Nee, hij kende hem nièt. Nee.
Joodje in ijvrig gewrijf over de schoenen rustte en vroeg wat. Dommelig antwoordde Eleazar.
Over den Pool, gehurkt op de tafel, keek vièrde jood naar het papier. Die had wijdgatigen neus, zwaar van vleezige vleugels en oogen omwald. Zijn aandacht was zóo gescherpt bij ’t papier dat het neusvel berstte in bultige rimpels en de oogen knepen tot gleufjes in wimpergeplet, alsof wat hij zag vies en verwonderend was. Gezicht, rond van kwallende koonen, gladgeschoren,had blauw-paarse tinten, gittig-zwart haar dat ’t aangezichtsvel kwam doorpeepren. Gehéel onbeweeglijk, gatwerk gewipt van den stoel, om meerder te buigen naar ’t stukje papier, hurkte hij—buikje op tafel—over den kijkenden Pool.
Op zij van dien met het weeke gezicht, stonden er twee, een met vuisten op tafel gesteund, ander met handen in zakken. Niets was van hun hoofden te zien dan een fletsing van vleesch, met den rug van ’n neus en snorregestriem. Vest van den een was opengesprongen op zwelling van buik. Niet éen bewoog. ’t Papier had de aandacht. Gordijn half-neer, posten van raam en vensterbank, omlijstten in ’t zwart van de zaal de jodenkoppen, bleek in den schijn van het zonlooze licht. Zij spraken niet, gebaarden niet, waren in starre aanschouwing achter de ruiten zacht-glimmend. In het aarzlend gedonker der zaal schuchterlijk bolden de vleesch-koppen met wenkbrauw-vagen, lippengleuf, wimpers om oogen in glazerig kijken. Lichamen en hoeden diffuseerden naar het kamergrijs, hoofden-in-schijn-van-den-dag boorden naar buiten, vol-week of wit-hoekig, met de scherp-blanke randjes papier op de tafel. Bij de andereramen was het een zelfde vreemde aan-schimming—vèrder vluchtte ’t bewegen in schaduw. Glansjes horlogeketting knipperden zoet. Gladderig puntboord streepte ontzet. Anders was niets dan het hoofden-geklit, doezel van haar, jukbeen in vleeschmom, handen geslapt in betasten. Zònlooze licht kwijnde, heesch van verleefde weerkaatsing op het plat der gezichten, op de wigging der neuzen, op de vochtig-glazene oogen, geil van begeeren naar wat lag op de tafels.
Eleazar stond in droomend verwondren om de geheimzinnigheid van elk der vensters met koppen. Stratenrumoer en de ruiten slokten geluid van daarbinnen. Hij zag de gebaren, lippen in laks en nijdig beweeg, handen geheven, oogen in vragenden trek, maar niets van hun doen kwam tot hem. Ze schenen klankloos te leven in scheemrenden nacht, wild-bleeke maskers heftig geboeid en geschokt door wonderlijk ding.
Achter de ruiten dichtst-bij, was de starre aandacht gebroken. Poolsche jood, handen in vraging gespreid, schokkelde driftig, lippengemum verschrikkend van rapheid, besnauwendden jood òver hem. Bei hunne koppen heet-overbogen tot bij het papier, knikten en gromden. Haren trilden in drift. Baard van den Pool, rood en rullig, slierde langs tafel. Dan dook zijn hoofd naar het duister der zaal, mumden de lippen langzaam en zéker-van-plet, werd drillend van schudding de ander, neus met de vleezige vleugels vóoruit, aêrengezwel aan de slapen die stonden gevierkant boven het blauw van de koonen. De loep was gezakt. Die met het weeke-gedweëe gezicht had met pincet iets getipt uit ’t papier, bekeek het met spitsende oogen tusschen wijsvinger en duim. De aandacht der andren was bij het wrokken der voorste, gebarende joden, wier kuiven haast raàkten, zóo als zij bogen over de tafel. De Pool, rood van het bukken, nekvel gepurperd door daswrong, bewoog lippen èn koonen èn oogen, kribbigde samen z’n vingers. De ander terugleunend nu, palmde de handen wijd-uit, duimen omhoog, hief ze op, wrikte ze neer, meerukkend het lijf, koonen gebobbeld door lach, mond als troebel spelonkje. Al dit leek bizar, grap van geheimnis achter het glas, dat de klanken verslorpte. Nooit was Eleazar zoo stérk onder indruk gekomen van grofheiddoor lichtspel tot schoonheid gebracht. Elk venster greep aan, schokte tot drooming. Elke schaduw en tinting-van-duister spreidde soepel en mild, wazig en wijd-van-vervloeien om het ontdane der hoofden, het geilen der broeiende oogen.
Schoenjoodje wreef al zijn twéeden voet—nòg stond hij weg-van-gedachten. De roode Polenkop rauwde op tegen dien met de kwallende, blauw-druilige koonen. Hoeden scheef achteruit, in volle woede van ’t luidloos gepraat, wriemden de lippen achter het glas en nu schoven ook andere hoofden méer naar het raam, zes hoofden van joden, schichtig in dagschijn, gelaatmaskers in ernstig gestaar. Die met het kurkige mom, tanig van vel, en stoppels als kwakken, duwde de anderen weg, hield weegschaaltje in hand. De weeke gedweëe met den koperen ringbaard lei op ’t ovaal wat hij had in de hand en de oogen van allen volgden het gaan van de schomlende naald. Maar dan berstte ’t gebarenleven opnieuw. Handen hoopten tezaam en het haar der hoofden verklitte. De Pool in nijdig geproest wuifde de handen afwerend, reikte de loep aan den achtersten jood, geel met zwart-klevenden snor. Zes handen leienbleek-wiegend op tafel, duimen opwaarts gekromd. Het papierbrokje in ’t midden. En wéer was de stilte van aandacht, bij het bespieden der loep.
Het licht witte kil op de hokking der hoofden, op de rompen in scheemring.
Hand van den Pool gedrukt langs de ruit, vel tegen glas, had bevende lijkkleur.
Het was schoon-geheimzinnig, diep-melankolisch, leven op vèr-liggend plan.
Maar langzaam ontzonk het bedrog dat de dingen gelogen deed zien en een overgang van stemming waarvoor geen daadlijke reden was, dreef in hem plotse, zonderling-nuchtere opletting van realiteitjes, die hem in de dronken droom-overgeving waren ontgaan, waarop hij niet had kùnnen letten, vòl als hij zich aan de schemer-vreugde gegeven had, stugheidjes die hem ruw tot het rauwe, harde der dingen brachten. Het was eene stemmings-afknapping zonder scherpe oorzaak—,waarneming mooglijk van stoffige tranen op ’t glas, het zien van vuile stompnagels, het voelen der reisvermoeidheid nù. Versterkt werd het nog door het indaglicht komen van een mageren jood, die uit vettige zak met open slijmrig-malenden mond, koek, bròkklende koek at. Doch het hevigst striemde hem de herkenning van den man met den ringbaard, den jood met het week-zinlijk gezicht en den krachtloozen neus. Hij wàs het, Druif, de onder-rabbijn, Druif, die hem in ver geleden jaren geleid had tot debarmitswe, Druif, de geduldige, achter de tefilem verhalend het doen van de Joden, hun uittocht uit Egypte, hun vrome omwalling van den berg Sinaï, Druif met vochtige oogen onder de schijning der lamp in de kleine, laag-balkige kamer—Druif, onder-rabbijn—zóo hij het was nog—sjaggerend hier mèt de andren bij ’t papieren vod met ongeslepen diamanten. Drift vlamde in Eleazar. Heet sloeg de minachting uit zijn oogen naar de ramen van hetCasinoontdaan van hun schijn, hun kleuren-geneurie. Al de oude bedenkingen gromden in hem. Zoo hij straks had gekeken, was hij zwakling geweest, in blijdschap van weerzien, in extatisch houden van dingen en menschen en kleuren sinds lang niet gezien. Nu was hij zichzelf weer en stérk, sterk door zijn wil, zijn verlangen, zijn weten. Ze zoudenhem hooren éens, diè daar, al moest ’t jàren duren, al zou hij er bij onder gaan, ze zouden hem hóóren, de veiligen achter de ruiten.
Neerkijkend zag hij de grauw-zilvren haren van het joodje dat den schoenborstel bespuugde, joodje op drekkige steenen, nek gebogen, rug krom van graat, lijf van rotting, ellende. De lompe ouwe schouders schokten bij het gewrijf. De knieën wiebelden mee. Warm schuierde de borstel heen en weer over het leer dat glansjes van zwart kreeg.
Rondom wigden huizen hun daken. Muur stond naast muur, goorbruin, bloedbruin, slijkzwart, doorklodderd van loodmorsig wit. Vensters kniesden er in met zwarte gordijnen en beneê suften de puien met stille bordesjes en opstaande luiken. In de flets-tragende lucht loomde de rook van Marken en Uilenburg, krimpend uit ouwe saamkwakkende huizen geschoord op elkander. Dáar was het eerwaarde, grijze huizengeleef, dat opkroop in zijn herinnering, daar schuwde schaduw van muren, waar geen licht kwam, waar eeuwige scheemring devrouwen verlepte en klagende kindren uit dikke buiken ontving, dàar was alles vruchtbaar zonder zon—daar wist hij het massale gedommel van sloppen en binnenplaatsen, grijs van cement, grauw van ouden stervenden steen—èn het beweeg van jodinnen verdord en geel met bandeaus en mutsen met linten—èn het groezel gespeel van joggies met zeere oogen—èn het waduwen van nacht om kleine, roode, heete kamers, waar lampen hingen en lippen ademzuchtten. Er leek benauwing te hijgen in de verte en dichtbij, benauwing van héél-ouwe menschen die zwakjes luchtstootten, dor in hun stoel, benauwing van stikkende, rogglende, krimpende joden, beloerd op hun doodsbed door ’t waaiend geveer der walmende kaars. Gerucht van het plein, van de straten wijd-weg, gerucht van Breestraat, Uilenburg, Marken, heeschte aan, doezlig gereutel, gesmoord onder kreunende muren, log-bedelvende daken. Hij voelde, doorsmartte het àl, snel en zeker-van-weten—het stedengezieltoog van een oud volk dat geduld werd, zich liet dulden, te slaafsch was, t’erbarmlijk-verdorven om af te laten de geil-begeerige oogen van aardmodder, waarom hun wedgezang, hundansrijen schaterden en waarin zij tabernakels van sittimhout met gewaden van getweernd byssusgaren gebouwd hadden. Spot, spot, spòt! Verdoemlijke nageboorte. Spot op wat Israël wàs, móest zijn als schakel in drang naar benepen gelooven, móest zijn door wormstekig, verlept testament, giftwalmen dampend als een moeras.
Joodje, klaar, hief zijn kop van diep-sneden trekken, verweerd en vuil onder de pet met de lostarnde klep. Ruw gestoppel van zweeterig haar piekte in de vettige plooien der onderkin. Het geld kringde in zijn hand, zwart van stof en schoensmeer en met lach van verwonderd bedanken, tikte hij aan.
Eleazar nam het valies, voortstapte verhit door de vleug van opstanding naar het Waterlooplein. Maar op stoep aan de overzij stond hij weèr stil, indrinkend de scheemring der huizen, het wijde gerucht van de sloppen vèr-af. De ramen van hetCasinomet de sjagrende joden in het zwart van de zaal, suften leefloos en kwijnend. Jodenkoppen hokten in driftig getast, toeschuivend en bukkend, adoratie van flonkerend gruis. Bij de deuren groepten mannenmet das hoog om den hals en deuk-zwarte hoeden. Er liepen anderen aan, die wipten de stoep op, verdwenen in de donkerte van het huis, geslokt door de nacht-schemering der sjaggerhal, de hal met de glimmrende ramen. Het was een geloop in en uit, stommel van zwarte figuren, hoofden bleek onder hoeden, gestappel op stoep, voorbij den hurkenden schoenjood. Daaromhenen roesde ’t geraas van de brug met rijdende trams en zwaar in de wit-onbewogen lucht norschte hetToevluchtsoordzijn muren.
“Geen stad op de wereld is lièver”, peinsde Eleazar: “maar ze is oúd, oúd—er is geen groen en geen zón—menschen als wìj sterven in ’t graf van de huizen. Wie zal de reus zijn, de heffer van al de inerten? Wie zal dol en godlijk-gelukkig de tafelen breken en op de plaats van de arken, cherubim, gouden kelken en knoppen, takken van feestelijk Meigroen planten? Meiblóésems, jòdendom, chrìstendom, Meigroen—diamanten, wat is dat gèk”.... Glimlachend, den mond in glimlach, de groote grijze oogen in glimlach ging hij verder. En terwijl hij moeilijk liep door ’t valies met de zware in dorstige lezing gekreukte boeken, debeduimelde boeken met de drift van den tijd, spon hij dat uit, zuiver gevoelend dat hij ’t geloovend jodenvolk, zoo als het gedegenereerd, zonder éigen leven stierf in schulp van ouwe, triestig-droomende huizen, dit volk schim van eèns schoonen wil, nooit anders zou kunnen dan háten. Hij stak het plein over, waar koopwaren onder zonnekappen lagen, geschreeuw van venters drensde. Uit d’aangrenzende stegen, sloppen, krotten en wakken drong leven van menschen. Voeten slierden over keien, kleeren flapten in haastig bedrijf. Mee met de strooming door de Uilenburgersteeg kwam hij in deJodenbreestraat, stoffig en vol, er dwaas over tobbend òf Druif nog onderrabbijn was, òf hij zich vergist had, òf een onderrabbijn zou durven sjaggeren.
Maar iemand lei de hand op zijn schouder.
“Bin je al àngekomme!... Je ziet ’runbeschriejegoed uit!”....
Het was Suikerpeer, die naast tante Reggie woonde.
II.Mond open, sliep zij in den leunstoel, handen verzakt naar den schoot. Het was bijna geheel scheemring. Op de morsige plaats speelden kindren wier vroolijk geraas door de kierende deur watelde. Het hoofd van de oude vrouw, weggeknikkeld in slaap, leunde achterover, halsplooien in strakheid gerekt. Eene zij van ’t gelaat was in het voorwerpen-donker der kamer, andere in den kil-doffen schijn van het binnenplaats-licht, dat den deurkier doorzeefde. Het sneed haar oud hoofd in tweeën, een bleek profiel, een schaduwglooi met den donkeren mondwreef in ’t midden. Van onder den zwarten bandeau, die slap in de haarpinnen hing, stuifde ’t haar wit en zilvrig. Zacht klukte de strot. Door den kier van de deur rapte het kindergeraas, vervreemdend in de kamerschemering, omdwalend het oude gelaat, als stermklank door wanden gefilterd. Het hoofd kniptelichtlijk, gespetter der stemmen ging als luchtig behaamren van wieglende gongen. Lang-rustig slierde een klokslinger, vallend en heffend, met kirrig, klagend gepiep.Op de plaats waren er vier, drie joden-kindjes, een mank christen-joggie. ’t Jongste, opgeblazen, ziekelijk-geel, had groot-zwarte oogen, oogen met starre pupillen en dun, warrig haar. ’t Kind zat met de beentjes gespreid op de slijk-drabbige steenen, pompadour jurkje gedeukt, billen en lidje bloot en bemodderd door ’t vuil van de plaats. In de krom-kleine handen hield het een afgekapt blad van een bloemkool, waarvan er leien vertrapt en te stinken. De groot-zwarte oogen keken naar het gespeel der andere kinderen, de vingertjes wriemden en plukten het groen van het blad. De ànderen maakten het leven. Uit een zinken afvoerbuis, grauw beslagen, tikkelde water in een zoeten-stank walmend riool, bedekt door een klein houten luikje. Meijer van Suikerpeer bòven, had het plankje gelicht aan den roestigen ring en in den vet-modderen koek, rotting uitspoegend als opene, lang-gedekselde beerput, roerden ze met latten, ’t meisje met een kolenschop. Om het gat lagen kluiten dik-donkrepap, groen-rottende kwakken gepeuerd uit den stinkenden buik, die onder de krotten zijn darmen had. Jan, mank joggie van den schoenmaker, languit, hoofd over het gat, neus dichtgeknepen, tastte met stok naar omlaag. Het horrelvoetje stond schuin gewipt. Saartje, op handen en knieën, keek naar ’t gebagger. Van onder het groen-verschoten rokje spilden de beentjes, zwart-wollen kousjes doorbeten van groezelig vel. Meijer, de grootste, bleek kind, smal van trekjes, hurkte aan tegen den muur, hoofdje van zwart donzig haar doorlitteekend, garstig van korsten, korsten om de ooren, om de slapen, tusschen de haren, korsten geel-bruin en bloedrig.“Ik zie d’m, gedoome”, zei Jan, pratend met brom-stem door dichtknepen neus.“Zie je n’m?”, vroeg Meijer, overbuigend het hoofd met de korsten naar ’t gat in den grond, en Saartje opschurkend, ademde den log-zoeten stank, het bleek gezichtje met ’t kroes tot vlak bij den put.“Waar zie je n’m dan?”“Nou dáár. Jij ken ’m niet zien.”“Kè-je d’r bij?”“Hou nou effen je smoel!.... ’t Stinkt as de pest!”“Wi-je de schop?”“Hou nou je smóél!”Voorzichtig tastte de lat in de modder benee. De drie gezichtjes, aandachtig, bogen bij het riool, dat z’n zwaar-zoete walmen door openen slijmstrot tegen roodzwarte huismuren hijgde.“Hei-je n’m?”“Denk-ie dat ’t zoo makkelek is”, neus-gromde Jan.“Laat mijn ’t dan doen met de schop”, zei Saar, dichter toekruipend.“Je ken d’r niet bij met de schop.... Hou nou je smoel!.... ’t Is me gòvergeefme ’n stank!.. Jessus, jessus wat ’n mietersche stank.. Allemaal stront en swijnerij.... Nòu haal ’k ’m an ...”“As je de schop an de lat bindt”, zei Meijer, spuugend, pratend tusschen z’n vingers door: “wattè?... wattè?”“Hij komp zoo wel.”“’k Zie nog geen scheet!...”“Ken die niet sinke?”vroeg Saartje, handjes in uitgebaggerde modder. Jan antwoordde niet, zacht schrapjes aaiend in den drekpoel beneden. Moos, ’t ziekelijk kind in ’t pompadour jurkje,dat tot nu toe gewriemd had aan ’t bloemkoolblad, was billen-wrijvend over de steenen gekikkerd, tusschen Saartje en Meijer. De handjes kleefden in ’t rotsel, grabden er in, besmeerden ’t jurkje, sapten het slijk in de zwarte knijpvingers. De oogen groot, vochtig, keken zonder begrijpen naar de pijp en het vierkante gat.“Ga je weg, Moosie”—snauwde Saartje: “mot je d’r invalle!”“Ta... Ta!... Ta!”, dwong ’t kind, de handjes strekkend naar ’t riool.Saartje rees op dan, vatte ’m onder de armen, sleepte ’m weg naar de deur.“Sel je nou hièr blijve sitte... Mo’k tante gaan roope... Sel je doen wa’k je seg, hè, hè?.... As je weer is durf.... hoor-ie? hoor-ie?”...En ’t opgeblazen jongske beplukte opnieuw den stronk dien zij gaf, beentjes slijkzwart, ’t lidje bleek propje er tusschen.Jan was nu bezig den kolenschop te binden aan den stok. Meijer hield de einden tezaam. Maar het touwtje brak af.“’k Sel me veter geve”, zei Meijer, zoekend achter de benglende lip van z’n schoen. Saartjewas vlugger, scheurde een band van haar broek bij de knie en Jan, straf knippend met d’oogen, trok tot het hield. Hoofdjes dicht op elkaar, leien ze weer over het gat, waar de stankbellen barstten als oprispende boeren. Vol en zoet, hijgend, dof-klukkend, gurgelde de stank uit de darmspleet, kruipend langs de vaal-bruine wanden die stonden gevierkant onder het plat van den hemel. Het was eene klein-zwarte binnenplaats, achter een donkre gebrokkelde poort, die naar ’n nauwe gangstraat kokerde. In die poort waren twee deuren, onzichtbaar in ’t duister, op de plaats waren er twee. Het derde huis had beneden den blinden muur van een pakhuis, er boven het druilig ge-rij van vensters met grauwe, verweerde kozijnen en ruitjes beschimmeld in stof. Als water vettig besausd, parelmoerig van glans, glimde het glas daar der opperste vensters in ’t huizenvierkant—ramen bedroomden mekander, altijd ziend een glanzend gezwijg en menschenbewegen in schaduw. De steenen koker met ’t venstergelijn, pijlerde op naar den hemel—bòven, een dorre mond die lucht zoog en licht—benèden, de plaats slijkrig en zwart met vertrapte bloemkoolstronken, een wippendehandkar en een hoek nat en pekel-beslagen van mannen-gepies. De bovenste ramen van ’t huis òver den blinden muur, zilverden in avondlicht, de eenige die over daken, goten, schoorsteenen, rigglende pannen heenkeken. De andre stonden op kieren, twee met bloempotjes, en gapende droogrekken. Wit tegen het doode der muren, geheel-onbewogen, hing drogend goed, hemden slap-futloos, boezeroenen blauw-drenzig gebuild, een paars-wolle broek met luchtbillen en dijen en zakdoeken rood, wijnrood, als windlooze vanen.Stemgeroes siepelde uit de raamkieren, uit het donker der huizen, echoode in dof gemummel, vèr-praten van saamhoopende menschen, zonder klink van heller geluid. Als een hoog-wijde schoorsteen trok de koker ’t gerucht uit de kamer-dompingen, den adem uit de monden, den opbrakenden stank uit het rioolgat naar het gebroei van den lagen stadshemel. De kinderen speelden, klein-bleek in de schaduw beneden, benepen vierkant waar geen licht ooit gevreemd had. De stem van Saartje schelde het luidst. Eén hoog, werd raam opgeschoven. Vrouw met borsten, plomp-kwallend in ’t wit van ’n jak, ’t haar wild geknoet in barstige dot,elboogde over een droogrek, keek naar beneden. De avond-grauwing van den huiskoker omlei haar hoofd, het vagend, zacht-bleekend, verteedrend de wangen, het ruwe der oogen, het snauwen der lippen. De borsten bepropten de buigende armen en plots bol van geraas schreeuwde ze:“Doe de deksel d’r op!... Is dat me ’n pèststank... Nou dèn!... Nou dèn!”...“’k Sou niet wete wèrom”, zei Jan voortpeurend, koppig.“Sulleke snothannese!”, raspte de vrouw, schreeuwrig naar ’t donker der kamer:—“overal motte se met d’rlui poote ansitte”, en weer de borsten in kwallende zwelling op de armen: “doe j’m d’r op, sellemander!”“Nou!” schreeuwde Jan terug: “d’r leit wat in.”“Wàt leit ’r in, lamme horrelpoot!”, giftigde de vrouw.“’n Appel van háar”, zei Meijer op Saartje wijzend.“Mot je daarom de boel verpeste?—Doe ’m d’r òp, tòe!”Een man wrong ’t lichaam naast de vrouw door de raamopening, bolle kop, rood en zweetend.“Doe j’m dich!”—schreeuwde hij schor, maar Jan, koppig, wetend dat de menschen-van-boven-het-pakhuis geen deur op de plaats hadden en overhoop leien met die van benee, zei alleen maar brutaal het manshoofd besarrend: “Daar hei-je háár ook!”—en keek bot, met jongens-verachting, naar de roode, lillende koonen. Woede verpaarste ’t gezicht van den man. Met de vuisten steunend op het kozijn, in opwinding van drift, mepte hij woorden die traag uit den vet-korten nek met de bobling van onderkin kwijlden, zwaar van nadreuning in ’t murenvierkant.... “Godverdommisse mankèèè!.... Om de boel te verpeste!.... Schorremorrie!.... Groote.... leeleke smeerkanis bandiet!.... Bandiet.... Bandiet!...” Verder bracht hij ’t niet, verpaarsend, te vet van nek en onderkinnen-gedril. Maar de vrouw, dieper neerbuigend, wassig in de grauwing van den huizenkoker, mokerend met den bleeken, vleezigen arm, rauwde krijscherig in zijn plaats, rekkend elk scheldwoord dat de gulpende drens van wand naar wand rakette.... “Snothannesse!... Laa-aa-aa-zerstéééééééne!.... Doe ’t bij je moer thuis!... Om de boel te ver-pès-teèè!... Om de boel te ver-pès-tèèèè!....Rot-sellemandèèèèèèrs!”..... Kners-galmend, lang schrapend van achterkeel-stoot, sleepte de vrouwstem, klankkotsing in zoetwalmen stank. Mét smeet ze het raam dicht, knappende klak in na-dazende stilte. Uit andere vensters werden hoofden gebogen, kort van geemlijke kijking. De kindren, even beduusd van ’t gescheld, zaten verdaan bij ’t gat. Ramen triestten in muren, het drooggoed hing willoos. Dan riep uit de poortdonkerte schoenmaker’s stem, wat ’t was. Jan, zeker door vader’s gevraag, schreeuwde beklag....“Hij wil niet hebbe, vàder, da’k ’n appel zoek, die keerel van boven.”“Hij heit niks te wille”, knerpte de stem uit de poort: “.... die kwartjesvinder!.... die flessetrekker!....”Weer was rust in het vierkant. Stemmenroes mumde vèr-af door de raam-kieren. Venster keek venster aan, broos kwijnen van oogen. Gordijnen hingen tam-neer, oud-geel, met slobrige franje. Op de grauwlooden kozijnen vraten slijktranen, krimpende stralen van ’t gootwater. Suikerpeer, voor den inkijk, had groene horren, licht zeewier-groen in gladlakte randen met priemende pennen. Leefloos,vaal-wit, flarden-lichaam in stof-damp verstuipend, wendden de wanden heur scheemringen, snikkende benauwenissen naar den platten, vadzig-plettenden hemel, die als een melktroeble domper vlakte van goten naar pannen en schuchter-glanzende ramen.De oude vrouw sliep nog, ’t hoofd in tweeën gesneden, strot zachtjes klagend in slaapzang, het leêren geplooi van den hals in wijde slurven gespannen. Het kindergeraas, heller doorschetterde den deurkier, omwaatlend het hoofd, toetrend in donkere hoeken.“Hei-je n’m?”“Stil nou!.... Hij glijdt ’r weer af... Nou zie ’k ’m heelemaal nie-meer.”“Laat mijn ’t dan doen!....”En weder, gespannen van kijken, hoofdjes over den rand, schoven de kinderen bij den put, knieën in klevende, slijmrige modder. Moos, op de knietjes gekropen, met machtloos bewegen der beentjes naar den nat-groenen hoek, waar de mannen piesten en ’t vulnis staâg rotte, had daar gevonden een leege citroenschil, verperst en grijs van weeldrige schimmel. Het ziekelijk kind, bleek-opgeblazen, met groote, idiote, glanslooze oogen, pulkte met ’t zwartwijsvingertje in de wrange bulten der schil, likte vies-smakkend, zachte kreetjes pratend, in klankengetast naar het schreeuwen van die bij ’t riool. De billetjes bewreven de donker-nattige plek, waar priklende, laffe pis-wasem jaren-lang mufte en kakkerlakken hoopten achter ’t weeke cement. In ’t een knuistje hield hij de schil, boorde het vingertje, zoog tot de vooze smaak ’t mondje vertrok en kwijl langs de kin op het pompadour jurkje glipte. Terwijl was bij de andren driftig gepraat. Tweemaal was de appel terug gegleden in ’t gat.“Laat mijn ’t dan doen”, zei korzlig Meijer: “’t is toch hàar schop en haár appel.”“Ja, laat hèm ’t dan doen as jij ’t niet ken, jà”, kribde Saartje: “hij heit langere arme as jìj!”....“Denk-ie gedoome dat ’t zoo makkelek is?.... Nou zàchies.... Stoot nou niet.... Hou jij ’m teugen met je lat, Meijer, anders flikkert-ie weer weg. Houe hoor! ... Houe! ... Zachies....”Licht klonk ’t gejuich. Bij het riool bleven ze zitten, Saartje den appel verknufflend in ’t verschoten-groen rokje, de modderpitten zorgzaam wegwrijvend. Jan keek toe met denschop in de hand, Meijer, zeker van ’t aandeel, sopte de kwakken terug in den put.“Je ken ’m zoo bèst vrete”, zei Jan, maar Saartje, ’t hoofd met de zwarte krulletjes gebogen, spoegde witte schuim-propjes op ’t rood van den appel, wiesch ’m na met ’r hand dat ’t kringelend slijkte, droogde sekuur met ’t grijs van ’r rokje, tot de appel rooderig-glom.“Nou krijge jullie àllemaal ’n stikkie.... eerst Jan”. De tandjes beten een hap. Jan, gulzig-bijschuivend hield de hand op, hand zwart van het slijk. Saartje gaf hem ’t stukje, dan Meijer, dan Moos, die de citroenschil had laten vallen, weer bij den put zat.“Je proef d’r zoo niks an”, zei Meijer.“Denk-ie dan dat ’t door de schil heengaat?” zei Jan, wijs: “as-die ’r ’n week inleit blijft-ie nòg om te vrete.”“Nou, dat zou ìk wille zien, wat jij, Saar?” schorde Meijer.“Ik zou d’m niemeer luste as-die d’r ’n week in gelege heit”, zei Saar, vinnig-happend, omdat de appel van haàr was.“Nou ikke wel”, schetterde Jan: “Wij hebbe laast op de Singel gestoken, de schele en ikke—weet je wel?—met ’n stok met ’n spijkerd’r in.... Jeesis-mierande wat ’n hoop leie d’r in ’t water en best hoor!”“Legge d’r altijd zoo’n boel?”—vroeg Meijer, volgend het gaan van den uitgebeten appel in Saartjes hand.“As d’r markt geweest is àltijd en hóópe, hoor..... O jee..... hóópe..... Je ken je d’r ziek an vrete.... Koos had ’r over de twintig.... As d’r maar zóó’n rot stukkie an is, keile z’m weg... Krijg ’k nou niks meer, zeg?”“Je heit al zòo’n brok gehad”, zei Saar: “’k Hou zellef niks over”. Maar bij ’t zwijgend kijken der andren, beten de witte tandjes toch nog voor elk ’n hapje, bloedig van schil. Het ging van mond naar mond, ’t appel-vleesch met het spoeg van Saartje.Jan, die nou wist dat-ie niks meer kreeg, bukte opnieuw over het open, stinkende gat, morrlend met schop in de modder die blazende bellen boerde.“Sou-die diep sijn?” vroeg Meijer.“Noú!.... Je sou d’r smerig in versuipe—òf-ie!”, schreeuwde Jan, modder opleeplend en prettig neerklukkend.“As je maar swemme ken”, zei Meijer, spoegend in ’t riool.“Swemme helpt je geen luis”, zei Jan: “hoe ken je nou swemme in swijnerij... daar suig je ommers in vast.”“Nou dat sit nog!”“Jò”, helderklonk-stem van Jan, brutaal van verzeekring: “ik heb is ’e meissie sien legge in de Burgwal... Nóu!... Enne de keerel die d’r na-sprong zat met z’n poote vast in de modder... Jò, modder is zoo vùil!”Meijer spoog moeilijker spoeg-fluimpjes, mòe as-ie ’r van werd—Saartje wierp ’t klokhuis in ’t gat en de dikke logge modder droop van den kolenschop, slaagjes smakkend in het riool.“’k Wou da’k hàd wat ’r in is gerold”, zei Jan weer.“Noù!”, knikte Saartje: “d’r leit van alles... As se wat in de gootsteene late valle, zakt ’t ’r allemaal in.”“Pas op!” waarschuwde Meijer.Boven werd heet water geloosd, dat door de zinken buis snaterde en met lawaaiend geplas in het gat stortte. De witte damp sloeg om de hoofden der kindren.“Sodejuu!”—schrikte Jan.Meijer hield z’n hand onder de pijp om te voelen of ’t heet was.“Jò—mot-je je poote brande!”...“’t Is nie-eens heet... Aardappelewater... Voel maar.”Vreemd-onnoozel werd hun gepraat bij de gaping der riool-opening, rakkerig kinder-doen, schijnbaar-volwerklijk door groote-mans-woorden. Saartje, ouwelijk-wijs, keek van Meijer naar Jan, Moosje druk staamlend perste de handen in de gebleven modderkoeken. Het licht van het brokje hemel, benêe tot scheemring geloomd, was als een wikkel van laat-killen Novemberdag, bleeken wasemschijn stollend om het wit van de hoofden, de handen, de blootwoelde beentjes van Moosje. Bij tijden, als straatgerucht ganschlijk verstoven en ’t stemgeroes in de kamers heenschrielde, brutaalde het hooge geluid van ’t manke joggie, als schettring in leeg-holle kamer, hel-schel wegklikkend langs luistrende wanden.Jan kudderde modder, sprak daar tusschen door:“... Mot jij niks voor je vader doen an die sweere op je kop?”“’t Sijne geen sweere”, zei Meijer: “’t is brand.”“Mot je met salf smeere”, verzekerde Jan, viezerig kijkend naar ’t korsten-hoofd.“Vader seit dat ’t niks is”, zei Meijer: “me broer heit ’t en me sussie en me groote sus”...“Met hoevele benne jullie?”, vroeg Jan.“Met s’n sevene.”“Benne jullie met sijn sevene? Wij met sijn viere.”“We sijne met s’n elleve gewees”, zei Meijer: “vier sijne d’r dood en me sussie gaat oòk dood.”“Gaat-die oòk dood?”“Nòu hoor!”“Wat scheelt se dan as se dood gaat?”“Jò, weet ik ’t!”...“Bij ons is d’r ook een gesturreve”, vertelde Jan, modderlepel stil op den rand bij het droomrig-herinnren: “Jeesis, jò, wat is dat gedoomes gek... D’r was net weer soo’n lek in de kelder... Stinke dee’t!... Stinke!... Godvergeefme wat ’n stank!... We moste ’s morges allemaal meehelpe met ’n emmer... ’t Hielp geen mieter, hoor... En soo kemiek, seg... nou maar die wàs kemiek... ’t Kissie stond op twee stoele... Heb-ie wel is ’n kissie gesien?... Heelemaal wit as van de appelesiene... nou en daar lee-die in”...“Lee-die in ’t kissie?”“Nou en wat!”...“Met ’n deksel d’r op?”, vroeg Saartje.“Wat doch-ie anders?... Kemiek, hè?”...“Was dat je broertje Dirrek?”“Dirrek?... Is Dirrek dan dood, stommert? ’t Was zòo’n kleine... Meijer heit ’m gesien... D’r was niks an, hoor!.... Die zei nog geen woord, net as jouw broertje Moos.... Enne kakke as die dee... godvergeefme de sonde wat kakte die!... Vader seit dat-ie an de eeuwige schijterij is gesturreve.... ’n Kissie soo groot as ’t luikie van ’t riool... Maar de lòl ’s morges met ’t water in de kelder!... We moste allemaal op bloote voete loope, seg... enne me broer die viel soo met s’n nakende kont in ’t nat... Hahaha!...”Rinklend sloeg de kinderlach door den koker.“Enne toen?”, vroeg Saartje.“Nou... enne toen... Enne toen!... Verrek, seg!... ’t Is geen verhaaltje, seg!... Soo ken je blijve vrage”....Achter piepte de deur. In het vierkant der deurposten kwam de oude vrouw, gebogen, geel, verdroogd jodenwijfje, handen in beevrig getast. De bandeau, weggezakt, dekte warm nog het zilver-krulhaar, dat slapen en voorhoofd schichtig beploos. Bruine diepsels onder-kringdende mat-grijze oogen. Er was zorgen-gevreet in ’t gelaat van neus naar mondhoeken, door ’t beenige voorhoofd, onder de wiggende jukken. Witte matinee, bij den hals vastgehouden door rood-platte broche, omkreukte het gebogene lijf tot op den zwarten rok. De eene hand sloeg om den deurpost, vingerknekels om ’t molmende hout.“Zit je daar, Saartje?”, vroeg ze.“Ja tante.”“Pas je op Moosie?”...“Ja tante.”“Wie is ’r nog meer?”...“Jan-van-hiernaast en Meijer.”“O zoo... O zoo... Ken jij op de klok kijke, Meijer?”“Ja jeffrouw”, zei Meijer, beknikkend de blinde oogen der vrouw.“Enne hóe laat is ’t dan?”, vroeg ze, kleintjes lachend.“Wáar mot ’k kijke?”“Nou bij óns”, zei Saartje, meeloopend naar de holte der deur en mede opkijkend naar het kopergeglim in het donker.“Hallef ses”, las Meijer... “net twéé minnute d’r voor.”“Hallef zes?”, knikte de blinde: “... speule jullie maar vort”...Zachjes inschuifden de voeten de kamer, naar de koperen kachel waar water op ruisde. Wegend nam ze den ketel in d’oude handen, bevoelend de zwaarte, liep er mee naar een kraan-dicht-bij-den-grond, bleef héel-zeker van luistren bij het geploemp van het water, tot de spetting versnerpte tot heller getok. En voorbij de tafel, ziende de schikking der dingen in ’t zwart van haar hoofd, voorbij de alkoof en de stoelen, schuifde ze terug naar de kachel, dempend het rookend gezuig in het gat door ’t herplaatsen van den ketel. Buiten hoorde ze ’t gepraat van de kindren, de brutaal-snappende stem van ’t mank joggie, het mulle hamergeklop van den schoenmaker in de poort. De kachel droog-warmde de kamer. Ze kon wel ’n luchtje scheppen, ’m wachten voor de deur. As ze ’m maar niet misliepe. Stoel, dichtst-bij, nam ze bij leuning, kniklachte vrindelijk tastend tegen de kindren.“Geef Moosie maar hier, Saartje”, wenkte ze, tilde het kind op den schoot, wreef de koud-vochtige beentjes met ’r magere hand en zat stil, rustig, kniprend alleen met deoogleên. Jan ratelde verder, morsend, pratend met stootjes...“.... Enne ’n smerisse!... Hóópe... Nou enne toen de brandweer an ’t spuite... Jò, wat-’n strale... Je zag niks as róok... enne-’n vlamme... godvergeefme wat-’n vlamme!... De lucht sag soo rood as.... as.... vúúrrood hoor... je kon de sterre niet sien”....“Brandde ’t héélemaal?” vroeg Meijer, ingespannen van kijken.“Nou!... ’t Was rood as de kachel van binnen... Je sag soo de balleke valle.”“Steen brandt ommers niet”, zei Saartje, ongeloovig.“Of die brandt”, schetterde Jan, opkijkend en de huizen rondom taxeerend: “’k Wou gedoome dat ’t hìer is gebeurde”...“Nou, ikke niet”, schuwde Saartje.“Ikke wèl”, zei Meijer, die nooit een brand had gezien en te fantaseeren begon hóé ’t kon wezen: “’k Wou dat ’r nòù brand kwam, hè? Dan ware wij d’r meteen bij, watte?... Zou jij niet wille?”“Nou òf”, zei Jan: “nog al niet pràchtig... de vonke die valle over de hééle stad... enne dan de brandweer: tingelingeling!.... tingelingeling!... tingelingeling... Nòu!”“En àsje verbrandt”, zei Saartje.“Je verbrandt niet”, hel-antwoordde Jan: “ze hale je met ladders ’r uit.... enne dan mag-ie blijve kijke as je in ’t huis woont”...“’k Wou dat ’t zòo gebeurde”, zei Meijer, kijkend de muren langs naar d’opperste ramen, die zwakjes zon-zilverden.“Over dag is geen aarigheid”, hoofdschudde Jan.“Waarom niet?”“Dan zie je alleen rook.”“Zie je overdag geen vlamme?”“Née hoor. ’k Heb is ’n schoorsteenbrand gesien, die niks was”....“Heit u wel is ’n brand gesien, tante?” riep Saartje.“Ja”, knikte de blinde: “... prate jullie over wat ànders...Beschrie’t huis niet”...Maar de kindren fluisterden onder mekander, schrikkend door nieuw watergeraas dat in de afvoerbuis snaterde.Stil bij den deurpost zat de oude vrouw, arm om ’t ziekelijk kind, been wiegend in sussende schokking. In de buurt luidde een klok. Luistrend keken de mat-grijze oogen naar boven, vochtloos in de benauwing der huivende muren. Naasthaar hoofd, roestig, schuinhangend, was de blikken huls met demezoezos. En op het geheven gelaat, geel en dor onder het stuiven der zilverharen, schuwde het licht, alsof het kleurloos van achter onweerskoppen hevelde. Moosje lei in slaap gedommeld.
Mond open, sliep zij in den leunstoel, handen verzakt naar den schoot. Het was bijna geheel scheemring. Op de morsige plaats speelden kindren wier vroolijk geraas door de kierende deur watelde. Het hoofd van de oude vrouw, weggeknikkeld in slaap, leunde achterover, halsplooien in strakheid gerekt. Eene zij van ’t gelaat was in het voorwerpen-donker der kamer, andere in den kil-doffen schijn van het binnenplaats-licht, dat den deurkier doorzeefde. Het sneed haar oud hoofd in tweeën, een bleek profiel, een schaduwglooi met den donkeren mondwreef in ’t midden. Van onder den zwarten bandeau, die slap in de haarpinnen hing, stuifde ’t haar wit en zilvrig. Zacht klukte de strot. Door den kier van de deur rapte het kindergeraas, vervreemdend in de kamerschemering, omdwalend het oude gelaat, als stermklank door wanden gefilterd. Het hoofd kniptelichtlijk, gespetter der stemmen ging als luchtig behaamren van wieglende gongen. Lang-rustig slierde een klokslinger, vallend en heffend, met kirrig, klagend gepiep.
Op de plaats waren er vier, drie joden-kindjes, een mank christen-joggie. ’t Jongste, opgeblazen, ziekelijk-geel, had groot-zwarte oogen, oogen met starre pupillen en dun, warrig haar. ’t Kind zat met de beentjes gespreid op de slijk-drabbige steenen, pompadour jurkje gedeukt, billen en lidje bloot en bemodderd door ’t vuil van de plaats. In de krom-kleine handen hield het een afgekapt blad van een bloemkool, waarvan er leien vertrapt en te stinken. De groot-zwarte oogen keken naar het gespeel der andere kinderen, de vingertjes wriemden en plukten het groen van het blad. De ànderen maakten het leven. Uit een zinken afvoerbuis, grauw beslagen, tikkelde water in een zoeten-stank walmend riool, bedekt door een klein houten luikje. Meijer van Suikerpeer bòven, had het plankje gelicht aan den roestigen ring en in den vet-modderen koek, rotting uitspoegend als opene, lang-gedekselde beerput, roerden ze met latten, ’t meisje met een kolenschop. Om het gat lagen kluiten dik-donkrepap, groen-rottende kwakken gepeuerd uit den stinkenden buik, die onder de krotten zijn darmen had. Jan, mank joggie van den schoenmaker, languit, hoofd over het gat, neus dichtgeknepen, tastte met stok naar omlaag. Het horrelvoetje stond schuin gewipt. Saartje, op handen en knieën, keek naar ’t gebagger. Van onder het groen-verschoten rokje spilden de beentjes, zwart-wollen kousjes doorbeten van groezelig vel. Meijer, de grootste, bleek kind, smal van trekjes, hurkte aan tegen den muur, hoofdje van zwart donzig haar doorlitteekend, garstig van korsten, korsten om de ooren, om de slapen, tusschen de haren, korsten geel-bruin en bloedrig.
“Ik zie d’m, gedoome”, zei Jan, pratend met brom-stem door dichtknepen neus.
“Zie je n’m?”, vroeg Meijer, overbuigend het hoofd met de korsten naar ’t gat in den grond, en Saartje opschurkend, ademde den log-zoeten stank, het bleek gezichtje met ’t kroes tot vlak bij den put.
“Waar zie je n’m dan?”
“Nou dáár. Jij ken ’m niet zien.”
“Kè-je d’r bij?”
“Hou nou effen je smoel!.... ’t Stinkt as de pest!”
“Wi-je de schop?”
“Hou nou je smóél!”
Voorzichtig tastte de lat in de modder benee. De drie gezichtjes, aandachtig, bogen bij het riool, dat z’n zwaar-zoete walmen door openen slijmstrot tegen roodzwarte huismuren hijgde.
“Hei-je n’m?”
“Denk-ie dat ’t zoo makkelek is”, neus-gromde Jan.
“Laat mijn ’t dan doen met de schop”, zei Saar, dichter toekruipend.
“Je ken d’r niet bij met de schop.... Hou nou je smoel!.... ’t Is me gòvergeefme ’n stank!.. Jessus, jessus wat ’n mietersche stank.. Allemaal stront en swijnerij.... Nòu haal ’k ’m an ...”
“As je de schop an de lat bindt”, zei Meijer, spuugend, pratend tusschen z’n vingers door: “wattè?... wattè?”
“Hij komp zoo wel.”
“’k Zie nog geen scheet!...”
“Ken die niet sinke?”vroeg Saartje, handjes in uitgebaggerde modder. Jan antwoordde niet, zacht schrapjes aaiend in den drekpoel beneden. Moos, ’t ziekelijk kind in ’t pompadour jurkje,dat tot nu toe gewriemd had aan ’t bloemkoolblad, was billen-wrijvend over de steenen gekikkerd, tusschen Saartje en Meijer. De handjes kleefden in ’t rotsel, grabden er in, besmeerden ’t jurkje, sapten het slijk in de zwarte knijpvingers. De oogen groot, vochtig, keken zonder begrijpen naar de pijp en het vierkante gat.
“Ga je weg, Moosie”—snauwde Saartje: “mot je d’r invalle!”
“Ta... Ta!... Ta!”, dwong ’t kind, de handjes strekkend naar ’t riool.
Saartje rees op dan, vatte ’m onder de armen, sleepte ’m weg naar de deur.
“Sel je nou hièr blijve sitte... Mo’k tante gaan roope... Sel je doen wa’k je seg, hè, hè?.... As je weer is durf.... hoor-ie? hoor-ie?”...
En ’t opgeblazen jongske beplukte opnieuw den stronk dien zij gaf, beentjes slijkzwart, ’t lidje bleek propje er tusschen.
Jan was nu bezig den kolenschop te binden aan den stok. Meijer hield de einden tezaam. Maar het touwtje brak af.
“’k Sel me veter geve”, zei Meijer, zoekend achter de benglende lip van z’n schoen. Saartjewas vlugger, scheurde een band van haar broek bij de knie en Jan, straf knippend met d’oogen, trok tot het hield. Hoofdjes dicht op elkaar, leien ze weer over het gat, waar de stankbellen barstten als oprispende boeren. Vol en zoet, hijgend, dof-klukkend, gurgelde de stank uit de darmspleet, kruipend langs de vaal-bruine wanden die stonden gevierkant onder het plat van den hemel. Het was eene klein-zwarte binnenplaats, achter een donkre gebrokkelde poort, die naar ’n nauwe gangstraat kokerde. In die poort waren twee deuren, onzichtbaar in ’t duister, op de plaats waren er twee. Het derde huis had beneden den blinden muur van een pakhuis, er boven het druilig ge-rij van vensters met grauwe, verweerde kozijnen en ruitjes beschimmeld in stof. Als water vettig besausd, parelmoerig van glans, glimde het glas daar der opperste vensters in ’t huizenvierkant—ramen bedroomden mekander, altijd ziend een glanzend gezwijg en menschenbewegen in schaduw. De steenen koker met ’t venstergelijn, pijlerde op naar den hemel—bòven, een dorre mond die lucht zoog en licht—benèden, de plaats slijkrig en zwart met vertrapte bloemkoolstronken, een wippendehandkar en een hoek nat en pekel-beslagen van mannen-gepies. De bovenste ramen van ’t huis òver den blinden muur, zilverden in avondlicht, de eenige die over daken, goten, schoorsteenen, rigglende pannen heenkeken. De andre stonden op kieren, twee met bloempotjes, en gapende droogrekken. Wit tegen het doode der muren, geheel-onbewogen, hing drogend goed, hemden slap-futloos, boezeroenen blauw-drenzig gebuild, een paars-wolle broek met luchtbillen en dijen en zakdoeken rood, wijnrood, als windlooze vanen.
Stemgeroes siepelde uit de raamkieren, uit het donker der huizen, echoode in dof gemummel, vèr-praten van saamhoopende menschen, zonder klink van heller geluid. Als een hoog-wijde schoorsteen trok de koker ’t gerucht uit de kamer-dompingen, den adem uit de monden, den opbrakenden stank uit het rioolgat naar het gebroei van den lagen stadshemel. De kinderen speelden, klein-bleek in de schaduw beneden, benepen vierkant waar geen licht ooit gevreemd had. De stem van Saartje schelde het luidst. Eén hoog, werd raam opgeschoven. Vrouw met borsten, plomp-kwallend in ’t wit van ’n jak, ’t haar wild geknoet in barstige dot,elboogde over een droogrek, keek naar beneden. De avond-grauwing van den huiskoker omlei haar hoofd, het vagend, zacht-bleekend, verteedrend de wangen, het ruwe der oogen, het snauwen der lippen. De borsten bepropten de buigende armen en plots bol van geraas schreeuwde ze:
“Doe de deksel d’r op!... Is dat me ’n pèststank... Nou dèn!... Nou dèn!”...
“’k Sou niet wete wèrom”, zei Jan voortpeurend, koppig.
“Sulleke snothannese!”, raspte de vrouw, schreeuwrig naar ’t donker der kamer:—“overal motte se met d’rlui poote ansitte”, en weer de borsten in kwallende zwelling op de armen: “doe j’m d’r op, sellemander!”
“Nou!” schreeuwde Jan terug: “d’r leit wat in.”
“Wàt leit ’r in, lamme horrelpoot!”, giftigde de vrouw.
“’n Appel van háar”, zei Meijer op Saartje wijzend.
“Mot je daarom de boel verpeste?—Doe ’m d’r òp, tòe!”
Een man wrong ’t lichaam naast de vrouw door de raamopening, bolle kop, rood en zweetend.
“Doe j’m dich!”—schreeuwde hij schor, maar Jan, koppig, wetend dat de menschen-van-boven-het-pakhuis geen deur op de plaats hadden en overhoop leien met die van benee, zei alleen maar brutaal het manshoofd besarrend: “Daar hei-je háár ook!”—en keek bot, met jongens-verachting, naar de roode, lillende koonen. Woede verpaarste ’t gezicht van den man. Met de vuisten steunend op het kozijn, in opwinding van drift, mepte hij woorden die traag uit den vet-korten nek met de bobling van onderkin kwijlden, zwaar van nadreuning in ’t murenvierkant.... “Godverdommisse mankèèè!.... Om de boel te verpeste!.... Schorremorrie!.... Groote.... leeleke smeerkanis bandiet!.... Bandiet.... Bandiet!...” Verder bracht hij ’t niet, verpaarsend, te vet van nek en onderkinnen-gedril. Maar de vrouw, dieper neerbuigend, wassig in de grauwing van den huizenkoker, mokerend met den bleeken, vleezigen arm, rauwde krijscherig in zijn plaats, rekkend elk scheldwoord dat de gulpende drens van wand naar wand rakette.... “Snothannesse!... Laa-aa-aa-zerstéééééééne!.... Doe ’t bij je moer thuis!... Om de boel te ver-pès-teèè!... Om de boel te ver-pès-tèèèè!....Rot-sellemandèèèèèèrs!”..... Kners-galmend, lang schrapend van achterkeel-stoot, sleepte de vrouwstem, klankkotsing in zoetwalmen stank. Mét smeet ze het raam dicht, knappende klak in na-dazende stilte. Uit andere vensters werden hoofden gebogen, kort van geemlijke kijking. De kindren, even beduusd van ’t gescheld, zaten verdaan bij ’t gat. Ramen triestten in muren, het drooggoed hing willoos. Dan riep uit de poortdonkerte schoenmaker’s stem, wat ’t was. Jan, zeker door vader’s gevraag, schreeuwde beklag....
“Hij wil niet hebbe, vàder, da’k ’n appel zoek, die keerel van boven.”
“Hij heit niks te wille”, knerpte de stem uit de poort: “.... die kwartjesvinder!.... die flessetrekker!....”
Weer was rust in het vierkant. Stemmenroes mumde vèr-af door de raam-kieren. Venster keek venster aan, broos kwijnen van oogen. Gordijnen hingen tam-neer, oud-geel, met slobrige franje. Op de grauwlooden kozijnen vraten slijktranen, krimpende stralen van ’t gootwater. Suikerpeer, voor den inkijk, had groene horren, licht zeewier-groen in gladlakte randen met priemende pennen. Leefloos,vaal-wit, flarden-lichaam in stof-damp verstuipend, wendden de wanden heur scheemringen, snikkende benauwenissen naar den platten, vadzig-plettenden hemel, die als een melktroeble domper vlakte van goten naar pannen en schuchter-glanzende ramen.
De oude vrouw sliep nog, ’t hoofd in tweeën gesneden, strot zachtjes klagend in slaapzang, het leêren geplooi van den hals in wijde slurven gespannen. Het kindergeraas, heller doorschetterde den deurkier, omwaatlend het hoofd, toetrend in donkere hoeken.
“Hei-je n’m?”
“Stil nou!.... Hij glijdt ’r weer af... Nou zie ’k ’m heelemaal nie-meer.”
“Laat mijn ’t dan doen!....”
En weder, gespannen van kijken, hoofdjes over den rand, schoven de kinderen bij den put, knieën in klevende, slijmrige modder. Moos, op de knietjes gekropen, met machtloos bewegen der beentjes naar den nat-groenen hoek, waar de mannen piesten en ’t vulnis staâg rotte, had daar gevonden een leege citroenschil, verperst en grijs van weeldrige schimmel. Het ziekelijk kind, bleek-opgeblazen, met groote, idiote, glanslooze oogen, pulkte met ’t zwartwijsvingertje in de wrange bulten der schil, likte vies-smakkend, zachte kreetjes pratend, in klankengetast naar het schreeuwen van die bij ’t riool. De billetjes bewreven de donker-nattige plek, waar priklende, laffe pis-wasem jaren-lang mufte en kakkerlakken hoopten achter ’t weeke cement. In ’t een knuistje hield hij de schil, boorde het vingertje, zoog tot de vooze smaak ’t mondje vertrok en kwijl langs de kin op het pompadour jurkje glipte. Terwijl was bij de andren driftig gepraat. Tweemaal was de appel terug gegleden in ’t gat.
“Laat mijn ’t dan doen”, zei korzlig Meijer: “’t is toch hàar schop en haár appel.”
“Ja, laat hèm ’t dan doen as jij ’t niet ken, jà”, kribde Saartje: “hij heit langere arme as jìj!”....
“Denk-ie gedoome dat ’t zoo makkelek is?.... Nou zàchies.... Stoot nou niet.... Hou jij ’m teugen met je lat, Meijer, anders flikkert-ie weer weg. Houe hoor! ... Houe! ... Zachies....”
Licht klonk ’t gejuich. Bij het riool bleven ze zitten, Saartje den appel verknufflend in ’t verschoten-groen rokje, de modderpitten zorgzaam wegwrijvend. Jan keek toe met denschop in de hand, Meijer, zeker van ’t aandeel, sopte de kwakken terug in den put.
“Je ken ’m zoo bèst vrete”, zei Jan, maar Saartje, ’t hoofd met de zwarte krulletjes gebogen, spoegde witte schuim-propjes op ’t rood van den appel, wiesch ’m na met ’r hand dat ’t kringelend slijkte, droogde sekuur met ’t grijs van ’r rokje, tot de appel rooderig-glom.
“Nou krijge jullie àllemaal ’n stikkie.... eerst Jan”. De tandjes beten een hap. Jan, gulzig-bijschuivend hield de hand op, hand zwart van het slijk. Saartje gaf hem ’t stukje, dan Meijer, dan Moos, die de citroenschil had laten vallen, weer bij den put zat.
“Je proef d’r zoo niks an”, zei Meijer.
“Denk-ie dan dat ’t door de schil heengaat?” zei Jan, wijs: “as-die ’r ’n week inleit blijft-ie nòg om te vrete.”
“Nou, dat zou ìk wille zien, wat jij, Saar?” schorde Meijer.
“Ik zou d’m niemeer luste as-die d’r ’n week in gelege heit”, zei Saar, vinnig-happend, omdat de appel van haàr was.
“Nou ikke wel”, schetterde Jan: “Wij hebbe laast op de Singel gestoken, de schele en ikke—weet je wel?—met ’n stok met ’n spijkerd’r in.... Jeesis-mierande wat ’n hoop leie d’r in ’t water en best hoor!”
“Legge d’r altijd zoo’n boel?”—vroeg Meijer, volgend het gaan van den uitgebeten appel in Saartjes hand.
“As d’r markt geweest is àltijd en hóópe, hoor..... O jee..... hóópe..... Je ken je d’r ziek an vrete.... Koos had ’r over de twintig.... As d’r maar zóó’n rot stukkie an is, keile z’m weg... Krijg ’k nou niks meer, zeg?”
“Je heit al zòo’n brok gehad”, zei Saar: “’k Hou zellef niks over”. Maar bij ’t zwijgend kijken der andren, beten de witte tandjes toch nog voor elk ’n hapje, bloedig van schil. Het ging van mond naar mond, ’t appel-vleesch met het spoeg van Saartje.
Jan, die nou wist dat-ie niks meer kreeg, bukte opnieuw over het open, stinkende gat, morrlend met schop in de modder die blazende bellen boerde.
“Sou-die diep sijn?” vroeg Meijer.
“Noú!.... Je sou d’r smerig in versuipe—òf-ie!”, schreeuwde Jan, modder opleeplend en prettig neerklukkend.
“As je maar swemme ken”, zei Meijer, spoegend in ’t riool.
“Swemme helpt je geen luis”, zei Jan: “hoe ken je nou swemme in swijnerij... daar suig je ommers in vast.”
“Nou dat sit nog!”
“Jò”, helderklonk-stem van Jan, brutaal van verzeekring: “ik heb is ’e meissie sien legge in de Burgwal... Nóu!... Enne de keerel die d’r na-sprong zat met z’n poote vast in de modder... Jò, modder is zoo vùil!”
Meijer spoog moeilijker spoeg-fluimpjes, mòe as-ie ’r van werd—Saartje wierp ’t klokhuis in ’t gat en de dikke logge modder droop van den kolenschop, slaagjes smakkend in het riool.
“’k Wou da’k hàd wat ’r in is gerold”, zei Jan weer.
“Noù!”, knikte Saartje: “d’r leit van alles... As se wat in de gootsteene late valle, zakt ’t ’r allemaal in.”
“Pas op!” waarschuwde Meijer.
Boven werd heet water geloosd, dat door de zinken buis snaterde en met lawaaiend geplas in het gat stortte. De witte damp sloeg om de hoofden der kindren.
“Sodejuu!”—schrikte Jan.
Meijer hield z’n hand onder de pijp om te voelen of ’t heet was.
“Jò—mot-je je poote brande!”...
“’t Is nie-eens heet... Aardappelewater... Voel maar.”
Vreemd-onnoozel werd hun gepraat bij de gaping der riool-opening, rakkerig kinder-doen, schijnbaar-volwerklijk door groote-mans-woorden. Saartje, ouwelijk-wijs, keek van Meijer naar Jan, Moosje druk staamlend perste de handen in de gebleven modderkoeken. Het licht van het brokje hemel, benêe tot scheemring geloomd, was als een wikkel van laat-killen Novemberdag, bleeken wasemschijn stollend om het wit van de hoofden, de handen, de blootwoelde beentjes van Moosje. Bij tijden, als straatgerucht ganschlijk verstoven en ’t stemgeroes in de kamers heenschrielde, brutaalde het hooge geluid van ’t manke joggie, als schettring in leeg-holle kamer, hel-schel wegklikkend langs luistrende wanden.
Jan kudderde modder, sprak daar tusschen door:
“... Mot jij niks voor je vader doen an die sweere op je kop?”
“’t Sijne geen sweere”, zei Meijer: “’t is brand.”
“Mot je met salf smeere”, verzekerde Jan, viezerig kijkend naar ’t korsten-hoofd.
“Vader seit dat ’t niks is”, zei Meijer: “me broer heit ’t en me sussie en me groote sus”...
“Met hoevele benne jullie?”, vroeg Jan.
“Met s’n sevene.”
“Benne jullie met sijn sevene? Wij met sijn viere.”
“We sijne met s’n elleve gewees”, zei Meijer: “vier sijne d’r dood en me sussie gaat oòk dood.”
“Gaat-die oòk dood?”
“Nòu hoor!”
“Wat scheelt se dan as se dood gaat?”
“Jò, weet ik ’t!”...
“Bij ons is d’r ook een gesturreve”, vertelde Jan, modderlepel stil op den rand bij het droomrig-herinnren: “Jeesis, jò, wat is dat gedoomes gek... D’r was net weer soo’n lek in de kelder... Stinke dee’t!... Stinke!... Godvergeefme wat ’n stank!... We moste ’s morges allemaal meehelpe met ’n emmer... ’t Hielp geen mieter, hoor... En soo kemiek, seg... nou maar die wàs kemiek... ’t Kissie stond op twee stoele... Heb-ie wel is ’n kissie gesien?... Heelemaal wit as van de appelesiene... nou en daar lee-die in”...
“Lee-die in ’t kissie?”
“Nou en wat!”...
“Met ’n deksel d’r op?”, vroeg Saartje.
“Wat doch-ie anders?... Kemiek, hè?”...
“Was dat je broertje Dirrek?”
“Dirrek?... Is Dirrek dan dood, stommert? ’t Was zòo’n kleine... Meijer heit ’m gesien... D’r was niks an, hoor!.... Die zei nog geen woord, net as jouw broertje Moos.... Enne kakke as die dee... godvergeefme de sonde wat kakte die!... Vader seit dat-ie an de eeuwige schijterij is gesturreve.... ’n Kissie soo groot as ’t luikie van ’t riool... Maar de lòl ’s morges met ’t water in de kelder!... We moste allemaal op bloote voete loope, seg... enne me broer die viel soo met s’n nakende kont in ’t nat... Hahaha!...”
Rinklend sloeg de kinderlach door den koker.
“Enne toen?”, vroeg Saartje.
“Nou... enne toen... Enne toen!... Verrek, seg!... ’t Is geen verhaaltje, seg!... Soo ken je blijve vrage”....
Achter piepte de deur. In het vierkant der deurposten kwam de oude vrouw, gebogen, geel, verdroogd jodenwijfje, handen in beevrig getast. De bandeau, weggezakt, dekte warm nog het zilver-krulhaar, dat slapen en voorhoofd schichtig beploos. Bruine diepsels onder-kringdende mat-grijze oogen. Er was zorgen-gevreet in ’t gelaat van neus naar mondhoeken, door ’t beenige voorhoofd, onder de wiggende jukken. Witte matinee, bij den hals vastgehouden door rood-platte broche, omkreukte het gebogene lijf tot op den zwarten rok. De eene hand sloeg om den deurpost, vingerknekels om ’t molmende hout.
“Zit je daar, Saartje?”, vroeg ze.
“Ja tante.”
“Pas je op Moosie?”...
“Ja tante.”
“Wie is ’r nog meer?”...
“Jan-van-hiernaast en Meijer.”
“O zoo... O zoo... Ken jij op de klok kijke, Meijer?”
“Ja jeffrouw”, zei Meijer, beknikkend de blinde oogen der vrouw.
“Enne hóe laat is ’t dan?”, vroeg ze, kleintjes lachend.
“Wáar mot ’k kijke?”
“Nou bij óns”, zei Saartje, meeloopend naar de holte der deur en mede opkijkend naar het kopergeglim in het donker.
“Hallef ses”, las Meijer... “net twéé minnute d’r voor.”
“Hallef zes?”, knikte de blinde: “... speule jullie maar vort”...
Zachjes inschuifden de voeten de kamer, naar de koperen kachel waar water op ruisde. Wegend nam ze den ketel in d’oude handen, bevoelend de zwaarte, liep er mee naar een kraan-dicht-bij-den-grond, bleef héel-zeker van luistren bij het geploemp van het water, tot de spetting versnerpte tot heller getok. En voorbij de tafel, ziende de schikking der dingen in ’t zwart van haar hoofd, voorbij de alkoof en de stoelen, schuifde ze terug naar de kachel, dempend het rookend gezuig in het gat door ’t herplaatsen van den ketel. Buiten hoorde ze ’t gepraat van de kindren, de brutaal-snappende stem van ’t mank joggie, het mulle hamergeklop van den schoenmaker in de poort. De kachel droog-warmde de kamer. Ze kon wel ’n luchtje scheppen, ’m wachten voor de deur. As ze ’m maar niet misliepe. Stoel, dichtst-bij, nam ze bij leuning, kniklachte vrindelijk tastend tegen de kindren.
“Geef Moosie maar hier, Saartje”, wenkte ze, tilde het kind op den schoot, wreef de koud-vochtige beentjes met ’r magere hand en zat stil, rustig, kniprend alleen met deoogleên. Jan ratelde verder, morsend, pratend met stootjes...
“.... Enne ’n smerisse!... Hóópe... Nou enne toen de brandweer an ’t spuite... Jò, wat-’n strale... Je zag niks as róok... enne-’n vlamme... godvergeefme wat-’n vlamme!... De lucht sag soo rood as.... as.... vúúrrood hoor... je kon de sterre niet sien”....
“Brandde ’t héélemaal?” vroeg Meijer, ingespannen van kijken.
“Nou!... ’t Was rood as de kachel van binnen... Je sag soo de balleke valle.”
“Steen brandt ommers niet”, zei Saartje, ongeloovig.
“Of die brandt”, schetterde Jan, opkijkend en de huizen rondom taxeerend: “’k Wou gedoome dat ’t hìer is gebeurde”...
“Nou, ikke niet”, schuwde Saartje.
“Ikke wèl”, zei Meijer, die nooit een brand had gezien en te fantaseeren begon hóé ’t kon wezen: “’k Wou dat ’r nòù brand kwam, hè? Dan ware wij d’r meteen bij, watte?... Zou jij niet wille?”
“Nou òf”, zei Jan: “nog al niet pràchtig... de vonke die valle over de hééle stad... enne dan de brandweer: tingelingeling!.... tingelingeling!... tingelingeling... Nòu!”
“En àsje verbrandt”, zei Saartje.
“Je verbrandt niet”, hel-antwoordde Jan: “ze hale je met ladders ’r uit.... enne dan mag-ie blijve kijke as je in ’t huis woont”...
“’k Wou dat ’t zòo gebeurde”, zei Meijer, kijkend de muren langs naar d’opperste ramen, die zwakjes zon-zilverden.
“Over dag is geen aarigheid”, hoofdschudde Jan.
“Waarom niet?”
“Dan zie je alleen rook.”
“Zie je overdag geen vlamme?”
“Née hoor. ’k Heb is ’n schoorsteenbrand gesien, die niks was”....
“Heit u wel is ’n brand gesien, tante?” riep Saartje.
“Ja”, knikte de blinde: “... prate jullie over wat ànders...Beschrie’t huis niet”...
Maar de kindren fluisterden onder mekander, schrikkend door nieuw watergeraas dat in de afvoerbuis snaterde.
Stil bij den deurpost zat de oude vrouw, arm om ’t ziekelijk kind, been wiegend in sussende schokking. In de buurt luidde een klok. Luistrend keken de mat-grijze oogen naar boven, vochtloos in de benauwing der huivende muren. Naasthaar hoofd, roestig, schuinhangend, was de blikken huls met demezoezos. En op het geheven gelaat, geel en dor onder het stuiven der zilverharen, schuwde het licht, alsof het kleurloos van achter onweerskoppen hevelde. Moosje lei in slaap gedommeld.