III.

III.Zoo had Eleazar haar gevonden toen hij met Suikerpeer uit de scheemring der brokkel-poort op ’t plaatsje kwam. In de lage kamer werd het gevraag van weerszijden. Zij, wel-verlegen en angstig, zat in dubbele luistring, ongerust over Dovid en Soor die naar het station waren gegaan, misschien bleven wachten op volgenden trein. Dat zei ze telkens weer, tèlkens, met aarzlende tastende stem. Suikerpeer, druk, geluid dat uit achterkeel lodderde, lachte dan dik op, haar aanziend met bewerend gebaar, zangrig herhalend: “’t Zijne geen kindere, Reggie.. Wattè?.. Ze kòmme, ze kòmme!”.. En gevraag ging weder over de tafel van mond tot mond, zonder Eleazar eenige warmte te geven. Strak streek zijn hand over het licht-zweetend voorhoofd, bij het pogen antwoorden te zeggen in denzelfden toon vanhartlijkheid, maar er waren oogenblikken van gaping in zijn geheugen, oogenblikken dat hij geen woorden hoorde, de beteekenis niet begreep, vreemd-opschrikkend de vragen liet herhalen.“Enne hoe ben je tóén gegaan?”—, vroeg tante, hem aanziend met troebele oogen.Hij vertelde. De eigen klanken werden hem een verwondring, grof gepraat van een vreemde, vaag, vaàg. Het deed hem pijn te spreken, daar hij zoo vol was, vol van zacht-smartlijke dingen die in zijn oogen onthutsingen schampten. “In Chicago zijne huizen.... met wel twáalef verdiepingen”, zei zijn stem en gelijk was er een flits in hem, schel zig-zaggend dat vroeger haar neus zóo-niet-geweest-was, niet zoo smal en bleek-bruin, dat het háar neus niet was, dat ze nooit zùlk een neus had gehad, dat-ie lànger was geworden, dunner, verdorder, dat ’r smartlijks was aan die verouwelijking, aan dat wegteren van een lief en geweten gelaat....—“Van wel twaalef verdiepingen, met ’n lift, waarmee je na boven ging”—...en weder in de korte halte van ademhaling, keek hij, kéek hij naar de diepsels onder haar oogen, de bruine, vale verzakkingen, die hij niet gekend had, die met den smal-magerenneus het gezicht verschraalden tot masker van overwaasd herinneren, zeer-doend, melankolie gevend als bij eerst weerzien in daglicht van zieke, die lang in bedstee-schaduwen heeft gelegen, wier oogen in ’t doode gelaat het licht niet kunnen verdragen. En al sprekend, zinnen vormend met moeilijke zoeking, werden zijn woorden van eene gevoelige zachtheid, alsof ze bevreesd waren te ruwlijk te dreunen tegen het hoofd van droge huisjestrekken, de kleine matte oogen, den weg-magerden neus. Het eigen lichaam aanvoelde hier als iets zwaars, massaals, overgezonds in gedrukte looming van ziekekamer waar goudbrons langs neêre gordijnen sproeit, adem uit koortsstrot zaagt. Suikerpeer sneed herhaaldlijk zijn zinnen af met interrupties van verbazing, vragend de aandacht van Eleazar en het gelaat van den ouwen groentenjood, geel-bol en gorig bestoppeld onder de pet van slijkerig laken, dommelde hem tot dezelfde pijn van kleine, verwarde onthutsing. Van tante Reggie keek hij naar Suikerpeer, soms sluikwijze naar Moosje, op Reggie’s schoot, en Meijer die tusschen de stangknieën van zijn vader gevangen stond. Saartje had hij zelf bij zich genomen, vleezend de groote hand om ’t beenig-dunlijfje van ’t kind. En óver het gepraat heen, dat onbewogen hem langs ging, sullend als voorzichtig burengewatel—Suikerpeer was vréemde, voorkwam intiemere doen—liet hij hun nièuwe gezichten op zich inwerken, de gezichten onherkenbaar en vreemd geworden, vreemd aan vleeschvulling, verhouding van neus tot mond, kleuring van haar. Alleen was in hen het levend der oogen gebleven en de stemmen zwaklijk-verdonkerd, geleken bekende geluiden-van-jeugd, nazweving van klanken wier eerste frissche dreun in het later geheugen een eeuwige echo bewaart. Meerder bukkend, drong hij Saartje tegen zich aan, trok het groen-verschoten jurkje glad, bewoog het groezelgezichtje naar zich toe.“Ze lijkt op Esther”, zei hij, zacht-ernstig.“As twee droppele water”, knikte Suikerpeer.“Ze heit làng geleje”, verhaalde de blinde, het hoofd schuddend in moeilijk beklag: “làng, làng..... D’r was niks an te doen.... An ’n Sjabbes-avend kreeg ze overnieuw ’n benauwdheid.... Dovid heit je geschreve.... Hèit Dovid je geschreve?”...“Ja”, zei Eleazar.“Toen zei Dovid omdat de woning hier leegsting dat ’t beter was te verhuize—zijne we hier gaan wone, begrijp-ie?.... Ik ken de trappe zoo niemeer af.... Enne met de kindere, begrijp-ie?”“En zoo bin ik van beneje- bóvenbuur geworde”, vulde Suikerpeer aan.Eleazar, denkend aan de gestorven zuster, keek naar den schoorsteenrand, waar bij pullen van glas en wit porselein een verguld portretteke stond met gitting van haar. Maànden had het geduurd, ging de blinde voort, kort na de geboorte van Moosje. Het was een sterfbed geweest in den winter zonder einde. “’s Morges was ze nog góéd”, zei de oude vrouw, vertellend wat ze met blinde oogen gezien had: “schuurde ze de vorke en lepels nog droog, zei ze teugen me: tante wat leit ’r ’n snéeuw—’t was niet van de panne af die winter—en ze zòng nog—ze zong met ’n stem om te zóéne—Dovid zat weer in verdienste en ze wou ’n sjabbeskeek voor ’m bakke. Teugen de middag most ze wat legge van moeiigheid in de bedstee met Moossie—an de avond was ze dood. Ja. Ja. God wóú ’t zoo. God wóú ’t zoo. An ’n Zondag is ze begrave. Dàt ha’k nooit gedàch da’k ’r zouoverleve, da’k zou hoore hoe de kist de trap wier afgedrage.... Enne zoo God wil hoop ’k ’t nóoit weer te hoore..... Zoo God wil”.....Ze vertelde rustig, bijna glimlachend, evenwicht van oud vrouwtje, afgestompt door zwaarte van leven. Suikerpeer gaf nog bijzonderheden. Het was ’n wónder gewees hoe gauw ’t lijk tot ontbinding was overgegaan. Sjabbesmòrrege had ’t zoo door ’t huis gestonke dat de sjabbessoep bòven zuur was geworde. Enne dat in de winter. Ja, dat wás zoo knikkelde tante Reggie, kniprend met de oogen. De kindere hadde bij Suikerpeer geslape, zij en Dovid op de grond in de sterfkamer. Enne midden in de nach had Dovid ’t raam motte open zette, zoo benauwd as ’t rook. Enne toen had-ie ook gezeid: tante wat leit ’r ’n sneeuw, had zij de tòch gevoeld.—Enne weet je nog van ’t geschárrel met de kis?—vroeg Suikerpeer, wàdde? Dadde ze de trap niet afkonne. Tot Eleazar gebarend, dikte hij aan wat gebeurd was, hoe ze getobd hadde, hoe tèllekes de kist tegen de vierde tree klemde, as-of die niet weg wóu—’n wonder, ’n wónder-voor-God!—terwijl-die toch goed na boven was gekomme. Dat kwamvan ’t hout dat gezwolle was door ’t veule water van de dooie, zei hij, straf-knikkend.Verder schemer-gegruwel wou hij vertellen, maar ze werden gestoord door Dovid en Soor, die van het station werom keerden en mooi uit d’r humeur waren, dadde ze voor niks hadde gewacht. Soortje kort-aadmig wilde Eleazar geen hand geven. Waarom-die geen teèlegram had gezonde om te waarschauwe? Hij lei opnieuw uit, dat hij in Hamburg ’n expres had getroffen, vroeger was aangekomen dan hij zelf had gedacht. Ze zaten om de morsige tafel, bruinig van zeil, en Reggie tasthandend naar de kachel, goot water op de koffie, blij dat Soortje en Dovid er waren. De avond schemerde aan, dompte de kamer in zwart en goudbruin. Op de ruitjes der hoog-gele kast glaasde gespiegel en lichtglansjes spetten van ’t glimmend koper-gerei, van de rood-koopren test en het ganneke-ijzer. Dovid het dichtst bij het raam, had bleek-witte jukken en oogen als flets-vochtge ballen. Soortje, in ’t duister, zag hij alleen als vettige vrouwvorm met op-paarsend jak en gieglende, wibblende lintenmuts.“En vertel nou is, vertel is... Je zeit zooniks,” zei Dovid, meer buigend naar het kamergedoezel.“Ik heb al zooveel verteld,” ontweek hij, moe, met aanzwellingen van weeheid door den ongewoon-zoetigen stank van de kamer.“Vertel dan overnieuw!” zei Soortje, zangerig-dringend, met toetjes-geslobber van koffie.Tante Reggie brokte ’n stuk kiks voor de kindren, die schrokten met zuinige mondjes en er was plakkend gesmak van dikke lippen, koffie en koek. Van de plaats blies watergestort in de buis. Mompel van pratende menschen in de poort drabde aan. En hij sprak tot de hoofden, wier aangezicht bleekelijk zwol in den schijn van het ruitjesraam, nòg eens zeggend de dingskes van zijn reis, die hem zoo invielen, eerst van de lange ziekte in het gasthuis, van de zeeziekte dan, van ’n storm, van de windstilte, ’t dágen lang wachten op ’n bries, van het ongemak aan boord van ’n zeilschip, van de harde kaak en het gezouten vleesch, van den jongen die onderweg was gestorven en de begrafenis... Maar ’t was alles léég geworden, het droop van zijn lippen als een mal, mal verhaal, trits van gebeuren dat geen kleur had, daar de reis op het schip één lange melankolie,één drukkende verlatenheid van jood-van-ras bij robuste, góéiige, tabakkauwende, jenever-drinkende christen-zeebonken was geweest en hij hen, zoo zij daar hartlijk, koek-smakkend zaten, de grijze dagen van telkens-weerkeerende ziekte op de stampende, slingrende ouwe boot, waar ze ’m joodje hadden genoemd, niet kòn verhalen. Joodje, hèm. In ’t gasthuis, langzaam tot krachten komend, had-ie in diepste vreugde ’n vertaalden Spinoza gelezen, herlezen. Dikwerf was ’t boek in drooming naar de dekens gezakt, had-ie gepoogd zich dien man voor te stellen bij boerenkinkels op ’n vlegeldorpje in Holland. De handen bij ’t boek geslapt, de oogen in zoeking gesloten, had-ie zich ’n jood Spinoza ver-beeld, ’n jood met droefgeestig bewegen, ’n jood dwalend tusschen de velden, gebogen-peinzend op ’n duinkam. Die eenzame móést in die dagen groot en stil hebben geleden. Waren ’r geen kerktrappende vlegels langs de boere-kamer gegaan? Hadden ze niet met d’r stomme, groentandige smoelen gezegd: hier woont ’t joodje Spinoza? Hadden de kindren ’m niet nagejouwd als-ie langs de huisjes schuchterde? Ja, zoo wàs ’t geweest. In de achterhoeken van Holland leefde nòg niets,leefde vandaag nog ènkel stompzinnig jezus-gebral waaraan de ontwaakte jood-Jezus vreemd was. Luisterend naar z’n adem-gejaag in de stilte der zieken-zaal, had-ie dat sentimenteelig gevoeld, tot ’t boek ’m weer òp nam naar de hoogten waar voor menschdrek geen plaats was. En hersteld, komend op ’t zeilschip, was ’t góédig joodje en joodje geweest.Sprekend met schijnbaar-opgewekte en-toen’s, saamschrapend de klein-holle evenementen der reis, om ze bezig te houden, gloeide de heete wrevel van het weken-gedùld-zijn tot zijn keel, ’t vrindlijk gedùld-zijn door den kaptein, door den hofmeester met ’t rooie-puisten-gezicht, door de beenige kerels die de zee had verdierlijkt tot uiterlijk-brave bonken, wier visie van land één groot bordeel met zuipende meiden, harmonica-gekerm, whiskey was. Het waren dagen van eenzelvige melankolie, altijd besloten in de kleine cabin—en de maaltijden—en het gebed, dat hij aanhoorde als vreemde, dat hem hinderlijk was, hinderlijk om ’t bóék, hinderlijk door den terugslag die er van uitging, terugslag van jóódje, alleen en zwijgend bij grove kerels. Van af den éérsten dag toen hijziek in de kuil zat en het gezoek beluisterde, het gepraat in de cabin, het gevraag: “waar is ’t joodje?”—, de antwoorden: “’t joodje is”—en wèer “’t joodje is”—nog eens “de jood”—en “òns joodje”—zoo zonder ophouden—en het gezond-lallend gelach om de uitgelodderde grap van den rooie-puisten-hofmeester, dat-ie liever geen smaus met ’n hàlleve zou willen zijn—en ’t donker-grommend gebulder om de vuilheden van den stuurman die in plat-hollandsch zei dat ’n jodenlul even goed was as ’n christenlul, dat lul, lùl bleef, ook al was ’r ’n stukkie af—en ’t bordenlawaai, het stemmen-gedreun, terwijl hij in de kuil braakte, weggeleund tegen ’n tros, met grijze grauwing van dood in hoofd en over de borst en door de beenen—van af dien éérsten dag had hij zich bij hen geweten als ’n verlegen lichtschuw jogje, dwaas-verlegen—verlegenheid aangroeiend door lichamelijke zwakte—verlegenheid die ’m dreef tot tamheid en schuchter mêe-praten. Nergens had hij pijnlijker de màcht van het bruute gevoeld, den eeltigen knuist van bijbel-brabbelend christenvolk. Er was geen ontloopen mooglijk geweest, geen bedrieglijk niet-willen-zien als in steden. Daar op de volle,wijd-cirklende zee, onder de stolp van een grotesk luchthuis had hij daaglijks, uur aan uur, en zoo maánden de verlegenheid van geiriteerd dènkend joodje-van-ras tegenover groote lichamen, zware schouders, platte goedigheden, ruig psalm-gegalm tot ’n heidensch christen-godje, ondergaan. Ze noemden ’m spoedig gemeenzaam, om z’n gezwijg, om z’n zachtheid, om z’n glimlach, ’n bèst joodje, geen scheldnaam bedoelend, niet begrijpend dat ze ’m sloegen als met ’n door mestvaalten gehaalden knoet. Zoo had hij ze verlaten, vriendlijk, met een laatsten handdruk—als ’n hond die de knuisten belikt van ’n trappenden baas—voor het eerst van z’n leven gedwongen-natuurlijk ondergaande ’n tergend noodlot, den hoon van ’n ras, den onnoozelen strijd van ontaarden tegen ontaarden, van stumpers tegen stumpers, waaraan het eenvoudigst gòdsbegrip vreemd was.Als hij tante Reggie en Soortje en Dovid en Suikerpeer had moeten verhalen van z’n reis, zou ’t zijn geworden een zacht verdrietig gespreek over dagen en nachten van ziekte en koortsing, van groote, stadige eenzaamheid. Maar omdat ze daarvan even weinigzouden begrijpen als de matrozen van z’n starren lach, práátte hij in den kamerschemer over stootinkjes-van-buiten, over zaken die ieder na lange reis vertelt, alsof het gebeùrde, ’t tot herinnering geworden leven romannetjes-beweeg, avontuurlijkheden, schrikjes, verrassingen in prettige schakel houdt. Het zou eene hàrder vernedering zijn geweest dezen in luistring gehurkte lieden, met doodenschijn van stervende huizen op ’t gelaat, ook maar één woord van de benauwende triestigheid te zeggen, die achter z’n oogleden gloeide bij het weder-doorvoelen der reis-melankolie. Ze zouden grof spreken vanrissches, het àndre dat hen zelf ver-stumperde niet beseffen. En zoo weidde hij traag-sprekend uit over afzijdigs, zeide hij dof-klaaglijke dingen over den schrik van den mòrgen toen in de hangmat dichtbij de bootsjongen niet bewoog, hoe een arm af had gehangen met ’n blauw-witte lijkehand, hoe de begraafnis kort en plomp was geweest—’n stuk verteerd zeil met rijgsteken dichtgehaald en ’s middags aan tafel wat napraat met psalmen. Het bewogen gaan van z’n stem gaf licht-bruine stilte in de bronzing der kamer. De gezichten met aan-geelender weerschijn van het ruitjes-venster,magerder, trekloos, stonden een wijle stil op het peinzend geadem, alsof ’t blauw-wit lijkehandje kou om de hoofden sloeg.Soor hoofdschudde het éerst, zei rekkend: “ogge nebbiesch... ogge nebbiesch...” en ’t rap-praten der andren heen-ruwde de stilte, terwijl ze weder bewogen en de mat-glans der koffiekommen in de handen opblankte. Dan sprak Dovid met donkere doling, opnieuw van Esther’s dood, drensde het gesprek in de scheemring over-wat-zij-nog-gezeid-had, over de familie-kwaal, over Eleazar’s bloedspuwing, tot Suikerpeer angstigde dad-’r over wat anders gesproke moch worde, dad-’t voor Eli niet plezierig most weze over niks as dood en ellende te prate, zóo as-die ’n poot over huis zette....Saartje, op z’n schoot, was in slaap gezakt. Door het dun jurkje heen voelde z’n wijd-spreide hand het adem-geveer onder de ribjes en de krullen van ’t warrige kroes pluim-kittelden aan tegen z’n kin. Nu zelf in geluister, niet meer voorwerp van aandacht, zat sterk hij gebogen, aanhoorend de klachten van Dovid, die maanden werkloos geweest was door ziekte der oogen—twee weken verdiend had, nou weer wàchtte. Ze hadde ’m angerajen na Antwerpen te gaan, maar in Antwerpen was ’tdalles... ’t Was niks gedaan met de roosies... de boel was verpescht enne de gojjiem verpeschte de boel nog meer.... Gistere-avend was ’r ’n meetting gewees in ’t Paleis.... Dekker had gesproke.... Dekker had fijn gesproke.... ’r Ware mozies angenome.... Maar wat zou ’t géve?.... Je vrat de nagels van je vingers.... Waar geenmezommewas, kwam geenmezommebij.... Over ’n maand ha-je de winter.... As hìj ze niet uit Ammerika had geholpe.... god weet wad-’r gebeurd was. Zoo klaagde hij voort in de scheemring, zeuring van stem met bevestigingsroepen van Soortje en Suikerpeer, zangrig gewrijf van geluid over de tafel met het kopjes-geplak.Eleazar, de kin op het kroes van het kind, hoorde ’t aan, alsof-ie niet weg was geweest, altijd zóo had gezeten bij dezelfde menschen, bij ’t zelfd voorwerpen-geglans. Buiten was het dalende scheemring. Het cement van den blinden muur goorde toe op het raam als een grauw-wolkige mist, waarin de pijpende afvoerbuis het éenig-werklijke was. Tegen dekleine ruiten van ’t venster, zwak doorkruist; en het gespannen tullen gordijntje, rondde de rug van den pratenden slijper en de vierkanting van zijn gladgeknipt beenig hoofd bewoog in rustig geschok. Het gelaat had geen wit, geen trekken meer. De stem sprak uit het wiegend hoofd, uit den zwarten bollenden rug. De grauwingen van den huiskoker dompelden neer om zijn lichaam, om den melkschemer van het tullen gordijntje, om den beugel der stoel-leuning. Tante Reggie, recht voor de glimmen der koperen kachel, wier glanzende ballen het donker doorkolden als manen in randen van bloed, had een gelaat van nog even bevlamd donkergeel, geel van ’n foliant in scheemring—ook ’r hand, gekromd om stilliggend Moosje, scheurde het zwart zwakjens op. De andren zaten naast ’m, zag-ie niet, zag-ie alleen als-ie het hoofd afwendde naar de zij van de glazen-kast, die verlegen vlekkingen had en ’t rood gebroei van het koperen ganneke-ijzer op d’ onderste plank. Laag drukte de zoldring met plompe geel-bruine balken, op de goudsels van zwart, bruin en brons der avondscheemring. Het was het laatst gefilter van stedenlicht langs grauwe muren, dat zwaar vaningeslurpte schaduw door de stofruitjes zeefde. Van de binnenplaats, van het zwart cement, van de kalkbroksels en zaggende scheuren, dampte het aan als trage rook over daken van zwart-roode pannen, hangend met vadzige kruiping om de vormen der kamer, teer-doorbroken door ’n aangezichtsschemer, door de schamping van ’n koffiekom, door het wazig ruitengeglim der kast, door de geeling van ’t koper.Eleazar, terugleunend, liet het over zich komen, het avondguldsel, de trage bruining, de schaduwtasting, het laatst licht der stervende huizen. Zijn bleek-witte hand strekte naar de tafel, hief de bleek-matte kom, maar er was gebeef in z’n vingers en de stank van de plaats, de zoete, rottige damp klitte slijm naar zijn keel als bij hevigen angst. Dovid in drenzend gesprek, weer geheel in de zorgen van ’t oogenblik, sprak met donker-dolende stem, twistend met Soortje en Suikerpeer.“Drink nog e koppie, Eli”, zei Reggie, ’m niet hóorend.“Nee,” zei hij, opstaand: “’k heb ’t wàrm”—en met ’t kind op den arm kwam hij bij den deurpost te leunen, pogend de aanzwellingvan mislijke weeheid te onderdrukken, die het kamertje, de plaats, de scheemring hem gaven. Binnen werd sterker ’t gepraat. Suikerpeer in ruzie, sprak met dik stemgelodder, zangrig aanhoudend, Dovid in de rede vallend. Ze hadden het over iets—hij wist niet wat—zwaar-vermoeid, met gloeiend-puilende oogen luisterde hij naar ’t gefrommel der klanken.“.... Emmes!... Emmes!...”“.... Wadde wèet jij d’r van!... Wadde wèet je d’r van!”, kregel-klonk Dovid’s stem.“’k Zal geen gezond uur meer hebbe!... Is ’t waar Soor? Is ’t waar? Hèit ’t ’m cente gekoscht?”“’n Pietsie ’n makke! ’n Cent ’n zeer oog!”, driftig-beweerde Dovid:“’k La-me daar afstrijje wad-’k met éige ooge gezien heb!—Geen cent heit-ie d’r an betaald.... ’n Cent ’n makke! ’n Màkke!”“Hij heit ’r an betaald bij mijn en bij jouw gezond”, slijmde Suikerpeer’s stem.“Neèm je gelijk! Neèm je gelijk! Nòg!” zei Dovid met raspen van verveling.“Jij praat over dinge die je nie-wéet”, slijmde de ander weer, koppig, geluid van ontstoken keel.“Nòg, lek me de màarsch!”, snauwde Dovid.“Lek jij mìjn de màarsch! Over wadde mot ik jóu de maarsch lekke?”—, gijnig vroeg Suikerpeer, nalachend, stem als ’n vetprop.“Lek ’m dan dùbbeld”, droog Dovid zei en de stem van de blinde zachtjens dan suste: “Make juillie geen roezie.... Wat sjadt ’t of-die betaald heit of niet”....Dovid hield aan, duidelijk makend wàt-ie bedoeld had, zangerig-schreeuwend als Suikerpeer ’m poogde te overpraten. Bij Eleazar was kort de luistring geweest. Nu, in de oopning der deur, keek hij naar den snauwenden bek van den huizen-koker, naar de beue gebrokte muren, de drooglatten, de kleeren, de bovenste vaag zwemmende ruiten die d’overzijdaken beloensden, naar de donkere poort. In één woning was licht al, zag hij ’t hoeken van ’n platborstige vrouw in paarsigen doek, die ’n kind kamde en telkens aandachtig den kam onder de lamp stak, zoekend met fel-turende oogen. Diep als een oude smart, wier schrijning tot-leven-gegroeid-is, voelde hij de zacht-gloeiende kropping der keel, die hem gewerd, als hij de kròt-huizen zag.Maar de hand leunend tegen den deurpost,wreef langs de mezoesos, de blikken huls, waarin de Geboden stonden te schimlen. Glimlachend keek hij er naar, betastte het zwart-roestig ding, trok er aan. Het bengelde zacht. En aldoor glimlachend, vreemdelijk lachend tipte hij ’t los met de nagels, hield het in de hand, draaide het om en om, dat het dofjes glimmerde in de grijzing van den huiskoker, als een blik stukje speelgoed. Saartje wakker geworden zag ’t hem doen.“O!”, zei ze, kindergeheimzinnig: “O.... oomè!....”“Wat is ’r?”, glimlachte hij, er mee spelend, maar in plotslingen wrevel, niet meer lachend, stroef kijkend naar het muren-gewrok, liet hij het hulsje in z’n zak glijden, hield de armen om ’t kind.“Wat zit ’r in, oomè?”, vroeg ze zachjes, wetend dat ’t niet mòcht.“Niks”, zei hij stilletjes-lachend: “niks, kleine aap.... Morgen krijg je ’n cent.” Met ’t kind in de armen ging-ie de kamer weer in, vragend of Saartje en Moosje niet na bed mosten. Tante Reggie, knikklend, stond op, droeg slapend Moosje.“Zal ’k licht voor u maken?”“Wat hèllept me dat?”—, vrindelijk lachtede blinde: “dòmme jongen!.... Doe ’k ’t nie elleke avond? Waddè?”....Soortje, Suikerpeer, Dovid waren in rammlend gesprek—hij met Saartje in de armen, tastte achter Reggie de donkre alkoof binnen.“Wees maar nie bang”, waarschuwde de blinde: “’r is geen trap.... ’t is ’n alkoof.... As je maar niet teugen ’t petrolie-stel stoot en niet in de emmer trapt”.... De deur klapte dicht, afsluitend de scheemring der kamer. Hij stond met het kind in de armen, schuifde een eindje vooruit, tastend, blind als tante Reggie. Ze had Moosje in de bedstee gelegd, nam Saartje over, hielp haar aan ’t jurkje. Eleazar streek een lucifer af, die kort de bedstee belichtte, hol en diep—’n schoorsteen—’n zwarten kalkmuur. De lucifer brandde tot z’n vingers, viel neer en hij kraste ’n tweede af, angstig, snel.“Wat dóe je toch?”—, vroeg de blinde: “maak geen brand.”“Nee”, zei hij zacht, rondkijkend met gespannen oogen bij de korte lichting der lucifers. Het was eene kleine vensterlooze alkoof, berghok geweest, met één kalen, water-zweetenden muur, waarvan het zwartlak was verschilferd. Achter puilde de bedstee, smoezlig vanhout, met ’n stukkende matras en ’n voddige gestikte deken, waarvan de naden waren gebarsten. Kwallen verteerd-grijze watten hingen ’r als klonten aan. Anders lei niets in ’t hout-gat. Op zij schuinde de huif van een vroegeren schoorsteen met ’n roestig petroliestel en ’n tweede matras opgerold met ’n touw. De grond was van oude in zand vertrapte tegels. Onder de schoorsteenhuif, wit op ’t lak dat streepsels van afgetraand vet had, bloemde donzige schimmel. Stank van een tam-werkend, tot braking ophitsend riool, scheen uit de naden van den grond te breken. Viermaal had-ie een lucifer afgestreken, viermaal de weerlichting gehad van de donkre alkoof met de bedstee, den glimnatten muur.“Wat doè je? Wat doe je toch?”, praatte de blinde, bezig met ’t kind: “Je bin nou niemeer in Ammerika, Eli.... Wìj hebbe geen lif”..., lachte ze.“Waar slaap ù?” vroeg hij, nog ’n lucifer afstrijkend.“Bij de kindere in de bedstee.... Wad-zou ’t anders?”“En Dovid?”“Op de grond”....“Op de grond”.... herhaalde hij zoekend, zich niet verwondrend, daar hij ’t altijd zoo gezien, zélf als kind met Esther en Bram en Jozef, die allen dood waren, op éen matras op den grond had geslapen:.... “maar die stank”—ging hij voort: “’r mot ’n riool zijn... ’t Stinkt.... ’t Stinkt.... ’k Wor ’r misselijk van”....“Da’s de emmer, oome”, zei Saartje, wijzend den hoek bij de deur. De lucifer was uitgebrand. Vinnig kraste er weer een en zich omkeerend zag-ie den emmer zonder hengsel, bijna gevuld tot den rand met geel vocht waarin bruine drollen opdreven. De lucifer, rood-wirrelend, viel er in neer, siste en ’t bleef donker. Bloote voetjes betipten den grond. Het kind liep op ’m toe, nam z’n hand, zei helder: “Dag oome Eli”. Hij bukte, zoende ’r op het toegestoken mondje, haalde diep in den stank, den stank die uit den emmer sloeg, zich vastbeet in zijn mond, in zijn speeksel, in zijn strot, in zijn longen, in het vocht van zijn oogen.“Zoo—enne nou slàpe”, maande de blinde: “hoor je me, Saar-lief?”“Ja, tante.”Dovid kwam tastende binnen.“Zijne juillie hier?.... Waar is Eli?”“Hier”, zei hij, hoest-schrapend.“Gooi jij de emmer is uit, Dovid”, sprak tante Reggie:“de wagen is d’r nog niet”....“Staat-ie ’r nog?.... Is me aàrdig vol”, schatte Dovid, de duimen om de lippen van het hengsel.Door de opene plaatsdeur zag Eleazar ’m gaan, wijd-beensch, rug gebogen—en mislijk, ziek door het schokken van z’n maag, het weeëe-watergeloop in z’n mond, stapte hij de plaats op, de donkre poort uit naar het nauw-straatje, dat doodliep op eene roerlooze gracht. Even om den hoek van de poort stond hij stil, stampvoetend-onderdrukkend den aandrang tot braken, inhoudend de krampende stooting der maag, alsof zeeziekte opnieuw tot ’m was gekomen. Hij bedwong ’t, speeksel spuwend tegen den grond en met vochtig-heete oogen, klam, zwaar-van-hoofd keek hij het water toe, dat zwak-groenig lichtte. Het straatje, zelve een slop, was in drukte van buiten zittende joden. Bij het licht van een lantaarn in de kromming, leien jongens lawaairig te jassen. Dàar alleen werd het geschemer der muren gebroken. Naarhet water was alles morrige, vijandige schaduw, grommelde ’t zwart van den avond. Het norschte zoo triestig, overweldigend van weemoed dat hij onbeweeglijk bleef, in-snikkend de dreiging die er uit rees. Naar de gracht verzakten de huizen, muren als klodders, met striemsels cement en schuwe droogstokken-zwieping. Een oude loods, zwart van mekander beklimmende planken, schoorde vooruit, grom-schaduw plompend in ’t rottende water. Er liep daar een trapje met treedjes van kurkerig hout naar omhoog, treedjes met uit-slepen gleuven van schuinende voeten. En langs die, glad van handengeglij, beklom een leuning ’t bordesje van hout dat voor drie deuren was. Er stonden bij den verzakkenden muur vuile putsen voor komkommers—er was meer, méer. Maar niet dàt wrong tot z’n keel. Het was de bitse schemer die naar het rottend water strompelde, die het slop en de huizen en het water en de woning-ruïnen aan de overzij der gracht in klaagsels van zwart zette, zwarte klaagsels op de houten loods, op de verzakkende schuur, op ’t stijfdroogde goed, op de latten langs de ramen—klaagsels zwart, zwart-van-avond onder dichtblaarte boomen, zwart van vleermuizen-vlucht,zwart van rouwwaden in ’t donker van dooden-wagen—zwart, als modder langs verweerde wanden, over begroeide pannen, zwart over het trapje met de kwakklende treedjes, over het water dat stil lei, verstoven blankingen, koperkleurig gegrinnek van drijvend vet had. Met vochtig-heete oogen, koud van uitperlend zweet, bijna ver-willoosd door ’t zwart, het aanzwalpen van den huizennacht, de stankingen—gister, eergister was ’t de zee nog geweest, de zéé met ’r luchtkoepel, ’r zon—liep hij tot vlak bij de gracht, hurkte naast ’n blauwigen steen schuin in modder gezonken. Meerder licht was hier, groen-stollend licht, overglijdend het water. Het geleek nevel en wolken-gekwijn, d’oude stompen van baksteen langs-koperend, wazend naar de scheemring der overzij-huizen wier dof-molm gehang scheen te breken onder ’t plomp schoorsteenwoud. Vlak tegen den gracht-wand groeiden nog boomen, gebogen naar ’t poelige water, geblaarte verwoeld als om nachthoofd van grijsaard. Het was een kleine horizon van water, groen, huizen, oud en bedolven onder stuiving van asch, star-oogend in heesche verstikking.Zieker, met opstijgende weeën, gloeiing in hoofd, nek en borst, stutte hij de kin op de handen, keek naar het water aan z’n voeten, dat log was van rotsels met moeilijk-opdobbrende bellen. Er lagen roerlooze klitten aardappelschillen, hoepels en loof,—er tusschen drollen en stronken, en ’t glimmig-hol kreng van een hond. Doch de stank walmde zoo zwaar, zoo benauwend-zoet, deed ’m zoo opnieuw denken aan de alkoof en den emmer-met-vuil, dat hij plots opstuipte en in hevige schokking van ’t lijf, het hoofd tegen de planken der loods, te braken begon, alsof bloed de longen ontspoot.Kreunend zag hij ’t braaksel in de modder plassen, met kruipend-gesiep over den leisteen. Een groote grijze rat, opgeschrikt door ’t gerucht, sprong te water, heen over ’t braaksel. Het leven scheen uit hem te gudsen, te gùdsen, zoo voelde ’t hoofd als een klomp met uitbrekende hersnen. Lang bleef hij zoo, suffig, zonder wil, het hoofd tegen de loods, moeïg kijkend naar de onderste, groenige plank, naar ’t aangestoven zand, naar de steenen—de steenen, het braaksel dat-ie begon te ontleden—zoo precies as-ie wist wát ’r in was—jodekoek met krente en sucade—enne koffie—Niksvies—niks vies—Je wist wàt ’t was—jodekoek met krente—krente en sucade—enne koffie—Maar de benauwing kwam nog eens. Hij braakte den stank terug, den stank van de kamer, den stank van de plaats, den stank van de scheemring. Inert-stuttend tegen de loods, blauw-wijdde in z’n hoofd de zee-bij-avond—de zee eentonig van zang—en ’n vinnig-zwart zeiltje in de verte—en ’n violet kartelwolkje. Het gonsde in z’n ooren, de borsthaartjes kleefden nat, de rug voelde koud, het hoofd léeg, léeg met zware, drukkende haren.Toen hij het hoofd weder hief, stotterden tranen uit zijn oogen, loome bloed-heete tranen. Maar er gloeide woede in hem om z’n zwakheid en met drift scheurde hij den zakdoek naar het gelaat. Er ketste iets met metalen geluid op den steen. Hij raapte het op, herkende de blikken huls van tante Reggie’s deurpost, waarin de vergane Geboden. En met hartstocht-gebaar smeet hij het ding in de stinkende, groen-wazige gracht, waar het zonk tusschen de spattende bellen-van-rotting, naast het zwart-holle kreng van den hond en de drollen die bewogen als dobbers. Kort kringde het water, meewieglendhet vuil, de hoepels, het kreng. En weder teruggaand door de poort, zag hij dat het dieper avond was geworden. In de kamertjes-boven waren weeningen van licht, doch benee voor de huisdeur zaten Reggie, Soortje en Dovid luchtje te scheppen.IV.Het was een middag van overzwoel, vadzig gezwadder, toen hij naar de fabriek ging. Uit de zijstraten snikte ’t bewegen der menschen naar ’t stofzweetend asfalt. Huizen bukten dorstig-vermoeid met vensters wijd-open als hijgende keelen, de kozijnen weiflend in ’t schamper-geel licht schorden als droog-grauwe lippen. Een buiklucht van koppen en wit-in-vertroebling bebroedde de daken, zwoelingen gulpend tusschen de schaduwgeulen en diepten, de gevels wier vluchtend gelijn in den hemel golvingen sneed. Hijschblokken, dik van kop, rekten de nekken met haken die kromden als tongen van adem-inkermende honden.Naar het einde der straat werd dichter het wanden-geweef, verzwartte het blokken-geplomp als een heffing van mokers. Ruiten keilden daar vlammen, spetten en schichtige stralen,als-of ijskristallen en sneeuwdons in kaatsing van avondpurper krompen.De menschen liepen in duwend gedrang, schuiflend het stof dat branderig kroop. Ze stonden bij winkels, traagden weer voort, de sleepen in handschoende handen en zonschermen als kleine gootlooze daakjes. Dicht langs hem henen, blazend en puffend, blauw-glimmrende diamanten in bleek-vette oorlellen, ging joden-dame, hoofd als een sproetenpioen, gele blouse met zweetige plassen in d’oksels, heupen vet en gezwollen, borsten als stram-staande uiers. Ze zweette en blies en ’r ooren vonkten den glimmrenden schijn door de straat—’r ooren droegen teeder geglans van dauw-op-een-bloemstruik—’r ooren, garstig en spek-bleek, slierden een zilveren herfstdraad met bevend geflonker door ’t stuifsel dat voeten sloegen uit asfalt. Vet en heup-kwallend, dauw-smachtend, ging ze een hoek om.De gracht, waar hij kwam, groende weg met oude bollende bruggen en water tusschen de dammen der straat. Eene zij lag in overplassing van krijterig licht, licht op de gevels,bordesjes, ruiten, kozijnen, licht met driftigen goudstraal op koperen knoppen—de andere in schaduw van ’n bierbrouwerij, wier schoorsteen ’n reuzenspeer geleek rustend op het zadel naast den maliënkolder. In het beweegloos, vaal-vlakkend water effende een scheidlijn van licht en schaduw, wiegelde de gevel-vluchting, lang-bleeke kartling met wit en geel, versmalde ramen, verfletste gordijnen, groenige wolling van boomen. De oude zwarte rioolgaten braken daarin klodder-spelonken en diep onder ’t buikige lijf van een kof, school ’n logger geduister.Het was stil op de gracht. Er liep een briefbesteller en ’n man zat op ’n handwagen. Een meid dweilde de treden van een bordes, voeten in wippende sloffen. Hiér deed ’t aan als de rust van ’n dorp, van ’n glunderig dorp, met zonneplas-wegjes en koeien zwaar-trappend in wei. Hier kon je effen ademen. Hier zag je lucht en wolkjes bòven, tusschen de grachtgevels—benèe in ’t water, nog eens en nog eens. Uit ’t fabrieksgebouw snorkte geraas en een man duwde ’n kruiwagen over een schokkende plank, die schuin over stoeptreden lag en kolengruis zwiepte.“Is Juda an ’t werk?”—, vroeg Eleazar.“Juda? Juda is boven”, zei de portier.Voor ’m uit, in de lange donkere gang, gromde ’t knarsend kruiwagenwiel, krakend over gevallen stukken steenkool alsof er grint lei. En weer daadlijk was ’m alles bekend, de plakkaten van den fabriekseigenaar over molenhuur, de manifesten, de lange zwarte gang, het portiershokje, het rogglend grommen der machines. Van achter en door de deuren en van de trappen knoerste het de gang door, rommelend, suizend met grijs-bruine kreuning. Het was of een storm in het gebouw raasde, de steenen wanden langs reutlend, schor-gierend door stukgeslagen ruiten en met grooter geweld joel-fluitend in hoeken waar ijzer en steen meerder weerstand boden. In de verre diepte der gang kraakte ’n geul rood en vlammen uit een oven, met berstende walmen van roet—de metalen bons van een deur sloot het weer af. Zacht-zoetlijke stank van machines en olie lauwde aan. Hij wachtte tot ’n kruiwagen, zwart en leeg, hem voorbij bolderde, passeerde de opene deur van een zaal met wentlende riemen, gebogen mannen en lekkende vlammen van verstelpitten en een binnenplaats en wéer een zaal, waar ’t geraas verwarder ravotte, stemmen inzangrig geschreeuw ’t schijven-geschuur overpsalmden. Eleazar luisterde naar ’t oùde, oùde liedje.....: “De Dimantschleiper haben de Zehring!..... Laufen auf de Brategasz mit vaatjes heering!..... Owei, owei wat ist me wei..... Mit de Dimantschleiperei!”...., slijpliedje dat-ie gehoord had toen-ie nog potjongen was op den winkel, waar ouwe Jacob ’t rad draaide, stoom niet gekend was. Glimlachend terugdenkend aan dien tijd, nasprak-ie trapklimmend ’t vervolg-deuntje zooals-ie ’t zich herinnerde, zooals-ie ’t had gezongen en geschreeuwd:..... “De Dimantschleiper sitze-in-’n hoekie.... Trinken ’n koppie koffie, fressen ’n zwei-en-halbe-cents boterkoekie... Owei, Owei!... ’t Is ze zoo wei mit de Dimantschleiperei!”..... De trap krinkelde om, een-hoog, twee-hoog, drie-hoog. Hij duwde een deur open en het machine-geraas der zaal kletterde vol op hem toe, egaal, dof van kreuning, behamerd door ’t metalen geklik van een mortier, waarin ’n potjongen boort stampte. Vlug wipte hij het trapje op, dat over de draaiende as als een vlonder over een sloot driekantte. Juda, gebogen achter de schijf, in lezende aandacht bij de vier tangen, waarvan een-ie vasthield in klauwenden greep,keek glimlachend-verrast. Zijn zwart-grove hand drukte de bleeke van Eleazar met hartlijkheid en ’t suizend gestamp der assen en wielen overgromde zijn stem. Ook Moppes en Klaroen en Leon en Hes en ook Rijst van achter de andere bank stommelden langs de krukken, begroetten hem goedig, lawaairig, pratend door elkaar en al gijntjes zeggend vóor-ie twee woorden gesproken had. Maar dan weer achter de schijven, de koppen naar hem toe, schreeuwden ze lachrig met veel belangstelling, vragend naar vrinden en bekenden, die nog in Amerika waren. De christen-chipsmakers aan de overzij loerden hun schijven langs.“Wèer ’n baas!”—, schreeuwde Leon over de hoofden van Moppes en Klaroen.“Geef je me vijf guldes méer in de week en ’n broodje met pekelvleesch?”—, lachte Hes, splijtend de dikke lippen.“Zonder pekelvleesch doet-ie ’t ook!”, lachte Klaroen, ’t gele gelaat met de zwarte oogwallen toewendend naar Eleazar.“Ik ben niet voor baas gebore,” grunnekte Eleazar, ’t hoofd schuddend: “’k heb alles verziekt.”“Wat zeit-ie?”“Hij zeit dat-ie alles verzièkt heit!”“Wàt heit-ie verziekt?”“De meide, wat Eli? Wattè?..... De meide is ’n ziekte van belang!”—, lolde Leon, met z’n sleutel een dop aanzettend in de tang, breed-uitlachend over de ruggen van Moppes en Klaroen, die gebogen lach-hapten.“Zoo lang zel mìjn armoed dure as zìjn rijkdom”, gijnde Hes: “Wi-je voor van-avend ’n vrijbiljet voor deGebochelde, Eli?”“Hij heit jóú noodig!”, komiekte Moppes, afbuigend en ’n dop smijtend tusschen de blokken van den grinnekenden versteller: “hij heit jóú noodig!..... Tien knechs mot-ie hebbe bij taurus mausche te paard!”.....“’k Doe ’t niet minder as met twintig molens,” lachte Eleazar, opgewekt door de jongensachtige onbezorgdheid der mannen.“Wat slijp-ie boort of messe?”—, schreeuwde Klaroen, en het herhalend daar de chipsmakers aan de overzij luid-uit ’n dreun galmden die donkerder aandreef ’t roezend lawaai van de as en de wielen: “slijp-ie boort—bocht of messe?”“’n Tafel op z’n togus slijpt-ie!”—, lachte Hes, neerbuigend, zwaar-schuddend van lol de poederpen in ’t schulpje duwend.Er kwam nieuwe afleiding en de vroolijkheid rammelde zwaarder van stemmen-gehos. Over ’t trapje tipte voorzichtig ’n klein-mager joodje met lichtgrijze, bruine en blauwe lappen over den arm. Hij had ’n smal-geel gezicht, hoekig alsof de jukken ’t vel doorpuntten—en onder den neus als ’t gekruip van een rups was ’t stekig gepluis van zwart-bruine haartjes. In ’t wit-wijdend licht van ’t fabrieksraam vouwden de oogleedjes schuw met harstig vuil in de hoeken.“Heere! Heere! Daar wordt wat verkoch! Heere! Kijk is, heere!”Vlak bij Eleazar kwam-ie te staan, ’n lap perrelgrijs hoog in de handklampjes.“Meneer,” wees Hes op Eleazar: “meneer heit ’n pak òvernoodig!”“Mènèer is betoeg!”—riep Leon: “hij koopt je heele voorraad, koopman!”....“Wat mot-ie koschte?”—, vroeg Klaroen, toekijkend met tang en sleutel in de zwarte handen.“Driè gulde!” schreeuwde de koopman: “drie gulde omdat ’t ongeregeld is.... In de magazijne betaal je d’r zèven.”.....“Dat làppie!.... Dat lappie! ’k Geef je ’n gùlden.”“’n Gulde? ’n Gulde! Oj?”—, herhaalde het joodje met lijzig schoudergeschurk en zijn oogleedjes kwijnden zoet naar de lap in z’n hand.“Allemaal ordienaire lappies”, taxeerde Hes, die Juda ’n tang liet zien met het glazen geblikker van ’n brillant. Juda boog neer, keurde lachend den steen en het joodje met schuwe verwijten, sprak in verwering:“.....Ordinaire lappies? Ordinaire lappies? ’k Hei-geen ééne ordinair lappie!.... Allemaal ongeregeld.... fijnste kamgaren en merrenos”...“Geef ’m mijn voor ’n gulde”, smoezelde Klaroen—en in opstuivenden lach: “voor ’n goppe-jas.”“’t Lijk wel ’n leere-lap, verdomd!”—, spotte Moppes, steen zachtjens aanduwend over den zoetkring van zijn schijf.“Kijk daar-is ’n lap”, streelde het joodje, de hand in vleiend gewrijf over de lap: “’n sjijne lap voor ’n broek—’n pràch van ’n lap!”.....“Vijf-en-twintig stuivers!”—, bood Klaroen, het geel gelaat gewend naar de staal die grijs was met zwarte motjes.“Ken ’k nie-doen”, verweerde het joodje:“Kom nou heerè! heerè!..... D’r wordt wat verkoch! Met ’n kleine verdienste bin ik tevreje! Heerè! Heerè!”Schuw van oogen-gedwaal leunde hij tegen de werkbank, klein en wrak in ’t glimmend gespannen vest, waarover ’n jasje slap slierde. Het fantasie-hoedje schuin-weg bekringde het zweet van ’t voorhoofd—het boord klefde in rimpels om ’t halsje van plooien.Achter zongen de chipsmakers, rekkerig galmend ’n café-chantant-deun. Een floot ’t mede. De ramen, hoog en door-ruit, vlakten stof-glanzig met gouden gekolk en schaduw-druiping langs de spinten. Het waren drie bogen van glas, hoog en wijd, rechtlijnig van latten doorsneden en elk ruitje er in, grauwig van stof, werd tot een vlies, doorzichtig, beslagen met gouderig pulver. Linksche raam, in schaduw van een uitwiggenden muur-van-cement en onbewogen ver-gelend klimop, was halfwege in weeldrige vloeiing van zon-rood, halfwege klitterig zwart met goring van aanstoven vuil. Van het andere raam waren twee ruiten gebarsten—wijdtakkige spinwebben met een zat-gevreten, slaap-loddrende stopverf-spin. En op zij, weggeruktnaar de opstaande spinten hing in verslobberde kreuken het vuil-witte scherm, dat voorgeschoven werd als de zon te rechtstandig de werkplaats bescheen. Op het broeien der zon-gouden ruiten beitste het felle schoudervierkant der gebogen chipsmakers en blauw-krinklende rook omdampte met bleek-drijvende slieren hun hoofden. Bij het derde raam, mat van getemperd-ros licht, laaiden de klukkende vlammen eener verstelpit, tot diep-groene blaasjes verkrimpend als de dop er naar daalde. Boven waren de ramen schuin-open, als luiken, hangend aan koorden. Daar was de dagschijn gedwee, geslurpt door de helling van ’t glas en gebroken op ’t lijf van ’n balk. En er neven, zwaar en log, van roestige bouten doorknaagd, schoorden andere balken, rustend op zuilen wier armen met ijzeren klauw in ’t hout hadden gegrepen.Het joodje, klein en schuw in het licht, drensde nog voort, zwaklijke stem haast gedoofd door ’t wringend gesuis van het ijzer der assen en wielen. De potjongen, bleek en met vuile vegen, grijnsde ’m toe, stampend het boort in de mortier, die hel henen lachte over ’t lawaai.“Kom nou heerè, heerè, heerè! D’r wordt wat verkoch!”.....“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver,” bood Klaroen, de handen gekromd om de tangen.“Ken ’t ’r nie-voor geve”, strak zei ’t joodje, de lap overkwijnend met flauw-slappe oogen.“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver ènne die àndre stuiver”, bood Klaroen, begeerig met listigen lach.“’n Dáalder!”, schreeuwde het joodje.“Voor zes en twintig en ’n hàlleve stuiver”, zei Klaroen nog eens in lach.Maar Leon van achter z’n molen, riep met dik-schorre stem:“.... Ik geef je ’n rijks-daalder voor die lap, as je kàns ziet bij me vrouw!”De ruggen der slijpers schudden in rustigen lach.“Heerè! Heerè!”—, drensde het joodje, de stoffen rond-wendend en Klaroen hapte toe, nam de lap in z’n handen, hing haar streelend over ’t uitgeschoven laadje.“Wat wàch je nou nog?”, gijnde Moppes: “je dag is goed!..... ’n Daalder voor ’n leere lap!”......Klaroen werkte door. Het joodje in lichtschuwewachting, keek door ’t raam, naar de doppen, riep met zwakke brutaalheid:“... Meneer!... Meneer!... Hèllept u me effetjes!”...“... Morrege”, zei Klaroen: “’k Heb geen klein geld”...“... Die meneer is geen luis rijk...! ’t Is ’n flessetrekker!”—, lawaaide Hes, schurkend van pret.“Meneer, meneer, ’k ken nog wadde verdiene messchien”, klaagde ’t joodje, benepen.“Zel ’k-ie ’n sjekkie geve?”—, grinnekte Klaroen.“’t Is ’n mannetje uit de kaapsche tijd!”, schreeuwde Hes weer.“’k Ken nog wadde verdiene messchien”, hield ’t joodje zachtzinnig aan.“Wi-je me adreskaaretje hebbe?”—, praatte Klaroen, de schijf betoetsend met het poeder-penceeltje: “...Rue de Peejee... Drie hoog!”“Kom betaal ’m”—, zei Juda, het hoofd met de kortgeschoren grijze haren wendend naar de zij van de slijpers.“Hei-je terug van vijf-en-twintig gulden?”—, vroeg Klaroen.“As ’k zóo rijk was”, flets-lachte ’t joodje.“Wi-je morrege terugkomme?”“Geen mieter is-die rijk”, schreeuwde Hes weer.“Nee, nóu me cente”, zacht zei ’t joodje.“Dan maar terug”, zei Klaroen kort-af, schijnbaar vertoornd. En ’t joodje, den arm om de lappen, schuw en met stil gekwijn, liep het trapje weer op, begon z’n verlegen gehandel bij de chipsmakers aan de overzij.Een donkerte doordruilde de zaal, vreemd en loom, besloop als geschemer het zonrood der ruiten. Er moest een wolk over de zon zijn geschoven. Stug-bleek licht overscherpte de hoofden, de banken, vergrauwde den damp der sigaren. “Er komt onweer,” zei Juda, omziend naar den hemel die strak was met jagende, indigo-blauwe koppen.“Onzin,” zei Moppes.De arbeid ging met minder gepraat. Hes, de brillandeerder, bracht een vierkaraats-steen bij Juda, den baas, die ’m hield bij den kolet en in keuring bedraaide. “Gááf goed,” zei hij knikkend. Eleazar keek toe. In de zwarte, stompige vingers van den slijper, tusschen de rauwe, eeltige nagels teer-de het blauw-lichtend geflonker van facetten en de ribjes zetten kuiven vansmachtend, waterig blauw als nachtegaal-kweel in staalblauwen nacht. Bij het stil gepuil van de vingers, in wier vleezig vuil de steen leek gegroeid, ontstraalden aan de facetten schampjes rose en rood, door-gurgeld van blauw en groene schietende vlasjes en er trosten vluchtende spetjes geel, crême en lila, aarzlend schuilend in zeegroene kolken, dan weer plots overpurperd door bloedroode schijning in ’t hart. Aan de andere zijden, op gelijke facetjes, trilden en beefden violet in wazen van mosgroen, grijs van doorlicht water, blauw van kinderoogen, met zachte opgloeiing van wijnrood en phosphoresceerende sprankels. Juda’s vingertoppen, grof en zwart met de plat-breede nagels, hielden den kolet, stonden er plomp en stevig rondom, vreemd aan ’t soepel geweef, dat zonlicht geleek, gestold, in kristallen gesmeed.“Prachtig blauw-wit,” zeide Juda, den steen nederleggend en weer een der eigen doppen beziend die in het soldeer glasscherfjes geleken, ondervroeg hij Eleazar, deelnemend en goedig.“’k Had opgespaard,” zei deze, pratend dicht bij ’t oor van den slijper: “maar drie maande in ’t gasthuis... en ’n zuster gestorve en de kindere hier... en de reis... ’k Loop zonder ’ncent... zonder ’n cént... Heb jij geen werk?”...“’Wou dàd-’k ’t had,” zei Juda, zich omdraaiend op de kruk, het hoofd in denking gebogen, de oogleden neer achter de bril.“Dovid loopt óok zonder werk... al wèken,” zorgvol Eleazar sprak. Er kwam gezwijg tusschen hun hoofden. Het gebrom der wentlende wielen, gromde als knoersing van roestige walsen. Scherp klikte de mortier van den potjongen en uit den hoek, achterin, zeurde het grijze gegalm van een chipsmaker.“Vrijdag schei ’k zelf uit,” zei Juda: “de helft van de molens staat leeg... En ’t wordt erger.”...“’t Kan niet erger.”...“’t Wordt èrger,” voorspelde de ander. Buigend, het grijs-stopplig hoofd dicht op de tangen, verzette hij de grauw-zilvren looden, bekeek de doppen, waarin het zwakke geglans van ingesmolten steenen. Zijn elbogen hoekten wijd uit en de schijf schijnbaar-beweegloos met staalblauwe kringen onderschuurde de diamanten. Tang voor tang nam hij op, zette de schroeven wat aan, lei rustig de looden weer neer en de poederpen betipte de schijf, die scheen zonder trilling. Dan kwamen ’r streepjes in ’nsteen, daar de schijf begon te steken en dieper neerbuigend polijstte hij na op den zoetkring, de hand op het lood. Naast hem zaten de andren, Moppes, Klaroen, Leon en Hes. Achter Klaroen was Rijst, de versteller, en over Hes, àchter den molen, slaaprig van kijken, oogjes laf van verveling, hangelde Laban, neefje van Hes, die het vak nog moest leeren. De ruggen der slijpers builden in de blauwe werkjakken, hun armen waren als scharen gericht, wiekten terug en weder vooruit in happenden greep naar de tangen. Zij wrongen de doppen, smeten ze toe den versteller, die z’n tabaksstompje bekauwde. Zij zaten gewend met de ruggen tot het licht dat hun jakken en hoofden van achter bleek-strak bescheen. Hes en Klaroen hadden aan de koperen pinnen van hun kastjes horloges gehangen; Leon, warm, knoopte z’n jas los, dat de bruin-gele nek en ’n stuk van z’n schouder overvleeschden het blauw van z’n jak. Boven het beenige hoofd van Hes, hingen de kleeren, vesten en jassen, halfhemdjes, dassen en bestofte fantasiehoeden. Hes floot ’n deun, saamproppend de lippen en Leon zingend met dik-gezwollen stem, overkrijschte het logge gesnor der wielen. Dat zette d’anderenaan en een oogenblik bralden ze samen, op rythmus van ’t dreunend wielengeslier. Klaroen, geel, met diepliggende oogen, trapte om dan z’n tabouret, kwam Juda ’n dop toonen. ’t Was ’n steen hard als boort, in kruis geslepen, in bewerking voor achtkant. “’t Mot ’r uit!”, zei Juda: “d’r in ken ’t niet blijve.” Weer naar den molen terug stugte Klaroen, zorgvuldig de looden neerdrukkend en Hes op zijn beurt toonde een dop, dien Juda keurend beknikte. Leon smakte een koekje met amandlen belegd, kauwde langzaam en zeker met sappig gemaal—dan weer opensplijtend z’n mond, zong-ie dikker en meerder gezwollen. Ook de chipsmakers galmden. Het werd een geraas strooprig en bot, roggel van plompe geluiden, ondergromd door het dronken gelal der assen, wielen en riemen.Gekromd op de kruk, lusteloos kijkend, zat Eleazar en vroeg: “zou ’r werachtig geen kans weze, Juda?”Hij vroeg ’t slaperig-moe, gejaagd en verslapt door ’n onrust die ’m meer bekleumde als ’r onweer of storm stond te wachten. Dan kilden dikwijls z’n handen en voeten, werden z’n oogen heet en klein-gloeirig, drong detong als ’n krop naar z’n keel. Dan zag-ie ’t leven als ’n zwaar, moeilijk-bewegend ding, leek elke dáád ’n kwellende drukking, werd iedre vraag, ieder voornemen ’n onrustig getast dat geen doel had. ’t Liefst had-ie z’n roozig, prikkel-warm hoofd tegen de werkbank gesteund en gedommeld. Na dagen en dagen gepoog om ’t fut van handen en armen te verkoopen, gaf ’t geweld in de zaal en ’t onweer-gezwoel ’n trage, laffe benauwing van onmacht: “Weet je nerges wat?”—, zei hij nog eens in lodder van gestoorden slaap en vermoeidheid.“Wat zei-je?”—, vroeg Juda, weg in z’n arbeid.“....Weet je nèrreges werk?”De schouders van den grijzen, mageren slijper schokten ontkennend: “d’r loope ’r honderde leeg.... niet te telle.”Het gezwijg hield hen weer bezig in ’t gestommel der zaal. Warm, met heete prikkelingen over de tong en ’n inerte verdoffing in z’n denken, stutte Eleazar het hoofd op de klam-kille handen, keek met nattige oogen naar het doen van Rijst den versteller. Hij had ’m als jongen gekend, om ’m gelachen toen-iemet blaren an de handen liep, met bloedende blaren van ’t kokend soldeer. Rijst stond in het kalk-witte licht van het raam, bezig ’n dop op te maken. De eeltige, dikke vingertoppen kneedden de plaatjes soldeer, die kruimden, bijkants broos, smeltend en weer opgeduwd door de handige slaagjes der tang, alsof smijdig klei werd geboetseerd. Op den dop bolde het metaal, overschuimend, groeiend tot een bloem van vleezige, kantige bladen, maar de tang scheerde er langs, gladdend de hoeken, vormend het vloeibaar soldeer in ééns tot een glanzenden eikel voor Hes, den brillandeerder. Ernstig gebogen over den dop, die in het blok rustte, besmulde Rijst de platgekauwde sigaar, lachte tegen Eleazar. Met de versteltang tipte hij de brillant op ’t puntig lijf van den eikel, drukte haar schuiner en de eeltige vingertoppen beaaiden het gloeiend soldeer, het smerend als olie om ’t ophoekend deel van den steen. Hoe dikwijls Eleazar ’t had gezien, keek-ie met verwondring naar de verkoolde vingertoppen die het vloeibaar metaal aandrukten, gladden, zoo gedaan hadden van af de dagen toen ’t vleesch nog gevoel had, toen zich bultige blaren vormden die opengingen, etterden, bloedden en weer opnieuw gepijnigd werden door ’t schuimend, kokend soldeer.“Wàrrem vandaag”—, glimlachte Rijst rustig, en de dop, in den bluschpot gesmeten raasde damp uit het water. Dan was hij dadelijk bezig met een nieuwen dop, dien de vuurtang uit de verstelpit lichtte en waaruit de andere tang de brillant met voorzichtige knijping nam. Uit den bluschpot proestte damp van korzelig water en de pitten, nu niet bezet, snoven vlammen van wapperend geel. De houten blokken wachtten als roemers—een met den dop grauw-zwart van verhitting.Weder kwam vroolijkheid, nieuw gehaspel van stemmen om ’n koopvrouw, kort en diklijvig, die een beugelmand sjokte. Zij wiggelde Eleazar voorbij, tusschen Juda en Moppes. De zwarte, smerige rok omknuffelde de schomlende heupen. Uit ’r split zwabberden bandjes, gieglend op het zware gebol der vetbillen. Een jek van lichtblauw met witte streepjes en inzetstukken aan de elbogen, hing los, gaapte weg op den zwangeren buik, onderdrild door ’t kwallend beweeg der borsten. Zij droeg ’n bandeau, en ’n muts van tulle enneepjes bedekte den haarwrong. Hes schreeuwde het luidst en de anderen zeiden hun glossen, lachend, de een overroepend den ander. Zij, goedig-van-glimlach, dee of ze niks hoorde, fluisterde met Moppes die z’n laadje doorkeek, of-ie nog zeep had en lucifers. Haar handen hield ze slap op den buik, nu de mand op den grond stond.“Cheffie! Cheffie!”—, schreeuwde Leon: “laat de juffrouw d’r hande bòve de bank houe!”“Hindert ze joù wat?”—, vroeg Moppes.“Ze mot van Hes in de kraam!”—, lachte Klaroen zangrig: “van ’n tweèling!”“As-ze van Hes in de kraam mot”—, riep Moppes, buigend naar Hes: “bekláág ’k die vrouw!”Klaroen met een stuk rose-zeep in de hand, zei dat ze ééuwig zwanger leek, of ze ’r nooit is mee ophield?“Zeg an me màn daddie me met rust laat”, lachte de vrouw.“Staak dan ’t werk!” schreeuwde Leon.“Ikzal ’t werk stake?”—, lach-zong de vrouw, “’k staak ’t werk in me kìs”....Gelach was op de gezichten en Leon, driftigzich makend, purper-komiek, schreeuwde opnieuw tot Juda, den baas: “Cheffie, laat ze d’r hande boven de bank houe!”De vrouw met zoetlijk beweeg, drong den buik naar de kruk van Klaroen, lachte om ’t gijnige doen van Hes en Leon: “Koop lievers wad-af”—, overreedde ze stil, bijtrekkend de mand, waarin zeep en sigaren, lucifers, broches, kammen en andere snuisterij. Met Hes bleef ze fluistren in ’t grommend geroes, dat doorsnorde de zaal.Het was duister geworden. De cement-muur achter de chipsmakers stond als een schaduw met donker klimop en de goudglans der ruiten, henengevloeid, was tot kil-grijze wazing verworden met druipsels van stof. De warmte broeiend doortrokken van olie-gewalm drukte heet op de hoofden. Rijst, vreemd-wit bij de binnenplaats-ramen, licht dat geketst werd door muren, gekalkt, geleek bleek als op ziek-worden af. Het brokkelig pleister grauwde in ’t zelfd schemer-verschrikt licht dat het hoofd van den versteller met schuwe schaduwtjes betastte. Aan de overzijde, een-, twee-, drie-hoog, waren de fabrieksramen van het voorgebouw met wijd-weggeslagen gordijnen. Het wrange, langs loodenwolken wijkend licht stond zoo star in de zalen daar achter, dat Eleazar, die moe-aadmend gebukt zat, met ’n gelaat dat-ie in onrustjes voelde ver-scherpen, met ’n neus die hinderde en snorharen die in ontdaanheid steilden, de heele ruimte kon doorzien tot aan de vensters der voorzij van het gebouw, met het loom-wirrend groen van de gracht. Hoofden van slijpers zag-ie in nukkig beweeg, de geknauwde ruggen gekeerd naar het raam—en op elke verdieping achter het grijs der ruiten, lekte ’t spichtig-dansend gevlam van de pitten, rossig belichtend de gele gezichten der neerbuigende verstellers, hun grijpende rustlooze handen en de roodaarde vormen der bluschpotten. Beneden, gelijkvloers en boven dwaalden vlammetjes, henendompend, weer lillend met okeren tongen, zoo achter ieder raam dat norsch en doorzichtig was tot de gracht en de verre diepte der zaal aan de voorzij. Bij het wijd, hortend gekreun dat het gansche gebouw doorknarste, den grond in trilling hield, was dat lekken en vluchten der vlammen als een lollen van overal vretend, gluiperig vuur dat smeulde en ploffingen had.Maar plots knepperde een schichtige vlammingvan licht, fel en wit, doorflitsend de zaal van de gracht tot de binnenplaats, wit-overkrijschend het pleister der muren. De roode verstelpitten boven, beneden, gelijkvloers, op alle verdiepingen, flauwden weifelend als in tocht van een sterken licht-wind en een slag, heftig en kort overknalde het grijze gedreun der machines. De slijpers, verschrikt, keken om.“Wad-’n slag!”—zei Leon, staande naast Rijst, den versteller. Moppes en Hes en Klaroen kwamen van hun krukken, Klaroen met een tang in de handen en ze keken door de stoffige ruiten naar de overzijde der binnenplaats, waar de slijpers verschrikt achter de ramen hokten.“D’r komp wat los”, zei Hes, den hemel schattend, die gletschers van indigo-blauw had. Juda alleen werkte door, het hoofd met de steil-grijze haren gebogen over de schijf die blauw-zachte glanzen van ’t cirklend gewentel had. De potjongen, leunend naast Eleazar keek angstig en Laban, de leerling van Hes, wakker geschrikt, stond op de teenen achter den molen. De chipsmakers, achter de bank, waren opgesprongen, hoofden bijeen voor ’t raam en bij ’t trapje naast de knorrende as schuilde dekoopvrouw, de beugelmand stijf tegen den zwangeren buik.“D’r zit voor ’n duit”, knikte Klaroen, geler en ouder in ’t schaduw-licht van het raam.“’t Mot in de buurt haast ingeslage weze”, onderstelde Leon. Moppes kwam weer voor z’n schijf, floot onverschillig.“Hou nou godverdomme je smoel!”, stootte Hes ’m aan: “je mot niet flùite as ’t zoo....”Hij zei ’t niet verder, hoofd wijkend in schrik. Een vlamming van schel-wit licht overgulpte de binnenplaats, belaaiend met krijt-stuiving het grijze cement. De kozijnen schuim-zwalpend en bijtend leken te scheuren onder het zwart der ruiten en de koppen van Moppes, Leon, Hes, Rijst en den potjongen hadden plots heesche kleuren, doorblauwd-wit en paarse vervluchtging als van lijken.“Hèèè!”, schrikte de jongen. En een slag, zonder voorgerommel, slag van krakend gebraak, beukte langs de fabriek alsof de vallende schoorsteen de binten en pannen van ’t dak had stuk-gerameid.Juda keerde zich toe naar het raam en Moppes, stil-schokkend, glee weer van de kruk, angstig-meekijkend.“Adenoj, wad-’n slag!”—, angstig zei Hes.De hemel, rotsgrauw, met koppen nachtzwart, vergrimde de fabrieksramen aan de overzij tot barsch-vale gaten. Boven, omlaag, smeulde ’t gele, laaiend beweeg der verstelpitten die angstiger rood hadden. Er scheen een stuivende wind te joelen. Driftig gesmakt zoog een stukje papier van de straatzij, vallend, opschietend tegen den muur, met bitse krassingen. Het gemaal der machines in de fabriek overkreunde het windgeraas buiten. En ’t begon spattend met brekende bellen te reegnen, schuin-wegge slieren op het stof-transparent van ’t glas.“’t Is vlak boven de stad”, meende Moppes, hand op den schouder van Rijst.“Noodweer”, zei Juda, en een fellere flits, blauw-ketsende vonk in doorlicht donkerblauw, deed hen weer zwijgen. Het werd een vreemdlijk gelicht in de zalen, licht met wijd-witte vlammen. Er schoten berstingen van de plaats door het voorgebouw naar de gracht zoo heet van puur-witheid, dat het hijg-schuddend, rinklend groen van de boomen en de verre gevellijn over het water in scherpe bleekheid opdoomden en de fabriek een wit-holle ruimte met doodengezichten geleek. Na iedren bijtendenlichtzwaai speelden de roode verstel-vlammetjes weer, kraakte het beukend gedreun van den slag, overbulkend het warrlend gegrom der machines. Het werd zonder einde, een blauw-barstend geulen van licht, sidderend-zwak soms als schijn van walmende toortsen, weder hoog-laaiend met sissend gebrand—en de slagen rommelden na, zwellend tot mookrend gedreun van rollende, buldrende wagens. In de aschgrauwe loomheid der zaal, was telkens het knallend gepuil van banken, schijven en dingen blauw-gedrapeerd, en de mannen, zwart van steviger lichaam, hadden hoofden en handen week-paars overglansd, tot de krakende slag ze weer liet in stuipenden schemer. Op de ruiten bij de chipsmakers sneden de spinnen van ’t stuk-barsten glas zwart-logge webben in ’t zweven en jagende dampen, en krankzinnig van gekke verdwaasdheid braken bij iederen flits de vesten en jassen, halfhemdjes en hoeden uit den hijgenden hoek. De vrouw op het trapje, de mand voor den buik op de wijd-spalkte knieën, hield ’r vingers in d’ ooren en de oogen geknepen omlaag. Stil mumden ’r lippen in angstig gebed en eenzaam met huilrig gezicht achter z’n bank, knippend met d’oogenbij iedere flapping van wit, stond Laban, de leerling, de armen gestut op het hout.Het groeide tot zulk een schakel van aanstuwend licht, splintrend en klettrend tegen de muren, dat de zaal waar ze waren en de zalen aan d’overzij der plaats, knettringen van dansend booglampenlicht kregen, licht dat de roode verstelvlammen tot lucifersglim doofde. De gracht met haar groen door den stormwind geknoet en de gevels ver-af spoelden staag aan in lauw-blauwe vlam. En de dreuningen der bolle wolkslagen, romling in steenen spelonk, vielen met mokergeweld, brallend met stompe echoën, plomp van heen-schokking en weer zwaar van daver-plof berstend vóór het zwak nagestommel z’n vluchting volbracht. Niet even was er geadem van stilte. Slag sloeg na rogglende loeiing, knal zwol na buldrenden val. Soms kroop het stotterend voort, leek ’n kreun in hijging verslikt, tot de haaglende bliksem-zwiep, neersissend in vloekende woede, ’t gestamp en zwart-bulkend rumoer opnieuw uit den loggen, versteven bodem, pijnigde. Het roezend geslier der wielen en riemen, het spinnend geknor der schijf-assen in het azijnhout, kroop er in prutteling langs.De mannen, angstig en stil, hokten tezaam bij het raam met de lallende gaslicht-pitten. Hun hoofden bogen terug als in kramp en de ruiten geraakten bleek-blauw bewasemd door d’adem der monden. De regen tikkelde harder, aansuizend, gestriemd door den wind, grauw van stuiving, en een slag, holler van roep, massaler van kraking, diep-naloeiend en weder in donkre rammeiïng losgrommend, deed het gebouw in ontzetting mee-beven. Er kwamen vlammen-van-licht, rood en aanhoudend, die d’overzij-ramen met glinsterend avondrood overbloedden en het licht vlamde nog na als de bulkende klotsing door nieuw gestommel verslagen. De wind scheen heviger. Een verflarde krant, nat en met klapprende deuken, spoot van omlaag, draaide in kolking vlak bij de ramen, scheurde in twee—de einden werden gezwalpt over het dak, gierend mee op den wind, nog juist belicht door een straal die de plaats en de ramen met paarse vonken bespette.Het duurde niet lang.Het licht, minder schel, kreeg violette zweving, vreesachtig getril van teer-spelende vlammen.In de lucht, effen-loodblauw, scheurden wiggen zilverwit en het schichten van den bliksem verzwakte tot vlokkig maanlicht-gestuif. De slagen, nu wijder af, grommerden domp, grijs-egaleerend het snurkend geslier der assen en schijven en het klikkend geluid van den mortier klonk als een spot en kuchend gelach.Het werk hadden de slijpers hervat. Rijst gloeide een dop, de vingers om ’t weekend soldeer en een chipsmaker, achter, floot schril-uit een deun. Nog gaven de ramen raketsels van wapperend blauw dat bleek de wanden langs schoof en spookachtig zonk om de hoofden, maar het was lief geworden, zachtlijk paars, zonder verschrikking.Leon, met de borst half-ontbloot, kwam bij Juda, hem nog eens toonend den steen, in achtkant geslepen, werk dat niet vlotte. Juda zei raad en een bevende lichting beaarzelde den diamant, hem begietend met groen op facetten en ribben dat-ie blonk als het lichtend oog van een kat, loerend met roode pupillen. Dan bij de zachte nà-siddring van ’t licht, glaasde de steen, overglansd met zeepbellen-sproeiing, rood, groen, zilveren glijding en vervloeiïng van geel, roze, oranje, lila, pensée, stoltendbloed—, teer versmeltend, weg-deinend, weder aanschalkend met zachte ribjes-gelicht.De vrouw met den dikken buik, wieglend, zoet van gebaar, stond bij de chipsmakers, verkocht zeep, lucifers, sigaren.En nog éens huiverde over de muren ’n teer-blauwe golving, trillend doorwaaiend de zalen waar de hoofden bogen naar de schijven en de lekkende tongen der verstelpitten roodelijk weken. De vage verdreunende slag werd zeurig gedempt door het gespin der machines en de mortier met het boort klikte driest, uitgelaten van klop en getinkel.

III.Zoo had Eleazar haar gevonden toen hij met Suikerpeer uit de scheemring der brokkel-poort op ’t plaatsje kwam. In de lage kamer werd het gevraag van weerszijden. Zij, wel-verlegen en angstig, zat in dubbele luistring, ongerust over Dovid en Soor die naar het station waren gegaan, misschien bleven wachten op volgenden trein. Dat zei ze telkens weer, tèlkens, met aarzlende tastende stem. Suikerpeer, druk, geluid dat uit achterkeel lodderde, lachte dan dik op, haar aanziend met bewerend gebaar, zangrig herhalend: “’t Zijne geen kindere, Reggie.. Wattè?.. Ze kòmme, ze kòmme!”.. En gevraag ging weder over de tafel van mond tot mond, zonder Eleazar eenige warmte te geven. Strak streek zijn hand over het licht-zweetend voorhoofd, bij het pogen antwoorden te zeggen in denzelfden toon vanhartlijkheid, maar er waren oogenblikken van gaping in zijn geheugen, oogenblikken dat hij geen woorden hoorde, de beteekenis niet begreep, vreemd-opschrikkend de vragen liet herhalen.“Enne hoe ben je tóén gegaan?”—, vroeg tante, hem aanziend met troebele oogen.Hij vertelde. De eigen klanken werden hem een verwondring, grof gepraat van een vreemde, vaag, vaàg. Het deed hem pijn te spreken, daar hij zoo vol was, vol van zacht-smartlijke dingen die in zijn oogen onthutsingen schampten. “In Chicago zijne huizen.... met wel twáalef verdiepingen”, zei zijn stem en gelijk was er een flits in hem, schel zig-zaggend dat vroeger haar neus zóo-niet-geweest-was, niet zoo smal en bleek-bruin, dat het háar neus niet was, dat ze nooit zùlk een neus had gehad, dat-ie lànger was geworden, dunner, verdorder, dat ’r smartlijks was aan die verouwelijking, aan dat wegteren van een lief en geweten gelaat....—“Van wel twaalef verdiepingen, met ’n lift, waarmee je na boven ging”—...en weder in de korte halte van ademhaling, keek hij, kéek hij naar de diepsels onder haar oogen, de bruine, vale verzakkingen, die hij niet gekend had, die met den smal-magerenneus het gezicht verschraalden tot masker van overwaasd herinneren, zeer-doend, melankolie gevend als bij eerst weerzien in daglicht van zieke, die lang in bedstee-schaduwen heeft gelegen, wier oogen in ’t doode gelaat het licht niet kunnen verdragen. En al sprekend, zinnen vormend met moeilijke zoeking, werden zijn woorden van eene gevoelige zachtheid, alsof ze bevreesd waren te ruwlijk te dreunen tegen het hoofd van droge huisjestrekken, de kleine matte oogen, den weg-magerden neus. Het eigen lichaam aanvoelde hier als iets zwaars, massaals, overgezonds in gedrukte looming van ziekekamer waar goudbrons langs neêre gordijnen sproeit, adem uit koortsstrot zaagt. Suikerpeer sneed herhaaldlijk zijn zinnen af met interrupties van verbazing, vragend de aandacht van Eleazar en het gelaat van den ouwen groentenjood, geel-bol en gorig bestoppeld onder de pet van slijkerig laken, dommelde hem tot dezelfde pijn van kleine, verwarde onthutsing. Van tante Reggie keek hij naar Suikerpeer, soms sluikwijze naar Moosje, op Reggie’s schoot, en Meijer die tusschen de stangknieën van zijn vader gevangen stond. Saartje had hij zelf bij zich genomen, vleezend de groote hand om ’t beenig-dunlijfje van ’t kind. En óver het gepraat heen, dat onbewogen hem langs ging, sullend als voorzichtig burengewatel—Suikerpeer was vréemde, voorkwam intiemere doen—liet hij hun nièuwe gezichten op zich inwerken, de gezichten onherkenbaar en vreemd geworden, vreemd aan vleeschvulling, verhouding van neus tot mond, kleuring van haar. Alleen was in hen het levend der oogen gebleven en de stemmen zwaklijk-verdonkerd, geleken bekende geluiden-van-jeugd, nazweving van klanken wier eerste frissche dreun in het later geheugen een eeuwige echo bewaart. Meerder bukkend, drong hij Saartje tegen zich aan, trok het groen-verschoten jurkje glad, bewoog het groezelgezichtje naar zich toe.“Ze lijkt op Esther”, zei hij, zacht-ernstig.“As twee droppele water”, knikte Suikerpeer.“Ze heit làng geleje”, verhaalde de blinde, het hoofd schuddend in moeilijk beklag: “làng, làng..... D’r was niks an te doen.... An ’n Sjabbes-avend kreeg ze overnieuw ’n benauwdheid.... Dovid heit je geschreve.... Hèit Dovid je geschreve?”...“Ja”, zei Eleazar.“Toen zei Dovid omdat de woning hier leegsting dat ’t beter was te verhuize—zijne we hier gaan wone, begrijp-ie?.... Ik ken de trappe zoo niemeer af.... Enne met de kindere, begrijp-ie?”“En zoo bin ik van beneje- bóvenbuur geworde”, vulde Suikerpeer aan.Eleazar, denkend aan de gestorven zuster, keek naar den schoorsteenrand, waar bij pullen van glas en wit porselein een verguld portretteke stond met gitting van haar. Maànden had het geduurd, ging de blinde voort, kort na de geboorte van Moosje. Het was een sterfbed geweest in den winter zonder einde. “’s Morges was ze nog góéd”, zei de oude vrouw, vertellend wat ze met blinde oogen gezien had: “schuurde ze de vorke en lepels nog droog, zei ze teugen me: tante wat leit ’r ’n snéeuw—’t was niet van de panne af die winter—en ze zòng nog—ze zong met ’n stem om te zóéne—Dovid zat weer in verdienste en ze wou ’n sjabbeskeek voor ’m bakke. Teugen de middag most ze wat legge van moeiigheid in de bedstee met Moossie—an de avond was ze dood. Ja. Ja. God wóú ’t zoo. God wóú ’t zoo. An ’n Zondag is ze begrave. Dàt ha’k nooit gedàch da’k ’r zouoverleve, da’k zou hoore hoe de kist de trap wier afgedrage.... Enne zoo God wil hoop ’k ’t nóoit weer te hoore..... Zoo God wil”.....Ze vertelde rustig, bijna glimlachend, evenwicht van oud vrouwtje, afgestompt door zwaarte van leven. Suikerpeer gaf nog bijzonderheden. Het was ’n wónder gewees hoe gauw ’t lijk tot ontbinding was overgegaan. Sjabbesmòrrege had ’t zoo door ’t huis gestonke dat de sjabbessoep bòven zuur was geworde. Enne dat in de winter. Ja, dat wás zoo knikkelde tante Reggie, kniprend met de oogen. De kindere hadde bij Suikerpeer geslape, zij en Dovid op de grond in de sterfkamer. Enne midden in de nach had Dovid ’t raam motte open zette, zoo benauwd as ’t rook. Enne toen had-ie ook gezeid: tante wat leit ’r ’n sneeuw, had zij de tòch gevoeld.—Enne weet je nog van ’t geschárrel met de kis?—vroeg Suikerpeer, wàdde? Dadde ze de trap niet afkonne. Tot Eleazar gebarend, dikte hij aan wat gebeurd was, hoe ze getobd hadde, hoe tèllekes de kist tegen de vierde tree klemde, as-of die niet weg wóu—’n wonder, ’n wónder-voor-God!—terwijl-die toch goed na boven was gekomme. Dat kwamvan ’t hout dat gezwolle was door ’t veule water van de dooie, zei hij, straf-knikkend.Verder schemer-gegruwel wou hij vertellen, maar ze werden gestoord door Dovid en Soor, die van het station werom keerden en mooi uit d’r humeur waren, dadde ze voor niks hadde gewacht. Soortje kort-aadmig wilde Eleazar geen hand geven. Waarom-die geen teèlegram had gezonde om te waarschauwe? Hij lei opnieuw uit, dat hij in Hamburg ’n expres had getroffen, vroeger was aangekomen dan hij zelf had gedacht. Ze zaten om de morsige tafel, bruinig van zeil, en Reggie tasthandend naar de kachel, goot water op de koffie, blij dat Soortje en Dovid er waren. De avond schemerde aan, dompte de kamer in zwart en goudbruin. Op de ruitjes der hoog-gele kast glaasde gespiegel en lichtglansjes spetten van ’t glimmend koper-gerei, van de rood-koopren test en het ganneke-ijzer. Dovid het dichtst bij het raam, had bleek-witte jukken en oogen als flets-vochtge ballen. Soortje, in ’t duister, zag hij alleen als vettige vrouwvorm met op-paarsend jak en gieglende, wibblende lintenmuts.“En vertel nou is, vertel is... Je zeit zooniks,” zei Dovid, meer buigend naar het kamergedoezel.“Ik heb al zooveel verteld,” ontweek hij, moe, met aanzwellingen van weeheid door den ongewoon-zoetigen stank van de kamer.“Vertel dan overnieuw!” zei Soortje, zangerig-dringend, met toetjes-geslobber van koffie.Tante Reggie brokte ’n stuk kiks voor de kindren, die schrokten met zuinige mondjes en er was plakkend gesmak van dikke lippen, koffie en koek. Van de plaats blies watergestort in de buis. Mompel van pratende menschen in de poort drabde aan. En hij sprak tot de hoofden, wier aangezicht bleekelijk zwol in den schijn van het ruitjesraam, nòg eens zeggend de dingskes van zijn reis, die hem zoo invielen, eerst van de lange ziekte in het gasthuis, van de zeeziekte dan, van ’n storm, van de windstilte, ’t dágen lang wachten op ’n bries, van het ongemak aan boord van ’n zeilschip, van de harde kaak en het gezouten vleesch, van den jongen die onderweg was gestorven en de begrafenis... Maar ’t was alles léég geworden, het droop van zijn lippen als een mal, mal verhaal, trits van gebeuren dat geen kleur had, daar de reis op het schip één lange melankolie,één drukkende verlatenheid van jood-van-ras bij robuste, góéiige, tabakkauwende, jenever-drinkende christen-zeebonken was geweest en hij hen, zoo zij daar hartlijk, koek-smakkend zaten, de grijze dagen van telkens-weerkeerende ziekte op de stampende, slingrende ouwe boot, waar ze ’m joodje hadden genoemd, niet kòn verhalen. Joodje, hèm. In ’t gasthuis, langzaam tot krachten komend, had-ie in diepste vreugde ’n vertaalden Spinoza gelezen, herlezen. Dikwerf was ’t boek in drooming naar de dekens gezakt, had-ie gepoogd zich dien man voor te stellen bij boerenkinkels op ’n vlegeldorpje in Holland. De handen bij ’t boek geslapt, de oogen in zoeking gesloten, had-ie zich ’n jood Spinoza ver-beeld, ’n jood met droefgeestig bewegen, ’n jood dwalend tusschen de velden, gebogen-peinzend op ’n duinkam. Die eenzame móést in die dagen groot en stil hebben geleden. Waren ’r geen kerktrappende vlegels langs de boere-kamer gegaan? Hadden ze niet met d’r stomme, groentandige smoelen gezegd: hier woont ’t joodje Spinoza? Hadden de kindren ’m niet nagejouwd als-ie langs de huisjes schuchterde? Ja, zoo wàs ’t geweest. In de achterhoeken van Holland leefde nòg niets,leefde vandaag nog ènkel stompzinnig jezus-gebral waaraan de ontwaakte jood-Jezus vreemd was. Luisterend naar z’n adem-gejaag in de stilte der zieken-zaal, had-ie dat sentimenteelig gevoeld, tot ’t boek ’m weer òp nam naar de hoogten waar voor menschdrek geen plaats was. En hersteld, komend op ’t zeilschip, was ’t góédig joodje en joodje geweest.Sprekend met schijnbaar-opgewekte en-toen’s, saamschrapend de klein-holle evenementen der reis, om ze bezig te houden, gloeide de heete wrevel van het weken-gedùld-zijn tot zijn keel, ’t vrindlijk gedùld-zijn door den kaptein, door den hofmeester met ’t rooie-puisten-gezicht, door de beenige kerels die de zee had verdierlijkt tot uiterlijk-brave bonken, wier visie van land één groot bordeel met zuipende meiden, harmonica-gekerm, whiskey was. Het waren dagen van eenzelvige melankolie, altijd besloten in de kleine cabin—en de maaltijden—en het gebed, dat hij aanhoorde als vreemde, dat hem hinderlijk was, hinderlijk om ’t bóék, hinderlijk door den terugslag die er van uitging, terugslag van jóódje, alleen en zwijgend bij grove kerels. Van af den éérsten dag toen hijziek in de kuil zat en het gezoek beluisterde, het gepraat in de cabin, het gevraag: “waar is ’t joodje?”—, de antwoorden: “’t joodje is”—en wèer “’t joodje is”—nog eens “de jood”—en “òns joodje”—zoo zonder ophouden—en het gezond-lallend gelach om de uitgelodderde grap van den rooie-puisten-hofmeester, dat-ie liever geen smaus met ’n hàlleve zou willen zijn—en ’t donker-grommend gebulder om de vuilheden van den stuurman die in plat-hollandsch zei dat ’n jodenlul even goed was as ’n christenlul, dat lul, lùl bleef, ook al was ’r ’n stukkie af—en ’t bordenlawaai, het stemmen-gedreun, terwijl hij in de kuil braakte, weggeleund tegen ’n tros, met grijze grauwing van dood in hoofd en over de borst en door de beenen—van af dien éérsten dag had hij zich bij hen geweten als ’n verlegen lichtschuw jogje, dwaas-verlegen—verlegenheid aangroeiend door lichamelijke zwakte—verlegenheid die ’m dreef tot tamheid en schuchter mêe-praten. Nergens had hij pijnlijker de màcht van het bruute gevoeld, den eeltigen knuist van bijbel-brabbelend christenvolk. Er was geen ontloopen mooglijk geweest, geen bedrieglijk niet-willen-zien als in steden. Daar op de volle,wijd-cirklende zee, onder de stolp van een grotesk luchthuis had hij daaglijks, uur aan uur, en zoo maánden de verlegenheid van geiriteerd dènkend joodje-van-ras tegenover groote lichamen, zware schouders, platte goedigheden, ruig psalm-gegalm tot ’n heidensch christen-godje, ondergaan. Ze noemden ’m spoedig gemeenzaam, om z’n gezwijg, om z’n zachtheid, om z’n glimlach, ’n bèst joodje, geen scheldnaam bedoelend, niet begrijpend dat ze ’m sloegen als met ’n door mestvaalten gehaalden knoet. Zoo had hij ze verlaten, vriendlijk, met een laatsten handdruk—als ’n hond die de knuisten belikt van ’n trappenden baas—voor het eerst van z’n leven gedwongen-natuurlijk ondergaande ’n tergend noodlot, den hoon van ’n ras, den onnoozelen strijd van ontaarden tegen ontaarden, van stumpers tegen stumpers, waaraan het eenvoudigst gòdsbegrip vreemd was.Als hij tante Reggie en Soortje en Dovid en Suikerpeer had moeten verhalen van z’n reis, zou ’t zijn geworden een zacht verdrietig gespreek over dagen en nachten van ziekte en koortsing, van groote, stadige eenzaamheid. Maar omdat ze daarvan even weinigzouden begrijpen als de matrozen van z’n starren lach, práátte hij in den kamerschemer over stootinkjes-van-buiten, over zaken die ieder na lange reis vertelt, alsof het gebeùrde, ’t tot herinnering geworden leven romannetjes-beweeg, avontuurlijkheden, schrikjes, verrassingen in prettige schakel houdt. Het zou eene hàrder vernedering zijn geweest dezen in luistring gehurkte lieden, met doodenschijn van stervende huizen op ’t gelaat, ook maar één woord van de benauwende triestigheid te zeggen, die achter z’n oogleden gloeide bij het weder-doorvoelen der reis-melankolie. Ze zouden grof spreken vanrissches, het àndre dat hen zelf ver-stumperde niet beseffen. En zoo weidde hij traag-sprekend uit over afzijdigs, zeide hij dof-klaaglijke dingen over den schrik van den mòrgen toen in de hangmat dichtbij de bootsjongen niet bewoog, hoe een arm af had gehangen met ’n blauw-witte lijkehand, hoe de begraafnis kort en plomp was geweest—’n stuk verteerd zeil met rijgsteken dichtgehaald en ’s middags aan tafel wat napraat met psalmen. Het bewogen gaan van z’n stem gaf licht-bruine stilte in de bronzing der kamer. De gezichten met aan-geelender weerschijn van het ruitjes-venster,magerder, trekloos, stonden een wijle stil op het peinzend geadem, alsof ’t blauw-wit lijkehandje kou om de hoofden sloeg.Soor hoofdschudde het éerst, zei rekkend: “ogge nebbiesch... ogge nebbiesch...” en ’t rap-praten der andren heen-ruwde de stilte, terwijl ze weder bewogen en de mat-glans der koffiekommen in de handen opblankte. Dan sprak Dovid met donkere doling, opnieuw van Esther’s dood, drensde het gesprek in de scheemring over-wat-zij-nog-gezeid-had, over de familie-kwaal, over Eleazar’s bloedspuwing, tot Suikerpeer angstigde dad-’r over wat anders gesproke moch worde, dad-’t voor Eli niet plezierig most weze over niks as dood en ellende te prate, zóo as-die ’n poot over huis zette....Saartje, op z’n schoot, was in slaap gezakt. Door het dun jurkje heen voelde z’n wijd-spreide hand het adem-geveer onder de ribjes en de krullen van ’t warrige kroes pluim-kittelden aan tegen z’n kin. Nu zelf in geluister, niet meer voorwerp van aandacht, zat sterk hij gebogen, aanhoorend de klachten van Dovid, die maanden werkloos geweest was door ziekte der oogen—twee weken verdiend had, nou weer wàchtte. Ze hadde ’m angerajen na Antwerpen te gaan, maar in Antwerpen was ’tdalles... ’t Was niks gedaan met de roosies... de boel was verpescht enne de gojjiem verpeschte de boel nog meer.... Gistere-avend was ’r ’n meetting gewees in ’t Paleis.... Dekker had gesproke.... Dekker had fijn gesproke.... ’r Ware mozies angenome.... Maar wat zou ’t géve?.... Je vrat de nagels van je vingers.... Waar geenmezommewas, kwam geenmezommebij.... Over ’n maand ha-je de winter.... As hìj ze niet uit Ammerika had geholpe.... god weet wad-’r gebeurd was. Zoo klaagde hij voort in de scheemring, zeuring van stem met bevestigingsroepen van Soortje en Suikerpeer, zangrig gewrijf van geluid over de tafel met het kopjes-geplak.Eleazar, de kin op het kroes van het kind, hoorde ’t aan, alsof-ie niet weg was geweest, altijd zóo had gezeten bij dezelfde menschen, bij ’t zelfd voorwerpen-geglans. Buiten was het dalende scheemring. Het cement van den blinden muur goorde toe op het raam als een grauw-wolkige mist, waarin de pijpende afvoerbuis het éenig-werklijke was. Tegen dekleine ruiten van ’t venster, zwak doorkruist; en het gespannen tullen gordijntje, rondde de rug van den pratenden slijper en de vierkanting van zijn gladgeknipt beenig hoofd bewoog in rustig geschok. Het gelaat had geen wit, geen trekken meer. De stem sprak uit het wiegend hoofd, uit den zwarten bollenden rug. De grauwingen van den huiskoker dompelden neer om zijn lichaam, om den melkschemer van het tullen gordijntje, om den beugel der stoel-leuning. Tante Reggie, recht voor de glimmen der koperen kachel, wier glanzende ballen het donker doorkolden als manen in randen van bloed, had een gelaat van nog even bevlamd donkergeel, geel van ’n foliant in scheemring—ook ’r hand, gekromd om stilliggend Moosje, scheurde het zwart zwakjens op. De andren zaten naast ’m, zag-ie niet, zag-ie alleen als-ie het hoofd afwendde naar de zij van de glazen-kast, die verlegen vlekkingen had en ’t rood gebroei van het koperen ganneke-ijzer op d’ onderste plank. Laag drukte de zoldring met plompe geel-bruine balken, op de goudsels van zwart, bruin en brons der avondscheemring. Het was het laatst gefilter van stedenlicht langs grauwe muren, dat zwaar vaningeslurpte schaduw door de stofruitjes zeefde. Van de binnenplaats, van het zwart cement, van de kalkbroksels en zaggende scheuren, dampte het aan als trage rook over daken van zwart-roode pannen, hangend met vadzige kruiping om de vormen der kamer, teer-doorbroken door ’n aangezichtsschemer, door de schamping van ’n koffiekom, door het wazig ruitengeglim der kast, door de geeling van ’t koper.Eleazar, terugleunend, liet het over zich komen, het avondguldsel, de trage bruining, de schaduwtasting, het laatst licht der stervende huizen. Zijn bleek-witte hand strekte naar de tafel, hief de bleek-matte kom, maar er was gebeef in z’n vingers en de stank van de plaats, de zoete, rottige damp klitte slijm naar zijn keel als bij hevigen angst. Dovid in drenzend gesprek, weer geheel in de zorgen van ’t oogenblik, sprak met donker-dolende stem, twistend met Soortje en Suikerpeer.“Drink nog e koppie, Eli”, zei Reggie, ’m niet hóorend.“Nee,” zei hij, opstaand: “’k heb ’t wàrm”—en met ’t kind op den arm kwam hij bij den deurpost te leunen, pogend de aanzwellingvan mislijke weeheid te onderdrukken, die het kamertje, de plaats, de scheemring hem gaven. Binnen werd sterker ’t gepraat. Suikerpeer in ruzie, sprak met dik stemgelodder, zangrig aanhoudend, Dovid in de rede vallend. Ze hadden het over iets—hij wist niet wat—zwaar-vermoeid, met gloeiend-puilende oogen luisterde hij naar ’t gefrommel der klanken.“.... Emmes!... Emmes!...”“.... Wadde wèet jij d’r van!... Wadde wèet je d’r van!”, kregel-klonk Dovid’s stem.“’k Zal geen gezond uur meer hebbe!... Is ’t waar Soor? Is ’t waar? Hèit ’t ’m cente gekoscht?”“’n Pietsie ’n makke! ’n Cent ’n zeer oog!”, driftig-beweerde Dovid:“’k La-me daar afstrijje wad-’k met éige ooge gezien heb!—Geen cent heit-ie d’r an betaald.... ’n Cent ’n makke! ’n Màkke!”“Hij heit ’r an betaald bij mijn en bij jouw gezond”, slijmde Suikerpeer’s stem.“Neèm je gelijk! Neèm je gelijk! Nòg!” zei Dovid met raspen van verveling.“Jij praat over dinge die je nie-wéet”, slijmde de ander weer, koppig, geluid van ontstoken keel.“Nòg, lek me de màarsch!”, snauwde Dovid.“Lek jij mìjn de màarsch! Over wadde mot ik jóu de maarsch lekke?”—, gijnig vroeg Suikerpeer, nalachend, stem als ’n vetprop.“Lek ’m dan dùbbeld”, droog Dovid zei en de stem van de blinde zachtjens dan suste: “Make juillie geen roezie.... Wat sjadt ’t of-die betaald heit of niet”....Dovid hield aan, duidelijk makend wàt-ie bedoeld had, zangerig-schreeuwend als Suikerpeer ’m poogde te overpraten. Bij Eleazar was kort de luistring geweest. Nu, in de oopning der deur, keek hij naar den snauwenden bek van den huizen-koker, naar de beue gebrokte muren, de drooglatten, de kleeren, de bovenste vaag zwemmende ruiten die d’overzijdaken beloensden, naar de donkere poort. In één woning was licht al, zag hij ’t hoeken van ’n platborstige vrouw in paarsigen doek, die ’n kind kamde en telkens aandachtig den kam onder de lamp stak, zoekend met fel-turende oogen. Diep als een oude smart, wier schrijning tot-leven-gegroeid-is, voelde hij de zacht-gloeiende kropping der keel, die hem gewerd, als hij de kròt-huizen zag.Maar de hand leunend tegen den deurpost,wreef langs de mezoesos, de blikken huls, waarin de Geboden stonden te schimlen. Glimlachend keek hij er naar, betastte het zwart-roestig ding, trok er aan. Het bengelde zacht. En aldoor glimlachend, vreemdelijk lachend tipte hij ’t los met de nagels, hield het in de hand, draaide het om en om, dat het dofjes glimmerde in de grijzing van den huiskoker, als een blik stukje speelgoed. Saartje wakker geworden zag ’t hem doen.“O!”, zei ze, kindergeheimzinnig: “O.... oomè!....”“Wat is ’r?”, glimlachte hij, er mee spelend, maar in plotslingen wrevel, niet meer lachend, stroef kijkend naar het muren-gewrok, liet hij het hulsje in z’n zak glijden, hield de armen om ’t kind.“Wat zit ’r in, oomè?”, vroeg ze zachjes, wetend dat ’t niet mòcht.“Niks”, zei hij stilletjes-lachend: “niks, kleine aap.... Morgen krijg je ’n cent.” Met ’t kind in de armen ging-ie de kamer weer in, vragend of Saartje en Moosje niet na bed mosten. Tante Reggie, knikklend, stond op, droeg slapend Moosje.“Zal ’k licht voor u maken?”“Wat hèllept me dat?”—, vrindelijk lachtede blinde: “dòmme jongen!.... Doe ’k ’t nie elleke avond? Waddè?”....Soortje, Suikerpeer, Dovid waren in rammlend gesprek—hij met Saartje in de armen, tastte achter Reggie de donkre alkoof binnen.“Wees maar nie bang”, waarschuwde de blinde: “’r is geen trap.... ’t is ’n alkoof.... As je maar niet teugen ’t petrolie-stel stoot en niet in de emmer trapt”.... De deur klapte dicht, afsluitend de scheemring der kamer. Hij stond met het kind in de armen, schuifde een eindje vooruit, tastend, blind als tante Reggie. Ze had Moosje in de bedstee gelegd, nam Saartje over, hielp haar aan ’t jurkje. Eleazar streek een lucifer af, die kort de bedstee belichtte, hol en diep—’n schoorsteen—’n zwarten kalkmuur. De lucifer brandde tot z’n vingers, viel neer en hij kraste ’n tweede af, angstig, snel.“Wat dóe je toch?”—, vroeg de blinde: “maak geen brand.”“Nee”, zei hij zacht, rondkijkend met gespannen oogen bij de korte lichting der lucifers. Het was eene kleine vensterlooze alkoof, berghok geweest, met één kalen, water-zweetenden muur, waarvan het zwartlak was verschilferd. Achter puilde de bedstee, smoezlig vanhout, met ’n stukkende matras en ’n voddige gestikte deken, waarvan de naden waren gebarsten. Kwallen verteerd-grijze watten hingen ’r als klonten aan. Anders lei niets in ’t hout-gat. Op zij schuinde de huif van een vroegeren schoorsteen met ’n roestig petroliestel en ’n tweede matras opgerold met ’n touw. De grond was van oude in zand vertrapte tegels. Onder de schoorsteenhuif, wit op ’t lak dat streepsels van afgetraand vet had, bloemde donzige schimmel. Stank van een tam-werkend, tot braking ophitsend riool, scheen uit de naden van den grond te breken. Viermaal had-ie een lucifer afgestreken, viermaal de weerlichting gehad van de donkre alkoof met de bedstee, den glimnatten muur.“Wat doè je? Wat doe je toch?”, praatte de blinde, bezig met ’t kind: “Je bin nou niemeer in Ammerika, Eli.... Wìj hebbe geen lif”..., lachte ze.“Waar slaap ù?” vroeg hij, nog ’n lucifer afstrijkend.“Bij de kindere in de bedstee.... Wad-zou ’t anders?”“En Dovid?”“Op de grond”....“Op de grond”.... herhaalde hij zoekend, zich niet verwondrend, daar hij ’t altijd zoo gezien, zélf als kind met Esther en Bram en Jozef, die allen dood waren, op éen matras op den grond had geslapen:.... “maar die stank”—ging hij voort: “’r mot ’n riool zijn... ’t Stinkt.... ’t Stinkt.... ’k Wor ’r misselijk van”....“Da’s de emmer, oome”, zei Saartje, wijzend den hoek bij de deur. De lucifer was uitgebrand. Vinnig kraste er weer een en zich omkeerend zag-ie den emmer zonder hengsel, bijna gevuld tot den rand met geel vocht waarin bruine drollen opdreven. De lucifer, rood-wirrelend, viel er in neer, siste en ’t bleef donker. Bloote voetjes betipten den grond. Het kind liep op ’m toe, nam z’n hand, zei helder: “Dag oome Eli”. Hij bukte, zoende ’r op het toegestoken mondje, haalde diep in den stank, den stank die uit den emmer sloeg, zich vastbeet in zijn mond, in zijn speeksel, in zijn strot, in zijn longen, in het vocht van zijn oogen.“Zoo—enne nou slàpe”, maande de blinde: “hoor je me, Saar-lief?”“Ja, tante.”Dovid kwam tastende binnen.“Zijne juillie hier?.... Waar is Eli?”“Hier”, zei hij, hoest-schrapend.“Gooi jij de emmer is uit, Dovid”, sprak tante Reggie:“de wagen is d’r nog niet”....“Staat-ie ’r nog?.... Is me aàrdig vol”, schatte Dovid, de duimen om de lippen van het hengsel.Door de opene plaatsdeur zag Eleazar ’m gaan, wijd-beensch, rug gebogen—en mislijk, ziek door het schokken van z’n maag, het weeëe-watergeloop in z’n mond, stapte hij de plaats op, de donkre poort uit naar het nauw-straatje, dat doodliep op eene roerlooze gracht. Even om den hoek van de poort stond hij stil, stampvoetend-onderdrukkend den aandrang tot braken, inhoudend de krampende stooting der maag, alsof zeeziekte opnieuw tot ’m was gekomen. Hij bedwong ’t, speeksel spuwend tegen den grond en met vochtig-heete oogen, klam, zwaar-van-hoofd keek hij het water toe, dat zwak-groenig lichtte. Het straatje, zelve een slop, was in drukte van buiten zittende joden. Bij het licht van een lantaarn in de kromming, leien jongens lawaairig te jassen. Dàar alleen werd het geschemer der muren gebroken. Naarhet water was alles morrige, vijandige schaduw, grommelde ’t zwart van den avond. Het norschte zoo triestig, overweldigend van weemoed dat hij onbeweeglijk bleef, in-snikkend de dreiging die er uit rees. Naar de gracht verzakten de huizen, muren als klodders, met striemsels cement en schuwe droogstokken-zwieping. Een oude loods, zwart van mekander beklimmende planken, schoorde vooruit, grom-schaduw plompend in ’t rottende water. Er liep daar een trapje met treedjes van kurkerig hout naar omhoog, treedjes met uit-slepen gleuven van schuinende voeten. En langs die, glad van handengeglij, beklom een leuning ’t bordesje van hout dat voor drie deuren was. Er stonden bij den verzakkenden muur vuile putsen voor komkommers—er was meer, méer. Maar niet dàt wrong tot z’n keel. Het was de bitse schemer die naar het rottend water strompelde, die het slop en de huizen en het water en de woning-ruïnen aan de overzij der gracht in klaagsels van zwart zette, zwarte klaagsels op de houten loods, op de verzakkende schuur, op ’t stijfdroogde goed, op de latten langs de ramen—klaagsels zwart, zwart-van-avond onder dichtblaarte boomen, zwart van vleermuizen-vlucht,zwart van rouwwaden in ’t donker van dooden-wagen—zwart, als modder langs verweerde wanden, over begroeide pannen, zwart over het trapje met de kwakklende treedjes, over het water dat stil lei, verstoven blankingen, koperkleurig gegrinnek van drijvend vet had. Met vochtig-heete oogen, koud van uitperlend zweet, bijna ver-willoosd door ’t zwart, het aanzwalpen van den huizennacht, de stankingen—gister, eergister was ’t de zee nog geweest, de zéé met ’r luchtkoepel, ’r zon—liep hij tot vlak bij de gracht, hurkte naast ’n blauwigen steen schuin in modder gezonken. Meerder licht was hier, groen-stollend licht, overglijdend het water. Het geleek nevel en wolken-gekwijn, d’oude stompen van baksteen langs-koperend, wazend naar de scheemring der overzij-huizen wier dof-molm gehang scheen te breken onder ’t plomp schoorsteenwoud. Vlak tegen den gracht-wand groeiden nog boomen, gebogen naar ’t poelige water, geblaarte verwoeld als om nachthoofd van grijsaard. Het was een kleine horizon van water, groen, huizen, oud en bedolven onder stuiving van asch, star-oogend in heesche verstikking.Zieker, met opstijgende weeën, gloeiing in hoofd, nek en borst, stutte hij de kin op de handen, keek naar het water aan z’n voeten, dat log was van rotsels met moeilijk-opdobbrende bellen. Er lagen roerlooze klitten aardappelschillen, hoepels en loof,—er tusschen drollen en stronken, en ’t glimmig-hol kreng van een hond. Doch de stank walmde zoo zwaar, zoo benauwend-zoet, deed ’m zoo opnieuw denken aan de alkoof en den emmer-met-vuil, dat hij plots opstuipte en in hevige schokking van ’t lijf, het hoofd tegen de planken der loods, te braken begon, alsof bloed de longen ontspoot.Kreunend zag hij ’t braaksel in de modder plassen, met kruipend-gesiep over den leisteen. Een groote grijze rat, opgeschrikt door ’t gerucht, sprong te water, heen over ’t braaksel. Het leven scheen uit hem te gudsen, te gùdsen, zoo voelde ’t hoofd als een klomp met uitbrekende hersnen. Lang bleef hij zoo, suffig, zonder wil, het hoofd tegen de loods, moeïg kijkend naar de onderste, groenige plank, naar ’t aangestoven zand, naar de steenen—de steenen, het braaksel dat-ie begon te ontleden—zoo precies as-ie wist wát ’r in was—jodekoek met krente en sucade—enne koffie—Niksvies—niks vies—Je wist wàt ’t was—jodekoek met krente—krente en sucade—enne koffie—Maar de benauwing kwam nog eens. Hij braakte den stank terug, den stank van de kamer, den stank van de plaats, den stank van de scheemring. Inert-stuttend tegen de loods, blauw-wijdde in z’n hoofd de zee-bij-avond—de zee eentonig van zang—en ’n vinnig-zwart zeiltje in de verte—en ’n violet kartelwolkje. Het gonsde in z’n ooren, de borsthaartjes kleefden nat, de rug voelde koud, het hoofd léeg, léeg met zware, drukkende haren.Toen hij het hoofd weder hief, stotterden tranen uit zijn oogen, loome bloed-heete tranen. Maar er gloeide woede in hem om z’n zwakheid en met drift scheurde hij den zakdoek naar het gelaat. Er ketste iets met metalen geluid op den steen. Hij raapte het op, herkende de blikken huls van tante Reggie’s deurpost, waarin de vergane Geboden. En met hartstocht-gebaar smeet hij het ding in de stinkende, groen-wazige gracht, waar het zonk tusschen de spattende bellen-van-rotting, naast het zwart-holle kreng van den hond en de drollen die bewogen als dobbers. Kort kringde het water, meewieglendhet vuil, de hoepels, het kreng. En weder teruggaand door de poort, zag hij dat het dieper avond was geworden. In de kamertjes-boven waren weeningen van licht, doch benee voor de huisdeur zaten Reggie, Soortje en Dovid luchtje te scheppen.

Zoo had Eleazar haar gevonden toen hij met Suikerpeer uit de scheemring der brokkel-poort op ’t plaatsje kwam. In de lage kamer werd het gevraag van weerszijden. Zij, wel-verlegen en angstig, zat in dubbele luistring, ongerust over Dovid en Soor die naar het station waren gegaan, misschien bleven wachten op volgenden trein. Dat zei ze telkens weer, tèlkens, met aarzlende tastende stem. Suikerpeer, druk, geluid dat uit achterkeel lodderde, lachte dan dik op, haar aanziend met bewerend gebaar, zangrig herhalend: “’t Zijne geen kindere, Reggie.. Wattè?.. Ze kòmme, ze kòmme!”.. En gevraag ging weder over de tafel van mond tot mond, zonder Eleazar eenige warmte te geven. Strak streek zijn hand over het licht-zweetend voorhoofd, bij het pogen antwoorden te zeggen in denzelfden toon vanhartlijkheid, maar er waren oogenblikken van gaping in zijn geheugen, oogenblikken dat hij geen woorden hoorde, de beteekenis niet begreep, vreemd-opschrikkend de vragen liet herhalen.

“Enne hoe ben je tóén gegaan?”—, vroeg tante, hem aanziend met troebele oogen.

Hij vertelde. De eigen klanken werden hem een verwondring, grof gepraat van een vreemde, vaag, vaàg. Het deed hem pijn te spreken, daar hij zoo vol was, vol van zacht-smartlijke dingen die in zijn oogen onthutsingen schampten. “In Chicago zijne huizen.... met wel twáalef verdiepingen”, zei zijn stem en gelijk was er een flits in hem, schel zig-zaggend dat vroeger haar neus zóo-niet-geweest-was, niet zoo smal en bleek-bruin, dat het háar neus niet was, dat ze nooit zùlk een neus had gehad, dat-ie lànger was geworden, dunner, verdorder, dat ’r smartlijks was aan die verouwelijking, aan dat wegteren van een lief en geweten gelaat....—“Van wel twaalef verdiepingen, met ’n lift, waarmee je na boven ging”—...en weder in de korte halte van ademhaling, keek hij, kéek hij naar de diepsels onder haar oogen, de bruine, vale verzakkingen, die hij niet gekend had, die met den smal-magerenneus het gezicht verschraalden tot masker van overwaasd herinneren, zeer-doend, melankolie gevend als bij eerst weerzien in daglicht van zieke, die lang in bedstee-schaduwen heeft gelegen, wier oogen in ’t doode gelaat het licht niet kunnen verdragen. En al sprekend, zinnen vormend met moeilijke zoeking, werden zijn woorden van eene gevoelige zachtheid, alsof ze bevreesd waren te ruwlijk te dreunen tegen het hoofd van droge huisjestrekken, de kleine matte oogen, den weg-magerden neus. Het eigen lichaam aanvoelde hier als iets zwaars, massaals, overgezonds in gedrukte looming van ziekekamer waar goudbrons langs neêre gordijnen sproeit, adem uit koortsstrot zaagt. Suikerpeer sneed herhaaldlijk zijn zinnen af met interrupties van verbazing, vragend de aandacht van Eleazar en het gelaat van den ouwen groentenjood, geel-bol en gorig bestoppeld onder de pet van slijkerig laken, dommelde hem tot dezelfde pijn van kleine, verwarde onthutsing. Van tante Reggie keek hij naar Suikerpeer, soms sluikwijze naar Moosje, op Reggie’s schoot, en Meijer die tusschen de stangknieën van zijn vader gevangen stond. Saartje had hij zelf bij zich genomen, vleezend de groote hand om ’t beenig-dunlijfje van ’t kind. En óver het gepraat heen, dat onbewogen hem langs ging, sullend als voorzichtig burengewatel—Suikerpeer was vréemde, voorkwam intiemere doen—liet hij hun nièuwe gezichten op zich inwerken, de gezichten onherkenbaar en vreemd geworden, vreemd aan vleeschvulling, verhouding van neus tot mond, kleuring van haar. Alleen was in hen het levend der oogen gebleven en de stemmen zwaklijk-verdonkerd, geleken bekende geluiden-van-jeugd, nazweving van klanken wier eerste frissche dreun in het later geheugen een eeuwige echo bewaart. Meerder bukkend, drong hij Saartje tegen zich aan, trok het groen-verschoten jurkje glad, bewoog het groezelgezichtje naar zich toe.

“Ze lijkt op Esther”, zei hij, zacht-ernstig.

“As twee droppele water”, knikte Suikerpeer.

“Ze heit làng geleje”, verhaalde de blinde, het hoofd schuddend in moeilijk beklag: “làng, làng..... D’r was niks an te doen.... An ’n Sjabbes-avend kreeg ze overnieuw ’n benauwdheid.... Dovid heit je geschreve.... Hèit Dovid je geschreve?”...

“Ja”, zei Eleazar.

“Toen zei Dovid omdat de woning hier leegsting dat ’t beter was te verhuize—zijne we hier gaan wone, begrijp-ie?.... Ik ken de trappe zoo niemeer af.... Enne met de kindere, begrijp-ie?”

“En zoo bin ik van beneje- bóvenbuur geworde”, vulde Suikerpeer aan.

Eleazar, denkend aan de gestorven zuster, keek naar den schoorsteenrand, waar bij pullen van glas en wit porselein een verguld portretteke stond met gitting van haar. Maànden had het geduurd, ging de blinde voort, kort na de geboorte van Moosje. Het was een sterfbed geweest in den winter zonder einde. “’s Morges was ze nog góéd”, zei de oude vrouw, vertellend wat ze met blinde oogen gezien had: “schuurde ze de vorke en lepels nog droog, zei ze teugen me: tante wat leit ’r ’n snéeuw—’t was niet van de panne af die winter—en ze zòng nog—ze zong met ’n stem om te zóéne—Dovid zat weer in verdienste en ze wou ’n sjabbeskeek voor ’m bakke. Teugen de middag most ze wat legge van moeiigheid in de bedstee met Moossie—an de avond was ze dood. Ja. Ja. God wóú ’t zoo. God wóú ’t zoo. An ’n Zondag is ze begrave. Dàt ha’k nooit gedàch da’k ’r zouoverleve, da’k zou hoore hoe de kist de trap wier afgedrage.... Enne zoo God wil hoop ’k ’t nóoit weer te hoore..... Zoo God wil”.....

Ze vertelde rustig, bijna glimlachend, evenwicht van oud vrouwtje, afgestompt door zwaarte van leven. Suikerpeer gaf nog bijzonderheden. Het was ’n wónder gewees hoe gauw ’t lijk tot ontbinding was overgegaan. Sjabbesmòrrege had ’t zoo door ’t huis gestonke dat de sjabbessoep bòven zuur was geworde. Enne dat in de winter. Ja, dat wás zoo knikkelde tante Reggie, kniprend met de oogen. De kindere hadde bij Suikerpeer geslape, zij en Dovid op de grond in de sterfkamer. Enne midden in de nach had Dovid ’t raam motte open zette, zoo benauwd as ’t rook. Enne toen had-ie ook gezeid: tante wat leit ’r ’n sneeuw, had zij de tòch gevoeld.—Enne weet je nog van ’t geschárrel met de kis?—vroeg Suikerpeer, wàdde? Dadde ze de trap niet afkonne. Tot Eleazar gebarend, dikte hij aan wat gebeurd was, hoe ze getobd hadde, hoe tèllekes de kist tegen de vierde tree klemde, as-of die niet weg wóu—’n wonder, ’n wónder-voor-God!—terwijl-die toch goed na boven was gekomme. Dat kwamvan ’t hout dat gezwolle was door ’t veule water van de dooie, zei hij, straf-knikkend.

Verder schemer-gegruwel wou hij vertellen, maar ze werden gestoord door Dovid en Soor, die van het station werom keerden en mooi uit d’r humeur waren, dadde ze voor niks hadde gewacht. Soortje kort-aadmig wilde Eleazar geen hand geven. Waarom-die geen teèlegram had gezonde om te waarschauwe? Hij lei opnieuw uit, dat hij in Hamburg ’n expres had getroffen, vroeger was aangekomen dan hij zelf had gedacht. Ze zaten om de morsige tafel, bruinig van zeil, en Reggie tasthandend naar de kachel, goot water op de koffie, blij dat Soortje en Dovid er waren. De avond schemerde aan, dompte de kamer in zwart en goudbruin. Op de ruitjes der hoog-gele kast glaasde gespiegel en lichtglansjes spetten van ’t glimmend koper-gerei, van de rood-koopren test en het ganneke-ijzer. Dovid het dichtst bij het raam, had bleek-witte jukken en oogen als flets-vochtge ballen. Soortje, in ’t duister, zag hij alleen als vettige vrouwvorm met op-paarsend jak en gieglende, wibblende lintenmuts.

“En vertel nou is, vertel is... Je zeit zooniks,” zei Dovid, meer buigend naar het kamergedoezel.

“Ik heb al zooveel verteld,” ontweek hij, moe, met aanzwellingen van weeheid door den ongewoon-zoetigen stank van de kamer.

“Vertel dan overnieuw!” zei Soortje, zangerig-dringend, met toetjes-geslobber van koffie.

Tante Reggie brokte ’n stuk kiks voor de kindren, die schrokten met zuinige mondjes en er was plakkend gesmak van dikke lippen, koffie en koek. Van de plaats blies watergestort in de buis. Mompel van pratende menschen in de poort drabde aan. En hij sprak tot de hoofden, wier aangezicht bleekelijk zwol in den schijn van het ruitjesraam, nòg eens zeggend de dingskes van zijn reis, die hem zoo invielen, eerst van de lange ziekte in het gasthuis, van de zeeziekte dan, van ’n storm, van de windstilte, ’t dágen lang wachten op ’n bries, van het ongemak aan boord van ’n zeilschip, van de harde kaak en het gezouten vleesch, van den jongen die onderweg was gestorven en de begrafenis... Maar ’t was alles léég geworden, het droop van zijn lippen als een mal, mal verhaal, trits van gebeuren dat geen kleur had, daar de reis op het schip één lange melankolie,één drukkende verlatenheid van jood-van-ras bij robuste, góéiige, tabakkauwende, jenever-drinkende christen-zeebonken was geweest en hij hen, zoo zij daar hartlijk, koek-smakkend zaten, de grijze dagen van telkens-weerkeerende ziekte op de stampende, slingrende ouwe boot, waar ze ’m joodje hadden genoemd, niet kòn verhalen. Joodje, hèm. In ’t gasthuis, langzaam tot krachten komend, had-ie in diepste vreugde ’n vertaalden Spinoza gelezen, herlezen. Dikwerf was ’t boek in drooming naar de dekens gezakt, had-ie gepoogd zich dien man voor te stellen bij boerenkinkels op ’n vlegeldorpje in Holland. De handen bij ’t boek geslapt, de oogen in zoeking gesloten, had-ie zich ’n jood Spinoza ver-beeld, ’n jood met droefgeestig bewegen, ’n jood dwalend tusschen de velden, gebogen-peinzend op ’n duinkam. Die eenzame móést in die dagen groot en stil hebben geleden. Waren ’r geen kerktrappende vlegels langs de boere-kamer gegaan? Hadden ze niet met d’r stomme, groentandige smoelen gezegd: hier woont ’t joodje Spinoza? Hadden de kindren ’m niet nagejouwd als-ie langs de huisjes schuchterde? Ja, zoo wàs ’t geweest. In de achterhoeken van Holland leefde nòg niets,leefde vandaag nog ènkel stompzinnig jezus-gebral waaraan de ontwaakte jood-Jezus vreemd was. Luisterend naar z’n adem-gejaag in de stilte der zieken-zaal, had-ie dat sentimenteelig gevoeld, tot ’t boek ’m weer òp nam naar de hoogten waar voor menschdrek geen plaats was. En hersteld, komend op ’t zeilschip, was ’t góédig joodje en joodje geweest.

Sprekend met schijnbaar-opgewekte en-toen’s, saamschrapend de klein-holle evenementen der reis, om ze bezig te houden, gloeide de heete wrevel van het weken-gedùld-zijn tot zijn keel, ’t vrindlijk gedùld-zijn door den kaptein, door den hofmeester met ’t rooie-puisten-gezicht, door de beenige kerels die de zee had verdierlijkt tot uiterlijk-brave bonken, wier visie van land één groot bordeel met zuipende meiden, harmonica-gekerm, whiskey was. Het waren dagen van eenzelvige melankolie, altijd besloten in de kleine cabin—en de maaltijden—en het gebed, dat hij aanhoorde als vreemde, dat hem hinderlijk was, hinderlijk om ’t bóék, hinderlijk door den terugslag die er van uitging, terugslag van jóódje, alleen en zwijgend bij grove kerels. Van af den éérsten dag toen hijziek in de kuil zat en het gezoek beluisterde, het gepraat in de cabin, het gevraag: “waar is ’t joodje?”—, de antwoorden: “’t joodje is”—en wèer “’t joodje is”—nog eens “de jood”—en “òns joodje”—zoo zonder ophouden—en het gezond-lallend gelach om de uitgelodderde grap van den rooie-puisten-hofmeester, dat-ie liever geen smaus met ’n hàlleve zou willen zijn—en ’t donker-grommend gebulder om de vuilheden van den stuurman die in plat-hollandsch zei dat ’n jodenlul even goed was as ’n christenlul, dat lul, lùl bleef, ook al was ’r ’n stukkie af—en ’t bordenlawaai, het stemmen-gedreun, terwijl hij in de kuil braakte, weggeleund tegen ’n tros, met grijze grauwing van dood in hoofd en over de borst en door de beenen—van af dien éérsten dag had hij zich bij hen geweten als ’n verlegen lichtschuw jogje, dwaas-verlegen—verlegenheid aangroeiend door lichamelijke zwakte—verlegenheid die ’m dreef tot tamheid en schuchter mêe-praten. Nergens had hij pijnlijker de màcht van het bruute gevoeld, den eeltigen knuist van bijbel-brabbelend christenvolk. Er was geen ontloopen mooglijk geweest, geen bedrieglijk niet-willen-zien als in steden. Daar op de volle,wijd-cirklende zee, onder de stolp van een grotesk luchthuis had hij daaglijks, uur aan uur, en zoo maánden de verlegenheid van geiriteerd dènkend joodje-van-ras tegenover groote lichamen, zware schouders, platte goedigheden, ruig psalm-gegalm tot ’n heidensch christen-godje, ondergaan. Ze noemden ’m spoedig gemeenzaam, om z’n gezwijg, om z’n zachtheid, om z’n glimlach, ’n bèst joodje, geen scheldnaam bedoelend, niet begrijpend dat ze ’m sloegen als met ’n door mestvaalten gehaalden knoet. Zoo had hij ze verlaten, vriendlijk, met een laatsten handdruk—als ’n hond die de knuisten belikt van ’n trappenden baas—voor het eerst van z’n leven gedwongen-natuurlijk ondergaande ’n tergend noodlot, den hoon van ’n ras, den onnoozelen strijd van ontaarden tegen ontaarden, van stumpers tegen stumpers, waaraan het eenvoudigst gòdsbegrip vreemd was.

Als hij tante Reggie en Soortje en Dovid en Suikerpeer had moeten verhalen van z’n reis, zou ’t zijn geworden een zacht verdrietig gespreek over dagen en nachten van ziekte en koortsing, van groote, stadige eenzaamheid. Maar omdat ze daarvan even weinigzouden begrijpen als de matrozen van z’n starren lach, práátte hij in den kamerschemer over stootinkjes-van-buiten, over zaken die ieder na lange reis vertelt, alsof het gebeùrde, ’t tot herinnering geworden leven romannetjes-beweeg, avontuurlijkheden, schrikjes, verrassingen in prettige schakel houdt. Het zou eene hàrder vernedering zijn geweest dezen in luistring gehurkte lieden, met doodenschijn van stervende huizen op ’t gelaat, ook maar één woord van de benauwende triestigheid te zeggen, die achter z’n oogleden gloeide bij het weder-doorvoelen der reis-melankolie. Ze zouden grof spreken vanrissches, het àndre dat hen zelf ver-stumperde niet beseffen. En zoo weidde hij traag-sprekend uit over afzijdigs, zeide hij dof-klaaglijke dingen over den schrik van den mòrgen toen in de hangmat dichtbij de bootsjongen niet bewoog, hoe een arm af had gehangen met ’n blauw-witte lijkehand, hoe de begraafnis kort en plomp was geweest—’n stuk verteerd zeil met rijgsteken dichtgehaald en ’s middags aan tafel wat napraat met psalmen. Het bewogen gaan van z’n stem gaf licht-bruine stilte in de bronzing der kamer. De gezichten met aan-geelender weerschijn van het ruitjes-venster,magerder, trekloos, stonden een wijle stil op het peinzend geadem, alsof ’t blauw-wit lijkehandje kou om de hoofden sloeg.

Soor hoofdschudde het éerst, zei rekkend: “ogge nebbiesch... ogge nebbiesch...” en ’t rap-praten der andren heen-ruwde de stilte, terwijl ze weder bewogen en de mat-glans der koffiekommen in de handen opblankte. Dan sprak Dovid met donkere doling, opnieuw van Esther’s dood, drensde het gesprek in de scheemring over-wat-zij-nog-gezeid-had, over de familie-kwaal, over Eleazar’s bloedspuwing, tot Suikerpeer angstigde dad-’r over wat anders gesproke moch worde, dad-’t voor Eli niet plezierig most weze over niks as dood en ellende te prate, zóo as-die ’n poot over huis zette....

Saartje, op z’n schoot, was in slaap gezakt. Door het dun jurkje heen voelde z’n wijd-spreide hand het adem-geveer onder de ribjes en de krullen van ’t warrige kroes pluim-kittelden aan tegen z’n kin. Nu zelf in geluister, niet meer voorwerp van aandacht, zat sterk hij gebogen, aanhoorend de klachten van Dovid, die maanden werkloos geweest was door ziekte der oogen—twee weken verdiend had, nou weer wàchtte. Ze hadde ’m angerajen na Antwerpen te gaan, maar in Antwerpen was ’tdalles... ’t Was niks gedaan met de roosies... de boel was verpescht enne de gojjiem verpeschte de boel nog meer.... Gistere-avend was ’r ’n meetting gewees in ’t Paleis.... Dekker had gesproke.... Dekker had fijn gesproke.... ’r Ware mozies angenome.... Maar wat zou ’t géve?.... Je vrat de nagels van je vingers.... Waar geenmezommewas, kwam geenmezommebij.... Over ’n maand ha-je de winter.... As hìj ze niet uit Ammerika had geholpe.... god weet wad-’r gebeurd was. Zoo klaagde hij voort in de scheemring, zeuring van stem met bevestigingsroepen van Soortje en Suikerpeer, zangrig gewrijf van geluid over de tafel met het kopjes-geplak.

Eleazar, de kin op het kroes van het kind, hoorde ’t aan, alsof-ie niet weg was geweest, altijd zóo had gezeten bij dezelfde menschen, bij ’t zelfd voorwerpen-geglans. Buiten was het dalende scheemring. Het cement van den blinden muur goorde toe op het raam als een grauw-wolkige mist, waarin de pijpende afvoerbuis het éenig-werklijke was. Tegen dekleine ruiten van ’t venster, zwak doorkruist; en het gespannen tullen gordijntje, rondde de rug van den pratenden slijper en de vierkanting van zijn gladgeknipt beenig hoofd bewoog in rustig geschok. Het gelaat had geen wit, geen trekken meer. De stem sprak uit het wiegend hoofd, uit den zwarten bollenden rug. De grauwingen van den huiskoker dompelden neer om zijn lichaam, om den melkschemer van het tullen gordijntje, om den beugel der stoel-leuning. Tante Reggie, recht voor de glimmen der koperen kachel, wier glanzende ballen het donker doorkolden als manen in randen van bloed, had een gelaat van nog even bevlamd donkergeel, geel van ’n foliant in scheemring—ook ’r hand, gekromd om stilliggend Moosje, scheurde het zwart zwakjens op. De andren zaten naast ’m, zag-ie niet, zag-ie alleen als-ie het hoofd afwendde naar de zij van de glazen-kast, die verlegen vlekkingen had en ’t rood gebroei van het koperen ganneke-ijzer op d’ onderste plank. Laag drukte de zoldring met plompe geel-bruine balken, op de goudsels van zwart, bruin en brons der avondscheemring. Het was het laatst gefilter van stedenlicht langs grauwe muren, dat zwaar vaningeslurpte schaduw door de stofruitjes zeefde. Van de binnenplaats, van het zwart cement, van de kalkbroksels en zaggende scheuren, dampte het aan als trage rook over daken van zwart-roode pannen, hangend met vadzige kruiping om de vormen der kamer, teer-doorbroken door ’n aangezichtsschemer, door de schamping van ’n koffiekom, door het wazig ruitengeglim der kast, door de geeling van ’t koper.

Eleazar, terugleunend, liet het over zich komen, het avondguldsel, de trage bruining, de schaduwtasting, het laatst licht der stervende huizen. Zijn bleek-witte hand strekte naar de tafel, hief de bleek-matte kom, maar er was gebeef in z’n vingers en de stank van de plaats, de zoete, rottige damp klitte slijm naar zijn keel als bij hevigen angst. Dovid in drenzend gesprek, weer geheel in de zorgen van ’t oogenblik, sprak met donker-dolende stem, twistend met Soortje en Suikerpeer.

“Drink nog e koppie, Eli”, zei Reggie, ’m niet hóorend.

“Nee,” zei hij, opstaand: “’k heb ’t wàrm”—en met ’t kind op den arm kwam hij bij den deurpost te leunen, pogend de aanzwellingvan mislijke weeheid te onderdrukken, die het kamertje, de plaats, de scheemring hem gaven. Binnen werd sterker ’t gepraat. Suikerpeer in ruzie, sprak met dik stemgelodder, zangrig aanhoudend, Dovid in de rede vallend. Ze hadden het over iets—hij wist niet wat—zwaar-vermoeid, met gloeiend-puilende oogen luisterde hij naar ’t gefrommel der klanken.

“.... Emmes!... Emmes!...”

“.... Wadde wèet jij d’r van!... Wadde wèet je d’r van!”, kregel-klonk Dovid’s stem.

“’k Zal geen gezond uur meer hebbe!... Is ’t waar Soor? Is ’t waar? Hèit ’t ’m cente gekoscht?”

“’n Pietsie ’n makke! ’n Cent ’n zeer oog!”, driftig-beweerde Dovid:“’k La-me daar afstrijje wad-’k met éige ooge gezien heb!—Geen cent heit-ie d’r an betaald.... ’n Cent ’n makke! ’n Màkke!”

“Hij heit ’r an betaald bij mijn en bij jouw gezond”, slijmde Suikerpeer’s stem.

“Neèm je gelijk! Neèm je gelijk! Nòg!” zei Dovid met raspen van verveling.

“Jij praat over dinge die je nie-wéet”, slijmde de ander weer, koppig, geluid van ontstoken keel.

“Nòg, lek me de màarsch!”, snauwde Dovid.

“Lek jij mìjn de màarsch! Over wadde mot ik jóu de maarsch lekke?”—, gijnig vroeg Suikerpeer, nalachend, stem als ’n vetprop.

“Lek ’m dan dùbbeld”, droog Dovid zei en de stem van de blinde zachtjens dan suste: “Make juillie geen roezie.... Wat sjadt ’t of-die betaald heit of niet”....

Dovid hield aan, duidelijk makend wàt-ie bedoeld had, zangerig-schreeuwend als Suikerpeer ’m poogde te overpraten. Bij Eleazar was kort de luistring geweest. Nu, in de oopning der deur, keek hij naar den snauwenden bek van den huizen-koker, naar de beue gebrokte muren, de drooglatten, de kleeren, de bovenste vaag zwemmende ruiten die d’overzijdaken beloensden, naar de donkere poort. In één woning was licht al, zag hij ’t hoeken van ’n platborstige vrouw in paarsigen doek, die ’n kind kamde en telkens aandachtig den kam onder de lamp stak, zoekend met fel-turende oogen. Diep als een oude smart, wier schrijning tot-leven-gegroeid-is, voelde hij de zacht-gloeiende kropping der keel, die hem gewerd, als hij de kròt-huizen zag.

Maar de hand leunend tegen den deurpost,wreef langs de mezoesos, de blikken huls, waarin de Geboden stonden te schimlen. Glimlachend keek hij er naar, betastte het zwart-roestig ding, trok er aan. Het bengelde zacht. En aldoor glimlachend, vreemdelijk lachend tipte hij ’t los met de nagels, hield het in de hand, draaide het om en om, dat het dofjes glimmerde in de grijzing van den huiskoker, als een blik stukje speelgoed. Saartje wakker geworden zag ’t hem doen.

“O!”, zei ze, kindergeheimzinnig: “O.... oomè!....”

“Wat is ’r?”, glimlachte hij, er mee spelend, maar in plotslingen wrevel, niet meer lachend, stroef kijkend naar het muren-gewrok, liet hij het hulsje in z’n zak glijden, hield de armen om ’t kind.

“Wat zit ’r in, oomè?”, vroeg ze zachjes, wetend dat ’t niet mòcht.

“Niks”, zei hij stilletjes-lachend: “niks, kleine aap.... Morgen krijg je ’n cent.” Met ’t kind in de armen ging-ie de kamer weer in, vragend of Saartje en Moosje niet na bed mosten. Tante Reggie, knikklend, stond op, droeg slapend Moosje.

“Zal ’k licht voor u maken?”

“Wat hèllept me dat?”—, vrindelijk lachtede blinde: “dòmme jongen!.... Doe ’k ’t nie elleke avond? Waddè?”....

Soortje, Suikerpeer, Dovid waren in rammlend gesprek—hij met Saartje in de armen, tastte achter Reggie de donkre alkoof binnen.

“Wees maar nie bang”, waarschuwde de blinde: “’r is geen trap.... ’t is ’n alkoof.... As je maar niet teugen ’t petrolie-stel stoot en niet in de emmer trapt”.... De deur klapte dicht, afsluitend de scheemring der kamer. Hij stond met het kind in de armen, schuifde een eindje vooruit, tastend, blind als tante Reggie. Ze had Moosje in de bedstee gelegd, nam Saartje over, hielp haar aan ’t jurkje. Eleazar streek een lucifer af, die kort de bedstee belichtte, hol en diep—’n schoorsteen—’n zwarten kalkmuur. De lucifer brandde tot z’n vingers, viel neer en hij kraste ’n tweede af, angstig, snel.

“Wat dóe je toch?”—, vroeg de blinde: “maak geen brand.”

“Nee”, zei hij zacht, rondkijkend met gespannen oogen bij de korte lichting der lucifers. Het was eene kleine vensterlooze alkoof, berghok geweest, met één kalen, water-zweetenden muur, waarvan het zwartlak was verschilferd. Achter puilde de bedstee, smoezlig vanhout, met ’n stukkende matras en ’n voddige gestikte deken, waarvan de naden waren gebarsten. Kwallen verteerd-grijze watten hingen ’r als klonten aan. Anders lei niets in ’t hout-gat. Op zij schuinde de huif van een vroegeren schoorsteen met ’n roestig petroliestel en ’n tweede matras opgerold met ’n touw. De grond was van oude in zand vertrapte tegels. Onder de schoorsteenhuif, wit op ’t lak dat streepsels van afgetraand vet had, bloemde donzige schimmel. Stank van een tam-werkend, tot braking ophitsend riool, scheen uit de naden van den grond te breken. Viermaal had-ie een lucifer afgestreken, viermaal de weerlichting gehad van de donkre alkoof met de bedstee, den glimnatten muur.

“Wat doè je? Wat doe je toch?”, praatte de blinde, bezig met ’t kind: “Je bin nou niemeer in Ammerika, Eli.... Wìj hebbe geen lif”..., lachte ze.

“Waar slaap ù?” vroeg hij, nog ’n lucifer afstrijkend.

“Bij de kindere in de bedstee.... Wad-zou ’t anders?”

“En Dovid?”

“Op de grond”....

“Op de grond”.... herhaalde hij zoekend, zich niet verwondrend, daar hij ’t altijd zoo gezien, zélf als kind met Esther en Bram en Jozef, die allen dood waren, op éen matras op den grond had geslapen:.... “maar die stank”—ging hij voort: “’r mot ’n riool zijn... ’t Stinkt.... ’t Stinkt.... ’k Wor ’r misselijk van”....

“Da’s de emmer, oome”, zei Saartje, wijzend den hoek bij de deur. De lucifer was uitgebrand. Vinnig kraste er weer een en zich omkeerend zag-ie den emmer zonder hengsel, bijna gevuld tot den rand met geel vocht waarin bruine drollen opdreven. De lucifer, rood-wirrelend, viel er in neer, siste en ’t bleef donker. Bloote voetjes betipten den grond. Het kind liep op ’m toe, nam z’n hand, zei helder: “Dag oome Eli”. Hij bukte, zoende ’r op het toegestoken mondje, haalde diep in den stank, den stank die uit den emmer sloeg, zich vastbeet in zijn mond, in zijn speeksel, in zijn strot, in zijn longen, in het vocht van zijn oogen.

“Zoo—enne nou slàpe”, maande de blinde: “hoor je me, Saar-lief?”

“Ja, tante.”

Dovid kwam tastende binnen.

“Zijne juillie hier?.... Waar is Eli?”

“Hier”, zei hij, hoest-schrapend.

“Gooi jij de emmer is uit, Dovid”, sprak tante Reggie:“de wagen is d’r nog niet”....

“Staat-ie ’r nog?.... Is me aàrdig vol”, schatte Dovid, de duimen om de lippen van het hengsel.

Door de opene plaatsdeur zag Eleazar ’m gaan, wijd-beensch, rug gebogen—en mislijk, ziek door het schokken van z’n maag, het weeëe-watergeloop in z’n mond, stapte hij de plaats op, de donkre poort uit naar het nauw-straatje, dat doodliep op eene roerlooze gracht. Even om den hoek van de poort stond hij stil, stampvoetend-onderdrukkend den aandrang tot braken, inhoudend de krampende stooting der maag, alsof zeeziekte opnieuw tot ’m was gekomen. Hij bedwong ’t, speeksel spuwend tegen den grond en met vochtig-heete oogen, klam, zwaar-van-hoofd keek hij het water toe, dat zwak-groenig lichtte. Het straatje, zelve een slop, was in drukte van buiten zittende joden. Bij het licht van een lantaarn in de kromming, leien jongens lawaairig te jassen. Dàar alleen werd het geschemer der muren gebroken. Naarhet water was alles morrige, vijandige schaduw, grommelde ’t zwart van den avond. Het norschte zoo triestig, overweldigend van weemoed dat hij onbeweeglijk bleef, in-snikkend de dreiging die er uit rees. Naar de gracht verzakten de huizen, muren als klodders, met striemsels cement en schuwe droogstokken-zwieping. Een oude loods, zwart van mekander beklimmende planken, schoorde vooruit, grom-schaduw plompend in ’t rottende water. Er liep daar een trapje met treedjes van kurkerig hout naar omhoog, treedjes met uit-slepen gleuven van schuinende voeten. En langs die, glad van handengeglij, beklom een leuning ’t bordesje van hout dat voor drie deuren was. Er stonden bij den verzakkenden muur vuile putsen voor komkommers—er was meer, méer. Maar niet dàt wrong tot z’n keel. Het was de bitse schemer die naar het rottend water strompelde, die het slop en de huizen en het water en de woning-ruïnen aan de overzij der gracht in klaagsels van zwart zette, zwarte klaagsels op de houten loods, op de verzakkende schuur, op ’t stijfdroogde goed, op de latten langs de ramen—klaagsels zwart, zwart-van-avond onder dichtblaarte boomen, zwart van vleermuizen-vlucht,zwart van rouwwaden in ’t donker van dooden-wagen—zwart, als modder langs verweerde wanden, over begroeide pannen, zwart over het trapje met de kwakklende treedjes, over het water dat stil lei, verstoven blankingen, koperkleurig gegrinnek van drijvend vet had. Met vochtig-heete oogen, koud van uitperlend zweet, bijna ver-willoosd door ’t zwart, het aanzwalpen van den huizennacht, de stankingen—gister, eergister was ’t de zee nog geweest, de zéé met ’r luchtkoepel, ’r zon—liep hij tot vlak bij de gracht, hurkte naast ’n blauwigen steen schuin in modder gezonken. Meerder licht was hier, groen-stollend licht, overglijdend het water. Het geleek nevel en wolken-gekwijn, d’oude stompen van baksteen langs-koperend, wazend naar de scheemring der overzij-huizen wier dof-molm gehang scheen te breken onder ’t plomp schoorsteenwoud. Vlak tegen den gracht-wand groeiden nog boomen, gebogen naar ’t poelige water, geblaarte verwoeld als om nachthoofd van grijsaard. Het was een kleine horizon van water, groen, huizen, oud en bedolven onder stuiving van asch, star-oogend in heesche verstikking.

Zieker, met opstijgende weeën, gloeiing in hoofd, nek en borst, stutte hij de kin op de handen, keek naar het water aan z’n voeten, dat log was van rotsels met moeilijk-opdobbrende bellen. Er lagen roerlooze klitten aardappelschillen, hoepels en loof,—er tusschen drollen en stronken, en ’t glimmig-hol kreng van een hond. Doch de stank walmde zoo zwaar, zoo benauwend-zoet, deed ’m zoo opnieuw denken aan de alkoof en den emmer-met-vuil, dat hij plots opstuipte en in hevige schokking van ’t lijf, het hoofd tegen de planken der loods, te braken begon, alsof bloed de longen ontspoot.

Kreunend zag hij ’t braaksel in de modder plassen, met kruipend-gesiep over den leisteen. Een groote grijze rat, opgeschrikt door ’t gerucht, sprong te water, heen over ’t braaksel. Het leven scheen uit hem te gudsen, te gùdsen, zoo voelde ’t hoofd als een klomp met uitbrekende hersnen. Lang bleef hij zoo, suffig, zonder wil, het hoofd tegen de loods, moeïg kijkend naar de onderste, groenige plank, naar ’t aangestoven zand, naar de steenen—de steenen, het braaksel dat-ie begon te ontleden—zoo precies as-ie wist wát ’r in was—jodekoek met krente en sucade—enne koffie—Niksvies—niks vies—Je wist wàt ’t was—jodekoek met krente—krente en sucade—enne koffie—Maar de benauwing kwam nog eens. Hij braakte den stank terug, den stank van de kamer, den stank van de plaats, den stank van de scheemring. Inert-stuttend tegen de loods, blauw-wijdde in z’n hoofd de zee-bij-avond—de zee eentonig van zang—en ’n vinnig-zwart zeiltje in de verte—en ’n violet kartelwolkje. Het gonsde in z’n ooren, de borsthaartjes kleefden nat, de rug voelde koud, het hoofd léeg, léeg met zware, drukkende haren.

Toen hij het hoofd weder hief, stotterden tranen uit zijn oogen, loome bloed-heete tranen. Maar er gloeide woede in hem om z’n zwakheid en met drift scheurde hij den zakdoek naar het gelaat. Er ketste iets met metalen geluid op den steen. Hij raapte het op, herkende de blikken huls van tante Reggie’s deurpost, waarin de vergane Geboden. En met hartstocht-gebaar smeet hij het ding in de stinkende, groen-wazige gracht, waar het zonk tusschen de spattende bellen-van-rotting, naast het zwart-holle kreng van den hond en de drollen die bewogen als dobbers. Kort kringde het water, meewieglendhet vuil, de hoepels, het kreng. En weder teruggaand door de poort, zag hij dat het dieper avond was geworden. In de kamertjes-boven waren weeningen van licht, doch benee voor de huisdeur zaten Reggie, Soortje en Dovid luchtje te scheppen.

IV.Het was een middag van overzwoel, vadzig gezwadder, toen hij naar de fabriek ging. Uit de zijstraten snikte ’t bewegen der menschen naar ’t stofzweetend asfalt. Huizen bukten dorstig-vermoeid met vensters wijd-open als hijgende keelen, de kozijnen weiflend in ’t schamper-geel licht schorden als droog-grauwe lippen. Een buiklucht van koppen en wit-in-vertroebling bebroedde de daken, zwoelingen gulpend tusschen de schaduwgeulen en diepten, de gevels wier vluchtend gelijn in den hemel golvingen sneed. Hijschblokken, dik van kop, rekten de nekken met haken die kromden als tongen van adem-inkermende honden.Naar het einde der straat werd dichter het wanden-geweef, verzwartte het blokken-geplomp als een heffing van mokers. Ruiten keilden daar vlammen, spetten en schichtige stralen,als-of ijskristallen en sneeuwdons in kaatsing van avondpurper krompen.De menschen liepen in duwend gedrang, schuiflend het stof dat branderig kroop. Ze stonden bij winkels, traagden weer voort, de sleepen in handschoende handen en zonschermen als kleine gootlooze daakjes. Dicht langs hem henen, blazend en puffend, blauw-glimmrende diamanten in bleek-vette oorlellen, ging joden-dame, hoofd als een sproetenpioen, gele blouse met zweetige plassen in d’oksels, heupen vet en gezwollen, borsten als stram-staande uiers. Ze zweette en blies en ’r ooren vonkten den glimmrenden schijn door de straat—’r ooren droegen teeder geglans van dauw-op-een-bloemstruik—’r ooren, garstig en spek-bleek, slierden een zilveren herfstdraad met bevend geflonker door ’t stuifsel dat voeten sloegen uit asfalt. Vet en heup-kwallend, dauw-smachtend, ging ze een hoek om.De gracht, waar hij kwam, groende weg met oude bollende bruggen en water tusschen de dammen der straat. Eene zij lag in overplassing van krijterig licht, licht op de gevels,bordesjes, ruiten, kozijnen, licht met driftigen goudstraal op koperen knoppen—de andere in schaduw van ’n bierbrouwerij, wier schoorsteen ’n reuzenspeer geleek rustend op het zadel naast den maliënkolder. In het beweegloos, vaal-vlakkend water effende een scheidlijn van licht en schaduw, wiegelde de gevel-vluchting, lang-bleeke kartling met wit en geel, versmalde ramen, verfletste gordijnen, groenige wolling van boomen. De oude zwarte rioolgaten braken daarin klodder-spelonken en diep onder ’t buikige lijf van een kof, school ’n logger geduister.Het was stil op de gracht. Er liep een briefbesteller en ’n man zat op ’n handwagen. Een meid dweilde de treden van een bordes, voeten in wippende sloffen. Hiér deed ’t aan als de rust van ’n dorp, van ’n glunderig dorp, met zonneplas-wegjes en koeien zwaar-trappend in wei. Hier kon je effen ademen. Hier zag je lucht en wolkjes bòven, tusschen de grachtgevels—benèe in ’t water, nog eens en nog eens. Uit ’t fabrieksgebouw snorkte geraas en een man duwde ’n kruiwagen over een schokkende plank, die schuin over stoeptreden lag en kolengruis zwiepte.“Is Juda an ’t werk?”—, vroeg Eleazar.“Juda? Juda is boven”, zei de portier.Voor ’m uit, in de lange donkere gang, gromde ’t knarsend kruiwagenwiel, krakend over gevallen stukken steenkool alsof er grint lei. En weer daadlijk was ’m alles bekend, de plakkaten van den fabriekseigenaar over molenhuur, de manifesten, de lange zwarte gang, het portiershokje, het rogglend grommen der machines. Van achter en door de deuren en van de trappen knoerste het de gang door, rommelend, suizend met grijs-bruine kreuning. Het was of een storm in het gebouw raasde, de steenen wanden langs reutlend, schor-gierend door stukgeslagen ruiten en met grooter geweld joel-fluitend in hoeken waar ijzer en steen meerder weerstand boden. In de verre diepte der gang kraakte ’n geul rood en vlammen uit een oven, met berstende walmen van roet—de metalen bons van een deur sloot het weer af. Zacht-zoetlijke stank van machines en olie lauwde aan. Hij wachtte tot ’n kruiwagen, zwart en leeg, hem voorbij bolderde, passeerde de opene deur van een zaal met wentlende riemen, gebogen mannen en lekkende vlammen van verstelpitten en een binnenplaats en wéer een zaal, waar ’t geraas verwarder ravotte, stemmen inzangrig geschreeuw ’t schijven-geschuur overpsalmden. Eleazar luisterde naar ’t oùde, oùde liedje.....: “De Dimantschleiper haben de Zehring!..... Laufen auf de Brategasz mit vaatjes heering!..... Owei, owei wat ist me wei..... Mit de Dimantschleiperei!”...., slijpliedje dat-ie gehoord had toen-ie nog potjongen was op den winkel, waar ouwe Jacob ’t rad draaide, stoom niet gekend was. Glimlachend terugdenkend aan dien tijd, nasprak-ie trapklimmend ’t vervolg-deuntje zooals-ie ’t zich herinnerde, zooals-ie ’t had gezongen en geschreeuwd:..... “De Dimantschleiper sitze-in-’n hoekie.... Trinken ’n koppie koffie, fressen ’n zwei-en-halbe-cents boterkoekie... Owei, Owei!... ’t Is ze zoo wei mit de Dimantschleiperei!”..... De trap krinkelde om, een-hoog, twee-hoog, drie-hoog. Hij duwde een deur open en het machine-geraas der zaal kletterde vol op hem toe, egaal, dof van kreuning, behamerd door ’t metalen geklik van een mortier, waarin ’n potjongen boort stampte. Vlug wipte hij het trapje op, dat over de draaiende as als een vlonder over een sloot driekantte. Juda, gebogen achter de schijf, in lezende aandacht bij de vier tangen, waarvan een-ie vasthield in klauwenden greep,keek glimlachend-verrast. Zijn zwart-grove hand drukte de bleeke van Eleazar met hartlijkheid en ’t suizend gestamp der assen en wielen overgromde zijn stem. Ook Moppes en Klaroen en Leon en Hes en ook Rijst van achter de andere bank stommelden langs de krukken, begroetten hem goedig, lawaairig, pratend door elkaar en al gijntjes zeggend vóor-ie twee woorden gesproken had. Maar dan weer achter de schijven, de koppen naar hem toe, schreeuwden ze lachrig met veel belangstelling, vragend naar vrinden en bekenden, die nog in Amerika waren. De christen-chipsmakers aan de overzij loerden hun schijven langs.“Wèer ’n baas!”—, schreeuwde Leon over de hoofden van Moppes en Klaroen.“Geef je me vijf guldes méer in de week en ’n broodje met pekelvleesch?”—, lachte Hes, splijtend de dikke lippen.“Zonder pekelvleesch doet-ie ’t ook!”, lachte Klaroen, ’t gele gelaat met de zwarte oogwallen toewendend naar Eleazar.“Ik ben niet voor baas gebore,” grunnekte Eleazar, ’t hoofd schuddend: “’k heb alles verziekt.”“Wat zeit-ie?”“Hij zeit dat-ie alles verzièkt heit!”“Wàt heit-ie verziekt?”“De meide, wat Eli? Wattè?..... De meide is ’n ziekte van belang!”—, lolde Leon, met z’n sleutel een dop aanzettend in de tang, breed-uitlachend over de ruggen van Moppes en Klaroen, die gebogen lach-hapten.“Zoo lang zel mìjn armoed dure as zìjn rijkdom”, gijnde Hes: “Wi-je voor van-avend ’n vrijbiljet voor deGebochelde, Eli?”“Hij heit jóú noodig!”, komiekte Moppes, afbuigend en ’n dop smijtend tusschen de blokken van den grinnekenden versteller: “hij heit jóú noodig!..... Tien knechs mot-ie hebbe bij taurus mausche te paard!”.....“’k Doe ’t niet minder as met twintig molens,” lachte Eleazar, opgewekt door de jongensachtige onbezorgdheid der mannen.“Wat slijp-ie boort of messe?”—, schreeuwde Klaroen, en het herhalend daar de chipsmakers aan de overzij luid-uit ’n dreun galmden die donkerder aandreef ’t roezend lawaai van de as en de wielen: “slijp-ie boort—bocht of messe?”“’n Tafel op z’n togus slijpt-ie!”—, lachte Hes, neerbuigend, zwaar-schuddend van lol de poederpen in ’t schulpje duwend.Er kwam nieuwe afleiding en de vroolijkheid rammelde zwaarder van stemmen-gehos. Over ’t trapje tipte voorzichtig ’n klein-mager joodje met lichtgrijze, bruine en blauwe lappen over den arm. Hij had ’n smal-geel gezicht, hoekig alsof de jukken ’t vel doorpuntten—en onder den neus als ’t gekruip van een rups was ’t stekig gepluis van zwart-bruine haartjes. In ’t wit-wijdend licht van ’t fabrieksraam vouwden de oogleedjes schuw met harstig vuil in de hoeken.“Heere! Heere! Daar wordt wat verkoch! Heere! Kijk is, heere!”Vlak bij Eleazar kwam-ie te staan, ’n lap perrelgrijs hoog in de handklampjes.“Meneer,” wees Hes op Eleazar: “meneer heit ’n pak òvernoodig!”“Mènèer is betoeg!”—riep Leon: “hij koopt je heele voorraad, koopman!”....“Wat mot-ie koschte?”—, vroeg Klaroen, toekijkend met tang en sleutel in de zwarte handen.“Driè gulde!” schreeuwde de koopman: “drie gulde omdat ’t ongeregeld is.... In de magazijne betaal je d’r zèven.”.....“Dat làppie!.... Dat lappie! ’k Geef je ’n gùlden.”“’n Gulde? ’n Gulde! Oj?”—, herhaalde het joodje met lijzig schoudergeschurk en zijn oogleedjes kwijnden zoet naar de lap in z’n hand.“Allemaal ordienaire lappies”, taxeerde Hes, die Juda ’n tang liet zien met het glazen geblikker van ’n brillant. Juda boog neer, keurde lachend den steen en het joodje met schuwe verwijten, sprak in verwering:“.....Ordinaire lappies? Ordinaire lappies? ’k Hei-geen ééne ordinair lappie!.... Allemaal ongeregeld.... fijnste kamgaren en merrenos”...“Geef ’m mijn voor ’n gulde”, smoezelde Klaroen—en in opstuivenden lach: “voor ’n goppe-jas.”“’t Lijk wel ’n leere-lap, verdomd!”—, spotte Moppes, steen zachtjens aanduwend over den zoetkring van zijn schijf.“Kijk daar-is ’n lap”, streelde het joodje, de hand in vleiend gewrijf over de lap: “’n sjijne lap voor ’n broek—’n pràch van ’n lap!”.....“Vijf-en-twintig stuivers!”—, bood Klaroen, het geel gelaat gewend naar de staal die grijs was met zwarte motjes.“Ken ’k nie-doen”, verweerde het joodje:“Kom nou heerè! heerè!..... D’r wordt wat verkoch! Met ’n kleine verdienste bin ik tevreje! Heerè! Heerè!”Schuw van oogen-gedwaal leunde hij tegen de werkbank, klein en wrak in ’t glimmend gespannen vest, waarover ’n jasje slap slierde. Het fantasie-hoedje schuin-weg bekringde het zweet van ’t voorhoofd—het boord klefde in rimpels om ’t halsje van plooien.Achter zongen de chipsmakers, rekkerig galmend ’n café-chantant-deun. Een floot ’t mede. De ramen, hoog en door-ruit, vlakten stof-glanzig met gouden gekolk en schaduw-druiping langs de spinten. Het waren drie bogen van glas, hoog en wijd, rechtlijnig van latten doorsneden en elk ruitje er in, grauwig van stof, werd tot een vlies, doorzichtig, beslagen met gouderig pulver. Linksche raam, in schaduw van een uitwiggenden muur-van-cement en onbewogen ver-gelend klimop, was halfwege in weeldrige vloeiing van zon-rood, halfwege klitterig zwart met goring van aanstoven vuil. Van het andere raam waren twee ruiten gebarsten—wijdtakkige spinwebben met een zat-gevreten, slaap-loddrende stopverf-spin. En op zij, weggeruktnaar de opstaande spinten hing in verslobberde kreuken het vuil-witte scherm, dat voorgeschoven werd als de zon te rechtstandig de werkplaats bescheen. Op het broeien der zon-gouden ruiten beitste het felle schoudervierkant der gebogen chipsmakers en blauw-krinklende rook omdampte met bleek-drijvende slieren hun hoofden. Bij het derde raam, mat van getemperd-ros licht, laaiden de klukkende vlammen eener verstelpit, tot diep-groene blaasjes verkrimpend als de dop er naar daalde. Boven waren de ramen schuin-open, als luiken, hangend aan koorden. Daar was de dagschijn gedwee, geslurpt door de helling van ’t glas en gebroken op ’t lijf van ’n balk. En er neven, zwaar en log, van roestige bouten doorknaagd, schoorden andere balken, rustend op zuilen wier armen met ijzeren klauw in ’t hout hadden gegrepen.Het joodje, klein en schuw in het licht, drensde nog voort, zwaklijke stem haast gedoofd door ’t wringend gesuis van het ijzer der assen en wielen. De potjongen, bleek en met vuile vegen, grijnsde ’m toe, stampend het boort in de mortier, die hel henen lachte over ’t lawaai.“Kom nou heerè, heerè, heerè! D’r wordt wat verkoch!”.....“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver,” bood Klaroen, de handen gekromd om de tangen.“Ken ’t ’r nie-voor geve”, strak zei ’t joodje, de lap overkwijnend met flauw-slappe oogen.“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver ènne die àndre stuiver”, bood Klaroen, begeerig met listigen lach.“’n Dáalder!”, schreeuwde het joodje.“Voor zes en twintig en ’n hàlleve stuiver”, zei Klaroen nog eens in lach.Maar Leon van achter z’n molen, riep met dik-schorre stem:“.... Ik geef je ’n rijks-daalder voor die lap, as je kàns ziet bij me vrouw!”De ruggen der slijpers schudden in rustigen lach.“Heerè! Heerè!”—, drensde het joodje, de stoffen rond-wendend en Klaroen hapte toe, nam de lap in z’n handen, hing haar streelend over ’t uitgeschoven laadje.“Wat wàch je nou nog?”, gijnde Moppes: “je dag is goed!..... ’n Daalder voor ’n leere lap!”......Klaroen werkte door. Het joodje in lichtschuwewachting, keek door ’t raam, naar de doppen, riep met zwakke brutaalheid:“... Meneer!... Meneer!... Hèllept u me effetjes!”...“... Morrege”, zei Klaroen: “’k Heb geen klein geld”...“... Die meneer is geen luis rijk...! ’t Is ’n flessetrekker!”—, lawaaide Hes, schurkend van pret.“Meneer, meneer, ’k ken nog wadde verdiene messchien”, klaagde ’t joodje, benepen.“Zel ’k-ie ’n sjekkie geve?”—, grinnekte Klaroen.“’t Is ’n mannetje uit de kaapsche tijd!”, schreeuwde Hes weer.“’k Ken nog wadde verdiene messchien”, hield ’t joodje zachtzinnig aan.“Wi-je me adreskaaretje hebbe?”—, praatte Klaroen, de schijf betoetsend met het poeder-penceeltje: “...Rue de Peejee... Drie hoog!”“Kom betaal ’m”—, zei Juda, het hoofd met de kortgeschoren grijze haren wendend naar de zij van de slijpers.“Hei-je terug van vijf-en-twintig gulden?”—, vroeg Klaroen.“As ’k zóo rijk was”, flets-lachte ’t joodje.“Wi-je morrege terugkomme?”“Geen mieter is-die rijk”, schreeuwde Hes weer.“Nee, nóu me cente”, zacht zei ’t joodje.“Dan maar terug”, zei Klaroen kort-af, schijnbaar vertoornd. En ’t joodje, den arm om de lappen, schuw en met stil gekwijn, liep het trapje weer op, begon z’n verlegen gehandel bij de chipsmakers aan de overzij.Een donkerte doordruilde de zaal, vreemd en loom, besloop als geschemer het zonrood der ruiten. Er moest een wolk over de zon zijn geschoven. Stug-bleek licht overscherpte de hoofden, de banken, vergrauwde den damp der sigaren. “Er komt onweer,” zei Juda, omziend naar den hemel die strak was met jagende, indigo-blauwe koppen.“Onzin,” zei Moppes.De arbeid ging met minder gepraat. Hes, de brillandeerder, bracht een vierkaraats-steen bij Juda, den baas, die ’m hield bij den kolet en in keuring bedraaide. “Gááf goed,” zei hij knikkend. Eleazar keek toe. In de zwarte, stompige vingers van den slijper, tusschen de rauwe, eeltige nagels teer-de het blauw-lichtend geflonker van facetten en de ribjes zetten kuiven vansmachtend, waterig blauw als nachtegaal-kweel in staalblauwen nacht. Bij het stil gepuil van de vingers, in wier vleezig vuil de steen leek gegroeid, ontstraalden aan de facetten schampjes rose en rood, door-gurgeld van blauw en groene schietende vlasjes en er trosten vluchtende spetjes geel, crême en lila, aarzlend schuilend in zeegroene kolken, dan weer plots overpurperd door bloedroode schijning in ’t hart. Aan de andere zijden, op gelijke facetjes, trilden en beefden violet in wazen van mosgroen, grijs van doorlicht water, blauw van kinderoogen, met zachte opgloeiing van wijnrood en phosphoresceerende sprankels. Juda’s vingertoppen, grof en zwart met de plat-breede nagels, hielden den kolet, stonden er plomp en stevig rondom, vreemd aan ’t soepel geweef, dat zonlicht geleek, gestold, in kristallen gesmeed.“Prachtig blauw-wit,” zeide Juda, den steen nederleggend en weer een der eigen doppen beziend die in het soldeer glasscherfjes geleken, ondervroeg hij Eleazar, deelnemend en goedig.“’k Had opgespaard,” zei deze, pratend dicht bij ’t oor van den slijper: “maar drie maande in ’t gasthuis... en ’n zuster gestorve en de kindere hier... en de reis... ’k Loop zonder ’ncent... zonder ’n cént... Heb jij geen werk?”...“’Wou dàd-’k ’t had,” zei Juda, zich omdraaiend op de kruk, het hoofd in denking gebogen, de oogleden neer achter de bril.“Dovid loopt óok zonder werk... al wèken,” zorgvol Eleazar sprak. Er kwam gezwijg tusschen hun hoofden. Het gebrom der wentlende wielen, gromde als knoersing van roestige walsen. Scherp klikte de mortier van den potjongen en uit den hoek, achterin, zeurde het grijze gegalm van een chipsmaker.“Vrijdag schei ’k zelf uit,” zei Juda: “de helft van de molens staat leeg... En ’t wordt erger.”...“’t Kan niet erger.”...“’t Wordt èrger,” voorspelde de ander. Buigend, het grijs-stopplig hoofd dicht op de tangen, verzette hij de grauw-zilvren looden, bekeek de doppen, waarin het zwakke geglans van ingesmolten steenen. Zijn elbogen hoekten wijd uit en de schijf schijnbaar-beweegloos met staalblauwe kringen onderschuurde de diamanten. Tang voor tang nam hij op, zette de schroeven wat aan, lei rustig de looden weer neer en de poederpen betipte de schijf, die scheen zonder trilling. Dan kwamen ’r streepjes in ’nsteen, daar de schijf begon te steken en dieper neerbuigend polijstte hij na op den zoetkring, de hand op het lood. Naast hem zaten de andren, Moppes, Klaroen, Leon en Hes. Achter Klaroen was Rijst, de versteller, en over Hes, àchter den molen, slaaprig van kijken, oogjes laf van verveling, hangelde Laban, neefje van Hes, die het vak nog moest leeren. De ruggen der slijpers builden in de blauwe werkjakken, hun armen waren als scharen gericht, wiekten terug en weder vooruit in happenden greep naar de tangen. Zij wrongen de doppen, smeten ze toe den versteller, die z’n tabaksstompje bekauwde. Zij zaten gewend met de ruggen tot het licht dat hun jakken en hoofden van achter bleek-strak bescheen. Hes en Klaroen hadden aan de koperen pinnen van hun kastjes horloges gehangen; Leon, warm, knoopte z’n jas los, dat de bruin-gele nek en ’n stuk van z’n schouder overvleeschden het blauw van z’n jak. Boven het beenige hoofd van Hes, hingen de kleeren, vesten en jassen, halfhemdjes, dassen en bestofte fantasiehoeden. Hes floot ’n deun, saamproppend de lippen en Leon zingend met dik-gezwollen stem, overkrijschte het logge gesnor der wielen. Dat zette d’anderenaan en een oogenblik bralden ze samen, op rythmus van ’t dreunend wielengeslier. Klaroen, geel, met diepliggende oogen, trapte om dan z’n tabouret, kwam Juda ’n dop toonen. ’t Was ’n steen hard als boort, in kruis geslepen, in bewerking voor achtkant. “’t Mot ’r uit!”, zei Juda: “d’r in ken ’t niet blijve.” Weer naar den molen terug stugte Klaroen, zorgvuldig de looden neerdrukkend en Hes op zijn beurt toonde een dop, dien Juda keurend beknikte. Leon smakte een koekje met amandlen belegd, kauwde langzaam en zeker met sappig gemaal—dan weer opensplijtend z’n mond, zong-ie dikker en meerder gezwollen. Ook de chipsmakers galmden. Het werd een geraas strooprig en bot, roggel van plompe geluiden, ondergromd door het dronken gelal der assen, wielen en riemen.Gekromd op de kruk, lusteloos kijkend, zat Eleazar en vroeg: “zou ’r werachtig geen kans weze, Juda?”Hij vroeg ’t slaperig-moe, gejaagd en verslapt door ’n onrust die ’m meer bekleumde als ’r onweer of storm stond te wachten. Dan kilden dikwijls z’n handen en voeten, werden z’n oogen heet en klein-gloeirig, drong detong als ’n krop naar z’n keel. Dan zag-ie ’t leven als ’n zwaar, moeilijk-bewegend ding, leek elke dáád ’n kwellende drukking, werd iedre vraag, ieder voornemen ’n onrustig getast dat geen doel had. ’t Liefst had-ie z’n roozig, prikkel-warm hoofd tegen de werkbank gesteund en gedommeld. Na dagen en dagen gepoog om ’t fut van handen en armen te verkoopen, gaf ’t geweld in de zaal en ’t onweer-gezwoel ’n trage, laffe benauwing van onmacht: “Weet je nerges wat?”—, zei hij nog eens in lodder van gestoorden slaap en vermoeidheid.“Wat zei-je?”—, vroeg Juda, weg in z’n arbeid.“....Weet je nèrreges werk?”De schouders van den grijzen, mageren slijper schokten ontkennend: “d’r loope ’r honderde leeg.... niet te telle.”Het gezwijg hield hen weer bezig in ’t gestommel der zaal. Warm, met heete prikkelingen over de tong en ’n inerte verdoffing in z’n denken, stutte Eleazar het hoofd op de klam-kille handen, keek met nattige oogen naar het doen van Rijst den versteller. Hij had ’m als jongen gekend, om ’m gelachen toen-iemet blaren an de handen liep, met bloedende blaren van ’t kokend soldeer. Rijst stond in het kalk-witte licht van het raam, bezig ’n dop op te maken. De eeltige, dikke vingertoppen kneedden de plaatjes soldeer, die kruimden, bijkants broos, smeltend en weer opgeduwd door de handige slaagjes der tang, alsof smijdig klei werd geboetseerd. Op den dop bolde het metaal, overschuimend, groeiend tot een bloem van vleezige, kantige bladen, maar de tang scheerde er langs, gladdend de hoeken, vormend het vloeibaar soldeer in ééns tot een glanzenden eikel voor Hes, den brillandeerder. Ernstig gebogen over den dop, die in het blok rustte, besmulde Rijst de platgekauwde sigaar, lachte tegen Eleazar. Met de versteltang tipte hij de brillant op ’t puntig lijf van den eikel, drukte haar schuiner en de eeltige vingertoppen beaaiden het gloeiend soldeer, het smerend als olie om ’t ophoekend deel van den steen. Hoe dikwijls Eleazar ’t had gezien, keek-ie met verwondring naar de verkoolde vingertoppen die het vloeibaar metaal aandrukten, gladden, zoo gedaan hadden van af de dagen toen ’t vleesch nog gevoel had, toen zich bultige blaren vormden die opengingen, etterden, bloedden en weer opnieuw gepijnigd werden door ’t schuimend, kokend soldeer.“Wàrrem vandaag”—, glimlachte Rijst rustig, en de dop, in den bluschpot gesmeten raasde damp uit het water. Dan was hij dadelijk bezig met een nieuwen dop, dien de vuurtang uit de verstelpit lichtte en waaruit de andere tang de brillant met voorzichtige knijping nam. Uit den bluschpot proestte damp van korzelig water en de pitten, nu niet bezet, snoven vlammen van wapperend geel. De houten blokken wachtten als roemers—een met den dop grauw-zwart van verhitting.Weder kwam vroolijkheid, nieuw gehaspel van stemmen om ’n koopvrouw, kort en diklijvig, die een beugelmand sjokte. Zij wiggelde Eleazar voorbij, tusschen Juda en Moppes. De zwarte, smerige rok omknuffelde de schomlende heupen. Uit ’r split zwabberden bandjes, gieglend op het zware gebol der vetbillen. Een jek van lichtblauw met witte streepjes en inzetstukken aan de elbogen, hing los, gaapte weg op den zwangeren buik, onderdrild door ’t kwallend beweeg der borsten. Zij droeg ’n bandeau, en ’n muts van tulle enneepjes bedekte den haarwrong. Hes schreeuwde het luidst en de anderen zeiden hun glossen, lachend, de een overroepend den ander. Zij, goedig-van-glimlach, dee of ze niks hoorde, fluisterde met Moppes die z’n laadje doorkeek, of-ie nog zeep had en lucifers. Haar handen hield ze slap op den buik, nu de mand op den grond stond.“Cheffie! Cheffie!”—, schreeuwde Leon: “laat de juffrouw d’r hande bòve de bank houe!”“Hindert ze joù wat?”—, vroeg Moppes.“Ze mot van Hes in de kraam!”—, lachte Klaroen zangrig: “van ’n tweèling!”“As-ze van Hes in de kraam mot”—, riep Moppes, buigend naar Hes: “bekláág ’k die vrouw!”Klaroen met een stuk rose-zeep in de hand, zei dat ze ééuwig zwanger leek, of ze ’r nooit is mee ophield?“Zeg an me màn daddie me met rust laat”, lachte de vrouw.“Staak dan ’t werk!” schreeuwde Leon.“Ikzal ’t werk stake?”—, lach-zong de vrouw, “’k staak ’t werk in me kìs”....Gelach was op de gezichten en Leon, driftigzich makend, purper-komiek, schreeuwde opnieuw tot Juda, den baas: “Cheffie, laat ze d’r hande boven de bank houe!”De vrouw met zoetlijk beweeg, drong den buik naar de kruk van Klaroen, lachte om ’t gijnige doen van Hes en Leon: “Koop lievers wad-af”—, overreedde ze stil, bijtrekkend de mand, waarin zeep en sigaren, lucifers, broches, kammen en andere snuisterij. Met Hes bleef ze fluistren in ’t grommend geroes, dat doorsnorde de zaal.Het was duister geworden. De cement-muur achter de chipsmakers stond als een schaduw met donker klimop en de goudglans der ruiten, henengevloeid, was tot kil-grijze wazing verworden met druipsels van stof. De warmte broeiend doortrokken van olie-gewalm drukte heet op de hoofden. Rijst, vreemd-wit bij de binnenplaats-ramen, licht dat geketst werd door muren, gekalkt, geleek bleek als op ziek-worden af. Het brokkelig pleister grauwde in ’t zelfd schemer-verschrikt licht dat het hoofd van den versteller met schuwe schaduwtjes betastte. Aan de overzijde, een-, twee-, drie-hoog, waren de fabrieksramen van het voorgebouw met wijd-weggeslagen gordijnen. Het wrange, langs loodenwolken wijkend licht stond zoo star in de zalen daar achter, dat Eleazar, die moe-aadmend gebukt zat, met ’n gelaat dat-ie in onrustjes voelde ver-scherpen, met ’n neus die hinderde en snorharen die in ontdaanheid steilden, de heele ruimte kon doorzien tot aan de vensters der voorzij van het gebouw, met het loom-wirrend groen van de gracht. Hoofden van slijpers zag-ie in nukkig beweeg, de geknauwde ruggen gekeerd naar het raam—en op elke verdieping achter het grijs der ruiten, lekte ’t spichtig-dansend gevlam van de pitten, rossig belichtend de gele gezichten der neerbuigende verstellers, hun grijpende rustlooze handen en de roodaarde vormen der bluschpotten. Beneden, gelijkvloers en boven dwaalden vlammetjes, henendompend, weer lillend met okeren tongen, zoo achter ieder raam dat norsch en doorzichtig was tot de gracht en de verre diepte der zaal aan de voorzij. Bij het wijd, hortend gekreun dat het gansche gebouw doorknarste, den grond in trilling hield, was dat lekken en vluchten der vlammen als een lollen van overal vretend, gluiperig vuur dat smeulde en ploffingen had.Maar plots knepperde een schichtige vlammingvan licht, fel en wit, doorflitsend de zaal van de gracht tot de binnenplaats, wit-overkrijschend het pleister der muren. De roode verstelpitten boven, beneden, gelijkvloers, op alle verdiepingen, flauwden weifelend als in tocht van een sterken licht-wind en een slag, heftig en kort overknalde het grijze gedreun der machines. De slijpers, verschrikt, keken om.“Wad-’n slag!”—zei Leon, staande naast Rijst, den versteller. Moppes en Hes en Klaroen kwamen van hun krukken, Klaroen met een tang in de handen en ze keken door de stoffige ruiten naar de overzijde der binnenplaats, waar de slijpers verschrikt achter de ramen hokten.“D’r komp wat los”, zei Hes, den hemel schattend, die gletschers van indigo-blauw had. Juda alleen werkte door, het hoofd met de steil-grijze haren gebogen over de schijf die blauw-zachte glanzen van ’t cirklend gewentel had. De potjongen, leunend naast Eleazar keek angstig en Laban, de leerling van Hes, wakker geschrikt, stond op de teenen achter den molen. De chipsmakers, achter de bank, waren opgesprongen, hoofden bijeen voor ’t raam en bij ’t trapje naast de knorrende as schuilde dekoopvrouw, de beugelmand stijf tegen den zwangeren buik.“D’r zit voor ’n duit”, knikte Klaroen, geler en ouder in ’t schaduw-licht van het raam.“’t Mot in de buurt haast ingeslage weze”, onderstelde Leon. Moppes kwam weer voor z’n schijf, floot onverschillig.“Hou nou godverdomme je smoel!”, stootte Hes ’m aan: “je mot niet flùite as ’t zoo....”Hij zei ’t niet verder, hoofd wijkend in schrik. Een vlamming van schel-wit licht overgulpte de binnenplaats, belaaiend met krijt-stuiving het grijze cement. De kozijnen schuim-zwalpend en bijtend leken te scheuren onder het zwart der ruiten en de koppen van Moppes, Leon, Hes, Rijst en den potjongen hadden plots heesche kleuren, doorblauwd-wit en paarse vervluchtging als van lijken.“Hèèè!”, schrikte de jongen. En een slag, zonder voorgerommel, slag van krakend gebraak, beukte langs de fabriek alsof de vallende schoorsteen de binten en pannen van ’t dak had stuk-gerameid.Juda keerde zich toe naar het raam en Moppes, stil-schokkend, glee weer van de kruk, angstig-meekijkend.“Adenoj, wad-’n slag!”—, angstig zei Hes.De hemel, rotsgrauw, met koppen nachtzwart, vergrimde de fabrieksramen aan de overzij tot barsch-vale gaten. Boven, omlaag, smeulde ’t gele, laaiend beweeg der verstelpitten die angstiger rood hadden. Er scheen een stuivende wind te joelen. Driftig gesmakt zoog een stukje papier van de straatzij, vallend, opschietend tegen den muur, met bitse krassingen. Het gemaal der machines in de fabriek overkreunde het windgeraas buiten. En ’t begon spattend met brekende bellen te reegnen, schuin-wegge slieren op het stof-transparent van ’t glas.“’t Is vlak boven de stad”, meende Moppes, hand op den schouder van Rijst.“Noodweer”, zei Juda, en een fellere flits, blauw-ketsende vonk in doorlicht donkerblauw, deed hen weer zwijgen. Het werd een vreemdlijk gelicht in de zalen, licht met wijd-witte vlammen. Er schoten berstingen van de plaats door het voorgebouw naar de gracht zoo heet van puur-witheid, dat het hijg-schuddend, rinklend groen van de boomen en de verre gevellijn over het water in scherpe bleekheid opdoomden en de fabriek een wit-holle ruimte met doodengezichten geleek. Na iedren bijtendenlichtzwaai speelden de roode verstel-vlammetjes weer, kraakte het beukend gedreun van den slag, overbulkend het warrlend gegrom der machines. Het werd zonder einde, een blauw-barstend geulen van licht, sidderend-zwak soms als schijn van walmende toortsen, weder hoog-laaiend met sissend gebrand—en de slagen rommelden na, zwellend tot mookrend gedreun van rollende, buldrende wagens. In de aschgrauwe loomheid der zaal, was telkens het knallend gepuil van banken, schijven en dingen blauw-gedrapeerd, en de mannen, zwart van steviger lichaam, hadden hoofden en handen week-paars overglansd, tot de krakende slag ze weer liet in stuipenden schemer. Op de ruiten bij de chipsmakers sneden de spinnen van ’t stuk-barsten glas zwart-logge webben in ’t zweven en jagende dampen, en krankzinnig van gekke verdwaasdheid braken bij iederen flits de vesten en jassen, halfhemdjes en hoeden uit den hijgenden hoek. De vrouw op het trapje, de mand voor den buik op de wijd-spalkte knieën, hield ’r vingers in d’ ooren en de oogen geknepen omlaag. Stil mumden ’r lippen in angstig gebed en eenzaam met huilrig gezicht achter z’n bank, knippend met d’oogenbij iedere flapping van wit, stond Laban, de leerling, de armen gestut op het hout.Het groeide tot zulk een schakel van aanstuwend licht, splintrend en klettrend tegen de muren, dat de zaal waar ze waren en de zalen aan d’overzij der plaats, knettringen van dansend booglampenlicht kregen, licht dat de roode verstelvlammen tot lucifersglim doofde. De gracht met haar groen door den stormwind geknoet en de gevels ver-af spoelden staag aan in lauw-blauwe vlam. En de dreuningen der bolle wolkslagen, romling in steenen spelonk, vielen met mokergeweld, brallend met stompe echoën, plomp van heen-schokking en weer zwaar van daver-plof berstend vóór het zwak nagestommel z’n vluchting volbracht. Niet even was er geadem van stilte. Slag sloeg na rogglende loeiing, knal zwol na buldrenden val. Soms kroop het stotterend voort, leek ’n kreun in hijging verslikt, tot de haaglende bliksem-zwiep, neersissend in vloekende woede, ’t gestamp en zwart-bulkend rumoer opnieuw uit den loggen, versteven bodem, pijnigde. Het roezend geslier der wielen en riemen, het spinnend geknor der schijf-assen in het azijnhout, kroop er in prutteling langs.De mannen, angstig en stil, hokten tezaam bij het raam met de lallende gaslicht-pitten. Hun hoofden bogen terug als in kramp en de ruiten geraakten bleek-blauw bewasemd door d’adem der monden. De regen tikkelde harder, aansuizend, gestriemd door den wind, grauw van stuiving, en een slag, holler van roep, massaler van kraking, diep-naloeiend en weder in donkre rammeiïng losgrommend, deed het gebouw in ontzetting mee-beven. Er kwamen vlammen-van-licht, rood en aanhoudend, die d’overzij-ramen met glinsterend avondrood overbloedden en het licht vlamde nog na als de bulkende klotsing door nieuw gestommel verslagen. De wind scheen heviger. Een verflarde krant, nat en met klapprende deuken, spoot van omlaag, draaide in kolking vlak bij de ramen, scheurde in twee—de einden werden gezwalpt over het dak, gierend mee op den wind, nog juist belicht door een straal die de plaats en de ramen met paarse vonken bespette.Het duurde niet lang.Het licht, minder schel, kreeg violette zweving, vreesachtig getril van teer-spelende vlammen.In de lucht, effen-loodblauw, scheurden wiggen zilverwit en het schichten van den bliksem verzwakte tot vlokkig maanlicht-gestuif. De slagen, nu wijder af, grommerden domp, grijs-egaleerend het snurkend geslier der assen en schijven en het klikkend geluid van den mortier klonk als een spot en kuchend gelach.Het werk hadden de slijpers hervat. Rijst gloeide een dop, de vingers om ’t weekend soldeer en een chipsmaker, achter, floot schril-uit een deun. Nog gaven de ramen raketsels van wapperend blauw dat bleek de wanden langs schoof en spookachtig zonk om de hoofden, maar het was lief geworden, zachtlijk paars, zonder verschrikking.Leon, met de borst half-ontbloot, kwam bij Juda, hem nog eens toonend den steen, in achtkant geslepen, werk dat niet vlotte. Juda zei raad en een bevende lichting beaarzelde den diamant, hem begietend met groen op facetten en ribben dat-ie blonk als het lichtend oog van een kat, loerend met roode pupillen. Dan bij de zachte nà-siddring van ’t licht, glaasde de steen, overglansd met zeepbellen-sproeiing, rood, groen, zilveren glijding en vervloeiïng van geel, roze, oranje, lila, pensée, stoltendbloed—, teer versmeltend, weg-deinend, weder aanschalkend met zachte ribjes-gelicht.De vrouw met den dikken buik, wieglend, zoet van gebaar, stond bij de chipsmakers, verkocht zeep, lucifers, sigaren.En nog éens huiverde over de muren ’n teer-blauwe golving, trillend doorwaaiend de zalen waar de hoofden bogen naar de schijven en de lekkende tongen der verstelpitten roodelijk weken. De vage verdreunende slag werd zeurig gedempt door het gespin der machines en de mortier met het boort klikte driest, uitgelaten van klop en getinkel.

Het was een middag van overzwoel, vadzig gezwadder, toen hij naar de fabriek ging. Uit de zijstraten snikte ’t bewegen der menschen naar ’t stofzweetend asfalt. Huizen bukten dorstig-vermoeid met vensters wijd-open als hijgende keelen, de kozijnen weiflend in ’t schamper-geel licht schorden als droog-grauwe lippen. Een buiklucht van koppen en wit-in-vertroebling bebroedde de daken, zwoelingen gulpend tusschen de schaduwgeulen en diepten, de gevels wier vluchtend gelijn in den hemel golvingen sneed. Hijschblokken, dik van kop, rekten de nekken met haken die kromden als tongen van adem-inkermende honden.

Naar het einde der straat werd dichter het wanden-geweef, verzwartte het blokken-geplomp als een heffing van mokers. Ruiten keilden daar vlammen, spetten en schichtige stralen,als-of ijskristallen en sneeuwdons in kaatsing van avondpurper krompen.

De menschen liepen in duwend gedrang, schuiflend het stof dat branderig kroop. Ze stonden bij winkels, traagden weer voort, de sleepen in handschoende handen en zonschermen als kleine gootlooze daakjes. Dicht langs hem henen, blazend en puffend, blauw-glimmrende diamanten in bleek-vette oorlellen, ging joden-dame, hoofd als een sproetenpioen, gele blouse met zweetige plassen in d’oksels, heupen vet en gezwollen, borsten als stram-staande uiers. Ze zweette en blies en ’r ooren vonkten den glimmrenden schijn door de straat—’r ooren droegen teeder geglans van dauw-op-een-bloemstruik—’r ooren, garstig en spek-bleek, slierden een zilveren herfstdraad met bevend geflonker door ’t stuifsel dat voeten sloegen uit asfalt. Vet en heup-kwallend, dauw-smachtend, ging ze een hoek om.

De gracht, waar hij kwam, groende weg met oude bollende bruggen en water tusschen de dammen der straat. Eene zij lag in overplassing van krijterig licht, licht op de gevels,bordesjes, ruiten, kozijnen, licht met driftigen goudstraal op koperen knoppen—de andere in schaduw van ’n bierbrouwerij, wier schoorsteen ’n reuzenspeer geleek rustend op het zadel naast den maliënkolder. In het beweegloos, vaal-vlakkend water effende een scheidlijn van licht en schaduw, wiegelde de gevel-vluchting, lang-bleeke kartling met wit en geel, versmalde ramen, verfletste gordijnen, groenige wolling van boomen. De oude zwarte rioolgaten braken daarin klodder-spelonken en diep onder ’t buikige lijf van een kof, school ’n logger geduister.

Het was stil op de gracht. Er liep een briefbesteller en ’n man zat op ’n handwagen. Een meid dweilde de treden van een bordes, voeten in wippende sloffen. Hiér deed ’t aan als de rust van ’n dorp, van ’n glunderig dorp, met zonneplas-wegjes en koeien zwaar-trappend in wei. Hier kon je effen ademen. Hier zag je lucht en wolkjes bòven, tusschen de grachtgevels—benèe in ’t water, nog eens en nog eens. Uit ’t fabrieksgebouw snorkte geraas en een man duwde ’n kruiwagen over een schokkende plank, die schuin over stoeptreden lag en kolengruis zwiepte.

“Is Juda an ’t werk?”—, vroeg Eleazar.

“Juda? Juda is boven”, zei de portier.

Voor ’m uit, in de lange donkere gang, gromde ’t knarsend kruiwagenwiel, krakend over gevallen stukken steenkool alsof er grint lei. En weer daadlijk was ’m alles bekend, de plakkaten van den fabriekseigenaar over molenhuur, de manifesten, de lange zwarte gang, het portiershokje, het rogglend grommen der machines. Van achter en door de deuren en van de trappen knoerste het de gang door, rommelend, suizend met grijs-bruine kreuning. Het was of een storm in het gebouw raasde, de steenen wanden langs reutlend, schor-gierend door stukgeslagen ruiten en met grooter geweld joel-fluitend in hoeken waar ijzer en steen meerder weerstand boden. In de verre diepte der gang kraakte ’n geul rood en vlammen uit een oven, met berstende walmen van roet—de metalen bons van een deur sloot het weer af. Zacht-zoetlijke stank van machines en olie lauwde aan. Hij wachtte tot ’n kruiwagen, zwart en leeg, hem voorbij bolderde, passeerde de opene deur van een zaal met wentlende riemen, gebogen mannen en lekkende vlammen van verstelpitten en een binnenplaats en wéer een zaal, waar ’t geraas verwarder ravotte, stemmen inzangrig geschreeuw ’t schijven-geschuur overpsalmden. Eleazar luisterde naar ’t oùde, oùde liedje.....: “De Dimantschleiper haben de Zehring!..... Laufen auf de Brategasz mit vaatjes heering!..... Owei, owei wat ist me wei..... Mit de Dimantschleiperei!”...., slijpliedje dat-ie gehoord had toen-ie nog potjongen was op den winkel, waar ouwe Jacob ’t rad draaide, stoom niet gekend was. Glimlachend terugdenkend aan dien tijd, nasprak-ie trapklimmend ’t vervolg-deuntje zooals-ie ’t zich herinnerde, zooals-ie ’t had gezongen en geschreeuwd:..... “De Dimantschleiper sitze-in-’n hoekie.... Trinken ’n koppie koffie, fressen ’n zwei-en-halbe-cents boterkoekie... Owei, Owei!... ’t Is ze zoo wei mit de Dimantschleiperei!”..... De trap krinkelde om, een-hoog, twee-hoog, drie-hoog. Hij duwde een deur open en het machine-geraas der zaal kletterde vol op hem toe, egaal, dof van kreuning, behamerd door ’t metalen geklik van een mortier, waarin ’n potjongen boort stampte. Vlug wipte hij het trapje op, dat over de draaiende as als een vlonder over een sloot driekantte. Juda, gebogen achter de schijf, in lezende aandacht bij de vier tangen, waarvan een-ie vasthield in klauwenden greep,keek glimlachend-verrast. Zijn zwart-grove hand drukte de bleeke van Eleazar met hartlijkheid en ’t suizend gestamp der assen en wielen overgromde zijn stem. Ook Moppes en Klaroen en Leon en Hes en ook Rijst van achter de andere bank stommelden langs de krukken, begroetten hem goedig, lawaairig, pratend door elkaar en al gijntjes zeggend vóor-ie twee woorden gesproken had. Maar dan weer achter de schijven, de koppen naar hem toe, schreeuwden ze lachrig met veel belangstelling, vragend naar vrinden en bekenden, die nog in Amerika waren. De christen-chipsmakers aan de overzij loerden hun schijven langs.

“Wèer ’n baas!”—, schreeuwde Leon over de hoofden van Moppes en Klaroen.

“Geef je me vijf guldes méer in de week en ’n broodje met pekelvleesch?”—, lachte Hes, splijtend de dikke lippen.

“Zonder pekelvleesch doet-ie ’t ook!”, lachte Klaroen, ’t gele gelaat met de zwarte oogwallen toewendend naar Eleazar.

“Ik ben niet voor baas gebore,” grunnekte Eleazar, ’t hoofd schuddend: “’k heb alles verziekt.”

“Wat zeit-ie?”

“Hij zeit dat-ie alles verzièkt heit!”

“Wàt heit-ie verziekt?”

“De meide, wat Eli? Wattè?..... De meide is ’n ziekte van belang!”—, lolde Leon, met z’n sleutel een dop aanzettend in de tang, breed-uitlachend over de ruggen van Moppes en Klaroen, die gebogen lach-hapten.

“Zoo lang zel mìjn armoed dure as zìjn rijkdom”, gijnde Hes: “Wi-je voor van-avend ’n vrijbiljet voor deGebochelde, Eli?”

“Hij heit jóú noodig!”, komiekte Moppes, afbuigend en ’n dop smijtend tusschen de blokken van den grinnekenden versteller: “hij heit jóú noodig!..... Tien knechs mot-ie hebbe bij taurus mausche te paard!”.....

“’k Doe ’t niet minder as met twintig molens,” lachte Eleazar, opgewekt door de jongensachtige onbezorgdheid der mannen.

“Wat slijp-ie boort of messe?”—, schreeuwde Klaroen, en het herhalend daar de chipsmakers aan de overzij luid-uit ’n dreun galmden die donkerder aandreef ’t roezend lawaai van de as en de wielen: “slijp-ie boort—bocht of messe?”

“’n Tafel op z’n togus slijpt-ie!”—, lachte Hes, neerbuigend, zwaar-schuddend van lol de poederpen in ’t schulpje duwend.

Er kwam nieuwe afleiding en de vroolijkheid rammelde zwaarder van stemmen-gehos. Over ’t trapje tipte voorzichtig ’n klein-mager joodje met lichtgrijze, bruine en blauwe lappen over den arm. Hij had ’n smal-geel gezicht, hoekig alsof de jukken ’t vel doorpuntten—en onder den neus als ’t gekruip van een rups was ’t stekig gepluis van zwart-bruine haartjes. In ’t wit-wijdend licht van ’t fabrieksraam vouwden de oogleedjes schuw met harstig vuil in de hoeken.

“Heere! Heere! Daar wordt wat verkoch! Heere! Kijk is, heere!”

Vlak bij Eleazar kwam-ie te staan, ’n lap perrelgrijs hoog in de handklampjes.

“Meneer,” wees Hes op Eleazar: “meneer heit ’n pak òvernoodig!”

“Mènèer is betoeg!”—riep Leon: “hij koopt je heele voorraad, koopman!”....

“Wat mot-ie koschte?”—, vroeg Klaroen, toekijkend met tang en sleutel in de zwarte handen.

“Driè gulde!” schreeuwde de koopman: “drie gulde omdat ’t ongeregeld is.... In de magazijne betaal je d’r zèven.”.....

“Dat làppie!.... Dat lappie! ’k Geef je ’n gùlden.”

“’n Gulde? ’n Gulde! Oj?”—, herhaalde het joodje met lijzig schoudergeschurk en zijn oogleedjes kwijnden zoet naar de lap in z’n hand.

“Allemaal ordienaire lappies”, taxeerde Hes, die Juda ’n tang liet zien met het glazen geblikker van ’n brillant. Juda boog neer, keurde lachend den steen en het joodje met schuwe verwijten, sprak in verwering:

“.....Ordinaire lappies? Ordinaire lappies? ’k Hei-geen ééne ordinair lappie!.... Allemaal ongeregeld.... fijnste kamgaren en merrenos”...

“Geef ’m mijn voor ’n gulde”, smoezelde Klaroen—en in opstuivenden lach: “voor ’n goppe-jas.”

“’t Lijk wel ’n leere-lap, verdomd!”—, spotte Moppes, steen zachtjens aanduwend over den zoetkring van zijn schijf.

“Kijk daar-is ’n lap”, streelde het joodje, de hand in vleiend gewrijf over de lap: “’n sjijne lap voor ’n broek—’n pràch van ’n lap!”.....

“Vijf-en-twintig stuivers!”—, bood Klaroen, het geel gelaat gewend naar de staal die grijs was met zwarte motjes.

“Ken ’k nie-doen”, verweerde het joodje:

“Kom nou heerè! heerè!..... D’r wordt wat verkoch! Met ’n kleine verdienste bin ik tevreje! Heerè! Heerè!”

Schuw van oogen-gedwaal leunde hij tegen de werkbank, klein en wrak in ’t glimmend gespannen vest, waarover ’n jasje slap slierde. Het fantasie-hoedje schuin-weg bekringde het zweet van ’t voorhoofd—het boord klefde in rimpels om ’t halsje van plooien.

Achter zongen de chipsmakers, rekkerig galmend ’n café-chantant-deun. Een floot ’t mede. De ramen, hoog en door-ruit, vlakten stof-glanzig met gouden gekolk en schaduw-druiping langs de spinten. Het waren drie bogen van glas, hoog en wijd, rechtlijnig van latten doorsneden en elk ruitje er in, grauwig van stof, werd tot een vlies, doorzichtig, beslagen met gouderig pulver. Linksche raam, in schaduw van een uitwiggenden muur-van-cement en onbewogen ver-gelend klimop, was halfwege in weeldrige vloeiing van zon-rood, halfwege klitterig zwart met goring van aanstoven vuil. Van het andere raam waren twee ruiten gebarsten—wijdtakkige spinwebben met een zat-gevreten, slaap-loddrende stopverf-spin. En op zij, weggeruktnaar de opstaande spinten hing in verslobberde kreuken het vuil-witte scherm, dat voorgeschoven werd als de zon te rechtstandig de werkplaats bescheen. Op het broeien der zon-gouden ruiten beitste het felle schoudervierkant der gebogen chipsmakers en blauw-krinklende rook omdampte met bleek-drijvende slieren hun hoofden. Bij het derde raam, mat van getemperd-ros licht, laaiden de klukkende vlammen eener verstelpit, tot diep-groene blaasjes verkrimpend als de dop er naar daalde. Boven waren de ramen schuin-open, als luiken, hangend aan koorden. Daar was de dagschijn gedwee, geslurpt door de helling van ’t glas en gebroken op ’t lijf van ’n balk. En er neven, zwaar en log, van roestige bouten doorknaagd, schoorden andere balken, rustend op zuilen wier armen met ijzeren klauw in ’t hout hadden gegrepen.

Het joodje, klein en schuw in het licht, drensde nog voort, zwaklijke stem haast gedoofd door ’t wringend gesuis van het ijzer der assen en wielen. De potjongen, bleek en met vuile vegen, grijnsde ’m toe, stampend het boort in de mortier, die hel henen lachte over ’t lawaai.

“Kom nou heerè, heerè, heerè! D’r wordt wat verkoch!”.....

“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver,” bood Klaroen, de handen gekromd om de tangen.

“Ken ’t ’r nie-voor geve”, strak zei ’t joodje, de lap overkwijnend met flauw-slappe oogen.

“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver ènne die àndre stuiver”, bood Klaroen, begeerig met listigen lach.

“’n Dáalder!”, schreeuwde het joodje.

“Voor zes en twintig en ’n hàlleve stuiver”, zei Klaroen nog eens in lach.

Maar Leon van achter z’n molen, riep met dik-schorre stem:

“.... Ik geef je ’n rijks-daalder voor die lap, as je kàns ziet bij me vrouw!”

De ruggen der slijpers schudden in rustigen lach.

“Heerè! Heerè!”—, drensde het joodje, de stoffen rond-wendend en Klaroen hapte toe, nam de lap in z’n handen, hing haar streelend over ’t uitgeschoven laadje.

“Wat wàch je nou nog?”, gijnde Moppes: “je dag is goed!..... ’n Daalder voor ’n leere lap!”......

Klaroen werkte door. Het joodje in lichtschuwewachting, keek door ’t raam, naar de doppen, riep met zwakke brutaalheid:

“... Meneer!... Meneer!... Hèllept u me effetjes!”...

“... Morrege”, zei Klaroen: “’k Heb geen klein geld”...

“... Die meneer is geen luis rijk...! ’t Is ’n flessetrekker!”—, lawaaide Hes, schurkend van pret.

“Meneer, meneer, ’k ken nog wadde verdiene messchien”, klaagde ’t joodje, benepen.

“Zel ’k-ie ’n sjekkie geve?”—, grinnekte Klaroen.

“’t Is ’n mannetje uit de kaapsche tijd!”, schreeuwde Hes weer.

“’k Ken nog wadde verdiene messchien”, hield ’t joodje zachtzinnig aan.

“Wi-je me adreskaaretje hebbe?”—, praatte Klaroen, de schijf betoetsend met het poeder-penceeltje: “...Rue de Peejee... Drie hoog!”

“Kom betaal ’m”—, zei Juda, het hoofd met de kortgeschoren grijze haren wendend naar de zij van de slijpers.

“Hei-je terug van vijf-en-twintig gulden?”—, vroeg Klaroen.

“As ’k zóo rijk was”, flets-lachte ’t joodje.

“Wi-je morrege terugkomme?”

“Geen mieter is-die rijk”, schreeuwde Hes weer.

“Nee, nóu me cente”, zacht zei ’t joodje.

“Dan maar terug”, zei Klaroen kort-af, schijnbaar vertoornd. En ’t joodje, den arm om de lappen, schuw en met stil gekwijn, liep het trapje weer op, begon z’n verlegen gehandel bij de chipsmakers aan de overzij.

Een donkerte doordruilde de zaal, vreemd en loom, besloop als geschemer het zonrood der ruiten. Er moest een wolk over de zon zijn geschoven. Stug-bleek licht overscherpte de hoofden, de banken, vergrauwde den damp der sigaren. “Er komt onweer,” zei Juda, omziend naar den hemel die strak was met jagende, indigo-blauwe koppen.

“Onzin,” zei Moppes.

De arbeid ging met minder gepraat. Hes, de brillandeerder, bracht een vierkaraats-steen bij Juda, den baas, die ’m hield bij den kolet en in keuring bedraaide. “Gááf goed,” zei hij knikkend. Eleazar keek toe. In de zwarte, stompige vingers van den slijper, tusschen de rauwe, eeltige nagels teer-de het blauw-lichtend geflonker van facetten en de ribjes zetten kuiven vansmachtend, waterig blauw als nachtegaal-kweel in staalblauwen nacht. Bij het stil gepuil van de vingers, in wier vleezig vuil de steen leek gegroeid, ontstraalden aan de facetten schampjes rose en rood, door-gurgeld van blauw en groene schietende vlasjes en er trosten vluchtende spetjes geel, crême en lila, aarzlend schuilend in zeegroene kolken, dan weer plots overpurperd door bloedroode schijning in ’t hart. Aan de andere zijden, op gelijke facetjes, trilden en beefden violet in wazen van mosgroen, grijs van doorlicht water, blauw van kinderoogen, met zachte opgloeiing van wijnrood en phosphoresceerende sprankels. Juda’s vingertoppen, grof en zwart met de plat-breede nagels, hielden den kolet, stonden er plomp en stevig rondom, vreemd aan ’t soepel geweef, dat zonlicht geleek, gestold, in kristallen gesmeed.

“Prachtig blauw-wit,” zeide Juda, den steen nederleggend en weer een der eigen doppen beziend die in het soldeer glasscherfjes geleken, ondervroeg hij Eleazar, deelnemend en goedig.

“’k Had opgespaard,” zei deze, pratend dicht bij ’t oor van den slijper: “maar drie maande in ’t gasthuis... en ’n zuster gestorve en de kindere hier... en de reis... ’k Loop zonder ’ncent... zonder ’n cént... Heb jij geen werk?”...

“’Wou dàd-’k ’t had,” zei Juda, zich omdraaiend op de kruk, het hoofd in denking gebogen, de oogleden neer achter de bril.

“Dovid loopt óok zonder werk... al wèken,” zorgvol Eleazar sprak. Er kwam gezwijg tusschen hun hoofden. Het gebrom der wentlende wielen, gromde als knoersing van roestige walsen. Scherp klikte de mortier van den potjongen en uit den hoek, achterin, zeurde het grijze gegalm van een chipsmaker.

“Vrijdag schei ’k zelf uit,” zei Juda: “de helft van de molens staat leeg... En ’t wordt erger.”...

“’t Kan niet erger.”...

“’t Wordt èrger,” voorspelde de ander. Buigend, het grijs-stopplig hoofd dicht op de tangen, verzette hij de grauw-zilvren looden, bekeek de doppen, waarin het zwakke geglans van ingesmolten steenen. Zijn elbogen hoekten wijd uit en de schijf schijnbaar-beweegloos met staalblauwe kringen onderschuurde de diamanten. Tang voor tang nam hij op, zette de schroeven wat aan, lei rustig de looden weer neer en de poederpen betipte de schijf, die scheen zonder trilling. Dan kwamen ’r streepjes in ’nsteen, daar de schijf begon te steken en dieper neerbuigend polijstte hij na op den zoetkring, de hand op het lood. Naast hem zaten de andren, Moppes, Klaroen, Leon en Hes. Achter Klaroen was Rijst, de versteller, en over Hes, àchter den molen, slaaprig van kijken, oogjes laf van verveling, hangelde Laban, neefje van Hes, die het vak nog moest leeren. De ruggen der slijpers builden in de blauwe werkjakken, hun armen waren als scharen gericht, wiekten terug en weder vooruit in happenden greep naar de tangen. Zij wrongen de doppen, smeten ze toe den versteller, die z’n tabaksstompje bekauwde. Zij zaten gewend met de ruggen tot het licht dat hun jakken en hoofden van achter bleek-strak bescheen. Hes en Klaroen hadden aan de koperen pinnen van hun kastjes horloges gehangen; Leon, warm, knoopte z’n jas los, dat de bruin-gele nek en ’n stuk van z’n schouder overvleeschden het blauw van z’n jak. Boven het beenige hoofd van Hes, hingen de kleeren, vesten en jassen, halfhemdjes, dassen en bestofte fantasiehoeden. Hes floot ’n deun, saamproppend de lippen en Leon zingend met dik-gezwollen stem, overkrijschte het logge gesnor der wielen. Dat zette d’anderenaan en een oogenblik bralden ze samen, op rythmus van ’t dreunend wielengeslier. Klaroen, geel, met diepliggende oogen, trapte om dan z’n tabouret, kwam Juda ’n dop toonen. ’t Was ’n steen hard als boort, in kruis geslepen, in bewerking voor achtkant. “’t Mot ’r uit!”, zei Juda: “d’r in ken ’t niet blijve.” Weer naar den molen terug stugte Klaroen, zorgvuldig de looden neerdrukkend en Hes op zijn beurt toonde een dop, dien Juda keurend beknikte. Leon smakte een koekje met amandlen belegd, kauwde langzaam en zeker met sappig gemaal—dan weer opensplijtend z’n mond, zong-ie dikker en meerder gezwollen. Ook de chipsmakers galmden. Het werd een geraas strooprig en bot, roggel van plompe geluiden, ondergromd door het dronken gelal der assen, wielen en riemen.

Gekromd op de kruk, lusteloos kijkend, zat Eleazar en vroeg: “zou ’r werachtig geen kans weze, Juda?”

Hij vroeg ’t slaperig-moe, gejaagd en verslapt door ’n onrust die ’m meer bekleumde als ’r onweer of storm stond te wachten. Dan kilden dikwijls z’n handen en voeten, werden z’n oogen heet en klein-gloeirig, drong detong als ’n krop naar z’n keel. Dan zag-ie ’t leven als ’n zwaar, moeilijk-bewegend ding, leek elke dáád ’n kwellende drukking, werd iedre vraag, ieder voornemen ’n onrustig getast dat geen doel had. ’t Liefst had-ie z’n roozig, prikkel-warm hoofd tegen de werkbank gesteund en gedommeld. Na dagen en dagen gepoog om ’t fut van handen en armen te verkoopen, gaf ’t geweld in de zaal en ’t onweer-gezwoel ’n trage, laffe benauwing van onmacht: “Weet je nerges wat?”—, zei hij nog eens in lodder van gestoorden slaap en vermoeidheid.

“Wat zei-je?”—, vroeg Juda, weg in z’n arbeid.

“....Weet je nèrreges werk?”

De schouders van den grijzen, mageren slijper schokten ontkennend: “d’r loope ’r honderde leeg.... niet te telle.”

Het gezwijg hield hen weer bezig in ’t gestommel der zaal. Warm, met heete prikkelingen over de tong en ’n inerte verdoffing in z’n denken, stutte Eleazar het hoofd op de klam-kille handen, keek met nattige oogen naar het doen van Rijst den versteller. Hij had ’m als jongen gekend, om ’m gelachen toen-iemet blaren an de handen liep, met bloedende blaren van ’t kokend soldeer. Rijst stond in het kalk-witte licht van het raam, bezig ’n dop op te maken. De eeltige, dikke vingertoppen kneedden de plaatjes soldeer, die kruimden, bijkants broos, smeltend en weer opgeduwd door de handige slaagjes der tang, alsof smijdig klei werd geboetseerd. Op den dop bolde het metaal, overschuimend, groeiend tot een bloem van vleezige, kantige bladen, maar de tang scheerde er langs, gladdend de hoeken, vormend het vloeibaar soldeer in ééns tot een glanzenden eikel voor Hes, den brillandeerder. Ernstig gebogen over den dop, die in het blok rustte, besmulde Rijst de platgekauwde sigaar, lachte tegen Eleazar. Met de versteltang tipte hij de brillant op ’t puntig lijf van den eikel, drukte haar schuiner en de eeltige vingertoppen beaaiden het gloeiend soldeer, het smerend als olie om ’t ophoekend deel van den steen. Hoe dikwijls Eleazar ’t had gezien, keek-ie met verwondring naar de verkoolde vingertoppen die het vloeibaar metaal aandrukten, gladden, zoo gedaan hadden van af de dagen toen ’t vleesch nog gevoel had, toen zich bultige blaren vormden die opengingen, etterden, bloedden en weer opnieuw gepijnigd werden door ’t schuimend, kokend soldeer.

“Wàrrem vandaag”—, glimlachte Rijst rustig, en de dop, in den bluschpot gesmeten raasde damp uit het water. Dan was hij dadelijk bezig met een nieuwen dop, dien de vuurtang uit de verstelpit lichtte en waaruit de andere tang de brillant met voorzichtige knijping nam. Uit den bluschpot proestte damp van korzelig water en de pitten, nu niet bezet, snoven vlammen van wapperend geel. De houten blokken wachtten als roemers—een met den dop grauw-zwart van verhitting.

Weder kwam vroolijkheid, nieuw gehaspel van stemmen om ’n koopvrouw, kort en diklijvig, die een beugelmand sjokte. Zij wiggelde Eleazar voorbij, tusschen Juda en Moppes. De zwarte, smerige rok omknuffelde de schomlende heupen. Uit ’r split zwabberden bandjes, gieglend op het zware gebol der vetbillen. Een jek van lichtblauw met witte streepjes en inzetstukken aan de elbogen, hing los, gaapte weg op den zwangeren buik, onderdrild door ’t kwallend beweeg der borsten. Zij droeg ’n bandeau, en ’n muts van tulle enneepjes bedekte den haarwrong. Hes schreeuwde het luidst en de anderen zeiden hun glossen, lachend, de een overroepend den ander. Zij, goedig-van-glimlach, dee of ze niks hoorde, fluisterde met Moppes die z’n laadje doorkeek, of-ie nog zeep had en lucifers. Haar handen hield ze slap op den buik, nu de mand op den grond stond.

“Cheffie! Cheffie!”—, schreeuwde Leon: “laat de juffrouw d’r hande bòve de bank houe!”

“Hindert ze joù wat?”—, vroeg Moppes.

“Ze mot van Hes in de kraam!”—, lachte Klaroen zangrig: “van ’n tweèling!”

“As-ze van Hes in de kraam mot”—, riep Moppes, buigend naar Hes: “bekláág ’k die vrouw!”

Klaroen met een stuk rose-zeep in de hand, zei dat ze ééuwig zwanger leek, of ze ’r nooit is mee ophield?

“Zeg an me màn daddie me met rust laat”, lachte de vrouw.

“Staak dan ’t werk!” schreeuwde Leon.

“Ikzal ’t werk stake?”—, lach-zong de vrouw, “’k staak ’t werk in me kìs”....

Gelach was op de gezichten en Leon, driftigzich makend, purper-komiek, schreeuwde opnieuw tot Juda, den baas: “Cheffie, laat ze d’r hande boven de bank houe!”

De vrouw met zoetlijk beweeg, drong den buik naar de kruk van Klaroen, lachte om ’t gijnige doen van Hes en Leon: “Koop lievers wad-af”—, overreedde ze stil, bijtrekkend de mand, waarin zeep en sigaren, lucifers, broches, kammen en andere snuisterij. Met Hes bleef ze fluistren in ’t grommend geroes, dat doorsnorde de zaal.

Het was duister geworden. De cement-muur achter de chipsmakers stond als een schaduw met donker klimop en de goudglans der ruiten, henengevloeid, was tot kil-grijze wazing verworden met druipsels van stof. De warmte broeiend doortrokken van olie-gewalm drukte heet op de hoofden. Rijst, vreemd-wit bij de binnenplaats-ramen, licht dat geketst werd door muren, gekalkt, geleek bleek als op ziek-worden af. Het brokkelig pleister grauwde in ’t zelfd schemer-verschrikt licht dat het hoofd van den versteller met schuwe schaduwtjes betastte. Aan de overzijde, een-, twee-, drie-hoog, waren de fabrieksramen van het voorgebouw met wijd-weggeslagen gordijnen. Het wrange, langs loodenwolken wijkend licht stond zoo star in de zalen daar achter, dat Eleazar, die moe-aadmend gebukt zat, met ’n gelaat dat-ie in onrustjes voelde ver-scherpen, met ’n neus die hinderde en snorharen die in ontdaanheid steilden, de heele ruimte kon doorzien tot aan de vensters der voorzij van het gebouw, met het loom-wirrend groen van de gracht. Hoofden van slijpers zag-ie in nukkig beweeg, de geknauwde ruggen gekeerd naar het raam—en op elke verdieping achter het grijs der ruiten, lekte ’t spichtig-dansend gevlam van de pitten, rossig belichtend de gele gezichten der neerbuigende verstellers, hun grijpende rustlooze handen en de roodaarde vormen der bluschpotten. Beneden, gelijkvloers en boven dwaalden vlammetjes, henendompend, weer lillend met okeren tongen, zoo achter ieder raam dat norsch en doorzichtig was tot de gracht en de verre diepte der zaal aan de voorzij. Bij het wijd, hortend gekreun dat het gansche gebouw doorknarste, den grond in trilling hield, was dat lekken en vluchten der vlammen als een lollen van overal vretend, gluiperig vuur dat smeulde en ploffingen had.

Maar plots knepperde een schichtige vlammingvan licht, fel en wit, doorflitsend de zaal van de gracht tot de binnenplaats, wit-overkrijschend het pleister der muren. De roode verstelpitten boven, beneden, gelijkvloers, op alle verdiepingen, flauwden weifelend als in tocht van een sterken licht-wind en een slag, heftig en kort overknalde het grijze gedreun der machines. De slijpers, verschrikt, keken om.

“Wad-’n slag!”—zei Leon, staande naast Rijst, den versteller. Moppes en Hes en Klaroen kwamen van hun krukken, Klaroen met een tang in de handen en ze keken door de stoffige ruiten naar de overzijde der binnenplaats, waar de slijpers verschrikt achter de ramen hokten.

“D’r komp wat los”, zei Hes, den hemel schattend, die gletschers van indigo-blauw had. Juda alleen werkte door, het hoofd met de steil-grijze haren gebogen over de schijf die blauw-zachte glanzen van ’t cirklend gewentel had. De potjongen, leunend naast Eleazar keek angstig en Laban, de leerling van Hes, wakker geschrikt, stond op de teenen achter den molen. De chipsmakers, achter de bank, waren opgesprongen, hoofden bijeen voor ’t raam en bij ’t trapje naast de knorrende as schuilde dekoopvrouw, de beugelmand stijf tegen den zwangeren buik.

“D’r zit voor ’n duit”, knikte Klaroen, geler en ouder in ’t schaduw-licht van het raam.

“’t Mot in de buurt haast ingeslage weze”, onderstelde Leon. Moppes kwam weer voor z’n schijf, floot onverschillig.

“Hou nou godverdomme je smoel!”, stootte Hes ’m aan: “je mot niet flùite as ’t zoo....”

Hij zei ’t niet verder, hoofd wijkend in schrik. Een vlamming van schel-wit licht overgulpte de binnenplaats, belaaiend met krijt-stuiving het grijze cement. De kozijnen schuim-zwalpend en bijtend leken te scheuren onder het zwart der ruiten en de koppen van Moppes, Leon, Hes, Rijst en den potjongen hadden plots heesche kleuren, doorblauwd-wit en paarse vervluchtging als van lijken.

“Hèèè!”, schrikte de jongen. En een slag, zonder voorgerommel, slag van krakend gebraak, beukte langs de fabriek alsof de vallende schoorsteen de binten en pannen van ’t dak had stuk-gerameid.

Juda keerde zich toe naar het raam en Moppes, stil-schokkend, glee weer van de kruk, angstig-meekijkend.

“Adenoj, wad-’n slag!”—, angstig zei Hes.

De hemel, rotsgrauw, met koppen nachtzwart, vergrimde de fabrieksramen aan de overzij tot barsch-vale gaten. Boven, omlaag, smeulde ’t gele, laaiend beweeg der verstelpitten die angstiger rood hadden. Er scheen een stuivende wind te joelen. Driftig gesmakt zoog een stukje papier van de straatzij, vallend, opschietend tegen den muur, met bitse krassingen. Het gemaal der machines in de fabriek overkreunde het windgeraas buiten. En ’t begon spattend met brekende bellen te reegnen, schuin-wegge slieren op het stof-transparent van ’t glas.

“’t Is vlak boven de stad”, meende Moppes, hand op den schouder van Rijst.

“Noodweer”, zei Juda, en een fellere flits, blauw-ketsende vonk in doorlicht donkerblauw, deed hen weer zwijgen. Het werd een vreemdlijk gelicht in de zalen, licht met wijd-witte vlammen. Er schoten berstingen van de plaats door het voorgebouw naar de gracht zoo heet van puur-witheid, dat het hijg-schuddend, rinklend groen van de boomen en de verre gevellijn over het water in scherpe bleekheid opdoomden en de fabriek een wit-holle ruimte met doodengezichten geleek. Na iedren bijtendenlichtzwaai speelden de roode verstel-vlammetjes weer, kraakte het beukend gedreun van den slag, overbulkend het warrlend gegrom der machines. Het werd zonder einde, een blauw-barstend geulen van licht, sidderend-zwak soms als schijn van walmende toortsen, weder hoog-laaiend met sissend gebrand—en de slagen rommelden na, zwellend tot mookrend gedreun van rollende, buldrende wagens. In de aschgrauwe loomheid der zaal, was telkens het knallend gepuil van banken, schijven en dingen blauw-gedrapeerd, en de mannen, zwart van steviger lichaam, hadden hoofden en handen week-paars overglansd, tot de krakende slag ze weer liet in stuipenden schemer. Op de ruiten bij de chipsmakers sneden de spinnen van ’t stuk-barsten glas zwart-logge webben in ’t zweven en jagende dampen, en krankzinnig van gekke verdwaasdheid braken bij iederen flits de vesten en jassen, halfhemdjes en hoeden uit den hijgenden hoek. De vrouw op het trapje, de mand voor den buik op de wijd-spalkte knieën, hield ’r vingers in d’ ooren en de oogen geknepen omlaag. Stil mumden ’r lippen in angstig gebed en eenzaam met huilrig gezicht achter z’n bank, knippend met d’oogenbij iedere flapping van wit, stond Laban, de leerling, de armen gestut op het hout.

Het groeide tot zulk een schakel van aanstuwend licht, splintrend en klettrend tegen de muren, dat de zaal waar ze waren en de zalen aan d’overzij der plaats, knettringen van dansend booglampenlicht kregen, licht dat de roode verstelvlammen tot lucifersglim doofde. De gracht met haar groen door den stormwind geknoet en de gevels ver-af spoelden staag aan in lauw-blauwe vlam. En de dreuningen der bolle wolkslagen, romling in steenen spelonk, vielen met mokergeweld, brallend met stompe echoën, plomp van heen-schokking en weer zwaar van daver-plof berstend vóór het zwak nagestommel z’n vluchting volbracht. Niet even was er geadem van stilte. Slag sloeg na rogglende loeiing, knal zwol na buldrenden val. Soms kroop het stotterend voort, leek ’n kreun in hijging verslikt, tot de haaglende bliksem-zwiep, neersissend in vloekende woede, ’t gestamp en zwart-bulkend rumoer opnieuw uit den loggen, versteven bodem, pijnigde. Het roezend geslier der wielen en riemen, het spinnend geknor der schijf-assen in het azijnhout, kroop er in prutteling langs.

De mannen, angstig en stil, hokten tezaam bij het raam met de lallende gaslicht-pitten. Hun hoofden bogen terug als in kramp en de ruiten geraakten bleek-blauw bewasemd door d’adem der monden. De regen tikkelde harder, aansuizend, gestriemd door den wind, grauw van stuiving, en een slag, holler van roep, massaler van kraking, diep-naloeiend en weder in donkre rammeiïng losgrommend, deed het gebouw in ontzetting mee-beven. Er kwamen vlammen-van-licht, rood en aanhoudend, die d’overzij-ramen met glinsterend avondrood overbloedden en het licht vlamde nog na als de bulkende klotsing door nieuw gestommel verslagen. De wind scheen heviger. Een verflarde krant, nat en met klapprende deuken, spoot van omlaag, draaide in kolking vlak bij de ramen, scheurde in twee—de einden werden gezwalpt over het dak, gierend mee op den wind, nog juist belicht door een straal die de plaats en de ramen met paarse vonken bespette.

Het duurde niet lang.

Het licht, minder schel, kreeg violette zweving, vreesachtig getril van teer-spelende vlammen.In de lucht, effen-loodblauw, scheurden wiggen zilverwit en het schichten van den bliksem verzwakte tot vlokkig maanlicht-gestuif. De slagen, nu wijder af, grommerden domp, grijs-egaleerend het snurkend geslier der assen en schijven en het klikkend geluid van den mortier klonk als een spot en kuchend gelach.

Het werk hadden de slijpers hervat. Rijst gloeide een dop, de vingers om ’t weekend soldeer en een chipsmaker, achter, floot schril-uit een deun. Nog gaven de ramen raketsels van wapperend blauw dat bleek de wanden langs schoof en spookachtig zonk om de hoofden, maar het was lief geworden, zachtlijk paars, zonder verschrikking.

Leon, met de borst half-ontbloot, kwam bij Juda, hem nog eens toonend den steen, in achtkant geslepen, werk dat niet vlotte. Juda zei raad en een bevende lichting beaarzelde den diamant, hem begietend met groen op facetten en ribben dat-ie blonk als het lichtend oog van een kat, loerend met roode pupillen. Dan bij de zachte nà-siddring van ’t licht, glaasde de steen, overglansd met zeepbellen-sproeiing, rood, groen, zilveren glijding en vervloeiïng van geel, roze, oranje, lila, pensée, stoltendbloed—, teer versmeltend, weg-deinend, weder aanschalkend met zachte ribjes-gelicht.

De vrouw met den dikken buik, wieglend, zoet van gebaar, stond bij de chipsmakers, verkocht zeep, lucifers, sigaren.

En nog éens huiverde over de muren ’n teer-blauwe golving, trillend doorwaaiend de zalen waar de hoofden bogen naar de schijven en de lekkende tongen der verstelpitten roodelijk weken. De vage verdreunende slag werd zeurig gedempt door het gespin der machines en de mortier met het boort klikte driest, uitgelaten van klop en getinkel.


Back to IndexNext