V.

V.Tegen schemer liep hij de poort in. Zij was bruin van slagschaduw-groei, met geluwe damp bij ’t raam van den schoenmaker. Stug klonken hamerslaagjes, nattig van na-smak. Ook ’n kind huilde alsof ’t véel pijn had. Zacht schoof hij den muur langs. In den donkeren schuilhoek, overkeek hij de plaats en aarzlend-van-doen poogde hij te onderscheiden wie er in tante Reggie’s kamer waren. Er bewoog niets. De lamp was niet aan. De deur stond schuin-open. Van boven, waar meerdre ramen licht-kwijning hadden, vaagde een glans, gouden waas op het zwartpuin der muren. De neerwipte handwagen leek een dreigend geraamte, schuwe bukking van kwaadwillig dier.Luidloos sloop Eleazar nader, maar de deur naast het geluw raam van den schoenmaker werd geopend en een stem vroeg:“Wie is daar?”“Ik”—, zei Eleazar, terugschrikkend naar het duister der poort.Het was de schoenmaker die buiten kwam, de handen gebold onder het schootsvel. Afschijn van lamplicht geelde achter het hoekig lijf, achter de warrige haren. De man boog naar den hoek, herkende den buurman.“O. O!.. Ben jij ’t?”, zei hij—en sneller in grommend beklag ging zijn stem met klanken van onmachtig, ingeroest huilen: “...Verdomme, verdomme, nou mot je is kijke!.. Nou ku-je-’t verdomme is zien!.. Je zou je zoo gaan verzuipe!... Is dat ’n pèst!... En dat hei-je zoo telkes, telkes as ’t water maar effen rijst... Kijk me is an!”...Samen, schouder aan schouder—de deur was maar klein—keken ze in het keldertje, waarvan de steenen vloer blank stond. Op het withouten tafeltje was een kleine lamp die licht-gladding aan het water gaf, vuilig water boven roode tegels wier zwarte, diepe voegen ’n ruitig spinweb geleken. De witte kalkmuren stompten zonderling-scherp naar de balken-zoldring. In een bedstee met wijdstaande deuren zaten drie kindren, wakker geschrikt. ’tJongste, meisje, vaalbleek, huilde alsof het pijn had, klaaglijk, week smartstemmetje en de vuistjes bewreven driftig de holten der oogen, soppend het vocht tot diep over de wangen.“Hou je smòel!”—, zei woedend de vrouw. Ze had kousen en schoenen uit getrokken, den zwarten rok hoog om de heupen gewrongen, de strikbanden van den broek boven ’r knieën gebonden. Zoo trachtte ze ’t water in een emmer te dweilen, telkens den doek als een vangnet uitspreidend, ’m wringend in ’r roode knuisten dat het slijkwater met proesten in den emmer spoot. Als ze rechtop stond, hingen haar armen over den wikkel van kleeren, waaronder de gore spleetbroek met natte benglende banden en harige kuiten van slap, papperig vleesch. Waar de afscheiding was van de schoenen om de dikke enkels, waren de voeten van ingegroeid vuil, teenen met baksels van zwart en zoo op de schijven der knieën, wier puiling in ’t papvleesch daardoor sterker werd. Jan, manke joggie, nog op, zat op de leuning van een stoel, het horrelvoetje geschurkt over het andere been, oogen glinstrend van pret. In een hoek van den kelder, op schraging van stoelen, lagen dingen,ruw-weg daar neergezet om ze droog te houden, een oud matras, een deken, een mat, een ijzeren pan, een paar waterlaarzen, een pollepel, wat kinderkleeren. De waterpot, helwit, dreef bij de pooten der tafel, zachjes dobbrend door ’t golvend beweeg van de dweil. Stank van vuil dat lang in warmte gebroeid, stank van riolen en beerputten, door ’t rijzend water geloosd, ontsteeg het glad-kalm water, dat de vrouw probeerde te hoozen.Zij had een emmer vol, reikte ’m toe den beenigen man, die bukte en ’t hengsel greep. Donker-gebogen in ’t duister der poort, dof-vloekend, liep-ie naar de gangstraat, smeet met een smak dat ’t kletste tegen den muur, den emmer over den grond, kwam terug, begon weer te klagen:“... Nou zie je is!... ’t Is verdomme om bij te griene!... Je hart draait òm in je boddie... Al de stront van ’n ànder in je huis! En zoo telkes met volle maan. En die schoene die àf mòtten! Schei toch gedoome uit met je geschep! ’t Helpt je geen sodeflikker! Hoe meer je roert in de zwijnerij, hoe meer ’t stinkt!”“Das verrek-me je dànk!”, vloekte de vrouw, kwaadaardig de dweil op het water kletsend, dat ’t spette tot over de tafel: “Help liever wat mee, wat mee, wat mèe!”—, nasnauwde ze, diep-bukkend, de dweil heen en weer rukkend, het breed achterlijf in den goren broek naar de mannen gekeerd. Jan, ’t manke joggie, had kousen en schoenen uitgetrokken, besnoepte de kou van ’t water met den grooten teen van zijn misvormden voet, teppend en proevend voorzichtig.“Kòm!”—,grauwde de vrouw. Het kind doorhinkte het water met verkneuterd gezicht, lange stappen nemend, asof-ie schaatsen reed, schepte mee, een vuilnisblik in de hand.“Moe-oe mag ’k oòk mee-doen?”—,riep Dirk op den rand van de bedstee, heerlijk vindend ’t spelen van Jan. Met de beentjes wiegde-die buiten ’t bed, klaar om te springen.“As je niet lègge gaat, snotaap, sla ’k je voor je smoel!”, dreigde de vrouw en in drift toestappend, kletste zij met ’r natte hand het kind om de ooren, duwde het onder het dek, stompte verwoed de bulten van de ruige, vale deken om de lichaampjes der drie: “En às je blert, trap ’k-je doòd!”—Ruw van gebaar,’tbovenlijf mal-dik door den wrong der rokken, den goren broek om de beenen gekleefd door de zuiging van ’t opgestuwd water, trapte ze in den plas, ’t gelaat vierkant in snauw.Het was zóo grijs-triestig, van zulk een krijschenden jammer, dat Eleazar het harde, stooterig doen der vrouw natuurlijk, vanzelfsprekend vond. Ze kneep weer de dweil met wringende rukken, telkens bukkend, opmoddrend het water dat bruin werd, valer van stank. Haar rok losgeslierd door ’t verbeten werken, viel even neer dat de rand het water indronk. Vloekend, met huiling in stem, scheurde ze ’m op en hooger, staand met ’r papprige beenen gespreid en den broek omklakkend de vleezige heupen. Tip van haar hemd, zwarter dan broek, wipte de spleet uit en de losraakte banden zogen ’t water. Jan, ijvrig, lòllig dat-ie mocht helpen, plaste met smaaklijk genoegen. Het vuilnisblik stak-ie in ’t water, heevlend het over en met de dunne vingertjes poogde-die de gootjes te stuiten, die kletterend liepen bij elk van de hoeken. Flauw brandde de lamp op de withouten tafel, scherper belichtend een schoen zonder zool, den witten pinrand daarin, een els, een priem, een mes, een hamer enrommel van spijkers, nagels en kerfjes van leer. Ook een halfvolle koffiekom, rond en bedrabd stond bij de lamp. In ’t water, rullig gewiegd met dribblende rimpels, kropen goudslangjes van licht, hupplend met dwaze verwijding tot plasjes van glanzerig goud en de voeten der vrouw en van ’t kind kwamen killig de gladding doorbleken, die rood werd door weerschijn der tegels. De schoenmaker, geel in den post van de deur, hoofd tanig en leerig van juk, met stoppels van war-bruinig haar, bukte opnieuw, grijpend het hengsel, stortend door ’t ruwe aanvatten. En weer in het diep-dikke bruin van de poort, lijf schuinweg geknakt door de zwaarte van emmer, droeg hij het vuil dat de aarde onder het huis opsiepte, naar de gangstraat, waar het schaatrend van plas het duister doorwitte. Terwijl wiesch Jan zich de voeten, geleund tegen den kalkmuur, wrijvend met vuilige vingers over het horrelvoetje, vleeschklomp die zwaar leek te hangen aan ’t broos, mager been.De schoenmaker, weer terug in het geluw gestraal van den deurpost, dat traag zich verwijdde en licht-vlakking gaf op ’t bijtend gegroef der oude poortsteenen, gromde mistroostig.“...Zoo ’n sodejuusche kelder!... Zoo ’n ròt-kelder!... En dat ’t nòu mot komme... ’t Mot ’r verdik-me altijd weze as ’k werk heb... Nou, kwaje beroerling, lamstraal, maak ’r geen lolletjes van!... Help mee!... Dat staat goddoome te spèle!”“Nou-ou—as ’t blik lekt.. ken ik ’t hèlpe?”, zei Jan, bang voor moeder die opkeek: “...’t Loopt ’r alles weer langs.”...“Is ’t gedáán!”, dreigde de vrouw: “...Toe! Toe! Steek uit je poote!... Allo, neem de pot!”Het water inslurpte den emmer met klukkende kletsjes—modderig druipsel en dufzoete stank dreef naar de deur.“Da’s tèlkes zoo”, klaagde de schoenmaker: “tèlkes, tèlkes... ’k Wou da’k verrekte, verrèkte”... Er was grove beest-wanhoop in zijn stem. Zacht antwoordde Eleazar, niet aanziend den man, stroef-kijkend naar het voetenbeweeg in het opdrabbend water.“...Ja, ’t is wel erg, wèl erg... Zoo hebben we allemaal wat, mot je maar denken—mot je maar denken—al is ’t ’n slappe troost.—’k Ben zelf bàng na huis te gaan. ’t Is ’n vloek, ’n vloek”...Gloeiend stompte het bloed naar z’n hoofd.Waar-ie kwam, waar-ie liep, zag-ie de menschen geknecht in kleine ellenden, versleten in zorg. ’t Was of je enkel dàt, dat alleen op je weg kreeg, als je oogen na den winterslaap van ’n dooie jeugd waren open gegaan. Bij tante Soor, in den voddenkelder, waar-ie ’n kom koffie had gedronken, bij Suikerpeer, òveral in de sloppen die-die langs was gegaan, nou pas weer, leek ’t leven vermuft en verlept, als ’n dorrende bloem op ’n zonlooze vensterbank. Stappend in den avondschemer, de uitstallingen en winkeltjes van de jodenbuurt voorbij, had-ie met valsch geweld, de schijnbaar-zieklijke besluiping-van-altijd-’t-zwarte-en-miserabele te zien van zich af gezet. Hij leed, an de manie van méer wakker-geschrikten, an de èindloos opletten van grauw. De menschen hadden zóó lang geduld dat ze niet beter wisten. ’n Blinde wist niet van licht, als-ie blind was geboren. Als-ie niet zooveel in één passie gelezen, rijp en groen, dingen die-die hálf had begrepen èn klare, lekker wakker-schuddende geschriftjes, zou-ie als ’t gros van de stumpers blind-geboren zijn gebléven. Je moest oppassen van ellende ’n kwee-achtig ding te maken. Je moest je vasthouen an ’t blijje wèten dat ’r verjongingwàs—kwam ’r zèlfs bij slijpers die ’r vroeger niet an gèdácht hadden geen stàking?—menschlief, je kòn niet meer stadig terneer zijn geslagen. In je verbeelding vlamde overal, zèker de zon door. Zoo zich opmonterend in stemming-van-veerkracht, was-ie de poort ingewandeld—nou stond-ie opnieuw, machtloos, als ’n driftige kijker, met gebalde vuisten. Alle redeneering was lak, nutloos gedroom.De schoenmaker strompte door den mist van aandampend zwart, naar de straat. De vrouw rustte uit, norsch, lippen bot saamgekwakt. ’r Paars-roode voeten-met-vreetsels-van-vuil steunden op ’n sport van den stoel en onder haar rimpel-ritste het water met gouden geadem. Jan speelde met den pot dien hij liet drijven, zacht-blazend en duwend. Klaàglijker werd het pijnlijk gedrens van Aagje.“Nou dèn!”—, snauwde de vrouw: “Is ’t me uit!”“’k Mot zoo kàkke,” snikte ’t vaalbleeke kind, ’r hoofdje in persende duwing op de blauwtijken peluw.“Je houdt ’t maar in!”—, driftig opstoof de vrouw: “’k-Hè genoeg an mezelf!”—Goedigerdan, ’r an denkend, dat ’t kind in de laatste dagen telkens het bed had bevuild en hoe kwaadaardig de man was as-ie in zoo’n stinkend-nat bed most slapen, plaste ze weer door het drab water, zoekend den pot.“Hier is die moe,” haastig zei Jan, drogend den rand an z’n kiel.Op de deken in de bedstee tilde de vrouw het huilend kind, dat met de magere beentjes gehurkt kwam te zitten. Met ruwige wreef wegveegde ze ’t vuil van ’t gezicht.Als een kreun spette het in den pot. Dirk, blij dat-ie wat mòcht, hield ’t zusje vast, terwijl de vrouw, hooger schurkend den rokkenwrong, optrekkend den broek die nat-plooierig zakte, weder het water te dweilen begon. Jan kudderde mee. Niemand sprak ’n woord—de mannen wrokten—de dweil perste water in den bek van den emmer, de voeten der vrouw trapten gaten van drift. Dirkje, die den pot bij ’t oor hield en ’t pijnlijk-drukkend meissie bij ’r buikje steunde, praatte ’t eerst. De spichtige billetjes had-ie met ’n tip van de nachtpon geveegd. Nou, in den pot kijkend en smerig van lip-trek, riep-ie hard:“Moeder!.. Moeder ze heit weer blóéd gekakt!”De vrouw, neersmijtend de dweil, schuurde door ’t water, droogde de handen lomp-weg an ’r broek, nam ’t kind van het dek, lei ’t met sussend beweeg naast Dirkje en Truus, keek in den pot, bij de lamp. Bij de deur zagen de mannen, flauw-rood tegen het wit der pot-ronding, ’n grillig lijntje uitgelekt bloed, aarzelend spoor van een bloedtraan. De vrouw, schuddend ’r hoofd, met jammertrek van wel-willen-snikken, liep naar hen toe, toonde suffig het meerdere rood dat takjes en aartjes had in ’t waterig bruin. Dan zonder gespreek, dik-snottrend, hoofd zwaarlijk gebogen, omspoelde zij den pot in den emmer, die grijs-lauwig bleef van opgedweild water, niet dieper van kleur werd. Ze spreidde den vadoek opnieuw, wrong ’m met knarsig gewring, snikte dofingehouden, harder van neus-haal als het water in den emmer kletterde. Haar broek zachtjes afzakte door ’t veelmalig bukken en een stuk bleek-fletsig vleesch van de bil overbarstte den snijdenden band. Jan, rustig, plezierig van mors, lepelde het water in den schuingehouden pot. Z’n horrelvoet stond als een vleezige knoest met een schaduw-wond onder den enkel.“Kan ’k je hèlpen? Wil ’k ’n emmer halen?”—, vroeg Eleazar.“Nee,” knikte de schoenmaker en plomper: “’t Helpt geen verdomnis. ’t Is monnikewerk. We houen ’t de heele nacht, de heele nacht. En morrege zakt ’t van zellef”....Het was geheel duister geworden. Voorzichtig schuiflend liep-ie de plaats op. Bij tante Reggie was nog geen licht. Goddank. Alles naar bed. Geen teleurstelling. Geen belabberde uitlegging. Maar uit het licht-doezlend raam van Suikerpeer werd een hoofd gestoken en de groentenjood vroeg:“...Eli—bin jij ’t?”“Ja,” schrikte hij,“Kom-ie nie bòven?... Reggie is hièr... Mod-je geen kommetje?”De nauwe trap kraakte alsof spaanders werden betrapt. Boven werd een deur open gezet. Schemerschijn belichtte de uitgeloopen, grijze treden, de muren van zwart cement.“Is dat uitblijve!”—, klaagde tante Reggie.Hij glimlachte lichtschuw, pogend te zien wie er waren, struikelde haast over ’n matras, waarop vier kinderen sliepen. Bij detafel zaten Suikerpeer, Essie z’n vrouw, tante Reggie, Dovid, Mijntje, de oudste dochter van Suikerpeer en twee vreemden, ’n magere man met ’n langen baard en ’n jong meisje met loskrullig zwart haar. In de bedstee, waar ze met moeder en vader saam-sliepen, lagen nog twee kinderen. Stank was in de kamer, stank van te veel menschen, stank van den emmer in ’t hokje. Het raam stond open. De lampen in den ijzeren hanger brandden laag met spitsing van zuigende vlammen.“Og!”—, verweet Dovid, schreeuwrig, vies-kregel: “nòg, dalles-man blièft boven water te komme! Dat schnort de heele dag langs de weg! Ha-je thuis gewees ha-je werk gehad! Og, wad-è schlemiel!”...“Werk?”—, vroeg Eleazar verwonderd.“Is dat uitblijve!” klaagde de blinde weer, bekijkend de klanklijn van z’n stem: “waarom bin-je nie kome ete?... Dan was je Berlijn nie misgeloope... En zoo’n onrust...”“Berlijn?... Berlijn”, herhaalde Eleazar in toon van ontrusting.Dovid, zich opwindend, driftig van trek om neus en om lippen, handen trillend door ’t wriemlen der vingers, overschreeuwde hem:“Ja, Berlijn! Berlijn! Berlijn! Wat sta je as ’n pilaar! Weet je nìe wie Berlijn is! Had thuis geweest ha-je werk! Loop ’m nou achter z’n togus, as-die àndere angenome heit!”...“Nou! Nou!”, suste de blinde: “Heit-ie nie gezeid dad-ie ’n plaas voor ’m open zou houe?... Wat maak jij je drùk, Dovid... As-die nog nie-eens gegète heit!”...“Laat-ie wel vrete!”, schreeuwde Dovid: “Laat-ie niè vrete! Ook ’n zorg!”Het was tusschen hem en Eleazar al lang ’t geharrewar van twee die mekaar in geen jaren hebben gezien, mekander niet meer verstaan.“Berlijn?”, informeerde Eleazar rustig: “is-die van de fabriek van Laboen?”—en zich ’t geheugen scherpend, zich den naam herinnerend, zei-ie met zekerheid: “Ja, dat-’s die van Laboen. Voor die werk ’k niet. Dank je. En ’k werk nou voor niémand. De staking komt ’r door.”Dat gaf gejoel, zig-zag en kolking van stemmen, angstig besust door Essie, bang voor de slapende kindren.“De schtaking? De schtaking!”, riep Suikerpeer, dik-lodderend, met ’t raspig geluid van z’n ontstoken keel.“De schtaking!”, schreeuwde de man met den langen baard, dien Eleazar niet kende.“De schtàking! De schtàking!”, tierde Dovid slaand met de vuist op de tafel, dat de kopjes rinkeltetterden, eén slijkrig koffiedik stortte: “De pescht! De pèscht! ’k Zel nòg langer schwieje-nieje lijje! ’n Golle! ’n Golle! Wie geeft me te poojen as ’k ’t nie heb?... Hei-’k nie wèke zehaam gezete zonder ’n cent ’n makke te verdiene? ’k Bin dijmantschleiper en geen stráátschleiper! Betale zìj de huur?—Betale zìj ’t brood?—Betale zij Witjas?—Betale zij ’t vleesch!—Oggenebbiesch vléésch! Ich muss fressen! Ich muss fressen!—Voor mijn part leit Dekker zich ziek! ’n Miessemisschinne! ’k Hei ’n partij kappies angenome en knappe jongen die ze me afneemt! Nòg! Hij vertelt wat overnieuws van de schtaking! De schtaking! Narrigkat! Die laat zich mesjogge make! Hei jij in maande ’n cent gezien! Hei ik in maande ’n cent gezien? Geen brood krijg-ie geborgd! Gasserponum! Schwans! Stomme schwans! De schtaking! De schtaking! Nòg!”...Speeksel ontspetterde z’n mond en ’t gladgeschoren beenig hoofd zenuwbeefde van woede.Met driftig gebaar nam-ie de kom van de tafel, dronk, zich verslikkend bij ’t wilde geslurp.Koel keken de grijze oogen van Eleazar en ’n trekking van trots kwam om z’n dunne bloedlooze lippen. Nog vóor Dovid was begonnen te razen, had-ie gevoeld wàt ’r zou komen, had-ie door de gewilde, ’r dik-opgelegde drift begrepen dat de zwager, die al den eersten avond van z’n thuiskomst over de meeting in ’t Paleis met Suikerpeer had zitten ruzieën—in kwaadaardigheidjes en geschetter z’n onrust verborg. Zònder angst had-ie z’n woede niet kláár gehad.“As jij wil onderkruipen”, zei hij met de kalmte van iemand die de onechte opwinding van ’n ander neemt voor wat ze is: “as jij kameraden die werk hàdden en ’t voor jou, voor mijn, voor honderd anderen hebben neergelegd—wil bestelen—mot je dat zèlf weten. Je kameraden...”“...Me kammerade!”.., schreeuwde Dovid zangrig-schel: “Adenoj elleheine, me kamme...”“...’k Wou oòk uitpraten”, viel Eleazar hem bits en zóo domineerend in de rede, dat Dovid met nog nà-mummende lippen ophield: “...As jij wil onderkruipen mot jìj dat weten...Ik doe ’t niet—al krepeerden we zóo as we hier zitten van honger”...“Gelijk heit-ie”, zei de man met den langen baard.Eleazar zag ’m aan. Hij had den harden kop van ’n Poolschen jood, ’n gebogen neus in velscheur-striemen, rood-omrande oogen en ’n baard van ruwe bruine slieren, waarin zilverdraden metaal-schampjes sloegen. Aan den linker-mondhoek, vurig-builend naast het daar korter pluizend haar, spande een gezwel als een knikker. Dàt zag Eleazar het eerst.“Gelijk! Gelijk!”, schreeuwde Dovid in meerdre opwinding: “zoo’n maugverdraaier! Me kammerade kenne de pescht krijge! As ìk nie onderkrope was in de tijd van me oogziekte, zatte we niet in de dikkedesch! Zal ik nòu mesjogge zijn? Was hab’n we vemiddag gefresse?—Schappie-hindelemindel!—Vreet jij je daar ’n barsting an!—Waas hebbe we gister gefresse? Zogererwte! ’n Brok zuur an de kar! Staat nie me bovenbed in de lommerd? Staat nie me talles in de lommerd? Voor mijn part krijgt de heele mischpooge de chòllera, vuile addermekakstraal!... ’k Zal nog langer de ouwe vrouw en me kindere late verrekke!Eer ìk de partij kappies uit me poote geef zalle juillie allemaal sjankes krijge!—En jij—jij ’n darme-reising!”...Nu in natuurlijke woede, geelbleek, stond-ie op, smeet z’n stoel tegen ’t raamkozijn, verzette de koffiekom met ’n smak op de tafel.“Og, wad-è frotter haurik!”, smaalde Essie, de vrouw van Suikerpeer, na een stilte van onthutsing, en krènkender smaalde ze: “benche ken-die niet—zal die vlòèke!”...“Enne tòch heit-ie rech,” lodderde Suikerpeer oòk opgewondener: “Wat heit hij met ’n schtaking te make! Heit-ie niet ogge-nebbiesch làng genoeg geschtaakt! Ken jij je kindere wegpattere? Ik zweer je bij mijn gezond, bij mijn kinders-lang-leve: ’k hei vemiddag enne gister, enne weisz-ich-viel hóé lang aardappele gevrete met vèt! As ’k ’n schleiper was en werk kon krijge, schleep ’k de heele nach en mòrrege nach en overmòrregenach tot Sjabbes toe!”...“Wat zal hij néé zegge?”, meende zachtzinnig de blinde, starend naar de peer van de lamp: “Wat zal jìj nee zegge, Eli!.... Hebbe we nie pech gehad van dad-jij van Ammerika bin weromgekomme? Sta ’k nie voor de vierde sjabbes in de schuld bij Witjas? Krijgtnie de fruitman? Krijgt nie Kalf van de nasscherei! Ogge-nebbiesch me Saartje heit geen hèmpie an ’r lijfie!... Berlijn is ’n toffe jongen—Schnij jij je ’n bezze bittere krieje voor àndere! Schnijje zìj zich ’n krieje over jou? Een ’n makke!—Jij mot nie stake! Dat zijne rissches. Zoo zal God me nog eenmaal ’t licht in me ooge gunne: Dovid heit rècht”...Ze zweeg, napreevlend met ’r droge lippen, vrindlijk-rustig knikkend naar de zij van Eleazar. Maar de donkre stem van den Poolschen jood, sprak hortend, stem langzaam ver-heeschend in drift:“Rècht!—Wàt is recht?—Recht is as je grijp wat je ken grijpe!—Recht as ’k gàp, as ’k honger lei!—Recht as ’k ze spuug in d’r gezicht die me beschwindele!—Recht as ’k ze trap op d’r hart!—Recht dat-ze d’r longe, d’r lever verzieke die me kindere te kort doen!—Recht as d’r ingewande van krampe krepeere!—Wàt is recht? Recht is as juillie ’t verdòmt langer honger te lijje!—Recht as je strijdt vóór je maag! Wat ken één man, Dovid? Og! Juillie mot as ’n klit an mekaar kleve! Geve ze niet goeischiks dan neem-ie kwaaischiks. Kwaaischiks is dan je rècht!—Alléenig doe je niks,niks, niks—alleenig krijg-ie geen speldeknop, geen korrel suiker, geen spùg water, geen korrel zand! As juillie klève an mekaar, klève, dan kenne juillie dwinge, dwinge dat ze de schwerenaut uitbreekt!”...Hij zweeg, de handen bevend op ’t vlak van de tafel. Op ’t hooge voorhoofd waren de aren gezwollen en wit-schuimend speeksel drabde over z’n lip naast het roòder-geworden gezwel.Opnieuw was stilte in de kamer, aandroesde gepraat van de plaats, waar de schoenmaker liep met z’n emmer.Essie van Suikerpeer, verschrompeld bandeau-vrouwtje, sprak ’r aanloopje zoekend, slijmrig-bedeesd “...Nou ja, ù heit goed prate, u weet niet wat ’r komp-kijke: Dovid ken ’n goed stuk brood verdiene... hij werkt met víér tange”...Dovid, die bij ’t raam stond, wond zich lawaairiger op. Rauw krijschte ’t geluid uit zijn keel:“En nou zal ’k godverdomme ’n onderkruiper weze!... Kenne ze me allemaal de maarsch lekke!... Voor mijn part schtàke ze, schtàke ze tot ze de krenk krijge!... En ’n rotkoorts op de koop toe!... Zal ìkme schikke na Dekker!... Zoo zalle z’n achterste kiezen na vòre!... En jij je geschwollen legge! Nou zàl ’k onderkruipe—nou zàl ’k—Legge juillie je allemaal ziek!”...Mager van woede, de oogen uitpuilend, spuwde hij naar den grond, liep de kinderen op ’t matras voorbij, smeet de deur met bonzend geweld achter zich toe.“Wat ’n mamsertòmme!”—, zangerig zei Essie, ’t bandeau-hoofdje in de handen wieglend.Verlegen stilte bleef tot Dovid’s voetstappen niet meer op de trap werden gehoord. Dan kwam gepraat van alle kanten. Suikerpeer, Essie, tante Reggie namen z’n partij, sprekend gelijk, elkander met spuugrig lawaai in de rede vallend, zich opwindend, druk van gebaar.Rond de tafel smoezelden ze, Reggie over ’t raam, bij Essie en Suikerpeer. Om den hoek Rebecca, de dochter van den Poolschen jood, luister-zwijgend als Mijntje, de oudste van Suikerpeer. Podnowsky, naast Eleazar, schoof naar het venster nu er meer ruimte was gekomen, ging te-keer tegen de drie, soms overschreeuwd, soms overschreeuwend, grimmig verwenschend die ’m hadden vervolgd van af z’nkinderjaren toen-ie met vader en moeder uit Rusland was gesteenigd.Koffie-lebberend, moe, leeg door ’t gevast, luisterde Eleazar. Soms keken z’n grijze oogen in de groot-zwarte van Rebecca, verwonderde hij zich over de frischheid van ’t ravenzwart meisje dat hier niet scheen te behooren,—dacht-ie aan de rijpheid van ’n pioen. Sterker, in grooter jeugd, was ’t ongewoon wangenrood als-ie naar Mijntje keek, ook zoo van zestien, zeventien, kamer-sip, bleek, met korsten in de haren en over de ooren, wat al de kindren van Suikerpeer schenen te hebben. Even door de warmte der kamer perrelde zweet op z’n voorhoofd, maar de tochting van ’t raam, wit-slaand tegen z’n vel-heetheid luchtigde ’m op.Laag nedervlakte de zoldring-van-balken met schuwlijk dobbren van lampelicht-kringen. Op de tafel was morsig gewar van kommen, koppen en schotels, glanzerig wit, door klodders en sopjes bruin overstort. Het zeil, geel, met bloemen-gefleur en weg-krabde gaten, lei met bultende vouwen en glimmige plasjes.Behang was er op zij van de deur—, derest in flarden gekruld, hing los aan de wanden van spikklige kalk. De muur was ’n vervellend dier, dat de oud-doode huid van zich afschudt. ’t Netst blankte de kast met deuren van klein-glazen ruitjes—er achter planken met puntige tanden vergelend krantepapier, tanden groot en gelijk, knipsel van Mijntje. Daarop borden en glaswerk, roodkoperen dingen in dofrood gevlam. Den rand van den schoorsteen, terzij van de bedstee, had Mijntje belegd met repen behangsel en ook daarin roofdier-tanden geknipt, lauw nu ombollend door de warmte der kamer. Op den grond, bij de koperen kachel, lagen de kindren, Meijer vooraan, die wakker nog was. De drie andre, hoofden verzakt in de peluw van zeegras, sliepen met opene monden, leelijke kinderen, ouwelijk-joodsch. Esther, meisje van twaalf, had witte plekken op ’t hoofd, waar ’t haar school onder zalf; Jaantje, kindje van tien, had ’n groen-zwerend oortje; Flippie, ’n jongske van zes, snurkte door ’t mondje, bekrabde in slaaprig beweeg ’t hoofdje van korsten dat ’t waterig bloed bekleefde de haren. De jongste lagen in de bedstee, waar ze sliepen met vader en moeder. Mijntje lag meê op den grond.Bram, ’t jòngste kind, onrustig van slaap, bewoog soms met stokkende kreetjes in stuip, stil-zieklijk kindje, dat langzaam uitteerde. Bekkie het eenig gezonde, lei stil achterin.Om de tafel zaten de menschen, bonkige lijven zwartend bij ’t schemerig schijnen der lampen, glimglans op de handen in ’t licht, vleesch-rood op de gelaten, wit-sterke schamp langs de kommen en spullen. Schaduw van Mijntje’s rug strekte stug-strak van ’r stoel over de hoofden der kindren op den grond, waduw van weifelend zwart. En de deken aan ’t voeteind, rood-met-bloemen-van-geel en lostornde pluizen daartusschen, wolde in spreidender licht. Achter het hoofdeind was de deur van de kast waar de strontemmer stond. Er hing daar een plaat met woelige zee en een man staand in een dobberend hulkje. Ze was haast verbruind, met bellen van vocht en er onder stond vaagjes-gedrukt met bleekende letters:Wilhelm Tell befreit sich durch einen Sprung aus Geszler’s Gefangenschaft.De menschen an tafel redeneerden nog druk. Mijntje, Rebecca zaten gieglend te fluistren.Podnowsky, de Pool,—ze noemden ’m Poddy—twistte met Essie en Suikerpeer.Eleazar, vermoeid van het slentren, knikte in slaap. In de bedstee huilde een kind. Afleiding gaf dat, daar Essie ging sussen en Eleazar, òpschrikkend, luisterde mee-knikkend naar het nieuwe gepraat.“Dad’s Bekkie”, zei Suikerpeer en loddrig van lach, zei hij een grap van ’t kind: “Die is zoo góógem, zoo uitgeslape voor ’n kind van drie jare... Wàs ze niet drie?... Wi-je geloove dad-ze de trappe afloopt en dan zoek ’k ’r en waar denk-ie dad-ze dan zit?... Bij de geneiwekoopman!—Maar nou zal ’k je ’n gijntje vertelle... Van morrege wor ’k wakker en daar zeit de gebenchte memme: “vader wad-heit-u van-nacht weer met moeder gewipt—U begrijp me: gewipt!—Gijn van zoo’n kind!...”Blinde tante Reggie lachte èn Essie èn Mijntje èn Rebecca—de meisjes met proestend na-giglen en schuw-driestig kijken. Essie die ’t kind had gesust, vertelde dan verder:“...Weet je nog van Joozepie oleveschonoe—Wil u gloove Poddy: we hebbe ellef kindere gehad!—as diè wakker kwam en we deeë iets—ù begrijp me wel, dan begon-ie te roope: vàder, vàder, vàder ik modpoe-oe-oe-pè!... Moeder, ik mod poe-oe-oe-pè!... Mijntje, ik mod poe-oe-oepè!... En àls van voren af an, om geregeld mesjogge te worde... net zoo lang tot wij d’r uit moste scheije! Ogge nebbiesch—nou is-die dood en ’n schein kind—werachtig ’n christenkind!...”“...Ja”, zei Suikerpeer snel—vergeefs had-ie met z’n oogen zitten knip-wenken om Essie te waarschouwe dadde Mijntje en Rebecca zulleke bed-dinge niet moste hoore—nou sprak-ie mal-luid om ’t gelach héen te praten: “Je ken wadde beleve! Lach nou zoo niet! D’r valt nimmendal te lache! Ja-ja we hebbe al vier kindere na Zeeburg gebrach en ’k denk—dat Brammetje,—dat Brammetje...” Hij stokte in bekijking van het bedsteedonker, waar ’n ademkreuntje in hapering stootte.“’t Is ’n wònder, ’n wònder die herzensziekte”, zei Essie bedrukt, de handen in ’r schoot.“Alles wat Gòd doet is welgedaan”, zei rustig-glimlachend de blinde: je mot God met vràge nie verzoeke—Kom, Eli breng me de trap af...”Ze stond op, storend Eleazar, die met hethoofd in de hand naar Rebecca keek, naar ’r sappig gezichtje in den tuimel van zwart haar, naar het git van ’r oogen.Hoe komt die hièr—dacht-ie. Hoe is die zoo frisch gebleven bij ouwe, verdane menschen? En wat lacht ze driest—wat heeft ze gemeene trekkies om ’r mond—wat ’n vreemd snuitje—As ze nièt lacht, me niet ankijkt—as ze stil bij de lamp zit—is ze ’n vervroolijking van de kamer—en às ze lacht—as ze met natte lippen wacht of ’k méélach—gaat ’r iets klams, iets branderigs, iets hinderlijks van ’r uit.“Blijf-ie zitte, Eli?”“Nee-nee,” zei-ie opgewekt.Voorzichtig liep-ie voor de blinde, ’r hand vasthoudend, tree voor tree, bracht ’r naar de zoet-walmende kamer benee, stak de lamp aan, verstrooid.“...Wat doe je? Wat doe je?”—glimlachte ze: “voor mijn hoeft ’t alweer nie!... Maar nou je hièr bin—: je boterhamme staan in de kas... Neem-die medeen mee... Hoor je? Hoor-je?...”In de glazen kast zag hij ze, nam ze van het bord, zei ’r goeien nacht.“Gebruik je verstand, je verstand, Eli”, sprak zij hem na: “wat ken je mazzel weze mee te doen met de òngijn van ’n schtaking?.. ’n Schtaking is ongeluk—òngeluk... Wees geen verschwarzte nar—ik ziè de zake zooveel beter as jij ... zooveel bèter ... zooveel bèter... Ga nou morrege na Berlijn, die heit gróót werk.”“Nee”, zei hij beslist... “as ’r geen smàusen en zieltjes onder de arbeiders waren, zouen we àlles doen... Ga maar slapen... Van Dovid’s verdiensten vreet ìk niet mee... Ik kom er wel. Goeien nacht.”Hij sloot de deur. Op de plaats was ’t nachtduister. In de massale zwartheid der muren, zwart als de lucht boven, broeide venstergekwijn, licht als het rood van moede oogranden. Dat stond zwijgend, had angstige sproeiïng van rottend rood in het plompe, builende zwart. Zelfs geen menschenbeweeg en geen schaduw, enkel vaal-rood langs ouwe gordijnen.Het hol van de poort wasemde schuifelend grondlicht. Met het brood in de hand ging Eleazar er heen, struiklend over een emmer die niet was binnengehaald. De deur van den schoenmaker stond wijd-open. Hij zelf zat opde keldertrap, arbeidend voor de tafel, die hij naar zich toe had getrokken. De vrouw was gaan slapen bij de kindren in de bedstee. Het water, hooger gerezen, had gouden glanzels en ’n keeglende gouden lampe-baan naast de teere weerspiegling der tafel.“Nou zie je wat d’r hurrie geholpe heit,” praatte de schoenmaker voortwerkend: “as je de hàlve nacht blijft scheppe, helpt ’t nòg geen mieter! Zoo ken ’k teminste werreke en morrege trekt ’t de grond in. Dat eeuwig geneuk van die wijve!”...Zijn hamer beklopte een zool, indrijvend de pinnen, de vuist, prop om den steel, schoot driftig op naar het oor en weer neer.“Werk plezierig,” zei mat Eleazar.“Plezierig!—Plezierig!” herhaalde de man monotoon en flauw-lachend.De trap kraakte stug onder zijn voeten, nu hij naar boven ging. Hij bewoonde de kamer bòven Suikerpeer. Amerika had ’m verwend. Hij had niet meer kùnnen slapen, sámen met Dovid op den grond van de alkoof, bij tante Reggie, Saartje en Moosje. Hij woonde alléén, at bij Reggie. Zoo was ’t het beste geschikt, niet te duur. De kamer dee vijftig cent in de week—en hij was vrij. Bij Podnowsky, den Pool, stond de kamerdeur aan. De lamp had gestoomd. Zweving van roet was tot op ’t portaal.“De lamp heit gewalmd. ’t Stinkt,” zei Poddy, die rondliep op kousen met knollige gaten. Aan oude bretels hing zijn broek en de paars-groene borstrok omspande de magere borst. Vaag zag Eleazar een bed op den grond, hoofden van kindren, ’t open gesprei van een bedstee, een pot en op tafel stronken van bloemkool. Meer bij de deur stond een kleinere tafel met doozen tabak en sigaretten.“Da’s mìjn negotie,” zei Poddy, strijkend de hand door den baard en wijzend naar de sigaretten: “daar mod-ik me vijf kindere d’r monde mee stoppe.—Wi-jij d’r een rooke, ’n echte Rùssische, na je soupé? ’t Is ’n fijne.”...“Graag”, sprak lachend Eleazar en terwijl de hoekige jood er een uitzocht, keek hij naar ’t matras op den grond, waar hij hoofden onderscheidde—een klein kind—een jongen met aankomend snordons—en Rebecca die ’m aan lag te kijken, lachrig-verlegen. Bij ’r hoofd, op ’n stoel, was ’t slordig gekreuk van ’r rokken, ’r broek bovenop met nog slingrende banden.“Rook ’m bij je soupé,” zei Poddy: “en doe niet as Dovid ’t pèstgezich! Jij heit gelijk. Gezegend zal je weze.”...“Dank je. Goe-nacht. Slaap wel,” wenschte Eleazar, hooger klimmend naar zijn kamer.Er was geen licht. Tastend in ’t donker, duwde hij het raam op, schoof den manken, matten stoel bij, begon van de boterham te eten. Maar na een paar happen, in onrustige gedachten, lei hij ’t brood op de vensterbank, keek naar de dakpannen aan de overzij. Het was een volkomen donkre nacht. Voor hem uit klompten de daken diep-zwart, bizar en geweldig, vreemd-gestolten pantser over het leven daaronder, grauw-ijzren domper over rood-kleine kamers. Een eenzaam dakraampje in de zwarte allee van vele giganteske dingen had hetzelfd rottend rood der ramen van straks.VI.Bram, ’t kwakkelend kind van Suikerpeer was gestorven. Op ’n morgen lei ’t dood in de bedstee naast vader, moeder en Bekkie. Het gaf weinig verwondring in ’t huis. Poddy kwam eens kijken, tante Reggie sukkelde de trap op,—er werd ’n uur verdrietloos gepraat. Langer niet. Suikerpeer had ’n partij bevroren rooie kool gekocht, die door de muffing der kamer bedorven was. Ze hoopte achter de deur in manden. De onderste rotten al weg, doorstonken de kamer, waar ’t dood kindje op stroo was gelegd, nauwlijks ’n bobbel onder den doek. Den heelen Vrijdag ventte Suikerpeer, verkocht weinig. De kool was rinzig en week—de menschen wouen ’r niet an. En het regende geweldig. Doornat, met kleeren die ’t beenig lichaam beplakten, kwam-ie thuis, sjouwde de mand met de meegenomen negotienaar boven, ’t lijkje voorbij, smakte ’r neer in den hoek, bij de rest.Nog hijgend van ’t traploopen, grimmig-verstoord door ’t watergesiep in z’n nek en de kou van de voeten in de stukkende schoenen, huilde-die ’t uit: “...’n Verlamming in d’r tong zoo hebbe ze afgeboje!... God zal ze verdomme!... ’t Rottuig!... Nog geen tien stuiwer gehaald!... Hoe komme me cente d’r uit!... Me paar ongelukkige cente zijne naar de aschmedij! Hoe kom ’k an ’t geld voor me sauger! Hoe kom ’k an nieuwe negotie! Is dat ’n ramp, ’n ràmp! Daar zitte we met de stinkende kool, godverdommè! godverdommè! godverdommè!”Op een stoel bij de tafel was-ie steunend gekwakt, de vingers geklit in het haar. De schorre, verwoeste stem kraakte de smart uit, krijschend, met ruwe snikgillen. De handen rukten het hoofd heen en weer, hartstochtlijk van wanhoop. Het waren groote, grove handen, paars-rood, diep in verf van rottende kool en de toppen der vingers, dik, vleezig, zonder nagels, hadden ingebeten klodders van zwaar, rauw indigoblauw. Over het geel-bol gelaat, grijs-bestoppeld, hadden ze gewreven,de tranen wegsoppend, de wangen besmerend met waternat blauw, dat ver-lekte in rood. Z’n heele lichaam, z’n kleeren, z’n pet, z’n schoenen, waren van dat fronzend, vlakkend paarsrood koolsop. En de manden waaiden een lucht in de benauwde, warm-stookte kamer, alsof een lang-gebruikt privaat open stond.Het krijschend, snikgillend gehuil van den groentenjood, sloeg zelfs de kindren in zwijgen. Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie zaten om de tafel, spelend met een bordpapieren prent, die Jaantje in een vuilnisbak had gevonden. Ze leien daar afgebrande lucifer-stompjes op, zeien telrijmpjes. Mijntje was bezig met ’t eten, Meijer juist thuisgekomen met groene, geelbultige augurken, stond stil in den hoek bij de dof-roode, weeke, paars-sop plassende kolen.“Maak je nou nie van streek,” zei Essie: “in gosnaam!.. Wat ken je d’r an doen?... Beter as ’n arm of ’n been gebroke... En—en was verstàndiger geweest... D’r zit geen brooge an kool...”“Klets me niet! Klets me niet! Wat hei-’k daarmee an me kop, godverdommè!”, huilde de jood, opschokkend, de kamer doorloopend,van het lijkje naar het raam en wild met de armen bewijzend wat-ie wou zeggen: “Me heèle handel zit ’r in, Addenòj!... Waar mod-’k ’t uitscheure om Tobie te betale!... Hoe kom ’k an nieuwe handel!... Met de pest-sjabbes rotte ze nog meer!... En Zondagmorrege de lawaaie!... Wor jij daar niet mesjogge onder!... Wat mod-’k beginne! Wat mod-’k beginne!... Godverdommèèèè, godverdommèèèè!”...De wanhoop van den tegenspoed, het schrijnend-kwellende der klevende, zware kleeren, zwart van regenwater, deed ’m dierlijker, rauwer schreeuwen.“Hou toch je schmoel voor de bure!—Geef je vijànde te vrete!”, zei Essie zangerig-schel.“Laat ze de koorts krijge!... ’t Ken me nie verdommèèèè!”, raasde hij, haar toesnauwend: “...Ik maak me de sappel—ik werk me kepot voor ’n nest kindere—ik sloof me uit, godverdommèèèè!—En wàt mod-’k nou beginne!... Wie betaalt?... Een ’n makke die ’n cent borgt voor nieuwe handel!... Waar mot ’t heen, mot ’t héén!”...Radeloos, het geel-bol gelaat met smartkrullen om den mond, de vuisten krampachtiggebald, liep-ie heen en weer, driftig van duwstap alsof-ie z’n wagen kruide. De knoestige, harde knieën wrongen in de oude, beslijkte, afgetrapte broekspijpen, de voeten in vierkante, water-roglende schoenen, trapten tot bij het droog-zuigend hooi dat in piekingen berstte alsof een pakkist was omgesmeten.Mijntje bij de kachel, zwijgend, schudde een pot, wat kraking van opgehitst vet tegen het ijzer gaf. Essie, zelf niet lekker—al twee dagen most ze elk oogenblik op de ton, waar ze kreunde van kramppijn—troostte in drenzing, tegelijk met verwijten als wijs-joodsche vrouw, die ’n schlemiel van ’n man heeft.“...Schei uit met je gebler en geschreeuw!... Wat geeft ’t of-ie je nòù de sappel maakt?... Had nie-zoo mesjogge geweest!... Hei-’k je nie daalijk gezeid, dat je d’r an bekoch was!... An al wad-jij doet is geen mazzel, geen brooge... Hei-je je laast niet in je vingers gesneje met beurze appele, jij met je wijgoogeme kop!—En met je uien!—Heit-ie óók allemaal fròtte uien gekoch!... Hoe ken me zoo verschwarzt zijn om twee honderd van die schtinkende kole te koope voor vier cente ’t stuk?.. Ik zweer je, ìk geef ’r nog geen cènt voorbij mijn gezond.—Kijk wat ’n mande daar met vuiligheid staan—de slik loopt ’r uit... ’t Is ’n neweire voor God, ’n nèwèire!”... “Leg je ziek”, snauwde Suikerpeer, stilstaand: “voor wie doe ’k ’t? Wat hei-’k ’r van? ’n Hap vrete nog nie-eens! Val jij dood! Wat klets jij, godverdommèèè, as ’t gebeùrd is”...Zij driftiger, ketste de vloeken: “Barscht jij!—Jij breng toch ’t fressen van de kindere ’r mee door! Vraag an wie je wil, an Poddy, an Dovid, an Reggie, of ze zoo mesjogge zoue zijn om tweehonderd kole te koope die stinke as de pest! Tweehonderd frotte kole!—Tweehonderd kole-van-afval!—Nòg, wad-’n sauger!—Waas steh ich aus! Waas steh ich aus!”...“Krijg ’n miessemisschinne!.... ’t Vrete in je lijf zal vergif worde!”, vloekte Suikerpeer, schor, kwaadaardig: “as ’k ooit weer ’n cent handel drijf; vuil sekreet!... Ga jìj onder de mensche, doe jìj inkoop!.... Vuil sekreet!... Zal ze me nog verwijte!... Da’s voor me kòstelijke sjabbes”...“Sekreet! Sekreet!”, schreeuwde Essie, verwoed, bleek onder ’r zwarten bandeau: “’n Sekreet da’s je mòer, da’s je mòer! Ogwat ’n vuilik, wat ’n kànker van ’n vuilik die de moeder van z’n kindere voor sekreet uitscheldt!... Og, wat ’n pleegisch!”...“Pleegisch, pleegisch!”, herhaalde Suikerpeer dof, verslappend, rillig: “noem wéér is me moer! Stop jij je kouse! Stop jij je kouse! Schijthuis! Afgedankt schijthuis!”“Da’s je zúster, da’s je zuster”, keef Essie, zangerig-krijschend.“Wor blind!”, snauwde de groentenjood, oud, òp, hurkend bij de kachel, waar-ie z’n stukkende schoenen uit-trapte.“As jìj ’n pestkoorts krijg, zal ìk me blind legge, dan hebbe we zàmen wat”—, verwenschte zij, bevend-van-woede en nog làng, gruwlijker vloekend, nou hij lam-lusteloos, met opgetrokken knieën bij ’t vuur zat te rillen, bleef zij op ’m afgeven, hitste de ramp-in-de-negotie hen op tot knarsende, bijtende verwijting, waaraan de kindren waren gewend. Bij de tafel waren ze hun spelletje weer begonnen, fluistrend, half-angstig. Meijer dee ook mee, schoof de lucifers-stompen over de bruine, verteerde prent en de lamp begeelde rechtstandig de hoofdjes van ziekte-doorvreten, belichtte dekamerhoeken met de ettrende kool en het stroo met den slap-bultenden doek.Zaterdagavond was ’t lijkje gewasschen, gekist. Ze hadden het vlassig haar gekamd, de nageltjes uitgehaald, ’n schoon hemdje om het klein zuur-stinkend lichaam gewikkeld. Op twee stoelen zag Eleazar het kistje, toen hij dien Zondagmorgen bij Suikerpeer kwam.Essie lag te bed, koortsig, met krampen. Mijntje had vijf centen gries gekookt, schepte uit een roodaarden pan, bediende de kindren, die aten met honger. Ze slurpten de pap, slobberig-zuigend, monden bekwakt met klodders gries. Bekkie, de jongste, wroette met grijpende vingers, smerend de waatrige brei om den spelenden mond—Mijntje, gebogen over de tafel lepelde den pot uit, schraperig-hard langs de randen tot waar op den bodem de portie van water en kluiten voor vader bewaard bleef. Neer was ’t raamgordijn, vergeeld in streeprige plooien. Een bruin-gebrand gat met vaal-bruine pluizen stiet ’n kartelbrok grauwlooden lucht in ’t transparant, waarvoor de kindren, gulzig van handheffing aten. Er was eene zoet-rotte benauwing in dekamer. Hetgesmeul van de kachel, stank van den pot met waterig vuil, dien de bedstee voor den armendokter bewaarde, mestvaalten-damp van de koolbladen, ’t koolsap, de koolsmurrie, zuur geadem van het lijkje op de stoelen, dat in verre ontbinding was. Bij den poot van den stoel, door de vergane rietmatten zitting heen, lekte het, waterig vocht dat de withouten wanden van ’t kistje ontsiepte, spettend, met zacht-snelle schrikjes neerdrupte, in den morsigen grond eene rustige holte vrat. Dichtbij lagen vertrapte koolbladen, donker en slijkerig-paars.“... Bin jij daar Eli?”, vroeg Essie, opzittend in ’t bed: “ach, god ik bin zoo ziek... ’k Loop gemoedereerd leeg.. Al drie dage bin ’k an ’t afgaan—net water—wàter.—En ’n pijn in me lijf.—En in me rug.—’k Ga geregeld èllek oogeblik”...“’t Zal wel betere”, zei hij vrindlijk. Bij de tafel ging-ie zitten, nam driejarig Bekkie op zijn knie.“Betere... Betere”, klaagde zij kreunend: “ù voelt niet wat ìk voel—U heit mooi prate—Ik lij àardig—Die krampe!—Die krampe!—’t Is geregeld of me buik van mekander wordt getrokke—En waar dievuile, frotterhaurik van ’n dokter blijft! Laat Mijntje u is vertelle hoe dikkels as ik op ’t huissie bin geweest”—In haar stem was angst, angst die behoefte aan klagen had.“Kleinigheidjes gaan voorbij”, troostte hij: “u moet u niet zoo gauw bàng maken.”“Bàng”..—, zei zij ineens onthutst, flauwtjes-glimlachend: “wie spreekt daalijk van bang?.. Ik wèèt wel dad-’t met God z’n hulp niks is—Maar je ken toch nie wete, wat zeit-ù?—Zoo’n aardige pijn.—Zoo’n áárdige pijn...”De kinderen slobberden pap, smakkend en zuigend, schrokkig kijkend naar Mijntje die schrapte. Meijer, ’t eerst klaar, belikte ’t bord met z’n strakspannen vinger, Bekkie in grappig beweeg doormorste ’r kom. ’t Werd stil bij het tikkend scheppen der lepels, maar Jaantje, bang voor Meijer die slùw van ’r snoepte, wegtrok ’r bord dat ’t glee van de tafel en viel op ’r rokje. Hard klonk ’r gehuil en heftig van woede sloeg ze den jongen in het gelaat.“Nou! Nou! Is ’t uit!”, dreigde Mijntje.“Hij heit van me bord genàscht!”, schreeuw-huilde het kind, pogend de pap van ’r jurkje in ’t bord terug te lepelen. Maar de gele kwakjes vielen dik op den grond. ’t Dee haar verwoederschelden: “vuile ganf, smeerlap, dief, pestkop!”...“Ik heb nie van je bord genàscht”, loog Meijer. En ineens was er een koor van joden-stemmetjes: “’t Is wel waar! ’t Is wel waar, Mijntjèèè! Hij heit ’t wel gedaan! Ik heb ’t gezien, Mijntjèèè! Mijntjèèèè!.. Hij lieg ’t, Mijntjèèèè. Hij is met z’n vinger in ’r bord gewees, Mijntjèèè!” Zij schreeuwden door elkaar, Esther, Flippie, Jaantje, Meijer, opgewonden—, Jaantje rood van het huilen, ijverig bezig het sop van ’r jurkje te schrappen.“Dan zalle me hande afvalle, as ’k ’t gedaan heb”, schreeuwde Meijer schor.“Houe juillie je bekke!”, schreeuwde Mijntje, nijdig zich bukkend over de tafel.“Mot hij van me pap gànfe!”, huilde Jaantje na: “die stinkert!... die pàrg!”...“Parg, dat bin jij!”, schold Meijer: “jouw loopend oor zei je meene, bedpisserin!”...“Wil je je schmoel houe!”—, gilde Mijntje dreigend.“Jìj bin ’n beddepisser, jìj!” verweet Jaantje, krijschend met vinnige snikking.“Dat lieg-ie! Dat lieg-ie!”, schold Meijer, spichtig van drift: “Bin ìk ’n beddepisser, Essie?... Jij bin ’t!—Jij!”...“Zoo za-je dood blijve zitte!”—, vloekte ’t kind simpel na-kijvend den toon van ’t huis.Moeder die de bedstee-deuren wijder had opengeduwd, vergeefs ’r tusschen wou komen, zat kermig te schudden, zanikend te klagen. O, o—’t was ’n bezoeking. Geen oogeblikkie denke dad-zij zièk lee—enne hóé ziek—enne wàd-’n stekings om ongerust van te weze.“Me hoof! Me herzens bàrste! Me hoof! Me hoof!”, zat ze te weeën, de handen gezogen op ’r ooren.Mijntje, met ’n woede-gezicht, alsof ze ’r op los zou ranselen, zocht met ’r oogen wiè ze zou patsen:“As je nog éen woord zeit, sla ’k je àllemaal op je schmoel, tuig, frot tuig!”—, dreigde ze, kwaadaardig. Dat gaf stilte.Na-snikkend bevingerde Jaantje ’r bord, waarop nog wat kleevrige pap en Bekkie, rustig op Eli’s knie, keek als in droom naar ’t doen van ’r zusje.“...O, wat hei-’k ’n pijn, wat hei-’k ’n pijn!”, klaagde Essie weer, in de bedstee: “Tuig! Zijne dat kindere? Dat zijne geen kindere! Dat zijne beeste! Dat zijne tuig!—O! O!—Addenoj, wad-’n stekings!—Wad-’n stekings!”...Mijntje most ’r den pot in ’t bed anreiken en de bedstee-deuren werden gesloten. Terwijl kwam Suikerpeer boven. Dof, zonder spreken, zat-ie over Eleazar, at uit de roodaarden pan de rest van de griespap.Even voor twaalf reed de koets door de straat, langzaam van paardstap. Het was een dag van zwaar-striemenden regen. De keien hadden geel-schuurde koppen—geulende geutjes ribbelden langs de rechte stoepranden.Achter de tree van de koets liepen zij aan, de vader, de dragers en Eli—de dragers geschut onder druipende schermen, de andren stroef in den regen. Zwak was het menschen-beweeg. Er haastigde een harige hond met vacht diep van water doordonsd en een agent geschurkt in z’n jas stond op den hoek van de gracht.In de Brééstraat was meerder geloop. Daar lag het asfalt glad-gelig te glanzen, strak-weeke vaart met heensproeiend water. Alles had er een glim in, de wielen, de tree, de opgaande voeten, glijjende spiegling van lichtende dingen, verdrongen door schaduw-geschuif, verdrabd door modder en paardevijgen—tot ’n gele asfaltgeul, schoongeregend en glanzend, opnieuween echo glibberde van wat boven bewoog en voorbijgleed. De paarden liepen sterk te beklappen den weg, kort-scherpe klikken van ijzer op steen en de koets schokte soms als de kar-van-een-bakker die holbollend dreunt in vroegmorgen.Eleazar hield de handen in de zakken, kouwlijk en nat, schuilend achter den wagen. Er ging een kerk uit en zacht-ontevreden door ’t vinnig watergespet, zag hij de stuwing der vrouwen en mannen, die drongen de koets om, warm nog van kerklucht, met bidboek en dof-natte schermen. Ze praatten wat luid, te wit van dampenden adem en ’t guldsel van ’t bidboek goudde ’n grijns in ’t asfalt-gespiegel.De koets schokte zacht, ’r veeren pletten in zwakken cadans—het ijzer der wielen schuurde staal-blank, water opstuivend in vlak-witte sissen naar ’t glimzwart schoenengeloop. Zoo ging het voort, rustig en kalm—kreunen alleen uit ’t donker lijf van den vierkanten wagen—naar de zwijgende, grauw-stugge synagoog, waarvoor de koets met de sullige paarden en ’t kinderlijkje even kniezend ’n groet gaf. Striemender van slag gutste de regen, metaal-witte kopjes ketsend op keien en stoepen. De menschengingen in snel gevlucht langs de huizen, bukkend tegen het felle gezwiep. En de koets reed iets vlugger. Langs de gracht naar de wijdere straat, de lange, breede, oneindige straat.Suikerpeer, zwijgend, vaal-zwart door den regen, spuwde fluimen pruimsop, keek naar den grond. Het water had smakkende bulten gevreten tot diep bij zijn knieën en klukkelend wrong ’t z’n schoenen weer uit. Naast ’m een drager die goedig ’m mee wou doen loopen onder de parapluie. Maar het water daarvan gootte in gulpen op de pet van den stappenden jood. Ze spraken niet. Norscher, hoekig van elboog-beweeg, liep Eleazar achter den drager. Niet langer vermeed-ie de plassen, baggerde vijandig, wreed-van-aanvoeling-der-dingen, kleumig van kou. Z’n schouders, z’n rug, z’n knieën waren doorweekt—de voeten geleken te schrielen in ’t persend, logge gehang van schoenen en kousen. Langs den rug rigde ’t water, schrijnend de huid, kruipend langs warm-stijve haartjes de bil over, zuigend klam in ’t goed. Alles plakte, kleefde, wóóg, het vel broeide jeukrig, bewreven door ’t bits-spannend hemd. Ook in z’n broekzakken liep water, weekend den lauw-bollen zakdoek, hetkantig lucifersdoosje. Dat hield-ie nu in de hand, ’t betastend en knijpend tot ’t losweekt papier er afrulde in wee-warme rolsels. ’t Gaf hem een viezig gevoel van groote ellende en kribbig bedacht-ie de woorden op ’t géle papier, ze zeurig herhalend—Säkerhet—Tändstickor—Tändstickor—Tändstickor—.Halfwege de straat werd grauwer de lucht, verzwartte de dakenlijn, leken de gevels, de ramen, de puien te valen in kalkigen avondschemer, wen dingen in verschrikkings-mysterie wasbleek en stom zijn. Er schorde een regen zoo vinnig, zoo knetter-scherend van striemslag dat de bladerlooze, angstige boomen, op zij van den weg, schreeuwende bogen, krakend in huivring, zwart en snijdend naar één richting. In de handen der dragers rukten de parapluies, flapperend—, één, door den wind gegrepen, knerste om, baleinen verwrikt tot een kegel met wild-floepend doek. Er was geen mensch in de straat. Ze lag dood en vereenzaamd in den schemer van straf-fenden mat-witten regen. En plots werd het doodscher, verlatener, rauwer. Hagelsteen viel, hagelsteen op den lijkwagen, op de mannen er achter, op de keien, op deboomen, op de daken. Er kwam een vreemd-bleek, sissend, klettrend geraas in de straat. De lijkwagen ketste de steenen terug, de keien smeten ze op, van de kozijnen sloegen ze neer. Het was een wijd, breed, wit gerucht dat angstige kou gaf, kloppend getik en gewatel op de daken, strak-bevend ruischen door de wolklooze luchten. In de moddrige voegen der keien boorden ijskluitjes, stevig en scherp, te hoop klittend, krielend, speelsch en huppend ver-rollend. Maar het spichtigst-van-aanslag, ratelend, kletterend als ’n zweep die krinkelt en met knallen ontstrekt, hamerden de hagelsteenen op het dek van den hollen, vierkanten, zwarten lijkwagen, die langzaam bewoog, verlaten ding in het witte geraas van de straat. De mannen gebogen, ontwijkend het pijnlijke striemen, schoven dicht naar de koets, plettend de bonken van ijs onder de zolen, ze als sneeuw-koeken mee-dragend. Op hun hoofden, schouders en nekken vielen de steenen, heenknappend, brandend de ooren. Ze liepen angstig en zwart achter den wagen, waarboven één enkele glimzwarte hoed en het grijswitte ruischen omgaf hen.Heel kort, als ’n krijschende galm die versterft en ’n leegte-van-stilte geslagen, stoof hethagel-geschuim door de straat. Bijna zonder verzwakking of wisling, zweeg het sissend gerucht, kletste de regen opnieuw, neerzwiepend de takken en ’n joelwind steende den huizenmuur langs, die hing als een doek aan rechtspannen lijn.“Adeschim wat ’n weer!”, gromde de groentenjood, pruimsap neersputtrend. Niemand gaf antwoord. Ze liepen zwijgend en stroef tot bij de Poort, waar ze opgelucht stapten in de begraafniskoets die nu in draf reed den Zeeburgerweg. Het was een omnibus met twee houten banken en ramen beslagen met damp. De kist met dood-joggie lag onder zwart trijp aan hun voeten, hoofd-einde bloot van ongeschaafd hout, met zwakjes-glimmende schroeven. De dragers, de vader zaten bijeen aan het voeteind, Eleazar er over. Koud en doornat, met schrijnend-klevende kleeren zag-ie de kist aan, de kist met ’t lijkje, dat zurig den wagen doorstonk. Frisch en verkleumd als ze kwamen van buiten, rooken ze sterker den stank van ’t heenrottend vleesch. Het schudden der koets had vocht uit de plankjes geschud, plas die ver-lekte naar Eleazar’s voeten, als ’n kronkelig lijntje, dun als het spoorvan ’n speelsch-natten vinger, stooterig-wijkend gelijk de regen-ribben langs de brommende koetsruiten.Suikerpeer, koud en lawaairig, had z’n jas uitgetrokken, wrong de zwaarnatte mouwen dat het vuil-zwarte water droop op den vloer van de koets. De handen, paarsrood van kool nog, klitten het goed tot een prop, persend en rekkend. Schreeuwend, om het gedreun van de wielen, begon hij te praten, klagend over het weer en de dragers, blij dat ze veiligjes zaten, schreeuwden hun antwoord. Ze hadden de zwart-natte parapluies in den anderen hoek gezet, waar ze uitlekten in kringen, plassen van heenmorsend water, zwiepten het nat van hun hoeden, poogden de dreuning der koets en het rammlen der ruiten te overroepen. Ze praatten met druk gebaar over het weer en de vader klaagde zijn nood, uitleggend ’t geval van de kool, huilrig van zorg en ellende.Achter de damp-fletse ruiten heenschoot het landschap, schaduw van huizen, zweving van licht over nog groenende weiden. Ze geleken te reizen van dorp naar dorp in ’n ouwe diligence, botsend bij ’t harde gebult van den dijk. Bij tijden spuwde de pruimende groentenjoodspatsel naar zij van de deur en ’n drager zat geduldig te wriemlen om ’n balein van z’n parapluie te hechten. Zijn voet rustte in steun op het kistje dat zachtekens wipte. Dan met een snellere vaart afreed de wagen de glooiing van den dijk, wiegelend kort bij het stilstaan. Ze stegen uit in den regen, aanvattend de kist. De wind sloeg het zwarte trijp in Eli’s gelaat, hem waaiend den zurigen stank in de keel en langzaam opliepen zij naar het lijkenhuis, grijs in den striemenden regen, het bordje voorbij dat daar hing—Verboden te wateren,daar het zand gebruikt wordt voor hoofdzakken.Ver weg, als een weide in nevel, lag ’t kerkhof, vlak en oneindig met grijs-staande, zakkende zerken. Een kleine watermolen klapperde z’n wieken toen zij den slijkweg beliepen, naar waar de plek was. ’t Gaf ’t geluid van ’n nijdige fèl-krassende raaf.

V.Tegen schemer liep hij de poort in. Zij was bruin van slagschaduw-groei, met geluwe damp bij ’t raam van den schoenmaker. Stug klonken hamerslaagjes, nattig van na-smak. Ook ’n kind huilde alsof ’t véel pijn had. Zacht schoof hij den muur langs. In den donkeren schuilhoek, overkeek hij de plaats en aarzlend-van-doen poogde hij te onderscheiden wie er in tante Reggie’s kamer waren. Er bewoog niets. De lamp was niet aan. De deur stond schuin-open. Van boven, waar meerdre ramen licht-kwijning hadden, vaagde een glans, gouden waas op het zwartpuin der muren. De neerwipte handwagen leek een dreigend geraamte, schuwe bukking van kwaadwillig dier.Luidloos sloop Eleazar nader, maar de deur naast het geluw raam van den schoenmaker werd geopend en een stem vroeg:“Wie is daar?”“Ik”—, zei Eleazar, terugschrikkend naar het duister der poort.Het was de schoenmaker die buiten kwam, de handen gebold onder het schootsvel. Afschijn van lamplicht geelde achter het hoekig lijf, achter de warrige haren. De man boog naar den hoek, herkende den buurman.“O. O!.. Ben jij ’t?”, zei hij—en sneller in grommend beklag ging zijn stem met klanken van onmachtig, ingeroest huilen: “...Verdomme, verdomme, nou mot je is kijke!.. Nou ku-je-’t verdomme is zien!.. Je zou je zoo gaan verzuipe!... Is dat ’n pèst!... En dat hei-je zoo telkes, telkes as ’t water maar effen rijst... Kijk me is an!”...Samen, schouder aan schouder—de deur was maar klein—keken ze in het keldertje, waarvan de steenen vloer blank stond. Op het withouten tafeltje was een kleine lamp die licht-gladding aan het water gaf, vuilig water boven roode tegels wier zwarte, diepe voegen ’n ruitig spinweb geleken. De witte kalkmuren stompten zonderling-scherp naar de balken-zoldring. In een bedstee met wijdstaande deuren zaten drie kindren, wakker geschrikt. ’tJongste, meisje, vaalbleek, huilde alsof het pijn had, klaaglijk, week smartstemmetje en de vuistjes bewreven driftig de holten der oogen, soppend het vocht tot diep over de wangen.“Hou je smòel!”—, zei woedend de vrouw. Ze had kousen en schoenen uit getrokken, den zwarten rok hoog om de heupen gewrongen, de strikbanden van den broek boven ’r knieën gebonden. Zoo trachtte ze ’t water in een emmer te dweilen, telkens den doek als een vangnet uitspreidend, ’m wringend in ’r roode knuisten dat het slijkwater met proesten in den emmer spoot. Als ze rechtop stond, hingen haar armen over den wikkel van kleeren, waaronder de gore spleetbroek met natte benglende banden en harige kuiten van slap, papperig vleesch. Waar de afscheiding was van de schoenen om de dikke enkels, waren de voeten van ingegroeid vuil, teenen met baksels van zwart en zoo op de schijven der knieën, wier puiling in ’t papvleesch daardoor sterker werd. Jan, manke joggie, nog op, zat op de leuning van een stoel, het horrelvoetje geschurkt over het andere been, oogen glinstrend van pret. In een hoek van den kelder, op schraging van stoelen, lagen dingen,ruw-weg daar neergezet om ze droog te houden, een oud matras, een deken, een mat, een ijzeren pan, een paar waterlaarzen, een pollepel, wat kinderkleeren. De waterpot, helwit, dreef bij de pooten der tafel, zachjes dobbrend door ’t golvend beweeg van de dweil. Stank van vuil dat lang in warmte gebroeid, stank van riolen en beerputten, door ’t rijzend water geloosd, ontsteeg het glad-kalm water, dat de vrouw probeerde te hoozen.Zij had een emmer vol, reikte ’m toe den beenigen man, die bukte en ’t hengsel greep. Donker-gebogen in ’t duister der poort, dof-vloekend, liep-ie naar de gangstraat, smeet met een smak dat ’t kletste tegen den muur, den emmer over den grond, kwam terug, begon weer te klagen:“... Nou zie je is!... ’t Is verdomme om bij te griene!... Je hart draait òm in je boddie... Al de stront van ’n ànder in je huis! En zoo telkes met volle maan. En die schoene die àf mòtten! Schei toch gedoome uit met je geschep! ’t Helpt je geen sodeflikker! Hoe meer je roert in de zwijnerij, hoe meer ’t stinkt!”“Das verrek-me je dànk!”, vloekte de vrouw, kwaadaardig de dweil op het water kletsend, dat ’t spette tot over de tafel: “Help liever wat mee, wat mee, wat mèe!”—, nasnauwde ze, diep-bukkend, de dweil heen en weer rukkend, het breed achterlijf in den goren broek naar de mannen gekeerd. Jan, ’t manke joggie, had kousen en schoenen uitgetrokken, besnoepte de kou van ’t water met den grooten teen van zijn misvormden voet, teppend en proevend voorzichtig.“Kòm!”—,grauwde de vrouw. Het kind doorhinkte het water met verkneuterd gezicht, lange stappen nemend, asof-ie schaatsen reed, schepte mee, een vuilnisblik in de hand.“Moe-oe mag ’k oòk mee-doen?”—,riep Dirk op den rand van de bedstee, heerlijk vindend ’t spelen van Jan. Met de beentjes wiegde-die buiten ’t bed, klaar om te springen.“As je niet lègge gaat, snotaap, sla ’k je voor je smoel!”, dreigde de vrouw en in drift toestappend, kletste zij met ’r natte hand het kind om de ooren, duwde het onder het dek, stompte verwoed de bulten van de ruige, vale deken om de lichaampjes der drie: “En às je blert, trap ’k-je doòd!”—Ruw van gebaar,’tbovenlijf mal-dik door den wrong der rokken, den goren broek om de beenen gekleefd door de zuiging van ’t opgestuwd water, trapte ze in den plas, ’t gelaat vierkant in snauw.Het was zóo grijs-triestig, van zulk een krijschenden jammer, dat Eleazar het harde, stooterig doen der vrouw natuurlijk, vanzelfsprekend vond. Ze kneep weer de dweil met wringende rukken, telkens bukkend, opmoddrend het water dat bruin werd, valer van stank. Haar rok losgeslierd door ’t verbeten werken, viel even neer dat de rand het water indronk. Vloekend, met huiling in stem, scheurde ze ’m op en hooger, staand met ’r papprige beenen gespreid en den broek omklakkend de vleezige heupen. Tip van haar hemd, zwarter dan broek, wipte de spleet uit en de losraakte banden zogen ’t water. Jan, ijvrig, lòllig dat-ie mocht helpen, plaste met smaaklijk genoegen. Het vuilnisblik stak-ie in ’t water, heevlend het over en met de dunne vingertjes poogde-die de gootjes te stuiten, die kletterend liepen bij elk van de hoeken. Flauw brandde de lamp op de withouten tafel, scherper belichtend een schoen zonder zool, den witten pinrand daarin, een els, een priem, een mes, een hamer enrommel van spijkers, nagels en kerfjes van leer. Ook een halfvolle koffiekom, rond en bedrabd stond bij de lamp. In ’t water, rullig gewiegd met dribblende rimpels, kropen goudslangjes van licht, hupplend met dwaze verwijding tot plasjes van glanzerig goud en de voeten der vrouw en van ’t kind kwamen killig de gladding doorbleken, die rood werd door weerschijn der tegels. De schoenmaker, geel in den post van de deur, hoofd tanig en leerig van juk, met stoppels van war-bruinig haar, bukte opnieuw, grijpend het hengsel, stortend door ’t ruwe aanvatten. En weer in het diep-dikke bruin van de poort, lijf schuinweg geknakt door de zwaarte van emmer, droeg hij het vuil dat de aarde onder het huis opsiepte, naar de gangstraat, waar het schaatrend van plas het duister doorwitte. Terwijl wiesch Jan zich de voeten, geleund tegen den kalkmuur, wrijvend met vuilige vingers over het horrelvoetje, vleeschklomp die zwaar leek te hangen aan ’t broos, mager been.De schoenmaker, weer terug in het geluw gestraal van den deurpost, dat traag zich verwijdde en licht-vlakking gaf op ’t bijtend gegroef der oude poortsteenen, gromde mistroostig.“...Zoo ’n sodejuusche kelder!... Zoo ’n ròt-kelder!... En dat ’t nòu mot komme... ’t Mot ’r verdik-me altijd weze as ’k werk heb... Nou, kwaje beroerling, lamstraal, maak ’r geen lolletjes van!... Help mee!... Dat staat goddoome te spèle!”“Nou-ou—as ’t blik lekt.. ken ik ’t hèlpe?”, zei Jan, bang voor moeder die opkeek: “...’t Loopt ’r alles weer langs.”...“Is ’t gedáán!”, dreigde de vrouw: “...Toe! Toe! Steek uit je poote!... Allo, neem de pot!”Het water inslurpte den emmer met klukkende kletsjes—modderig druipsel en dufzoete stank dreef naar de deur.“Da’s tèlkes zoo”, klaagde de schoenmaker: “tèlkes, tèlkes... ’k Wou da’k verrekte, verrèkte”... Er was grove beest-wanhoop in zijn stem. Zacht antwoordde Eleazar, niet aanziend den man, stroef-kijkend naar het voetenbeweeg in het opdrabbend water.“...Ja, ’t is wel erg, wèl erg... Zoo hebben we allemaal wat, mot je maar denken—mot je maar denken—al is ’t ’n slappe troost.—’k Ben zelf bàng na huis te gaan. ’t Is ’n vloek, ’n vloek”...Gloeiend stompte het bloed naar z’n hoofd.Waar-ie kwam, waar-ie liep, zag-ie de menschen geknecht in kleine ellenden, versleten in zorg. ’t Was of je enkel dàt, dat alleen op je weg kreeg, als je oogen na den winterslaap van ’n dooie jeugd waren open gegaan. Bij tante Soor, in den voddenkelder, waar-ie ’n kom koffie had gedronken, bij Suikerpeer, òveral in de sloppen die-die langs was gegaan, nou pas weer, leek ’t leven vermuft en verlept, als ’n dorrende bloem op ’n zonlooze vensterbank. Stappend in den avondschemer, de uitstallingen en winkeltjes van de jodenbuurt voorbij, had-ie met valsch geweld, de schijnbaar-zieklijke besluiping-van-altijd-’t-zwarte-en-miserabele te zien van zich af gezet. Hij leed, an de manie van méer wakker-geschrikten, an de èindloos opletten van grauw. De menschen hadden zóó lang geduld dat ze niet beter wisten. ’n Blinde wist niet van licht, als-ie blind was geboren. Als-ie niet zooveel in één passie gelezen, rijp en groen, dingen die-die hálf had begrepen èn klare, lekker wakker-schuddende geschriftjes, zou-ie als ’t gros van de stumpers blind-geboren zijn gebléven. Je moest oppassen van ellende ’n kwee-achtig ding te maken. Je moest je vasthouen an ’t blijje wèten dat ’r verjongingwàs—kwam ’r zèlfs bij slijpers die ’r vroeger niet an gèdácht hadden geen stàking?—menschlief, je kòn niet meer stadig terneer zijn geslagen. In je verbeelding vlamde overal, zèker de zon door. Zoo zich opmonterend in stemming-van-veerkracht, was-ie de poort ingewandeld—nou stond-ie opnieuw, machtloos, als ’n driftige kijker, met gebalde vuisten. Alle redeneering was lak, nutloos gedroom.De schoenmaker strompte door den mist van aandampend zwart, naar de straat. De vrouw rustte uit, norsch, lippen bot saamgekwakt. ’r Paars-roode voeten-met-vreetsels-van-vuil steunden op ’n sport van den stoel en onder haar rimpel-ritste het water met gouden geadem. Jan speelde met den pot dien hij liet drijven, zacht-blazend en duwend. Klaàglijker werd het pijnlijk gedrens van Aagje.“Nou dèn!”—, snauwde de vrouw: “Is ’t me uit!”“’k Mot zoo kàkke,” snikte ’t vaalbleeke kind, ’r hoofdje in persende duwing op de blauwtijken peluw.“Je houdt ’t maar in!”—, driftig opstoof de vrouw: “’k-Hè genoeg an mezelf!”—Goedigerdan, ’r an denkend, dat ’t kind in de laatste dagen telkens het bed had bevuild en hoe kwaadaardig de man was as-ie in zoo’n stinkend-nat bed most slapen, plaste ze weer door het drab water, zoekend den pot.“Hier is die moe,” haastig zei Jan, drogend den rand an z’n kiel.Op de deken in de bedstee tilde de vrouw het huilend kind, dat met de magere beentjes gehurkt kwam te zitten. Met ruwige wreef wegveegde ze ’t vuil van ’t gezicht.Als een kreun spette het in den pot. Dirk, blij dat-ie wat mòcht, hield ’t zusje vast, terwijl de vrouw, hooger schurkend den rokkenwrong, optrekkend den broek die nat-plooierig zakte, weder het water te dweilen begon. Jan kudderde mee. Niemand sprak ’n woord—de mannen wrokten—de dweil perste water in den bek van den emmer, de voeten der vrouw trapten gaten van drift. Dirkje, die den pot bij ’t oor hield en ’t pijnlijk-drukkend meissie bij ’r buikje steunde, praatte ’t eerst. De spichtige billetjes had-ie met ’n tip van de nachtpon geveegd. Nou, in den pot kijkend en smerig van lip-trek, riep-ie hard:“Moeder!.. Moeder ze heit weer blóéd gekakt!”De vrouw, neersmijtend de dweil, schuurde door ’t water, droogde de handen lomp-weg an ’r broek, nam ’t kind van het dek, lei ’t met sussend beweeg naast Dirkje en Truus, keek in den pot, bij de lamp. Bij de deur zagen de mannen, flauw-rood tegen het wit der pot-ronding, ’n grillig lijntje uitgelekt bloed, aarzelend spoor van een bloedtraan. De vrouw, schuddend ’r hoofd, met jammertrek van wel-willen-snikken, liep naar hen toe, toonde suffig het meerdere rood dat takjes en aartjes had in ’t waterig bruin. Dan zonder gespreek, dik-snottrend, hoofd zwaarlijk gebogen, omspoelde zij den pot in den emmer, die grijs-lauwig bleef van opgedweild water, niet dieper van kleur werd. Ze spreidde den vadoek opnieuw, wrong ’m met knarsig gewring, snikte dofingehouden, harder van neus-haal als het water in den emmer kletterde. Haar broek zachtjes afzakte door ’t veelmalig bukken en een stuk bleek-fletsig vleesch van de bil overbarstte den snijdenden band. Jan, rustig, plezierig van mors, lepelde het water in den schuingehouden pot. Z’n horrelvoet stond als een vleezige knoest met een schaduw-wond onder den enkel.“Kan ’k je hèlpen? Wil ’k ’n emmer halen?”—, vroeg Eleazar.“Nee,” knikte de schoenmaker en plomper: “’t Helpt geen verdomnis. ’t Is monnikewerk. We houen ’t de heele nacht, de heele nacht. En morrege zakt ’t van zellef”....Het was geheel duister geworden. Voorzichtig schuiflend liep-ie de plaats op. Bij tante Reggie was nog geen licht. Goddank. Alles naar bed. Geen teleurstelling. Geen belabberde uitlegging. Maar uit het licht-doezlend raam van Suikerpeer werd een hoofd gestoken en de groentenjood vroeg:“...Eli—bin jij ’t?”“Ja,” schrikte hij,“Kom-ie nie bòven?... Reggie is hièr... Mod-je geen kommetje?”De nauwe trap kraakte alsof spaanders werden betrapt. Boven werd een deur open gezet. Schemerschijn belichtte de uitgeloopen, grijze treden, de muren van zwart cement.“Is dat uitblijve!”—, klaagde tante Reggie.Hij glimlachte lichtschuw, pogend te zien wie er waren, struikelde haast over ’n matras, waarop vier kinderen sliepen. Bij detafel zaten Suikerpeer, Essie z’n vrouw, tante Reggie, Dovid, Mijntje, de oudste dochter van Suikerpeer en twee vreemden, ’n magere man met ’n langen baard en ’n jong meisje met loskrullig zwart haar. In de bedstee, waar ze met moeder en vader saam-sliepen, lagen nog twee kinderen. Stank was in de kamer, stank van te veel menschen, stank van den emmer in ’t hokje. Het raam stond open. De lampen in den ijzeren hanger brandden laag met spitsing van zuigende vlammen.“Og!”—, verweet Dovid, schreeuwrig, vies-kregel: “nòg, dalles-man blièft boven water te komme! Dat schnort de heele dag langs de weg! Ha-je thuis gewees ha-je werk gehad! Og, wad-è schlemiel!”...“Werk?”—, vroeg Eleazar verwonderd.“Is dat uitblijve!” klaagde de blinde weer, bekijkend de klanklijn van z’n stem: “waarom bin-je nie kome ete?... Dan was je Berlijn nie misgeloope... En zoo’n onrust...”“Berlijn?... Berlijn”, herhaalde Eleazar in toon van ontrusting.Dovid, zich opwindend, driftig van trek om neus en om lippen, handen trillend door ’t wriemlen der vingers, overschreeuwde hem:“Ja, Berlijn! Berlijn! Berlijn! Wat sta je as ’n pilaar! Weet je nìe wie Berlijn is! Had thuis geweest ha-je werk! Loop ’m nou achter z’n togus, as-die àndere angenome heit!”...“Nou! Nou!”, suste de blinde: “Heit-ie nie gezeid dad-ie ’n plaas voor ’m open zou houe?... Wat maak jij je drùk, Dovid... As-die nog nie-eens gegète heit!”...“Laat-ie wel vrete!”, schreeuwde Dovid: “Laat-ie niè vrete! Ook ’n zorg!”Het was tusschen hem en Eleazar al lang ’t geharrewar van twee die mekaar in geen jaren hebben gezien, mekander niet meer verstaan.“Berlijn?”, informeerde Eleazar rustig: “is-die van de fabriek van Laboen?”—en zich ’t geheugen scherpend, zich den naam herinnerend, zei-ie met zekerheid: “Ja, dat-’s die van Laboen. Voor die werk ’k niet. Dank je. En ’k werk nou voor niémand. De staking komt ’r door.”Dat gaf gejoel, zig-zag en kolking van stemmen, angstig besust door Essie, bang voor de slapende kindren.“De schtaking? De schtaking!”, riep Suikerpeer, dik-lodderend, met ’t raspig geluid van z’n ontstoken keel.“De schtaking!”, schreeuwde de man met den langen baard, dien Eleazar niet kende.“De schtàking! De schtàking!”, tierde Dovid slaand met de vuist op de tafel, dat de kopjes rinkeltetterden, eén slijkrig koffiedik stortte: “De pescht! De pèscht! ’k Zel nòg langer schwieje-nieje lijje! ’n Golle! ’n Golle! Wie geeft me te poojen as ’k ’t nie heb?... Hei-’k nie wèke zehaam gezete zonder ’n cent ’n makke te verdiene? ’k Bin dijmantschleiper en geen stráátschleiper! Betale zìj de huur?—Betale zìj ’t brood?—Betale zij Witjas?—Betale zij ’t vleesch!—Oggenebbiesch vléésch! Ich muss fressen! Ich muss fressen!—Voor mijn part leit Dekker zich ziek! ’n Miessemisschinne! ’k Hei ’n partij kappies angenome en knappe jongen die ze me afneemt! Nòg! Hij vertelt wat overnieuws van de schtaking! De schtaking! Narrigkat! Die laat zich mesjogge make! Hei jij in maande ’n cent gezien! Hei ik in maande ’n cent gezien? Geen brood krijg-ie geborgd! Gasserponum! Schwans! Stomme schwans! De schtaking! De schtaking! Nòg!”...Speeksel ontspetterde z’n mond en ’t gladgeschoren beenig hoofd zenuwbeefde van woede.Met driftig gebaar nam-ie de kom van de tafel, dronk, zich verslikkend bij ’t wilde geslurp.Koel keken de grijze oogen van Eleazar en ’n trekking van trots kwam om z’n dunne bloedlooze lippen. Nog vóor Dovid was begonnen te razen, had-ie gevoeld wàt ’r zou komen, had-ie door de gewilde, ’r dik-opgelegde drift begrepen dat de zwager, die al den eersten avond van z’n thuiskomst over de meeting in ’t Paleis met Suikerpeer had zitten ruzieën—in kwaadaardigheidjes en geschetter z’n onrust verborg. Zònder angst had-ie z’n woede niet kláár gehad.“As jij wil onderkruipen”, zei hij met de kalmte van iemand die de onechte opwinding van ’n ander neemt voor wat ze is: “as jij kameraden die werk hàdden en ’t voor jou, voor mijn, voor honderd anderen hebben neergelegd—wil bestelen—mot je dat zèlf weten. Je kameraden...”“...Me kammerade!”.., schreeuwde Dovid zangrig-schel: “Adenoj elleheine, me kamme...”“...’k Wou oòk uitpraten”, viel Eleazar hem bits en zóo domineerend in de rede, dat Dovid met nog nà-mummende lippen ophield: “...As jij wil onderkruipen mot jìj dat weten...Ik doe ’t niet—al krepeerden we zóo as we hier zitten van honger”...“Gelijk heit-ie”, zei de man met den langen baard.Eleazar zag ’m aan. Hij had den harden kop van ’n Poolschen jood, ’n gebogen neus in velscheur-striemen, rood-omrande oogen en ’n baard van ruwe bruine slieren, waarin zilverdraden metaal-schampjes sloegen. Aan den linker-mondhoek, vurig-builend naast het daar korter pluizend haar, spande een gezwel als een knikker. Dàt zag Eleazar het eerst.“Gelijk! Gelijk!”, schreeuwde Dovid in meerdre opwinding: “zoo’n maugverdraaier! Me kammerade kenne de pescht krijge! As ìk nie onderkrope was in de tijd van me oogziekte, zatte we niet in de dikkedesch! Zal ik nòu mesjogge zijn? Was hab’n we vemiddag gefresse?—Schappie-hindelemindel!—Vreet jij je daar ’n barsting an!—Waas hebbe we gister gefresse? Zogererwte! ’n Brok zuur an de kar! Staat nie me bovenbed in de lommerd? Staat nie me talles in de lommerd? Voor mijn part krijgt de heele mischpooge de chòllera, vuile addermekakstraal!... ’k Zal nog langer de ouwe vrouw en me kindere late verrekke!Eer ìk de partij kappies uit me poote geef zalle juillie allemaal sjankes krijge!—En jij—jij ’n darme-reising!”...Nu in natuurlijke woede, geelbleek, stond-ie op, smeet z’n stoel tegen ’t raamkozijn, verzette de koffiekom met ’n smak op de tafel.“Og, wad-è frotter haurik!”, smaalde Essie, de vrouw van Suikerpeer, na een stilte van onthutsing, en krènkender smaalde ze: “benche ken-die niet—zal die vlòèke!”...“Enne tòch heit-ie rech,” lodderde Suikerpeer oòk opgewondener: “Wat heit hij met ’n schtaking te make! Heit-ie niet ogge-nebbiesch làng genoeg geschtaakt! Ken jij je kindere wegpattere? Ik zweer je bij mijn gezond, bij mijn kinders-lang-leve: ’k hei vemiddag enne gister, enne weisz-ich-viel hóé lang aardappele gevrete met vèt! As ’k ’n schleiper was en werk kon krijge, schleep ’k de heele nach en mòrrege nach en overmòrregenach tot Sjabbes toe!”...“Wat zal hij néé zegge?”, meende zachtzinnig de blinde, starend naar de peer van de lamp: “Wat zal jìj nee zegge, Eli!.... Hebbe we nie pech gehad van dad-jij van Ammerika bin weromgekomme? Sta ’k nie voor de vierde sjabbes in de schuld bij Witjas? Krijgtnie de fruitman? Krijgt nie Kalf van de nasscherei! Ogge-nebbiesch me Saartje heit geen hèmpie an ’r lijfie!... Berlijn is ’n toffe jongen—Schnij jij je ’n bezze bittere krieje voor àndere! Schnijje zìj zich ’n krieje over jou? Een ’n makke!—Jij mot nie stake! Dat zijne rissches. Zoo zal God me nog eenmaal ’t licht in me ooge gunne: Dovid heit rècht”...Ze zweeg, napreevlend met ’r droge lippen, vrindlijk-rustig knikkend naar de zij van Eleazar. Maar de donkre stem van den Poolschen jood, sprak hortend, stem langzaam ver-heeschend in drift:“Rècht!—Wàt is recht?—Recht is as je grijp wat je ken grijpe!—Recht as ’k gàp, as ’k honger lei!—Recht as ’k ze spuug in d’r gezicht die me beschwindele!—Recht as ’k ze trap op d’r hart!—Recht dat-ze d’r longe, d’r lever verzieke die me kindere te kort doen!—Recht as d’r ingewande van krampe krepeere!—Wàt is recht? Recht is as juillie ’t verdòmt langer honger te lijje!—Recht as je strijdt vóór je maag! Wat ken één man, Dovid? Og! Juillie mot as ’n klit an mekaar kleve! Geve ze niet goeischiks dan neem-ie kwaaischiks. Kwaaischiks is dan je rècht!—Alléenig doe je niks,niks, niks—alleenig krijg-ie geen speldeknop, geen korrel suiker, geen spùg water, geen korrel zand! As juillie klève an mekaar, klève, dan kenne juillie dwinge, dwinge dat ze de schwerenaut uitbreekt!”...Hij zweeg, de handen bevend op ’t vlak van de tafel. Op ’t hooge voorhoofd waren de aren gezwollen en wit-schuimend speeksel drabde over z’n lip naast het roòder-geworden gezwel.Opnieuw was stilte in de kamer, aandroesde gepraat van de plaats, waar de schoenmaker liep met z’n emmer.Essie van Suikerpeer, verschrompeld bandeau-vrouwtje, sprak ’r aanloopje zoekend, slijmrig-bedeesd “...Nou ja, ù heit goed prate, u weet niet wat ’r komp-kijke: Dovid ken ’n goed stuk brood verdiene... hij werkt met víér tange”...Dovid, die bij ’t raam stond, wond zich lawaairiger op. Rauw krijschte ’t geluid uit zijn keel:“En nou zal ’k godverdomme ’n onderkruiper weze!... Kenne ze me allemaal de maarsch lekke!... Voor mijn part schtàke ze, schtàke ze tot ze de krenk krijge!... En ’n rotkoorts op de koop toe!... Zal ìkme schikke na Dekker!... Zoo zalle z’n achterste kiezen na vòre!... En jij je geschwollen legge! Nou zàl ’k onderkruipe—nou zàl ’k—Legge juillie je allemaal ziek!”...Mager van woede, de oogen uitpuilend, spuwde hij naar den grond, liep de kinderen op ’t matras voorbij, smeet de deur met bonzend geweld achter zich toe.“Wat ’n mamsertòmme!”—, zangerig zei Essie, ’t bandeau-hoofdje in de handen wieglend.Verlegen stilte bleef tot Dovid’s voetstappen niet meer op de trap werden gehoord. Dan kwam gepraat van alle kanten. Suikerpeer, Essie, tante Reggie namen z’n partij, sprekend gelijk, elkander met spuugrig lawaai in de rede vallend, zich opwindend, druk van gebaar.Rond de tafel smoezelden ze, Reggie over ’t raam, bij Essie en Suikerpeer. Om den hoek Rebecca, de dochter van den Poolschen jood, luister-zwijgend als Mijntje, de oudste van Suikerpeer. Podnowsky, naast Eleazar, schoof naar het venster nu er meer ruimte was gekomen, ging te-keer tegen de drie, soms overschreeuwd, soms overschreeuwend, grimmig verwenschend die ’m hadden vervolgd van af z’nkinderjaren toen-ie met vader en moeder uit Rusland was gesteenigd.Koffie-lebberend, moe, leeg door ’t gevast, luisterde Eleazar. Soms keken z’n grijze oogen in de groot-zwarte van Rebecca, verwonderde hij zich over de frischheid van ’t ravenzwart meisje dat hier niet scheen te behooren,—dacht-ie aan de rijpheid van ’n pioen. Sterker, in grooter jeugd, was ’t ongewoon wangenrood als-ie naar Mijntje keek, ook zoo van zestien, zeventien, kamer-sip, bleek, met korsten in de haren en over de ooren, wat al de kindren van Suikerpeer schenen te hebben. Even door de warmte der kamer perrelde zweet op z’n voorhoofd, maar de tochting van ’t raam, wit-slaand tegen z’n vel-heetheid luchtigde ’m op.Laag nedervlakte de zoldring-van-balken met schuwlijk dobbren van lampelicht-kringen. Op de tafel was morsig gewar van kommen, koppen en schotels, glanzerig wit, door klodders en sopjes bruin overstort. Het zeil, geel, met bloemen-gefleur en weg-krabde gaten, lei met bultende vouwen en glimmige plasjes.Behang was er op zij van de deur—, derest in flarden gekruld, hing los aan de wanden van spikklige kalk. De muur was ’n vervellend dier, dat de oud-doode huid van zich afschudt. ’t Netst blankte de kast met deuren van klein-glazen ruitjes—er achter planken met puntige tanden vergelend krantepapier, tanden groot en gelijk, knipsel van Mijntje. Daarop borden en glaswerk, roodkoperen dingen in dofrood gevlam. Den rand van den schoorsteen, terzij van de bedstee, had Mijntje belegd met repen behangsel en ook daarin roofdier-tanden geknipt, lauw nu ombollend door de warmte der kamer. Op den grond, bij de koperen kachel, lagen de kindren, Meijer vooraan, die wakker nog was. De drie andre, hoofden verzakt in de peluw van zeegras, sliepen met opene monden, leelijke kinderen, ouwelijk-joodsch. Esther, meisje van twaalf, had witte plekken op ’t hoofd, waar ’t haar school onder zalf; Jaantje, kindje van tien, had ’n groen-zwerend oortje; Flippie, ’n jongske van zes, snurkte door ’t mondje, bekrabde in slaaprig beweeg ’t hoofdje van korsten dat ’t waterig bloed bekleefde de haren. De jongste lagen in de bedstee, waar ze sliepen met vader en moeder. Mijntje lag meê op den grond.Bram, ’t jòngste kind, onrustig van slaap, bewoog soms met stokkende kreetjes in stuip, stil-zieklijk kindje, dat langzaam uitteerde. Bekkie het eenig gezonde, lei stil achterin.Om de tafel zaten de menschen, bonkige lijven zwartend bij ’t schemerig schijnen der lampen, glimglans op de handen in ’t licht, vleesch-rood op de gelaten, wit-sterke schamp langs de kommen en spullen. Schaduw van Mijntje’s rug strekte stug-strak van ’r stoel over de hoofden der kindren op den grond, waduw van weifelend zwart. En de deken aan ’t voeteind, rood-met-bloemen-van-geel en lostornde pluizen daartusschen, wolde in spreidender licht. Achter het hoofdeind was de deur van de kast waar de strontemmer stond. Er hing daar een plaat met woelige zee en een man staand in een dobberend hulkje. Ze was haast verbruind, met bellen van vocht en er onder stond vaagjes-gedrukt met bleekende letters:Wilhelm Tell befreit sich durch einen Sprung aus Geszler’s Gefangenschaft.De menschen an tafel redeneerden nog druk. Mijntje, Rebecca zaten gieglend te fluistren.Podnowsky, de Pool,—ze noemden ’m Poddy—twistte met Essie en Suikerpeer.Eleazar, vermoeid van het slentren, knikte in slaap. In de bedstee huilde een kind. Afleiding gaf dat, daar Essie ging sussen en Eleazar, òpschrikkend, luisterde mee-knikkend naar het nieuwe gepraat.“Dad’s Bekkie”, zei Suikerpeer en loddrig van lach, zei hij een grap van ’t kind: “Die is zoo góógem, zoo uitgeslape voor ’n kind van drie jare... Wàs ze niet drie?... Wi-je geloove dad-ze de trappe afloopt en dan zoek ’k ’r en waar denk-ie dad-ze dan zit?... Bij de geneiwekoopman!—Maar nou zal ’k je ’n gijntje vertelle... Van morrege wor ’k wakker en daar zeit de gebenchte memme: “vader wad-heit-u van-nacht weer met moeder gewipt—U begrijp me: gewipt!—Gijn van zoo’n kind!...”Blinde tante Reggie lachte èn Essie èn Mijntje èn Rebecca—de meisjes met proestend na-giglen en schuw-driestig kijken. Essie die ’t kind had gesust, vertelde dan verder:“...Weet je nog van Joozepie oleveschonoe—Wil u gloove Poddy: we hebbe ellef kindere gehad!—as diè wakker kwam en we deeë iets—ù begrijp me wel, dan begon-ie te roope: vàder, vàder, vàder ik modpoe-oe-oe-pè!... Moeder, ik mod poe-oe-oe-pè!... Mijntje, ik mod poe-oe-oepè!... En àls van voren af an, om geregeld mesjogge te worde... net zoo lang tot wij d’r uit moste scheije! Ogge nebbiesch—nou is-die dood en ’n schein kind—werachtig ’n christenkind!...”“...Ja”, zei Suikerpeer snel—vergeefs had-ie met z’n oogen zitten knip-wenken om Essie te waarschouwe dadde Mijntje en Rebecca zulleke bed-dinge niet moste hoore—nou sprak-ie mal-luid om ’t gelach héen te praten: “Je ken wadde beleve! Lach nou zoo niet! D’r valt nimmendal te lache! Ja-ja we hebbe al vier kindere na Zeeburg gebrach en ’k denk—dat Brammetje,—dat Brammetje...” Hij stokte in bekijking van het bedsteedonker, waar ’n ademkreuntje in hapering stootte.“’t Is ’n wònder, ’n wònder die herzensziekte”, zei Essie bedrukt, de handen in ’r schoot.“Alles wat Gòd doet is welgedaan”, zei rustig-glimlachend de blinde: je mot God met vràge nie verzoeke—Kom, Eli breng me de trap af...”Ze stond op, storend Eleazar, die met hethoofd in de hand naar Rebecca keek, naar ’r sappig gezichtje in den tuimel van zwart haar, naar het git van ’r oogen.Hoe komt die hièr—dacht-ie. Hoe is die zoo frisch gebleven bij ouwe, verdane menschen? En wat lacht ze driest—wat heeft ze gemeene trekkies om ’r mond—wat ’n vreemd snuitje—As ze nièt lacht, me niet ankijkt—as ze stil bij de lamp zit—is ze ’n vervroolijking van de kamer—en às ze lacht—as ze met natte lippen wacht of ’k méélach—gaat ’r iets klams, iets branderigs, iets hinderlijks van ’r uit.“Blijf-ie zitte, Eli?”“Nee-nee,” zei-ie opgewekt.Voorzichtig liep-ie voor de blinde, ’r hand vasthoudend, tree voor tree, bracht ’r naar de zoet-walmende kamer benee, stak de lamp aan, verstrooid.“...Wat doe je? Wat doe je?”—glimlachte ze: “voor mijn hoeft ’t alweer nie!... Maar nou je hièr bin—: je boterhamme staan in de kas... Neem-die medeen mee... Hoor je? Hoor-je?...”In de glazen kast zag hij ze, nam ze van het bord, zei ’r goeien nacht.“Gebruik je verstand, je verstand, Eli”, sprak zij hem na: “wat ken je mazzel weze mee te doen met de òngijn van ’n schtaking?.. ’n Schtaking is ongeluk—òngeluk... Wees geen verschwarzte nar—ik ziè de zake zooveel beter as jij ... zooveel bèter ... zooveel bèter... Ga nou morrege na Berlijn, die heit gróót werk.”“Nee”, zei hij beslist... “as ’r geen smàusen en zieltjes onder de arbeiders waren, zouen we àlles doen... Ga maar slapen... Van Dovid’s verdiensten vreet ìk niet mee... Ik kom er wel. Goeien nacht.”Hij sloot de deur. Op de plaats was ’t nachtduister. In de massale zwartheid der muren, zwart als de lucht boven, broeide venstergekwijn, licht als het rood van moede oogranden. Dat stond zwijgend, had angstige sproeiïng van rottend rood in het plompe, builende zwart. Zelfs geen menschenbeweeg en geen schaduw, enkel vaal-rood langs ouwe gordijnen.Het hol van de poort wasemde schuifelend grondlicht. Met het brood in de hand ging Eleazar er heen, struiklend over een emmer die niet was binnengehaald. De deur van den schoenmaker stond wijd-open. Hij zelf zat opde keldertrap, arbeidend voor de tafel, die hij naar zich toe had getrokken. De vrouw was gaan slapen bij de kindren in de bedstee. Het water, hooger gerezen, had gouden glanzels en ’n keeglende gouden lampe-baan naast de teere weerspiegling der tafel.“Nou zie je wat d’r hurrie geholpe heit,” praatte de schoenmaker voortwerkend: “as je de hàlve nacht blijft scheppe, helpt ’t nòg geen mieter! Zoo ken ’k teminste werreke en morrege trekt ’t de grond in. Dat eeuwig geneuk van die wijve!”...Zijn hamer beklopte een zool, indrijvend de pinnen, de vuist, prop om den steel, schoot driftig op naar het oor en weer neer.“Werk plezierig,” zei mat Eleazar.“Plezierig!—Plezierig!” herhaalde de man monotoon en flauw-lachend.De trap kraakte stug onder zijn voeten, nu hij naar boven ging. Hij bewoonde de kamer bòven Suikerpeer. Amerika had ’m verwend. Hij had niet meer kùnnen slapen, sámen met Dovid op den grond van de alkoof, bij tante Reggie, Saartje en Moosje. Hij woonde alléén, at bij Reggie. Zoo was ’t het beste geschikt, niet te duur. De kamer dee vijftig cent in de week—en hij was vrij. Bij Podnowsky, den Pool, stond de kamerdeur aan. De lamp had gestoomd. Zweving van roet was tot op ’t portaal.“De lamp heit gewalmd. ’t Stinkt,” zei Poddy, die rondliep op kousen met knollige gaten. Aan oude bretels hing zijn broek en de paars-groene borstrok omspande de magere borst. Vaag zag Eleazar een bed op den grond, hoofden van kindren, ’t open gesprei van een bedstee, een pot en op tafel stronken van bloemkool. Meer bij de deur stond een kleinere tafel met doozen tabak en sigaretten.“Da’s mìjn negotie,” zei Poddy, strijkend de hand door den baard en wijzend naar de sigaretten: “daar mod-ik me vijf kindere d’r monde mee stoppe.—Wi-jij d’r een rooke, ’n echte Rùssische, na je soupé? ’t Is ’n fijne.”...“Graag”, sprak lachend Eleazar en terwijl de hoekige jood er een uitzocht, keek hij naar ’t matras op den grond, waar hij hoofden onderscheidde—een klein kind—een jongen met aankomend snordons—en Rebecca die ’m aan lag te kijken, lachrig-verlegen. Bij ’r hoofd, op ’n stoel, was ’t slordig gekreuk van ’r rokken, ’r broek bovenop met nog slingrende banden.“Rook ’m bij je soupé,” zei Poddy: “en doe niet as Dovid ’t pèstgezich! Jij heit gelijk. Gezegend zal je weze.”...“Dank je. Goe-nacht. Slaap wel,” wenschte Eleazar, hooger klimmend naar zijn kamer.Er was geen licht. Tastend in ’t donker, duwde hij het raam op, schoof den manken, matten stoel bij, begon van de boterham te eten. Maar na een paar happen, in onrustige gedachten, lei hij ’t brood op de vensterbank, keek naar de dakpannen aan de overzij. Het was een volkomen donkre nacht. Voor hem uit klompten de daken diep-zwart, bizar en geweldig, vreemd-gestolten pantser over het leven daaronder, grauw-ijzren domper over rood-kleine kamers. Een eenzaam dakraampje in de zwarte allee van vele giganteske dingen had hetzelfd rottend rood der ramen van straks.

Tegen schemer liep hij de poort in. Zij was bruin van slagschaduw-groei, met geluwe damp bij ’t raam van den schoenmaker. Stug klonken hamerslaagjes, nattig van na-smak. Ook ’n kind huilde alsof ’t véel pijn had. Zacht schoof hij den muur langs. In den donkeren schuilhoek, overkeek hij de plaats en aarzlend-van-doen poogde hij te onderscheiden wie er in tante Reggie’s kamer waren. Er bewoog niets. De lamp was niet aan. De deur stond schuin-open. Van boven, waar meerdre ramen licht-kwijning hadden, vaagde een glans, gouden waas op het zwartpuin der muren. De neerwipte handwagen leek een dreigend geraamte, schuwe bukking van kwaadwillig dier.

Luidloos sloop Eleazar nader, maar de deur naast het geluw raam van den schoenmaker werd geopend en een stem vroeg:

“Wie is daar?”

“Ik”—, zei Eleazar, terugschrikkend naar het duister der poort.

Het was de schoenmaker die buiten kwam, de handen gebold onder het schootsvel. Afschijn van lamplicht geelde achter het hoekig lijf, achter de warrige haren. De man boog naar den hoek, herkende den buurman.

“O. O!.. Ben jij ’t?”, zei hij—en sneller in grommend beklag ging zijn stem met klanken van onmachtig, ingeroest huilen: “...Verdomme, verdomme, nou mot je is kijke!.. Nou ku-je-’t verdomme is zien!.. Je zou je zoo gaan verzuipe!... Is dat ’n pèst!... En dat hei-je zoo telkes, telkes as ’t water maar effen rijst... Kijk me is an!”...

Samen, schouder aan schouder—de deur was maar klein—keken ze in het keldertje, waarvan de steenen vloer blank stond. Op het withouten tafeltje was een kleine lamp die licht-gladding aan het water gaf, vuilig water boven roode tegels wier zwarte, diepe voegen ’n ruitig spinweb geleken. De witte kalkmuren stompten zonderling-scherp naar de balken-zoldring. In een bedstee met wijdstaande deuren zaten drie kindren, wakker geschrikt. ’tJongste, meisje, vaalbleek, huilde alsof het pijn had, klaaglijk, week smartstemmetje en de vuistjes bewreven driftig de holten der oogen, soppend het vocht tot diep over de wangen.

“Hou je smòel!”—, zei woedend de vrouw. Ze had kousen en schoenen uit getrokken, den zwarten rok hoog om de heupen gewrongen, de strikbanden van den broek boven ’r knieën gebonden. Zoo trachtte ze ’t water in een emmer te dweilen, telkens den doek als een vangnet uitspreidend, ’m wringend in ’r roode knuisten dat het slijkwater met proesten in den emmer spoot. Als ze rechtop stond, hingen haar armen over den wikkel van kleeren, waaronder de gore spleetbroek met natte benglende banden en harige kuiten van slap, papperig vleesch. Waar de afscheiding was van de schoenen om de dikke enkels, waren de voeten van ingegroeid vuil, teenen met baksels van zwart en zoo op de schijven der knieën, wier puiling in ’t papvleesch daardoor sterker werd. Jan, manke joggie, nog op, zat op de leuning van een stoel, het horrelvoetje geschurkt over het andere been, oogen glinstrend van pret. In een hoek van den kelder, op schraging van stoelen, lagen dingen,ruw-weg daar neergezet om ze droog te houden, een oud matras, een deken, een mat, een ijzeren pan, een paar waterlaarzen, een pollepel, wat kinderkleeren. De waterpot, helwit, dreef bij de pooten der tafel, zachjes dobbrend door ’t golvend beweeg van de dweil. Stank van vuil dat lang in warmte gebroeid, stank van riolen en beerputten, door ’t rijzend water geloosd, ontsteeg het glad-kalm water, dat de vrouw probeerde te hoozen.

Zij had een emmer vol, reikte ’m toe den beenigen man, die bukte en ’t hengsel greep. Donker-gebogen in ’t duister der poort, dof-vloekend, liep-ie naar de gangstraat, smeet met een smak dat ’t kletste tegen den muur, den emmer over den grond, kwam terug, begon weer te klagen:

“... Nou zie je is!... ’t Is verdomme om bij te griene!... Je hart draait òm in je boddie... Al de stront van ’n ànder in je huis! En zoo telkes met volle maan. En die schoene die àf mòtten! Schei toch gedoome uit met je geschep! ’t Helpt je geen sodeflikker! Hoe meer je roert in de zwijnerij, hoe meer ’t stinkt!”

“Das verrek-me je dànk!”, vloekte de vrouw, kwaadaardig de dweil op het water kletsend, dat ’t spette tot over de tafel: “Help liever wat mee, wat mee, wat mèe!”—, nasnauwde ze, diep-bukkend, de dweil heen en weer rukkend, het breed achterlijf in den goren broek naar de mannen gekeerd. Jan, ’t manke joggie, had kousen en schoenen uitgetrokken, besnoepte de kou van ’t water met den grooten teen van zijn misvormden voet, teppend en proevend voorzichtig.

“Kòm!”—,grauwde de vrouw. Het kind doorhinkte het water met verkneuterd gezicht, lange stappen nemend, asof-ie schaatsen reed, schepte mee, een vuilnisblik in de hand.

“Moe-oe mag ’k oòk mee-doen?”—,riep Dirk op den rand van de bedstee, heerlijk vindend ’t spelen van Jan. Met de beentjes wiegde-die buiten ’t bed, klaar om te springen.

“As je niet lègge gaat, snotaap, sla ’k je voor je smoel!”, dreigde de vrouw en in drift toestappend, kletste zij met ’r natte hand het kind om de ooren, duwde het onder het dek, stompte verwoed de bulten van de ruige, vale deken om de lichaampjes der drie: “En às je blert, trap ’k-je doòd!”—Ruw van gebaar,’tbovenlijf mal-dik door den wrong der rokken, den goren broek om de beenen gekleefd door de zuiging van ’t opgestuwd water, trapte ze in den plas, ’t gelaat vierkant in snauw.

Het was zóo grijs-triestig, van zulk een krijschenden jammer, dat Eleazar het harde, stooterig doen der vrouw natuurlijk, vanzelfsprekend vond. Ze kneep weer de dweil met wringende rukken, telkens bukkend, opmoddrend het water dat bruin werd, valer van stank. Haar rok losgeslierd door ’t verbeten werken, viel even neer dat de rand het water indronk. Vloekend, met huiling in stem, scheurde ze ’m op en hooger, staand met ’r papprige beenen gespreid en den broek omklakkend de vleezige heupen. Tip van haar hemd, zwarter dan broek, wipte de spleet uit en de losraakte banden zogen ’t water. Jan, ijvrig, lòllig dat-ie mocht helpen, plaste met smaaklijk genoegen. Het vuilnisblik stak-ie in ’t water, heevlend het over en met de dunne vingertjes poogde-die de gootjes te stuiten, die kletterend liepen bij elk van de hoeken. Flauw brandde de lamp op de withouten tafel, scherper belichtend een schoen zonder zool, den witten pinrand daarin, een els, een priem, een mes, een hamer enrommel van spijkers, nagels en kerfjes van leer. Ook een halfvolle koffiekom, rond en bedrabd stond bij de lamp. In ’t water, rullig gewiegd met dribblende rimpels, kropen goudslangjes van licht, hupplend met dwaze verwijding tot plasjes van glanzerig goud en de voeten der vrouw en van ’t kind kwamen killig de gladding doorbleken, die rood werd door weerschijn der tegels. De schoenmaker, geel in den post van de deur, hoofd tanig en leerig van juk, met stoppels van war-bruinig haar, bukte opnieuw, grijpend het hengsel, stortend door ’t ruwe aanvatten. En weer in het diep-dikke bruin van de poort, lijf schuinweg geknakt door de zwaarte van emmer, droeg hij het vuil dat de aarde onder het huis opsiepte, naar de gangstraat, waar het schaatrend van plas het duister doorwitte. Terwijl wiesch Jan zich de voeten, geleund tegen den kalkmuur, wrijvend met vuilige vingers over het horrelvoetje, vleeschklomp die zwaar leek te hangen aan ’t broos, mager been.

De schoenmaker, weer terug in het geluw gestraal van den deurpost, dat traag zich verwijdde en licht-vlakking gaf op ’t bijtend gegroef der oude poortsteenen, gromde mistroostig.

“...Zoo ’n sodejuusche kelder!... Zoo ’n ròt-kelder!... En dat ’t nòu mot komme... ’t Mot ’r verdik-me altijd weze as ’k werk heb... Nou, kwaje beroerling, lamstraal, maak ’r geen lolletjes van!... Help mee!... Dat staat goddoome te spèle!”

“Nou-ou—as ’t blik lekt.. ken ik ’t hèlpe?”, zei Jan, bang voor moeder die opkeek: “...’t Loopt ’r alles weer langs.”...

“Is ’t gedáán!”, dreigde de vrouw: “...Toe! Toe! Steek uit je poote!... Allo, neem de pot!”

Het water inslurpte den emmer met klukkende kletsjes—modderig druipsel en dufzoete stank dreef naar de deur.

“Da’s tèlkes zoo”, klaagde de schoenmaker: “tèlkes, tèlkes... ’k Wou da’k verrekte, verrèkte”... Er was grove beest-wanhoop in zijn stem. Zacht antwoordde Eleazar, niet aanziend den man, stroef-kijkend naar het voetenbeweeg in het opdrabbend water.

“...Ja, ’t is wel erg, wèl erg... Zoo hebben we allemaal wat, mot je maar denken—mot je maar denken—al is ’t ’n slappe troost.—’k Ben zelf bàng na huis te gaan. ’t Is ’n vloek, ’n vloek”...

Gloeiend stompte het bloed naar z’n hoofd.Waar-ie kwam, waar-ie liep, zag-ie de menschen geknecht in kleine ellenden, versleten in zorg. ’t Was of je enkel dàt, dat alleen op je weg kreeg, als je oogen na den winterslaap van ’n dooie jeugd waren open gegaan. Bij tante Soor, in den voddenkelder, waar-ie ’n kom koffie had gedronken, bij Suikerpeer, òveral in de sloppen die-die langs was gegaan, nou pas weer, leek ’t leven vermuft en verlept, als ’n dorrende bloem op ’n zonlooze vensterbank. Stappend in den avondschemer, de uitstallingen en winkeltjes van de jodenbuurt voorbij, had-ie met valsch geweld, de schijnbaar-zieklijke besluiping-van-altijd-’t-zwarte-en-miserabele te zien van zich af gezet. Hij leed, an de manie van méer wakker-geschrikten, an de èindloos opletten van grauw. De menschen hadden zóó lang geduld dat ze niet beter wisten. ’n Blinde wist niet van licht, als-ie blind was geboren. Als-ie niet zooveel in één passie gelezen, rijp en groen, dingen die-die hálf had begrepen èn klare, lekker wakker-schuddende geschriftjes, zou-ie als ’t gros van de stumpers blind-geboren zijn gebléven. Je moest oppassen van ellende ’n kwee-achtig ding te maken. Je moest je vasthouen an ’t blijje wèten dat ’r verjongingwàs—kwam ’r zèlfs bij slijpers die ’r vroeger niet an gèdácht hadden geen stàking?—menschlief, je kòn niet meer stadig terneer zijn geslagen. In je verbeelding vlamde overal, zèker de zon door. Zoo zich opmonterend in stemming-van-veerkracht, was-ie de poort ingewandeld—nou stond-ie opnieuw, machtloos, als ’n driftige kijker, met gebalde vuisten. Alle redeneering was lak, nutloos gedroom.

De schoenmaker strompte door den mist van aandampend zwart, naar de straat. De vrouw rustte uit, norsch, lippen bot saamgekwakt. ’r Paars-roode voeten-met-vreetsels-van-vuil steunden op ’n sport van den stoel en onder haar rimpel-ritste het water met gouden geadem. Jan speelde met den pot dien hij liet drijven, zacht-blazend en duwend. Klaàglijker werd het pijnlijk gedrens van Aagje.

“Nou dèn!”—, snauwde de vrouw: “Is ’t me uit!”

“’k Mot zoo kàkke,” snikte ’t vaalbleeke kind, ’r hoofdje in persende duwing op de blauwtijken peluw.

“Je houdt ’t maar in!”—, driftig opstoof de vrouw: “’k-Hè genoeg an mezelf!”—Goedigerdan, ’r an denkend, dat ’t kind in de laatste dagen telkens het bed had bevuild en hoe kwaadaardig de man was as-ie in zoo’n stinkend-nat bed most slapen, plaste ze weer door het drab water, zoekend den pot.

“Hier is die moe,” haastig zei Jan, drogend den rand an z’n kiel.

Op de deken in de bedstee tilde de vrouw het huilend kind, dat met de magere beentjes gehurkt kwam te zitten. Met ruwige wreef wegveegde ze ’t vuil van ’t gezicht.

Als een kreun spette het in den pot. Dirk, blij dat-ie wat mòcht, hield ’t zusje vast, terwijl de vrouw, hooger schurkend den rokkenwrong, optrekkend den broek die nat-plooierig zakte, weder het water te dweilen begon. Jan kudderde mee. Niemand sprak ’n woord—de mannen wrokten—de dweil perste water in den bek van den emmer, de voeten der vrouw trapten gaten van drift. Dirkje, die den pot bij ’t oor hield en ’t pijnlijk-drukkend meissie bij ’r buikje steunde, praatte ’t eerst. De spichtige billetjes had-ie met ’n tip van de nachtpon geveegd. Nou, in den pot kijkend en smerig van lip-trek, riep-ie hard:

“Moeder!.. Moeder ze heit weer blóéd gekakt!”

De vrouw, neersmijtend de dweil, schuurde door ’t water, droogde de handen lomp-weg an ’r broek, nam ’t kind van het dek, lei ’t met sussend beweeg naast Dirkje en Truus, keek in den pot, bij de lamp. Bij de deur zagen de mannen, flauw-rood tegen het wit der pot-ronding, ’n grillig lijntje uitgelekt bloed, aarzelend spoor van een bloedtraan. De vrouw, schuddend ’r hoofd, met jammertrek van wel-willen-snikken, liep naar hen toe, toonde suffig het meerdere rood dat takjes en aartjes had in ’t waterig bruin. Dan zonder gespreek, dik-snottrend, hoofd zwaarlijk gebogen, omspoelde zij den pot in den emmer, die grijs-lauwig bleef van opgedweild water, niet dieper van kleur werd. Ze spreidde den vadoek opnieuw, wrong ’m met knarsig gewring, snikte dofingehouden, harder van neus-haal als het water in den emmer kletterde. Haar broek zachtjes afzakte door ’t veelmalig bukken en een stuk bleek-fletsig vleesch van de bil overbarstte den snijdenden band. Jan, rustig, plezierig van mors, lepelde het water in den schuingehouden pot. Z’n horrelvoet stond als een vleezige knoest met een schaduw-wond onder den enkel.

“Kan ’k je hèlpen? Wil ’k ’n emmer halen?”—, vroeg Eleazar.

“Nee,” knikte de schoenmaker en plomper: “’t Helpt geen verdomnis. ’t Is monnikewerk. We houen ’t de heele nacht, de heele nacht. En morrege zakt ’t van zellef”....

Het was geheel duister geworden. Voorzichtig schuiflend liep-ie de plaats op. Bij tante Reggie was nog geen licht. Goddank. Alles naar bed. Geen teleurstelling. Geen belabberde uitlegging. Maar uit het licht-doezlend raam van Suikerpeer werd een hoofd gestoken en de groentenjood vroeg:

“...Eli—bin jij ’t?”

“Ja,” schrikte hij,

“Kom-ie nie bòven?... Reggie is hièr... Mod-je geen kommetje?”

De nauwe trap kraakte alsof spaanders werden betrapt. Boven werd een deur open gezet. Schemerschijn belichtte de uitgeloopen, grijze treden, de muren van zwart cement.

“Is dat uitblijve!”—, klaagde tante Reggie.

Hij glimlachte lichtschuw, pogend te zien wie er waren, struikelde haast over ’n matras, waarop vier kinderen sliepen. Bij detafel zaten Suikerpeer, Essie z’n vrouw, tante Reggie, Dovid, Mijntje, de oudste dochter van Suikerpeer en twee vreemden, ’n magere man met ’n langen baard en ’n jong meisje met loskrullig zwart haar. In de bedstee, waar ze met moeder en vader saam-sliepen, lagen nog twee kinderen. Stank was in de kamer, stank van te veel menschen, stank van den emmer in ’t hokje. Het raam stond open. De lampen in den ijzeren hanger brandden laag met spitsing van zuigende vlammen.

“Og!”—, verweet Dovid, schreeuwrig, vies-kregel: “nòg, dalles-man blièft boven water te komme! Dat schnort de heele dag langs de weg! Ha-je thuis gewees ha-je werk gehad! Og, wad-è schlemiel!”...

“Werk?”—, vroeg Eleazar verwonderd.

“Is dat uitblijve!” klaagde de blinde weer, bekijkend de klanklijn van z’n stem: “waarom bin-je nie kome ete?... Dan was je Berlijn nie misgeloope... En zoo’n onrust...”

“Berlijn?... Berlijn”, herhaalde Eleazar in toon van ontrusting.

Dovid, zich opwindend, driftig van trek om neus en om lippen, handen trillend door ’t wriemlen der vingers, overschreeuwde hem:

“Ja, Berlijn! Berlijn! Berlijn! Wat sta je as ’n pilaar! Weet je nìe wie Berlijn is! Had thuis geweest ha-je werk! Loop ’m nou achter z’n togus, as-die àndere angenome heit!”...

“Nou! Nou!”, suste de blinde: “Heit-ie nie gezeid dad-ie ’n plaas voor ’m open zou houe?... Wat maak jij je drùk, Dovid... As-die nog nie-eens gegète heit!”...

“Laat-ie wel vrete!”, schreeuwde Dovid: “Laat-ie niè vrete! Ook ’n zorg!”

Het was tusschen hem en Eleazar al lang ’t geharrewar van twee die mekaar in geen jaren hebben gezien, mekander niet meer verstaan.

“Berlijn?”, informeerde Eleazar rustig: “is-die van de fabriek van Laboen?”—en zich ’t geheugen scherpend, zich den naam herinnerend, zei-ie met zekerheid: “Ja, dat-’s die van Laboen. Voor die werk ’k niet. Dank je. En ’k werk nou voor niémand. De staking komt ’r door.”

Dat gaf gejoel, zig-zag en kolking van stemmen, angstig besust door Essie, bang voor de slapende kindren.

“De schtaking? De schtaking!”, riep Suikerpeer, dik-lodderend, met ’t raspig geluid van z’n ontstoken keel.

“De schtaking!”, schreeuwde de man met den langen baard, dien Eleazar niet kende.

“De schtàking! De schtàking!”, tierde Dovid slaand met de vuist op de tafel, dat de kopjes rinkeltetterden, eén slijkrig koffiedik stortte: “De pescht! De pèscht! ’k Zel nòg langer schwieje-nieje lijje! ’n Golle! ’n Golle! Wie geeft me te poojen as ’k ’t nie heb?... Hei-’k nie wèke zehaam gezete zonder ’n cent ’n makke te verdiene? ’k Bin dijmantschleiper en geen stráátschleiper! Betale zìj de huur?—Betale zìj ’t brood?—Betale zij Witjas?—Betale zij ’t vleesch!—Oggenebbiesch vléésch! Ich muss fressen! Ich muss fressen!—Voor mijn part leit Dekker zich ziek! ’n Miessemisschinne! ’k Hei ’n partij kappies angenome en knappe jongen die ze me afneemt! Nòg! Hij vertelt wat overnieuws van de schtaking! De schtaking! Narrigkat! Die laat zich mesjogge make! Hei jij in maande ’n cent gezien! Hei ik in maande ’n cent gezien? Geen brood krijg-ie geborgd! Gasserponum! Schwans! Stomme schwans! De schtaking! De schtaking! Nòg!”...

Speeksel ontspetterde z’n mond en ’t gladgeschoren beenig hoofd zenuwbeefde van woede.Met driftig gebaar nam-ie de kom van de tafel, dronk, zich verslikkend bij ’t wilde geslurp.

Koel keken de grijze oogen van Eleazar en ’n trekking van trots kwam om z’n dunne bloedlooze lippen. Nog vóor Dovid was begonnen te razen, had-ie gevoeld wàt ’r zou komen, had-ie door de gewilde, ’r dik-opgelegde drift begrepen dat de zwager, die al den eersten avond van z’n thuiskomst over de meeting in ’t Paleis met Suikerpeer had zitten ruzieën—in kwaadaardigheidjes en geschetter z’n onrust verborg. Zònder angst had-ie z’n woede niet kláár gehad.

“As jij wil onderkruipen”, zei hij met de kalmte van iemand die de onechte opwinding van ’n ander neemt voor wat ze is: “as jij kameraden die werk hàdden en ’t voor jou, voor mijn, voor honderd anderen hebben neergelegd—wil bestelen—mot je dat zèlf weten. Je kameraden...”

“...Me kammerade!”.., schreeuwde Dovid zangrig-schel: “Adenoj elleheine, me kamme...”

“...’k Wou oòk uitpraten”, viel Eleazar hem bits en zóo domineerend in de rede, dat Dovid met nog nà-mummende lippen ophield: “...As jij wil onderkruipen mot jìj dat weten...Ik doe ’t niet—al krepeerden we zóo as we hier zitten van honger”...

“Gelijk heit-ie”, zei de man met den langen baard.

Eleazar zag ’m aan. Hij had den harden kop van ’n Poolschen jood, ’n gebogen neus in velscheur-striemen, rood-omrande oogen en ’n baard van ruwe bruine slieren, waarin zilverdraden metaal-schampjes sloegen. Aan den linker-mondhoek, vurig-builend naast het daar korter pluizend haar, spande een gezwel als een knikker. Dàt zag Eleazar het eerst.

“Gelijk! Gelijk!”, schreeuwde Dovid in meerdre opwinding: “zoo’n maugverdraaier! Me kammerade kenne de pescht krijge! As ìk nie onderkrope was in de tijd van me oogziekte, zatte we niet in de dikkedesch! Zal ik nòu mesjogge zijn? Was hab’n we vemiddag gefresse?—Schappie-hindelemindel!—Vreet jij je daar ’n barsting an!—Waas hebbe we gister gefresse? Zogererwte! ’n Brok zuur an de kar! Staat nie me bovenbed in de lommerd? Staat nie me talles in de lommerd? Voor mijn part krijgt de heele mischpooge de chòllera, vuile addermekakstraal!... ’k Zal nog langer de ouwe vrouw en me kindere late verrekke!Eer ìk de partij kappies uit me poote geef zalle juillie allemaal sjankes krijge!—En jij—jij ’n darme-reising!”...

Nu in natuurlijke woede, geelbleek, stond-ie op, smeet z’n stoel tegen ’t raamkozijn, verzette de koffiekom met ’n smak op de tafel.

“Og, wad-è frotter haurik!”, smaalde Essie, de vrouw van Suikerpeer, na een stilte van onthutsing, en krènkender smaalde ze: “benche ken-die niet—zal die vlòèke!”...

“Enne tòch heit-ie rech,” lodderde Suikerpeer oòk opgewondener: “Wat heit hij met ’n schtaking te make! Heit-ie niet ogge-nebbiesch làng genoeg geschtaakt! Ken jij je kindere wegpattere? Ik zweer je bij mijn gezond, bij mijn kinders-lang-leve: ’k hei vemiddag enne gister, enne weisz-ich-viel hóé lang aardappele gevrete met vèt! As ’k ’n schleiper was en werk kon krijge, schleep ’k de heele nach en mòrrege nach en overmòrregenach tot Sjabbes toe!”...

“Wat zal hij néé zegge?”, meende zachtzinnig de blinde, starend naar de peer van de lamp: “Wat zal jìj nee zegge, Eli!.... Hebbe we nie pech gehad van dad-jij van Ammerika bin weromgekomme? Sta ’k nie voor de vierde sjabbes in de schuld bij Witjas? Krijgtnie de fruitman? Krijgt nie Kalf van de nasscherei! Ogge-nebbiesch me Saartje heit geen hèmpie an ’r lijfie!... Berlijn is ’n toffe jongen—Schnij jij je ’n bezze bittere krieje voor àndere! Schnijje zìj zich ’n krieje over jou? Een ’n makke!—Jij mot nie stake! Dat zijne rissches. Zoo zal God me nog eenmaal ’t licht in me ooge gunne: Dovid heit rècht”...

Ze zweeg, napreevlend met ’r droge lippen, vrindlijk-rustig knikkend naar de zij van Eleazar. Maar de donkre stem van den Poolschen jood, sprak hortend, stem langzaam ver-heeschend in drift:

“Rècht!—Wàt is recht?—Recht is as je grijp wat je ken grijpe!—Recht as ’k gàp, as ’k honger lei!—Recht as ’k ze spuug in d’r gezicht die me beschwindele!—Recht as ’k ze trap op d’r hart!—Recht dat-ze d’r longe, d’r lever verzieke die me kindere te kort doen!—Recht as d’r ingewande van krampe krepeere!—Wàt is recht? Recht is as juillie ’t verdòmt langer honger te lijje!—Recht as je strijdt vóór je maag! Wat ken één man, Dovid? Og! Juillie mot as ’n klit an mekaar kleve! Geve ze niet goeischiks dan neem-ie kwaaischiks. Kwaaischiks is dan je rècht!—Alléenig doe je niks,niks, niks—alleenig krijg-ie geen speldeknop, geen korrel suiker, geen spùg water, geen korrel zand! As juillie klève an mekaar, klève, dan kenne juillie dwinge, dwinge dat ze de schwerenaut uitbreekt!”...

Hij zweeg, de handen bevend op ’t vlak van de tafel. Op ’t hooge voorhoofd waren de aren gezwollen en wit-schuimend speeksel drabde over z’n lip naast het roòder-geworden gezwel.

Opnieuw was stilte in de kamer, aandroesde gepraat van de plaats, waar de schoenmaker liep met z’n emmer.

Essie van Suikerpeer, verschrompeld bandeau-vrouwtje, sprak ’r aanloopje zoekend, slijmrig-bedeesd “...Nou ja, ù heit goed prate, u weet niet wat ’r komp-kijke: Dovid ken ’n goed stuk brood verdiene... hij werkt met víér tange”...

Dovid, die bij ’t raam stond, wond zich lawaairiger op. Rauw krijschte ’t geluid uit zijn keel:

“En nou zal ’k godverdomme ’n onderkruiper weze!... Kenne ze me allemaal de maarsch lekke!... Voor mijn part schtàke ze, schtàke ze tot ze de krenk krijge!... En ’n rotkoorts op de koop toe!... Zal ìkme schikke na Dekker!... Zoo zalle z’n achterste kiezen na vòre!... En jij je geschwollen legge! Nou zàl ’k onderkruipe—nou zàl ’k—Legge juillie je allemaal ziek!”...

Mager van woede, de oogen uitpuilend, spuwde hij naar den grond, liep de kinderen op ’t matras voorbij, smeet de deur met bonzend geweld achter zich toe.

“Wat ’n mamsertòmme!”—, zangerig zei Essie, ’t bandeau-hoofdje in de handen wieglend.

Verlegen stilte bleef tot Dovid’s voetstappen niet meer op de trap werden gehoord. Dan kwam gepraat van alle kanten. Suikerpeer, Essie, tante Reggie namen z’n partij, sprekend gelijk, elkander met spuugrig lawaai in de rede vallend, zich opwindend, druk van gebaar.

Rond de tafel smoezelden ze, Reggie over ’t raam, bij Essie en Suikerpeer. Om den hoek Rebecca, de dochter van den Poolschen jood, luister-zwijgend als Mijntje, de oudste van Suikerpeer. Podnowsky, naast Eleazar, schoof naar het venster nu er meer ruimte was gekomen, ging te-keer tegen de drie, soms overschreeuwd, soms overschreeuwend, grimmig verwenschend die ’m hadden vervolgd van af z’nkinderjaren toen-ie met vader en moeder uit Rusland was gesteenigd.

Koffie-lebberend, moe, leeg door ’t gevast, luisterde Eleazar. Soms keken z’n grijze oogen in de groot-zwarte van Rebecca, verwonderde hij zich over de frischheid van ’t ravenzwart meisje dat hier niet scheen te behooren,—dacht-ie aan de rijpheid van ’n pioen. Sterker, in grooter jeugd, was ’t ongewoon wangenrood als-ie naar Mijntje keek, ook zoo van zestien, zeventien, kamer-sip, bleek, met korsten in de haren en over de ooren, wat al de kindren van Suikerpeer schenen te hebben. Even door de warmte der kamer perrelde zweet op z’n voorhoofd, maar de tochting van ’t raam, wit-slaand tegen z’n vel-heetheid luchtigde ’m op.

Laag nedervlakte de zoldring-van-balken met schuwlijk dobbren van lampelicht-kringen. Op de tafel was morsig gewar van kommen, koppen en schotels, glanzerig wit, door klodders en sopjes bruin overstort. Het zeil, geel, met bloemen-gefleur en weg-krabde gaten, lei met bultende vouwen en glimmige plasjes.

Behang was er op zij van de deur—, derest in flarden gekruld, hing los aan de wanden van spikklige kalk. De muur was ’n vervellend dier, dat de oud-doode huid van zich afschudt. ’t Netst blankte de kast met deuren van klein-glazen ruitjes—er achter planken met puntige tanden vergelend krantepapier, tanden groot en gelijk, knipsel van Mijntje. Daarop borden en glaswerk, roodkoperen dingen in dofrood gevlam. Den rand van den schoorsteen, terzij van de bedstee, had Mijntje belegd met repen behangsel en ook daarin roofdier-tanden geknipt, lauw nu ombollend door de warmte der kamer. Op den grond, bij de koperen kachel, lagen de kindren, Meijer vooraan, die wakker nog was. De drie andre, hoofden verzakt in de peluw van zeegras, sliepen met opene monden, leelijke kinderen, ouwelijk-joodsch. Esther, meisje van twaalf, had witte plekken op ’t hoofd, waar ’t haar school onder zalf; Jaantje, kindje van tien, had ’n groen-zwerend oortje; Flippie, ’n jongske van zes, snurkte door ’t mondje, bekrabde in slaaprig beweeg ’t hoofdje van korsten dat ’t waterig bloed bekleefde de haren. De jongste lagen in de bedstee, waar ze sliepen met vader en moeder. Mijntje lag meê op den grond.Bram, ’t jòngste kind, onrustig van slaap, bewoog soms met stokkende kreetjes in stuip, stil-zieklijk kindje, dat langzaam uitteerde. Bekkie het eenig gezonde, lei stil achterin.

Om de tafel zaten de menschen, bonkige lijven zwartend bij ’t schemerig schijnen der lampen, glimglans op de handen in ’t licht, vleesch-rood op de gelaten, wit-sterke schamp langs de kommen en spullen. Schaduw van Mijntje’s rug strekte stug-strak van ’r stoel over de hoofden der kindren op den grond, waduw van weifelend zwart. En de deken aan ’t voeteind, rood-met-bloemen-van-geel en lostornde pluizen daartusschen, wolde in spreidender licht. Achter het hoofdeind was de deur van de kast waar de strontemmer stond. Er hing daar een plaat met woelige zee en een man staand in een dobberend hulkje. Ze was haast verbruind, met bellen van vocht en er onder stond vaagjes-gedrukt met bleekende letters:Wilhelm Tell befreit sich durch einen Sprung aus Geszler’s Gefangenschaft.

De menschen an tafel redeneerden nog druk. Mijntje, Rebecca zaten gieglend te fluistren.Podnowsky, de Pool,—ze noemden ’m Poddy—twistte met Essie en Suikerpeer.Eleazar, vermoeid van het slentren, knikte in slaap. In de bedstee huilde een kind. Afleiding gaf dat, daar Essie ging sussen en Eleazar, òpschrikkend, luisterde mee-knikkend naar het nieuwe gepraat.

“Dad’s Bekkie”, zei Suikerpeer en loddrig van lach, zei hij een grap van ’t kind: “Die is zoo góógem, zoo uitgeslape voor ’n kind van drie jare... Wàs ze niet drie?... Wi-je geloove dad-ze de trappe afloopt en dan zoek ’k ’r en waar denk-ie dad-ze dan zit?... Bij de geneiwekoopman!—Maar nou zal ’k je ’n gijntje vertelle... Van morrege wor ’k wakker en daar zeit de gebenchte memme: “vader wad-heit-u van-nacht weer met moeder gewipt—U begrijp me: gewipt!—Gijn van zoo’n kind!...”

Blinde tante Reggie lachte èn Essie èn Mijntje èn Rebecca—de meisjes met proestend na-giglen en schuw-driestig kijken. Essie die ’t kind had gesust, vertelde dan verder:

“...Weet je nog van Joozepie oleveschonoe—Wil u gloove Poddy: we hebbe ellef kindere gehad!—as diè wakker kwam en we deeë iets—ù begrijp me wel, dan begon-ie te roope: vàder, vàder, vàder ik modpoe-oe-oe-pè!... Moeder, ik mod poe-oe-oe-pè!... Mijntje, ik mod poe-oe-oepè!... En àls van voren af an, om geregeld mesjogge te worde... net zoo lang tot wij d’r uit moste scheije! Ogge nebbiesch—nou is-die dood en ’n schein kind—werachtig ’n christenkind!...”

“...Ja”, zei Suikerpeer snel—vergeefs had-ie met z’n oogen zitten knip-wenken om Essie te waarschouwe dadde Mijntje en Rebecca zulleke bed-dinge niet moste hoore—nou sprak-ie mal-luid om ’t gelach héen te praten: “Je ken wadde beleve! Lach nou zoo niet! D’r valt nimmendal te lache! Ja-ja we hebbe al vier kindere na Zeeburg gebrach en ’k denk—dat Brammetje,—dat Brammetje...” Hij stokte in bekijking van het bedsteedonker, waar ’n ademkreuntje in hapering stootte.

“’t Is ’n wònder, ’n wònder die herzensziekte”, zei Essie bedrukt, de handen in ’r schoot.

“Alles wat Gòd doet is welgedaan”, zei rustig-glimlachend de blinde: je mot God met vràge nie verzoeke—Kom, Eli breng me de trap af...”

Ze stond op, storend Eleazar, die met hethoofd in de hand naar Rebecca keek, naar ’r sappig gezichtje in den tuimel van zwart haar, naar het git van ’r oogen.

Hoe komt die hièr—dacht-ie. Hoe is die zoo frisch gebleven bij ouwe, verdane menschen? En wat lacht ze driest—wat heeft ze gemeene trekkies om ’r mond—wat ’n vreemd snuitje—As ze nièt lacht, me niet ankijkt—as ze stil bij de lamp zit—is ze ’n vervroolijking van de kamer—en às ze lacht—as ze met natte lippen wacht of ’k méélach—gaat ’r iets klams, iets branderigs, iets hinderlijks van ’r uit.

“Blijf-ie zitte, Eli?”

“Nee-nee,” zei-ie opgewekt.

Voorzichtig liep-ie voor de blinde, ’r hand vasthoudend, tree voor tree, bracht ’r naar de zoet-walmende kamer benee, stak de lamp aan, verstrooid.

“...Wat doe je? Wat doe je?”—glimlachte ze: “voor mijn hoeft ’t alweer nie!... Maar nou je hièr bin—: je boterhamme staan in de kas... Neem-die medeen mee... Hoor je? Hoor-je?...”

In de glazen kast zag hij ze, nam ze van het bord, zei ’r goeien nacht.

“Gebruik je verstand, je verstand, Eli”, sprak zij hem na: “wat ken je mazzel weze mee te doen met de òngijn van ’n schtaking?.. ’n Schtaking is ongeluk—òngeluk... Wees geen verschwarzte nar—ik ziè de zake zooveel beter as jij ... zooveel bèter ... zooveel bèter... Ga nou morrege na Berlijn, die heit gróót werk.”

“Nee”, zei hij beslist... “as ’r geen smàusen en zieltjes onder de arbeiders waren, zouen we àlles doen... Ga maar slapen... Van Dovid’s verdiensten vreet ìk niet mee... Ik kom er wel. Goeien nacht.”

Hij sloot de deur. Op de plaats was ’t nachtduister. In de massale zwartheid der muren, zwart als de lucht boven, broeide venstergekwijn, licht als het rood van moede oogranden. Dat stond zwijgend, had angstige sproeiïng van rottend rood in het plompe, builende zwart. Zelfs geen menschenbeweeg en geen schaduw, enkel vaal-rood langs ouwe gordijnen.

Het hol van de poort wasemde schuifelend grondlicht. Met het brood in de hand ging Eleazar er heen, struiklend over een emmer die niet was binnengehaald. De deur van den schoenmaker stond wijd-open. Hij zelf zat opde keldertrap, arbeidend voor de tafel, die hij naar zich toe had getrokken. De vrouw was gaan slapen bij de kindren in de bedstee. Het water, hooger gerezen, had gouden glanzels en ’n keeglende gouden lampe-baan naast de teere weerspiegling der tafel.

“Nou zie je wat d’r hurrie geholpe heit,” praatte de schoenmaker voortwerkend: “as je de hàlve nacht blijft scheppe, helpt ’t nòg geen mieter! Zoo ken ’k teminste werreke en morrege trekt ’t de grond in. Dat eeuwig geneuk van die wijve!”...

Zijn hamer beklopte een zool, indrijvend de pinnen, de vuist, prop om den steel, schoot driftig op naar het oor en weer neer.

“Werk plezierig,” zei mat Eleazar.

“Plezierig!—Plezierig!” herhaalde de man monotoon en flauw-lachend.

De trap kraakte stug onder zijn voeten, nu hij naar boven ging. Hij bewoonde de kamer bòven Suikerpeer. Amerika had ’m verwend. Hij had niet meer kùnnen slapen, sámen met Dovid op den grond van de alkoof, bij tante Reggie, Saartje en Moosje. Hij woonde alléén, at bij Reggie. Zoo was ’t het beste geschikt, niet te duur. De kamer dee vijftig cent in de week—en hij was vrij. Bij Podnowsky, den Pool, stond de kamerdeur aan. De lamp had gestoomd. Zweving van roet was tot op ’t portaal.

“De lamp heit gewalmd. ’t Stinkt,” zei Poddy, die rondliep op kousen met knollige gaten. Aan oude bretels hing zijn broek en de paars-groene borstrok omspande de magere borst. Vaag zag Eleazar een bed op den grond, hoofden van kindren, ’t open gesprei van een bedstee, een pot en op tafel stronken van bloemkool. Meer bij de deur stond een kleinere tafel met doozen tabak en sigaretten.

“Da’s mìjn negotie,” zei Poddy, strijkend de hand door den baard en wijzend naar de sigaretten: “daar mod-ik me vijf kindere d’r monde mee stoppe.—Wi-jij d’r een rooke, ’n echte Rùssische, na je soupé? ’t Is ’n fijne.”...

“Graag”, sprak lachend Eleazar en terwijl de hoekige jood er een uitzocht, keek hij naar ’t matras op den grond, waar hij hoofden onderscheidde—een klein kind—een jongen met aankomend snordons—en Rebecca die ’m aan lag te kijken, lachrig-verlegen. Bij ’r hoofd, op ’n stoel, was ’t slordig gekreuk van ’r rokken, ’r broek bovenop met nog slingrende banden.

“Rook ’m bij je soupé,” zei Poddy: “en doe niet as Dovid ’t pèstgezich! Jij heit gelijk. Gezegend zal je weze.”...

“Dank je. Goe-nacht. Slaap wel,” wenschte Eleazar, hooger klimmend naar zijn kamer.

Er was geen licht. Tastend in ’t donker, duwde hij het raam op, schoof den manken, matten stoel bij, begon van de boterham te eten. Maar na een paar happen, in onrustige gedachten, lei hij ’t brood op de vensterbank, keek naar de dakpannen aan de overzij. Het was een volkomen donkre nacht. Voor hem uit klompten de daken diep-zwart, bizar en geweldig, vreemd-gestolten pantser over het leven daaronder, grauw-ijzren domper over rood-kleine kamers. Een eenzaam dakraampje in de zwarte allee van vele giganteske dingen had hetzelfd rottend rood der ramen van straks.

VI.Bram, ’t kwakkelend kind van Suikerpeer was gestorven. Op ’n morgen lei ’t dood in de bedstee naast vader, moeder en Bekkie. Het gaf weinig verwondring in ’t huis. Poddy kwam eens kijken, tante Reggie sukkelde de trap op,—er werd ’n uur verdrietloos gepraat. Langer niet. Suikerpeer had ’n partij bevroren rooie kool gekocht, die door de muffing der kamer bedorven was. Ze hoopte achter de deur in manden. De onderste rotten al weg, doorstonken de kamer, waar ’t dood kindje op stroo was gelegd, nauwlijks ’n bobbel onder den doek. Den heelen Vrijdag ventte Suikerpeer, verkocht weinig. De kool was rinzig en week—de menschen wouen ’r niet an. En het regende geweldig. Doornat, met kleeren die ’t beenig lichaam beplakten, kwam-ie thuis, sjouwde de mand met de meegenomen negotienaar boven, ’t lijkje voorbij, smakte ’r neer in den hoek, bij de rest.Nog hijgend van ’t traploopen, grimmig-verstoord door ’t watergesiep in z’n nek en de kou van de voeten in de stukkende schoenen, huilde-die ’t uit: “...’n Verlamming in d’r tong zoo hebbe ze afgeboje!... God zal ze verdomme!... ’t Rottuig!... Nog geen tien stuiwer gehaald!... Hoe komme me cente d’r uit!... Me paar ongelukkige cente zijne naar de aschmedij! Hoe kom ’k an ’t geld voor me sauger! Hoe kom ’k an nieuwe negotie! Is dat ’n ramp, ’n ràmp! Daar zitte we met de stinkende kool, godverdommè! godverdommè! godverdommè!”Op een stoel bij de tafel was-ie steunend gekwakt, de vingers geklit in het haar. De schorre, verwoeste stem kraakte de smart uit, krijschend, met ruwe snikgillen. De handen rukten het hoofd heen en weer, hartstochtlijk van wanhoop. Het waren groote, grove handen, paars-rood, diep in verf van rottende kool en de toppen der vingers, dik, vleezig, zonder nagels, hadden ingebeten klodders van zwaar, rauw indigoblauw. Over het geel-bol gelaat, grijs-bestoppeld, hadden ze gewreven,de tranen wegsoppend, de wangen besmerend met waternat blauw, dat ver-lekte in rood. Z’n heele lichaam, z’n kleeren, z’n pet, z’n schoenen, waren van dat fronzend, vlakkend paarsrood koolsop. En de manden waaiden een lucht in de benauwde, warm-stookte kamer, alsof een lang-gebruikt privaat open stond.Het krijschend, snikgillend gehuil van den groentenjood, sloeg zelfs de kindren in zwijgen. Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie zaten om de tafel, spelend met een bordpapieren prent, die Jaantje in een vuilnisbak had gevonden. Ze leien daar afgebrande lucifer-stompjes op, zeien telrijmpjes. Mijntje was bezig met ’t eten, Meijer juist thuisgekomen met groene, geelbultige augurken, stond stil in den hoek bij de dof-roode, weeke, paars-sop plassende kolen.“Maak je nou nie van streek,” zei Essie: “in gosnaam!.. Wat ken je d’r an doen?... Beter as ’n arm of ’n been gebroke... En—en was verstàndiger geweest... D’r zit geen brooge an kool...”“Klets me niet! Klets me niet! Wat hei-’k daarmee an me kop, godverdommè!”, huilde de jood, opschokkend, de kamer doorloopend,van het lijkje naar het raam en wild met de armen bewijzend wat-ie wou zeggen: “Me heèle handel zit ’r in, Addenòj!... Waar mod-’k ’t uitscheure om Tobie te betale!... Hoe kom ’k an nieuwe handel!... Met de pest-sjabbes rotte ze nog meer!... En Zondagmorrege de lawaaie!... Wor jij daar niet mesjogge onder!... Wat mod-’k beginne! Wat mod-’k beginne!... Godverdommèèèè, godverdommèèèè!”...De wanhoop van den tegenspoed, het schrijnend-kwellende der klevende, zware kleeren, zwart van regenwater, deed ’m dierlijker, rauwer schreeuwen.“Hou toch je schmoel voor de bure!—Geef je vijànde te vrete!”, zei Essie zangerig-schel.“Laat ze de koorts krijge!... ’t Ken me nie verdommèèèè!”, raasde hij, haar toesnauwend: “...Ik maak me de sappel—ik werk me kepot voor ’n nest kindere—ik sloof me uit, godverdommèèèè!—En wàt mod-’k nou beginne!... Wie betaalt?... Een ’n makke die ’n cent borgt voor nieuwe handel!... Waar mot ’t heen, mot ’t héén!”...Radeloos, het geel-bol gelaat met smartkrullen om den mond, de vuisten krampachtiggebald, liep-ie heen en weer, driftig van duwstap alsof-ie z’n wagen kruide. De knoestige, harde knieën wrongen in de oude, beslijkte, afgetrapte broekspijpen, de voeten in vierkante, water-roglende schoenen, trapten tot bij het droog-zuigend hooi dat in piekingen berstte alsof een pakkist was omgesmeten.Mijntje bij de kachel, zwijgend, schudde een pot, wat kraking van opgehitst vet tegen het ijzer gaf. Essie, zelf niet lekker—al twee dagen most ze elk oogenblik op de ton, waar ze kreunde van kramppijn—troostte in drenzing, tegelijk met verwijten als wijs-joodsche vrouw, die ’n schlemiel van ’n man heeft.“...Schei uit met je gebler en geschreeuw!... Wat geeft ’t of-ie je nòù de sappel maakt?... Had nie-zoo mesjogge geweest!... Hei-’k je nie daalijk gezeid, dat je d’r an bekoch was!... An al wad-jij doet is geen mazzel, geen brooge... Hei-je je laast niet in je vingers gesneje met beurze appele, jij met je wijgoogeme kop!—En met je uien!—Heit-ie óók allemaal fròtte uien gekoch!... Hoe ken me zoo verschwarzt zijn om twee honderd van die schtinkende kole te koope voor vier cente ’t stuk?.. Ik zweer je, ìk geef ’r nog geen cènt voorbij mijn gezond.—Kijk wat ’n mande daar met vuiligheid staan—de slik loopt ’r uit... ’t Is ’n neweire voor God, ’n nèwèire!”... “Leg je ziek”, snauwde Suikerpeer, stilstaand: “voor wie doe ’k ’t? Wat hei-’k ’r van? ’n Hap vrete nog nie-eens! Val jij dood! Wat klets jij, godverdommèèè, as ’t gebeùrd is”...Zij driftiger, ketste de vloeken: “Barscht jij!—Jij breng toch ’t fressen van de kindere ’r mee door! Vraag an wie je wil, an Poddy, an Dovid, an Reggie, of ze zoo mesjogge zoue zijn om tweehonderd kole te koope die stinke as de pest! Tweehonderd frotte kole!—Tweehonderd kole-van-afval!—Nòg, wad-’n sauger!—Waas steh ich aus! Waas steh ich aus!”...“Krijg ’n miessemisschinne!.... ’t Vrete in je lijf zal vergif worde!”, vloekte Suikerpeer, schor, kwaadaardig: “as ’k ooit weer ’n cent handel drijf; vuil sekreet!... Ga jìj onder de mensche, doe jìj inkoop!.... Vuil sekreet!... Zal ze me nog verwijte!... Da’s voor me kòstelijke sjabbes”...“Sekreet! Sekreet!”, schreeuwde Essie, verwoed, bleek onder ’r zwarten bandeau: “’n Sekreet da’s je mòer, da’s je mòer! Ogwat ’n vuilik, wat ’n kànker van ’n vuilik die de moeder van z’n kindere voor sekreet uitscheldt!... Og, wat ’n pleegisch!”...“Pleegisch, pleegisch!”, herhaalde Suikerpeer dof, verslappend, rillig: “noem wéér is me moer! Stop jij je kouse! Stop jij je kouse! Schijthuis! Afgedankt schijthuis!”“Da’s je zúster, da’s je zuster”, keef Essie, zangerig-krijschend.“Wor blind!”, snauwde de groentenjood, oud, òp, hurkend bij de kachel, waar-ie z’n stukkende schoenen uit-trapte.“As jìj ’n pestkoorts krijg, zal ìk me blind legge, dan hebbe we zàmen wat”—, verwenschte zij, bevend-van-woede en nog làng, gruwlijker vloekend, nou hij lam-lusteloos, met opgetrokken knieën bij ’t vuur zat te rillen, bleef zij op ’m afgeven, hitste de ramp-in-de-negotie hen op tot knarsende, bijtende verwijting, waaraan de kindren waren gewend. Bij de tafel waren ze hun spelletje weer begonnen, fluistrend, half-angstig. Meijer dee ook mee, schoof de lucifers-stompen over de bruine, verteerde prent en de lamp begeelde rechtstandig de hoofdjes van ziekte-doorvreten, belichtte dekamerhoeken met de ettrende kool en het stroo met den slap-bultenden doek.Zaterdagavond was ’t lijkje gewasschen, gekist. Ze hadden het vlassig haar gekamd, de nageltjes uitgehaald, ’n schoon hemdje om het klein zuur-stinkend lichaam gewikkeld. Op twee stoelen zag Eleazar het kistje, toen hij dien Zondagmorgen bij Suikerpeer kwam.Essie lag te bed, koortsig, met krampen. Mijntje had vijf centen gries gekookt, schepte uit een roodaarden pan, bediende de kindren, die aten met honger. Ze slurpten de pap, slobberig-zuigend, monden bekwakt met klodders gries. Bekkie, de jongste, wroette met grijpende vingers, smerend de waatrige brei om den spelenden mond—Mijntje, gebogen over de tafel lepelde den pot uit, schraperig-hard langs de randen tot waar op den bodem de portie van water en kluiten voor vader bewaard bleef. Neer was ’t raamgordijn, vergeeld in streeprige plooien. Een bruin-gebrand gat met vaal-bruine pluizen stiet ’n kartelbrok grauwlooden lucht in ’t transparant, waarvoor de kindren, gulzig van handheffing aten. Er was eene zoet-rotte benauwing in dekamer. Hetgesmeul van de kachel, stank van den pot met waterig vuil, dien de bedstee voor den armendokter bewaarde, mestvaalten-damp van de koolbladen, ’t koolsap, de koolsmurrie, zuur geadem van het lijkje op de stoelen, dat in verre ontbinding was. Bij den poot van den stoel, door de vergane rietmatten zitting heen, lekte het, waterig vocht dat de withouten wanden van ’t kistje ontsiepte, spettend, met zacht-snelle schrikjes neerdrupte, in den morsigen grond eene rustige holte vrat. Dichtbij lagen vertrapte koolbladen, donker en slijkerig-paars.“... Bin jij daar Eli?”, vroeg Essie, opzittend in ’t bed: “ach, god ik bin zoo ziek... ’k Loop gemoedereerd leeg.. Al drie dage bin ’k an ’t afgaan—net water—wàter.—En ’n pijn in me lijf.—En in me rug.—’k Ga geregeld èllek oogeblik”...“’t Zal wel betere”, zei hij vrindlijk. Bij de tafel ging-ie zitten, nam driejarig Bekkie op zijn knie.“Betere... Betere”, klaagde zij kreunend: “ù voelt niet wat ìk voel—U heit mooi prate—Ik lij àardig—Die krampe!—Die krampe!—’t Is geregeld of me buik van mekander wordt getrokke—En waar dievuile, frotterhaurik van ’n dokter blijft! Laat Mijntje u is vertelle hoe dikkels as ik op ’t huissie bin geweest”—In haar stem was angst, angst die behoefte aan klagen had.“Kleinigheidjes gaan voorbij”, troostte hij: “u moet u niet zoo gauw bàng maken.”“Bàng”..—, zei zij ineens onthutst, flauwtjes-glimlachend: “wie spreekt daalijk van bang?.. Ik wèèt wel dad-’t met God z’n hulp niks is—Maar je ken toch nie wete, wat zeit-ù?—Zoo’n aardige pijn.—Zoo’n áárdige pijn...”De kinderen slobberden pap, smakkend en zuigend, schrokkig kijkend naar Mijntje die schrapte. Meijer, ’t eerst klaar, belikte ’t bord met z’n strakspannen vinger, Bekkie in grappig beweeg doormorste ’r kom. ’t Werd stil bij het tikkend scheppen der lepels, maar Jaantje, bang voor Meijer die slùw van ’r snoepte, wegtrok ’r bord dat ’t glee van de tafel en viel op ’r rokje. Hard klonk ’r gehuil en heftig van woede sloeg ze den jongen in het gelaat.“Nou! Nou! Is ’t uit!”, dreigde Mijntje.“Hij heit van me bord genàscht!”, schreeuw-huilde het kind, pogend de pap van ’r jurkje in ’t bord terug te lepelen. Maar de gele kwakjes vielen dik op den grond. ’t Dee haar verwoederschelden: “vuile ganf, smeerlap, dief, pestkop!”...“Ik heb nie van je bord genàscht”, loog Meijer. En ineens was er een koor van joden-stemmetjes: “’t Is wel waar! ’t Is wel waar, Mijntjèèè! Hij heit ’t wel gedaan! Ik heb ’t gezien, Mijntjèèè! Mijntjèèèè!.. Hij lieg ’t, Mijntjèèèè. Hij is met z’n vinger in ’r bord gewees, Mijntjèèè!” Zij schreeuwden door elkaar, Esther, Flippie, Jaantje, Meijer, opgewonden—, Jaantje rood van het huilen, ijverig bezig het sop van ’r jurkje te schrappen.“Dan zalle me hande afvalle, as ’k ’t gedaan heb”, schreeuwde Meijer schor.“Houe juillie je bekke!”, schreeuwde Mijntje, nijdig zich bukkend over de tafel.“Mot hij van me pap gànfe!”, huilde Jaantje na: “die stinkert!... die pàrg!”...“Parg, dat bin jij!”, schold Meijer: “jouw loopend oor zei je meene, bedpisserin!”...“Wil je je schmoel houe!”—, gilde Mijntje dreigend.“Jìj bin ’n beddepisser, jìj!” verweet Jaantje, krijschend met vinnige snikking.“Dat lieg-ie! Dat lieg-ie!”, schold Meijer, spichtig van drift: “Bin ìk ’n beddepisser, Essie?... Jij bin ’t!—Jij!”...“Zoo za-je dood blijve zitte!”—, vloekte ’t kind simpel na-kijvend den toon van ’t huis.Moeder die de bedstee-deuren wijder had opengeduwd, vergeefs ’r tusschen wou komen, zat kermig te schudden, zanikend te klagen. O, o—’t was ’n bezoeking. Geen oogeblikkie denke dad-zij zièk lee—enne hóé ziek—enne wàd-’n stekings om ongerust van te weze.“Me hoof! Me herzens bàrste! Me hoof! Me hoof!”, zat ze te weeën, de handen gezogen op ’r ooren.Mijntje, met ’n woede-gezicht, alsof ze ’r op los zou ranselen, zocht met ’r oogen wiè ze zou patsen:“As je nog éen woord zeit, sla ’k je àllemaal op je schmoel, tuig, frot tuig!”—, dreigde ze, kwaadaardig. Dat gaf stilte.Na-snikkend bevingerde Jaantje ’r bord, waarop nog wat kleevrige pap en Bekkie, rustig op Eli’s knie, keek als in droom naar ’t doen van ’r zusje.“...O, wat hei-’k ’n pijn, wat hei-’k ’n pijn!”, klaagde Essie weer, in de bedstee: “Tuig! Zijne dat kindere? Dat zijne geen kindere! Dat zijne beeste! Dat zijne tuig!—O! O!—Addenoj, wad-’n stekings!—Wad-’n stekings!”...Mijntje most ’r den pot in ’t bed anreiken en de bedstee-deuren werden gesloten. Terwijl kwam Suikerpeer boven. Dof, zonder spreken, zat-ie over Eleazar, at uit de roodaarden pan de rest van de griespap.Even voor twaalf reed de koets door de straat, langzaam van paardstap. Het was een dag van zwaar-striemenden regen. De keien hadden geel-schuurde koppen—geulende geutjes ribbelden langs de rechte stoepranden.Achter de tree van de koets liepen zij aan, de vader, de dragers en Eli—de dragers geschut onder druipende schermen, de andren stroef in den regen. Zwak was het menschen-beweeg. Er haastigde een harige hond met vacht diep van water doordonsd en een agent geschurkt in z’n jas stond op den hoek van de gracht.In de Brééstraat was meerder geloop. Daar lag het asfalt glad-gelig te glanzen, strak-weeke vaart met heensproeiend water. Alles had er een glim in, de wielen, de tree, de opgaande voeten, glijjende spiegling van lichtende dingen, verdrongen door schaduw-geschuif, verdrabd door modder en paardevijgen—tot ’n gele asfaltgeul, schoongeregend en glanzend, opnieuween echo glibberde van wat boven bewoog en voorbijgleed. De paarden liepen sterk te beklappen den weg, kort-scherpe klikken van ijzer op steen en de koets schokte soms als de kar-van-een-bakker die holbollend dreunt in vroegmorgen.Eleazar hield de handen in de zakken, kouwlijk en nat, schuilend achter den wagen. Er ging een kerk uit en zacht-ontevreden door ’t vinnig watergespet, zag hij de stuwing der vrouwen en mannen, die drongen de koets om, warm nog van kerklucht, met bidboek en dof-natte schermen. Ze praatten wat luid, te wit van dampenden adem en ’t guldsel van ’t bidboek goudde ’n grijns in ’t asfalt-gespiegel.De koets schokte zacht, ’r veeren pletten in zwakken cadans—het ijzer der wielen schuurde staal-blank, water opstuivend in vlak-witte sissen naar ’t glimzwart schoenengeloop. Zoo ging het voort, rustig en kalm—kreunen alleen uit ’t donker lijf van den vierkanten wagen—naar de zwijgende, grauw-stugge synagoog, waarvoor de koets met de sullige paarden en ’t kinderlijkje even kniezend ’n groet gaf. Striemender van slag gutste de regen, metaal-witte kopjes ketsend op keien en stoepen. De menschengingen in snel gevlucht langs de huizen, bukkend tegen het felle gezwiep. En de koets reed iets vlugger. Langs de gracht naar de wijdere straat, de lange, breede, oneindige straat.Suikerpeer, zwijgend, vaal-zwart door den regen, spuwde fluimen pruimsop, keek naar den grond. Het water had smakkende bulten gevreten tot diep bij zijn knieën en klukkelend wrong ’t z’n schoenen weer uit. Naast ’m een drager die goedig ’m mee wou doen loopen onder de parapluie. Maar het water daarvan gootte in gulpen op de pet van den stappenden jood. Ze spraken niet. Norscher, hoekig van elboog-beweeg, liep Eleazar achter den drager. Niet langer vermeed-ie de plassen, baggerde vijandig, wreed-van-aanvoeling-der-dingen, kleumig van kou. Z’n schouders, z’n rug, z’n knieën waren doorweekt—de voeten geleken te schrielen in ’t persend, logge gehang van schoenen en kousen. Langs den rug rigde ’t water, schrijnend de huid, kruipend langs warm-stijve haartjes de bil over, zuigend klam in ’t goed. Alles plakte, kleefde, wóóg, het vel broeide jeukrig, bewreven door ’t bits-spannend hemd. Ook in z’n broekzakken liep water, weekend den lauw-bollen zakdoek, hetkantig lucifersdoosje. Dat hield-ie nu in de hand, ’t betastend en knijpend tot ’t losweekt papier er afrulde in wee-warme rolsels. ’t Gaf hem een viezig gevoel van groote ellende en kribbig bedacht-ie de woorden op ’t géle papier, ze zeurig herhalend—Säkerhet—Tändstickor—Tändstickor—Tändstickor—.Halfwege de straat werd grauwer de lucht, verzwartte de dakenlijn, leken de gevels, de ramen, de puien te valen in kalkigen avondschemer, wen dingen in verschrikkings-mysterie wasbleek en stom zijn. Er schorde een regen zoo vinnig, zoo knetter-scherend van striemslag dat de bladerlooze, angstige boomen, op zij van den weg, schreeuwende bogen, krakend in huivring, zwart en snijdend naar één richting. In de handen der dragers rukten de parapluies, flapperend—, één, door den wind gegrepen, knerste om, baleinen verwrikt tot een kegel met wild-floepend doek. Er was geen mensch in de straat. Ze lag dood en vereenzaamd in den schemer van straf-fenden mat-witten regen. En plots werd het doodscher, verlatener, rauwer. Hagelsteen viel, hagelsteen op den lijkwagen, op de mannen er achter, op de keien, op deboomen, op de daken. Er kwam een vreemd-bleek, sissend, klettrend geraas in de straat. De lijkwagen ketste de steenen terug, de keien smeten ze op, van de kozijnen sloegen ze neer. Het was een wijd, breed, wit gerucht dat angstige kou gaf, kloppend getik en gewatel op de daken, strak-bevend ruischen door de wolklooze luchten. In de moddrige voegen der keien boorden ijskluitjes, stevig en scherp, te hoop klittend, krielend, speelsch en huppend ver-rollend. Maar het spichtigst-van-aanslag, ratelend, kletterend als ’n zweep die krinkelt en met knallen ontstrekt, hamerden de hagelsteenen op het dek van den hollen, vierkanten, zwarten lijkwagen, die langzaam bewoog, verlaten ding in het witte geraas van de straat. De mannen gebogen, ontwijkend het pijnlijke striemen, schoven dicht naar de koets, plettend de bonken van ijs onder de zolen, ze als sneeuw-koeken mee-dragend. Op hun hoofden, schouders en nekken vielen de steenen, heenknappend, brandend de ooren. Ze liepen angstig en zwart achter den wagen, waarboven één enkele glimzwarte hoed en het grijswitte ruischen omgaf hen.Heel kort, als ’n krijschende galm die versterft en ’n leegte-van-stilte geslagen, stoof hethagel-geschuim door de straat. Bijna zonder verzwakking of wisling, zweeg het sissend gerucht, kletste de regen opnieuw, neerzwiepend de takken en ’n joelwind steende den huizenmuur langs, die hing als een doek aan rechtspannen lijn.“Adeschim wat ’n weer!”, gromde de groentenjood, pruimsap neersputtrend. Niemand gaf antwoord. Ze liepen zwijgend en stroef tot bij de Poort, waar ze opgelucht stapten in de begraafniskoets die nu in draf reed den Zeeburgerweg. Het was een omnibus met twee houten banken en ramen beslagen met damp. De kist met dood-joggie lag onder zwart trijp aan hun voeten, hoofd-einde bloot van ongeschaafd hout, met zwakjes-glimmende schroeven. De dragers, de vader zaten bijeen aan het voeteind, Eleazar er over. Koud en doornat, met schrijnend-klevende kleeren zag-ie de kist aan, de kist met ’t lijkje, dat zurig den wagen doorstonk. Frisch en verkleumd als ze kwamen van buiten, rooken ze sterker den stank van ’t heenrottend vleesch. Het schudden der koets had vocht uit de plankjes geschud, plas die ver-lekte naar Eleazar’s voeten, als ’n kronkelig lijntje, dun als het spoorvan ’n speelsch-natten vinger, stooterig-wijkend gelijk de regen-ribben langs de brommende koetsruiten.Suikerpeer, koud en lawaairig, had z’n jas uitgetrokken, wrong de zwaarnatte mouwen dat het vuil-zwarte water droop op den vloer van de koets. De handen, paarsrood van kool nog, klitten het goed tot een prop, persend en rekkend. Schreeuwend, om het gedreun van de wielen, begon hij te praten, klagend over het weer en de dragers, blij dat ze veiligjes zaten, schreeuwden hun antwoord. Ze hadden de zwart-natte parapluies in den anderen hoek gezet, waar ze uitlekten in kringen, plassen van heenmorsend water, zwiepten het nat van hun hoeden, poogden de dreuning der koets en het rammlen der ruiten te overroepen. Ze praatten met druk gebaar over het weer en de vader klaagde zijn nood, uitleggend ’t geval van de kool, huilrig van zorg en ellende.Achter de damp-fletse ruiten heenschoot het landschap, schaduw van huizen, zweving van licht over nog groenende weiden. Ze geleken te reizen van dorp naar dorp in ’n ouwe diligence, botsend bij ’t harde gebult van den dijk. Bij tijden spuwde de pruimende groentenjoodspatsel naar zij van de deur en ’n drager zat geduldig te wriemlen om ’n balein van z’n parapluie te hechten. Zijn voet rustte in steun op het kistje dat zachtekens wipte. Dan met een snellere vaart afreed de wagen de glooiing van den dijk, wiegelend kort bij het stilstaan. Ze stegen uit in den regen, aanvattend de kist. De wind sloeg het zwarte trijp in Eli’s gelaat, hem waaiend den zurigen stank in de keel en langzaam opliepen zij naar het lijkenhuis, grijs in den striemenden regen, het bordje voorbij dat daar hing—Verboden te wateren,daar het zand gebruikt wordt voor hoofdzakken.Ver weg, als een weide in nevel, lag ’t kerkhof, vlak en oneindig met grijs-staande, zakkende zerken. Een kleine watermolen klapperde z’n wieken toen zij den slijkweg beliepen, naar waar de plek was. ’t Gaf ’t geluid van ’n nijdige fèl-krassende raaf.

Bram, ’t kwakkelend kind van Suikerpeer was gestorven. Op ’n morgen lei ’t dood in de bedstee naast vader, moeder en Bekkie. Het gaf weinig verwondring in ’t huis. Poddy kwam eens kijken, tante Reggie sukkelde de trap op,—er werd ’n uur verdrietloos gepraat. Langer niet. Suikerpeer had ’n partij bevroren rooie kool gekocht, die door de muffing der kamer bedorven was. Ze hoopte achter de deur in manden. De onderste rotten al weg, doorstonken de kamer, waar ’t dood kindje op stroo was gelegd, nauwlijks ’n bobbel onder den doek. Den heelen Vrijdag ventte Suikerpeer, verkocht weinig. De kool was rinzig en week—de menschen wouen ’r niet an. En het regende geweldig. Doornat, met kleeren die ’t beenig lichaam beplakten, kwam-ie thuis, sjouwde de mand met de meegenomen negotienaar boven, ’t lijkje voorbij, smakte ’r neer in den hoek, bij de rest.

Nog hijgend van ’t traploopen, grimmig-verstoord door ’t watergesiep in z’n nek en de kou van de voeten in de stukkende schoenen, huilde-die ’t uit: “...’n Verlamming in d’r tong zoo hebbe ze afgeboje!... God zal ze verdomme!... ’t Rottuig!... Nog geen tien stuiwer gehaald!... Hoe komme me cente d’r uit!... Me paar ongelukkige cente zijne naar de aschmedij! Hoe kom ’k an ’t geld voor me sauger! Hoe kom ’k an nieuwe negotie! Is dat ’n ramp, ’n ràmp! Daar zitte we met de stinkende kool, godverdommè! godverdommè! godverdommè!”

Op een stoel bij de tafel was-ie steunend gekwakt, de vingers geklit in het haar. De schorre, verwoeste stem kraakte de smart uit, krijschend, met ruwe snikgillen. De handen rukten het hoofd heen en weer, hartstochtlijk van wanhoop. Het waren groote, grove handen, paars-rood, diep in verf van rottende kool en de toppen der vingers, dik, vleezig, zonder nagels, hadden ingebeten klodders van zwaar, rauw indigoblauw. Over het geel-bol gelaat, grijs-bestoppeld, hadden ze gewreven,de tranen wegsoppend, de wangen besmerend met waternat blauw, dat ver-lekte in rood. Z’n heele lichaam, z’n kleeren, z’n pet, z’n schoenen, waren van dat fronzend, vlakkend paarsrood koolsop. En de manden waaiden een lucht in de benauwde, warm-stookte kamer, alsof een lang-gebruikt privaat open stond.

Het krijschend, snikgillend gehuil van den groentenjood, sloeg zelfs de kindren in zwijgen. Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie zaten om de tafel, spelend met een bordpapieren prent, die Jaantje in een vuilnisbak had gevonden. Ze leien daar afgebrande lucifer-stompjes op, zeien telrijmpjes. Mijntje was bezig met ’t eten, Meijer juist thuisgekomen met groene, geelbultige augurken, stond stil in den hoek bij de dof-roode, weeke, paars-sop plassende kolen.

“Maak je nou nie van streek,” zei Essie: “in gosnaam!.. Wat ken je d’r an doen?... Beter as ’n arm of ’n been gebroke... En—en was verstàndiger geweest... D’r zit geen brooge an kool...”

“Klets me niet! Klets me niet! Wat hei-’k daarmee an me kop, godverdommè!”, huilde de jood, opschokkend, de kamer doorloopend,van het lijkje naar het raam en wild met de armen bewijzend wat-ie wou zeggen: “Me heèle handel zit ’r in, Addenòj!... Waar mod-’k ’t uitscheure om Tobie te betale!... Hoe kom ’k an nieuwe handel!... Met de pest-sjabbes rotte ze nog meer!... En Zondagmorrege de lawaaie!... Wor jij daar niet mesjogge onder!... Wat mod-’k beginne! Wat mod-’k beginne!... Godverdommèèèè, godverdommèèèè!”...

De wanhoop van den tegenspoed, het schrijnend-kwellende der klevende, zware kleeren, zwart van regenwater, deed ’m dierlijker, rauwer schreeuwen.

“Hou toch je schmoel voor de bure!—Geef je vijànde te vrete!”, zei Essie zangerig-schel.

“Laat ze de koorts krijge!... ’t Ken me nie verdommèèèè!”, raasde hij, haar toesnauwend: “...Ik maak me de sappel—ik werk me kepot voor ’n nest kindere—ik sloof me uit, godverdommèèèè!—En wàt mod-’k nou beginne!... Wie betaalt?... Een ’n makke die ’n cent borgt voor nieuwe handel!... Waar mot ’t heen, mot ’t héén!”...

Radeloos, het geel-bol gelaat met smartkrullen om den mond, de vuisten krampachtiggebald, liep-ie heen en weer, driftig van duwstap alsof-ie z’n wagen kruide. De knoestige, harde knieën wrongen in de oude, beslijkte, afgetrapte broekspijpen, de voeten in vierkante, water-roglende schoenen, trapten tot bij het droog-zuigend hooi dat in piekingen berstte alsof een pakkist was omgesmeten.

Mijntje bij de kachel, zwijgend, schudde een pot, wat kraking van opgehitst vet tegen het ijzer gaf. Essie, zelf niet lekker—al twee dagen most ze elk oogenblik op de ton, waar ze kreunde van kramppijn—troostte in drenzing, tegelijk met verwijten als wijs-joodsche vrouw, die ’n schlemiel van ’n man heeft.

“...Schei uit met je gebler en geschreeuw!... Wat geeft ’t of-ie je nòù de sappel maakt?... Had nie-zoo mesjogge geweest!... Hei-’k je nie daalijk gezeid, dat je d’r an bekoch was!... An al wad-jij doet is geen mazzel, geen brooge... Hei-je je laast niet in je vingers gesneje met beurze appele, jij met je wijgoogeme kop!—

En met je uien!—Heit-ie óók allemaal fròtte uien gekoch!... Hoe ken me zoo verschwarzt zijn om twee honderd van die schtinkende kole te koope voor vier cente ’t stuk?.. Ik zweer je, ìk geef ’r nog geen cènt voorbij mijn gezond.—Kijk wat ’n mande daar met vuiligheid staan—de slik loopt ’r uit... ’t Is ’n neweire voor God, ’n nèwèire!”... “Leg je ziek”, snauwde Suikerpeer, stilstaand: “voor wie doe ’k ’t? Wat hei-’k ’r van? ’n Hap vrete nog nie-eens! Val jij dood! Wat klets jij, godverdommèèè, as ’t gebeùrd is”...

Zij driftiger, ketste de vloeken: “Barscht jij!—Jij breng toch ’t fressen van de kindere ’r mee door! Vraag an wie je wil, an Poddy, an Dovid, an Reggie, of ze zoo mesjogge zoue zijn om tweehonderd kole te koope die stinke as de pest! Tweehonderd frotte kole!—Tweehonderd kole-van-afval!—Nòg, wad-’n sauger!—Waas steh ich aus! Waas steh ich aus!”...

“Krijg ’n miessemisschinne!.... ’t Vrete in je lijf zal vergif worde!”, vloekte Suikerpeer, schor, kwaadaardig: “as ’k ooit weer ’n cent handel drijf; vuil sekreet!... Ga jìj onder de mensche, doe jìj inkoop!.... Vuil sekreet!... Zal ze me nog verwijte!... Da’s voor me kòstelijke sjabbes”...

“Sekreet! Sekreet!”, schreeuwde Essie, verwoed, bleek onder ’r zwarten bandeau: “’n Sekreet da’s je mòer, da’s je mòer! Ogwat ’n vuilik, wat ’n kànker van ’n vuilik die de moeder van z’n kindere voor sekreet uitscheldt!... Og, wat ’n pleegisch!”...

“Pleegisch, pleegisch!”, herhaalde Suikerpeer dof, verslappend, rillig: “noem wéér is me moer! Stop jij je kouse! Stop jij je kouse! Schijthuis! Afgedankt schijthuis!”

“Da’s je zúster, da’s je zuster”, keef Essie, zangerig-krijschend.

“Wor blind!”, snauwde de groentenjood, oud, òp, hurkend bij de kachel, waar-ie z’n stukkende schoenen uit-trapte.

“As jìj ’n pestkoorts krijg, zal ìk me blind legge, dan hebbe we zàmen wat”—, verwenschte zij, bevend-van-woede en nog làng, gruwlijker vloekend, nou hij lam-lusteloos, met opgetrokken knieën bij ’t vuur zat te rillen, bleef zij op ’m afgeven, hitste de ramp-in-de-negotie hen op tot knarsende, bijtende verwijting, waaraan de kindren waren gewend. Bij de tafel waren ze hun spelletje weer begonnen, fluistrend, half-angstig. Meijer dee ook mee, schoof de lucifers-stompen over de bruine, verteerde prent en de lamp begeelde rechtstandig de hoofdjes van ziekte-doorvreten, belichtte dekamerhoeken met de ettrende kool en het stroo met den slap-bultenden doek.

Zaterdagavond was ’t lijkje gewasschen, gekist. Ze hadden het vlassig haar gekamd, de nageltjes uitgehaald, ’n schoon hemdje om het klein zuur-stinkend lichaam gewikkeld. Op twee stoelen zag Eleazar het kistje, toen hij dien Zondagmorgen bij Suikerpeer kwam.

Essie lag te bed, koortsig, met krampen. Mijntje had vijf centen gries gekookt, schepte uit een roodaarden pan, bediende de kindren, die aten met honger. Ze slurpten de pap, slobberig-zuigend, monden bekwakt met klodders gries. Bekkie, de jongste, wroette met grijpende vingers, smerend de waatrige brei om den spelenden mond—Mijntje, gebogen over de tafel lepelde den pot uit, schraperig-hard langs de randen tot waar op den bodem de portie van water en kluiten voor vader bewaard bleef. Neer was ’t raamgordijn, vergeeld in streeprige plooien. Een bruin-gebrand gat met vaal-bruine pluizen stiet ’n kartelbrok grauwlooden lucht in ’t transparant, waarvoor de kindren, gulzig van handheffing aten. Er was eene zoet-rotte benauwing in dekamer. Hetgesmeul van de kachel, stank van den pot met waterig vuil, dien de bedstee voor den armendokter bewaarde, mestvaalten-damp van de koolbladen, ’t koolsap, de koolsmurrie, zuur geadem van het lijkje op de stoelen, dat in verre ontbinding was. Bij den poot van den stoel, door de vergane rietmatten zitting heen, lekte het, waterig vocht dat de withouten wanden van ’t kistje ontsiepte, spettend, met zacht-snelle schrikjes neerdrupte, in den morsigen grond eene rustige holte vrat. Dichtbij lagen vertrapte koolbladen, donker en slijkerig-paars.

“... Bin jij daar Eli?”, vroeg Essie, opzittend in ’t bed: “ach, god ik bin zoo ziek... ’k Loop gemoedereerd leeg.. Al drie dage bin ’k an ’t afgaan—net water—wàter.—En ’n pijn in me lijf.—En in me rug.—’k Ga geregeld èllek oogeblik”...

“’t Zal wel betere”, zei hij vrindlijk. Bij de tafel ging-ie zitten, nam driejarig Bekkie op zijn knie.

“Betere... Betere”, klaagde zij kreunend: “ù voelt niet wat ìk voel—U heit mooi prate—Ik lij àardig—Die krampe!—Die krampe!—’t Is geregeld of me buik van mekander wordt getrokke—En waar dievuile, frotterhaurik van ’n dokter blijft! Laat Mijntje u is vertelle hoe dikkels as ik op ’t huissie bin geweest”—In haar stem was angst, angst die behoefte aan klagen had.

“Kleinigheidjes gaan voorbij”, troostte hij: “u moet u niet zoo gauw bàng maken.”

“Bàng”..—, zei zij ineens onthutst, flauwtjes-glimlachend: “wie spreekt daalijk van bang?.. Ik wèèt wel dad-’t met God z’n hulp niks is—Maar je ken toch nie wete, wat zeit-ù?—Zoo’n aardige pijn.—Zoo’n áárdige pijn...”

De kinderen slobberden pap, smakkend en zuigend, schrokkig kijkend naar Mijntje die schrapte. Meijer, ’t eerst klaar, belikte ’t bord met z’n strakspannen vinger, Bekkie in grappig beweeg doormorste ’r kom. ’t Werd stil bij het tikkend scheppen der lepels, maar Jaantje, bang voor Meijer die slùw van ’r snoepte, wegtrok ’r bord dat ’t glee van de tafel en viel op ’r rokje. Hard klonk ’r gehuil en heftig van woede sloeg ze den jongen in het gelaat.

“Nou! Nou! Is ’t uit!”, dreigde Mijntje.

“Hij heit van me bord genàscht!”, schreeuw-huilde het kind, pogend de pap van ’r jurkje in ’t bord terug te lepelen. Maar de gele kwakjes vielen dik op den grond. ’t Dee haar verwoederschelden: “vuile ganf, smeerlap, dief, pestkop!”...

“Ik heb nie van je bord genàscht”, loog Meijer. En ineens was er een koor van joden-stemmetjes: “’t Is wel waar! ’t Is wel waar, Mijntjèèè! Hij heit ’t wel gedaan! Ik heb ’t gezien, Mijntjèèè! Mijntjèèèè!.. Hij lieg ’t, Mijntjèèèè. Hij is met z’n vinger in ’r bord gewees, Mijntjèèè!” Zij schreeuwden door elkaar, Esther, Flippie, Jaantje, Meijer, opgewonden—, Jaantje rood van het huilen, ijverig bezig het sop van ’r jurkje te schrappen.

“Dan zalle me hande afvalle, as ’k ’t gedaan heb”, schreeuwde Meijer schor.

“Houe juillie je bekke!”, schreeuwde Mijntje, nijdig zich bukkend over de tafel.

“Mot hij van me pap gànfe!”, huilde Jaantje na: “die stinkert!... die pàrg!”...

“Parg, dat bin jij!”, schold Meijer: “jouw loopend oor zei je meene, bedpisserin!”...

“Wil je je schmoel houe!”—, gilde Mijntje dreigend.

“Jìj bin ’n beddepisser, jìj!” verweet Jaantje, krijschend met vinnige snikking.

“Dat lieg-ie! Dat lieg-ie!”, schold Meijer, spichtig van drift: “Bin ìk ’n beddepisser, Essie?... Jij bin ’t!—Jij!”...

“Zoo za-je dood blijve zitte!”—, vloekte ’t kind simpel na-kijvend den toon van ’t huis.

Moeder die de bedstee-deuren wijder had opengeduwd, vergeefs ’r tusschen wou komen, zat kermig te schudden, zanikend te klagen. O, o—’t was ’n bezoeking. Geen oogeblikkie denke dad-zij zièk lee—enne hóé ziek—enne wàd-’n stekings om ongerust van te weze.

“Me hoof! Me herzens bàrste! Me hoof! Me hoof!”, zat ze te weeën, de handen gezogen op ’r ooren.

Mijntje, met ’n woede-gezicht, alsof ze ’r op los zou ranselen, zocht met ’r oogen wiè ze zou patsen:

“As je nog éen woord zeit, sla ’k je àllemaal op je schmoel, tuig, frot tuig!”—, dreigde ze, kwaadaardig. Dat gaf stilte.

Na-snikkend bevingerde Jaantje ’r bord, waarop nog wat kleevrige pap en Bekkie, rustig op Eli’s knie, keek als in droom naar ’t doen van ’r zusje.

“...O, wat hei-’k ’n pijn, wat hei-’k ’n pijn!”, klaagde Essie weer, in de bedstee: “Tuig! Zijne dat kindere? Dat zijne geen kindere! Dat zijne beeste! Dat zijne tuig!—O! O!—Addenoj, wad-’n stekings!—Wad-’n stekings!”...

Mijntje most ’r den pot in ’t bed anreiken en de bedstee-deuren werden gesloten. Terwijl kwam Suikerpeer boven. Dof, zonder spreken, zat-ie over Eleazar, at uit de roodaarden pan de rest van de griespap.

Even voor twaalf reed de koets door de straat, langzaam van paardstap. Het was een dag van zwaar-striemenden regen. De keien hadden geel-schuurde koppen—geulende geutjes ribbelden langs de rechte stoepranden.

Achter de tree van de koets liepen zij aan, de vader, de dragers en Eli—de dragers geschut onder druipende schermen, de andren stroef in den regen. Zwak was het menschen-beweeg. Er haastigde een harige hond met vacht diep van water doordonsd en een agent geschurkt in z’n jas stond op den hoek van de gracht.

In de Brééstraat was meerder geloop. Daar lag het asfalt glad-gelig te glanzen, strak-weeke vaart met heensproeiend water. Alles had er een glim in, de wielen, de tree, de opgaande voeten, glijjende spiegling van lichtende dingen, verdrongen door schaduw-geschuif, verdrabd door modder en paardevijgen—tot ’n gele asfaltgeul, schoongeregend en glanzend, opnieuween echo glibberde van wat boven bewoog en voorbijgleed. De paarden liepen sterk te beklappen den weg, kort-scherpe klikken van ijzer op steen en de koets schokte soms als de kar-van-een-bakker die holbollend dreunt in vroegmorgen.

Eleazar hield de handen in de zakken, kouwlijk en nat, schuilend achter den wagen. Er ging een kerk uit en zacht-ontevreden door ’t vinnig watergespet, zag hij de stuwing der vrouwen en mannen, die drongen de koets om, warm nog van kerklucht, met bidboek en dof-natte schermen. Ze praatten wat luid, te wit van dampenden adem en ’t guldsel van ’t bidboek goudde ’n grijns in ’t asfalt-gespiegel.

De koets schokte zacht, ’r veeren pletten in zwakken cadans—het ijzer der wielen schuurde staal-blank, water opstuivend in vlak-witte sissen naar ’t glimzwart schoenengeloop. Zoo ging het voort, rustig en kalm—kreunen alleen uit ’t donker lijf van den vierkanten wagen—naar de zwijgende, grauw-stugge synagoog, waarvoor de koets met de sullige paarden en ’t kinderlijkje even kniezend ’n groet gaf. Striemender van slag gutste de regen, metaal-witte kopjes ketsend op keien en stoepen. De menschengingen in snel gevlucht langs de huizen, bukkend tegen het felle gezwiep. En de koets reed iets vlugger. Langs de gracht naar de wijdere straat, de lange, breede, oneindige straat.

Suikerpeer, zwijgend, vaal-zwart door den regen, spuwde fluimen pruimsop, keek naar den grond. Het water had smakkende bulten gevreten tot diep bij zijn knieën en klukkelend wrong ’t z’n schoenen weer uit. Naast ’m een drager die goedig ’m mee wou doen loopen onder de parapluie. Maar het water daarvan gootte in gulpen op de pet van den stappenden jood. Ze spraken niet. Norscher, hoekig van elboog-beweeg, liep Eleazar achter den drager. Niet langer vermeed-ie de plassen, baggerde vijandig, wreed-van-aanvoeling-der-dingen, kleumig van kou. Z’n schouders, z’n rug, z’n knieën waren doorweekt—de voeten geleken te schrielen in ’t persend, logge gehang van schoenen en kousen. Langs den rug rigde ’t water, schrijnend de huid, kruipend langs warm-stijve haartjes de bil over, zuigend klam in ’t goed. Alles plakte, kleefde, wóóg, het vel broeide jeukrig, bewreven door ’t bits-spannend hemd. Ook in z’n broekzakken liep water, weekend den lauw-bollen zakdoek, hetkantig lucifersdoosje. Dat hield-ie nu in de hand, ’t betastend en knijpend tot ’t losweekt papier er afrulde in wee-warme rolsels. ’t Gaf hem een viezig gevoel van groote ellende en kribbig bedacht-ie de woorden op ’t géle papier, ze zeurig herhalend—Säkerhet—Tändstickor—Tändstickor—Tändstickor—.

Halfwege de straat werd grauwer de lucht, verzwartte de dakenlijn, leken de gevels, de ramen, de puien te valen in kalkigen avondschemer, wen dingen in verschrikkings-mysterie wasbleek en stom zijn. Er schorde een regen zoo vinnig, zoo knetter-scherend van striemslag dat de bladerlooze, angstige boomen, op zij van den weg, schreeuwende bogen, krakend in huivring, zwart en snijdend naar één richting. In de handen der dragers rukten de parapluies, flapperend—, één, door den wind gegrepen, knerste om, baleinen verwrikt tot een kegel met wild-floepend doek. Er was geen mensch in de straat. Ze lag dood en vereenzaamd in den schemer van straf-fenden mat-witten regen. En plots werd het doodscher, verlatener, rauwer. Hagelsteen viel, hagelsteen op den lijkwagen, op de mannen er achter, op de keien, op deboomen, op de daken. Er kwam een vreemd-bleek, sissend, klettrend geraas in de straat. De lijkwagen ketste de steenen terug, de keien smeten ze op, van de kozijnen sloegen ze neer. Het was een wijd, breed, wit gerucht dat angstige kou gaf, kloppend getik en gewatel op de daken, strak-bevend ruischen door de wolklooze luchten. In de moddrige voegen der keien boorden ijskluitjes, stevig en scherp, te hoop klittend, krielend, speelsch en huppend ver-rollend. Maar het spichtigst-van-aanslag, ratelend, kletterend als ’n zweep die krinkelt en met knallen ontstrekt, hamerden de hagelsteenen op het dek van den hollen, vierkanten, zwarten lijkwagen, die langzaam bewoog, verlaten ding in het witte geraas van de straat. De mannen gebogen, ontwijkend het pijnlijke striemen, schoven dicht naar de koets, plettend de bonken van ijs onder de zolen, ze als sneeuw-koeken mee-dragend. Op hun hoofden, schouders en nekken vielen de steenen, heenknappend, brandend de ooren. Ze liepen angstig en zwart achter den wagen, waarboven één enkele glimzwarte hoed en het grijswitte ruischen omgaf hen.

Heel kort, als ’n krijschende galm die versterft en ’n leegte-van-stilte geslagen, stoof hethagel-geschuim door de straat. Bijna zonder verzwakking of wisling, zweeg het sissend gerucht, kletste de regen opnieuw, neerzwiepend de takken en ’n joelwind steende den huizenmuur langs, die hing als een doek aan rechtspannen lijn.

“Adeschim wat ’n weer!”, gromde de groentenjood, pruimsap neersputtrend. Niemand gaf antwoord. Ze liepen zwijgend en stroef tot bij de Poort, waar ze opgelucht stapten in de begraafniskoets die nu in draf reed den Zeeburgerweg. Het was een omnibus met twee houten banken en ramen beslagen met damp. De kist met dood-joggie lag onder zwart trijp aan hun voeten, hoofd-einde bloot van ongeschaafd hout, met zwakjes-glimmende schroeven. De dragers, de vader zaten bijeen aan het voeteind, Eleazar er over. Koud en doornat, met schrijnend-klevende kleeren zag-ie de kist aan, de kist met ’t lijkje, dat zurig den wagen doorstonk. Frisch en verkleumd als ze kwamen van buiten, rooken ze sterker den stank van ’t heenrottend vleesch. Het schudden der koets had vocht uit de plankjes geschud, plas die ver-lekte naar Eleazar’s voeten, als ’n kronkelig lijntje, dun als het spoorvan ’n speelsch-natten vinger, stooterig-wijkend gelijk de regen-ribben langs de brommende koetsruiten.

Suikerpeer, koud en lawaairig, had z’n jas uitgetrokken, wrong de zwaarnatte mouwen dat het vuil-zwarte water droop op den vloer van de koets. De handen, paarsrood van kool nog, klitten het goed tot een prop, persend en rekkend. Schreeuwend, om het gedreun van de wielen, begon hij te praten, klagend over het weer en de dragers, blij dat ze veiligjes zaten, schreeuwden hun antwoord. Ze hadden de zwart-natte parapluies in den anderen hoek gezet, waar ze uitlekten in kringen, plassen van heenmorsend water, zwiepten het nat van hun hoeden, poogden de dreuning der koets en het rammlen der ruiten te overroepen. Ze praatten met druk gebaar over het weer en de vader klaagde zijn nood, uitleggend ’t geval van de kool, huilrig van zorg en ellende.

Achter de damp-fletse ruiten heenschoot het landschap, schaduw van huizen, zweving van licht over nog groenende weiden. Ze geleken te reizen van dorp naar dorp in ’n ouwe diligence, botsend bij ’t harde gebult van den dijk. Bij tijden spuwde de pruimende groentenjoodspatsel naar zij van de deur en ’n drager zat geduldig te wriemlen om ’n balein van z’n parapluie te hechten. Zijn voet rustte in steun op het kistje dat zachtekens wipte. Dan met een snellere vaart afreed de wagen de glooiing van den dijk, wiegelend kort bij het stilstaan. Ze stegen uit in den regen, aanvattend de kist. De wind sloeg het zwarte trijp in Eli’s gelaat, hem waaiend den zurigen stank in de keel en langzaam opliepen zij naar het lijkenhuis, grijs in den striemenden regen, het bordje voorbij dat daar hing—Verboden te wateren,daar het zand gebruikt wordt voor hoofdzakken.

Ver weg, als een weide in nevel, lag ’t kerkhof, vlak en oneindig met grijs-staande, zakkende zerken. Een kleine watermolen klapperde z’n wieken toen zij den slijkweg beliepen, naar waar de plek was. ’t Gaf ’t geluid van ’n nijdige fèl-krassende raaf.


Back to IndexNext