IX

IXTante Soor had visite. Joozep, de jongen van Raschel, was blijven plakken met Heintje z’n moeder. De lamp, zacht schommlend, bescheen de gelaten, soms met een glimming, soms met een dansende schaduw. Soor, bij de opene bedstee, stopte een manskous, goedig van lach als Joozep gijnig ’n grap zei bij ’t kienspel en Nathan driftig dan uitviel omdat-ie verloor. Ingedut, snurkte de ouwe grootmoeder, ’t hoofd moe meehijgend ’t platte-borsten beweeg, de handen kurkig geklit in den schoot, zilver ’t haar dat pluisde in de holte van den verschoven bandeau. Naast haar, aandachtig-van-lezing, de armen gestut onder het hoofd, zat Stella, een meisje van zestien en prevelde zinnen om niet te hooren ’t praten van Joozep, Raatje, Nathan en Heintje, ook niet ’t kermig, zeurend geklaag van Maupie, die lei in de bedstee.Het was eene kelderverdieping over een gracht, lager dan ’t water—kelder met achtervertrek zonder lichtgevend raam. Daags brandde de lamp, nachts brandde de lamp.Zowoonden er Soortje en Nathan met de oude grootmoeder en ’n nest kindren. Drie waren ’r dood, tien nog in leven.Grootmoedersliep in één bedstee met Raatje en Stella, Soor met Nathan èn Maupie èn Roos. Vlak bij het raam, op een muffend matras leien er vier, en in den kelder naast vodden en ton kropen twee jongens waarvan een al verdiende met vodden-sorteeren. Vroeger had Stella ’r ook geslapen, maar de jongens grooter geworden, deëen zoo smerig dat de armendokter ’r an te pas was gekomen. Nou sliepen de jongens alléén naast de vodden en Jacob, nachts, na z’n werk van lorren-sorteeren, wreef heet zich aan Gompel, z’n broertje, dat ’n cent kreeg as ’t zoet was en niks an moeder vertelde. Jacob keek suf naar ’t kienspel, idioterig lachend om ’t schuiven der dopjes. Zelden sprak-ie, omdat-ie stotterde en Raatje en Joozep en Stella ’m dan nabootsten. Soms sleepte z’n been, soms kon-ie niet loopen, z’n water niet houden. Kwam van ’t vocht van de kelder,zei Soortje en gaf ’m wat bakolie om z’n liezen te wrijven. Langs balken van kelder en kamer droop vocht. Wreef ’n hand langs ’n bint, dan ritsten de druppels en pekelkristallen besneeuwden de muren. ’t Ergst was de werking van ’t riool onder den grond, dat diende voor afvoer der woningen boven. Den vloer in de kamer had het doorvreten, zòo dat de planken waren vermolmd en Nathan een ijzeren plaat had gelegd om ’t gat en ’t zwarte, moddrige sop waarin ’t heele huis-boven z’n vuil loosde, te dekken.De kelder was bergplaats en winkel. ’r Hingen jassen en gelapte broeken—er achter borgen ze de ton. Op een hoop door mekaar lagen vodden, knipgoed-van-naaisters, vettige lappen, dweilen en zakken, oud-wollen kousen en hemden verscheurd met bloedige klonten. Een mand was gevuld met afval van blik en ’n kist met versche slagersbeendren, rottend en stinkend. Meer bij ’t beschot van de kamer klitte een schimmlige prak ouwe schoenen en laarzen, zwart met groen-vochtige builen, en naast drogende kattevellen lag bruinverweerd roest. Gompel, ’t broertje, sliep daar op ’t matras, vroeg oud en verlept, de oogenonderkringd. Schijn uit de kierende deur snee over het oor en den hijgenden mond die zwakjes innam den stank van ’t riool en het rottend gehijg van beendren en vodden. Het kind lag onrustig, vertrekkend de oogen, bewegend de handjes, plots met een ruk zich kreunend opzij, dichter naar ’t schemerig klitten der schoenen, verschrikkend ’n poes die schrokkig beknaagde ’n nog-vleezig-been in de kist. Vreemd van de straat, doorspelend de vlammen van stof op de ruitjes, neerscheen het licht van de gracht, vaag op den grond den vorm van de ramen, de spijlen en ’t lompig papier dat een der vakken gestopt hield herhalend. Binnen kienden ze. De lamp had gewalmd, roet-sproeitjes strooiend op de lampekap, op ’t boek, op de kaarten van ’t spel. Nathan, magere jood, bleek, met dikroode lippen en koperen stoppels van baard tot diep in den nek, pufte benauwd, wrijvend het roet met eeltigen vinger:“Kijk ’r nou zitte”, praatte hij schor—stem die versleten door ’t dagelijksch schreeuwen—: “zie je nou nie dat die lamp walmp?”“Hij-’s benauwd—ellef-en-dertig!”—,spotte Soor eerst, maar dan met kreeglig gebaar: “zitte je ooge in je gat? Ka-je zelvers nie zien?”..“Jij zit ’r vedaan! Addenom wad-’n zwart”, morde hij, wrijvend het zeil van de tafel met de mouw van zijn jas.“Besser schwarz as verschwarzt! Moeite waard! Maak geen heibel om roet”, lachte Joozep: “wat was ’t laatste nommer, Raschel?”Raschel hield den zak met de dopjes tusschen ’r beenen, schudde geil-lachend den rug. Zijn hand lag tastend in split van ’r rokken, aaiend bewreef ’t dradige keper dat omspande ’r magere billen.“Nou Joozep!”, klaagde ze nattig van lippenbeweeg: “nou, zit nou stil!”—en grijpend een dop uit den zak, riep zangrig ze uit: “Vijf!... Nommertje vijf!”...“Krijg kramp in je lijf,” rijmde Joozep, ’n cursausche amandelschil schuivend naar ’t nummer.“Krijg jij stekings in je kieze!”, lachte zij: “Acht! Nommertje acht!”“Verschmacht!”, riep Joozep weer.“Hou je bek, frotter haurik! Vloek zoo nie van-avond!”, giegelde ze, afwerend ’t wriemlend gezoek van z’n eeltige vingers, die kriewden in ’t zweet van ’r broek—en roepend opnieuw: “’t Nijnzekie!—’t Nijnzekie!”1“Hèi-je al eenmaal geroope!”, knorde Nathan, “mijn negetje ìs gedek!”“Niewaar! Niewaar!”, schreeuwde Raatje chagrijnig: “vader vergist zich altijd, hóé je, hóé je met ’m speult!”“Lèit ’r jà ’n pelletje op?”, schorde Nathan.“Nou ja—dan is ’t ’r opgewááid!”, lachte Joozep, met de oogen wenkend asof-ie wou zeggen laat-’m-maar-klèsse, en Raschel vervolgde:“D’r onder-wie-bobbe!2.... Zeven!”“Me vijande geen ùùr leven!”, rijmde Joozep.“Hij begint weer! Schei uit met je mesjoegaas!”, riep Soor bij de bedstee.“Lik-me-de-maarsch,” gijnig, maar zachtjes, zei Joozep.“’t Pissertje!”3, las scherp-zangrig Raatje.“’t Pissertje?”—, herhaalde blijig de moeder van Joozep en allen lachten, omdat ze èindlijk een nummer had op haar kaart.Ze schoven dichter bijeen. Jacob lodderig kijkend, wroette ’n duim in z’n neus, likte het vuil met smakkende lippen. Dan ouwlijk-gebogen, knaagden z’n tanden, zacht-wrijvend.Z’n kop—scherp in het geel van de lamp, bleek-bol en waatrig, met wijdspalkten neus en oogen rood-brandrig omwald, leek ’n groote slijmerig-kauwende kaak. Hij zat naast zijn vader. Nathan gebukt, gejaagd in het spel dat was zijn ontspanning, volgde de hand van Raschel, die telkens zakte tusschen ’r beenen om ’t dopje te roepen. Ze hadden geen glaasjes voor ’t kienspel, bewaarden schillen van cursausche amandelen. Elk had een bruin-morsig hoopje naast plasjes koffie-met-dik en kruimels van koek. Druk-joderig-schreeuwend speelden zij voort, gewend aan de warmte der kamer, de werking van ’t riool, den stank van de vodden en beendren in den winkel. Maupie klaagde kerm-zeurig in de opene bedstee.“Kom nou! Wat zit je!”—gemelijkte Nathan en bibbring van korzelig schudden bewoog z’n hoofd.“Nou ja! Nou ja!”—, schrikte Raatje, klam-soezig door ’t geilen onder-de-tafel met Joozep. Zweet perrelde op ’r mager, jukkig gelaat, het sterkst bij den neus en de blauwe schellen der oogen. Ze vrijden al lang. Hij liep met zuur, schijfjes lever en haring. Maar z’n moeder, broertjes en zusjes leefden ’r van. Ze kondenniet trouwen, werden geel en verlept door ’t elken avond heet-zweetend geilen in ’n hoek van den kelder, als Jacob en Gompel lagen te slapen—álles doend behalve het ééne, uit joodsche vrees voor ’t kind. Nooit kwam ’n joodsche bruid met dikken buik op ’t stadhuis. De meissies waren voorzichtig.“Nou dèn! Wat zoek-ie!”, keef Nathan—één nummer had-ie nog leeg op z’n kaart.“’t Barmitswe-nommer!”4, riep schuw zij in ’t licht van de lamp, slapjes lachend om Heintje die kippig ’r nummers bekeek.“Mammie làcht,” gromde vader, de dik-roode lippen grimmig vooruit, wachtend op ’t volgende dopje.“De dikkop—de fresser!”5, las zij en mét kwam ’n lolgrijns op ’t gezicht van den jood, greep-ie naar ’t bakje met rood-vuile centen.“Kien! Ik hei kien!”’t Gaf ’n geschreeuw wild-dooreen.“Hij heit kien! Eerst natelle!”, riep tante Heintje.“Kien? Nóu al kien?”“Hóe ken kien! Hoe ken kién!”Maar Joozep, die geen lust in ’t natellen had, boog ’t plat-bleeke hoofd naar de lamp, trok Nathan’s partij:“Wat wi-je nou? Hij héit toch kìen?”“Enne hij heit ’t nie!”, hield tante Heintje vol, kippig-kijkend naar de schillen op Nathan’s vette kaarten.Soor kwam er bij, schreeuwde ook:“....Kien? Kien? Alweer kien? Wad-’n bemazzel!”....“....Kèn nie!”, schreeuwde Heintje, wantrouwig, bijna kijvend: “Kèn nie—we zijne pàs bezig!”Joozep suste opnieuw, dicht-angeleund tegen Raatje: “Ken ’t niet? De nommers-legge d’r toch!”“Enne hij kèn geen kien hebbe—gòsonmogelijk!”, schreeuwde zijn moeder.“Wat sta j’m nou af!”, zei Joozep nijdig: “anders zijne juillie toch in en uit me togus!”“Ik héi kien!”, kraakte de stem van den voddenjood en ’t plat van z’n hand beklapte de tafel dat de schillen omhoog hupten: “zoo waar as ’k leef! Geloof je me nie? Geloof je me nie! Nog! Zoo zalle me ooge uitzwere! Me kaart leit vòl pelletjes. ’k Bin daar mesjogge!”....“Veruit nou!”, drensde Raatje, zanikend-zangrig. Ze zat net zoo lekker met Joozep:“Kom nou veruit! ’k Hei al gesjokkeld.... Veruit!.... ’t Mesjoegaaremnommer6..... De zwaantjes!7!”....“De zwaantjes?”, herhaalde Joozep, een kalmeerend gijntje lanceerend: “waarom geen gàns?”“Omdat jij bin ’n schwans!”, goedig-lachte Soortje die weer zat bij de bedstee. Ze speelden even in stilte. Maupie drensde zacht-klagend. Kwaadaardig keek de voddenjood op, warm van het spel, de ruzie, de kamerbenauwdheid.“Laat toch dat kreischende kind zijn bek houe!”, schorde hij kribbig: “Geef ’m de tit!”...“Vráág of ’k zog hei”, keef Soor: “hij lebbert de heele dag!”Maar gelijk lei zij ’r kous neer, nam ’t nat-gehuild, achterlijk kind van het bultig matras, knoopte de katoenen japon los met ’n ruk, dat de groote witbeenen knoopen sprongen op-zij, sloeg den roodbruinen doek weg, hield de slappe, uitbuilende borst voor den mond van het kind. Terwijl praatte ze met Heintje:“Nebbiesch de tande plage ’m zoo—zìjnkieze zalle ’m zoo plage—hij heit aardig de poeperij—allemaal groen en groen”....“Da’s koperzuur,” zei tante Heintje die zelf zes kindren dood had.“Nou! Nou! Klets nou niet! Let op je spel! Strakkies hei je weer allemanspraats as d’r een kien heit!”....Soor werd kwaadaardig. Het achterlijk kind, door honger en pijn-in-’t-mondje, had in ’r tepel gebeten. Heftig drukte zij ’t hoofdje in de borst tot de tandjes loslieten, de fijne bloeddrupjes kwamen te zien op ’t geelbruine vel—en in lust om zich op iemand te wreken, krijschte ze giftig:“Speule mot-ie die vuilik in plaas dad-ie na zijn kind omziet!”..,“Sloof ’k me nie de heele dag voor ze uit?”, keef hij kort, een schil op z’n kaart leggend.“O, ikke nie?”, klaagde zij smartlijk, om de pijn van het weer zuigend kind: “ikke nie? Og, wad-’n stik etter!”“Stik etter?”, vlamde hij op: “stik etter?... Wat mod-je van mijn, uitgespogen schtik spek!... Krijg nièt ellek jaar ’n kind!.... Wat doe ’k met al dat krièl!’....Zij pijnlijk, het kinderhoofdje aandrukkend,bevoelde den tepel, die vurig opkleurde in ’t nattige bruin—beet ’m haar verwenschingen toe:“Leg jìj in de pijn om ’n kind te krijge!.... Krijg ’n sjankes op klompe!..... Gebruikt zijn vrouw as ’n hoer!....”“Hou je smoel, schijtemmer!” dreigde hij driftig.“Make juillie nou geen roezie,” zei Heintje zachjes-gedwee: “maak geen verschteuring...”En Raschel, wijs schuddend het hoofd, schreeuwde zangrig, broeirig zittend op Joozep’s hand:“....Vader heit de kolder in zijn kop!... Kom nou, veruit! Zeventig!.... De ouwe man!8“Je neus tegen me togus an,” rijmde Joozep ongevoelig voor de herrie.Soortje wiegde sussend het kind, dat gulzig-bijtend zoog. De slappe, magere borst hing als een futlooze zak tusschen het zweeterig plooien van ’t hemd en ’t bruingaren lijf. Langs ’t hoofd van het kind en de tiet slierde een lint van de muts, die scheef lag op den bandeau. Zij zoogde met bevend gebaar, krimpend bij Maupie’s schrokkig trekken, zelf hongrig en wee van de daaglijksche aarpels met vet.Nathan hield nu den zak met de dopjes. Raatjeen Joozep, schouder aan schouder, lievig bekeken mekanders vochtige lippen. De lamp bedampte de hoofden van Heintje, Jacob en Nathan, het klein-dor gelaat der grootmoeder.“....Nommertje twaalef!.... Nou let je nie op!”....“....Da’s al gewees!”....“....Zanik nie! ’k Weet toch wel wad-’k róóp!”“....Zèstig.”....Zij speelden nog, toen Eleazar met Saartje op den arm en Dovid ze stoorden. Dovid was stevig gemept door de stakers. Zijn oog was gezwollen en ’t bloed uit z’n neus kleefde in ’t stoppelig haar van z’n kin en de wollige das. De laag-warme kamer werd wakker van ’t gillerig vragen en roepen—het spoegspettrend huilen van Dovid. De grootmoeder, verschrikt, suf-nog-van slaap, riep wàt ’r was, maar ze krijschten dooreen, mekaar de woorden afbijtend, angstig en druk.“Die vuilike!”, raasde Dovid, den neus bettend met ’t water, dat Raatje vies-bleek hem voorhield: “die gallaskoppe.... Die pestkanker-smoele!... Wad-hei ìk ze gedaan?... Mod-ikme late dwinge ’n partij kappies uit me klauwe te geve as ’k ze eenmaal hei?.... ’k Mot frèsse!... ’n Golle! ’n Golle!”“Mot jij je láte slaan?”, schreeuwde Nathan: “had ze ’t lich uit d’r ooge gespoge! Had ze lam getrap in d’r lieze!”...“Waas kan hij tegen zooveul!”—, gilde tante Heintje.“...Kan ’n man tegen duizend van die straatschleipers!”—, tierde Dovid heftig-grienend: “Is ’t geen schandaal van belang dad-ze je belette te werke?—De sodemieters!—Mod-ik nog langer honger lijjen?”..... En zich krankzinnig opwindend huilde hij zijn woede:... “Eer zalle d’r kloote àfrotte eer ’k ’t werk uit me poote geef!... En die vuile addermekakstraal, die kàle luis—te kaal om z’n kont te krabbe—trekt nòg d’r partij!... Hoe ken men z’n éigen zwager afvalle!... Loop me onderweg mesjogge te make op de koop toe!... Lazer jij dood voor mijn part!”...Stil zat Eleazar naast Jacob.“...Wat beklaag je je?”—zei hij bot, slaperig Saartje tegen zich aanduwend: “hei’k je niet gewaarschouwd?—Onderkruip nìet”!...“Stik! Stik!”, gilde Dovid, den doek die ’n bloedrige prop leek, dreigend in z’n vuist ballend: “Krijg ’n darme-reising, vuilik!... Wat doe ’k met je gelul!... Geef me ’n paar schoene—dan trek ’k ze an achter je lawaaie!”....“Gróót gelijk heit-ie!”, riep Nathan schorkrijschend alsof-ie achter de voddenkar liep: “Stel jij je godverdomme in de brès voor die luie pargen!... Neem jij de partij op tègen je zwager!”“As hij en as juillie niet je èigen vijanden waren”, hield Eleazar vol: “dan was ’t met de ellende gedaan”...“Verrek! Verrek! Val dood!”, schreeuwde de slijper.“Gedaan... Gedaan”, herhaalde Eleazar, dom-halstarrig: “...Solidariteit is àlles ... ènkel solidariteit”... Een koor van spottende, kwaadaardige stemmen schrikte ’m op. Hoe kon-ie zóó stom zijn geweest!“Verrek! Verrek!”, krijschte woedender Dovid: “Weisz ich viel van solledareteit! ’k Sla ’t an me kont! Wat krijg j’r in de lommerd voor? Betaal ’r je huur van! Solledareteit! Nòg! Maak dad-je te vrete krijg, luie verdommeling!”...“...Zolledareteit!”, schorde Nathan: “zorgdad-je ouwe blinde tante en ’t schaap dad-je daar draag niet krippeere van honger!.... Wat maak jij je de zappel om zolledareteit!”...Tante Heintje, breed uitzittend, de handen op het morsig blad van de tafel, zong ’t over de andere stemmen:“...Zolledariteit?... Waas ist zolledareteit?... ’n Aardige fijne man!... Spreekt fráns!... Zolledareteit!... Zolledareteit!... Mezomme zal je meene!”...En Joozep die in de korte gaping lacherig schreeuwde: “Solledareteit—Krijg de schrijt!”, deed ze allen lawaaiend lachen.Eleazar haalde de schouders op. Je kon ze net zoo goed de boeken Mozes ondersteboven te lezen geven. In keigrond zaaide je niet—als je bij zinnen was.Dovid vloekte, schold, Nathan verweet, raasde—hij sprak niet meer, leunde achteruit. Terwijl de stemmen vinnig keften en schorden, voelde hij wee-knagende steken. Z’n borst was nog niet in orde. Iedermaal dat-ie slikte, hapte-die angstig. God, wat stonk ’t hier weer—wat hadden z’n longen ’n moeite, ’n moeite.De kelderdeur stond vol-open. Bij de kist met bloedrige slagersbeendren, was Jacob bezig zichuit te kleeden. Eleazar zag ’m stappen op ’t matras naast Gompel, het slapende jogje. En door ’n nevel van moeheid, aanwaasden de kamer, de bedsteden, de kinderen op den grond, de stukkende lamp, de tafel met het kienspel, de cursausche amandelschillen, de kelder met de muffende, stinkende kisten en manden. Zoo hij nu zat, uitgeput, loom, met natte, ijskoude voeten, geleek hem de grijze, vertrapte wereld waarin hij zich bewoog, waarin ze allen gedoemd waren hun leven te kniezen, hopeloos, wereld van alleen gràuwen jammer. Het was om schreiend, met enkel knetterende razernij in te zakken, het hoofd te bonzen tegen den stank-uithatenden grond en God en de wereld zoo heet te vervloeken, als je krankzinnigst oogenblik ’t nauwlijks zou kunnen. Je zou willen spuwen op àlles, op de leugens van goed en kwaad, op ’t geteem van je eigen hersens, die wikten, bedachten, aarzelden—je zou willen buldren je onmacht, gillen je smart om die nuchter-gèwòne dingen, om tante Reggie, den schoenmaker, Suikerpeer, den poolschen jood, den man op ’t bordes van Golconda, om de duizenden, honderdduizenden genekten, jammerlingen, stumpers—om den kelder en dekamer, den stank, de altijd brandende lamp—de tien kindren, den man, de vrouw, de grootmoeder, allen neergekwakt, verdierlijkt, verstompt. Even lachte-die mal in ’t geroes van de kijvende joden. Dertien menschen in één hol, in ’n uitgegraven aardgat waar alles je tegenkotste. Zouen de komende tijden niet rood zien, met koortsige spetten in de oogen, als ze bedachten hoe ’t gewéést was?Van ’n balk viel ’n drup op ’n kaart. Lusteloos suften zijn oogen naar Soortje. Zij zat bij de opene bedstee te huilen, hield ’r hand om de borst. Het lurkend kind had vreemd-roode lipjes alsof ’t bloed had gehoest en onder den bruingelen tepel slangde een kronkelend streepje. Stil-snottrend bewreef zij de borst die door ’t gulzige zuigen bloed had gegeven, klagend noch roepend.“Scheelt je wat, tante?”, vroeg hij.“Niks. Niks”, zei ze: “la-maar gaan—la-maar gaan—Beurt wel is meer”...1Negen.2Nummer negen-en-zestig.3Nummer één.4Nummer dertien.5Nummer negentig.6Nummer elf.7Nummer twee en twintig.8Tachtig.X.Doch den anderen dag was zijn hoop weder groeiend, scheen ’m z’n opstanding tegen ’n god—of je ’m als bijbelding, wraakzuchtigen smaus, als liefde-galmend kwakzalver òf als de natuur in ’r rijpe wonderen zag—een verstandeloos ding, kweeksel nog van de dagen toen Druif ’m vertelde van ’n wezen boven en buiten de menschen. Wist-ie niet beter? En als-ie aàrzelde was ’t dan niet ’t gevolg van z’n stemmingen, z’n jóódsch gedroom, z’n bloed-arm gestel? Door moeheid werd je zwak, laf, oordeelde je dwaas en met angst over leven en dood, neigde je zonder grond onder je voeten naar ’n mysterie die je noch verschrikte, noch ontmande wanneer je frisch en bedachtzaam overwoog. Een klassenstrijd en ’n god waren mekaar gezond-afstootende zaken, tenzij je god weer noemde ’t rècht van’t bewegend volk om tot den kern van ’t geen de aarde aan vruchten en weten bezat, te geraken, maar dan blééf ’t de prachtige vernieling van ’n mystieken, alles-gedoogenden god door wat de tijden hadden gebouwd. De god-der-eeuwen-tot-nù stond buiten het leven, buiten de werkelijkheid, hing als een logge last aan de rede en eerst tháns scheen ’t het vertraptst deel der menschheid te zijn, dat onbewust of geleid door bedenkingineene godheid herleefde door zich aan den strijd, de verjeugdiging te geven. God—als ’t dan ’n náám, ’n woordenspel, noodig had—god was Strijd. Waár je rondkeek zag je ’t bestaande vergaan, verdringen. Ouwe bladeren werden mest voor nieuwe planten. ’t Rotsel van mensch en beest was voor de landen nieuw leven. Je kon ’t voorbeeld zoo eenvoudig niet stellen, ’t niet zoeken onder den bevroren grond of in de diepste zee, in de luchten of in ’t lichaam van den mensch, overal, overal zag je strijd, wroeting van levende en zwijgende stof, dood en opstanding. Het was ontzaglijk. Dàt alleen gaf je een ruimte van schoonheid. Het begrip Arbeid in de natuur. Stilstand was nergens. Strijd was de verplaatsing, strijd—de opwerking, strijd—’t dooden.Had-ie niet pas gelezen hoe de strijd van bepaalde bacteriën ’t lichaam gezond hield, dat ’n mensch bacteriën zoo nóódig had als eten en drinken? Was niet in hem ’t dapper gevecht van de onzichtbaren die ’m verdedigden tegen de indringers in de longen? Als je dat klare bedacht, hoorde je dan niet meelijdend ’t geschetter van de van-anderer-arbeid-levenden tegen de wakker-wordenden, ’t geraas en de woede van uitgebloeid groen tegen jong loof? En ’t goddelijk-malle dat ze uit verweer hun vormendienstjes, hun aanbidding van ’n hééngerotte godheid tegenover de natuur-frischheid van strijd stelden. In de bedstee, de handen onder ’t hoofd, lag-ie daar over blijmoedig te droomen.Soms sloot-ie de oogen, soms keek-ie door ’t raamvierkant naar het geklomp van de daken. ’s Morgens in bed, uitgerust, kláar voor den dag, zette je àl wat gebeurde in den rustigen schijn van stille gedachten, leek je hoofd een koele zaal waarin je ’t licht had getemperd naar eigen begeeren.Teer-kleine klopjes schrikten ’m op. Saartje stond in ’t portaal.“Oome!... Oome Eli!”, riep ze met duchtig geluid om ’m te wekken.“Wel—kom binnen, m’n kind,” lachte hij zacht. Als hij ’t ouwlijk gezichtje met de rood-zeere oogen en ’t warrige kroes bezag, dacht-ie aan Esther, de vroeg-doode, de eenige waar-van-ie gehouden. ’t Meisje, lichtschuw, stak ’r hoofd door de deurspleet. Ze droeg op een bruinschilfrig bord twee hompen brood, zwartglimmend van stroop. Zelf was ’r mondje ’n volwreven groezel, zóo als ze gesmuld had.“Oome—tante die zeit”—maar ’r stemmetje zakte in doezel van lachen—oom in z’n bed met slaap-dikke oogen en ’n punt van z’n teen—’n kokkert van ’n teen—net de néús van Suikerpeer...“Nou—wàt zeit tante?”, vroeg-ie vrindelijk knikkend.Zij lachte maar door, greep den teen met ’r strooperig handje.“Wel, jij feeks van ’n meid,” dee hij, wijkend terug, als in angst. Zij hel-schaterde, de oogen vroolijk vergroot, den arm met ’t bordje gestrekt. Toen zette ze ’t neer op den stoel, klomin het bed, poogde z’n hoofd met stroop te smeren. Hij, joelend van schrik, trok ’t dek om het lijf, ontvluchtend ’t kleverig handje, tot-ie zich plots liet verrassen en ’r in de armen greep.“Jou rakker!”, dreigde hij boos.Zij liet zich niet foppen, zag an ’t gekijk van z’n oogen dat-ie niet kwaad was, gierde kinderlijk-valsch over ’t bruin bij z’n snor. Ze zaten samen op ’t bed, de man de haren verward, de borst half ontbloot—’t kind bleekjes en klein, ’t jurkje gescheurd en verschoten, de kousjes van gaten doorvreten.Hij zoende haar op ’t strooperig wangetje.“En wie zendt dat lekkers, jij deugniet?”, vroeg hij gelukkig, blij met de vrindschap van ’t kind.“Tante die zendt ’t”, zei ze en—bluffend: “O, we hebbe zoo ’n bóél!”“Wel, wel, wel”, sprak hij verbaasd om ’t wonder: “Heit vader geld thuis gebracht?”“Vader—nee, vader die slaapt nog—die is zoo geslage—weet u dat oome?—Z’n oog is zoo blauw, zoo blauw as...”—ze zocht naar een beeld—“zoo blauw as ’k weet nie-wat!... Wéet u dat oome?”“Ja, dat weet ’k”...“...Gemeen, hè, oome?... Smerig, hè? hè?—om zoo maar te slaan. As ze na mijn ’n poot uitsteke, dan neem ’k—dan neem ’k”—groot werden ’r oogen bij ’t hévig verzinnen—“dan neem ’k ’n stok en sla ’k ze dóod—de flikkers, om zoo mìjn vader te slaan!”“Goed zoo”, lachte hij rustig, strijkend het kroes langs ’r hoofd. Het was ’n zoo heerlijk iets ’n kind grootemansdaden te hooren fantaseeren.“...Dan, dan” ging ze voort, ’t gezichtje in doddig gepoog om de kracht van ’t dreigen bij te houden: “dan neem ’k ’t broodmes van tante en dat steek ’k ze in d’r buik—hè, oome?—en dan snij ’k ze d’r hals af—om zoo mijn vader te slaan—hè, oome?”... Zij keek hem niet aan, staarde het raam uit, over het veld der plompe, roetgore daken. Daar zag ze ’t gebeuren.“Dat zou ’k maar niet doen”, riep hij voorzichtig: “want dan komt ’n agent met ’n sabel en die neemt je mee.”...“Dan steek ’k ’m oók dood”, zei ze geweldig.“Nou dà’s wel schriklijk”, lachte hij luid.Even kuste hij ’t magere kind. Ze liet ’m begaan, nadroomend nog. Op d’uiterste spits van het voorliggend dak, waar ’n grijs-molmig hijsch-blok bot speerde, was speelsch de zon aangeschoven. Een blanke lichtlijn deelde het rood en de kalken strepen. Het rood en het vaal der àndere daken, met goten en moddrige randen, werd zwaarder en doffer van kleur, schijnbaar wegkrimpend van ’t lichtvak. Zonderling-wazig gulpte rook uit een pijp, warrlend de opening langs, dan geel-kronklend kruipend de baan van het licht door en blauwig met lustlooze kwijnsels bewegend naar ’t overzijdak. Het meisje, de brandrige oogjes rood van ontsteking, keek naar den helm en den sabel, die glinsterend glansden in ’t spel van rook en van zon. Haar wimpertjes knipten. Dan sprak ze weer rad van ’t geen ’r zoo inviel.“Oome mod-je niet ete?” ’t Leek haar een tergend bedrijf—dat lánge gewacht.“Ja, ja”, zei hij begrijpend: “jij wil nog wel wat, hè?... Neem maar ’n reepie.”“Nee”, keek ze gulzig: “tante zeit dad-’t van ù is.”“Ik heb niet veel honger”, glimlachte hij, keek naar haar dadelijk schrokkige happen.Eerst likte ze vleiend de stroop, tot ’t lepelend tongetje glimmend geteerd en bruinige draadjes kleefden de mondhoeken om.“’k Bin ’t zellef weze koope—héusch oome”, verhaalde ze wijs: “gistere eerst met ’n pakkie na Wolf.”...“Wie is Wolf?”“Wolf?—Ken u Wolf nie, oome?”—ze kauwde wat sneller de bruintaaie prop—“Wolf—da’s om ’t hoekie.—Weet u nie?—As je schoene an ’m brengt geeft-ie cente—enne as je kleere brengt geeft-ie cente.—Weet u nie, oome?—Enne dan krijg-ie ’n brief-ie—enne as je dan met ’t briefie werom komp dan krijg-ie alles werom—begrijp-ie, oome—maar dan mod-je overnieuw cente geve.—As u nou gaat de straat deur—al maar rechtuit—dan is ’t om ’t hoekie—weet u nou nie?”“Ja, noù weet ’k ’t,” knikte hij: “en wat hei-je gister an ’m gebracht?”“...Gistere?”—zij peuterde pijnlijk in ’t mondje—“gistere heb ’k gebroch de sjabbes-rok en ’t jekkie en de sjabbesmuts van tante Reggie enne d’r schoene—maar die wou-die nie hebbe. Zeg an je moeder zee-die—ikkehèi geen moeder, wel, oome?—dadde de schoene niks waard zijn—nou de zole die wàre kepot, das wáár oome—enne as de zole kepot zijne dan ken je d’r nie op loope, wel?—nou enne toen heit-ie op de rok en de muts en ’t zijjen jekkie—weet u wel dad-ze an sjábbes draagt—vijf-en-zeventig cente gegeven—’t is ’n gierige stinkert, oome—en altijd ’n droppel an z’n neus—zóó’n groote droppel.”—Zij spande den duim en den wijsvinger om de grootte te wijzen.Zorgvol keek Eleazar naar de daken, wetend hoe de blinde hechtte an sjabbeskleedij. As ’t goed niet voór sjabbes terug was—kans was ’r niet—had ze ’n dag van diepe ellende. Het kind babbelde voort.“...Jan van hiernaast oome...”“Wie ’s Jan?”“Jan,—da’s Jan-van-de-schoenmaker—weet u nie?—die heit ’m laast zoo lekker verneukt, oome. Die heit ’n drol in pepier gedaan—hoor u, oome?—enne zoo door ’t raampie gestoken. Enne toen heit-ie gezeid: meneir wadde krijg ’k ’r op?”—even schudde ’t lichaampje zóo van stijgende pret dat ze niet verder kon en met stuipende proestjesmoeilijk zei: “...enne toen heit die vent ’t opegemaakt, oome ... hahaha!... Enne toen zee-die wat is dat?... Hahaha!... Enne toen riep Jan: dat mot je maar ruike!.. Hahaha!.. Enne toen zijne we hard weggeloope”....“Zoo das mòoi!”, verweet Eleazar zelf er om lachend: “jullie most ’n pak voor je broek hebben.. Mot j’r meer heen voor tante Reggie?”“O jee zoo dikkels”, blufte ze weer, blij dat ze die dingen mocht doen: “van de week bin ’k driémaal gewees—eens met-è—met-è—wat was ’t ook weer?—met-è deken—en eens met ’t ganneke-ijzer—enne gister met tante d’r sjabbesgoed... Mod-je nie ete, oome?”...“Ja zeker”, knikte hij vrindlijk. Met sprong hij ’t bed uit, schoot in z’n kleeren. Vandaag zou niks ’m ontroeren. Z’n uitgerust lichaam gaf ’m een wondere kracht. Over de daken vloeide wijder het licht, een musch tsilpend bewoog op den stang van ’n schoorsteen. ’t Leek of de dag geluk moest bevatten, of een ongekende geheimenisnadering uit de droogkoele lucht die ’t raam binnenstroomde, steeg. ’t Was stil op de plaats. Zelfs ’t geklop van den schoenmaker dat meestal naar boven echoode klonk niet, en d’overzij-ramen schenen verlaten.’t Kind naast ’m bij ’t raam, boog ’t hoofd diep voorover.“Wat hóog, oome, hè?”“Nou!”“As je d’r uitviel dan was je dóód—oome, hè?”“Asjeblief!”...Hij plonsde het hoofd in de kom met ’t water dat-ie ’savonds meenam van tante, die ’t héele huis most voorzien. Er was maar één kraan. Saartje spuwde terwijl spuugvlokjes naar Suikerpeer’s onderkozijn. Spelend telde ze de witte schuimpropjes die onhoorbaar kwakten op ’t hout. Spuwde je verder, dan zàg je ze niet, vielen ze in ’t slijk op de plaats, waar stronken en bladen verrotten en vreemd-gesplinterd ’n boord lag, gevallen uit een van de ramen.Nog zich nadrogend keek Eleazar het donker der gang in. Stug veegde een borstel de treden der trap. Rebecca, een doek om het hoofd, de zwarte slierharen verward langs ’t teerbleek gelaat, lachte verlegen. Ze had den verlepten japon omgeslagen, de slijkzwarte voering naar buiten, de armen gestroopt ver omhoog dat ’t vleesch snoerde in kreukels en plooien. Hethaakje van ’t vaal-fluweel boord uitgetarnd, liet vrij den molligen hals met de fijntakte aêren.“Goeienmorrege,” zei hij, zich drogend.“Dàg,” riep ze schuw in den schemer der trap.“Dat kon je bij mij ook wel is doen,” meende hij vroolijk: “m’n meublen bederven. Ik heb in geen maanden geveegd”...“Ach kom,” lachte zij, leunend terug, verlegen opkijkend.Saartje kwam mee in de deur.“Dag Bekkie! Dàààààg!”“Dag Saarlief”...IJvrig begon zij weder te vegen, telkens ’n tree op, toen op ’t portaal, lacherig-pratend, kruipend op handen en knieën. De voeten in ouwe pantoffels sleurden kurk-schuiflend den rokkenwrong na, soms met ’n haastige puiling der kuiten.Hij, etend ’n reepje met stroop, wenkte ’r binnen, vroeg naar ’r vader. Angstig-timiede, hield ze zich vast aan den deurpost, den schuier onnoozel bewegend. Nooit kwam ze ’t huis uit—of ’t was voor de kindren. Ze scheen eene ingeschapen moedertjes-toewijding te bezittenniet hechtend als andere meisjes aan ’t loom-vadzig drentlen op Sjabbes. Nu, in ’t strak licht van ’t raam, de oogen git-dwalend onder de lijn der vergroeide brauwen, het roodwollen doekje om ’t zwarte der haren, welig en grillig als ’n wingerd, was ze van zulk eene vreemd-wilde schoonheid, dat ’t schertsend gepraat hem ontzakte en de oogengloeiing van toèn—in de hal van de kinderbewaarplaats—haar weder dwaas-driest deed lachen.“Wat kijk je?”,—zei ze droog, stem die nauwlijks een klank had.“Ik kijk zoo maar—zoo maar”—lachte hij, met heet-kroppend gewring in de keel.“O—kijk je zoo maar,” staarde ze voort, ’t gitzwart gestoei van ’r oogen in gurgel van lach.“Zoo maar”—herhaalde hij, pogend te schertsen. Dan stond-ie op, verzette den stoel naar ’t raam, speelde met Saartje. Zij, bukkend, de heupen omhoog in den tuimel der rokken, begon zacht te vegen.“Doe ’k je nou ’n plezier?”, lachte ze kinderlijk.“Of je”, zei hij: “licht dat me meublen bederven als ze staan in de stof!”Zij lachten beiden. Er was niets in de klein-lage kamer dan ’n bedstee met ’n simpel matras, ’n stoel en ’n kist met ’n kom. Maar zijn lach duurde niet lang. ’t Kind sprong z’n schoot af.“Dag oome!”“Waar ga je heen?”“Ik mot na de school!”...“Wacht dan nog even”...“Nee oome—Jan staat benejen al klaar”.Ze had hem gezien op de plaats, stampte de trap af, toeslaand de deur.“Wat ’n nest van ’n kind”,—zei Rebecca diep bukkend. Schuw keek ze op, half angstig, half-lachend.“O, zoo’n nest”, herhaalde hij flauw.En het stug gekuch van den schuier klonk in de stilte. Star keek hij het raam uit, eerst naar het overzij-dak, felrood en dampend. Sufbleeke wolkjes krulden de goot langs en ook van de nattige pannen steeg als een waas het opdrogend vocht. Dan zag hij omlaag naar de kindren die samen gingen de poort door met Mijntje, de dochter van Suikerpeer. Achter hem schorde de schuier, hijgend met lang-dorre stooten.“’t Is in làng nie-gedaan”, zei zij het eerst.“Nee, in lang niet,” zei hij snel en hard. Zij veegde stil bij de bedstee, het hoofd van ’m af, de grot-van-de-rokken met ’t slanke kuitenbeweeg scherp naar hem toe. Haar roode doekje dreef zacht op den krommenden rug, de ouwe pantoffels wipten los van de hielen.“Ik wil ’t wel élleke dag voor je doen,” sprak zij na een poos, en hurkend op de knieën, den fletsen japon als ’n tuil om den buik, keek ze ’m aan eerder fel dan verlegen. Zóo stiet ze hem af. Als ze ènkel timiede, schuw in ’r doen, was ze lief van bekoring, leek ze ’n kind, vreèmd aan de gulheid van zon, vreèmd aan alles wat buiten—maar ’t zéker gekijk dat ze soms had, gaf ’m een afkeer, die niet was te ontleden.“Wel, da’s goed,” zei hij vijandig: “dat wil ’k heel graag—maar is ’t niet lastig?”“Nee,” lachte ze kort en daarna vlug-oprijzend: “zal ’k je bed doen?”“Trek de deken maar recht,” knikte hij.’t Was toch ’n verheugend gezicht—’t meisje dat ’t kussen klopte en gladstreek z’n deken. Ze wreef met de handen er over, zat op den rand van de bedstee, waar Saartje gezeten.“Hei-je geen laken?”“’n Laken—welnee!”...“En leg-ie niet koud?”...“Alles gewoonte”...“Wij legge warmer,” lachte ze opnieuw.“Wie?”, vroeg hij stug. ’t Werd wonderlijk-vreemd dat ze zoo zat, in dien wingerd van haar onder ’t roodwollen doekje.“Wij,” zei ze verklarend: “me zussie—me broer Jozef en ikke—wij legge warmer. En as ’t koud is, kruipe we dicht op mekaar”...“Zoo”—, sprak hij glimlachend om ’t plotsling vertrouwen en èven ontmoetten hun oogen. Zij, wieglend op den rand van ’t bed, sloeg neer ze ’t eerst, dwazerig spelend met ’n punt van de deken.“Rebecca—Rebecca!—Waar zit je?”...Poddyschreeuwde beneden de gang door.XI.Gehurkt in de bedstee, kreunend en vloekend, hield de poolsche jood de deur open. Z’n stok kromde als een hand om den knop, viel op den grond toen ze de trap af kwamen.“Mod-’k me tong uit me bek schreeuwe!”, snauwde hij, hijgend—: “waàr... waàr...” ’n Logge slijmhoest benauwde hem plotsling, doorbaste ’t beenig lijf. De nagels in de bedsteeplank gewrongen, den vaalrooden rimpelkop met de wilde baardslieren diep in stuipschudding gebogen, kraakhoestte-die, inslurpend den adem met fluitende kreunen, dan weer donker-rogglend op braken af. Het schuimig kwijl droop langs den baard op den paars-groenen borstrok, alle sneden in ’t harde gelaat werden wit door ’t gespan van de huid, ’t vinnig gezwel aan den mondhoek purperde fel alsof ’t zou bersten.“Drink-’s, vader!”—, riep angstig Rebecca.Driftig weerde hij ’r af, richtte pijnlijk-grijpend zich op. De deken glee en bij het reutelend hijgen, dat den kop ver-paarste, de aêren zwart-striemend deed zwellen, kwam de heup met ’r bloedende wonden en gaten bloot. De lappen grijsklamme pap, vervuild en doortrokken van strooperig bloed, zakten het been langs tot over de knie. Een oogenblik klonk ’t raspend geroggel, ’t slurpen der strot zoo klagerig-scheurend, dat Rebecca begon te schreien en Eleazar dacht dat-ie zou stikken.“Drink dan ’s, vader!”—, huilde ’t meisje, ’t glas in de angstig-bevende hand.“Hoor je niet, Poddy? Drink is!—”, drong Eleazar aan, zèlf ’t glas nemend. Stomp-hijgend, lippen die koortsig mumden, slikte de zieke en opnieuw hoestte hij rauw, wringend ’t lijf uit het dek, de oogen beloopen, den mond als een smartgeul in ’t schuim en de kwijlige klodders van den baard. De bedstee stond in schemer. De deur aan de raamzij, schuin-open, onderschepte ’t licht van ’n raam, goor van stofbultige ruitjes, waarachter ’t schubbig vaal-slijkrig kwakken en ribblen van ouwe dakpannen. De poolsche jood, half naakt, deettrende heup kil belicht, de handen knoestig geklemd om ’t hout, den baardigen kop in martling bewogen, leek in ’t scheemrende, morsige bedhok zoo afzichtlijk ziek en benauwd, dat Eleazar terug-schrikte en ’t slingrende glas water uitgulpte. Niet sprekend keken ze toe, tot ’n reutlender, brakender hoest lucht scheen te geven en een fel-gele roggel met zware bloedvinnen langs den baard op den grond klette. Toen zakte-die kreunend, zwakker na-hoestend terug. Op ’t voorhoofd, rimpel-doorgroefd als ’t gelaat, kleefden grijzende haren in zweet. Uit den mond, wild vergrimd, rukte de adem, stootend en kermend.“Zal ’k je helpen?”—, vroeg Eleazar.De knooklige hand in het bedhok schudde afwijzend.Kort knerste de voet van den jongen man over ’t bloed en ’t slijm en een rillige weeheid doorgriezelde hem bij ’t zien zoo-dichtbij van de heup, de kerven, ’t dik-stollend bloed, de rottende blauw-omkringde gaten met de kwalletjes pap en den druipenden, ei-gelen etter. Een wond, hoog bij de bil, was het grootst. Al het vleesch er om heen, verweekt en vervreten, kromp naar ’n etterend hol, vinger-wijd, vlaknaast ’t beenige jukken der ruggegraat, en er boven, in ’t midden van den rug, plakte ’t smerig be-etterde hemd, was ’n andre rottende plek. Op het matras, vaal betrijpt, met bosjes rullige houtwol die de naden doorbarstten, droogden bloedklodders en klonten. Er was een plank, nauwlijks te zien door ’t proppen van pakken en kleeren. Een pot stond ’r zonder oor en aan spijkers hingen broeken en jassen.“O!... O!”, kreunde de jood, pogend te stutten den elboog in ’t bed.Vlug steunde hem Eleazar, maar de zieke krijschte ’t uit. ’t Eene been machtloos, was door de ontsteking kromgetrokken.“....’t Loopt af—’t Is mis”, zei-die hijgend, en terugstortend in ’t kussen begon-ie langzaam-snerpend te huilen, ’t hoofd gekeerd naar ’t beschot.“Kom”, praatte Eleazar, z’n hand drukkend: “denk an je kindren, Poddy—denk an je...”Meer zei hij niet. Elk woord ketste. Zwijgend, de oogen heet van tranen, leunde hij tegen de bedstee-deur. Rebecca bij ’t dakraam, lei met ’r hoofd op de tafel te snikken. En onafgebroken-smartlijk klonk uit het bedgat hetjammrend geweeklaag, het heftig gesnotter van den grijsaard.“Waarom huil je nou, Poddy?—Kom nou”, suste Eleazar: “hei-je geen dokter?”...“Nee”, snikte de jood: “hellept niks, niks!”...“Zal ’k ’m roepen?“’“Nee—géen dokter—geen dokter!”.“Wèl ’n dokter”, poogde Eleazar te schertsen: “dan ben je in ’n wip beter—hoor je?”...“Maansjene néé ’n dokter—maansjene jà ’n dokter”, snotterde Poddy, z’n neus langs z’n mouw wrijvend en pijn-kregel ’t hoofd schuddend.“’r Is ’n dokter gewees”, huilde Rebecca: hij hèit ’n briefie voor ’t gasthuis”...“Da’s wat moois! En je blijft hièr? Hoe ken je zoo’n gammer zijn?”...Lustloos, te moe om te spreken, wendde de zieke zich af.“Vader wil nie”, antwoordde ’t meisje.“Wil nie? Wil nie! Wat wil-je nie?”...“Nee—hij wil nie.” ...“...Poddy, Poddy hoe hei-’k ’t met je?”, brabbelde Eleazar, woordjes zoekend, schuw en triestig. Z’n gezonde stem leek hard bij ’t gebroken, stervend lichaam. Al wat je zei werdvan ’n hinderlijke grofheid, stiet af op de felle wanhoop van ’t ellendig bed met z’n etterplassen en bloedstollingen. Bij tijjen dee zwijgen je zeer, vond je de zekerheid van je stem—die pràten wou—van zoo’n schelle hatelijkheid, dat de vleezigheid van je bewegende lippen, ’t droog aanvoelen van je lijf, je warmen rug, je rustende voeten—onrustig-werklijk werden, als bij broeiend aangrommelend onweer of bij star-wit avondlicht in ’n eenzame straat.Poddy scheen niet te luistren. Het hoofd, gezakt in de deuk van ’t kussen, lag met den maagren gebogen neus naar de zij van de broeken en jassen. De ontbloote heup puilde in ’t wollig gefrommel der dekens, ’t been krom en ontvleescht, met ’n zwarten, smerig-vergoorden voet, drukte de plooien, bijna slijkrig skelet, bebloed en doorwond.Weer in denzelfden aarzlenden, tastenden toon vroeg Eleazar:“...Mot j’r niks an doen, Poddy?... Mag-ie ’t zoo làten?”...“Já! Ja! La-me légge!”, snauwde de zieke.“Nee, vadertje—dat zalle we niet”, zei Eleazar goedig. Kalm wond-die de paplappenlos, die de knie over waren gegleden, en ingehouden neus-ademend om minder den zuren stank te ruiken, trachtte-die een der wonden te reinigen. Licht-trillend bewogen z’n vingers. Het was ’n voor hem ongewoon, afzichtelijk werk. De pap van oudbakken roggebrood, klam-warm nog, zwart en weekplakkrig, bevuilde z’n handen, kleefde onder ’t koperen ringetje dat-ie als kind van Esther had gekregen. Langs z’n duim en wijsvinger, die voorzichtig-vies ’n tipje zwachtel langs ’t rottend gat wreven, glibberde etter dien hij niet dùrfde bekijken. Koud kleumde ’t zweet op z’n voorhoofd. Als-ie gekèken had was-ie flauw gevallen. Nou most-ie an niks denken, niks zien, zachjes wrijven tot ’t zoet braakrig gevoel ophield, tot-ie den papstank niet meer próéfde. Het mager, kromgetrokken been, de heup, de bil, de wonden, schenen te vervagen, blauw-wittig te neevlen. Een oogenblik hingen z’n vingers futloos, diep-doopend in etter en bloed—dan wreef-ie weer, starrend, doodsbleek, met pijn in het achterhoofd, de oogen omwald. Eerst na ’n poos werd-ie stérk, dorst ’t been te bezien, nam uit den ketel lauw water, bette met ’n helder lapje dat Rebecca anreikte. ’t Kon niethelpen. ’r Waren te veel wonden, vervuild en door-etterd. Zoo mòcht je ’n wond niet behandlen. Ze zeien dat water koud-vuur gaf. In godsnaam—je most ’t wagen—erger as ’t ingevreten, slijmend vuil zou ’t niet zijn. Rustig, geduldig-sussend, sponsde hij ’t linnen in ’t soepbord dat ’t meisje bij ’t bed hield en z’n afkeer overwinnend, bette hij met schuchtere duwtjes tot de etterlaag was verweekt en ’t lijk-rossig vleesch om de wreede gaten bobbelde. Maar de wond boven de bil wàs niet te wasschen. Ze geleek een gedrochtlijke wel, niet te stuiten. Vaal-gele etter, bloed-slijmrig dooraerd, vloeide gestadig alsof ’n buil was verplet. En de zieke kreunde zoo pijnlijk, duwde de helpende hand zoo driftig, dat Eleazar ’t opgaf en zachtoverredend ’n verband om de lendenen poogde te leggen. Toen, omdat Poddy geen ànder hemd had, trok-ie ’t vuile, door-etterde glad, schudde voorzichtig ’t bed, stopte de deken onder de oksels, glimlachte den ouden jood toe.“...Bin ’k geen dókter, Poddy?... Voel je je niet as ’n prins?”Verlucht, verfrischt door ’t water op de wonden, knikte de Pool. Ja, zóo lag-ie veul beter. Alleenig ’t bed, lomp van bulten, schrijnde, sneein z’n rug. En de luize, die mamsertomme van luize! Bloed schene ze te ruike. As-ie sliep maakte ze ’m wakker. Z’n arm zat vol blare. En stèke as ze deeë. ’t Was ’n ràmp. Tegen eene die je knapte kwamme d’r tien werom. Cigarettetabak, peper, niks hielp. As je ’n kaars bij ’t bed hield zag-ie ze loope, soms tien tegelijk—’n ramp bij ’n ramp—om je vijande toe te wensche. Hoestend, diep adem-zuigend, klaagde-ie tot ’t lèkker liggen, de weer-uitgerustheid, de mindere gloeiing der wonden ’m vroolijk deed praten. De soep die van z’n bille was gekomme ènne ’t bord most Eli maar in de goot smijte òver ’t dak. Daar kon niemand z’n maal mee doen. Enne d’r zat smèt in. Sally en Rozetje hadde nog voor twee weke bij ’m in de bedstee geslape. Dat moch niemeer voor de dokter—nou leje ze àllemaal op de grond.“...De dokter,” viel Eleazar ’m in de rede: “maar as je nou toch ’n briefie voor ’t gasthuis heb—waarom laat jij je dan niet beter maken?”“Bèsser,” begon Poddy te gijnen: “besser? Weiss ich viel waas ich allemaal heb!... Dáar hei-’k ’n gat en hiér hei-’k ’n gat—enne ’ngat in me togus—da’s vièr gatte—te veul om te noeme! Me kop van me romp dat de dokter ’t zelvers nie-weet. ’n Puist in me nier, zeit-ie—nou vraag ’k jou!—Waas is ’n puist in me nier?—’n Puist op je neus daar hei-’k meer over gehoord, maar ’n puist in me nier! Waas ’n schtos! Weet jij waar zit me nier? Dan ken jij likke mir!... ’n Brief-ie voor ’t gasthuis, nòg!—Al kreeg ’k ’r tien danne nòg nie!... Ken ’k in ’t gasthuis me kindere d’r monde schtoppe? Wie zel ze te vrete geve as-’k gaule leg in ’n gasthuis?—’n Puist in me nier!—Hier let ’k teminste nog op hoe Joozep cigarette maakt en as me godbeware wat overkomp, is ’t in me èigen vuil—Rebecca zet jij ’t pappie maar op. Pàppe is voor alles goed. Da’s ’n ouwerwetsch maar ’n gebencht middel. Zal ’k jòu ’s wat zegge: ’t is ’n bedorreve maag—misschien hei-’k te veul vleesch gefresse—’n krimmel ’n ongeluk in ’n jaar tijd”...Hij lachte om de eigen aardigheid, hoestte, zuchtte plezierig nou-die zoo tof lee.“...Pappen,” redeneerde Eleazar, die bij ’t bed zat, terwijl Rebecca de kachel porde: “pappen ken nóóit goed zijn bij open wonden”...“Ach waas! Ach waas! Pappe met roggebrood is beter as honderd frotte schtinkende drankies. Toene wij uit Rusland zijne gejaagd—’k herinner ’t me nog goed—en d’r gebeurde ons watte—’n zweer of ’n puist—dan papte me moeder, oleweschonoe, met fijngekauwd roggebrood—’n middel om over te zoene”...“Da’s ’n hééle tijd gelejen, wiè—wiè?,” praatte Eleazar, blij dat de zieke opfleurde.“...Of ’t geleje is? Misschien jà ’n halleve eeuw as ’t nie langer is. Me barmitswe most ’k nog doen. Kè-je begrijpe hóé ’t geleje is... Nóóit zel ’k ’t vergete... ’k Geloof da-’k ’t nog nie an je verteld heb”...“Nee”, zei Eleazar, zich flauw ’t verhaal dien avond bij Suikerpeer herinnerend, toen Poddy met Dovid ruzie had.De zieke steunde ’n elboog op ’t kussen en met de omrande oogen de scheuren van het plankenbeschot doorzwervend, sprak-ie bijna stug, soms den ouwen kop schuddend als-ie ’t zag gebeuren:“...Hei-je wel is hoore prate van Wodoskofsky? Nog nooit, hè? Da’s eender asof-ie in Wodoskofsky zou spreke van Uileburg of Marken.—Waas schadt ’t?—’t Komp ’r nie op-an!—De naam doet ’r nie-toe. Zeg voor mijn part Pompschtok!—An ’n sjabbesavond lee ’k in me bed—misschien jà was ’k tien jare—enne daar ha-je de poppe an ’t danse. Dùizende stonge d’r voor de deur en wadde ze maar grijpe konde, dat smete ze, stront, steene, vullis—Wat moste wij doen, zes tegen ’n pak gojjiem? De eenige Jehoediem ware wij, me vader, me moeder, me oome, me tante, me zussie enne ik. Ze hadde makkelek moorde, de kankerkoppe, de bloedhonde. Eerst hebbe ze de deur met olie gesmeerd enne met pek enne met—met—weisz ich viel!—toèn hebbe ze ’t angestoke. Nog zie ’k de vlamme, ’t vuur. Wad-je in je kindsche jare gebeurt vergeet je nie lich—vlamme tot ’t dak—enne ’n rook om de darme uit je lijf te spoege.—As bezetene vloge we door mekander. We smoorde kompleet. Op eene brakke ze de deur, kwamme ze de trap op. Vooran sting me oom. Die krege ze te pakke—’t is nie om te beschrijve—met ’n bonk ijzer sloege ze ’m op z’n herzens, dad-’t bloed ’r uit schpatte—toen schlierde ze ’m over straat, ’t geteisem, ’t ettergespuis.—Met d’rhakke trapte ze op z’n gezich—’t vel hing d’r met lappe bij—de kleere trokke ze van z’n lijf tot-ie d’r nakend bij lag—’n woord ’n ongeluk dad-’k ’r an lieg, ze bonde ’n touw an z’n mannelijkheid—zoo trok ’t pareigem ’m vort.—Van me tante, die ze óók zerreist hebbe, vertelde me moeder dad-ze d’r borste afgekneld hebbe en d’r op d’r zwangere buik getrap.—Ik was gekrope in ’n kast met me nichie bij me. We hielde onze aasem in, dorste geen vin te verroere. Benauwd as we ’t hadde in de smook! Geen hand voor ooge kon je zien—bloed zat je te zweete. Toen, Adenoj, hadde ze me vader gevonde—we hoorde ze vechte en krijsche en schelde en vloeke.—Ik an ’t huile in de kast—en me nich, ’n meissie van twaalef, was bij god nog zoo googem en gewikst om me in me arme te knijpe—anders had-’k ’t uitgegild. Me vader schreeuwde as ’n razende. An arme en beene lee-die gebonde—met ’n nijptang scheurde ze z’n tong uit z’n mond.—De kozakke kwamme toen ’t te laat was—natuurlijk—rissches geweest—enkel rissches geweest.—Zal ’k je meer van die narigheid vertelle? Misschien geloof je ’t nie-eens as ’k ’t jà vertel. ’k Weetwel, ’t is nie om te geloove. Zoo ies mot je méemake.—’n Dag later zijne we vortgegaan, Of we wòue of nie, we moste! Hoe kon ’n vrouw blijve alleen met ’n man an wie ze de tong hadde uitgescheurd en met twee kindere? We hebbe gezworve door Duitschland—enne door Oostenrijk enne door Engeland—de halleve wereld hebbe we overgezworve enne overal met rotte appele gegooid. ’n Hond behandele ze beter as ’n jid.—D’r honde geve ze te vréte. Daar koope ze kettings, halsbande voor.—Daar besteje ze somme, kappitale an! En ’n jid? Wat is ’n jid? Van me geboorte af ken ’k niks as sof, slecht vrete en zuipe, van me geboorte niks as schwiejeniejen—met zorreg sta je op—met zorreg ga je na bed—en in zorreg krippeer je”...Even was ’t stil, klonk flauw-echoënd ’n kijvende, schelle stem op de binnenplaats. Rebecca, ernstig van luistren, keek stroef-starend naar ’t zeil van de tafel, zwaar van peinzing als ’n kind dat ’n wonderverhaal heeft gehoord. Door de domp-kleine kamer ging een benauwend gezwijg. De oude jood, achterover geknakt, ademde steunend, de oogen gesloten, den mond en den neus ende rimpels als harde knarsen in ’t barstig gewar van den baard.“Je was eerst zoo vroolijk”, zei Eleazar: “en nou—wààrom rakel je die dingen op?... ’n Arme christen heeft ’t niet beter as jij.—Onderscheid is ’r niet, wat?”“Schiet ’k daar mee op? Wat is me winst?”, gromde Poddy, opnieuw kreeglig na ’t lange gepraat: “Is ’r geen onderscheid tusschen ’n gesjochte goj en ’n gesjochte jid? Narrigkat! Al is ’n goj nòg zoo gesjochte—heit-ie vóorrech, is-die bemazzel! Wordt ’n arme goj nagescholde op straat? Heit iemand ’t rech ’m schmáús te noeme? Mag jij op hùllie Zondag negotie schreeuwe?”“...Dat zijne zoo geen héel-groote verschillen”, redeneerde Eleazar voorzichtig, bevreesd ’m driftig te maken en pogend ’m af te leiden: “alleen in ’n narrenhuis kan ’n nar op de narrige inval kommen dat ’n arme christen en ’n arme jood ’n ander soort maag en ’n ander soort hersens hebben! Málle Poddy! As je ’n christen in Rusland was geweest, zònder centen, wat dan? Wat dan? Groot verschil of je door ’n dollen reu of door ’n dolle teef wor gebeten! Wat?”“Enne d’r rissches—d’r haat—wáár jekomp?”—, vroeg de Pool, zich half oprichtend: “ik zeg nòg is: wordt ’n goj over straat nagescholde?”Even brandde in Eleazar de weerbarstigheid om wat in ’m vaststond te zeggen—dat ’t taai afzijdig-blijven van de joden—d’r koppelen onder mekaar—altijd onder mekaar—làng na de ghetto’s—’t duiten-trouwen van geloofsgenooten, neefies en nichten, met ’t gevolg van ontaarden en krankzinnigen—’t smadelijke van ’t zich uitverkoren wanen—’t schreeuwend-gemeene om drank en spijzen van christenen als besmet te beschouwen en zooveel meer als ’n bekrompen religie die in oertijden wortelde, voorschreef, ’n haat, ’n geweldigen haat waard bleven—even had-ie moeite met wat ’m op de lippen lag, dat ’n volk dat de eigen ontaarding niet besefte, gehoond, geschimpt moest worden, maar den zieke over zich ziend, den man die zooveel in stompzinnigheid en waanzin van weerskanten had geleden, zei-ie eenvoudig-glimlachend meepratend:“....Nee ’n goj wordt niet gescholde—daarin hei-je gelijk.”“Wat zanik-ie dan tegen!,” drensde Poddy, ongemakkelijk steunend: “’n straathondheit ’t beter as ’n arreme jid! Bij God! Bij God!”—en weer terugzakkend in ’t bed, zuchtte-die in vlakke, levensbeue wanhoop: “as ’k gif had, gaf ’k me kindere gif in d’r lijf—vóór ’k krippeerde”...“Ho! Ho! Gift kost cente!”, lachte Eleazar.“Gif kost cente—kost cente—alles kost cente,” zei de zieke, zich in kreun omdraaiend: “maar ’n lucifer ka-je altijd machtig worde—altijd—As ’k in Wodoskofsky verbrand was, ha’k geen armoeinest gemaakt. Schurftige beeste krijge schurftige jonge.” ...“Je kindere,” viel Eleazar hem in de rede, maar Poddy beet ’m af: “me kindere,” zei-die dreigend en driftig: “’n Verlamming voor de god—is-dat God?—die gezeid heit ga en vermenigvuldig je! Poeroe oerwoe ... ’n Verlamming! Vermenigvuldige in wat? Vermenigvuldige in armoei, dalles. Ga—hou ’n uitbranding zal-die gemeend hebbe!”“Poddy—je wint niks met je op te winden—Kijk, nou is me mooie zwachtel verschoven. Leg stil—dan trek ’k ’m an”...Nog eens hielp-ie den zieke, die de oogen gesloten hield en als ’n kwaadaardig dier gromde. De linnen reepen duwde-ie hooger,’t beddetijk strekte-ie glad. Poddy, pijnlijk en koortsig, sloeg de helpende hand weg.“Schei uit!”, riep-ie korzelig: “je schrijnt me wonde kapot. Blijf ’r af!”“Dan niet,” zei Eleazar geduldig, Rebecca wenkend den zieke met rust te laten.Hij wist van z’n eigen ziekbed hoe je bij tijjen om ’n kleinigheid verstoord kon wezen—en wat moest iemand zich ellendig voelen met zùlke afzichtelijke wonden.“Wille we nog wat pràte?”—, vroeg-ie “of wil je da’k weg ga?”“Me zorg—me zorg—as je mijn maar laat legge,” gromde Poddy.Op ’t vensterkozijn streek ’n musch tsilpend en vladdrend.“Ook ’n armoedzaaier,” lachte Eleazar.De zieke bewoog niet, gemelijk, koortsig. Dan voelend dat-ie iets zeggen moest aan den jongen man, die in verlegen hartelijkheid over ’m zat, zei-ie in pijnlijke hijging: “Wie geht’s—wie geht’s met juillie schtaking?”“Met de staking,” antwoordde Eleazar, blij dat de grijsaard praatte: “met de staking gaat ’t krom en scheef—slècht—slècht... zoo goed as verloren”...“Zoo,” zei Poddy, sterk zuchtend. Vreemd blies de adem door z’n neusgaten en de vingers wriemden hard-plukkend. Toen lag-ie heelemaal stil, de oogen verdoft in de dik-roode randen.Eleazar stond op, trok het dek naar ’t voeteneind, stopte de deken onder de armen.Koorts-driftig weerde de zieke ’m af. De zwachtels, weder door-etterd, plakten aan de houtwol van ’t matras. Kreunend woelde hij zich bloot, wilde niet geholpen worden.De oogen heet-koortsig vergroot, groen-flitsten in ’t donker der bedstee. Hij had dorst, dronk gulzig-slurpend de koude thee, die Rebecca ’m gaf, vroeg vloekend om pap. Dan klagerig-schreiend, afrukkend de broeiende lappen, bekeek-ie, zoover-ie zich buigen kon, de rottende gaten van z’n heup en ’t been.“Poddy!”, zei Eleazar.“...Hou je bek!”, snauwde de jood, half-opzittend, de hand om de bedsteeplank gewrongen: “wat doe ’k met je gelul!... Voor mijn part ... voor mijn part... Ansteke doe ’k de boel... Uitbrande van onder tot boven... Alles na de raschmedei da’s ’t beste... ’n Uitsterving”...Diep-snottrend, wanhopig-huilend, bonsde-die ’t hoofd met de wilde baardslieren tegen ’t beschot van het bedhok, vervloekend z’n kromgetrokken been, krijschend over de luizen die de etterwonden bekropen, schreeuwend om lucht.Gruwlijk-beangst schoof Rebecca ’t raam op, verjagend de tsilpende musch. De zoete, rottende pislucht der dakgoot traagde ’t kamertje binnen.

IXTante Soor had visite. Joozep, de jongen van Raschel, was blijven plakken met Heintje z’n moeder. De lamp, zacht schommlend, bescheen de gelaten, soms met een glimming, soms met een dansende schaduw. Soor, bij de opene bedstee, stopte een manskous, goedig van lach als Joozep gijnig ’n grap zei bij ’t kienspel en Nathan driftig dan uitviel omdat-ie verloor. Ingedut, snurkte de ouwe grootmoeder, ’t hoofd moe meehijgend ’t platte-borsten beweeg, de handen kurkig geklit in den schoot, zilver ’t haar dat pluisde in de holte van den verschoven bandeau. Naast haar, aandachtig-van-lezing, de armen gestut onder het hoofd, zat Stella, een meisje van zestien en prevelde zinnen om niet te hooren ’t praten van Joozep, Raatje, Nathan en Heintje, ook niet ’t kermig, zeurend geklaag van Maupie, die lei in de bedstee.Het was eene kelderverdieping over een gracht, lager dan ’t water—kelder met achtervertrek zonder lichtgevend raam. Daags brandde de lamp, nachts brandde de lamp.Zowoonden er Soortje en Nathan met de oude grootmoeder en ’n nest kindren. Drie waren ’r dood, tien nog in leven.Grootmoedersliep in één bedstee met Raatje en Stella, Soor met Nathan èn Maupie èn Roos. Vlak bij het raam, op een muffend matras leien er vier, en in den kelder naast vodden en ton kropen twee jongens waarvan een al verdiende met vodden-sorteeren. Vroeger had Stella ’r ook geslapen, maar de jongens grooter geworden, deëen zoo smerig dat de armendokter ’r an te pas was gekomen. Nou sliepen de jongens alléén naast de vodden en Jacob, nachts, na z’n werk van lorren-sorteeren, wreef heet zich aan Gompel, z’n broertje, dat ’n cent kreeg as ’t zoet was en niks an moeder vertelde. Jacob keek suf naar ’t kienspel, idioterig lachend om ’t schuiven der dopjes. Zelden sprak-ie, omdat-ie stotterde en Raatje en Joozep en Stella ’m dan nabootsten. Soms sleepte z’n been, soms kon-ie niet loopen, z’n water niet houden. Kwam van ’t vocht van de kelder,zei Soortje en gaf ’m wat bakolie om z’n liezen te wrijven. Langs balken van kelder en kamer droop vocht. Wreef ’n hand langs ’n bint, dan ritsten de druppels en pekelkristallen besneeuwden de muren. ’t Ergst was de werking van ’t riool onder den grond, dat diende voor afvoer der woningen boven. Den vloer in de kamer had het doorvreten, zòo dat de planken waren vermolmd en Nathan een ijzeren plaat had gelegd om ’t gat en ’t zwarte, moddrige sop waarin ’t heele huis-boven z’n vuil loosde, te dekken.De kelder was bergplaats en winkel. ’r Hingen jassen en gelapte broeken—er achter borgen ze de ton. Op een hoop door mekaar lagen vodden, knipgoed-van-naaisters, vettige lappen, dweilen en zakken, oud-wollen kousen en hemden verscheurd met bloedige klonten. Een mand was gevuld met afval van blik en ’n kist met versche slagersbeendren, rottend en stinkend. Meer bij ’t beschot van de kamer klitte een schimmlige prak ouwe schoenen en laarzen, zwart met groen-vochtige builen, en naast drogende kattevellen lag bruinverweerd roest. Gompel, ’t broertje, sliep daar op ’t matras, vroeg oud en verlept, de oogenonderkringd. Schijn uit de kierende deur snee over het oor en den hijgenden mond die zwakjes innam den stank van ’t riool en het rottend gehijg van beendren en vodden. Het kind lag onrustig, vertrekkend de oogen, bewegend de handjes, plots met een ruk zich kreunend opzij, dichter naar ’t schemerig klitten der schoenen, verschrikkend ’n poes die schrokkig beknaagde ’n nog-vleezig-been in de kist. Vreemd van de straat, doorspelend de vlammen van stof op de ruitjes, neerscheen het licht van de gracht, vaag op den grond den vorm van de ramen, de spijlen en ’t lompig papier dat een der vakken gestopt hield herhalend. Binnen kienden ze. De lamp had gewalmd, roet-sproeitjes strooiend op de lampekap, op ’t boek, op de kaarten van ’t spel. Nathan, magere jood, bleek, met dikroode lippen en koperen stoppels van baard tot diep in den nek, pufte benauwd, wrijvend het roet met eeltigen vinger:“Kijk ’r nou zitte”, praatte hij schor—stem die versleten door ’t dagelijksch schreeuwen—: “zie je nou nie dat die lamp walmp?”“Hij-’s benauwd—ellef-en-dertig!”—,spotte Soor eerst, maar dan met kreeglig gebaar: “zitte je ooge in je gat? Ka-je zelvers nie zien?”..“Jij zit ’r vedaan! Addenom wad-’n zwart”, morde hij, wrijvend het zeil van de tafel met de mouw van zijn jas.“Besser schwarz as verschwarzt! Moeite waard! Maak geen heibel om roet”, lachte Joozep: “wat was ’t laatste nommer, Raschel?”Raschel hield den zak met de dopjes tusschen ’r beenen, schudde geil-lachend den rug. Zijn hand lag tastend in split van ’r rokken, aaiend bewreef ’t dradige keper dat omspande ’r magere billen.“Nou Joozep!”, klaagde ze nattig van lippenbeweeg: “nou, zit nou stil!”—en grijpend een dop uit den zak, riep zangrig ze uit: “Vijf!... Nommertje vijf!”...“Krijg kramp in je lijf,” rijmde Joozep, ’n cursausche amandelschil schuivend naar ’t nummer.“Krijg jij stekings in je kieze!”, lachte zij: “Acht! Nommertje acht!”“Verschmacht!”, riep Joozep weer.“Hou je bek, frotter haurik! Vloek zoo nie van-avond!”, giegelde ze, afwerend ’t wriemlend gezoek van z’n eeltige vingers, die kriewden in ’t zweet van ’r broek—en roepend opnieuw: “’t Nijnzekie!—’t Nijnzekie!”1“Hèi-je al eenmaal geroope!”, knorde Nathan, “mijn negetje ìs gedek!”“Niewaar! Niewaar!”, schreeuwde Raatje chagrijnig: “vader vergist zich altijd, hóé je, hóé je met ’m speult!”“Lèit ’r jà ’n pelletje op?”, schorde Nathan.“Nou ja—dan is ’t ’r opgewááid!”, lachte Joozep, met de oogen wenkend asof-ie wou zeggen laat-’m-maar-klèsse, en Raschel vervolgde:“D’r onder-wie-bobbe!2.... Zeven!”“Me vijande geen ùùr leven!”, rijmde Joozep.“Hij begint weer! Schei uit met je mesjoegaas!”, riep Soor bij de bedstee.“Lik-me-de-maarsch,” gijnig, maar zachtjes, zei Joozep.“’t Pissertje!”3, las scherp-zangrig Raatje.“’t Pissertje?”—, herhaalde blijig de moeder van Joozep en allen lachten, omdat ze èindlijk een nummer had op haar kaart.Ze schoven dichter bijeen. Jacob lodderig kijkend, wroette ’n duim in z’n neus, likte het vuil met smakkende lippen. Dan ouwlijk-gebogen, knaagden z’n tanden, zacht-wrijvend.Z’n kop—scherp in het geel van de lamp, bleek-bol en waatrig, met wijdspalkten neus en oogen rood-brandrig omwald, leek ’n groote slijmerig-kauwende kaak. Hij zat naast zijn vader. Nathan gebukt, gejaagd in het spel dat was zijn ontspanning, volgde de hand van Raschel, die telkens zakte tusschen ’r beenen om ’t dopje te roepen. Ze hadden geen glaasjes voor ’t kienspel, bewaarden schillen van cursausche amandelen. Elk had een bruin-morsig hoopje naast plasjes koffie-met-dik en kruimels van koek. Druk-joderig-schreeuwend speelden zij voort, gewend aan de warmte der kamer, de werking van ’t riool, den stank van de vodden en beendren in den winkel. Maupie klaagde kerm-zeurig in de opene bedstee.“Kom nou! Wat zit je!”—gemelijkte Nathan en bibbring van korzelig schudden bewoog z’n hoofd.“Nou ja! Nou ja!”—, schrikte Raatje, klam-soezig door ’t geilen onder-de-tafel met Joozep. Zweet perrelde op ’r mager, jukkig gelaat, het sterkst bij den neus en de blauwe schellen der oogen. Ze vrijden al lang. Hij liep met zuur, schijfjes lever en haring. Maar z’n moeder, broertjes en zusjes leefden ’r van. Ze kondenniet trouwen, werden geel en verlept door ’t elken avond heet-zweetend geilen in ’n hoek van den kelder, als Jacob en Gompel lagen te slapen—álles doend behalve het ééne, uit joodsche vrees voor ’t kind. Nooit kwam ’n joodsche bruid met dikken buik op ’t stadhuis. De meissies waren voorzichtig.“Nou dèn! Wat zoek-ie!”, keef Nathan—één nummer had-ie nog leeg op z’n kaart.“’t Barmitswe-nommer!”4, riep schuw zij in ’t licht van de lamp, slapjes lachend om Heintje die kippig ’r nummers bekeek.“Mammie làcht,” gromde vader, de dik-roode lippen grimmig vooruit, wachtend op ’t volgende dopje.“De dikkop—de fresser!”5, las zij en mét kwam ’n lolgrijns op ’t gezicht van den jood, greep-ie naar ’t bakje met rood-vuile centen.“Kien! Ik hei kien!”’t Gaf ’n geschreeuw wild-dooreen.“Hij heit kien! Eerst natelle!”, riep tante Heintje.“Kien? Nóu al kien?”“Hóe ken kien! Hoe ken kién!”Maar Joozep, die geen lust in ’t natellen had, boog ’t plat-bleeke hoofd naar de lamp, trok Nathan’s partij:“Wat wi-je nou? Hij héit toch kìen?”“Enne hij heit ’t nie!”, hield tante Heintje vol, kippig-kijkend naar de schillen op Nathan’s vette kaarten.Soor kwam er bij, schreeuwde ook:“....Kien? Kien? Alweer kien? Wad-’n bemazzel!”....“....Kèn nie!”, schreeuwde Heintje, wantrouwig, bijna kijvend: “Kèn nie—we zijne pàs bezig!”Joozep suste opnieuw, dicht-angeleund tegen Raatje: “Ken ’t niet? De nommers-legge d’r toch!”“Enne hij kèn geen kien hebbe—gòsonmogelijk!”, schreeuwde zijn moeder.“Wat sta j’m nou af!”, zei Joozep nijdig: “anders zijne juillie toch in en uit me togus!”“Ik héi kien!”, kraakte de stem van den voddenjood en ’t plat van z’n hand beklapte de tafel dat de schillen omhoog hupten: “zoo waar as ’k leef! Geloof je me nie? Geloof je me nie! Nog! Zoo zalle me ooge uitzwere! Me kaart leit vòl pelletjes. ’k Bin daar mesjogge!”....“Veruit nou!”, drensde Raatje, zanikend-zangrig. Ze zat net zoo lekker met Joozep:“Kom nou veruit! ’k Hei al gesjokkeld.... Veruit!.... ’t Mesjoegaaremnommer6..... De zwaantjes!7!”....“De zwaantjes?”, herhaalde Joozep, een kalmeerend gijntje lanceerend: “waarom geen gàns?”“Omdat jij bin ’n schwans!”, goedig-lachte Soortje die weer zat bij de bedstee. Ze speelden even in stilte. Maupie drensde zacht-klagend. Kwaadaardig keek de voddenjood op, warm van het spel, de ruzie, de kamerbenauwdheid.“Laat toch dat kreischende kind zijn bek houe!”, schorde hij kribbig: “Geef ’m de tit!”...“Vráág of ’k zog hei”, keef Soor: “hij lebbert de heele dag!”Maar gelijk lei zij ’r kous neer, nam ’t nat-gehuild, achterlijk kind van het bultig matras, knoopte de katoenen japon los met ’n ruk, dat de groote witbeenen knoopen sprongen op-zij, sloeg den roodbruinen doek weg, hield de slappe, uitbuilende borst voor den mond van het kind. Terwijl praatte ze met Heintje:“Nebbiesch de tande plage ’m zoo—zìjnkieze zalle ’m zoo plage—hij heit aardig de poeperij—allemaal groen en groen”....“Da’s koperzuur,” zei tante Heintje die zelf zes kindren dood had.“Nou! Nou! Klets nou niet! Let op je spel! Strakkies hei je weer allemanspraats as d’r een kien heit!”....Soor werd kwaadaardig. Het achterlijk kind, door honger en pijn-in-’t-mondje, had in ’r tepel gebeten. Heftig drukte zij ’t hoofdje in de borst tot de tandjes loslieten, de fijne bloeddrupjes kwamen te zien op ’t geelbruine vel—en in lust om zich op iemand te wreken, krijschte ze giftig:“Speule mot-ie die vuilik in plaas dad-ie na zijn kind omziet!”..,“Sloof ’k me nie de heele dag voor ze uit?”, keef hij kort, een schil op z’n kaart leggend.“O, ikke nie?”, klaagde zij smartlijk, om de pijn van het weer zuigend kind: “ikke nie? Og, wad-’n stik etter!”“Stik etter?”, vlamde hij op: “stik etter?... Wat mod-je van mijn, uitgespogen schtik spek!... Krijg nièt ellek jaar ’n kind!.... Wat doe ’k met al dat krièl!’....Zij pijnlijk, het kinderhoofdje aandrukkend,bevoelde den tepel, die vurig opkleurde in ’t nattige bruin—beet ’m haar verwenschingen toe:“Leg jìj in de pijn om ’n kind te krijge!.... Krijg ’n sjankes op klompe!..... Gebruikt zijn vrouw as ’n hoer!....”“Hou je smoel, schijtemmer!” dreigde hij driftig.“Make juillie nou geen roezie,” zei Heintje zachjes-gedwee: “maak geen verschteuring...”En Raschel, wijs schuddend het hoofd, schreeuwde zangrig, broeirig zittend op Joozep’s hand:“....Vader heit de kolder in zijn kop!... Kom nou, veruit! Zeventig!.... De ouwe man!8“Je neus tegen me togus an,” rijmde Joozep ongevoelig voor de herrie.Soortje wiegde sussend het kind, dat gulzig-bijtend zoog. De slappe, magere borst hing als een futlooze zak tusschen het zweeterig plooien van ’t hemd en ’t bruingaren lijf. Langs ’t hoofd van het kind en de tiet slierde een lint van de muts, die scheef lag op den bandeau. Zij zoogde met bevend gebaar, krimpend bij Maupie’s schrokkig trekken, zelf hongrig en wee van de daaglijksche aarpels met vet.Nathan hield nu den zak met de dopjes. Raatjeen Joozep, schouder aan schouder, lievig bekeken mekanders vochtige lippen. De lamp bedampte de hoofden van Heintje, Jacob en Nathan, het klein-dor gelaat der grootmoeder.“....Nommertje twaalef!.... Nou let je nie op!”....“....Da’s al gewees!”....“....Zanik nie! ’k Weet toch wel wad-’k róóp!”“....Zèstig.”....Zij speelden nog, toen Eleazar met Saartje op den arm en Dovid ze stoorden. Dovid was stevig gemept door de stakers. Zijn oog was gezwollen en ’t bloed uit z’n neus kleefde in ’t stoppelig haar van z’n kin en de wollige das. De laag-warme kamer werd wakker van ’t gillerig vragen en roepen—het spoegspettrend huilen van Dovid. De grootmoeder, verschrikt, suf-nog-van slaap, riep wàt ’r was, maar ze krijschten dooreen, mekaar de woorden afbijtend, angstig en druk.“Die vuilike!”, raasde Dovid, den neus bettend met ’t water, dat Raatje vies-bleek hem voorhield: “die gallaskoppe.... Die pestkanker-smoele!... Wad-hei ìk ze gedaan?... Mod-ikme late dwinge ’n partij kappies uit me klauwe te geve as ’k ze eenmaal hei?.... ’k Mot frèsse!... ’n Golle! ’n Golle!”“Mot jij je láte slaan?”, schreeuwde Nathan: “had ze ’t lich uit d’r ooge gespoge! Had ze lam getrap in d’r lieze!”...“Waas kan hij tegen zooveul!”—, gilde tante Heintje.“...Kan ’n man tegen duizend van die straatschleipers!”—, tierde Dovid heftig-grienend: “Is ’t geen schandaal van belang dad-ze je belette te werke?—De sodemieters!—Mod-ik nog langer honger lijjen?”..... En zich krankzinnig opwindend huilde hij zijn woede:... “Eer zalle d’r kloote àfrotte eer ’k ’t werk uit me poote geef!... En die vuile addermekakstraal, die kàle luis—te kaal om z’n kont te krabbe—trekt nòg d’r partij!... Hoe ken men z’n éigen zwager afvalle!... Loop me onderweg mesjogge te make op de koop toe!... Lazer jij dood voor mijn part!”...Stil zat Eleazar naast Jacob.“...Wat beklaag je je?”—zei hij bot, slaperig Saartje tegen zich aanduwend: “hei’k je niet gewaarschouwd?—Onderkruip nìet”!...“Stik! Stik!”, gilde Dovid, den doek die ’n bloedrige prop leek, dreigend in z’n vuist ballend: “Krijg ’n darme-reising, vuilik!... Wat doe ’k met je gelul!... Geef me ’n paar schoene—dan trek ’k ze an achter je lawaaie!”....“Gróót gelijk heit-ie!”, riep Nathan schorkrijschend alsof-ie achter de voddenkar liep: “Stel jij je godverdomme in de brès voor die luie pargen!... Neem jij de partij op tègen je zwager!”“As hij en as juillie niet je èigen vijanden waren”, hield Eleazar vol: “dan was ’t met de ellende gedaan”...“Verrek! Verrek! Val dood!”, schreeuwde de slijper.“Gedaan... Gedaan”, herhaalde Eleazar, dom-halstarrig: “...Solidariteit is àlles ... ènkel solidariteit”... Een koor van spottende, kwaadaardige stemmen schrikte ’m op. Hoe kon-ie zóó stom zijn geweest!“Verrek! Verrek!”, krijschte woedender Dovid: “Weisz ich viel van solledareteit! ’k Sla ’t an me kont! Wat krijg j’r in de lommerd voor? Betaal ’r je huur van! Solledareteit! Nòg! Maak dad-je te vrete krijg, luie verdommeling!”...“...Zolledareteit!”, schorde Nathan: “zorgdad-je ouwe blinde tante en ’t schaap dad-je daar draag niet krippeere van honger!.... Wat maak jij je de zappel om zolledareteit!”...Tante Heintje, breed uitzittend, de handen op het morsig blad van de tafel, zong ’t over de andere stemmen:“...Zolledariteit?... Waas ist zolledareteit?... ’n Aardige fijne man!... Spreekt fráns!... Zolledareteit!... Zolledareteit!... Mezomme zal je meene!”...En Joozep die in de korte gaping lacherig schreeuwde: “Solledareteit—Krijg de schrijt!”, deed ze allen lawaaiend lachen.Eleazar haalde de schouders op. Je kon ze net zoo goed de boeken Mozes ondersteboven te lezen geven. In keigrond zaaide je niet—als je bij zinnen was.Dovid vloekte, schold, Nathan verweet, raasde—hij sprak niet meer, leunde achteruit. Terwijl de stemmen vinnig keften en schorden, voelde hij wee-knagende steken. Z’n borst was nog niet in orde. Iedermaal dat-ie slikte, hapte-die angstig. God, wat stonk ’t hier weer—wat hadden z’n longen ’n moeite, ’n moeite.De kelderdeur stond vol-open. Bij de kist met bloedrige slagersbeendren, was Jacob bezig zichuit te kleeden. Eleazar zag ’m stappen op ’t matras naast Gompel, het slapende jogje. En door ’n nevel van moeheid, aanwaasden de kamer, de bedsteden, de kinderen op den grond, de stukkende lamp, de tafel met het kienspel, de cursausche amandelschillen, de kelder met de muffende, stinkende kisten en manden. Zoo hij nu zat, uitgeput, loom, met natte, ijskoude voeten, geleek hem de grijze, vertrapte wereld waarin hij zich bewoog, waarin ze allen gedoemd waren hun leven te kniezen, hopeloos, wereld van alleen gràuwen jammer. Het was om schreiend, met enkel knetterende razernij in te zakken, het hoofd te bonzen tegen den stank-uithatenden grond en God en de wereld zoo heet te vervloeken, als je krankzinnigst oogenblik ’t nauwlijks zou kunnen. Je zou willen spuwen op àlles, op de leugens van goed en kwaad, op ’t geteem van je eigen hersens, die wikten, bedachten, aarzelden—je zou willen buldren je onmacht, gillen je smart om die nuchter-gèwòne dingen, om tante Reggie, den schoenmaker, Suikerpeer, den poolschen jood, den man op ’t bordes van Golconda, om de duizenden, honderdduizenden genekten, jammerlingen, stumpers—om den kelder en dekamer, den stank, de altijd brandende lamp—de tien kindren, den man, de vrouw, de grootmoeder, allen neergekwakt, verdierlijkt, verstompt. Even lachte-die mal in ’t geroes van de kijvende joden. Dertien menschen in één hol, in ’n uitgegraven aardgat waar alles je tegenkotste. Zouen de komende tijden niet rood zien, met koortsige spetten in de oogen, als ze bedachten hoe ’t gewéést was?Van ’n balk viel ’n drup op ’n kaart. Lusteloos suften zijn oogen naar Soortje. Zij zat bij de opene bedstee te huilen, hield ’r hand om de borst. Het lurkend kind had vreemd-roode lipjes alsof ’t bloed had gehoest en onder den bruingelen tepel slangde een kronkelend streepje. Stil-snottrend bewreef zij de borst die door ’t gulzige zuigen bloed had gegeven, klagend noch roepend.“Scheelt je wat, tante?”, vroeg hij.“Niks. Niks”, zei ze: “la-maar gaan—la-maar gaan—Beurt wel is meer”...1Negen.2Nummer negen-en-zestig.3Nummer één.4Nummer dertien.5Nummer negentig.6Nummer elf.7Nummer twee en twintig.8Tachtig.

Tante Soor had visite. Joozep, de jongen van Raschel, was blijven plakken met Heintje z’n moeder. De lamp, zacht schommlend, bescheen de gelaten, soms met een glimming, soms met een dansende schaduw. Soor, bij de opene bedstee, stopte een manskous, goedig van lach als Joozep gijnig ’n grap zei bij ’t kienspel en Nathan driftig dan uitviel omdat-ie verloor. Ingedut, snurkte de ouwe grootmoeder, ’t hoofd moe meehijgend ’t platte-borsten beweeg, de handen kurkig geklit in den schoot, zilver ’t haar dat pluisde in de holte van den verschoven bandeau. Naast haar, aandachtig-van-lezing, de armen gestut onder het hoofd, zat Stella, een meisje van zestien en prevelde zinnen om niet te hooren ’t praten van Joozep, Raatje, Nathan en Heintje, ook niet ’t kermig, zeurend geklaag van Maupie, die lei in de bedstee.

Het was eene kelderverdieping over een gracht, lager dan ’t water—kelder met achtervertrek zonder lichtgevend raam. Daags brandde de lamp, nachts brandde de lamp.Zowoonden er Soortje en Nathan met de oude grootmoeder en ’n nest kindren. Drie waren ’r dood, tien nog in leven.Grootmoedersliep in één bedstee met Raatje en Stella, Soor met Nathan èn Maupie èn Roos. Vlak bij het raam, op een muffend matras leien er vier, en in den kelder naast vodden en ton kropen twee jongens waarvan een al verdiende met vodden-sorteeren. Vroeger had Stella ’r ook geslapen, maar de jongens grooter geworden, deëen zoo smerig dat de armendokter ’r an te pas was gekomen. Nou sliepen de jongens alléén naast de vodden en Jacob, nachts, na z’n werk van lorren-sorteeren, wreef heet zich aan Gompel, z’n broertje, dat ’n cent kreeg as ’t zoet was en niks an moeder vertelde. Jacob keek suf naar ’t kienspel, idioterig lachend om ’t schuiven der dopjes. Zelden sprak-ie, omdat-ie stotterde en Raatje en Joozep en Stella ’m dan nabootsten. Soms sleepte z’n been, soms kon-ie niet loopen, z’n water niet houden. Kwam van ’t vocht van de kelder,zei Soortje en gaf ’m wat bakolie om z’n liezen te wrijven. Langs balken van kelder en kamer droop vocht. Wreef ’n hand langs ’n bint, dan ritsten de druppels en pekelkristallen besneeuwden de muren. ’t Ergst was de werking van ’t riool onder den grond, dat diende voor afvoer der woningen boven. Den vloer in de kamer had het doorvreten, zòo dat de planken waren vermolmd en Nathan een ijzeren plaat had gelegd om ’t gat en ’t zwarte, moddrige sop waarin ’t heele huis-boven z’n vuil loosde, te dekken.

De kelder was bergplaats en winkel. ’r Hingen jassen en gelapte broeken—er achter borgen ze de ton. Op een hoop door mekaar lagen vodden, knipgoed-van-naaisters, vettige lappen, dweilen en zakken, oud-wollen kousen en hemden verscheurd met bloedige klonten. Een mand was gevuld met afval van blik en ’n kist met versche slagersbeendren, rottend en stinkend. Meer bij ’t beschot van de kamer klitte een schimmlige prak ouwe schoenen en laarzen, zwart met groen-vochtige builen, en naast drogende kattevellen lag bruinverweerd roest. Gompel, ’t broertje, sliep daar op ’t matras, vroeg oud en verlept, de oogenonderkringd. Schijn uit de kierende deur snee over het oor en den hijgenden mond die zwakjes innam den stank van ’t riool en het rottend gehijg van beendren en vodden. Het kind lag onrustig, vertrekkend de oogen, bewegend de handjes, plots met een ruk zich kreunend opzij, dichter naar ’t schemerig klitten der schoenen, verschrikkend ’n poes die schrokkig beknaagde ’n nog-vleezig-been in de kist. Vreemd van de straat, doorspelend de vlammen van stof op de ruitjes, neerscheen het licht van de gracht, vaag op den grond den vorm van de ramen, de spijlen en ’t lompig papier dat een der vakken gestopt hield herhalend. Binnen kienden ze. De lamp had gewalmd, roet-sproeitjes strooiend op de lampekap, op ’t boek, op de kaarten van ’t spel. Nathan, magere jood, bleek, met dikroode lippen en koperen stoppels van baard tot diep in den nek, pufte benauwd, wrijvend het roet met eeltigen vinger:

“Kijk ’r nou zitte”, praatte hij schor—stem die versleten door ’t dagelijksch schreeuwen—: “zie je nou nie dat die lamp walmp?”

“Hij-’s benauwd—ellef-en-dertig!”—,spotte Soor eerst, maar dan met kreeglig gebaar: “zitte je ooge in je gat? Ka-je zelvers nie zien?”..

“Jij zit ’r vedaan! Addenom wad-’n zwart”, morde hij, wrijvend het zeil van de tafel met de mouw van zijn jas.

“Besser schwarz as verschwarzt! Moeite waard! Maak geen heibel om roet”, lachte Joozep: “wat was ’t laatste nommer, Raschel?”

Raschel hield den zak met de dopjes tusschen ’r beenen, schudde geil-lachend den rug. Zijn hand lag tastend in split van ’r rokken, aaiend bewreef ’t dradige keper dat omspande ’r magere billen.

“Nou Joozep!”, klaagde ze nattig van lippenbeweeg: “nou, zit nou stil!”—en grijpend een dop uit den zak, riep zangrig ze uit: “Vijf!... Nommertje vijf!”...

“Krijg kramp in je lijf,” rijmde Joozep, ’n cursausche amandelschil schuivend naar ’t nummer.

“Krijg jij stekings in je kieze!”, lachte zij: “Acht! Nommertje acht!”

“Verschmacht!”, riep Joozep weer.

“Hou je bek, frotter haurik! Vloek zoo nie van-avond!”, giegelde ze, afwerend ’t wriemlend gezoek van z’n eeltige vingers, die kriewden in ’t zweet van ’r broek—en roepend opnieuw: “’t Nijnzekie!—’t Nijnzekie!”1

“Hèi-je al eenmaal geroope!”, knorde Nathan, “mijn negetje ìs gedek!”

“Niewaar! Niewaar!”, schreeuwde Raatje chagrijnig: “vader vergist zich altijd, hóé je, hóé je met ’m speult!”

“Lèit ’r jà ’n pelletje op?”, schorde Nathan.

“Nou ja—dan is ’t ’r opgewááid!”, lachte Joozep, met de oogen wenkend asof-ie wou zeggen laat-’m-maar-klèsse, en Raschel vervolgde:

“D’r onder-wie-bobbe!2.... Zeven!”

“Me vijande geen ùùr leven!”, rijmde Joozep.

“Hij begint weer! Schei uit met je mesjoegaas!”, riep Soor bij de bedstee.

“Lik-me-de-maarsch,” gijnig, maar zachtjes, zei Joozep.

“’t Pissertje!”3, las scherp-zangrig Raatje.

“’t Pissertje?”—, herhaalde blijig de moeder van Joozep en allen lachten, omdat ze èindlijk een nummer had op haar kaart.

Ze schoven dichter bijeen. Jacob lodderig kijkend, wroette ’n duim in z’n neus, likte het vuil met smakkende lippen. Dan ouwlijk-gebogen, knaagden z’n tanden, zacht-wrijvend.Z’n kop—scherp in het geel van de lamp, bleek-bol en waatrig, met wijdspalkten neus en oogen rood-brandrig omwald, leek ’n groote slijmerig-kauwende kaak. Hij zat naast zijn vader. Nathan gebukt, gejaagd in het spel dat was zijn ontspanning, volgde de hand van Raschel, die telkens zakte tusschen ’r beenen om ’t dopje te roepen. Ze hadden geen glaasjes voor ’t kienspel, bewaarden schillen van cursausche amandelen. Elk had een bruin-morsig hoopje naast plasjes koffie-met-dik en kruimels van koek. Druk-joderig-schreeuwend speelden zij voort, gewend aan de warmte der kamer, de werking van ’t riool, den stank van de vodden en beendren in den winkel. Maupie klaagde kerm-zeurig in de opene bedstee.

“Kom nou! Wat zit je!”—gemelijkte Nathan en bibbring van korzelig schudden bewoog z’n hoofd.

“Nou ja! Nou ja!”—, schrikte Raatje, klam-soezig door ’t geilen onder-de-tafel met Joozep. Zweet perrelde op ’r mager, jukkig gelaat, het sterkst bij den neus en de blauwe schellen der oogen. Ze vrijden al lang. Hij liep met zuur, schijfjes lever en haring. Maar z’n moeder, broertjes en zusjes leefden ’r van. Ze kondenniet trouwen, werden geel en verlept door ’t elken avond heet-zweetend geilen in ’n hoek van den kelder, als Jacob en Gompel lagen te slapen—álles doend behalve het ééne, uit joodsche vrees voor ’t kind. Nooit kwam ’n joodsche bruid met dikken buik op ’t stadhuis. De meissies waren voorzichtig.

“Nou dèn! Wat zoek-ie!”, keef Nathan—één nummer had-ie nog leeg op z’n kaart.

“’t Barmitswe-nommer!”4, riep schuw zij in ’t licht van de lamp, slapjes lachend om Heintje die kippig ’r nummers bekeek.

“Mammie làcht,” gromde vader, de dik-roode lippen grimmig vooruit, wachtend op ’t volgende dopje.

“De dikkop—de fresser!”5, las zij en mét kwam ’n lolgrijns op ’t gezicht van den jood, greep-ie naar ’t bakje met rood-vuile centen.

“Kien! Ik hei kien!”

’t Gaf ’n geschreeuw wild-dooreen.

“Hij heit kien! Eerst natelle!”, riep tante Heintje.

“Kien? Nóu al kien?”

“Hóe ken kien! Hoe ken kién!”

Maar Joozep, die geen lust in ’t natellen had, boog ’t plat-bleeke hoofd naar de lamp, trok Nathan’s partij:

“Wat wi-je nou? Hij héit toch kìen?”

“Enne hij heit ’t nie!”, hield tante Heintje vol, kippig-kijkend naar de schillen op Nathan’s vette kaarten.

Soor kwam er bij, schreeuwde ook:

“....Kien? Kien? Alweer kien? Wad-’n bemazzel!”....

“....Kèn nie!”, schreeuwde Heintje, wantrouwig, bijna kijvend: “Kèn nie—we zijne pàs bezig!”

Joozep suste opnieuw, dicht-angeleund tegen Raatje: “Ken ’t niet? De nommers-legge d’r toch!”

“Enne hij kèn geen kien hebbe—gòsonmogelijk!”, schreeuwde zijn moeder.

“Wat sta j’m nou af!”, zei Joozep nijdig: “anders zijne juillie toch in en uit me togus!”

“Ik héi kien!”, kraakte de stem van den voddenjood en ’t plat van z’n hand beklapte de tafel dat de schillen omhoog hupten: “zoo waar as ’k leef! Geloof je me nie? Geloof je me nie! Nog! Zoo zalle me ooge uitzwere! Me kaart leit vòl pelletjes. ’k Bin daar mesjogge!”....

“Veruit nou!”, drensde Raatje, zanikend-zangrig. Ze zat net zoo lekker met Joozep:

“Kom nou veruit! ’k Hei al gesjokkeld.... Veruit!.... ’t Mesjoegaaremnommer6..... De zwaantjes!7!”....

“De zwaantjes?”, herhaalde Joozep, een kalmeerend gijntje lanceerend: “waarom geen gàns?”

“Omdat jij bin ’n schwans!”, goedig-lachte Soortje die weer zat bij de bedstee. Ze speelden even in stilte. Maupie drensde zacht-klagend. Kwaadaardig keek de voddenjood op, warm van het spel, de ruzie, de kamerbenauwdheid.

“Laat toch dat kreischende kind zijn bek houe!”, schorde hij kribbig: “Geef ’m de tit!”...

“Vráág of ’k zog hei”, keef Soor: “hij lebbert de heele dag!”

Maar gelijk lei zij ’r kous neer, nam ’t nat-gehuild, achterlijk kind van het bultig matras, knoopte de katoenen japon los met ’n ruk, dat de groote witbeenen knoopen sprongen op-zij, sloeg den roodbruinen doek weg, hield de slappe, uitbuilende borst voor den mond van het kind. Terwijl praatte ze met Heintje:

“Nebbiesch de tande plage ’m zoo—zìjnkieze zalle ’m zoo plage—hij heit aardig de poeperij—allemaal groen en groen”....

“Da’s koperzuur,” zei tante Heintje die zelf zes kindren dood had.

“Nou! Nou! Klets nou niet! Let op je spel! Strakkies hei je weer allemanspraats as d’r een kien heit!”....

Soor werd kwaadaardig. Het achterlijk kind, door honger en pijn-in-’t-mondje, had in ’r tepel gebeten. Heftig drukte zij ’t hoofdje in de borst tot de tandjes loslieten, de fijne bloeddrupjes kwamen te zien op ’t geelbruine vel—en in lust om zich op iemand te wreken, krijschte ze giftig:

“Speule mot-ie die vuilik in plaas dad-ie na zijn kind omziet!”..,

“Sloof ’k me nie de heele dag voor ze uit?”, keef hij kort, een schil op z’n kaart leggend.

“O, ikke nie?”, klaagde zij smartlijk, om de pijn van het weer zuigend kind: “ikke nie? Og, wad-’n stik etter!”

“Stik etter?”, vlamde hij op: “stik etter?... Wat mod-je van mijn, uitgespogen schtik spek!... Krijg nièt ellek jaar ’n kind!.... Wat doe ’k met al dat krièl!’....

Zij pijnlijk, het kinderhoofdje aandrukkend,bevoelde den tepel, die vurig opkleurde in ’t nattige bruin—beet ’m haar verwenschingen toe:

“Leg jìj in de pijn om ’n kind te krijge!.... Krijg ’n sjankes op klompe!..... Gebruikt zijn vrouw as ’n hoer!....”

“Hou je smoel, schijtemmer!” dreigde hij driftig.

“Make juillie nou geen roezie,” zei Heintje zachjes-gedwee: “maak geen verschteuring...”

En Raschel, wijs schuddend het hoofd, schreeuwde zangrig, broeirig zittend op Joozep’s hand:

“....Vader heit de kolder in zijn kop!... Kom nou, veruit! Zeventig!.... De ouwe man!8

“Je neus tegen me togus an,” rijmde Joozep ongevoelig voor de herrie.

Soortje wiegde sussend het kind, dat gulzig-bijtend zoog. De slappe, magere borst hing als een futlooze zak tusschen het zweeterig plooien van ’t hemd en ’t bruingaren lijf. Langs ’t hoofd van het kind en de tiet slierde een lint van de muts, die scheef lag op den bandeau. Zij zoogde met bevend gebaar, krimpend bij Maupie’s schrokkig trekken, zelf hongrig en wee van de daaglijksche aarpels met vet.

Nathan hield nu den zak met de dopjes. Raatjeen Joozep, schouder aan schouder, lievig bekeken mekanders vochtige lippen. De lamp bedampte de hoofden van Heintje, Jacob en Nathan, het klein-dor gelaat der grootmoeder.

“....Nommertje twaalef!.... Nou let je nie op!”....

“....Da’s al gewees!”....

“....Zanik nie! ’k Weet toch wel wad-’k róóp!”

“....Zèstig.”....

Zij speelden nog, toen Eleazar met Saartje op den arm en Dovid ze stoorden. Dovid was stevig gemept door de stakers. Zijn oog was gezwollen en ’t bloed uit z’n neus kleefde in ’t stoppelig haar van z’n kin en de wollige das. De laag-warme kamer werd wakker van ’t gillerig vragen en roepen—het spoegspettrend huilen van Dovid. De grootmoeder, verschrikt, suf-nog-van slaap, riep wàt ’r was, maar ze krijschten dooreen, mekaar de woorden afbijtend, angstig en druk.

“Die vuilike!”, raasde Dovid, den neus bettend met ’t water, dat Raatje vies-bleek hem voorhield: “die gallaskoppe.... Die pestkanker-smoele!... Wad-hei ìk ze gedaan?... Mod-ikme late dwinge ’n partij kappies uit me klauwe te geve as ’k ze eenmaal hei?.... ’k Mot frèsse!... ’n Golle! ’n Golle!”

“Mot jij je láte slaan?”, schreeuwde Nathan: “had ze ’t lich uit d’r ooge gespoge! Had ze lam getrap in d’r lieze!”...

“Waas kan hij tegen zooveul!”—, gilde tante Heintje.

“...Kan ’n man tegen duizend van die straatschleipers!”—, tierde Dovid heftig-grienend: “Is ’t geen schandaal van belang dad-ze je belette te werke?—De sodemieters!—Mod-ik nog langer honger lijjen?”..... En zich krankzinnig opwindend huilde hij zijn woede:... “Eer zalle d’r kloote àfrotte eer ’k ’t werk uit me poote geef!... En die vuile addermekakstraal, die kàle luis—te kaal om z’n kont te krabbe—trekt nòg d’r partij!... Hoe ken men z’n éigen zwager afvalle!... Loop me onderweg mesjogge te make op de koop toe!... Lazer jij dood voor mijn part!”...

Stil zat Eleazar naast Jacob.

“...Wat beklaag je je?”—zei hij bot, slaperig Saartje tegen zich aanduwend: “hei’k je niet gewaarschouwd?—Onderkruip nìet”!...

“Stik! Stik!”, gilde Dovid, den doek die ’n bloedrige prop leek, dreigend in z’n vuist ballend: “Krijg ’n darme-reising, vuilik!... Wat doe ’k met je gelul!... Geef me ’n paar schoene—dan trek ’k ze an achter je lawaaie!”....

“Gróót gelijk heit-ie!”, riep Nathan schorkrijschend alsof-ie achter de voddenkar liep: “Stel jij je godverdomme in de brès voor die luie pargen!... Neem jij de partij op tègen je zwager!”

“As hij en as juillie niet je èigen vijanden waren”, hield Eleazar vol: “dan was ’t met de ellende gedaan”...

“Verrek! Verrek! Val dood!”, schreeuwde de slijper.

“Gedaan... Gedaan”, herhaalde Eleazar, dom-halstarrig: “...Solidariteit is àlles ... ènkel solidariteit”... Een koor van spottende, kwaadaardige stemmen schrikte ’m op. Hoe kon-ie zóó stom zijn geweest!

“Verrek! Verrek!”, krijschte woedender Dovid: “Weisz ich viel van solledareteit! ’k Sla ’t an me kont! Wat krijg j’r in de lommerd voor? Betaal ’r je huur van! Solledareteit! Nòg! Maak dad-je te vrete krijg, luie verdommeling!”...

“...Zolledareteit!”, schorde Nathan: “zorgdad-je ouwe blinde tante en ’t schaap dad-je daar draag niet krippeere van honger!.... Wat maak jij je de zappel om zolledareteit!”...

Tante Heintje, breed uitzittend, de handen op het morsig blad van de tafel, zong ’t over de andere stemmen:

“...Zolledariteit?... Waas ist zolledareteit?... ’n Aardige fijne man!... Spreekt fráns!... Zolledareteit!... Zolledareteit!... Mezomme zal je meene!”...

En Joozep die in de korte gaping lacherig schreeuwde: “Solledareteit—Krijg de schrijt!”, deed ze allen lawaaiend lachen.

Eleazar haalde de schouders op. Je kon ze net zoo goed de boeken Mozes ondersteboven te lezen geven. In keigrond zaaide je niet—als je bij zinnen was.

Dovid vloekte, schold, Nathan verweet, raasde—hij sprak niet meer, leunde achteruit. Terwijl de stemmen vinnig keften en schorden, voelde hij wee-knagende steken. Z’n borst was nog niet in orde. Iedermaal dat-ie slikte, hapte-die angstig. God, wat stonk ’t hier weer—wat hadden z’n longen ’n moeite, ’n moeite.

De kelderdeur stond vol-open. Bij de kist met bloedrige slagersbeendren, was Jacob bezig zichuit te kleeden. Eleazar zag ’m stappen op ’t matras naast Gompel, het slapende jogje. En door ’n nevel van moeheid, aanwaasden de kamer, de bedsteden, de kinderen op den grond, de stukkende lamp, de tafel met het kienspel, de cursausche amandelschillen, de kelder met de muffende, stinkende kisten en manden. Zoo hij nu zat, uitgeput, loom, met natte, ijskoude voeten, geleek hem de grijze, vertrapte wereld waarin hij zich bewoog, waarin ze allen gedoemd waren hun leven te kniezen, hopeloos, wereld van alleen gràuwen jammer. Het was om schreiend, met enkel knetterende razernij in te zakken, het hoofd te bonzen tegen den stank-uithatenden grond en God en de wereld zoo heet te vervloeken, als je krankzinnigst oogenblik ’t nauwlijks zou kunnen. Je zou willen spuwen op àlles, op de leugens van goed en kwaad, op ’t geteem van je eigen hersens, die wikten, bedachten, aarzelden—je zou willen buldren je onmacht, gillen je smart om die nuchter-gèwòne dingen, om tante Reggie, den schoenmaker, Suikerpeer, den poolschen jood, den man op ’t bordes van Golconda, om de duizenden, honderdduizenden genekten, jammerlingen, stumpers—om den kelder en dekamer, den stank, de altijd brandende lamp—de tien kindren, den man, de vrouw, de grootmoeder, allen neergekwakt, verdierlijkt, verstompt. Even lachte-die mal in ’t geroes van de kijvende joden. Dertien menschen in één hol, in ’n uitgegraven aardgat waar alles je tegenkotste. Zouen de komende tijden niet rood zien, met koortsige spetten in de oogen, als ze bedachten hoe ’t gewéést was?

Van ’n balk viel ’n drup op ’n kaart. Lusteloos suften zijn oogen naar Soortje. Zij zat bij de opene bedstee te huilen, hield ’r hand om de borst. Het lurkend kind had vreemd-roode lipjes alsof ’t bloed had gehoest en onder den bruingelen tepel slangde een kronkelend streepje. Stil-snottrend bewreef zij de borst die door ’t gulzige zuigen bloed had gegeven, klagend noch roepend.

“Scheelt je wat, tante?”, vroeg hij.

“Niks. Niks”, zei ze: “la-maar gaan—la-maar gaan—Beurt wel is meer”...

1Negen.2Nummer negen-en-zestig.3Nummer één.4Nummer dertien.5Nummer negentig.6Nummer elf.7Nummer twee en twintig.8Tachtig.

1Negen.

2Nummer negen-en-zestig.

3Nummer één.

4Nummer dertien.

5Nummer negentig.

6Nummer elf.

7Nummer twee en twintig.

8Tachtig.

X.Doch den anderen dag was zijn hoop weder groeiend, scheen ’m z’n opstanding tegen ’n god—of je ’m als bijbelding, wraakzuchtigen smaus, als liefde-galmend kwakzalver òf als de natuur in ’r rijpe wonderen zag—een verstandeloos ding, kweeksel nog van de dagen toen Druif ’m vertelde van ’n wezen boven en buiten de menschen. Wist-ie niet beter? En als-ie aàrzelde was ’t dan niet ’t gevolg van z’n stemmingen, z’n jóódsch gedroom, z’n bloed-arm gestel? Door moeheid werd je zwak, laf, oordeelde je dwaas en met angst over leven en dood, neigde je zonder grond onder je voeten naar ’n mysterie die je noch verschrikte, noch ontmande wanneer je frisch en bedachtzaam overwoog. Een klassenstrijd en ’n god waren mekaar gezond-afstootende zaken, tenzij je god weer noemde ’t rècht van’t bewegend volk om tot den kern van ’t geen de aarde aan vruchten en weten bezat, te geraken, maar dan blééf ’t de prachtige vernieling van ’n mystieken, alles-gedoogenden god door wat de tijden hadden gebouwd. De god-der-eeuwen-tot-nù stond buiten het leven, buiten de werkelijkheid, hing als een logge last aan de rede en eerst tháns scheen ’t het vertraptst deel der menschheid te zijn, dat onbewust of geleid door bedenkingineene godheid herleefde door zich aan den strijd, de verjeugdiging te geven. God—als ’t dan ’n náám, ’n woordenspel, noodig had—god was Strijd. Waár je rondkeek zag je ’t bestaande vergaan, verdringen. Ouwe bladeren werden mest voor nieuwe planten. ’t Rotsel van mensch en beest was voor de landen nieuw leven. Je kon ’t voorbeeld zoo eenvoudig niet stellen, ’t niet zoeken onder den bevroren grond of in de diepste zee, in de luchten of in ’t lichaam van den mensch, overal, overal zag je strijd, wroeting van levende en zwijgende stof, dood en opstanding. Het was ontzaglijk. Dàt alleen gaf je een ruimte van schoonheid. Het begrip Arbeid in de natuur. Stilstand was nergens. Strijd was de verplaatsing, strijd—de opwerking, strijd—’t dooden.Had-ie niet pas gelezen hoe de strijd van bepaalde bacteriën ’t lichaam gezond hield, dat ’n mensch bacteriën zoo nóódig had als eten en drinken? Was niet in hem ’t dapper gevecht van de onzichtbaren die ’m verdedigden tegen de indringers in de longen? Als je dat klare bedacht, hoorde je dan niet meelijdend ’t geschetter van de van-anderer-arbeid-levenden tegen de wakker-wordenden, ’t geraas en de woede van uitgebloeid groen tegen jong loof? En ’t goddelijk-malle dat ze uit verweer hun vormendienstjes, hun aanbidding van ’n hééngerotte godheid tegenover de natuur-frischheid van strijd stelden. In de bedstee, de handen onder ’t hoofd, lag-ie daar over blijmoedig te droomen.Soms sloot-ie de oogen, soms keek-ie door ’t raamvierkant naar het geklomp van de daken. ’s Morgens in bed, uitgerust, kláar voor den dag, zette je àl wat gebeurde in den rustigen schijn van stille gedachten, leek je hoofd een koele zaal waarin je ’t licht had getemperd naar eigen begeeren.Teer-kleine klopjes schrikten ’m op. Saartje stond in ’t portaal.“Oome!... Oome Eli!”, riep ze met duchtig geluid om ’m te wekken.“Wel—kom binnen, m’n kind,” lachte hij zacht. Als hij ’t ouwlijk gezichtje met de rood-zeere oogen en ’t warrige kroes bezag, dacht-ie aan Esther, de vroeg-doode, de eenige waar-van-ie gehouden. ’t Meisje, lichtschuw, stak ’r hoofd door de deurspleet. Ze droeg op een bruinschilfrig bord twee hompen brood, zwartglimmend van stroop. Zelf was ’r mondje ’n volwreven groezel, zóo als ze gesmuld had.“Oome—tante die zeit”—maar ’r stemmetje zakte in doezel van lachen—oom in z’n bed met slaap-dikke oogen en ’n punt van z’n teen—’n kokkert van ’n teen—net de néús van Suikerpeer...“Nou—wàt zeit tante?”, vroeg-ie vrindelijk knikkend.Zij lachte maar door, greep den teen met ’r strooperig handje.“Wel, jij feeks van ’n meid,” dee hij, wijkend terug, als in angst. Zij hel-schaterde, de oogen vroolijk vergroot, den arm met ’t bordje gestrekt. Toen zette ze ’t neer op den stoel, klomin het bed, poogde z’n hoofd met stroop te smeren. Hij, joelend van schrik, trok ’t dek om het lijf, ontvluchtend ’t kleverig handje, tot-ie zich plots liet verrassen en ’r in de armen greep.“Jou rakker!”, dreigde hij boos.Zij liet zich niet foppen, zag an ’t gekijk van z’n oogen dat-ie niet kwaad was, gierde kinderlijk-valsch over ’t bruin bij z’n snor. Ze zaten samen op ’t bed, de man de haren verward, de borst half ontbloot—’t kind bleekjes en klein, ’t jurkje gescheurd en verschoten, de kousjes van gaten doorvreten.Hij zoende haar op ’t strooperig wangetje.“En wie zendt dat lekkers, jij deugniet?”, vroeg hij gelukkig, blij met de vrindschap van ’t kind.“Tante die zendt ’t”, zei ze en—bluffend: “O, we hebbe zoo ’n bóél!”“Wel, wel, wel”, sprak hij verbaasd om ’t wonder: “Heit vader geld thuis gebracht?”“Vader—nee, vader die slaapt nog—die is zoo geslage—weet u dat oome?—Z’n oog is zoo blauw, zoo blauw as...”—ze zocht naar een beeld—“zoo blauw as ’k weet nie-wat!... Wéet u dat oome?”“Ja, dat weet ’k”...“...Gemeen, hè, oome?... Smerig, hè? hè?—om zoo maar te slaan. As ze na mijn ’n poot uitsteke, dan neem ’k—dan neem ’k”—groot werden ’r oogen bij ’t hévig verzinnen—“dan neem ’k ’n stok en sla ’k ze dóod—de flikkers, om zoo mìjn vader te slaan!”“Goed zoo”, lachte hij rustig, strijkend het kroes langs ’r hoofd. Het was ’n zoo heerlijk iets ’n kind grootemansdaden te hooren fantaseeren.“...Dan, dan” ging ze voort, ’t gezichtje in doddig gepoog om de kracht van ’t dreigen bij te houden: “dan neem ’k ’t broodmes van tante en dat steek ’k ze in d’r buik—hè, oome?—en dan snij ’k ze d’r hals af—om zoo mijn vader te slaan—hè, oome?”... Zij keek hem niet aan, staarde het raam uit, over het veld der plompe, roetgore daken. Daar zag ze ’t gebeuren.“Dat zou ’k maar niet doen”, riep hij voorzichtig: “want dan komt ’n agent met ’n sabel en die neemt je mee.”...“Dan steek ’k ’m oók dood”, zei ze geweldig.“Nou dà’s wel schriklijk”, lachte hij luid.Even kuste hij ’t magere kind. Ze liet ’m begaan, nadroomend nog. Op d’uiterste spits van het voorliggend dak, waar ’n grijs-molmig hijsch-blok bot speerde, was speelsch de zon aangeschoven. Een blanke lichtlijn deelde het rood en de kalken strepen. Het rood en het vaal der àndere daken, met goten en moddrige randen, werd zwaarder en doffer van kleur, schijnbaar wegkrimpend van ’t lichtvak. Zonderling-wazig gulpte rook uit een pijp, warrlend de opening langs, dan geel-kronklend kruipend de baan van het licht door en blauwig met lustlooze kwijnsels bewegend naar ’t overzijdak. Het meisje, de brandrige oogjes rood van ontsteking, keek naar den helm en den sabel, die glinsterend glansden in ’t spel van rook en van zon. Haar wimpertjes knipten. Dan sprak ze weer rad van ’t geen ’r zoo inviel.“Oome mod-je niet ete?” ’t Leek haar een tergend bedrijf—dat lánge gewacht.“Ja, ja”, zei hij begrijpend: “jij wil nog wel wat, hè?... Neem maar ’n reepie.”“Nee”, keek ze gulzig: “tante zeit dad-’t van ù is.”“Ik heb niet veel honger”, glimlachte hij, keek naar haar dadelijk schrokkige happen.Eerst likte ze vleiend de stroop, tot ’t lepelend tongetje glimmend geteerd en bruinige draadjes kleefden de mondhoeken om.“’k Bin ’t zellef weze koope—héusch oome”, verhaalde ze wijs: “gistere eerst met ’n pakkie na Wolf.”...“Wie is Wolf?”“Wolf?—Ken u Wolf nie, oome?”—ze kauwde wat sneller de bruintaaie prop—“Wolf—da’s om ’t hoekie.—Weet u nie?—As je schoene an ’m brengt geeft-ie cente—enne as je kleere brengt geeft-ie cente.—Weet u nie, oome?—Enne dan krijg-ie ’n brief-ie—enne as je dan met ’t briefie werom komp dan krijg-ie alles werom—begrijp-ie, oome—maar dan mod-je overnieuw cente geve.—As u nou gaat de straat deur—al maar rechtuit—dan is ’t om ’t hoekie—weet u nou nie?”“Ja, noù weet ’k ’t,” knikte hij: “en wat hei-je gister an ’m gebracht?”“...Gistere?”—zij peuterde pijnlijk in ’t mondje—“gistere heb ’k gebroch de sjabbes-rok en ’t jekkie en de sjabbesmuts van tante Reggie enne d’r schoene—maar die wou-die nie hebbe. Zeg an je moeder zee-die—ikkehèi geen moeder, wel, oome?—dadde de schoene niks waard zijn—nou de zole die wàre kepot, das wáár oome—enne as de zole kepot zijne dan ken je d’r nie op loope, wel?—nou enne toen heit-ie op de rok en de muts en ’t zijjen jekkie—weet u wel dad-ze an sjábbes draagt—vijf-en-zeventig cente gegeven—’t is ’n gierige stinkert, oome—en altijd ’n droppel an z’n neus—zóó’n groote droppel.”—Zij spande den duim en den wijsvinger om de grootte te wijzen.Zorgvol keek Eleazar naar de daken, wetend hoe de blinde hechtte an sjabbeskleedij. As ’t goed niet voór sjabbes terug was—kans was ’r niet—had ze ’n dag van diepe ellende. Het kind babbelde voort.“...Jan van hiernaast oome...”“Wie ’s Jan?”“Jan,—da’s Jan-van-de-schoenmaker—weet u nie?—die heit ’m laast zoo lekker verneukt, oome. Die heit ’n drol in pepier gedaan—hoor u, oome?—enne zoo door ’t raampie gestoken. Enne toen heit-ie gezeid: meneir wadde krijg ’k ’r op?”—even schudde ’t lichaampje zóo van stijgende pret dat ze niet verder kon en met stuipende proestjesmoeilijk zei: “...enne toen heit die vent ’t opegemaakt, oome ... hahaha!... Enne toen zee-die wat is dat?... Hahaha!... Enne toen riep Jan: dat mot je maar ruike!.. Hahaha!.. Enne toen zijne we hard weggeloope”....“Zoo das mòoi!”, verweet Eleazar zelf er om lachend: “jullie most ’n pak voor je broek hebben.. Mot j’r meer heen voor tante Reggie?”“O jee zoo dikkels”, blufte ze weer, blij dat ze die dingen mocht doen: “van de week bin ’k driémaal gewees—eens met-è—met-è—wat was ’t ook weer?—met-è deken—en eens met ’t ganneke-ijzer—enne gister met tante d’r sjabbesgoed... Mod-je nie ete, oome?”...“Ja zeker”, knikte hij vrindlijk. Met sprong hij ’t bed uit, schoot in z’n kleeren. Vandaag zou niks ’m ontroeren. Z’n uitgerust lichaam gaf ’m een wondere kracht. Over de daken vloeide wijder het licht, een musch tsilpend bewoog op den stang van ’n schoorsteen. ’t Leek of de dag geluk moest bevatten, of een ongekende geheimenisnadering uit de droogkoele lucht die ’t raam binnenstroomde, steeg. ’t Was stil op de plaats. Zelfs ’t geklop van den schoenmaker dat meestal naar boven echoode klonk niet, en d’overzij-ramen schenen verlaten.’t Kind naast ’m bij ’t raam, boog ’t hoofd diep voorover.“Wat hóog, oome, hè?”“Nou!”“As je d’r uitviel dan was je dóód—oome, hè?”“Asjeblief!”...Hij plonsde het hoofd in de kom met ’t water dat-ie ’savonds meenam van tante, die ’t héele huis most voorzien. Er was maar één kraan. Saartje spuwde terwijl spuugvlokjes naar Suikerpeer’s onderkozijn. Spelend telde ze de witte schuimpropjes die onhoorbaar kwakten op ’t hout. Spuwde je verder, dan zàg je ze niet, vielen ze in ’t slijk op de plaats, waar stronken en bladen verrotten en vreemd-gesplinterd ’n boord lag, gevallen uit een van de ramen.Nog zich nadrogend keek Eleazar het donker der gang in. Stug veegde een borstel de treden der trap. Rebecca, een doek om het hoofd, de zwarte slierharen verward langs ’t teerbleek gelaat, lachte verlegen. Ze had den verlepten japon omgeslagen, de slijkzwarte voering naar buiten, de armen gestroopt ver omhoog dat ’t vleesch snoerde in kreukels en plooien. Hethaakje van ’t vaal-fluweel boord uitgetarnd, liet vrij den molligen hals met de fijntakte aêren.“Goeienmorrege,” zei hij, zich drogend.“Dàg,” riep ze schuw in den schemer der trap.“Dat kon je bij mij ook wel is doen,” meende hij vroolijk: “m’n meublen bederven. Ik heb in geen maanden geveegd”...“Ach kom,” lachte zij, leunend terug, verlegen opkijkend.Saartje kwam mee in de deur.“Dag Bekkie! Dàààààg!”“Dag Saarlief”...IJvrig begon zij weder te vegen, telkens ’n tree op, toen op ’t portaal, lacherig-pratend, kruipend op handen en knieën. De voeten in ouwe pantoffels sleurden kurk-schuiflend den rokkenwrong na, soms met ’n haastige puiling der kuiten.Hij, etend ’n reepje met stroop, wenkte ’r binnen, vroeg naar ’r vader. Angstig-timiede, hield ze zich vast aan den deurpost, den schuier onnoozel bewegend. Nooit kwam ze ’t huis uit—of ’t was voor de kindren. Ze scheen eene ingeschapen moedertjes-toewijding te bezittenniet hechtend als andere meisjes aan ’t loom-vadzig drentlen op Sjabbes. Nu, in ’t strak licht van ’t raam, de oogen git-dwalend onder de lijn der vergroeide brauwen, het roodwollen doekje om ’t zwarte der haren, welig en grillig als ’n wingerd, was ze van zulk eene vreemd-wilde schoonheid, dat ’t schertsend gepraat hem ontzakte en de oogengloeiing van toèn—in de hal van de kinderbewaarplaats—haar weder dwaas-driest deed lachen.“Wat kijk je?”,—zei ze droog, stem die nauwlijks een klank had.“Ik kijk zoo maar—zoo maar”—lachte hij, met heet-kroppend gewring in de keel.“O—kijk je zoo maar,” staarde ze voort, ’t gitzwart gestoei van ’r oogen in gurgel van lach.“Zoo maar”—herhaalde hij, pogend te schertsen. Dan stond-ie op, verzette den stoel naar ’t raam, speelde met Saartje. Zij, bukkend, de heupen omhoog in den tuimel der rokken, begon zacht te vegen.“Doe ’k je nou ’n plezier?”, lachte ze kinderlijk.“Of je”, zei hij: “licht dat me meublen bederven als ze staan in de stof!”Zij lachten beiden. Er was niets in de klein-lage kamer dan ’n bedstee met ’n simpel matras, ’n stoel en ’n kist met ’n kom. Maar zijn lach duurde niet lang. ’t Kind sprong z’n schoot af.“Dag oome!”“Waar ga je heen?”“Ik mot na de school!”...“Wacht dan nog even”...“Nee oome—Jan staat benejen al klaar”.Ze had hem gezien op de plaats, stampte de trap af, toeslaand de deur.“Wat ’n nest van ’n kind”,—zei Rebecca diep bukkend. Schuw keek ze op, half angstig, half-lachend.“O, zoo’n nest”, herhaalde hij flauw.En het stug gekuch van den schuier klonk in de stilte. Star keek hij het raam uit, eerst naar het overzij-dak, felrood en dampend. Sufbleeke wolkjes krulden de goot langs en ook van de nattige pannen steeg als een waas het opdrogend vocht. Dan zag hij omlaag naar de kindren die samen gingen de poort door met Mijntje, de dochter van Suikerpeer. Achter hem schorde de schuier, hijgend met lang-dorre stooten.“’t Is in làng nie-gedaan”, zei zij het eerst.“Nee, in lang niet,” zei hij snel en hard. Zij veegde stil bij de bedstee, het hoofd van ’m af, de grot-van-de-rokken met ’t slanke kuitenbeweeg scherp naar hem toe. Haar roode doekje dreef zacht op den krommenden rug, de ouwe pantoffels wipten los van de hielen.“Ik wil ’t wel élleke dag voor je doen,” sprak zij na een poos, en hurkend op de knieën, den fletsen japon als ’n tuil om den buik, keek ze ’m aan eerder fel dan verlegen. Zóo stiet ze hem af. Als ze ènkel timiede, schuw in ’r doen, was ze lief van bekoring, leek ze ’n kind, vreèmd aan de gulheid van zon, vreèmd aan alles wat buiten—maar ’t zéker gekijk dat ze soms had, gaf ’m een afkeer, die niet was te ontleden.“Wel, da’s goed,” zei hij vijandig: “dat wil ’k heel graag—maar is ’t niet lastig?”“Nee,” lachte ze kort en daarna vlug-oprijzend: “zal ’k je bed doen?”“Trek de deken maar recht,” knikte hij.’t Was toch ’n verheugend gezicht—’t meisje dat ’t kussen klopte en gladstreek z’n deken. Ze wreef met de handen er over, zat op den rand van de bedstee, waar Saartje gezeten.“Hei-je geen laken?”“’n Laken—welnee!”...“En leg-ie niet koud?”...“Alles gewoonte”...“Wij legge warmer,” lachte ze opnieuw.“Wie?”, vroeg hij stug. ’t Werd wonderlijk-vreemd dat ze zoo zat, in dien wingerd van haar onder ’t roodwollen doekje.“Wij,” zei ze verklarend: “me zussie—me broer Jozef en ikke—wij legge warmer. En as ’t koud is, kruipe we dicht op mekaar”...“Zoo”—, sprak hij glimlachend om ’t plotsling vertrouwen en èven ontmoetten hun oogen. Zij, wieglend op den rand van ’t bed, sloeg neer ze ’t eerst, dwazerig spelend met ’n punt van de deken.“Rebecca—Rebecca!—Waar zit je?”...Poddyschreeuwde beneden de gang door.

Doch den anderen dag was zijn hoop weder groeiend, scheen ’m z’n opstanding tegen ’n god—of je ’m als bijbelding, wraakzuchtigen smaus, als liefde-galmend kwakzalver òf als de natuur in ’r rijpe wonderen zag—een verstandeloos ding, kweeksel nog van de dagen toen Druif ’m vertelde van ’n wezen boven en buiten de menschen. Wist-ie niet beter? En als-ie aàrzelde was ’t dan niet ’t gevolg van z’n stemmingen, z’n jóódsch gedroom, z’n bloed-arm gestel? Door moeheid werd je zwak, laf, oordeelde je dwaas en met angst over leven en dood, neigde je zonder grond onder je voeten naar ’n mysterie die je noch verschrikte, noch ontmande wanneer je frisch en bedachtzaam overwoog. Een klassenstrijd en ’n god waren mekaar gezond-afstootende zaken, tenzij je god weer noemde ’t rècht van’t bewegend volk om tot den kern van ’t geen de aarde aan vruchten en weten bezat, te geraken, maar dan blééf ’t de prachtige vernieling van ’n mystieken, alles-gedoogenden god door wat de tijden hadden gebouwd. De god-der-eeuwen-tot-nù stond buiten het leven, buiten de werkelijkheid, hing als een logge last aan de rede en eerst tháns scheen ’t het vertraptst deel der menschheid te zijn, dat onbewust of geleid door bedenkingineene godheid herleefde door zich aan den strijd, de verjeugdiging te geven. God—als ’t dan ’n náám, ’n woordenspel, noodig had—god was Strijd. Waár je rondkeek zag je ’t bestaande vergaan, verdringen. Ouwe bladeren werden mest voor nieuwe planten. ’t Rotsel van mensch en beest was voor de landen nieuw leven. Je kon ’t voorbeeld zoo eenvoudig niet stellen, ’t niet zoeken onder den bevroren grond of in de diepste zee, in de luchten of in ’t lichaam van den mensch, overal, overal zag je strijd, wroeting van levende en zwijgende stof, dood en opstanding. Het was ontzaglijk. Dàt alleen gaf je een ruimte van schoonheid. Het begrip Arbeid in de natuur. Stilstand was nergens. Strijd was de verplaatsing, strijd—de opwerking, strijd—’t dooden.Had-ie niet pas gelezen hoe de strijd van bepaalde bacteriën ’t lichaam gezond hield, dat ’n mensch bacteriën zoo nóódig had als eten en drinken? Was niet in hem ’t dapper gevecht van de onzichtbaren die ’m verdedigden tegen de indringers in de longen? Als je dat klare bedacht, hoorde je dan niet meelijdend ’t geschetter van de van-anderer-arbeid-levenden tegen de wakker-wordenden, ’t geraas en de woede van uitgebloeid groen tegen jong loof? En ’t goddelijk-malle dat ze uit verweer hun vormendienstjes, hun aanbidding van ’n hééngerotte godheid tegenover de natuur-frischheid van strijd stelden. In de bedstee, de handen onder ’t hoofd, lag-ie daar over blijmoedig te droomen.

Soms sloot-ie de oogen, soms keek-ie door ’t raamvierkant naar het geklomp van de daken. ’s Morgens in bed, uitgerust, kláar voor den dag, zette je àl wat gebeurde in den rustigen schijn van stille gedachten, leek je hoofd een koele zaal waarin je ’t licht had getemperd naar eigen begeeren.

Teer-kleine klopjes schrikten ’m op. Saartje stond in ’t portaal.

“Oome!... Oome Eli!”, riep ze met duchtig geluid om ’m te wekken.

“Wel—kom binnen, m’n kind,” lachte hij zacht. Als hij ’t ouwlijk gezichtje met de rood-zeere oogen en ’t warrige kroes bezag, dacht-ie aan Esther, de vroeg-doode, de eenige waar-van-ie gehouden. ’t Meisje, lichtschuw, stak ’r hoofd door de deurspleet. Ze droeg op een bruinschilfrig bord twee hompen brood, zwartglimmend van stroop. Zelf was ’r mondje ’n volwreven groezel, zóo als ze gesmuld had.

“Oome—tante die zeit”—maar ’r stemmetje zakte in doezel van lachen—oom in z’n bed met slaap-dikke oogen en ’n punt van z’n teen—’n kokkert van ’n teen—net de néús van Suikerpeer...

“Nou—wàt zeit tante?”, vroeg-ie vrindelijk knikkend.

Zij lachte maar door, greep den teen met ’r strooperig handje.

“Wel, jij feeks van ’n meid,” dee hij, wijkend terug, als in angst. Zij hel-schaterde, de oogen vroolijk vergroot, den arm met ’t bordje gestrekt. Toen zette ze ’t neer op den stoel, klomin het bed, poogde z’n hoofd met stroop te smeren. Hij, joelend van schrik, trok ’t dek om het lijf, ontvluchtend ’t kleverig handje, tot-ie zich plots liet verrassen en ’r in de armen greep.

“Jou rakker!”, dreigde hij boos.

Zij liet zich niet foppen, zag an ’t gekijk van z’n oogen dat-ie niet kwaad was, gierde kinderlijk-valsch over ’t bruin bij z’n snor. Ze zaten samen op ’t bed, de man de haren verward, de borst half ontbloot—’t kind bleekjes en klein, ’t jurkje gescheurd en verschoten, de kousjes van gaten doorvreten.

Hij zoende haar op ’t strooperig wangetje.

“En wie zendt dat lekkers, jij deugniet?”, vroeg hij gelukkig, blij met de vrindschap van ’t kind.

“Tante die zendt ’t”, zei ze en—bluffend: “O, we hebbe zoo ’n bóél!”

“Wel, wel, wel”, sprak hij verbaasd om ’t wonder: “Heit vader geld thuis gebracht?”

“Vader—nee, vader die slaapt nog—die is zoo geslage—weet u dat oome?—Z’n oog is zoo blauw, zoo blauw as...”—ze zocht naar een beeld—“zoo blauw as ’k weet nie-wat!... Wéet u dat oome?”

“Ja, dat weet ’k”...

“...Gemeen, hè, oome?... Smerig, hè? hè?—om zoo maar te slaan. As ze na mijn ’n poot uitsteke, dan neem ’k—dan neem ’k”—groot werden ’r oogen bij ’t hévig verzinnen—“dan neem ’k ’n stok en sla ’k ze dóod—de flikkers, om zoo mìjn vader te slaan!”

“Goed zoo”, lachte hij rustig, strijkend het kroes langs ’r hoofd. Het was ’n zoo heerlijk iets ’n kind grootemansdaden te hooren fantaseeren.

“...Dan, dan” ging ze voort, ’t gezichtje in doddig gepoog om de kracht van ’t dreigen bij te houden: “dan neem ’k ’t broodmes van tante en dat steek ’k ze in d’r buik—hè, oome?—en dan snij ’k ze d’r hals af—om zoo mijn vader te slaan—hè, oome?”... Zij keek hem niet aan, staarde het raam uit, over het veld der plompe, roetgore daken. Daar zag ze ’t gebeuren.

“Dat zou ’k maar niet doen”, riep hij voorzichtig: “want dan komt ’n agent met ’n sabel en die neemt je mee.”...

“Dan steek ’k ’m oók dood”, zei ze geweldig.

“Nou dà’s wel schriklijk”, lachte hij luid.Even kuste hij ’t magere kind. Ze liet ’m begaan, nadroomend nog. Op d’uiterste spits van het voorliggend dak, waar ’n grijs-molmig hijsch-blok bot speerde, was speelsch de zon aangeschoven. Een blanke lichtlijn deelde het rood en de kalken strepen. Het rood en het vaal der àndere daken, met goten en moddrige randen, werd zwaarder en doffer van kleur, schijnbaar wegkrimpend van ’t lichtvak. Zonderling-wazig gulpte rook uit een pijp, warrlend de opening langs, dan geel-kronklend kruipend de baan van het licht door en blauwig met lustlooze kwijnsels bewegend naar ’t overzijdak. Het meisje, de brandrige oogjes rood van ontsteking, keek naar den helm en den sabel, die glinsterend glansden in ’t spel van rook en van zon. Haar wimpertjes knipten. Dan sprak ze weer rad van ’t geen ’r zoo inviel.

“Oome mod-je niet ete?” ’t Leek haar een tergend bedrijf—dat lánge gewacht.

“Ja, ja”, zei hij begrijpend: “jij wil nog wel wat, hè?... Neem maar ’n reepie.”

“Nee”, keek ze gulzig: “tante zeit dad-’t van ù is.”

“Ik heb niet veel honger”, glimlachte hij, keek naar haar dadelijk schrokkige happen.Eerst likte ze vleiend de stroop, tot ’t lepelend tongetje glimmend geteerd en bruinige draadjes kleefden de mondhoeken om.

“’k Bin ’t zellef weze koope—héusch oome”, verhaalde ze wijs: “gistere eerst met ’n pakkie na Wolf.”...

“Wie is Wolf?”

“Wolf?—Ken u Wolf nie, oome?”—ze kauwde wat sneller de bruintaaie prop—“Wolf—da’s om ’t hoekie.—Weet u nie?—As je schoene an ’m brengt geeft-ie cente—enne as je kleere brengt geeft-ie cente.—Weet u nie, oome?—Enne dan krijg-ie ’n brief-ie—enne as je dan met ’t briefie werom komp dan krijg-ie alles werom—begrijp-ie, oome—maar dan mod-je overnieuw cente geve.—As u nou gaat de straat deur—al maar rechtuit—dan is ’t om ’t hoekie—weet u nou nie?”

“Ja, noù weet ’k ’t,” knikte hij: “en wat hei-je gister an ’m gebracht?”

“...Gistere?”—zij peuterde pijnlijk in ’t mondje—“gistere heb ’k gebroch de sjabbes-rok en ’t jekkie en de sjabbesmuts van tante Reggie enne d’r schoene—maar die wou-die nie hebbe. Zeg an je moeder zee-die—ikkehèi geen moeder, wel, oome?—dadde de schoene niks waard zijn—nou de zole die wàre kepot, das wáár oome—enne as de zole kepot zijne dan ken je d’r nie op loope, wel?—nou enne toen heit-ie op de rok en de muts en ’t zijjen jekkie—weet u wel dad-ze an sjábbes draagt—vijf-en-zeventig cente gegeven—’t is ’n gierige stinkert, oome—en altijd ’n droppel an z’n neus—zóó’n groote droppel.”—Zij spande den duim en den wijsvinger om de grootte te wijzen.

Zorgvol keek Eleazar naar de daken, wetend hoe de blinde hechtte an sjabbeskleedij. As ’t goed niet voór sjabbes terug was—kans was ’r niet—had ze ’n dag van diepe ellende. Het kind babbelde voort.

“...Jan van hiernaast oome...”

“Wie ’s Jan?”

“Jan,—da’s Jan-van-de-schoenmaker—weet u nie?—die heit ’m laast zoo lekker verneukt, oome. Die heit ’n drol in pepier gedaan—hoor u, oome?—enne zoo door ’t raampie gestoken. Enne toen heit-ie gezeid: meneir wadde krijg ’k ’r op?”—even schudde ’t lichaampje zóo van stijgende pret dat ze niet verder kon en met stuipende proestjesmoeilijk zei: “...enne toen heit die vent ’t opegemaakt, oome ... hahaha!... Enne toen zee-die wat is dat?... Hahaha!... Enne toen riep Jan: dat mot je maar ruike!.. Hahaha!.. Enne toen zijne we hard weggeloope”....

“Zoo das mòoi!”, verweet Eleazar zelf er om lachend: “jullie most ’n pak voor je broek hebben.. Mot j’r meer heen voor tante Reggie?”

“O jee zoo dikkels”, blufte ze weer, blij dat ze die dingen mocht doen: “van de week bin ’k driémaal gewees—eens met-è—met-è—wat was ’t ook weer?—met-è deken—en eens met ’t ganneke-ijzer—enne gister met tante d’r sjabbesgoed... Mod-je nie ete, oome?”...

“Ja zeker”, knikte hij vrindlijk. Met sprong hij ’t bed uit, schoot in z’n kleeren. Vandaag zou niks ’m ontroeren. Z’n uitgerust lichaam gaf ’m een wondere kracht. Over de daken vloeide wijder het licht, een musch tsilpend bewoog op den stang van ’n schoorsteen. ’t Leek of de dag geluk moest bevatten, of een ongekende geheimenisnadering uit de droogkoele lucht die ’t raam binnenstroomde, steeg. ’t Was stil op de plaats. Zelfs ’t geklop van den schoenmaker dat meestal naar boven echoode klonk niet, en d’overzij-ramen schenen verlaten.

’t Kind naast ’m bij ’t raam, boog ’t hoofd diep voorover.

“Wat hóog, oome, hè?”

“Nou!”

“As je d’r uitviel dan was je dóód—oome, hè?”

“Asjeblief!”...

Hij plonsde het hoofd in de kom met ’t water dat-ie ’savonds meenam van tante, die ’t héele huis most voorzien. Er was maar één kraan. Saartje spuwde terwijl spuugvlokjes naar Suikerpeer’s onderkozijn. Spelend telde ze de witte schuimpropjes die onhoorbaar kwakten op ’t hout. Spuwde je verder, dan zàg je ze niet, vielen ze in ’t slijk op de plaats, waar stronken en bladen verrotten en vreemd-gesplinterd ’n boord lag, gevallen uit een van de ramen.

Nog zich nadrogend keek Eleazar het donker der gang in. Stug veegde een borstel de treden der trap. Rebecca, een doek om het hoofd, de zwarte slierharen verward langs ’t teerbleek gelaat, lachte verlegen. Ze had den verlepten japon omgeslagen, de slijkzwarte voering naar buiten, de armen gestroopt ver omhoog dat ’t vleesch snoerde in kreukels en plooien. Hethaakje van ’t vaal-fluweel boord uitgetarnd, liet vrij den molligen hals met de fijntakte aêren.

“Goeienmorrege,” zei hij, zich drogend.

“Dàg,” riep ze schuw in den schemer der trap.

“Dat kon je bij mij ook wel is doen,” meende hij vroolijk: “m’n meublen bederven. Ik heb in geen maanden geveegd”...

“Ach kom,” lachte zij, leunend terug, verlegen opkijkend.

Saartje kwam mee in de deur.

“Dag Bekkie! Dàààààg!”

“Dag Saarlief”...

IJvrig begon zij weder te vegen, telkens ’n tree op, toen op ’t portaal, lacherig-pratend, kruipend op handen en knieën. De voeten in ouwe pantoffels sleurden kurk-schuiflend den rokkenwrong na, soms met ’n haastige puiling der kuiten.

Hij, etend ’n reepje met stroop, wenkte ’r binnen, vroeg naar ’r vader. Angstig-timiede, hield ze zich vast aan den deurpost, den schuier onnoozel bewegend. Nooit kwam ze ’t huis uit—of ’t was voor de kindren. Ze scheen eene ingeschapen moedertjes-toewijding te bezittenniet hechtend als andere meisjes aan ’t loom-vadzig drentlen op Sjabbes. Nu, in ’t strak licht van ’t raam, de oogen git-dwalend onder de lijn der vergroeide brauwen, het roodwollen doekje om ’t zwarte der haren, welig en grillig als ’n wingerd, was ze van zulk eene vreemd-wilde schoonheid, dat ’t schertsend gepraat hem ontzakte en de oogengloeiing van toèn—in de hal van de kinderbewaarplaats—haar weder dwaas-driest deed lachen.

“Wat kijk je?”,—zei ze droog, stem die nauwlijks een klank had.

“Ik kijk zoo maar—zoo maar”—lachte hij, met heet-kroppend gewring in de keel.

“O—kijk je zoo maar,” staarde ze voort, ’t gitzwart gestoei van ’r oogen in gurgel van lach.

“Zoo maar”—herhaalde hij, pogend te schertsen. Dan stond-ie op, verzette den stoel naar ’t raam, speelde met Saartje. Zij, bukkend, de heupen omhoog in den tuimel der rokken, begon zacht te vegen.

“Doe ’k je nou ’n plezier?”, lachte ze kinderlijk.

“Of je”, zei hij: “licht dat me meublen bederven als ze staan in de stof!”

Zij lachten beiden. Er was niets in de klein-lage kamer dan ’n bedstee met ’n simpel matras, ’n stoel en ’n kist met ’n kom. Maar zijn lach duurde niet lang. ’t Kind sprong z’n schoot af.

“Dag oome!”

“Waar ga je heen?”

“Ik mot na de school!”...

“Wacht dan nog even”...

“Nee oome—Jan staat benejen al klaar”.

Ze had hem gezien op de plaats, stampte de trap af, toeslaand de deur.

“Wat ’n nest van ’n kind”,—zei Rebecca diep bukkend. Schuw keek ze op, half angstig, half-lachend.

“O, zoo’n nest”, herhaalde hij flauw.

En het stug gekuch van den schuier klonk in de stilte. Star keek hij het raam uit, eerst naar het overzij-dak, felrood en dampend. Sufbleeke wolkjes krulden de goot langs en ook van de nattige pannen steeg als een waas het opdrogend vocht. Dan zag hij omlaag naar de kindren die samen gingen de poort door met Mijntje, de dochter van Suikerpeer. Achter hem schorde de schuier, hijgend met lang-dorre stooten.

“’t Is in làng nie-gedaan”, zei zij het eerst.

“Nee, in lang niet,” zei hij snel en hard. Zij veegde stil bij de bedstee, het hoofd van ’m af, de grot-van-de-rokken met ’t slanke kuitenbeweeg scherp naar hem toe. Haar roode doekje dreef zacht op den krommenden rug, de ouwe pantoffels wipten los van de hielen.

“Ik wil ’t wel élleke dag voor je doen,” sprak zij na een poos, en hurkend op de knieën, den fletsen japon als ’n tuil om den buik, keek ze ’m aan eerder fel dan verlegen. Zóo stiet ze hem af. Als ze ènkel timiede, schuw in ’r doen, was ze lief van bekoring, leek ze ’n kind, vreèmd aan de gulheid van zon, vreèmd aan alles wat buiten—maar ’t zéker gekijk dat ze soms had, gaf ’m een afkeer, die niet was te ontleden.

“Wel, da’s goed,” zei hij vijandig: “dat wil ’k heel graag—maar is ’t niet lastig?”

“Nee,” lachte ze kort en daarna vlug-oprijzend: “zal ’k je bed doen?”

“Trek de deken maar recht,” knikte hij.

’t Was toch ’n verheugend gezicht—’t meisje dat ’t kussen klopte en gladstreek z’n deken. Ze wreef met de handen er over, zat op den rand van de bedstee, waar Saartje gezeten.

“Hei-je geen laken?”

“’n Laken—welnee!”...

“En leg-ie niet koud?”...

“Alles gewoonte”...

“Wij legge warmer,” lachte ze opnieuw.

“Wie?”, vroeg hij stug. ’t Werd wonderlijk-vreemd dat ze zoo zat, in dien wingerd van haar onder ’t roodwollen doekje.

“Wij,” zei ze verklarend: “me zussie—me broer Jozef en ikke—wij legge warmer. En as ’t koud is, kruipe we dicht op mekaar”...

“Zoo”—, sprak hij glimlachend om ’t plotsling vertrouwen en èven ontmoetten hun oogen. Zij, wieglend op den rand van ’t bed, sloeg neer ze ’t eerst, dwazerig spelend met ’n punt van de deken.

“Rebecca—Rebecca!—Waar zit je?”...

Poddyschreeuwde beneden de gang door.

XI.Gehurkt in de bedstee, kreunend en vloekend, hield de poolsche jood de deur open. Z’n stok kromde als een hand om den knop, viel op den grond toen ze de trap af kwamen.“Mod-’k me tong uit me bek schreeuwe!”, snauwde hij, hijgend—: “waàr... waàr...” ’n Logge slijmhoest benauwde hem plotsling, doorbaste ’t beenig lijf. De nagels in de bedsteeplank gewrongen, den vaalrooden rimpelkop met de wilde baardslieren diep in stuipschudding gebogen, kraakhoestte-die, inslurpend den adem met fluitende kreunen, dan weer donker-rogglend op braken af. Het schuimig kwijl droop langs den baard op den paars-groenen borstrok, alle sneden in ’t harde gelaat werden wit door ’t gespan van de huid, ’t vinnig gezwel aan den mondhoek purperde fel alsof ’t zou bersten.“Drink-’s, vader!”—, riep angstig Rebecca.Driftig weerde hij ’r af, richtte pijnlijk-grijpend zich op. De deken glee en bij het reutelend hijgen, dat den kop ver-paarste, de aêren zwart-striemend deed zwellen, kwam de heup met ’r bloedende wonden en gaten bloot. De lappen grijsklamme pap, vervuild en doortrokken van strooperig bloed, zakten het been langs tot over de knie. Een oogenblik klonk ’t raspend geroggel, ’t slurpen der strot zoo klagerig-scheurend, dat Rebecca begon te schreien en Eleazar dacht dat-ie zou stikken.“Drink dan ’s, vader!”—, huilde ’t meisje, ’t glas in de angstig-bevende hand.“Hoor je niet, Poddy? Drink is!—”, drong Eleazar aan, zèlf ’t glas nemend. Stomp-hijgend, lippen die koortsig mumden, slikte de zieke en opnieuw hoestte hij rauw, wringend ’t lijf uit het dek, de oogen beloopen, den mond als een smartgeul in ’t schuim en de kwijlige klodders van den baard. De bedstee stond in schemer. De deur aan de raamzij, schuin-open, onderschepte ’t licht van ’n raam, goor van stofbultige ruitjes, waarachter ’t schubbig vaal-slijkrig kwakken en ribblen van ouwe dakpannen. De poolsche jood, half naakt, deettrende heup kil belicht, de handen knoestig geklemd om ’t hout, den baardigen kop in martling bewogen, leek in ’t scheemrende, morsige bedhok zoo afzichtlijk ziek en benauwd, dat Eleazar terug-schrikte en ’t slingrende glas water uitgulpte. Niet sprekend keken ze toe, tot ’n reutlender, brakender hoest lucht scheen te geven en een fel-gele roggel met zware bloedvinnen langs den baard op den grond klette. Toen zakte-die kreunend, zwakker na-hoestend terug. Op ’t voorhoofd, rimpel-doorgroefd als ’t gelaat, kleefden grijzende haren in zweet. Uit den mond, wild vergrimd, rukte de adem, stootend en kermend.“Zal ’k je helpen?”—, vroeg Eleazar.De knooklige hand in het bedhok schudde afwijzend.Kort knerste de voet van den jongen man over ’t bloed en ’t slijm en een rillige weeheid doorgriezelde hem bij ’t zien zoo-dichtbij van de heup, de kerven, ’t dik-stollend bloed, de rottende blauw-omkringde gaten met de kwalletjes pap en den druipenden, ei-gelen etter. Een wond, hoog bij de bil, was het grootst. Al het vleesch er om heen, verweekt en vervreten, kromp naar ’n etterend hol, vinger-wijd, vlaknaast ’t beenige jukken der ruggegraat, en er boven, in ’t midden van den rug, plakte ’t smerig be-etterde hemd, was ’n andre rottende plek. Op het matras, vaal betrijpt, met bosjes rullige houtwol die de naden doorbarstten, droogden bloedklodders en klonten. Er was een plank, nauwlijks te zien door ’t proppen van pakken en kleeren. Een pot stond ’r zonder oor en aan spijkers hingen broeken en jassen.“O!... O!”, kreunde de jood, pogend te stutten den elboog in ’t bed.Vlug steunde hem Eleazar, maar de zieke krijschte ’t uit. ’t Eene been machtloos, was door de ontsteking kromgetrokken.“....’t Loopt af—’t Is mis”, zei-die hijgend, en terugstortend in ’t kussen begon-ie langzaam-snerpend te huilen, ’t hoofd gekeerd naar ’t beschot.“Kom”, praatte Eleazar, z’n hand drukkend: “denk an je kindren, Poddy—denk an je...”Meer zei hij niet. Elk woord ketste. Zwijgend, de oogen heet van tranen, leunde hij tegen de bedstee-deur. Rebecca bij ’t dakraam, lei met ’r hoofd op de tafel te snikken. En onafgebroken-smartlijk klonk uit het bedgat hetjammrend geweeklaag, het heftig gesnotter van den grijsaard.“Waarom huil je nou, Poddy?—Kom nou”, suste Eleazar: “hei-je geen dokter?”...“Nee”, snikte de jood: “hellept niks, niks!”...“Zal ’k ’m roepen?“’“Nee—géen dokter—geen dokter!”.“Wèl ’n dokter”, poogde Eleazar te schertsen: “dan ben je in ’n wip beter—hoor je?”...“Maansjene néé ’n dokter—maansjene jà ’n dokter”, snotterde Poddy, z’n neus langs z’n mouw wrijvend en pijn-kregel ’t hoofd schuddend.“’r Is ’n dokter gewees”, huilde Rebecca: hij hèit ’n briefie voor ’t gasthuis”...“Da’s wat moois! En je blijft hièr? Hoe ken je zoo’n gammer zijn?”...Lustloos, te moe om te spreken, wendde de zieke zich af.“Vader wil nie”, antwoordde ’t meisje.“Wil nie? Wil nie! Wat wil-je nie?”...“Nee—hij wil nie.” ...“...Poddy, Poddy hoe hei-’k ’t met je?”, brabbelde Eleazar, woordjes zoekend, schuw en triestig. Z’n gezonde stem leek hard bij ’t gebroken, stervend lichaam. Al wat je zei werdvan ’n hinderlijke grofheid, stiet af op de felle wanhoop van ’t ellendig bed met z’n etterplassen en bloedstollingen. Bij tijjen dee zwijgen je zeer, vond je de zekerheid van je stem—die pràten wou—van zoo’n schelle hatelijkheid, dat de vleezigheid van je bewegende lippen, ’t droog aanvoelen van je lijf, je warmen rug, je rustende voeten—onrustig-werklijk werden, als bij broeiend aangrommelend onweer of bij star-wit avondlicht in ’n eenzame straat.Poddy scheen niet te luistren. Het hoofd, gezakt in de deuk van ’t kussen, lag met den maagren gebogen neus naar de zij van de broeken en jassen. De ontbloote heup puilde in ’t wollig gefrommel der dekens, ’t been krom en ontvleescht, met ’n zwarten, smerig-vergoorden voet, drukte de plooien, bijna slijkrig skelet, bebloed en doorwond.Weer in denzelfden aarzlenden, tastenden toon vroeg Eleazar:“...Mot j’r niks an doen, Poddy?... Mag-ie ’t zoo làten?”...“Já! Ja! La-me légge!”, snauwde de zieke.“Nee, vadertje—dat zalle we niet”, zei Eleazar goedig. Kalm wond-die de paplappenlos, die de knie over waren gegleden, en ingehouden neus-ademend om minder den zuren stank te ruiken, trachtte-die een der wonden te reinigen. Licht-trillend bewogen z’n vingers. Het was ’n voor hem ongewoon, afzichtelijk werk. De pap van oudbakken roggebrood, klam-warm nog, zwart en weekplakkrig, bevuilde z’n handen, kleefde onder ’t koperen ringetje dat-ie als kind van Esther had gekregen. Langs z’n duim en wijsvinger, die voorzichtig-vies ’n tipje zwachtel langs ’t rottend gat wreven, glibberde etter dien hij niet dùrfde bekijken. Koud kleumde ’t zweet op z’n voorhoofd. Als-ie gekèken had was-ie flauw gevallen. Nou most-ie an niks denken, niks zien, zachjes wrijven tot ’t zoet braakrig gevoel ophield, tot-ie den papstank niet meer próéfde. Het mager, kromgetrokken been, de heup, de bil, de wonden, schenen te vervagen, blauw-wittig te neevlen. Een oogenblik hingen z’n vingers futloos, diep-doopend in etter en bloed—dan wreef-ie weer, starrend, doodsbleek, met pijn in het achterhoofd, de oogen omwald. Eerst na ’n poos werd-ie stérk, dorst ’t been te bezien, nam uit den ketel lauw water, bette met ’n helder lapje dat Rebecca anreikte. ’t Kon niethelpen. ’r Waren te veel wonden, vervuild en door-etterd. Zoo mòcht je ’n wond niet behandlen. Ze zeien dat water koud-vuur gaf. In godsnaam—je most ’t wagen—erger as ’t ingevreten, slijmend vuil zou ’t niet zijn. Rustig, geduldig-sussend, sponsde hij ’t linnen in ’t soepbord dat ’t meisje bij ’t bed hield en z’n afkeer overwinnend, bette hij met schuchtere duwtjes tot de etterlaag was verweekt en ’t lijk-rossig vleesch om de wreede gaten bobbelde. Maar de wond boven de bil wàs niet te wasschen. Ze geleek een gedrochtlijke wel, niet te stuiten. Vaal-gele etter, bloed-slijmrig dooraerd, vloeide gestadig alsof ’n buil was verplet. En de zieke kreunde zoo pijnlijk, duwde de helpende hand zoo driftig, dat Eleazar ’t opgaf en zachtoverredend ’n verband om de lendenen poogde te leggen. Toen, omdat Poddy geen ànder hemd had, trok-ie ’t vuile, door-etterde glad, schudde voorzichtig ’t bed, stopte de deken onder de oksels, glimlachte den ouden jood toe.“...Bin ’k geen dókter, Poddy?... Voel je je niet as ’n prins?”Verlucht, verfrischt door ’t water op de wonden, knikte de Pool. Ja, zóo lag-ie veul beter. Alleenig ’t bed, lomp van bulten, schrijnde, sneein z’n rug. En de luize, die mamsertomme van luize! Bloed schene ze te ruike. As-ie sliep maakte ze ’m wakker. Z’n arm zat vol blare. En stèke as ze deeë. ’t Was ’n ràmp. Tegen eene die je knapte kwamme d’r tien werom. Cigarettetabak, peper, niks hielp. As je ’n kaars bij ’t bed hield zag-ie ze loope, soms tien tegelijk—’n ramp bij ’n ramp—om je vijande toe te wensche. Hoestend, diep adem-zuigend, klaagde-ie tot ’t lèkker liggen, de weer-uitgerustheid, de mindere gloeiing der wonden ’m vroolijk deed praten. De soep die van z’n bille was gekomme ènne ’t bord most Eli maar in de goot smijte òver ’t dak. Daar kon niemand z’n maal mee doen. Enne d’r zat smèt in. Sally en Rozetje hadde nog voor twee weke bij ’m in de bedstee geslape. Dat moch niemeer voor de dokter—nou leje ze àllemaal op de grond.“...De dokter,” viel Eleazar ’m in de rede: “maar as je nou toch ’n briefie voor ’t gasthuis heb—waarom laat jij je dan niet beter maken?”“Bèsser,” begon Poddy te gijnen: “besser? Weiss ich viel waas ich allemaal heb!... Dáar hei-’k ’n gat en hiér hei-’k ’n gat—enne ’ngat in me togus—da’s vièr gatte—te veul om te noeme! Me kop van me romp dat de dokter ’t zelvers nie-weet. ’n Puist in me nier, zeit-ie—nou vraag ’k jou!—Waas is ’n puist in me nier?—’n Puist op je neus daar hei-’k meer over gehoord, maar ’n puist in me nier! Waas ’n schtos! Weet jij waar zit me nier? Dan ken jij likke mir!... ’n Brief-ie voor ’t gasthuis, nòg!—Al kreeg ’k ’r tien danne nòg nie!... Ken ’k in ’t gasthuis me kindere d’r monde schtoppe? Wie zel ze te vrete geve as-’k gaule leg in ’n gasthuis?—’n Puist in me nier!—Hier let ’k teminste nog op hoe Joozep cigarette maakt en as me godbeware wat overkomp, is ’t in me èigen vuil—Rebecca zet jij ’t pappie maar op. Pàppe is voor alles goed. Da’s ’n ouwerwetsch maar ’n gebencht middel. Zal ’k jòu ’s wat zegge: ’t is ’n bedorreve maag—misschien hei-’k te veul vleesch gefresse—’n krimmel ’n ongeluk in ’n jaar tijd”...Hij lachte om de eigen aardigheid, hoestte, zuchtte plezierig nou-die zoo tof lee.“...Pappen,” redeneerde Eleazar, die bij ’t bed zat, terwijl Rebecca de kachel porde: “pappen ken nóóit goed zijn bij open wonden”...“Ach waas! Ach waas! Pappe met roggebrood is beter as honderd frotte schtinkende drankies. Toene wij uit Rusland zijne gejaagd—’k herinner ’t me nog goed—en d’r gebeurde ons watte—’n zweer of ’n puist—dan papte me moeder, oleweschonoe, met fijngekauwd roggebrood—’n middel om over te zoene”...“Da’s ’n hééle tijd gelejen, wiè—wiè?,” praatte Eleazar, blij dat de zieke opfleurde.“...Of ’t geleje is? Misschien jà ’n halleve eeuw as ’t nie langer is. Me barmitswe most ’k nog doen. Kè-je begrijpe hóé ’t geleje is... Nóóit zel ’k ’t vergete... ’k Geloof da-’k ’t nog nie an je verteld heb”...“Nee”, zei Eleazar, zich flauw ’t verhaal dien avond bij Suikerpeer herinnerend, toen Poddy met Dovid ruzie had.De zieke steunde ’n elboog op ’t kussen en met de omrande oogen de scheuren van het plankenbeschot doorzwervend, sprak-ie bijna stug, soms den ouwen kop schuddend als-ie ’t zag gebeuren:“...Hei-je wel is hoore prate van Wodoskofsky? Nog nooit, hè? Da’s eender asof-ie in Wodoskofsky zou spreke van Uileburg of Marken.—Waas schadt ’t?—’t Komp ’r nie op-an!—De naam doet ’r nie-toe. Zeg voor mijn part Pompschtok!—An ’n sjabbesavond lee ’k in me bed—misschien jà was ’k tien jare—enne daar ha-je de poppe an ’t danse. Dùizende stonge d’r voor de deur en wadde ze maar grijpe konde, dat smete ze, stront, steene, vullis—Wat moste wij doen, zes tegen ’n pak gojjiem? De eenige Jehoediem ware wij, me vader, me moeder, me oome, me tante, me zussie enne ik. Ze hadde makkelek moorde, de kankerkoppe, de bloedhonde. Eerst hebbe ze de deur met olie gesmeerd enne met pek enne met—met—weisz ich viel!—toèn hebbe ze ’t angestoke. Nog zie ’k de vlamme, ’t vuur. Wad-je in je kindsche jare gebeurt vergeet je nie lich—vlamme tot ’t dak—enne ’n rook om de darme uit je lijf te spoege.—As bezetene vloge we door mekander. We smoorde kompleet. Op eene brakke ze de deur, kwamme ze de trap op. Vooran sting me oom. Die krege ze te pakke—’t is nie om te beschrijve—met ’n bonk ijzer sloege ze ’m op z’n herzens, dad-’t bloed ’r uit schpatte—toen schlierde ze ’m over straat, ’t geteisem, ’t ettergespuis.—Met d’rhakke trapte ze op z’n gezich—’t vel hing d’r met lappe bij—de kleere trokke ze van z’n lijf tot-ie d’r nakend bij lag—’n woord ’n ongeluk dad-’k ’r an lieg, ze bonde ’n touw an z’n mannelijkheid—zoo trok ’t pareigem ’m vort.—Van me tante, die ze óók zerreist hebbe, vertelde me moeder dad-ze d’r borste afgekneld hebbe en d’r op d’r zwangere buik getrap.—Ik was gekrope in ’n kast met me nichie bij me. We hielde onze aasem in, dorste geen vin te verroere. Benauwd as we ’t hadde in de smook! Geen hand voor ooge kon je zien—bloed zat je te zweete. Toen, Adenoj, hadde ze me vader gevonde—we hoorde ze vechte en krijsche en schelde en vloeke.—Ik an ’t huile in de kast—en me nich, ’n meissie van twaalef, was bij god nog zoo googem en gewikst om me in me arme te knijpe—anders had-’k ’t uitgegild. Me vader schreeuwde as ’n razende. An arme en beene lee-die gebonde—met ’n nijptang scheurde ze z’n tong uit z’n mond.—De kozakke kwamme toen ’t te laat was—natuurlijk—rissches geweest—enkel rissches geweest.—Zal ’k je meer van die narigheid vertelle? Misschien geloof je ’t nie-eens as ’k ’t jà vertel. ’k Weetwel, ’t is nie om te geloove. Zoo ies mot je méemake.—’n Dag later zijne we vortgegaan, Of we wòue of nie, we moste! Hoe kon ’n vrouw blijve alleen met ’n man an wie ze de tong hadde uitgescheurd en met twee kindere? We hebbe gezworve door Duitschland—enne door Oostenrijk enne door Engeland—de halleve wereld hebbe we overgezworve enne overal met rotte appele gegooid. ’n Hond behandele ze beter as ’n jid.—D’r honde geve ze te vréte. Daar koope ze kettings, halsbande voor.—Daar besteje ze somme, kappitale an! En ’n jid? Wat is ’n jid? Van me geboorte af ken ’k niks as sof, slecht vrete en zuipe, van me geboorte niks as schwiejeniejen—met zorreg sta je op—met zorreg ga je na bed—en in zorreg krippeer je”...Even was ’t stil, klonk flauw-echoënd ’n kijvende, schelle stem op de binnenplaats. Rebecca, ernstig van luistren, keek stroef-starend naar ’t zeil van de tafel, zwaar van peinzing als ’n kind dat ’n wonderverhaal heeft gehoord. Door de domp-kleine kamer ging een benauwend gezwijg. De oude jood, achterover geknakt, ademde steunend, de oogen gesloten, den mond en den neus ende rimpels als harde knarsen in ’t barstig gewar van den baard.“Je was eerst zoo vroolijk”, zei Eleazar: “en nou—wààrom rakel je die dingen op?... ’n Arme christen heeft ’t niet beter as jij.—Onderscheid is ’r niet, wat?”“Schiet ’k daar mee op? Wat is me winst?”, gromde Poddy, opnieuw kreeglig na ’t lange gepraat: “Is ’r geen onderscheid tusschen ’n gesjochte goj en ’n gesjochte jid? Narrigkat! Al is ’n goj nòg zoo gesjochte—heit-ie vóorrech, is-die bemazzel! Wordt ’n arme goj nagescholde op straat? Heit iemand ’t rech ’m schmáús te noeme? Mag jij op hùllie Zondag negotie schreeuwe?”“...Dat zijne zoo geen héel-groote verschillen”, redeneerde Eleazar voorzichtig, bevreesd ’m driftig te maken en pogend ’m af te leiden: “alleen in ’n narrenhuis kan ’n nar op de narrige inval kommen dat ’n arme christen en ’n arme jood ’n ander soort maag en ’n ander soort hersens hebben! Málle Poddy! As je ’n christen in Rusland was geweest, zònder centen, wat dan? Wat dan? Groot verschil of je door ’n dollen reu of door ’n dolle teef wor gebeten! Wat?”“Enne d’r rissches—d’r haat—wáár jekomp?”—, vroeg de Pool, zich half oprichtend: “ik zeg nòg is: wordt ’n goj over straat nagescholde?”Even brandde in Eleazar de weerbarstigheid om wat in ’m vaststond te zeggen—dat ’t taai afzijdig-blijven van de joden—d’r koppelen onder mekaar—altijd onder mekaar—làng na de ghetto’s—’t duiten-trouwen van geloofsgenooten, neefies en nichten, met ’t gevolg van ontaarden en krankzinnigen—’t smadelijke van ’t zich uitverkoren wanen—’t schreeuwend-gemeene om drank en spijzen van christenen als besmet te beschouwen en zooveel meer als ’n bekrompen religie die in oertijden wortelde, voorschreef, ’n haat, ’n geweldigen haat waard bleven—even had-ie moeite met wat ’m op de lippen lag, dat ’n volk dat de eigen ontaarding niet besefte, gehoond, geschimpt moest worden, maar den zieke over zich ziend, den man die zooveel in stompzinnigheid en waanzin van weerskanten had geleden, zei-ie eenvoudig-glimlachend meepratend:“....Nee ’n goj wordt niet gescholde—daarin hei-je gelijk.”“Wat zanik-ie dan tegen!,” drensde Poddy, ongemakkelijk steunend: “’n straathondheit ’t beter as ’n arreme jid! Bij God! Bij God!”—en weer terugzakkend in ’t bed, zuchtte-die in vlakke, levensbeue wanhoop: “as ’k gif had, gaf ’k me kindere gif in d’r lijf—vóór ’k krippeerde”...“Ho! Ho! Gift kost cente!”, lachte Eleazar.“Gif kost cente—kost cente—alles kost cente,” zei de zieke, zich in kreun omdraaiend: “maar ’n lucifer ka-je altijd machtig worde—altijd—As ’k in Wodoskofsky verbrand was, ha’k geen armoeinest gemaakt. Schurftige beeste krijge schurftige jonge.” ...“Je kindere,” viel Eleazar hem in de rede, maar Poddy beet ’m af: “me kindere,” zei-die dreigend en driftig: “’n Verlamming voor de god—is-dat God?—die gezeid heit ga en vermenigvuldig je! Poeroe oerwoe ... ’n Verlamming! Vermenigvuldige in wat? Vermenigvuldige in armoei, dalles. Ga—hou ’n uitbranding zal-die gemeend hebbe!”“Poddy—je wint niks met je op te winden—Kijk, nou is me mooie zwachtel verschoven. Leg stil—dan trek ’k ’m an”...Nog eens hielp-ie den zieke, die de oogen gesloten hield en als ’n kwaadaardig dier gromde. De linnen reepen duwde-ie hooger,’t beddetijk strekte-ie glad. Poddy, pijnlijk en koortsig, sloeg de helpende hand weg.“Schei uit!”, riep-ie korzelig: “je schrijnt me wonde kapot. Blijf ’r af!”“Dan niet,” zei Eleazar geduldig, Rebecca wenkend den zieke met rust te laten.Hij wist van z’n eigen ziekbed hoe je bij tijjen om ’n kleinigheid verstoord kon wezen—en wat moest iemand zich ellendig voelen met zùlke afzichtelijke wonden.“Wille we nog wat pràte?”—, vroeg-ie “of wil je da’k weg ga?”“Me zorg—me zorg—as je mijn maar laat legge,” gromde Poddy.Op ’t vensterkozijn streek ’n musch tsilpend en vladdrend.“Ook ’n armoedzaaier,” lachte Eleazar.De zieke bewoog niet, gemelijk, koortsig. Dan voelend dat-ie iets zeggen moest aan den jongen man, die in verlegen hartelijkheid over ’m zat, zei-ie in pijnlijke hijging: “Wie geht’s—wie geht’s met juillie schtaking?”“Met de staking,” antwoordde Eleazar, blij dat de grijsaard praatte: “met de staking gaat ’t krom en scheef—slècht—slècht... zoo goed as verloren”...“Zoo,” zei Poddy, sterk zuchtend. Vreemd blies de adem door z’n neusgaten en de vingers wriemden hard-plukkend. Toen lag-ie heelemaal stil, de oogen verdoft in de dik-roode randen.Eleazar stond op, trok het dek naar ’t voeteneind, stopte de deken onder de armen.Koorts-driftig weerde de zieke ’m af. De zwachtels, weder door-etterd, plakten aan de houtwol van ’t matras. Kreunend woelde hij zich bloot, wilde niet geholpen worden.De oogen heet-koortsig vergroot, groen-flitsten in ’t donker der bedstee. Hij had dorst, dronk gulzig-slurpend de koude thee, die Rebecca ’m gaf, vroeg vloekend om pap. Dan klagerig-schreiend, afrukkend de broeiende lappen, bekeek-ie, zoover-ie zich buigen kon, de rottende gaten van z’n heup en ’t been.“Poddy!”, zei Eleazar.“...Hou je bek!”, snauwde de jood, half-opzittend, de hand om de bedsteeplank gewrongen: “wat doe ’k met je gelul!... Voor mijn part ... voor mijn part... Ansteke doe ’k de boel... Uitbrande van onder tot boven... Alles na de raschmedei da’s ’t beste... ’n Uitsterving”...Diep-snottrend, wanhopig-huilend, bonsde-die ’t hoofd met de wilde baardslieren tegen ’t beschot van het bedhok, vervloekend z’n kromgetrokken been, krijschend over de luizen die de etterwonden bekropen, schreeuwend om lucht.Gruwlijk-beangst schoof Rebecca ’t raam op, verjagend de tsilpende musch. De zoete, rottende pislucht der dakgoot traagde ’t kamertje binnen.

Gehurkt in de bedstee, kreunend en vloekend, hield de poolsche jood de deur open. Z’n stok kromde als een hand om den knop, viel op den grond toen ze de trap af kwamen.

“Mod-’k me tong uit me bek schreeuwe!”, snauwde hij, hijgend—: “waàr... waàr...” ’n Logge slijmhoest benauwde hem plotsling, doorbaste ’t beenig lijf. De nagels in de bedsteeplank gewrongen, den vaalrooden rimpelkop met de wilde baardslieren diep in stuipschudding gebogen, kraakhoestte-die, inslurpend den adem met fluitende kreunen, dan weer donker-rogglend op braken af. Het schuimig kwijl droop langs den baard op den paars-groenen borstrok, alle sneden in ’t harde gelaat werden wit door ’t gespan van de huid, ’t vinnig gezwel aan den mondhoek purperde fel alsof ’t zou bersten.

“Drink-’s, vader!”—, riep angstig Rebecca.

Driftig weerde hij ’r af, richtte pijnlijk-grijpend zich op. De deken glee en bij het reutelend hijgen, dat den kop ver-paarste, de aêren zwart-striemend deed zwellen, kwam de heup met ’r bloedende wonden en gaten bloot. De lappen grijsklamme pap, vervuild en doortrokken van strooperig bloed, zakten het been langs tot over de knie. Een oogenblik klonk ’t raspend geroggel, ’t slurpen der strot zoo klagerig-scheurend, dat Rebecca begon te schreien en Eleazar dacht dat-ie zou stikken.

“Drink dan ’s, vader!”—, huilde ’t meisje, ’t glas in de angstig-bevende hand.

“Hoor je niet, Poddy? Drink is!—”, drong Eleazar aan, zèlf ’t glas nemend. Stomp-hijgend, lippen die koortsig mumden, slikte de zieke en opnieuw hoestte hij rauw, wringend ’t lijf uit het dek, de oogen beloopen, den mond als een smartgeul in ’t schuim en de kwijlige klodders van den baard. De bedstee stond in schemer. De deur aan de raamzij, schuin-open, onderschepte ’t licht van ’n raam, goor van stofbultige ruitjes, waarachter ’t schubbig vaal-slijkrig kwakken en ribblen van ouwe dakpannen. De poolsche jood, half naakt, deettrende heup kil belicht, de handen knoestig geklemd om ’t hout, den baardigen kop in martling bewogen, leek in ’t scheemrende, morsige bedhok zoo afzichtlijk ziek en benauwd, dat Eleazar terug-schrikte en ’t slingrende glas water uitgulpte. Niet sprekend keken ze toe, tot ’n reutlender, brakender hoest lucht scheen te geven en een fel-gele roggel met zware bloedvinnen langs den baard op den grond klette. Toen zakte-die kreunend, zwakker na-hoestend terug. Op ’t voorhoofd, rimpel-doorgroefd als ’t gelaat, kleefden grijzende haren in zweet. Uit den mond, wild vergrimd, rukte de adem, stootend en kermend.

“Zal ’k je helpen?”—, vroeg Eleazar.

De knooklige hand in het bedhok schudde afwijzend.

Kort knerste de voet van den jongen man over ’t bloed en ’t slijm en een rillige weeheid doorgriezelde hem bij ’t zien zoo-dichtbij van de heup, de kerven, ’t dik-stollend bloed, de rottende blauw-omkringde gaten met de kwalletjes pap en den druipenden, ei-gelen etter. Een wond, hoog bij de bil, was het grootst. Al het vleesch er om heen, verweekt en vervreten, kromp naar ’n etterend hol, vinger-wijd, vlaknaast ’t beenige jukken der ruggegraat, en er boven, in ’t midden van den rug, plakte ’t smerig be-etterde hemd, was ’n andre rottende plek. Op het matras, vaal betrijpt, met bosjes rullige houtwol die de naden doorbarstten, droogden bloedklodders en klonten. Er was een plank, nauwlijks te zien door ’t proppen van pakken en kleeren. Een pot stond ’r zonder oor en aan spijkers hingen broeken en jassen.

“O!... O!”, kreunde de jood, pogend te stutten den elboog in ’t bed.

Vlug steunde hem Eleazar, maar de zieke krijschte ’t uit. ’t Eene been machtloos, was door de ontsteking kromgetrokken.

“....’t Loopt af—’t Is mis”, zei-die hijgend, en terugstortend in ’t kussen begon-ie langzaam-snerpend te huilen, ’t hoofd gekeerd naar ’t beschot.

“Kom”, praatte Eleazar, z’n hand drukkend: “denk an je kindren, Poddy—denk an je...”

Meer zei hij niet. Elk woord ketste. Zwijgend, de oogen heet van tranen, leunde hij tegen de bedstee-deur. Rebecca bij ’t dakraam, lei met ’r hoofd op de tafel te snikken. En onafgebroken-smartlijk klonk uit het bedgat hetjammrend geweeklaag, het heftig gesnotter van den grijsaard.

“Waarom huil je nou, Poddy?—Kom nou”, suste Eleazar: “hei-je geen dokter?”...

“Nee”, snikte de jood: “hellept niks, niks!”...

“Zal ’k ’m roepen?“’

“Nee—géen dokter—geen dokter!”.

“Wèl ’n dokter”, poogde Eleazar te schertsen: “dan ben je in ’n wip beter—hoor je?”...

“Maansjene néé ’n dokter—maansjene jà ’n dokter”, snotterde Poddy, z’n neus langs z’n mouw wrijvend en pijn-kregel ’t hoofd schuddend.

“’r Is ’n dokter gewees”, huilde Rebecca: hij hèit ’n briefie voor ’t gasthuis”...

“Da’s wat moois! En je blijft hièr? Hoe ken je zoo’n gammer zijn?”...

Lustloos, te moe om te spreken, wendde de zieke zich af.

“Vader wil nie”, antwoordde ’t meisje.

“Wil nie? Wil nie! Wat wil-je nie?”...

“Nee—hij wil nie.” ...

“...Poddy, Poddy hoe hei-’k ’t met je?”, brabbelde Eleazar, woordjes zoekend, schuw en triestig. Z’n gezonde stem leek hard bij ’t gebroken, stervend lichaam. Al wat je zei werdvan ’n hinderlijke grofheid, stiet af op de felle wanhoop van ’t ellendig bed met z’n etterplassen en bloedstollingen. Bij tijjen dee zwijgen je zeer, vond je de zekerheid van je stem—die pràten wou—van zoo’n schelle hatelijkheid, dat de vleezigheid van je bewegende lippen, ’t droog aanvoelen van je lijf, je warmen rug, je rustende voeten—onrustig-werklijk werden, als bij broeiend aangrommelend onweer of bij star-wit avondlicht in ’n eenzame straat.

Poddy scheen niet te luistren. Het hoofd, gezakt in de deuk van ’t kussen, lag met den maagren gebogen neus naar de zij van de broeken en jassen. De ontbloote heup puilde in ’t wollig gefrommel der dekens, ’t been krom en ontvleescht, met ’n zwarten, smerig-vergoorden voet, drukte de plooien, bijna slijkrig skelet, bebloed en doorwond.

Weer in denzelfden aarzlenden, tastenden toon vroeg Eleazar:

“...Mot j’r niks an doen, Poddy?... Mag-ie ’t zoo làten?”...

“Já! Ja! La-me légge!”, snauwde de zieke.

“Nee, vadertje—dat zalle we niet”, zei Eleazar goedig. Kalm wond-die de paplappenlos, die de knie over waren gegleden, en ingehouden neus-ademend om minder den zuren stank te ruiken, trachtte-die een der wonden te reinigen. Licht-trillend bewogen z’n vingers. Het was ’n voor hem ongewoon, afzichtelijk werk. De pap van oudbakken roggebrood, klam-warm nog, zwart en weekplakkrig, bevuilde z’n handen, kleefde onder ’t koperen ringetje dat-ie als kind van Esther had gekregen. Langs z’n duim en wijsvinger, die voorzichtig-vies ’n tipje zwachtel langs ’t rottend gat wreven, glibberde etter dien hij niet dùrfde bekijken. Koud kleumde ’t zweet op z’n voorhoofd. Als-ie gekèken had was-ie flauw gevallen. Nou most-ie an niks denken, niks zien, zachjes wrijven tot ’t zoet braakrig gevoel ophield, tot-ie den papstank niet meer próéfde. Het mager, kromgetrokken been, de heup, de bil, de wonden, schenen te vervagen, blauw-wittig te neevlen. Een oogenblik hingen z’n vingers futloos, diep-doopend in etter en bloed—dan wreef-ie weer, starrend, doodsbleek, met pijn in het achterhoofd, de oogen omwald. Eerst na ’n poos werd-ie stérk, dorst ’t been te bezien, nam uit den ketel lauw water, bette met ’n helder lapje dat Rebecca anreikte. ’t Kon niethelpen. ’r Waren te veel wonden, vervuild en door-etterd. Zoo mòcht je ’n wond niet behandlen. Ze zeien dat water koud-vuur gaf. In godsnaam—je most ’t wagen—erger as ’t ingevreten, slijmend vuil zou ’t niet zijn. Rustig, geduldig-sussend, sponsde hij ’t linnen in ’t soepbord dat ’t meisje bij ’t bed hield en z’n afkeer overwinnend, bette hij met schuchtere duwtjes tot de etterlaag was verweekt en ’t lijk-rossig vleesch om de wreede gaten bobbelde. Maar de wond boven de bil wàs niet te wasschen. Ze geleek een gedrochtlijke wel, niet te stuiten. Vaal-gele etter, bloed-slijmrig dooraerd, vloeide gestadig alsof ’n buil was verplet. En de zieke kreunde zoo pijnlijk, duwde de helpende hand zoo driftig, dat Eleazar ’t opgaf en zachtoverredend ’n verband om de lendenen poogde te leggen. Toen, omdat Poddy geen ànder hemd had, trok-ie ’t vuile, door-etterde glad, schudde voorzichtig ’t bed, stopte de deken onder de oksels, glimlachte den ouden jood toe.

“...Bin ’k geen dókter, Poddy?... Voel je je niet as ’n prins?”

Verlucht, verfrischt door ’t water op de wonden, knikte de Pool. Ja, zóo lag-ie veul beter. Alleenig ’t bed, lomp van bulten, schrijnde, sneein z’n rug. En de luize, die mamsertomme van luize! Bloed schene ze te ruike. As-ie sliep maakte ze ’m wakker. Z’n arm zat vol blare. En stèke as ze deeë. ’t Was ’n ràmp. Tegen eene die je knapte kwamme d’r tien werom. Cigarettetabak, peper, niks hielp. As je ’n kaars bij ’t bed hield zag-ie ze loope, soms tien tegelijk—’n ramp bij ’n ramp—om je vijande toe te wensche. Hoestend, diep adem-zuigend, klaagde-ie tot ’t lèkker liggen, de weer-uitgerustheid, de mindere gloeiing der wonden ’m vroolijk deed praten. De soep die van z’n bille was gekomme ènne ’t bord most Eli maar in de goot smijte òver ’t dak. Daar kon niemand z’n maal mee doen. Enne d’r zat smèt in. Sally en Rozetje hadde nog voor twee weke bij ’m in de bedstee geslape. Dat moch niemeer voor de dokter—nou leje ze àllemaal op de grond.

“...De dokter,” viel Eleazar ’m in de rede: “maar as je nou toch ’n briefie voor ’t gasthuis heb—waarom laat jij je dan niet beter maken?”

“Bèsser,” begon Poddy te gijnen: “besser? Weiss ich viel waas ich allemaal heb!... Dáar hei-’k ’n gat en hiér hei-’k ’n gat—enne ’ngat in me togus—da’s vièr gatte—te veul om te noeme! Me kop van me romp dat de dokter ’t zelvers nie-weet. ’n Puist in me nier, zeit-ie—nou vraag ’k jou!—Waas is ’n puist in me nier?—’n Puist op je neus daar hei-’k meer over gehoord, maar ’n puist in me nier! Waas ’n schtos! Weet jij waar zit me nier? Dan ken jij likke mir!... ’n Brief-ie voor ’t gasthuis, nòg!—Al kreeg ’k ’r tien danne nòg nie!... Ken ’k in ’t gasthuis me kindere d’r monde schtoppe? Wie zel ze te vrete geve as-’k gaule leg in ’n gasthuis?—’n Puist in me nier!—Hier let ’k teminste nog op hoe Joozep cigarette maakt en as me godbeware wat overkomp, is ’t in me èigen vuil—Rebecca zet jij ’t pappie maar op. Pàppe is voor alles goed. Da’s ’n ouwerwetsch maar ’n gebencht middel. Zal ’k jòu ’s wat zegge: ’t is ’n bedorreve maag—misschien hei-’k te veul vleesch gefresse—’n krimmel ’n ongeluk in ’n jaar tijd”...

Hij lachte om de eigen aardigheid, hoestte, zuchtte plezierig nou-die zoo tof lee.

“...Pappen,” redeneerde Eleazar, die bij ’t bed zat, terwijl Rebecca de kachel porde: “pappen ken nóóit goed zijn bij open wonden”...

“Ach waas! Ach waas! Pappe met roggebrood is beter as honderd frotte schtinkende drankies. Toene wij uit Rusland zijne gejaagd—’k herinner ’t me nog goed—en d’r gebeurde ons watte—’n zweer of ’n puist—dan papte me moeder, oleweschonoe, met fijngekauwd roggebrood—’n middel om over te zoene”...

“Da’s ’n hééle tijd gelejen, wiè—wiè?,” praatte Eleazar, blij dat de zieke opfleurde.

“...Of ’t geleje is? Misschien jà ’n halleve eeuw as ’t nie langer is. Me barmitswe most ’k nog doen. Kè-je begrijpe hóé ’t geleje is... Nóóit zel ’k ’t vergete... ’k Geloof da-’k ’t nog nie an je verteld heb”...

“Nee”, zei Eleazar, zich flauw ’t verhaal dien avond bij Suikerpeer herinnerend, toen Poddy met Dovid ruzie had.

De zieke steunde ’n elboog op ’t kussen en met de omrande oogen de scheuren van het plankenbeschot doorzwervend, sprak-ie bijna stug, soms den ouwen kop schuddend als-ie ’t zag gebeuren:

“...Hei-je wel is hoore prate van Wodoskofsky? Nog nooit, hè? Da’s eender asof-ie in Wodoskofsky zou spreke van Uileburg of Marken.—Waas schadt ’t?—’t Komp ’r nie op-an!—De naam doet ’r nie-toe. Zeg voor mijn part Pompschtok!—An ’n sjabbesavond lee ’k in me bed—misschien jà was ’k tien jare—enne daar ha-je de poppe an ’t danse. Dùizende stonge d’r voor de deur en wadde ze maar grijpe konde, dat smete ze, stront, steene, vullis—Wat moste wij doen, zes tegen ’n pak gojjiem? De eenige Jehoediem ware wij, me vader, me moeder, me oome, me tante, me zussie enne ik. Ze hadde makkelek moorde, de kankerkoppe, de bloedhonde. Eerst hebbe ze de deur met olie gesmeerd enne met pek enne met—met—weisz ich viel!—toèn hebbe ze ’t angestoke. Nog zie ’k de vlamme, ’t vuur. Wad-je in je kindsche jare gebeurt vergeet je nie lich—vlamme tot ’t dak—enne ’n rook om de darme uit je lijf te spoege.—As bezetene vloge we door mekander. We smoorde kompleet. Op eene brakke ze de deur, kwamme ze de trap op. Vooran sting me oom. Die krege ze te pakke—’t is nie om te beschrijve—met ’n bonk ijzer sloege ze ’m op z’n herzens, dad-’t bloed ’r uit schpatte—toen schlierde ze ’m over straat, ’t geteisem, ’t ettergespuis.—Met d’rhakke trapte ze op z’n gezich—’t vel hing d’r met lappe bij—de kleere trokke ze van z’n lijf tot-ie d’r nakend bij lag—’n woord ’n ongeluk dad-’k ’r an lieg, ze bonde ’n touw an z’n mannelijkheid—zoo trok ’t pareigem ’m vort.—Van me tante, die ze óók zerreist hebbe, vertelde me moeder dad-ze d’r borste afgekneld hebbe en d’r op d’r zwangere buik getrap.—Ik was gekrope in ’n kast met me nichie bij me. We hielde onze aasem in, dorste geen vin te verroere. Benauwd as we ’t hadde in de smook! Geen hand voor ooge kon je zien—bloed zat je te zweete. Toen, Adenoj, hadde ze me vader gevonde—we hoorde ze vechte en krijsche en schelde en vloeke.—Ik an ’t huile in de kast—en me nich, ’n meissie van twaalef, was bij god nog zoo googem en gewikst om me in me arme te knijpe—anders had-’k ’t uitgegild. Me vader schreeuwde as ’n razende. An arme en beene lee-die gebonde—met ’n nijptang scheurde ze z’n tong uit z’n mond.—De kozakke kwamme toen ’t te laat was—natuurlijk—rissches geweest—enkel rissches geweest.—Zal ’k je meer van die narigheid vertelle? Misschien geloof je ’t nie-eens as ’k ’t jà vertel. ’k Weetwel, ’t is nie om te geloove. Zoo ies mot je méemake.—’n Dag later zijne we vortgegaan, Of we wòue of nie, we moste! Hoe kon ’n vrouw blijve alleen met ’n man an wie ze de tong hadde uitgescheurd en met twee kindere? We hebbe gezworve door Duitschland—enne door Oostenrijk enne door Engeland—de halleve wereld hebbe we overgezworve enne overal met rotte appele gegooid. ’n Hond behandele ze beter as ’n jid.—D’r honde geve ze te vréte. Daar koope ze kettings, halsbande voor.—Daar besteje ze somme, kappitale an! En ’n jid? Wat is ’n jid? Van me geboorte af ken ’k niks as sof, slecht vrete en zuipe, van me geboorte niks as schwiejeniejen—met zorreg sta je op—met zorreg ga je na bed—en in zorreg krippeer je”...

Even was ’t stil, klonk flauw-echoënd ’n kijvende, schelle stem op de binnenplaats. Rebecca, ernstig van luistren, keek stroef-starend naar ’t zeil van de tafel, zwaar van peinzing als ’n kind dat ’n wonderverhaal heeft gehoord. Door de domp-kleine kamer ging een benauwend gezwijg. De oude jood, achterover geknakt, ademde steunend, de oogen gesloten, den mond en den neus ende rimpels als harde knarsen in ’t barstig gewar van den baard.

“Je was eerst zoo vroolijk”, zei Eleazar: “en nou—wààrom rakel je die dingen op?... ’n Arme christen heeft ’t niet beter as jij.—Onderscheid is ’r niet, wat?”

“Schiet ’k daar mee op? Wat is me winst?”, gromde Poddy, opnieuw kreeglig na ’t lange gepraat: “Is ’r geen onderscheid tusschen ’n gesjochte goj en ’n gesjochte jid? Narrigkat! Al is ’n goj nòg zoo gesjochte—heit-ie vóorrech, is-die bemazzel! Wordt ’n arme goj nagescholde op straat? Heit iemand ’t rech ’m schmáús te noeme? Mag jij op hùllie Zondag negotie schreeuwe?”

“...Dat zijne zoo geen héel-groote verschillen”, redeneerde Eleazar voorzichtig, bevreesd ’m driftig te maken en pogend ’m af te leiden: “alleen in ’n narrenhuis kan ’n nar op de narrige inval kommen dat ’n arme christen en ’n arme jood ’n ander soort maag en ’n ander soort hersens hebben! Málle Poddy! As je ’n christen in Rusland was geweest, zònder centen, wat dan? Wat dan? Groot verschil of je door ’n dollen reu of door ’n dolle teef wor gebeten! Wat?”

“Enne d’r rissches—d’r haat—wáár jekomp?”—, vroeg de Pool, zich half oprichtend: “ik zeg nòg is: wordt ’n goj over straat nagescholde?”

Even brandde in Eleazar de weerbarstigheid om wat in ’m vaststond te zeggen—dat ’t taai afzijdig-blijven van de joden—d’r koppelen onder mekaar—altijd onder mekaar—làng na de ghetto’s—’t duiten-trouwen van geloofsgenooten, neefies en nichten, met ’t gevolg van ontaarden en krankzinnigen—’t smadelijke van ’t zich uitverkoren wanen—’t schreeuwend-gemeene om drank en spijzen van christenen als besmet te beschouwen en zooveel meer als ’n bekrompen religie die in oertijden wortelde, voorschreef, ’n haat, ’n geweldigen haat waard bleven—even had-ie moeite met wat ’m op de lippen lag, dat ’n volk dat de eigen ontaarding niet besefte, gehoond, geschimpt moest worden, maar den zieke over zich ziend, den man die zooveel in stompzinnigheid en waanzin van weerskanten had geleden, zei-ie eenvoudig-glimlachend meepratend:

“....Nee ’n goj wordt niet gescholde—daarin hei-je gelijk.”

“Wat zanik-ie dan tegen!,” drensde Poddy, ongemakkelijk steunend: “’n straathondheit ’t beter as ’n arreme jid! Bij God! Bij God!”—en weer terugzakkend in ’t bed, zuchtte-die in vlakke, levensbeue wanhoop: “as ’k gif had, gaf ’k me kindere gif in d’r lijf—vóór ’k krippeerde”...

“Ho! Ho! Gift kost cente!”, lachte Eleazar.

“Gif kost cente—kost cente—alles kost cente,” zei de zieke, zich in kreun omdraaiend: “maar ’n lucifer ka-je altijd machtig worde—altijd—As ’k in Wodoskofsky verbrand was, ha’k geen armoeinest gemaakt. Schurftige beeste krijge schurftige jonge.” ...

“Je kindere,” viel Eleazar hem in de rede, maar Poddy beet ’m af: “me kindere,” zei-die dreigend en driftig: “’n Verlamming voor de god—is-dat God?—die gezeid heit ga en vermenigvuldig je! Poeroe oerwoe ... ’n Verlamming! Vermenigvuldige in wat? Vermenigvuldige in armoei, dalles. Ga—hou ’n uitbranding zal-die gemeend hebbe!”

“Poddy—je wint niks met je op te winden—Kijk, nou is me mooie zwachtel verschoven. Leg stil—dan trek ’k ’m an”...

Nog eens hielp-ie den zieke, die de oogen gesloten hield en als ’n kwaadaardig dier gromde. De linnen reepen duwde-ie hooger,’t beddetijk strekte-ie glad. Poddy, pijnlijk en koortsig, sloeg de helpende hand weg.

“Schei uit!”, riep-ie korzelig: “je schrijnt me wonde kapot. Blijf ’r af!”

“Dan niet,” zei Eleazar geduldig, Rebecca wenkend den zieke met rust te laten.

Hij wist van z’n eigen ziekbed hoe je bij tijjen om ’n kleinigheid verstoord kon wezen—en wat moest iemand zich ellendig voelen met zùlke afzichtelijke wonden.

“Wille we nog wat pràte?”—, vroeg-ie “of wil je da’k weg ga?”

“Me zorg—me zorg—as je mijn maar laat legge,” gromde Poddy.

Op ’t vensterkozijn streek ’n musch tsilpend en vladdrend.

“Ook ’n armoedzaaier,” lachte Eleazar.

De zieke bewoog niet, gemelijk, koortsig. Dan voelend dat-ie iets zeggen moest aan den jongen man, die in verlegen hartelijkheid over ’m zat, zei-ie in pijnlijke hijging: “Wie geht’s—wie geht’s met juillie schtaking?”

“Met de staking,” antwoordde Eleazar, blij dat de grijsaard praatte: “met de staking gaat ’t krom en scheef—slècht—slècht... zoo goed as verloren”...

“Zoo,” zei Poddy, sterk zuchtend. Vreemd blies de adem door z’n neusgaten en de vingers wriemden hard-plukkend. Toen lag-ie heelemaal stil, de oogen verdoft in de dik-roode randen.

Eleazar stond op, trok het dek naar ’t voeteneind, stopte de deken onder de armen.

Koorts-driftig weerde de zieke ’m af. De zwachtels, weder door-etterd, plakten aan de houtwol van ’t matras. Kreunend woelde hij zich bloot, wilde niet geholpen worden.

De oogen heet-koortsig vergroot, groen-flitsten in ’t donker der bedstee. Hij had dorst, dronk gulzig-slurpend de koude thee, die Rebecca ’m gaf, vroeg vloekend om pap. Dan klagerig-schreiend, afrukkend de broeiende lappen, bekeek-ie, zoover-ie zich buigen kon, de rottende gaten van z’n heup en ’t been.

“Poddy!”, zei Eleazar.

“...Hou je bek!”, snauwde de jood, half-opzittend, de hand om de bedsteeplank gewrongen: “wat doe ’k met je gelul!... Voor mijn part ... voor mijn part... Ansteke doe ’k de boel... Uitbrande van onder tot boven... Alles na de raschmedei da’s ’t beste... ’n Uitsterving”...

Diep-snottrend, wanhopig-huilend, bonsde-die ’t hoofd met de wilde baardslieren tegen ’t beschot van het bedhok, vervloekend z’n kromgetrokken been, krijschend over de luizen die de etterwonden bekropen, schreeuwend om lucht.

Gruwlijk-beangst schoof Rebecca ’t raam op, verjagend de tsilpende musch. De zoete, rottende pislucht der dakgoot traagde ’t kamertje binnen.


Back to IndexNext