VII.

VII.Dienzelfden Zondagnamiddag haalde hij Saartje van school. Het regende minder snerpend-gestadig. Het asfalt der Breestraat was als een bedding van heel-ouden zandsteen door schuring van water beslepen, met staalblanke lichting waar het plein de straatlijn verbrak. In de Jodenhouttuinen morde ’t geraas der ventende joden. Er was daar een glim-zwarte oploop van tenten en scharrel van wagens die schokten op knoklige keien. De dekzeilen der karretjes en kramen huifden als schouwen, glimmrend van lakglans en er langs henen schoof ’t geduik en gedribbel van petten, het dobbrend gewieg van wijkende, voortzwemmende parapluies. Nauw was de straat. Huizen stonden in lodder van scheemring, maagre, onbuikige huizen, slaaprig als moe-gebabbelde, gapende buren met kurk-kinnebakjes en kwijnende oogjesin taanvel. Ze schurkten dicht naast mekander, met brokklende daken, puinveld van pannen en slijmrige pijpen. Wat uitstaande ramen, ramen van dobbelsteenruitjes, waren zwak van gemijmer door ’t machteloos druilwolken-licht, met bleeke weerkaatsing van mat-roestig blik. Langs het lood der kozijnen hing aan de rekken het drooggoed, bij de loods aan de voorzij een roodvoerde deken. Maar zelfs de lichtere kleuren braken niet uit den schemer van bruin-zwart, grijs-zwart en grauw-zwart, die vadzig, logzwaar, de huizen, het puin van de daken, de schoorsteenen, de tentjes omschaduwde. Overal in de stegen en sloppen hadden de woningen het ontwrichtte gebaar van ’n huis waarin brand heeft gewoed—deuren, vensterbanken, gevels schoorden geblaard en verkoold—ruiten waren gesprongen—schaduwvlammen hadden zich diep in de muren gevreten. Nu, bij het gestadig regen-neerdrensen, kreunde de steeg eene zwijgende, passieve smart over ’t bewegen der joden, was het glazig geblikker der dobbelsteenruitjes het éénig leven, ’t éénig verzet.Het was nog te vroeg voor de school. Droomerig, de handen in de zakken—telkens alsde dag ging zonder doel, had-ie uren en uren die ’n ànder voor ’m scheen te verdoen, uren van wandlen, zitten, kijken, praten, uren waarvan je geen tel hield, uren die sleepten en jaagden, uren waarvan je niks wist als je wérkelijk leefde—droomend, alles ziend zonder aandacht, indrentelde hij de Rapenburgerstraat, keek naar ’n slop—waar, achter ’t water, de pootige vormen van eene fabriek opbeukten. Als een reuzenknots was de cylinder-schoorsteen in den grond gedreund, een massale, slank-lijnende speer, hoog boven de fabriekzwaarte bruine roet-boeren gulpend, braking die uit de aarde scheen te walmen. Soms stond het stroeve gevaarte strak als ’n rotsensilhouet, inhijgend de grijsbolle weekheid der wolken, soms ontpropte een grijsbruine gulping den schoorsteenmond. Naast dien onbeweeglijken, spuwenden kegel, vlakte de fabriekswand met ’r vele celramen. De onderste waren door de onderschepping van ’t licht goorzwart, vuil-beslagen, hadden geeldoffe kozijnen—de rij er boven was zacht-lichter van glans—daàr boven hadden de ruiten het straf, plooiloos geglimmer van water in maanschijn. Het gebouw leek eenzamer, harder, door die stille glanzenderuiten, wier melkwittig spieglen het weeke der grijsbolle wolken bij ’t dak van ’t gebouw in vloeiing greep en herhaalde. Starend-in-droom, keek Eleazar beurtlings naar ’t afdrijven der wolken, soepel en rustig over het dak der fabriek en naar ’t ruiten-spel dat het schuiven en glijden deed wederkeeren. Het werden twee luchtruimen die in damping en nevel bewogen. Donkerde in de wolken een heuvel, zweefde een roetpluim grillig als ’n roofdierkop voorbij, dan kroop op het glas de teere weerspiegling, het vage, loom-trekkend beeld. Toen, ineens, was ’t weg, waaide een vette rook-smakking tusschen wolken en ruiten. De fabrieksschoorsteen flapte roetklodders de lucht in.De rook, die opgrauwende stooting van fluimen, log drijvend één zij uit, schokte hem, deed driftig ’m zoeken àchter de ramen. Het wàs er. Door ’t geglim van de vensters had-ie ’r niet dàdelijk op gelet. Achter een deel der ruiten danste aarzlend, verdwijnend, weer ros-wapperend, ’t gevlam van verstelpitten. Rook èn vlammen. Ze wèrkten daar nog. Niet alle molens stonden stil. Het oude spel van arbeid die arbeid bevocht, de gruwelvan ’t verdeeld zijn. Zenuw-vinnig beplukte Eleazar de voering van z’n broekzakken. De verstel-vlammetjes knipperden, vonkten, zakten in duister. Even bleven ze weg, schuilend, geslokt door ’t glazig geleef van de ruiten. Dan hikkend, met schokjes en drillend gesar, schoten ze, lekten ze, rood-bijtend en gelig van huppling. De rook uit den schoorsteen neergeslagen door ’n windstoot, wuierde er in zwarte slieren om henen, buil-zwaar en grauw van verneevling.“Stumpers”, zei Eleazar.’t Gesater van de verstelvlammen, het gewroet van den rook zeien àlles van den tijd. De Duitscher, die mèt ’m in ’t gasthuis in Brooklyn had gelegen, de man an wie-die zoovéel had te danken, de man die niet naar z’n land terug kon vóór z’n straf was verjaard—had wèl gelijk, als-ie telkens spòttend de arbeidersbladen las, spottend met ’t gesnork en geschetter tegen machthebbers die geen machthebbers wàren. “Woorden, woorden”, zei-die gedurig als Eleazar tegenstribbelde: “alles woorden! We hebben maar één vijand. Eén. De arbeider zelf”.... Ja, ja, dàt was ’t. Wat leek ’t glashelder dat ’n mensch, eenvoudig’n mensch was, recht had op ’n natuurlijk bestaan. En wat kostte ’t ’n overreding, ’n daaglijksch wanhopig betoog om duizenden ’n eerst haperend kinderstapje te leeren. Zon, natuur, ’t schoon-der-eeuwen, niks zagen ze, niks wisten ze, niks lééfden ze. En de nog weinigen die uit de verstikking wèg wilden, die begrepen hoe ieder uur voor miljoenen ’n foltering was, vielen ze in den rug aan, lieten ze struikelen, joegen ze mee op. Als jongen, gesleurd door de omgeving, had-ie helpen verrajen. Wat had-ie gejouwd en gejoeld toen ’r ’n optocht was in de straten, een met ’n rooie lap vooruit liep. Straatvuil en stronken waren in de jodenbuurt gesmeten—de vrouwen hadden gekrijscht en gescholden. Druif—den onderrabbijn—zag-ie nog, bleek en verwoed, schimpend op ’t uitschot, de òrde-verstoorders. Toen was ’n periode in z’n leven gekomen, dat-ie zàg en met jongens-geweld meedeed an rumoer en politie-getreiter. O, de kostelijke, màlle dagen van heftig-gepraat, ’t in verrukking volgen van sprekers, ’t opgewonden geraas als ’n klein ding mislukte. Hoe goddelijk had-ie loopen droomen na ’t lezen van Dostojewski’sSchuld en Boete, gehuurd in ’t gore winkeltje vanSalli, den boek-sjaggeraar. Als hìj ooit ’n rijken vent vermoordde, bestal, zou-die géén wroeging hebben—gaf-ie alles an de armen, hield-ie geen cent. Waarom had Dostojewski z’n held wróéging opgelegd? Waarom? Als hìj ’t deed—en doen zou-die ’t—dan kon geen joden-god ’m hinderen—bah!—die god was ’n sinterklaaskoek, een die lei te zeuren, te vloeken—’n misselijk maaksel-van-menschen—’n tyran die jou as ’n hond verwenschte as je niet van ’m gediend was—’n potsierlijke schimper, die zooveel eeuwen vroeger al den jood Jezus met z’n straffen, z’n vloeken, z’n dreigingen van Deuteronomium had gèslàgen. Gek dat de christenen ’r niet an dachten dat de joden-god ze voor àltijd in kwalen en ziekten gesmakt!—Nee, hìj zou geen wroeging kennen, geen schuld, geen boete, as-ie ’n wráák nam! ’n Kàp-pi-ta-list meer of minder—’r kraaide geen haan naar! In Amerika had-ie dat jongensachtig-heete, dat bol gezwets zonder ruggemerg langzaam verleerd, was z’n jeugd-opstand tot bezonnener verzet geworden, z’n dwaze rooie roes ’n door denken getemperde hartstocht, z’n haat tegen den joodschen god ’n simpel meelij met mènschen.Soms herleefde z’n wrok, voelde-die de kerken als zooveel povere àngsten—sòms als-ie de gods-idee in alle verjonging zag, in allen strijd-tot-herleving, kon-ie zich nauwlijks ’t gebid en geprevel en gepreek in allemaal rare soortjes, als ’n heusch ding, als ’n wèrkelijkheid voorstellen. Het ontwaken der arbeiders geloofde-die, wìst-ie thans als ’t groeien van ’n plant. Ongeduld, woede, onstuimigheid maakten geen knoppen rijp. Eer ’n eik hóóg in de luchten z’n kruin dreef, eer elk voorjaar bloesems dee glanzen, gingen maanden en jaren voorbij. De natuur had in alles geleding. De gods-idee in alles een schakel. Met ruwheid en onverstand werden wortelen vertrapt. De schoone taak was de behoeding, ’t vernielen der rupsen die blaren en nerven wegvraten. Nòg waren de ergste, geduchtste verstoorders de arbeiders zelf. Schönlieb, de Duitscher, had gelijk: dit was de tijd van de machthebbers die geen macht-hebbers waren. Er was maar één macht—één macht—een nàtùurlijke macht—een gòdlijke macht die zichzelve vijandig bleef.De rossig-bewegende verstelpitten, de zwalpende rook zetten het weemoedig in beeld.Een grauwe, zwartrandige wolk raakte het dak der fabriek, overschaduwde het glimmen der ruiten. Van elk venster werd het bovendeel schemerduister, lei de benedenhelft in bleek-gladde glanzing. Ze bleven beweegloos als opwaarts starende oogen met weinig pupil en glazerig wit. Ze kolden den muur uit, die krijt-troebling kreeg, als ’n gelaat onder den schijn van een groen-omkapte lamp. De heele fabriekswand met z’n donker-wazige ramen, werd door de grauwing der wolk van een marmeren kilheid, van een wegdeinende bleekheid, van een doorzichtlijke teerheid, alsof ze geen bouwsel van steen en cement, maar ’n droom-ding van nevel en misten. Zoo waren soms ook wel de straten, als ’t laatst zonne-rood van ’n dakraam verstoven.Dicht bij de school, zachjes opwandlend, ontmoette hij Rebecca, de dochter van Poddy. Zij zagen elkander daaglijks, bij Suikerpeer, bij Reggie, bij den cigaretten-jood zelf, op de nauwe, kreunende trappen. Gewend als ze waren aan de schaduwen van het huis, de dag-verleptheid der kamers, gevoelden zij eenige vreemdheid elkaar te ontmoeten in de straat die harder,ontledender werkte. Zij geleek kleiner bij de huizen, de muren—hij bleeker, ònbekender. Hij moest wènnen an ’r ander voorkomen. Ze was ’n mooi, zwart jodinnetje, met los-krullend vol-weeldrig haar en heel-groote oogen. Ze droeg ’n verslonst japonnetje van bruine blokken op dof-paarse streepjes. Voor ’r zeventien jaar was ze volwassen, overrijp, met borsten van vrouw, wat ’r misstond, ’r lichaam ouder deed schijnen. Het vreemdsoortigst, aantrekkelijk, beangstigend, waren de wenkbrauwen, zwaar van groei, in elkander fluweelend tot boven den kleinen, niet gebogen neus. Dat gaf haar gelaat iets van peinzing, ernst, tegelijk bij iederen lach en iedere fronzing ’n kietlende wulpschheid. Gitten ’r oogen in vroolijkheid, dan werden de zwarte brauwen sterker één, verward van pluis, wollig als ’n viltige distel, ruig van kafnaalden-spreiing. Lachte ze niet, kwam de ontspanning, dan bleven de brauwen één van fluweeling. Uilen hadden ’t zelfde en katten soms. Als ze ’r oogen gesloten hield, zou je ’t niet kunnen zien.—’t Geeft ’r iets gedrukts dacht-ie, glimlachend om tante Reggie’s praten dadde zulleke hare boven de ooge ongelukgavve enne as-die ’t niet geloofde, dad-ie dan is most rondhoore bij iedereen.Zij, gulzig, liep van ’n rotten sinaasappel te bijten, dien ze voor ’n halve cent had gekocht, spuwde met smakjes de schil, de te beurze plekken. Het sop droop van ’r kin, bemorste de bruine vervuilde blokken der blouse.“Dag”—, zei ze verlegen, ’r lippen nat en met gele draadjes.“Kom-ie ook voor de school?”, vroeg hij.“Voor me zussie”, lachte ze, voor ’m stilstaand. Er was vrijpostigs in ’r oogen. Even hadden ze paarse vlamming door ’t schemerlicht van ’n zijsteeg.“Gaat ’n zussie van jou op school?”, vroeg hij opwandlend, kijkend naar de vierkante slijkranden van z’n schoenen. Zij lei ’t uit, spuugerig-slobberend van den uitgebeten appel, de pitten rècht voor zich spuwend. Poddy ging meestal zelf. Vandaag was-ie blijve legge. D’r ware gate in z’n heup gekomme en ’t been, ’t ééne, voelde stijf as ’n paal. Z’n ondergoed had al wèke vol bloed gezete, zonder dat-ie geklaagd had. Hij had de zwere gepapt met korste ouwbakken roggebrood, maar ze werde grooter en nou brakke ze uit op z’n heup.Je wer dood-misselijk as je ’t zag, zooveul rauw vleesch, zooveul viezigheid. Bijtend in den sinaasappel, uitscheurend het dradig safraangeel, vertelde ze verlegen-lachend, mallig, ongewoon met ’n haast vréémde in daglicht te loopen. Schuw keek ze ’ns op naar z’n gezicht, kauwde schil, spoog die uit in fijne, geel-ronde kwakjes, zweeg verder tot ze bij school kwamen. De deur stond aan. In de voorhal was niemand.“We kennen best wachten”, zei hij. Zij volgde zachjes lachend, alsof ze iets dee wat niet mocht. Buiten tikkel-spette de regen. Hij, de koude handen wrijvend, en geeuwend, leunde tegen ’n zuil, beluistrend het zwak gezoem dat boven en op zij, van wand naar wand gonsde, overal echoën scheen te vinden, overal kwinkjes sloeg van ver-weg kindergeluid. Zij, over hem, keek naar den grond, spelend met ’r éénen schoenveter, die slijknat over ’t hout slierde en slappe vocht-figuurtjes trok. In den halfschemer zag-ie ’t sterkst haar ooggitten, de zwarte, kluwige wenkbrauwlijn, den lach van onwezenlijkheid. Als ze opkeek, keek ze ’m dwazerig aan, als ze néerkeek had de heele uitdrukking van ’t gezichtje ’n doen alsof zewìst dat ze bekeken werd, ’t wel gek vond, wel gek, erreg-mal en plezierig. Zulk een schuilen en aanschieten van lach èn het glimlachend dwalen der oogen onder de broeiing der brauwen was als ’n opwekking, deed z’n oogen begeerend ontleden, de vormen van ’r beenen in ’t deukend, slapplooiiend blokjes-goed zoeken. De scheemring gaf ’r een bekoring, zoo als dingen in nacht doen, boomen in nacht, huizen in nacht. Ze was hier niet ’t van den rotten sinaasappel vretende, verwaarloosd-mooi jodinnetje noch ’t verlegen kamer-schepseltje dat-ie zoo dikwijls op de trappen voorbij was geloopen—zij stond in schuiling van schaduw, zwijgend, zonder ruwheid, zonder afstootends—ènkel oògen, zwarte oogen onder zwarte brauwen, zwarte oogen in teerbleek vel en tuimelend windsel van wild-krullend haar er om henen. Als ze stràks weer in daglicht zou sjokken, zou ’r vervuild halsvel dat-ie had opgelet, ’m hinderen, ergeren, zou-ie de sopvlekken van den appel zien, het vreemd-drieste der oogen. Nou was ze van ’n onnatuurlijke schoonheid—fijn-witte trekken in slipping van zwart, zonder scherpte, zonder harde lijnen, zonder bruuske verstoring. Zoo had-ie daarevende fabriek gezien, zóó herinnerde hij zich ’t kopje van ’n Engelsche danseuse in Amerika, als ze met gespreide beenen op het tooneel lag, het hoofd op ’t schuim van crême-cachemier—zoo kulde ’t licht met flarden, lompen, ellende. Star starend brandden zijn oogen de hare in, glimlacherde ze niet meer, speelde ze niet langer met den slierenden veter, keek ze terug zonder schuwheid, brutaal, gemeenig van lach, ’t wenkbrauwen-zwart als ’n donkere gleuf, de armen rugwaarts om de zuil geslagen.Er ging een deur open. De klank schrilde een schrik in de voorhal. Watel van kinderstemmetjes tetterde hel.De deur werd hersloten. Zij, in de weer volgroeide stilte, had zich afgekeerd, lachte naar de zijde van het verscholen geluid—, hij onrustig, stapte heen en weder de hal door, de handen in de broekzakken, nijdigjes, onlekker, half-verveeld, half in kribbigheid van ’n malle schaamte. As je ’n meissie zóo ankeek, zoo smérig ankeek, zoo minuten-lang—zij je oogen vasthield, in zich nam, zonder verzet, zonder weerstand, asof ze zich gàf—dan was ’r goors gebeurd—bleef ’r ’n rillerigheidover je, voelden je handen klam-zweetig na, werd je dagschuw wakker in ’n donkere bedstee, waar je had liggen hitsen en geilen.En hij vond ’r viezig, afstootend. Ze had niet naakter, zinnelijker voor ’m kunnen staan—als zoo pas tegen die zuil aan.Er ging een tweede deur open, dichtbij. Een hand hield den deurknop, trok zich terug. Zacht schoof hij naar den kier, keek het lokaal in en groote aandacht verdrong z’n koortsige aandoening. In lange rijen zaten de kindjes, dwaas-kleine kindjes, van vijf, zes jaar, telkens zes naast elkaar in banken zóó laag dat de knietjes raakten het blad-voor-de-handen. Alle handjes waren daarboven gespreid; hoofdjes dicht naast elkaar keken één richting uit. Het waren fletse, bollige, ouwelijke hoofden met kort geknipt haar, hoofden met zeer, hoofden met zieklijke, tranende, roode oogen, hoofden van kindren geboren in krotten, gevoed in krotten, verzorgd in krotten, hoofden die geen licht, zon, weidegroen kenden, hoofden uit licht-en-luchtlooze stegen. Er waren er ver over de honderd. Het was een school met duizend van zulke joden-kindjes, waarvan nietéén bloeiend, krachtig, levensgezond. Achter de banken stonden een paar bedjes. In een lag ’n moegeworden meisje van ’n jaar of vijf te slapen, het ander was leeg. Alle aandacht van de kindren, ook die van Eleazar, was bij een hoek van het vertrek. Daar wachtten ’n dertig kindjes op èen rij, jongens en meisjes, dreumessen met afzakkende broekjes, kousen die enkels ompropten. Een paar huilden angstig, werden vrindlijk gesust door de onderwijzeressen, zelf meer kind dan vrouw, in dof-blauwe voorschooten. Naast een kleine, wit-houten tafel, de handen in gedurig beweeg over fleschjes van zwartglas, net-beëtiquetteerd, schalen met water en een groote doos flardjes watten als mopjes sneeuw, zat de armendokter. Eleazar herkende z’n goedig gezicht, goedig van glimlach, goedig van kijken. Het bruin, stopplig baardje raakte bijna het zwartleeren voorschoot dat met banden om den hals hing. Hij was een der weinige dokters in de groote, rommelige stad, die den tact had den armen niet te laten gevoelen hoe ze misdeeld waren, die voor alle zieken ’n gijntje over had, bescheiden en klein iedren dag ùren in de huizen van ellende doorbracht.Een voor een nam hij de kindjes op, lei een stuk schoon papier op zijn borst—daar tegen kwamen de hoofdjes te rusten. Dan behandelde hij ze. Er zat een jogje van ’n jaar of vier op zijn schoot, kindje met opgezet-fletse koonen, oogranden rood van ontsteking. Glimlachend boog de jodenkop, de vingers aangrepen de oogleden van ’t kind dat huiltrekje kreeg.“Kom, groote man”, suste de dokter.De heele witte oogbal kwam te zien in de dooraderde schelpen van waterig rood—de bezige rechterhand greep snel ’n druppel-spuit uit ’n zwart fleschje, bracht haar tot dicht bij het oog dat heen poogde te krimpen en de druppel brandendnitrasspette in de onverweerde kas. Het kind schreeuwde, snot-blaasjes belden uit de neusopeningen, de beentjes spartelden in de handen der helpende onderwijzeres, de vingertjes beplukten heftig de sterke, blanke hand die het oog vasthield. ...“Ho! Ho!... Kom nou!... Wees nou ’n màn!... Zoo... Zoo!”...De groote spuit siste water na in de oogkas, wegspoelend het sterke bijtsel en een watje wreef over de nu angstig dichtgeknepen oogleden,die zoo heftig saamdrukten dat het bleek koontje in smarttrek opbolde. Maar alweer had de zekere hand het andere oog in bewerking genomen, kolde dat uit in de bloedranden der buitenwaarts ombuigende, angstige leden, drupte de druppel in het open ovaal. Het kind zachjes greide, rukte wild met het hoofdje, wèer klonk de sussende, goedig-monotone stem en na-spoot de groote spuit, melkstraal slaand tegen het hoornvlies, in de bleek-roode randen. Afgezet van de knie, stond het jogje hulploos, verblind, met knuistjes die bewriemden de gesloten gepijnigde oogen. Een oog twinkte schuw open, beet krimpend dicht en op den tast, huilend, groene snotzakjes op de bovenlip, stapten de voetjes naar de bank achterin. Terwijl was een meisje op het zwartleeren voorschoot gelicht. Ze ging rusten vanzelf met het hoofdje tegen de borst van den dokter, gewoon aan de zondagsche inspuiting, glimlachend. Ze had een garstig met zalf besmeerd hoofdje en alleen het rechter oog was iets aangedaan. Kalm bekeek de dokter het hoornvlies door een loupe, knikte goedkeurend, mikte kort met de druppelspuit, spoot water na, wiesch het oog met ’n watje. Zoo hielp hij het eene kindna het ander, geduldig, ze sussend, gijntjes zeggend, bijna machinaal de zieke kinderoogen behandlend. Vóor Saartje, die angstig te wachten stond—ze was óok aangestoken—werd nog ’n ventje geholpen van drie, vier jaar, met bleeke scherpe trekjes en ’n scherp-vleugelend jodenneusje. Het eene oogje was blind, melkwit overleid als door parelmoer, het andre aangetast had een vurig ontstoken rand. Het kind lachte verlegen, weende niet, verweerde zich niet, leunde zoet achterover—gaatjes van neus die zwart het gelaatwit doorpriemden, kousjes afzakkend, gulpje half-open met kreukels van ’n geel-bepiest hemdje. “Leelijk hoor, joggie”—zei de dokter goedig—“héél leelijk. Dàn maar is ’n sterk druppeltje. En braaf zijn as altijd, hoor...”Het kind glimlachte zoetjes, mondje open, handjes slap op den buik. En uit het glazen spuitje, zacht voortgeduwd door den gummidop, viel een druppel uit het zwartste fleschje Het kind balde de vuistjes, hijgde snuivend door de kleine neusgaten, vertrok smartlijk de lippen, klaagde zachtjes... O!... O!... O!.. Het zilvernitraat beet kort in—de watersproeiing volgde en het jongske geheel blind,tastte naar zijn plaats, ’t ééne vuistje voor het gebrande oog.Saartje, bleek, ouwelijk, met ’r vettig, verward kroes, huilde nog vóor ze op werd genomen. Stug snoot de bijstaande juffrouw ’t loopend neusje, gaf haar over aan den dokter.“Nie-doen! Nie-doen!... Ikke wil niet!”, spartelde ze tegen.“Zal je stil blijve zitte,” gebood schel de juffrouw.Het kind, krijsch-kermend, lang-snikkend, wegduwde de hand van den dokter, worstelde zich los, gleed op den grond, de rokjes in de hoogte, het gorig broekje bloot. Nijdig bukte de juffrouw met snauwende handen, stem die redelijk sprak om ’t bijzijn van den dokter:“Nou! Isse-’t gedaan!... Isse-’t gedaan?.. Jij stoute meid!”“Kom”, rustig-lachte de dokter, haar weder op zijn knie nemend: “Wil je blind worden, domme meid? Wil je ’t zonnetje niemeer zien, ’t móóie zonnetje?... Zoo-oo... Nou doe je braaf...Enne stilzitten, hoor?”...Weer kolden het kinderoog, het roodachtig, waterig hoornvlies, de zwarte dierlijk-wanhopig starende pupil in de bleekroode randing dervleesch-sneedjes, de roodere groef van den traanhoek. Zachte takjes rood doorsprietten ’t wit, dat dicht bij den pupil brandrige vloeisels had. De gummidop zakte, opjagend den druppel—krampachtig-angstig rolde de oogbol, trokken de leden, pogend ’t oog te beschutten en het gekerm van ’t worstlende kind doorgilde de zaal. Rustig werkte de dokter, kind na kind opnemend, spuitend, afdrogend. De kindren zaten in angstige stilte. Alleen aangonsde de stem van den geneesheer, het praten der juffrouw. Alle hoofdjes, ziekelijk, flets, bol, groot, waren in nieuwsgierige staring, bàng voor den man die pijn dee.Zóo had Eleazar ook eens gezeten. ’t Wekte vage, benauwde herinnering an ’n àndre joodsche bewaarschool, waar-ie geleerd had hóé God in hebreeuwsche letters gespeld werd—hóé ’t joodsche alphabet was—hóé de joodsche geboden—waar ze bang waren geweest als de rabijn op bezoek kwam, niet dorsten praten als een van de hééren voor de klasse stond, een van de heeren-van-toezicht, wier mild-zijn hij nu zoo innig verachtte. Hoe lang was ’t geleden? Hoe lang? Scheen niet alles kortlings gebeurd?Zat-ie daar zèlf niet als schuw, ouwelijk jogje, met opgeblazen gelaat en kringoogen? Was-ie óók niet gekomen uit een dier erbarmlijke rothuizen, waar het hout vermurwd en doorvreten, de steenen ontkalkt, de ruiten ontglaasd? Had-ie niet gewandeld aan de hand van de gestorven zuster door nauwe, licht-looze straten, naar de school? Zat hìj daar niet, droomend, verlegen, altijd met oogen die inwaarts schenen te kijken, naast meisjes en jogjes uit andere donkere, vale, verstikkende huizen? Toen óok waren ze ziek de kindjes, bleek, huisduf, alsof de lichaampjes zich zochten te eenzelvigen met de grauwe, neerdrukkende omgeving. Hij herinnerde zich ’n meisje zonder haar met enkel uitslag—en ’n jongetje—zou ’t nog lèven?—dat-ie altijd zat te bedroomen, omdat ’t zoo vies was, met loopende, groen-ettrende oortjes en ’n gebitloos mondje. Er waren er toen véel met ontstoken oogen. Toen kwam nog geen dokter. Toen ging de oogziekte van kind op kind, was het ’n wonder geweest dat-ie gezond was gebleven—behalve de borst. Maar àl het andere wás er nog—het meebrengen van droog brood in ’n gescheurd, vuil zakje—het drinken vanwater uit blikken kroezen—het slapen in ’n bedje als je op de bank in slaap was gezakt—het joodsch leeren—het joodsch—de geboden—de tièn ééuwige geboden—het zitten als natgeregende parkietjes—de handjes boven tafel—bóven—bóven tafel—Nu herinnerde hij zich dàt ook, hoe ’r jongetjes waren die al zóó vroeg, met de handen het geslachtslidje ònder de tafel bewreven als de juffrouw ’t niet zien kon, dan zacht-wieglend met vreemdlijk starende oogen stonden in bevende schommling. Er had zulk ’n jogje vlak voor ’m gezeten. Telkens zag-ie ’t schokkend rugje, ’t getril, ’t zonderling buigen van ’t lichaam naar de bank, de heete, wijde verrukking in de oogen als ’t kind omkeek, het bleek-jukkig gezichtje. Dat leerden ze van mekaar. Voor die jogjes scheen ’t de eenige vreugde in het zwart gehoop van steenen, binten, pannen, dat ze Jodenbuurt noemden. O, ’r waren méér herinneringen. Blinde Levi. Héette-die niet Levi? Hoe die geplaagd werd. Bij z’n geboorte waren z’n oogen al aangetast, zooals zóoveel oogen aangetast werden door ’t druipervocht van ’n moeder door ’r man aangestoken. Het kwam daaglijks voor.—En rooie Mozes, die geboren was met ’n horrelvoet of ’n heupziekte—En—En——Toèn was ’t zoo als nu. De riolen, waarin menschen leefden, de vergane krotten die geld opbrachten, het heele luidloos-rottend ellende-monument der hoofdstad, leverde jéúgd, kindren gedoemd te blijven—weeklijks bemildadigd door de hééren, door den rabijn. Triestig keek Eleazar.Rebecca, achter hem, staarde door den kier, zwak op ’m steunend, dan vertrouwlijker toedringend. Samen aanzagen zij de bleeke hoofdjes, de hoofdjes met klieren en zeere oogen, de gespreide vingertjes, het beweeg van den dokter, het grijskil licht dat zachte geluwingen gaf.Op de voorste bank was een kindje in slaap gevallen, het hoofd zijwaarts geleund op de handen. Er waren kaarsen gebracht, die met teedere vlamming ’t gelaat van den dokter belichtten, zijn handen, de zwarte fleschjes, de kom met het water, de doos met de propjes sneeuw-watten. Er lei ’n meisje op zijn schoot, gillend, jammerlijk-worstlend. Bij het licht van de kaarsen kolde ’r oog, wit met schamp-lichtjes, een starende stervens-angstige pupil, bleek-roode randen en een verwijde, splijtendetraanhoek. Zilvrend bij het sterker licht, viel de druppel brandendenitrasin het schuw-trekkend kinderoog—het hoofdje rukte met krijschend gekerm.VIII.Omdat ze heele troepen slijpers zagen trekken, toen ze in de Breestraat kwamen, liepen ze mee, hij Saartje’s hand in de zijne—, zij naàst hem, nieuwsgierig, dragend ’t zusje.Het reegnen hield aan, zachte spetjes in de modder der straat, staalkoel geprik van de huid door ’t gure geblaas van den wind. Op de gracht woei ’t sterker. Aan de andere zij van het water, bij ’t oude mannen en vrouwen-gesticht, was donker gedrang van wachtende mannen. Tot aan den kant van den wal hoopten zij saam, slenterend, schreeuwend, of stil met de handen in de zakken, de kin diep in de gleuf van den opstaanden kraag. Naar de zijde der Breestraat waren er meer nog, loopend in groepjes, hoeden nat van den regen, schouders doorweekt, knieën zwartpuilend. Ze gingen elkander-beduwend, tegelijk pratend, klittend-te-zaam,de koppen fel buigend, de handen in schuddend gevraag. Ze vulden aan weerzij het moddrig gekei van de gracht, stommelend sjokkend, donker-lichaam-gekriel en hoofdenbeweeg langs de dreigende druiling der huizen. Ze kwamen aan van de brug, van de eene gracht naar de andre, klissend in broeirige hoopen die plomp mekander doorzeefden en weer sloten aaneen. Ze gromden in donker gegolf langs de huizen, wier ruiten reeds hadden ’t matte berusten van dingen die wachten den nacht, wier gevellijn traagde in stottring van wit, schijnbaar-beweeglijk, meehortend het schorre drijven der wolken.Er was eene aarzling in ’t naadren van den avond, als wachtte de nacht met open-angstigen mond en starrende oogen. De wolken schichtig voort-hijgden naar de zij van ’t gesticht. Marmerwit krui-den dampige schollen, splijtend de stukwaaide pluimen van zwart en de dreigend-aanstuwende koppen. Heel de hemel tusschen de vaart der verwonderde gevels joeg in kille verwreeding, als smakte een wind rook-smeulsels en barsting van stoom naar ’t roodbruine kamp van de daken.Bij de brug leek een stilstand te wijden,leegte van luchtwit, zonder wolkengevlucht, strakke doorlichting die stroef de vensters bebleekte en ’t water der gracht doodblank deed glanzen als ’t oogvocht in peinzende oogen.Van den hemel naar het water, van de wachtende huizen naar de zwarte dringende mannen, ging eene wissling van zilverflets huivren, alsof iets ruws was gebeurd, iets dat het diepste wezen der huizen door-angstigd, de ruiten verschrikt, de kozijnen in wondring gezet, het water vergrauwd, als tobde het na in ontsteltnis. Dit—dit vreemde, dit over-het-leven-heen-witte, dit stokkend-beklemmends van ’n ongeweten geluid in zenuw-wakkren nacht, trof ’m zóó dat-ie rondkeek en omkeek en àchter zich keek, zoekend naar wat-er-niet-was.Van ’t Plein, dat zwart lag met krommende boomen, kwam heftig gestuw. Jongens holden vooruit, opketsend de slijkrige plassen—joeling van volk dromde den hoek om. Het scheen of boven het donker dringen der lijven de hoofden verbleekten in ’t vroegavond-wit der gracht. Vleesch van gelaten en handen brak weiflend de volte, den stilstand van avond en schemer. Meerder naar achter, felbleek meteffen-borende glimsels, staken dobbrende helmen van agenten die liepen in rijen van vier en dreven de mannen en jongens de gracht af. Een fluitend gillen en jouwen doortierde de straat. Zijwaarts opdrong het volk, brekend de helmen voorbij, de stoepen langs naar het hooge bordes van dejuweliers-sociëteitGolconda. Het werd een geborrel zoo woest als beukte een branding. Aan de andere zijde der gracht, heftiger nog, steeg het gedrang, overbarstte de massa de brug die dreunde in donder-gerommel, rammeiend van huiswand naar huiswand. Ook van het Plein drong het volk, botsend met die van de brug, zwartelijk spattend, grimmig-volstortend de breedte der straat. Het was een lawine van rompen, dof-stootend, rollend met krakend gesteun als een roestige wals, als ’n tandrad met stompe scharnieren. De overzij gracht werd bijna leeg met enkele kijkers en de brug gromde log-loeiend het stampen der voeten. Alles inknoerste de gracht-van-Golconda, stuwend met schokkend geraas achter de blank-witte helmen. De huizen leken verschrikter bij ’t schuddend wolken-gebeef, den staalgrauwen angst van het water, den golvenden mensch-vloed,die als een storting van modder met paars-rosse schuiming wrong en bewoog. En plots uithuilde de massa een krijschend geschreeuw. Voor het gebouw vanGolcondavreemdde een leegte. De agenten gedrongen van voor en van achter, verstikt in de stuwing, sloegen verwoed naar het volk. Scherp was ’t geflits van de sabels, domp-houwend, dierlijk ’t gegil. De voorste mannen, beknauwd, bonsden de weerlooze lijven, ontwijkend de slagen, vluchtend in ’t grauwe gedrang. Maar het achterste volk beukte hen op, aandrong met blind-botte kracht, volplettrend de gracht.Rauw-krijschend scheurde gegil en gekerm over ’t water. Er lagen er onder den voet die brulden en jammerden. Het werd eene worstling van stikkende, tierende menschen waarom het patsend sabelgeweld. Een man met ’n bloedenden houw, was gillend gevlucht op ’t hooge bordes, bebette zijn wond met een doek. Het bloed liep langs ’t baardhaar dat plakte om ’t witte doodsangst-gelaat, gutsend met purperen schreeuw langs den neus, den snor en zachjes neertapplend op ’t zwart-natte buis. Met kollende vreesoogen keken de juweliers in het gebouw. Zij drongen verschrikt achterde ruiten, wassen gelaten in ’t blauw-wit licht van de gracht, aanziend het dompe rumoer, bàng voor de bloedstreep die bedroop het bordes, bloedspetten op ’t blauw van de treden, bloed dat murwig verspette in ’t regengedrup. De man op ’t bordes, geelbleek in ’t heenschuwend wolk-licht, propte den bloeddoek bij ’t hoofd, kermend met drenzend geluid. Doch het zien van dien bloed-witten kop, den kop van rimpels en baard, het mat-grijzend haar en de vurige streep langs den neus, grimde de massa tot schorrig, felgillend gebrul.Van uit de warrling van rompen, hoofden en armen werden steenen geworpen, kletterend neer op de helmen, ketsend tegen de muren, nijdig voortbikkend van kei naar kei. Kwak van slijkrige paardvijgen stompte met dreun tegen ’n ruit vanGolconda, dat het glas beefde en de joden er achter schokten terug—tegelijk keilde een steen door de ruit vlak er boven, versplintrend het glas, scherven rond-bliksmend in ’t donker der kamer, op het kozijn, achter het ijzeren hek. Een oogenblik stoven de agenten terug, de handen gepunt om den rand van hun helmen, de ruggen gebogen, pogend de open gelaten te schutten.Maar van het Plein kwamen er meerdren, driftig van loop, de sabels in roodharde vuisten en braken een ruimte in ’t zwart van de straat. Het volk, opgejaagd, stormde de gracht af, rennend met grommend gedreun, meesleurend al wat er stond, niet-weerhoubaar, tuimel van vluchtende, angstige lijven onder het eenzaam boomen-gespar van den walkant, langs de doodelijk-stilstaande huizen. De gracht werd ’n blankliggend keien-gegrauw, met vale bordessen en scherplijnde stammen van boomen. Zij scheen door het plotsling ont-leven uit een mist aan te heldren, met grootere bitsing van walkant, zwarter grijpen van takken, bleeker kartlen van gevels. Op de bordessen stonden vrouwen en mannen gevlucht, kijkend naar ’t gestuif, ’t angstige leeg-zijn der straat. Over de brug stortte de massa, vullend de gracht aan de andere zij, daar wrokkend in driftige hoopen, omstuwend een tram die schuchter ’t gewarrel met klagenden bel-roep doorsnee. Dan keerden de agenten terug, bedreigend met driftige stem de mannen en wijven op de bordessen.“Donder z’r af!”,—riep er een en bij ’t toornig geblink van de sabels, joelden de angstigen heen, ruw geduwd bij ’t geaarzel.Eleazar en Rebecca, elk met ’n kind op den arm, schuilden op ’t bordes bij den man die verwond was. Op ’t blauwzerk-plateau had zich een kijkkring gevormd om den plas, die schuw de voeten deed wijken, als vreesden de schoenen de branding van ’t lauw-walmend bloed. De man zat in ’t midden, op den rand van de deurtree, drukkend den doek tegen de gapende wond. Ze hadden van binnen een teiltje met water gebracht, dat fletsrood werd gekleurd door ’t doopen der hand. Rebecca keek met gitzwarte oogen in ’t wasbleek angstmom van ’r gelaat. De wond doorgaapte het voorhoofd, wijdspleten mond met dunne bloedlippen, bloedslang die grillig bewoog. Het been lei bloot in de kerving van ’t stukgehouwen vleesch, met weekroode vezels en propprige aêren—het haar, met zwart-roode klonten, kleefde de scheur om die rustig braakte het purperen bloed, bloed dat het oog overgutste, in snor en baard mokkende sloop, bloed dat drupte met goedigen, luidloozen slag in den plas, waaromheen de hard-plompe schoenen stonden in vluchting.Eleazar hield de teil met ’t water en bloed,keek naar de scheur in het hoofdvel—naar de scherven der ruit die weifelend hingen aan ’t houten karkas van het raam. Er was eene gelijknis in het kwijnen dier wonden—de wond in het hoofd—de wond in de ruit—de wond in den man—de wond in het huis.—Bleek, als in duizel van dood, zat de man, zacht boeren van klamme benauwdheid opgevend. Het aschgrauw licht van den hemel, kil de waaiende wolken langs druipend, scherpte in bruute kontouren den bloedrigen neus, de geelwitte jukken, de nattige baardstoppels, den openkrimpenden mond met z’n hoeken van waterig kwijl. Aarzlend bewreven de vingers de oogen, die vaagden in weëe bezwijming—spierloos steunde de nek het doelloos hoofd. De ruit, naast de deur, zwaar door-barst, met flarden glas en snijdende spleten, zette grimmig haar wond in ’t schemerend wit van den avond. De andere ruiten, paisibel en stil, kaatsten het wolk-licht in zachtblauwe wazen, als had de spelende adem van ’n kind ze besproeid. Zoo was het de gracht af, vager en doffer van aanslag, maar de ruit vanGolcondaruwlijk versplinterd, met lichtende tanden, uitvretende brokken, met kankerplekkenvan duister en dikke striemen zwart, verstoorde kwaadaardig de drooming der huizen, brekend het tonig aspekt als ’n hysterische dierkreet ’t manelicht-glanzen.Zij werden ’t bordes af gedreven. De man bleef er achter. Dragend de kindren liepen zij mee over de brug naar de andere gracht, waar duizenden drongen, kijkend naar d’eenzame straat voorGolconda, die door de agenten schoon was geveegd. De matte glimming der helmen leek ’n hekwerk, weerhoudend het woelig beweeg aan weerszijden. Op het plein was het stil—de brug was ontruimd.“’k Bin wee van ’t bloed”, klaagde Rebecca: “om zoo maar te slaan, zoo maar te slaan—de vuilike!”Hij had Saartje bij ’t handje genomen, keek norsch voor zich uit. Driftig praatten de slijpers, tierend in hoopen, beschreeuwend ’t gebeurde van straks.Hes en Klaroen stonden met Juda en Moppes, krijschten hun woede en wraak.“Zalle ze krijge ’n chòllera in d’r ingewande!”, raasde Klaroen, buigend het geelgelaat met de zwarte oogwallen naar d’andren: “om d’r klauwe uit te steke voor dad-’n haar wordt gedaan! Hoe gooie ze d’r poote nie mee, de kak-vreters! Hoe rotte d’r hande nie af! Doe ik ze wat? Doe jij ze wat? Moste ze Davy nie de darme uit z’n lijf trappe, de pooiers!” Zijn stem schor en driftig bekraste de omstanders.“Slaan w’m vandaag nie rot, krijge w’m mòrrege!”, dreigde Leon, verwoed de vuist naarGolcondaballend.Er reed stapvoets een tram door de menigte. Ze weken pratend terzij, hokten daadlijk weer saam. Een ouwe jood met grauwhaar en bevende lippen drong in het midden, tierde met huilende stem:“...Hij verroerde geen vin, godverdommè!... Ik zweer je bij ’t lich van me ooge dad-ie stil naast me stong te kijke! We kwamme van ’t Plein, van ’t Plein! Is ’t nie godgeklaag, godgeklaag dad-ze direk met d’r sabel hakke! Z’n heele hoof is gesplete!.... Die blinkende drolle!.... Die kakhiele!.... Die pleegischkoppe!... Die schijtlijsters!...”Reeds was ’n ander ’m woord-vloekend in de rede gevallen...“...Had ze op d’r smoel teruggeslage, die pargluize! De vrouw van Semmie die komp van de grach—heit ze èrg wat ’r gebeurt!—is ’oggenebbiesch voor alle minnute en krijg ’n trap voor d’r buik!.... De kànkerpuiste-gezichte! De gootescheppers! Hoe krijge ze geen sjankes in d’r keel om ’n zwangere vrouw te trappe!”...Moppes die vooraan had gestaan bij den aanval en bijna te water was gedrongen, werd ’t centrum van aandacht.“...Ikke zweer je bij God—wij liepe géwóon—daar roept zoo’n etterstraal: “Veruit! Deurloope! Ik bin daar ’n privaat! Late zij deurloope tot ze d’r bij neerzakke! Ka-jij terug in zoo’n volte as je beklemp zit! En daar trekke ze bij God d’r latte! En ’n gedrang dad-je geen voet ken verzette. Maar ’k hei d’r een ’n mekaajem gegeve dat ’m ’t bloed uit z’n bek sprong!... Late z’op schorum inslaan! Komp ’t ons nie toe dadde we opkomme voor onze rechte! Lijje we niet genog schwiejenieje! Geen pietsie, ’n korrel ’n ongeluk vleesch hei’k in de laatste tijd gezien! As die gattes, die verrekkeling van ’n Davy uit de zocieteit komp verzuip ’k ’m of me naam is geen Jijle!”...Uit een anderen hoop beet ’n fèllere stem, stem van passie en wrok. Een baardige jood stond op ’n stoep voor de deur van ’t gesticht, krijschte het volk toe:“...Hebbe we rech—hebbe we geen rech?.... Ik zeg juillie we hèbbe rech.... Verrekke we van honger?... Motte we ons as honde late slaan as we zoo lang de schtaking hebbe volgehoue? Is ’t niet godgeklaag? We komme op voor wat óns toekomp! Stoppe zij nie d’r pèns vol van onze cente! Vrete ze zich nie ’n barschting van òns zweet en bloed! Rijdt de ròtzak nie in ’n open kles van wad-ie ons begap? Hoeveul keer heit-ie ons nie besodemieterd met ’t werk, met boort, met rubbisch? Beschwindele ze nie met ’t loon! As ze met geweld beginne, dan gaat ’t hard over hard, dan motte ze ’t godverdommèèè verantwoorde as ’r dóóie valle!”...Zijn stem stikte in heeschheid. Anderen drongen te hoop, schreeuwend wild door elkaar, bonzend, rondwoelend. Langs het heele gesticht was het een persing van kwaadaardige mannen, stuwend en stootend tot waar de brug was. En die zwarte, benauwende volte, weerhouden door ’t koel-glimmend water, maakte sterkeren witter de eenzame gracht, aan de zij vanGolconda, met ’r zwijgende huizen en ’t zilverend lichten der helmen.De man met de bloedende wond was ’t gebouw der makelaars binnen gedragen en over het hooge bordes, doorstappend het bloed dat vrat in hun schoenen, kwamen nu angstig de joden die achter de ruiten hadden gezeten. Verlegen, met schuwe gebaren, daalden zij de blauwsteenen treden af, meenemend de bloedsporen—en een gehuil uit duizenden kelen overberstte het water, opschrikkend het staren der effene ruiten. Het was een gebrul zóo angstwekkend, dat de wolken driftiger leken te wieken, afduwend de steigrende gevels, golving stootend in de wijkende huizen. De agenten vormden een vierkant van sabels en daarin bewogen de juweliers over het Plein en de gracht. Als een golfslag met hoog-kloddrend schuim, als ’n branding van opbulkend water, stortten de mannen over de brug, die kreunde met gierend beugel-gekners. Achter het sabelvierkant, het helmen-geglim, werd het een stuiving van koppen, stootende schouders, plomp-zware voeten. Stronk van ’n kooldoortuimelde de lucht, bonzend op ’t hoofd van ’n diender en opgehitst, beu van ’t rumoer, nijdig om ’t gesmijt en gejoel chargeerden nog eens de agenten, dwingend de massa te wijken. In de Plantage, buiten ’t gedrang, stond een tierende klit slijpers. Nu ze ’r niet bij konden, bevreesd voor de driestheid der agenten, gilden ze hun onmachtige wraak, krijschend en vloekend, dreigend met knuistige vuisten en oogen die verwoedheid vlamden. Krijtwit keken de diamant-handelaars, schuilend in ’t sabel-vierkant, bang voor de kolken en wrongen bits-klotsend zwart, bang voor dat gillen van haat uit duizend gelaten. Beschermd als ze waren, dùrfden ze niet verder, vluchtten opnieuw in de societeitAdamas. De massa gromde, schreeuwend en jouwend, schudding van zwart tegen den dijk van de helmen. De gracht leek vrediger, minder ontrust door schichtige wolken, minder beangst door trillende ruiten. Naast de brug lag een buikige vlet met cokes bestouwd tot een berg, en verder de gracht af tot bij den donkren romp van een schouwburg, plankjes glad naar den wal en touwen dik in de ringen, spiegelden koffen ’r bruinteerde buiken in ’t avondwit-water. Het regende niet meer.Op de brug, het kind in zijn armen, zag Eleazar de dringing der mannen, het helmen-geblink, de nu vrindlijke gracht. Wollig doorwarden boomen hun pluisweb, buigend de zwaardere takken diep naar de masten. Het waren koffen met turf, takkebossen—turven gemetseld in hoog-bruine wallen, zwaar-overhuivend de zwaarden der schepen. Daarboven glimden dekken van cierlijke plankjes, met touw in krullige zwieren en rookende pijpjes die blauwig het water bewalmden. Op éen blafte een kees, rennend van ’t voordek naar achter, op éen zat ’n vrouw duwend ’r tiet in den mond van een bolroode zuigling. De gracht zelf lijnde moddrig, met paardevijg-kwakken.Het bizarst en vredigst bij ’t geraas aan den wal, ’t duwen en dringen, ’t op mekaar kleven en stuiven—’t droomerigst, als ’n onbewogen namiddag-gehuchtje, was ’t rimploos gewaas der spiegelbeeld-koffen. Achter de cokes-vlet lei een geloste schuit—de schipper met ’n pijp in z’n beenig gezicht, zat rustig de herrie aan wal te bekijken. Lang-plat op ’t grijs-glanzend water, stond de kof op ’r schaduw, ’n schaduw van bruinteerde ribjes, bruinteerde zwaarden, groen-vroolijk hondhok en ’t roer zwaaiend omhoogmet krachtigen ruk. Ook de roerstang had ’n schaduw met wit-scherpe letters gekeerd—Godzij metons—en een driehoekig vlagje van rood, wit en blauw dook mysterieus in de diepte. Er naast in de staal-gladde weerspiegling, het hoofd naar benee, het zittend lijf in de hoogte, zat soezend de schipper—grijs-blauwe wolkjes ontbolden zijn mond. Gansch de kof herhaalde zich zoo, het lang-dunne lijf, de zwaarden, het roer, het platbuikig vat-van-het-water, de bruine plank-ribjes, de witschaafde boomen, de neergeslagen mast en de schipper droomerig dampend met ’t hoofd diep, diep omlaag—’t gebogen rustend lichaam er boven.De golvende beuking van ’t volk stormde de gracht langs. Weerbarstig bleven ze wachten, bedreunend de brug, vullend ’t verlengde der straat, vloekend op Davy, die niet toegeven wou, op Moritz en Prins en de andren. Op den hoek werd gevochten. Daar hadden ze Dovid herkend en Berlijn. Woest knauwden de vuisten de koppen der onderkruipers, angstige schreeuwen doorgilden de lucht. Dan werd het een razend, boldrend, domp-dreunend gestuif, een reutlen de straat en de gracht af,een huilend gejoel en gerucht. Met wrekende sabels sloegen de agenten, rennend het volk na, stompend de vrouwen en kindren, borend de volte der brug door, opjagend de vluchtende, fluitende, schimpende slijpers.Saartje begon angstig te huilen.“Na huis toe—la-we na huis gaan”, snikte ze.Sussend lei Eleazar z’n hand op ’r mond, zoende ’r met ijskoude, bevende lippen.Hij zag zoo bleek als de man, dien zeGolcondabinnen hadden gedragen.

VII.Dienzelfden Zondagnamiddag haalde hij Saartje van school. Het regende minder snerpend-gestadig. Het asfalt der Breestraat was als een bedding van heel-ouden zandsteen door schuring van water beslepen, met staalblanke lichting waar het plein de straatlijn verbrak. In de Jodenhouttuinen morde ’t geraas der ventende joden. Er was daar een glim-zwarte oploop van tenten en scharrel van wagens die schokten op knoklige keien. De dekzeilen der karretjes en kramen huifden als schouwen, glimmrend van lakglans en er langs henen schoof ’t geduik en gedribbel van petten, het dobbrend gewieg van wijkende, voortzwemmende parapluies. Nauw was de straat. Huizen stonden in lodder van scheemring, maagre, onbuikige huizen, slaaprig als moe-gebabbelde, gapende buren met kurk-kinnebakjes en kwijnende oogjesin taanvel. Ze schurkten dicht naast mekander, met brokklende daken, puinveld van pannen en slijmrige pijpen. Wat uitstaande ramen, ramen van dobbelsteenruitjes, waren zwak van gemijmer door ’t machteloos druilwolken-licht, met bleeke weerkaatsing van mat-roestig blik. Langs het lood der kozijnen hing aan de rekken het drooggoed, bij de loods aan de voorzij een roodvoerde deken. Maar zelfs de lichtere kleuren braken niet uit den schemer van bruin-zwart, grijs-zwart en grauw-zwart, die vadzig, logzwaar, de huizen, het puin van de daken, de schoorsteenen, de tentjes omschaduwde. Overal in de stegen en sloppen hadden de woningen het ontwrichtte gebaar van ’n huis waarin brand heeft gewoed—deuren, vensterbanken, gevels schoorden geblaard en verkoold—ruiten waren gesprongen—schaduwvlammen hadden zich diep in de muren gevreten. Nu, bij het gestadig regen-neerdrensen, kreunde de steeg eene zwijgende, passieve smart over ’t bewegen der joden, was het glazig geblikker der dobbelsteenruitjes het éénig leven, ’t éénig verzet.Het was nog te vroeg voor de school. Droomerig, de handen in de zakken—telkens alsde dag ging zonder doel, had-ie uren en uren die ’n ànder voor ’m scheen te verdoen, uren van wandlen, zitten, kijken, praten, uren waarvan je geen tel hield, uren die sleepten en jaagden, uren waarvan je niks wist als je wérkelijk leefde—droomend, alles ziend zonder aandacht, indrentelde hij de Rapenburgerstraat, keek naar ’n slop—waar, achter ’t water, de pootige vormen van eene fabriek opbeukten. Als een reuzenknots was de cylinder-schoorsteen in den grond gedreund, een massale, slank-lijnende speer, hoog boven de fabriekzwaarte bruine roet-boeren gulpend, braking die uit de aarde scheen te walmen. Soms stond het stroeve gevaarte strak als ’n rotsensilhouet, inhijgend de grijsbolle weekheid der wolken, soms ontpropte een grijsbruine gulping den schoorsteenmond. Naast dien onbeweeglijken, spuwenden kegel, vlakte de fabriekswand met ’r vele celramen. De onderste waren door de onderschepping van ’t licht goorzwart, vuil-beslagen, hadden geeldoffe kozijnen—de rij er boven was zacht-lichter van glans—daàr boven hadden de ruiten het straf, plooiloos geglimmer van water in maanschijn. Het gebouw leek eenzamer, harder, door die stille glanzenderuiten, wier melkwittig spieglen het weeke der grijsbolle wolken bij ’t dak van ’t gebouw in vloeiing greep en herhaalde. Starend-in-droom, keek Eleazar beurtlings naar ’t afdrijven der wolken, soepel en rustig over het dak der fabriek en naar ’t ruiten-spel dat het schuiven en glijden deed wederkeeren. Het werden twee luchtruimen die in damping en nevel bewogen. Donkerde in de wolken een heuvel, zweefde een roetpluim grillig als ’n roofdierkop voorbij, dan kroop op het glas de teere weerspiegling, het vage, loom-trekkend beeld. Toen, ineens, was ’t weg, waaide een vette rook-smakking tusschen wolken en ruiten. De fabrieksschoorsteen flapte roetklodders de lucht in.De rook, die opgrauwende stooting van fluimen, log drijvend één zij uit, schokte hem, deed driftig ’m zoeken àchter de ramen. Het wàs er. Door ’t geglim van de vensters had-ie ’r niet dàdelijk op gelet. Achter een deel der ruiten danste aarzlend, verdwijnend, weer ros-wapperend, ’t gevlam van verstelpitten. Rook èn vlammen. Ze wèrkten daar nog. Niet alle molens stonden stil. Het oude spel van arbeid die arbeid bevocht, de gruwelvan ’t verdeeld zijn. Zenuw-vinnig beplukte Eleazar de voering van z’n broekzakken. De verstel-vlammetjes knipperden, vonkten, zakten in duister. Even bleven ze weg, schuilend, geslokt door ’t glazig geleef van de ruiten. Dan hikkend, met schokjes en drillend gesar, schoten ze, lekten ze, rood-bijtend en gelig van huppling. De rook uit den schoorsteen neergeslagen door ’n windstoot, wuierde er in zwarte slieren om henen, buil-zwaar en grauw van verneevling.“Stumpers”, zei Eleazar.’t Gesater van de verstelvlammen, het gewroet van den rook zeien àlles van den tijd. De Duitscher, die mèt ’m in ’t gasthuis in Brooklyn had gelegen, de man an wie-die zoovéel had te danken, de man die niet naar z’n land terug kon vóór z’n straf was verjaard—had wèl gelijk, als-ie telkens spòttend de arbeidersbladen las, spottend met ’t gesnork en geschetter tegen machthebbers die geen machthebbers wàren. “Woorden, woorden”, zei-die gedurig als Eleazar tegenstribbelde: “alles woorden! We hebben maar één vijand. Eén. De arbeider zelf”.... Ja, ja, dàt was ’t. Wat leek ’t glashelder dat ’n mensch, eenvoudig’n mensch was, recht had op ’n natuurlijk bestaan. En wat kostte ’t ’n overreding, ’n daaglijksch wanhopig betoog om duizenden ’n eerst haperend kinderstapje te leeren. Zon, natuur, ’t schoon-der-eeuwen, niks zagen ze, niks wisten ze, niks lééfden ze. En de nog weinigen die uit de verstikking wèg wilden, die begrepen hoe ieder uur voor miljoenen ’n foltering was, vielen ze in den rug aan, lieten ze struikelen, joegen ze mee op. Als jongen, gesleurd door de omgeving, had-ie helpen verrajen. Wat had-ie gejouwd en gejoeld toen ’r ’n optocht was in de straten, een met ’n rooie lap vooruit liep. Straatvuil en stronken waren in de jodenbuurt gesmeten—de vrouwen hadden gekrijscht en gescholden. Druif—den onderrabbijn—zag-ie nog, bleek en verwoed, schimpend op ’t uitschot, de òrde-verstoorders. Toen was ’n periode in z’n leven gekomen, dat-ie zàg en met jongens-geweld meedeed an rumoer en politie-getreiter. O, de kostelijke, màlle dagen van heftig-gepraat, ’t in verrukking volgen van sprekers, ’t opgewonden geraas als ’n klein ding mislukte. Hoe goddelijk had-ie loopen droomen na ’t lezen van Dostojewski’sSchuld en Boete, gehuurd in ’t gore winkeltje vanSalli, den boek-sjaggeraar. Als hìj ooit ’n rijken vent vermoordde, bestal, zou-die géén wroeging hebben—gaf-ie alles an de armen, hield-ie geen cent. Waarom had Dostojewski z’n held wróéging opgelegd? Waarom? Als hìj ’t deed—en doen zou-die ’t—dan kon geen joden-god ’m hinderen—bah!—die god was ’n sinterklaaskoek, een die lei te zeuren, te vloeken—’n misselijk maaksel-van-menschen—’n tyran die jou as ’n hond verwenschte as je niet van ’m gediend was—’n potsierlijke schimper, die zooveel eeuwen vroeger al den jood Jezus met z’n straffen, z’n vloeken, z’n dreigingen van Deuteronomium had gèslàgen. Gek dat de christenen ’r niet an dachten dat de joden-god ze voor àltijd in kwalen en ziekten gesmakt!—Nee, hìj zou geen wroeging kennen, geen schuld, geen boete, as-ie ’n wráák nam! ’n Kàp-pi-ta-list meer of minder—’r kraaide geen haan naar! In Amerika had-ie dat jongensachtig-heete, dat bol gezwets zonder ruggemerg langzaam verleerd, was z’n jeugd-opstand tot bezonnener verzet geworden, z’n dwaze rooie roes ’n door denken getemperde hartstocht, z’n haat tegen den joodschen god ’n simpel meelij met mènschen.Soms herleefde z’n wrok, voelde-die de kerken als zooveel povere àngsten—sòms als-ie de gods-idee in alle verjonging zag, in allen strijd-tot-herleving, kon-ie zich nauwlijks ’t gebid en geprevel en gepreek in allemaal rare soortjes, als ’n heusch ding, als ’n wèrkelijkheid voorstellen. Het ontwaken der arbeiders geloofde-die, wìst-ie thans als ’t groeien van ’n plant. Ongeduld, woede, onstuimigheid maakten geen knoppen rijp. Eer ’n eik hóóg in de luchten z’n kruin dreef, eer elk voorjaar bloesems dee glanzen, gingen maanden en jaren voorbij. De natuur had in alles geleding. De gods-idee in alles een schakel. Met ruwheid en onverstand werden wortelen vertrapt. De schoone taak was de behoeding, ’t vernielen der rupsen die blaren en nerven wegvraten. Nòg waren de ergste, geduchtste verstoorders de arbeiders zelf. Schönlieb, de Duitscher, had gelijk: dit was de tijd van de machthebbers die geen macht-hebbers waren. Er was maar één macht—één macht—een nàtùurlijke macht—een gòdlijke macht die zichzelve vijandig bleef.De rossig-bewegende verstelpitten, de zwalpende rook zetten het weemoedig in beeld.Een grauwe, zwartrandige wolk raakte het dak der fabriek, overschaduwde het glimmen der ruiten. Van elk venster werd het bovendeel schemerduister, lei de benedenhelft in bleek-gladde glanzing. Ze bleven beweegloos als opwaarts starende oogen met weinig pupil en glazerig wit. Ze kolden den muur uit, die krijt-troebling kreeg, als ’n gelaat onder den schijn van een groen-omkapte lamp. De heele fabriekswand met z’n donker-wazige ramen, werd door de grauwing der wolk van een marmeren kilheid, van een wegdeinende bleekheid, van een doorzichtlijke teerheid, alsof ze geen bouwsel van steen en cement, maar ’n droom-ding van nevel en misten. Zoo waren soms ook wel de straten, als ’t laatst zonne-rood van ’n dakraam verstoven.Dicht bij de school, zachjes opwandlend, ontmoette hij Rebecca, de dochter van Poddy. Zij zagen elkander daaglijks, bij Suikerpeer, bij Reggie, bij den cigaretten-jood zelf, op de nauwe, kreunende trappen. Gewend als ze waren aan de schaduwen van het huis, de dag-verleptheid der kamers, gevoelden zij eenige vreemdheid elkaar te ontmoeten in de straat die harder,ontledender werkte. Zij geleek kleiner bij de huizen, de muren—hij bleeker, ònbekender. Hij moest wènnen an ’r ander voorkomen. Ze was ’n mooi, zwart jodinnetje, met los-krullend vol-weeldrig haar en heel-groote oogen. Ze droeg ’n verslonst japonnetje van bruine blokken op dof-paarse streepjes. Voor ’r zeventien jaar was ze volwassen, overrijp, met borsten van vrouw, wat ’r misstond, ’r lichaam ouder deed schijnen. Het vreemdsoortigst, aantrekkelijk, beangstigend, waren de wenkbrauwen, zwaar van groei, in elkander fluweelend tot boven den kleinen, niet gebogen neus. Dat gaf haar gelaat iets van peinzing, ernst, tegelijk bij iederen lach en iedere fronzing ’n kietlende wulpschheid. Gitten ’r oogen in vroolijkheid, dan werden de zwarte brauwen sterker één, verward van pluis, wollig als ’n viltige distel, ruig van kafnaalden-spreiing. Lachte ze niet, kwam de ontspanning, dan bleven de brauwen één van fluweeling. Uilen hadden ’t zelfde en katten soms. Als ze ’r oogen gesloten hield, zou je ’t niet kunnen zien.—’t Geeft ’r iets gedrukts dacht-ie, glimlachend om tante Reggie’s praten dadde zulleke hare boven de ooge ongelukgavve enne as-die ’t niet geloofde, dad-ie dan is most rondhoore bij iedereen.Zij, gulzig, liep van ’n rotten sinaasappel te bijten, dien ze voor ’n halve cent had gekocht, spuwde met smakjes de schil, de te beurze plekken. Het sop droop van ’r kin, bemorste de bruine vervuilde blokken der blouse.“Dag”—, zei ze verlegen, ’r lippen nat en met gele draadjes.“Kom-ie ook voor de school?”, vroeg hij.“Voor me zussie”, lachte ze, voor ’m stilstaand. Er was vrijpostigs in ’r oogen. Even hadden ze paarse vlamming door ’t schemerlicht van ’n zijsteeg.“Gaat ’n zussie van jou op school?”, vroeg hij opwandlend, kijkend naar de vierkante slijkranden van z’n schoenen. Zij lei ’t uit, spuugerig-slobberend van den uitgebeten appel, de pitten rècht voor zich spuwend. Poddy ging meestal zelf. Vandaag was-ie blijve legge. D’r ware gate in z’n heup gekomme en ’t been, ’t ééne, voelde stijf as ’n paal. Z’n ondergoed had al wèke vol bloed gezete, zonder dat-ie geklaagd had. Hij had de zwere gepapt met korste ouwbakken roggebrood, maar ze werde grooter en nou brakke ze uit op z’n heup.Je wer dood-misselijk as je ’t zag, zooveul rauw vleesch, zooveul viezigheid. Bijtend in den sinaasappel, uitscheurend het dradig safraangeel, vertelde ze verlegen-lachend, mallig, ongewoon met ’n haast vréémde in daglicht te loopen. Schuw keek ze ’ns op naar z’n gezicht, kauwde schil, spoog die uit in fijne, geel-ronde kwakjes, zweeg verder tot ze bij school kwamen. De deur stond aan. In de voorhal was niemand.“We kennen best wachten”, zei hij. Zij volgde zachjes lachend, alsof ze iets dee wat niet mocht. Buiten tikkel-spette de regen. Hij, de koude handen wrijvend, en geeuwend, leunde tegen ’n zuil, beluistrend het zwak gezoem dat boven en op zij, van wand naar wand gonsde, overal echoën scheen te vinden, overal kwinkjes sloeg van ver-weg kindergeluid. Zij, over hem, keek naar den grond, spelend met ’r éénen schoenveter, die slijknat over ’t hout slierde en slappe vocht-figuurtjes trok. In den halfschemer zag-ie ’t sterkst haar ooggitten, de zwarte, kluwige wenkbrauwlijn, den lach van onwezenlijkheid. Als ze opkeek, keek ze ’m dwazerig aan, als ze néerkeek had de heele uitdrukking van ’t gezichtje ’n doen alsof zewìst dat ze bekeken werd, ’t wel gek vond, wel gek, erreg-mal en plezierig. Zulk een schuilen en aanschieten van lach èn het glimlachend dwalen der oogen onder de broeiing der brauwen was als ’n opwekking, deed z’n oogen begeerend ontleden, de vormen van ’r beenen in ’t deukend, slapplooiiend blokjes-goed zoeken. De scheemring gaf ’r een bekoring, zoo als dingen in nacht doen, boomen in nacht, huizen in nacht. Ze was hier niet ’t van den rotten sinaasappel vretende, verwaarloosd-mooi jodinnetje noch ’t verlegen kamer-schepseltje dat-ie zoo dikwijls op de trappen voorbij was geloopen—zij stond in schuiling van schaduw, zwijgend, zonder ruwheid, zonder afstootends—ènkel oògen, zwarte oogen onder zwarte brauwen, zwarte oogen in teerbleek vel en tuimelend windsel van wild-krullend haar er om henen. Als ze stràks weer in daglicht zou sjokken, zou ’r vervuild halsvel dat-ie had opgelet, ’m hinderen, ergeren, zou-ie de sopvlekken van den appel zien, het vreemd-drieste der oogen. Nou was ze van ’n onnatuurlijke schoonheid—fijn-witte trekken in slipping van zwart, zonder scherpte, zonder harde lijnen, zonder bruuske verstoring. Zoo had-ie daarevende fabriek gezien, zóó herinnerde hij zich ’t kopje van ’n Engelsche danseuse in Amerika, als ze met gespreide beenen op het tooneel lag, het hoofd op ’t schuim van crême-cachemier—zoo kulde ’t licht met flarden, lompen, ellende. Star starend brandden zijn oogen de hare in, glimlacherde ze niet meer, speelde ze niet langer met den slierenden veter, keek ze terug zonder schuwheid, brutaal, gemeenig van lach, ’t wenkbrauwen-zwart als ’n donkere gleuf, de armen rugwaarts om de zuil geslagen.Er ging een deur open. De klank schrilde een schrik in de voorhal. Watel van kinderstemmetjes tetterde hel.De deur werd hersloten. Zij, in de weer volgroeide stilte, had zich afgekeerd, lachte naar de zijde van het verscholen geluid—, hij onrustig, stapte heen en weder de hal door, de handen in de broekzakken, nijdigjes, onlekker, half-verveeld, half in kribbigheid van ’n malle schaamte. As je ’n meissie zóo ankeek, zoo smérig ankeek, zoo minuten-lang—zij je oogen vasthield, in zich nam, zonder verzet, zonder weerstand, asof ze zich gàf—dan was ’r goors gebeurd—bleef ’r ’n rillerigheidover je, voelden je handen klam-zweetig na, werd je dagschuw wakker in ’n donkere bedstee, waar je had liggen hitsen en geilen.En hij vond ’r viezig, afstootend. Ze had niet naakter, zinnelijker voor ’m kunnen staan—als zoo pas tegen die zuil aan.Er ging een tweede deur open, dichtbij. Een hand hield den deurknop, trok zich terug. Zacht schoof hij naar den kier, keek het lokaal in en groote aandacht verdrong z’n koortsige aandoening. In lange rijen zaten de kindjes, dwaas-kleine kindjes, van vijf, zes jaar, telkens zes naast elkaar in banken zóó laag dat de knietjes raakten het blad-voor-de-handen. Alle handjes waren daarboven gespreid; hoofdjes dicht naast elkaar keken één richting uit. Het waren fletse, bollige, ouwelijke hoofden met kort geknipt haar, hoofden met zeer, hoofden met zieklijke, tranende, roode oogen, hoofden van kindren geboren in krotten, gevoed in krotten, verzorgd in krotten, hoofden die geen licht, zon, weidegroen kenden, hoofden uit licht-en-luchtlooze stegen. Er waren er ver over de honderd. Het was een school met duizend van zulke joden-kindjes, waarvan nietéén bloeiend, krachtig, levensgezond. Achter de banken stonden een paar bedjes. In een lag ’n moegeworden meisje van ’n jaar of vijf te slapen, het ander was leeg. Alle aandacht van de kindren, ook die van Eleazar, was bij een hoek van het vertrek. Daar wachtten ’n dertig kindjes op èen rij, jongens en meisjes, dreumessen met afzakkende broekjes, kousen die enkels ompropten. Een paar huilden angstig, werden vrindlijk gesust door de onderwijzeressen, zelf meer kind dan vrouw, in dof-blauwe voorschooten. Naast een kleine, wit-houten tafel, de handen in gedurig beweeg over fleschjes van zwartglas, net-beëtiquetteerd, schalen met water en een groote doos flardjes watten als mopjes sneeuw, zat de armendokter. Eleazar herkende z’n goedig gezicht, goedig van glimlach, goedig van kijken. Het bruin, stopplig baardje raakte bijna het zwartleeren voorschoot dat met banden om den hals hing. Hij was een der weinige dokters in de groote, rommelige stad, die den tact had den armen niet te laten gevoelen hoe ze misdeeld waren, die voor alle zieken ’n gijntje over had, bescheiden en klein iedren dag ùren in de huizen van ellende doorbracht.Een voor een nam hij de kindjes op, lei een stuk schoon papier op zijn borst—daar tegen kwamen de hoofdjes te rusten. Dan behandelde hij ze. Er zat een jogje van ’n jaar of vier op zijn schoot, kindje met opgezet-fletse koonen, oogranden rood van ontsteking. Glimlachend boog de jodenkop, de vingers aangrepen de oogleden van ’t kind dat huiltrekje kreeg.“Kom, groote man”, suste de dokter.De heele witte oogbal kwam te zien in de dooraderde schelpen van waterig rood—de bezige rechterhand greep snel ’n druppel-spuit uit ’n zwart fleschje, bracht haar tot dicht bij het oog dat heen poogde te krimpen en de druppel brandendnitrasspette in de onverweerde kas. Het kind schreeuwde, snot-blaasjes belden uit de neusopeningen, de beentjes spartelden in de handen der helpende onderwijzeres, de vingertjes beplukten heftig de sterke, blanke hand die het oog vasthield. ...“Ho! Ho!... Kom nou!... Wees nou ’n màn!... Zoo... Zoo!”...De groote spuit siste water na in de oogkas, wegspoelend het sterke bijtsel en een watje wreef over de nu angstig dichtgeknepen oogleden,die zoo heftig saamdrukten dat het bleek koontje in smarttrek opbolde. Maar alweer had de zekere hand het andere oog in bewerking genomen, kolde dat uit in de bloedranden der buitenwaarts ombuigende, angstige leden, drupte de druppel in het open ovaal. Het kind zachjes greide, rukte wild met het hoofdje, wèer klonk de sussende, goedig-monotone stem en na-spoot de groote spuit, melkstraal slaand tegen het hoornvlies, in de bleek-roode randen. Afgezet van de knie, stond het jogje hulploos, verblind, met knuistjes die bewriemden de gesloten gepijnigde oogen. Een oog twinkte schuw open, beet krimpend dicht en op den tast, huilend, groene snotzakjes op de bovenlip, stapten de voetjes naar de bank achterin. Terwijl was een meisje op het zwartleeren voorschoot gelicht. Ze ging rusten vanzelf met het hoofdje tegen de borst van den dokter, gewoon aan de zondagsche inspuiting, glimlachend. Ze had een garstig met zalf besmeerd hoofdje en alleen het rechter oog was iets aangedaan. Kalm bekeek de dokter het hoornvlies door een loupe, knikte goedkeurend, mikte kort met de druppelspuit, spoot water na, wiesch het oog met ’n watje. Zoo hielp hij het eene kindna het ander, geduldig, ze sussend, gijntjes zeggend, bijna machinaal de zieke kinderoogen behandlend. Vóor Saartje, die angstig te wachten stond—ze was óok aangestoken—werd nog ’n ventje geholpen van drie, vier jaar, met bleeke scherpe trekjes en ’n scherp-vleugelend jodenneusje. Het eene oogje was blind, melkwit overleid als door parelmoer, het andre aangetast had een vurig ontstoken rand. Het kind lachte verlegen, weende niet, verweerde zich niet, leunde zoet achterover—gaatjes van neus die zwart het gelaatwit doorpriemden, kousjes afzakkend, gulpje half-open met kreukels van ’n geel-bepiest hemdje. “Leelijk hoor, joggie”—zei de dokter goedig—“héél leelijk. Dàn maar is ’n sterk druppeltje. En braaf zijn as altijd, hoor...”Het kind glimlachte zoetjes, mondje open, handjes slap op den buik. En uit het glazen spuitje, zacht voortgeduwd door den gummidop, viel een druppel uit het zwartste fleschje Het kind balde de vuistjes, hijgde snuivend door de kleine neusgaten, vertrok smartlijk de lippen, klaagde zachtjes... O!... O!... O!.. Het zilvernitraat beet kort in—de watersproeiing volgde en het jongske geheel blind,tastte naar zijn plaats, ’t ééne vuistje voor het gebrande oog.Saartje, bleek, ouwelijk, met ’r vettig, verward kroes, huilde nog vóor ze op werd genomen. Stug snoot de bijstaande juffrouw ’t loopend neusje, gaf haar over aan den dokter.“Nie-doen! Nie-doen!... Ikke wil niet!”, spartelde ze tegen.“Zal je stil blijve zitte,” gebood schel de juffrouw.Het kind, krijsch-kermend, lang-snikkend, wegduwde de hand van den dokter, worstelde zich los, gleed op den grond, de rokjes in de hoogte, het gorig broekje bloot. Nijdig bukte de juffrouw met snauwende handen, stem die redelijk sprak om ’t bijzijn van den dokter:“Nou! Isse-’t gedaan!... Isse-’t gedaan?.. Jij stoute meid!”“Kom”, rustig-lachte de dokter, haar weder op zijn knie nemend: “Wil je blind worden, domme meid? Wil je ’t zonnetje niemeer zien, ’t móóie zonnetje?... Zoo-oo... Nou doe je braaf...Enne stilzitten, hoor?”...Weer kolden het kinderoog, het roodachtig, waterig hoornvlies, de zwarte dierlijk-wanhopig starende pupil in de bleekroode randing dervleesch-sneedjes, de roodere groef van den traanhoek. Zachte takjes rood doorsprietten ’t wit, dat dicht bij den pupil brandrige vloeisels had. De gummidop zakte, opjagend den druppel—krampachtig-angstig rolde de oogbol, trokken de leden, pogend ’t oog te beschutten en het gekerm van ’t worstlende kind doorgilde de zaal. Rustig werkte de dokter, kind na kind opnemend, spuitend, afdrogend. De kindren zaten in angstige stilte. Alleen aangonsde de stem van den geneesheer, het praten der juffrouw. Alle hoofdjes, ziekelijk, flets, bol, groot, waren in nieuwsgierige staring, bàng voor den man die pijn dee.Zóo had Eleazar ook eens gezeten. ’t Wekte vage, benauwde herinnering an ’n àndre joodsche bewaarschool, waar-ie geleerd had hóé God in hebreeuwsche letters gespeld werd—hóé ’t joodsche alphabet was—hóé de joodsche geboden—waar ze bang waren geweest als de rabijn op bezoek kwam, niet dorsten praten als een van de hééren voor de klasse stond, een van de heeren-van-toezicht, wier mild-zijn hij nu zoo innig verachtte. Hoe lang was ’t geleden? Hoe lang? Scheen niet alles kortlings gebeurd?Zat-ie daar zèlf niet als schuw, ouwelijk jogje, met opgeblazen gelaat en kringoogen? Was-ie óók niet gekomen uit een dier erbarmlijke rothuizen, waar het hout vermurwd en doorvreten, de steenen ontkalkt, de ruiten ontglaasd? Had-ie niet gewandeld aan de hand van de gestorven zuster door nauwe, licht-looze straten, naar de school? Zat hìj daar niet, droomend, verlegen, altijd met oogen die inwaarts schenen te kijken, naast meisjes en jogjes uit andere donkere, vale, verstikkende huizen? Toen óok waren ze ziek de kindjes, bleek, huisduf, alsof de lichaampjes zich zochten te eenzelvigen met de grauwe, neerdrukkende omgeving. Hij herinnerde zich ’n meisje zonder haar met enkel uitslag—en ’n jongetje—zou ’t nog lèven?—dat-ie altijd zat te bedroomen, omdat ’t zoo vies was, met loopende, groen-ettrende oortjes en ’n gebitloos mondje. Er waren er toen véel met ontstoken oogen. Toen kwam nog geen dokter. Toen ging de oogziekte van kind op kind, was het ’n wonder geweest dat-ie gezond was gebleven—behalve de borst. Maar àl het andere wás er nog—het meebrengen van droog brood in ’n gescheurd, vuil zakje—het drinken vanwater uit blikken kroezen—het slapen in ’n bedje als je op de bank in slaap was gezakt—het joodsch leeren—het joodsch—de geboden—de tièn ééuwige geboden—het zitten als natgeregende parkietjes—de handjes boven tafel—bóven—bóven tafel—Nu herinnerde hij zich dàt ook, hoe ’r jongetjes waren die al zóó vroeg, met de handen het geslachtslidje ònder de tafel bewreven als de juffrouw ’t niet zien kon, dan zacht-wieglend met vreemdlijk starende oogen stonden in bevende schommling. Er had zulk ’n jogje vlak voor ’m gezeten. Telkens zag-ie ’t schokkend rugje, ’t getril, ’t zonderling buigen van ’t lichaam naar de bank, de heete, wijde verrukking in de oogen als ’t kind omkeek, het bleek-jukkig gezichtje. Dat leerden ze van mekaar. Voor die jogjes scheen ’t de eenige vreugde in het zwart gehoop van steenen, binten, pannen, dat ze Jodenbuurt noemden. O, ’r waren méér herinneringen. Blinde Levi. Héette-die niet Levi? Hoe die geplaagd werd. Bij z’n geboorte waren z’n oogen al aangetast, zooals zóoveel oogen aangetast werden door ’t druipervocht van ’n moeder door ’r man aangestoken. Het kwam daaglijks voor.—En rooie Mozes, die geboren was met ’n horrelvoet of ’n heupziekte—En—En——Toèn was ’t zoo als nu. De riolen, waarin menschen leefden, de vergane krotten die geld opbrachten, het heele luidloos-rottend ellende-monument der hoofdstad, leverde jéúgd, kindren gedoemd te blijven—weeklijks bemildadigd door de hééren, door den rabijn. Triestig keek Eleazar.Rebecca, achter hem, staarde door den kier, zwak op ’m steunend, dan vertrouwlijker toedringend. Samen aanzagen zij de bleeke hoofdjes, de hoofdjes met klieren en zeere oogen, de gespreide vingertjes, het beweeg van den dokter, het grijskil licht dat zachte geluwingen gaf.Op de voorste bank was een kindje in slaap gevallen, het hoofd zijwaarts geleund op de handen. Er waren kaarsen gebracht, die met teedere vlamming ’t gelaat van den dokter belichtten, zijn handen, de zwarte fleschjes, de kom met het water, de doos met de propjes sneeuw-watten. Er lei ’n meisje op zijn schoot, gillend, jammerlijk-worstlend. Bij het licht van de kaarsen kolde ’r oog, wit met schamp-lichtjes, een starende stervens-angstige pupil, bleek-roode randen en een verwijde, splijtendetraanhoek. Zilvrend bij het sterker licht, viel de druppel brandendenitrasin het schuw-trekkend kinderoog—het hoofdje rukte met krijschend gekerm.

Dienzelfden Zondagnamiddag haalde hij Saartje van school. Het regende minder snerpend-gestadig. Het asfalt der Breestraat was als een bedding van heel-ouden zandsteen door schuring van water beslepen, met staalblanke lichting waar het plein de straatlijn verbrak. In de Jodenhouttuinen morde ’t geraas der ventende joden. Er was daar een glim-zwarte oploop van tenten en scharrel van wagens die schokten op knoklige keien. De dekzeilen der karretjes en kramen huifden als schouwen, glimmrend van lakglans en er langs henen schoof ’t geduik en gedribbel van petten, het dobbrend gewieg van wijkende, voortzwemmende parapluies. Nauw was de straat. Huizen stonden in lodder van scheemring, maagre, onbuikige huizen, slaaprig als moe-gebabbelde, gapende buren met kurk-kinnebakjes en kwijnende oogjesin taanvel. Ze schurkten dicht naast mekander, met brokklende daken, puinveld van pannen en slijmrige pijpen. Wat uitstaande ramen, ramen van dobbelsteenruitjes, waren zwak van gemijmer door ’t machteloos druilwolken-licht, met bleeke weerkaatsing van mat-roestig blik. Langs het lood der kozijnen hing aan de rekken het drooggoed, bij de loods aan de voorzij een roodvoerde deken. Maar zelfs de lichtere kleuren braken niet uit den schemer van bruin-zwart, grijs-zwart en grauw-zwart, die vadzig, logzwaar, de huizen, het puin van de daken, de schoorsteenen, de tentjes omschaduwde. Overal in de stegen en sloppen hadden de woningen het ontwrichtte gebaar van ’n huis waarin brand heeft gewoed—deuren, vensterbanken, gevels schoorden geblaard en verkoold—ruiten waren gesprongen—schaduwvlammen hadden zich diep in de muren gevreten. Nu, bij het gestadig regen-neerdrensen, kreunde de steeg eene zwijgende, passieve smart over ’t bewegen der joden, was het glazig geblikker der dobbelsteenruitjes het éénig leven, ’t éénig verzet.

Het was nog te vroeg voor de school. Droomerig, de handen in de zakken—telkens alsde dag ging zonder doel, had-ie uren en uren die ’n ànder voor ’m scheen te verdoen, uren van wandlen, zitten, kijken, praten, uren waarvan je geen tel hield, uren die sleepten en jaagden, uren waarvan je niks wist als je wérkelijk leefde—droomend, alles ziend zonder aandacht, indrentelde hij de Rapenburgerstraat, keek naar ’n slop—waar, achter ’t water, de pootige vormen van eene fabriek opbeukten. Als een reuzenknots was de cylinder-schoorsteen in den grond gedreund, een massale, slank-lijnende speer, hoog boven de fabriekzwaarte bruine roet-boeren gulpend, braking die uit de aarde scheen te walmen. Soms stond het stroeve gevaarte strak als ’n rotsensilhouet, inhijgend de grijsbolle weekheid der wolken, soms ontpropte een grijsbruine gulping den schoorsteenmond. Naast dien onbeweeglijken, spuwenden kegel, vlakte de fabriekswand met ’r vele celramen. De onderste waren door de onderschepping van ’t licht goorzwart, vuil-beslagen, hadden geeldoffe kozijnen—de rij er boven was zacht-lichter van glans—daàr boven hadden de ruiten het straf, plooiloos geglimmer van water in maanschijn. Het gebouw leek eenzamer, harder, door die stille glanzenderuiten, wier melkwittig spieglen het weeke der grijsbolle wolken bij ’t dak van ’t gebouw in vloeiing greep en herhaalde. Starend-in-droom, keek Eleazar beurtlings naar ’t afdrijven der wolken, soepel en rustig over het dak der fabriek en naar ’t ruiten-spel dat het schuiven en glijden deed wederkeeren. Het werden twee luchtruimen die in damping en nevel bewogen. Donkerde in de wolken een heuvel, zweefde een roetpluim grillig als ’n roofdierkop voorbij, dan kroop op het glas de teere weerspiegling, het vage, loom-trekkend beeld. Toen, ineens, was ’t weg, waaide een vette rook-smakking tusschen wolken en ruiten. De fabrieksschoorsteen flapte roetklodders de lucht in.

De rook, die opgrauwende stooting van fluimen, log drijvend één zij uit, schokte hem, deed driftig ’m zoeken àchter de ramen. Het wàs er. Door ’t geglim van de vensters had-ie ’r niet dàdelijk op gelet. Achter een deel der ruiten danste aarzlend, verdwijnend, weer ros-wapperend, ’t gevlam van verstelpitten. Rook èn vlammen. Ze wèrkten daar nog. Niet alle molens stonden stil. Het oude spel van arbeid die arbeid bevocht, de gruwelvan ’t verdeeld zijn. Zenuw-vinnig beplukte Eleazar de voering van z’n broekzakken. De verstel-vlammetjes knipperden, vonkten, zakten in duister. Even bleven ze weg, schuilend, geslokt door ’t glazig geleef van de ruiten. Dan hikkend, met schokjes en drillend gesar, schoten ze, lekten ze, rood-bijtend en gelig van huppling. De rook uit den schoorsteen neergeslagen door ’n windstoot, wuierde er in zwarte slieren om henen, buil-zwaar en grauw van verneevling.

“Stumpers”, zei Eleazar.

’t Gesater van de verstelvlammen, het gewroet van den rook zeien àlles van den tijd. De Duitscher, die mèt ’m in ’t gasthuis in Brooklyn had gelegen, de man an wie-die zoovéel had te danken, de man die niet naar z’n land terug kon vóór z’n straf was verjaard—had wèl gelijk, als-ie telkens spòttend de arbeidersbladen las, spottend met ’t gesnork en geschetter tegen machthebbers die geen machthebbers wàren. “Woorden, woorden”, zei-die gedurig als Eleazar tegenstribbelde: “alles woorden! We hebben maar één vijand. Eén. De arbeider zelf”.... Ja, ja, dàt was ’t. Wat leek ’t glashelder dat ’n mensch, eenvoudig’n mensch was, recht had op ’n natuurlijk bestaan. En wat kostte ’t ’n overreding, ’n daaglijksch wanhopig betoog om duizenden ’n eerst haperend kinderstapje te leeren. Zon, natuur, ’t schoon-der-eeuwen, niks zagen ze, niks wisten ze, niks lééfden ze. En de nog weinigen die uit de verstikking wèg wilden, die begrepen hoe ieder uur voor miljoenen ’n foltering was, vielen ze in den rug aan, lieten ze struikelen, joegen ze mee op. Als jongen, gesleurd door de omgeving, had-ie helpen verrajen. Wat had-ie gejouwd en gejoeld toen ’r ’n optocht was in de straten, een met ’n rooie lap vooruit liep. Straatvuil en stronken waren in de jodenbuurt gesmeten—de vrouwen hadden gekrijscht en gescholden. Druif—den onderrabbijn—zag-ie nog, bleek en verwoed, schimpend op ’t uitschot, de òrde-verstoorders. Toen was ’n periode in z’n leven gekomen, dat-ie zàg en met jongens-geweld meedeed an rumoer en politie-getreiter. O, de kostelijke, màlle dagen van heftig-gepraat, ’t in verrukking volgen van sprekers, ’t opgewonden geraas als ’n klein ding mislukte. Hoe goddelijk had-ie loopen droomen na ’t lezen van Dostojewski’sSchuld en Boete, gehuurd in ’t gore winkeltje vanSalli, den boek-sjaggeraar. Als hìj ooit ’n rijken vent vermoordde, bestal, zou-die géén wroeging hebben—gaf-ie alles an de armen, hield-ie geen cent. Waarom had Dostojewski z’n held wróéging opgelegd? Waarom? Als hìj ’t deed—en doen zou-die ’t—dan kon geen joden-god ’m hinderen—bah!—die god was ’n sinterklaaskoek, een die lei te zeuren, te vloeken—’n misselijk maaksel-van-menschen—’n tyran die jou as ’n hond verwenschte as je niet van ’m gediend was—’n potsierlijke schimper, die zooveel eeuwen vroeger al den jood Jezus met z’n straffen, z’n vloeken, z’n dreigingen van Deuteronomium had gèslàgen. Gek dat de christenen ’r niet an dachten dat de joden-god ze voor àltijd in kwalen en ziekten gesmakt!—Nee, hìj zou geen wroeging kennen, geen schuld, geen boete, as-ie ’n wráák nam! ’n Kàp-pi-ta-list meer of minder—’r kraaide geen haan naar! In Amerika had-ie dat jongensachtig-heete, dat bol gezwets zonder ruggemerg langzaam verleerd, was z’n jeugd-opstand tot bezonnener verzet geworden, z’n dwaze rooie roes ’n door denken getemperde hartstocht, z’n haat tegen den joodschen god ’n simpel meelij met mènschen.

Soms herleefde z’n wrok, voelde-die de kerken als zooveel povere àngsten—sòms als-ie de gods-idee in alle verjonging zag, in allen strijd-tot-herleving, kon-ie zich nauwlijks ’t gebid en geprevel en gepreek in allemaal rare soortjes, als ’n heusch ding, als ’n wèrkelijkheid voorstellen. Het ontwaken der arbeiders geloofde-die, wìst-ie thans als ’t groeien van ’n plant. Ongeduld, woede, onstuimigheid maakten geen knoppen rijp. Eer ’n eik hóóg in de luchten z’n kruin dreef, eer elk voorjaar bloesems dee glanzen, gingen maanden en jaren voorbij. De natuur had in alles geleding. De gods-idee in alles een schakel. Met ruwheid en onverstand werden wortelen vertrapt. De schoone taak was de behoeding, ’t vernielen der rupsen die blaren en nerven wegvraten. Nòg waren de ergste, geduchtste verstoorders de arbeiders zelf. Schönlieb, de Duitscher, had gelijk: dit was de tijd van de machthebbers die geen macht-hebbers waren. Er was maar één macht—één macht—een nàtùurlijke macht—een gòdlijke macht die zichzelve vijandig bleef.

De rossig-bewegende verstelpitten, de zwalpende rook zetten het weemoedig in beeld.

Een grauwe, zwartrandige wolk raakte het dak der fabriek, overschaduwde het glimmen der ruiten. Van elk venster werd het bovendeel schemerduister, lei de benedenhelft in bleek-gladde glanzing. Ze bleven beweegloos als opwaarts starende oogen met weinig pupil en glazerig wit. Ze kolden den muur uit, die krijt-troebling kreeg, als ’n gelaat onder den schijn van een groen-omkapte lamp. De heele fabriekswand met z’n donker-wazige ramen, werd door de grauwing der wolk van een marmeren kilheid, van een wegdeinende bleekheid, van een doorzichtlijke teerheid, alsof ze geen bouwsel van steen en cement, maar ’n droom-ding van nevel en misten. Zoo waren soms ook wel de straten, als ’t laatst zonne-rood van ’n dakraam verstoven.

Dicht bij de school, zachjes opwandlend, ontmoette hij Rebecca, de dochter van Poddy. Zij zagen elkander daaglijks, bij Suikerpeer, bij Reggie, bij den cigaretten-jood zelf, op de nauwe, kreunende trappen. Gewend als ze waren aan de schaduwen van het huis, de dag-verleptheid der kamers, gevoelden zij eenige vreemdheid elkaar te ontmoeten in de straat die harder,ontledender werkte. Zij geleek kleiner bij de huizen, de muren—hij bleeker, ònbekender. Hij moest wènnen an ’r ander voorkomen. Ze was ’n mooi, zwart jodinnetje, met los-krullend vol-weeldrig haar en heel-groote oogen. Ze droeg ’n verslonst japonnetje van bruine blokken op dof-paarse streepjes. Voor ’r zeventien jaar was ze volwassen, overrijp, met borsten van vrouw, wat ’r misstond, ’r lichaam ouder deed schijnen. Het vreemdsoortigst, aantrekkelijk, beangstigend, waren de wenkbrauwen, zwaar van groei, in elkander fluweelend tot boven den kleinen, niet gebogen neus. Dat gaf haar gelaat iets van peinzing, ernst, tegelijk bij iederen lach en iedere fronzing ’n kietlende wulpschheid. Gitten ’r oogen in vroolijkheid, dan werden de zwarte brauwen sterker één, verward van pluis, wollig als ’n viltige distel, ruig van kafnaalden-spreiing. Lachte ze niet, kwam de ontspanning, dan bleven de brauwen één van fluweeling. Uilen hadden ’t zelfde en katten soms. Als ze ’r oogen gesloten hield, zou je ’t niet kunnen zien.—’t Geeft ’r iets gedrukts dacht-ie, glimlachend om tante Reggie’s praten dadde zulleke hare boven de ooge ongelukgavve enne as-die ’t niet geloofde, dad-ie dan is most rondhoore bij iedereen.

Zij, gulzig, liep van ’n rotten sinaasappel te bijten, dien ze voor ’n halve cent had gekocht, spuwde met smakjes de schil, de te beurze plekken. Het sop droop van ’r kin, bemorste de bruine vervuilde blokken der blouse.

“Dag”—, zei ze verlegen, ’r lippen nat en met gele draadjes.

“Kom-ie ook voor de school?”, vroeg hij.

“Voor me zussie”, lachte ze, voor ’m stilstaand. Er was vrijpostigs in ’r oogen. Even hadden ze paarse vlamming door ’t schemerlicht van ’n zijsteeg.

“Gaat ’n zussie van jou op school?”, vroeg hij opwandlend, kijkend naar de vierkante slijkranden van z’n schoenen. Zij lei ’t uit, spuugerig-slobberend van den uitgebeten appel, de pitten rècht voor zich spuwend. Poddy ging meestal zelf. Vandaag was-ie blijve legge. D’r ware gate in z’n heup gekomme en ’t been, ’t ééne, voelde stijf as ’n paal. Z’n ondergoed had al wèke vol bloed gezete, zonder dat-ie geklaagd had. Hij had de zwere gepapt met korste ouwbakken roggebrood, maar ze werde grooter en nou brakke ze uit op z’n heup.Je wer dood-misselijk as je ’t zag, zooveul rauw vleesch, zooveul viezigheid. Bijtend in den sinaasappel, uitscheurend het dradig safraangeel, vertelde ze verlegen-lachend, mallig, ongewoon met ’n haast vréémde in daglicht te loopen. Schuw keek ze ’ns op naar z’n gezicht, kauwde schil, spoog die uit in fijne, geel-ronde kwakjes, zweeg verder tot ze bij school kwamen. De deur stond aan. In de voorhal was niemand.

“We kennen best wachten”, zei hij. Zij volgde zachjes lachend, alsof ze iets dee wat niet mocht. Buiten tikkel-spette de regen. Hij, de koude handen wrijvend, en geeuwend, leunde tegen ’n zuil, beluistrend het zwak gezoem dat boven en op zij, van wand naar wand gonsde, overal echoën scheen te vinden, overal kwinkjes sloeg van ver-weg kindergeluid. Zij, over hem, keek naar den grond, spelend met ’r éénen schoenveter, die slijknat over ’t hout slierde en slappe vocht-figuurtjes trok. In den halfschemer zag-ie ’t sterkst haar ooggitten, de zwarte, kluwige wenkbrauwlijn, den lach van onwezenlijkheid. Als ze opkeek, keek ze ’m dwazerig aan, als ze néerkeek had de heele uitdrukking van ’t gezichtje ’n doen alsof zewìst dat ze bekeken werd, ’t wel gek vond, wel gek, erreg-mal en plezierig. Zulk een schuilen en aanschieten van lach èn het glimlachend dwalen der oogen onder de broeiing der brauwen was als ’n opwekking, deed z’n oogen begeerend ontleden, de vormen van ’r beenen in ’t deukend, slapplooiiend blokjes-goed zoeken. De scheemring gaf ’r een bekoring, zoo als dingen in nacht doen, boomen in nacht, huizen in nacht. Ze was hier niet ’t van den rotten sinaasappel vretende, verwaarloosd-mooi jodinnetje noch ’t verlegen kamer-schepseltje dat-ie zoo dikwijls op de trappen voorbij was geloopen—zij stond in schuiling van schaduw, zwijgend, zonder ruwheid, zonder afstootends—ènkel oògen, zwarte oogen onder zwarte brauwen, zwarte oogen in teerbleek vel en tuimelend windsel van wild-krullend haar er om henen. Als ze stràks weer in daglicht zou sjokken, zou ’r vervuild halsvel dat-ie had opgelet, ’m hinderen, ergeren, zou-ie de sopvlekken van den appel zien, het vreemd-drieste der oogen. Nou was ze van ’n onnatuurlijke schoonheid—fijn-witte trekken in slipping van zwart, zonder scherpte, zonder harde lijnen, zonder bruuske verstoring. Zoo had-ie daarevende fabriek gezien, zóó herinnerde hij zich ’t kopje van ’n Engelsche danseuse in Amerika, als ze met gespreide beenen op het tooneel lag, het hoofd op ’t schuim van crême-cachemier—zoo kulde ’t licht met flarden, lompen, ellende. Star starend brandden zijn oogen de hare in, glimlacherde ze niet meer, speelde ze niet langer met den slierenden veter, keek ze terug zonder schuwheid, brutaal, gemeenig van lach, ’t wenkbrauwen-zwart als ’n donkere gleuf, de armen rugwaarts om de zuil geslagen.

Er ging een deur open. De klank schrilde een schrik in de voorhal. Watel van kinderstemmetjes tetterde hel.

De deur werd hersloten. Zij, in de weer volgroeide stilte, had zich afgekeerd, lachte naar de zijde van het verscholen geluid—, hij onrustig, stapte heen en weder de hal door, de handen in de broekzakken, nijdigjes, onlekker, half-verveeld, half in kribbigheid van ’n malle schaamte. As je ’n meissie zóo ankeek, zoo smérig ankeek, zoo minuten-lang—zij je oogen vasthield, in zich nam, zonder verzet, zonder weerstand, asof ze zich gàf—dan was ’r goors gebeurd—bleef ’r ’n rillerigheidover je, voelden je handen klam-zweetig na, werd je dagschuw wakker in ’n donkere bedstee, waar je had liggen hitsen en geilen.

En hij vond ’r viezig, afstootend. Ze had niet naakter, zinnelijker voor ’m kunnen staan—als zoo pas tegen die zuil aan.

Er ging een tweede deur open, dichtbij. Een hand hield den deurknop, trok zich terug. Zacht schoof hij naar den kier, keek het lokaal in en groote aandacht verdrong z’n koortsige aandoening. In lange rijen zaten de kindjes, dwaas-kleine kindjes, van vijf, zes jaar, telkens zes naast elkaar in banken zóó laag dat de knietjes raakten het blad-voor-de-handen. Alle handjes waren daarboven gespreid; hoofdjes dicht naast elkaar keken één richting uit. Het waren fletse, bollige, ouwelijke hoofden met kort geknipt haar, hoofden met zeer, hoofden met zieklijke, tranende, roode oogen, hoofden van kindren geboren in krotten, gevoed in krotten, verzorgd in krotten, hoofden die geen licht, zon, weidegroen kenden, hoofden uit licht-en-luchtlooze stegen. Er waren er ver over de honderd. Het was een school met duizend van zulke joden-kindjes, waarvan nietéén bloeiend, krachtig, levensgezond. Achter de banken stonden een paar bedjes. In een lag ’n moegeworden meisje van ’n jaar of vijf te slapen, het ander was leeg. Alle aandacht van de kindren, ook die van Eleazar, was bij een hoek van het vertrek. Daar wachtten ’n dertig kindjes op èen rij, jongens en meisjes, dreumessen met afzakkende broekjes, kousen die enkels ompropten. Een paar huilden angstig, werden vrindlijk gesust door de onderwijzeressen, zelf meer kind dan vrouw, in dof-blauwe voorschooten. Naast een kleine, wit-houten tafel, de handen in gedurig beweeg over fleschjes van zwartglas, net-beëtiquetteerd, schalen met water en een groote doos flardjes watten als mopjes sneeuw, zat de armendokter. Eleazar herkende z’n goedig gezicht, goedig van glimlach, goedig van kijken. Het bruin, stopplig baardje raakte bijna het zwartleeren voorschoot dat met banden om den hals hing. Hij was een der weinige dokters in de groote, rommelige stad, die den tact had den armen niet te laten gevoelen hoe ze misdeeld waren, die voor alle zieken ’n gijntje over had, bescheiden en klein iedren dag ùren in de huizen van ellende doorbracht.

Een voor een nam hij de kindjes op, lei een stuk schoon papier op zijn borst—daar tegen kwamen de hoofdjes te rusten. Dan behandelde hij ze. Er zat een jogje van ’n jaar of vier op zijn schoot, kindje met opgezet-fletse koonen, oogranden rood van ontsteking. Glimlachend boog de jodenkop, de vingers aangrepen de oogleden van ’t kind dat huiltrekje kreeg.

“Kom, groote man”, suste de dokter.

De heele witte oogbal kwam te zien in de dooraderde schelpen van waterig rood—de bezige rechterhand greep snel ’n druppel-spuit uit ’n zwart fleschje, bracht haar tot dicht bij het oog dat heen poogde te krimpen en de druppel brandendnitrasspette in de onverweerde kas. Het kind schreeuwde, snot-blaasjes belden uit de neusopeningen, de beentjes spartelden in de handen der helpende onderwijzeres, de vingertjes beplukten heftig de sterke, blanke hand die het oog vasthield. ...“Ho! Ho!... Kom nou!... Wees nou ’n màn!... Zoo... Zoo!”...

De groote spuit siste water na in de oogkas, wegspoelend het sterke bijtsel en een watje wreef over de nu angstig dichtgeknepen oogleden,die zoo heftig saamdrukten dat het bleek koontje in smarttrek opbolde. Maar alweer had de zekere hand het andere oog in bewerking genomen, kolde dat uit in de bloedranden der buitenwaarts ombuigende, angstige leden, drupte de druppel in het open ovaal. Het kind zachjes greide, rukte wild met het hoofdje, wèer klonk de sussende, goedig-monotone stem en na-spoot de groote spuit, melkstraal slaand tegen het hoornvlies, in de bleek-roode randen. Afgezet van de knie, stond het jogje hulploos, verblind, met knuistjes die bewriemden de gesloten gepijnigde oogen. Een oog twinkte schuw open, beet krimpend dicht en op den tast, huilend, groene snotzakjes op de bovenlip, stapten de voetjes naar de bank achterin. Terwijl was een meisje op het zwartleeren voorschoot gelicht. Ze ging rusten vanzelf met het hoofdje tegen de borst van den dokter, gewoon aan de zondagsche inspuiting, glimlachend. Ze had een garstig met zalf besmeerd hoofdje en alleen het rechter oog was iets aangedaan. Kalm bekeek de dokter het hoornvlies door een loupe, knikte goedkeurend, mikte kort met de druppelspuit, spoot water na, wiesch het oog met ’n watje. Zoo hielp hij het eene kindna het ander, geduldig, ze sussend, gijntjes zeggend, bijna machinaal de zieke kinderoogen behandlend. Vóor Saartje, die angstig te wachten stond—ze was óok aangestoken—werd nog ’n ventje geholpen van drie, vier jaar, met bleeke scherpe trekjes en ’n scherp-vleugelend jodenneusje. Het eene oogje was blind, melkwit overleid als door parelmoer, het andre aangetast had een vurig ontstoken rand. Het kind lachte verlegen, weende niet, verweerde zich niet, leunde zoet achterover—gaatjes van neus die zwart het gelaatwit doorpriemden, kousjes afzakkend, gulpje half-open met kreukels van ’n geel-bepiest hemdje. “Leelijk hoor, joggie”—zei de dokter goedig—“héél leelijk. Dàn maar is ’n sterk druppeltje. En braaf zijn as altijd, hoor...”

Het kind glimlachte zoetjes, mondje open, handjes slap op den buik. En uit het glazen spuitje, zacht voortgeduwd door den gummidop, viel een druppel uit het zwartste fleschje Het kind balde de vuistjes, hijgde snuivend door de kleine neusgaten, vertrok smartlijk de lippen, klaagde zachtjes... O!... O!... O!.. Het zilvernitraat beet kort in—de watersproeiing volgde en het jongske geheel blind,tastte naar zijn plaats, ’t ééne vuistje voor het gebrande oog.

Saartje, bleek, ouwelijk, met ’r vettig, verward kroes, huilde nog vóor ze op werd genomen. Stug snoot de bijstaande juffrouw ’t loopend neusje, gaf haar over aan den dokter.

“Nie-doen! Nie-doen!... Ikke wil niet!”, spartelde ze tegen.

“Zal je stil blijve zitte,” gebood schel de juffrouw.

Het kind, krijsch-kermend, lang-snikkend, wegduwde de hand van den dokter, worstelde zich los, gleed op den grond, de rokjes in de hoogte, het gorig broekje bloot. Nijdig bukte de juffrouw met snauwende handen, stem die redelijk sprak om ’t bijzijn van den dokter:

“Nou! Isse-’t gedaan!... Isse-’t gedaan?.. Jij stoute meid!”

“Kom”, rustig-lachte de dokter, haar weder op zijn knie nemend: “Wil je blind worden, domme meid? Wil je ’t zonnetje niemeer zien, ’t móóie zonnetje?... Zoo-oo... Nou doe je braaf...Enne stilzitten, hoor?”...

Weer kolden het kinderoog, het roodachtig, waterig hoornvlies, de zwarte dierlijk-wanhopig starende pupil in de bleekroode randing dervleesch-sneedjes, de roodere groef van den traanhoek. Zachte takjes rood doorsprietten ’t wit, dat dicht bij den pupil brandrige vloeisels had. De gummidop zakte, opjagend den druppel—krampachtig-angstig rolde de oogbol, trokken de leden, pogend ’t oog te beschutten en het gekerm van ’t worstlende kind doorgilde de zaal. Rustig werkte de dokter, kind na kind opnemend, spuitend, afdrogend. De kindren zaten in angstige stilte. Alleen aangonsde de stem van den geneesheer, het praten der juffrouw. Alle hoofdjes, ziekelijk, flets, bol, groot, waren in nieuwsgierige staring, bàng voor den man die pijn dee.

Zóo had Eleazar ook eens gezeten. ’t Wekte vage, benauwde herinnering an ’n àndre joodsche bewaarschool, waar-ie geleerd had hóé God in hebreeuwsche letters gespeld werd—hóé ’t joodsche alphabet was—hóé de joodsche geboden—waar ze bang waren geweest als de rabijn op bezoek kwam, niet dorsten praten als een van de hééren voor de klasse stond, een van de heeren-van-toezicht, wier mild-zijn hij nu zoo innig verachtte. Hoe lang was ’t geleden? Hoe lang? Scheen niet alles kortlings gebeurd?Zat-ie daar zèlf niet als schuw, ouwelijk jogje, met opgeblazen gelaat en kringoogen? Was-ie óók niet gekomen uit een dier erbarmlijke rothuizen, waar het hout vermurwd en doorvreten, de steenen ontkalkt, de ruiten ontglaasd? Had-ie niet gewandeld aan de hand van de gestorven zuster door nauwe, licht-looze straten, naar de school? Zat hìj daar niet, droomend, verlegen, altijd met oogen die inwaarts schenen te kijken, naast meisjes en jogjes uit andere donkere, vale, verstikkende huizen? Toen óok waren ze ziek de kindjes, bleek, huisduf, alsof de lichaampjes zich zochten te eenzelvigen met de grauwe, neerdrukkende omgeving. Hij herinnerde zich ’n meisje zonder haar met enkel uitslag—en ’n jongetje—zou ’t nog lèven?—dat-ie altijd zat te bedroomen, omdat ’t zoo vies was, met loopende, groen-ettrende oortjes en ’n gebitloos mondje. Er waren er toen véel met ontstoken oogen. Toen kwam nog geen dokter. Toen ging de oogziekte van kind op kind, was het ’n wonder geweest dat-ie gezond was gebleven—behalve de borst. Maar àl het andere wás er nog—het meebrengen van droog brood in ’n gescheurd, vuil zakje—het drinken vanwater uit blikken kroezen—het slapen in ’n bedje als je op de bank in slaap was gezakt—het joodsch leeren—het joodsch—de geboden—de tièn ééuwige geboden—het zitten als natgeregende parkietjes—de handjes boven tafel—bóven—bóven tafel—Nu herinnerde hij zich dàt ook, hoe ’r jongetjes waren die al zóó vroeg, met de handen het geslachtslidje ònder de tafel bewreven als de juffrouw ’t niet zien kon, dan zacht-wieglend met vreemdlijk starende oogen stonden in bevende schommling. Er had zulk ’n jogje vlak voor ’m gezeten. Telkens zag-ie ’t schokkend rugje, ’t getril, ’t zonderling buigen van ’t lichaam naar de bank, de heete, wijde verrukking in de oogen als ’t kind omkeek, het bleek-jukkig gezichtje. Dat leerden ze van mekaar. Voor die jogjes scheen ’t de eenige vreugde in het zwart gehoop van steenen, binten, pannen, dat ze Jodenbuurt noemden. O, ’r waren méér herinneringen. Blinde Levi. Héette-die niet Levi? Hoe die geplaagd werd. Bij z’n geboorte waren z’n oogen al aangetast, zooals zóoveel oogen aangetast werden door ’t druipervocht van ’n moeder door ’r man aangestoken. Het kwam daaglijks voor.—En rooie Mozes, die geboren was met ’n horrelvoet of ’n heupziekte—En—En—

—Toèn was ’t zoo als nu. De riolen, waarin menschen leefden, de vergane krotten die geld opbrachten, het heele luidloos-rottend ellende-monument der hoofdstad, leverde jéúgd, kindren gedoemd te blijven—weeklijks bemildadigd door de hééren, door den rabijn. Triestig keek Eleazar.

Rebecca, achter hem, staarde door den kier, zwak op ’m steunend, dan vertrouwlijker toedringend. Samen aanzagen zij de bleeke hoofdjes, de hoofdjes met klieren en zeere oogen, de gespreide vingertjes, het beweeg van den dokter, het grijskil licht dat zachte geluwingen gaf.

Op de voorste bank was een kindje in slaap gevallen, het hoofd zijwaarts geleund op de handen. Er waren kaarsen gebracht, die met teedere vlamming ’t gelaat van den dokter belichtten, zijn handen, de zwarte fleschjes, de kom met het water, de doos met de propjes sneeuw-watten. Er lei ’n meisje op zijn schoot, gillend, jammerlijk-worstlend. Bij het licht van de kaarsen kolde ’r oog, wit met schamp-lichtjes, een starende stervens-angstige pupil, bleek-roode randen en een verwijde, splijtendetraanhoek. Zilvrend bij het sterker licht, viel de druppel brandendenitrasin het schuw-trekkend kinderoog—het hoofdje rukte met krijschend gekerm.

VIII.Omdat ze heele troepen slijpers zagen trekken, toen ze in de Breestraat kwamen, liepen ze mee, hij Saartje’s hand in de zijne—, zij naàst hem, nieuwsgierig, dragend ’t zusje.Het reegnen hield aan, zachte spetjes in de modder der straat, staalkoel geprik van de huid door ’t gure geblaas van den wind. Op de gracht woei ’t sterker. Aan de andere zij van het water, bij ’t oude mannen en vrouwen-gesticht, was donker gedrang van wachtende mannen. Tot aan den kant van den wal hoopten zij saam, slenterend, schreeuwend, of stil met de handen in de zakken, de kin diep in de gleuf van den opstaanden kraag. Naar de zijde der Breestraat waren er meer nog, loopend in groepjes, hoeden nat van den regen, schouders doorweekt, knieën zwartpuilend. Ze gingen elkander-beduwend, tegelijk pratend, klittend-te-zaam,de koppen fel buigend, de handen in schuddend gevraag. Ze vulden aan weerzij het moddrig gekei van de gracht, stommelend sjokkend, donker-lichaam-gekriel en hoofdenbeweeg langs de dreigende druiling der huizen. Ze kwamen aan van de brug, van de eene gracht naar de andre, klissend in broeirige hoopen die plomp mekander doorzeefden en weer sloten aaneen. Ze gromden in donker gegolf langs de huizen, wier ruiten reeds hadden ’t matte berusten van dingen die wachten den nacht, wier gevellijn traagde in stottring van wit, schijnbaar-beweeglijk, meehortend het schorre drijven der wolken.Er was eene aarzling in ’t naadren van den avond, als wachtte de nacht met open-angstigen mond en starrende oogen. De wolken schichtig voort-hijgden naar de zij van ’t gesticht. Marmerwit krui-den dampige schollen, splijtend de stukwaaide pluimen van zwart en de dreigend-aanstuwende koppen. Heel de hemel tusschen de vaart der verwonderde gevels joeg in kille verwreeding, als smakte een wind rook-smeulsels en barsting van stoom naar ’t roodbruine kamp van de daken.Bij de brug leek een stilstand te wijden,leegte van luchtwit, zonder wolkengevlucht, strakke doorlichting die stroef de vensters bebleekte en ’t water der gracht doodblank deed glanzen als ’t oogvocht in peinzende oogen.Van den hemel naar het water, van de wachtende huizen naar de zwarte dringende mannen, ging eene wissling van zilverflets huivren, alsof iets ruws was gebeurd, iets dat het diepste wezen der huizen door-angstigd, de ruiten verschrikt, de kozijnen in wondring gezet, het water vergrauwd, als tobde het na in ontsteltnis. Dit—dit vreemde, dit over-het-leven-heen-witte, dit stokkend-beklemmends van ’n ongeweten geluid in zenuw-wakkren nacht, trof ’m zóó dat-ie rondkeek en omkeek en àchter zich keek, zoekend naar wat-er-niet-was.Van ’t Plein, dat zwart lag met krommende boomen, kwam heftig gestuw. Jongens holden vooruit, opketsend de slijkrige plassen—joeling van volk dromde den hoek om. Het scheen of boven het donker dringen der lijven de hoofden verbleekten in ’t vroegavond-wit der gracht. Vleesch van gelaten en handen brak weiflend de volte, den stilstand van avond en schemer. Meerder naar achter, felbleek meteffen-borende glimsels, staken dobbrende helmen van agenten die liepen in rijen van vier en dreven de mannen en jongens de gracht af. Een fluitend gillen en jouwen doortierde de straat. Zijwaarts opdrong het volk, brekend de helmen voorbij, de stoepen langs naar het hooge bordes van dejuweliers-sociëteitGolconda. Het werd een geborrel zoo woest als beukte een branding. Aan de andere zijde der gracht, heftiger nog, steeg het gedrang, overbarstte de massa de brug die dreunde in donder-gerommel, rammeiend van huiswand naar huiswand. Ook van het Plein drong het volk, botsend met die van de brug, zwartelijk spattend, grimmig-volstortend de breedte der straat. Het was een lawine van rompen, dof-stootend, rollend met krakend gesteun als een roestige wals, als ’n tandrad met stompe scharnieren. De overzij gracht werd bijna leeg met enkele kijkers en de brug gromde log-loeiend het stampen der voeten. Alles inknoerste de gracht-van-Golconda, stuwend met schokkend geraas achter de blank-witte helmen. De huizen leken verschrikter bij ’t schuddend wolken-gebeef, den staalgrauwen angst van het water, den golvenden mensch-vloed,die als een storting van modder met paars-rosse schuiming wrong en bewoog. En plots uithuilde de massa een krijschend geschreeuw. Voor het gebouw vanGolcondavreemdde een leegte. De agenten gedrongen van voor en van achter, verstikt in de stuwing, sloegen verwoed naar het volk. Scherp was ’t geflits van de sabels, domp-houwend, dierlijk ’t gegil. De voorste mannen, beknauwd, bonsden de weerlooze lijven, ontwijkend de slagen, vluchtend in ’t grauwe gedrang. Maar het achterste volk beukte hen op, aandrong met blind-botte kracht, volplettrend de gracht.Rauw-krijschend scheurde gegil en gekerm over ’t water. Er lagen er onder den voet die brulden en jammerden. Het werd eene worstling van stikkende, tierende menschen waarom het patsend sabelgeweld. Een man met ’n bloedenden houw, was gillend gevlucht op ’t hooge bordes, bebette zijn wond met een doek. Het bloed liep langs ’t baardhaar dat plakte om ’t witte doodsangst-gelaat, gutsend met purperen schreeuw langs den neus, den snor en zachjes neertapplend op ’t zwart-natte buis. Met kollende vreesoogen keken de juweliers in het gebouw. Zij drongen verschrikt achterde ruiten, wassen gelaten in ’t blauw-wit licht van de gracht, aanziend het dompe rumoer, bàng voor de bloedstreep die bedroop het bordes, bloedspetten op ’t blauw van de treden, bloed dat murwig verspette in ’t regengedrup. De man op ’t bordes, geelbleek in ’t heenschuwend wolk-licht, propte den bloeddoek bij ’t hoofd, kermend met drenzend geluid. Doch het zien van dien bloed-witten kop, den kop van rimpels en baard, het mat-grijzend haar en de vurige streep langs den neus, grimde de massa tot schorrig, felgillend gebrul.Van uit de warrling van rompen, hoofden en armen werden steenen geworpen, kletterend neer op de helmen, ketsend tegen de muren, nijdig voortbikkend van kei naar kei. Kwak van slijkrige paardvijgen stompte met dreun tegen ’n ruit vanGolconda, dat het glas beefde en de joden er achter schokten terug—tegelijk keilde een steen door de ruit vlak er boven, versplintrend het glas, scherven rond-bliksmend in ’t donker der kamer, op het kozijn, achter het ijzeren hek. Een oogenblik stoven de agenten terug, de handen gepunt om den rand van hun helmen, de ruggen gebogen, pogend de open gelaten te schutten.Maar van het Plein kwamen er meerdren, driftig van loop, de sabels in roodharde vuisten en braken een ruimte in ’t zwart van de straat. Het volk, opgejaagd, stormde de gracht af, rennend met grommend gedreun, meesleurend al wat er stond, niet-weerhoubaar, tuimel van vluchtende, angstige lijven onder het eenzaam boomen-gespar van den walkant, langs de doodelijk-stilstaande huizen. De gracht werd ’n blankliggend keien-gegrauw, met vale bordessen en scherplijnde stammen van boomen. Zij scheen door het plotsling ont-leven uit een mist aan te heldren, met grootere bitsing van walkant, zwarter grijpen van takken, bleeker kartlen van gevels. Op de bordessen stonden vrouwen en mannen gevlucht, kijkend naar ’t gestuif, ’t angstige leeg-zijn der straat. Over de brug stortte de massa, vullend de gracht aan de andere zij, daar wrokkend in driftige hoopen, omstuwend een tram die schuchter ’t gewarrel met klagenden bel-roep doorsnee. Dan keerden de agenten terug, bedreigend met driftige stem de mannen en wijven op de bordessen.“Donder z’r af!”,—riep er een en bij ’t toornig geblink van de sabels, joelden de angstigen heen, ruw geduwd bij ’t geaarzel.Eleazar en Rebecca, elk met ’n kind op den arm, schuilden op ’t bordes bij den man die verwond was. Op ’t blauwzerk-plateau had zich een kijkkring gevormd om den plas, die schuw de voeten deed wijken, als vreesden de schoenen de branding van ’t lauw-walmend bloed. De man zat in ’t midden, op den rand van de deurtree, drukkend den doek tegen de gapende wond. Ze hadden van binnen een teiltje met water gebracht, dat fletsrood werd gekleurd door ’t doopen der hand. Rebecca keek met gitzwarte oogen in ’t wasbleek angstmom van ’r gelaat. De wond doorgaapte het voorhoofd, wijdspleten mond met dunne bloedlippen, bloedslang die grillig bewoog. Het been lei bloot in de kerving van ’t stukgehouwen vleesch, met weekroode vezels en propprige aêren—het haar, met zwart-roode klonten, kleefde de scheur om die rustig braakte het purperen bloed, bloed dat het oog overgutste, in snor en baard mokkende sloop, bloed dat drupte met goedigen, luidloozen slag in den plas, waaromheen de hard-plompe schoenen stonden in vluchting.Eleazar hield de teil met ’t water en bloed,keek naar de scheur in het hoofdvel—naar de scherven der ruit die weifelend hingen aan ’t houten karkas van het raam. Er was eene gelijknis in het kwijnen dier wonden—de wond in het hoofd—de wond in de ruit—de wond in den man—de wond in het huis.—Bleek, als in duizel van dood, zat de man, zacht boeren van klamme benauwdheid opgevend. Het aschgrauw licht van den hemel, kil de waaiende wolken langs druipend, scherpte in bruute kontouren den bloedrigen neus, de geelwitte jukken, de nattige baardstoppels, den openkrimpenden mond met z’n hoeken van waterig kwijl. Aarzlend bewreven de vingers de oogen, die vaagden in weëe bezwijming—spierloos steunde de nek het doelloos hoofd. De ruit, naast de deur, zwaar door-barst, met flarden glas en snijdende spleten, zette grimmig haar wond in ’t schemerend wit van den avond. De andere ruiten, paisibel en stil, kaatsten het wolk-licht in zachtblauwe wazen, als had de spelende adem van ’n kind ze besproeid. Zoo was het de gracht af, vager en doffer van aanslag, maar de ruit vanGolcondaruwlijk versplinterd, met lichtende tanden, uitvretende brokken, met kankerplekkenvan duister en dikke striemen zwart, verstoorde kwaadaardig de drooming der huizen, brekend het tonig aspekt als ’n hysterische dierkreet ’t manelicht-glanzen.Zij werden ’t bordes af gedreven. De man bleef er achter. Dragend de kindren liepen zij mee over de brug naar de andere gracht, waar duizenden drongen, kijkend naar d’eenzame straat voorGolconda, die door de agenten schoon was geveegd. De matte glimming der helmen leek ’n hekwerk, weerhoudend het woelig beweeg aan weerszijden. Op het plein was het stil—de brug was ontruimd.“’k Bin wee van ’t bloed”, klaagde Rebecca: “om zoo maar te slaan, zoo maar te slaan—de vuilike!”Hij had Saartje bij ’t handje genomen, keek norsch voor zich uit. Driftig praatten de slijpers, tierend in hoopen, beschreeuwend ’t gebeurde van straks.Hes en Klaroen stonden met Juda en Moppes, krijschten hun woede en wraak.“Zalle ze krijge ’n chòllera in d’r ingewande!”, raasde Klaroen, buigend het geelgelaat met de zwarte oogwallen naar d’andren: “om d’r klauwe uit te steke voor dad-’n haar wordt gedaan! Hoe gooie ze d’r poote nie mee, de kak-vreters! Hoe rotte d’r hande nie af! Doe ik ze wat? Doe jij ze wat? Moste ze Davy nie de darme uit z’n lijf trappe, de pooiers!” Zijn stem schor en driftig bekraste de omstanders.“Slaan w’m vandaag nie rot, krijge w’m mòrrege!”, dreigde Leon, verwoed de vuist naarGolcondaballend.Er reed stapvoets een tram door de menigte. Ze weken pratend terzij, hokten daadlijk weer saam. Een ouwe jood met grauwhaar en bevende lippen drong in het midden, tierde met huilende stem:“...Hij verroerde geen vin, godverdommè!... Ik zweer je bij ’t lich van me ooge dad-ie stil naast me stong te kijke! We kwamme van ’t Plein, van ’t Plein! Is ’t nie godgeklaag, godgeklaag dad-ze direk met d’r sabel hakke! Z’n heele hoof is gesplete!.... Die blinkende drolle!.... Die kakhiele!.... Die pleegischkoppe!... Die schijtlijsters!...”Reeds was ’n ander ’m woord-vloekend in de rede gevallen...“...Had ze op d’r smoel teruggeslage, die pargluize! De vrouw van Semmie die komp van de grach—heit ze èrg wat ’r gebeurt!—is ’oggenebbiesch voor alle minnute en krijg ’n trap voor d’r buik!.... De kànkerpuiste-gezichte! De gootescheppers! Hoe krijge ze geen sjankes in d’r keel om ’n zwangere vrouw te trappe!”...Moppes die vooraan had gestaan bij den aanval en bijna te water was gedrongen, werd ’t centrum van aandacht.“...Ikke zweer je bij God—wij liepe géwóon—daar roept zoo’n etterstraal: “Veruit! Deurloope! Ik bin daar ’n privaat! Late zij deurloope tot ze d’r bij neerzakke! Ka-jij terug in zoo’n volte as je beklemp zit! En daar trekke ze bij God d’r latte! En ’n gedrang dad-je geen voet ken verzette. Maar ’k hei d’r een ’n mekaajem gegeve dat ’m ’t bloed uit z’n bek sprong!... Late z’op schorum inslaan! Komp ’t ons nie toe dadde we opkomme voor onze rechte! Lijje we niet genog schwiejenieje! Geen pietsie, ’n korrel ’n ongeluk vleesch hei’k in de laatste tijd gezien! As die gattes, die verrekkeling van ’n Davy uit de zocieteit komp verzuip ’k ’m of me naam is geen Jijle!”...Uit een anderen hoop beet ’n fèllere stem, stem van passie en wrok. Een baardige jood stond op ’n stoep voor de deur van ’t gesticht, krijschte het volk toe:“...Hebbe we rech—hebbe we geen rech?.... Ik zeg juillie we hèbbe rech.... Verrekke we van honger?... Motte we ons as honde late slaan as we zoo lang de schtaking hebbe volgehoue? Is ’t niet godgeklaag? We komme op voor wat óns toekomp! Stoppe zij nie d’r pèns vol van onze cente! Vrete ze zich nie ’n barschting van òns zweet en bloed! Rijdt de ròtzak nie in ’n open kles van wad-ie ons begap? Hoeveul keer heit-ie ons nie besodemieterd met ’t werk, met boort, met rubbisch? Beschwindele ze nie met ’t loon! As ze met geweld beginne, dan gaat ’t hard over hard, dan motte ze ’t godverdommèèè verantwoorde as ’r dóóie valle!”...Zijn stem stikte in heeschheid. Anderen drongen te hoop, schreeuwend wild door elkaar, bonzend, rondwoelend. Langs het heele gesticht was het een persing van kwaadaardige mannen, stuwend en stootend tot waar de brug was. En die zwarte, benauwende volte, weerhouden door ’t koel-glimmend water, maakte sterkeren witter de eenzame gracht, aan de zij vanGolconda, met ’r zwijgende huizen en ’t zilverend lichten der helmen.De man met de bloedende wond was ’t gebouw der makelaars binnen gedragen en over het hooge bordes, doorstappend het bloed dat vrat in hun schoenen, kwamen nu angstig de joden die achter de ruiten hadden gezeten. Verlegen, met schuwe gebaren, daalden zij de blauwsteenen treden af, meenemend de bloedsporen—en een gehuil uit duizenden kelen overberstte het water, opschrikkend het staren der effene ruiten. Het was een gebrul zóo angstwekkend, dat de wolken driftiger leken te wieken, afduwend de steigrende gevels, golving stootend in de wijkende huizen. De agenten vormden een vierkant van sabels en daarin bewogen de juweliers over het Plein en de gracht. Als een golfslag met hoog-kloddrend schuim, als ’n branding van opbulkend water, stortten de mannen over de brug, die kreunde met gierend beugel-gekners. Achter het sabelvierkant, het helmen-geglim, werd het een stuiving van koppen, stootende schouders, plomp-zware voeten. Stronk van ’n kooldoortuimelde de lucht, bonzend op ’t hoofd van ’n diender en opgehitst, beu van ’t rumoer, nijdig om ’t gesmijt en gejoel chargeerden nog eens de agenten, dwingend de massa te wijken. In de Plantage, buiten ’t gedrang, stond een tierende klit slijpers. Nu ze ’r niet bij konden, bevreesd voor de driestheid der agenten, gilden ze hun onmachtige wraak, krijschend en vloekend, dreigend met knuistige vuisten en oogen die verwoedheid vlamden. Krijtwit keken de diamant-handelaars, schuilend in ’t sabel-vierkant, bang voor de kolken en wrongen bits-klotsend zwart, bang voor dat gillen van haat uit duizend gelaten. Beschermd als ze waren, dùrfden ze niet verder, vluchtten opnieuw in de societeitAdamas. De massa gromde, schreeuwend en jouwend, schudding van zwart tegen den dijk van de helmen. De gracht leek vrediger, minder ontrust door schichtige wolken, minder beangst door trillende ruiten. Naast de brug lag een buikige vlet met cokes bestouwd tot een berg, en verder de gracht af tot bij den donkren romp van een schouwburg, plankjes glad naar den wal en touwen dik in de ringen, spiegelden koffen ’r bruinteerde buiken in ’t avondwit-water. Het regende niet meer.Op de brug, het kind in zijn armen, zag Eleazar de dringing der mannen, het helmen-geblink, de nu vrindlijke gracht. Wollig doorwarden boomen hun pluisweb, buigend de zwaardere takken diep naar de masten. Het waren koffen met turf, takkebossen—turven gemetseld in hoog-bruine wallen, zwaar-overhuivend de zwaarden der schepen. Daarboven glimden dekken van cierlijke plankjes, met touw in krullige zwieren en rookende pijpjes die blauwig het water bewalmden. Op éen blafte een kees, rennend van ’t voordek naar achter, op éen zat ’n vrouw duwend ’r tiet in den mond van een bolroode zuigling. De gracht zelf lijnde moddrig, met paardevijg-kwakken.Het bizarst en vredigst bij ’t geraas aan den wal, ’t duwen en dringen, ’t op mekaar kleven en stuiven—’t droomerigst, als ’n onbewogen namiddag-gehuchtje, was ’t rimploos gewaas der spiegelbeeld-koffen. Achter de cokes-vlet lei een geloste schuit—de schipper met ’n pijp in z’n beenig gezicht, zat rustig de herrie aan wal te bekijken. Lang-plat op ’t grijs-glanzend water, stond de kof op ’r schaduw, ’n schaduw van bruinteerde ribjes, bruinteerde zwaarden, groen-vroolijk hondhok en ’t roer zwaaiend omhoogmet krachtigen ruk. Ook de roerstang had ’n schaduw met wit-scherpe letters gekeerd—Godzij metons—en een driehoekig vlagje van rood, wit en blauw dook mysterieus in de diepte. Er naast in de staal-gladde weerspiegling, het hoofd naar benee, het zittend lijf in de hoogte, zat soezend de schipper—grijs-blauwe wolkjes ontbolden zijn mond. Gansch de kof herhaalde zich zoo, het lang-dunne lijf, de zwaarden, het roer, het platbuikig vat-van-het-water, de bruine plank-ribjes, de witschaafde boomen, de neergeslagen mast en de schipper droomerig dampend met ’t hoofd diep, diep omlaag—’t gebogen rustend lichaam er boven.De golvende beuking van ’t volk stormde de gracht langs. Weerbarstig bleven ze wachten, bedreunend de brug, vullend ’t verlengde der straat, vloekend op Davy, die niet toegeven wou, op Moritz en Prins en de andren. Op den hoek werd gevochten. Daar hadden ze Dovid herkend en Berlijn. Woest knauwden de vuisten de koppen der onderkruipers, angstige schreeuwen doorgilden de lucht. Dan werd het een razend, boldrend, domp-dreunend gestuif, een reutlen de straat en de gracht af,een huilend gejoel en gerucht. Met wrekende sabels sloegen de agenten, rennend het volk na, stompend de vrouwen en kindren, borend de volte der brug door, opjagend de vluchtende, fluitende, schimpende slijpers.Saartje begon angstig te huilen.“Na huis toe—la-we na huis gaan”, snikte ze.Sussend lei Eleazar z’n hand op ’r mond, zoende ’r met ijskoude, bevende lippen.Hij zag zoo bleek als de man, dien zeGolcondabinnen hadden gedragen.

Omdat ze heele troepen slijpers zagen trekken, toen ze in de Breestraat kwamen, liepen ze mee, hij Saartje’s hand in de zijne—, zij naàst hem, nieuwsgierig, dragend ’t zusje.

Het reegnen hield aan, zachte spetjes in de modder der straat, staalkoel geprik van de huid door ’t gure geblaas van den wind. Op de gracht woei ’t sterker. Aan de andere zij van het water, bij ’t oude mannen en vrouwen-gesticht, was donker gedrang van wachtende mannen. Tot aan den kant van den wal hoopten zij saam, slenterend, schreeuwend, of stil met de handen in de zakken, de kin diep in de gleuf van den opstaanden kraag. Naar de zijde der Breestraat waren er meer nog, loopend in groepjes, hoeden nat van den regen, schouders doorweekt, knieën zwartpuilend. Ze gingen elkander-beduwend, tegelijk pratend, klittend-te-zaam,de koppen fel buigend, de handen in schuddend gevraag. Ze vulden aan weerzij het moddrig gekei van de gracht, stommelend sjokkend, donker-lichaam-gekriel en hoofdenbeweeg langs de dreigende druiling der huizen. Ze kwamen aan van de brug, van de eene gracht naar de andre, klissend in broeirige hoopen die plomp mekander doorzeefden en weer sloten aaneen. Ze gromden in donker gegolf langs de huizen, wier ruiten reeds hadden ’t matte berusten van dingen die wachten den nacht, wier gevellijn traagde in stottring van wit, schijnbaar-beweeglijk, meehortend het schorre drijven der wolken.

Er was eene aarzling in ’t naadren van den avond, als wachtte de nacht met open-angstigen mond en starrende oogen. De wolken schichtig voort-hijgden naar de zij van ’t gesticht. Marmerwit krui-den dampige schollen, splijtend de stukwaaide pluimen van zwart en de dreigend-aanstuwende koppen. Heel de hemel tusschen de vaart der verwonderde gevels joeg in kille verwreeding, als smakte een wind rook-smeulsels en barsting van stoom naar ’t roodbruine kamp van de daken.

Bij de brug leek een stilstand te wijden,leegte van luchtwit, zonder wolkengevlucht, strakke doorlichting die stroef de vensters bebleekte en ’t water der gracht doodblank deed glanzen als ’t oogvocht in peinzende oogen.

Van den hemel naar het water, van de wachtende huizen naar de zwarte dringende mannen, ging eene wissling van zilverflets huivren, alsof iets ruws was gebeurd, iets dat het diepste wezen der huizen door-angstigd, de ruiten verschrikt, de kozijnen in wondring gezet, het water vergrauwd, als tobde het na in ontsteltnis. Dit—dit vreemde, dit over-het-leven-heen-witte, dit stokkend-beklemmends van ’n ongeweten geluid in zenuw-wakkren nacht, trof ’m zóó dat-ie rondkeek en omkeek en àchter zich keek, zoekend naar wat-er-niet-was.

Van ’t Plein, dat zwart lag met krommende boomen, kwam heftig gestuw. Jongens holden vooruit, opketsend de slijkrige plassen—joeling van volk dromde den hoek om. Het scheen of boven het donker dringen der lijven de hoofden verbleekten in ’t vroegavond-wit der gracht. Vleesch van gelaten en handen brak weiflend de volte, den stilstand van avond en schemer. Meerder naar achter, felbleek meteffen-borende glimsels, staken dobbrende helmen van agenten die liepen in rijen van vier en dreven de mannen en jongens de gracht af. Een fluitend gillen en jouwen doortierde de straat. Zijwaarts opdrong het volk, brekend de helmen voorbij, de stoepen langs naar het hooge bordes van dejuweliers-sociëteitGolconda. Het werd een geborrel zoo woest als beukte een branding. Aan de andere zijde der gracht, heftiger nog, steeg het gedrang, overbarstte de massa de brug die dreunde in donder-gerommel, rammeiend van huiswand naar huiswand. Ook van het Plein drong het volk, botsend met die van de brug, zwartelijk spattend, grimmig-volstortend de breedte der straat. Het was een lawine van rompen, dof-stootend, rollend met krakend gesteun als een roestige wals, als ’n tandrad met stompe scharnieren. De overzij gracht werd bijna leeg met enkele kijkers en de brug gromde log-loeiend het stampen der voeten. Alles inknoerste de gracht-van-Golconda, stuwend met schokkend geraas achter de blank-witte helmen. De huizen leken verschrikter bij ’t schuddend wolken-gebeef, den staalgrauwen angst van het water, den golvenden mensch-vloed,die als een storting van modder met paars-rosse schuiming wrong en bewoog. En plots uithuilde de massa een krijschend geschreeuw. Voor het gebouw vanGolcondavreemdde een leegte. De agenten gedrongen van voor en van achter, verstikt in de stuwing, sloegen verwoed naar het volk. Scherp was ’t geflits van de sabels, domp-houwend, dierlijk ’t gegil. De voorste mannen, beknauwd, bonsden de weerlooze lijven, ontwijkend de slagen, vluchtend in ’t grauwe gedrang. Maar het achterste volk beukte hen op, aandrong met blind-botte kracht, volplettrend de gracht.

Rauw-krijschend scheurde gegil en gekerm over ’t water. Er lagen er onder den voet die brulden en jammerden. Het werd eene worstling van stikkende, tierende menschen waarom het patsend sabelgeweld. Een man met ’n bloedenden houw, was gillend gevlucht op ’t hooge bordes, bebette zijn wond met een doek. Het bloed liep langs ’t baardhaar dat plakte om ’t witte doodsangst-gelaat, gutsend met purperen schreeuw langs den neus, den snor en zachjes neertapplend op ’t zwart-natte buis. Met kollende vreesoogen keken de juweliers in het gebouw. Zij drongen verschrikt achterde ruiten, wassen gelaten in ’t blauw-wit licht van de gracht, aanziend het dompe rumoer, bàng voor de bloedstreep die bedroop het bordes, bloedspetten op ’t blauw van de treden, bloed dat murwig verspette in ’t regengedrup. De man op ’t bordes, geelbleek in ’t heenschuwend wolk-licht, propte den bloeddoek bij ’t hoofd, kermend met drenzend geluid. Doch het zien van dien bloed-witten kop, den kop van rimpels en baard, het mat-grijzend haar en de vurige streep langs den neus, grimde de massa tot schorrig, felgillend gebrul.

Van uit de warrling van rompen, hoofden en armen werden steenen geworpen, kletterend neer op de helmen, ketsend tegen de muren, nijdig voortbikkend van kei naar kei. Kwak van slijkrige paardvijgen stompte met dreun tegen ’n ruit vanGolconda, dat het glas beefde en de joden er achter schokten terug—tegelijk keilde een steen door de ruit vlak er boven, versplintrend het glas, scherven rond-bliksmend in ’t donker der kamer, op het kozijn, achter het ijzeren hek. Een oogenblik stoven de agenten terug, de handen gepunt om den rand van hun helmen, de ruggen gebogen, pogend de open gelaten te schutten.Maar van het Plein kwamen er meerdren, driftig van loop, de sabels in roodharde vuisten en braken een ruimte in ’t zwart van de straat. Het volk, opgejaagd, stormde de gracht af, rennend met grommend gedreun, meesleurend al wat er stond, niet-weerhoubaar, tuimel van vluchtende, angstige lijven onder het eenzaam boomen-gespar van den walkant, langs de doodelijk-stilstaande huizen. De gracht werd ’n blankliggend keien-gegrauw, met vale bordessen en scherplijnde stammen van boomen. Zij scheen door het plotsling ont-leven uit een mist aan te heldren, met grootere bitsing van walkant, zwarter grijpen van takken, bleeker kartlen van gevels. Op de bordessen stonden vrouwen en mannen gevlucht, kijkend naar ’t gestuif, ’t angstige leeg-zijn der straat. Over de brug stortte de massa, vullend de gracht aan de andere zij, daar wrokkend in driftige hoopen, omstuwend een tram die schuchter ’t gewarrel met klagenden bel-roep doorsnee. Dan keerden de agenten terug, bedreigend met driftige stem de mannen en wijven op de bordessen.

“Donder z’r af!”,—riep er een en bij ’t toornig geblink van de sabels, joelden de angstigen heen, ruw geduwd bij ’t geaarzel.

Eleazar en Rebecca, elk met ’n kind op den arm, schuilden op ’t bordes bij den man die verwond was. Op ’t blauwzerk-plateau had zich een kijkkring gevormd om den plas, die schuw de voeten deed wijken, als vreesden de schoenen de branding van ’t lauw-walmend bloed. De man zat in ’t midden, op den rand van de deurtree, drukkend den doek tegen de gapende wond. Ze hadden van binnen een teiltje met water gebracht, dat fletsrood werd gekleurd door ’t doopen der hand. Rebecca keek met gitzwarte oogen in ’t wasbleek angstmom van ’r gelaat. De wond doorgaapte het voorhoofd, wijdspleten mond met dunne bloedlippen, bloedslang die grillig bewoog. Het been lei bloot in de kerving van ’t stukgehouwen vleesch, met weekroode vezels en propprige aêren—het haar, met zwart-roode klonten, kleefde de scheur om die rustig braakte het purperen bloed, bloed dat het oog overgutste, in snor en baard mokkende sloop, bloed dat drupte met goedigen, luidloozen slag in den plas, waaromheen de hard-plompe schoenen stonden in vluchting.

Eleazar hield de teil met ’t water en bloed,keek naar de scheur in het hoofdvel—naar de scherven der ruit die weifelend hingen aan ’t houten karkas van het raam. Er was eene gelijknis in het kwijnen dier wonden—de wond in het hoofd—de wond in de ruit—de wond in den man—de wond in het huis.—Bleek, als in duizel van dood, zat de man, zacht boeren van klamme benauwdheid opgevend. Het aschgrauw licht van den hemel, kil de waaiende wolken langs druipend, scherpte in bruute kontouren den bloedrigen neus, de geelwitte jukken, de nattige baardstoppels, den openkrimpenden mond met z’n hoeken van waterig kwijl. Aarzlend bewreven de vingers de oogen, die vaagden in weëe bezwijming—spierloos steunde de nek het doelloos hoofd. De ruit, naast de deur, zwaar door-barst, met flarden glas en snijdende spleten, zette grimmig haar wond in ’t schemerend wit van den avond. De andere ruiten, paisibel en stil, kaatsten het wolk-licht in zachtblauwe wazen, als had de spelende adem van ’n kind ze besproeid. Zoo was het de gracht af, vager en doffer van aanslag, maar de ruit vanGolcondaruwlijk versplinterd, met lichtende tanden, uitvretende brokken, met kankerplekkenvan duister en dikke striemen zwart, verstoorde kwaadaardig de drooming der huizen, brekend het tonig aspekt als ’n hysterische dierkreet ’t manelicht-glanzen.

Zij werden ’t bordes af gedreven. De man bleef er achter. Dragend de kindren liepen zij mee over de brug naar de andere gracht, waar duizenden drongen, kijkend naar d’eenzame straat voorGolconda, die door de agenten schoon was geveegd. De matte glimming der helmen leek ’n hekwerk, weerhoudend het woelig beweeg aan weerszijden. Op het plein was het stil—de brug was ontruimd.

“’k Bin wee van ’t bloed”, klaagde Rebecca: “om zoo maar te slaan, zoo maar te slaan—de vuilike!”

Hij had Saartje bij ’t handje genomen, keek norsch voor zich uit. Driftig praatten de slijpers, tierend in hoopen, beschreeuwend ’t gebeurde van straks.

Hes en Klaroen stonden met Juda en Moppes, krijschten hun woede en wraak.

“Zalle ze krijge ’n chòllera in d’r ingewande!”, raasde Klaroen, buigend het geelgelaat met de zwarte oogwallen naar d’andren: “om d’r klauwe uit te steke voor dad-’n haar wordt gedaan! Hoe gooie ze d’r poote nie mee, de kak-vreters! Hoe rotte d’r hande nie af! Doe ik ze wat? Doe jij ze wat? Moste ze Davy nie de darme uit z’n lijf trappe, de pooiers!” Zijn stem schor en driftig bekraste de omstanders.

“Slaan w’m vandaag nie rot, krijge w’m mòrrege!”, dreigde Leon, verwoed de vuist naarGolcondaballend.

Er reed stapvoets een tram door de menigte. Ze weken pratend terzij, hokten daadlijk weer saam. Een ouwe jood met grauwhaar en bevende lippen drong in het midden, tierde met huilende stem:

“...Hij verroerde geen vin, godverdommè!... Ik zweer je bij ’t lich van me ooge dad-ie stil naast me stong te kijke! We kwamme van ’t Plein, van ’t Plein! Is ’t nie godgeklaag, godgeklaag dad-ze direk met d’r sabel hakke! Z’n heele hoof is gesplete!.... Die blinkende drolle!.... Die kakhiele!.... Die pleegischkoppe!... Die schijtlijsters!...”

Reeds was ’n ander ’m woord-vloekend in de rede gevallen...

“...Had ze op d’r smoel teruggeslage, die pargluize! De vrouw van Semmie die komp van de grach—heit ze èrg wat ’r gebeurt!—is ’oggenebbiesch voor alle minnute en krijg ’n trap voor d’r buik!.... De kànkerpuiste-gezichte! De gootescheppers! Hoe krijge ze geen sjankes in d’r keel om ’n zwangere vrouw te trappe!”...

Moppes die vooraan had gestaan bij den aanval en bijna te water was gedrongen, werd ’t centrum van aandacht.

“...Ikke zweer je bij God—wij liepe géwóon—daar roept zoo’n etterstraal: “Veruit! Deurloope! Ik bin daar ’n privaat! Late zij deurloope tot ze d’r bij neerzakke! Ka-jij terug in zoo’n volte as je beklemp zit! En daar trekke ze bij God d’r latte! En ’n gedrang dad-je geen voet ken verzette. Maar ’k hei d’r een ’n mekaajem gegeve dat ’m ’t bloed uit z’n bek sprong!... Late z’op schorum inslaan! Komp ’t ons nie toe dadde we opkomme voor onze rechte! Lijje we niet genog schwiejenieje! Geen pietsie, ’n korrel ’n ongeluk vleesch hei’k in de laatste tijd gezien! As die gattes, die verrekkeling van ’n Davy uit de zocieteit komp verzuip ’k ’m of me naam is geen Jijle!”...

Uit een anderen hoop beet ’n fèllere stem, stem van passie en wrok. Een baardige jood stond op ’n stoep voor de deur van ’t gesticht, krijschte het volk toe:

“...Hebbe we rech—hebbe we geen rech?.... Ik zeg juillie we hèbbe rech.... Verrekke we van honger?... Motte we ons as honde late slaan as we zoo lang de schtaking hebbe volgehoue? Is ’t niet godgeklaag? We komme op voor wat óns toekomp! Stoppe zij nie d’r pèns vol van onze cente! Vrete ze zich nie ’n barschting van òns zweet en bloed! Rijdt de ròtzak nie in ’n open kles van wad-ie ons begap? Hoeveul keer heit-ie ons nie besodemieterd met ’t werk, met boort, met rubbisch? Beschwindele ze nie met ’t loon! As ze met geweld beginne, dan gaat ’t hard over hard, dan motte ze ’t godverdommèèè verantwoorde as ’r dóóie valle!”...

Zijn stem stikte in heeschheid. Anderen drongen te hoop, schreeuwend wild door elkaar, bonzend, rondwoelend. Langs het heele gesticht was het een persing van kwaadaardige mannen, stuwend en stootend tot waar de brug was. En die zwarte, benauwende volte, weerhouden door ’t koel-glimmend water, maakte sterkeren witter de eenzame gracht, aan de zij vanGolconda, met ’r zwijgende huizen en ’t zilverend lichten der helmen.

De man met de bloedende wond was ’t gebouw der makelaars binnen gedragen en over het hooge bordes, doorstappend het bloed dat vrat in hun schoenen, kwamen nu angstig de joden die achter de ruiten hadden gezeten. Verlegen, met schuwe gebaren, daalden zij de blauwsteenen treden af, meenemend de bloedsporen—en een gehuil uit duizenden kelen overberstte het water, opschrikkend het staren der effene ruiten. Het was een gebrul zóo angstwekkend, dat de wolken driftiger leken te wieken, afduwend de steigrende gevels, golving stootend in de wijkende huizen. De agenten vormden een vierkant van sabels en daarin bewogen de juweliers over het Plein en de gracht. Als een golfslag met hoog-kloddrend schuim, als ’n branding van opbulkend water, stortten de mannen over de brug, die kreunde met gierend beugel-gekners. Achter het sabelvierkant, het helmen-geglim, werd het een stuiving van koppen, stootende schouders, plomp-zware voeten. Stronk van ’n kooldoortuimelde de lucht, bonzend op ’t hoofd van ’n diender en opgehitst, beu van ’t rumoer, nijdig om ’t gesmijt en gejoel chargeerden nog eens de agenten, dwingend de massa te wijken. In de Plantage, buiten ’t gedrang, stond een tierende klit slijpers. Nu ze ’r niet bij konden, bevreesd voor de driestheid der agenten, gilden ze hun onmachtige wraak, krijschend en vloekend, dreigend met knuistige vuisten en oogen die verwoedheid vlamden. Krijtwit keken de diamant-handelaars, schuilend in ’t sabel-vierkant, bang voor de kolken en wrongen bits-klotsend zwart, bang voor dat gillen van haat uit duizend gelaten. Beschermd als ze waren, dùrfden ze niet verder, vluchtten opnieuw in de societeitAdamas. De massa gromde, schreeuwend en jouwend, schudding van zwart tegen den dijk van de helmen. De gracht leek vrediger, minder ontrust door schichtige wolken, minder beangst door trillende ruiten. Naast de brug lag een buikige vlet met cokes bestouwd tot een berg, en verder de gracht af tot bij den donkren romp van een schouwburg, plankjes glad naar den wal en touwen dik in de ringen, spiegelden koffen ’r bruinteerde buiken in ’t avondwit-water. Het regende niet meer.Op de brug, het kind in zijn armen, zag Eleazar de dringing der mannen, het helmen-geblink, de nu vrindlijke gracht. Wollig doorwarden boomen hun pluisweb, buigend de zwaardere takken diep naar de masten. Het waren koffen met turf, takkebossen—turven gemetseld in hoog-bruine wallen, zwaar-overhuivend de zwaarden der schepen. Daarboven glimden dekken van cierlijke plankjes, met touw in krullige zwieren en rookende pijpjes die blauwig het water bewalmden. Op éen blafte een kees, rennend van ’t voordek naar achter, op éen zat ’n vrouw duwend ’r tiet in den mond van een bolroode zuigling. De gracht zelf lijnde moddrig, met paardevijg-kwakken.

Het bizarst en vredigst bij ’t geraas aan den wal, ’t duwen en dringen, ’t op mekaar kleven en stuiven—’t droomerigst, als ’n onbewogen namiddag-gehuchtje, was ’t rimploos gewaas der spiegelbeeld-koffen. Achter de cokes-vlet lei een geloste schuit—de schipper met ’n pijp in z’n beenig gezicht, zat rustig de herrie aan wal te bekijken. Lang-plat op ’t grijs-glanzend water, stond de kof op ’r schaduw, ’n schaduw van bruinteerde ribjes, bruinteerde zwaarden, groen-vroolijk hondhok en ’t roer zwaaiend omhoogmet krachtigen ruk. Ook de roerstang had ’n schaduw met wit-scherpe letters gekeerd—Godzij metons—en een driehoekig vlagje van rood, wit en blauw dook mysterieus in de diepte. Er naast in de staal-gladde weerspiegling, het hoofd naar benee, het zittend lijf in de hoogte, zat soezend de schipper—grijs-blauwe wolkjes ontbolden zijn mond. Gansch de kof herhaalde zich zoo, het lang-dunne lijf, de zwaarden, het roer, het platbuikig vat-van-het-water, de bruine plank-ribjes, de witschaafde boomen, de neergeslagen mast en de schipper droomerig dampend met ’t hoofd diep, diep omlaag—’t gebogen rustend lichaam er boven.

De golvende beuking van ’t volk stormde de gracht langs. Weerbarstig bleven ze wachten, bedreunend de brug, vullend ’t verlengde der straat, vloekend op Davy, die niet toegeven wou, op Moritz en Prins en de andren. Op den hoek werd gevochten. Daar hadden ze Dovid herkend en Berlijn. Woest knauwden de vuisten de koppen der onderkruipers, angstige schreeuwen doorgilden de lucht. Dan werd het een razend, boldrend, domp-dreunend gestuif, een reutlen de straat en de gracht af,een huilend gejoel en gerucht. Met wrekende sabels sloegen de agenten, rennend het volk na, stompend de vrouwen en kindren, borend de volte der brug door, opjagend de vluchtende, fluitende, schimpende slijpers.

Saartje begon angstig te huilen.

“Na huis toe—la-we na huis gaan”, snikte ze.

Sussend lei Eleazar z’n hand op ’r mond, zoende ’r met ijskoude, bevende lippen.

Hij zag zoo bleek als de man, dien zeGolcondabinnen hadden gedragen.


Back to IndexNext