Gaai op tak.Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de kruimels, die er overvloedig van “den disch des rijken” vielen. Het was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen edelmoedig beantwoord.Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zijde wacht hield over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde daar rond, roepend, vragend—want nooit is haar nieuwsgierigheid bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads in den zin hadden tegen ’t nest daarboven.Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom te klimmen—waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig om te zien wat het was, maar voordat ik de plaatsbereikte, hadden ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in ’t vervolg goed op hem zou letten.Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen zeggen. De visscher toonde bij zoo’n gelegenheid in zijn gedrag een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen, gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig, ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken boven het nest zagenkringen en de schelle uitdaging hun in de ooren klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen, turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in ’t geluid van den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was, liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien, nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit lang hongerig hoefde teblijven, schikte zich zoo goed en kwaad als het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd.De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen ontdekkenwatze eigenlijk precies vertelden.Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen, maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon; maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtignaar mij zat te kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano; maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen.Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit eerder had opgemerkt. Af en toe—als het weer dreigde om te slaan of als de vogels en hun jongen verzadigd waren—steeg Ismaques de lucht in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen, hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;—net als een houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw te vertoonen,terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die verbijsterende vertooning vanhunpapa!Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht—zonder ook maar eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven—of hij op deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken het zelf te doen.Vliegende vogel.1Blackfish of Tautoga Americana.Hoe de kleine Visschers les kregen.Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk haar kreet niet als gewoonlijk:Tsjip, tsj’wie! Tsjip, tsjip, tsip, tsj’wie-ie-ie?Dat was de groet van den visscher wel, o ja, duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends en voldaans in, zoo iets van: “kijk nu eens hier!” Eer ik mijn hoofd om kon draaien—want ik had net beet—volgden er nog meer geluiden:pip, pip, pip, tsj’wie! pip, tsj’wie! pip, tsj’wie-ie!Wonderlijk verwarde geluiden, die mij alle een “goede vangst” toeriepen. Ik hoefde mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen.De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door mijn verrekijker vanhen zag was de moeder in een boom en de vader in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten, zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit, en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is, en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf, vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten, dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in het bosch gaan jagen—wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op welke wijzedit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar, in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo’n scherpen blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en riepen:pip!“daar heb je d’r een!”Pip, pip!“daar gaat-ie!” als een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen; en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren.Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de rotsen in ’t oog.Pip, tsj’wie-ie!floot hij, en daar schoten ze memet z’n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik daar doodstil tusschen de rotsen zat.Pip, pip, pip, hoezee! klonk schril hun gefluit onder het dalen.Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord had:Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!—en die elken keer als zij hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het water; het geglinster en de dansende golven maken ’t hem lastig; hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen,maar spant zijn vleugels om neer te schieten. “Tsjip, tsip!halt, hij duikt weer,” waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit, klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden—als er weer een zilveren glans onder ’t golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij weer neer—hoe! boe!—net een jongen die voor het eerst duikt. Een poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich schuddend dat de droppels om hem heen vliegen—maar zonder visch natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op ’t oog, heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te steken.Tsjip, tsjip!—“let eens op; ik zal het jullie eens wijzen,” fluit zij—Tsjie-iep!met zoo’n plotselingen, schrillen uithaal, dien ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze haar vlerken uit, schiet vast enzeker naar beneden, valt dwars op een rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna, ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben, te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan.Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen.Tsjie-iep!“probeer ’t nu eens,” fluit zij.Pip, pip!“daar gaat hij!” roept het jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden, heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet meer noodig....gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen....gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen.Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in ’t oog heeft en dat hij ’t er netjes afbrengt. In een wip is hij er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage, langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het ondiepe van de zandbank.Het blijkt nu duidelijk—zelfs mijn oogen kunnen het zien—dat er een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer, flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien, zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen.Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden, en boven deglooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden in de modder van tracht te bevrijden. Hadikmaar iemand gehad om mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen!Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn bek, net als “mink” en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen; maar om een visch—die zoo vlug is als een bliksemflits—onderwater met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht.Nauwelijks kwamen de visschers in ’t zicht en klonk hun gretig gepiep hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van wal af en liet een stuk ofzes zwartvisschen in het ondiepe water los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in ’t leven gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo’n beetje aan de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder voor haarTsj’wie?te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn lokaas onmiddellijk in ’t oog. Een van de jongen schoot er dadelijk zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen, steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor, schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel,op een plaats die ik niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf en toog haar jongen achterna naar het nest.Klauw van visarend.Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was, zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder langs den afgelegen oever rondvliegen.—Daar had je de visch weer, in ’t ondiepe; en daar—dat was nu toch veel te gemakkelijk!—dreven er twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om, alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij zich en trok naar ander vischwater.Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaaldetsj’ie-iep!waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uithun kloeken vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er den vorigen dag in ontbroken had.De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere—de paar die er nog van waren overgebleven—worstelden zoo’n beetje aan de oppervlakte. “Tsjip, tsj’wie-ie!” riep ze minachtend; “er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te krijgen!” Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende, dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij visch vangt.Het blijde Leven.Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier, terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen ’s morgens was afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje—meer dan genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar mijn “kwakzalver” had gesprongen maar op—wat mij wel aan mijn hart ging, moet ik eerlijk bekennen—en ging op een aangespoeld houtblok zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de boschbewoners bezig waren.Adelaar.Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan ’tblazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche, jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij, trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met een slag van zijn staart in flarden.Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken—naar de schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder ’t spelen uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van de kolk.—Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde, net als de visschen in het vlietende water beneden.Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar dat ging hem veel te gauw—hij deed het immers maar voor ontspanning, was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in ’t oog hield, zag ik dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun onderkant te laten afglijden—zooals een schipper zijn schoot viert om de vaart van het schip te verminderen—en de prachtige, stijgende spiraalvlucht begon.Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor ’t eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat.De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed uitgespreide vleugelschachten—zoo gering, dat mijn oog het niet meer kan waarnemen—kringt hij naar boven, terwijl de aarde zichal wijder en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder.Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt, met rustigen, vlammenden blik Jesaja’s koninklijk gebied overziet, als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol, met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen, deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in de armen heeft.Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver van zijn hart.Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs: dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een wapenstilstandin, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder aan de kust.Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is—negen van de tien keer—, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van het kijken naar dien edelen vogel—zoo’n klein, klein stipje op den eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen.Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen thuis, maar is op aarde evenzeer.Schildpad op takje.Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier, en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een knoest geklemd, voor een houvast; de anderebengelden en zwaaiden onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder het wippen—op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang als ik naar haar bleef kijken—wel den halven morgen—lag zij daar te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren.Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad, die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in de natuur—niet om er verslag van te geven of er een verhaal over te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en te begrijpen wat ze uitvoerden,wat ze dachten en voelden—ben ik nog nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten, en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden; andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed; weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland, die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al.Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd—eerst het begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was, datdoor de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten van de herten uit die streek wel zoo’n beetje; wist ook dat de jagers op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht met honden is een afschuwelijk vermaak—bij de wet geoorloofd of niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn, die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden.Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had; ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen, in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals hun moeder hun leerde, zoo’n groote uitwerkinghad: hen beschermde tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragendkwit-kwit?En dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen?Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts groote waakzaamheid beteekent,—toen er een gekraak in de takken ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd over zoo’n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk over, dien hij—heerlijk vertoon vankracht—zoo sierlijk “nam”, alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen.Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd, had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen, die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel bezielde hem.Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze boschwolven hun op ’t spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag dik,heb ik een hert het leven gered; net op ’t nippertje, want de honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde dieren toeschrijven.Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren.Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn, gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlakvoor hen neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn; daarna gaan ze een poosje liggen slapen en ’s morgens komen ze weer thuis aanhinken.Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad opwachten. Daar is ’t gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, zelfvoldaan als hij is, jaagt—wanneer het een jonge vos is—zijn staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossendie ik met woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.Ik vertel deze drie verhalen—van den patrijs, van het hert, van den vos—en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur; zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet doodt. Dit blijkt uit al wat in ’t wild leeft, van het allerkleinste zangvogeltje, dat bij ’t zonnegloren te midden van tallooze vijanden zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, diemet zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, als de takken van eschdoorn en lederhout1tijdens de noorderstormen diep onder de sneeuw begraven zijn.Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: “zegen God en sterf”, er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan ’t roepen tegen elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in ’t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven ondertusschen wel het leven waard was—zelfs hier.Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen—geeft ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in ’t oog te loopen, en rappe pootjes om mee weg te snellen—dat ze zelden over iets anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden, voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij ons zijn blijdschap begrijpen.In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden, ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier bezit geen groote geestvermogens—niet genoeg in alle geval om daardoor zijn zorg meer dan te verdubbelen—en geen greintje verbeelding om het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit ook en gaat als een verstandig dier slapen;is hij gezond, dan heeft hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van.Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen, zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze vergeleken slechts zeer gering is.Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden, die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter, en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang blijven zij daardan in dien kalmen toestand van verdooving liggen, tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen.Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer, want ik heb net zoo’n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden.Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs, hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen.Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht: wanneer het treurt over het verlies van metgezelof -gezellin, of van zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van gelezene—dan nog heel zeldzame uitzonderingen,—die ook al gekleurd waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders, en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen omtrent dierenleed gekomen.Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het naar beneden, of de zwarte slang2kronkelt er zich om heen, of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de beroeps-eierverzamelaar—verwenscht zij zijn naam en bezigheid!—bergt het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld zijn van klaagliederen.Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het ’s zomers zoo’n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechtseen voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in het vleesch kan zetten tegen den kouden winter.Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol, brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in ’t oog loopend, hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor de vorige;—elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen, waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven.
Gaai op tak.
Gaai op tak.
Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de kruimels, die er overvloedig van “den disch des rijken” vielen. Het was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen edelmoedig beantwoord.
Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zijde wacht hield over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde daar rond, roepend, vragend—want nooit is haar nieuwsgierigheid bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads in den zin hadden tegen ’t nest daarboven.
Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...
Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...
Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...
Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom te klimmen—waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig om te zien wat het was, maar voordat ik de plaatsbereikte, hadden ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in ’t vervolg goed op hem zou letten.
Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen zeggen. De visscher toonde bij zoo’n gelegenheid in zijn gedrag een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen, gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig, ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken boven het nest zagenkringen en de schelle uitdaging hun in de ooren klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen, turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in ’t geluid van den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was, liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien, nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit lang hongerig hoefde teblijven, schikte zich zoo goed en kwaad als het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd.
De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen ontdekkenwatze eigenlijk precies vertelden.
Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen, maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon; maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtignaar mij zat te kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano; maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen.
Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit eerder had opgemerkt. Af en toe—als het weer dreigde om te slaan of als de vogels en hun jongen verzadigd waren—steeg Ismaques de lucht in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen, hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;—net als een houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw te vertoonen,terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die verbijsterende vertooning vanhunpapa!
Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht—zonder ook maar eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven—of hij op deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken het zelf te doen.
Vliegende vogel.
Vliegende vogel.
1Blackfish of Tautoga Americana.
1Blackfish of Tautoga Americana.
Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk haar kreet niet als gewoonlijk:Tsjip, tsj’wie! Tsjip, tsjip, tsip, tsj’wie-ie-ie?Dat was de groet van den visscher wel, o ja, duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends en voldaans in, zoo iets van: “kijk nu eens hier!” Eer ik mijn hoofd om kon draaien—want ik had net beet—volgden er nog meer geluiden:pip, pip, pip, tsj’wie! pip, tsj’wie! pip, tsj’wie-ie!Wonderlijk verwarde geluiden, die mij alle een “goede vangst” toeriepen. Ik hoefde mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen.
De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door mijn verrekijker vanhen zag was de moeder in een boom en de vader in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten, zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit, en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is, en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf, vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten, dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in het bosch gaan jagen—wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op welke wijzedit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar, in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo’n scherpen blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en riepen:pip!“daar heb je d’r een!”Pip, pip!“daar gaat-ie!” als een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen; en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren.
Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de rotsen in ’t oog.Pip, tsj’wie-ie!floot hij, en daar schoten ze memet z’n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik daar doodstil tusschen de rotsen zat.Pip, pip, pip, hoezee! klonk schril hun gefluit onder het dalen.
Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord had:Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!—en die elken keer als zij hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.
En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het water; het geglinster en de dansende golven maken ’t hem lastig; hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen,maar spant zijn vleugels om neer te schieten. “Tsjip, tsip!halt, hij duikt weer,” waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit, klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden—als er weer een zilveren glans onder ’t golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij weer neer—hoe! boe!—net een jongen die voor het eerst duikt. Een poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich schuddend dat de droppels om hem heen vliegen—maar zonder visch natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op ’t oog, heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te steken.Tsjip, tsjip!—“let eens op; ik zal het jullie eens wijzen,” fluit zij—Tsjie-iep!met zoo’n plotselingen, schrillen uithaal, dien ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze haar vlerken uit, schiet vast enzeker naar beneden, valt dwars op een rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna, ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben, te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan.
Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen.Tsjie-iep!“probeer ’t nu eens,” fluit zij.Pip, pip!“daar gaat hij!” roept het jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden, heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet meer noodig.
...gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen....gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen.
...gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen.
...gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen.
Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in ’t oog heeft en dat hij ’t er netjes afbrengt. In een wip is hij er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage, langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het ondiepe van de zandbank.
Het blijkt nu duidelijk—zelfs mijn oogen kunnen het zien—dat er een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer, flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien, zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen.
Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden, en boven deglooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden in de modder van tracht te bevrijden. Hadikmaar iemand gehad om mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen!
Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn bek, net als “mink” en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen; maar om een visch—die zoo vlug is als een bliksemflits—onderwater met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht.
Nauwelijks kwamen de visschers in ’t zicht en klonk hun gretig gepiep hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van wal af en liet een stuk ofzes zwartvisschen in het ondiepe water los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in ’t leven gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo’n beetje aan de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder voor haarTsj’wie?te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn lokaas onmiddellijk in ’t oog. Een van de jongen schoot er dadelijk zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen, steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor, schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel,op een plaats die ik niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf en toog haar jongen achterna naar het nest.
Klauw van visarend.
Klauw van visarend.
Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was, zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder langs den afgelegen oever rondvliegen.—Daar had je de visch weer, in ’t ondiepe; en daar—dat was nu toch veel te gemakkelijk!—dreven er twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om, alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij zich en trok naar ander vischwater.
Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaaldetsj’ie-iep!waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uithun kloeken vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er den vorigen dag in ontbroken had.
De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere—de paar die er nog van waren overgebleven—worstelden zoo’n beetje aan de oppervlakte. “Tsjip, tsj’wie-ie!” riep ze minachtend; “er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te krijgen!” Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende, dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij visch vangt.
Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier, terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen ’s morgens was afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje—meer dan genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar mijn “kwakzalver” had gesprongen maar op—wat mij wel aan mijn hart ging, moet ik eerlijk bekennen—en ging op een aangespoeld houtblok zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de boschbewoners bezig waren.
Adelaar.
Adelaar.
Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan ’tblazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche, jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij, trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met een slag van zijn staart in flarden.
Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken—naar de schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder ’t spelen uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van de kolk.—Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde, net als de visschen in het vlietende water beneden.
Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar dat ging hem veel te gauw—hij deed het immers maar voor ontspanning, was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in ’t oog hield, zag ik dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun onderkant te laten afglijden—zooals een schipper zijn schoot viert om de vaart van het schip te verminderen—en de prachtige, stijgende spiraalvlucht begon.
Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor ’t eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat.
De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed uitgespreide vleugelschachten—zoo gering, dat mijn oog het niet meer kan waarnemen—kringt hij naar boven, terwijl de aarde zichal wijder en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder.
Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt, met rustigen, vlammenden blik Jesaja’s koninklijk gebied overziet, als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol, met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen, deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in de armen heeft.
Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver van zijn hart.
Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs: dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een wapenstilstandin, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder aan de kust.
Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is—negen van de tien keer—, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van het kijken naar dien edelen vogel—zoo’n klein, klein stipje op den eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen.
Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen thuis, maar is op aarde evenzeer.
Schildpad op takje.
Schildpad op takje.
Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier, en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een knoest geklemd, voor een houvast; de anderebengelden en zwaaiden onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder het wippen—op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang als ik naar haar bleef kijken—wel den halven morgen—lag zij daar te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren.
Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad, die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in de natuur—niet om er verslag van te geven of er een verhaal over te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en te begrijpen wat ze uitvoerden,wat ze dachten en voelden—ben ik nog nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten, en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden; andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed; weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland, die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al.
Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd—eerst het begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was, datdoor de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten van de herten uit die streek wel zoo’n beetje; wist ook dat de jagers op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht met honden is een afschuwelijk vermaak—bij de wet geoorloofd of niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn, die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden.
Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had; ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen, in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals hun moeder hun leerde, zoo’n groote uitwerkinghad: hen beschermde tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragendkwit-kwit?En dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen?
Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts groote waakzaamheid beteekent,—toen er een gekraak in de takken ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd over zoo’n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk over, dien hij—heerlijk vertoon vankracht—zoo sierlijk “nam”, alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen.
Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd, had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen, die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel bezielde hem.
Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze boschwolven hun op ’t spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag dik,heb ik een hert het leven gered; net op ’t nippertje, want de honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde dieren toeschrijven.
Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren.
Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn, gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlakvoor hen neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn; daarna gaan ze een poosje liggen slapen en ’s morgens komen ze weer thuis aanhinken.
Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad opwachten. Daar is ’t gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, zelfvoldaan als hij is, jaagt—wanneer het een jonge vos is—zijn staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossendie ik met woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.
Ik vertel deze drie verhalen—van den patrijs, van het hert, van den vos—en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur; zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet doodt. Dit blijkt uit al wat in ’t wild leeft, van het allerkleinste zangvogeltje, dat bij ’t zonnegloren te midden van tallooze vijanden zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, diemet zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, als de takken van eschdoorn en lederhout1tijdens de noorderstormen diep onder de sneeuw begraven zijn.
Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: “zegen God en sterf”, er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan ’t roepen tegen elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in ’t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven ondertusschen wel het leven waard was—zelfs hier.
Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen—geeft ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in ’t oog te loopen, en rappe pootjes om mee weg te snellen—dat ze zelden over iets anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden, voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij ons zijn blijdschap begrijpen.
In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden, ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier bezit geen groote geestvermogens—niet genoeg in alle geval om daardoor zijn zorg meer dan te verdubbelen—en geen greintje verbeelding om het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit ook en gaat als een verstandig dier slapen;is hij gezond, dan heeft hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van.
Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen, zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze vergeleken slechts zeer gering is.
Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden, die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter, en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang blijven zij daardan in dien kalmen toestand van verdooving liggen, tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen.
Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer, want ik heb net zoo’n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden.
Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs, hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen.
Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht: wanneer het treurt over het verlies van metgezelof -gezellin, of van zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van gelezene—dan nog heel zeldzame uitzonderingen,—die ook al gekleurd waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders, en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen omtrent dierenleed gekomen.
Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het naar beneden, of de zwarte slang2kronkelt er zich om heen, of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de beroeps-eierverzamelaar—verwenscht zij zijn naam en bezigheid!—bergt het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld zijn van klaagliederen.
Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het ’s zomers zoo’n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechtseen voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in het vleesch kan zetten tegen den kouden winter.
Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol, brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in ’t oog loopend, hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor de vorige;—elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen, waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven.