Ismaques, de Vischarend.

Hertje dat net wegspringt in het kreupelhout.Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied, besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken, over het dooreengestrengeldekreupelhout—nu in snellen sprong zwevend aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij ’t dalen pas weet hoe ’t aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,—vraagt zich te vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie ’s nachts een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen, dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn pootjes denkt. ’t Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te zien is.Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door ’t kwispelen van haar staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen moet. Zij denkt slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam zweeft, hangen ze zoo slap als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in ’t enkelgewricht en wachten enloeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan: bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar kleinoogenblikheeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam, getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten, weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze grond raken, hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben, hoe ze zich schrap hebben gezet—in zoo’n ondeelbaar oogenblik, dat het onzichtbaar blijft voor het oog—voor den schok op steenen of vermolmd hout of veerend mos, of wat daar aan dien anderen kant ook ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en schieten vast en zeker op hun landingsplaats neer; de hoeven van de achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder ’t dalen terechtkomen, en voordat ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen.Hert in het water staand.Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot—dat was nog te weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde bok, ten doode toe door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan; maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig toch dat het niet met elk hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt.Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd moeten leeren gehoorzamen danhun eigen kopje. De moeder moet den weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een verstandig hertekalf zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te loopen—zelfs als ze al lang volwassen zijn—soms wel een stuk of zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor, dat ze maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch, om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen, in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar het geschiedt ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor ’t eerst het vaantje leeren volgen.Na die tweede ontdekking ging ik ’s middags vaak naar een bepaald punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, wachtte dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel alsof de hinde altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar in mijn kano zat te wachten, hoorde ik gekraak in ’t struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan, onachtzaam bijna, op het meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks den tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in de lucht was, en sprong op de bladerenvan de waterlelies af. Soms lag mijn kano in ’t volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar rukte de sappige knoppen en stengels af en slikte ze door met een graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg, sloeg de richting in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond.Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden, herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, zoodat ze, als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen, in een ommezien in ’t kreupelhout gesprongen waren. Het eene ging er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend om te toonen dat hij zijn les had onthouden; het andere liep in een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om achterom te kijken en mij nieuwsgierig met oogen en ooren op te nemen.Lynx die aan bot kluift.Zoo’n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen—dat bleek mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo’n bloeddorstig roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken waar een dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging, plotseling aan ’t verhaal over dien kleinen baas een einde hebben gemaakt. Het was laat op den middag, toenik op weg naar het meer langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang, nauw dal, waar ’t vol frambozen stond met hier en daar wat geblakerde boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene van die plaats te doen uitkomen.Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje zoo aan te kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij haar kon komen, en wat ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de eerste beweging die ik maakte, (ik had als een oude boomstomp boven op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een hertekalf te voorschijn, dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar kop in den nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde of zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: “Achter je moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!” Toen sprong ze weg, vlug als de wind den heuvel aan den overkant op, boomwortels en rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong klonk haar heesche schreeuw, terwijl haar waakzame kleintje prachtig zooals ’t hoorde haar volgde.Op ’t eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in ’t kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te voorschijn. Ik herkende het dadelijk—het zieltje zonder zorg—en begreep dat het al te lang dat volgen van ’t vlaggetje veronachtzaamd had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant uit rennen het hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van mij af was. Toen pas kreeg het den man in ’t oog, die daar voor hem op ’t pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke ontdekking stond het stokstijf stil en scheen ineen te krimpen onder mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk, verschool zich tusschen de wortels en bleef roerloos staan,—een alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de ruige bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd: zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede voorschrift was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was.Hert van voren gezien.Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste lesje: hij schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk..., twee passen naar mij toe, en stampte grappig met zijn linkerpoot. ’t Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het hem ooit geleerd was. Het is al zoo’n oude krijgslist, iemand een bewegingte laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, het pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet aan, hij wilde er ’t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn en wuifde er zachtjes mee; dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond hij weer stil en keek en stampte met zijn pootje, om mij te toonen dat hij niet bang was.“Kleine, dappere baas, jou mag ik zien,” dacht ik bij mezelf, en mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje stond te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie snuitje. “Maar,” dacht ik verder, “wat zou er nu al lang met je gebeurd zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen kijken? De volgende maand zal de jacht helaas open zijn; dan komen er hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun hart hebben achtergelaten. Geloof me maar, kleine baas, die kun je niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen.”De nacht daalde snel. ’t Geroep der moeder galmde hoe langer hoe angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar de duisternis toenam. Metplotselinge gewetensknaging en schrik dacht ik: “Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine baas, toen ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam.” Zoo gaat het gewoonlijk wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze doet. “Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden boomstam, en het andere—dat is ginds bij je moeder op ’t oogenblik, waar jij ook hoorde te wezen,—dat begrijpt dat oude wetten veiliger zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als die opkomen in het kopje van zoo’n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij ’t verkeerde eind, kleine baas, al lijkt je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb je mijn hart gestolen door ’t gestamp met je pootje. Misschien is het alles bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal ik het je nu wel anders leeren.”Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. Oogenblikkelijk was ’t met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken op de helling. Daar hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem, dank zij de boschtelegraaf en den wind die de berichten overseint, in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht.Wie met open oog en oor een week of wat in dewildernis leeft merkt al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind toeval, zooals het lijkt, maar dat hij er te midden van wetten en regels woont—een staat van zaken die al van veel ouder datum is dan die waaraan hij is gewend en waar het ook niet geraden is in te grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen schemeravond langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde botjes die er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad op het meer uitliep om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de monding van dat beekje lag een diepe waterkom tusschen de rotsen, en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik eens op een avond—een dag of veertien later—bezig om te probeeren of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen.Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling: de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze ’t water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door hun instinct èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor hun part net andersomgenoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen.Maar ’s nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om in ’t ondiepe water langs den oever rond te loeren en af te wachten wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte—in den vorm van nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten te kwaken, van slaperige voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met zilveren vlerkjes in de lichtstreep die over ’t water viel uitgooide, ving wel eens een dikkerd.Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of niet. Ik moest als ’t ware met mijn ooren visschen en al mijn verstand bijna in mijn handen hebben—klaar om gauw en krachtig op te halen, als het juiste oogenblik gekomen was na een uur lang vergeefsch ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde je alleen den harden plons, als hij met de vlieg naar beneden schoot dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo’n plons met een ruk op, dan kreeg ik mijn vlieg terug of ze raakte verward op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar het schijnsel van ’t vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen, had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart op hetwater geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er ’s nachts op na om er achter te komen wat voor raar ding dat toch is en wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan ’t visschen ben staan de groote, donkere bosschen dicht om mij heen stil te luisteren. Overal zijn geuren die alleen ’s nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van dauw. Langs de helling ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep, gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit de lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. Daarom is het even prettig ’s nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd vol indrukken weer naar huis te keeren, al is de vischben dan leeg.Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of ’t weer vertrouwd was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in ’t kreupelhout hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar zag ik twee groote, gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren—de oogen van een hert. Een vlug geritsel—en een beetje lager nog twee kolen, die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog twee. Toen begreep ik dat het de hinde met haar kalfjes was. Zij waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den grond genageld, door dat wonderlijke licht en de dansende schaduwen betooverd, die op de schichtige boschbewonerskomen aanschieten alsof zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en glijden weer terug, dat het wel een uitnoodiging lijkt om mee te doen met hun stille spel.....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde en het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de moeder, met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu eens staarde ze strak in het vuur, dan weer sprong ze zenuwachtig heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep schaduwen kwam aansnellen om hinkepink met de kleintjes te spelen, die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een oogenblik. Toen kwam een van de hertjes—zelfs bij het schijnsel van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn vroolijk geappelde velletje—recht op mij aan, om bij het oplaaien van ’t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was.De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden en trippelde nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend, roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen haar en het vuur in kwam en zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was, en haardeed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met geweld los uit die betoovering, en haar heesche kreetk-a-a-ah! k-a-a-ah!galmde als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg, terwijl haar staartje in de duisternis glansde als het schuimkroontje op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen.Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij bleef, en ging toen weer verder op ’t licht af, turend en stampend van louter dwaze verwondering.Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren met dat glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als tintelende regenbogen door het vlammende vuur ontstoken. Achter hem, in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu eens dichter bij, dan weer ver weg. Plotseling kwam er een wijziging, een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik dat roepen om te volgen, en ’t gekraak in het kreupelhout als ze wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige geschiedenis die daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe—dat was de snelste manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die pracht in duisternisverdween en de reuk van een mensch hem op het koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas er springend vandoor—helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan.Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen, in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en ik liep kalm het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren riep het al maar door; ’t was een klagende angstkreet. De moeder draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest, maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en weer in den luisterenden nacht.—Woe-woe, “kom hier.”Bla-a-a, bl-r-t, “ik kan niet; kom bij me.”Ka-a-ah!, ka-a-ah!“onraad, volg me!”—en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde met het andere hertje achter zich aan; dat zou ze redden, al moest ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als ge detaal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde, waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren dat hij zoo lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop, mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan, kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging vlak voor mij heen. Iets in ’t geluid misschien—een log en toch bijna geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis in staat is—ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer, zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads vermoedende hertje te besluipen. Hij wist—zooveel hadden zijn ooren hem wel verteld—dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder was afgeraakt.Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug—ofschoon Mooween eigenlijk op niets let, als zijn wild op de been is—en snelde naar mijn kano om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas, maar ik was er nog nooit eerder ’s nachts zoo laat een tegengekomen, en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles hangt trouwensvan uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit; en doet ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed, met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder den trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van.Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt u gerust hieraan houden—wat ge ook voelt: angst of twijfel of vertrouwen—dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel gekenmerkt zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam eens een beer tegen op een nauw pad—maar dat vertel ik wel op een andere plaats.Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug was gegaan, zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven aan de wanhopige moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een hoogen boom op den heuvel, die tegen den hemel stond afgeteekend; al langzamer en langzamer, tot er—juist aan dezen kant van den dikken, omgevallen boom—een tak luid kraakte onder mijn voet. Dadelijk klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en ’t geluid van een sprong—en toen vluchtte er een beer krakend den heuvel op, met iets in zijn bek dat zwaartegen het kreupelhout slingerde en in ’t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de verte met zwak geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren.Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen oever aan een zijtak van ’t groote meer was opgeslagen, de moeder bij tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te loopen, boven de plaats waar het treurspel zich had afgespeeld. Met haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks ze met haar kleintje gedaan hadden wist zij niet. Er klonk een angstig vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar mijn tent werd voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik naar de plek terug. ’t Kostte mij niet veel moeite te vinden waar het hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige uitsteeksels van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo ging het den heuvel op, naar een woeste, wilde streek, waar het geen nut had het nog verder te volgen.Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna ’t geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed een hert. De moederhad mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje, waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen.Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout scherp naar mijn oude kano stond te turen; op ’t zelfde oogenblik zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting, zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs was gegaan, liet ze haar heeschka-a-ah, ka-a-ah!hooren en stak haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een scherpka-a-ah, ka-a-ah!beantwoordde het hare; het tweede hertje drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen, en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield, met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift.Ismaques, de Vischarend.Oewit, oewit, tsjwie?Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!zoo klonk gierend en snerpend Ismaques’ jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch in ’t oog kreeg—een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik mijn zwartvisch1wegborg om ze voor berenaas te gebruiken—schoot hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg met een aanmoedigendk’wie-ie!—dat is zooveel als “goede vangst” van een broeder van ’t visschersgilde. Want er is geen kwaad haar aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat zijn gemoedsrust er door verstoord wordt.Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord:“zal een luipaard zijne vlekken veranderen?” schijnt te logenstraffen en tot een ander mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij ’t verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig, en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend: voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te verbergen. Dan riepen gaai en kraai: “dief, dief!” Dan liet de koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om ’t gevecht te beginnen. En nu—de kleine vogels bouwen hun nestjes tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat hebben al lang geleerd dat het maar ’t verstandigst is goed op een afstand te blijven van Ismaques’ woonplaats.Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepenze allen hartelijk “goede vangst” achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van plan zijn bij zonsondergang in te gooien.De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het uit bij zijn terugkomst—zoo geregeld als de maanden van het jaar. In éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen, een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk, “openbaarlijk gestraft” hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de eieren van een anderen boosaardig vernield had.Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke, oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,—en zijn komstwerd door de visschers als een voorteeken van een goede vangst beschouwd.Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat, zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd.Zijwaren het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte, en om mij een verheugdTsj’wie! tsjip, tsj’wie-ie!“goeie vangst, en visch plezierig!” toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging, en in het succes dat ik er mee behaalde.Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikkenverborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren, was er altijd meer dan genoeg in ’t groote nest op den sparretop. Wat er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten, overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig rondsluipende dieren. “Minken” staakten hun kikkerjacht in de beek, en door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof, pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze ’s nachts te keer gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen.Kop van roofvogel.Hij kwam daar blijkbaar voor ’t eerst, en wist niet dat Jan en alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit zijn houding,uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was, gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou komen dagen en hem toebijten: “Dat is van mij!” Toen hij later wat op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren, bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren, wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan hun ongevraagde gasten. Ismaques—trouwe baas die hij is—paart voor zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde meteen geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog naar andere meren—niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam.Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de helling. Zooals ’t gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters, de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden enniet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren afgebroken als de arend ze noodig had.Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst, dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig, waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond, als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang geduldig aan ’t visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elkenkeer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog.Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo’n merkwaardige vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo’n heelen winter naar het Zuiden trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe, dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude, verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst weggaat, weet hij dat—behoudens onvoorziene omstandigheden—zijn woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee aan het Groote Squatuk-meer—die ook in andere opzichten merkwaardig verstandig waren—weet ik niet te vertellen.Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente wordt, zult ge alleen vader en moeder bij ’t oude nest aantreffen. Ik geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water—indringen doen ze zich niet. Elk paar schijnt er—even als de ijsvogels—zijn eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden, staat nog te ontdekken.Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende, groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, buitengewoon merkwaardig—totdat er een paar breede wieken in ’t zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten in een gretig gesjilp:piep, piep, tsj’wie? tsj’wie-ie-ie?“Heb je hem gevangen?Is ’t een groote, moeder?” En dan richtten zij zich voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen.Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen ze alle twee naar het meer. Bij zoo’n gelegenheid vischte de moeder, die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek, waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden.Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde, kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch, dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten; geen gedrang, geen geduw omden eersten, grootsten hap, zooals we dat in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad als ’t ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen.

Hertje dat net wegspringt in het kreupelhout.

Hertje dat net wegspringt in het kreupelhout.

Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied, besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken, over het dooreengestrengeldekreupelhout—nu in snellen sprong zwevend aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij ’t dalen pas weet hoe ’t aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,—vraagt zich te vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie ’s nachts een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen, dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn pootjes denkt. ’t Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te zien is.

Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door ’t kwispelen van haar staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen moet. Zij denkt slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam zweeft, hangen ze zoo slap als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in ’t enkelgewricht en wachten enloeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan: bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar kleinoogenblikheeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam, getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten, weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze grond raken, hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben, hoe ze zich schrap hebben gezet—in zoo’n ondeelbaar oogenblik, dat het onzichtbaar blijft voor het oog—voor den schok op steenen of vermolmd hout of veerend mos, of wat daar aan dien anderen kant ook ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en schieten vast en zeker op hun landingsplaats neer; de hoeven van de achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder ’t dalen terechtkomen, en voordat ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen.

Hert in het water staand.

Hert in het water staand.

Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot—dat was nog te weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde bok, ten doode toe door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan; maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig toch dat het niet met elk hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt.

Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd moeten leeren gehoorzamen danhun eigen kopje. De moeder moet den weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een verstandig hertekalf zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te loopen—zelfs als ze al lang volwassen zijn—soms wel een stuk of zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor, dat ze maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch, om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen, in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar het geschiedt ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor ’t eerst het vaantje leeren volgen.

Na die tweede ontdekking ging ik ’s middags vaak naar een bepaald punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, wachtte dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel alsof de hinde altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar in mijn kano zat te wachten, hoorde ik gekraak in ’t struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan, onachtzaam bijna, op het meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks den tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in de lucht was, en sprong op de bladerenvan de waterlelies af. Soms lag mijn kano in ’t volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar rukte de sappige knoppen en stengels af en slikte ze door met een graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg, sloeg de richting in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond.

Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden, herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, zoodat ze, als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen, in een ommezien in ’t kreupelhout gesprongen waren. Het eene ging er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend om te toonen dat hij zijn les had onthouden; het andere liep in een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om achterom te kijken en mij nieuwsgierig met oogen en ooren op te nemen.

Lynx die aan bot kluift.

Lynx die aan bot kluift.

Zoo’n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen—dat bleek mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo’n bloeddorstig roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken waar een dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging, plotseling aan ’t verhaal over dien kleinen baas een einde hebben gemaakt. Het was laat op den middag, toenik op weg naar het meer langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang, nauw dal, waar ’t vol frambozen stond met hier en daar wat geblakerde boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene van die plaats te doen uitkomen.

Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje zoo aan te kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij haar kon komen, en wat ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de eerste beweging die ik maakte, (ik had als een oude boomstomp boven op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een hertekalf te voorschijn, dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar kop in den nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde of zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: “Achter je moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!” Toen sprong ze weg, vlug als de wind den heuvel aan den overkant op, boomwortels en rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong klonk haar heesche schreeuw, terwijl haar waakzame kleintje prachtig zooals ’t hoorde haar volgde.

Op ’t eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in ’t kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te voorschijn. Ik herkende het dadelijk—het zieltje zonder zorg—en begreep dat het al te lang dat volgen van ’t vlaggetje veronachtzaamd had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant uit rennen het hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van mij af was. Toen pas kreeg het den man in ’t oog, die daar voor hem op ’t pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke ontdekking stond het stokstijf stil en scheen ineen te krimpen onder mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk, verschool zich tusschen de wortels en bleef roerloos staan,—een alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de ruige bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd: zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede voorschrift was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was.

Hert van voren gezien.

Hert van voren gezien.

Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste lesje: hij schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk..., twee passen naar mij toe, en stampte grappig met zijn linkerpoot. ’t Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het hem ooit geleerd was. Het is al zoo’n oude krijgslist, iemand een bewegingte laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, het pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet aan, hij wilde er ’t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn en wuifde er zachtjes mee; dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond hij weer stil en keek en stampte met zijn pootje, om mij te toonen dat hij niet bang was.

“Kleine, dappere baas, jou mag ik zien,” dacht ik bij mezelf, en mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje stond te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie snuitje. “Maar,” dacht ik verder, “wat zou er nu al lang met je gebeurd zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen kijken? De volgende maand zal de jacht helaas open zijn; dan komen er hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun hart hebben achtergelaten. Geloof me maar, kleine baas, die kun je niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen.”

De nacht daalde snel. ’t Geroep der moeder galmde hoe langer hoe angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar de duisternis toenam. Metplotselinge gewetensknaging en schrik dacht ik: “Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine baas, toen ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam.” Zoo gaat het gewoonlijk wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze doet. “Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden boomstam, en het andere—dat is ginds bij je moeder op ’t oogenblik, waar jij ook hoorde te wezen,—dat begrijpt dat oude wetten veiliger zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als die opkomen in het kopje van zoo’n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij ’t verkeerde eind, kleine baas, al lijkt je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb je mijn hart gestolen door ’t gestamp met je pootje. Misschien is het alles bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal ik het je nu wel anders leeren.”

Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. Oogenblikkelijk was ’t met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken op de helling. Daar hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem, dank zij de boschtelegraaf en den wind die de berichten overseint, in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht.

Wie met open oog en oor een week of wat in dewildernis leeft merkt al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind toeval, zooals het lijkt, maar dat hij er te midden van wetten en regels woont—een staat van zaken die al van veel ouder datum is dan die waaraan hij is gewend en waar het ook niet geraden is in te grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen schemeravond langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde botjes die er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad op het meer uitliep om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de monding van dat beekje lag een diepe waterkom tusschen de rotsen, en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik eens op een avond—een dag of veertien later—bezig om te probeeren of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen.

Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling: de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze ’t water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door hun instinct èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor hun part net andersomgenoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen.

Maar ’s nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om in ’t ondiepe water langs den oever rond te loeren en af te wachten wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte—in den vorm van nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten te kwaken, van slaperige voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met zilveren vlerkjes in de lichtstreep die over ’t water viel uitgooide, ving wel eens een dikkerd.

Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of niet. Ik moest als ’t ware met mijn ooren visschen en al mijn verstand bijna in mijn handen hebben—klaar om gauw en krachtig op te halen, als het juiste oogenblik gekomen was na een uur lang vergeefsch ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde je alleen den harden plons, als hij met de vlieg naar beneden schoot dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo’n plons met een ruk op, dan kreeg ik mijn vlieg terug of ze raakte verward op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar het schijnsel van ’t vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen, had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart op hetwater geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er ’s nachts op na om er achter te komen wat voor raar ding dat toch is en wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan ’t visschen ben staan de groote, donkere bosschen dicht om mij heen stil te luisteren. Overal zijn geuren die alleen ’s nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van dauw. Langs de helling ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep, gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit de lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. Daarom is het even prettig ’s nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd vol indrukken weer naar huis te keeren, al is de vischben dan leeg.

Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of ’t weer vertrouwd was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in ’t kreupelhout hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar zag ik twee groote, gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren—de oogen van een hert. Een vlug geritsel—en een beetje lager nog twee kolen, die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog twee. Toen begreep ik dat het de hinde met haar kalfjes was. Zij waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den grond genageld, door dat wonderlijke licht en de dansende schaduwen betooverd, die op de schichtige boschbewonerskomen aanschieten alsof zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en glijden weer terug, dat het wel een uitnoodiging lijkt om mee te doen met hun stille spel.

....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.

....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.

....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.

Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde en het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de moeder, met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu eens staarde ze strak in het vuur, dan weer sprong ze zenuwachtig heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep schaduwen kwam aansnellen om hinkepink met de kleintjes te spelen, die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een oogenblik. Toen kwam een van de hertjes—zelfs bij het schijnsel van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn vroolijk geappelde velletje—recht op mij aan, om bij het oplaaien van ’t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was.

De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden en trippelde nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend, roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen haar en het vuur in kwam en zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was, en haardeed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met geweld los uit die betoovering, en haar heesche kreetk-a-a-ah! k-a-a-ah!galmde als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg, terwijl haar staartje in de duisternis glansde als het schuimkroontje op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen.

Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij bleef, en ging toen weer verder op ’t licht af, turend en stampend van louter dwaze verwondering.

Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren met dat glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als tintelende regenbogen door het vlammende vuur ontstoken. Achter hem, in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu eens dichter bij, dan weer ver weg. Plotseling kwam er een wijziging, een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik dat roepen om te volgen, en ’t gekraak in het kreupelhout als ze wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige geschiedenis die daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe—dat was de snelste manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die pracht in duisternisverdween en de reuk van een mensch hem op het koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas er springend vandoor—helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan.

Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen, in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en ik liep kalm het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren riep het al maar door; ’t was een klagende angstkreet. De moeder draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest, maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en weer in den luisterenden nacht.—Woe-woe, “kom hier.”Bla-a-a, bl-r-t, “ik kan niet; kom bij me.”Ka-a-ah!, ka-a-ah!“onraad, volg me!”—en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde met het andere hertje achter zich aan; dat zou ze redden, al moest ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als ge detaal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde, waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren dat hij zoo lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop, mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan, kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging vlak voor mij heen. Iets in ’t geluid misschien—een log en toch bijna geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis in staat is—ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer, zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads vermoedende hertje te besluipen. Hij wist—zooveel hadden zijn ooren hem wel verteld—dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder was afgeraakt.

Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug—ofschoon Mooween eigenlijk op niets let, als zijn wild op de been is—en snelde naar mijn kano om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas, maar ik was er nog nooit eerder ’s nachts zoo laat een tegengekomen, en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles hangt trouwensvan uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit; en doet ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed, met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder den trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van.

Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt u gerust hieraan houden—wat ge ook voelt: angst of twijfel of vertrouwen—dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel gekenmerkt zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam eens een beer tegen op een nauw pad—maar dat vertel ik wel op een andere plaats.

Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug was gegaan, zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven aan de wanhopige moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een hoogen boom op den heuvel, die tegen den hemel stond afgeteekend; al langzamer en langzamer, tot er—juist aan dezen kant van den dikken, omgevallen boom—een tak luid kraakte onder mijn voet. Dadelijk klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en ’t geluid van een sprong—en toen vluchtte er een beer krakend den heuvel op, met iets in zijn bek dat zwaartegen het kreupelhout slingerde en in ’t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de verte met zwak geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren.

Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen oever aan een zijtak van ’t groote meer was opgeslagen, de moeder bij tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te loopen, boven de plaats waar het treurspel zich had afgespeeld. Met haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks ze met haar kleintje gedaan hadden wist zij niet. Er klonk een angstig vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar mijn tent werd voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik naar de plek terug. ’t Kostte mij niet veel moeite te vinden waar het hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige uitsteeksels van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo ging het den heuvel op, naar een woeste, wilde streek, waar het geen nut had het nog verder te volgen.

Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna ’t geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed een hert. De moederhad mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje, waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen.

Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout scherp naar mijn oude kano stond te turen; op ’t zelfde oogenblik zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting, zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs was gegaan, liet ze haar heeschka-a-ah, ka-a-ah!hooren en stak haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een scherpka-a-ah, ka-a-ah!beantwoordde het hare; het tweede hertje drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen, en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield, met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift.

Oewit, oewit, tsjwie?Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!zoo klonk gierend en snerpend Ismaques’ jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch in ’t oog kreeg—een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik mijn zwartvisch1wegborg om ze voor berenaas te gebruiken—schoot hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg met een aanmoedigendk’wie-ie!—dat is zooveel als “goede vangst” van een broeder van ’t visschersgilde. Want er is geen kwaad haar aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat zijn gemoedsrust er door verstoord wordt.

Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord:“zal een luipaard zijne vlekken veranderen?” schijnt te logenstraffen en tot een ander mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij ’t verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig, en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend: voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te verbergen. Dan riepen gaai en kraai: “dief, dief!” Dan liet de koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om ’t gevecht te beginnen. En nu—de kleine vogels bouwen hun nestjes tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat hebben al lang geleerd dat het maar ’t verstandigst is goed op een afstand te blijven van Ismaques’ woonplaats.

Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepenze allen hartelijk “goede vangst” achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van plan zijn bij zonsondergang in te gooien.

De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het uit bij zijn terugkomst—zoo geregeld als de maanden van het jaar. In éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen, een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk, “openbaarlijk gestraft” hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de eieren van een anderen boosaardig vernield had.

Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke, oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,—en zijn komstwerd door de visschers als een voorteeken van een goede vangst beschouwd.

Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat, zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd.Zijwaren het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte, en om mij een verheugdTsj’wie! tsjip, tsj’wie-ie!“goeie vangst, en visch plezierig!” toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging, en in het succes dat ik er mee behaalde.

Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikkenverborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren, was er altijd meer dan genoeg in ’t groote nest op den sparretop. Wat er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten, overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig rondsluipende dieren. “Minken” staakten hun kikkerjacht in de beek, en door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof, pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze ’s nachts te keer gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen.

Kop van roofvogel.

Kop van roofvogel.

Hij kwam daar blijkbaar voor ’t eerst, en wist niet dat Jan en alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit zijn houding,uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was, gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou komen dagen en hem toebijten: “Dat is van mij!” Toen hij later wat op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren, bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren, wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan hun ongevraagde gasten. Ismaques—trouwe baas die hij is—paart voor zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde meteen geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog naar andere meren—niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam.

Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de helling. Zooals ’t gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters, de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden enniet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren afgebroken als de arend ze noodig had.

Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst, dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig, waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond, als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang geduldig aan ’t visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elkenkeer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog.

Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo’n merkwaardige vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo’n heelen winter naar het Zuiden trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe, dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude, verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst weggaat, weet hij dat—behoudens onvoorziene omstandigheden—zijn woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee aan het Groote Squatuk-meer—die ook in andere opzichten merkwaardig verstandig waren—weet ik niet te vertellen.

Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente wordt, zult ge alleen vader en moeder bij ’t oude nest aantreffen. Ik geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water—indringen doen ze zich niet. Elk paar schijnt er—even als de ijsvogels—zijn eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden, staat nog te ontdekken.

Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende, groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, buitengewoon merkwaardig—totdat er een paar breede wieken in ’t zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten in een gretig gesjilp:piep, piep, tsj’wie? tsj’wie-ie-ie?“Heb je hem gevangen?Is ’t een groote, moeder?” En dan richtten zij zich voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen.

Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen ze alle twee naar het meer. Bij zoo’n gelegenheid vischte de moeder, die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek, waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden.

Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde, kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch, dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten; geen gedrang, geen geduw omden eersten, grootsten hap, zooals we dat in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad als ’t ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen.


Back to IndexNext