Op Weg naar School.’t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde zwemmen.—Daarbij droeg zij ze op haar rug het water in, alsof ’t uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den zin had, was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen op en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit eindelijk bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af, keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten dan hun hol in. Een poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen vriendelijke overredingskracht van de moeder kon er hen toe krijgen nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen; en al vleide ze nog zoo, al rolde zij jolig in de dorre bladeren, het gaf alles niets—zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug te klimmen, zooals ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen.Twee vogeltjes op een tak.Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op net zoo’n manier had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijnkant was niet zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er heel wat meer geplas en gespartel aan te pas dan bij de vorderingen van de jonge ottertjes.Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier—en zoo worden er ’s zomers in ’t bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat iemand er op let—opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op dezelfde wijze moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn oude opschrijfboekjes en zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich om één hoofdgedachte; deze namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is.Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw gezichtspunt op ’t gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht wordt door zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren tot diezelfde groep van menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in hun gewone doen heb waargenomen, van overtuigd dat het instinct lang zoo’n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het niet van het instinct afhangt of een dier al dan niet ondergaat indien voortdurenden strijd om ’t bestaan, maar wel van de leerschool die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer ik van kinderen zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een andere naam voor een geheel van instincten, die langzamerhand een hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe rol speelt in de geschiedenis en de bestemming van het kind, maar dat oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van vormt—oefening in de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het volgende zei: “Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort het toe voor tijd en eeuwigheid”. Zet zeven weken in plaats van zeven jaar, en ge zult een flauw besef krijgen van het plan waarnaar onbewust elk moedertje in de natuur handelt.Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit het dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en veld op verkenning uit is.De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben niet veel aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit delven in hun strijd tegen de sterkeren. In de uitgestrekte bosschen worden zij alleen groot, die hunnatuurlijke voorgangers volgen tot ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding van de kleintjes voltooid is, krijgen de dieren nog wel eens jongen, broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk tegen den winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende voorbereid, vallenzijten prooi aan de zwervende roofdieren, die hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere leerschool doormaakten leven en gedijen—in dezelfde bosschen, te midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er niet aan partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster raken of het oude, vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct hun niet; ze weten zich niet zooals hun wilde stamgenooten voor hun vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen; en als de havik neerschiet of de boschkat te voorschijn springt, zijn zij de eersten die er ’t leven bij laten.Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe vijf of zes rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van den omgang en het gezellig verkeer te leeren.Tot op dat oogenblik hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder, geleefd, zooals alle andere dieren in de natuur—een uitstekende methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog een voorbeeld aan kunnen nemen. Nu werden ze voor het eerst bij elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven ’s winters, als alle rendieren in kudden over de open vlakten zwerven.Ze werden door de moeders naar een open plek in ’t bosch gebracht, naar ’t midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis te maken, wat al heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de moeders uit de schaduw naar hen te kijken; de bedeesde moedigden zij aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften ze of duwden ze op zij. Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes leeren draven en over omgevallen boomen springen—een noodzakelijke, maar toch een heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo’n verandering hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor hem is geworden, zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal vindt ge een hertje in ’t bosch verstopt—zooals het in het volgende hoofdstuk beschreven is—en ge staat er versteld van dat het niet wegspringt, maar zonder de minste vrees op u afkomt, uw handen likt, u achternaloopt en verlangend, droevigblaat, wanneer ge weer gaat. Ge moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste dieren, als ge ze maar zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben, geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt, maar een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen.Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, alsof ’t om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger kwam ’t in uw hart op ook maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van Kis1gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout dreef die niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij wierp haar kop achterover, stak haar neus in den wind, snoof, en met een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen snelde zij weg. Zoo’n les hoeft maar zelden herhaald te worden—van dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje; en als de wind het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen van de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht slaan hebben nog nooit een mensch gezienof kwaad van hem ondervonden; ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd.Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef stellen. Zoek in ’t voorjaar eens een kraaiennest (ik kies de kraai, omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden) en als de jongen bijna “vlug” zijn, ga er dan eens stilletjes heen. Op een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en tegenover de jongen haar vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang, of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat is de eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen in evenwicht houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun vleugels het vermogen hebben hen te dragen. Den daarop volgenden dag kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen, en als de afstand groot is gebruiken ze hun vleugels. De kleintjes doen aan ’t spelletje mee, en—kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen, zonder ook maar in ’t minst te beseffen dat ze er les in kregen.Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze maar zoo’n schijntje hoeven te weten en ’t met hun instinct alleen wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moetenniet alleen zichzelf kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze van die wezens afhankelijk zijn—het is hun voedsel; en een beetje moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas zijn, omdat ze er zich door list of vlugheid tegen beveiligd moeten houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts een zorgvuldige, moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld.Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar gaan, waar ze den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken ze den weg van de zee naar de rivier terug—steeds dezelfde rivier is het—, waar ze werden uitgebroed. De meening is geuit, als zou dat heen- en weertrekken uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik geloof—en dat geloof berust op de bijzondere studie die ik van forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen over diepzee-onderzoek—dat ze de groote visschen uit dezelfde rivier, die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden aangetroffen, volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct.In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks méér met het verstand te maken heeftdan bij ratten, bij eekhoorntjes, bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging tot trekken openbaart. Als ze aan zichzelve werden overgelaten, zouden de jonge vogels in het Noorden of in ’t Zuiden nooit hun nest terugvinden. Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker, en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten zich dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude, die meer ervaring hebben, ennietdoor hun instinct, den veiligen weg naar de kust kennen—de zeeën over, wildernissen door, nog door geen menschelijken voet betreden, tot daar waar hen een ongestoorde rustplaats en voedsel wacht.De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is, maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of tien of twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht jonge goudpluvieren, die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze kust aan land te gaan, heb ik er een enkelen keer twee, drie oude waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen oogenblik aan of deze oudere vogels zijn de gidsen. Ook komt het mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen, die de plevieren zoo geregeld houden als een peloton soldaten.Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de hoogere soorten komen. Het voornaamsteen krachtigste instinct is daar, evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid—maar er bestaat een belangrijk verschil tusschen die twee, tusschen het jonge menschelijke en het jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door dagelijksche oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, dat tot in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid hoeft te geven en iedereen luistert er naar en er wordt een drukte van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind verliest daardoor dikwijls genoeg het reddende gehoorzaamheidsinstinct en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen heeft uit te deelen die anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de gehoorzaamheid gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan; want zonder gehoorzaamheid is het leven een last.Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde, weldadige gewaarwording, hoe de levenswet indatrijk wordt gekend en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn bestaan in de natuur heeft. Het is de cijns, dien de onwetendheid onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke betaalt. Dat begrijpenalle moeders in de natuur, van den patrijs af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen, in stille, ster-heldere nachten, geven zij er onderricht in, totdat de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken, tot zij, dank zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van het dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt, wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst; hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren, en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,—die moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar om zich heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid herziet.Daarom zou ik dit boek “de Boschschool” kunnen noemen; want ’s zomers is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal aan lokaal allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, tweederangs-navolgingen zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens de regelen der kunst; en zoo’n oppervlakkig Fransch of letterkundig vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheiddoet leven: dat is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder het; zij dankt er haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften komen pas in de tweede plaats: wanneer ze zich moeten verstoppen en wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen; hoe ze die groote verscheidenheid van dingen die ze in de wereld zien—klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken—uit elkaar moeten houden en in hun geheugen prenten, om oogenblikkelijk de daad te laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt—nog eens: al die verrichtingen die niet zoozeer een zaak van ’t instinct zijn als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing.Bij de opleiding die ze daar in ’t bosch krijgen gaat het om het leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk als de dood. Iemand die lang zoo’n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer hij ziet met welk een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt.Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes dulden; en die vlugger van begrip zijn—de kraaien en wolven bijv.—maken onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. Toch kennen ookzijteederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer geëischt dan ze kunnen.Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en worden daarna de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen, en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in ’t leven te blijven.Er is nog iets. Het is in ’t oog loopend hoe vroolijk het op die bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de natuur toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen nagaanhoevrij zij zich wel voelen,hoezij genieten onder ’t spelen,hoelevenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart en oogen open al gauw in de boschschool leert.Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in ’t dorre gras, en zijn kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar—voor zoover ik er over kan oordeelen—hoe volkomen hij voor dien scherpen blik, waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en zijn roerloosheid. Negen en negentig van de honderd keer is hij er ook heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van die merkwaardige kleurwezen,ènvoor het feit dat de natuur ook nog aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen, wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maarnumeent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet.Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. Het dier maakt eenvoudig van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen die mensch en dier altijd kenmerken als ze hun buitengewone gaven gebruiken.De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi loert, geniet niet meer—neen, eer minder—van zijn gezichtsvermogen dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en haar jongen ergens verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan maar zoo in ’t volle gezicht weg om de aandacht van den roover van haar kindertjes af te leiden, en op ’t laatste oogenblik springt zij de ruigte in, waar de breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is ook volstrekt niet overstuur, maar als ’t gevaar geweken is en zij terug komthuppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als een koningsvogel.Hetisgewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert, hoe prachtig het daar—als een valk zoo licht en vlug—voortsnelt over een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo’n zuiver berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een schuilplaats te zoeken. ’t Is of hoef en wiek om ’t hardst het gevaar uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht, van hun geoefendheid.Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor iedereen die met open oog door ’t rijk der natuur gaat, slechts bij wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u ’t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen, geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt, gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren.De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaateen marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die menschen vragen: “Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte; komen ze ten slotte droevig om?”Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: “het blijde Leven” en “hoe de Dieren sterven”. Ze geven er, heel in ’t algemeen, een kort verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijkis; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en nagegaan, gekomen.En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal moeten wachten—dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige van de natuurwezens die er werken en spelen.1I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) hooger dan al het volk.Wat een jong Hertje moet Weten.Tot op dezen dag is ’t nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, en wat voor pootjes er zoo al langs ’s Heeren wegen wandelden.Vos die over omgevallen boom loopt.Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde schors. Zoo’n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn—en kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn luie aard hem op zoo’n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, is het op de helling wel veertig mijlen in ’t rond na te gaan waar hij bezig is geweest.—Daar, aan den anderen kant, liggen de bronsgroene schubben van een pijnappel—spaanders uit de werkplaats van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schootom te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is ’t spoor van een “mink”, en ’t is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier, terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen, hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom, een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd, zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.—Vlak voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen dier er over zou loopen, of ’t moest een “mink” zijn op roof uit—gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje, waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor de deuropening hingen. “Wat een mooie plaats voor een hol,” dacht ik, “want niemand zou je daar ooit vinden”; maar—alsof ’t gebeurde om mij tegen te spreken—daar vond me een verdwaalde zonnestraal het plekje en wekte een geglans en geflonker vandansende schaduw en spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom.Twee herten verstopt in struikgewas.“Wat mooi!” riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen—en de bruine vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte, de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes, die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun moeder hen bij ’t weggaan verstopt had.Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk als Jozef een “veelvervig” rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan liggen, en ze werden onzichtbaar.Die eigenaardige teekening—net het spelen van licht en schaduw door de bladeren—verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk als mijn eigendom beschouwde. In ’t heele bosch bestaat er niets dat zoostormenderhand ons hart verovert als ’t snoetje van een jong hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van zomerschen zonneschijn.Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes, zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,—ik kon niet weggaan.De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes uit waarze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn, omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken ze hun kopjes op. ’t Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote, onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel verslagen stond. Zoo’n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben aangekeken, en we zouden er, als ’t noodig was, ons leven voor overhebben om het te beschermen.Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. “Aanvaard de gaven die de goden u schenken,”—die gedachte ging door hun kopjes, en wat ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten, was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde, draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden geaaid en gekrieuweld.Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd, bij ’t minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam naar boven en keken zij mij aan. “Wat een merkwaardige wereld is dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe, vertel ons er alles eens van,”—dat zeiden die mooie oogen, toen ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten, gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek, vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder dat streelende ruwe, zoo’n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld, toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte.Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door ’t bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als ’t “plop” van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van mijn onschuldige kleintjes was in aantocht.Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte zachtjes, toen ze den stam in ’t oog kreeg waar haar leger was. Toen ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich om te vluchten, elke spiergespannen tot den sprong, maar ’t was of haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne; zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; zekonniet heengaan,konhaar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluidk-a-a-h! k-a-a-h!—het noodsein der herten—als trompetgeschal door de bosschen en snelde zij ’t beschermende kreupelhout weer in.Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen, zonder beven, kalm hun flanken streelden.Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje met doodsangst in de oogen,—dan weer stoof ze weg met haar witte staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg ze moesten nemen. Maar dehertjes letten niet meer op dat eerste noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch nog,—die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was door honden en belaagd door geweren—en zij bleven waar zij zich veilig wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging.Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter ’t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, duwde ik ze nog eens terug. “Daar blijven, en naar je moeder luisteren; daar blijven en doen wat je moeder zegt,” bleef ik maar fluisteren; en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen—niet de woorden, maar den zin die er achter stak—want na een poosje werden ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den gevallen boomstam heen, om ze van ’t spoor af te brengen als ze er soms uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de open plek af, een paar meter verder,waar de witgezengde stammen op de verbrande helling door het groen van ’t groote bosch schemerden, en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats, totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes zich onder de wortels verstopt hadden.De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was ’t weer stil geworden. Een beweging in ’t kreupelhout—en daar kwam de hinde voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes: het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was, terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde, van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch om was en waarom zij was weggesneld.Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar heen, hoe volstrektnoodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten sprong schoot ze op zij en heesch snerpte hetka-a-a-h! ka-a-a-h!weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit het gezicht.Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.—Toen ik ze weer zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot wil worden in het uitgestrekte bosch.Een Kreet in het Donker.Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes, die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond—net zooals ik het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken ze op ’t eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard—dat alles was bij hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was een verstandig en ’t ander een dom klein ding. Het een was volgzaam en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede volgde van ’t begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was—maar toen was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,—ik geloof zeker dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan.Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was, in ’t hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereikenkon. Nog dagenlang na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij ’t krieken van den dag, of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers aan ’t weiden zijn, op uit om het dal van ’t begin tot het einde af te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was.Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoosmijnauwelijks ontdekt zou hebben; maar bij ’t eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind, als duiveltjes in een doosje, wanneer ’t haakje los wordt gemaakt. De moeder stak haar witte vaantje in de lucht—den sneeuwwitten onderkant van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken licht—en sprongweg met een heeschka-a-a-a-h!tot waarschuwing. Een van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder, terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde haar hangend staartje zenuwachtig—Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd is.—Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil overeind, floep!—vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had om aan ’t gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het verwarde kreupelhout.
’t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde zwemmen.—Daarbij droeg zij ze op haar rug het water in, alsof ’t uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den zin had, was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen op en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit eindelijk bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af, keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten dan hun hol in. Een poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen vriendelijke overredingskracht van de moeder kon er hen toe krijgen nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen; en al vleide ze nog zoo, al rolde zij jolig in de dorre bladeren, het gaf alles niets—zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug te klimmen, zooals ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen.
Twee vogeltjes op een tak.
Twee vogeltjes op een tak.
Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op net zoo’n manier had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijnkant was niet zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er heel wat meer geplas en gespartel aan te pas dan bij de vorderingen van de jonge ottertjes.
Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier—en zoo worden er ’s zomers in ’t bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat iemand er op let—opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op dezelfde wijze moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn oude opschrijfboekjes en zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich om één hoofdgedachte; deze namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is.
Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw gezichtspunt op ’t gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht wordt door zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren tot diezelfde groep van menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in hun gewone doen heb waargenomen, van overtuigd dat het instinct lang zoo’n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het niet van het instinct afhangt of een dier al dan niet ondergaat indien voortdurenden strijd om ’t bestaan, maar wel van de leerschool die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer ik van kinderen zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een andere naam voor een geheel van instincten, die langzamerhand een hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe rol speelt in de geschiedenis en de bestemming van het kind, maar dat oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van vormt—oefening in de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het volgende zei: “Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort het toe voor tijd en eeuwigheid”. Zet zeven weken in plaats van zeven jaar, en ge zult een flauw besef krijgen van het plan waarnaar onbewust elk moedertje in de natuur handelt.
Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit het dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en veld op verkenning uit is.
De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben niet veel aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit delven in hun strijd tegen de sterkeren. In de uitgestrekte bosschen worden zij alleen groot, die hunnatuurlijke voorgangers volgen tot ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding van de kleintjes voltooid is, krijgen de dieren nog wel eens jongen, broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk tegen den winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende voorbereid, vallenzijten prooi aan de zwervende roofdieren, die hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere leerschool doormaakten leven en gedijen—in dezelfde bosschen, te midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er niet aan partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster raken of het oude, vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct hun niet; ze weten zich niet zooals hun wilde stamgenooten voor hun vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen; en als de havik neerschiet of de boschkat te voorschijn springt, zijn zij de eersten die er ’t leven bij laten.
Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe vijf of zes rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van den omgang en het gezellig verkeer te leeren.Tot op dat oogenblik hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder, geleefd, zooals alle andere dieren in de natuur—een uitstekende methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog een voorbeeld aan kunnen nemen. Nu werden ze voor het eerst bij elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven ’s winters, als alle rendieren in kudden over de open vlakten zwerven.
Ze werden door de moeders naar een open plek in ’t bosch gebracht, naar ’t midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis te maken, wat al heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de moeders uit de schaduw naar hen te kijken; de bedeesde moedigden zij aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften ze of duwden ze op zij. Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes leeren draven en over omgevallen boomen springen—een noodzakelijke, maar toch een heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo’n verandering hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor hem is geworden, zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal vindt ge een hertje in ’t bosch verstopt—zooals het in het volgende hoofdstuk beschreven is—en ge staat er versteld van dat het niet wegspringt, maar zonder de minste vrees op u afkomt, uw handen likt, u achternaloopt en verlangend, droevigblaat, wanneer ge weer gaat. Ge moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste dieren, als ge ze maar zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben, geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt, maar een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen.
Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, alsof ’t om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger kwam ’t in uw hart op ook maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van Kis1gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout dreef die niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij wierp haar kop achterover, stak haar neus in den wind, snoof, en met een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen snelde zij weg. Zoo’n les hoeft maar zelden herhaald te worden—van dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje; en als de wind het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen van de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht slaan hebben nog nooit een mensch gezienof kwaad van hem ondervonden; ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd.
Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef stellen. Zoek in ’t voorjaar eens een kraaiennest (ik kies de kraai, omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden) en als de jongen bijna “vlug” zijn, ga er dan eens stilletjes heen. Op een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en tegenover de jongen haar vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang, of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat is de eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen in evenwicht houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun vleugels het vermogen hebben hen te dragen. Den daarop volgenden dag kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen, en als de afstand groot is gebruiken ze hun vleugels. De kleintjes doen aan ’t spelletje mee, en—kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen, zonder ook maar in ’t minst te beseffen dat ze er les in kregen.
Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze maar zoo’n schijntje hoeven te weten en ’t met hun instinct alleen wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moetenniet alleen zichzelf kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze van die wezens afhankelijk zijn—het is hun voedsel; en een beetje moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas zijn, omdat ze er zich door list of vlugheid tegen beveiligd moeten houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts een zorgvuldige, moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld.
Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar gaan, waar ze den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken ze den weg van de zee naar de rivier terug—steeds dezelfde rivier is het—, waar ze werden uitgebroed. De meening is geuit, als zou dat heen- en weertrekken uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik geloof—en dat geloof berust op de bijzondere studie die ik van forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen over diepzee-onderzoek—dat ze de groote visschen uit dezelfde rivier, die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden aangetroffen, volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct.
In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks méér met het verstand te maken heeftdan bij ratten, bij eekhoorntjes, bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging tot trekken openbaart. Als ze aan zichzelve werden overgelaten, zouden de jonge vogels in het Noorden of in ’t Zuiden nooit hun nest terugvinden. Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker, en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten zich dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude, die meer ervaring hebben, ennietdoor hun instinct, den veiligen weg naar de kust kennen—de zeeën over, wildernissen door, nog door geen menschelijken voet betreden, tot daar waar hen een ongestoorde rustplaats en voedsel wacht.
De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is, maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of tien of twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht jonge goudpluvieren, die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze kust aan land te gaan, heb ik er een enkelen keer twee, drie oude waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen oogenblik aan of deze oudere vogels zijn de gidsen. Ook komt het mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen, die de plevieren zoo geregeld houden als een peloton soldaten.
Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de hoogere soorten komen. Het voornaamsteen krachtigste instinct is daar, evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid—maar er bestaat een belangrijk verschil tusschen die twee, tusschen het jonge menschelijke en het jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door dagelijksche oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, dat tot in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid hoeft te geven en iedereen luistert er naar en er wordt een drukte van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind verliest daardoor dikwijls genoeg het reddende gehoorzaamheidsinstinct en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen heeft uit te deelen die anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de gehoorzaamheid gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan; want zonder gehoorzaamheid is het leven een last.
Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde, weldadige gewaarwording, hoe de levenswet indatrijk wordt gekend en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn bestaan in de natuur heeft. Het is de cijns, dien de onwetendheid onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke betaalt. Dat begrijpenalle moeders in de natuur, van den patrijs af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen, in stille, ster-heldere nachten, geven zij er onderricht in, totdat de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken, tot zij, dank zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van het dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt, wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst; hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren, en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,—die moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar om zich heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid herziet.
Daarom zou ik dit boek “de Boschschool” kunnen noemen; want ’s zomers is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal aan lokaal allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, tweederangs-navolgingen zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens de regelen der kunst; en zoo’n oppervlakkig Fransch of letterkundig vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheiddoet leven: dat is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder het; zij dankt er haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften komen pas in de tweede plaats: wanneer ze zich moeten verstoppen en wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen; hoe ze die groote verscheidenheid van dingen die ze in de wereld zien—klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken—uit elkaar moeten houden en in hun geheugen prenten, om oogenblikkelijk de daad te laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt—nog eens: al die verrichtingen die niet zoozeer een zaak van ’t instinct zijn als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing.
Bij de opleiding die ze daar in ’t bosch krijgen gaat het om het leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk als de dood. Iemand die lang zoo’n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer hij ziet met welk een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt.
Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes dulden; en die vlugger van begrip zijn—de kraaien en wolven bijv.—maken onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. Toch kennen ookzijteederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer geëischt dan ze kunnen.Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en worden daarna de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen, en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in ’t leven te blijven.
Er is nog iets. Het is in ’t oog loopend hoe vroolijk het op die bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de natuur toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen nagaanhoevrij zij zich wel voelen,hoezij genieten onder ’t spelen,hoelevenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart en oogen open al gauw in de boschschool leert.
Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in ’t dorre gras, en zijn kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar—voor zoover ik er over kan oordeelen—hoe volkomen hij voor dien scherpen blik, waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en zijn roerloosheid. Negen en negentig van de honderd keer is hij er ook heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van die merkwaardige kleurwezen,ènvoor het feit dat de natuur ook nog aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen, wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maarnumeent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet.
Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. Het dier maakt eenvoudig van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen die mensch en dier altijd kenmerken als ze hun buitengewone gaven gebruiken.
De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi loert, geniet niet meer—neen, eer minder—van zijn gezichtsvermogen dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en haar jongen ergens verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan maar zoo in ’t volle gezicht weg om de aandacht van den roover van haar kindertjes af te leiden, en op ’t laatste oogenblik springt zij de ruigte in, waar de breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is ook volstrekt niet overstuur, maar als ’t gevaar geweken is en zij terug komthuppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als een koningsvogel.
Hetisgewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert, hoe prachtig het daar—als een valk zoo licht en vlug—voortsnelt over een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo’n zuiver berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een schuilplaats te zoeken. ’t Is of hoef en wiek om ’t hardst het gevaar uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht, van hun geoefendheid.
Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor iedereen die met open oog door ’t rijk der natuur gaat, slechts bij wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u ’t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen, geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt, gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren.
De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaateen marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die menschen vragen: “Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte; komen ze ten slotte droevig om?”
Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: “het blijde Leven” en “hoe de Dieren sterven”. Ze geven er, heel in ’t algemeen, een kort verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijkis; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en nagegaan, gekomen.
En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal moeten wachten—dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige van de natuurwezens die er werken en spelen.
1I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) hooger dan al het volk.
1I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) hooger dan al het volk.
Tot op dezen dag is ’t nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, en wat voor pootjes er zoo al langs ’s Heeren wegen wandelden.
Vos die over omgevallen boom loopt.
Vos die over omgevallen boom loopt.
Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde schors. Zoo’n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn—en kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn luie aard hem op zoo’n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, is het op de helling wel veertig mijlen in ’t rond na te gaan waar hij bezig is geweest.—Daar, aan den anderen kant, liggen de bronsgroene schubben van een pijnappel—spaanders uit de werkplaats van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schootom te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is ’t spoor van een “mink”, en ’t is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier, terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen, hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom, een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd, zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.—Vlak voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen dier er over zou loopen, of ’t moest een “mink” zijn op roof uit—gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje, waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor de deuropening hingen. “Wat een mooie plaats voor een hol,” dacht ik, “want niemand zou je daar ooit vinden”; maar—alsof ’t gebeurde om mij tegen te spreken—daar vond me een verdwaalde zonnestraal het plekje en wekte een geglans en geflonker vandansende schaduw en spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom.
Twee herten verstopt in struikgewas.
Twee herten verstopt in struikgewas.
“Wat mooi!” riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen—en de bruine vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte, de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes, die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun moeder hen bij ’t weggaan verstopt had.
Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk als Jozef een “veelvervig” rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan liggen, en ze werden onzichtbaar.
Die eigenaardige teekening—net het spelen van licht en schaduw door de bladeren—verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk als mijn eigendom beschouwde. In ’t heele bosch bestaat er niets dat zoostormenderhand ons hart verovert als ’t snoetje van een jong hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van zomerschen zonneschijn.
Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes, zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,—ik kon niet weggaan.
De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes uit waarze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn, omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken ze hun kopjes op. ’t Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote, onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel verslagen stond. Zoo’n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben aangekeken, en we zouden er, als ’t noodig was, ons leven voor overhebben om het te beschermen.
Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. “Aanvaard de gaven die de goden u schenken,”—die gedachte ging door hun kopjes, en wat ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten, was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde, draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden geaaid en gekrieuweld.
Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd, bij ’t minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam naar boven en keken zij mij aan. “Wat een merkwaardige wereld is dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe, vertel ons er alles eens van,”—dat zeiden die mooie oogen, toen ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten, gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek, vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder dat streelende ruwe, zoo’n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld, toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte.
Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door ’t bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als ’t “plop” van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van mijn onschuldige kleintjes was in aantocht.
Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte zachtjes, toen ze den stam in ’t oog kreeg waar haar leger was. Toen ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich om te vluchten, elke spiergespannen tot den sprong, maar ’t was of haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne; zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; zekonniet heengaan,konhaar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluidk-a-a-h! k-a-a-h!—het noodsein der herten—als trompetgeschal door de bosschen en snelde zij ’t beschermende kreupelhout weer in.
Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen, zonder beven, kalm hun flanken streelden.
Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje met doodsangst in de oogen,—dan weer stoof ze weg met haar witte staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg ze moesten nemen. Maar dehertjes letten niet meer op dat eerste noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch nog,—die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was door honden en belaagd door geweren—en zij bleven waar zij zich veilig wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging.
Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter ’t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, duwde ik ze nog eens terug. “Daar blijven, en naar je moeder luisteren; daar blijven en doen wat je moeder zegt,” bleef ik maar fluisteren; en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen—niet de woorden, maar den zin die er achter stak—want na een poosje werden ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den gevallen boomstam heen, om ze van ’t spoor af te brengen als ze er soms uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de open plek af, een paar meter verder,waar de witgezengde stammen op de verbrande helling door het groen van ’t groote bosch schemerden, en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats, totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes zich onder de wortels verstopt hadden.
De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was ’t weer stil geworden. Een beweging in ’t kreupelhout—en daar kwam de hinde voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes: het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was, terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde, van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch om was en waarom zij was weggesneld.
Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar heen, hoe volstrektnoodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten sprong schoot ze op zij en heesch snerpte hetka-a-a-h! ka-a-a-h!weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit het gezicht.
Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.—Toen ik ze weer zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot wil worden in het uitgestrekte bosch.
Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes, die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond—net zooals ik het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken ze op ’t eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard—dat alles was bij hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was een verstandig en ’t ander een dom klein ding. Het een was volgzaam en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede volgde van ’t begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was—maar toen was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,—ik geloof zeker dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan.
Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was, in ’t hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereikenkon. Nog dagenlang na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij ’t krieken van den dag, of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers aan ’t weiden zijn, op uit om het dal van ’t begin tot het einde af te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was.
Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoosmijnauwelijks ontdekt zou hebben; maar bij ’t eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind, als duiveltjes in een doosje, wanneer ’t haakje los wordt gemaakt. De moeder stak haar witte vaantje in de lucht—den sneeuwwitten onderkant van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken licht—en sprongweg met een heeschka-a-a-a-h!tot waarschuwing. Een van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder, terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde haar hangend staartje zenuwachtig—
Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd is.—Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil overeind, floep!—vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had om aan ’t gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het verwarde kreupelhout.