image: versiering
image: versiering
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering
D
Dik was al heel vroeg opgestaan, en daar had hij geen spijt van, want het was een mooie morgen. De vogels sjilpten en zongen in de boomen, en de bloemen geurden heerlijk.
Met een mes in de hand kwam hij naar buiten. Hij haalde een mand uit het schuurtje, om er het gras en de klaver in te doen, die hij wilde gaan snijden aan den kant van het kanaal.
Nauwelijks verscheen hij in den tuin achter de schuur, of zijn duiven vlogen klapwiekend om hem heen en een paar zetten zich op zijn schouders en zijn hoofd. 't Was, of zij hem goeden morgen kwamen zeggen.
"Koer! Koer!" riep hij hun toe.
En hij zag, hoe de konijnen zich op hun achterpooten verhieven en met hun voorpootjes door de tralies krabbelden.
"Ja, ja!" riep Dik hun toe. "Dadelijk, hoor! Ik zie het wel, dat de ruiven leeg zijn. Maar jullie eten ook dag en nacht aan één stuk door, geloof ik. Geduld een beetje, asjeblief. Ik moet het eerst nog gaan snijden. — En als ik terugkom, krijgen jullie ook, hoor!" riep hij tegen de duiven.
"Dag Dik, hier is Gerrit!" riep zijn kauw, die op zijn schouder kwam zitten en eerst nijdig naar een duif pikte, om haar van dat plekje, dat hij als zijn persoonlijk eigendom beschouwde, weg te jagen. Maar de duif had geen lust, om voor zoo'n brutale vlerk als een kauw te wijken, en pikte venijnig terug. Duiven lijken wel heel zachtaardige diertjes, maar zij laten zich de kaas allerminst van het brood nemen en weten hun snavels terdege te gebruiken.
't Werd een formeele vechtpartij op Dik's schouder, tot groot vermaak van Dik. De duif klapte met haar vleugels, om de kauw weg te jagen, en de kauw pikte nijdig met haar langen, puntigen snavel in het lijf van de duif.
"Dag Dik!" werd er op eenigen afstand geroepen.
"O, — daar is Nelly!" riep Dik. Hij keerde zich om en zag het blinde meisje in buurmans tuin staan.
"Ga je de duiven voeren?" vroeg Nelly.
"Straks, — eerst moet ik nog gras en klaver snijden, Ga je meê?"
"Graag!" zei Nelly.
Voorzichtig liep zij den tuin door, toen over het pad langs het huis, en kwam zoo in het voortuintje.
Dik joeg de duif en de kauw van zijn schouder, wierp zijn mes in de mand, die hij in zijn linkerhand nam, en begaf zich naar Nelly, om haar mede te nemen naar den kanaalkant.
"Dag Helly! Hier is Gerrit!" riep de kauw, toen hij het meisje zag.
"Kom hier, Gerrit, — kom hier, Gerrit!" riep Nelly, terwijl Zij haar vrije hand uitstrekte. Dadelijk kwam Gerrit op haar arm zitten. Dat vond Nelly prettig.
"Dag Gerrit!" riep zij tegen hem.
"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Dik!"
Dik bracht het meisje naar den overkant van den weg, en zei, nadat hij een mooi plaatsje voor haar opgezocht had:
"Hier Nelly, — ga nu hier zitten, — in het gras!"
Nelly deed het, en toen hij het blinde meisje daar zag zitten, zoo hulpbehoevend, zoo geheel afhankelijk van anderen, overmeesterde hem weer een gevoel van onuitsprekelijk medelijden, en zijn stem klonk zacht en teeder, toen hij zeide:
"Je zit aan den kant van het kanaal, Nelly, een groote armslengte er maar van af. Zul-je je niet vooruit bewegen? Je gezicht is naar het water gekeerd."
"Ja ja, dank je wel," zei Nelly, "ik begreep het al, voordat je me het zei. Wees maar niet ongerust, Dik, ik zal wel stil blijven zitten. Dag Gerrit! Waar ben je, Gerrit? Kom hier, Gerrit! Kom bij Nelly, Gerrit!"
Gerrit wandelde aan den kant van het water en pikte daar wurmpjes en insecten van den grond op.
"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij terug, maar hij ging niet naar Nelly toe. Hij had het veel te druk, om voor zijn ontbijt te zorgen.
"Kom Gerrit! Kom hier, Gerrit!" riep Nelly.
Gerrit gaf geen antwoord. Hij was juist bezig, een grooten worm uit den grond te trekken, waar de worm zich met al zijn kracht tegen verzette. Maar 't hielp niet, en weldra was hij door Gerrit's keelgat verdwenen.
"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij toen. "Dag Helly!"
Dik was ijverig aan het snijden. Zijn mes was vlijmscherp, daar zorgde hij altijd wel voor. De eene handvol na de andere wierp hij in de mand, en hij pikte zooveel melkdistels uit den grond, als hij maar kon, want daar waren de konijnen dol op.
"Schiet je goed op, Dik?" riep Nelly hem toe. "Wat is het prachtig weer hè?"
"Heerlijk," zei Dik. "Ja, ik schiet best op, maar ik heb veel te snijden, want ik zorg 's morgens altijd voor den heelen dag, en ik wil niet, dat mijn konijnen honger lijden."
"Kom Gerrit!" riep Nelly. "Kom Gerrit! Waar is Gerrit?"
"Hier is Gerrit!" riep de kauw uit de verte, maar hij kwam niet.
"Hij zoekt zijn eten," riep Dik het meisje toe.
"Hij zorgt misschien 's morgens óók voor den heelen dag, net als jij," merkte Nelly lachend op.
"Hij lust anders heel wat, hoor," zei Dik. "Ik geloof niet, dat hij ooit genoeg heeft."
"Hier is Gerrit!" riep de kauw, die op Nelly's schouder vloog.
"Behalve nù dan toch," zei Nelly. "Zie je wel, hij komt uit eigen beweging bij me, en dat zou hij niet doen, als hij nog honger had."
Nelly nam de kauw in haar hand en hield hem tegen haar wang. Dik verwijderde zich hoe langer hoe verder, om gras en klaver te zoeken. Maar telkens keek hij even naar Nelly om te zien, of zij wel voorzichtig was en niet dichter hij het water kwam.
"Zeg Dik, vader is vanmorgen al naar zijn baas gegaan!" riep Nelly hem toe.
"Zoo," zei Dik. "Kijk, daar komt Anneke! — Dag Anneke, hier is Nelly, je weet wel, van wie ik je verteld heb."
"O," zei Anneke, en zij keek naar het blinde meisje. Dik had haar verteld, hoeveel medelijden hij met haar had.
Zij ging bij haar in het gras zitten, en zei:
"Jij bent Nelly, hè? Ik heet Anneke. O, heb je Dik's kauw daar? Vind je hem niet aardig?"
"Ja, erg aardig," zei Nelly."Dag Gerrit! Zeg eens, 'dag Nelly!'"
"Dag Helly!" schreeuwde de kauw, tot groot vermaak van de beide meisjes. "Dag Helly, hier is Gerrit!"
En om het hardst riepen zij:
"Dag Gerrit! Dag Gerrit!"
Eindelijk was Dik's mand tot den rand toe gevuld, en keerde hij met zijn vracht naar de meisjes terug.
"Gaan jullie meê naar mijn duiven?" vroeg hij.
"Ja," zeiden ze, en beiden stonden van den grond op.
Nelly stak haar hand uit, als om te vragen, wie haar leiden wilde.
"Kom," zei Anneke, terwijl ze haar arm bij het blinde meisje instak, en gearmd gingen ze met Dik mee.
De duiven zagen hem al komen en vlogen hem klapwiekend tegemoet, en de konijnen krabbelden om het hardst tusschen de tralies door. Zij hadden blijkbaar honger.
De kauw vloog achter het drietal aan.
Dik vulde de ruiven van de konijnen met het versch gesneden voer, waaraan de konijntjes dadelijk begonnen te smullen, en haalde toen een bak vol gerst voor de duiven, die hem maar steeds om het hoofd fladderden.
"Hier Nelly," zei hij, terwijl hij haar den voerbak in de hand gaf, "jij mag ze voeren."
"O," riep Nelly verheugd uit, "graag, graag, — dank je wel!"
Anneke las de vreugde op haar gelaat, en Dik en Anneke keken elkander aan met een blik, waarin duidelijk te lezen stond:
"Wat in-zielig, hè?"
Die twee begrepen elkander wel, ook al zeiden ze niets.
Nelly strooide het voer met kleine handjesvol om zich heen, en riep:
"Roe-koe! Roe-koe! Roekoe!"
En de doffers stapten parmantig buigende tusschen de duifjes rond en riepen ook:
"Roe-koe! Roe-koe! Roe-koe!"
"Hier is Gerrit!" schreeuwde de kauw. "Dag Helly! Dag Dik!"
"Praatsmaken!" riep Dik. — "Zeg Anneke, wat heb ik een zin in het schoolfeest. En jij?"
"Of ik!" zei Anneke. "Kijk, die duif vliegt op Nelly's schouder. Wat aardig, hè?"
"Wat zal het een leuk gezicht wezen, als die stoomboot hier door het kanaal gaat," zei Dik. "Er is hier nog nooit een stoomboot geweest."
"'t Zal wel een kleintje zijn; een groote kan hier niet varen," zei Anneke.
"O, groot genoeg voor de schoolkinderen," beweerde Dik. "Laat daar den meester maar voor zorgen."
"Roe-koe! — Roe-koe!" riep Nelly tegen de duiven, terwijl zij de korreltjes voer rondom zich strooide. "Krijgen jullie een schoolfeest?"
[illustratie]
[illustratie]
"Ja," zei Dik, "we gaan een heelen dag uit met een stoomboot, met muziek en vlaggen, — een heelen dag Wijk aan zee, hè Anneke?"
"Ja, — dat is een badplaats," zei Anneke. "Fijn, hoor."
"Hè, met muziek, — dat hoor ik zoo graag," zei Nelly. "Die vlaggen kan ik niet zien, en de boot ook niet, en de zee evenmin, — maar de muziek kan ik hooren, hè, en o, die vind ik zoo mooi."
Dik werd ernstig.
"Dom van me, om over dat schoolfeest te beginnen, waar dat blinde meisje bij is," dacht hij bij zichzelven. "Echt dom! Hoe jammer, dat zij niet mee kan! Maar zij gaat niet school, — en bovendien heeft ze niet meêgespaard, en één gulden vijf en twintig centen kunnen die menschen zoo maar opeens niet missen. — Weet je wat, daar moet ik toch nog eens over denken."
En hij dacht er verder den heelen dag over.
Eerst kwam hij tot het besluit, aan alle kinderen een kleinigheid voor het blinde meisje te vragen, en als hij dan de vereischte som bijeen had, zou hij den meester verzoeken, of het ongelukkige, blinde meisje medemocht.
"Jammer, dat de meester nu net zoo boos op me is," dacht Dik.
Maar bij nader inzien vond hij het toch geen prettige gedachte voor Nelly, als alle kinderen op school wisten, dat zij het zoo arm hadden. Neen, dat behoefden de anderen niet te weten; 't was nergens toe noodig. Zij zouden zoetjes-aan, nu Elswater weer hersteld was en geregeld werk had, wel weer in beter doen geraken.
"'k Wou maar, dat ik zelf het geld had," dacht Dik. "Of dat Vader en Moeder het konden missen, — maar dat zal niet kunnen. — Jammer genoeg."
Maar 's morgens op school, onder de leesles, kreeg hij plotseling een idee, en zijn gezicht klaarde er heelemaal van op.
En nauwelijks waren de jongens om twaalf uur het lokaal uit, of hij riep hun toe:
"Zeg jongens, wie koopt er een lootje van me naar een jong konijn?"
"Hoeveel loten?" vroeg Jan Vos.
Dik meende vijftien te zeggen, maar hij bedacht zich bijtijds.
"Twintig," zei hij.
"En hoe duur?" vroeg Bruin Boon.
"Voor jou twee centen per stuk, voor de anderen een cent!" riep Dik.
"Geef mij een lootje," zei Arie Klaro, die bijna altijd wel losse centen in zijn zak had, want zijn vader was een rijke boer en behoefde dus niet op een kleintje te zien.
"Vanmiddag!" zei Dik. "Nu heb ik ze nog niet, maar ik ga ze dadelijk maken, als ik thuis kom."
"Wat een geld," zei Bruin Boon, "twintig cent voor een jong konijntje. We doen altijd vijftien lootjes van een cent, en dat is geld genoeg."
"Ja Bruin, maar ik ben maar een arme slokker," zei Dik. "Daarom neem ik twintig lootjes, zie je. — Zeg jongens, geld meebrengen vanmiddag, hoor, dan kunnen we vanavond nog gooien om de hoogste oogen."
Dik liep op een draf naar huis, en zoodra hij gegeten had, vroeg hij aan zijn moeder om een stuk karton, 't liefst wit.
"Heeft u niet een oude kartonnen doos, die u niet meer noodig heeft?" vroeg hij.
"Waartoe moet die dienen?" vroeg zijn moeder.
"Om lootjes te maken," zei Dik. "Ik ga mijn jonge konijnen verloten. Zeg, Moeder, weet u, wat ik van plan ben? Ik wil zoo graag f1.25 bij elkaar zien te krijgen..."
"Waarvoor, Dik. Wàt een geld!" zei Moeder.
"Wel, dan wou ik het aan den meester geven voor het schoolfeest...."
"Ben je dwaas, jongen? We geven elke week al een stuiver, en dat is al meer dan genoeg voor ons soort menschen...."
"En dat is het," zei Vader Trom, die zich gereed maakte om zijn dutje te gaan doen.
"Ja maar, ziet u, — ik wou zoo graag het blinde meisje van de nieuwe buren meê laten gaan," zei Dik zacht. "Ik heb zoo'n medelijden met haar, Moeder, — en die menschen zijn op 't oogenblik te arm om zooveel geld te kunnen missen. — Toe maar, Moeder, laat het mij maar doen. 't Is zoo'n ongelukkig kind."
Moeder keek Dik een oogenblik ernstig aan en haar oogen werden een beetje vochtig.
Eindelijk zei ze:
"In een hoekje achter op den zolder staat nog wel een oude doos, Dik."
"Dus mag ik?" riep Dik verheugd uit, en hij vloog de trap op naar boven.
Toen hij weg was, deed Vader Trom zijn oogen, die hij juist dichtgedaan had, weer eventjes open en zei:
"Griet!"
"Wel? — Wat is er, Jan?"
"Griet, — onze Dik is een bijzonder kind, en dat is-ie."
"Ja, hij is althans een goed kind," zei moeder Trom.
Dik kwam beneden en knipte twintig vierkante stukjes uiteen van de wanden van de doos. De rest borg hij in de kast, want die zou hem nog wel te pas komen.
Vandaag ging er pas zijn eerste jonge konijn aan, en hij had er zes.
Op elk kartonnetje zette hij een nummer, van 1 tot 20, en hij deed ze alle in een doosje. Toen stak hij nog een stuk papier bij zich, om te kunnen noteeren, wie een lot gekocht had, — en een potlood, — en begaf zich naar buiten.
In de verte hoorde hij het eigenaardige geschreeuw, dat de jongens soms met een hooge stem doen hooren, als zij alleen over straat loopen.
"Halloïo! Diktrommio! Halloïo! Diktrommio! Gajeméïo!"
Dik lachte.
"Pitio van Drillio!" galmde hij terug. "Pitio van Drillio!"
"Dikkio Trommio!" schreeuwde Piet. "Twéïo lotio! Voor mijn centoïo!"
Het geluid kwam steeds dichterbij en na een minuut zag Dik Piet het erf oploopen.
"Twéïo lotio! Twéïo lotio!" galmde Piet. "Voor mijn centoïo!"
"Twee lootjes?" vroeg Dik, terwijl hij de doos met kartonnetjes uit zijn zak opdiepte. "Hier, trek er maar twee uit."
Piet trok de nummers 4 en 13, en Dik schreef op zijn lijst achter de nummers 4 en 13 den naam van Piet van Dril. De twee centen stak hij in zijn zak.
"Zie zoo, ik heb al vast een beginnetje. Voor twee uur ben ik ze wel allemaal kwijt, denk ik, en dan kunnen we na schooltijd het beestje verloten."
"Om hoe laat?" vroeg Piet.
"Om zes uur, hier, achter onze schuur. Ik heb drie dobbelsteenen," zei Dik, "mooie groote."
"Zeg, ik hoop, dat ik het konijntje win," zei Piet van Dril. "Willen we naar school gaan?"
"Dat is goed."
En samen sloegen zij den weg in naar school, waar zij natuurlijk veel te vroeg aankwamen, maar dat wilden zij juist. Dik had er immers gewichtige zaken te doen?
Zij waren de eersten, die op de speelplaats aankwamen, maar 't duurde niet lang, of er kwamen er meer.
Bruin Boon kwam ook al heel vroeg.
"Ik moet vijf lootjes hebben, Dik," zei hij, en hij gaf Dik vijf centen.
"Wat? Hoeveel?" vroeg Dik verbaasd, want het gebeurde haast nooit, dat een jongen vijf loten tegelijk kocht. En hij keek Piet van Dril aan, die zijn vragenden blik met een knipoogje beantwoordde.
"Ja, vijf!" schreeuwde Bruin Boon. "Geef hier! Waar zijn ze?"
Dik weifelde even en weer keek hij Piet vragend aan, en nogmaals knipoogde Piet tegen Dik. De jongens wisten wel, dat Bruin niet eerlijk was, en dat hij gewoonlijk veel centen in zijn zak had, en zij verdachten er hem sterk van, dat hij ze stal uit de toonbanklade van zijn moeder, die een winkeltje in kruidenierswaren deed. Want Bruin was erg oneerlijk.
"Nou, krijg ik ze, of krijg ik ze niet?" schreeuwde Bruin.
"Weet je moeder ervan?" vroeg Dik.
"Mijn moeder? — Ja, — natuurlijk! — Je denkt toch niet, dat ik ze gestolen heb?"
"Ik weet niet, wat ik moet denken," zei Dik. Hij hield Bruin het doosje met loten voor en Bruin nam er vijf uit. Dik schreef zijn naam op de lijst achter de getrokken nummers. Even later kwam Arie Klaro.
"Heb je je lootjes al?" vroeg hij aan Dik. "Geef mij er een, — of neen, ik wil er wel twee hebben. Des te meer kansen heb ik."
"Maar ik heb de meeste kansen," zei Bruin.
"Zoo? Hoeveel dan wel?" vroeg Arie.
"Vijf!" zei Bruin. "Is 't niet waar, Dik, heb ik er geen vijf?"
"Gestolen centen natuurlijk," zei Arie op den man af.
"Als jij maar geen gestolen centen in je zak hebt!" zei Bruin sarrend.
Er kwamen hoe langer hoe meer jongens op de speelplaats, en de loten van Dik gingen vlug van de hand. Hij kon zelfs niet eens aan alle aanvragen voldoen, maar daar wist hij wel raad op.
"Jongens," zei hij, "om vijf uur zal de loting plaats hebben...."
"Waar?" schreeuwde Bruin. Bruin schreeuwde altijd veel harder, dan noodig was. "Ik heb toch de meeste kansen, want ik heb er vijf!"
"Bij ons, achter het huis," zei Dik. "En dan zal ik weer nieuwe loten klaarmaken om er nog een te verloten, voor de jongens, die nu te laat kwamen. Is dat goed? Komen jullie dan?"
"Dus dan verloot je er twee vanavond," zei Dirk Langereis, die ook te laat gekomen was en dus geen lootje had kunnen bemachtigen.
"Ja, — twee," zei Dik.
"Dat is goed!" zeiden de jongens.
Een poosje later ging de school aan, en Dik voelde zich vroolijk gestemd, omdat de zaken voor de blinde Nelly zoo goed gingen.
"Vanavond heb ik al veertig centen bij elkaar," dacht hij vergenoegd. "Dan heb ik er nog maar vijf en tachtig noodig. Als de meester nu maar niet weigert, — maar weet je wat, ik zal erg goed mijn best doen. Misschien gaat de boosheid dan wel weg, hoewel, — hij heeft vandaag nog geen vriendelijk woord tegen me gezegd."
En Dik spande al zijn krachten in om 's meesters goedkeuring te verwerven,wat de meester zeer goedopmerkte, al liet hij het niet blijken.
"Dikje heeft spijt van gisteren," dacht hij, en dat deed hem genoegen.
Om vier uur ging de school uit, en de jongens spoedden zich naar huis. Maar om vijf uur waren zij allen present achter de schuur van Dik.
Dik had weer nieuwe loten gemaakt en verkocht ze aan de liefhebbers. Ze gingen niet meer zoo grif van de hand als voor het eerste konijntje, maar hij raakte ze eindelijk toch kwijt, en toen kon de loting beginnen.
Dik haalde een kleerenbak uit de schuur, een diepen melkbeker uit de kast en drie groote dobbelsteenen uit zijn speelgoedlade. Daarmede kwam hij bij de jongens terug. De kleerenbak werd op den regenput gezet, en de dobbelsteenen deed hij in den melkbeker.
"Zie zoo, alles is klaar," zei hij. "De verloting kan beginnen."
"Maar om welk konijn gaat het?" vroeg Jan van Bakel, die ook een lootje gekocht had.
Dik haalde een van zijn jonge konijntjes uit het hok en deed het in een mand.
"Hallo! Het spel gaat beginnen!" riep Dik.
Hij keek op zijn lijst en riep: "No 1, Jan Fulps. Asjeblief, goed de steenen schudden en dan in den kleerenbak gooien."
"Daar gaat-ie!" riep Jan Fulps.
Hij rammelde met de steenen en wierp ze met kracht in den bak. "4, 2, 5!" riep Dik. "Elf oogen!"
En hij noteerde achter Jan's naam 11. "No. 2, Bruin Boon!"
[illustratie]
[illustratie]
"Elf maar?" snoefde Bruin. "Daar ga ik boven!"
"2, 3, 3!" riep Dik. "8 oogen!"
"Daar ga ik onder, had je moeten zeggen, Bruin!" riep Jan Fulps hem toe.
"O, ik heb er nòg vier!" schreeuwde Bruin.
"No. 3: Jan van Bakel!" riep Dik.
Jan van Bakel gooide.
"6, 5 en 5, 16 oogen!" kondigde Dik aan.
"Een mooie gooi!" zei Piet van Dril. "Mijn beurt, Dik, ik ben no. 4."
Piet rammelde met de steenen en wierp drie zessen.
"Mooi zoo!" zei Dik. "Hooger kan het niet."
"Ha ha," lachte Piet van Dril, "dat konijntje zal wel voor mij zijn. Even hoog, dat kan, maar hooger, dat kan al vast niet!"
Piet van Dril liep naar de mand, om het konijntje eens goed te bekijken! 't Was een allerliefst beestje, vond hij, en hij streelde het over den kop.
Zoo gooiden de jongens om de beurt, en Bruin wierp eenmaal 2 zessen en een vijf, dus 17 oogen.
"Daar mankeerde er maar eentje aan, — maar ik heb nog een lot. Dan komt het derde zesje er wel bij."
Maar op zijn laatste lot gooide hij tot groote pret van alle jongens, drie eenen. Zijn kans op het konijntje was verkeken.
Eindelijk moest alleen N°. 20 nog maar gooien, en dat was Arie Klaro.
"Een klein kansje!" zei hij, terwijl hij de dobbelsteenen in den melkbeker liet rammelen.
"Mijn konijntje is het!" riep Piet van Dril lachend.
Arie gooide.
"Drie zessen, — achttien oogen!" riep Dik. "Arie en Piet van Dril moeten kampen. Ze hebben evenveel oogen gegooid."
"Dat staat je niet netjes, Arie!" zei Piet van Dril lachend. "Ik dacht al, dat ik den prijs had."
"Mis man, buiten den waard gerekend," zei Arie. "Gooi jij maar eerst!"
"Neen, — jij!" zei Piet.
"Jij bent het eerst aan de beurt. Hier heb je de steenen. — Is 't niet waar, Dik?"
"Ja," zei Dik. "Jij eerst, Piet."
"Vooruit dan maar!" zei Piet. Hij liet de stenen rammelen en gooide een 4, een 6 en een 3.
"Dertien oogen," zei Dik. "Een mooie kans, Arie."
"O jé, daar gaat mijn konijntje," riep Piet lachend.
"Toe, rammel zoo lang niet, — ik brand van nieuwsgierigheid!"
"Daar dan!" riep Arie.
"Een 5, een 6 en een 3, — veertien oogen!" riep Dik. "Arie heeft het gewonnen. Geluk er meê!"
"En nu ga ik meteen naar huis," zei Arie, die een heel eind van het dorp woonde, en alleen om de verloting zoo lang gebleven was.
Hij nam het jonge konijntje in zijn arm en vertrok.
De anderen bleven voor de verloting van het tweede konijntje.
"Mijn kansen staan mooi," schreeuwde Bruin. "Ik heb nu ook weer vijf loten."
"Maar onrechtmatig verkregen goed gedijt niet," zei Dirk Langereis.
"Wat!" schreeuwde Bruin. "Wou jij zeggen, dat ik het gestolen had?"
"Ik zeg alleen maar, dat onrechtmatig verkregen goed niet gedijt," zei Dirk.
De loting begon, — en het einde was, dat Jan Vos met het konijntje naar huis ging. Hij won met 17 oogen.
"Jongens," riep Dik, "morgen een nieuwe verloting!"
"Maar ik dank je!" zei Bruin Boon. "'t Heeft me vandaag al een dubbeltje gekost, — voor niemendal. Ik doe niet meê."
"Dan laat je 't!" zei Dik.
De jongens gingen naar huis, en Dik maakte weer nieuwe loten klaar voor den volgenden dag, — maar toen bleek de liefhebberij al aanmerkelijk bekoeld. Er was geen sprake van, dat de verloting nog dien dag kon plaats hebben, want 's avonds had hij er nog maar elf verkocht. De moeders bleven niet aan 't geld geven.
Na drie dagen pas was hij zeventien loten kwijt, en hij besloot, toen maar verder geen moeite te doen.
Anneke won het beestje, tot haar groote blijdschap.
En Dik zag voorloopig geen kans, nog meer konijntjes te verloten. Het speet hem wel, maar toch was hij blij, dat hij al vast zeven en vijftig centen bij elkaar had. Hij had ze in een doosje gedaan en in een hoekje van zijn speelgoedlade opgeborgen.
"Ik zal wel zien, dat ik de rest er bij krijg," dacht hij. "Daar moet ik maar een middeltje op bedenken. — O, wat zou ik het heerlijk vinden, als Nelly meê kon met het schoolfeest, — dat ongelukkige kind!"
image: versiering
image: versiering
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering
D
Den volgenden dag werd het dorp in rep en roer gebracht door het gerucht, dat het groote, beroemde, Amerikaansche paardenspel van Sänger ook daar voor een enkelen dag zijn reusachtige tent zou opslaan, om er een voorstelling te geven. En niet het dorp alleen, maar zelfs de geheele polder, waarvan het dorp het centrum vormde, sprak over niets anders, dan over het wereldberoemde paardenspel van Sänger, dat weldra zou arriveeren.
Geen wonder, want de Directeur, Mr. Sänger, maakte op echt Amerikaansche manier zoo'n reusachtige reclame voor zijn spel, dat je om zoo te zeggen hooren en zien verging. Heel Nederland sprak er over en alle kranten wijdden groote artikelen, ja zelfs geheele kolommen aan het paardenspel van den beroemden Amerikaanschen Directeur Sänger, en zijn beroemde paarden, en zijn beroemde pikeurs en zijn beroemde paardrijdsters en zijn beroemde leeuwen en zijn beroemde olifanten, en zijn beroemde honden en apen, ja zelfs aan zijn beroemde, onmetelijke tent, waarvan 's morgens vroeg nog niets te zien was, waarin 's middags soms reeds een voorstelling werd gegeven, waarin alle beroemdheden 's avonds nogmaals optraden, en waarvan bij zonsopgang geen spoor meer gevonden werd. In alle dagbladen stonden kolossale advertentiën, op stal- en schuurdeuren, alsmede op alle aanplakborden verschenen reusachtige biljetten met platen in schitterende kleuren, waarop de ongelooflijkste toeren waren afgebeeld.
Niemand en niets ter wereld was zóó beroemd als de heer Sänger en zijn paardenspel, en geweldige verhalen daaromtrent deden door ons lieve vaderland de ronde.
Zoo vertelde men, dat de heer Sänger een weddenschap had aangegaan met een anderen schatrijken Amerikaan, — want ook de heer Sänger moest, naar men zeide, schatrijk zijn, — dat hij binnen een half jaar van Amerika naar Europa zou reizen, daar veel meer voorstellingen zou geven dan er dagen in het halve jaar waren, nooit langer dan twee dagen op dezelfde plaats zou verblijven en binnen het half jaar weer in New-York zou teruggekeerd zijn. De weddenschap ging om honderdduizend dollars, die hij van te voren bij een bank had moeten deponeeren. Ook vertelde men, dat de leeuwentemmer van het circus vijf leeuwen had, waarmede hij de ongehoordste toeren verrichtte, ja, dat hij hun zelfs zijn hoofd in den geopenden muil stak, en dat alles terwijl het hem toch niet onbekend kon zijn, dat diezelfde leeuwen zijn vaders en grootvader, die vóór hem hun eigenaars waren geweest, reeds hadden opgegeten. En dan waren er nog twee olifanten, waarvan de een den vorigen oppasser, die iets deed, dat den olifant niet naar den zin was, met zijn slurf had doodgeslagen, en toen hij op den grond lag, om zoo te zeggen, met zijn lompe pooten een polka op zijn lichaam had gedanst, zoodat er niets van hem overbleef dan wat pap.
Dik geloofde al die verhalen onvoorwaardelijk. Had hij ze niet met eigen oogen in de krant gelezen?
Hij zat op de leuning van de brug met Piet van Dril en Jan Vos te hengelen. 't Was een hooge brug, en 't was ook een hooge leuning, en zij moesten lange hengelstokken hebben om bij het water te kunnen komen. En hun zitplaats was tamelijk gevaarlijk, want bij de minste onhandige beweging konden zij er aftuimelen en in het diepe, breede kanaal terechtkomen.
Zij praatten natuurlijk over het paardenspel, zooals iedereen.
"'t Zijn allemaal Engelschen," beweerde Jan Vos. "'t Mocht wat," zei Dik. "Echte Amerikanen, hoor. En zij hebben ook Roodhuiden bij zich. Zeg Piet, heb je 't gehoord? Dan rent er een wild paard in het circus, zonder bit of teugel, en dan komt zoo'n Roodhuid op een ander paard binnenvliegen en gooit het een lasso om den nek, — en dan maar trekken, jongens, trekken van heb ik jou daar, tot het gevangen paard bijna stikt en op den grond valt. — Zie je, zoo vangen die Roodhuiden hun paarden in de wildernis ook."
"Fijn om te zien," zei Piet. "Ik hoop, dat ik er naar toe mag."
"Ik heb geen kans," zei Jan Vos. "'t Is te duur, zegt Vader. Hij kan zijn geld wel beter gebruiken."
"Net als bij ons," zei Dik.
"O, — jij, — jij hebt geld genoeg verdiend met het verloten van je konijnen, want zoo duur is het niet, als je op den laagsten rang gaat zitten. En je ziet het daar even goed als op den eersten. Hoeveel heb je ook al verdiend met je verloting?"
"Zeven en vijftig cent," zei Dik, met een peinzend gezicht naar zijn dobber turend.
"Meer dan genoeg, — de vierde rang kost maar 40 cent," zei Jan. "Zeg Dik, dan gaan we samen, hè? Ik màg, — dat heb ik al aan Vader en Moeder gevraagd. Doen, zeg?"
Dik zei niets.
Ha, wat had hij een zin, om mede te gaan! Zoo iets moois had hij nog nooit gezien en zou hij misschien nooit in zijn leven meer te zien krijgen. — Maar, voor dat doel had hij zijn konijntjes niet verloot. Hij had het gedaan om het arme, ongelukkige, blinde meisje een mooien dag te bezorgen, en 't zou gemeen van hem wezen, als hij nu voor dat geld naar het paardenspel ging.
"Doen, zeg?" herhaalde Piet, met een elleboogstoot in Dik's rug.
"'k Weet niet, — misschien — wel," zei Dik aarzelend.
"Waarom zou hij niet?" dacht hij. "'t Was toch zijn eigen geld, en hij kon er mede doen, wat hij wilde. Niemand dan hij had er iets over te zeggen, behalve zijn Vader en Moeder natuurlijk, maar die zouden het wel goed vinden. Zij vonden van Dik alles goed."
"Waarommisschien?" vroeg Piet.
"Ja, waarommisschien?" dacht Dik. "Waarom nietzeker.Hij had het geld toch niet aan Nelly beloofd? Hij had er immers zelfs met geen enkel woord over gesproken?"
[illustratie]
[illustratie]
"Zeg, waarommisschien?" vroeg Piet nog eens.
"Och, 'k weet nog niet," zei Dik. "Ik denk van wèl, 't Paardenspel is hier nog niet eens, en misschien komt het zelfs in het geheel niet. Vader zegt, dat het maar een praatje zal wezen, want dat er nergens aanplakbiljetten te zien zijn."
"O, dat hindert niet. Iedereen zegt het," beweerde Jan Vos, die er wel niet heen mocht, maar het toch heerlijk vond, dat het komen zou met die leeuwen en olifanten en Roodhuiden en paarden en wie weet, wat nog meer. Hij zou wel maken, dat hij met zijn neus overal 't dichtst bij was.
"Spreken ze Amerikaansch?" vroeg hij.
"Engelsch," zei Piet van Dril. "De Amerikanen hebben geen eigen taal, en spreken Engelsch."
"Jammer," zei Jan, "'t moesten Hollanders zijn. Dan kon ik met hen praten."
"O," zei Dik, "dat kan ik toch wel. Ik wed, dat ze mij woord voor woord verstaan."
Piet en Jan barstten in lachen uit.
"Wat een pocher!" riep Piet van Dril, die door een onhandige beweging half van de leuning gleed. Hij kon zich nog net bijtijds met één arm vastgrijpen, maar stootte toen Dik bijna naar de diepte. En Dik greep zich in zijn schrik aan Jan Vos vast, zoodat zij alle drie groot gevaar liepen om naar beneden te duikelen, Zij hingen aan de leuning. En lachen, lachen, dat ze deden! Ze kropen met moeite tegen de leuning op en namen weer plaats.
"Zeg, Jan," zei Dik, "als je weer wat weet."
"En jij dan, Dik!" zei Jan Vos. "Je trok er me ook bijna af."
"Zoo, Dik, spreek jij zoo goed Engelsch?" lachte Jan.
"Onverbeterlijk," zei Dik. "Ik durf met je te wedden, dat ze me woord voor woord verstaan!"
Jan en Piet lachten hem smakelijk uit.
Opeens zei Jan Vos:
"Kijk eens, Dik, daar komt er een de brug op, dat geloof ik zoo vast als tweemaal twee vier. Hij komt hierheen, zie je wel?"
"En òf!" zei Dik, die van de leuning op de brug sprong en den man, die naar hem toe kwam, met open mond en oogen aangaapte. Zijn hengel haalde hij in.
"'t Is er vast een!" beweerde Piet van Dril. "Dat zie je aan alles wei, hè?"
Nu, daar had hij wel gelijk aan. De man had een pikeurspet op en droeg een korte rijjas. Zijn beenen waren gestoken van boven in een rijbroek en beneden in rijlaarzen met sporen. Hij droeg een geel vest, en zijn broek was ook geel. Bij elken stap, sloeg hij zich met een korte rijzweep tegen de kaplaarzen.
"Hallo!" zei hij tegen de drie jongens, en hij keek in het bijzonder naar Dik, die met zijn dikke buikje en bolle wangen blijkbaar een grappigen indruk op hem maakte. "Hallo!" zei ook Dik, toen hij den vreemdeling lang genoeg had aangestaard.
"Nu je Engelsch!" fluisterde Piet zijn vriend Dik toe.
1) "Do you live here?" vroeg de vreemdeling.
2) "Yes, Sir!" zei Dik, die er geen woord van verstond.
3) "Ha, that is good..."
4) "No, Sir!" beweerde Dik.
De Engelschman keek Dik in de grootste verbazing aan, want hij begreep niet, wat hij aan den jongen had.
En Piet van Dril en Jan Vos stonden ook in stomme verbazing naar Dik te kijken, die zoo brutaalweg den vreemdeling in diens eigen taal antwoordde. Wat drommel, waar kon Dik dat Engelsch hebben geleerd? Zij wisten niet, dat Dik in het geheel maar drie Engelsche woorden kende, namelijkyes, datjabeteekent,no, dat hetzelfde is alsneen, ensir, datmijnheerbeteekent, en dat Dik geen woord van den Amerikaan verstond, maar het besluit had opgevat, om maar op de beurt, "Ja, mijnheer" en "Neen, mijnheer" te zeggen.
5) "Do you know the burgomaster?" vroeg de Amerikaan.
"No, Sir!" zei Dik met een stalen gezicht, hoewel hij er geen woord van verstond.
6) "Where does he live?"
"Yes, Sir!" zei Dik.
De Amerikaan begreep thans volkomen, dat die dikke jongen hem met een stalen gezicht voor den gek stond te houden. Hij deed een stap voorwaarts en hief met een snelle beweging zijn rijzweep op, om er hem een gevoeligen tik mede te geven.
Maar Dik was op zijn hoede. Hij glipte gebukt tusschen zijn vrienden en de brugleuning door en maakte dat hij wegkwam.
Jan Vos en Piet van Dril gingen hem lachend achterna.
"Of jij Engelsch spreekt, Dik!" riep Piet hem toe.
"Wel, wat mankeerde er aan?" vroeg Dik lachend.
"Alles!" grinnikte Piet.
"Niets!" beweerde Dik. "Ik heb gezegd, dat hij mij woord voor woord zou verstaan, en deed hij dat dan niet?"
"Jawel, maar je zei niets dan ja en neen!" zei Jan Vos.
"Juist," zei Dik. "De zaak was ook niet, dat hij mij niet verstond, maar ik verstond hèm niet, — daar zat hem de kneep."
De jongens zagen, dat de vreemdeling een poosje rondkeek en zich toen naar het raadhuis begaf, zeker om den burgemeester te spreken.
"Maar nu is het toch wel zeker, dat het paardenspel hier komt," zei Jan. "Wat zou die man hier anders op het raadhuis moeten doen?"
"Natuurlijk," zei Dik. "Ik meende het hem net te vragen, toen hij die rijzweep ophief...."
"Ha, ha, ha, ha!" lachten Jan en Piet.
Zij gingen in het gras aan den kanaalkant zitten, om de terugkomst van den vreemdeling af te wachten, maar hij bleef nog al lang weg.
"'t Is te hopen, dat de burgemeester beter Engelsch spreekt dan jij, Dik," zei Piet van Dril.
"Er was op mijn Engelsch geen aanmerking te maken," zei Dik. "Hij verstond me woord voor woord."
"O ja, ik bedoel, dat de burgemeester hem beterverstaanzal dan jij," zei Piet lachend.
"Dat hoop ik ook," zei Dik.
Eindelijk kwam de Amerikaan te voorschijn, en de jongens wezen beleefd naar hun pet, want zij vonden hem thans een belangwekkend personage.
Zijn boosheid was blijkbaar alweer verdwenen, want toen hij de jongens herkende, lachte hij tegen hen. En tegen Dik hief hij dreigend zijn zweep op, maar hij meende er niets kwaads mede.
Dik, Piet en Jan volgden hem op de hielen, om te zien, waarheen hij ging, maar heel ver behoefden zij niet te loopen, want dicht bij de brug liep hij den stal in van Café "Goud uit schuim," haalde een mooi rijpaard naar buiten, gaf den stalknecht een fooi, en wierp zich met een vlugge beweging in den zadel.
"Ha, wat een prachtig beest," zei Dik, die een groot liefhebber van paarden was. "Kijk eens, wat steigert hij!"
"Ja, een fijn paard, hoor," zei Piet. "Hoepla, — daar gaat hij!"
De ruiter gaf zijn paard de sporen en reed in een vluggen draf den weg op naar Haarlem.
De jongens oogden hem na.
"Wat kan dat paard loopen!" zei Dik. "Heel wat harder dan de paarden van den molenaar."
"Die zijn te dik," zei Piet. "'t Zijn Belgische werkpaarden, goed om zware vrachten te trekken. — Maar dit is een fijn raspaardje, zie je, dàt is het verschil. Zag je zijn dunne pooten wel?"
"Zeker," zei Dik. "'t Zal wel een van de circuspaarden zijn. Waar zou het spel komen te staan? Op de markt zal het niet gaan, vanwege al die palen."
"Vader denkt, dat het op het stuk weiland komt, hier achter het Café. Dat is een mooie gelegenheid. Ruimte in overvloed!"
De jongens liepen de brug over naar de markt.
"Wat zullen we eens gaan doen?" vroeg Jan Vos. "'t is nog veer te vroeg, om naar huis te gaan."
"Willen we een poosje in den boom gaan zitten?" zei Dik.
Midden op de markt stond een groote boom, waarin de jongens zich dikwijls vermaakten, misschien wel, omdat Flipsen nooit wilde hebben, dat zij er in klommen. Welke reden hij daarvoor had, kon niemand begrijpen, want het was een reusachtige boom, die er niets van te lijden had en desnoods best een stootje kon velen. Zelfs de burgemeester had al meer dan eens tegen Flipsen gezegd, dat hij niet zoo op de jongens moest vitten, want dat er toch waarlijk zooveel kwaad niet in stak, dat zij soms wel eens in dien boom speelden.
Maar Flipsen wilde het nu eenmaal niet hebben; hij was een lastige man, die van de jongens niets verdragen kon.
"In den boom gaan zitten?" vroeg Jan Vos. "En als Flipsen dan komt?"
"Dan stil blijven zitten," zei Dik. "Maar hij zal ons niet eens zien, want het loover is zoo dicht, dat wij zoo goed als onzichtbaar zullen zijn."
"Weet je wat?" zei Piet van Dril. "We scheppen onze klompen vol water en nemen die meê naar boven. Als Flipsen dan komt, zetten wij hem in een stortbad..."
"Grappig!" zei Dik. "Op een anderen keer. Laten we nu maar kalm in den boom gaan zitten, — dan ziet hij ons niet, al komt hij er langs. Geef me een pootje, Jan! Die stam is mij te dik om er in te klimmen."
"Wacht even, — wie loopt daar zoo mal langs den weg?" vroeg Piet van Dril. "Hij kruipt meer, dan hij loopt....."
"Een malle verschijning!" zei Dik. "Kijk, 't is Mulder, de vrek! Wat zou hem schelen? Hij houdt zijn handen in zijn lenden, — 't lijkt wel, of hij vergaat van de pijn...."
"En wat loopt hij krom!" zei Jan Vos.
"En wat kijkt hij benauwd," merkte Piet van Dril op. "Zou hij naar den dokter gaan?"
"Kun-je begrijpen!" zei Dik lachend. "Naar den dokter? Dat kost immers geld? — Neen, naar den dokter ongetwijfeld niet!"
"Laten we kijken!" zei Piet. "Wacht, hij gaat de brug over. Mijnheer houdt zich vast aan de leuning, — mijnheer kan haast niet verder en wrijft zich over den rug, mijnheer ziet bont en blauw in zijn gezicht, zie je dat?"
"Jongens," zei Dik, "dan is er eergisteren wat gebeurd, je weet toch wel, 's avonds, toen we slootje-gesprongen hebben en toen we zoo'n raar geschreeuw hoorden in zijn tuin...."
"Mijnheer gaat naar den burgemeester!" vervolgde Piet van Dril. "Zie je wel, hij gaat het raadhuis binnen. Ha — ha, — mijnheer kan haast den stoep niet opkomen."
Piet van Dril had gelijk. Mulder ging naar den burgemeester, om zich over Flipsen te beklagen.
"Wel Mulder? Wat is er?" vroeg de burgemeester. "Ga zitten."
Mulder nam heel voorzichtig op een stoel plaats en kreunde daarbij van de pijn. Toen zag de burgemeester hoe vreeselijk toegetakeld de man er uitzag, en hoewel hij in het geheel geen sympathie voor den ouden gierigaard voelde, kreeg hij nu toch medelijden met hem.