[illustratie]
[illustratie]
"Au au, — o — o — wat een pijn!" kreunde Mulder, terwijl hij ging zitten.
"Maar man, wat zie je er uit?" riep de burgemeester hem toe. "Je gezicht is bont en blauw, en — maar, wat is je overkomen?"
"Ja, ja, wat is me overkomen?" zei Mulder met een pijnlijk gezicht. "Ik kom me beklagen, burgemeester..."
"Beklagen! Is er bij je ingebroken en hebben ze je mishandeld?"
"Neen, — o, wat een pijn, — ingebroken niet, maar mishandeld wel," kermde Mulder. "Dat heeft Flipsen me geleverd!"
"Flipsen?" riep de burgemeester ongeloovig uit. "Je vergist je ongetwijfeld, Mulder, hoe wou Flipsen er toe komen, om een van de burgers uit onze gemeente zoo te mishandelen? — Want ik moet toegeven, dat je mishandeld bent, Mulder, — en erg mishandeld ook."
"O, ik verga van de pijn," kreunde Mulder. "Bijna twee dagen heb ik in bed gelegen, omdat het me onmogelijk was op te staan. Maar nu kon ik het niet langer uithouden, — ik wilde dien man aanklagen, burgemeester, opdat hij voorbeeldig gestraft worde...."
"Maar Mulder, — Flipsen toch zeker niet?"
"Flipsen, en niemand anders," zei Mulder. "Hij zou zich 's avonds, dat was eergisteren, in mijn tuin opschuilen, om op de jongens te passen, die voor den zooveelsten keer weer mijn boomgaard eens wilden plunderen. Ik had die kwajongens bij toeval afgeluisterd, toen zij die afspraak maakten. Flipsen had er wel geen zin in, maar toen ik hem liet merken, dat ik van plan was bij u te gaan klagen, als hij het niet deed, koos hij eieren voor zijn geld. —"
Mulder zuchtte diep, want onophoudelijk flitsten hem hevige pijnscheuten door zijn lichaam.
"En zoo kwam hij dan," vervolgde hij na een poosje, "erg boos, dat kan ik u verzekeren, want hij was, zooals hij zelf zei, juist van plan geweest, dien avond eens rustig bij zijn vrouw te blijven rooken..."
"Nu, zoo prettig was het ook niet voor hem," vergoelijkte de burgemeester. "Flipsen is een ijverig man, dat zal iedereen toegeven. Hij is eerder te ijverig, dan te lui, en maakt zich daardoor juist vele vijanden. En 't zou heusch niet erg zijn, als hij ook eens een avondje rustig thuis kon blijven..."
"Daar betalen wij onze belastingcentjes voor, burgemeester," zei Mulder, die juist weer een hevigen scheut door zijn rug kreeg. "Au, au, o, wat een pijn!"
"Maar nu weet ik nog niet..." hernam de burgemeester.
"Ik zal 't u vertellen," zei Mulder. "Toen het al heel laat geworden was en ik van Flipsen niets meer bemerkte, besloot ik even te gaan kijken, of hij er nog was, en toen sprong me die nijdigaard plotseling op mijn lijf, smeet mij tegen den grond, en sloeg mij met zijn gummi-stok bont en blauw. Ik dacht niet anders, of hij wilde mij doodslaan. Mijn beenderen kraakten me in mijn binnenste. Ik kom daarom een aanklacht tegen dien man doen. Hij dient ontslagen te worden."
"Och kom," zei de burgemeester, "'t zal een vergissing van Flipsen geweest zijn. Misschien meende hij wel, dat hij een van de vruchtendieven te pakken had."
"Een vergissing, — au, o, wat een scheut, — onmogelijk, burgemeester. Toen hij me op zoo'n verschrikkelijke manier met zijn gummi-stok bewerkte, heb ik hem wel tienmaal toegeschreeuwd, dat ik Mulder was, maar hij wilde mij niet hooren. Hij sloeg me opzettelijk, omdat hij nijdig op mij was, en ik eisch zijn ontslag, — op staanden voet. Of anders zal ik een strafvervolging tegen hem laten instellen wegens moedwillige mishandeling."
"Dat is uw zaak," zei de burgemeester, terwijl hij op een tafelschel tikte.
De concierge verscheen.
"Legels, ga naar Flipsen en zeg hem, dat hij onmiddellijk hier moet komen."
"Flipsen is ziek, burgemeester...."
"Erg ziek?"
"Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij zich bezeerd heeft, — nog al erg."
"Zoo, — nu, weet je wat, ga hem vragen, of hij in staat is om hier te komen. Je moet zeggen, dat het een ernstige zaak geldt."
"Jawel, burgemeester."
Er werd tusschen den burgemeester en Mulder niet veel meer gesproken. De laatste liet herhaaldelijk een dof gekreun hooren.
Na enkele minuten verscheen Flipsen, met een dik verband om zijn hals.
"Wel, Flipsen, wat scheelt je?" vroeg de burgemeester, "Heb je je bezeerd?"
Flipsen keek schuin naar Mulder en deze schuin naar Flipsen.
"Ja, burgemeester, ik heb me bezeerd," zei Flipsen.
"Zoo, hoe komt dat?"
"Dat weet ik niet, burgemeester," zei Flipsen, die het inderdaad niet wist. Herhaaldelijk keek hij naar het misvormde gezicht van Mulder, dat een heele rist groene en blauwe strepen vertoonde. De leelijke vrek was er niet mooier op geworden, ja, Flipsen vond dat hij hem nog nooit zoo leelijk ontmoet had.
De burgemeester werd een beetje boos over dat antwoord van Flipsen.
"Weet je 't niet? Dat is al heel wonderlijk...."
"Ik weet het heusch niet, burgemeester," zei Flipsen, wiens gelaat bij elke beweging een pijnlijken trek kreeg.
"Nu, als je 't me niet zeggen wilt, moet je dat zelf weten," hernam de burgemeester op hoogen toon. "Flipsen, deze man komt zich over je beklagen. Hij zegt, dat je hem eergisteren-avond zoodanig mishandeld hebt, dat hij er twee dagen van te bed heeft gelegen en nog maar ternauwernood loopen kan. Hij eischt, dat je op staande voet ontslagen wordt, of hij zal een strafvervolging tegen je beginnen wegens moedwillige mishandeling. Wat heb je daarop te antwoorden?"
Flipsen keek in de grootste verbazing beurtelings den burgemeester en den vrek aan. Blijkbaar wist hij in de verste verte niet, wat van deze beschuldiging te denken.
"Hoor je me niet?" vroeg de burgemeester. "Of wist je dit soms ook al niet?"
"Ik, — burgemeester, — neen, op mijn woord, — ik weet het niet. Ik heb Mulder voor 't laatst ontmoet in mijn eigen tuin op mijn eigen bank, toen hij mij kwam vragen een oogje in het zeil te houden, omdat hij zeker wist, dat de jongens 's avonds in zijn tuin wilden komen om zijn vruchten te kapen. Na dat oogenblik heb ik Mulder niet meer gezien, dat verklaar ik op mijn ambtseed, burgemeester."
"'t Wordt nu nog erger, burgemeester," zei Mulder. "Hij doet op die manier nog een valschen eed ook, want hij heeft me dienzelfden avond in mijn tuin zoo onbarmhartig afgeranseld, dat ik vreesde te zullen sterven...."
Flipsen kreeg een flikkering in zijn oogen, en ondanks zijn pijnen, een spottend lachje om zijn lippen.
"Ha, ha, Mulder, — ben jij dat geweest?" vroeg hij. "Ik verkeerde tot nog toe in de heilige overtuiging, dat ik Dik Trom of een van die andere lieverdjes te pakken had gehad...."
"Neen, man, dat weet je wel beter..." viel Mulder in. "Ik heb je wel honderdmaal toegeroepen, dat ik Mulder was..."
"Geen woord van gehoord!" riep Flipsen uit, die een paar maal in een lach geschoten was, maar zich onmiddellijk weer bedwongen had uit respect voor den burgemeester.
Deze keek beurtelings Mulder en Flipsen aan, en begreep van de heele zaak maar bitter weinig. "Hoor eens, — vertel me eens kort en goed, Flipsen wat er gebeurd is. Ik begrijp er nu nog niet veel van."
"Och, Mulder had me gevraagd eens een oogje..."
"Jawel, jawel, dat weet ik nu al. Je ging dus in den tuin van Mulder en verborg je daar ergens, niet waar?"
"Juist burgemeester, in een donker boschje, dicht hij de aardbei- en frambozenplanten."
"En toen?"
"Daar heb ik gezeten, tot het pikdonker geworden was," hernam Flipsen, "en daar de jongens niet kwamen, meende ik juist naar huis te gaan, toen ik dicht bij me eenig geritsel hoorde..."
"Dat was ik!" zei Mulder met een zucht.
"Dan kroop je over den grond...." zei Flipsen.
"Neen, ik liep, want ik wilde eens kijken, of je er nog was."
"Neen man, dat is niet waar," hield Flipsen vol. "Ik hoorde eenig geritsel en zag toen iemand over den grond voortkruipen naar de frambozen...."
"Maar Mulder, waarom kroop je over den grond?" vroeg de burgemeester.
"Ik kroop niet!" zei Mulder.
"Je kroopt wèl!" hield Flipsen vol, "en daar ik dacht, dat je Dik Trom of een van de andere jongens waart, ben ik op je rug gesprongen en heb je een pak slaag gegeven, als nog nooit iemand van mij gehad heeft."
"'t Is Mulder nog aan te zien," zei de burgemeester, die slechts met moeite een lach bedwingen kon. "'t Is dus gewoon een vergissing geweest, Mulder, — een vergissing, die het gevolg was van je onvoorzichtigheid, om kruipende naar Flipsen te gaan. Dat was een malle onderneming van je, Mulder..."
"Hoe kwam je daar toch toe?" vroeg Flipsen met een spottend lachje.
"Zoo maar," zei Mulder. "Ik zal toch wel door mijn eigen tuin mogen kruipen, als ik dat verkies!"
"Van mij wel," zei Flipsen. "Maar wil ik je eens zeggen, waarom je het deedt? Je was zeker bang, dat ik aan je aardbeiën en frambozen...."
"Ha, ha, ha, ha!" barstte de burgemeester uit, en hij kon maar niet tot bedaren komen, want hij zag duidelijk aan Mulders gezicht, dat Flipsen den spijker op den kop had geslagen.
"Alsof je daar te goed voor was!" zei Mulder, die wel zag, dat ontkennen hem toch niet baten zou.
"Ha, ha, ha, ha, 't is te mal, ha, ha, ha, ha," schaterde burgemeester. "Dus je gingt de politie beloeren... ha, ha, ha, en kreeg toen... ha, ha, ha —"
En toen barstte ook Flipsen in lachen uit, wat hem zoo'n pijn in zijn hals deed, dat hij er zijn beide handen op moest leggen.
"Lach jij maar," zei Mulder nijdig. "Je hebt me half dood geslagen, dat geef ik toe, maar mijn aap..."
"Jouw aap?" riep Flipsen uit, voor wien het raadsel, wie hem zoo onverwachts besprongen had, nog niet opgelost was, "jouw aap?"
"Ja, juist, 't was mijn aap, die je zoo toegetakeld heeft, dat je het uitpiepte van de pijn...."
"Jouw aap?" herhaalde Flipsen. "Was het jouw aap, die me op mijn rug sprong en me zijn nagels in mijn nek plantte en me de ooren bijna van mijn hoofd beet..."
"Houd op — houd op — ha, ha, ha, ha!" lachte de burgemeester, — "ik krijg nog een ongeluk van het lachen — ha, ha, ha, ha! 't Is meer dan mal, — 't is — ha, ha, ha, ha!"
Mulder stond kreunend op en liep zonder groeten de deur uit, en Flipsen stond ook op, — maar hij moest wel lachen, of hij wilde of niet.
"Dat die vrek mij, de politie, beloeren kwam en bij ongeluk Dik's pak slaag in ontvangst moest nemen...!"
"Ha, ha, ha, ha!" lachte de burgemeester. "Ga maar weg, Flipsen, ik heb je niet meer noodig — ha, ha, ha, ha!" —
Flipsen vertrok. Weldra had hij Mulder, die maar heel moeilijk loopen kon, ingehaald, en de beide invaliden liepen naast elkander verder. Zij spraken geen enkel woord, want Mulder was te boos, en Flipsen moest telkens lachen.
Toen zij de markt passeerden, kwamen Dik Trom, Jan Vos en Piet van Dril op een drafje naar hen toe loopen, en Dik zei tot Flipsen:
"Flipsen, er zit een groote aap in den boom, hier op de markt."
"Een aap?" zei Flipsen, en er ging hem een rilling over den rug. "Een aap, zeg je?"
"Een aap?" vroeg Mulder. "Dat is mijn aap!"
"Hoe weet je, dat er een aap in den boom zit?" vroeg Flipsen.
"Omdat we er in wilden klimmen, en toen zagen we hem. 't Is een kwaadaardige, hoor," zei Dik.
"Of hij kwaadaardig is!" bromde Flipsen, terwijl hij voorzichtig met zijn hand over het verband om zijn hals streek. "Wat doe jij in dien boom te klimmen? Ik heb het je immers wel honderdmaal verboden?"
"Maar we waren er weer veel gauwer uit dan er in, Flipsen," zei Dik. "Dat beest kwam zoo nijdig op ons af, dat we ons hals over kop uit den boom hebben laten vallen."
"Waar zit dat creatuur?" vroeg Flipsen. "Zit hij hoog?"
"O neen," riep Piet van Dril, "hij zit nu op bijna den ondersten tak! Kijk maar, daar zit hij! Ziet u hem? — Dáár!"
[illustratie]
[illustratie]
"Ja, ja, ik zie het mormel..."
"Wou je hem vangen, Flipsen?" vroeg Dik.
"Dank je hartelijk," zei Flipsen, terwijl hij nogmaals met zijn hand over zijn nek streek. "Mulder zal hem wel vangen; 't is zijn aap, zegt hij immers zelf."
Mulder zag, dat de aap kwaadaardig naar hem zat te kijken en hem af en toe toegrijnsde.
"Hij kan voor mijn part gaan, waar hij wil," zei Mulder. "Ik wil dat monster niet meer in mijn tuin hebben...."
"Maar als 't jouw aap is, ben jij verantwoordelijk voor zijn daden," zei Flipsen. "Als hij iemand mishandelt, zul-jij de doktersrekening te betalen hebben."
"Dat moest er nog bijkomen!" zei Mulder. "Ik had nog liever! Ik wil dien aap niet meer terughebben, zeg ik je immers! Mijnentwege mag je hem doodschieten..."
"Doe het zelf," bromde Flipsen. "Ik ben je knecht niet."
"Mag ik hem hebben, Mulder?" vroeg Dik Trom opeens.
"Jij? Wou jij hem hebben, Dik?" vroegen Piet en Jan tegelijk.
"Ik wel," zei Dik. "Als Mulder hem kwijt wil..."
"Goed, — ik schenk hem je," zei Mulder, die blij was, dat hij hem aan een ander kon overdoen.
"Dik Trom," zei Flipsen, "wees gewaarschuwd, want het is een gevaarlijk dier."
"Dat zie ik wel," zei Dik. "Maar ik ben niet bang..."
"En hoe Moet je hem vangen?" vroeg Flipsen weer,
"O, dat zal zoo moeielijk niet gaan," zei Dik. "Zeg Jan en Piet, blijven jullie hier, om op hem te passen? Ik ga gauw even naar huis, — in een wip ben ik weer terug."
"Hè, hè, hè, hè — ik ben hem kwijt gelukkig!" lachte de vrek. "En dien Dik Trom zal hij nog vermoorden, — net goed! — Net goed!"
Mulder ging naar huis en liet bij elken stap een kreunend geluid hooren. En Flipsen bleef ook niet langer, want met den aap wilde hij liever niets meer te maken hebben, en ook wilde hij er liever geen getuige van zijn, als hij Dik of een ander een ongeluk toebracht.
"Die jongen krijgt hem toch nooit," dacht Flipsen. "En wie weet, waar het beest morgen al zit. Hij zal hier gauw genoeg vandaan zijn."
Dik kwam spoedig terug met een droogstok van het bleekveld, en een stevig touw. Zijn hengel had hij medegenomen naar huis.
"Hoe wil je hem vangen, Dik?" vroegen Jan en Piet nieuwsgierig.
"O, dat zal gemakkelijk genoeg gaan, als jullie me maar helpen. Kijk, hier heb ik een stevig stuk touw, — dat bind ik aan het einde van den stok, — zóó. Dat zit stevig, hè?"
"En of!" zei Piet van Dril.
"'t Is maar een kort touw, zie je. Nu bind ik er nog een lang touw ook aan. Waartoe dat dienen moet, zul-je straks wel zien. Nu maak ik in het korte touw een strik..."
"Ha, ha!" lachte Piet. "Ik snap je! Een lasso, hè?"
"Ja, maar een korte," zei Dik. "Zie zoo, — nu gaan we er op af! Kijk, den stok met den strik omhoog! Als hij nu maar niet wegloopt..."
"Hij loopt niet weg," zei Piet. "Daar is het een te nijdig beest voor."
"Juist mijn idée," zei Dik. "Kijk, de strik komt vlak voor zijn kop. Neem je hengelstok, Piet, en leidt zijn aandacht af..."
"Ja, ja, — juist," riep Piet. Hij raapte zijn hengelstok van den grond op en zwaaide er mede langs den kop van den aap.
Kees beet er naar en maakte zich tot den strijd gereed.
In den strik had hij geen erg. Dik maakte van het juiste oogenblik gebruik en liet hem den strik over zijn kop glijden. Toen trok hij, zoo hard hij kon.
De strik klemde den aap om den hals, Jan hielp Dik trekken en op 't volgende oogenblik viel Kees op den grond.
"Grijp jij nu het lange touw, Piet," zei Dik. "Dan houd jij hem daarmede aan den eenen kant in bedwang en ik aan den anderen."
"Goed begrepen!" riep Piet, en Jan Vos liep in 't rond te springen van plezier. De aap kon niet heen of weer, en kreeg het benauwd in den strik, die hem stijf om zijn keel zat.
"Houd den stok even vast, Jan!" zei Dik, en toen ging hij onbevreesd op den aap toe, deed hem een hondenketting, die hij voor dat doel had meegebracht, aan zijn halsband, maakte den strik los, en riep:
"Allo! Allo! Hup Caesar, allo, allo!"
Kees had het vreeselijk benauwd gevonden in den strik en hij vatte voor Dik, die hem daaruit verloste, dadelijk een groote genegenheid op.
Zoodra hij zijn adem teruggekregen had, en dat was binnen enkele seconden het geval, sprong hij overeind, klauterde tegen Dik op en ging hem op zijn schouder zitten, zooals hij dat ook gewoon geweest was bij den neef van Mulder, den matroos. Hij erkende Dik dadelijk als zijn meester en was hem dankbaar, dat hij hem uit den benauwden strik verlost had.
Dik bracht hem in gezelschap van Piet en Jan, die de hengels en den droogstok droegen, naar huis, waar hij zijn moeder bijna een doodschrik op het lijf joeg met den nieuwen huisgenoot. "Maar Dik, — ben je dwaas! Wat moeten wij met dien aap beginnen?"
"Moeder, — ik heb een plannetje," zei Dik. "Heb maar geduld. Heeft u niet wat eten voor hem? Een stukje brood, of zoo iets."
"Maar ik begrijp niet...."
"Ik houd hem maar een paar dagen, Moeder," zei Dik. En toen fluisterde hij haar in het oor:
"Morgen of overmorgen komt het paardenspel hier. Daar is ook iemand bij met gedresseerde apen, en die zal mij voor dezen wel zooveel geven, dat Nelly met het schoolfeest mee kan, begrijpt u?"
Hij zei het zacht, want Jan en Piet behoefden niet te weten, dat hij voor het blinde meisje aan het sparen was. Dat was nergens goed voor.
Moeder glimlachte en knikte hem goedkeurend toe.
"En waar moet hij blijven?" vroeg zij.
"Ik heb nog een leeg konijnenhok," zei Dik. "Daar kan hij vannacht wel in. Kom Caesar, hier is brood! Ga je meê?"
Met hun drieën brachten zij Kees achter het schuurtje, en toen Dik wat brood in het leege konijnenhok neerlegde, sprong Kees er uit eigen beweging in, want hij had grooten honger.
Toen gingen de jongens naar huis; het was al laat geworden. Dik was verbazend in zijn schik met het geschenk van den gierigen Mulder.
1) Woon je hier?2) Ja, mijnheer.3) Ha, dat is goed...4) Neen, mijnheer.5) Ken je den burgemeester?6) Waar woont hij?
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering
D
Den volgenden dag was het een Zaterdag, en op Zaterdag was er op het dorp, waar Dik woonde, nooit school.
Dat trof Dik, want hij was dien nachtwel tienmaal wakkergeworden en had aan zijn aap liggen denken, en kon bijna niet meer in slaap komen. Hij viel soms wel in een lichte sluimering, maar begon dan van zijn aap te droomen en werd herhaaldelijk weer wakker. Want hij was dolblij met het beest in de eerste plaats, omdat hij het zeer belangwekkend vond in het bezit te zijn van zoo'n vreemd beest, dat ongetwijfeld al zijn kameraden hem benijden zouden, — maar ook omdat hij er niet aan twijfelde, of hij zou hem wel aan den apenman van het beroemde circus kunnen verkoopen, en dan zou hij er licht zooveel voor krijgen, dat het ongelukkige buurmeisje aan het schoolfeest zou kunnen deelnemen, — althans als de meester het goed vond.
Hij was 's morgens vroeger dan ooit uit zijn bed, en nadat hij zich frisch gewasschen had en eenige stevige boterhammen naar binnen had gewerkt, ging hij naar het konijnenhok, waarin Caesar opgesloten zat. Ook voor dezen had hij een flink ontbijt medegenomen, wat tengevolge had, dat Caesar hem vriendelijk verwelkomde. Uit al zijn handelingen was duidelijk op te maken, dat Dik hem heel goed beviel en dat hij hem graag als meester accepteerde.
"Goeden morgen, Caesar!" riep hij den aap toe, terwijl hij de boterham langs de tralies van het hok bewoog. "Wat zeg je daarvan? Lekker, hè. Kom er maar uit, hoor, je hoeft den heelen dag niet in dat benauwde hok te zitten."
Dik bond hem een lange, tamelijk dunne lijn aan zijn halsband en gaf hem een stuk brood. In een wip zat de aap hem op zijn schouder, met het sneetje brood in zijn handen. Hij wist er goed raad mede, en keek onder het eten naar de duiven, die verschrikt rondom Dik vlogen, doch hem op geen stukken na durfden genaken, uit vrees voor dat leelijke, vreemde beest, met zijn kwaadaardige gezicht.
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw, en hij vloog brutaal op Dik's hoofd. Gerrit was tamelijk onbeschaamd uitgevallen en blijkbaar voor geen klein geruchtje vervaard. Hij keek den aap een poosje aan, en pikte naar hem.
De aap grijnsde, stak zijn hand uit en...
"Pik, pik!" deed de kauw in den poot van den aap.
Caesar vond dat blijkbaar niet onaardig en pakte met een vlugge beweging de kauw beet.
Toen was Holland in last.
De kauw schreeuwde zoo hard hij kon, maar de aap gaf er niets om en greep in elke hand een vleugelpunt en trok de vleugels zoo wijd mogelijk uit elkaar.
Toen schommelde hij het kauwtje aan zijn eigen vleugels heen en weer, waarbij hij den vogel allerakeligst toegrijnsde. De aap vond het spelletje veel aardiger dan de kauw, en Dik moest er ook smakelijk om lachen.
Eindelijk wierp Caesar de kauw in de hoogte en keek haar grijnzend na.
Dik liep met den aap op zijn schouder het dorp in, naar Piet van Dril, maar eer hij de smederij bereikt had, had hij wel al twintig jongens en meisjes om zich heen.
"Dik heeft een aap! Dik heeft een aap!" juichten zij om het hardst, en een paar wilden Caesar aan zijn poot trekken of zijn kop aaien. Maar die grappen waren gauw uit, want Caesar gaf Dirk Wobbe een venijnige krab over zijn hand, en Bruin Boon trok hij zoo hard aan zijn oor, dat Bruintje moord en brand schreeuwde, Hij werd spierwit van schrik.
Maar met Dik was hij de beste maatjes, en Dik kon met hem doen, wat hij wilde. Wat moest Piet van Dril lachen, toen hij Dik de smederij zag binnenstappen met Caesar op zijn schouder. Piet vroeg dadelijk aan zijn moeder om een paar centen, om wat nootjes voor hem te koopen, en toen werd Piet ook dadelijk een van Caesar's beste vrienden. Hij en Dik gingen met hem door het dorp wandelen en hadden heel wat bekijks. Dik en zijn aap waren belangwekkende figuren geworden op het eenvoudige dorp, waar nog maar zelden of nooit 'een aap te zien was geweest. Dik had de geheele dorpsjeugd achter zich, en de aap had het nog nooit zoo goed gehad, want het regende noten en koekjes om hem heen. Ieder beijverde zich om thuis wat lekkers voor hem te gaan halen.
De aap lustte eindelijk absoluut niets meer en hij was bijna even rond en dik als — zijn nieuwe baas, en deze had per slot van rekening zijn zakken vol met koekjes en suikerklontjes, die hij van de kinderen voor zijn aap gekregen had.
[illustratie]
Ja ja, Dik was plotseling een nog veel belangwekkender personage geworden, dan hij ooit was geweest, tot opeens al zijn glorie verdween en niemand meer eenige notitie van hem nam.
Wat was er gebeurd?
Plotseling had Jan van Bakel uitgeroepen: "Jongens, kijk eens, daar ginds, ver voorbij de kerk, — kijk eens, wat een groote stoet daar aankomt...."
Iedereen keek in de aangewezen richting, maar niemand kon goed onderscheiden, wat er eigenlijk in aantocht was, want een groote stofwolk, die zich tot hoog boven de hoogste boomen verhief, omgaf den naderenden stoet.
"Het paardenspel komt! Het paardenspel komt!" riep Jan Vos de anderen toe, en het klonk als een juichkreet.
"Ja, ja, het paardenspel komt! Daar is het spel!" riepen nu ook de anderen en — in minder dan geen tijd stond Dik met zijn aap alleen op den weg.
"Ja, daar is het!" zei Dik. Hij liep zoo hard hij kon naar huis, borg Caesar in het konijnenhok en ijlde den weg op, den grooten stoet tegemoet.
Wel verbazend, wat een wagens!
Dik keek zijn oogen haast uit, en hij wist bijna niet, of hij waakte of droomde.
Voorop reden niet minder dan vier herauten in schitterende kleeding van zijde en fluweel, met kousen bijna zoo lang als hun beenen, waarvan de voeten in puntige, kostbare laarsjes gesloten waren, en zij hadden sierlijke mantels om de schouders en baretten met groote veeren op het hoofd. Zij bliezen op lange, koperen bazuinen, die schetterende tonen voortbrachten, zooals Dik nog nooit had gehoord, en die stellig over het gansche dorp weerklonken.
"Prachtig! Prachtig!" mompelde Dik. Hij ontroerde er van.
Op de herauten volgde een open rijtuig, getrokken door zes paarden, bereden door jockeys. In dat rijtuig zat een heer met een hoogen hoed op en een zwart pak aan.
Dat was de Directeur, Mr. Sänger in eigen persoon, en Dik bewonderde in hem den meest beroemden man van geheel Amerika en gansch Europa.
Achter hem volgde een stoet van dames en heeren te paard, die met elkander praatten en lachten, maar Dik kon er geen woord van verstaan.
Plotseling hielden de bazuinen op met schetteren en viel het groote muziekcorps in, dat op een langen wagen had plaats genomen. De mannen bliezen hun wangen op tot luchtballons en schetterden, dat het een aard had. De groote trom bomde zoo hard als het ergste onweer en de trommen ratelden, dat het een lust was om te hooren.
[illustratie]
Daarna volgde een enorm groote wagen, waarboven Dik de koppen van twee olifanten zag uitsteken. Hij zag, hoe de dieren hun lange slurven over den rand staken, en vroeg zich af, welke van die twee slurven het geweest zou zijn, die den oppasser had doodgeslagen.
Dik kreeg een gevoel in zijn binnenste, of hij moest gillen, zoo mooi en buitengewoon vond hij dat alles, en zijn bewondering steeg ten top, toen er een wagen volgde, die zorgvuldig met luiken afgesloten was, maar bovenaan kon hij toch zien, dat de zijkanten uit tralies, en wel heel dikke tralies bestonden. En toen plotseling een vreemd, eigenaardig, nooit door hem gehoord brullend geluid van uit den wagen tot hem doordrong, begreep hij, dat dit het gebrul van een leeuw moest zijn en dat die wagen de leeuwenkooi was.
Toen volgde er een rijtuig met honden en apen, en daarachter kwamen ontzaglijk groote wagens met allerlei materiaal voor de tent en de stallen.
Dik liep tusschen de andere jongens met den stoet mede, en hij kon van verbazing bijna niet spreken. Hij had een ongekend, vreemd gevoel in zijn binnenste en het scheen hem toe, dat er iets verwonderlijks om hem heen gebeurde.
Och, och, wat bracht de komst van het wereldberoemde paardenspel een opschudding in het dorp teweeg. Zoodra de schetterende tonen der bazuinen gehoord werden, liepen de huizen om zoo te zeggen in een oogenblik leeg. Geen oud vrouwtje bleef er bij het spinnewiel. Iedereen begaf zich op den weg, om naar den stoet te kijken, en als er dien dag dieven in het dorp geweest waren, hadden zij al heel gemakkelijk hun slag kunnen slaan, want vele huizen waren totaal onbewaakt en niet eens gesloten. Maar er waren in Dik's dorp nooit dieven.
Ja, ja, de stoet veroorzaakte een geweldige opschudding in het dorp. De klerken van het raadhuis hadden hun krukken verlaten en waren naar buiten gesneld, de smids hun hamers neêrgeworpen, de metselaars hun troffels in de kalk gezet, de timmerlieden hamer en nijptang in den steek gelaten. Neen, niemand bleef er aan het werk en iedereen stond aan den weg.
En dat was juist de bedoeling van den wereldberoemden Directeur Sänger, die wel wist, hoe hij de menschen lokken moest.
De stoet sloeg bij de brug den hoek om en hield halt bij het stuk weiland achter het Café "Goud uit schuim" Want daar zou de tent worden opgeslagen en de voorstelling door het onovertroffen en wereldvermaarde gezelschap worden gegeven.
Een krachtige stoot op de bazuinen gaf het teeken, dat de plaats van bestemming bereikt was, en nu bleek het al dadelijk, hoe goed alles door Mr. Sänger was georganiseerd. Onmiddellijk na den schetterenden bazuinstoot hield alles halt. De dames en heeren lieten zich van hun paarden glijden, waarvan de dames de teugels aan de heeren overreikten, die de paarden naar het Café brachten en daar op stal zetten. De dames keken naar het spel niet meer om, maar begaven zich naar een van de goederenwagens en voorzagen zich, zooals Dik dacht, elk van een wandelstok. Zij liepen naar de drie bruggen, die over de beide elkaar kruisende kanalen lagen, schroefden tot Dik's verbazing de knoppen van de stokken, trokken deze uit elkander, en zie, daar waren zij opeens in het bezit van zulke prachtige hengels, als Dik nog nooit gezien had. Zij deden een blauw kunstvliegje aan den kleinen haak en lieten dat behendig over het water scheren.
Dik lachte er om, want op die manier had hij nog nooit zien hengelen, maar zijn verbazing werd nog grooter, toen hij zag, hoe een baars aan de oppervlakte kwam en met een sprong het snel voortbewegende vliegje, en daarmede den haak, doorslikte. De baars was gevangen.
Piet en Jan stonden er ook naar te kijken, maar niet lang, want hun aandacht werd geheel in beslag genomen door de drukte aan den weg.
Dadelijk na den bazuinstoot sprongen de werklieden van de bagagewagens en sjouwden balken en planken aan, die zij over de sloot legden tusschen den weg en het weiland.
"Zeg, die brug is gauw klaar," zei Dik.
"Alles gaat op wieletjes!" zei Piet. Hij praatte nooit van wieltjes, maar zei altijd wieletjes.
Toen werd er een ontzaglijk lange paal naar het veld gedragen en midden op het terrein diep in den grond geplant. Er waren steunijzers aan dien paal bevestigd, waar men de voeten op kon zetten, om naar boven te klimmen, en de paal had aan het boveneinde een wiel, met op bepaalde afstanden zware, ijzeren haken.
Tal van werklieden waren intusschen al bezig, om een groot aantal palen in cirkelvorm in den grond te planten. 't Ging alles vliegensvlug, zoo vlug, dat de jongens het zich haast niet begrijpen konden, hoe het mogelijk was. Natuurlijk deden zij pogingen om op het veld te komen, maar Mr. Sänger, die nauwlettend op zijn personeel toezag, gaf hun duidelijk te verstaan, dat zij er geen boodschap hadden.
Er werd een reusachtig groot zeil aan een takel naar boven geheschen en aan de verschillende haken vastgemaakt. Toen bracht men met vereende krachten het zeil over de palen, die intusschen al van boven tot beneden met een ander zeil waren bespannen. In enkele uren was de tent kant en klaar, en zelfs waren toen de stallen ook reeds gereed. De leeuwenkooi werd er in gereden, evenals de wagen met honden en apen en de olifanten-reiswagen, — en toen was er voor de jongens al bitter weinig meer te zien. De rijpaarden werden naar de stallen overgebracht.
De menschen, die van den opbouw der tent en van de stallen getuigen waren, stonden compleet verbaasd over zulk werken.
"Dat gaat op zijn Amerikaansch!" riep Van Dril vol bewondering uit. "Zoo iets heb ik van mijn leven nog niet gezien! Niemand gijpt verkeerd; en ieder weet precies, wat hij doen moet. 't Is reusachtig!"
"En dat is het!" zei Dik's vader, die er ook even naar stond te kijken.
[illustratie]
[illustratie]
En terwijl er met reusachtige snelheid aan het opbouwen van de tent en de stallen werd gewerkt, gingen vlugge boden door het dorp rond met stijfsel en kwast, en plakten overal, waar zij er maar gelegenheid toe vonden, kolossale reclame-biljetten aan, waarop in verschillende kleuren de onmogelijkste toeren stonden afgebeeld. 't Zag zwart van de menschen voor die biljetten, die de verwachtingen op het hoogst spanden. En velen, die in het geheel niet van plan geweest waren, om naar het paardenspel te gaan, werden bekeerd, en namen zich vast voor, 's avonds een kijkje te gaan nemen. Zóó iets moois, als hier werd aangeboden, zou in hun dorp wel nooit meer te zien zijn.
Om twaalf uur was alles gereed, en de arbeiders konden hun welverdiende rust nemen. 't Was druk op het dorp, want de vreemdelingen wandelden in groepjes heen en weer en bezochten de winkels, om zich van versnaperingen te voorzien. De winkel van den banketbakker was in minder dan geen tijd uitverkocht, zoodat Herstraten en zijn beide knechts met ongewonen spoed aan het werk gingen, om nieuwen voorraad te bakken.
"Ja, ja," zei de bakker, "ieder vischt op zijn getij! Dat doet de beroemde Mr. Sänger, en dat doe ik ook."
Er stond overal aangeplakt, dat er 's middags, te beginnen om twee uur, een reclame-optocht niet alleen door het dorp, maar zelfs door een groot deel van den polder zou worden gehouden, om de artisten aan de bewoners voor te stellen.
Wel, wel, wat een vreemde Zaterdag werd dat! 't Leek wel een Zondag, en de vrouwtjes geraakten in zoo'n opgewonden, feestelijke stemming, dat zij al vroeg hun Zondagsche kleêren aantrokken, en een wandelingetje gingen maken, om eens naar de drukte en al het vreemde gedoe te kijken, En Van Dril besloot om 12 uur de smederij maar te sluiten en de knechts vrij-af te geven, want er werd toch haast niet gewerkt, — en toen baas Meyer dat hoorde, sloot hij den timmermanswinkel ook, en ten slotte werkte er 's middags niemand meer. 't Werd compleet een feestdag, nog veel grooter feestdag, dan bij de jaarlijksche harddraverij.
Dik kwam bijna een uur te laat thuis voor 't eten, en dat gebeurde hem zelden of nooit, want hij had altijd een gezonden eetlust, — maar Moeder zei er niets van en 't eten stond nog niet eens op tafel, daar Moeder zelf ook een poosje de straat op geweest was, om eens een kijkje te nemen.
"O Moeder, wat prachtig! Wat prachtig!" zei Dik opgetogen.
"En dat is het!" zei zijn vader. "Wat een werkers! Wat een werkers!"
"Ja Dik, 't is een groote bedoening," zei Moeder.
[illustratie]
"Gaan we er heen vanavond?" vroeg Dik.
"Neen, neen, — daar hebben we geen geld voor," zei Moeder.
"En dat hebben we," bevestigde Trom. Maar hij keek lang niet vroolijk; het was hem aan te zien, dat hij er dolgraag heen zou willen.
"Jammer," zei Dik. "Wat zal het er mooi wezen!"
"O, maar jij hebt zelf wel geld genoeg," zei Moeder. "Je hebt pas je drie konijntjes verloot, — en van ons mag je gerust gaan."
"En dat mag je," zei zijn vader.
Dik's gelaat betrok. O, de verleiding was zoo sterk voor hem, en al wel tienmaal had hij in den loop van den morgen gedacht:
"Waarom zou ik niet gaan? 't Is toch mijn eigen geld?"
Hij weifelde nog een oogenblik en wilde toen juist zeggen, dat hij zijn geld dan maar voordat doel zou gebruiken, toen de deur openging en hij Nelly zag binnenkomen, met de handen uitgestrekt, om zich niet te stooten.
"Is u hier, buurvrouw?" vroeg ze.
"Ja, Nelly, — hier ben ik."
"O, — ik wou vragen, of Dik al thuis is. Ik wou zoo graag de duifjes voeren."
"Ja, — goed," zei Dik. "Kom maar mee. — Neen Moeder, ik ga niet, vanavond. U weet wel, waarvoor ik het geld gebruiken wil. Kom Nelly, — dan gaan we."
Zijn medelijden met het arme, ongelukkige kind, dat hij zoo graag een mooien dag in haar droevig leven wilde bezorgen, had de overwinning behaald.
En verheugd, dat hij thans vast besloten was, het geld voor geen ander doel te besteden, vertelde hij aan Nelly, hoe hij onverwachts in het bezit gekomen was van een grooten aap, en hij haalde hem uit het hok, — maar zij mocht hem niet streelen, want Dik was bang, dat het beest haar misschien kwaad zou doen.
Na een poosje werd hij geroepen om te eten. Nelly keerde naar haar huis terug, en de aap werd weer in zijn hok opgesloten. Zoodra het maal afgeloopen was, spoedde Dik zich naar buiten, om naar den optocht te gaan kijken.
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering
K
Kom Caesar, ga je meê naar den optocht kijken?" zei hij, terwijl hij het hok van den aap opende. Eerst had hij zijn konijnen van een goeden voorraad voer voorzien, want hij wist niet, wanneer hij weer thuis zou komen, en nu hield hij Caesar een flinke snede brood voor.
"Hier heb je wat lekkers," zei Dik.
Maar Caesar bedankte. Hij had 's morgens zooveel gegeten, dat hij nu nog in het geheel geen trek had.
"Hier dan, — een nootje?" vroeg Dik, die zijn zakken nog vol lekkernijen had van 's morgens.
Caesar greep de noot aan, sprong op Dik's schouder, en ging de lekkere vrucht op zijn gemak kraken.
Zoo gingen ze naar de tent, en daar krioelde het van de jongens en meisjes die het in huis al evenmin konden uithouden als Dik. Piet en Jan en zijn andere kameraden waren er ook al.
"Er is nog niets te zien, Dik," zei Piet. "Wat hebben ze den ingang mooi gemaakt, hè? Vlaggen met sterren en strepen...."
"Ja, Amerikaansche vlaggen," zei Dik.
"En wil ik je eens wat zeggen?" merkte Jan Vos op. "Ze spreken lang niet allemaal Engelsch, hoor. Er zijn Franschen en Duitschers bij, en ik heb ook duidelijk Hollandsch gehoord..."
"Dat is nog zoo dom niet bedacht van den Directeur," zei Dik "Zoo komt hij overal gemakkelijk met de taal terecht. Voor Holland heeft hij Hollanders in zijn dienst, voor Duitschland Duitschers, voor Frankrijk Franschen. 't Is een slimmerd, die Mr. Sänger."
"En rijk!" zei Piet van Dril. "Zeg Dik, alle paarden zijn in de stallen gebracht, en zooeven zag ik een clown aan den ingang staan, heelemaal in 't wit, met roode, ronde plekken er op, en een wit gezicht met zwarte strepen en een rooden neus, met een puntmuts op..."
"Die neus?" lachte Dik. "Stil Caesar, koest hoor!"
"Loop naar de maan," zei Piet. "Die clown natuurlijk! Kijk, daar komt hij weer."
Inderdaad verscheen er een clown aan den ingang, en nauwelijks zag hij Dik met zijn aap, of hij wenkte Dik toe, dat hij bij hem moest komen. Maar Dik kon niet gelooven, dat hij hèm bedoelde.
"Hij roept je, Dik!" zei Piet.
"Wel neen..."
"Ja wel!" zei Jan Vos, "kijk maar. O jé, Dik, daar komt hij!"
't Was waar; toen Dik niet naar den clown kwam, kwam de clown naar Dik. Hij lachte op de meest dwaze manier, nam zijn puntmuts in zijn hand, maakte een diepe buiging voor Dik, stak hem de rechterhand toe, en zei:
1) "Good morning, Sir, how do you do?"
"Yes Sir!" zei Dik, tot groot vermaak van Piet en Jan. En er kwam dadelijk een drom van jongens en meisjes om hem heen, die nieuwsgierig waren, wat de clown bij Dik moest doen.
De clown begon smakelijk te lachen, toen hij Dik's antwoord hoorde. En nogmaals maakte hij een buiging voor Dik en herhaalde:
"How do you do, Sir?"
"No Sir," zei Dik.
2) "Do you speak English?" vroeg hij.
"Yes Sir!" beweerde Dik meteen stalen gezicht, hoewel hij er geen woord van verstond.
3) "Can you understand me?"
"No Sir!"
De clown vond de antwoorden van Dik zoo dwaas, dat hij bijna omviel van 't lachen, en hij zei opeens in goed Hollandsch:
"Jij bent een grappige snuiter, hoor! Ha, ha, ha, ha, wat een rare, dikke jongen ben jij! Je kent wel Engelsch hé, maar je kunt me niet verstaan! Ha, ha, ha, ha! — Maar zeg eens, is die aap van jou?"
"Ja," zei Dik. "Dat is mijn aap."
"Wil je hem verkoopen?" vroeg de clown. "Als je hem mij geeft, dan krijg je een vrijkaart voor vanavond, om de voorstelling bij te wonen!"
"Ha, ha," dacht Dik, "dus dan kom ik er toch in."
"Doen, Dik," zei Piet fluisterend met een elleboogstoot in Dik's rug. "Dan gaan we samen."
"Neen," zei Dik tot den clown. "Voor een vrijkaartje geef ik den aap niet. Dat is me te weinig."
"Voor den eersten rang," zei de clown, die nog eens naar den aap had gekeken en hem blijkbaar graag wilde hebben.
"Daar geef ik niet om. De derde rang is mij even goed als de eerste. Ik behoef nu juist niet naast den burgemeester te zitten."
De jongens om hem heen lachten, en de clown ook.
"Goed," zei deze, "dan geef ik je twee kaartjes derden rang, en dan is je aap dubbel en dwars betaald. Nu, graag of niet?"
"Niet graag!" lachte Dik.
"Dan ga ik maar naar binnen." Lachend nam hij zich weer de muts van het hoofd, stak Dik de hand toe, maakte nogmaals een diepe buiging, en zei:
4) "Good-bye, Sir!"
"Yes Sir!" zei Dik, tot groot vermaak van den clown.
"Zeg eens, hoeveel broers en zusters heb je?"
"Geen een," zei Dik.
"Eén vader en één moeder?" vroeg de clown grappig.
"Ja. Dacht je, dat ik er van ieder drie had?"
"Dus met je drieën. Dan geef ik je drie kaartjes derden rang voor je aap. Dat is toch een schitterend bod, zou ik zeggen."
"Neen," zei Dik, "ik doe het niet."
"Domkop!" fluisterde Piet van Dril hem toe.
"Sufferd!" zei Jan Vos.
"Nog al niet? Nu, zeg dan zelf, wat je voor je aap vraagt," zei de clown. "Hoe lang heb je hem al?"
"Sedert gisteravond," zei Dik.
"En wil je hem verkoopen, — of wil je niet?" hernam de clown.
"Ja, dat wil ik," zei Dik. "Maar niet voor drie vrijkaartjes."
"Spreek op dan, — zeg dan, wat je voor hem vraagt!"
"Dat zal ik," zei Dik. "Je kunt hem koopen voor een gulden en zes vrijkaartjes."
"Een gulden en zes vrijkaartjes," herhaalde de clown. "Ga mee, boy, de koop is gesloten."
Hij wenkte Dik, hem in de tent te volgen. En Dik wenkte op zijn beurt Piet en Jan, dat zij met hem mede moesten gaan.
Zoo kwamen zij in de tent.
Wel, wel, wat een ruimte was daar. In het midden was een groot, cirkelvormig vlak, en rondom waren de zitplaatsen, die naar achteren amphitheaters-gewijze opliepen.
"Wat een zitplaatsen!" zei Piet van Dril.
"Duizenden!" zei Dik. "'t Zal er hier op een stuk of zes niet aankomen, denk ik. Er blijven er nog genoeg over."
De clown ging de jongens voor naar de stallen, waar al de paarden stonden, en zij zagen de pikeurs, die ze de zadels oplegden, omdat het tijd werd voor den optocht. De clown had blijkbaar haast. Hij bracht hen naar een wagen met licht traliewerk waar de honden en apen in opgesloten waren, en zei, terwijl hij de deur daarvan opende: "Doe den aap hier maar in."
"Jawel," zei Dik, die in de vreemde omgeving haast niet wist, waarheen het eerst te kijken, — "alles goed en wel, maar eerst betalen, zie je!"
"Vertrouw je me niet?" zei de Clown. "Wacht maar even."
Hij bleef slechts enkele seconden weg.
"Hier, — zes vrijkaarten derden rang en een gulden."
"Dank je," zei Dik.
Hij deed Caesar den ketting af, en de deur van de kooi werd achter den aap gesloten.
"En ga nu maar dadelijk weg, want de optocht gaat beginnen," zei de Clown, die blijkbaar bijzonder met zijn koopje ingenomen was. De vrijkaarten kostten hem geen geld, dus kwam de aap hem slechts op een enkelen gulden.
En Dik was den koning te rijk.
"Wat moet jij met al die vrijkaarten doen?" vroeg Piet van Dril.
"Zes vrijkaarten!" riep Jan Vos uit, "'t is me geen kleinigheid!"
"Wat ik er meê doen moet?" vroeg Dik. "Kijk, deze is voor Vader, deze voor Moeder, deze voor mij, die voor jou, Piet, asjeblief, pak aan, deze voor jou, Jan Vos, — hier, en deze voor Anneke, en dan ben ik ze alle zes kwijt..."
"Dat noem ik royale!" riep Jan Vos uit, terwijl hij een kleur kreeg van blijdschap. "Dank je, Dik! Dank je wel!"
"En ik dank je ook," zei Piet.
"Jammer, dat mijn buurmeisje blind is," zei Dik. "Ze kan er toch niets van zien. Als dat het geval niet geweest was, had ik er zeven gevraagd..."
"En je hadt ze gekregen ook," zei Piet. "Wat had hij, een zin in den aap!"
"Jongen jongen wat ben ik blij met dat kaartje!" zei Jan Vos herhaaldelijk. "Goed, dat je maar niet dadelijk toehapte, Dik. Zes vrijkaartjes en nog een gulden toe, — 't is prachtig!"
Dik stak zijn gulden en zijn kaartjes in zijn zak, want er klonk uit de tent een krachtige klaroenstoot. De optocht zou zeker beginnen. Op den weg en de bruggen zag het thans zwart van de menschen, want alleen de zieken en zeer ouden waren in de huizen achtergebleven.
Eerst verschenen weer de vier herauten. Ze reden tot bij de groote brug en hielden daar halt. Toen kwam weer het rijtuig, thans bespannen met zes prachtige schimmels, die weer bereden werden door jockeys. In het rijtuig zat de Directeur, de beroemde Mr. Sänger. Daarachter verscheen de leeuwenkooi op den weg, tot verrassing van allen, die het zagen, getrokken door twee olifanten.
"O, kijk eens! Kijk eens!" klonk het overal. "Olifanten voor een wagen!"
"'t Is de leeuwenkooi," riep Dik tegen Jan en Piet. "Kijk, de luiken zijn er afgedaan en je ziet de leeuwen in het hok! Ha, wat een beesten, kijk, die eene slaat met zijn klauw naar den anderen, zie je dat? Aanstonds verscheuren ze mekaar nog."
"Bij elken olifant loopt een oppasser," zei Piet.
"Ho, — daar staan ze stil. Er komt zeker nog meer. Kijk, de wagen met muzikanten!"
Maar die konden Dik niet veel schelen, nu de olifanten zoo dicht bij hem stonden. Hij drong tusschen de menschen door, om er nog dichter bij te komen, en Piet en Jan volgden hem op de hielen. Zoo kwamen zij vlak bij de leeuwenkooi, maar het onderste gedeelte daarvan was zoodanig ingericht, dat alleen de temmer de leeuwen bereiken kon, hetgeen gedaan was, om ongelukken te voorkomen.
Vlak bij den wagen stond een jonge, forsche man, met een geweldig grooten knevel. Hij had een kort rijzweepje in de hand en scheen in het geheel niet bang van de leeuwen, die trouwens heel rustig waren en waarvan er sommige zelfs sliepen.
"Mooie beesten," zei Piet. "Zie je die manen?"
"Ja," zei Jan Vos, die verrukt naar zijn toegangskaartje stond te kijken. O, wat was hij daar blij mede.
"Maar er zijn er ook zònder manen."
"Dat zijn de leeuwinnen," zei Piet.
Dik zei niets, maar hij bekeek den man, die vlak bij de kooi stond, van het hoofd tot de voeten, en hij vroeg zich af, wat die man daar doen moest.
Opeens begreep hij, wie het was.
"Zeg jongens," zei hij, "kijk, dat is de leeuwentemmer..."
"Zou je denken?" zei Piet van Dril.
"Ongetwijfeld," zei Dik. "Kijk, hij steekt zijn hand door de tralies en streelt den leeuw over zijn kop! Wat een mak beest, hè?"
"'t Lijkt maar zoo," zei Piet. "Zou jij je hand door de tralies durven steken, Dik?"
"Wel ja, — waarom niet!" zei Dik.
"Doe het dan eens, Dik. Dàt zou ik wel eens willen zien. Je durft toch niet! Bluffer!"
"Nu niet!" zei Dik.
"Hè, hè, hè!" grinnikte Piet. "Wanneer dan wèl?"
"Als de leeuwen er uit zijn," zei Dik met een lachje.
Piet en Jan lachten ook.
"Zeg jongens," zei Dik, "weet je, dat de vader en de grootvader van dien leeuwentemmer al door hen verslonden zijn?"
"Ja, — dat is algemeen bekend," beweerde Jan, die zijn toegangskaartje weer eens uit zijn zak te voorschijn haalde, om het nogmaals te bekijken.
"Welke leeuw zou het gedaan hebben?" vroeg Dik. "Ik denk die daarachter in den wagen. Zie je wel, hoe valsch hij naar den temmer kijkt? Ha, hij gaapt, hij heeft trek! Wat een tanden, hè?"
"Ha, ha, daar komt een wagen met clowns uit de stallen!" riep Jan opgetogen uit. "Kijk ze er eens mal uitzien!"
"Die olifanten zijn ook wel leuk om te zien," zei Dik. "Bij elken olifant is een cornak, zie je wel?"
"Ja," zei Piet. "Durf jij zoo'n olifant een koekje te geven, Dik? Of heb je er niet meer? Vanmorgen zaten je zakken vol."
"'k Durf best," zei Dik.
"Net als met je hand door de tralies, hè?"
"Wil je 't zien?" vroeg Dik.
Hij ging zoo dicht mogelijk naar den olifant toe en keek met een lachend gezicht den cornak aan. Hij diepte een koekje uit zijn zak op en stak het den oppasser toe, maar deze wenkte lachend, dat Dik het den olifant zelf mocht geven. Maar Jan Vos, die een beetje banger van aard was, riep hem toe:
"Niet doen, Dik, — hij steekt zijn slurf al naar je uit, en hij heeft er zijn vorigen oppasser meê doodgeslagen..."
Doch Dik hoorde hem niet eens. Hij ging nog een stapje vooruit, en stak het koekje tusschen de lippen van de slurf. Dik lachte, want hij vond het grappig. De olifant greep het koekje vast en deponeerde het met een vlugge beweging in zijn bek.
"Wat een groote slagtanden heeft hij," dacht Dik. Maar op 't zelfde oogenblik voelde hij het einde van de slurf al weer over zijn hand glijden.
Het groote, logge beest vroeg om nòg een koekje, en de andere olifant, stak ook zijn slurf naar hem toe. Hij klapte met zijn ooren en maakte een vreemd, trompetterig geluid. Blijkbaar was hij jaloersch op zijn makker, die van Dik een klontje suiker kreeg, en onmiddellijk weer zijn slurf toestak. Die dikke jongen beviel hem wel, hij streek hem met zijn slurf over zijn bolle wangen.
De cornak moest er hardop om lachen, en Dik ook. Hij pakte de slurf onbevreesd beet, en gaf den anderen olifant ook een klontje.
Op dit oogenblik klonk er een krachtige klaroenstoot, ten teeken dat de stoet geformeerd was en de optocht kon beginnen. De muziek viel met daverend geweld in, en de trommen bomden zoo hard, dat de leeuwen er van begonnen te brullen.
Voorwaarts ging het.
Dik keerde zich om; ten einde zich weer bij zijn makkers te voegen, toen hem plotseling iets vreemds overkwam, iets, wat hem het eerste oogenblik een rilling over de leden joeg. Hij voelde namelijk opeens iets hards en vochtigs in zijn hals, werd toen met een krachtigen ruk bij zijn kraag gegrepen, en als een veertje in de hoogte getild.
't Was de olifant, die deze grappen met hem uithaalde. Het beviel het beest in het geheel niet, dat Dik met zijn lekkere koekjes en klontjes hem in den steek ging laten en hij besloot onmiddellijk, hem dat te beletten. Daarom pakte hij Dik zonder boe of ba te zeggen bij zijn kraag, hief hem in de hoogte en slingerde hem tamelijk hardhandig over zijn kop heen op zijn nek. Met een smak kwam Dik op het logge dier terecht, zonder in het eerste moment te begrijpen, wat er met hem gebeurde.
De cornak lachte dat het schaterde, en hij trok Dik, die tamelijk schots en scheef op den rug van den olifant terecht was gekomen, met een ruk overeind, uit vrees, dat hij anders op den grond zou vallen.
Daar zat Dik dus onverwachts op den rug van een olifant, en hij moest er om lachen, of hij wilde of niet, zoo fijn vond hij het.
En de jongens lachten ook en riepen juichend:
"Hoera! Hoera! Dik op den olifant! Dik op den olifant!"
En alle menschen op de brug lachten, en zij wezen elkander Dik aan, die daar zoo hoog en vroolijk bijna op den kop van het logge dier zat en zoo den optocht door het dorp ging medemaken. Dik keek triomfantelijk van af zijn hoogen en zeldzamen zetel op de lachende menigte neer, en hij wuifde den menschen links en rechts toe, zooals de Koningin doet, als zij in de een of andere stad haar feestelijken intocht houdt.
Maar ook klonk er een kreet van angst en schrik.
't Was Dik's moeder, die hem slaakte. Zij was met haar man en met de buren ook nog even naar de drukte gaan kijken. Nelly liep aan den arm van haar moeder. Zij stonden midden op de brug, toen de stoet zich in beweging zette.
Opeens zag toen moeder Trom, welk een gevaarlijke zitplaats door haar dikken jongen werd ingenomen, en in haar angst slaakte zij een hevigen gil, en zij greep Trom bij zijn arm en wees hem naar den olifant, op wiens nek Dik triomfantelijk troonde.
"Genadige hemel!" gilde Griet. "Jan, kijk eens, dáár — daar op dien olifant — daar zit Dik — O hemel!"
Trom sperde zijn oogen zoo wijd mogelijk open, plukte in zijn verbazing kleine vlokjes uit zijn vlassige bakkebaardjes en zei:
"Griet, wil ik je eens wat zeggen? Onze Dik is een bijzonder kind, — en dat is-ie!"
Op hetzelfde oogenblik ontstond er een groot gedrang onder de menigte, want de stoet nam zijn weg over de brug, en allen, die daar stonden, maakten zich haastig uit de voeten. Ha, de brug dreunde onder de pooten der logge olifanten, die de leeuwenkooi voorttrokken, en toen zij de brug over waren, zag Dik zijn vader en moeder en de nieuwe buren, en hij wuifde hun lachend toe.
"Nelly! Nelly!" riep hij, "ik zit op den rug van een olifant!"
En Nelly knikte in de richting vanwaar zij Dik's stem hoorde, en zij wuifde haar buurjongen toe, die zoo vriendelijk voor haar was en van wien zij al zooveel hield.
"Houd-je goed vast, Dik!" gilde zijn moeder hem in haar angst toe, maar toen zij zag, hoe Dik zich op zijn gemak voelde, en hoe de menschen hem toelachten en hoe grappig zij hem vonden, — toen bedaarde haar angst en moest zij er ook om lachen.
Trouwens, haar aandacht werd spoedig afgeleid, want er was verwonderlijk veel voor haar en haar eenvoudige dorpsgenooten te zien.
De leeuwen trokken ieders aandacht, en de leeuwentemmer niet minder, dien zij met eerbiedigen schroom aanschouwden, en den Directeur vonden zij een wondermensch, en de rijders en rijdsters de deftigste heeren en dames van de wereld, en de clowns, die biljetten rondstrooiden, onweerstaanbaar grappig en koddig, en de muziek in een woord verrukkelijk.
Nelly genoot van dit laatste onuitsprekelijk, en een blosje kleurde haar anders zoo bleeke wangen.
Dik bleef gedurende den geheelen optocht op den olifant zitten en dit beest stak hem herhaaldelijk zijn slurf toe, om nog een lekker hapje te krijgen.
Om ruim vier uur keerde de stoet in de stallen terug, en toen verliet Dik met behulp van den cornak zijn hoogen zetel.
Op het dorp en zelfs in den geheelen polder was er bijna niemand, die niet besloten was, 's avonds naar de voorstelling te gaan.
Mr. Sänger had met zijn geweldige reclame zijn doel volkomen bereikt.