Derde Hoofdstuk.

[illustratie]

[illustratie]

"Vader en Moeder kunnen nu nog geen geld missen, om voer te koopen," zei ze op eenvoudigen toon. "We moeten zuinig wezen."

"O," zei Dik. "Kijk, — voel je dat? Er zit een pauwstaartje op je schouder. Aardig, hè? Vind-je ze niet doodmak?"

"Is deze ook wit?"

"Ja, maar ik heb ook blauwe postduiven, en mooie bruintjes...."

"En groene? En géle?"

Dik lachte.

"Neen, groene en gele duiven heb ik nog nooit gezien. Die zijn er niet. Zie zoo, het voer is op. Ga je meê naar mijn konijnen?"

"Ja, graag."

Dik bracht er haar, en hij haalde een konijn uit het hok en gaf het haar in haar armen, waar het stil bleef zitten.

"O, hoe zacht," zei Nelly, het dier streelende. "Je Vader heeft die hokken zeker gemaakt?"

"Ja, — maar hoe weet jij dat?"

"Och, ik dacht wel, dat je vader timmerman was."

"Waarom?" vroeg Dik verbaasd.

Nelly lachte hardop.

"Waarom?" herhaalde ze. "Als ik het zeg, geloof je 't toch niet. Ik heb het geroken!"

"Geroken?" vroeg Dik vol bewondering over zooveel schranderheid en opmerkingsgave.

"O, wij blinden weten veel meer, dan jullie gelooven en weten. Ik rook duidelijk een houtlucht aan je vader, toen hij bij me stond. En daarom dacht ik, dat hij wel timmerman zou zijn."

"Je bent slim," zei Dik.

"Neen, ik ben maar een dom meisje," zei Nelly, terwijl haar gezichtje betrok.

"Dom?" zei Dik. "Neen, hoor, — dom lang niet."

"Maar ik kan niets," zei Nelly. "Alleen allerlei handwerken, die Moeder mij geleerd heeft."

"Heb je nooit school gegaan?" vroeg Dik, terwijl hij het konijn weer in het hok zette.

"Neen, toen we nog op ons dorp woonden, ging ik niet school, omdat ik toch niets zien kon. De meester zei, dat het niet ging en dat het lastig was. In Amsterdam is er wel een school voor blinden, en het plan was ook wel, dat ik daar naar toe zou gaan. Maar er is niets van gekomen. We hebben er maar enkele maanden gewoond en er niets dan narigheid beleefd."

"Jammer," zei Dik. "Zeg Nelly, voel eens, hier heb ik nog meer konijnen. Een heeft er zes jongen. Als je een hokje hadt, zou je er wel eentje mogen hebben. Konijnenvoer kost niet veel. Je snijdt het maar aan den kant van den weg. Maar neen, dat gaat niet. Je zoudt misschien in het water vallen en verdrinken."

"Och, ik heb toch geen hokje. Voer je ze alleen maar gras en klaver?"

"Meestal wel. Maar deze voedster krijgt ook wel wat gerst van me. Wacht, ik zal wat halen. Dadelijk ben ik weer terug."

[illustratie]

[illustratie]

Dik ging naar den voerbak in het schuurtje. Hij deed het deksel van de kist open, — en zag op het voer een groote muis, die zich lekker aan de gerstkorreltjes te goed deed.

"Ha, jou kleine dief!" riep Dik, en dadelijk probeerde hij de muis te grijpen. Maar het ding liet zich niet gemakkelijk vangen. Het holde door de kist heen en weer, klom tegen de wanden op, viel weer naar beneden, en was overal, behalve op de plaats, waar Dik het meende te grijpen. Een paar maal gelukte het haar bijna zelfs, om uit de voerkist te ontsnappen, wat Dik alleen beletten kon, door vlug het deksel te laten vallen.

"Wacht, baasje!" zei hij. "Je zit hier goed opgesloten. Ik zal eerst een doos halen, om er je in op te bergen, en een langen draad garen, om aan je poot te binden. Zoo gemakkelijk kom je niet van me af."

Hij haastte zich naar de woonkamer, waar zijn vader zijn dutje deed in zijn leuningstoel. Dat deed hij elken middag na het eten, dat was zoo zijn gewoonte geworden. Hij moest ook elken morgen zoo vroeg op.

Dik haalde een groote poederdoos uit de kast en voorzag zich van een langen draad zwart garen. Daarmede gewapend begaf hij zich naar de voerkist en begon zijn jacht op den kleinen, vluggen snoeper opnieuw. Telkens meende hij haar te hebben, maar even dikwijls glipte zij hem tusschen zijn vingers door.

"Toch mòèt ik je hebben," zei Dik. En hij greep links en rechts, tot hij eindelijk den staart van het muisje tusschen zijn vingers geklemd hield.

"Piep! Piep!" schreeuwde het kleine ding.

"Ja, — piep — piep!" deed Dik haar na. "Au, leelijkerd, niet bijten!"

Het muisje beet hem in haar angst in zijn vinger.

Maar Dik liet zich daardoor niet van streek brengen. Hij greep de muis in zijn volle hand, en bond haar behendig den draad aan haar poot. Toen sloot hij haar in de doos op. De draad hing er buiten, en Dik wond dien om de doos. Aan het einde maakte hij een lus waar hij zijn vingers door kon steken, en het deksel voorzag hij van een gat, wel zoo groot, dat de spitse snoet van het muisje er doorheen kon, maar waardoor het toch niet kon ontsnappen.

"Zie zoo," zei Dik lachend. "Daar zit je goed, en je zult er niet gemakkelijk uitkomen."

Hij stak het heele gevalletje in den zak van zijn wijde broek, nam een paar handen met gerst, en keerde naar Nelly en de konijnen terug.

"Zoo, ben je daar eindelijk?" vroeg Nelly met een lachje. "Ik was al bang, dat je niet meer terug zoudt komen."

"En jou hier in den steek laten?" vroeg Dik, terwijl hij het voer in het hok deed. "Dat zou ik nooit doen, hoor."

"Maar je bleef toch erg lang weg..."

"Ja, ik heb een muis gevangen. Hier heb ik hem. 'k Heb hem een draadje aan z'n poot gebonden en in een doos gedaan."

"Een muis? Hè, hoe griezelig! Haal hem er niet uit, hoor Dik!"

"Wil ik hem in je hals laten loopen?" vroeg Dik plagend.

"Neen, neen, o neen!" gilde Nelly, met uitgestrekte handen. "Ik vind muizen zoo eng! Niet doen, Dik..."

"Wees maar niet bang," zei Dik. "'k Zal het heusch niet doen. Ik zei het maar om te plagen."

"Ik geloof, dat jij ondeugend bent, Dik," zei Nelly. "Moet je nog niet naar school?"

"Ja, 't zal zoetjes-aan tijd worden. Ik geloof, dat Vader al naar zijn werk is. Gaat jouw Vader morgen naar Van Dril?"

"Ja. — Vader is erg knap," zei Nelly met rechtmatigen trots. "Hij is erg knap in machinerie en zoo, en in allerlei ander werk ook. Zeg, Dik, wat ga je met die muis doen? Waarom laat je hem niet loopen?"

"Wat ik er meê ga doen? Wel, pret maken, — er Anneke meê nazitten en de andere meisjes. Dan gillen ze moord en brand, want ze zijn er bang van. En daarom laat ik hem niet loopen, zie je, — nu nog niet ten minste, en niet zoo dicht bij mijn kist met gerst. Dan snoept hij maar."

"Dag Dik!" klonk op dit oogenblik een eigenaardige volle stem.

"Wie is dat?" vroeg Nelly zacht.

"Dat is mijn kauw," zei Dik.

"Een kauw? Wat is een kauw?"

"Hier is Gerrit!" klonk het weer, en op hetzelfde oogenblik vloog er een kleine roek op Dik's schouder.

"Dag Dik! Hier is Gerrit!" zei het beest.

"Een klein soort van kraai," zei Dik, terwijl hij den vogel greep. "Hier heb je hem. Hij kan wel aardig praten, hè?"

Nelly nam hem in haar handen en juichte van pleizier.

"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw, terwijl hij zijn kopje ophief en Nelly eigenwijs met zijn kleine kraaloogjes aankeek. Maar dat kon Nelly natuurlijk niet zien.

"Wat een leuk beest," zei ze. "En wat praat hij aardig. Heb jij hem dat geleerd?"

"Ja," zei Dik. "Een kauw praat niet zoo gemakkelijk als een papegaai, maar deze is verbazend leerzaam. — Dag Gerrit!"

"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw.

"Nelly! Nelly! Nelly!" riep Dik.

"Hier is Gerrit!" snaterde het beest.

"Neen, baasje," zei Dik. "Je moet 'Nelly' zeggen. Nelly! Nelly! Nelly!"

"Dag Dik! Ga je meê?" riep de vogel.

[illustratie][Illustratie: "Ziezoo," zei vrouw Trom, "nu zijn wij gereed." (Bladz. 20)]

[illustratie][Illustratie: "Ziezoo," zei vrouw Trom, "nu zijn wij gereed." (Bladz. 20)]

"Nelly! Nelly! Nelly!" riep Dik.

En Nelly, die graag wilde, dat de vogel haar naam ook napraatte, riep onophoudelijk:

"Nelly! Nelly! Nelly!"

"Gerrit! Hier is Gerrit!" riep het beest.

"Nelly! Nelly! Nelly!" riepen Dik en Nelly om het hardst.

"Helly! Helly! Helly!" riep de kauw.

"Goed gedaan!" zei Dik. "Houd hem maar een poosje bij je, Nelly, want ik moet weg. 't Wordt mijn tijd voor school. Zal ik je thuisbrengen?"

Hij nam Nelly bij de hand en liep met haar naar het huisje, waar alle meubeltjes nu reeds binnengedragen waren. Dik merkte op, dat alles er tamelijk armoedig uitzag.

"Kijk eens, Moeder, een kauw!" riep Nelly haar moeder toe. "En o, hij kan zoo leuk praten. Nelly! Nelly! Nelly!"

"Helly! Dag Dik! Hier is Gerrit. Dag Helly! Dag Helly!"

"Dag!" riep Dik zijn buurmeisje toe. En innig verheugd, dat hij het ongelukkige, blinde kind zooveel genoegen had bereid, begaf hij zich op weg naar school. In de verte hoorde hij Nelly nog roepen:

"Nelly! Dag Nelly! Dag Nelly!"

En hij onderscheidde de malle stem van Gerrit, die haar antwoordde:

"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Helly!"

Op de speelplaats bleef Bruin hem een geducht eind uit de voeten. Bruintje wist wel, dat Dik op dit oogenblik in het geheel geen vriendschappelijke gevoelens jegens hem koesterde, en de ondervinding had hem herhaaldelijk geleerd, dat Dik harde handen had, vooral als hij boos was.

Maar Dik dacht op dit oogenblik niet aan Bruin. Hij was te zeer vervuld met de gedachte aan het ongelukkige, blinde kind, dat zijn buurmeisje geworden was, en hij nam zich voor, altijd vriendelijk en behulpzaam jegens haar te zijn.

Hij vertelde van haar aan Jan Vos en Piet van Dril, en die vonden het heel belangwekkend.

"Ik wist wel, dat we een nieuwen knecht kregen," zei Piet, "maar dat zij een blind meisje hadden, wist ik niet. Wat zielig, hè?"

"Vreeselijk," zei Dik. "Ik moet er aldoor aan denken. Maar ze is bij de hand, hoor, dat kan ik je verzekeren."

Op dit oogenblik sloeg de meester met zijn knokkels een marsch op een van de ruiten ten teeken, dat de school aanging.

Allen gingen naar binnen.

image: versiering

image: versiering

image: hoofdstuk-versiering

image: hoofdstuk-versiering

D

De meester had de kaart van Nederland voor de klasse gehangen. De kinderen zouden dus een les in aardrijkskunde krijgen. Gewoonlijk vond Dik dat wel prettig, maar ditmaal was zijn aandacht er niet heelemaal bij. Telkens speelde zijn nieuwe buurmeisje hem door het hoofd, en dan bedacht hij, hoeveel vreugde dit arme kind wel moest ontberen in haar leven. Altijd was het duisternis rondom haar, er was voor haar om zoo te zeggen geen verschil tusschen den dag en den nacht. Neen, voor haar was het altijd nacht. Nooit had zij haar ouders gezien, nooit het gouden zonnelicht, dat de wereld zoo mooi maakt, nooit de bloemen met haar schitterende kleuren, nooit de prachtige vlinders, die bloemen onder de dieren. Zij moest aan de hand geleid worden en kon niet gaan, waarheen zij wilde. Ach, zij had wel een ongelukkig lot.

Dik was zoozeer in zijn gedachten verdiept, dat hij niet eens hoorde, dat hem wat gevraagd werd.

"Hoor je me niet, Dik Trom?" klonk tamelijk streng de stem van den onderwijzer.

Dik richtte zich met een schok op, toen Piet van Dril, die naast hem zat, hem met een elleboogstoot waarschuwde. Dik zag, dat Bruin, op de bank vlak vóór hem, met een lachend gezicht spottend omkeek.

"Waar zit jij met je gedachten, Dik?" vroeg de meester. "Je hoort niet eens, dat ik je wat vraag. Ik zal het nog eens zeggen:

"Welke waters komen bij Utrecht te zamen?"

Bruin zat nog spottend achterom te kijken.

"Kijk voor je, Bruine Boon," bromde Dik hem toe. "De Vaartsche Rijn, de Kromme Rijn, de Vecht, de Eem...."

"Ho, ho, Dik, de Eem niet, die loopt langs Amersfoort. Welke nog?" Dik wist niet meer.

"De Oude Rijn," fluisterde Piet van Dril.

"De Oude Rijn!" galmde Dik.

"Goed, — nu ben je er weer bij. En hoe heet de hoofdstad?"

"Dag Dik! Hier is Gerrit!" klonk het plotseling door het openstaande tuimelraam. De heele klasse schoot in een lach.

"Wat is dat?" vroeg de meester. "Wat is dat voor malligheid?"

"Dag Helly! Dag Dik! Dag Helly! Dag Dik! Hier is Gerrit!"

"De kauw van Dik Trom!" riep Anneke lachend uit, "Daar zit hij op het tuimelraam!"

't Werd een geweldig gelach in de klasse, en iedereen keek naar Dik's kauwtje, dat dood op zijn gemak bleef zitten rondkijken. Dik maakte van de gelegenheid gebruik, om Bruin Boon een paar gevoelige opstoppers te geven.

[illustratie]

[illustratie]

Bruin stak zijn vinger op.

"Au!" riep hij. "M'st'r, M'st'r, Dik Trom slaat me!"

"Dag Dik! Hier is Gerrit! Ga je meê, Dik! Dag Helly!"

't Werd een verbazend tumult in de klasse.

"Stilte!" gebood de meester op strengen toon. Allen bedaarden, behalve Bruin Boon, die nog half in zijn bank stond ent zijn vinger in de hoogte hield.

"M'st'r, Dik Trom stompt me! Dik Trom...."

"Wil je zwijgen, jongen!" riep de meester. "Oogenblikkelijk, als je geen straf wilt oploopen!"

Bruin ging met een pijnlijk gezicht zitten.

"Dag Dik! Dag Nelly!" riep de kauw.

De meester ging met den kaartenstok, die tamelijk lang was, naar het raam, en zwaaide er mede langs den vogel, om hem weg te jagen.

"Ksssst! Ksssst!" riep hij.

De vogel vloog van het tuimelraam het lokaal binnen, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die uitgelaten werden van de pret. Zij zwaaiden niet hun armen en riepen: "Kssst! Kssst!"

De kauw werd bang door al die drukte en vloog angstig heen en weer. De kinderen stonden overeind in de banken, en sommigen waren er zelfs bovenop geklommen.

Eindelijk zette het kauwtje zich op den bovenrand van het bord, en de meester ging er dadelijk met zijn stok op af, om de achtervolging voort te zetten.

't Werd een gejoel, dat hooren en zien den meester bijna verging. En de vogel wist van angst niet, waar hij zich bergen moest.

Hij werd weer opgejaagd, en vloog angstig door het lokaal rond.

"Ksssst! Ksssst!" siste het door de klasse.

Het kauwtje wilde wel weer graag naar bulten, maar kon in zijn verbouwereerdheid het reddende tuimelraam niet meer vinden.

De meester werd boos om de stoornis die de vogel veroorzaakte en door het tumult in de klasse. Nijdig sloeg hij naar Gerrit, telkens als deze dicht in zijn nabijheid kwam.

[illustratie]

[illustratie]

"Dat is valsch!" bromde Dik. "Het beest weet toch niet, dat hij hier niet komen mag. Hij heeft geen menschenverstand."

Maar even later lachte hij weer met de anderen mede, want hij hield wel van zoo'n intervalletje in school. Hoe meer lawaai daar, hoe liever. Tot zijn genoegen zag hij, dat de meester herhaaldelijk missloeg.

Eindelijk ging de vogel in de nok van het dak op een steunijzer zitten. Toen herstelde de meester de orde.

"Daar zit hij goed, jongens. Stilte nu asjeblief!"

Dit laatste klonk op zoo'n gebiedenden toon, dat het lawaai als met een tooverslag verstomde. De kinderen begrepen, dat oppassen thans de boodschap was, want de meester liet niet met zich spotten.

"Aanstonds begint de pret weer," fluisterde Dik Zijn vriend Piet van Dril toe. "Hij blijft daar toch niet zitten."

"Ik hoop het," ademde Piet haast onhoorbaar.

"Laten we voortgaan met de les," zei de meester, terwijl hij plaats nam op zijn stoel naast het lessenaartje op vier hooge pooten, dat tegen de voorste bank geschoven was.

"Bij wien was ik ook weer gebleven?" vervolgde de meester. "O ja, bij Dik Trom. Die zou me de waters noemen, die bij Utrecht samen komen. Ga je gang, Dik."

"De Kromme Rijn, de Oude Rijn, de Vaartsche Rijn en de Vecht," galmde Dik wel wat hard voor het mooi, maar hij was door het gebeurde met zijn kauwtje in een vroolijke stemming geraakt en zijn blinde buurmeisje thans geheel vergeten.

"'t Is goed, Dik, maar je hoeft niet zoo te schreeuwen, ik ben niet doof. Noem nu nog de voornaamste plaatsen uit de provincie Utrecht."

"Amersfoort, Zeist, Driebergen, Doorn, Amerongen, Wijk bij Duurstede, De Bilt, Harmelen, Driebergen, Zuilen, Maarsen, Breukelen, Loenen, en — enne — enne ——"

"'t Gaat nog al, Dik, al haspel je ze wat raar door mekaar...."

"Dat rijmt!" bromde Dik tegen Piet, en Piet schoot er om in een lach.

"Maar je hebt de hoofdstad vergeten, Dik, en daar begin je gewoonlijk meê, is 't niet."

"Utrecht!" schreeuwde Dik.

"'k Bèn niet doof, heb ik je al gezegd. Waardoor is Utrecht bekend?"

"Door zijn paardenmarkt," zei Dik, die een liefhebber van paarden was en ze dus het voornaamste vond.

"Waardoor nog meer?"

"Door de munt, m'st'r."

"Heel goed. En dan nog?"

"Utrecht heeft een hoogeschool," zei Dik.

"Heel goed. Je hebt een 8, Dik. Ik ben tevreden over je."

"Ik ook," bromde Dik tegen Piet.

"Zeg jij eens, Piet van Dril, wie geven les aan een hoogeschool?"

"Dominé's, m'st'r," beweerde Piet, tot groote pret van de anderen. De meester schoot ook weer in een lach.

"Neen, Pietje, je kunt er voor dominé studeeren, en waarvoor nog meer? Ik heb je dat toch de vorige week verteld."

"Voor advocaat en voor dokter en voor pastoor...."

"Mis Piet, alweer mis. Roomsch-Katholieken hebben hun aparte scholen, om tot geestelijke te worden opgeleid, o. a. te Voorhout en te Warmond. Waar liggen die beide plaatsten?"

"In Friesland," beweerde Piet, tot groote pret alweer van de anderen.

"In Zuid-Holland," fluisterde Dik hem in.

"In Zuid-Holland bedoel ik, m'st'r," schreeuwde Piet, zoo hard hij kon.

Bruin verhief zich in zijn bank, stak zijn vinger op, en klikte: "M'st'r, — Dik Trom zegt hem voor!"

"Dan is Dik een flauwe jongen en jij bent een laffe klikspaan," bestrafte de meester. "Je houdt je mond hoor Dik, jij hebt je beurt al gehad. Goed, Piet, in Zuid-Holland. En wie geven nu les aan de hoogescholen?"

"Meesters!" beweerde Piet.

"Natuurlijk, meesters, dat spreekt van zelf. En heel knappe meesters ook. In Utrecht heb je er b. v. een, die wereldberoemd is. Maar hoe heeten ze? Zeg jij dat eens, Jan Vos."

"Professoren," zei Jan.

"Goed! En weet je ook, hoe die wereldberoemde professor uit Utrecht heet, of heb ik jullie dat nog niet verteld?"

"Neen, m'st'r," klonk het uit vele monden. "'t Is professor Donders, een beroemd oogheelkundige. Hij is door geheel Europa beroemd, en zelfs komen er wel menschen uit Amerika over, om zich door hem te laten behandelen."

Dik luisterde met open mond.

Hij stak zijn vinger op.

"Wel, Dik?"

"M'st'r, kan hij blinde menschen weer ziende maken?"

"Dat zal hij dikwijls genoeg gedaan hebben, Dik. Door niets krijgt men geen wereldberoemdheid."

"Ook, als ze blind geboren zijn m'st'r?" vroeg Dik.

"Misschien wel. Dat kan ik niet beoordeelen. 't Zal er van afhangen, wat de oorzaak van de blindheid is, niet waar? Sommige gevallen zijn ongeneeslijk, en andere kunnen heter worden. Nu is het jouw beurt, Anneke. Welke plaatsen ken je aan de Vecht?"

"Renen, Wijk bij Duurstede...."

"Glad mis, Anneke. Ik zeg niet aan den Rijn, maar aan de Vecht. Je moet beter nadenken, meisje."

[illustratie]

[illustratie]

"Dag Dik, ga je meê?" riep de kauw, die weer heelemaal gekalmeerd was en eigenwijs naar beneden zat te kijken.

"Daar begint dat vervelende gezeur weer met dien vogel," zei de meester knorrig. "Van wien is dat beest toch?"

"Van Dik Trom," riepen verschillende stemmen.

"Vang hem dan en breng hem naar buiten, Dik," gebood de meester. "Hij stuurt de heele les in de war."

Dik keek met een onnoozel gezicht naar boven, naar den vogel, die in de nok van het gebouw zat. Het was een lokaal zonder zolder, dus waren de gebinten en steunijzers zichtbaar.

"Ik kan er niet bij, m'st'r," zei Dik droog.

Iedereen schoot in een lach, de meester zelf ook.

"Neen, dat begrijp ik. Maar....."

"Dag Helly, hier is Gerrit. Ga je meê, Dik?"

"Maar je weet misschien wel een middel, om ons van hem te verlossen. Met mijn stok kan ik niet bij hem komen."

"Dat zou niet helpen ook," zei Dik. "Daar wordt hij maar schuw van. Mag ik hem lokken, m'st'r?"

"'t Kan me niet schelen, wat je doet, als wij hem maar kwijt raken."

Dik liep uit zijn bank tot onder het steunijzer en riep: "Gerrit! Waar is Gerrit!"

"Hier is Gerrit!" riep de kauw, tot groote pret van de kinderen.

"Stilte!" gebood de meester, "anders krijgen we dezelfde vliegpartij weer van zooeven, en dit is niet noodig. Wie lawaai maakt, krijgt strafwerk na schooltijd. Dus houdt je kalm!"

't Lawaai, dat weer begon te ontstaan, verstomde oogenblikkelijk.

"Waar is Gerrit?" herhaalde Dik, "Waar is Gerrit?"

"Hier is Gerrit! Dag Dik, ga je meê? Dag Helly! Dag Helly!"

"Kom Gerrit!" riep Dik, en hij stak zijn arm naar den vogel uit.

"Kom hier, Gerrit!...."

Aller oogen waren op den vogel gericht. Zou hij komen? Zie, hij richtte zich op en sloeg de vleugels uit.

"Gerrit! Kom hier, Gerrit!" hield Dik vol.

Opeens sprong het kauwtje op en vloog naar Dik. Tot groote pret van de heele klasse ging hij op Dik's hoofd zitten.

Toen greep Dik hem.

"Gelukkig! Eindelijk zullen wij dan van dien plaaggeest verlost worden. Breng hem buiten, Dik..."

"Ja m'st'r, maar als U de ramen niet dichtdoet, komt hij weer naar binnen....."

"'t Is wat lekkers met die warmte," zei de meester. "Maar enfin, wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Dirk Langereis, doe jij de ramen dicht."

Dirk gehoorzaamde, en Dik bracht zijn kauwtje naar buiten. Hij wierp hem hoog in de lucht en zag hem wegvliegen in de richting van zijn huis. Hij keek hem na, zoolang hij kon, en keerde toen in de school terug. "Meester, hij is naar huis gevlogen, de ramen kunnen wel weer opengezet worden."

"Goed, — zet ze dan open," zei de meester, die bezig was de kaart van voor het bord weg te nemen en haar aan den muur te hangen, op haar gewone plaats. De aardrijkskundige les was dus wel een beetje overhaast geëindigd, wat de schuld was van het kauwtje. De meester vond het beter, de kinderen stil werk te laten doen.

"Kijk eens," zei hij, naar het bord wijzende, "daar staan vijf mooie sommetjes voor de liefhebbers. Ik ben benieuwd wie van jullie ze alle vijf goed krijgt. Dan zit er een mooie 10 aan, zooals je weet. No. 1 is een vormsom no. 2 een inhouds-, en no. 3 een oppervlakte-berekening, no. 4 een aardig rentesommetje en no. 5 van twee treinen, die elkander tegemoet rijden. Gemakkelijk zijn ze nu direct niet, maar wie goed nadenkt, kan ze alle vijf maken. Begin dus maar met moed."

De rekenschriften werden te voorschijn gehaald, en weldra zaten allen met de hoofden over hun werk gebogen. De heele klasse hield van rekenen, zelfs de meisjes, en dat zij er allen zoo van hielden, was het geheim van den meester, die den kinderen lust tot ingespannen arbeid wist in te boezemen. Hij was een uitstekend onderwijzer.

Zelf nam hij ook een stukje papier, om te berekenen, welke uitkomsten de sommen hadden. Dat vergemakkelijkte hem de correctie heel wat.

't Werd nu doodstil in de klasse. Men kon, om zoo te zeggen, een speld hooren vallen.

Dik werkte ook met ijver. Hij rekende graag, en hij rustte nooit, voor hij ze alle vijf gevonden had. Als hem dat een enkelen keer mislukte, was hij lang niet tevreden.

"Wat een groote breuken in die vormsom," fluisterde hij Piet toe.

"Bar!" zei Piet. "Stil nou!"

Zij werkten voort.

Na enkele minuten zei Dik:

"'k Heb hem!"

"Ik ook!" zei Piet. "Er komt een mooi getal uit."

"2 1/2," zei Dik.

"Ja, dat heb ik ook. Nu no. 2."

Piet van Dril was ook een goed rekenaar. Hij en Dik wedijverden altijd, wie de meeste goed zou hebben. Maar zij keken nooit bij elkander af. Voor afkijken hadden zij niets dan afkeer. Mekaar voorzeggen deden zij dikwijls genoeg, maar dat vonden zij niet erg. Maar afkijken, neen, dat zouden zij nooit doen. Na eenigen tijd zei piet:

"Ik heb no. 2 ook."

"Wacht even..., ja, nu heb ik hem: 3 d. M. onder den rand.

"Juist," zei Piet. "Die twee zullen wij alvast wel goed hebben."

Met moed begonnen zij aan de derde som. "O jé, wat gemakkelijk," zei Dik na een poosje. "'k Heb hem haast al af."

"Ik ook," zei Piet. "Zes gulden den meter, hè?"

"Ja. — Zeg Piet, ik heb een muis."

"Een muis?" vroeg Piet. "Waar? Bij je thuis?"

"Neen hoor, eerst mijn sommen afmaken...."

Plotseling klonk de stem van den meester:

"Dik Trom en Piet van Dril zitten te babbelen! Jullie werkt toch niet Samen? Of kijken jullie af?"

"Neen, m'st'r!" klonk het verontwaardigd uit twee monden.

"Neen, neen, ik geloof het ook wel niet, maar jullie moeten ook den schijn vermijden, — en niet met elkander praten."

De jongens begonnen aan een rente-sommetje, en dat bleek moeilijker te zijn, dan het er uitzag. Zij konden den knoop van de som eerst geen van beiden vinden. Daarom besloot Dik eerst no. 5 te gaan maken. Ha, die viel hem meê en stond weldra kant en klaar op het papier. "Ik heb hem," zei Piet van Dril even later, no. 4 bedoelende.

"Ik heb de vijfde eerst gemaakt," zei Dik. "Die is niet moeilijk."

"No. 4 vind je ook wel," zei Piet.

"Piet van Dril en Dik zitten daar weer te praten!" klonk de stem van den meester. "Ik geloof toch inderdaad, dat jullie de sommen samen maakt."

"Neen m'st'r, echt niet!" zei Dik, en Piet ontkende ook uit alle macht.

De meester kwam naar hun bank, en nam de beide schriften in de handen, om de sommen, die zij reeds ingeschreven hadden, met elkander te vergelijken.

Al dadelijk merkte hij op, dat de antwoorden wel gelijk waren, en dat zij ze goed hadden, maar dat de wijze van oplossen toch hier en daar verschilde. Ook zag hij, dat Dik de vijfde som gemaakt had, en Piet de vierde.

Hij gaf hun de schriften terug, en zei:

"'t Is in orde, jongens. Ik heb je ten onrechte van afkijken verdacht. Maar je moet niet met elkander praten. Dan is het je eigen schuld, als ik wat ergs van je denk."

De jongens zetten zich weer aan den arbeid, en Dik was nu ook zoo gelukkig de vierde te vinden, terwijl Piet de vijfde maakte.

"Zie zoo, ik heb ze af," zei Piet.

"Ik ook," zei Dik. "Maar zeg, laten we nu net doen, of we nog niet klaar zijn, want anders schrijft de meester nog een groote vormsom op, om ons aan het werk te houden."

"Bah, geen zin meer," zei Piet.

"Ik ook niet," fluisterde Dik.

image: hoofdstuk-versiering

image: hoofdstuk-versiering

B

Beiden Zaten ze een poosje doodstil over hun kladschrift gebogen, en teekenden er leelijke kereltjes in met groote neuzen, kromme beenen en steile haren.

Eindelijk zei Piet zacht:

"Zeg Dik, waar is je muis? Leeft hij nog?"

"In mijn zak," zei Dik. "Waarom wou hij doodgegaan zijn?"

"Laat hem eens zien," vroeg Piet.

Dik dolf de gevangenis met de gekerkerde uit zijn broekzak op.

"Kijk, hier in de doos," zei hij. Hij hield de doos onder de tafel.

"Hè — hè — hè, ik zie zijn snoet door het gaatje!" grinnikte Piet zacht. "Waarvoor dient die draad?"

"Zit aan zijn poot," zei Dik, met een schuinen blik naar den meester. Deze stond echter in zijn lessenaar naar iets te zoeken. Hij had geen erg in de jongens.

"Laat hem eens eventjes loopen, hier, — tusschen ons in," zei Piet. "Als je 't draadje vasthoudt kan hij toch niet weg."

Dik had er wel zin in. Hij keek nog eens schuin naar den meester, en toen hij zag, dat deze niet op hem lette, stak hij zijn vinger door het lusje van den draad, en deed het deksel van de doos. Deze zette hij in zijn lessenaar.

Zoodra het deksel er af was, wipte de muis er uit en zette het op een loopen, regelrecht op Piet af.

Wat had Piet een pret. Hij lachte bijna hardop.

De muis liep over Piet's been, en telkens, als hij te ver afdwaalde, trok Dik haar langzaam achteruit. De twee jongens keken herhaaldelijk schichtig naar den meester, maar bleven voorovergebogen zitten, om den schijn te geven, dat zij nog hard aan het werk waren. Wat hadden zij een pret. De muis trippelde tusschen de beide jongens op de bank heen en weer, en kroop eindelijk, wel een beetje tot diens schrik in de mouwen van Piet.

"Hu, — trek hem achteruit! Hij zit in mijn mouw..." Piet kreeg een rilling over zijn rug.

Maar Dik trok niet. Hij vond het veel te leuk, dat Piet er zoo akelig van werd, en liet het muisje stil begaan.

"Trek dan toch!" riep Piet, wel wat hard voor het mooi, en hij streek met een driftige beweging over zijn mouw. "Hij zit me al haast bij m'n elleboog! — Trek dan toch!"

"Wat hebben jullie daar onder de tafel?" fluisterde Bruin Boon, die zijn sommen niet kon vinden en zich van verveling uitrekte en achterom keek.

"'t Gaat je niet aan!" bromde Dik. "Kijk maar voor je......"

"Trek — trek dan toch!" zei Piet angstig en driftig. "Hij zit nu al boven in mijn mouw!"

Hij strekte zijn arm onder de tafel uit en schudde zoo hard hij kon. Dik grinnikte van pleizier.

"Wat is dat daar?" klonk de stem van den meester.

Dik trok de muis uit Piet's mouw en greep haar vast.

"Piep! Piep!" schreeuwde het kleine ding.

"Hè, — wie piept daar?" vroeg de meester. "Wie maakt dat geluidje daar? Jij, Piet van Dril?"

Piet, die alweer diep over zijn kladschrift gebogen zat, keek met een verbaasd gezicht op, en zei:

"Ik? — Piepen? — Neen m'st'r, ik niet!"

"Jij dan, Dik Trom?"

Dood-onschuldig keek Dik den meester aan.

"Neen m'st'r, ik ook niet."

De muis zat alweer veilig en wel in zijn zak, opgesloten in de poederdoos.

"Geen malligheid, asjeblief, jongens," zei de meester, terwijl hij naar hun bank kwam. "Ik wil weten, wie daar piepte."

"Ik niet, m'st'r," zei Dik.

"Ik deed het ook niet," zei Piet.

"Kom eens uit je bank! Ik wil weten, wat er aan de hand is."

Dik en Piet gingen naast de bank staan, en de meester inspecteerde hun lessenaars, maar hij vond niets bijzonders.

Hij keek hun nog eens scherp in de oogen, maar Piet en Dik blikten hem met een onschuldig gezicht aan, of zij van den prins geen kwaad wisten.

"Gaat maar zitten. Is je werk af?"

"Bijna," zei Dik. "Ik moet de laatste som nog inschrijven."

Dat was waar. Hij en Dik wachtten met het inschrijven van de laatste som altijd het uiterste nippertje af, om te kunnen zeggen, dat zij nog niet klaar waren. Zij wisten wel, dat de meester anders, om hen bezig te houden, nog een groote vormsom op het bord schreef, en dat hadden zij liever niet. Zij konden het toch niet helpen, dat zij hun sommen altijd het eerst afhadden? De anderen zaten allen ook nu nog ingespannen te werken. Alleen hadden zij even lachend omgekeken naar Piet en Dik, toen het gepiep van de muis door het lokaal klonk. Zij begrepen wel, dat er iets aan de hand was, maar wàt het was, wisten zij natuurlijk niet. Dat wisten alleen Dik en Piet maar.

De meester begaf zich naar zijn lessenaar, waarin hij blijkbaar iets zocht, dat hij niet vinden kon, en de twee jongens bogen zich weer diep over hun kladschrift.

Dik teekende er een menschelijke figuur in, waarvan de ribben te zien waren, en hij maakte er een doodshoofd op met holle oogen en opengesperde kaken, waarvan de ijselijk groote tanden en kiezen bloot lagen.

Hij stootte Piet met zijn knie aan, en fluisterde:

"Kijk eens, de witte dood van Pierlala!"

En beiden grinnikten van pret.

"Dat scheelde zooeven een beetje, hè?" zei Piet zacht.

"En òf!" fluisterde Dik.

"Zit hij weer in je zak?"

"Ja. De meester kon hem lekker niet vinden."

"Laat hem nog eens loopen loopen!" zei Piet.

"In je mouw?" vroeg Dik, terwijl zijn hand in zijn diepen zak verdween. De doos kwam weer te voorschijn. Piet werkte schijnbaar met den grootsten ijver, maar hij fluisterde:

"Laat hem op de tafel loopen, Dik, niet meer op de bank. Anders worden we weer gesnapt."

De muis kwam op de tafel, doch Dik gaf haar maar weinig vrijheid van beweging. Hij durfde niet al te best, want de meester was streng, en Dik had niet veel zin om school te blijven met dit mooie weer.

De muis voelde wel, dat zij kort gehouden werd.

Maar zoo was er voor de jongens niet veel aardigheid aan. "Geef hem de ruimte, Dik," zei Piet.

Dik deed het, en het muisje kuierde over het schuine tafelvlak heen en weer. Eindelijk kwam zij op het horizontale gedeelte, waarin de inktpotten stonden. Zij trippelde van het eene einde naar het andere, tot zijn staart in den inktpot terecht kwam.

"Kijk eens," zei Dik, wiens oogen straalden van genot. "Zijn staart zit in den inktpot."

Hij gaf een rukje aan den draad, en de muis liep op een drafje weg, over het schrift van Piet. Haar natte zwarte staartje slierde over Piet's schrift, en teekende er van boven tot onder een groote inktvlek op.

"Ben je gek!" zei Piet in zijn eersten schrik. "Kijk eens wat een vlek. Die lamme muis!"

Dik proestte van het lachen en haalde de muis met bekwamen spoed naar zich toe. "'t Is gelukkig mijn kladschrift maar; verbeeld je eens, dat het mijn netschrift was," fluisterde Piet, die zich haastte, het vuile blad er uit te scheuren. Hij stak het in zijn zak, en vestigde toen zijn aandacht weer op het mutsje, dat op Dik's lessenaar liep.

[illustratie]

Bruin Boon rekte zich achterover. Hij kon de sommen niet vinden, en werd altijd vervelend van rekenen.

De muis klauterde hem tegen zijn rug op en kroop hem tusschen zijn kraag. Het beestje had van een onbewaakt oogenblik gebruik gemaakt, om zich dit kleine uitstapje te veroorloven.

Bruin voelde het beest tusschen zijn hals en zijn kraag loopen.

Hu! Een rilling voer hem over zijn rug. Wat was dat voor griezeligs? Deed Dik Trom dat misschien?

Hij wilde omkijken, maar het voorwerp bewoog zich langs zijn hals in dalende richting.

Hij streek haastig met zijn vinger tusschen zijn goed door en voelde, dat daar iets leefde.

Dik trok zoo hard hij kon, om de muis naar zich toe te halen, want hij vreesde thans het ergste. Maar tot zijn schrik brak de draad en verkeerde hij in de onmogelijkheid om het beestje te bemachtigen.

"Ai! Ai!" schreeuwde Bruin Boon luidkeels, terwijl in zijn bank overeind vloog en onder teekenen van den grootsten angst met zijn vinger tusschen zijn kraag voelde. "Een beest! Een beest in mijn hals!" gilde Bruin, die in zijn ontsteltenis uit zijn bank vloog en op den vloer stond te trappelen van angst en schrik.

Dik en Piet bogen diep over hun werk en schreven haastig hun laatste som in. Maar zij zaten te schudden van het lachen, en konden eindelijk onmogelijk verder schijven.

Trouwens, niemand in de klasse werkte meer. Allen waren verbaasd over het geschreeuw van Bruin en over zijn malle bewegingen, en zaten hem lachend aan te kijken.


Back to IndexNext