Vijfde Hoofdstuk.

[illustratie]

[illustratie]

Dik stootte Piet met zijn knie aan en zat te proesten van 't lachen. Piet ook, maar toch fluisterde hij Dik toe:

"Maar dat loopt mis, Dik."

"Ik vrees het ook," zei Dik.

De meester had haastig zijn lessenaar verlaten en was naar Bruin gegaan. Zijn gezicht stond hoogst ernstig en er lagen rimpels in zijn voorhoofd.

Bruin hield niet op met gillen, en hij trappelde van angst voortdurend op den vloer.

"Ai! O! Een beest in mijn hals! Een groot beest!"

"Haal het er dan uit!" gebood de meester, die niet wist, welk beest het was en niet veel lust scheen te heb ben, de behulpzame hand te bieden.

"O, ik kan niet — ai, — o, — het gaat op mijn rug!"

De kinderen gierden het thans uit van de pret.

"Haal het er uit, Bruin!" gebood de meester met verheffing van stem. "Maak je kleeren los, als je er anders niet bij kunt!"

"O, — o, — o!" gilde Bruin, die in zijn ontsteltenis zijn boord niet kon los krijgen. In zijn angst gaf hij er een hevigen ruk aan, zoodat de knoop er afsprong.

De meester trok zijn kleeren wat weg, en hoewel met tegenzin, stak hij zijn hand tusschen Bruin's goed.

Ha, daar voelde hij wat, maar hij trok een vies gezicht, want het leek wel een worm.

Een oogenblik weifelde hij, of hij zijn onderzoek wel zou voortzetten, maar hij kreeg medelijden met Bruin, die niet ophield met schreeuwen en lamenteeren. De jongen stond geen oogenblik stil.

"Houd je kalm, Bruin," zei hij, "ik voel al wat."

Hij greep den worm aan en trok hem omhoog, maar wat hij voor een worm had aangezien, was de staart van de muis, die nu boven de kraag van Bruin te voorschijn kwam. 't Ging blijkbaar niet gemakkelijk, het beest naar boven te halen.

De meester gaf een rukje, — en daar klauterde hem plotseling de muis tegen zijn vingers op.

"Hu!" riep de meester, die in het eerste ogenblik niet begreep, wat er gebeurde, en de muis van zich afschudde.

"Een muis! Een muis!" schreeuwde Dik, die zich hield, of hij erg verwonderd was.

"Een muis! Een muis!" riep ook Piet. "Daar loopt hij over de bank, dáár, bij Anneke!"

Inderdaad wipte het muisje, dat zich plotseling geheel in vrijheid voelde, met groote snelheid van de eene bank op de andere, en verwekte overal, vooral onder de meisjes, de grootste ontsteltenis.

Anneke sprong onder het slaken van een gil op de bank en hield krampachtig haar rokken om haar beenen geklemd.

"Daar loopt hij! Daar loopt hij, — dáár, bij Mina!"

Mina gilde nog harder dan Anneke, en stond in minder dan geen tijd op de bank.

"Hier is hij!" riep Jan Vos.

"Dáár, nu is hij dáár hij Jansje van Vooren!"

Jansje gilde en schreeuwde van angst, en liep zoo hard het lokaal door, als zij kon.

Er zat eindelijk geen meisje meer op haar plaats. Bijna allen waren op de banken gevlucht, maar daar waren zij evenmin veilig, want de muis bleek heel gemakkelijk tegen de harde planken te kunnen opklauteren.

't Was een gegil en lawaai van belang in de school.

De jongens liepen, wat zij konden, de muis achterna, om haar te grijpen, maar zij grepen herhaaldelijk mis, want het muisje was vlugger, dan alle jongens bij elkaar.

Dik en Piet hielpen ijverig mede.

"Daar loopt hij!" schreeuwde Dik. "Hij heeft een draadje aan zijn poot!" liet hij er op volgen, alsof hij een spiksplinternieuwe ontdekking deed.

De meester trachtte de orde te herstellen.

"Kinderen, stilte!" gebood hij. "Gaat zitten, meisjes en weest maar niet bang. Hij zal je heusch niet opeten; 't is maar een muisje. De jongens zullen hem wel vangen."

Maar 't was voor doovemansooren gepraat. De meisjes zouden voor al het geld ter wereld hun vluchtheuvels niet hebben durven verlaten, en zij hoorden eigenlijk niet eens, wat de meester zei.

De jongens renden als dollen achter het muisje, dat zich nu hier, dan daar liet zien.

"Stilte!" gebood de meester nogmaals.

Maar 't hielp niet.

Opeens was het muisje verdwenen.

Hoe de jongens ook keken en zochten, zij zagen het nergens meer.

"Hij is weg!" riep Dik.

En van verschillende kanten klonk het

"Hij is weg! hij is weg!"

"Wie nu niet oogenblikkelijk gaat zitten, moet om vier uur nablijven!" zei de meester gebiedend. "Binnen drie tellen, hoor, — een, — twee, — drie!"

't Werd nu ernst, dat begrepen allen, en iedereen nam zijn plaats weer in. De jongens hadden groote pret, en Dik en Piet stootten elkander weer met hun knieën aan.

Alleen Bruin had geen pret. Hij zat doodstil op zijn bank en zag nog spierwit van den doorgestanen schrik. En hij beefde over al zijn leden.

't Werd nu weer bladstil in de klasse.

"Wie heeft die muis meêgebracht?" vroeg de meester, Maar niemand antwoordde. Er waren er maar twee die het wisten, en die wilden het liever niet zeggen.

"Een moet haar toch meegebracht hebben," zei de meester. "'t Was geen toeval, dat het beest hier was, want hij had een draadje aan zijn poot. Hoe kwam die muis in je hals Bruin?"

[illustratie]

[illustratie]

"Hij kroop tegen mijn rug op en kwam zoo in mijn kraag," zei Bruin, wien opnieuw een huivering door de leden ging.

"Dan moet jij er hem tusschen gestopt hebben, Dik," zei de meester. "Jij zit vlak achter Bruin Boon."

Dik keek den meester met een paar dood-onschuldige oogen aan, en zeide kalm en plechtig:

"Neen m'st'r, ik heb hem niet in zijn kraag gestopt."

Dat was ook waar, want de muis was er uit eigen beweging ingeloopen.

"Je jokt, Dik," zei de meester. "'t Is me nu ook duidelijk, waar vanmiddag dat gepiep vandaan kwam. Jij hebt die muis in de school gebracht, en niemand anders. Ontken dat maar niet en zit niet te jokken."

"Ik jok niet," zei Dik.

"Jij jokt wèl," zei de meester driftig. "Spreek de waarheid: heb jij die muis meegebracht, ja of neen?"

"Ja m'st'r, maar u vroeg, of ik hem in Bruin's kraag had gestopt. Daar is hij zelf tusschen gekropen."

"Zoo, — dus jij hebt hem meêgebracht? Dan ben jij in allen gevalle de oorzaak van de opschudding! 't Is me een mooie middag! Eerst die kauw van je, en dan die muis...."

"Die kauw had ik niet meêgebracht," zei Dik.

"Zwijg! Je blijft om vier uur minstens een uur na, heb je dat begrepen? En nu gaan we door met ons werk. We gaan niet naar huis, voordat de sommen af zijn. Dat hebben jullie aan den grappigen Dik te danken."

De kinderen werkten thans weer met ijver, want zij wisten dat de meester, als hij eenmaal iets gezegd had, er geen haarbreed van afweek.

Dik en Piet waren de eersten, die hun sommen afhadden en hun schriften inleverden.

Toen Dik zijn werk op den lessenaar van den meester neerlegde, keek deze hem een oogenblik aan, en hij dacht:

"Kijk, daar is hij weer het eerst met zijn werk klaar en 't is toch zoo'n ondeugende rakker. Je kunt hem geen oogenblik vertrouwen. En toch is het de aardigste jongen van de heele klasse. Je kunt onmogelijk boos op hem blijven."

De meester wachtte zich echter wel, van zijn vriendelijke gezindheid jegens den jeugdigen zondaar ook maar het geringste te doen blijken. Integendeel, hij zei op gestrengen toon:

"Zoo, heb je ze af? Heb jij met al je grappigheden nog tijd kunnen vinden, om je sommen te maken? Ik ben boos op je, Dik! Ga jij maar eens tweehonderd maal schrijven:

Ik heb mij vanmiddag in de school zeer onbehoorlijk gedragen."

"Ai," dacht Dik, "wat is dat een groote regel."

Hij keerde naar zijn bank terug, maar toen hij Bruin passeerde, streek hij hem met zijn vinger haastig tusschen zijn halskraag, wat Bruin opnieuw een rilling over zijn leden joeg, tot groote pret van Dik, die wel zag, hoe hij er van schrok.

Dik haalde zijn lei te voorschijn en begon met twee griffels tegelijk zijn strafwerk te schrijven. Hij verbeeldde zich altijd, dat het met twee griffels vlugger opschoot, dan met één, maar 't schrift werd minder netjes en ook kreeg hij er altijd kramp van in zijn vingers.

"Hard gaat-ie!" fluisterde Piet hem toe.

Maar Dik antwoordde niet. Hij schreef uit alle macht.

Langzamerhand kwamen ook de andere kinderen met hun werk gereed en deponeerden hun sommen, de een na den ander, op 's meesters lessenaar. Maar niemand mocht naar huis, hoewel de torenklok al eenige minuten geleden vier geslagen had.

Eindelijk waagde Anneke te vragen:

"Meester, mijn sommen zijn af. Mag ik weggaan?"

"Neen," zei de meester kortaf.

"Maar wij kunnen toch niet helpen, dat Dik die muis meêbracht?"

De meester keek haar een oogenblik aan.

"Straks, als er meer klaar zijn," zei hij. "'t Maakt nu te veel stoornis. Ik zal vast maar beginnen ze na te kijken. Dik is de oorzaak, dat ik toch nog minstens een uur hier moet blijven."

Hij legde de schriften van zijn lessenaar op de voorste bank en deed het deksel open om een rood en blauw potlood te grijpen, waarmede hij de sommen altijd corrigeerde, toen plotseling de muis, die in den lessenaar van den meester een veilige schuilplaats meende gevonden te hebben, verschrikt uit haar donkere hoekje snelde, tegen zijn mouw opkroop, langs zijn vest omhoog klauterde en tusschen vest en overhemd verdween.

Bom! Met een slag wierp de meester het deksel van den lessenaar neer.

"Daar is die ellendige muis weer!" schreeuwde hij verschrikt. Hij streek met beide handen langs zijn kleeren en rukte met een heftige beweging alle knoopen van zijn vest los.

"Daar zit hij! Daar zit hij bij uw schouder!" riepen de kinderen van de voorste banken.

Dik kreeg weer een stoot tegen zijn been met de knie van Piet van Dril. En beiden hadden een pret van lang, maar durfden toch niet te lachen uit vrees, dat er dan nog veel meer straf zou volgen.

Met een huivering sloeg de meester de muis van zich af, die op de voorste bank terecht kwam en daar weer de grootste verwarring veroorzaakte.

[illustratie]

[illustratie]

De meisjes gilden, en sprongen op de banken, maar Jetje Schaap viel er af en trok in haar val Mina mede. Samen kwamen zij tusschen de banken op den grond terecht, doch zij richtten zich haastig op toen zij de muis in haar onmiddellijke nabijheid bespeurden, en gillende liepen zij het lokaal in.

De verwarring bereikte haar toppunt, en de meester was zoo boos, als hij nog maar zelden geweest was.

"Grijpt hem! Grijpt hem!" riep hij den jongens toe.

Dat was een kolfje naar hun hand! Zij renden door het lokaal heen en weer en buitelden over elkander heen. 't Was een tumult als nooit te voren.

Alleen Bruin Boon nam aan de algemeene jacht geen deel en bleef stil in zijn bank zitten. Hij had al meer dan genoeg van het muisje genoten.

De meester kwam op de goede gedachte, de deur open te zetten, want na korten tijd bracht het gejaagde muisje zich daardoor in veiligheid. Het verdween tusschen het kreupelhout langs de speelplaats.

"Wie zijn sommen ingeleverd heeft, mag naar huis gaan," zei de meester, die naar rust begon te verlangen.

Dat lieten de kinderen zich geen tweemaal zeggen, en met een "dag m'st'r" verlieten de meesten de school. Enkelen bleven nog maar binnen, omdat zij hun sommen nog niet afhadden.

De meester ging hun werk vluchtig bekijken en kwam tot de overtuiging, dat zij ze niet kenden. Daarom liet hij ook hen vertrekken. Eindelijk bleef hij alleen met Dik over.

Dik schreef, zoo hard hij kon, en de meester corrigeerde de sommen. Hij was eerder met zijn werk klaar dan Dik, en stak toen een sigaar op.

Eindelijk was ook Dik klaar.

Hij bracht zijn strafregels naar den meester en deze keek er een oogenblik naar. Zijn gezicht beviel Dik in het geheel niet. Dik vond, dat het er erg onheilspellend uitzag, en het bleek hem, dat hij zich daarin niet vergist had.

De meester nam de natte bordspons en veegde de lei aan twee kanten schoon. Toen gaf hij de lei aan Dik terug.

"Ze zijn me te slordig, Dik," zei hij. "Maak ze nog maar eens. Ik heb den tijd."

[illustratie]

[illustratie]

Dik keerde met de lei naar zijn bank terug, en zette zich opnieuw aan het werk. Hij was in het geheel niet koppig, en hij vond, dat de meester groot gelijk had. Hij was er van overtuigd, dat hij, Dik, de opgelegde straf volkomen had verdiend.

Hij schreef dus de regels nogmaals, maar nu met slechts één griffel.

"De meester is anders in staat, ze mij nog voor de derde maal te laten schrijven," dacht hij.

Hij hoorde de buitenklok vijf uur slaan en had er toen nog maar vijf en negentig. Tegen half zes had hij ze af.

Hij bracht ze opnieuw naar den meester, die juist aan zijn tweede sigaartje begonnen was.

Hij nam van Dik geen notitie.

Dik bleef stil staan, zonder iets te zeggen.

De klok sloeg half zes.

Nog gaf de meester geen blijk, dat hij Dik naast zich gezien had. Hij zat in een nieuw schoolboekje te lezen, dat hij ter inzage had ontvangen, en de lectuur scheen hem wel te boeien.

De tijd kroop voor Dik voorbij.

Eindelijk sloeg de klok zes.

De meester deed het boekje dicht en legde het in den lessenaar.

"Geef hier," zei hij tegen Dik.

Dik gaf hem de lei, — en de meester keek naar de natte spons. Dik keek er ook naar. Hij had een spons nog nooit zoo'n belangwekkend voorwerp gevonden als thans.

De meester vestigde toen zijn blik op Dik en keek hem wel een minuut lang onbeweeglijk aan.

Eindelijk zei hij, terwijl hij hem de lei teruggaf:

"Je kunt gaan, Dik. Ik dank je wel voor den prettigen middag, dien je me bezorgd hebt. Ik wist niet, dat je zoo'n hekel aan me hadt, Dik."

"Dat heb ik niet, m'st'r," zei Dik zacht, want hij vond het jammer, dat de meester deze verkeerde gedachte van hem had.

"Neen, dat is wel gebleken," zei de meester kortaf. "Je kunt gaan, Dik."

Dik bleef staan. 't Hinderde hem dat de meester dit dacht.

"Ju kunt gaan, Dik," herhaalde de meester met verheffing van stem. "Ik wensch geen woord meer van je te hooren."

Dik borg zijn lei op en ging heen. Bij de deur zei hij:

"Dag meester!"

Maar hij hoorde geen antwoord.

image: versiering

image: versiering

image: hoofdstuk-versiering

image: hoofdstuk-versiering

D

Dik keerde in geen opgewekte stemming naar huis terug. O ja, hij had met zijn muis wel verbazend veel pret gehad, maar dat de meester nu de gedachte koesterde, dat hij een hekel aan hem had, hinderde hem geen klein beetje. Want het was in het geheel niet waar, integendeel, hij hield veel van den meester, en hij had de muis allerminst medegenomen naar school, om den meester te plagen.

Hij zag, dat de nieuwe buurman bezig was, zijn vrouw te helpen bij het ophangen van de gordijnen. Het blinde meisje zat op een ouden, matten stoel voor het huisje. Zij had Dik's kauw bij zich en Dik hoorde het beest zeggen:

"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Helly!"

Het meisje klapte van pleizier in de handen.

"Dag Gerrit!", riep zij herhaaldelijk. "Kom hier, Gerrit!"

Maar Gerrit kwam niet. Hij stapte parmantig in het grasperkje heen en weer en wipte eindelijk op een paaltje van het hek. Daar zag hij Dik aankomen.

"Dag Dik! Hier is Gerrit! Dag Dik! Dag Helly!"

"Dag Gerrit!" riep Dik.

"Ben jij daar, Dik?" vroeg het meisje. "Kom je even bij me?"

Dik kwam.

"Hier zit je lekker, — in het zonnetje!" zei hij.

"Ja," zei Nelly, — "heerlijk! Ik zal nu wel weer gauw gezond worden. 't Is hier een heel verschil met het akelige slop in Amsterdam. Wat ben je laat, Dik, 't is al over zessen."

"Ja," zei Dik. "Erg laat."

"Heb je plezier gehad met je muis? Waar is hij? Heb je hem nog?"

"Zoo, je bent nog al nieuwsgierig," zei Dik, "drie vragen opeens. Ja, ik heb erg veel pleizier met hem gehad, en ik heb hem niet meer, en waar hij nu is, dat weet ik niet. Hij wandelt hier of daar in het veld, denk ik."

"En heb je er de meisjes mede nagezeten?" vroeg Nelly lachend.

"Neen, — maar hij is me in de school ontsnapt, doordat het draadje brak, en toen werd het een tumult, zooals ik nog nooit beleefd heb. De meisjes gilden moord en brand en klommen bovenop de banken, en den meester maakte hij ook aan 't schrikken, en Bruin Boon kroop hij in zijn kraag, — op zijn bloote lijf. 't Was om je een ongeluk te lachen...."

"Wie is Bruin Boon?" vroeg Nelly. "Wat een gekke naam."

"Bruin Boon is de naarste jongen van de heele school," zei Dik. "Kijk, daar loopt hij juist voorbij — Heidaar, Bruin, weet jij ook, waar de andere jongens naar toe zijn?"

"Heb je lekker school moeten blijven?" riep Bruin terug.

"Ja, tot zes uur," zei Dik. "Zeg, waar zijn de jongens?"

"Ze zijn gaan zwemmen," zei Bruin.

"Waar?"

"In de Molensloot," zei Bruin, die zeer goed wist, dat zij daar niet waren, omdat hij ze voorbij had zien gaan naar de Vaart achter het huis van boer Mulder.

"Zoo," zei Dik. "Dan ga ik er straks ook heen."

Bruin, die een hengelstok over den schouder droeg, en dus van plan scheen hier of daar te gaan hengelen, liep verder. En Nelly zei:

"Ha, ha, Dikje, dus je muis is de oorzaak geworden, dat je tot bijna zes uur school hebt moeten blijven? Toen lachte je zeker niet meer?"

"O, — dat kon me zoo veel niet schelen," zei Dik. "Maar de meester denkt nu, dat ik een hekel aan hen heb, — en dat is niet waar. Ik houd juist heel veel van hem. En dat hij dat denkt, — zie je, dàt spijt me veel meer, dan dat ik zoo lang heb moeten schoolblijven."

"Wel, zeg dat dan aan den meester," zei Nelly.

"Ja, maar dat gaat zoo gemakkelijk niet," beweerde Dik. "Ik wou het hem wel zeggen, maar hij liet me niet aan het woord komen."

"Dat was jammer."

"Ja," zei Dik, "'t spijt me. Kom, ik ga naar de Molensloot, naar de andere jongens, om te zwemmen. Dag!"

"Dag!" zei Nelly. "Kom hier Gerrit!"

Dik haalde zijn polsstok en ging er mede naar de Molensloot. Deze lag dicht achter den molen van Van Dijk, en ontleende daar zijn naam aan. Toen Dik den molen passeerde, zag hij daar den jongen hond van den molenaar loopen, een grooten lobbes van nog maar enkele maanden oud. 't Was een echte Sint Bernards-hond, dien de molenaar van een kennis gekocht had. 't Zou een reusachtig groote hond worden, dat was duidelijk aan zijn lichaamsbouw en dikke, gespierde pooten te zien, en aan zijn grooten kop.

't Beest liep in zijn eentje te spelen met een broek van zijn baas, die hij van de drooglijn getrokken had. De molenaarsvrouw had zeker waschdag gehad.

Het beest hield het kleedingstuk tusschen zijn geweldige kaken geklemd en slingerde het al spelende heen en weer, en even later holde hij er het molenerf mede op langs een dorenhaag, zoodat de broek herhaaldelijk aan de scherpe punten bleef vasthaken. Dat vond Kolos, zoo heette de hond, wel prettig, want dan moest hij geweldig sjorren en rukken, om haar weer los te krijgen. Dat er op die manier wel een twintigtal winkelhaakjes en andere scheurtjes in kwamen, kon hem blijkbaar niet schelen.

Maar Dik merkte het op, en hij besloot de pantalon van den molenaar van een algeheelen ondergang te redden. Hij liep dus het molenerf op, klapte in zijn handen en op zijn knieën, en riep:

"Kom hier, Kolos, kom hier! Moet jij de broek van den baas vernielen? Kom hier, Kolos, — allo!"

De hond kende 'Dik net zoo goed als deze hem, want Dik kwam dikwijls in den molen. De baas hield veel van Dik, en moest om zijn dwaze streken soms hartelijk lachen. Bovendien wist hij, dat Dik een goed hart bezat.

"Kom hier, Kolos," riep Dik, die zijn polsstok aan den kant van den weg had neergeworpen.

Maar Kolos had veel te veel pret met de pantalon, om er zoo maar een — twee — drie mede op te houden. Hij hield de eene pijp vast en slingerde de rest zoo hard heen en weer, als hij maar kon. Toen kroop hij door een gat in de dorenhaag en sleepte de broek achter zich aan. Maar dat ging niet. Zij bleef aan twee kanten vasthaken.

De hond sjorde uit alle macht, en Dik hoorde een verdacht gekraak.

"O jé," dacht hij, "daar blijft geen stuk van heel. — Kom hier, Kolos, kom hier! Allo Kolos, kom bij den baas!"

De hond sjorde maar door, onder een dof gebrom.

"Krak! Krak!" klonk het.

Dik greep het kleedingstuk met twee handen vast en trok ook uit alle macht.

Toen zag Kolos hem.

Hij liet de broek los, begon te kwispelstaarten, en holde blaffende aan den anderen kant van de haag heen en weer.

Dik maakte zich van de broek meester en bracht hem bij de molenaarsvrouw.

"Kijk eens, buurvrouw," zei hij, "hoe Kolos die broek toegetakeld heeft! Er zitten wel honderd scheuren in!"

"'t Is zonde nog toe!" riep de vrouw uit, terwijl ze het voorwerp van voren en van achteren en links en rechts bekeek. "'t Is zonde nog toe! Die akelige hond heeft hier in huis al wat stuk gemaakt en vernield. Die broek is vanmorgen pas gewasschen en aan de lijn gehangen, en kijk me nu eens aan. Er is geen stuk meer van heel! — Leelijke hond!"

Kolos stond kwispelstaartend achter Dik.

De vrouw nam de pijpen van de broek in beide handen en wilde met het overige deel den hond een klap geven, om hem te straffen voor zijn baldadigheid.

Maar zij sloeg mis.

"Leelijke hond! Pas op, hoor, als je 't weer doet. Stoute hond!"

Kolos maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam.

"Mag ik den hond een poosje meênemen?" vroeg Dik.

"Hoe langer hoe liever," zei de molenaarsvrouw boos.

En Dik ging heen.

"Kom, Kolos, ga je meê?" riep hij.

De hond kwam met groote sprongen achter hem aan. Dik liep hem op een draf vooruit, bleef plotseling staan, keerde zich om, en klapte in de handen. Met hooge jongehonden-sprongen kwam Kolos op hem af, verhief zich op zijn achterpooten en legde zijn voorpooten op Dik's schouders. 't Gebeurde met zoo'n vaart, dat Dik door den schok bijna achterover tegen en grond sloeg.

De hond was veel grooter dan hij.

Dik nam den grooten hondenkop tusschen zijn beide handen en schudde hem spelenderwijze heen en weer.

Kolos hield zijn bek wijd open en bromde van welbehagen. Hij wilde Dik's handen tusschen zijn tanden nemen.

Een ogenblik later nam Dik zijn polsstok weer over den schouder en vervolgde zijn weg. De hond rende met groote sprongen voor hem uit, vloog op elk vogeltje aan, dat hij hier of daar op den weg zag zitten en keerde dan weer blaffende naar Dik terug. Herhaaldelijk liep Kolos ook bij den kanaalkant neer, om zijn dorst te lesschen. Dik hoorde hem slokken.

Zoo kwam het tweetal eindelijk bij de Molensloot, waar een enkele blik voldoende was om Dik te overtuigen, dat Bruin hem weer eens voor den gek had gehouden, want de jongens waren er niet. Alleen Bruin Boon zag hij op eenigen afstand onder aan den kant staan hengelen. Bruin zag hem niet, wat geen wonder was, want Bruin had beet, en al zijn aandacht was bij zijn dobber. Al driemaal was deze een heel eind onder water getrokken, zoodat Bruin niet twijfelde, of er zat een groote visch aan het aas, misschien wel een brasem of een karper, maar als Bruin dan ophaalde, was het telkens mis. Er spartelde zelfs geen klein vorentje aan den haak.

"Hebben mòèt ik hem," bromde Bruin, en een oogenblik later dobberde zijn dobber alweer met kracht op en neer. De visch zat alweer aan het aas.

Dik was kwaad, omdat Bruin hem bedrogen had, en hij besloot, hem dat eens goed aan zijn verstand te gaan brengen. Bruin zag hem niet komen, want er groeide riet aan den kant en ook was zijn aandacht te veel bij zijn dobber.

Dik Wierp zijn polsstok neer en liep op Bruin af. De hond rende met groote sprongen voor hem uit, met den langen, rooden tong uit zijn bek. Hij zag een paarkieviten op eenigen afstanden rende er op af, maar de beesten hadden zich al lang in veiligheid gebracht, voordat hij hen bereikt had.

Dat was dus mis voor Kolos. Opeens zag deze op eenigen afstand Bruin Boon aan den waterkant staan. Bruin stond zoover mogelijk voorover en tuurde met aandacht naar zijn dobber, die zich zoo snel op en neer bewoog, dat er zelfs kleine kringen in het water gevormd werden.

Ha, — nog een oogenblik, — dan zou hij ophalen...

Maar plotseling sprong Kolos hem al spelende met zijn voorpooten achter op de schouders, met het gevolg, dat Bruin Boon voorover in de Molensloot plompte en Kolos boven op hem terecht kwam.

"Hè, o, — hu!" schreeuwde Bruin verschrikt, daar hij den hond niet had zien aankomen en dus allerminst kon begrijpen, wat er aan de hand was.

Bruin ging kopje-onder, en kwam midden in de Molensloot weer te voorschijn. Dicht bij hem zag hij Kolos rondzwemmen, die het bad op dezen warmen zomerdag wel prettig vond en voor zijn genoegen naar Bruin zwom, wien hij de beide voorpooten op het hoofd legde, dat maar juist boven water kwam, want de Molensloot was nog al diep.

Met een nieuwen schrik dook Bruin onder.

Dik vond het geval zoo grappig, dat hij languit in het gras aan den kant van de sloot lag te lachen, dat men hem wel op vijf minuten afstands hooren kon.

"Help!" schreeuwde Bruin, die een eindje verder weer met zijn hoofd boven water kwam. Maar Dik vond dat niet noodig. De jongens gingen heel dikwijls in de Molensloot zwemmen en zij wisten, dat zij er dwars doorheen konden loopen, zonder onder water te gaan.

"Ha — ha — ha — ha!" lachte hij, terwijl hij in het gras lag te rollen.

"Help! O, die hond, — daar komt die hond weer!" schreeuwde Bruin.

"Kom er zelf maar uit, — hoor! Ha — ha — ha —!"

"O, — o! Ik verdrink!"

"Je verdrinkt niet, — ha — ha — ha, — je kunt best —— overeind staan," riep Dik hem toe. "Kom hier, Kolos!"

Kolos zwom naar den kant en schudde zich het water uit de haren. Hij ging naast Dik in het gras liggen rollen.

Toen plonsde ook Bruin naar den kant en kroop tegen den wal op. Daar stond hij, druipend van het water, met zijn mond zoo ver mogelijk open te schreeuwen. Zijn beenen hield hij wijd van elkander en zijn armen ver van zijn lijf.

Hij stond daar als het beeld der wanhoop.

"Ha — ha — ha — ha!" lachte Dik. "Was je aan het zwemmen, Bruin? Waar zijn de andere jongens, die hier aan het zwemmen waren, Bruin? Je zei immers, dat ze hier waren? Ha — ha — ha —! Maar ik zie ze nergens, Bruin, alleen jou maar. En houd jij je kleeren altijd aan, als je gaat zwemmen?"

"Hi — hi — hi — hi!" jammerde Bruin. "Dat — heb jij — me — ge — le — verd!"

"Glad mis, Bruintje!" zei Dik. "Ik....."

"Jij — hebt — hi — hi — hi — den hond aan — ge — sard — hi — hi!"

[illustratie]

[illustratie]

"Als ik dat gedaan had, zou ik het in 't geheel niet erg gevonden hebben. Waarom zeg je tegen me, dat de jongens hier aan het zwemmen waren, terwijl je wist, dat het niet waar was?"

"Hi — hi — hi — hi — hi!"

"Maar ik heb het niet eens gedaan; de hond deed het uit speelschheid, en hij nam me het werk uit de handen. Want ik kwam juist naar je toe, om je je leugens in te peperen. Maar nu is het niet meer noodig. Je hebt je portie al beet. Ga maar naar je huis, Bruintje, om droge kleeren aan te trekken. Ik zal je hengelstok uit het water halen. Hij drijftmidden in de sloot."

"Hi — hi — hi!" jammerde Bruin.

"Dáár," zei hij, terwijl hij hem Bruin overhandigde.

Bruin legde hem over zijn schouder, en zakte langzaam en erg wijdbeens op huis af.

Dik keek hem lachend na. Hij had geen aasje medelijden met hem. Kolos sprong vroolijk blaffend om Bruin heen, zeker in de meening, dat hij hem een groot genoegen gedaan en een gewichtigen dienst bewezen had.

Een poosje later ging ook Dik naar het dorp terug. Kolos liep vroolijk om hem heen. Dik begaf zich naar de Vaart, achter het huis. van boer Mulder. Dáár waren de jongens. Toen hij dichterbij kwam, hoorde hij hun gejoel en gejuich al.

"Hoera, daar is Dik!" riep Piet van Dril, toen hij hem zag komen.

"Hoera, daar is Dik!" riepen de anderen.

"Heb-je lang moeten blijven?" vroeg Jan Vos.

"Tot zes uur maar eventjes," zei Dik, die zijn polsstok neerwierp en zijn kleeren begon uit te trekken.

"Kom er maar gauw in, Dik, 't water is lekker, hoor!" zei Piet.

Nu, Dik had niet lang werk om zich te ontkleeden. Een paar minuten later sprong hij al met zijn dikke body in het water.

Dik kon goed zwemmen. Met forsche slagen ging hij naar den overkant, — daar keerde hij zich om en ging even staan, spitste zijn handen zoo hoog mogelijk boven zijn hoofd, en verdween toen in de diepte.

"Ha, kijk Dik eens duiken,". riep Karel Jansen, een zoon van den postbode. — "Lekker! Dat ga ik ook doen!"

En hij deed het.

Dik kwam een heel eind verder weer boven en blies proestend de droppels van zijn lippen.

[illustratie]

[illustratie]

Hij moest even rusten en op adem komen. Tot aan zijn borst toe stond hij in het water.

De hond keek naar hem en stond aan den kant te kwispelstaarten.

"Jongens, wat heb ik gelachen!" riep Dik den anderen toe.

"Wat dan? Waarom?" vroegen zij nieuwsgierig.

"Om Bruin Boon," zei Dik. "Ik vroeg hem, waar jullie waren, en toen zei hij, dat je in de Molensloot aan 't zwemmen was. Maar toen ik daar kwam, zag ik er alleen Bruin Boon, die aan den kant stond te hengelen. Opeens vloog de hond op hem af en sprong hem spelende tegen zijn rug op, met zijn voorpooten op Bruin's schouders. Plomp hoor! Daar ging Bruintje voorover de sloot in, kopje-onder, en de hond bovenop hem. Je hadt hem eens moeten hooren schreeuwen..."

"Ha — ha — ha!" lachten de jongens. "En is hij naar huis gegaan?"

"Ja," grinnikte Dik, "met zijn beenen zoo wijd van elkaar, dat de hond er wel tusschen door kon!"

"Ha — ha — ha! Hij heeft geen gelukkigen dag," lachte Piet van Dril. "Eerst die muis tusschen zijn kraag, en toen kopje-onder in de sloot. — Net goed!"

"Kom hier, Kolos!" riep Dik, en de hond liet zich geen tweemaal noodigen.

Blaffende sprong hij even langs den kant van het water heen en weer, en wierp er zich toen pardoes in. Hij zwom regelrecht op Dik toe, die hem door zoo hard mogelijk te zwemmen, vóór wilde blijven. 't Werd een grappige wedstrijd tusschen Dik en Kolos, wie het winnen zou, en de anderen lachten er om. Maar Karel Jansen trok Kolos aan zijn staart, en Jan Vos wierp hem handenvol water op zijn kop, waardoor hij niet goed meer zien kon. Hij schudde zijn kop heen en weer en proestte het water van zijn bek weg, en toen keerde hij zich om en ging op Karel en Jan af.Die zwommen ophun beurt weer weg, zoo hard zij konden en onder luid gelach en Dik riep: "Sa, sa, Kolos, pak ze! Sa! Sa!"

Och, och, wat hadden de jongens een pret. Zij juichten zoo hard dat Mulder, wiens tuin aan de achterzijde aan de Vaart grensde, wantrouwig werd en eens ging kijken, wat de jongens uitvoerden.

Mulder was een gierige boer, een echte vrek, die zijn boerderij verkocht had en heelemaal alleen in een klein huisje woonde aan het einde van het dorp. Hij had een grooten tuin achter zijn huis met vele vruchtboomen: appelen, peren, kersen, morellen, kruis- en aalbessen en frambozen. Van die vruchten at hij er zelf bijna geen enkele op, daar was hij te gierig voor, hoewel hij een ijzeren kist vol met geld onder zijn bedstede had staan.

Neen, die vruchten verkocht hij aan de fruithandelaars in de stad, en zelfs aan een ziek mensch zou hij er geen een gegund hebben. Laat staan dan aan de jongens, die wel eens stilletjes in zijn tuin drongen en er kaapten, wat de tijd van het jaar opleverde. Vroeger had Dik daaraan ook wel meêgedaan, tot hij op een zekeren avond voor zich zelven tot de conclusie kwam, dat vruchten kapen net zoo goed diefstal was als b. v. centen stelen, en na dien tijd deed hij het niet meer. Mulder ging dus eens kijken, wat de jongens uitvoerden, want de appelen en peren waren nog wel niet rijp, maar er groeiden heerlijke bessen, aardbeien en frambozen in zijn tuin, en die waren op dit oogenblik wèl rijp.

Zijn tuin was van de Vaart gescheiden door een strook kreupelhout, waardoor de jongens hem niet gemakkelijk konden zien. En woord voor woord kon hij verstaan, wat zij zeiden.

Toen de jongens van het zwemmen genoeg begonnen te krijgen, riep Jan Vos den anderen toe:

"Zeg jongens, ik schei er uit. Ik ben nu al lang genoeg in het water geweest. Willen we eens bij Mulder in den tuin gaan kijken, of er niets te happen valt. De aardbeiën zullen wel rijp zijn."

"'t Is nog te licht, jongens," zei Piet van Dril. "Laten we liever wachten, tot het donker geworden is."

"En wat moeten we dan in dien tusschentijd doen?" vroeg Karel Jansen.

"Ik heb mijn polsstok bij me. Laten we slootje gaan springen," stelde Dik voor.

"Ja, ja, slootje-springen, — dat is goed!"

De jongens klommen aan wal en kleedden zich aan.

Toen gingen zij met Dik dieper het land in om te zien, wie het verst springen kon.

image: versiering

image: versiering

image: hoofdstuk-versiering

image: hoofdstuk-versiering

H

Ha — ha!" lachte Mulder met een paar half dichtgeknepen oogen, precies zooals de kat kijkt, als hij op een muis zit te loeren en zoo goed als zeker van zijn prooi is.

"Ha ha, vrindjes, willen jullie liever wachten, tot het donker geworden is? Je hebt schoon gelijk; dat is veel secuurder! Ha ha, ze moesten eens weten, dat ik woord voor woord verstaan heb, wat ze zeiden, en dat ik nu mooi in de gelegenheid ben, mijn maatregelen te nemen. Ja, ja, 't is nog te licht, hè? Eerst moet het wat donkerder worden. Maar ik zal jullie wel krijgen, dat beloof ik je. Ik heb een mooie verrassing voor je!"

Ion Mulder lachte weer, waarbij hij zijn grooten, tandeloozen mond bijna tot aan zijn ooren toe opentrok.

Hij ging naar een schuur, waar een groot, nijdig beest aan den ketting lag. 't Was een kwaadaarige aap, die Mulder op dienzelfden morgen ten geschenke had gekregen van een neef van hem, een matroos, die een paar dagen geleden uit Indië was teruggekeerd. Die neef was een slimmerd. Hij wist, dat zijn oom niet alleen oud, maar ook erg rijk was, en dat hij er altijd vreeselijk over klaagde, dat de jongens hem 's avonds zijn vruchten afkaapten.

"Weet je wat, ik zal mijn Oom Mulder een kwaadaardigen aap cadeau doen," dacht Neefje. "Dien aap bindt hij met een land touw aan een boom vast, en als dan de vruchtendieven komen, springt de aap hen op hun nek, en dan zullen ze 't voor den tweeden keer wel laten en uit dankbaarheid benoemt Oompje mij zonder eenigen twijfel tot zijn universeelen erfgenaam."

En zoo was Neef dezen zelfden morgen met zijn eigenaardig geschenk bij Oom aangekomen.

De aap was een leelijk, kwaadaardig beest, met kale wangen en een kaal achterlijf, en zoodra hij bij Oom binnenkwam, was hij op den ouden vrek aangevlogen en had hem in zijn been gebeten.

Wat was Oom nijdig geworden.

"Ben je gek, Neef," had hij met een pijnlijk gezicht uitgeroepen, terwijl hij uit zijn wankelenden leuningstoel was opgesprongen, want het was al een oud ding en de pooten waren niet even lang, — en al schoppende den aap op eenigen afstand trachtte te houden. "Ben je gek, Neef, wat moet ik met dat kwaadaardige monster beginnen? — Hu, wat een beest! — Daar komt hij weer! — Houd hem bij je, zeg ik. Kssst, monster, — pas op, Neef, hij wil me aanvliegen!"

"Wees maar bedaard, Oom. Hier Kees! Allo Kees! Hier, zeg ik je!"

Neef ga een ruk aan den ketting en een schop aan dien aap, tengevolge waarvan Kees bang onder den stoel van Neef wegkroop.

"Stil zitten daar, hoor je!" dreigde Neef met opgeheven vuist. De aap keek Neef bevreesd aan, maar toen deze niet meer op hem lette, grijnsde hij Oom allesbehalve vertrouwenwekkend toe.


Back to IndexNext